<?xml version="1.0" encoding="us-ascii"?>
<!DOCTYPE kamerwrk PUBLIC "-//SDU//DTD kamerwerk xml 1.1//NL" "../../dtd/kamerwrk-11.dtd"[]>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30545-85/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2009-2010</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="rel_1_0_7_10__1.1" markup="1xa" />
    <ordernr>KST140321</ordernr>
    <vergjaar>2009-2010</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>30 545</nummer>
      <naam>Uitvoering Wet Werk en Bijstand</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>85</nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG</titel>
      <datum>Vastgesteld 22 januari 2010</datum>
      <al>Binnen de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid<voetref refid="v1.1" nr="1" />, hebben de leden van de CDA-fractie en van de SP-fractie
de behoefte om over de brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid d.d. 8&#xA0;december 2009 inzake de erfenis van een minderjarig
kind in relatie tot de Wet werk en bijstand (Kamerstuk 30&#xA0;545, nr. 83)
enkele vragen en opmerkingen voor te leggen.</al>
      <witreg />
      <al>De vragen en opmerkingen zijn op 23&#xA0;december 2009 aan de staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 20&#xA0;januari
2010 zijn de vragen beantwoord.</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
        <naam>Jonker</naam>
        <functie>Adjunct-griffier van de commissie,</functie>
        <naam>Van de Wiel</naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">I&#x2002;Vragen en opmerkingen</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie</tuskop>
      <al>De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief. Zij delen
de mening van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat
maatwerk op zijn plaats is en dat constructies voorkomen dienen te worden,
waarbij ouders snel hun hele vermogen aan kinderen schenken en vervolgens
een beroep doen op de bijstand.</al>
      <al>Deze leden zijn echter verbaasd dat de rechter de specifieke omstandigheden
dient te wegen en dat de staatssecretaris niet bereid is om richting te geven
aan en een indruk te geven van in welke omstandigheden welke besluiten redelijk
zijn.</al>
      <al>Graag ontvangen zij die duidelijkheid van de staatssecretaris en zij verzoeken
daarbij specifiek in te gaan op de situatie van een kind, dat een erfenis
gekregen heeft en wiens ouder/stiefouders/pleegouders een beroep moeten doen
op de Wet werk en bijstand (Wwb). Voor deze situatie is er reeds een uitzondering
bij de huurtoeslag. De leden van de CDA-fractie vragen of het in de rede ligt
dat bij de onderhavige gevallen dezelfde uitzondering wordt gevolgd.</al>
      <al>Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of in alle gevallen waarbij
een beroep gedaan moet worden op het vermogen van het minderjarig kind, een
volmacht van de kantonrechter nodig is, of dat er ook situaties denkbaar waarin
zo&#x2019;n volmacht niet nodig is (dat wil zeggen dat artikel 1:345 Burgerlijk
Wetboek dan niet van toepassing is).</al>
      <tuskop letat="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van
de SP</tuskop>
      <al>De leden van de fractie van de SP hebben kennisgenomen van de brief van
de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over een erfenis
van een minderjarig kind in relatie tot de Wwb. De staatssecretaris wil de
vraag of een erfenis van een minderjarig kind wordt gebruikt om te voorzien
in het levensonderhoud in feite overlaten aan de desbetreffende gemeente c.q.
kantonrechter.</al>
      <witreg />
      <al>Hoeveel minderjarige kinderen van ouders met een WWB-uitkering hebben
de afgelopen jaren een erfenis van meer dan &#x20AC;&#xA0;10&#xA0;910,- ontvangen?
Bij hoeveel van deze kinderen zijn de ouders &#x2013; via de gemeente en de
kantonrechter &#x2013; gedwongen om deze erfenis te gebruiken als levensonderhoud?
Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om een erfenis aan een minderjarig
kind van ouders in de bijstand tot een bepaald (spaar)bedrag vrij te laten?</al>
      <tuskop letat="vet">II.&#x2002;Reactie</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie</tuskop>
      <al>De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake de
erfenis van een minderjarig kind in relatie tot de Wet werk en bijstand (WWB)
. Zij delen de mening van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
dat maatwerk op zijn plaats is en dat constructies voorkomen dienen te worden,
waarbij ouders snel hun hele vermogen aan kinderen schenken en vervolgens
een beroep doen op de bijstand.</al>
      <al>Deze leden zijn echter verbaasd dat de rechter de specifieke omstandigheden
dient te wegen en dat de staatssecretaris niet bereid is om richting te geven
aan en een indruk te geven van in welke omstandigheden welke besluiten redelijk
zijn. Graag ontvangen zij die duidelijkheid van de staatssecretaris en zij
verzoeken daarbij specifiek in te gaan op de situatie van een kind, dat een
erfenis gekregen heeft en wiens ouder/stiefouders/pleegouders een beroep moeten
doen op WWB.</al>
      <witreg />
      <al>Met de leden van de CDA-fractie ben ik van mening dat de belangen van
minderjarige kinderen goed moeten zijn gewaarborgd, zeker wanneer &#xE9;&#xE9;n
van de ouders is komen te overlijden. Het overlijden van een ouder geeft veel
verdriet, zowel bij het kind als de achterblijvende ouder. Ik vind het belangrijk
dat als er sprake is van bijstandsverlening niet alleen de gemeente naar de
individuele financi&#xEB;le situatie van het minderjarige kind kijkt, maar
ook een onafhankelijke instantie. Daartoe dient het onafhankelijk oordeel
van de kantonrechter. Voor minderjarige kinderen heeft de wetgever als uitgangspunt
genomen dat deze individueel en objectief beoordeeld dienen te worden ten
aanzien van de persoonlijke omstandigheden, met inachtneming van het feit
dat ook de ouders van deze minderjarige kinderen medeverantwoordelijkheid
dragen. De beoordeling van de uiteenlopende situaties van deze kinderen met
de daaruit voortvloeiende verschillen in noodzakelijke bestaanskosten is afhankelijk
van een combinatie van factoren, die van geval tot geval moet worden gewogen.
Deze beoordeling heeft de wetgever uitdrukkelijk beoogd toe te bedelen aan
de kantonrechter. Het is een uitdrukkelijke verantwoordelijkheid van de kantonrechter
uitvoering te geven aan dit maatwerkprincipe. De kantonrechter beoordeelt
op grond van artikel 1:356 van het Burgerlijk Wetboek of in het individuele
geval het noodzakelijk, wenselijk, of nuttig voor het minderjarig kind is,
als de ouder kan beschikken over het vermogen van het minderjarig kind. Alleen
als dat het geval is, zal de kantonrechter op grond van artikel 1: 345 van
het Burgerlijk Wetboek daartoe een machtiging afgeven. Dit geldt ook in die
gevallen waarin de WWB niet aan de orde is en de ouder geen bijstandsuitkering
ontvangt. Ouders kunnen dus niet zonder meer over het vermogen van hun minderjarige
kinderen beschikken. De kantonrechter zal derhalve aan de hand van deze maatstaf
de individuele omstandigheden en belangen van het minderjarige kind toetsen
en daarin dus maatwerk verlenen. Ik mag bij deze wettelijke systematiek niet
treden in deze bevoegdheid en daarbij op voorhand voorschrijven bij welke
omstandigheden welk besluit door de onafhankelijke kantonrechter moet worden
genomen. Daarnaast verbiedt de WWB mij te mengen in de individuele gevalsbehandeling.
Dit vind ik ook niet nodig, omdat de financi&#xEB;le positie van het minderjarige
kind door het oordeel van de kantonrechter voldoende wordt beschermd.</al>
      <witreg />
      <al>Aan de hand van de (beperkte) jurisprudentie kan een indruk worden gekregen
welke omstandigheden door de kantonrechter worden gewogen en aldus welke besluiten
als redelijk kunnen worden beschouwd. In de uitspraken d.d. 27&#xA0;mei 2008
(LJN: BD2656) en d.d. 9&#xA0;oktober 2003 (LJN: AL8167) is meegewogen de (immateri&#xEB;le)
afhankelijkheid van het minderjarige kind van de ouder(s) en de aan- of afwezigheid
van een financi&#xEB;le constructie waarbij een ouder in een behoeftige toestand
wordt gebracht door verschuiving van zijn eigen vermogen naar een minderjarige,
waardoor er misbruik van de bijstand wordt gemaakt. Dit vind ik redelijke
afwegingen. Ik ben van mening dat de belangen van het kind meer gebaat zijn
bij het maatwerk van de kantonrechter dan bij algemene richtlijnen van mijn
hand die dat maatwerk kunnen doorkruisen.</al>
      <witreg />
      <al>De leden van de CDA-fractie vragen voorts of het in de rede ligt dat bij
het in aanmerking nemen van de erfenis aan een minderjarig kind dezelfde uitzondering
wordt gevolgd als bij de huurtoeslag.</al>
      <witreg />
      <al>Nee, dat ligt niet in de rede. Het recht op huurtoeslag is mede afhankelijk
van het vermogen. Op grond van artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen (Awir), betekent dit, dat geen recht op toeslag bestaat indien
voor de belanghebbende vermogen in aanmerking wordt genomen voor de belastingheffing
op grond van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in box 3.
Er bestaat geen recht op een huurtoeslag indien het vermogen meer bedraagt
dan het heffingsvrije vermogen zoals dat geldt voor de Wet IB
2001. Voor box 3 (het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen) geldt een
heffingsvrij vermogen van (thans) &#x20AC;&#xA0;20&#xA0;661 voor alleenstaande
belastingplichtigen,&#x20AC;&#xA0;41&#xA0;322 voor belastingplichtigen met een
partner en voorts van&#x20AC;&#xA0;2&#xA0;762 per minderjarig kind. Het heffingsvrije
vermogen wordt daarnaast verhoogd met een ouderentoeslag voor personen van
65 jaar en ouder.</al>
      <al>Een gelijkschakeling van het heffingsvrije vermogen in de Wet IB 2001
en Awir en de vermogensvrijlating in de WWB doet geen recht aan de verschillen
in karakter en functie en, daarmee samenhangend, de definities voor de bepaling
van het vermogen in respectievelijk de Wet IB 2001, Awir en de WWB. Dit komt
onder meer tot uiting in het feit dat het bij de Awir gaat om de bepaling
van de draagkracht aan de hand van het toetsingsinkomen terwijl het bij de
WWB, gezien het vangnetkarakter, gaat om het volledige vermogen dat in aanmerking
wordt genomen voor besteding aan kosten van levensonderhoud. Anders dan bij
de bepaling van draagkracht voor het verstrekken van tegemoetkomingen voor
bepaalde kosten op grond van de Awir vergt het complementaire karakter van
de WWB dat alleen bijstand wordt verleend indien er geen of onvoldoende eigen
middelen zijn.</al>
      <al>Daarnaast kunnen ongewenste gedragseffecten ontstaan waarbij aan de minderjarige
kinderen schenkingen worden gepleegd of bezittingen of geld worden nagelaten
om deze buiten het vermogen van de bijstandsgerechtigde ouder(s) te houden
of daaraan te onttrekken. Wijziging van de WWB geeft naar mijn mening ook
ongewenste precedentwerking om nog meer specifieke uitzonderingen in de WWB
aan te brengen. De eenvoud van de WWB en de beoogde prikkelwerking komen daarmee
onder druk te staan. De uitzondering zoals de leden van de CDA-fractie voorstellen
vind ik daarom ongewenst.</al>
      <witreg />
      <al>Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of in alle gevallen waarbij
een beroep gedaan moet worden op het vermogen van het minderjarige kind, een
volmacht van de kantonrechter nodig is, of dat er ook situaties denkbaar waarin
een dergelijke volmacht niet nodig is (dat wil zeggen dat artikel 1:345 Burgerlijk
Wetboek dan niet van toepassing is).</al>
      <witreg />
      <al>Niet in alle gevallen is een volmacht van de kantonrechter nodig als de
ouder wil beschikken over het vermogen van het minderjarige kind. Op grond
van artikel 1:345, eerste lid, BW is voor de voogd/ouder g&#xE9;&#xE9;n
machtiging vereist als het gaat om een handeling die voor rekening van de
minderjarige wordt verricht en die het aangaan van een overeenkomst betreft
om de beschikking te krijgen over goederen van de minderjarige voor zover
het geld betreft, het als een gewone beheersdaad wordt gezien, of geschiedt
krachtens een rechterlijk bevel. Uit artikel 1:345, tweede lid, BW vloeit
voort dat er ook geen machtiging voor de voogd/ouder is vereist om te kunnen
beschikken over (bank)saldi van een minderjarige als de kantonrechter heeft
bepaald dat de voogd/ouder geen machtiging daarvoor nodig heeft.</al>
      <al>Voorts heeft de voogd/ouder op grond van artikel 1:345, derde lid, BW
bij het aangaan van een overeenkomst tot be&#xEB;indiging van een geschil
waarbij de minderjarige betrokken is, ook geen machtiging nodig in het geval
van artikel 87 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering of indien het
geschil een waarde van &#x20AC;&#xA0;700 niet te boven gaat, noch indien de
overeenkomst als een beheersdaad is te beschouwen.</al>
      <al>Uit het voorgaande blijkt dat als een minderjarige van een bijstandsgerechtigde
ouder beschikt over geld op een bankrekening en/of goederen, zoals een huis,
die ouder altijd een machtiging aan de kantonrechter dient te vragen alvorens
over dit geld of die goederen te kunnen beschikken.</al>
      <tuskop letat="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van
de SP</tuskop>
      <al>De leden van de SP-fractie vragen hoeveel minderjarige kinderen van ouders
met een WWB-uitkering de afgelopen jaren een erfenis van meer dan &#x20AC;&#xA0;10&#xA0;910
hebben ontvangen en bij hoeveel van deze kinderen de ouders &#x2013; via de
gemeente en de kantonrechter &#x2013; zijn gedwongen om deze erfenis te gebruiken
als levensonderhoud.</al>
      <witreg />
      <al>Over de door de leden van de SP-fractie gevraagde aantallen zijn geen
gegevens beschikbaar. SZW raamt het aantal minderjarige kinderen van een bijstandsgerechtigde
alleenstaande ouder dat een erfenis ontvangt van de andere ouder op hooguit
enkele tientallen per jaar. Het aantal ouders hiervan dat deze erfenis met
een machtiging van de kantonrechter dient aan te wenden voor het levensonderhoud
van het betreffende gezin zal beduidend lager zijn. Dit omdat enerzijds in
een aantal gevallen het vermogen van het gezin, inclusief de ontvangen erfenis,
minder bedraagt dan het in de WWB vastgestelde vrij te laten vermogen en anderzijds,
indien het vermogen inclusief erfenis wel boven dit vrij te laten vermogen
uitkomt, niet in alle gevallen de kantonrechter een machtiging zal verlenen.</al>
      <witreg />
      <al>De leden van de SP-fractie vragen of de staatssecretaris mogelijkheden
ziet om een erfenis aan een minderjarig kind van ouders in de bijstand tot
een bepaald (spaar)bedrag vrij te laten.</al>
      <witreg />
      <al>De door leden van de SP-fractie voorgestelde vrijlating van een erfenis
aan een minderjarig kind tot een bepaald (spaar)bedrag is naar mijn mening
strijdig met het uitgangspunt van de WWB dat de eigen (financi&#xEB;le) middelen
waarover men redelijkerwijze kan beschikken, moeten worden aangewend om te
voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. In een vrijlating van
het vermogen van het gezin, inclusief dat van de ten laste komende kinderen,
is in de WWB al voorzien. Dat vermogen wordt vrijgelaten tot een bedrag van &#x20AC;&#xA0;10&#xA0;960
(per 1&#xA0;januari 2010). Daarenboven geldt een vrijlating van het vermogen
gebonden in het door het gezin bewoonde woning van &#x20AC;&#xA0;46&#xA0;200
(per 1&#xA0;januari 2010).</al>
      <al>Een dergelijke vrijlating leidt naar mijn mening tot het verlies van het
maatwerk van de kantonrechter en leidt tot het automatisme waarbij het vermogen
altijd in alle gevallen tot dat spaarbedrag moet worden vrijgelaten. Ook dit
vind ik in strijd met het complementaire karakter van de WWB. Tot slot leidt
vrijlating van een erfenis aan een minderjarig kind tot ongewenste gedragseffecten
en tot ongewenste precedentwerking die de eenvoud en de prikkelwerking van
de WWB aantasten. Het belang van het kind is naar mijn mening het meest gebaat
bij een onafhankelijke beoordeling van de individuele omstandigheden door
de kantonrechter, waarin deze van geval tot geval maatwerk verleent. Alles
afwegende vind ik het niet wenselijk in de WWB hiervoor een uitzondering te
maken.</al>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling:</al>
    <al>Leden: Van der Vlies (SGP), Van Gent (GL), Blok (VVD), Van Dijk (CDA),
Smeets (PvdA), Dezentj&#xE9; Hamming-Bluemink (VVD), Omtzigt (CDA), Van
Hijum (CDA), Timmer (PvdA), Ko&#x15F;er Kaya (D66), Jonker (CDA), voorzitter,
Ulenbelt (SP), Van Dijck (PVV), Luijben (SP), Spekman (PvdA), Koppejan (CDA),
Ortega-Martijn (CU), Van der Burg (VVD), Karabulut (SP), Thieme (PvdD), Vermeij
(PvdA), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Lempens (SP), ondervoorzitter, Vos
(PvdA) en Meeuwis (VVD).</al>
    <al>Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Sap (GL), De Krom (VVD), Smilde (CDA),
Depla (PvdA), Aptroot (VVD), Pieper (CDA), Willemse-van der Ploeg (CDA), Linhard
(PvdA), Pechtold (D66), Spies (CDA), De Wit (SP), Bosma (PVV), Irrgang (SP),
Tang (PvdA), Joldersma (CDA), Cramer (CU), Elias (VVD), Gesthuizen (SP), Ouwehand
(PvdD), Heerts (PvdA), Biskop (CDA), Gerkens (SP), Heijnen (PvdA) en Weekers
(VVD).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>