Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200830825 nr. 9

30 825
Ecologische hoofdstructuur

nr. 9
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 december 2007

Op 21 november 2007 heeft de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit mij verzocht (07-LNV-B-89) om een reactie op de brief van LTO Noord.

In haar schrijven stelt LTO Noord dat gezien een aantal ontwikkelingen, met name «claims» voor natuur in Noordoost Twente, familiebedrijven zullen verdwijnen. LTO Noord stelt het einddoel van 728 500 hectare Ecologische Hoofdstructuur (EHS) ter discussie en geeft aan geen medewerking meer te kunnen verlenen aan de realisatie van de EHS.

Ik beaam dat het realiseren van de natuur- en landbouwdoelen een lastige opgave is, maar ik betreur het gegeven dat LTO Noord in Noordoost Twente zich zo opstelt. Tijdens mijn werkbezoek, medio september 2007, heb ik met vertegenwoordigers uit het gebied gesproken en een sterke betrokkenheid ervaren.

Ik zie de geschetste ontwikkelingen als volgt.

1 Vrijwilligheid bij de realisatie van de EHS

Mijn uitgangspunt voor de realisatie van de EHS is dat dit plaatsvindt in nauw overleg met het betrokken gebied en op vrijwillige basis. De uiteindelijke beslissing tot verkoop of tot omvorming van landbouwgrond naar natuur ligt bij de eigenaar. Goede samenwerking op gebiedsniveau is naar mijn opvatting het sleutelwoord om tot oplossingen te komen.

2 Prijsopdrijvend handelen Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL)

Bureau Beheer Landbouwgronden koopt in opdracht van de provincie landbouwgrond aan ten behoeve van diverse doelen (landschap, EHS, water, landbouwstructuurverbetering). De kaders voor de aankopen in Overijssel zijn vastgelegd in een handelingskader, waarbij het uitgangspunt is dat er niet prijsopdrijvend gewerkt wordt.

Een ontwikkeling van de laatste tijd is dat de aankooptaakstelling gerealiseerd moet worden via de aankoop van hele bedrijven in combinatie met het faciliteren van verplaatsing van landbouwbedrijven. In deze situaties probeert BBL boerderijverplaatsing te faciliteren met een verplaatsingstoeslag en indien nodig met het tijdelijk in gebruik geven van grond. Het genoemde voorbeeld van boerderij Poppink betreft zo’n geval.

In deze situatie heeft BBL in aanvulling op de aankoopprijs conform het handelingskader een verplaatsingstoelage verleend zodat de betreffende boer elders op een nieuw bedrijf door kan gaan en tijdelijk gebruik kan maken van grond in eigendom van BBL.

Uit de directe omgeving is ook een bod uitgebracht op het bedrijf (kale aankoopprijs), dat op hetzelfde niveau lag als de aankoopprijs en de verplaatsingstoelage die BBL heeft aangeboden. Daarmee heeft de lokale markt de facto een hoger bod uitgebracht dan BBL.

De betreffende eigenaar heeft uiteindelijk vrijwillig gekozen voor BBL omdat hij daarmee de mogelijkheid had om met behulp van BBL elders op een nieuw bedrijf door te gaan.

Daarnaast kan hij gebruikmaken van de mogelijkheid van tijdelijk gebruik van grond.

3 Geen inspraak mogelijkheden

In het traject van begrenzing van zowel de EHS als voor Natura 2000-gebieden zijn ruime mogelijkheden aanwezig en aanwezig geweest, voor inspraak. Dit betreft procedures en inspraakmogelijkheden in het kader van de provinciale natuurgebiedsplannen en van de aanwijzing van Natura 2000-gebieden in het voorjaar van 2007.

4 Normen Natura 2000 voor aanwending van mest

Uit contacten in de streek en bij werkbezoeken is mij gebleken dat voor betrokkenen de relatie Natura 2000 en mest niet altijd duidelijk is.

De feitelijke situatie is dat er in principe geen sprake is van een directe relatie tussen Natura 2000 en het reguliere mestbeleid of de Nitraatrichtlijn. De instandhoudingsdoelen in Natura 2000-gebieden leggen niet direct bemestingsnormen op voor gras- of akkerland in of nabij een Natura 2000-gebied. Het wel of niet deelnemen aan derogatie doet dat wel.

Ik zie graag dat beheerplannen voor Natura 2000 zo snel mogelijk worden op- en vastgesteld. Hiermee wordt meer duidelijkheid geboden over de relatie landbouw en natuur.

5 Aanwijzen landbouwgronden voor Natura 2000

In mijn brief aan de Tweede Kamer van 21 november 2007 (Kamerstuk 31 200 XIV, nr. 150) ben ik ingegaan op het thema «begrenzing nieuwe natuur» (thema 5). In deze brief is inzake het aanwijzen van nieuwe natuur het volgende opgenomen:

Selectie en begrenzing van Natura 2000-gebieden kan alleen gebeuren op basis van ecologische criteria. Daarbij is nieuwe natuur in twee situaties mee begrensd.

De eerste situatie doet zich voor wanneer het natuurdoel van de nieuwe natuur overeenkomt met dat van het aangrenzende aangemelde Natura 2000-gebied; dus wanneer de natuurwaarden er al zijn of al worden ontwikkeld. De tweede situatie is wanneer de nieuwe natuur noodzakelijk is om de instandhoudingsdoelstellingen te kunnen realiseren. Het uit de begrenzing halen van nieuwe natuur is aan de orde indien deze niet (meer) voldoet aan (één van) de eerdergenoemde criteria.

Waar het gaat om nieuwe natuur die na de aanmelding in 2003 is opgenomen in de ontwerpbesluiten zal ik nogmaals kritisch kijken naar het nut en de noodzaak daartoe, met name waar het gaat om landbouwgrond.

Voor nieuwe natuur die nodig is ter realisatie van Natura 2000, blijft het principe van vrijwilligheid gelden ten aanzien van eventuele verkoop van de gronden of ten aanzien van het moment van omzetting van cultuurgrond naar natuur.

6 Structuurverbetering

Om de EHS te kunnen realiseren, wordt grond gekocht of in verschillende situaties gaan de grondeigenaren zelf over op natuurbeheer. De grond wordt gekocht in losse percelen, of in toenemende mate worden gehele bedrijven gekocht, al of niet met hulp voor verplaatsing. De eigenlijke realisatie van de EHS kan vervolgens pas plaatsvinden door uitruil van gronden waarbij behalve de EHS ook andere doelen, zoals de landbouwstructuur in het betreffende gebied worden gediend, binnen de lokale mogelijkheden van vrijwillige deelname. Daarnaast is in Overijssel het Coördinatiepunt Kavelruil Overijssel (CKO) ingesteld. Dit coördinatiepunt initieert jaarlijks gemiddeld vijf kavelruilprojecten (omvang circa 2000 hectare). De provincie Overijssel faciliteert deze projecten met een zogenaamd «revolving fund» van waaruit grond kan worden aangekocht om de ruilingen mogelijk te maken.

Alles overziende ben ik van mening dat op diverse manieren door Rijk en provincie gewerkt wordt om op een integrale wijze de doelen te realiseren. Het gaat hierbij niet alleen om natuurdoelen maar met name ook om landbouwdoelen.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg