﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="meto">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30327-3/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2005-2006</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.8.0__3.4" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST90586</ordernr>
    <vergjaar>2005-2006</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>30 327</nummer>
      <naam>Regels inzake de verwerking van politiegegevens (Wet politiegegevens)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>3</nummer>
      <titel>MEMORIE VAN TOELICHTING</titel>
      <tuskop letat="vet">ALGEMEEN DEEL</tuskop>
      <tuskop letat="vet">1. Doeleinden van het wetsvoorstel</tuskop>
      <al>De samenleving verlangt van de politie dat deze op doelmatige en doeltreffende
wijze zorgdraagt voor de handhaving van de rechtsorde. Voorwaarde voor een
goede taakuitvoering door de politie is dat de daarvoor noodzakelijke gegevens
kunnen worden vastgelegd en op een efficiënte en effectieve manier kunnen
worden verwerkt. Meer dan ooit drijft het werk van de politie immers op het
verwerken en veredelen van informatie. Met dit wetsvoorstel wordt beoogd om,
met eerbiediging van de beginselen die de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer ten doel hebben, meer ruimte te bieden dan de huidige wetgeving
voor het verwerken van gegevens ten behoeve van een optimale uitvoering van
de politietaak. Het wetsvoorstel houdt een nieuw evenwicht in tussen de bescherming
van de privacy van de burger enerzijds en het belang van de rechtshandhaving
anderzijds. Waar aan de ene kant uitdrukkelijk is gekozen voor verruiming
van de wettelijke mogelijkheden tot opslag, gebruik en verstrekking van persoonsgegevens
door de politie voorziet het wetsvoorstel aan de andere kant in de nodige
waarborgen voor de burger tegen ongerechtvaardigde inbreuken op zijn persoonlijke
levenssfeer. Mede namens mijn ambtgenoten van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en van Defensie, licht ik het wetsvoorstel in deze memorie van toelichting
toe.</al>
      <tuskop letat="vet">2. Aanleiding tot de herziening</tuskop>
      <al>Enkele recente ontwikkelingen hebben gevolgen gehad voor de werkwijze
van de politie. Ten eerste is de informatie- en communicatietechnologie –
en het gebruik daarvan bij de politie – veel verder gevorderd dan ten
tijde van het van kracht worden van de Wet politieregisters. Inmiddels en
wordt gewerkt aan de totstandkoming van een landelijke informatiehuishouding
voor de gehele Nederlandse politie en zullen handmatige politiebestanden zeldzaam
worden. Deze ontwikkeling stelt de politie in staat het werk meer systematisch
aan te pakken. Met de informatisering zijn ook de mogelijkheden tot het leggen
van verbanden tussen gegevens sterk toegenomen. Dit is van groot
belang voor de effectiviteit en doelmatigheid van het politiewerk. Ten tweede
maken de toegenomen mobiliteit, de schaalvergroting, de bevolkingstoename
en de toegenomen geschakeerdheid van de bevolking het werk van de politie
meer complex, waardoor het belang van een goede informatiehuishouding is toegenomen.
Daar komt nog bij dat ook andere organisaties, burgers en bedrijven een verantwoordelijkheid
op het terrein van de veiligheid hebben. De politie werkt bij de handhaving
van de rechtsorde dan ook steeds vaker intensief samen met andere instanties.
Dit heeft geleid tot een toegenomen behoefte om informatie met andere instanties
uit te wisselen. Deze ontwikkelingen vergen een andere benadering van de verwerking
van politiegegevens. Ten derde is in internationaal verband de aandacht voor
criminaliteit toegenomen en moet er zowel nationaal als internationaal in
het kader van de rechtshandhaving aandacht worden besteed aan nieuwe vormen
van verstoringen van de rechtsorde, zoals terroristische activiteiten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De huidige wettelijke mogelijkheden voor het verwerken van persoonsgegevens
door de politie leveren in toenemende mate knelpunten op. In de eerste plaats
is er voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak behoefte aan ruimere
mogelijkheden tot het verwerken van gegevens over personen die (nog) niet
als verdachte zijn aangemerkt. De huidige verwerkingstermijn van vier maanden
blijkt in de praktijk erg kort voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak.
In de tweede plaats blijkt in de praktijk dat de verwerking van gegevens,
ook betreffende onverdachte personen, noodzakelijk kan zijn om zicht te verkrijgen
op maatschappelijke problemen die samenhangen met criminaliteit en dat de
systematiek van de huidige wet daar onvoldoende op is toegesneden. Bepaalde
maatschappelijke problemen van ernstige aard vergen een meer permanente gegevensverwerking.
Hierbij kan gedacht worden aan de verwerking van gegevens die relevant kunnen
zijn voor het inzicht in terroristische activiteiten. In de derde plaats kunnen
gegevens die door de politie voor een bepaald doel zijn verzameld slechts
beperkt worden gebruikt voor andere doeleinden binnen de politietaak. Dit
belemmert soms de goede taakuitoefening. De behoefte bestaat om in bepaalde
gevallen gegevens over onverdachte personen uit een bepaald onderzoek te kunnen
gebruiken in andere onderzoeken. In de vierde plaats is er in de praktijk
een toegenomen behoefte om gegevens te kunnen verstrekken aan instanties waarmee
de politie samenwerkt. Het huidige gesloten verstrekkingenregime is hierop
onvoldoende toegesneden. Enkele van deze knelpunten kwamen ook aan de orde
in een tweetal onderzoeken (zie R.W. Kralingen en J.E.J. Prins, Waar een wil
is, is een weg? Een onderzoek naar de behoefte aan en de verstrekking van
politiële en justitiële informatie voor buiten de strafrechtpleging
gelegen doelen SDU Uitgevers, Den Haag, 1996; Ad van Ruth en Lodewijk Gunther
Moor, Lekken of verstrekken? De informele informatie-uitwisseling tussen opsporingsinstanties
en derden Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen, Uitgeverij Tandem
Felix, Ubbergen, 1997).</al>
      <al>De gewijzigde maatschappelijke omstandigheden waarbinnen de politie werkt
en de in verband daarmee gewijzigde werkwijze van de politie vormen de aanleiding
tot dit wetsvoorstel. Het wetsvoorstel beoogt de Wet politieregisters te vervangen
door een wet die beter past in het huidige tijdsgewricht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De voorgestelde herziening geeft geen aanleiding terug te komen op de
bij de Wet politieregisters gemaakte keuze om naast de Wet bescherming persoonsgegevens
een aparte regeling te treffen voor politiegegevens. In de verhouding tussen
overheid en burger neemt de politie een bijzondere plaats in. Juist waar deze
verhouding problematisch wordt, speelt de politie vaak een rol. Ten behoeve
van de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en ten behoeve van de hulpverlening
vergaart de politie veel persoonsgegevens. Voor een goede uitvoering
van haar taak is het van belang dat de politie deze gegevens – die ten
behoeve van de verschillende taakonderdelen zijn vergaard – met elkaar
in verband kan brengen. In de regel vergaart en verwerkt de politie persoonsgegevens
zonder (impliciete) toestemming van de betrokkene en soms ook zonder dat de
betrokkene daarvan zelf kennis heeft. Ten behoeve van de waarheidsvinding –
een wezenlijk onderdeel van het politiewerk – is het van belang dat
de wet de mogelijkheid hiertoe biedt. De gegevens kunnen betrekking hebben
op een in beginsel onbepaalde groep van personen. Zeker wanneer het de opsporing
van strafbare feiten betreft, kan de verwerking van persoonsgegevens door
de politie consequenties hebben die de betrokkene veelal niet in zijn eigen
belang acht. Met het oog op deze bijzondere aspecten van de politietaak, wordt
het wenselijk geacht voor de verwerking van politiegegevens een aparte regeling
te treffen, die enerzijds meer ruimte biedt voor het gegevensverkeer binnen
de politie en een meer geclausuleerd recht op kennisneming en correctie inhoudt
dan mogelijk zou zijn onder het regime van de Wet bescherming persoonsgegevens
en die anderzijds rekening houdt met de gevoeligheid van de gegevens.</al>
      <tuskop letat="vet">3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel</tuskop>
      <tuskop letat="cur">3.1 Uitgangspunten</tuskop>
      <al>Het wetsvoorstel is opgesteld aan de hand van de volgende uitgangspunten:</al>
      <al>• aan de politie wordt voldoende armslag geboden voor een efficiënte
en effectieve verwerking van persoonsgegevens;</al>
      <al>• politiegegevens worden slechts verwerkt voor zover dit noodzakelijk
is voor een goede uitvoering van de politietaak;</al>
      <al>• de te verwerken gegevens zijn rechtmatig verkregen en accuraat;
de gegevens worden gecorrigeerd of vernietigd zodra blijkt dat zij niet juist
zijn;</al>
      <al>• politiegegevens worden slechts verwerkt voor welomschreven en gerechtvaardigde
doelen en voor zover de verwerking van gegevens evenredig is aan het betreffende
doel;</al>
      <al>• er wordt meer bescherming tegen inbreuken op de privacy geboden,
naarmate de gegevensverwerking gerichter is;</al>
      <al>• de toegang tot politiegegevens wordt beperkt door middel van autorisaties;</al>
      <al>• politiegegevens, die voor onderscheiden doelen worden verwerkt,
kunnen onder voorwaarden met elkaar in verband worden gebracht en met elkaar
worden gecombineerd;</al>
      <al>• door de politie kunnen gegevens aan anderen dan de politie en de
Koninklijke marechaussee worden verstrekt indien de wet dit uitdrukkelijk
toestaat dan wel indien een zwaarwegend algemeen belang daartoe noodzaakt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de opzet van de nieuwe Wet politiegegevens is zoveel mogelijk aangesloten
bij de systematiek en de uitgangspunten van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Zo vervallen het registerbegrip en de verplichting om per register een reglement
vast te stellen. In plaats daarvan worden op voorhand doelen omschreven, waarvoor
binnen de politie gegevens mogen worden verwerkt. Voorts heeft de werkbaarheid
in de praktijk voorop gestaan bij de ontwikkeling van deze wettelijke regeling.
Evenmin als de Wet politieregisters beoogt dit wetsvoorstel bevoegdheden te
regelen tot het verkrijgen van politiegegevens. Dergelijke bevoegdheden vloeien
onder meer voort uit het Wetboek van Strafvordering, de Politiewet 1993 en
de op deze wetten gebaseerde regelgeving of uit bijzondere wetten. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Als verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens is de korpsbeheerder
aangewezen. Hierbij is aangesloten bij de Politiewet 1993. Het begrip verwerking
kan verschillende handelingen omvatten, die worden uitgevoerd door ambtenaren
van politie die onder het beheer van verschillende verantwoordelijken vallen.
In verband met de uit het wetsvoorstel voortvloeiende verplichtingen van de
verantwoordelijke betekent dit dat iedere gegevensverwerking ten behoeve van
de politietaak moet kunnen worden terug gevoerd op een verantwoordelijke.</al>
      <tuskop letat="cur">3.2 Dagelijkse taakuitvoering en gerichte verwerking (artikelen
8 tot en met 10)</tuskop>
      <al>Het uitgangspunt dat politiegegevens alleen voor welomschreven en gerechtvaardigde
doelen worden verwerkt, leidt tot het onderscheiden van doelen binnen de politietaak
waarvoor gegevens mogen worden verwerkt. Eén van die doelen is de uitvoering
van de dagelijkse politietaak. De gegevens die de politie in het kader van
haar dagelijks werk verkrijgt, worden voor dit doel verwerkt. Het gaat hier
zowel om gegevensverwerking ten behoeve van de daadwerkelijke handhaving van
de rechtsorde als ten behoeve van het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven
in de zin van artikel 2 van de Politiewet 1993. Voorgesteld wordt de verwerking
van politiegegevens voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak gedurende
een jaar breed binnen de politie mogelijk te maken. Voor zover dat noodzakelijk
is voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak zijn de gegevens daarna
gedurende vier jaar toegankelijk op basis van vergelijking of – in geval
van bredere zoekvragen – voor speciaal daartoe geautoriseerde ambtenaren
van politie. Naast (of in vervolg op) de uitvoering van de dagelijkse politietaak
is er de gerichte verwerking van politiegegevens. Daarvan is sprake als de
politie overgaat tot de verwerking van grote hoeveelheden gestructureerde
persoonsgegevens, gericht op bepaalde personen of op bepaalde onderwerpen
zoals een categorie van delicten, bijvoorbeeld als een team wordt vrijgemaakt
of als bijzondere opsporingsbevoegdheden worden gebruikt. Gerichte gegevensverwerking
is slechts gerechtvaardigd wanneer het doel daarvan tevoren is beschreen,
de gegevensverwerking beperkt blijft tot dat doel en plaatsvindt door daartoe
door de verantwoordelijke korpsbeheerder gemachtigde opsporingsambtenaren.</al>
      <tuskop letat="cur">3.3 Verdere verwerking binnen de politie (artikelen 13
en 11)</tuskop>
      <al>Het wetsvoorstel biedt mogelijkheden tot het leggen van verbanden tussen
de beschikbare gegevens. Ten eerste wordt van veel zaken een bepaalde set
van gegevens op landelijk niveau breed beschikbaar gesteld voor raadpleging
door collega's met het oog op het leggen van onderlinge verbanden. Voor
alle politieambtenaren bestaat de mogelijkheid om bijvoorbeeld aan de hand
van delictkenmerken (zoals modus operandi) en delicttypen in de aldus beschikbaar
gestelde politiegegevens te zoeken naar overeenkomsten met andere delictgegevens.
Ten tweede worden bepaalde gegevens door elke regio beschikbaar gesteld voor
geautomatiseerde vergelijking (standaard) om te kunnen signaleren wanneer
meerdere onderzoeken tegen dezelfde persoon lopen. Ten derde biedt het wetsvoorstel
de mogelijkheid tot het geautomatiseerd vergelijken (hit/no hit) van beschikbare
politiegegevens. Wel geldt als voorwaarde dat deze vorm van zoeken noodzakelijk
moet zijn voor het betreffende onderzoek. Ten vierde bevat het wetsvoorstel
een bevoegdheid om in bijzondere gevallen in opdracht van het bevoegd gezag
over te gaan tot het onbeperkt analyseren van beschikbare politiegegevens.
De aan de hand van de zoekmethoden gevonden relevante gegevens kunnen vervolgens
verder worden verwerkt voor een ander doel binnen de politietaak. Voorafgaand is daarvoor toestemming vereist van de daartoe bevoegde functionaris.
In paragraaf 6 wordt hierop nader ingegaan.</al>
      <tuskop letat="cur">3.4 De verstrekking van politiegegevens buiten de politie
(artikelen 16 tot en met 24)</tuskop>
      <al>Het wetsvoorstel voorziet in verplichte verstrekking van gegevens aan
de gezagsdragers en aan bepaalde opsporingsambtenaren buiten de politie. Tevens
biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur ontvangstgerechtigde instanties aan te wijzen. Het betreft de
instanties waarmee de politie regulier samenwerkt, zoals de partners in de
strafrechtketen. Tenslotte biedt het wetsvoorstel ruimte aan de verantwoordelijke
korpsbeheerder om in geval van een zwaarwegend algemeen belang, in overeenstemming
met het bevoegd gezag gegevens te verstrekken aan niet in de algemene maatregel
van bestuur genoemde instanties. Het kan hierbij gaan om incidentele verstrekkingen
in bijzondere gevallen, dan wel verstrekkingen in het kader van een structureel
samenwerkingsverband tussen een of meer politiekorpsen en andere instanties.
Hiermee wordt beoogd ruimte te bieden voor door de praktijk gewenste verstrekkingen
in het kader van de samenwerking van de politie met derden, bijvoorbeeld ten
behoeve van de aanpak van jeugdcriminaliteit.</al>
      <tuskop letat="cur">3.5 Rechtsbescherming, controle en toezicht (artikelen
25 tot en met 31)</tuskop>
      <al>Nu in het wetsvoorstel uitdrukkelijk is gekozen voor verruiming van de
wettelijke mogelijkheden tot opslag, gebruik en verstrekking van politiegegevens,
is het van groot belang dat het wetsvoorstel tevens voorziet in voldoende
waarborgen tegen ongerechtvaardigde inbreuken op de persoonlijke levenssfeer
van personen van wie gegevens worden verwerkt. Behalve langs de weg van de
beperkingen die het wetvoorstel stelt aan de reguliere verwerking van politiegegevens,
voorziet het wetsvoorstel daartoe in een aantal extra waarborgen. Zo is voor
de meest vergaande vorm van verwerking van de beschikbare politiegegevens
een opdracht van het bevoegd gezag vereist en is voor het gebruik van de daarbij
gevonden politiegegevens voor een ander doel toestemming van een daartoe bevoegde
functionaris vereist. Het wetsvoorstel kent de burger het recht toe om een
verzoek tot kennisneming in te dienen aangaande de gegevens die de politie
mogelijk over hem verwerkt en de mogelijkheid in rechte op te komen tegen
een weigering. Een verzoek om kennisneming kan eventueel worden gevolgd door
een verzoek tot wijziging. Het wetsvoorstel schrijft bovendien controle voor
op de naleving van de regels door een privacyfunctionaris en door middel van
periodieke audits. Het wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om daarnaast ook
een onafhankelijke functionaris gegevensbescherming aan te stellen. Tenslotte
is het College bescherming persoonsgegevens belast met het toezicht op de
naleving van de wet.</al>
      <tuskop letat="cur">3.6 Beheer (artikel 1)</tuskop>
      <al>In het wetsvoorstel is aangesloten op de bestaande beheersstructuur van
de politie. Evenals in de huidige Wet politieregisters wordt de korpsbeheerder
aangewezen als de verantwoordelijke voor de gegevensverwerking. Daarnaast
wordt in artikel 4, zesde lid, de figuur van de «bewerker» geïntroduceerd,
die gegevens verwerkt ten behoeve van de verantwoordelijke, en voor diens
verantwoordelijkheid, zonder als ondergeschikte aan zijn rechtstreeks gezag
te zijn onderworpen. Deze figuur is ontleend aan de Wet bescherming persoonsgegevens
en kan van belang zijn bij de inrichting van de bovenregionale informatiehuishouding. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overigens heeft het bevoegd gezag over de politie uiteraard de mogelijkheid
van de korpsbeheerder te verlangen dat deze op een bepaalde wijze invulling
geeft aan zijn beheerstaak waar het de verwerking van persoonsgegevens betreft.
In de paragrafen 6 tot en met 9 worden de hoofdlijnen van het wetsvoorstel
uitgewerkt.</al>
      <tuskop letat="vet">4. Reikwijdte van de wet</tuskop>
      <tuskop letat="cur">4.1 De taken van de politie en de Koninklijke marechaussee</tuskop>
      <al>Het wetsvoorstel heeft betrekking op de verwerking van gegevens ten behoeve
van de uitvoering van de politietaken, bedoeld in artikel 2 en artikel 6,
eerste lid, van de Politiewet 1993. Het wetsvoorstel is daarmee zowel van
toepassing op gegevens die de politie verwerkt in het kader van haar taakuitoefening
op grond van artikel 2 Politiewet 1993 als, in verband met de gelijkstelling
met de politie, op de gegevens die de Koninklijke marechaussee verwerkt in
het kader van de uitvoering van de politietaken die op grond van artikel 6,
eerste lid, van de Politiewet 1993 aan de Koninklijke marechaussee zijn opgedragen.
Het wetsvoorstel is ook onverkort van toepassing op de in artikel 1, eerste
lid, onderdeel g, van de Politiewet 1993 genoemde taken ten dienste van de
justitie. Deze taken vormen onderdeel van de politietaak ex artikel 2 van
de Politiewet 1993 (vgl. TK 1991/1992, 22 562, nr. 3, pagina 34). Door –
anders dan in het kader van de Wet politieregisters – geen van deze
taken uit te zonderen van het regime van het wetsvoorstel, worden alle politietaken
die exclusief of primair zijn toebedeeld aan de politie dan wel aan de Koninklijke
marechaussee onder hetzelfde regime voor gegevensverwerking gebracht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Evenals de huidige wet is het wetsvoorstel niet van toepassing op gegevens
die de politie verwerkt in het kader van taken die niet zijn te scharen onder
artikel 2 van de Politiewet 1993, zoals de toezichthoudende taken die de politie
uitvoert op grond van bijzondere wetten die niet behoren tot de taken ten
dienste van de justitie. De gegevens die de politie in dat kader verwerkt,
blijven vallen onder het regime van de Wet bescherming persoonsgegevens. Hetzelfde
geldt voor gegevens die door de Koninklijke marechaussee zijn verkregen in
het kader van andere taken dan genoemd in artikel 6, eerste lid, van de Politiewet
1993. De rechtvaardiging voor een afzonderlijke, taakgerichte wet voor de
verwerking van politiegegevens is immers mede gelegen in het feit dat deze
wet betrekking heeft op gegevensverwerkingen die primair zijn toebedeeld aan
politie en Koninklijke marechaussee. Daarnaast brengt het – ook in Europees
verband – leidende beginsel van de doelbinding mee dat gegevens die
voor verschillende doelen zijn verkregen afzonderlijk van elkaar worden verwerkt.
Dit betekent overigens geenszins dat de uitwisseling tussen de gegevens die
onder de twee verschillende privacyregimes worden verwerkt is uitgesloten.
Mede met het oog op de toegenomen behoeften tot gegevensuitwisseling worden
in dit wetsvoorstel de mogelijkheden om politiegegevens te verstrekken voor
andere doeleinden vergaand verruimd. Tevens formuleert artikel 9 van de Wet
bescherming persoonsgegevens de criteria aan de hand waarvan beoordeeld kan
worden of bepaalde persoonsgegevens verder mogen worden verwerkt voor een
ander – verenigbaar – doel. Verenigbaarheid zal doorgaans aangenomen
kunnen worden wanneer de gegevens die zijn verkregen voor het toezicht op
de naleving van een wet nodig zijn voor de opsporing van strafbare overtredingen
van dezelfde wet en derhalve betrekking hebben op hetzelfde te beschermen
belang. In geval van verenigbare doelen, behoort op grond van artikel 9 van
de Wet bescherming persoonsgegevens ook structurele verstrekking tot de mogelijkheden.
Voor het geval dat er geen verenigbaarheid van doelen is, biedt artikel 45
van de Wet bescherming persoonsgegevens de mogelijkheid om, wanneer
dit in een bepaald geval noodzakelijk is in het kader van de voorkoming, opsporing
en vervolging van strafbare feiten, artikel 9 buiten toepassing te laten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het wetsvoorstel ziet – evenals de huidige wet – niet op gegevens
die de politie verwerkt in het kader van de eigen bedrijfsvoering, zoals personeelsregistraties
en postregistraties.</al>
      <tuskop letat="cur">4.2 De bijzondere opsporingsdiensten en het meldpunt ongebruikelijke
transacties</tuskop>
      <al>Het wetsvoorstel is vooralsnog niet van toepassing op de verwerking van
gegevens door de bijzondere opsporingsdiensten (hierna ook te noemen: BOD'en).
Wel biedt artikel 45 van dit wetsvoorstel de mogelijkheid om bij algemene
maatregel van bestuur het bepaalde bij of krachtens deze wet van overeenkomstige
toepassing te verklaren op de verwerking van persoonsgegevens door een dienst
van een publiekrechtelijk lichaam die is belast met de opsporing van strafbare
feiten. Evenals in het kader van de huidige Wet politieregisters zal het regime
van de Wet politiegegevens in elk geval van overeenkomstige toepassing kunnen
worden verklaard op de verwerking van gegevens van de criminele inlichtingeneenheden
van de politie (hierna ook te noemen: CIE-gegevens) door de BOD'en. Het
betreft de verwerking als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a.
CIE-gegevens moeten gemakkelijk tussen de politie en de BOD'en worden
uitgewisseld, terwijl daarbij een behoefte aan maximale afscherming van bronnen
(informanten) bestaat. Het wetsvoorstel voorziet tevens – met het oog
op de intensieve samenwerking tussen de politie en de BOD'en bij de opsporing
van strafbare feiten – in ruimere mogelijkheden om politiegegevens te
verstrekken aan BOD'en. Zo biedt het wetsvoorstel onder meer de mogelijkheid
politiegegevens te verstrekken aan de BOD'en indien zij deze nodig hebben
ten behoeve van de voorbereiding van een door hen uit te voeren onderzoek.
Dit is een verruiming ten opzichte van de Wet politieregisters.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Evenals de huidige Wet politieregisters zal de Wet politiegegevens gedeeltelijk
van overeenkomstige toepassing zijn op het meldpunt ongebruikelijke transacties.
Voor de taak van het meldpunt ongebruikelijke transacties (MOT) geldt namelijk
dat deze nauw gelieerd is aan de politietaak. Het MOT verwerkt immers gegevens
ten behoeve van de voorkoming en opsporing van bepaalde misdrijven. Ook voor
het MOT geldt dat de gegevens maximaal moeten worden afgeschermd terwijl zij
tegelijkertijd gemakkelijk met de politie moeten kunnen worden uitgewisseld.</al>
      <tuskop letat="vet">5. Beginselen voor gegevensbescherming</tuskop>
      <al>Bij de verwerking van politiegegevens door de politie kan het recht op
bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het geding zijn. Om te voorkomen
dat de politie bij haar taakuitvoering een onevenredige inbreuk maakt op de
persoonlijke levenssfeer van de burger, voorziet het wetsvoorstel in regels
ten behoeve van een zorgvuldige omgang met de gegevens. Daarbij is de internationale
regelgeving in acht genomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beginselen voor gegevensbescherming zijn neergelegd in het Verdrag van
de Raad van Europa ter bescherming van personen met het oog op de geautomatiseerde
verwerking van persoonsgegevens (1981). Dit betreft principes die inhouden
dat gegevens rechtmatig moeten zijn verkregen, alleen voor specifieke en legitieme
doeleinden mogen worden opgeslagen, evenredig moeten zijn in relatie tot het
doel waarvoor ze zijn opgeslagen en niet langer mogen worden bewaard dan vereist
voor het doel waarvoor ze zijn opgeslagen. Deze principes liggen onder meer
ten grondslag aan de artikelen 3 tot en met 5 van het wetsvoorstel.
Het vereiste van doelbinding houdt in dat persoonsgegevens alleen worden gebruikt
voor het doel waarvoor ze verzameld zijn. Bij doelbinding hoort logischerwijze
een omschrijving van dat doel. Het doel moet welbepaald («specified»),
uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd zijn. In de artikelen 8 tot en
met 13 is een verdere uitwerking gegeven aan het principe van de doelbinding.
Gebruik van de gegevens voor een ander doel is aanvaardbaar voor zover dat
gebruik niet onverenigbaar is met het doel waarvoor de gegevens zijn verzameld.
Gevoelige persoonsgegevens (ras, politieke opvatting, geloof, e.d.) worden
niet geautomatiseerd verwerkt, behalve wanneer de nationale wetgeving voorziet
in de nodige waarborgen. Afwijking van het principe van doelbinding is mogelijk
indien dit noodzakelijk is in een democratische samenleving in het belang
van (onder meer) de bestrijding van strafbare feiten. In het wetsvoorstel
is deze mogelijkheid verwerkt in artikel 11 en door in de artikelen 16 tot
en met 24 gegevensverstrekking aan andere overheidsdiensten of aan instanties
buiten de overheid mogelijk te maken indien dit noodzakelijk is met het oog
op een zwaarwegend algemeen belang. De hier beschreven beginselen uit het
Verdrag van de Raad van Europa liggen eveneens ten grondslag aan de Wet bescherming
persoonsgegevens. In artikel 7 van deze wet wordt bepaald dat persoonsgegevens
voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden
worden verkregen. Dit houdt in dat geen gegevens mogen worden verzameld zonder
een precies doel. In het voorliggende wetsvoorstel wordt de doelbinding uitgewerkt
voor de taken van de politie, die onderdeel vormen van de politietaak als
bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 1993.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het hierboven besproken verdrag geeft uitwerking aan artikel 8 Europees
verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) op het terrein van de gegevensverwerking.
Voor de uitleg van het verdrag en voor de uitwerking van bepaalde begrippen
in het verdrag, is de uitleg die gegeven wordt aan artikel 8 EVRM van belang.
Het criterium dat uit het verdrag voortvloeit dat de verwerking van gegevens
door de politie noodzakelijk moet zijn voor een goede uitvoering van de politietaak
sluit aan bij het criterium in artikel 8, tweede lid, van het EVRM dat inhoudt
dat beperking van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
alleen is toegestaan voor zover dit «in een democratische samenleving
noodzakelijk is» in het belang van enkele met name genoemde doelen,
waaronder het voorkomen en opsporen van strafbare feiten. Het begrip «noodzaak»
vervult in dit verdrag een belangrijke functie waar het gaat om de begrenzing
van de kernbevoegdheden tot het verwerken, machtigen en verstrekkn van gegevens.
Het noodzaakcriterium wordt in de Straatsburgse rechtspraak nader ingevuld
met de vereisten van proportionaliteit (staat het belang van de verwerking
in verhouding tot de beperking van de persoonlijke levenssfeer), van een «pressing
social need» (er moet een dringende maatschappelijke behoefte bestaan
om het legitieme doel te vervullen) en subsidiariteit (zijn andere, minder
in de persoonlijke levenssfeer van de burger ingrijpende maatregelen redelijkerwijs
mogelijk en voldoende doeltreffend). Het wetsvoorstel sluit hierbij aan. Steeds
dient de betrokken verantwoordelijke autoriteit bij een voorgenomen verwerking,
autorisatie en/of verstrekking van gegevens af te wegen, in hoeverre de handeling «noodzakelijk
is»; hierop dienen de genoemde Straatsburgse criteria te worden betrokken.
Legitimiteit van het gestelde doel is op zichzelf namelijk niet voldoende;
de noodzakelijkheidseis is cumulatief. De beoordeling van de noodzakelijkheid
van de verwerking van politiegegevens brengt een beoordelingsmarge met zich
mee, die ergens beweegt tussen «onmisbaar» als bovengrens en «normaal», «nuttig», «redelijk»
en «wenselijk» als ondergrens. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het wetsvoorstel voldoet aan het vereiste van voorzienbaarheid door de
verwerking van politiegegevens aan specifieke, vooraf omschreven doelen te
binden en, voor zover het de verwerking op grond van artikel 10 betreft, te
bepalen over welke categorieën van personen gegevens kunnen worden verwerkt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Artikel 8 EVRM en de daarop gebaseerde jurisprudentie stellen ook eisen
aan de kwaliteit van de wettelijke regeling. Deze houden in dat de wettelijke
regeling voor de burger voldoende toegankelijk en kenbaar moet zijn. Deze
eisen brengen met zich mee dat de regeling voldoende precies moet zijn geformuleerd,
zodat de burger vooraf kan weten onder welke omstandigheden en voorwaarden
persoonsgegevens mogen worden verwerkt. De regeling moet bovendien waarborgen
bieden tegen willekeurige inmenging van de overheid in het persoonlijke leven
van de burger en tegen misbruik van bevoegdheid. Dit betekent dat de wet moet
omschrijven in welke gevallen en voor welke doelen persoonsgegevens verwerkt
mogen worden. Ook de aanwijzing van de bevoegde autoriteit en voorzieningen
voor transparantie en controleerbaarheid, zoals voorschriften voor verslaglegging
zijn van belang. In dit verband moet worden gewezen op de rechtspraak van
het EHRM. In de zaak Rotaru<voetref refid="v9.1" nr="1"></voetref> werd de ongenormeerde
vastlegging van persoonsgegevens in strijd met artikel 8 EVRM geacht. Het
EHRM stelde in Rotaru de eis dat de wet duidelijk aangeeft onder meer omtrent
welke categorieën van personen het gaat, de omstandigheden waaronder
gegevens mogen worden vergaard en hoe lang deze mogen worden bewaard.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Van belang is ook de Aanbeveling R(87)15 van de Raad van Europa, van toepassing
op het gebruik van persoonsgegevens door de politie alsmede de evaluaties
daarvan. Deze hebben als hoofdlijn dat de opslag van persoonsgegevens moet
worden beperkt tot gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van
de politietaak. Met betrekking tot de verstrekkingen maakt de Aanbeveling
onderscheid naar verstrekking binnen politiële instanties, verstrekkingen
aan andere overheids- en publieke organen en verstrekkingen aan particuliere
personen en instanties. De uitwisseling van gegevens binnen de politiesector
zou uitsluitend toelaatbaar moeten zijn indien er een gerechtvaardigd belang
is voor deze uitwisseling binnen de wettelijke bevoegdheden van deze instanties.
Verstrekking van gegevens aan andere publieke organen zou uitsluitend toegestaan
moeten zijn indien, in een bijzonder geval, er een wettelijke verplichting
is of met toestemming van een toezichthoudend orgaan dan wel wanneer die gegevens
voor de ontvanger onmisbaar zijn voor de vervulling van zijn wettelijke taak
en het doel van de verwerking niet onverenigbaar is met de oorspronkelijke
verwerking. Verstrekking aan private partijen zou uitsluitend toegestaan moeten
zijn indien, in een bijzonder geval, er een wettelijke verplichting is of
met toestemming van een toezichthoudend orgaan. In uitzonderlijke gevallen
is verstrekking mogelijk, onder meer ter voorkoming van een ernstig en onmiddellijk
gevaar. Deze aanbeveling is niet bindend maar er is wel rekening mee gehouden
bij de opbouw van het wetsvoorstel.</al>
      <tuskop letat="vet">6. Verwerking van gegevens binnen de politie</tuskop>
      <tuskop letat="cur">6.1 Algemeen</tuskop>
      <al>Als uitgangspunt geldt dat politiegegevens slechts worden verwerkt voor
zover dit noodzakelijk is met het oog op een goede uitvoering van de politietaak.
Binnen de uitvoering van de politietaak maakt het wetsvoorstel onderscheid
tussen de uitvoering van de dagelijkse politietaak en gerichte verwerking
van politiegegevens. Ten behoeve van de uitvoering van de dagelijkse politietaak
kunnen politiegegevens gedurende een jaar breed binnen de politie
worden verwerkt. Daarna zijn de gegevens, indien dat noodzakelijk is voor
de dagelijkse politietaak, gedurende vier jaar nog toegankelijk door middel
van vergelijking en – onder voorwaarden– ten behoeve van analyse.
Naast de uitvoering van de dagelijkse politietaak is er de gerichte verwerking
van politiegegevens. Wanneer de politie overgaat tot gerichte verwerking van
politiegegevens, dient het doel daarvan vooraf nader te worden bepaald en
vastgelegd. Door concretisering van het doel van de verwerking verplicht te
stellen wanneer dit redelijkerwijs kan worden verlangd, wordt voldaan aan
de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit. Het wetsvoorstel biedt
derhalve meer bescherming naarmate de gegevensverwerking gerichter is. Het
beginsel van evenredigheid brengt dit met zich mee.</al>
      <tuskop letat="cur">6.2 Uitvoering van de dagelijkse politietaak (artikel
8)</tuskop>
      <al>De uitvoering van de dagelijkse politietaak wordt wel de oog en oor functie
van de politie genoemd. Het gaat hier om het zogenaamde basispolitiewerk.
Deze functie omvat alle in artikel 2 van de Politiewet 1993 genoemde onderdelen
van de politietaak in een soort eerste lijn-variant. Het basispolitiewerk
bestaat uit surveillance, advisering over preventie, afhandeling van de verkeersproblematiek,
eenvoudig recherchewerk, verlenen van hulp en handhaven van wetten en regels.
Bij de uitvoering van de dagelijkse politietaak komt de politie in contact
met veel burgers ter zake van zeer diverse gebeurtenissen. Het gaat bijvoorbeeld
om burgers die zich om hulp tot de politie wenden, betrokken zijn bij verstoringen
van de openbare orde, meldingen van overlast doen, aangifte doen of slachtoffer,
getuige of verdachte zijn van een strafbaar feit. Van de politie wordt verwacht
dat zij ogen en oren goed de kost geeft en dat zij de gegevens die ze daarbij
verzamelt, verwerkt en waar nodig met elkaar in verband brengt. Het zal hierbij
vaak gaan om gegevens over personen jegens wie (nog) geen verdenking bestaat
en om gegevens die niet zijn voortgekomen uit diepgaand onderzoek. Gelegde
verbanden en opvallende feiten die uit die gegevens naar voren komen, kunnen
eventueel aanleiding geven tot verdieping en gerichte verwerking voor een
bepaald doel. Op die manier vormt de uitvoering van de dagelijkse politietaak
de uiterst belangrijke basis voor de algehele uitvoering van de politietaak
op grond van artikel 2 Politiewet 1993.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voldoende wettelijke mogelijkheden voor het verwerken van persoonsgegevens
voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak is dan ook van groot belang
voor een goede taakuitvoering door de politie. Er zijn echter grenzen aan
het mogen verzamelen en met elkaar in verband brengen van deze gegevens voor
de verschillende onderdelen van de politietaak. Een zorgvuldige omgang met
persoonsgegevens brengt immers mee dat de verwerking van gegevens evenredig
is aan het doel waarvoor ze zijn verkregen. Nadat de periode van één
jaar na de datum van de eerste verwerking is verlopen vermindert het belang
om verbanden te kunnen leggen tussen actuele gebeurtenissen en gaat zwaarder
wegen dat de burger recht heeft op bescherming tegen onbeperkte beschikbaarheid
binnen de politie van gegevens die zijn persoon betreffen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De huidige wet bindt de opslag van gegevens over onverdachte personen
voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde aan een termijn van
vier maanden, tenzij zij verwerkt worden binnen het regime van de bijzondere
politieregisters. In de praktijk blijkt de termijn van vier maanden erg kort
voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak. Voorgesteld wordt daarom
dat politiegegevens van zowel verdachte als onverdachte personen ten behoeve
van de uitvoering van de dagelijkse politietaak gedurende een jaar breed binnen
de politie kunnen worden verwerkt, zonder dat binnen dat jaar beperkingen
worden gesteld aan de wijze waarop de gegevens met elkaar in
verband worden gebracht. Na dit jaar zijn de betreffende gegevens niet langer
vrij toegankelijk; ze verdwijnen als het ware «achter een schot».
Indien daartoe noodzaak bestaat zijn de gegevens nog wel toegankelijk door
middel van vergelijking of – onder voorwaarden – voor verwerking
in combinatie met elkaar. Door verwerking van de beschikbare gegevens over
een periode van een jaar breed mogelijk te maken en de gegevens daarna gedurende
vier jaar beschikbaar te houden voor raadpleging, kunnen probleemgevallen
zoals potentiële veelplegers of notoire overlastplegers worden onderkend.
Aan de hand van de resultaten daarvan kan worden bepaald welke personen in
een bepaald gebied intensiever in de gaten gehouden moeten worden of als eerste
in aanmerking komen voor aanhouding naar aanleiding van een nieuw feit en
welke personen moeten worden doorverwezen naar de hulpverlening in verband
met de bijzondere problematiek die zij meebrengen. Het wetsvoorstel maakt
voor de verwerkingsmogelijkheden geen onderscheid tussen gegevens ten aanzien
van verdachte en onverdachte personen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Na verloop van in totaal maximaal vijf jaar worden de betreffende gegevens
vernietigd. Thans geldt op grond van de huidige Wet politieregisters een maximale
bewaartermijn van vier maanden voor gegevens omtrent onverdachte personen
die in het kader van de dagelijkse politietaak worden verwerkt (artikel 5a,
eerste lid, onderdeel a Wpolr). Voor verruiming van de termijn is gekozen
omdat de meerwaarde van het verwerken van deze gegevens nu juist is gelegen
in het feit dat achteraf soms verbanden tussen feiten en gebeurtenissen kunnen
worden gelegd die tevoren niet helder waren en die wel van groot belang kunnen
zijn voor de taakuitvoering van de politie. Wanneer de met elkaar in verband
gebrachte gegevens naar het oordeel van de politie aanleiding geven tot het
gericht verder verwerken van gegevens, kan tot die gerichte verwerking worden
overgegaan. Voor die verwerking gelden, met het oog op de bescherming van
de privacy van de betrokken personen, strengere regels.</al>
      <tuskop letat="cur">6.3 Gerichte verwerking van politiegegevens (artikelen
9 en 10)</tuskop>
      <al>Van gerichte verwerking is sprake als de politie overgaat tot gerichte
en omvangrijke verwerking van persoonsgegevens met als doel de rechtsorde
te herstellen of een aantasting daarvan te voorkomen. Van gerichte verwerking
is in elk geval sprake zodra een rechercheonderzoek is aangemeld, een verkennend
onderzoek wordt gestart en zodra bijzondere opsporingsmethoden worden ingezet.
Het moment waarop sprake is van gerichte verwerking in de zin van het wetsvoorstel
zal derhalve veelal samengaan met het moment waarop om opsporingstechnische
of tactische redenen aanleiding bestaat de gegevens binnen de politie af te
schermen. De aanleiding voor gerichte verwerking kan zijn voortgekomen uit
de basispolitiezorg of uit andere onderdelen van de politietaak, maar kan
ook een zelfstandige zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Omdat gericht en omvangrijk gegevens worden verwerkt zal er veelal een
verdergaande inbreuk op de privacy van de burger zijn tot wie de gegevens
kunnen worden herleid. Daarom gelden hier meer beperkingen. Zo moet het specifieke
doel tevoren zijn bepaald, zal de verwerking van deze gegevens worden beperkt
tot een beperkte categorie van daartoe geautoriseerde politieambtenaren en
mogen de gegevens ingevolge artikel 3, eerste lid, slechts worden verwerkt
zolang dit met het oog op het bepaalde doel noodzakelijk is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het wetsvoorstel maakt onderscheid tussen twee vormen van gerichte verwerking.
In de paragrafen 6.3.1 en 6.3.2 worden de regimes die op deze twee vormen
van gerichte verwerking van toepassing zijn toegelicht. Naast
de doelbinding stelt het wetsvoorstel voor elk type verwerking als vereiste
dat de betreffende ambtenaar daarvoor door de verantwoordelijke is geautoriseerd.</al>
      <tuskop letat="rom">6.3.1 Onderzoek in verband met de handhaving van de rechtsorde
in een bepaald geval (artikel 9)</tuskop>
      <al>De politie kan naar aanleiding van een bepaald geval – een naar
tijd beperkte gebeurtenis of situatie dan wel een serie van gebeurtenissen –
gericht gegevens verwerken over personen. Te denken valt hierbij aan een onderzoek
naar de overlast in een woonwijk, naar verboden wapenbezit in een bepaald
gebied, naar de jeugdproblematiek in bepaalde wijken of naar een evenement
waarbij verstoringen van de openbare orde worden verwacht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze vorm van gegevensverwerking is bijvoorbeeld aan de orde bij een meer
omvangrijk opsporingsonderzoek of bij een verkennend onderzoek. Waar het om
gaat is dat de politie, naar aanleiding van een gebeurtenis, een serie van
gebeurtenissen of situatie overgaat tot gerichte en omvangrijke verzameling
van gegevens over personen, met als doel de rechtsorde die door de gebeurtenis
of situatie is verstoord of wordt bedreigd te herstellen of verdere schendingen
daarvan te voorkomen. De aanpak kan bestaan uit (de voorbereiding van) opsporing
en het treffen van strafrechtelijke maatregelen. Maar deze kan ook bestaan
uit het treffen van maatregelen ten behoeve van de handhaving van de openbare
orde en het (preventief) optreden door middel van bestuurlijke maatregelen.</al>
      <al>De gegevens worden verwijderd zodra het onderzoek is afgerond. Voor de
mogelijkheid in uitzonderingsgevallen nog gebruik te maken van eenmaal verwijderde
gegevens, wordt verwezen naar paragraaf 8 van deze toelichting.</al>
      <tuskop letat="rom">6.3.2 Inzicht in de betrokkenheid van personen bij bepaalde
ernstige bedreigingen van de rechtsorde (artikel 10)</tuskop>
      <al>In de praktijk blijkt dat de verwerking van gegevens over – ook
onverdachte – personen noodzakelijk kan zijn omdat de politie een informatiepositie
moet opbouwen om zicht te kunnen krijgen en behouden op ontwikkelingen en
verschijnselen die een ernstige bedreiging van de rechtsorde kunnen vormen.
Hierbij moet gedacht worden aan de zware criminaliteit, terrorisme en ernstige
verstoringen van de openbare orde door bijvoorbeeld voetbalvandalen of activisten.
Door middel van omvangrijke en op bepaalde personen gerichte gegevensverzameling
wordt geprobeerd een beeld te verkrijgen van de betrokkenheid van die personen
bij handelingen of misdrijven van een bepaalde ernst. Dit betreft een min
of meer permanent proces van analyse dat leidt tot het vastleggen van gegevens
over veelal nog onverdachte personen. Op basis van de informatiepositie kan
worden besloten tot een operationeel opsporingsonderzoek, dan wel tot operationele
maatregelen in de sfeer van de openbare orde.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gerichte gegevensverzameling in deze zin is aan de orde bij het verzamelen,
aanvullen, verifiëren en analyseren van inlichtingen, zoals dit plaatsvindt
door de criminele inlichtingen eenheden en door de regionale inlichtingen
diensten. Tevens is gerichte gegevensverzameling in deze zin aan de orde bij
de opbouw van een informatiepositie over ernstige bedreigingen van de rechtsorde,
zoals terroristische activiteiten, die niet vallen binnen het werkgebied van
en de criteria die gelden voor de criminele inlichtingen eenheid (CIE) of
de regionale inlichtingen dienst (RID), maar die – omdat zij een zwaarwegend
maatschappelijk probleem vormen – wel vergen dat gegevens kunnen worden
verwerkt over personen die betrokken kunnen zijn bij die handelingen
die zouden kunnen wijzen op activiteiten die een ernstige bedreiging van de
rechtsorde vormen.</al>
      <tuskop letat="cur">6.4 Ondersteunende taken (artikel 13)</tuskop>
      <al>Onder omstandigheden moet het mogelijk zijn gegevens die zijn of worden
verwerkt voor het ene doel, tevens te verwerken ten behoeve van een ander
doel binnen de politietaak. Voorkomen moet worden dat gegevens die wel beschikbaar
zijn binnen de politie, niet kunnen worden benut voor de opheldering van middelzware
of zware vormen van criminaliteit. Ook moet worden voorkomen dat de politie
op verschillende plaatsen onderzoek doet naar dezelfde personen, zonder dat
de betreffende politieambtenaren dit van elkaar weten. Artikel 13 biedt hiertoe
de mogelijkheid dat bepaalde politiegegevens verder worden verwerkt ten behoeve
van bij algemene maatregel van bestuur te bepalen doelen ter ondersteuning
van de politietaak. Het gaat dan bijvoorbeeld om het beschikbaar stellen van
een bepaalde set van gegevens over personen en objecten ten behoeve van landelijke
raadpleging. Politiegegevens over al dan niet opgeloste zaken kunnen zo met
elkaar in verband worden gebracht doordat aan de hand van specifieke delictkenmerken
(zoals modus operandi) kan worden gezocht naar overeenkomsten met vergelijkbare
delicten. Hiervoor wordt het huidige Herkenninsgdienstsysteem (HKS) toegepast.
Ook valt hieronder de verwerking van gegevens over personen ten aanzien van
wie door een signalerende instantie een verzoek tot opsporing, dan wel opsporing
en aanhouding, is gedaan of waarvoor, onder vermelding van de aanleiding,
een aandachtsvestiging is geplaatst. Hiervoor wordt het huidige Opsporingsregister
(OPS) toegepast. Daarnaast kunnen de korpsen op grond van artikel 13 verplicht
worden om ten behoeve van bij algemene maatregel van bestuur te bepalen doelen
ter uitvoering van de politietaak, die een landelijke aanpak vereisen, de
daarvoor relevante politiegegevens ter beschikking te stellen aan een ander
korps, dat is belast met het verwerken en analyseren van politiegegevens op
een specialistisch terrein. Gedacht kan worden aan de verwerkingen die het
KLPD thans verricht met betrekking tot moord- en zedenzaken en kinderporno,
maar ook een regionaal korps kan belast zijn met de verwerking van gegevens
ten behoeve van een specialistisch onderwerp dat een landelijke aanpak vereist.
Ook hierbij kan het wenselijk zijn dat een deel van de aldus verder verwerkte
gegevens voor anderen binnen de politie raadpleegbaar worden gesteld. Bij
algemene maatregel van bestuur zullen deze verwerkingen ten behoeve van de
ondersteunende taken nader worden uitgewerkt. Tenslotte bepaalt artikel 13
dat bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van
gegevens door elke regio beschikbaar moeten worden gesteld om standaard geautomatiseerd
met elkaar te worden vergeleken. Daarmee kan onder meer worden gesignaleerd
dat een persoon is betrokken in meerdere onderzoeken van de politie.</al>
      <tuskop letat="cur">6.5 Verder intern gebruik</tuskop>
      <al>Binnen de opsporingspraktijk kan aanvullend behoefte bestaan aan het raadplegen
van gegevens die worden verwerkt voor andere onderzoeken of in het kader van
de verwerking van gegevens over de betrokkenheid van personen bij bepaalde
ernstige strafbare feiten bij een criminele inlichtingeneenheid. Die behoefte
wordt dan ingegeven door een lopend onderzoek of een lopende verwerking ten
behoeve van de opbouw van een informatiepositie, waarbij het voor het betreffende
doel noodzakelijk is om na te gaan of verbanden bestaan tussen de in dat kader
verwerkte gegevens en andere beschikbare politiegegevens. Daarom biedt het
wetsvoorstel ten eerste de mogelijkheid om de gegevens die zijn verwerkt ten
behoeve van een bepaald onderzoek (artikel 9) of een doel als genoemd in artikel 10, indien dit noodzakelijk is voor dat onderzoek of dat doel,
te vergelijken met gegevens die zijn verwerkt in een ander onderzoek. Deze
manier van zoeken sluit aan bij de meest toegepaste zoekmethode in de huidige
politiepraktijk. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld over de uitvoering van de gegevensvergelijking. Door het zoeken
te beperken tot het geautomatiseerd vergelijken wordt voorkomen dat ook zeer
geavanceerde en ingrijpende zoekmethoden worden toegepast door een brede groep
van personen binnen de politie. Deze zoekmogelijkheid houdt een verruiming
in ten opzichte van de huidige wet. De relevante gegevens die door het langs
deze weg leggen van verbanden naar voren komen, kunnen onder voorwaarden verder
worden verwerkt ten behoeve van het betreffende onderzoek of het doel van
artikel 10.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten tweede voorziet artikel 11 van het wetsvoorstel er in dat, indien
dit noodzakelijk is ten behoeve van een bepaald onderzoek of een bepaald doel
van artikel 10, alle beschikbare politiegegevens in combinatie met elkaar
kunnen worden verwerkt. Het betreft hier een verstrekkende bevoegdheid omdat
alle beschikbare politiegegevens, inclusief gegevens van onverdachte burgers,
kunnen worden geraadpleegd. De elders beschikbare gegevens kunnen vrij worden
gebruikt ten behoeve van het betreffende onderzoek of het betreffende doel.
Deze zoekmogelijkheid betreft een specialistische taak: ook zeer geavanceerde
zoekmethoden kunnen in dit kader worden toegepast. Grote hoeveelheden gegevens
van ook onverdachte burgers die in een ander verband zijn verzameld kunnen
worden gebruikt en kunnen op basis van patronen of profielen worden onderzocht.
Deze zoekmogelijkheid is dan ook bijzonder verstrekkend en zal langs de weg
van de autorisaties moeten worden voorbehouden aan een zeer beperkte kring
van politieambtenaren die daarvoor de vereiste deskundigheid en ervaring bezitten.
Daarmee wordt zowel het belang van de kwaliteit gediend als het belang van
de privacy van de personen die wel in de politiesystemen voorkomen, maar niets
met de betreffende onderzoeksvraag van doen hebben, beschermd. Voor het gebruik
van deze mogelijkheid is bovendien een opdracht van het bevoegde gezag vereist.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op de beide bovenomschreven zoekmogelijkheden, die een verruiming betekenen
ten opzichte van de huidige wet, alsmede op de voorwaarden die daarbij gelden
wordt nader in gegaan in het artikelsgewijs deel bij artikel 11.</al>
      <tuskop letat="cur">6.6 De autorisatieplicht en de verdere verwerking van
gegevens (artikelen 6 en 15)</tuskop>
      <al>De verwerking van politiegegevens wordt gekoppeld aan autorisaties. Op
grond van artikel 6 draagt de verantwoordelijke zorg voor het ontwikkelen
en onderhouden binnen zijn korps van een systeem van autorisaties dat voldoet
aan de vereisten van zorgvuldigheid en evenredigheid. Politiegegevens mogen
alleen worden verwerkt door daartoe geautoriseerde personen. Het wetsvoorstel
verplicht de verantwoordelijke daarom om de ambtenaren van politie die onder
zijn beheer werkzaam zijn ter uitvoering van de politietaak te autoriseren
voor de verwerking van politiegegevens, voor zover dit noodzakelijk is voor
de uitvoering van hun taak. In bijzondere gevallen kan de verantwoordelijke
ook personen die geen ambtenaar van politie zijn ten behoeve van de uitvoering
van de politietaak autoriseren voor de verwerking van politiegegevens. Daarnaast
is de verantwoordelijke op grond van artikel 15 verplicht politiegegevens
ter beschikking te stellen aan personen die door hemzelf dan wel door een
andere verantwoordelijke zijn geautoriseerd voor de verwerking van politiegegevens,
voor zover zij deze behoeven voor de uitvoering van hun taak. Het
ter beschikking stellen van gegevens aan personen die onder zijn eigen beheer
werkzaam zijn, is aan de orde als incidenteel blijkt dat bepaalde gegevens,
voor de verwerking waarvan de betreffende persoon niet geautoriseerd is, voor
zijn werkzaamheden toch relevant zijn. De betreffende gegevens kunnen dan
eenmalig aan hem ter beschikking worden gesteld, zonder dat dat gevolgen hoeft
te hebben voor zijn (meestal structurele) autorisatie. Het ter beschikking
stellen van gegevens aan personen die onder beheer van een andere verantwoordelijke
werkzaam zijn is van belang voor een goede samenwerking tussen de politiekorpsen.</al>
      <al>De verdere verwerking van de ter beschikking gestelde politiegegevens
vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van die andere verantwoordelijke.
In bijzondere gevallen kan de beschikbaarstelling worden geweigerd in het
belang van de goede uitvoering van de politietaak.</al>
      <tuskop letat="vet">7. Verstrekking aan derden</tuskop>
      <al>De politie werkt samen met verschillende organisaties ten behoeve van
bijvoorbeeld de aanpak van vuurwapengebruik, jeugdcriminaliteit, huiselijk
geweld, malafide huiseigenaren of de beveiliging van bedrijventerreinen. De
instanties waarmee de politie samenwerkt zijn bijvoorbeeld de gemeente, hulpverleningsinstellingen,
de reclassering, woningbouwverenigingen en de Belastingdienst. De goede uitvoering
van de politietaak maakt deze samenwerking met derden wenselijk en noodzakelijk.
In dat kader kan het nodig zijn dat de politie gegevens verstrekt aan deze
derden. Ook de goede taakuitvoering van andere overheidsdiensten kan een reden
zijn voor het door de politie verstrekken van gegevens.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het wetsvoorstel kent een gedifferentieerd stelsel van verstrekkingen.
Voor zover de verstrekkingen betrekking hebben op alle regio's, worden
zij in de wet of in de algemene maatregel van bestuur vastgelegd. Daarbij
behoren de verplichte verstrekkingen aan de gezagsdragers, te weten de officier
van justitie en de burgemeester en aan buitengewone opsporingsambtenaren.
Ook de verstrekkingen binnen de strafrechtketen en aan andere publieke organen,
waarmee de politie in alle regio's standaard samenwerkt, worden zoveel
mogelijk bij of krachtens de wet vastgelegd inclusief de doeleinden. Het gaat
bijvoorbeeld om de Bureaus jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming, Slachtofferhulp
Nederland en de Rijksdienst voor het Wegverkeer. De mogelijkheid tot verstrekking
van politiegegevens is niet langer beperkt tot instanties met een publieke
taak. Ook verstrekking aan particuliere personen en instanties met het oog
op een zwaarwegend algemeen belang behoort op grond van dit wetsvoorstel tot
de mogelijkheden. Voor het verdere gebruik van gegevens door de personen en
instanties aan wie politiegegevens zijn verstrekt is de geheimhoudingsplicht,
die is verankerd in artikel 7 van het wetsvoorstel, van belang. Deze houdt
in dat de geheimhoudingsplicht op de gegevens blijft rusten, ook wanneer deze
zijn verstrekt aan derden.</al>
      <al>Nieuwe mogelijkheden tot verstrekking biedt het wetsvoorstel voorts doordat
de verantwoordelijke korpsbeheerder in overeenstemming met het bevoegd gezag,
kan beslissen tot het verstrekken van gegevens aan instanties of personen
met het oog op een zwaarwegend algemeen belang. Deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld
uitkomst bieden als op regionaal niveau gedurende langere tijd intensief wordt
samengewerkt met andere personen of instanties, bijvoorbeeld bij de aanpak
van winkelcriminaliteit of bij de aanpak van de jeugdcriminaliteit. In dat
geval kan de korpsbeheerder besluiten tot het op structurele basis verstrekken
van gegevens met het oog op een samenwerkingsverband. In de beslissing tot
verstrekking wordt het doel vastgelegd ten behoeve waarvan het samenwerkingsverband
is opgericht, de gegevens die worden verstrekt, de voorwaarden waaronder de
gegevens worden verstrekt en de personen of instanties waaraan
de gegevens worden verstrekt. De politiegegevens kunnen slechts worden verstrekt
voor bepaalde doelen, namelijk het voorkomen en opsporen van strafbare feiten,
het handhaven van de openbare orde, de hulpverlening en het uitoefenen van
toezicht op de naleving van wetgeving en alleen voor zover verstrekking van
de gegevens noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook in bijzondere gevallen kan de verantwoordelijke korpsbeheerder in
overeenstemming met het bevoegd gezag beslissen tot het verstrekken van gegevens
aan andere personen en instanties met het oog op een zwaarwegend algemeen
belang. Gedacht kan worden aan het doen van een mededeling over vermoedens
van kindermishandeling aan een arts of aan een school. Ook daarbij geldt dat
de politiegegevens slechts worden verstrekt voor zover de verstrekking noodzakelijk
is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang. De korpsbeheerder kan deze
beslissing desgewenst mandateren.</al>
      <al>Overigens geldt voor gegevens die onder het regime van artikel 125n en
126dd Wetboek van Strafvordering vallen, dat de speciale regeling die voor
de omgang met deze gegevens in het Wetboek van Strafvordering is getroffen,
voor gaat en dat de verstrekkingsbepalingen van de Wet politiegegevens daarop
dan ook niet van toepassing zijn.</al>
      <tuskop letat="vet">8. Verwijderen, bewaren en vernietigen van gegevens</tuskop>
      <al>Het wetsvoorstel voorziet in een regeling voor het verwijderen, bewaren
en vernietigen van gegevens. Als algemene regel geldt dat gegevens worden
verwijderd of vernietigd, zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor het
doel waarvoor zij zijn verwerkt. Deze algemene norm is geformuleerd in artikel
4, tweede lid. In de verschillende artikelen, die een doel voor verwerking
van politiegegevens formuleren, is vervolgens aangegeven binnen welke termijn
de gegevens uiterlijk mogen moeten worden verwijderd of vernietigd. Gegevens
die worden verwerkt voor de dagelijkse politietaak worden vernietigd zodra
zij niet langer noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor zij worden verwerkt
en anders uiterlijk vijf jaar na eerste verwerking. Op grond van artikel 4,
eerste lid, worden ook gegevens die onjuist blijken te zijn, vernietigd. Ten
aanzien van bepaalde gegevens die met het gebruik van een bijzondere opsporingsbevoegdheid
zijn verkregen bepaalt het Wetboek van Strafvordering dat zij na afronding
van het onderzoek moeten worden vernietigd (vgl. artikel 125n, eerste lid
en artikel 126cc, tweede lid). Voor de gegevens die op basis van artikel 13
worden verwerkt worden bij algemene maatregel van bestuur vernietigingstermijnen
vastgesteld. De gegevens die niet voortijdig behoeven te worden vernietigd
en die op grond van de artikelen 8, 9, 10 en 12 worden verwerkt, worden verwijderd
zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor zij worden
verwerkt. Dat moment zal voor gegevens die op grond van artikel 9 zijn verwerkt
doorgaans pas zijn aangebroken als de rechter onherroepelijk heeft beslist.
De gegevens zijn tot die tijd immers nog nodig voor het geval de officier
van justitie, de rechter-commissaris of de rechter ter zitting nader onderzoek
verlangt. Voor de verwerking op grond van artikel 10, die een meer permanent
karakter draagt, is bepaald dat de gegevens minimaal elk half jaar worden
gecontroleerd om de noodzaak na te gaan tot verwerking voor het betreffende
doel. Op grond van artikel 10 geldt een uiterste termijn van vijf jaar na
de laatste opname van gegevens die blijk geven van de noodzaak tot gegevensverwerking.
Daarna moeten de gegevens worden verwijderd. Voor de gegevensverwerking over
informanten, die is geregeld in artikel 12, geldt een uiterste termijn van
tien jaar na de laatste opname van gegevens die blijk geven van de noodzaak
tot gegevensverwerking. Gegevens die worden verwijderd worden niet onmiddellijk
vernietigd. Op grond van artikel 14 worden zij gedurende vijf jaar bewaard
ten behoeve van verwerking met het oog op de afhandeling van
klachten, de verantwoording van verrichtingen alsmede voor historische, statistische
of wetenschappelijke doeleinden. Gedurende de termijn waarbinnen ze na verwijdering
worden bewaard zijn de gegevens in beginsel niet toegankelijk voor operationele
doeleinden. Alleen in bijzondere gevallen kunnen de bewaarde gegevens in opdracht
van het bevoegde gezag beschikbaar worden gesteld voor hernieuwde verwerking
op grond van de artikelen 9 en 10. Ze vallen dan niet langer onder het regime
van artikel 14.</al>
      <tuskop letat="vet">9. Rechtsbescherming, controle en toezicht</tuskop>
      <al>Het wetsvoorstel voorziet in de nodige waarborgen tegen ongerechtvaardigde
inbreuken op de persoonlijke levenssfeer. In de eerste plaats gelden daartoe
de beperkingen die het wetsvoorstel oplegt aan de reguliere verwerking van
persoonsgegevens, zoals het vereiste van doelbinding, het vereiste van autorisatie
voor de verschillende verwerkingen van gegevens en de beperking van het gebruik
van gegevens die voor een bepaald doel zijn verkregen voor andere doelen binnen
de politietaak. Deze zijn hiervoor besproken. In de tweede plaats voorziet
het wetsvoorstel daartoe in het recht op kennisneming en de daarbij passende
rechtsbescherming. In de derde plaats voorziet het wetsvoorstel in waarborgen
voor controle en toezicht als sluitstuk.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het recht op kennisneming houdt in dat een ieder het recht heeft te weten
welke hem betreffende politiegegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke
is verplicht op een schriftelijk verzoek te antwoorden, tenzij een in de wet
bepaalde uitzondering van toepassing is. De verzoeker kan de verantwoordelijke
vervolgens vragen de hem betreffende gegevens te verbeteren, aan te vullen
of te verwijderen. Indien de verantwoordelijke korpsbeheerder aan een dergelijk
verzoek niet wil voldoen, op grond van de wettelijke weigeringsgronden, geldt
deze weigering als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht
waartegen beroep mogelijk is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De in het wetsvoorstel opgenomen waarborgen voor controle en toezicht
houden het volgende in. De verantwoordelijke is verplicht een privacyfunctionaris
aan te wijzen. Deze functionaris heeft tot taak namens de verantwoordelijke
de verwerking van de gegevens te controleren en de verantwoordelijke te adviseren
ten aanzien van de naleving van deze wet. Daarnaast dienen periodiek audits
uitgevoerd te worden ter controle van de naleving van de wet. De auditcyclus
en de wijze van uitvoering van de audits zullen bij algemene maatregel van
bestuur nader worden ingevuld. De resultaten van de periodieke audits worden
door de verantwoordelijke toegezonden aan de Ministers en aan het College
bescherming persoonsgegevens.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het College bescherming persoonsgegevens wordt – evenals bij de
huidige Wet politieregisters – belast met het toezicht op de naleving
van de wet. Om de mogelijkheid tot het effectueren van de beoogde controle
en toezicht veilig te stellen, verplicht het wetsvoorstel tot het vastleggen
van bepaalde gegevensverwerkingen (protocolplicht).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tenslotte biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid een functionaris voor
de gegevensbescherming als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens
aan te wijzen.</al>
      <tuskop letat="vet">10. Consequenties voor de praktijk en financiële
gevolgen</tuskop>
      <al>In de eerste plaats zal de nieuwe wet naar verwachting leiden tot een
doelmatiger en doeltreffender verwerking van gegevens door de politie. De
voorstellen sluiten aan bij de werkwijze van politie en komen zoveelmogelijk
tegemoet aan wensen vanuit de praktijk. Het wetsvoorstel draagt bij aan de
door het kabinet voorgestane vermindering van het aantal regels en het terugbrengen
van de administratieve lasten. Zo leidt het vervallen van de reglementplicht
tot het wegvallen van veel gedetailleerde regelgeving die moest worden opgesteld
en actueel gehouden door de politie zelf. Met het vervallen van het registerbegrip
als aangrijpingspunt voor de wetgeving vervalt het complicerende onderscheid
tussen de verschillende soorten registers (permanente/tijdelijke en algemene/bijzondere).
Door bij de opzet van de wet zoveel mogelijk aan te sluiten bij bestaande
wetten als de Wet bescherming persoonsgegevens en de Wet justitiële gegevens
is tegemoetgekomen aan het streven naar eenvormigheid van de wetgeving. Ondanks
het streven naar eenvoud en eenvormigheid brengt de aard van de te regelen
materie overigens een bepaalde mate van complexiteit mee, die onvermijdelijk
tot uitdrukking komt in regelgeving over dit onderwerp. Niettemin is de verwachting
dat het voorgestelde systeem goed aansluit bij de werkwijze in de praktijk,
waardoor de politie er beter mee uit de voeten zal kunnen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de tweede plaats is de verwachting dat de politie op basis van de nieuwe
wet beter zal kunnen samenwerken met andere instanties. Het verstrekkingenregime
wordt meer open dan onder de huidige Wet politieregisters. De wetgeving schept
duidelijkheid over de mogelijkheden gegevens te verstrekken aan personen en
instanties waarmee de politie samenwerkt. De knelpunten die in de praktijk
op dat punt worden ervaren, onder meer bij de aanpak van jeugdcriminaliteit,
worden daarmee weggenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de implementatie van dit wetsvoorstel is aanpassing van de informatiehuishouding
bij de politie en de Koninklijke marechaussee vereist. Er vindt momenteel
een grootscheepse aanpassing plaats in verband met de ontwikkeling van een
landelijke informatiehuishouding voor de gehele Nederlandse politie. Het betreft
hier naast informatievoorzieningen (ICT-systemen) óók een moderne
kijk op informatiemanagement en de organisatie daarvan (Referentiemodel Bedrijfsprocessen
Politie). Met de voorbereidingen daarvan is bij de opzet van dit wetsvoorstel
rekening gehouden. De voorbereidingen van zowel het wetsvoorstel als de nieuwe
informatiehuishouding zijn erop gericht om de nieuwe wet te implementeren
in samenhang met de invoering van de nieuwe informatiehuishouding.</al>
      <al>Onder meer de wijze waarop en de termijn waarbinnen de nieuwe landelijke
informatiehuishouding geëffectueerd wordt en het bijbehorende referentiemodel
bedrijfsprocessenmodel politie (RBP) geïmplementeerd wordt, zijn van
groot belang voor de kostencomponent van de implementatie van deze wetgeving.
Ook de inhoud van de algemene maatregel van bestuur kan van invloed zijn op
de omvang van de uitvoeringslasten bij de politie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om de kosten zo beperkt mogelijk te houden is gekozen voor een flexibel
overgangsrecht. Bij de inwerkingtreding van deze wet zal zoveel mogelijk rekening
worden gehouden met het tempo van de invoering van de landelijke informatiehuishouding.
Naar alle waarschijnlijkheid zal het niettemin noodzakelijk zijn enige aanpassingen
aan de oude systemen ten behoeve van de invoering van deze wetgeving te plegen.
Zo is de vervanging van ICT-systemen voor o.a. de basispolitiezorg door vernieuwde
landelijke informatievoorzieningen (de politiesuite) niet voorzien vóór
2008/2009. Ook bevindt de Nederlandse politie zich nog in de beginfase van
de het procesgericht werken volgens het RBP-model. Voor wat betreft de informatievoorzieningen
zal daarom rekening moeten worden gehouden met een eenmalige investering van
aanpassing van enkele ICT-systemen. Daarbij gaat het vooral om
de ICT-systemen voor de dagelijkse politiezorg bij zowel de politie als de
Koninklijke marechaussee (X-pol, Genesys, en BPS).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast verlangt de invoering van de nieuwe wetgeving bijscholing van
het politiepersoneel, binnen de politiekorpsen en de Koninklijke Marechaussee.
Het wetsvoorstel sluit immers aan bij een meer proces- en ketengerichte manier
van werken. Zoals hiervoor is aangegeven, brengt de aard van te regelen materie
een zekere mate van complexiteit met zich mee, die in deze wetgeving tot uitdrukking
komt. Er zal daarom een eenmalige scholingsinspanning noodzakelijk zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In overleg met vertegenwoordigers van de Nederlandse politie wordt dit
traject in gang gezet. Er zal vooral aandacht moeten zijn voor de opleiding
van privacyfunctionarissen en functionarissen voor de gegevensbescherming
binnen de politie, maar ook de bijscholing van de staande organisatie met
betrekking tot onder andere het nieuwe autorisatiesysteem en de verstrekkingen
aan derden zal een zekere investering verlangen. Daartoe zullen bijvoorbeeld
ook docenten moeten worden opgeleid. Ook voor wat betreft de opleidingen zal
zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de invoering van de landelijke
informatiehuishouding. Vervolgens is het gewenst dat de reeds bestaande helpdesk
privacy in stand gehouden wordt en voor een periode van 2 jaar na inwerkingtreding
van de wet in stand zal blijven om de implementatie te begeleiden. Ook voor
deze kostencomponent geldt dat enkele factoren die van invloed kunnen zijn
op de omvang van de noodzakelijke investering, nog niet vast staan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tegelijkertijd met het opstellen en voorbereiden van de algemene maatregel
van bestuur zullen de financiële consequenties, samen met het politieveld
nader in kaart worden gebracht. Bij de totstandkoming van de algemene maatregel
van bestuur zal worden aangegeven wat de uiteindelijke financiële consequenties
zullen zijn. Thans wordt ervan uitgegaan dat deze investering zal worden verspreid
over meerdere jaren, daar de invoering van de wet ook gefaseerd zal plaatsvinden.</al>
      <tuskop letat="vet">11. Advisering over het wetsvoorstel politiegegevens<voetref refid="v19.1" nr="1"></voetref></tuskop>
      <al>De Raad van Hoofdcommissarissen, het Korpsbeheerdersberaad, de Koninklijke
marechaussee, het College van procureurs-generaal, het College bescherming
persoonsgegevens, de Nederlandse Orde van Advocaten, de Vereniging van Nederlandse
gemeenten en VNO/NCW zijn om advies gevraagd over het wetsvoorstel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Raad van Hoofdcommissarissen, het Korpsbeheerdersberaad, het College
bescherming persoonsgegevens, het College van procureurs-generaal en VNO/NCW
typeren het wetsvoorstel in hun adviezen als een forse verbetering ten opzichte
van de huidige Wet politieregisters. Zowel het College bescherming persoonsgegevens
(hierna te noemen: CBP) als het College van procureurs-generaal spreken daarbij
expliciet hun instemming uit met de opzet van het wetsvoorstel, waarbij is
uitgegaan van verwerking van persoonsgegevens voor een bepaald doel in plaats
van het registerbegrip.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De adviezen van het CBP, de Nederlandse orde van advocaten (hierna te
noemen: Nova), Korpsbeheerdersberaad/Raad van Hoofdcommissarissen en de Koninklijke
marechaussee gaan expliciet in op de keuze voor een afzonderlijke wet voor
de verwerking van politiegegevens. Zowel het CBP als de Nova noemen handhaving
van de keuze voor een afzonderlijke taakgerichte wet een terechte. Het CBP
noemt daarbij een reeks van argumenten: de Europese normen die niet van toepassing
zijn op de verwerking van persoonsgegevens voor de politietaak,
de bijzondere plaats die de politie inneemt in de verhouding tussen burger
en overheid, het veelal bijzonder gevoelige karakter van gegevensverwerking
door de politie, de waarheidsvinding en de mogelijkheid om een sectorale wet
beter toe te snijden op de praktijk. De Nova noemt vooral de bescherming van
de privacy van de burger als argument voor een afzonderlijke wet voor de verwerking
van politiegegevens.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het CBP ziet als een logische consequentie van de keuze voor een afzonderlijke,
sectorale wet, dat de verwerking van gegevens door de politie en Koninklijke
marechaussee in het kader van toezicht op grond van bijzondere wetten onder
een ander privacyregime (de Wet bescherming persoonsgegevens) worden verwerkt
dan gegevens die betrekking hebben op de politietaken. Het Korpsbeheerdersberaad/Raad
van Hoofdcommissarissen en de Koninklijke marechaussee brengen daarentegen
praktische bezwaren in tegen het feit dat zij – zoals ook nu het geval
is – te maken houden met twee verschillende wettelijke regimes met betrekking
tot de verwerking van gegevens. Deze bezwaren zijn begrijpelijk, maar zij
zijn niet goed te ondervangen door alle gegevens onder hetzelfde privacyregime
te brengen. Het – ook in Europees verband – leidende beginsel
van de doelbinding staat nu eenmaal in de weg aan het zonder meer vermengen
van gegevens die voor verschillende doelen zijn verkregen. Wel moeten de gegevens –
waar nodig – uiteraard kunnen worden uitgewisseld. De vergaande verruimingen
van het verstrekkingenregime in het wetsvoorstel bieden daarvoor meer mogelijkheden
dan de Wet politieregisters. Met de komst van de landelijke informatiehuishouding
zal ook het bezwaar van de complexiteit als gevolg van het feit dat men met
regels uit twee verschillende wetten van doen heeft, in de praktijk minder
merkbaar zijn. De verwerking van gegevens overeenkomstig de beide privacyregimes
zal dan immers door de informatisering kunnen worden ondersteund.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar aanleiding van het advies van de politieberaden en het CBP om het
wetsvoorstel ook van toepassing te laten zijn op de BOD'en wordt in de
toelichting bij artikel 45 van het wetsvoorstel nader in gegaan op de mogelijkheid
om bepalingen van het wetsvoorstel van overeenkomstige toepassing te verklaren
op de BOD'en.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar aanleiding van de adviezen van het CBP en van het College van procureurs-generaal
is het systeem van autorisaties in het wetsvoorstel minder zwaar aangezet.
De plichten van de verantwoordelijke hieromtrent zijn nu alle verwoord in
een centraal artikel: artikel 6; de uitwerking zal plaatsvinden bij algemene
maatregel van bestuur.</al>
      <al>Vanwege het schrappen van het voorlopig register adviseert het CBP een
richtinggevende norm op te nemen die de ondergrens aangeeft vanaf wanneer
persoonsgegevens mogen worden verwerkt ten behoeve van de CIE. Mede naar aanleiding
hiervan is artikel 10 aangevuld met enkele leden die aangeven met betrekking
tot welke categorieën van personen de gegevensverwerking kan plaatsvinden.
Daarmee wordt de ondergrens aangegeven. Deze is voor de verwerking van CIE-gegevens
niet ruimer dan de ondergrens die thans geldt op basis van de Wet politieregisters.
Deze ondergrens geldt echter niet voor de zogenaamde thema-verwerking waar
dit artikel eveneens een basis voor biedt. Voor deze verwerkingen ligt de
ondergrens lager omdat de aard en ernst van de betreffende categorieën
van misdrijven (bijvoorbeeld terrorisme of ernstige vormen van mensenhandel)
bij voorkeur een preventief optreden verlangen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar aanleiding van het advies van de politie is het systeem van zoekmogelijkheden
minder technisch vormgegeven en is gekozen voor nadere uitwerking daarvan
bij algemene maatregel van bestuur. Zowel uit de adviezen als
uit het onderzoek naar de uitvoerbaarheid zijn belangrijke aanknopingspunten
te destilleren voor de praktische vormgeving van de zoekmogelijkheden. Bij
het opstellen van deze algemene maatregel van bestuur zullen zij opnieuw worden
betrokken. Het CBP geeft verder aan bezwaar te hebben tegen de rechtstreekse
toegang tot gegevens in andere onderzoeken. Dit zou een te vergaande inbreuk
vormen op de afscherming van onderzoeksgegevens. Het CBP pleit ervoor de afscherming
van onderzoeksgegevens te laten plaatsvinden aan de hand van coderingen omtrent
de kwaliteit van de gegevens. Deze suggestie van het CBP om politiegegevens
te voorzien van een codering omtrent de kwaliteit lijkt echter niet goed uitvoerbaar.
Eigen aan het werk van de politie – waarbinnen de waarheidsvinding een
belangrijke rol speelt – is immers dat men veelal werkt met gegevens
waarvan de juistheid en volledigheid niet vaststaan. De waarde van een code
omtrent de kwaliteit van gegevens zal daardoor per definitie zeer beperkt
kunnen zijn. De belangrijkste waarborgen die het wetsvoorstel biedt tegen
ongebreideld intern gebruik van politiegegevens zijn: het systeem van autorisaties,
het vereiste dat de zoekmogelijkheden slechts kunnen worden aangewend indien
dat noodzakelijk is voor het betreffende onderzoek of de betreffende verwerking
op grond van artikel 10, alsmede het vereiste dat een bevoegde functionaris
toestemming moet geven voor het daadwerkelijk gebruik van de aldus gevonden
gegevens. Naar aanleiding van het advies van het CBP is in artikel 3 van het
wetsvoorstel wel de verplichting opgenomen om bij de verwerking van een belangrijk
deel van de politiegegevens de herkomst van de gegevens en de wijze van verkrijging
te vermelden. Daarnaast is in artikel 11 de mogelijkheid opgenomen om bij
algemene maatregel van bestuur voor te schrijven dat bepaalde gegevens worden
voorzien van een indicatie over de betrouwbaarheid, de vertrouwelijkheid alsmede
over de mogelijkheid deze verder te verwerken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot de rechtsbescherming is naar aanleiding van de adviezen
de verplichting opgenomen om van een beslissing tot het onthouden van kennisneming
schriftelijk mededeling te doen en is in de memorie van toelichting verhelderd
dat een beslissing tot het onthouden van kennisneming niet behoeft te betekenen
dat over betrokkene geen gegevens zijn verwerkt. Naar aanleiding van het advies
van de politieberaden is de termijn waarbinnen moet worden beslist op een
verzoek tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van gegevens
verlengd naar zes weken met de mogelijkheid de beslissing voor ten hoogste
vier weken te verdagen. Naar aanleiding van het advies van het CBP zijn de
taken en bevoegdheden van de privacyfunctionaris in het wetsvoorstel duidelijker
beschreven. Op aanbeveling van de politieberaden is daarnaast in het wetsvoorstel
de mogelijkheid opgenomen een landelijke functionaris gegevensbescherming
aan te stellen naar het model van de Wet bescherming persoonsgegevens. Een
dergelijke functionaris kan een belangrijke bijdrage leveren aan een eenduidige
en uniforme toepassing van de bij of krachtens dit wetsvoorstel gegeven voorschriften
door de politie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het advies van het College bescherming persoonsgegevens om het toezicht
op de naleving van wetten te schrappen als doel van verstrekking van politiegegevens
aan derden, is niet gevolgd. Het is ongewenst uit te sluiten dat op regionaal
niveau besloten kan worden politiegegevens te verstrekken aan met toezicht
belaste personen of instanties, indien daarbij een zwaarwegend algemeen belang
in het geding is. Op dit punt is aangesloten bij artikel 39f van de Wet justitiële
en strafvorderlijke gegevens.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar aanleiding van het advies van het CBP is de toelichting op de artikelen
18 tot en met 20 aangevuld. Ook overigens hebben de uitgebrachte adviezen
geleid tot een aantal aanpassingen in de verschillende wetsartikelen
dan wel in de toelichting op die artikelen. In die gevallen waarin daartoe
aanleiding bestaat wordt in het artikelsgewijs deel van deze memorie van toelichting
nader in gegaan op deze aanpassingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tenslotte zijn, mede naar aanleiding van het advies van het College bescherming
persoonsgegevens, de bevoegdheden van het College tot handhaving van de wettelijke
voorschriften aangepast aan die welke gelden op grond van de Wet bescherming
persoonsgegevens.</al>
      <tuskop letat="vet">12. Het onderzoek naar de uitvoerbaarheid</tuskop>
      <al>Parallel aan de consultatie van de genoemde instanties is in opdracht
van de ministeries van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
een onderzoek uitgevoerd naar de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. In
dit onderzoek is van een aantal belangrijke aspecten van het wetsvoorstel,
zoals de aanpak van veelplegers, het oplossen van cold cases door de recherche
en de verstrekking van gegevens door de politie in het kader van de jeugd-
en winkelcriminaliteit, onderzocht hoe zij zich verhouden tot de praktijk
van het politiewerk. Uit het onderzoek kwam onder meer naar voren dat het
wetsvoorstel in zijn opzet goed aansluit bij de ontwikkeling naar een landelijke
informatiehuishouding. De invoering van de landelijke informatiehuishouding
kan een belangrijke verbetering betekenen in de gegevensuitwisseling tussen
de korpsen. Het wetsvoorstel bevat een goede basis voor die uitwisseling.
De onderzoekers verwachten dat de politie voor de aanpak van veelplegers met
het wetsvoorstel goed uit de voeten zal kunnen. Die aanpak past naar verwachting
voor het grootste deel onder het voorgestelde regime voor de uitvoering van
de dagelijkse politietaak (artikel 8) en de breed raadpleegbare gegevens van
artikel 13. Een ander deel van deze aanpak, waarbij op vrij grote schaal gericht
informatie wordt ingewonnen over personen die niet noodzakelijkerwijs verdacht
zijn van een misdrijf, kan naar verwachting plaatsvinden onder het voorgestelde
regime van artikel 9. De aanbeveling uit het onderzoek om het onderscheid
tussen de dagelijkse politietaak enerzijds en de gerichte verwerking op grond
van artikel 9 anderzijds in de memorie van toelichting te verhelderen, welke
aanbeveling werd ondersteund in de adviezen, is opgevolgd. Geconcludeerd wordt
tevens dat het gedifferentieerde stelsel van toegang tot politiegegevens van
het wetsvoorstel door middel van machtigingen of autorisaties goed aansluit
bij de huidige praktijk van de toegang tot gegevensbestanden en systemen bij
de politie. In de huidige politiepraktijk wordt vooral gezocht naar personen.
Het zoeken op basis van geautomatiseerde vergelijking van gegevens in het
wetsvoorstel sluit daarbij aan. De aanbevelingen die de onderzoekers doen
met betrekking tot de uitwerking van die zoekmogelijkheid, zullen worden betrokken
bij het opstellen van de algemene maatregel van bestuur. Het begrip zoekgegevens
is naar aanleiding van de ontvangen adviezen vervallen. In plaats daarvan
worden de zoekmogelijkheden nader geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
Voor het oplossen van cold cases vormt de in het wetsvoorstel geïntroduceerde
mogelijkheid van het vrij zoeken in andere opsporingsonderzoeken volgens de
onderzoekers een flinke verbetering ten opzichte van de huidige situatie,
waarbij tijdelijke registers veelal gesloten blijven. Het wetsvoorstel lijkt
volgens de onderzoekers voldoende ruimte te bieden voor het gebruik van datamining
technieken en andere mogelijkheden tot het – al dan niet – geautomatiseerd
leggen van verbanden tussen politiegegevens. Van de meer geavanceerde zoekmogelijkheden
wordt in de huidige politiepraktijk nog niet veel gebruik gemaakt. Mogelijk
komt hier verandering in onder invloed van de landelijke informatiehuishouding.
Voor wat betreft de bewaartermijnen bevelen de onderzoekers aan om alle gegevens
(dus ook die uit artikel 8) pas te vernietigen na ommekomst van de langste
verjaringstermijn uit het Wetboek van Strafrecht. Naar aanleiding
van deze aanbeveling en van de adviezen op het punt van de verwerkingstermijnen
is in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 8 verhelderd dat voor zover
ten aanzien van bepaalde gegevens op voorhand duidelijk is dat zij van bijzonder
belang zijn voor de uitvoering van de politietaak en derhalve voor langduriger
verwerking in aanmerking komen, zij verder kunnen worden verwerkt op grond
van artikel 9, 10 of 13. In de toelichting op artikel 9 is verhelderd
dat – in geval van een opsporingsonderzoek dat heeft geleid tot een
vervolging – de situatie dat de gegevens niet langer noodzakelijk zijn
voor het doel van het onderzoek pas zal optreden op het moment dat de rechter
ten aanzien van de zaak onherroepelijk heeft beslist. Hiermee wordt de ontstane
indruk weggenomen dat de gegevens die op grond van artikel 9 worden verwerkt
voortijdig zouden moeten worden verwijderd. Het uitgebreide verstrekkingenregime
van het wetsvoorstel zien de onderzoekers, zowel met het oog op de aanpak
van jeugdcriminaliteit als die van winkelcriminaliteit, als een verbetering
vergeleken met de huidige situatie. Veel van de huidige incidentele verstrekkingen
kunnen naar verwachting in de toekomst worden geschakeerd onder het regime
van een structureel samenwerkingsverband. Het onderzoeksrapport<voetref refid="v23.1" nr="1"></voetref> heeft aanleiding gegeven de memorie van toelichting bij het verstrekkingenregime
hier en daar te verhelderen.</al>
      <tuskop letat="vet">13. De evaluatie van de Wet bijzondere politieregisters</tuskop>
      <al>In artikel 30a van de huidige Wet politieregisters is bepaald dat binnen
vier jaar na de inwerkingtreding van paragraaf 3a van deze wet een verslag
over de doeltreffendheid en effecten van deze paragraaf in de praktijk zal
worden gezonden aan de Staten-Generaal. De bepalingen van paragraaf 3a
hebben betrekking op de opslag en verwerking van gegevens in bijzondere politieregisters.
Dit zijn het register zware criminaliteit, het voorlopig register en de tijdelijke
registers. Inmiddels hebben onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam
en van het onderzoeksbureau Net2Legal dit evaluatieonderzoek uitgevoerd. Uit
het onderzoek komt naar voren dat de complexiteit van paragraaf 3a van
de Wet politieregisters in de weg staat aan een goede naleving ervan in de
praktijk. Verder concluderen de onderzoekers dat de termijn van vier maanden
voor de opname van gegevens over onverdachte personen in andere dan de bijzondere
politieregisters in de praktijk niet goed uitvoerbaar is. Op basis van de
bevindingen van het onderzoek formuleren de onderzoekers een aantal aanbevelingen
die betrekking hebben op de regelgeving en daarom ook van belang zijn voor
dit wetsvoorstel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten aanzien van het huidig regelgevend kader wordt aanbevolen te komen
tot vereenvoudiging, met name voor wat betreft het onderscheid tussen vele
verschillende registers en het daaraan verbonden gedetailleerde gebruiksregime.
Daarbij zou moeten worden bezien of het mogelijk is de nadruk die thans ligt
op het moment van de eerste opslag van gegevens, te verminderen ten bate van
een regelgevend kader dat meer aangrijpt op het moment dat vastgelegde gegevens
daadwerkelijk worden gebruikt. De regeling van de voorlopige registers zou
uit de wet moeten worden geschrapt en er zou een afzonderlijke wettelijke
regeling moeten worden gecreëerd voor de informantenregisters.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De administratieve verplichtingen ten aanzien van het melden van tijdelijke
registers zouden kunnen worden vereenvoudigd. Dit geldt specifiek voor het
melden van de tijdelijke registers bij het College bescherming persoonsgegevens,
waarbij wordt aanbevolen dat op een centraal punt binnen de korpsen inzichtelijk
is in welke bestanden persoonsgegevens worden verwerkt. Het regime voor dergelijke
registers wordt als onnodig beperkend aangemerkt en de uitwisseling van gegevens
tussen rechercheteams zou mogelijk moeten worden gemaakt. Ook zou moeten worden voorzien in de mogelijkheid van archiefregisters zodat het mogelijk
wordt gegevens op afgeschermde en beperkt toegankelijke wijze voor een langere
periode te bewaren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten aanzien van het toezicht en de controle op de naleving van de regelgeving
zou meer nadruk kunnen worden gelegd op zelfregulering. Gezien de belangrijke
rol die de privacyfunctionarissen in de praktijk vervullen bij de voorlichting
en advisering over regelgeving verdient het aanbeveling deze rol te continueren
en waar mogelijk te versterken. Overwogen kan worden de rol van privacyfunctionaris
niet enkel op regionaal niveau maar ook op bovenregionaal niveau vorm te geven.
In lijn met de Wet bescherming persoonsgegevens zouden functionarissen voor
de gegevensbescherming kunnen worden aangesteld. Ten aanzien van het recht
op kennisneming wordt geconstateerd dat de mogelijkheid van vertrouwelijke
kennisneming van gegevens door de rechter thans onvoldoende is geregeld. Daarbij
is het niet duidelijk waarom de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing
is op procedures ingevolge de Wet politieregisters.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot de evaluatie van paragraaf 3a van de huidige Wet
politieregisters kan in zijn algemeenheid worden opgemerkt dat met dit wetsvoorstel
wordt tegemoet gekomen aan de bevindingen van die evaluatie en aan de op basis
die bevindingen geformuleerde aanbevelingen. In het voorgaande is reeds opgemerkt
dat de werkbaarheid in de praktijk voorop heeft gestaan bij de ontwikkeling
van deze wettelijke regeling. Dit heeft geleid tot aanpassing van de termijn
van vier maanden voor de verwerking van gegevens over onverdachte personen.
Voorgesteld wordt de regeling van de voorlopige registers te laten vervallen
terwijl een afzonderlijk regime wordt geïntroduceerd voor de verwerking
van gegevens over informanten. Ter vereenvoudiging van de administratieve
verplichtingen wordt voorgesteld de reglementplicht te laten vervallen; in
plaats daarvan wordt voorzien in schriftelijke vastlegging van het doel van
de verwerking op een centrale plaats binnen de organisatie. Er wordt voorzien
in verruiming van het regime voor de uitwisseling van gegevens tussen rechercheteams;
in dit verband wordt ook de mogelijkheid geboden voor het rechtstreeks zoeken
van gegevens die worden verwerkt in andere onderzoeken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten aanzien van het toezicht en de controle wordt meer ruimte geboden
voor zelfregulering door middel van het instrument van de audits, dat in dit
wetsvoorstel een plaats heeft gekregen. Verder is een afzonderlijke wettelijke
bepaling opgenomen inzake de privacyfunctionaris. Tenslotte is de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing op procedures ingevolge dit wetsvoorstel,
zodat tevens is voorzien in een regeling voor de vertrouwelijke kennisneming
van gegevens door de rechter.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het artikelsgewijs deel van deze memorie van toelichting zal, in die
gevallen waarin daartoe aanleiding bestaat, nader worden in gegaan op de conclusies
en aanbevelingen met betrekking tot de evaluatie van paragraaf 3a van
de Wet politieregisters.</al>
      <tuskop letat="vet">ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 1 Algemene bepalingen</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Artikel 1</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel a</tuskop>
      <al>Voor de definitie van politiegegeven is nauw aangesloten bij die van persoonsgegevens in artikel 1, onderdeel a, van de Wet bescherming
persoonsgegevens. Het wetsvoorstel geeft regels voor de verwerking van persoonsgegevens
die in het kader van de uitvoering van de politietaak zijn verkregen. Het
wetsvoorstel heeft niet mede betrekking op de verkrijging van politiegegevens.
De bevoegdheden die ten grondslag liggen aan de verkrijging van de gegevens
worden geregeld in andere wetten, waaronder het Wetboek van Strafvordering.
Dat voor de definitie van persoonsgegeven wordt aangesloten bij de Wet bescherming
persoonsgegevens heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat de wet, evenals de huidige
Wet politieregisters, niet van toepassing is op gegevens die met uitsluitend
rechtspersonen in verband kunnen worden gebracht. Gegevens betreffende rechtspersonen
zullen evenwel veelal opgenomen zijn in direct verband met en daarom herleidbaar
zijn tot een natuurlijke persoon. In dat geval gelden de bepalingen van dit
wetsvoorstel onverkort. In de praktijk zal dit er dan ook toe leiden dat,
zo er al niet door de politie voor wordt gekozen alle gegevens te behandelen
als politiegegevens, in ieder geval de gegevens die herleidbaar zijn tot natuurlijke
personen worden verwerkt met inachtneming van het regime van dit wetsvoorstel.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel b</tuskop>
      <al>De definitie van politietaak komt overeen met de omschrijving daarvan
in de Politiewet 1993. Hieronder valt zowel de politietaak die op grond van
artikel 2 van de Politiewet 1993 wordt uitgeoefend door de politie als de
politietaken die op grond van artikel 6, eerste lid, van die wet worden uitgeoefend
door de Koninklijke marechaussee. In de memorie van toelichting bij artikel
6 van de Politiewet 1993 is aangegeven dat de Koninklijke marechaussee bij
de uitoefening van die taken gelijk wordt gesteld met de Nederlandse politie
(TK 1991–1992, 22 562, nr. 3). In dit wetsvoorstel is van die gelijkstelling
uitgegaan.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel c</tuskop>
      <al>Voor de definitie van verwerken is nauw aangesloten bij artikel 1, onderdeel
b, van de Wet bescherming persoonsgegevens. Toegevoegd is het begrip vergelijken
teneinde te verhelderen dat deze handeling, die een belangrijke rol vervult
in het regime voor de verwerking van politiegegevens, ook wordt aangemerkt
als een vorm van verwerken van een politiegegeven.</al>
      <al>Het begrip verwerken omvat een veelheid van handelingen zoals het verzamelen,
vastleggen, wijzigen, raadplegen, gebruiken, verstrekken, ter beschikking
stellen of vernietigen van gegevens. Iedere afzonderlijke handeling geldt
als een verwerking. Het verdere gebruik van de verkregen gegevens door anderen
dan de politie en de Koninklijke marechaussee wordt bestreken door een ander
regime. Dit zal in de praktijk veelal de Wet bescherming persoonsgegevens
zijn.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel d</tuskop>
      <al>Het wetsvoorstel bevat een afzonderlijke paragraaf die de verstrekking
van politiegegevens aan anderen dan de politie en de Koninklijke marechaussee
regelt. De definitie van verstrekken komt overeen met die van artikel 1, onderdeel
n, van de Wet bescherming persoonsgegevens. Hierboven is opgemerkt dat het
begrip verwerken het verstrekken van gegevens omvat. Gekozen is voor een afzonderlijke
definitie omdat in het wetsvoorstel bijzondere regels worden gesteld voor
het verstrekken van politiegegevens aan anderen dan politie en Koninklijke
marechaussee (paragraaf 3).</al>
      <al>Het begrip verstrekken omvat iedere vorm van het bekend maken of ter beschikking
stellen van politiegegevens, ongeacht de wijze waarop dit gebeurt (mondeling,
schriftelijk of langs elektronische weg). De verstrekking heeft tot gevolg
dat de ontvanger over het gegeven kan beschikken. Ook als een persoon over
de schouder van een ander meekijkt naar bijvoorbeeld een bestand
persoonsgegevens dan geldt dit als een verstrekking (Registratiekamer, 6 maart
1995, 94.V.177). Ook het enkel bevestigend beantwoorden op de vraag of bepaalde
gegevens correct zijn kan worden aangemerkt als een verstrekking in de zin
van de wet als daarvoor gebruik is gemaakt van politiegegevens (Nationale
ombudsman 3 mei 1993, nr. 93/R303).</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel e</tuskop>
      <al>In dit onderdeel is een definitie opgenomen van het ter beschikking stellen
van politiegegevens. De term ter beschikking stellen wordt gehanteerd voor
de verstrekking van politiegegevens binnen de politie (zowel de verstrekking
binnen de korpsen als de uitwisseling tussen de korpsen) en de Koninklijke
marechaussee. Hierboven is opgemerkt dat het begrip verwerken het ter beschikking
stellen van gegevens omvat. Gekozen is voor een afzonderlijke definitie omdat
in de artikelen 13 en 15 specifieke verplichtingen zijn opgenomen voor de
verantwoordelijke om gegevens ter beschikking te stellen voor verdere verwerking
door ambtenaren van politie die onder zijn beheer vallen en door ambtenaren
van politie die onder het beheer van een andere verantwoordelijke vallen.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel f</tuskop>
      <al>Bij het bepalen van de verantwoordelijke is aangesloten bij de regeling
omtrent het beheer van de regionale politiekorpsen in de Politiewet 1993.
Hierboven is aangegeven dat het begrip verwerking een veelheid aan handelingen
omvat. Mede gelet op de ontwikkelingen op het gebied van de ICT binnen de
politie zal het in de praktijk voorkomen dat verschillende verantwoordelijken
betrokken zijn bij de verschillende verwerkingen die plaatsvinden ten aanzien
van een gegeven. De verantwoordelijke is verantwoordelijk voor de naleving
van de in dit wetsvoorstel neergelegde bevoegdheden en verplichtingen ten
aanzien van de verwerking van politiegegevens die onder zijn beheer plaats
heeft en is aansprakelijk in geval van niet-naleving van de wettelijke bepalingen.
Daarom moet iedere gegevensverwerking ten behoeve van de politietaak kunnen
worden teruggevoerd op een verantwoordelijke.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De gemeenschappelijke verwerking, genoemd in onderdeel 5, ziet op de situatie
dat een grootschalig onderzoek plaatsvindt, bijvoorbeeld naar aanleiding van
een ernstig strafbaar feit, waar meerdere regionale politiekorpsen bij betrokken
zijn. Het kan ook gaan om een verwerking als bedoeld in artikel 13. Genoemd
kan tevens worden een samenwerkingsverband tussen één of meerdere
regiokorpsen en het Korps landelijke politiediensten of tussen één
of meerdere politiekorpsen en de Koninklijke marechaussee. Dit onderdeel biedt
de mogelijkheid dat de betrokken verantwoordelijken in een dergelijk geval één
verantwoordelijke aanwijzen die wordt belast met de feitelijke zorg voor de
gemeenschappelijke verwerking van de politiegegevens. De aangewezen verantwoordelijke
fungeert dan als verantwoordelijke in de zin van deze wet. In dat geval is
deze verantwoordelijke derhalve belast met het afgeven van de autorisaties
en voor de verwerking van politiegegevens door de personen die bij het onderzoek
zijn betrokken. Op grond van de Politiewet 1993 kan de minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties aan een korpsbeheerder de nodige aanwijzingen
ten aanzien van het beheer geven, indien het belang van het beheer van de
politie dit vereist. Indien de strafrechtelijke handhaving dan wel de vervulling
van taken ten dienste van justitie zijn betrokken dan worden die aanwijzingen
gegeven in overeenstemming met Onze minister van Justitie (artikel 53 PW 1993).
Indien er aanleiding bestaat tot bijsturing van de wijze waarop in de praktijk
wordt omgegaan met de mogelijkheid tot gemeenschappelijke gegevensverwerking
kan in voorkomende gevallen van de bestaande aanwijzingsbevoegdheden gebruik
worden gemaakt. De verplichting tot de schriftelijke melding
van een gemeenschappelijke gegevensverwerking aan het College bescherming
persoonsgegevens, dat is belast met het toezicht op de verwerking van politiegegevens
overeenkomstig het bij of krachtens dit wetsvoorstel bepaalde, dient als extra
waarborg voor de betrokkene dat de aanwijzing van een andere verantwoordelijke
geen afbreuk doet aan de mogelijkheid tot uitoefening van zijn rechten, zoals
die in paragraaf 4 (rechten van de betrokkene) van dit wetsvoorstel zijn
uitgewerkt.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel g</tuskop>
      <al>Voor de definitie van de betrokkene is aangesloten bij artikel 1, onderdeel
f, van de Wet bescherming persoonsgegevens.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel h</tuskop>
      <al>Voor de definitie van het College bescherming persoonsgegevens is aangesloten
bij artikel 1, onderdeel k, van de Wet bescherming persoonsgegevens.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel i</tuskop>
      <al>De definitie van de bewerker is gelijk aan die in artikel 1 sub e van
de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP). De introductie van deze figuur
in dit wetsvoorstel houdt verband met de oprichting van een tweetal bovenregionale
organisaties met het oog op de totstandbrenging van een bovenregionale informatiehuishouding
voor de politie. De Coöperatie Informatiemanagement Politie (CIP) richt
zich op de bundeling van de vraag naar ICT-voorzieningen alsmede het beheer
op rechten op ICT-voorzieningen. Dit beheer is gericht op een goede aansluiting
van die voorzieningen op de werkwijze van de politie. Daartoe zal het CIP
in bepaalde gevallen analyses moeten uitvoeren ten behoeve van de ontwikkeling
van specificaties voor aanpassingen. De ICT Service Coöperatie (ISC)
voert taken uit op het gebied van het technisch onderhoud van ICT-voorzieningen.
Daarbij kan het voorkomen dat het ISC in opdracht van de verantwoordelijke
bepaalde gegevensanalyses verricht met behulp van specifiek ontwikkelde programmatuur.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel j</tuskop>
      <al>De definitie van Onze Ministers is gelijkluidend aan die in de Wet politieregisters.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel k</tuskop>
      <al>Gelet op de reikwijdte van het wetsvoorstel ligt het in de rede dat de
verwerking van politiegegevens wordt gekoppeld aan ambtenaren die bij de politie
zijn belast met de uitvoering van de politietaak zoals deze is omschreven
in artikel 2 van de Politiewet 1993. Voor de ambtenaren van de politie is
dit geregeld in artikel 3 van de Politiewet 1993. In vergelijking met de huidige
Wet politieregisters betekent dit een verruiming aangezien ook ambtenaren,
aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken
ten dienste van de politie worden aangemerkt als ambtenaar van politie in
de zin van deze wet. Dit is van belang voor de regeling van de autorisaties,
nu de afgelopen jaren een tendens kenbaar is om naast politieambtenaren met
zogenaamde executieve taken ook politieambtenaren aan te stellen die worden
belast met meer ondersteunende taken die daarbij tevens in aanraking kunnen
komen met politiegegevens. Daarbij kan worden gedacht aan politiepersoneel
dat werkzaam is in de meldkamer of in de zogenaamde infodesks van de politie
of aan analisten, psychologen en andere specialisten in dienst van de politie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De verwerking van politiegegevens door de Koninklijke marechaussee wordt –
in verband met de gelijkstelling met de politie – gekoppeld aan de omschrijving
van taken in artikel 6, eerste lid, van de Politiewet 1993. Het betreft hier
zowel de burgerambtenaar werkzaam bij de Koninklijke marechaussee
als de militair van de Koninklijke marechaussee. In de praktijk verwerken
met name opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee politiegegevens
ter uitvoering van deze politietaken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In verband met de leesbaarheid en overzichtelijkheid van de verschillende
wetsartikelen is ervoor gekozen zowel de ambtenaar, die is aangesteld voor
de uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 3 van de Politiewet
1993 als de ambtenaar van de Koninklijke marechaussee, belast met de uitvoering
van de politietaken als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Politiewet
1993, aan te merken als «ambtenaar van politie» in de zin van
deze wet. Vanwege de mogelijkheid om het bij of krachtens deze wet bepaalde
geheel of ten dele van overeenkomstige toepassing te verklaren op de verwerking
van persoonsgegevens door bijzondere opsporingsdiensten wordt, in die gevallen
waarin van die mogelijkheid gebruik is gemaakt, ook de opsporingsambtenaar
in dienst van een dergelijke opsporingsdienst aangemerkt als «ambtenaar
van politie» in de zin van deze wet.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel l</tuskop>
      <al>Het wetsvoorstel bevat mogelijkheden voor het rechtstreeks zoeken van
beschikbare politiegegevens. Dit is toegelicht in het algemeen deel van de
memorie van toelichting (paragrafen 6.2 en 6.5). Er kunnen twee vormen van
rechtstreeks zoeken worden onderscheiden, te weten het op basis van hit/no
hit vergelijken van politiegegevens en het in combinatie met elkaar verwerken
van politiegegevens. Hierbij kan het gaan om gegevens die worden verwerkt
met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak, gegevens die worden
verwerkt in een onderzoek als bedoeld in artikel 9 of een doel als bedoeld
in artikel 10. In alle gevallen geldt dat de gegevens, die bij het rechtstreekse
zoeken van de gegevens met elkaar overeenkomen, in aanmerking kunnen komen
voor verdere verwerking voor het doel ten behoeve waarvan het rechtstreeks
zoeken van de gegevens noodzakelijk is. In een aantal gevallen gelden daarvoor
aanvullende voorwaarden. Daarnaast kunnen de gegevens die met die gegevens
verband houden en waarvan verdere verwerking voor het betreffende doel noodzakelijk
wordt geacht, voor dat doel verder worden verwerkt. In de omschrijving van
het begrip gerelateerde gegevens wordt dit tot uitdrukking gebracht.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 2</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>Artikel 2 geeft aan wat de reikwijdte is van het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel
is van toepassing op alle gegevens die zijn verkregen in het kader van de
uitvoering van de politietaak op grond van de artikelen 2 en 6, eerste lid,
van de Politiewet 1993. Dit volgt uit artikel 2, eerste lid, juncto artikel
1, onderdeel a, van het wetsvoorstel. De verwijzing naar artikel 2 van de
Politiewet 1993 heeft betrekking op de politietaak die wordt uitgevoerd door
de politie; de verwijzing naar artikel 6, eerste lid, van die wet heeft betrekking
op de politietaken die worden uitgevoerd door de Koninklijke marechaussee.
Het wetsvoorstel is derhalve ook van toepassing op alle zogenaamde taken ten
dienste van de justitie, zoals genoemd in artikel 1, eerste lid onderdeel
g, van de Politiewet 1993, als onderdeel van de strafrechtelijke handhaving
van de rechtsorde (vgl. memorie van toelichting Politiewet 1993 TK 22 562,
nr. 3. blz. 43). Met betrekking tot enkele van deze taken geldt thans dat
de gegevens die ten behoeve daarvan zijn verkregen, expliciet zijn uitgezonderd
van het regime van de Wet politieregisters (art. 2, sub a, Wet politieregisters).
Dit betreft de uitvoering van wettelijke voorschriften waarmee Onze Minister
van Justitie is belast (het gaat dan vooral om de uitvoering van de Vreemdelingenwet,
de Wet wapens en munitie en de Wet op de particuliere beveiligingsorganisaties)
alsmede de administratieve afdoening van inbreuken op wettelijke voorschriften,
voor zover in die voorschriften het toezicht op de uitvoering van de politietaak
is opgedragen aan het openbaar ministerie (het gaat dan vooral om de Wet Mulder).
Van de zijde van de politie en de Koninklijke marechaussee is ten aanzien
van deze taken echter aangegeven dat deze in de praktijk wel degelijk –
evenals de andere taken ten dienste van de justitie – een relevante
samenhang vertonen met de andere onderdelen van de politietaak. Bovendien
geldt voor deze taken – evenals voor de andere onderdelen van de politietaak –
dat zij exclusief dan wel primair zijn toebedeeld aan de politie en de Koninklijke
marechaussee. Het ligt daarom meer voor de hand om de gegevens uit alle onderdelen
van de politietaak onder hetzelfde privacyregime te brengen. Gelet op de verwevenheid
met de andere onderdelen van de politietaak en de exclusiviteit van de uitvoering
van deze taken door de politie en de Koninklijke marechaussee wordt nu voorgesteld
voor de reikwijdte van het wetsvoorstel voor wat betreft de politie volledig
aan te sluiten bij de taakomschrijving van artikel 2 van Politiewet 1993 en –
in verband met de gelijkstelling met de politie – voor wat betreft de
Koninklijke marechaussee volledig bij de omschrijving van taken van artikel
6, eerste lid, van de Politiewet 1993. Deze keuze komt een heldere afbakening
ten goede. Daarbij geldt uiteraard ook voor de taken ten dienste van de justitie
dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de gegevensverwerking in het kader
van de dagelijkse politietaak enerzijds en de gegevensverwerkingen met een
meer permanent en ondersteunend karakter anderzijds. Hieraan zal bij de uitwerking
van artikel 13 aandacht worden besteed.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naast de uitvoering van de politietaak is de politie op grond van bijzondere
wetten ook wel belast met toezichthoudende taken. Deze taken zijn veelal niet
primair maar wel mede toebedeeld aan de politie. De verwerking van gegevens
voor deze taken valt niet onder het regime van dit wetsvoorstel, maar onder
de Wet bescherming persoonsgegevens. Op dit punt vindt geen wijziging plaats
ten opzichte van de reikwijdte van de Wet politieregisters. Ook al valt de
verwerking van de gegevens die zijn verkregen in het kader van het toezicht
op de naleving van bijzondere wetten onder een ander privacyregime dan de
gegevens die zijn verkregen in het kader van de politietaak, onderkend moet
worden dat in de praktijk toezicht en opsporing nauw met elkaar kunnen zijn
verweven. Enerzijds is een zekere scheiding tussen de beide vormen van handhaving
van belang ter voorkoming van ongewenste vermenging van taken en van onverenigbaar
gebruik van gegevens. Anderzijds is voor een goede wisselwerking tussen toezicht
en opsporing vereist dat de gegevens die in het kader van de ene taak zijn
verkregen – in die gevallen waarin dat verenigbaar is – kunnen
worden gebruikt voor een goede uitvoering van de andere taak. In de praktijk
blijkt het vaak noodzakelijk dat gegevens die zijn verkregen in het kader
van toezicht kunnen worden gebruikt ten behoeve van de opsporing. Die behoefte
tot uitwisseling van gegevens doet zich evenzeer voor wanneer zowel de opsporingsgegevens
als de toezichtgegevens zijn verkregen door de politie als wanneer de toezichtgegevens
zijn verkregen door anderen zoals een inspectiedienst. Voor de vraag of gegevens
die zijn verkregen in het kader van de politietaak, gebruikt kunnen worden
voor een bepaalde toezichtstaak, geldt op grond van dit wetsvoorstel als criterium
dat dit gebruik noodzakelijk moet zijn in het kader van een zwaarwegend algemeen
belang. Is aan dit criterium voldaan dan biedt, afhankelijk van de aard van
de verstrekking, artikel 18, 19 of 20 daarvoor de basis. Voor de vraag
of toezichtgegevens kunnen worden gebruikt voor de opsporing moet een afweging
worden gemaakt aan de hand van de criteria van artikel 9 van de Wet bescherming
persoonsgegevens. Aangenomen kan worden dat er doorgaans verenigbaarheid zal
zijn wanneer zowel het toezicht als de opsporing plaatsvindt in het kader
van de handhaving van dezelfde wet en derhalve betrekking heeft
op hetzelfde te beschermen belang. In geval van verenigbare doelen biedt het
voormelde artikel 9 ook de mogelijkheid tot structurele verstrekking. Daarnaast
kan de verantwoordelijke – indien dat noodzakelijk is in het kader van
de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten – op grond
van artikel 43 van de Wbp het gestelde in artikel 9 buiten toepassing laten.
Toepassing van artikel 43 verlangt een afweging per geval.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het wetsvoorstel regelt zowel de geautomatiseerde als de handmatige verwerking
van politiegegevens.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>In dit lid wordt de werking van deze wet uitgesloten voor gegevens die
worden verwerkt ten behoeve van uitsluitend persoonlijke doeleinden. Het gaat
dan om werkaantekeningen die bijvoorbeeld dienen als geheugensteun en die
worden opgenomen in agenda's, schrijfblokken en dergelijke. Beschikbaarstelling
of verstrekking van dergelijke werkaantekeningen met het oog op de uitvoering
van de politietaak ontneemt overigens het persoonlijk karakter aan die aantekeningen
en leidt ertoe dat de Wet politiegegevens alsnog op een dergelijke gegevensverwerking
van toepassing is. In het advies van het CBP is hier ook op gewezen. Uit de
koppeling van de verwerking aan de politietaak vloeit tevens voort dat de
Wet politiegegevens niet van toepassing is op persoonsgegevens die worden
verwerkt ten behoeve van de interne bedrijfsvoering van de politie. Met artikel
2, tweede lid, onderdeel b, wordt beoogd iedere twijfel daaromtrent uit te
sluiten. Met de interne bedrijfsvoering wordt gedoeld op gegevensverwerkingen
die betrekking hebben op de interne organisatie van de politie, zoals de personeels-
en salarisadministratie.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>Voor de definitie van bestand is aangesloten bij artikel 1, onderdeel
c, van de Wet bescherming persoonsgegevens. Dit begrip wordt gehanteerd in
artikel 2 van dit wetsvoorstel.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 3</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>Op grond van het eerste lid is het de politie niet toegestaan persoonsgegevens
te verwerken zonder dat dit noodzakelijk is voor de bij of krachtens deze
wet geformuleerde doeleinden. Bij gelegenheid van de behandeling van de Wet
op de uitgebreide identificatieplicht is de vraag aan de orde geweest of de
politie op verzoek van een burger gegevens kan registreren over de toepassing
van de identificatieplicht (Kamerstukken II 2003/2004, 29 218, nr. 21,
blz. 33). Die vraag is toen ontkennend beantwoord. Ook onder de wet politiegegevens
moet die vraag ontkennend worden beantwoord. Wanneer een burger de politie
verzoekt de reden waartoe zijn identiteitsbewijs is gevorderd te registreren,
kan de politie aan dat verzoek niet voldoen, tenzij registratie van dit gegeven
nodig is voor de uitvoering van zijn taak, bijvoorbeeld indien betrokkene
weigert aan de plicht te voldoen. Als de burger het niet eens is met toepassing
van de identificatieplicht, staat hem wel een andere weg open om te zorgen
voor registratie van zijn bezwaren. Hij kan namelijk op grond van artikel
65 van de Politiewet 1993 hierover een klacht indienen.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>Op grond van het tweede lid is het de politie niet toegestaan gegevens
te verwerken die onrechtmatig zijn verkregen. Bij onrechtmatige
verkrijging kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gegevens die zijn verkregen
waarbij bepaalde strafvorderlijke voorschriften zijn geschonden maar ook aan
de verkrijging van gegevens in strijd met de bepalingen die gelden op grond
van dit wetsvoorstel, op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens of
op grond van meer specifieke regelgeving omtrent de verwerking van persoonsgegevens.
Een belangrijk beginsel voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
is het beginsel van de doelbinding, dat is uitgewerkt in het eerste lid. Het
wetsvoorstel beoogt limitatief in de doeleinden te voorzien ten behoeve waarvan
politiegegevens kunnen worden verwerkt. Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 6
van deze memorie van toelichting, hebben deze doeleinden betrekking op de
uitvoering van de politietaak. De woorden «voor zover noodzakelijk voor»
verwijzen tevens naar de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid,
zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM en in het Verdrag van de Raad van
Europa ter bescherming van personen met het oog op de geautomatiseerde verwerking
van persoonsgegevens (1981). Door de noodzakelijkheidseis in de algemene bepalingen
tot uitdrukking te brengen, wordt tevens gevolg gegeven aan hetgeen het CBP
hierover adviseert.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>In dit lid is tot uitdrukking gebracht dat doelafwijkend gebruik van politiegegevens
binnen de politie uitsluitend mogelijk is indien het wetsvoorstel daar uitdrukkelijk
in voorziet. Het wetsvoorstel bevat geen algemene norm voor doelafwijkend
gebruik van politiegegevens. Wel is in de bepalingen inzake de doelen waarvoor
gegevens ten behoeve van de politietaak mogen worden verwerkt, telkens een
regeling opgenomen voor verdere verwerking van die politiegegevens ten behoeve
van andere doelen binnen de politietaak. Voor de verdere verwerking van politiegegevens
voor buiten de politietaak gelegen doelen en door anderen dan de politie of
de Koninklijke marechaussee bevat paragraaf 3 de criteria.</al>
      <tuskop letat="cur">Vierde lid</tuskop>
      <al>Dit lid bevat de verplichting de herkomst en de wijze van verkrijging
van politiegegevens te vermelden. De politie zal telkens moeten voorzien in
een zodanige registratie van gegevens dat er doeltreffend kan worden gereageerd
op een verzoek van de rechter tot nadere verantwoording van hetgeen in het
kader van de uitvoering van de politietaak is verricht en bevonden. Een dergelijke
werkwijze vloeit ook voort uit het systeem van het Wetboek van Strafvordering,
in het bijzonder artikel 152 van dat wetboek, de Politiewet 1993 en de jurisprudentie.
Deze bepaling is eveneens terug te vinden in artikel 4, tweede lid van de
huidige Wet politieregisters. Hiermee wordt tevens gevolg gegeven aan het
advies van het CBP. De gegevensverwerking ten behoeve van de uitvoering van
de dagelijkse politietaak is echter uitgezonderd van deze verplichting. Dit
houdt verband met het zeer algemene karakter van die verwerking, die met zich
meebrengt dat de politie bij de uitvoering daarvan in aanraking komt met persoonsgegevens
die betrekking kunnen hebben op uiteenlopende aspecten van de politietaak.
De vermelding van de herkomst en wijze van verkrijging van de gegevens zal
in de praktijk dan ook niet altijd goed uitvoerbaar zijn. Er is geen sprake
van gerichte gegevensverzameling; waarborgen ter bescherming van de persoonlijke
levenssfeer worden gevonden in de beperkte verwerkingstermijnen voor deze
gegevens. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 4</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>Dit lid bepaalt dat de verantwoordelijke maatregelen dient te treffen
opdat de politiegegevens juist en nauwkeurig zijn. Mede naar aanleiding van
het advies van het CBP wordt hierbij opgemerkt dat dit een inspanningsverplichting
betreft. Het behoort immers tot de taak van de politie om de juistheid van
vaak onbevestigde gegevens vast te stellen. Zodra blijkt dat bepaalde gegevens
die de politie verwerkt onjuist zijn, moeten zij worden vernietigd of gecorrigeerd.
Ook het tweede en derde lid betreffen een inspanningsverplichting. Het eerste
en het derde lid zijn ook terug te vinden in artikel 11, tweede lid, respectievelijk
artikel 13 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Voor nadere toelichting
wordt kortheidshalve verwezen naar de memorie van toelichting van die wet
(Tweede Kamer, vergaderjaar 1997–1998, 25 982, nr. 3).</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>Dit lid verplicht de verantwoordelijke de nodige maatregelen te treffen
opdat de gegevens worden verwijderd of vernietigd zodra zij niet langer noodzakelijk
zijn voor het doel waarvoor ze zijn verwerkt. Het wetsvoorstel regelt daarnaast
termijnen, na ommekomst waarvan de gegevens niet langer mogen worden verwerkt.
Zodra deze termijnen zijn verstreken moeten de betreffende gegevens worden
verwijderd dan wel vernietigd. Dit wordt uitgewerkt in de artikelen 8 tot
en met 14.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>Dit lid brengt voor de verantwoordelijke onder meer de plicht mee om ervoor
te zorgen dat de informatisering voldoende waarborgen bevat om te voorkomen
dat gegevens langer in de systemen blijven dan op grond van de wet geoorloofd
is. De artikelen 8, zesde lid, en 12, vijfde lid, verplichten tot vernietiging
van de verwerkte politiegegevens. In artikel 9, vierde lid, en 10, zesde lid,
is een verplichting tot verwijdering opgenomen. Uit artikel 4 in combinatie
met de artikelen 10, zevende lid, en 12, zevende lid, volgt dat de op grond
van artikel 10 of 12 verwerkte gegevens minimaal elk half jaar moeten
worden geschoond. Daarnaast kan het schonen ook worden gekoppeld aan beslissende
momenten in het onderzoek. Hierop wordt nader ingegaan in de artikelsgewijze
toelichting bij de betreffende wetsartikelen.</al>
      <al>De Regeling informatiebeveiliging politie (Regeling van 17 maart
1997, Stcrt. 60) geeft een methodiek voor de beveiliging van informatiesystemen
van de politiekorpsen. Ter uitvoering van deze regeling is een stelsel voor
informatiebeveiliging uitgewerkt. Dit stelsel omvat onder meer een «leidraad
Organisatie van de informatiebeveiliging», met een eenduidige indeling
van informatievoorzieningsfunctionaliteiten in de informatiesystemen en gemeenschappelijke
IT-diensten van de politie, inclusief de toedeling van verantwoordelijkheden
aan de leidinggevenden, en het «basisbeveiligingsniveau Nederlandse
politie» (BBNP), met gemeenschappelijke betrouwbaarheidseisen en -maatregelen.
Het stelsel voor informatiebeveiliging wordt beheerd door de Coöperatie
Informatiemanagement Politie (CIP).</al>
      <tuskop letat="cur">Vierde lid</tuskop>
      <al>Teneinde de beheerder in staat te stellen gestalte te geven aan zijn verantwoordelijkheid
voor een juiste en veilige verwerking van politiegegevens is in dit lid vastgelegd
dat de verantwoordelijke daartoe toegang heeft tot politiegegevens.
Hier mee wordt mede gevolg gegeven aan het advies van het CBP.</al>
      <tuskop letat="cur">Vijfde lid</tuskop>
      <al>Naar aanleiding van het advies van het CBP is tevens voorzien in toegang
tot politiegegevens ten behoeve van intern toezicht. In paragraaf 5 van
dit wetsvoorstel wordt voorzien in een aantal bepalingen omtrent het toezicht
op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde. Het CBP heeft in
zijn advies er op gewezen dat personen, die zijn belast met taken op het gebied
van toezicht en controle, toegang moeten hebben tot politiegegevens. Daartoe
voorziet dit onderdeel in een rechtsgrondslag voor de toegang tot politiegegevens
voor personen die zijn belast met het verrichten van de audits, voor de privacyfunctionaris,
voor personen die namens het CBP zijn belast het uitoefenen van toezicht en
voor de functionaris gegevensbescherming. Voor wat betreft het CBP vormt de
voorgestelde bepaling een concretisering van de reeds uit de Algemene wet
bestuursrecht voortvloeiende bevoegdheid van het College bescherming persoonsgegevens
tot het vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden (artikel 5:17 AWB).</al>
      <tuskop letat="cur">Zesde lid</tuskop>
      <al>De verwijzing in het zesde lid naar artikelen 14, 49 en 50 van de Wet
bescherming persoonsgegevens houdt onder meer verband met de introductie van
de figuur van de bewerker in dit wetsvoorstel (artikel 4, vijfde lid). De
bewerker neemt geen beslissingen over de verwerking van persoonsgegevens,
dient zich te houden aan hetgeen de verantwoordelijke hem opdraagt ten aanzien
van technische en organisatorische maatregelen ter beveiliging van persoonsgegevens
(art. 14 Wbp) en is in beginsel aansprakelijk voor eventuele schade die is
ontstaan uit zijn werkzaamheden (art. 49 Wbp).</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 5</tuskop>
      <al>De tekst van dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 5, eerste
lid, van de huidige Wet politieregisters en met artikel 16, eerste volzin,
van de Wet bescherming persoonsgegevens. Gevoelige gegevens kunnen worden
verwerkt voor zover zij een duidelijke functie vervullen bij de uitvoering
van de politietaak. Indien bijvoorbeeld van een verdachte bekend is dat deze
wekelijks een bezoek brengt aan een bepaalde kerk of moskee dan mag dit gegeven
worden verwerkt voor zover dit nuttige informatie kan zijn voor de opsporing
van het strafbare feit. Ook gegevens over de huidskleur of de etnische achtergrond
kunnen worden verwerkt als onderdeel van een signalement in gevallen waarin
de persoonsgegevens en verblijfplaats van de betreffende verdachte niet bekend
zijn. Dit artikel noopt ertoe dat de ambtenaar van politie zich dient af te
vragen of de verwerking van bepaalde gevoelige gegevens in het concrete geval
onvermijdelijk is. Gevoelige gegevens mogen nooit bij wijze van automatisme
worden verwerkt. In zijn algemeenheid betekent dit dat statistische gegevens
over bijvoorbeeld de relatie tussen etnische afkomst en de betrokkenheid bij
criminaliteit niet kunnen worden gegenereerd door middel van registratie van
de betreffende gegevens in het kader van de uitvoering van de politietaak.
Dergelijke gegevens kunnen bijvoorbeeld wel worden verkregen en verwerkt in
het kader van specifieke gevallen waarbij duidelijk is, bijvoorbeeld op grond
van wetenschappelijk onderzoek, dat registratie van de culturele of etnische
achtergrond van belang is voor de aanpak van bepaalde problemen. Dit kan bijvoorbeeld
spelen bij problemen als eerwraak of huiselijk geweld. De wijze waarop door
de politie moet kunen worden ingegrepen, kan afhankelijk zijn van de cultuur waar deze problemen zich afspelen. Statistische analyses zijn mogelijk
door middel van een geautomatiseerde koppeling van politiegegevens met bevolkingsgegevens,
op een zodanige wijze dat de uitkomsten niet op personen herleidbaar zijn.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 6</tuskop>
      <al>Een belangrijk uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat de verwerking
van politiegegevens is gekoppeld aan autorisaties. Hiermee wordt beoogd te
waarborgen dat politiegegevens uitsluitend worden verwerkt voor zover dat
noodzakelijk is ten behoeve van de uitvoering van de politietaak. Op grond
van artikel 6 is de verantwoordelijke verplicht een systeem van autorisaties
te onderhouden. Door middel van het systeem van autorisaties is de verantwoordelijke
in staat de verwerking van politiegegevens bewust toe te delen aan de personen
die onder zijn beheer vallen en voor wie de verwerking noodzakelijk is voor
de vervulling van hun taken, zijnde onderdelen van de politietaak.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Binnen de norm van artikel 6 heeft de verantwoordelijke een zekere mate
van vrijheid in de wijze waarop hij het systeem van autorisaties vorm geeft.
Met name waar het gaat om de verwerking van de gegevens voor de dagelijkse
politietaak, zal de verantwoordelijke de nodige vrijheid hebben in de wijze
waarop hij de autorisaties verdeelt. Vooral voor de meer specialistische verwerkingen
zal worden voorzien in nadere regelgeving met betrekking tot de autorisaties.
Het mede door de verantwoordelijke vorm te geven systeem van autorisaties
dient te voldoen aan de vereisten van zorgvuldigheid en evenredigheid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor zover medewerkers binnen de politie op incidentele basis politiegegevens
nodig hebben voor de uitvoering van hun taak, terwijl zij voor de verwerking
van die gegevens niet geautoriseerd zijn, verplicht artikel 15, eerste lid,
ertoe deze gegevens ter beschikking te stellen.</al>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>Van de verantwoordelijke wordt verlangd dat hij bij het uitwerken van
het systeem van autorisaties de vereisten van zorgvuldigheid en evenredigheid
in acht neemt. Deze vereisten brengen onder meer mee dat personen niet ruimer
worden geautoriseerd dan nodig voor de vervulling van hun taken. De meeste
autorisaties zullen daartoe worden gekoppeld aan een bepaalde functie of functionaliteit.
Ter invulling van deze vereisten kan de verantwoordelijke bijvoorbeeld onderscheid
maken in de soort verwerking: het raadplegen, wijzigen of verstrekken van
gegevens. De invulling van de autorisatie zal mede afhankelijk moeten zijn
van de risico's die zijn verbonden aan de taken, waarmee de betrokken
ambtenaar is belast. Naarmate dit risico toeneemt, zal binnen de politieorganisatie
een hogere autoriteit moeten zijn geautoriseerd. In overleg met de politie
kan hiervoor eventueel een landelijk model worden ontwikkeld, dat ten grondslag
kan liggen aan de regeling in de algemene maatregel van bestuur. Bij het autoriseren
voor de verwerking van politiegegevens, als voorzien in artikel 9, eerste
lid, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de leden van een opsporingsteam,
dat wordt belast met een opsporingsonderzoek. Binnen dat team is onderscheid
mogelijk naar de aard van de verwerking. Naar het model van de procedures
en regels voor de verwerking van gegevens in die thans bij de politie in gebruik
zijn, kan onderscheid worden gemaakt in het lezen van alle gegevens, het lezen
van alle gegevens en wijzigen van eigen gegevens, het lezen van alle gegevens
en wijzigen van alle gegevens en het verwijderen van gegevens. </al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>Het feit dat politiegegevens slechts mogen worden verwerkt door ambtenaren
van politie die daartoe door de verantwoordelijke zijn geautoriseerd en voor
zover de autorisatie strekt, maakt het van groot belang dat de verantwoordelijke
de ambtenaren van politie daadwerkelijk autoriseert voor zover zij politiegegevens
moeten verwerken ter uitvoering van de onderdelen van de politietaak waarmee
zij zijn belast. Zonder zo'n autorisatie kunnen zij geen politiegegevens
verwerken. Het tweede en derde lid bevatten dan ook twee sterk met elkaar
samenhangende normen.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>In de wijze waarop de verantwoordelijke het systeem van autorisaties vormgeeft,
geniet hij een redelijke mate van vrijheid. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat
de verantwoordelijke ervoor kiest vrijwel alle politieambtenaren binnen zijn
korps te autoriseren voor de verwerking van politiegegevens met het oog op
de uitvoering van de dagelijkse politietaak. De verantwoordelijke kan echter
ook kiezen voor een beperking van de autorisaties van bepaalde functies tot
een deel van deze gegevens. Ook denkbaar is een geografische inperking van
de beschikbaarheid van politiegegevens, zodat de zogenaamde artikel 8-gegevens
slechts beschikbaar zijn voor politieambtenaren van een bepaald district.
Bij het autoriseren voor de verwerking van politiegegevens, als voorzien in
artikel 9 en 10, eerste lid, ligt – gelet op de vereisten van zorgvuldigheid
en evenredigheid – een forse beperking van het aantal geautoriseerden
voor de hand.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gelet op het bepaalde in het tweede lid, is het van belang dat de autorisatie
een duidelijke omschrijving bevat van de verwerkingen waartoe de betreffende
ambtenaar wordt geautoriseerd en van de onderdelen van de politietaak ter
uitvoering waarvan de verwerkingen worden verricht. De omschrijving in de
autorisatie dient er in de eerste plaats toe aan de ambtenaar van politie
helderheid te bieden omtrent zijn bevoegdheden waar het de verwerking van
politiegegevens betreft. In de tweede plaats biedt de autorisatie aan de beheerder
duidelijkheid omtrent de toegang tot de politiegegevens die hij voor de betreffende
ambtenaar van politie moet realiseren. In de derde plaats vormt de autorisatie,
in combinatie met de protocolplicht op grond van artikel 32, het aanknopingspunt
voor de controle en het toezicht als bepaald in de artikelen 33, 34 en 35.
Door middel van technische voorzieningen kan de verantwoordelijke –
ook achteraf – adequate controle uitoefenen. Daarvoor kan worden gedacht
aan het plaatsen van filters of het gebruik van gedragsprofielen. Dit laatste
houdt in dat een gebruikersprofiel wordt opgesteld voor de ambtenaren die
betrokken zijn bij de gegevensverwerking. Indien afwijkingen worden geconstateerd
tussen het gebruikersprofiel en de daadwerkelijke gegevensverwerking door
de betrokkene dan kan dat aanleiding vormen tot nader onderzoek naar de wijze
waarop de betreffende ambtenaar gebruik maakt van de politiegegevens.</al>
      <tuskop letat="cur">Vierde lid</tuskop>
      <al>Daarnaast wordt door personen, die niet zijn benoemd tot ambtenaar van
politie als bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 1993, een bijdrage geleverd
aan de opsporing van strafbare feiten. Daarvoor kan worden gedacht aan personen
die incidenteel zijn ingehuurd door de politie, bijvoorbeeld vanwege hun specifieke
kennis op een bepaald terrein zoals accountants, gedragsdeskundigen of psychologen.
De autorisatie dient per geval afzonderlijk plaats te vinden, dat wil zeggen
dat de autorisatie geldt voor een bepaald onderzoek. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur zal hieraan uitwerking worden gegeven. </al>
      <tuskop letat="cur">Vijfde lid</tuskop>
      <al>Dit lid ziet op de situatie dat een ambtenaar van korps A op verzoek van
de beheerder van korps B deelneemt aan een onderzoek dat wordt verricht onder
verantwoordelijkheid van de beheerder van korps B. In geval de betreffende
ambtenaar van politie bij korps B wordt gedetacheerd zal de gegevensverwerking
ten behoeve van dat onderzoek volledig plaatsvinden onder de verantwoordelijkheid
van de beheerder van korps B. Het kan echter wenselijk zijn dat de gegevensverwerking,
die de betreffende ambtenaar verricht ten behoeve van dat onderzoek, onder
de verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder van korps A valt zonder dat
er een detachering is. Op grond van dit lid kan de korpsbeheerder van korps
B in een dergelijke situatie de ambtenaar van korps A autoriseren om onder
zijn verantwoordelijkheid bepaalde gegevensverwerkingen te verrichten.</al>
      <tuskop letat="cur">Zesde lid</tuskop>
      <al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden op grond van dit
lid nadere regels gesteld omtrent de categorieën van personen en de gegevensverwerkingen
waarop de autorisatie betrekking kan hebben. Daarbij moet vooral worden gedacht
aan het bij nadere regelgeving aanduiden van gegevensverwerkingen die vanwege
hun specialistische karakter beperkt moeten worden tot daartoe gespecialiseerde
personen binnen het korps die bijvoorbeeld voldoen aan bepaalde opleidingseisen.
Het gaat dan met name om de toepassing van de zoekmogelijkheden op grond van
artikel 11 en om de verwerking van politiegegevens over informanten. De verwerking
van de politiegegevens, bedoeld in artikel 12, zal bij algemene maatregel
van bestuur beperkt worden tot de personen die werkzaam zijn bij de criminele
inlichtingeneenheid. Deze gegevensverwerking is ook thans voorbehouden aan
de medewerkers van die eenheid. Dit betreft de personen die de dagelijkse
contacten met de informant onderhouden, de zogenaamde runners, de chef van
de criminele inlichtingeneenheid en diens plaatsvervanger, de coördinatoren,
misdaadanalisten, administratieve krachten en de CIE-officier van justitie.
De toegang tot de informantencodes, die uitsluitsel geven over de identiteit
van de informant, zal vanwege veiligheidsredenen zeer beperkt moeten zijn.</al>
      <tuskop letat="cur">Zevende lid</tuskop>
      <al>In dit lid is de verplichting van de verantwoordelijke opgenomen voor
het toedelen van de bevoegdheid aan een onder zijn beheer ressorterende functionaris
tot het verlenen van toestemming voor de verdere verwerking van politiegegevens
voor een ander doel binnen de politietaak. Dit toestemmingsvereiste is op
enkele plaatsen in het wetsvoorstel opgenomen teneinde het belang van de verdere
verwerking van politiegegevens in het concrete geval te toetsen aan de beginselen
van proportionaliteit en subsidiariteit. Het zogenaamde afbreukrisico kan
hierbij ook een rol spelen. Het vereiste van toestemming van een daartoe aangewezen
functionaris is allereerst aan de orde bij het rechtstreeks geautomatiseerd
zoeken van gegevens. Het rechtstreeks geautomatiseerd zoeken van gegevens
is geregeld in de artikelen 11, eerste, tweede en vierde lid, artikel 12,
vierde en vijfde lid en artikel 13, vierde lid. Daarnaast is dit vereiste
aan de orde bij het ter beschikking stellen van politiegegevens voor de verdere
verwerking voor een ander doel binnen de politietaak. Dit is geregeld in artikel
9, derde lid en artikel 10, zesde lid. Bij de toelichting op de betreffende
artikelleden wordt nader ingegaan op de kring van de daartoe aan te wijzen
ambtenaren van politie. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 7</tuskop>
      <al>In het wetsvoorstel is gekozen voor het opnemen van een bijzondere geheimhoudingsbepaling
aangezien de bijzondere aard van politiegegevens zich er niet voor leent om
artikel 2:5 Algemene wet bestuursrecht of artikel 9 Wet bescherming persoonsgegevens
van toepassing te verklaren. Deze bepalingen bevatten zelfstandige verstrekkingsnormen
en zijn slechts strafbaar als klachtdelict.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het uitgangspunt van het artikel is dat een ieder is gehouden tot een
geheimhouding wanneer hij de beschikking krijgt over politiegegevens met betrekking
tot derden. Dit geldt niet alleen voor personen die zijn belast met de verwerking
van politiegegevens of die de gegevens direct van de politie hebben gekregen,
maar ook voor eventuele tweede en volgende ontvangers, die de gegevens doorverstrekt
hebben gekregen. Ook zij zijn aan de geheimhoudingsplicht gebonden. Dit betekent
dat, behoudens de hierna te behandelen uitzonderingen, de uit dit artikel
voortvloeiende verplichting tot geheimhouding in de weg staat aan doorverstrekking
van de gegevens.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op de geheimhoudingsplicht worden enkele uitzonderingen gemaakt. In het
eerste lid is voor de ambtenaar van politie bepaald dat de geheimhoudingsplicht
niet geldt voor zover een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift tot
verstrekking verplicht, de bepalingen van paragraaf 3 verstrekking toelaten
of de politietaak in bijzondere gevallen tot verstrekking noodzaakt. Deze
laatste zinsnede is uitdrukkelijk bedoeld voor uitzonderingsgevallen. In artikel
30, eerste lid, van de Wet Politieregisters is de zinsnede «dan wel
de uitvoering van de taak met het oog waarop de gegevens zijn verstrekt tot
het ter kennis brengen daarvan noodzaakt» een ruime «ventielfunctie»
gaan vervullen. Nu het wetsvoorstel van een gesloten verwerkingsregime overgaat
tot een meer open verstrekkingenregime zullen de noodzakelijk geachte verstrekkingen
kunnen plaatsvinden op grond van de verstrekkingsbepalingen van paragraaf 3;
de uitzonderingsbepaling op de geheimhoudingsplicht zal nog slechts noodzakelijk
zijn voor de bijzondere gevallen van verstrekking waarin het wetsvoorstel
niet voorziet en waarin zich toch een – direct uit de politietaak voortvloeiende –
noodzaak tot verstrekking voordoet. Het is dan ook noch de de bedoeling, noch
de verwachting dat deze bepaling gaat fungeren als een zelfstandige grondslag
voor verstrekking van politiegegevens aan derden. Bijzondere gevallen waarin
de politietaak tot verstrekking noodzaakt, kunnen zich bijvoorbeeld voordoen
als het gaat om het tonen van compositietekeningen of foto's van personen
die als verdachte of als slachtoffer in een politieonderzoek zijn betrokken
aan een aangever of aan buurtbewoners.</al>
      <al>Een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift dat tot verstrekking verplicht,
is bijvoorbeeld aan de orde in geval van een getuigenis van een ambtenaar
van politie ten overstaan van een rechter-commissaris, op basis van artikel
213 van het Wetboek van Strafvordering, of de Nationale ombudsman, op basis
van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Wet Nationale ombudsman.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het tweede lid schept een uitzondering op de geheimhoudingsplicht voor
de verkrijger van de gegevens, voor zover een bij of krachtens de wet gegeven
voorschrift daartoe verplicht of uit zijn taak de noodzaak daartoe voortvloeit.
Gedacht kan worden aan de situatie dat de politie een zorgwekkende situatie
omtrent een jeugdige meldt aan het bureau jeugdzorg. Het bureau jeugdzorg
heeft vervolgens op grond van de Wet op de jeugdzorg tot taak te bezien of
de jeugdige zorg nodig heeft en zo ja, welke vorm van zorg. Op basis daarvan
kan bureau jeugdzorg bijvoorbeeld besluiten de Raad voor de Kinderbescherming
in te schakelen voor het indienen van een verzoek tot het treffen
van een kinderbeschermingsmaatregel bij de civiele rechter. Het bureau jeugdzorg
kan op basis van artikel 7, derde lid, de relevante politiegegevens verstrekken
aan de Raad voor de kinderbescherming, aangezien de noodzaak tot die verstrekking
voortvloeit uit zijn taak.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het derde lid leidt ertoe dat het schenden van deze geheimhoudingsplicht
geen klachtdelict is. Juist bij politiegegevens is het mogelijk dat de gelaedeerde
niet op de hoogte is van de verstrekking en als gevolg hiervan geen klacht
kan indienen. Opzettelijk ongeoorloofde verstrekking van gegevens uit een
politieregister wordt bovendien gezien als een feit dat niet alleen het belang
van de rechtstreeks betrokkene raakt, maar ook schadelijk is voor het vertrouwen
in de integriteit van de politie in het algemeen.</al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 2 De verwerking van politiegegevens met het
oog op de uitvoering van de politietaak</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Artikel 8</tuskop>
      <al>Dit artikel regelt de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de
uitvoering van de dagelijkse politietaak. De uitvoering van de dagelijkse
politietaak wordt wel de oog en oorfunctie van de politie genoemd. Deze functie
omvat alle in artikel 2 en 6 van de Politiewet 1993 bedoelde onderdelen van
de politietaak in een soort eerste lijnsvariant. Dit wordt ook aangeduid als
het basispolitiewerk. Het basispolitiewerk bestaat uit surveillance, afhandeling
van de verkeersproblematiek, eenvoudig recherchewerk, verlenen van hulp en
handhaven van wetten en regels. De afhandeling van de verkeersproblematiek
bestaat bijvoorbeeld uit het afhandelen van eenvoudige verkeersovertredingen,
het onderzoeken van verkeersongevallen en het adviseren van gemeenten over
verkeersmaatregelen. Onder eenvoudige recherchewerkzaamheden wordt verstaan
het onderzoeken van diefstallen en inbraken, het veilig stellen van sporen
en het opnemen van een aangifte van een inbraak. Eerste hulp wordt bijvoorbeeld
verleend als een persoon met een psychose op straat rondzwerft. De politie
vervult dikwijls een functie als intermediar voor gespecialiseerde hulpverlening,
bijvoorbeeld door het maatschappelijk werk, hulpverleners of het Bureau Slachtofferhulp.
In het kader van het handhaven van wetten en regels wordt bijvoorbeeld de
algemene plaatselijke verordening gehandhaafd en de Wet op de economische
delicten, waarin overtreding van bepalingen uit onder meer milieuwetten strafbaar
zijn gesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Taken die niet onder de basispolitiezorg vallen zijn recherchewerkzaamheden,
zoals bedoeld in artikel 9, werkzaamheden ten behoeve van het verkrijgen van
inzicht als bedoeld in artikel 10, werkzaamheden in het kader van dienstverlening
zoals het beantwoorden van vragen van burgers en het behandelen van verzoeken
tot signalering, tot betekening van stukken, het behandelen van openstaande
beschikkingen, etcetera.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het bijhouden van de administratie rond de vergunningverlening, zoals
het beoordelen van vergunningaanvragen, het opstellen van vergunningvoorschriften
en het centraal bijhouden van een registratie daarvan valt niet onder de dagelijkse
politetaak maar onder de ondersteunende taken, bedoeld in artikel 13. Het
in ontvangst nemen van vergunningaanvragen en het – na vergunningverlening –
verbaliseren van overtredingen van de vergunningvoorschriften valt wel onder
de dagelijkse politietaak</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit artikel biedt ook de wettelijke basis voor het verwerken van gegevens
ter zake van in omvang en duur beperkte incidenten als eenvoudige, kortdurende
opsporingsonderzoeken, zolang in dat kader geen bijzondere opsporingsmiddelen
worden ingezet en geen opsporingsteam wordt samengesteld.</al>
      <al>De gegevens komen voort uit de verschillende onderdelen van de politietaak,
zoals in deze wet daaronder begrepen: de handhaving van de openbare orde,
de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, de hulpverlening en de taken
ten dienste van de justitie. De huidige regelgeving schermt de hulpverleningstaak
af van de andere politietaken. Daaraan ligt de wens ten grondslag dat burgers
die zich tot de politie wenden met een verzoek om hulp, zich niet belemmerd
voelen door de mogelijkheid dat de in dat verband over hen vastgelegde gegevens
zonder meer ook voor andere doeleinden worden aangewend. Op dit punt legt
het wetsvoorstel een ander accent. Dit houdt verband met het feit dat de hulpverlening
in de praktijk niet goed is te onderscheiden van de andere onderdelen van
de politietaak. Zo kan een vermissing van een persoon nauwe raakvlakken hebben
met een strafbaar feit en kan juist het onderling met elkaar in verband brengen
van gegevens, die de politie in het kader van de verschillende activiteiten
ter kennis zijn gekomen, bijdragen aan een goede uitvoering van de politietaak.
Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer gelden na het
verstrijken van de termijn van één jaar wel waarborgen in verband
met het verdere gebruik van de gegevens, de autorisatie en de bewaartermijn.
Ten aanzien van de voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak verwerkte
gegevens geldt niet de in artikel 3, vierde lid, neergelegde verplichting
om de herkomst van de gegevens en de wijze van verkrijging te vermelden. Gelet
op de grote hoeveelheid gegevens waarvan slechts een beperkt deel voor verdere
verwerking in aanmerking komt, zou een dergelijke verplichting een te grote
belasting voor de politie opleveren. Een verplichting zou immers betekenen
dat de betreffende gegevens op uniforme en controleerbare wijze worden vastgelegd.
De noodzaak daartoe ontbreekt omdat de herkomst en wijze van verkrijging van
de gegevens in de praktijk doorgaans is af te leiden uit de tekst van de mutaties.
In geval van verdere verwerking van de gegevens op grond van artikel 9 of 10,
is het derhalve niet problematisch alsnog de herkomst en wijze van verkrijging
op afzonderlijke en controleerbare wijze te vermelden.</al>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>Gedurende één jaar na de datum van eerste verwerking mogen
deze gegevens binnen de politie vrij worden verwerkt ten behoeve van de uitvoering
van de dagelijkse politietaak. Deze bepaling ziet op een ruime bevragingsmogelijkheid
in het kader van het zogenaamde basispolitiewerk. Voor de verwerking van deze
gegevens zal een ruime kring van personen binnen de politie worden geautoriseerd.
Binnen dit jaar kan de politie deze gegevens breed gebruiken om verbanden
te leggen tussen de verschillende gebeurtenissen die zich in die periode hebben
voorgedaan. Gedurende deze periode kunnen verbanden worden gelegd tussen de
beschikbare gegevens door middel van geautomatiseerde vergelijking of het
combineren van gegevens. Zowel het vergaren als verwerken (waaronder vergelijken)
van gegevens op grond van dit artikel is evenwel gebonden aan de algemene
beperkingen die daarvoor gelden op grond van artikel 3, zoals dat de verwerking
noodzakelijk moet zijn met het oog op een goede uitvoering van de politietaak
en, gelet op de doeleinden waarvoor de gegevens worden verwerkt, ter zake
dienend en niet bovenmatig is. Het vergelijken van de op grond van dit artikel
verkregen politiegegevens met grote hoeveelheden gegevens uit openbare of
andere externe bronnen, al dan niet door middel van het «binnenhalen»
van deze gegevens, moet in het kader van dit artikel worden gezien als buitenproportioneel
en in strijd met artikel 3. Grootschalige vormen van verwerking in combinatie
met externe gegevens gaan de reikwijdte van dit artikel dan ook te boven. </al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>De gegevens «achter het schot» kunnen op basis van het tweede
lid, naar aanleiding van een concreet geval, weer beschikbaar komen voor verdere
verwerking indien zij door middel van vergelijking van gegevens uit het systeem
tevoorschijn komen. Ook voor de in het tweede lid bedoelde vergelijking kan
een vrij ruime kring van personen binnen de politie worden geautoriseerd.
Ook is in dit artikellid nog eens uitdrukkelijk bepaald dat de betreffende
verwerking noodzakelijk moet zijn met het oog op de uitvoering van de dagelijkse
politietaak. Raadpleging zonder dat daartoe een deugdelijke aanleiding bestaat,
is niet toegestaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het begrip vergelijken is beperkter dan het begrip verwerken. Het begrip
vergelijken houdt in dat gegevens die reeds bij de betrokken ambtenaar van
politie beschikbaar zijn worden vergeleken met andere gegevens. Dit betekent
dat er wordt vergeleken op basis van hit/no hit. In geval van een hit kunnen
de politiegegevens, waarvan verdere verwerking voor het betreffende doel noodzakelijk
wordt geacht verder worden verwerkt. Verdergaande zoekmogelijkheden zijn niet
toegestaan als in de wetsbepaling wordt gesproken van vergelijken. De categorieën
van politiegegevens aan de hand waarvan kan worden vergeleken kunnen bij algemene
maatregel van bestuur worden bepaald. Het gaat hierbij om de gegevens die
in de dagelijkse politietaak nodig zijn om na te gaan of er eerdere verwerkingen
zijn over dezelfde persoon, of over een zelfde voertuig of lokatie. Met deze
verwerkingsmogelijkheid kunnen, als een verdachte één of meerdere
strafbare feiten heeft bekend, bijvoorbeeld oudere gegevens worden gezocht.
Daarbij kan worden gedacht aan de veelplegende drugsverslaafde die enkele
zaken bekent. Door terug te zoeken in eerdere gegevens die op basis van artikel
8 werden verwerkt, kan deze verdachte wellicht met meer feiten worden geconfronteerd
welke mogelijk ook door hem zijn gepleegd. Indien de ernst en aard van de
zaak geen gericht opsporingsonderzoek in het kader van artikel 9 rechtvaardigt,
biedt het tweede lid van artikel 8 de mogelijkheid om zaken compleet te maken
met eerder verwerkte politiegegevens. De ernst van een feit of de achtergrond
van een persoon, bijvoorbeeld diens recidivegevaar of diens achtergrondproblematiek,
wordt doorgaans mede aan de hand van de historische gegevens beoordeeld. Dit
is met name relevant in geval van de aanpak van veelplegers. Maar ook in hulpverleningsgevallen
kan het van belang zijn eerdere gegevens bij de zaak te betrekken, bijvoorbeeld
voor het inschatten van de ernst van de verslaving of van de psychiatrische
problematiek. De voorziening is tevens van belang voor de beoordeling van
de situatie op lokaties waar de politie actief moet zijn. Indien bijvoorbeeld
noodhulp moet worden geboden of een arrestatie moet worden verricht op een
bepaald adres, kan de informatie die op grond van artikel 8 wordt verwerkt
aanwijzingen geven over de situatie ter plekke. Indien langs deze weg informatie
boven komt dat op die lokatie een persoon woont die zich zeer agressief uit
of die kampt met een alcoholprobleem, dan kan dit bijdragen aan het verminderen
van de risico's die het politieoptreden met zich mee kan brengen.</al>
      <al>De mogelijkheid om gegevens te vergelijken staat open voor alle politieambtenaren
die zijn betrokken bij de uitvoering van de dagelijkse politietaak.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het regime voor de gegevensverwerking, zoals dat is uitgewerkt in de eerste
twee leden van dit artikel, biedt tevens de mogelijkheid voor de gegevensverwerking
met het oog op bepaalde specialistische taken zoals de afhandeling van internationale
rechtshulpverzoeken of Interpolcorrespondentie. Het gaat hier dan om taken
die geen gerichte gegevensverwerking in de zin van de artikelen 9 en 10 impliceren
of vallen onder de ondersteunende werkzaamheden van artikel 13 en die dus
kunnen plaatsvinden onder het regime van dit artikel. Desgewenst
kan de verantwoordelijke de kring van personen, die bevoegd is tot de betreffende
gegevensverwerking, begrenzen door middel van autorisaties. </al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>De dagelijkse politietaak omvat mede het zoeken naar verbanden teneinde
op basis daarvan te beoordelen of er aanleiding bestaat een onderzoek als
bedoeld in artikel 9 of een analyse als bedoeld in artikel 10 te starten.
Daartoe is het wenselijk dat bepaalde analyses kunnen worden uitgevoerd op
de «achter het schot» beschikbare politiegegevens die zijn verwerkt
met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak, anders dan door
middel van vergelijking. Op grond van het derde lid kan door middel van samengestelde
zoekvragen worden gezocht naar onderlinge verbanden tussen de gegevens die
zijn verwerkt ten behoeve van de dagelijkse politietaak. Een dergelijke verwerking
kan aan de orde zijn bij tactische analyses, in het kader waarvan gegevens
worden bijeengebracht over normschendingen die gedurende een bepaalde periode
in een bepaald geografisch gebied hebben plaatsgevonden. Langs deze weg kan
bijvoorbeeld ook criminaliteit, waar veelplegers bij zijn betrokken, in kaart
worden gebracht. De gegevens die op basis van artikel 13 landelijk raadpleegbaar
worden gesteld, kunnen daarbij worden betrokken. Als vervolgens ten aanzien
van eenmaal geïdentificeerde veelplegers dossiers worden aangemaakt ten
behoeve van de verdere aanpak van deze personen, dan is sprake van een gerichte
verwerking als bedoeld in artikel 9 en dient een artikel 9-verwerking te worden
gestart.</al>
      <al>In de praktijk worden de hier bedoelde analyses doorgaans al gepleegd
door de infodesks. Het ligt in de rede dat dergelijke analyses ook in de toekomst
bij die eenheden worden verricht. Door middel van autorisaties kan de groep
van personen, die wordt belast met een dergelijke gegevensverwerking, nader
worden ingekaderd. Zonodig kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels
worden gesteld zodat kan worden gekomen tot een eenvormige regeling op landelijk
niveau. Artikel 6 biedt hiervoor de basis.</al>
      <tuskop letat="cur">Vierde lid</tuskop>
      <al>De gegevens die op basis van de verwerking als bedoeld in het tweede en
derde lid (opnieuw) beschikbaar zijn gekomen, mogen worden verwerkt ten behoeve
van de dagelijkse politietaak als bedoeld in het eerste lid. Het ligt echter
voor de hand te veronderstellen dat in de praktijk de behoefte zal bestaan
de gegevens, die zijn verwerkt ten behoeve van de dagelijkse politietaak,
mede te verwerken voor andere doelen binnen de politietaak. In het wetsvoorstel
wordt een dergelijke handelwijze aangeduid als «verdere verwerking».
In het vierde lid wordt de mogelijkheid geboden de gegevens, die zijn verwerkt
ten behoeve van de uitvoering van de dagelijkse politietaak, ter beschikking
te stellen voor verdere verwerking ten behoeve van een onderzoek naar de schending
van de rechtsorde in een bepaald geval (artikel 9), de verwerking over de
betrokkenheid bij handelingen of misdrijven van een bepaalde ernst (artikel
10) of de betrouwbaarheid van een informant (artikel 12). Hierdoor wordt het
mogelijk om een gericht onderzoek te starten naar aanleiding van gegevens
die zijn voortgekomen uit de uitvoering van de dagelijkse politietaak. Zo
kan bijvoorbeeld een in het kader van artikel 8 opgenomen aangifte van een
ernstig strafbaar feit, zoals mishandeling, aanleiding vormen tot het starten
van een onderzoek als bedoeld in artikel 9. In het kader van artikel 8 geregistreerde
meldingen terzake van drugsdelicten of kinderpornografie kunnen bijvoorbeeld
relevant blijken te zijn voor een reeds lopende of nieuw te starten verwerking
als bedoeld in artikel 10. Ook gegevens over personen die bekend zijn wegens
diverse schendingen van de openbare orde, kunnen relevant zijn
voor verwerkingen als bedoeld in artikel 10, bijvoorbeeld wanneer deze van
belang zijn ter voorkoming van ongeregeldheden tijdens risicovolle voetbalwedstrijden.
Bepaalde gegevens die zijn verwerkt in het kader van artikel 8 kunnen tenslotte
ook relevant blijken te zijn voor de controle van een informant omdat zij
inzicht geven in de plaatsen waar hij zich ophoudt en in de personen waarmee
hij contacten onderhoudt. Deze gegevens kunnen verder worden verwerktals bedoeld
in artikel 12. Op de verdere verwerking van deze gegevens zijn vervolgens
de bepalingen van het artikel op grond waarvan de verdere verwerking plaatsvindt
van toepassing. Dit geldt ook voor de termijn waarbinnen de gegevens mogen
worden verwerkt.</al>
      <tuskop letat="cur">Vijfde lid</tuskop>
      <al>In het algemeen deel van deze memorie van toelichting is het onderzoek
naar de uitvoerbaarheid van de Wet politiegegevens aan de orde gekomen. Uit
dit onderzoek blijkt dat een zeer belangrijk deel van de «ingangen»
om de politiebestanden te raadplegen het zoeken naar personen betreft (pagina
21). Aan de hand van een bepaalde «zoeksleutel» wordt uit de gegevensset
naar personen gezocht. Hiervoor kan worden gedacht aan het zoeken met behulp
van personalia, maar ook het zoeken op een zogenaamde KENO-code (combinatie
van achternaam, voornaam en geboortejaar) of een adres. Gelet op de gevoeligheid
van het in dit artikel geregelde rechtstreeks zoeken van alle op grond van
artikel 8 beschikbare politiegegevens voor de privacy van de betrokken personen
en de afscherming van opsporingsonderzoeken kan er aanleiding bestaan de categorieën
van gegevens, op grond waarvan de gegevensvergelijking kan plaatsvinden, nader
in te kaderen. Hierbij zal ook aandacht moeten worden geschonken aan de technische
mogelijkheden zodat zoveel mogelijk gewaarborgd kan worden dat het rechtstreeks
zoeken van gegevens leidt tot de juiste resultaten. In het eerdergenoemde
rapport wordt bijvoorbeeld geconstateerd dat in de politieregistraties nogal
wat zogenaamde «vervuiling» zit, zoals verkeerd gespelde namen,
ontbrekende voorletters of niet ingevulde geboortedata. De vervuiling betekent
dat er moet kunnen worden gezocht op andere kenmerken van personen dan alleen
de naam, zoals het woonadres, de geboortedatum en dergelijke. Daarbij wordt
ook gebruikt gemaakt van zogenaamde «wildcards». Vooralsnog lijkt
het niet aangewezen het rechtstreeks zoeken van gegevens nader in te kaderen
door middel van het stellen van eisen aan het minimum aantal letters, cijfers
of andere karakters dat moet worden ingevoerd. Dit zal in de praktijk kunnen
hinderen bij het zoeken van de gegevens. Wel zal worden onderzocht in hoeverre
bepaalde categorieën van persoonsgegevens kunnen worden geïdentificeerd
aan de hand waarvan gezocht kan worden. Hierbij kan worden gedacht aan personalia
(naam, adres, geboortedatum, geboorteplaats), lokaties, voorwerpen, kentekens
en dergelijke.</al>
      <tuskop letat="cur">Zesde lid</tuskop>
      <al>In dit lid wordt vastgelegd dat de politiegegevens, die zijn verwerkt
met het oog op de dagelijkse politietaak, worden vernietigd uiterlijk vijf
jaar na de datum van de eerste verwerking. Voor gegevens die met toepassing
van het vierde lid verder worden verwerkt voor een ander doel binnen de politietaak
geldt deze termijn dus niet. Voor die gegevens geldt de verwijderingsbepaling
van het artikel op grond waarvan de gegevens verder worden verwerkt en vervolgens
het bepaalde in artikel 14. Voor zover ten aanzien van bepaalde gegevens die
overeenkomstig artikel 8 worden verwerkt op voorhand duidelijk is dat zij
van bijzonder belang zijn voor de uitvoering van de politietaak en derhalve
voor langduriger verwerking in aanmerking komen, ligt het derhalve voor de
hand dat zij verder worden verwerkt op grond van artikel 9, 10
of 13. Gelet op de mogelijkheden die het wetsvoorstel biedt om gegevens
vanuit artikel 8 met het oog op bepaalde doelen binnen de politietaak verder
te verwerken op basis van een ander artikel dat voorziet in mogelijkheden
de gegevens langduriger te verwerken, zou het buitenproportioneel zijn alle
gegevens die zijn verkregen in het kader van de dagelijkse politietaak langer
te bewaren dan vijf jaar.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 9</tuskop>
      <al>Wanneer extra inspanningen worden geleverd om gericht omvangrijke hoeveelheden
gegevens te vergaren ten behoeve van een onderzoek met het oog op de handhaving
van de rechtsorde in een bepaald geval biedt artikel 9 de basis voor de verwerking
van politiegegevens. De term gericht heeft betrekking op de verwerking van
grote hoeveelheden gestructureerde gegevens met betrekking tot bepaalde personen.
Behalve in geval van opsporingsonderzoeken zal dit ook het geval zijn bij
een verkennend onderzoek. Er is in elk geval sprake van gerichte verwerking
in de zin van artikel 9 zodra een rechercheonderzoek is aangemeld, een verkennend
onderzoek wordt gestart en zodra bijzondere opsporingsmethoden worden ingezet,
zoals stelselmatige observatie en het afluisteren van telecommunicatie. In
zulke gevallen gaat het immers om een omvangrijke gegevensverwerking over
personen, ten aanzien van wie de precieze betrokkenheid bij de te onderzoeken
strafbare feiten nog niet vast staat. Dit geldt in een opsporingsonderzoek
bijvoorbeeld voor personen, die (nog) niet kunnen worden aangemerkt als verdachte
in de zin van artikel 27 van het wetboek van Strafvordering. Het onderzoek
is juist gericht op de vaststelling van die verdenking. Maar ook van andere
personen kunnen gegevens nodig zijn om de zaak goed te kunnen behandelen,
bijvoorbeeld gegevens van getuigen of slachtoffers, aangevers, getuigen, omstanders,
en andere betrokkenen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de praktijk zullen er ook situaties zijn waarin niet zeer scherp valt
af te bakenen tot welk moment de gegevensverwerking op basis van artikel 8
kan plaatsvinden en op welk moment een artikel 9-onderzoek moet worden gestart.
In die gevallen waarin niet evident sprake is van een gerichte verwerking
in de zin van artikel 9, kan niettemin om andere redenen aanleiding bestaan
een artikel 9 onderzoek te starten, bijvoorbeeld als men de zoekmogelijkheden
nodig heeft die artikel 9 biedt, als men de langere bewaartermijnen die artikel
9 voorschrijft wenselijk acht of wanneer men gegevens afgeschermd van andere
politiegegevens wenst te verwerken. Door middel van het systeem van autorisaties
kan worden voorkomen dat de gegevens toegankelijk zijn voor personen die niet
behoren tot de kring van personen die deel uit maken van het onderzoeksteam.</al>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>Artikel 9 bepaalt in het eerste lid dat de politie gericht politiegegevens
over personen mag verwerken ten behoeve van een onderzoek in een bepaald geval.
Een geval kan worden omschreven als een naar tijd beperkte gebeurtenis of
situatie dan wel een serie gebeurtenissen. Het kan gaan om een opsporingsonderzoek,
bijvoorbeeld omdat er een moord is gepleegd, een verkennend onderzoek, bijvoorbeeld
omdat er veel drugsmisdaad in een bepaald gebied wordt gesignaleerd, of de
aanpak van de overlast bij een school of coffeeshop. Ook als ten aanzien van
eenmaal – in het kader van artikel 8 – geïdentificeerde veelplegers
dossiers worden aangemaakt ten behoeve van de verdere aanpak van deze personen,
zal veelal sprake zijn van een gerichte verwerking als bedoeld in artikel
9. Men gaat dan immers op grote schaal gegevens, gericht op deze personen,
bijeen brengen. Het gaat bijvoorbeeld om het bijeen brengen van gegevens over
deze personen vanuit DJI, OM, CJIB, verslavingszorg, jeugdzorg, hulpverleningsinstanties.
De dossiervorming met betrekking tot elke veelpleger vormt daarbij een afzonderlijke
onderzoek in de zin van artikel 9.</al>
      <al>Onder de gerichte verwerking als bedoeld in artikel 9 kunnen ook worden
begrepen de gegevensverwerkingen die aan de orde zijn in verband met landelijke
coördinatieonderzoeken (landelijke verkiezingen) en in verband met het
bewaken en beveiligen van personen ten aanzien van wie er signalen zijn dat
hun gezondheid of leven worden bedreigd. Waar het in deze gevallen om gaat
is dat de politie, naar aanleiding van een naar tijd beperkte gebeurtenis
of situatie dan wel een serie van gebeurtenissen, over gaat tot gerichte en
omvangrijke gegevensverzameling over personen, met als doel de rechtsorde
in dat geval te herstellen of een ernstige verstoring daarvan te voorkomen.
In dit verband kan wel worden opgemerkt dat gerichte onderzoeken die aspecten
van hulpverlening in zich dragen (aanpak jeugdcriminaliteit, vermiste personen)
veelal pas aan de orde zijn wanneer zij daarnaast ook betrekking hebben op
handhaving van de rechtsorde. Het onderscheid tussen de strafrechtelijke handhaving
van de rechtsorde en de hulpverlening is doorgaans niet eenduidig. Zo kan
het zoeken naar een vermiste persoon, van wie bekend is dat hij geestelijke
problemen heeft, ook verband houden met criminaliteit. Voor zover een gericht
onderzoek niet aan de orde is, kunnen politiegegevens ten behoeve van de hulpverlening
worden verwerkt op basis van artikel 8.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het licht van de aanbevelingen van de Raad van Europa op het gebied
van de dataprotectie, in het bijzonder Aanbeveling R(87)15 en de op die aanbeveling
betrekking hebbende evaluaties, is het regime voor de gegevensverwerking van
dit artikel toegesneden op de zogenaamde ad hoc bestanden, die zijn ingericht
voor bijzondere onderzoeken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen twee
typen van ad hoc bestanden. In de eerste plaats zijn zogenaamde ad hoc bestanden
mogelijk ter opheldering van een specifieke misdaad die is gepleegd. Als er
sprake is van gerichte gegevensverwerking is het regime van dit artikel van
toepassing. In de tweede plaats kunnen ad hoc bestanden worden aangelegd ter
verkrijging van informatie over een specifiek criminaliteitsverschijnsel of
fenomeen. Een dergelijke verwerking kan aan de orde zijn in geval van tactische
analyses, in het kader waarvan gegevens vanuit verschillende open en gesloten
bronnen over een bepaalde vorm van criminaliteit of een ernstige schending
van de openbare orde, evenals de personen die daarbij betrokken zijn, worden
bijeengebracht. Ook kunnen de analyses worden gebruikt als basis voor samenwerkingsverbanden
met andere publieke of private instanties, bijvoorbeeld een buurtpreventieproject.
Indien de gegevensverwerking meer is gericht op het verkrijgen van een goede
informatiepositie over een meer permanent verschijnsel is het regime van artikel
10 van toepassing.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de verwerking op basis van artikel 9 gelden geen beperkingen ten aanzien
van de status van de personen (verdacht, onverdacht of niet-verdacht); de
politie kan alles verzamelen mits de persoonsgegevens van belang zijn voor
het onderzoek. Door middel van autorisaties wordt de kring van personen, die
toegang hebben tot de gegevens, gereguleerd. Door middel van de autorisaties
kunnen de gegevens zowel functioneel als geografisch worden afgeschermd. Ook
de tactische afscherming van de gegevens binnen de politieorganisatie is hier
mee gediend. In artikel 6 is geregeld dat de verantwoordelijke alle opsporingsambtenaren
voor wie dat noodzakelijk is voor de goede uitvoering van diens taak behoort
te machtigen voor de betreffende gegevensverwerking wanneer het gaat om opsporingsambtenaren
uit het eigen korps. De regeling in dit artikel voorziet aldus in de mogelijkheid
om, indien naar aanleiding van een bepaalde gebeurtenis of situatie,
onderzoek wordt verricht en gericht persoonsgegevens worden verzameld deze
gegevens te verwerken voor zover dat nodig is voor het doel van het onderzoek.
De omvang en reikwijdte van de gegevensverwerking wordt echter begrensd door
de doelbinding en de beginselen van proportionaliteit en rechtmatigheid die
zijn neergelegd in artikel 3. Tenslotte geldt dat de gegevensverwerking geen
permanent karakter draagt en ingevolge de doelbinding in tijd begrensd is.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>Het doel van het onderzoek moet schriftelijk worden vastgelegd. Dit ten
behoeve van de controle op de naleving van de beperkingen die vanuit het principe
van de doelbinding aan de verwerking van gegevens worden gesteld. Daartoe
houdt de privacyfunctionaris een overzicht bij van alle lopende onderzoeken
en de doelen van de onderzoeken, die met inachtneming van dit artikel worden
geopend.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>In dit lid wordt verhelderd dat de gegevens, die worden verwerkt met het
oog op een bepaald onderzoek, door de ambtenaar van politie die daarmee belast
is, beschikbaar kunnen worden gesteld voor verdere verwerking ten behoeve
van bepaalde andere doelen binnen de politietaak. De gegevens kunnen vervolgens
verder worden verwerkt voor een ander onderzoek met het oog op de handhaving
van de rechtsorde in een bepaald geval als bedoeld in het eerste lid, voor
een verwerking als bedoeld in artikel 10 of 12 of voor de dagelijkse
politietaak. De mogelijkheid van het beschikbaar stellen van gegevens uit
een onderzoek ten behoeve van een ander onderzoek, is ten opzichte van de
huidige wetgeving nieuw. Gedacht moet worden aan gegevens die in het kader
van een onderzoek worden verwerkt en ten aanzien waarvan de geautoriseerde
ambtenaar het vermoeden heeft dat deze van belang kunnen zijn voor een ander
onderzoek. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een getuige in het ene onderzoek
een verklaring aflegt die relevant is voor het onderzoek naar de moord op
een filiaalhouder van een pompstation, welke zaak onderwerp is van een ander
onderzoek. In dergelijke gevallen biedt dit lid een grondslag voor het beschikbaar
stellen van de gegevens ten behoeve van het andere onderzoek. Het gebruik
van de woorden «ter beschikking stellen» duidt erop dat de gegevensverwerking
als een vorm van eenrichtingsverkeer plaatsvindt; niet toegestaan is dat vanuit
een bepaald onderzoek of vanuit de criminele inlichtingeneenheid op grond
van dit artikel wordt nagegaan in hoeverre elders binnen de politieorganisatie
(binnen bepaalde onderzoeken) bruikbare gegevens voorhanden zijn. Daarvoor
dient artikel 11 te worden toegepast. Ook nieuw is de mogelijkheid om politiegegevens,
die worden verwerkt in het kader van een onderzoek, beschikbaar te stellen
voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak. Dit kan aan de orde zijn
als het onderzoeksteam in aanraking komt met gegevens over een veelpleger
die relevant kunnen zijn voor de collega's die werkzaam zijn ten behoeve
van de uitvoering van de dagelijkse politietaak. Dergelijke gegevens kunnen
dan worden verder verwerkt onder het regime van artikel 8.</al>
      <tuskop letat="cur">Vierde lid</tuskop>
      <al>Dit lid verplicht tot verwijderen van de politiegegevens indien deze niet
langer nodig zijn voor het doel waarvoor zij zijn verkregen. Na het bereiken
van het doel is de noodzaak tot verdere verwerking van de gegevens niet meer
aanwezig. De situatie dat de gegevens, die zijn verwerkt op grond van het
eerste lid, niet langer noodzakelijk zijn voor het doel van het onderzoek
zal – in geval van een opsporingsonderzoek dat heeft geleid tot een vervolging – pas optreden op het moment dat de rechter ten
aanzien van de zaak onherroepelijk heeft beslist. De gegevens zijn tot die
tijd immers nog nodig voor het geval de officier van justitie, de rechter-commissaris
of de rechter ter zitting nader onderzoek verlangt. Als de zaak niet is opgelost
en derhalve niet is ingezonden aan het openbaar ministerie, wordt het onderzoek
veelal wel voortgezet maar op een minder intensief niveau. De gegevens kunnen
in dat geval nodig blijven voor het vervolg van het onderzoek en voor het
geval dat het team opnieuw bijeen wordt geroepen vanwege nieuwe aanknopingspunten.
De gegevens blijven dan doorgaans nodig voor het doel van het onderzoek tot
uiterlijk het moment waarop de feiten, waar het onderzoek zich op richt zijn
verjaard. Daarna kunnen de gegevens niet meer nodig zijn voor het doel van
het onderzoek en moeten zij op grond van het zesde lid worden verwijderd.
Op grond van het bepaalde in artikel 4 ligt het verder in de rede dat de vergaarde
gegevens op gezette tijden en/of op een aantal beslissende momenten in het
proces worden geschoond en een deel daarvan wordt vernietigd vanwege het feit
dat zij naar redelijke inschatting niet meer van belang zullen zijn voor het
doel van het onderzoek. Zo'n beslissend moment is bijvoorbeeld de inzending
van het proces-verbaal aan het openbaar ministerie; op dat moment is duidelijk
ter zake van welke van de onderzochte feiten gedurende het strafproces nog
nader onderzoek nodig kan zijn. De gegevens ten aanzien van andere feiten
kunnen dus worden verwijderd, tenzij zij nog nodig zijn voor een ander onderzoek.
Daarop ziet artikel 9, vierde lid. Zo'n beslissend moment is ook als
het team wordt ontbonden omdat er onvoldoende aanknopingspunten zijn; op dat
moment moeten de gegevens ter zake van de personen die ten onrechte werden
verdacht worden verwijderd. Het bepaalde in artikel 4 verlangt van de verantwoordelijke
dat hij voorziet in voldoende waarborgen om te bewerkstelligen dat de gegevens
daadwerkelijk worden verwijderd of vernietigd zodra de wet dit vereist. Dit
laat onverlet dat indien bij een bepaald onderzoek gegevens bekend worden
die betrekking hebben op een ander onderzoek, overheveling van deze gegevens
ten behoeve van dat andere onderzoek mogelijk moet zijn. Met de mogelijkheid
de gegevens voor dat doel opnieuw te verwerken wordt aangesloten bij de geldende
regeling in artikel 8, achtste lid, van het Besluit politieregisters. Hieronder
valt ook de analyse van restinformatie van opsporingsonderzoeken waarbij jegens
personen geen verder onderzoek is verricht, hetzij omdat het onderzoek in
eerste instantie was gericht op andere delicten, hetzij omdat het onderzoek
in eerste instantie was gericht op andere personen. Nadere analyse van de
gegevens kan leiden tot een nieuw opsporingsonderzoek (artikel 9) dan wel
de verwerking teneinde inzicht te verkrijgen in de betrokkenheid bij ernstige
strafbare feiten of handelingen die een ernstige schending van de openbare
orde vormen (artikel 10).</al>
      <al>De verwijderde gegevens worden niet direct vernietigd, ze zijn echter
in beginsel niet langer beschikbaar voor operationele doelen. In artikel 14
wordt geregeld hoe lang de verwijderde gegevens mogen worden bewaard, voor
welke doelen, en onder welke – strikte – voorwaarden zij alsnog
kunnen worden geraadpleegd en eventueel opnieuw voor operationele doeleinden
verwerkt.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 10</tuskop>
      <al>Evenals artikel 9 heeft artikel 10 betrekking op gerichte en omvangrijke
verwerking door de politie van gegevens over personen. Het gaat hier om gegevensverwerking
teneinde inzicht te verwerven in de betrokkenheid van bepaalde personen bij
bepaalde ernstige strafbare feiten of bij handelingen die kunnen wijzen op
het beramen of plegen van bepaalde categorieën van misdrijven die ernstige
bedreigingen voor de rechtsorde opleveren of bij handelingen die een ernstige
schending van de openbare orde vormen. Anders dan bij artikel
9 staat niet zozeer de gebeurtenis of situatie centraal als wel de opbouw
van de informatiepositie. Dit artikel ziet op de meer permanente vormen van
gegevensverwerking. Deze meer permanente verwerking van gegevens is nodig
in verband met de aard van de misdrijven of handelingen die in het geding
zijn, zoals hierna bij de toelichting op het eerste lid aan de orde komt.
Voor een goede aanpak van de betreffende bedreigingen voor de rechtsorde is
een goede informatiepositie onontbeerlijk. Anders dan bij artikel 9 worden
in artikel 10 de categorieën van personen over wie gegevens kunnen worden
verwerkt, wettelijk ingekaderd. De personen moeten betrokken zijn bij feiten
of handelingen die permanente aandacht van de politie behoeven. De gegevensverwerking
heeft een pro-actieve functie, ter verkrijging van een goede informatiepositie.
Deze informatiepositie kan ertoe leiden dat besloten wordt tot een operationeel
opsporingsonderzoek (op basis van artikel 9), dan wel tot operationele maatregelen
in de sfeer van de openbare orde. Ook deze verwerking vindt slechts plaats
door daartoe door de verantwoordelijke geautoriseerde politieambtenaren. Naar
verwachting zullen dit voor wat betreft het eerste lid, onderdeel a, vooral
de medewerkers van de criminele inlichtingeneenheid zijn die zijn belast met
het onderhouden van contacten met informanten (de CIE-runners), maar het kan
ook gaan om misdaadanalisten of andere ambtenaren van politie. Ditzelfde geldt
voor wat betreft het eerste lid, onderdeel c, voor de ambtenaren van politie
die werkzaam zijn bij de regionale inlichtingen dienst.</al>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>Het eerste lid van dit artikel biedt de mogelijkheid tot verwerking van
politiegegevens met het oog op het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid
van bepaalde personen bij bepaalde ernstige strafbare feiten of bij handelingen
die kunnen wijzen op het beramen of plegen van bepaalde categorieën van
misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren of bij handelingen
die een ernstige schending van de openbare orde vormen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met het criterium onder a wordt gedoeld op de zogenaamde CIE-taak, de
omschrijving van de misdrijven is overgenomen van het huidige artikel 1, onderdeel
k, van de Wet politieregisters betreffende het register zware criminaliteit
(Zwacri). Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel bijzondere
politieregisters heeft de Tweede Kamer – tegen de achtergrond van de
parlementaire enquête opsporingsmethoden – veel aandacht geschonken
aan het CIE-criterium. Voorkomen zou moeten worden dat teveel personen in
de CIE-registers worden opgenomen zonder dat er een duidelijk verband is met
strafbare feiten van een bepaalde ernst. Om die reden is het huidige CIE-criterium
gehandhaafd in het wetsvoorstel en worden de categorieën van personen
over wie op grond van dit onderdeel gegevens mogen worden verwerkt, in het
tweede lid ingekaderd.</al>
      <al>Aanleiding voor verwerking van gegevens op grond van artikel 10, eerste
lid, kan bijvoorbeeld zijn dat uit analyses op grond van artikel 8, derde
lid, in een bepaalde wijk een langdurig patroon naar voren komt van handel
in verdovende middelen. Indien nader inzicht verkregen dient te worden in
de betrokkenheid van bepaalde personen bij het voorbereiden of plegen van
delicten rond de handel in drugs dan kan een verwerking worden gestart op
grond van artikel 10. Als die verwerking voldoende aanknopingspunten oplevert
voor een concreet opsporingsonderzoek, dan kunnen de gegevens van dat onderzoek
worden verwerkt onder het regime van artikel 9. De verwerking op grond van
artikel 10 kan ook gegevens opleveren die binnen de politie breed beschikbaar
dienen te zijn ten behoeve van de uitvoering van de dagelijkse politietaak.
Een voorbeeld van een dergelijk gegeven is dat een bepaalde persoon vuurwapengevaarlijk is. De betreffende gegevens kunnen dan ter beschikking
worden gesteld ten behoeve van verdere verwerking ten behoeve van de dagelijkse
politietaak. De verdere verwerking van de gegevens vindt dan plaats onder
het regime van artikel 8.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de in het algemeen deel van deze toelichting reeds genoemde evaluatie
van paragraaf 3a van de huidige Wet politieregisters wordt aanbevolen
de in artikel 2a van het Besluit politieregisters bedoelde lijst van delicten
uit te breiden met feiten op het gebied van hennepkwekerijen, woninginbraken,
het voorhanden hebben van vuurwapens en heling. Vooralsnog zijn er echter
niet voldoende aanwijzingen dat een dergelijke uitbreiding in de praktijk
noodzakelijk is voor het effectief bestrijden van de meer ernstige vormen
van criminaliteit.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De regeling van het voorlopige register (artikel 13b Wpolr.) is niet overgenomen.
Het voorlopige register bevat gegevens over personen ten aanzien waarvan gegevens
zijn verkregen die niet uitsluiten dat deze persoon, indien aanvullende gegevens
zouden binnenkomen, op basis van de samenhang tussen de oorspronkelijke gegevens
en de aanvullende gegevens zullen kunnen worden geregistreerd in een register
zware criminaliteit (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 398,
nr. 3, blz. 18). Dit register kan dus worden beschouwd als een voorportaal
van het Zwacri-register. Uit de genoemde evaluatie is gebleken dat binnen
de politie weinig gebruik wordt gemaakt van dit register. Dit hangt ook samen
met de voor de praktijk minder heldere afgrenzing tussen het regime voor de
opslag en verstrekking van de gegevens in dit register en het regime voor
het register zware criminaliteit. In de evaluatie van de Wet bijzondere politieregisters
wordt vastgesteld dat het aantal personen, dat is vastgelegd in een voorlopig
register, is verminderd van ruim 10 000 ten tijde van het onderzoek van
de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden tot iets meer dan
3 000 in 2002. Gelet op het beperkte gebruik van voorlopige registers
en op de toch kleine en vaak wat ongrijpbare nuances tussen personen die net
of nog net niet aan de criteria voor opname in ZwaCri-registers voldoen, lijkt
een onderscheid in ZwaCrien voorlopige registers vrij kunstmatig. Aanbevolen
wordt om het voorlopig register uit de Wet bijzondere politieregisters te
schrappen. In dit wetsvoorstel is aan deze aanbeveling gevolg gegeven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onderdeel b van dit lid betreft de gegevensverwerking teneinde inzicht
te verkrijgen in de betrokkenheid van personen bij handelingen die kunnen
wijzen op het beramen of plegen van misdrijven die door hun omvang of ernst
of hun samenhang met andere misdrijven een ernstig gevaar voor de rechtsorde
opleveren. De aanpak van deze misdrijven vergen de opbouw en instandhouding
van een permanente informatiepositie. In dit onderdeel gaat het om zwaarwegende
strafrechtelijke thema's, zoals terrorisme, die zeer bedreigend zijn
voor de samenleving en ten aanzien waarvan geldt dat de klassieke strafrechtelijke
benadering, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de overheid reageert op gepleegde
normschendingen, niet afdoende is. Om deze dreigingen het hoofd te kunnen
bieden en inzicht te kunnen verkrijgen in de kring van personen die op grond
van de handelingen die zij verrichten daarbij betrokken kunnen zijn, is het
noodzakelijk dat relevante gegevens worden verzameld en geanalyseerd zodat
de normschending, bijvoorbeeld een bomaanslag, kan worden voorkomen. Aanleiding
voor de gegevensverwerking is dat de handelingen kunnen wijzen op het beramen
of plegen van bepaalde categorieën van misdrijven die een ernstig gevaar
voor de rechtsorde opleveren. De categorieën van misdrijven die de rechtsorde
ernstig bedreigen, ter zake waarvan op grond van dit onderdeel gegevens mogen
worden verwerkt, zullen bij algemene maatregel van bestuur worden omschreven.
Alleen gegevens over de betrokkenheid bij handelingen die kunnen wijzen op het beramen of plegen van deze misdrijven mogen worden verwerkt.
De aanwijzing bij algemene maatregel van bestuur voorkomt dat te ruim gegevens
over handelingen en gegevens over personen die daarbij betrokkenen zijn, worden
verwerkt. Hiermee wordt ook het behoud van landelijke eenheid nagestreefd.
In relatie tot het terrorisme kan het bijvoorbeeld gaan om handelingen die
kenmerkend zijn voor de voorbereiding van terroristische activiteiten. Bij
brief van 6 januari 2003 is Uw Kamer geïnformeerd over de bestrijding
van internationaal terrorisme (TK 2002–2003, 27 925, nr. 82) en
is tevens het rapport van de werkgroep Gegevensuitwisseling en Terrorismebestrijding
aangeboden. In dat rapport wordt aanbevolen in de Wet politieregisters zogenaamde
themaregisters in het leven te roepen zodat gegevens kunnen worden opgeslagen
over groepen van onverdachte personen ten aanzien van wie aanknopingspunten
bestaan dat zij betrokken kunnen zijn bij handelingen die wijzen op het beramen,
voorbereiden of plegen van misdrijven die verband houden met het te onderzoeken
thema. In de eerdergenoemde brief heb ik toegezegd deze aanbeveling nader
uit te werken en een wijziging van de Wet politieregister in voorbereiding
te nemen. Met het voorgestelde onderdeel b wordt aan deze toezegging uitvoering
gegeven.</al>
      <al>Met het criterium onder c wordt gedoeld op de huidige taak van de regionale
inlichtingen dienst (hierna ook te noemen: RID). Het criterium is afgeleid
van het modelreglement Openbare Orde Informatie (Stcrt. 2002, 238). De RID'en
verwerken informatie in verband met het voorkomen van ernstige schendingen
van de openbare orde. Het doel van de werkzaamheden is het voorkomen van openbare
ordeverstoringen door het verzamelen van inlichtingen teneinde het bevoegd
gezag te kunnen adviseren inzake het verlenen van een vergunning voor bijvoorbeeld
een demonstratie of inzake de inzet van de politie op een bepaalde tijd of
plaats. Hierbij kan worden gedacht aan risicovolle voetbalwedstrijden, demonstraties
of bezettingen. Het inwinnen van informatie is gericht op leden van de groep
en heeft betrekking op hun rol en activiteiten binnen de groep. Hierbij wordt
gebruik gemaakt van de inzet van gesprekscontacten, informanten en observaties.
Voor de uitvoering van deze taak is het nodig permanent gegevens te kunnen
verwerken van bijvoorbeeld personen die regelmatig betrokken zijn bij grote
ordeverstoringen in verband met bijvoorbeeld risicovolle voetbalwedstrijden.</al>
      <al>De registratie van gegevens richt zich in eerste instantie op de intentie
van de betreffende groep van personen en in tweede instantie op de rol van
personen en hun activiteiten binnen de groep. Ook de RID'en maken gebruik
van informanten ten behoeve van het inwinnen van inlichtingen. Daarbij wordt
ook gebruik gemaakt van de ICS-codering van de landelijke criminele inlichtingeneenheid
teneinde te voorkomen dat informanten bij meerdere politiekorpsen hun diensten
aanbieden zonder dat dit bij die korpsen bekend is. De gegevensverwerking
moet worden afgeschermd om te voorkomen dat gevoelige informatie binnen de
politie te ruim bekend wordt.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>In de derde evaluatie van Aanbeveling no. R(87)15 wordt gerefereerd aan
de in artikel 10 geregelde permanente gegevensverwerking. De Raad beveelt
aan om in zogenaamde ad hoc bestanden voor specifieke criminaliteitsverschijnselen
categorieën van personen te definiëren over wie persoonsgegevens
worden vastgelegd evenals de categorieën van gegevens. In zijn advies
heeft ook het College bescherming persoonsgegevens er op gewezen dat de opslagmogelijkheden
van politiegegevens worden bepaald door een drieledig opnamecriterium dat
wordt gevormd door de feiten waarmee iemand in verband wordt gebracht, de
mate van betrokkenheid bij die feiten en de mate waarin van de juistheid van
het vermoeden van betrokkenheid kan worden uitgegaan. Het CBP adviseert in het wetsvoorstel een richtinggevende norm op te nemen voor de nadere
invulling van de opnamecriteria bij algemene maatregel van bestuur zodat tegemoet
wordt gekomen aan de ook in internationale aanbevelingen inzake privacybescherming
gehanteerde beginselen van kenbaarheid en voorzienbaarheid en het voor een
burger duidelijk kan zijn in welke gevallen en onder welke omstandigheden
bepaalde persoonsgegevens over hem kunnen worden verwerkt. Met het oog op
deze aanbeveling en het advies van het CBP is het wetsvoorstel op dit punt
aangevuld.</al>
      <al>Opgenomen is een nieuw tweede lid, dat is vorm gegeven naar het model
van artikel 13a, eerste lid, van de huidige Wet politieregisters. Door het
bestaande CIE-criterium in het wetsvoorstel op te nemen wordt tot uitdrukking
gebracht dat op het punt van de verwerking van gegevens over CIE-subjecten
niet wordt beoogd te komen tot verruiming van de wettelijke mogelijkheden
tot opslag van gegevens.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>Voor de opbouw van een informatiepositie over handelingen die kunnen wijzen
op het beramen of plegen van misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde
opleveren is verwerking van gegevens over een ruimere kring van personen vereist.
Om personen die betrokken zijn bij dergelijke handelingen effectief in kaart
te kunnen brengen is het noodzakelijk dat reeds in een zeer vroeg stadium
gegevens worden verzameld. Daarom is in dit lid vastgelegd dat persoonsgegevens
kunnen worden verzameld en opgeslagen over personen die betrokken zijn bij
de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde handelingen. Deze aanwijzingen
kunnen zijn gelegen in het lidmaatschap van bepaalde verenigingen, bijvoorbeeld
schietverenigingen, het verkeren in groepen die voor de overheid minder toegankelijk
zijn of het bezoeken van bepaalde websites op het internet. Op grond van de
bepalingen in paragraaf 5 zal door middel van de interne en externe vormen
van toezicht een goede controle kunnen worden uitgeoefend op deze gegevensverwerking.</al>
      <tuskop letat="cur">Vierde lid</tuskop>
      <al>Voor het inkaderen van de gegevensverwerking rond ernstige schendingen
van de openbare orde is aangesloten bij het thans geldende modelreglement
Openbare Orde Informatie.</al>
      <tuskop letat="cur">Vijfde lid</tuskop>
      <al>Dit lid geeft aan dat gegevens waar men op stuit in het kader van de gegevensverwerking
op grond van het eerste lid door de geautoriseerde ambtenaar ter beschikking
kunnen worden gesteld voor verdere verwerking in een lopend of alsnog te starten
onderzoek op grond van artikel 9, een verwerking op grond van artikel 12 of
de uitvoering van de dagelijkse politietaak, bedoeld in artikel 8. De mogelijkheid
van het beschikbaar stellen van gegevens van een onderzoek ten behoeve van
verwerking op grond van artikel 10 sluit aan bij het huidige artikel 13, tweede
lid, Wet politieregisters. Dit vloeit voort uit de «veredelingstaak»
van de criminele inlichtingeneenheid. Bij de gegevensverwering op grond van
het eerste lid, onderdeel b, kunnen personen worden geïdentificeerd ten
aanzien van wie er een redelijk vermoeden is van betrokkenheid bij het beramen
of plegen van de misdrijven, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Ook
kunnen personen als verdachte worden geïdentificeerd. In een dergelijk
geval kunnen de gegevens verder worden verwerkt bij de criminele inlichtingeneenheid
of onder het regime van artikel 9. Een dergelijke werkwijze geldt eveneens
voor de regionale inlichtingendienst omdat de regionale inlichtingendienst
in aanraking kan komen met informatie die van belang is voor
de opsporing van strafbare feiten. Door middel van een proces-verbaal kan
deze informatie, naar analogie van de werkwijze van de CIE, ook ter beschikking
worden gesteld ten behoeve van verdere analyse door de criminele inlichtingeneenheid.
In die gevallen waarin de relevantie van gegevens voor een onderzoek evident
is kunnen de gegevens ook door de criminele inlichtingeneenheid direct worden
doorgesluisd naar het betreffende onderzoek. Het kan ook voorkomen dat de
gegevens, die worden verwerkt in het kader van dit artikel, relevant zijn
voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak. Bijvoorbeeld als het gaat
om inlichtingen, afkomstig van een informant, omtrent mogelijke verstoringen
van de openbare orde op een bepaalde plaats. In dergelijke gevallen kunnen
deze inlichtingen beschikbaar worden gesteld ten behoeve van verdere verwerking
onder het regime van artikel 8, zodat de surveillance op de bewuste lokatie
kan worden geïntensiveerd. Uiteraard kunnen er redenen zijn om de gegevens
op zodanige wijze beschikbaar te stellen dat deze niet kunnen worden herleid
tot de identiteit van de informant of dat anderszins gegevens worden prijs
gegeven die binnen de politie niet breed beschikbaar zouden moeten zijn.</al>
      <tuskop letat="cur">Zesde lid</tuskop>
      <al>In dit lid is vastgelegd aan dat de gegevens worden verwijderd zodra zij
niet langer noodzakelijk zijn voor het doel van de verwerking. Voor de gegevens
die worden verwerkt op grond van artikel 10 is het van belang dat de gegevens
elk half jaar worden geschoond waarbij gegevens die niet langer noodzakelijk
zijn voor het doel worden verwijderd. Dit lid bevat daartoe de verplichting.
Aangezien de artikel 10-verwerking geen natuurlijke grens kent in de afsluiting
van een onderzoek, is bepaald dat de gegevens uiterlijk worden verwijderd
na verloop van vijf jaren na de datum van de laatste opname van gegevens die
blijk geven van de noodzaak tot het verwerken van de persoonsgegevens van
betrokkene met het oog op het doel, bedoeld in het eerste lid. Deze regeling
is conform de bewaartermijn voor de gegevens van het register zware criminaliteit
in de huidige Wet politieregisters (artikel 13a, achtste lid Wpolr.). Deze
termijn geldt niet voor gegevens die inmiddels met toepassing van het derde
lid verder worden verwerkt voor een ander doel.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 11</tuskop>
      <al>In dit artikel wordt de mogelijkheid geboden om, naar aanleiding van een
onderzoek of een verwerking zoals bedoeld in artikel 9 respectievelijk 10,
politiegegevens langs geautomatiseerde weg te vergelijken of in combinatie
met elkaar te verwerken teneinde vast te stellen of verbanden bestaan tussen
de betreffende politiegegevens. De gegevens kunnen worden geraadpleegd voor
zover dat noodzakelijk is voor een onderzoek als bedoeld in artikel 9, eerstel
lid, of voor een verwerking als bedoeld in artikel 10 eerste lid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het algemeen deel van de memorie van toelichting is reeds aangegeven
dat, gelet op de risico's voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
en de afscherming van gevoelig opsporingsonderzoek, het noodzakelijk is een
dergelijke verwerking van politiegegevens te binden aan strikte criteria (paragraaf 6.5).
Personen, die oorspronkelijk in een bepaalde hoedanigheid voorkomen in afzonderlijke
opsporingsonderzoeken (verdachte, getuige, slachtoffer of anderszins), kunnen
op grond van deze verwerking in beeld komen in een andere hoedanigheid (verdachte).
Gegevens die in het ene onderzoek zijn verkregen door toepassing van ingrijpende
bevoegdheden, bijvoorbeeld de inbeslagneming van een boekhouding, kunnen op
deze wijze beschikbaar komen voor een ander onderzoek dat op zichzelf geen
aanleiding had kunnen geven tot de inbeslagneming. Hierbij moet
ook worden bedacht dat de gegevens, die in het kader van de artikelen 9 en
10 worden verwerkt niet altijd op juistheid en volledigheid zijn of kunnen
worden getoetst. Het kan hier ook gaan om zogenaamde «bulkgegevens»,
gegevens die zijn verkregen door middel van telefoontaps en de inbeslagneming
van computergegevens, waarbij nog niet is geselecteerd welke van die gegevens
relevant zijn voor het onderzoek. Onder deze bulkgegevens kunnen zich ook
gegevens van niet-verdachte burgers bevinden. Strikte criteria zijn ook nodig
omdat anders het risico bestaat dat de regionale politiekorpsen er voor gaan
kiezen vooraleerst gebruik te maken van de mogelijkheid de benodigde gegevens
te verkrijgen door middel van rechtstreekse raadpleging van de gegevens van
andere onderzoeken en, als keerzijde van een dergelijke handelwijze, onvoldoende
invulling geven aan de verplichting om bepaalde gegevens overeenkomstig artikel
13 beschikbaar te stellen ten behoeve van landelijke raadpleging binnen de
politie. Daarmee zou aan de betekenis van artikel 13 voor de samenwerking
tussen de regiokorpsen ernstig afbreuk worden gedaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gelet op het karakter van deze vorm van gegevensverwerking, die voor de
persoonlijke levenssfeer ingrijpend kan zijn, dient de verantwoordelijke of
de betrokken politiefunctionaris – en in geval van het vierde lid ook
het bevoegd gezag – een zorgvuldige afweging te maken tussen het belang
dat met de raadpleging van andere onderzoeksgegevens is gediend en het belang
van de personen van wie de gegevens kunnen worden betrokken in dit onderzoek.
Hierbij dienen onder meer de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit
in acht te worden genomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vanzelfsprekend kunnen in de gegevensvergelijking geen gegevens worden
betrokken die op grond van deze wet of op grond van het Wetboek van Strafvordering
hadden moeten worden vernietigd (zoals op grond van de artikelen 125n, eerste
lid, en artikel 126cc, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering). In
dit verband moet ook worden gewezen op de aanvullende eisen die in het Wetboek
van Strafvordering worden gesteld aan het gebruik van bepaalde gegevens voor
andere doelen binnen de politietaak. Op grond van de artikelen 125n, derde
lid, en 126dd, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is bijvoorbeeld
toestemming van de officier van justitie vereist voor het gebruik van gegevens
die zijn verkregen door respectievelijk de doorzoeking van een geautomatiseerd
netwerk en het opnemen van vertrouwelijke communicatie of het onderzoek van
telecommunicatie voor een ander strafrechtelijk onderzoek. Deze wettelijke
voorwaarden gelden onverkort. Deze gegevens dienen dus apart te worden gehouden
en kunnen slechts worden betrokken in de gegevensvergelijking nadat de officier
van justitie daartoe toestemming heeft gegeven. Door de betreffende gegevens
te «oormerken» of te coderen kan ervoor worden gezorgd dat een
dergelijke afdoening ook automatiseringstechnisch wordt ondersteund.</al>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>In dit lid wordt de mogelijkheid geboden voor het geautomatiseerd vergelijken
van politiegegevens van het betreffende onderzoek met politiegegevens, die
worden verwerkt in een ander onderzoek op grond van artikel 9 of ten behoeve
van de uitvoering van de dagelijkse politietaak op grond van artikel 8. Gelet
op het mogelijk ingrijpende karakter van deze vorm van gegevensverwerking
geldt een aantal criteria. In de eerste plaats geldt dat een duidelijke aanleiding
ten grondslag moet liggen aan de gegevensvergelijking. De betreffende gegevensvergelijking
moet noodzakelijk zijn voor het onderzoek van waaruit de gegevens worden geraadpleegd.
Hierbij dienen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht te
worden genomen. In de tweede plaats is het vergelijken van gegevens
beperkter dan het verwerken van gegevens, en hiermee wordt gewaarborgd dat
de raadpleging van andere gegevens slechts plaatsvindt op basis van gegevens
die in het onderzoek, van waaruit de gegevens worden bevraagd, reeds zijn
verkregen. Het gaat dus om verificatie. De gegevensvergelijking vindt plaats
op basis van hit/no hit. In de derde plaats is de gegevensvergelijking slechts
toegestaan voor een ambtenaar die daartoe is geautoriseerd. De kring van politiepersoneel,
die kennis kan nemen van de betreffende gegevens, wordt aldus beperkt tot
diegenen die uit hoofde van hun taak daarvan kennis dienen te nemen. Op grond
van artikel 6, zesde lid, zullen hierover bij algemene maatregel van bestuur
nadere regels kunnen worden gesteld. De zoekfunctie zal kunnen worden geconcentreerd
bij de zogenaamde infodesks van de regiokorpsen. In de vierde plaats wordt
de verdere verwerking van de overeenkomende gegevens afhankelijk gesteld van
toestemming van een daartoe bevoegde functionaris. Deze dient af te wegen
in hoeverre de verdere verwerking van de betreffende politiegegevens ten behoeve
van een ander onderzoek, gelet op de in het geding zijn belangen van proportionaliteit,
subsidiariteit en afscherming, gerechtvaardigd is. Op grond van artikel 6,
zevende lid, is de verantwoordelijke gehouden een dergelijke functionaris
aan te wijzen. Hiervoor kan worden gedacht aan de recherchechef dan wel de
leider van het betreffende onderzoeksteam.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De gegevensvergelijking op grond van dit lid strekt zich niet uit over
de gegevens die worden verwerkt op grond van artikel 10. De raadpleging van
politiegegevens over de personen ten aanzien van wie gegevens worden verwerkt
onder het regime van dat artikel, waaronder de zogenaamde CIE-subjecten, zal
eenvoudig kunnen leiden tot verspreiding van gevoelige opsporingsgegevens
die bij de betreffende criminele inlichtingeenheid worden verwerkt, bijvoorbeeld
over informanten die gegevens hebben verstrekt over de modus operandi van
een zware crimineel. Gelet op de betrokken belangen is ervoor gekozen de gegevens,
die worden verwerkt op grond van artikel 10 van dit wetsvoorstel, niet te
betrekken in de gegevensvergelijking van het eerste lid. Dit neemt overigens
niet weg dat in bijzondere gevallen de noodzaak kan bestaan tot een ruimere
bevraging van gegevens over CIE-subjecten. Dergelijke gegevens kunnen dan
worden geraadpleegd door middel van de meer geclausuleerde bevraging op grond
van het vierde lid van dit artikel.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>In dit lid wordt de mogelijkheid geboden voor het geautomatiseerd vergelijken
van politiegegevens die worden verwerkt voor een doel genoemd in artikel 10
met politiegegevens, die worden verwerkt in een onderzoek op grond van artikel
9, een ander doel van artikel 10 of ten behoeve van de uitvoering van de dagelijkse
politietaak op grond van artikel 8. Met het oog op de analyse van criminele
inlichtingen kan het van belang zijn gegevens te raadplegen die worden verwerkt
voor een ander doel op grond van artikel 10, een onderzoek op grond van artikel
9 of ten behoeve van de uitvoering van de dagelijkse politietaak op grond
van artikel 8. Op basis van dit lid kan in meer gegevens worden gezocht dan
op basis van het eerste lid doordat ook gegevens van artikel 10 kunnen worden
betrokken.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>In dit lid wordt geregeld dat bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur nadere regels kunnen worden gesteld over de wijze van uitvoering van
de gegevensvergelijking.</al>
      <al>Deze kunnen betrekking hebben op de categorieën van gegevens op basiswaarvan vergeleken kan worden, de codering van gegevens en de wijze
waarop de verbanden zichtbaar gemaakt worden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het wetsvoorstel heeft als uitgangspunt dat politiegegevens ter beschikking
worden gesteld aan ambtenaren van politie voor zover zij deze behoeven voor
de uitvoering van hun taak. Er kunnen echter zwaarwegende redenen bestaan
om het ter beschikking stellen van politiegegevens te weigeren. Daarvoor kan
worden gedacht aan de zogenaamde «embargo-onderzoeken», die binnen
het betreffende politiekorps worden afgeschermd. Een regeling hiervoor is
opgenomen in artikel 15. In die gevallen zal er tevens aanleiding kunnen bestaan
de betreffende politiegegevens uit te sluiten van het leggen van verbanden
op grond van artikel 11, zodat de betreffende gegevens niet langs die weg
bekend kunnen worden buiten de kring van de politieambtenaren die bij het
onderzoek zijn betrokken. Automatiseringstechnisch is het mogelijk een informatiesysteem
zodanig in richten dat beperkingen worden gesteld aan de verspreiding van
gegevens. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gegevens ten aanzien
waarvan ter beschikking stelling aan anderen gevaar oplevert voor de gezondheid
of veiligheid van informanten of getuigen. Dit kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd
door gegevens zodanig te «oormerken» of te coderen dat deze slechts
kunnen worden geraadpleegd door een beperkte kring van personen. Daarvoor
kan worden aangesloten bij de codering van CIE-gegevens, zoals die thans plaats
vindt op basis van de Regeling criminele inlichtingeneenheden (5 oktober
2000/Nr. 5 051 094/500/GBJ). Ook mogelijk is om, naar het model
van het huidige VROS-systeem, de betreffende politiegegevens wel te betrekken
in het rechtstreeks zoeken van gegevens op grond van artikel 11, maar in geval
van een hit dit uitsluitend kenbaar te maken aan het onderzoeksteam dat of
de criminele inlichtingeneenheid die de uit te sluiten gegevens heeft ingebracht.
In een dergelijk geval kan door de persoon, die is geautoriseerd tot het rechtstreeks
zoeken van politiegegevens, contact worden gezocht met een bevoegde functionaris
van het betreffende politiekorps om te bezien in hoeverre de betreffende politiegegevens
verder kunnen worden verwerkt in het afgeschermde onderzoek. In het derde
lid wordt bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur hieromtrent nadere
regels kunnen worden gesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast biedt artikel 6, zesde lid, de mogelijkheid de autorisatie van
de ambtenaren, die bevoegd zijn tot het rechtstreeks zoeken van politiegegevens,
nader te regelen. Hierbij kan worden gedacht aan eisen op het gebied van ervaring
of opleiding. Verder zal moeten gelden dat deze ambtenaren bij voorkeur geen
deel uit maken van het team of de eenheid van waaruit een zoekvraag wordt
gesteld. Hierdoor kan worden gewaarborgd dat de nodige afstand kan worden
betracht ten opzichte van de zoekvraag en aan de eisen van proportionaliteit
en subsidiariteit de juiste invulling wordt gegeven. Dit is reeds aan de orde
geweest bij de toelichting op de autorisaties (artikel 6).</al>
      <tuskop letat="cur">Vierde lid</tuskop>
      <al>In het vierde lid wordt de mogelijkheid geboden om, in het belang van
een onderzoek als bedoeld in artikel 9 of een doel als genoemd in artikel
10 politiegegevens in combinatie met elkaar te verwerken. Ook hier geldt dat
de raadpleging van gegevens noodzakelijk moet zijn voor het onderzoek of voor
de analyse. De zoekmethode is echter ruimer dan in de leden 1 en 2, omdat
deze niet is beperkt tot vergelijking. Zodoende kunnen alle gegevens worden
geraadpleegd. Zoals in het algemeen deel reeds opgemerkt, wordt het noodzakelijkheidscriterium
door de Straatsburgse rechtspraak nader ingevuld met de vereisten van de aanwezigheid
van een «pressing social need» en van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het dringende maatschappelijke belang kan in diverse gevallen
aan de orde zijn, bijvoorbeeld bij de voorkoming of opsporing van een ernstig
misdrijf dat direct kan leiden tot ernstige ontwrichting van de samenleving
en dat niet langs andere weg is te voorkomen of op te lossen. Gedacht kan
worden aan een aanslag op infrastructurele werken waar veel mensen samenkomen,
een ontvoering, gijzeling, of serie ernstige misdrijven waarbij de behoefte
bestaat alle relevante gegevens over bepaalde personen bijeen te brengen,
inclusief alle gegevens die worden verwerkt in het kader van artikel 10. Deze
mogelijkheid kan ook aan de orde zijn in geval van terroristische acties of
een dreiging daarvan. Maar tevens kan worden gedacht aan situaties waarin
behoefte bestaat aan analyse van gegevens zonder dat er een concrete verdachte
of verdenking is. Bijvoorbeeld een situatie waarin relaties aan de orde zijn
tussen overvallen die op verschillende plaatsen in het land zijn gepleegd.
Deze relaties kunnen kenbaar worden door analyse aan de hand van bepaalde
profielen van daders, slachtoffers of feiten. De ernstige bedreiging van de
rechtsorde waar het in het betreffende geval om gaat, rechtvaardigt het combineren
of doorzoeken van alle beschikbare politiegegevens ten behoeve van de opsporing
van deze strafbare feiten. Tenslotte kan worden gedacht aan tactische analyses,
in het kader waarvan op basis van samengestelde zoekvragen gegevens worden
bijeengebracht over normschendingen die gedurende een bepaalde periode in
een bepaald geografisch gebied hebben plaatsgevonden. De bepalingen uit het
Wetboek van Strafvordering betreffende de verwerking van gegevens, zoals de
artikelen 125n, derde lid, en 126dd, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering,
gelden ook hier onverkort. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek kan
worden besloten tot opsporingsonderzoek gericht op een of meerdere personen.
De gegevensverwerking met betrekking tot een dergelijk opsporingsonderzoek
zal, in geval er sprake is van een gerichte verwerking van gegevens over personen,
kunnen plaatsvinden onder het regime van artikel 9.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vanwege de inbreuk die wordt gemaakt op het principe van de doelbinding,
dat aan de regeling van de artikelen 8, 9 en 10 ten grondslag ligt, de mogelijke
schending van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen en de gevolgen
voor de afscherming van gevoelige gegevens binnen de politie dient een dergelijke
ruime verwerkingsmogelijkheid te worden gebonden aan strikte criteria. De
beginselen die zijn neergelegd in artikel 3 spelen hierbij een belangrijke
rol. Alleen in zeer zwaarwegende gevallen kan een verwerking op grond van
het vierde lid voldoen aan de eisen van noodzakelijkheid, zoals ingevuld in
de Straatsburgse rechtspraak, en evenredigheid. In de wetstekst is dit tot
uitdrukking gebracht in de woorden «in bijzondere gevallen» en
de eis dat het bevoegd gezag daartoe opdracht geeft. Overwogen is de nadere
inkadering te realiseren aan de hand van een inhoudelijk criterium, zoals
bijvoorbeeld het criterium dat een dergelijke verwerking slechts is toegestaan
in geval van een ernstige schending van de rechtsorde of een dreiging daarvan.
Aan het gebruik van een dergelijk inhoudelijk criterium kleven echter bezwaren.
In de eerste plaats omdat een dergelijk criterium in de praktijk te knellend
kan blijken zodra behoefte bestaat aan toepassing van deze zoekmogelijkheid
in gevallen waarin de ernstige schending van de rechtsorde niet evident is.
Bovendien veronderstelt dit criterium een toetsing: vanwege de in het geding
zijnde belangen en de aard van de belangenafweging ligt toetsing door een
gezagsdrager dan voor de hand. In het licht van deze overwegingen is ervoor
gekozen een dergelijke verwerking slechts toe te staan in opdracht van het
op grond van de Politiewet 1993 bevoegde gezag. Dit is de officier van justitie
of de burgemeester; in geval van regio-overschrijdende samenwerking kan ook
worden gedacht aan een landelijk officier van justitie. Verder geldt dat de
kring van personen, die kan worden gemachtigd voor een dergelijke analyse,
zeer beperkt dient te zijn. Binnen een regiokorps zullen slechts enkele ambtenaren
van politie, die beschikken over de vereiste ervaring, daartoe
bevoegd kunnen zijn. Op grond van artikel 6, zesde lid, worden hieromtrent
bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 12</tuskop>
      <al>Dit artikel geeft een regeling voor de gegevensverwerking die thans plaats
vindt in het zogenaamde informantenregister. In dit register worden gegevens
opgenomen omtrent de handel en wandel van informanten alsmede integrale verslagen
van de met de informanten gevoerde gesprekken. De gegevens van het informantenregister
worden binnen een regiokorps afgeschermd en dienen niet voor operationeel
gebruik. De gegevens worden evenmin vrij uitgewisseld met andere regiokorpsen.
De criminele inlichtingen die door een informant worden verstrekt kunnen tevens
in andere politieregisters worden opgenomen voor zover deze gegevens voldoen
aan de doelomschrijvingen daarvan. Dit bekent dat, nadat de informatie is
opgenomen in het informantenregister, beoordeeld wordt of verdere verwerking
met het oog op een onderzoek als bedoeld in artikel 9 of een analyse van artikel
10 wenselijk is.</al>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>In het eerste lid is het doel van de verwerking aangegeven. Dit doel is
afgeleid van het huidige informantenregister. In de toelichting op het modelreglement
informantenregister wordt het doel als volgt omschreven: «Deze registratie
heeft tot doel een compleet beeld te behouden van wat zich rond de persoon
van de (vaste) informant heeft afgespeeld. Dit totaaloverzicht is noodzakelijk
voor de controle, het beheer en de kwaliteitsbepaling van de informant, alsmede
voor de beoordeling van het gebruik van informatie in relatie tot het afbreukrisico
voor de informant en uiteindelijk voor de verantwoording en het gebruik van
informantgegevens.» De gegevensverwerking op basis van artikel 12 heeft
betrekking op alle waarnemingen, afspraken en bevindingen in relatie tot de
informant, de persoon van de informant en de verstrekte informatie. Dit betreft
onder meer gespreksverslagen, waarin de inhoud van de met de informant gevoerde
gesprekken worden weergegeven, relevante gegevens over antecedenten en de
eventuele betrokkenheid in opsporingsonderzoeken, de dagelijkse gedragingen
van de informant en de contacten die hij onderhoudt met personen die betrokken
kunnen zijn bij strafbare feiten. Een dergelijke gegevensverwerking is in
de eerste plaats noodzakelijk voor een goed verloop van de contacten met de
informant. Aan de hand van de gegevens kunnen de runners zich een beeld vormen
van de achtergronden en gedragingen van de informant en van de met hem in
een eerder stadium gemaakte afspraken. Daarnaast dient de gegevensverwerking
als basis voor de gegevensverwerking door de criminele inlichtingeneenheid.
Het betreft hier de zogenaamde bruto-informatie die aanleiding kan vormen
tot de ter beschikkingstelling van gegevens aan de criminele inlichtingeneenheid
met het oog op de verdere veredeling van die gegevens. Deze zogenaamde netto-informatie
kan worden uitgewisseld met de criminele inlichtingeneenheden van de andere
regiokorpsen. Daaraan is echter een termijn verbonden, deze is opgenomen in
het tweede lid. De doelbinding van dit lid omvat ook de verantwoording van
het gebruik van de gegevens in een strafproces. In dat geval geldt de bewaartermijn
van het zesde lid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op grond van artikel 6, zevende lid, zal de kring van personen, die kunnen
worden geautoriseerd voor de verwerking van gegevens over informanten nader
worden ingekaderd.</al>
      <al>Gelet op de gevoeligheid van dergelijke gegevens zullen de autorisaties
moeten worden beperkt tot bepaalde ambtenaren van politie die werkzaam
zijn bij de criminele inlichtingen eenheid. De toegang tot de zogenaamde informantencodes
zal zeer strikt moeten worden beperkt, daarbij kan worden gedacht aan de chef
van de criminele inlichtingeneenheid of diens plaatsvervanger.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>De informatie die de informant verstrekt dient te worden behouden teneinde
op basis van het totaalbeeld van de informatie een afweging te kunnen maken
of de informatie gebruikt kan worden met het oog op de veiligheid van de informant.
Daarnaast moet worden beoordeeld in hoeverre gegevens in aanmerking komen
voor operationele verwerking, dat wil zeggen dat de gegevens worden betrokken
in een onderzoek op grond van artikel 9 of de verwerking als bedoeld in artikel
10. Dit impliceert tevens dat die gegevens kunnen worden uitgewisseld met
andere regiokorpsen. Het tweede lid maakt de verdere verwerking mogelijk binnen
een periode van vier maanden na de datum van de eerste verwerking. Zou er
geen termijn worden gesteld dan zou, vanwege het feit dat de gegevensverwerking
een breed karakter draagt, de verwerking met het oog op de beoordeling van
de betrouwbaarheid van de informant in de praktijk kunnen evolueren tot een
operationele verwerking die mede is gericht op het analyseren van gegevens
met het oog op de doelen van artikel 10. Dit is ongewenst omdat daarmee het
eigen daarop toegesneden regime van artikel 10 zou worden ondergraven.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>Voor de toelichting op dit lid wordt verwezen naar de toelichting bij
artikel 10, tweede lid. Aanvullend kan worden opgemerkt dat het specifieke
doel van de verwerking met zich mee kan brengen dat gegevens worden verzameld
over personen waarover informanten informatie geven en personen met wie de
informant in het dagelijks leven contacten onderhoudt zoals familieleden of
kennissen, voor zover dit noodzakelijk is voor de controle op en het beheer
van de informant.</al>
      <tuskop letat="cur">Vierde lid</tuskop>
      <al>Voor het verkrijgen van een goed beeld van de contacten en gedragingen
van de informant, en daarmee voor een juiste inschatting van de risico's
die zijn verbonden aan de inzet van die informant, is het essentieel dat alle
binnen de politie beschikbare gegevens over die informant kunnen worden verwerkt.
Op grond van artikel 13, vierde lid, kan worden nagegaan of de informant is
betrokken in bepaalde onderzoeken of andere verwerkingen. Dit systeem wordt
beschreven bij de toelichting aldaar. Aanvullend wordt in dit lid de mogelijkheid
geboden tot het rechtstreeks zoeken van politiegegevens over de informant.
De rechtstreekse gegevensvergelijking kan aan de orde zijn in die gevallen
waarin gegevens worden gezocht die niet beschikbaar zijn gesteld op grond
van artikel 13. Anders dan bij de gegevensvergelijking op grond van artikel
11 is geen aanvullende toestemming vereist van een daartoe bevoegde functionaris
voor de verdere verwerking van de gegevens. De noodzaak van afscherming van
de gegevensverwerking over informanten staat daar aan in de weg. De gegevens
worden uitsluitend verwerkt met het oog op de controle en het beheer van een
informant en zullen niet ter beschikking worden gesteld voor verdere verwerking
op grond van de artikelen 8, 9 of 10. De gegevens, die over informanten
worden verwerkt, kunnen evenmin worden betrokken in het leggen van verbanden
tussen gegevens op grond van artikel 11. Vanwege de gevoeligheid van deze
gegevens is in artikel 11 geen verwijzing naar artikel 12 opgenomen. </al>
      <tuskop letat="cur">Vijfde lid</tuskop>
      <al>Bij het Korps landelijke politiediensten wordt een register gehouden ten
behoeve van de nationale coördinatie van politiële infiltratie.
In dit register worden gegevens opgeslagen betreffende de werving en selectie
van infiltranten, hun persoonlijkheid en karaktereigenschappen en de toegepaste
methodieken. Daarnaast wordt een register gehouden betreffende getuigen die
zijn opgenomen in een getuigenbeschermingsprogramma. Het gaat hier niet alleen
om gegevens als naam, adres en woonplaats maar ook om informatie over de dagelijkse
leefwijze van deze personen en de wijze waarop het regiokorps toezicht houdt
op hun veiligheid. De opgenomen gegevens worden niet gebruikt ten behoeve
van de opsporing van strafbare feiten maar ten behoeve van het beheer van
en de controle op deze personen. Vanwege de gevoeligheid van de opgenomen
gegevens, het gevaar dat het ongeclausuleerde gebruik van dergelijke gegevens
kan opleveren voor de veiligheid van de betrokken persoon en daarmee de noodzaak
deze ook binnen de politieorganisatie zelf te kunnen afschermen wordt in dit
lid de mogelijkheid geboden het regime van dit artikel toe te passen op de
verwerking van politiegegevens met betrekking tot bijvoorbeeld infiltranten
of getuigen die zijn opgenomen in een getuigenbeschermingsprogramma. De categorieën
van personen, ten aanzien van wie van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt
kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden aangewezen. Daarbij worden
ook de categorieën van personen aangewezen over wie politiegegevens worden
verwerkt, omdat toepassing van het derde lid niet goed zal aansluiten op de
gegevensverwerking over infiltranten of getuigen. Op grond van artikel 51,
tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens wordt het College bescherming
persoonsgegevens hieromtrent om advies gevraagd.</al>
      <tuskop letat="cur">Zesde lid</tuskop>
      <al>In dit lid wordt bepaald dat de gegevens worden vernietigd uiterlijk na
verloop van tien jaren na de datum van de laatste opname van gegevens die
blijk geven van de noodzaak tot het verwerken van de persoonsgegevens van
betrokkene met het oog op het doel, bedoeld in het eerste lid. Indien de ingeschreven
informant gedurende deze periode geen aanleiding heeft gegeven tot de verwerking
van gegevens dan moeten de gegevens dus worden vernietigd. De achtergrond
van deze bepaling is gelegen in het feit dat de gegevensverwerking op grond
van het eerste lid met het oog op verschillende doelen kan plaatsvinden. In
geval de politiegegevens, die afkomstig zijn van de informant, verder worden
verwerkt in een onderzoek of een CIE-analyse, dan wordt de verwerkingstermijn
bepaald door het operationele gebruik van die gegevens. Dit betekent dat de
verwerkingstermijnen, die gelden voor de verwerking van gegevens onder het
regime van de betreffende wetsartikelen, leidend zijn voor het bepalen van
de verwerkingstermijn van die gegevens. De verwerkingstermijn voor de politiegegevens
die worden verwerkt met het oog op de controle en het beheer van de informant
is daar, door de verwijzing naar het doel, bedoeld in het eerste lid, aan
gekoppeld. De bewaartermijn van dit lid geldt voor alle politiegegevens, die
worden verwerkt op grond van het eerste lid. Na verloop van tien jaar na de
laatste verwerking van gegevens die blijk geeft van de noodzaak tot het verwerken
van persoonsgegevens van betrokkene met het oog op het doel, bedoeld in het
eerste lid, moeten de gegevens worden vernietigd. Deze termijn stelt enerzijds
een duidelijke grens aan het gebruik van de gegevens maar biedt anderzijds
de nodige ruimte voor de verwerking van de gegevens voor de verantwoording
van het gebruik – bijvoorbeeld naar aanleiding van een strafproces –
of het kunnen volgen van de informant in verband met de beoordeling van zijn
betrouwbaarheid. Na verloop van tien jaar moeten de gegevens
worden vernietigd, behoudens wanneer er binnen die termijn aanleiding bestaat
voor het verwerken van politiegegevens met het oog op het doel van het eerste
lid. Tenslotte moet worden opgemerkt dat het tweede lid met zich mee brengt
dat een deel van de informantgegevens onder verschillende regimes voor de
verwerking van politiegegevens kan vallen zodat bepaalde gegevens met het
oog op verschillende doelen kunnen worden opgeslagen en verwerkt gedurende
de termijn die geldt voor de verwerking van het gegeven voor het betreffende
doel binnen de politietaak.</al>
      <tuskop letat="cur">Zevende lid</tuskop>
      <al>De definitie van informant is ontleend aan de Regeling criminele inlichtingen
eenheden (Stcrt. 2000, 198) maar is enigszins vereenvoudigd. De belangrijkste
kenmerken zijn dat de informant informatie verstrekt over personen die betrokken
zijn bij gepleegde of te plegen strafbare feiten, dat de informant zelf niet
betrokken is bij het plegen van strafbare feiten, en dat die verstrekking
gevaar oplevert voor de informant of voor derden. Overeenkomstig de Instructie
voor de CIE-officier van justitie bepaalt de CIE-officier van justitie of
een persoon als informant wordt geregistreerd. De definitie omvat zowel informanten
van de criminele inlichtingen eenheid (CIE) als van de regionale inlichtingen
dienst (RID) die informatie verstrekken over ernstige strafbare feiten dan
wel schendingen van de openbare orde.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 13</tuskop>
      <al>Dit artikel geeft een regeling voor de verdere verwerking van persoonsgegevens,
die oorspronkelijk zijn verwerkt met het oog op een doel als bedoeld in artikel
8, 9 of 10, ter ondersteuning van de politietaak. Enerzijds voorziet
artikel 13 in een aanvullende rechtsgrondslag voor het verder verwerken van
gegevens voor andere doelen dan waarvoor zij reeds werden verwerkt. De aanvullende
rechtsgrondslag heeft betrekking op ondersteunende taken. Anderzijds voorziet
de onderhavige uitwerking van artikel 13 in een nadere invulling van de verplichting
die ook al bestaat op grond van artikel 15 om gegevens die voor een andere
verantwoordelijke relevant zijn aan hem ter beschikking te stellen. Het verschil
is dat artikel 15 ziet op incidentele gevallen waarin gegevens van belang
kunnen zijn voor een andere geautoriseerde, terwijl artikel 13 ziet op bepaalde
categorieën van gegevens waarvan op voorhand duidelijk is dat zij relevant
kunnen zijn voor daartoe geautoriseerden in andere korpsen. Artikel 13 heeft
qua afschermingsniveau een gelaagd karakter. De gegevens die landelijk raadpleegbaar
kunnen worden gesteld, behoeven binnen de politietaak geen bijzondere afscherming.
Het relatief onschuldige karakter van die gegevens rechtvaardigt dat zij in
beginsel voor alle onderdelen van de politietaak verder verwerkt mogen worden.
Bij de gegevens die op grond van het eerste lid ter beschikking worden gesteld
voor zover nodig ter ondersteuning van de politietaak, geldt dit niet en moet <nadruk type="cur">per geval</nadruk> worden beoordeeld in hoeverre het andere korps
de gegevens daadwerkelijk nodig heeft voor de uitvoering van de politietaak.
Voor deze gegevens geldt conform het principe van art. 15, eerste lid, dat
de aldus ter beschikking gestelde gegevens in beginsel alleen gebruikt mogen
worden voor het doel waarvoor zij in het betreffende geval ter beschikking
worden gesteld. Via de schriftelijke vastlegging geeft de verantwoordelijke
vooraf aan welke van de gegevens rechtstreeks raadpleegbaar worden gesteld
en welke ter beschikking worden gesteld aan andere korpsen voor zover nodig
ter ondersteuning van de politietaak alsmede voor welk doel. Ten tweede geldt
dat de gegevens die op grond van het tweede lid ter beschikking worden gesteld,
een sterkere afscherming behoeven. Deze afscherming zal zich vooral uiten
in de vorm van een beperktere categorie van geautoriseerde personen.
Op grond van artikel 6 van het wetsvoorstel zullen hierover regels worden
gesteld bij algemene maatregel van bestuur. Het feit dat de gegevens betrekking
hebben op specialistische onderwerpen, maakt dat slechts personen die zijn
geautoriseerd voor deze gespecialiseerde onderwerpen, de gegevens nodig zullen
hebben voor de uitvoering van de politietaak. Ook hierbij geldt dat per geval
een afweging plaatsvindt en dat de gegevens in beginsel alleen mogen worden
gebruikt voor het doel waarvoor ze ter beschikking worden gesteld, zij het
dat daarnaast artikel 15 de mogelijkheid biedt de gegevens per geval op basis
van een voorafgaande afweging ter beschikking te stellen voor een ander doel
binnen de politietaak.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Soms is de verwerking van gegevens als bedoeld in artikel 13 met betrekking
tot een bepaald onderwerp toebedeeld aan het KLPD en soms aan een regionaal
korps, zoals het bijhouden van een landelijke informatiepositie met betrekking
tot voetbalcriminaliteit is toebedeeld aan het regiokorps Utrecht. Voor zover
op grond van artikel 13 gegevens worden verwerkt naar aanleiding van verzoeken
van andere instanties (bijvoorbeeld signaleringen op verzoek van het CJIB
of van bijzondere opsporingsdiensten), wordt het verzoek daartoe eerst geregistreerd
op grond van 8, 9 of 10, waarna verdere verwerking op grond van artikel
13 kan plaatsvinden. Ook ten aanzien van verzoeken om internationale rechtshulp,
zal de eerste verwerking steeds plaatsvinden in het kader van artikel 8, 9
of 10 waarna verdere verwerking kan plaatsvinden op grond van artikel
13.</al>
      <al>Het uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat de verantwoordelijke toeziet
op de correcte verwerking van gegevens die onder zijn beheer plaatsvindt.
In het geval van gegevensverwerking met het oog op ondersteunende taken, kan
de verdere verwerking van de gegevens plaatsvinden door een ander korps. De
verantwoordelijke van het korps dat verder verwerkt is dan gehouden tot het
toezicht op de naleving van artikel 3 en het treffen van maatregelen als bedoeld
in artikel 4. Die verantwoordelijkheid heeft uitsluitend betrekking op de
gegevensverwerking die onder zijn verantwoordelijkheid plaatsvindt. Wordt
bijvoorbeeld een persoon door een regiokorps bij het Korps landelijke politiediensten
aangemeld voor signalering en blijkt die signalering niet juist omdat de betreffende
persoon ten onrechte als verdachte is aangemerkt, dan is de verantwoordelijke
van het regiokorps die de gegevens over de signalering beschikbaar heeft gesteld,
verantwoordelijk voor die gegevens. Een dergelijke regeling is thans neergelegd
in artikel 4 van het Reglement landelijk politieregister OPS (Stcrt. 1999,
nr. 141). Zodra dit wetsvoorstel van kracht is vloeit dit voort uit artikel
1, onderdeel f.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten aanzien van de gegevens die worden verwerkt voor de ondersteunende
taken geldt niet de in artikel 3, vierde lid, neergelegde verplichting om
de herkomst van de gegevens en de wijze van verkrijging te vermelden. De reden
hiervan is dat een deel van de gegevens die worden verwerkt voor de ondersteunende
taken, afkomstig zijn uit verschillende bronnen, waaronder uit de gegevensverzameling
die is aangelegd ter uitvoering van de dagelijkse politietaak. Voor de gegevensverwerking
voor de uitvoering van de politietaak geldt deze verplichting immers eveneens
niet. Het ligt echter voor de hand dat daar waar bij de gegevens de herkomst
en wijze van verkrijging reeds is vermeld, deze vermelding het gegeven blijft
vergezellen wanneer dit verder wordt verwerkt in het kader van artikel 13.</al>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>Dit lid biedt de basis voor het verder verwerken van bepaalde gegevens
uit 8, 9, en 10 voor andere doelen dan waarvoor de gegevens aanvankelijk werden verwerkt en ze daartoe langer te verwerken. De verantwoordelijke
bepaalt welke gegevens in aanmerking komen voor verdere verwerking ten behoeve
van de in het eerste lid genoemde doelen en of zij landelijk raadpleegbaar
worden gesteld dan wel ter beschikking worden gesteld op basis van een afweging
per geval. Elke verantwoordelijke zal de afweging moeten maken welke gegevens
voor verdere verwerking op grond van artikel 13 in aanmerking komen. Het ligt
voor de hand dat de korpsen hierbij omwille van de uniformiteit en de efficiency
gebruik maken van een gemeenschappelijke verwerking dan wel in onderling overleg
komen tot een model voor de schiftelijke vastlegging op soortgelijke wijze
als waarop de huidige modelreglementen tot stand zijn gekomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij gegevens die op grond van dit artikellid verder worden verwerkt ter
ondersteuning van de politietaak, maar niet landelijk raadpleegbaar worden
gesteld, kan gedacht worden aan de centrale registratie en opslag van processen-verbaal
die bij elk korps wordt bijgehouden. De processen-verbaal en rapporten worden
bewaard ter ondersteuning van de politietaak en ten behoeve van interne bedrijfsstatistiek,
interne bedrijfsvoering en interne ontwikkeling van beleid bet betrekking
tot de uitvoering van de politietaak. De processen-verbaal en rapporten worden
doorgaans 10 jaar bewaard.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij gegevens die op grond van dit artikellid verder worden verwerkt ter
ondersteuning van de politietaak en daartoe tevens landelijk raadpleegbaar
worden gesteld, moet in de eerste plaats gedacht worden aan gegevens ten behoeve
van de signalering van personen en goederen (bijvoorbeeld middels huidige
systemen als OPS, HKS of NSIS) vanwege bijvoorbeeld een arrestatiebevel of
een uitleveringsverzoek. Het betreft hier gegevens over personen ten aanzien
van wie een verzoek tot opsporing en/of aanhouding is gedaan in verband met
een onderzoek naar een strafbaar feit, ter fine van uitlevering of voor de
terugbrenging in de inrichting waarin zij zijn geplaatst. In de tweede plaats
kan het gaan om gegevens die worden gebruikt voor de identificatie, verificatie
en bejegening van personen. Daarbij kan worden gedacht aan vingerafdrukken
(HAVANK), foto's (HKS/FCM) en gegevens over de vuurwapengevaarlijkheid
van personen (HKS en OPS). In de derde plaats kan het voor de uitoefening
van de politietaak van belang zijn om op centraal niveau antecedenten te kunnen
raadplegen. Dit betreft het feit dat een proces-verbaal van verhoor is opgemaakt
jegens een bepaald persoon als verdachte van een strafbaar feit, en de beslissing
van het openbaar ministerie of de rechter daarover. Deze gegevens hebben betrekking
op verdachte personen en worden vastgelegd in relatie tot een bepaald strafbaar
feit. Ook kan het gaan om gegevens die nodig zijn voor het bieden van de juiste
bejegening van bepaalde personen en om gegevens die nodig zijn om verbanden
te leggen tussen delicten aan de hand van de gebruikte modus operandi, et
cetera.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de vierde plaats kan het gaan om het bijhouden van de centrale administratie
rond vergunningverlening met betrekking tot de bijzondere wetten die vallen
onder de politietaak in de zin van artikel 2 en 6 Politiewet. Het bijhouden
van de centrale administratie met betrekking tot vergunningen dient er immers
toe de handhaving van de betreffende bijzondere wetten mogelijk te maken.
In die zin kan het bijhouden van een dergelijke administratie worden gezien
als een ondersteunende taak. Gelet op het specialistische karakter van de
vergunninggegevens brengen de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid
mee dat deze gegevens niet landelijk raadpleegbaar worden gesteld maar ter
beschikking worden gesteld aan geautoriseerde personen voor zover zij deze
behoeven voor de uitvoering van de politietaak. </al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>Bij het tweede lid gaat het om het op centraal niveau bijeen brengen van
de gegevens met betrekking tot specialistische onderwerpen teneinde landelijk
inzicht te verkrijgen. Dit landelijk inzicht is met betrekking tot deze onderwerpen
nodig voor het nemen van de juiste strategische en tactische beslissingen.
Voorts gaat het om het desgevraagd ter beschikking stellen van gegevens op
basis van het verkregen landelijk inzicht aan specialistische eenheden binnen
de regio's zodra daar aanleiding toe bestaat. Het gaat dan onder meer
om de specialistische gegevensverzamelingen die momenteel op centraal niveau
worden bijgehouden ten aanzien van levensdelicten en zedendelicten (systeem
Viclas), delicten die verband houden met kinderporno, overvallen (LORS), mensensmokkel
en mensenhandel, et cetera. Het gaat hier veelal om de verwerking van meer
specifieke en meer gedetailleerde gegevens dan de gegevens die breed raadpleegbaar
worden gesteld op grond van het eerste lid. Voor de meeste van deze gegevens
geldt dat zij verder worden verwerkt door het KLPD, dat de gegevens veredelt.
Het feit dat bepaalde gegevens over een specialistisch onderwerp vanuit alle
regio's bijeen worden gebracht, levert op zichzelf al een bepaalde meerwaarde
op. Het KLPD draagt vervolgens zorg voor de verdere veredeling van de gegevens
en is de korpsen met de gegevens van dienst bij de opsporing in een concreet
geval. In de toekomst kunnen er nieuwe onderwerpen opkomen waarvoor een dergelijke
verwerking op centraal niveau wenselijk wordt geacht, zoals aan terrorisme
gerelateerde onderwerpen. Er zijn ook gegevensverzamelingen die niet door
het KLPD maar door een regiokorps worden bijgehouden, dat op dat terrein specifieke
deskundigheid bezit.</al>
      <al>Hoewel hier sprake lijkt van een vorm van gerichte verwerking is hier,
anders dan de verwerking als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van
de wet, de verwerking niet in de eerste plaats gericht op het in kaart brengen
van de betrokkenheid van personen bij strafbare feiten of bij handelingen
die kunnen wijzen op strafbare feiten. Anders dan op grond van de artikelen
9 en 10 van de wet is geen sprake van een concreet onderzoek, gericht op waarheidsvinding
of op het opbouwen van een informatiepositie. De gegevensverwerking als bedoeld
in artikel 13, derde lid, ziet in de eerste plaats op het verkrijgen van inzicht
in de landelijk beschikbare gegevens met betrekking tot bepaalde onderwerpen.
Doel daarvan is het op basis van dat inzicht ondersteunen van andere korpsen
bij hun gegevensverwerkingen op grond van de artikelen 9 en 10. Aangezien
het hier, voor een belangrijk deel gaat om gegevens die ook binnen de politietaak
afscherming behoeven, worden deze gegevens niet rechtstreeks raadpleegbaar
gesteld, maar worden de gegevens pas ter beschikking gesteld aan andere korpsen
nadat is afgewogen of zij deze gegevens nodig hebben voor de uitvoering van
de politietaak.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor zover gegevens op centraal niveau worden verwerkt zonder dat zij
zijn aangeleverd vanuit de andere korpsen en zonder dat wordt beoogd daarmee
in een ondersteunende taak te voorzien, zal niet artikel 13, maar artikel
9, 10 of 12 uitkomst moeten bieden. De verwerking van internationale
gegevens e.d. door het KLPD zal bijvoorbeeld doorgaans op basis van artikel
8 kunnen plaatsvinden. Hetzelfde geldt voor gegevens die het KLPD zelf verwerkt
met betrekking tot informanten. Zij kunnen rechtstreeks op basis van artikel
12 worden verwerkt.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>Het is van groot belang dat de mogelijkheid bestaat tot afstemming van
de verschillende verwerkingen binnen de politie. In de eerste plaats omdat
dit van belang kan zijn voor de verdere aanpak van een opsporingsonderzoek.
In de tweede plaats is het noodzakelijk te weten in hoeverre elders binnen
de politie onderzoek wordt verricht naar bepaalde personen of lokaties of
andere entiteiten omdat anders het risico bestaat dat binnen een zelfde regio
dan wel tussen verschillende regiokorpsen langs elkaar wordt gewerkt of dat
lopende onderzoeken worden geschaad. De mogelijkheid tot uitwisseling van
de politiegegevens, die samenhangen met de persoon jegens wie meerdere verwerkingen
worden verricht is essentieel voor de effectiviteit van de opsporing van strafbare
feiten.</al>
      <al>Op grond van dit lid kunnen door middel van geautomatiseerde vergelijking
verbanden worden gelegd tussen de verschillende gegevensverwerkingen die met
betrekking tot een bepaalde persoon plaatsvinden met het oog op verschillende
doelen binnen de politietaak. Op dit moment worden binnen de politie verbanden
gelegd tussen opsporingsonderzoeken door middel van de Verwijsindex Recherche
Onderzoeken en Subjecten (VROS). Dit is een voor een beperkte groep van politieambtenaren
toegankelijke index waarin gegevens zijn opgenomen inzake subjecten die voorkomen
in het register zware criminaliteit en de belangrijkste subjecten uit tijdelijke
registers. Ten behoeve van de geautomatiseerde vergelijking middels deze index,
worden meldingen van rechercheonderzoeken (MRO's) opgenomen. Indien de
door de politiekorpsen aangeleverde gegevens overeenkomen wordt het desbetreffende
korps op de hoogte gesteld dat er een mogelijke overeenkomst in gegevens bestaat,
hetgeen aanleiding kan vormen om contact te zoeken met het desbetreffende
onderzoeksteam of de criminele inlichtingeneenheid om te bezien in hoeverre
er mogelijk gelijkvormige dan wel juist conflicterende onderzoeksbelangen
spelen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het in dit lid uitgewerkte regime voor gegevensverwerking kunnen politiegegevens
worden betrokken van eenvoudige onderzoeken met het oog op de uitvoering van
de dagelijkse politietaak (artikel 8), onderzoeken met het oog op een bepaald
geval (artikel 9) en analyses ten behoeve van het verkrijgen van inzicht in
betrokkenheid bij ernstige schendingen van de rechtsorde (artikel 10). In
dit laatste geval gaat het om het ter beschikking stellen van bepaalde persoonsgegevens
over de zogenaamde CIE-subjecten. De mogelijkheid om ook gegevens te betrekken
die zijn verwerkt met het oog op de dagelijkse politietaak van artikel 8 kan
van belang zijn om een goed beeld te verkrijgen van de persoon op wie het
onderzoek is gericht. Het kan nuttig zijn gegevens over zijn contacten met
de politie inzake strafbare feiten te kunnen betrekken in de gegevensvergelijking.
Naar verwachting zal de in dit lid geregelde verwerking in de praktijk vooral
aan de orde zijn bij de afstemming tussen de verschillende onderzoeken die
vallen onder het regime van artikel 9.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor het schriftelijke vastleggen van de categorieën van gegevens
op grond van het vierde lid, zal naar verwachting worden aangesloten bij het
huidige VROS. Dit betekent dat het zal gaan om gegevens over natuurlijke en
rechtspersonen (voornaam en achternaam geboortedatum en -plaats), voer-, vaar-
of vliegtuig (merk of type, kenteken of registratienummer, e.d.), telecommunicatiemiddel
(netnummer, abonneenummer) en lokatie (straatnaam, pandnummer, postcode e.d.).
In geval van een «hit» kunnen de overeenkomende politiegegevens
verder worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak
of voor een ander doel binnen de artikelen 9 of 10. Voor de kring van
geautoriseerden kan gedacht worden aan ambtenaren, die binnen een regionaal
politiekorps werkzaam zijn bij een bepaalde eenheid, bijvoorbeeld de informatiedesk,
maar mede gelet op de toekomstige ontwikkelingen op het gebied van de informatiehuishouding
binnen de Nederlandse politie is het ook voorstelbaar dat deze taak op landelijk
niveau wordt geconcentreerd bij het Korps landelijke politiediensten. Op grond
van artikel 6, zevende lid, zullen hieromtrent nadere regels kunnen worden
gegeven. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit lid biedt eveneens de mogelijkheid om gegevens over informanten te
vergelijken met gegevens die worden verwerkt met het oog op andere doelen
binnen de politietaak teneinde vast te stellen of er verschillende verwerkingen
met betrekking tot die informant worden verricht, zonder dat daarbij de identiteit
van de informant bekend wordt aan anderen dan de betrokken runner(s). Daartoe
worden de zogenaamde ICS-codes, die zijn gekoppeld aan de identiteit van de
ingeschreven informanten, vergeleken met de gegevens van het VROS. Aldus kan
worden achterhaald dat de informant is betrokken in een opsporingsonderzoek
van een ander regiokorps.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het vereiste van instemming van een bevoegde functionaris maakt het mogelijk
dat er weliswaar een «hit» is, maar dat de overeenkomende gegevens
toch niet beschikbaar worden gesteld. Opsporingstechnische redenen kunnen
daaraan ten grondslag liggen. Vanwege de doorbreking van de afscherming en
het hiermee verband houdende afbreukrisico van gevoelig opsporingsonderzoek
is het wenselijk de verdere gegevensverwerking afhankelijk te stellen van
instemming van een door de verantwoordelijke aan te wijzen functionaris. De
belangen van een zorgvuldige omgang met de gegevens van de betrokken persoon
dienen hierbij te worden afgewogen. Het ligt in de rede te veronderstellen
dat die functionaris voor het nemen van een beslissing over de verdere verwerking
te rade gaat bij de betrokken teamleider of CIE-chef. Wellicht dat ook de
medewerkers van de zogenaamde informatiedesk binnen de regiokorpsen op dit
gebied een rol kunnen vervullen. In artikel 6, zevende lid, is bepaald dat
de verantwoordelijke de bevoegde functionaris aanwijst en dat bij algemene
maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld over de kring van
politiefunctionarissen aan wie de bevoegdheid tot het nemen van een dergelijke
beslissing kan worden toegedeeld. Als de gegevens beschikbaar worden gesteld
kan de functionaris die instemt beslissen welke gegevens verder mogen worden
verwerkt voor een ander doel binnen de politietaak.</al>
      <tuskop letat="cur">Vierde lid</tuskop>
      <al>Teneinde toezicht mogelijk te maken en te voorzien in kenbaarheid en voorzienbaarheid
voor de burger is voor de verantwoordelijke de verplichting opgenomen om een
aantal aspecten van de verwerking schriftelijk vast te leggen. Deze zullen
nadere uitwerking krijgen bij algemene maatregel van bestuur. Het CBP zal
naar verwachting toetsen aan de hand van de genoemde criteria in combinatie
met de algemene beginselen van doelbinding, noodzakelijkheid en evenredigheid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De verwerkingstermijnen zijn afhankelijk van het specifieke doel met het
oog waarop de betreffende gegevens worden verwerkt. Bij algemene maatregel
van bestuur worden hierover nadere regels gesteld. Een uniforme regeling regeling
voor de bewaring van alle gegevens die onder dit artikel vallen is niet haalbaar
vanwege de grote diversiteit van de gegevens.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 14</tuskop>
      <al>Artikel 14 beoogt te voorzien in een beperkte periode gedurende welke
de verwijderde politiegegevens worden bewaard ten behoeve van de afhandeling
van klachten en de verantwoording van verrichtingen. Als algemene regel geldt
voor gegevens die worden verwerkt op grond van de artikelen 9 en 10 dat zij
worden verwijderd, zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor
zij zijn verwerkt. Gegevens die onjuist blijken te zijn, worden op grond van
artikel 4 vernietigd. Ten aanzien van bepaalde gegevens die met het gebruik
van een bijzondere opsporingsbevoegdheid zijn verkregen, bepaalt
het Wetboek van Strafvordering tevens dat zij na afronding van het onderzoek
moeten worden vernietigd (vgl. artikel 125n, eerste lid en artikel 126cc,
tweede lid). Gegevens die worden verwijderd zijn niet langer toegankelijk
voor operationele doeleinden maar worden niet onmiddellijk vernietigd. Zij
worden als het ware apart gezet. Langs de weg van de automatisering behoeft
dit slechts te betekenen dat zij voor toegang worden afgesloten. In bijzondere
gevallen kunnen de gegevens opnieuw beschikbaar komen voor operationeel gebruik.</al>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>In het eerste lid zijn de doeleinden genoemd, waarvoor politiegegevens
na verwijdering worden bewaard. Democratische controle moet ook na enige tijd
nog mogelijk zijn, bijvoorbeeld met betrekking tot de werkwijze bij de inzet
van ingrijpende bevoegdheden. De gegevens moeten dan nog wel beschikbaar zijn.
De Wet politieregisters kent geen eenduidige regeling van bewaartermijnen.
Voor bijzondere politieregisters, zoals het tijdelijk register, het register
zware criminaliteit en het voorlopig register, gelden wettelijke bewaartermijnen
(art. 8, achtste lid, Bpolr. respectievelijk art. 13a, achtste lid en 13b,
vijfde lid, Wpolr.). Voor gegevens over verdachte personen, die niet zijn
opgenomen in bijzondere politieregisters, geldt dat het reglement voor het
register de gevallen beschrijft waarin opgenomen gegevens worden verwijderd
en de vernietiging, zodra dit mogelijk is, van de verwijderde gegevens (art.
10, tweede lid, Wpolr.). Voor gegevens over onverdachte personen geldt de
termijn van vier maanden (art. 5a, eerste lid, Wpolr.). Op grond van het wetsvoorstel
wordt een bewaartermijn voor verwijderde gegevens geïntroduceerd en wordt
deze voor alle gegevens uniform op een periode van vijf jaar gesteld. Dit
zal leiden tot meer duidelijkheid en eenvormigheid omtrent het bewaren en
vernietigen van politiegegevens.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>Aangezien de bewaarde gegevens in beginsel niet meer beschikbaar zijn
voor operationeel gebruikt, ligt het voor de hand dat zij ook niet worden
verstrekt aan derden. Met uitzondering van artikel 22, zijn de bepalingen
van paragraaf 3 voor deze gegevens daarom buiten toepassing verklaard.
De verwijderde gegevens zouden anders via de verstrekking aan derden kunnen
herleven. Dat zou zich niet goed verhouden tot het verwijderde karakter van
de gegevens. De algemene bepalingen en de bepalingen met betrekking tot de
rechtsbescherming zijn echter onverkort van toepassing op bewaarde gegevens.
De burger heeft er recht op dat hij kan kennis nemen van de gegevens die over
hem worden bewaard en dat ook deze politiegegevens correct zijn.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>In dit lid is een uitzondering geformuleerd op de regels dat verwijderde
gegevens niet langer beschikbaar zijn voor operationele doeleinden. Voorop
staat dat de mogelijke relevantie voor toekomstige onderzoeken geen zelfstandig
argument vormt voor het bewaren van gegevens. De doeleinden voor bewaren van
verwijderde gegevens zijn genoemd in het eerste lid. In uitzonderlijke gevallen
kan zich echter de situatie voordoen dat de gegevens die voor de doeleinden,
genoemd in het eerste lid, worden bewaard, om dringende redenen beschikbaar
moeten worden gesteld voor operationele doeleinden. Als bijvoorbeeld in de
loop van een onderzoek op grond van artikel 9 duidelijk wordt dat bepaalde
verwijderde gegevens buitengewoon relevant zouden kunnen zijn voor het oplossen
van de zaak, en deze gegevens zijn nog beschikbaar in de categorie verwijderde
gegevens, dan zou het niet redelijk zijn als deze gegevens niet zouden mogen
worden teruggehaald. Op voorhand moet wel duidelijk zijn voor welk doel het
terughalen van de gegevens noodzakelijk is en om welke gegevens het gaat.
Ongericht zoeken of het in combinatie met nieuwe gegeven verwerken is op grond
van dit artikel niet toegestaan. Om te voorkomen dat te snel naar dit middel
wordt gegrepen, is een opdracht van het bevoegd gezag vereist. Het bevoegd
gezag heeft tot taak te toetsen of het inderdaad een bijzonder geval betreft
en of op voorhand voldoende duidelijk is om welke gegevens het gaat, zodat
geen ongerichte zoekacties hoeven plaats te vinden in de eenmaal verwijderde
gegevens.</al>
      <tuskop letat="cur">Vierde lid</tuskop>
      <al>In afwijking van de Archiefwet 1995 is in dit wetsvoorstel een regeling
opgenomen met betrekking tot het verwijderen, bewaren en vernietigen van gegevens.
Met het oog op de beginselen van noodzakelijkheid, doelbinding en bescherming
van de privacy van de burger wordt immers een uitputtende regling getroffen
voor het verwerken van politiegegevens. In het vierde lid is evenwel in de
vorm van een hardheidsclausule de mogelijkheid opgenomen om tegemoet te komen
aan bijzondere belangen van cultuurbehoud. Op grond van dit artikellid kan
worden afgezien van vernietiging van politiegegevens voor zover naar het oordeel
van de verantwoordelijke, die in het kader van de Archiefwet zorgdrager is,
de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultueel erfgoed
of voor historisch onderzoe zich daartegen verzet. De selectie van gegevens
komt in de plaats van de procedure waarbij selectielijsten worden vastgesteld
en na advisering door de Raad voor cultuur worden gepubliceerd in de Staatscourant.
Het oordeel van de verantwoordelijke komt tot stand in het overleg met de
beheerder van de archiefbewaarplaats. De gegevens worden zo spoedig mogelijk
nadat zij volgens het regime van de Wet politiegegevens in aanmerking komen
voor vernietiging overgebracht naar de archiefbewaarplaats. De vervroegde
overdracht is wenselijk om te verzekeren dat de gegevens, die binnen het regime
van de Wet politiegegevens niet langer voor verwerking in aanmerking komen,
nog slechts verder kunnen worden verwerkt ten behoeve van de specifieke belangen
waar de Archiefwet op ziet (vgl. 9, derde lid, WBP). In bijzondere gevallen
kunnen de archiefbescheiden door de archivaris worden uitgeleend aan de politie
(artikel 19 Archiefwet 1995); deze mogelijkheid moet echter gereserveerd blijven
voor uitzonderlijke situaties. In de praktijk zal het vierde lid worden toegepast
ten aanzien van gegevens over zaken die voldoen aan criteria die ook worden
gehanteerd in de selectielijst rechterlijke macht voor het uitzonderen van
archiefbescheiden van vernietiging. Het gaat dan om zaken waarover politieke
of maatschappelijke onrust bestond, zoals gegevens over een aanslag op een
politicus, een herhaalde brandstichting in een bepaalde regio of over een
moord- of zedenzaak die de plaatselijke rechtsorde ernstig heeft geschokt,
zaken die internationaal, landelijk, regionaal of lokaal ophef hebben veroorzaakt
en zaken waarbij belangrijke personen of instellingen betrokken waren. Ten
aanzien van gegevens die zijn verwerkt op grond van artikel 8, kan het zijn
dat meerdere sterk op elkaar gelijkende gegevens voldoen aan het genoemde
criterium (bijvoorbeeld gegevens die betrekking hebben op een maatschappelijk
verschijnsel waarvoor in een bepaalde periode uitzonderlijke aandacht bestaat,
zoals straatroof of spreekkoren tijdens voetbalwedstrijden). In dat geval
ligt het voor de hand te kiezen voor de overdracht van een representatieve
selectie daarvan (bijvoorbeeld van iedere regio van iedere jaargang één
dossier). Het ligt voor de hand dat de openbaarheid in de meeste gevallen
wordt uitgesloten tot na verloop van 75 jaar; in bepaalde gevallen kan eventueel
een kortere periode volstaan. Op grond van artikel 15 van de Archiefwet 1995
stelt de zorgdrager de beperkingen aan de openbaarheid na advies van de beheerder van de archiefbewaarplaats. Desgewenst kunnen Onze Ministers
over de toepassing van de hardheidsclausule en het uitsluiten van de openbaarheid
beleidsregelsvaststellen, over de inhoud waarvan met het oog op het cultuurhistorisch
aspect uiteraard afstemming zal plaatsvinden met de staatssecretaris van OCW.
Op de gegevens die zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats is de WBP
van toepassing. Met betrekking tot gevoelige persoonsgegevens geldt hetgeen
daarover wordt bepaald in artikel 2a van de Archiefwet 1995.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 15</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>Het wetsvoorstel formuleert in paragraaf 2 een aantal doelen binnen
de politietaak. De ambtenaren van politie kunnen gegevens verwerken met het
oog op die doelen. In een aantal gevallen is die verwerking gekoppeld aan
een autorisatie door de verantwoordelijke, onder wiens beheer die verwerking
plaats heeft. De ruime betekenis van het begrip «verwerking» brengt
met zich mee dat, binnen het doel voor de verwerking, andere ambtenaren van
politie betrokken kunnen zijn. Zo is het mogelijk dat ambtenaren van politie,
die zijn belast met surveillance, bepaalde politiegegevens over een veelpleger
verder verwerken met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak.
Dergelijke gegevens kunnen ook van belang zijn voor andere politieambtenaren
die in het kader van de uitvoering van de dagelijkse politietaak met die betreffende
persoon in aanraking komen. Het raadplegen en eventueel verder gebruiken van
deze gegevens kan eveneens onder de verwerking van politiegegevens met het
oog op het oorspronkelijke doel vallen. Een dergelijke vorm van verdere verwerking
is aan de orde in artikel 8, tweede en derde lid. Daarnaast wordt in paragraaf 2
voorzien in de mogelijkheid om politiegegevens verder te verwerken met het
oog op een ander doel binnen de politietaak. Bijvoorbeeld in geval de politiegegevens
over een bepaalde persoon zijn verzameld met het oog op de uitvoering van
de dagelijkse politietaak maar, omdat die persoon ook wordt verdacht van ernstige
strafbare feiten met het onderzoek waarvan een opsporingsteam is belast, van
belang blijken voor dat onderzoek. Een dergelijke vorm van verdere verwerking
is aan de orde in de artikelen 9, derde lid en 10, vierde lid. Het wetsvoorstel
biedt de mogelijkheid dat bepaalde categorieën van politiegegevens uit
het onderzoek worden vergeleken met andere reeds beschikbare politiegegevens,
dit is geregeld in de artikelen 11, eerste en tweede lid, 12, vierde lid en
13, vierde lid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In dit lid wordt voorzien in een verplichting voor de verantwoordelijke
om politiegegevens beschikbaar te stellen voor de verdere verwerking, als
hierboven omschreven. Deze verplichting heeft betrekking op zowel de personen,
die onder zijn beheer vallen als de personen, die onder het beheer van een
andere verantwoordelijke vallen, voor zover zij die gegevens behoeven voor
de uitvoering van de politietaak. In het kader van de uitoefening van zijn
taak zal de ambtenaar van een politiekorps met de verschillende verantwoordelijken
in aanraking kunnen komen, hetzij omdat hij behoefte heeft aan gegevens die
worden verwerkt door een ander politiekorps hetzij doordat de verwerking van
gegevens met het oog op een bepaald doel kan plaatsvinden onder de regie van
verschillende verantwoordelijken. De verantwoordelijke is gehouden gegevens
ter beschikking te stellen voor zover zij nodig zijn met het oog op de uitvoering
van de politietaak overeenkomstig de regels van paragraaf 2 van het wetsvoorstel.
Het raadplegen en het eventuele verdere gebruik van die gegevens vindt plaats
onder de verantwoordelijkheid van de verantwoordelijke onder wiens beheer
de verdere verwerking vervolgens plaats heeft. Dit betekent tevens dat de
verdere verwerking door de ambtenaren van politie, die onder
het gezag van een andere verantwoordelijke vallen slechts geoorloofd indien,
in de gevallen waarin een autorisatie vereist is, deze ambtenaren daartoe
door die verantwoordelijke zijn geautoriseerd. De verplichting tot het beschikbaar
stellen van gegevens sluit aan bij de verplichting op grond van artikel 10
van de Politiewet 1993, inhoudende dat alle ambtenaren, belast met de politietaak,
elkaar wederkerig de nodige hulp verlenen en bij voortduring een eendrachtige
samenwerking betrachten bij het uitvoeren van die taak. Zij verlenen elkaar
zoveel mogelijk de gevraagde medewerking.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De huidige Wet politieregisters veronderstelt dat de verstrekking van
gegevens uit een politieregister plaatsvindt door tussenkomst van een ambtenaar
van politie. Met het oog op de meest voorkomende verstrekkingen welke noodzakelijk
zijn voor een goede uitvoering van de politietaak voorziet de huidige Wet
politieregisters daarnaast in een specifieke regeling voor de rechtstreekse
en geautomatiseerde («on-line») verstrekking van gegevens. De
ontwikkelingen binnen de informatietechnologie maken het echter mogelijk politiegegevens
op geautomatiseerde wijze te verstrekken, de overdracht van politiegegevens
zonder menselijke tussenkomst zal dan eerder regel zijn dan uitzondering.
Rekening houdend met de technische ontwikkelingen, en ook gelet op de ontwikkeling
van de bovenregionale informatiehuishouding binnen de politie, kan de verantwoordelijke
ervoor kiezen de politiegegevens rechtstreeks en geautomatiseerd beschikbaar
te stellen aan ambtenaren van politie die vallen onder het beheer van een
andere verantwoordelijke.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>Dit lid biedt de mogelijkheid om de beschikbaarstelling aan een ambtenaar
van politie van het eigen korps of de verstrekking van politiegegevens aan
een ambtenaar van politie die onder het beheer van een andere verantwoordelijke
valt te weigeren in die gevallen waarin daartoe, om opsporingstechnische redenen,
aanleiding bestaat. Soortgelijke bepalingen zijn terug te vinden in artikel
13a, derde lid, van de Wet politieregisters en artikel 11, eerste lid, van
het Besluit politieregisters. In geval van gevoelige opsporingsonderzoeken
met een hoog afbreukrisico kan de behoefte bestaan aan afscherming van de
gegevens, ook binnen de eigen politieorganisatie. Dergelijke onderzoeken worden
ook wel betiteld als embargo-onderzoeken. Het onderzoek naar een bepaalde
gebeurtenis kan worden geschaad doordat gegevens worden verstrekt aan andere
ambtenaren van politie die niet direct bij dit onderzoek zijn betrokken. Met
de woorden «in bijzondere gevallen» wordt aangegeven dat een dergelijke
handelwijze in de praktijk niet tot een algemene gedragslijn mag verworden
maar alleen bij uitzondering toegelaten is. De hoofdlijn van de wettelijke
regeling is dat gegevens aan andere ambtenaren van politie worden verstrekt
voor zover zij deze behoeven voor de uitvoering van de politietaak –
hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van de verwerking met het oog op ondersteunende
taken als bedoeld in artikel 13 – tenzij er goede gronden zijn om dat
niet te doen. Het wetsvoorstel beoogt de politie meer ruimte te bieden voor
de uitwisseling van gegevens, een ruime toepassing van deze bepaling zou aan
dat uitgangspunt ernstig afbreuk kunnen doen. Dit uitgangspunt zal tot uitdrukking
worden gebracht in de bij algemene maatregel van bestuur te stellen nadere
regels.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de bovenbeschreven gevallen zal er tevens aanleiding kunnen bestaan
de betreffende politiegegevens uit te sluiten van het leggen van verbanden
op grond van artikel 11, zodat de betreffende gegevens niet langs die weg
bekend kunnen worden buiten de kring van de politieambtenaren die bij het
onderzoek zijn betrokken. Daartoe is in artikel 11, derde lid,
de mogelijkheid opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
regels te stellen over het coderen van politiegegevens door deze te voorzien
van een indicatie over de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid en de mogelijkheid
deze verder te verwerken voor een analyse of onderzoek. Dit is aldaar nader
toegelicht.</al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 3 De verstrekking van politiegegeven buiten
de politie</tuskop>
      <al>Deze paragraaf regelt de verstrekking van politiegegevens aan personen
of instanties die niet zijn betrokken bij de uitvoering van de politietaken,
als bedoeld in de artikelen 2 en 6 van de Politiewet 1993. Er worden bepaalde
doelen of taken geformuleerd die verenigbaar zijn dan wel van zodanig belang
dat deze de verstrekking van politiegegevens aan derden rechtvaardigen. Aldus
kan de verstrekking van politiegegevens aan derden plaatsvinden indien dit
voortvloeit uit een wettelijke verplichting of voor zover dit noodzakelijk
is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang. Voor gegevens die onder
het regime van artikel 125n en 126dd Wetboek van Strafvordering vallen, geldt
op grond van strafvordering evenwel een speciale regeling met betrekking tot
de omgang met deze gegevens. Deze speciale regeling heeft voorrang op de algemene,
waardoor de verstrekkingsbepalingen op deze gegevens niet van toepassing zijn.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 16</tuskop>
      <al>Dit artikel regelt de verstrekking van politiegegevens aan opsporingsambtenaren
van bijzondere opsporingsdiensten en aan gezagsdragers met het oog op bepaalde
doeleinden of de uitvoering van bepaalde taken.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel a</tuskop>
      <al>In onderdeel a wordt de verstrekking van politiegegevens geregeld aan
de buitengewone opsporingsambtenaren die werkzaam zijn bij de bijzondere opsporingsdiensten
(hierna ook te noemen: BOD'en). De bijzondere opsporingsdiensten zijn
belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde ten aanzien van
bijzondere wetten op het gebied van economie, financiën, landbouw, milieu
en sociale zekerheid. De taak van de BOD'en impliceert een nauwe samenwerking
met de ambtenaren van de politie of van de Koninklijke marechaussee bij de
opsporing van strafbare feiten die zowel raakvlakken hebben met het commune
strafrecht als met de ordeningswetgeving. In het bijzonder bij de bestrijding
van de georganiseerde criminaliteit zijn er dikwijls dergelijke raakvlakken.
De Wet politieregisters regelt de verstrekking van gegevens uit politieregisters
aan ambtenaren in dienst van een publiekrechtelijk lichaam voor zover zij
deze behoeven ter opsporing van strafbare feiten bij het onderzoek waarvan
zij zijn betrokken. De koppeling van de verstrekking aan de voorwaarde van
een opsporingsonderzoek blijkt in de praktijk te knellen omdat de gegevensuitwisseling
ook noodzakelijk is buiten het geval van een opsporingsonderzoek. Daarvoor
kan worden gedacht aan de verstrekking van gegevens uit het register zware
criminaliteit aan de BOD'en, welke gegevens voor de BOD'en nodig
zijn voor het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij
ernstige misdrijven. Het resultaat van de op grond van de gegevensverstrekking
te verrichten analyse is van belang voor zowel de BOD'en als voor de
politie, bijvoorbeeld ingeval van de voorbereiding van, al dan niet gemeenschappelijke,
projecten. Het wetsvoorstel beoogt meer ruimte te bieden voor een adequate
gegevensuitwisseling door de verstrekking van politiegegevens aan de BOD'en
te binden aan het criterium dat de BOD'en deze gegevens behoeven voor
de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde op het beleidsterrein van
Onze Minister die het aangaat. </al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel b</tuskop>
      <al>In onderdeel b wordt de verstrekking van politiegegevens aan de buitengewone
opsporingsambtenaren van de politie en de Koninklijke marechaussee geregeld.
De regeling is gelijk aan het huidige artikel 14, onderdeel d, van de Wet
politieregisters, met dien verstande dat de eis van de voorafgaande toestemming
van de officier van justitie of de Minister van Justitie is vervallen. Gelet
op de eis van de doelbinding die voor dergelijke verstrekkingen onverkort
geldt achten wij de eis van de aanvullende toestemming niet nodig.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel c</tuskop>
      <al>Dit onderdeel is gelijk aan artikel 15, eerste lid, onderdeel a van de
huidige Wet politieregisters.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel d</tuskop>
      <al>Dit onderdeel is grotendeels gelijk aan artikel 15, eerste lid, onderdeel
b van de huidige Wet politieregisters, behoudens enkele aanpassingen. In de
eerste plaats zijn in dit onderdeel de woorden «voor het treffen van
maatregelen» zijn geschrapt. Er zijn situaties denkbaar waarin de burgemeester
voor de inschatting van het veiligheidsbeeld informatie nodig heeft, bijvoorbeeld
van de RID, welke niet noodzakelijkerwijs behoeft te leiden tot het treffen
van maatregelen in het kader van de handhaving van de openbare orde. In de
tweede plaats is de verwijzing in het eerste onderdeel van dit artikel naar
de verklaringen omtrent het gedrag geschrapt. Dit houdt met verband de Wet
justitiële gegevens van 7 november 2002, waarin is geregeld dat
een verklaring omtrent het gedrag wordt afgegeven door Onze Minister van Justitie
(artikel 28 WJG). Bij zijn onderzoek met betrekking tot een afgifte van een
dergelijke verklaring kan Onze Minister onder meer kennis nemen van gegevens
uit de politieregisters (artikel 36, eerste lid, WJG). In de derde plaats
is voorzien in de mogelijkheid te beschikken over politiegegevens ten behoeve
van het verrichten van disciplinair onderzoek. Dit hangt samen met de regeling
van onderdeel e.</al>
      <al>In artikel 15, eerste lid, van de Wet politieregisters worden andere gezagsdragers
aangewezen aan wie op hun verzoek gegevens uit een politieregister worden
verstrekt. Dit betreft onder meer de ambtenaren van het bureau BIBOB in verband
met de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
en de commandant van de Koninklijke marechaussee in verband met de bevoegdheid
van artikel 37s van de Luchtvaartwet. Een regeling van deze verstrekkingen
past niet goed in dit artikel omdat het hier geen verstrekkingen betreft die
samenhangen met de uitvoering van de politietaak. Gelet op het zwaarwegend
algemeen belang dat in deze gevallen aan de orde is zullen deze verstrekkingen
plaatsvinden op grond van de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 18 van dit wetsvoorstel (verstrekking structureel geldend voor alle
regio's). Te dien aanzien zullen voormelde gezagsdragers op grond van
dit wetsvoorstel dus in een zelfde positie verkeren ten opzichte van de verstrekking
van politiegegevens als op grond van de Wet politieregisters. In dat artikel
zal eveneens de verstrekking van gegevens aan het College van burgemeester
en wethouders worden geregeld, voor zover het College deze gegevens nodig
heeft voor het uitoefenen van toezicht op de naleving van bijzondere wetten.
Op grond van de Gemeentewet is de bevoegdheid van de burgemeester op het gebied
van de handhaving van de openbare orde beperkt tot de voor het publiek toegankelijk
ruimten, zodat een aanvullende voorziening nodig is voor de verstrekking van
politiegegevens aan het College.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel e</tuskop>
      <al>In dit onderdeel wordt de korpsbeheerder de mogelijkheid geboden te beschikken
over politiegegevens ten behoeve van de beoordeling van klachten
en het verrichten van disciplinair onderzoek. Burgers kunnen zich beklagen
over het politieoptreden. Het onderzoek naar de klacht wordt ingesteld door
de korpsbeheerder (artikel 64 Politiewet 1993). In het advies van de Raad
van Hoofdcommissarissen en het Korpsbeheerdersberaad wordt er op gewezen dat
de huidige Wet politieregisters de korpsbeheerder niet de mogelijkheid biedt
te beschikken over politiegegevens ten behoeve van het verrichten van disciplinaire
onderzoeken. De Politiewet1993 biedt de grondslag voor het stellen van regels
inzake de disciplinaire bestraffing van de ambtenaar (artikel 50 Politiewet
1993). In het Besluit algemene rechtspositie politie wordt de mogelijkheid
geboden tot een dergelijke bestraffing ingeval de ambtenaar de hem opgelegde
verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt
(artikel 76 Besluit algemene rechtspositie politie). Voor de ambtenaar van
de Koninklijke marechaussee, voor zover werkzaam ter uitvoering van de politietaken,
bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Politiewet 1993, geldt dat artikel
12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 de grondslag biedt voor het stellen
van regels voor militaire ambtenaren inzake schorsing en ontslag. Ingevolge
artikel 39, tweede lid, onder k, van het Algemeen militair ambtenarenreglement
kan aan de militair ontslag worden verleend wegens verregaande nalatigheid
in de vervulling van zijn plichten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De verstrekking van politiegegevens aan personen die deel uitmaken van
door de korpsbeheerder ingestelde klachtencommissies zal kunnen plaatsvinden
op grond van een regeling bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in artikel 18 van dit wetsvoorstel.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>In artikel 15, tweede lid, wordt de mogelijkheid geboden om, vanwege opsporingstechnische
redenen, politiegegevens niet te verstrekken aan ambtenaren van politie die
bij een ander politiekorps werkzaam zijn. Het aldaar gestelde geldt onverkort
voor de gegevensverstrekking op grond van het onderhavige artikel. De mogelijkheid
tot het weigeren van verstrekking van politiegegevens geldt echter niet jegens
het bevoegd gezag, bedoeld in de onderdelen c en d. In verband met hun gezag
en zeggenschap over de politie worden politiegegevens aan de gezagsdragers
altijd verstrekt.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 17</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>De verwijzing naar de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten geldt
als een spiegelbepaling van de artikelen 17 en 62 van de Wet op de inlichtingen-
en veiligheidsdiensten 2002 (Staatsblad 2002,148), die de ambtenaren van politie
en van de Koninklijke marechaussee verplichten om van de te hunner kennis
gekomen gegevens mededeling te doen aan de korpschef van het politiekorps,
respectievelijk de commandant van de Koninklijke marechaussee, die deze gegevens
aan de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst of de Militaire Inlichtingen-
en Veiligheidsdienst zendt. Dit naar het model van artikel 15, tweede lid,
van de huidige Wet politieregisters.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>De verwijzing naar de bijstand aan een internationaal strafgerecht geldt
als een spiegelbepaling van artikel 6 van de Uitvoeringswet Internationaal
Strafhof, van 20 juni 2002, (Staatsblad 2002, 314), dat de mogelijkheid
biedt om gegevens te verstrekken aan het Strafhof indien dit voor de goede uitvoering van de taak van het Strafhof noodzakelijk is. In
artikel 8 van de Wet houdende bepalingen verband houdende met de instelling
van het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen aansprakelijk
voor ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht, begaan
op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië sedert 1991, van 21 april
1994, (Staatsblad 1994, 308) is bepaald dat gegevens uit politieregisters
kunnen worden verstrekt aan de Openbare Aanklager indien dit voor de goede
uitvoering van diens taak noodzakelijk is.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>De verstrekking van politiegegevens aan politieautoriteiten van andere
landen wordt gebonden aan de algemene voorwaarde dat de verstrekking noodzakelijk
is voor de uitvoering van de politietaak in Nederland of in het betreffende
land. Hiermee wordt aangesloten op noodzakelijkheidsbeginsel van artikel 3,
eerste lid, van het wetsvoorstel. De voorgestelde wettelijke regeling beoogt
een wettelijk kader te bieden voor voortzetting van de huidige praktijk op
het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens tussen de politiekorpsen
van verschillende landen. Onder het begrip politieautoriteiten in een ander
land worden mede verstaan de liaisonofficieren van andere landen die zijn
gedetacheerd in Nederland in het kader van de internationale politiële
samenwerking.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tot op heden zijn ons geen bijzondere problemen met de toepassing van
de bepalingen van artikel 18, eerste lid, van de huidige Wet politieregisters
en artikel 13 van het huidige Besluit politieregisters bekend. Een uitzondering
op die vaststelling wordt wellicht gevormd door de bepalingen van het Besluit
politieregisters over de tussenkomst van het Korps landelijke politiediensten,
die als onnodig knellend worden ervaren in verband met de grensoverschrijdende
gegevensverstrekking tussen politiekorpsen in de grensstreken. De nadere uitwerking
in de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vijfde lid, zal dan
ook nauw aansluiten op de bestaande regelgeving waarbij bijzondere nodige
aandacht zal worden besteed aan de gegevensverstrekking aan buitenlandse politieautoriteiten
in de grensstreken.</al>
      <tuskop letat="cur">Vierde lid</tuskop>
      <al>De Europol-overeenkomst (Trb. 1995, 282) geeft specifieke regels voor
de taken en de daaruit voortvloeiende gegevensverwerking door Europol. Daarbij
wordt rekening gehouden met de beginselen van het Verdrag van de Raad van
Europa van 28 januari 1981 en met Aanbeveling R(87)15 van het Comité
van Ministers van de Raad van Europa van 1987 (artikel 14, derde lid, Europol-overeenkomst).
In het derde lid wordt geregeld dat de bepalingen van dit verdrag ten grondslag
kunnen liggen aan de verstrekking van gegevens door Nederlandse politieambtenaren
aan Europol. In de op grond van het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel
van bestuur zullen hieromtrent nadere regels worden gesteld.</al>
      <tuskop letat="cur">Vijfde lid</tuskop>
      <al>De gegevensverstrekking aan het buitenland is gebonden aan het criterium
dat bij de ontvangende instantie voldoende waarborgen aanwezig zijn voor een
juist gebruik van de verstrekte gegevens en voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer. Dit criterium vloeit voort uit artikel 12, derde lid, onder a,
van het Verdrag inzake gegevensbescherming (Trb. 1988, 7) en is terug te vinden
in het huidige artikel 13, vierde lid, van het Besluit politieregisters. Ter
zake kan worden verwezen naar de Nota van toelichting bij het Besluit politieregisters.
Voor de landen die lid zijn van de Raad van Europa mag worden
verwacht dat aan dit criterium wordt voldaan. Voor die landen waarvoor dat
niet het geval is zal per geval afzonderlijk moeten worden overwogen of, gelet
op de aard van het gegeven en het doel waarvoor het wordt gevraagd en met
inachtneming van wat in het algemeen omtrent het desbetreffende land bekend
is, de verstrekking van het gegeven gerechtvaardigd is.</al>
      <tuskop letat="cur">Zesde lid</tuskop>
      <al>Nadere regels over de gegevensverstrekking aan buitenlandse politieautoriteiten
of internationale opsporingsorganisaties zullen worden uitgewerkt in een algemene
maatregel van bestuur. De regeling van het huidige Besluit politieregisters
zal daartoe als uitgangspunt dienen.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 18</tuskop>
      <al>Op grond van de Wet politieregisters is de verstrekking van gegevens uit
politieregisters uitsluitend mogelijk aan personen of instanties die daartoe
in de wet zelf of in het Besluit politieregisters zijn aangewezen. Het systeem
van de Wet politieregisters wordt deels gehandhaafd, in die zin dat bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur instanties en personen kunnen worden
aangewezen aan welke politiegegevens worden of kunnen worden verstrekt. Het
gaat om personen en instanties die voor de goede uitvoering van hun taak structureel
bepaalde politiegegevens nodig hebben. Bovendien gaat het om personen en instanties
die een landelijke taak hebben. Dat wil zeggen dat zij overal in het land
dezelfde taak vervullen, en dus van alle politieregio's bepaalde gegevens
nodig hebben. Op grond van artikel 18 kunnen deze instanties worden aangewezen
indien er een zwaarwegend algemeen belang is dat verstrekking van politiegegevens
nodig maakt. Dit criterium wordt hieronder nader toegelicht. Hierbij kan worden
gedacht aan bijvoorbeeld de bureaus jeugdzorg, de HALT-bureaus, de commissie
schadefonds geweldsmisdrijven of bepaalde landelijke inspecties, die kennis
moeten hebben van bepaalde politiegegevens om hun toezichthoudende taken goed
te kunnen uitoefenen. Thans zijn de personen en instanties opgesomd in het
Besluit politieregisters (artikel 14 Bpolr.). In deze gevallen is het wenselijk
de beslissing over verstrekking van de politiegegevens op centraal niveau
te lokaliseren omdat een landelijk eenvormige regeling vereist is. Verstrekkingen
aan personen en instanties die geen landelijke taak hebben dan wel niet voor
de uitvoering van hun taak structureel bepaalde politiegegevens nodig hebben,
kunnen, indien aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan, plaatsvinden op
basis van de artikelen 19 en 20, die hierna aan de orde komen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het huidige artikel 18, derde lid, van de Wet politieregisters wordt
het criterium van het openbaar belang gehanteerd voor verstrekkingen aan derden.
Ook kent de Wet politieregisters voor verstrekkingen aan derden het vereiste
van de publieke taak. Voorgesteld wordt het criterium van het openbaar belang
te vervangen door het criterium van het zwaarwegend algemeen belang en de
eis van de publieke taak te laten vervallen. Dit brengt met zich mee dat verstrekking
van politiegegevens aan particuliere instanties mogelijk wordt met het oog
op een zwaarwegend algemeen belang.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het criterium van het zwaarwegend algemeen belang is ontleend aan artikel
8, vierde lid, van de Richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en
de Raad van de Europese Unie betreffende de bescherming van natuurlijke personen
in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije
verkeer van die gegevens (PbEG van 24 oktober 1995, L 281). Ter implementatie
van deze richtlijn is dit criterium neergelegd in artikel 23,
eerste lid, onder e, van de Wet bescherming persoonsgegevens. Gelet op artikel
8, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens (EVRM) dient onder het begrip zwaarwegend algemeen belang te worden
verstaan het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of
het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en
strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de
bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Voor een nadere toelichting
op de inhoud van het begrip zwaarwegend algemeen belang kan worden verwezen
naar de nota naar aanleiding van het verslag inzake de wijziging van de Wet
justitiële gegevens (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 28 886,
nr. 5). In die nota wordt opgemerkt dat het bereik van een zwaarwegend algemeen
belang beperkter is dan dat van het algemeen belang. Met een gegevensverwerking
wordt een algemeen belang gediend, indien die verwerking voor de samenleving
van betekenis is. Een gegevensverwerking is vanuit het oogpunt van een zwaarwegend
algemeen belang gerechtvaardigd indien die voor de samenleving van meer dan
gewone betekenis is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Toepassing van het criterium van het zwaarwegend algemeen belang impliceert
een belangenafweging. Het belang dat gediend wordt met de verstrekking van
de gegevens wordt afgewogen tegen het belang van de persoonlijke levenssfeer
van degene op wie de politiegegevens betrekking hebben. Bij deze belangenafweging
moeten ook de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit worden betrokken.
Daar waar bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ontvangstgerechtigden
worden aangewezen vindt deze afweging plaats op landelijk niveau door Onze
Ministers. Daar waar – zoals straks aan de orde komt – op regionaal
niveau besloten wordt tot gegevens verstrekking, vindt deze afweging op dat
niveau plaats. De beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit houden
in dat gegevens die minder ingrijpend zijn voor de persoonlijke levenssfeer,
eerder mogen worden verstrekt, dan gegevens die meer ingrijpend zijn voor
de persoonlijke levenssfeer. Het is daarom niet nodig – anders dan het
CBP adviseert – verschillende criteria te hanteren voor verschillende
categorieën van gegevens.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Wet politieregisters biedt een specifieke regeling voor de verstrekking
van gegevens uit het register zware criminaliteit. Mede gelet op het criterium
van het zwaarwegend algemeen belang dat op alle verstrekkingen van toepassing
is, wordt in het wetsvoorstel geen onderscheid gemaakt naar de aard of inhoud
van de gegevens die worden verstrekt. Doorgaans zal het bij verstrekkingen
aan derden gaan om gegevens die worden verwerkt op grond van artikel 8 of
artikel 13. Het is echter niet uit te sluiten dat het in bepaalde gevallen
nodig is gegevens die verwerkt worden op grond van de artikelen 9 en 10 te
verstrekken aan derden. Denkbaar is dat dit aan de orde kan zijn in geval
van verstrekking van informatie aan een gemeente in verband met een concreet
dreigend gevaar dat blijkt uit CIE-informatie. Dit betreft voorbeelden waarin
artikel 19 een basis voor de verstrekking zou kunnen zijn. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnende categorieën gegevens die verstrekt mogen worden
wel nader worden ingekaderd. In artikel 21 wordt daar de basis voor geboden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op dit punt verdient ook een belangrijke ontwikkeling met betrekking tot
de veiligheidszorg nadere aandacht. Naar aanleiding van de aanbevelingen van
de Commissie Van den Haak is door de regering bij het ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties een nationaal coördinator bewaking en beveiliging
(NCBB) benoemd die onder meer is belast met het inzamelen van bij de politie
en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten aanwezige informatie ten behoeve
van het uitvoeren van dreigings- en risico-evaluaties en het door de zogenaamde
evaluatiedriehoek laten vaststellen van bewakings- en beveiligingsopdrachten.
De gegevensverstrekking door de politie aan de NCBB zal mogelijk zijn op grond
van artikel 18, bijvoorbeeld naar aanleiding van een attendering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De woorden «worden of kunnen worden verstrekt» zien op het
onderscheid tussen de verplichte verstrekking van gegevens en de verstrekking
van gegevens waarbij de verstrekkende instantie ruimte heeft voor het maken
van een eigen afweging aan de hand van het criterium zwaarwegend algemeen
belang.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De aanwijzing van personen en instanties kan plaatsvinden «bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur». Dit biedt de mogelijkheid
om de betrokken personen of instanties aan te wijzen door middel van een ministeriële
regeling. Op grond van de huidige wet dienen de personen of instanties aan
wie gegevens uit een politieregister worden verstrekt, bij algemene maatregel
van bestuur te worden aangewezen (artikel 18, derde lid, Wpolr.). Gelet op
het feit dat met dit wetsvoorstel mede wordt beoogd voor de verstrekking van
politiegegevens meer ruimte te bieden voor afwegingen op het niveau van de
verantwoordelijke in het kader van samenwerkingsverbanden, lijkt het niet
evenwichtig voor het landelijke regime vast te houden aan uitsluitend een
algemene maatregel van bestuur. Nadere inkadering van de categorieën
van personen en de categorieën van de te verstrekken gegevens blijft
voorbehouden aan een algemene maatregel van bestuur (tweede lid). Met een
ministeriële regeling kan meer flexibiliteit worden geboden, binnen de
kaders van dit artikel en de op grond van het tweede lid bij algemene maatregel
van bestuur te stellen regels.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>In het tweede lid wordt, naar het model van het huidige artikel 18, vijfde
lid van de Wet politieregisters, de ministers van Justitie en van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties de bevoegdheid verleend om af te wijken van enig
voorschrift omtrent de verstrekking van politiegegevens. Deze bevoegdheid
ziet op alle verstrekkingsvoorschriften van deze paragraaf en kan leiden tot
zowel het geven van toestemming tot verstrekkingen als het opleggen van een
verplichting daartoe aan de verantwoordelijke. Van de voorgestelde afwijkingsbevoegdheid
kan slechts gebruik worden gemaakt in bijzondere gevallen, een categorische
afwijking is dus niet mogelijk. Telkens dient de betrokken minister in zijn
besluit aan te geven omtrent welke gegevens hij afwijking van de bepalingen
van deze paragraaf toestaat.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 19</tuskop>
      <al>In dit artikel wordt de mogelijkheid geboden voor de verstrekking van
politiegegevens in bijzondere gevallen. Onder bepaalde voorwaarden kan de
verantwoordelijke besluiten tot verstrekking van politiegegevens aan derden.
Er geldt een aantal vereisten. In de eerste plaats geldt dat de verstrekking
slechts mogelijk is voor bepaalde doeleinden, te weten het voorkomen en opsporen
van strafbare feiten, het handhaven van de openbare orde, het verlenen van
hulp aan hen die deze behoeven of het uitoefenen van toezicht op het naleven
van regelgeving. Deze doeleinden kunnen met zich meebrengen dat politiegegevens
worden verstrekt aan derden. De formulering van de doeleinden in de onderdelen
a, b en c komt overeen met de omschrijving van de politietaak in artikel 2
van de Politiewet 1993. Dit betekent dat gegevens verstrekt kunnen worden
aan derden, zoals andere overheidsdiensten of instanties buiten de overheid,
indien dit overeenstemt of verenigbaar is met het doel waarvoor de politie
de gegevens zelf verwerkt. De interpretatie die aan de doeleinden wordt gegeven is niet beperkt tot de taken in het kader van artikel 2 van
de Politiewet 1993. Bij verstrekkingen op grond van artikel 19 kan worden
gedacht aan het verstrekken van politiegegevens aan een slachtoffer of aan
degene die de belangen van het slachtoffer belangen in rechte behartigt met
het oog op het claimen door het slachtoffer van vergoeding van diens schade.
Voor deze verstrekking kan aanleiding zijn voor zover het gaat om gegevens
die niet bij het OM beschikbaar zijn, bijvoorbeeld omdat geen proces-verbaal
is opgemaakt of omdat het proces-verbaal niet is ingezonden aan het OM. Doel
van verstrekking is in dat geval het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven
(artikel 19, sub c). Een ander voorbeeld betreft de verstrekking van gegevens
over een kind dat slachtoffer is van mishandeling aan het schoolbestuur of
aan de betrokken leerkracht ten behoeve van het verlenen van hulp aan het
betreffende kind. Ook kan worden gedacht aan het verstrekken van politiegegevens
aan gemeenten ten behoeve van het toezicht op de naleving van bordeelvergunningen,
voor zover deze verstrekkingen niet plaatsvinden in het kader van artikel
20. In de tweede plaats geldt dat de verstrekking noodzakelijk moet zijn met
het oog op een zwaarwegend algemeen belang. Bij de toelichting op artikel
18 is reeds opgemerkt dat met dit criterium wordt aangegeven dat de verstrekking
voor de samenleving van meer dan gewone betekenis is. Ingevolge de beginselen
van proportionaliteit en subsidiariteit dient dit belang dermate zwaarwegend
te zijn dat het belang van verstrekking aan derden zwaarder dient te wegen
dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degene
op wie de politiegegevens betrekking hebben.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de derde plaats wordt de beslissing van de verantwoordelijke tot verstrekking
van politiegegevens genomen in overeenstemming met het op grond van de Politiewet
1993 bevoegde gezag. In het kader van de artikelen 19 en 20 wordt onder het
bevoegde gezag verstaan het gezag onder wiens verantwoordelijkheid de werkzaamheden
vallen ten behoeve waarvan de gegevens zijn verwerkt. Indien de politie optreedt
ter handhaving van de openbare orde en ter uitvoering van de hulpverleningstaak
dan staat zij onder het gezag van de burgemeester (artikel 12 Politiewet 1993).
Indien de politie optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde
staat zij onder het gezag van de officier van justitie (artikel 13 Politiewet
1993). Nu het hier gaat om verstrekking van politiegegevens, die door de politie
bij de uitoefening van haar taak onder het gezag van de burgemeester of de
officier van justitie zijn verkregen, ligt het in de rede dat het bevoegde
gezag als bedoeld in de Politiewet 1993 wordt betrokken in de beslissing tot
verstrekking van politiegegevens aan derden. In geval het niet helder is of
bepaalde gegevens zijn verkregen in het kader van de handhaving van de openbare
orde of in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde,
verdient het aanbeveling om de instemming van beide gezagsdragers te vragen.
In dat geval kan het zogenaamde driehoeksoverleg, dat regelmatig plaatsvindt
op grond van artikel 14 van de Politiewet 1993, een geschikt forum zijn om
die instemming te vragen. Indien gegevens zijn verkregen in het kader van
een bovenregionale samenwerking, kan het verstandig zijn de instemming te
vragen van meerdere betrokken burgemeesters en/of van meerdere betrokken hoofdofficieren
van justitie. Voor het openbaar ministerie is een belangrijk bijkomend aspect
de afstemming met de gegevensverstrekking door dit orgaan aan derden. De Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens voorziet in de bevoegdheid van
het College van procureurs-generaal om strafvorderlijke gegevens te verstrekken
aan derden (zie artikel 39f). Teneinde de nodige afstemming te realiseren
en te voorkomen dat situaties ontstaan die kunnen worden omschreven als «shopping»
is het van belang dat het openbaar ministerie, als verantwoordelijke voor
de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, betrokken is bij de beslissing
tot verstrekking van politiegegevens. Het College van procureurs-generaal
is op grond van de Wet rechterlijke organisatie bevoegd algemene
en bijzondere aanwijzingen te geven betreffende de uitoefening van taken en
bevoegdheden van het openbaar ministerie (art. 127 en 130 Wet RO). De algemene
aanwijzingen kunnen onder omstandigheden uiteraard ook het te voeren beleid
inzake het instemmen met verstrekkingen op grond van de artikelen 19 en 20
van dit wetsvoorstel betreffen. Dergelijke aanwijzingen of richtlijnen zouden
de ambtenaar van de politie vooraf inzicht kunnen geven in het daaromtrent
te voeren beleid. Ditzelfde geldt voor afspraken die gemaakt kunnen worden
tussen de verantwoordelijke en de burgemeesters wier gezag in het geding kan
zijn. Ingevolge artikel 32, eerste lid, dienen verstrekkingen op grond van
artikel 19 te worden vastgelegd. Overigens kan de verantwoordelijke de beslissing
om te verstrekken mandateren, bijvoorbeeld aan bepaalde politiefunctionarissen,
zoals in daarvoor in aanmerking komende gevallen een wijkagent. Op de eventuele
mandatering is afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Hetzelfde geldt voor het door het bevoegd gezag kenbaar maken van de overeenstemming
als bedoeld in artikel 19, eerste lid.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 20</tuskop>
      <al>De politie werkt in de praktijk samen in (lokale) samenwerkingsverbanden.
Hierbij bestaat de behoefte aan een structurele uitwisseling van gegevens
waarbij de politie en derden parallelle belangen hebben. De uitvoering van
de politietaak spoort in deze samenwerkingsverbanden met het belang van de
organen waarmee wordt samengewerkt. Zo werkt de politie voor de bestrijding
van jeugdcriminaliteit samen met een lokaal uiteenlopend palet van instanties
die met problematische jeugd te maken hebben. De politie werkt soms samen
met woningbouwverenigingen voor het behoud van een veilige buurt zodat toekomstige
overlast van criminaliteit wordt voorkomen en bestaande overlast wordt beëindigd.
Ook bestaan er samenwerkingsverbanden met gemeenten voor de bestuurlijke aanpak
van georganiseerde criminaliteit. In het kader van artikel 20 kan ook worden
gedacht aan de samenwerking met particulieren, bijvoorbeeld met winkeliers
bij de aanpak van winkelcriminaliteit. Artikel 20 biedt de basis voor het
verstrekken van gegevens aan derden in deze gevallen. De voorwaarden zijn
neergelegd in het eerste lid van artikel 20. De verantwoordelijke kan alleen
besluiten dat ten behoeve van een samenwerkingsverband politiegegevens worden
verstrekt aan personen of instanties voor zover dit met het oog op een zwaarwegend
algemeen belang noodzakelijk is. Dit criterium is bij de toelichting op de
artikelen 18 en 19 nader toegelicht. Evenals bij artikel 19, geldt ook hier
dat het feit dat de formulering van de doeleinden in de onderdelen a, b en
c overeen komt met de omschrijving van de politietaak in artikel 2 van de
Politiewet 1993, niet betekent dat de interpretatie van die doeleinden strikt
gebonden is aan de uitvoering van de politietaak als bedoeld in artikel 2
van de Politiewet 1993. Wel betekent dit dat verstrekking van politiegegevens
aan derden in het kader van een samenwerkingsverband alleen kan plaatsvinden
indien het doel van de verstrekking overeenstemt of verenigbaar is met de
politietaak. Aanvullend geldt het vereiste van het zwaarwegend algemeen belang.
Voorbeelden waarbij een zwaarwegend algemeen belang bij verstrekking ten behoeve
van een samenwerkingsverband aan de orde kan zijn, zijn de bestrijding van
jeugdcriminaliteit, de bestrijding van huiselijk geweld of de aanpak van winkelcriminaliteit.
Behalve dat er een zwaarwegend algemeen belang aan de orde moet zijn, dient
het doel van de verstrekking in overeenstemming of verenigbaar te zijn met
de politietaak, dus het voorkomen en opsporen van strafbare feiten, het handhaven
van de openbare orde, het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven of het
uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving. Voor de betrokkenheid
van het bevoegd gezag geldt hetgeen daarover bij artikel 19 is opgemerkt.
In de beslissing tot verstrekking van de politiegegevens moet
worden aangegeven ten behoeve van welk samenwerkingsverband de gegevens worden
verstrekt, alsmede het doel waartoe dit is opgericht, welke gegevens worden
verstrekt, de voorwaarden waaronder de gegevens worden verstrekt en de personen
aan wie of de instanties waaraan de gegevens worden verstrekt. Het is wenselijk
dat de korpsbeheerders in het jaarverslag, dat in het kader van de beleids-
en beheerscyclus wordt opgesteld, aangeven welke samenwerkingsverbanden op
grond van dit artikel in de betreffende politieregio aan de orde zijn geweest.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De derden die op grond van de artikelen 18, 19, of 20 politiegegevens
ontvangen, zijn verplicht tot geheimhouding daarvan. Verdere verstrekking
mag alleen voor zover een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift daartoe
verplicht of hun taak tot verstrekking noodzaakt. Dit volgt uit artikel 7
van het wetsvoorstel.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 21</tuskop>
      <al>In dit lid wordt de mogelijkheid geboden bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur nadere regels te stellen over de categorieën van politiegegevens
die op grond van de artikelen 18, 19 en 20 worden of kunnen worden verstrekt.
Daarmee kunnen zonodig bepaalde gegevens worden uitgezonderd van verstrekking
aan derden. Hiervoor kan worden gedacht aan gevoelige opsporingsgegevens,
zoals bepaalde gegevens uit lopende opsporingsonderzoeken, gegevens die worden
verwerkt onder het regime van artikel 10 of gegevens over informanten die
worden op grond van artikel 12.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 22</tuskop>
      <al>Dit artikel stemt inhoudelijk overeen met het artikel 18, vierde lid,
van de Wet politieregisters, met dien verstande dat de beleidsinformatie is
toegevoegd. Overigens kunnen de verwijderde en bewaarde gegevens met weglating
van de persoonsgegevens zonder bezwaar beschikbaar worden gesteld voor doeleinden
als wetenschappelijk onderzoek en het genereren van beleidsinformatie. De
gegevens vallen immers, wanneer zij van persoonsgegevens zijn ontdaan, niet
langer onder het begrip «politiegegeven». Het beschermingsregime
van deze wet is daarop dan ook niet van toepassing.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 23</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>Het rechtstreeks langs geautomatiseerde weg verstrekken van politiegegevens
aan personen of instanties buiten de politieorganisatie brengt risico's
met zich mee op het gebied van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
en de afscherming van gevoelige opsporingsinformatie omdat personen die geen
ambtenaar van politie zijn, zelfstandig toegang hebben tot het informatiesysteem
van de politie. Het gaat hier om gevoelige opsporingsgegevens, voorkomen moet
worden dat onbevoegden langs elektronische weg kunnen «rondkijken»
in gegevensbestanden of informatiesystemen en dat aldus gevoelige opsporingsgegevens
bij derden bekend worden. Vooralsnog lijkt er dan ook geen reden voor het
rechtstreeks langs geautomatiseerde weg verstrekken van politiegegevens af
te wijken van de hoofdlijnen van het huidige wettelijke systeem.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vanwege de toenemende integratie van de werkzaamheden van politie en openbaar
ministerie op het gebied van de veiligheidszorg, gewezen kan worden op ontwikkelingen
als de één-loketfunctie bij de slachtofferzorg en de directe
uitreiking van dagvaardingen na aanhouding (AU-afdoening), bestaat
bij het openbaar ministerie de behoefte aan het rechtstreeks langs geautomatiseerde
weg verkrijgen van politiegegevens, ook buiten kantoortijden. Het huidige
Besluit politieregisters is inmiddels aangepast zodat een dergelijke verstrekking
mogelijk is. In lijn met de aanpassing van het Besluit politieregisters wordt
thans voorgesteld de mogelijkheid van het rechtstreeks langs geautomatiseerde
weg verstrekken van gegevens uit politieregisters ook mogelijk te maken voor
leden van het openbaar ministerie, voor zover zij deze gegevens behoeven voor
strafvorderlijke beslissingen omtrent opsporing en vervolging en de hulp aan
slachtoffers van strafbare feiten.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>In de praktijk bestaat bij zowel de politie als bij belanghebbende instanties
behoefte aan rechtstreekse verstrekking van bepaalde politiegegevens. Daarvoor
kan worden gedacht aan de vergelijking van verschillende politiegegevens met
persoonsgegevens van het MOT-register, ter beoordeling van de vraag door het
meldpunt ongebruikelijke transacties (MOT) in hoeverre een ongebruikelijke
financiële transactie voor doormelding aan de politie in aanmerking komt.
Ook worden gegevens verstrekt aan medewerkers van de immigratie- en naturalisatiedienst
(IND) in het kader van de zogenaamde openbare orde toets bij het nemen van
beslissingen op aanvragen om het verlenen, verlengen of wijzigen van verblijfstitels.
Een wettelijke voorziening, gericht op rechtstreekse verstrekking van de desbetreffende
politiegegevens, kan de efficiency ten goede komen. Vanuit oogpunt van privacybescherming
bestaat er weinig verschil tussen het verstrekken van een gegeven door middel
van een telefoon- of faxbericht of door middel van een e-mailbericht enerzijds
en rechtstreekse verstrekking anderzijds, mits de bevraging technisch zodanig
is vorm gegeven dat uitsluitend de benodigde gegevens kunnen worden geraadpleegd.
Door de verstrekking op basis van hit/no hit kan worden gewaarborgd dat er
uitsluitend gegevens worden verstrekt over de vraag of over een persoon gegevens
worden verwerkt bij de politie; de verstrekking van de «achterliggende»
gegevens dient plaats te vinden op basis van de bepalingen over de verstrekking
van politiegegevens. Rechtstreekse verstrekking langs geautomatiseerde weg
is mogelijk uitsluitend nadat is voldaan aan technische en organisatorische
eisen ten behoeve van de beveiliging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het gaat om een beperkte set van politiegegevens. Daarbij kan worden gedacht
aan antecedenten (vgl. art. 2 Pol.) of gegevens die worden verwerkt met het
oog op de bestrijding van misdrijven of handelingen die een ernstige bedreiging
van de rechtsorde vormen. De categorie van te vergelijken gegevens wordt bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen. Dit biedt tevens de mogelijkheid
om, conform de regeling in artikel 18, tweede lid, van dit wetsvoorstel de
verstrekking te beperken tot politiegegevens die voor een bepaald doel binnen
de politietaak worden verwerkt, zoals bijvoorbeeld de gegevens die worden
verwerkt onder het regime van artikel 8. De verwijzing naar artikel 18 van
het wetvoorstel impliceert overigens dat het moet gaan om de veel voorkomende
verstrekkingen. Aanvullend geldt het criterium van het zwaarwegend algemeen
belang. De mogelijkheid van de rechtstreekse verstrekking van gegevens is
beperkt tot personen of instanties met een publieke taak. De noodzaak van
gegevensvergelijking op verzoek van een particuliere instantie zal zich in
de praktijk nauwelijks voordoen terwijl de daaruit voortvloeiende inbreuk
op de persoonlijke levenssfeer groter zou zijn dan bij overheidsgegevens.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
op het gebied van de beveiliging (aanwijzing bepaalde medewerkers e.d.). Vanwege
de algemene adviesbevoegdheid op grond van artikel 51, tweede lid, van de
Wet bescherming persoonsgegevens wordt het College bescherming
persoonsgegevens om advies gevraagd over de bij algemene maatregel van bestuur
aan te wijzen personen of instanties.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De verantwoordelijke dient er op toe te zien dat de verstrekking van politiegegevens
plaatsvindt aan de hand van de door de belanghebbende te verstrekken persoonsgegevens.
Het is niet de bedoeling dat de gegevensvergelijking, als bedoeld in dit artikel,
wordt gebruikt ten behoeve van vormen van de koppeling van gegevensbestanden
door een derde waarbij verzamelingen van persoonsgegevens systematisch met
elkaar worden vergeleken met als resultaat dat omtrent een op voorhand onbekende
groep van personen politiegegevens kunnen worden verkregen. Ook dient de verantwoordelijke
er op toe te zien dat een derde door middel van rechtstreekse verstrekking
van gegevens geen eigen bestand van politiegegevens zou kunnen aanleggen.
Om te voorkomen dat een soort schaduwbestanden ontstaan kunnen voorwaarden
worden gesteld die waarborgen dat de ontvanger de verkregen politiegegevens
niet zelf opslaat dan wel deze gedurende een beperkte termijn verwerkt. Op
termijn zijn wellicht technische voorzieningen mogelijk die opslag door de
ontvangers voorkomen. Bij algemene maatregel van bestuur zullen aanvullende
eisen kunnen worden gesteld, gericht op de beperking of uitsluiting van de
mogelijkheid tot opslag van politiegegevens, die langs geautomatiseerde weg
zijn verstrekt, door de ontvangende partij.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>In het derde lid is vastgelegd dat de verantwoordelijke passende maatregelen
treft teneinde te waarborgen dat uitsluitend politiegegevens rechtstreeks
kunnen worden verstrekt voor zover dit noodzakelijk is voor het doel waarvoor
die gegevens worden verstrekt. Het systeem van de rechtstreekse verstrekking
voorziet er in dat een derde on-line inzage kan verkrijgen in de politiebestanden.
Extra maatregelen zijn vereist om te waarborgen dat de politiegegevens worden
afgeschermd die voor het doel van de rechtstreekse verstrekking niet relevant
zijn. De verplichting voor de verantwoordelijke om daartoe passende maatregelen
te treffen is opgenomen in dit lid, in aanvulling op de algemene beginselen
van artikel 4.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 24</tuskop>
      <al>Op grond van artikel 62, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
2002 (hierna ook te noemen: de WIV 2002) zijn de ambtenaren van de politie
en van de Koninklijke marechaussee verplicht mededeling te doen van de te
hunner kennis gekomen gegevens die voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst
en de Militaire Inlichtingen- en veiligheidsdienst van belang kunnen zijn.
In artikel 17, eerste lid, van deze wet is een spiegelbepaling opgenomen voor
een dergelijke verstrekking van politiegegevens.</al>
      <al>In het voorliggende artikel wordt de rechtstreekse verstrekking van politiegegevens
aan de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst geregeld. Het onderscheid
met de bestaande regeling voor de gegevensverstrekking door de politie aan
de AIVD is gelegen in het feit dat de rechtstreekse verstrekking van politiegegevens
strekt tot een zelfstandige bevraging van politiegegevens door de AIVD. Dit
brengt met zich mee dat gegevens, die worden opgeslagen en verwerkt ten behoeve
van een goede uitvoering van de politietaak, op systematische wijze kunnen
worden geraadpleegd door de AIVD. Hiervoor is een afgewogen wettelijke regeling
vereist waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende taken van de
opsporingsdiensten en de AIVD. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De politie heeft op grond van de WIV 2002 een plicht tot het verstrekken
van informatie die van belang is voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
(artikel 62 WIV 2002). Daarnaast is in artikel 60 van de WIV 2002 bepaald
dat de korpschef van een politiekorps en de commandant van de Koninklijke
marechaussee werkzaamheden verrichten voor de AIVD, ten behoeve waarvan zij
aan hen ondergeschikte ambtenaren aanwijzen die deze werkzaamheden feitelijk
uitvoeren. Deze werkzaamheden vinden plaats onder verantwoordelijkheid van
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en overeenkomstig
aanwijzingen van het Hoofd van de AIVD. Naast de taak op het gebied van de
handhaving van de openbare orde – die is toegelicht bij artikel 10,
eerste lid, van deze wet – houden de Regionale Inlichtingen Diensten
(RID'en) zich additioneel bezig met de informatieverzameling ten behoeve
van de AIVD.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Thans is niet voorzien in de mogelijkheid van het rechtstreeks langs geautomatiseerde
weg verstrekken van gegevens door de politie of de Koninklijke marechaussee
aan de AIVD. In het rapport «Uitwisseling van opsporings- en terrorisme-informatie»
van de Algemene Rekenkamer (28 845), dat op 10 april 2003 is aangeboden
aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, worden tekortkomingen
geconstateerd ten aanzien van de informatie-verzameling en -uitwisseling op
het gebied van terrorismebestrijding. Een geautomatiseerde afstemming van
de gegevens van beide organisaties vindt niet plaats (TK 2002–2003,
28 845, nrs. 1–2). Met de regeling van dit artikel kan tegemoet
worden gekomen aan de door de Algemene Rekenkamer geconstateerde tekortkomingen
op het gebied van de geautomatiseerde afstemming van gegevens tussen de AIVD
en de politie bij de bestrijding van terrorisme.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het voorgestelde artikel voorziet in de mogelijkheid van doelafwijkend
gebruik van politiegegevens. De verdere verwerking van de verstrekte gegevens
door de AIVD wordt bestreken door de WIV 2002. In hoofdstuk 3 van de WIV 2002
wordt een afzonderlijk regime gegeven voor de verwerking van gegevens door
de AIVD. De personen op wie de gegevensverwerking betrekking kan hebben, zijn
opgesomd in artikel 13 WIV 2002.</al>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>Op grond van de WIV 2002 is de AIVD belast met een aantal taken in het
belang van de nationale veiligheid. Deze taken zijn opgesomd in artikel 6,
tweede lid, van de WIV 2002. Dit betreft onder meer het verrichten van onderzoek
met betrekking tot organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven,
dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden
dat zij een gevaar vormen voor de democratische rechtsorde, dan wel voor de
veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat. Ten behoeve van een
goede taakvervulling, zoals de aanpak van terrorisme, is het voor de AIVD
noodzakelijk te kunnen beschikken over de daarvoor relevante politiegegevens.
Daarom wordt in dit lid aan de AIVD de mogelijkheid geboden om gegevens op
basis van hit/no hit rechtstreeks te vergelijken met bepaalde politiegegevens.
Indien de AIVD beschikt over gegevens die van belang zijn in een onderzoek
van de dienst, dan kunnen die gegevens worden vergeleken met politiegegevens.
Mede vanwege de onderlinge verwevenheid van de verschillende bestanddelen
van de wettelijke taak van de AIVD, geldt de mogelijkheid van het rechtstreeks
zoeken in politiegegevens door de AIVD voor de gehele taak, bedoeld in artikel
6, tweede lid, van de WIV 2002. Met het oog op de verschillende posities van
de AIVD en de politie is het rechtstreeks zoeken van politiegegevens door
de AIVD met de nodige waarborgen omgeven.</al>
      <al>In de eerste plaats geldt dat de rechtstreekse verstrekking van gegevens
noodzakelijk moet zijn voor de taak als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de WIV 2002. De rechtstreeks te raadplegen politiegegevens zullen
nader worden aangewezen bij algemene maatregel van bestuur. Voor rechtstreekse
verstrekking zullen in beginsel alle politiegegevens in aanmerking komen.
Hierbij kan worden gedacht aan politiegegevens van meer algemene aard, die
thans door de politie worden gehouden in bedrijfsprocessensystemen (BPS, X-POL)
en het herkenningsdienstsysteem (HKS). De gegevens zullen onder het regime
van dit wetsvoorstel kunnen worden verzameld en opgeslagen onder het regime
van artikel 8. Daarnaast kan worden gedacht aan de gegevens van de huidige
Unit terrorismebestrijding en Bijzondere Taken (UTBT) van het KLPD. Deze gegevens
worden thans gehouden in het register Bijzondere recherchezaken. Hierbij kan
ook worden gedacht aan de gegevens over verdachten en subjecten, die zijn
betrokken in opsporingsonderzoeken en CIE-analyses. Deze gegevens worden thans
binnen de politie uitgewisseld via het VROS, dat is toegelicht bij artikel
13. Het lijkt aangewezen ook de AIVD toegang te geven tot dit systeem. Tenslotte
zullen de gegevens over terrorisme, die worden verzameld in het kader van
de zogenaamde themaverwerking op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel
b, in aanmerking moeten komen voor rechtstreekse raadpleging door de AIVD.
De aanwijzing van de categorieën van gegevens bij algemene maatregel
van bestuur biedt derhalve de mogelijkheid door niet-aanwijzing categorieën
van gegevens uit te zonderen. Als het gaat om gevoelige politiegegevens, zoals
informantengegevens of gegevens over bedreigde getuigen, kan er aanleiding
bestaan dergelijke gegevens uit te sluiten van rechtstreekse raadpleging door
de AIVD. In de algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze minister van Justitie
gezamenlijk, zal hieraan verdere uitwerking worden gegeven. Het vorenstaande
neemt overigens niet weg dat de leden van het openbaar ministerie en de ambtenaren
van politie in de daarvoor in aanmerking komende gevallen gegevens over informanten
of bedreigde getuigen, die zij voor de dienst van belang achten, op grond
van de algemene gegevensverstrekkingsplicht van de artikelen 61 en 62 WIV
2002, aan de AIVD dienen mede te delen.</al>
      <al>De rechtstreekse verstrekking kan slechts plaatsvinden op basis van een
hit met een door de AIVD ingebracht gegeven. Ingeval van een hit worden de
gegevens die overeen komen alsmede de daarmee verband houdende andere politiegegevens,
rechtstreeks verstrekt aan de ambtenaren van de AIVD. In bepaalde gevallen
kan het nodig zijn dat van deze verstrekking kennis wordt gegeven aan het
daartoe aangewezen lid van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 38
van de WIV 2002. Dit kan verband houden met de gevoeligheid van de desbetreffende
gegevens, en het afbreukrisico in geval er een lopend opsporingsonderzoek
is. Tevens kan daarmee een goede afstemming worden gewaarborgd ten aanzien
van de verdere verwerking van de gegevens. In onderling overleg zullen door
een lid van het College van procureurs-generaal en het hoofd van de Algemene
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst hieromtrent nadere afspraken worden gemaakt.
Die afspraken zullen in de eerste plaats betrekking hebben op de gevallen
waarin van de rechtstreekse verstrekking van gegevens aan de AIVD kennis wordt
gegeven aan het daartoe aangewezen lid van het openbaar ministerie. Daarnaast
zullen de afspraken betrekking hebben op de wijze waarop kennis wordt gegeven,
waaronder begrepen het tijdstip waarop de kennisgeving plaatsvindt. Vanzelfsprekend
kan de regeling van artikel 24 eerst toepassing vinden nadat deze afspraken
tot stand zijn gekomen.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>Het tweede lid bevat voor de MIVD een zelfde voorziening als in het eerste
lid voor de AIVD is opgenomen. Ook de MIVD heeft immers op grond van de WIV
2002 een aantal taken in het belang van de nationale veiligheid, zij het dat deze zijn toegespitst op onderwerpen met militaire relevantie.
Het gaat hier om de taakuitvoering als omschreven in artikel 7, tweede lid,
van de WIV 2002, waaronder het verrichten van onderzoek ter voorkoming van
activiteiten die ten doel hebben de veiligheid of paraatheid van de krijgsmacht
te schaden. Ook de MIVD heeft derhalve een taak bij de bestrijding van de
(dreiging van) terroristische acties, namelijk die met een militaire relevantie.
Ten einde die taak goed te kunnen vervullen, is het dan ook noodzakelijk dat
de MIVD – net zoals de AIVD en op gelijke wijze als die dienst –
de mogelijkheid krijgt van het rechtstreeks langs geautomatiseerde weg raadplegen
van politiegegevens.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>Hiervoor wordt verwezen naar de toelichting op artikel 23, derde lid.</al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 4 Rechten van de betrokkene</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Artikel 25</tuskop>
      <al>Het recht op kennisneming is terug te voeren op het ook in internationale
verdragen vastgelegde beginsel dat degene, over wie persoonsgegevens worden
verwerkt door de politie in de gelegenheid wordt gesteld tot kennisneming
van die gegevens, mede met het oog op de uitoefening van zijn rechten tot
verbetering of verwijdering van die gegevens. Dit brengt met zich mee dat
een ieder in beginsel in de gelegenheid moet zijn om na te kunnen gaan of
zijn gegevens worden verwerkt en, zonodig, deze verwerking in rechte aan te
vechten. In dit verband kan ook worden gewezen op artikel 13 van het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), dat bepaalt dat
een ieder wiens rechten of vrijheden van dat verdrag zijn geschonden, recht
geeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. De eerbiediging
van het privé-leven is in dit verdrag vastgelegd (artikel 8 EVRM).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het recht op kennisneming is echter geen absoluut recht, het kan worden
beperkt als dit in een democratische rechtsorde noodzakelijk is in het belang
van onder andere de bestrijding van strafbare feiten. De opsporing kan ernstig
worden gefrustreerd indien verdachten van misdrijven tijdens het opsporingsonderzoek
op de hoogte zouden geraken van bepaalde politiegegevens en hun gedrag zodanig
zouden aanpassen dat bijvoorbeeld de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden
illusoir zou worden. De Wet politieregisters biedt de beheerder dan ook de
mogelijkheid kennisneming te weigeren in verband met de goede uitvoering van
de politietaak of gewichtige belangen van derden. De verzoeker heeft in beginsel
een recht op kennisneming, de weigeringsgronden veronderstellen een afweging
per geval afzonderlijk.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de voorgestelde regeling van het recht op kennisneming is nauw aangesloten
bij de regeling van de Wet politieregisters. Wel worden in verband met de
werkbaarheid van de regeling een aantal aanpassingen voorgesteld, die hieronder
nader aan de orde zullen komen.</al>
      <tuskop letat="cur">Eerste en tweede lid</tuskop>
      <al>De leden van dit artikel zijn inhoudelijk grotendeels gelijk aan artikel
18 van de Wet justitiële gegevens. Anders dan in de Wet justitiële
en strafvorderlijke gegevens moet het verzoek tot kennisneming echter schriftelijk
geschieden. Deze voorwaarde vloeit voort uit het beslag op de capaciteit van
de politie, dat is gelegd door de sterke stijging van het aantal verzoeken
om kennisneming gedurende de afgelopen jaren. Mede in verband met deze stijging
kan van de politie geen uitputtend onderzoek naar de verwerking
van politiegegevens worden verwacht in die gevallen waarin het verzoek tot
kennisneming daartoe geen aanknopingspunten biedt. Een schriftelijk verzoek
zal naar verwachting concretere aanknopingspunten bieden dan een mondeling
verzoek. Een verzoek in schriftelijke vorm biedt de politie bovendien de mogelijkheid
de wijze waarop aan dit verzoek gevolg is gegeven, achteraf te verantwoorden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het beslag van de uitoefening van het recht op kennisneming op de capaciteit
van de politie is gedurende de afgelopen jaren toegenomen. In het rapport
van de Raad van Advies voor de CIE wordt gesproken van een «aanzienlijke
toename van het aantal verzoeken om kennisneming». Er bestaat thans
geen duidelijk kwalitatief inzicht in de uitoefening van het recht op kennisneming
(aard en complexiteit van de verzoeken en de werkbelasting die daar voor de
politie uit voortvloeit). Soms worden verzoeken aan meerdere regiokorpsen
tegelijk gericht. Gelet op het feit dat het recht op kennisneming in beginsel
ongeclausuleerd is en een afweging per geval en per mutatie afzonderlijk veronderstelt
zal voor het antwoord van de verantwoordelijke als uitgangspunt kunnen gelden
dat dit meer specifiek zal moeten zijn naarmate het betreffende verzoek meer
aanknopingspunten biedt. Andersom zal kunnen gelden dat het antwoord van de
verantwoordelijke minder specifiek zal kunnen zijn naarmate het betreffende
verzoek minder aanknopingspunten biedt. De huidige Wet politieregisters bepaalt
dat de mededeling niet in schriftelijke vorm kan geschieden omdat anders het
systeem van de verklaring omtrent het gedrag zou worden ondergraven. Nu de
verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd ten behoeve van een ander doel
lijkt het risico van misbruik van het recht op kennisneming in de praktijk
niet zo waarschijnlijk. De mogelijkheid van mondelinge mededeling is voor
de politie niettemin van belang ter vermindering van de werklast, bijvoorbeeld
door de verzoeker of zijn advocaat de mogelijkheid te bieden tot inzage van
de betreffende politiegegevens In aansluiting op de regeling in de Wet justitiele
gegevens (artikel 39i) wordt de verantwoordelijke de keuze gelaten om mondeling
of schriftelijk te reageren. In het licht van de werkbaarheid wordt hiermee
beoogd de verantwoordelijke de nodige flexibiliteit te bieden in die gevallen
waarin het gaat om de verstrekking van een grote hoeveelheid gegevens.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De stijging van het aantal verzoeken heeft bij de politie de behoefte
aan coördinatie doen gevoelen. Dit betreft zowel de situatie dat een
verzoek om kennisneming wordt gericht aan meerdere regiokorpsen als de situatie
dat een verzoek betrekking heeft op informatie die afkomstig is van een ander
korps dan aan welk het verzoek tot kennisneming is gericht. Voorts ligt het
in de rede om de reactie op verzoeken om kennisneming, die ook aan het OM
zijn gericht, af te stemmen met het OM. Teneinde de politie in staat te stellen
om naar aanleiding van een verzoek om kennisneming na te gaan of informatie
vanuit meerdere korpsen moet komen en, indien dat het geval is, om het antwoord
op het verzoek om kennisneming tussen de korpsen onderling en eventueel ook
met het OM te kunnen afstemmen, wordt – in afwijking van de Wet bescherming
persoonsgegevens – een termijn van zes weken gesteld voor het reageren
op een verzoek om kennisneming. De Raad voor Advies voor de CIE stelt in zijn
rapport overigens voor een coördinatiesysteem op te zetten als hulpmiddel
om ingekomen verzoeken af te handelen. Voor de coördinatie van dergelijke
verzoeken kan aansluiting worden gezocht bij het door de Raad van Advies voor
de CIE aanbevolen systeem. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 26</tuskop>
      <al>Met deze bepaling is inhoudelijk aangesloten bij artikel 20, tweede en
derde lid, van de Wet politieregisters en 20, eerste, tweede en vierde lid,
van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 27</tuskop>
      <al>Met deze bepaling is inhoudelijk aangesloten bij artikel 39l van de Wet
justitiële en strafvorderlijke gegevens, met dien verstande dat onder
a het bredere criterium dat thans is opgenomen in artikel 21 van de Wet politieregisters
is gehandhaafd. Dit criterium «de goede uitvoering van de politietaak»
omvat het voorkomen, opsporen en vervolgen van strafbare feiten maar heeft
daarnaast ook betrekking op de handhaving van de openbare orde en de hulpverlening.
Ook kan de goede uitvoering van de politietaak ook als weigeringsgrond worden
ingeroepen om verzoeken om kennisneming die kennelijk slechts tot doel hebben
de politieorganisatie te belasten af te wijzen. Zowel in het geval dat wel
gegevens over de verzoeker worden verwerkt als in het geval dat niet zo is,
kan het met het oog op de in dit artikel genoemde belangen noodzakelijk zijn
daarover geen mededeling te doen. In gevallen waarin het gaat om gegevens
over informanten of infiltranten kan het bijvoorbeeld vanwege de risico's
voor de veiligheid van personen noodzakelijk zijn kennisneming van de gegevens –
of van een deel daarvan – te onthouden voor zover de kennisneming gevaar
voor de informant of voor derden zou opleveren. Hiervoor kan in de eerste
plaats worden gedacht aan de gegevens over de identiteit van de informant
(de codes). Onder omstandigheden kunnen ook andere gegevens, zoals NAW-gegevens,
gegevens uit gespreksverslagen, gegevens over beloningen en dergelijke, hieronder
vallen in die gevallen waarin de identiteit van de informant voor de betrokkene
uit deze gegevens kan worden afgeleid.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 28</tuskop>
      <al>Met deze bepaling is inhoudelijk aangesloten bij artikel 22 van de Wet
politieregisters en artikel 22 van de Wet justitiële gegevens</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 29</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste en tweede lid</tuskop>
      <al>In het eerste lid wordt buiten twijfel gesteld dat een beslissing van
de verantwoordelijke op een verzoek tot kennisneming, verbetering, aanvulling,
verwijdering of afscherming van gegevens geldt als een besluit in de zin van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de Awb op deze beslissingen
van toepassing is. De Awb-bezwaarschriftprocedure is evenwel uitgesloten.
De reden hiervan is dat in het tweede lid de artikelen 47 en 48 van de Wet
bescherming persoonsgegevens van overeenkomstige toepassing worden verklaard.
Op grond daarvan komt de belanghebbende het recht toe om zich tot het College
bescherming persoonsgegevens te wenden met het verzoek te bemiddelen of te
adviseren in zijn geschil met de verantwoordelijke. Het ligt uit oogpunt van
het tegengaan van lasten voor bestuur dan niet in de rede om boven op deze
mogelijkheid nog eens het doorlopen van een bezwaarschriftprocedure verplicht
te stellen. Tevens staat – eventueel daarna – voor de verzoeker
de mogelijkheid van beroep open bij de bestuursrechter. Gekozen is voor een
toegang tot de bestuursrechter in plaats van – zoals in de huidige wet –
tot de burgerlijke rechter omdat de aard van de beslissing van de verantwoordelijke
meer van bestuursrechtelijke dan van burgerrechtelijke aard is. Bovendien
kent de AWB de regeling van artikel 8:29, die de mogelijkheid biedt
dat de gegevens uitsluitend toegankelijk zijn voor de rechter die oordeelt
op het verzoekschrift van de betrokkene. Voorwaarde is wel dat de burger ermee
instemt dat de rechter zijn beslissing baseert op informatie die hemzelf wordt
onthouden. Indien de politie aangeeft dat het gaat om gevoelige gegevens die
niet ter kennis mogen komen van derden, hetzij vanwege de veiligheid van personen
(informanten of getuigen) hetzij vanwege een zwaarwegend opsporingsbelang
(bekend worden van methoden en technieken e.d.) dan kan, met instemming van
de betrokkene, worden besloten dat uitsluitend de rechter kennis neemt van
deze gegevens, teneinde te kunnen beoordelen in hoeverre deze gegevens kunnen
worden verstrekt aan betrokkene. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen ingeval
van lopend onderzoek waarmee de geregistreerde in verband kan worden gebracht
en waarvan hij op dat moment, naar het oordeel van politie en justitie, geen
wetenschap behoort te verkrijgen. Daarnaast is voorstelbaar dat er ook zonder
dat er een lopend onderzoek is redenen zijn die in de weg staat aan verstrekking
van gegevens aan betrokkene. Hierbij kan worden gedacht aan gegevens die door
criminele inlichtingen eenheden zijn verkregen van een informant over personen
ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat dat zij betrokken zijn
bij ernstige misdrijven. De afscherming van de informant kan er toe leiden
dat van kennisgeving aan de betrokkene moet worden afgezien. In dergelijke
gevallen kan de regeling van artikel 8:29 AWB uitkomst bieden.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde, vierde en vijfde lid</tuskop>
      <al>Bij het opstellen van dit wetsvoorstel is uitgegaan van de tekst zoals
deze komt te luiden ingevolge het wetsvoorstel extern klachtrecht Algemene
wet bestuursrecht (28 747) dit wetsvoorstel voorziet er in dat de procedureregels
over indiening en behandeling van klachten bij de Nationale ombudsman worden
overgeheveld van de Wet Nationale ombudsman naar hoofdstuk 9 Awb. Bij nota
van wijziging (28 747, nr. 6) wordt voorgesteld te voorzien in een aparte
regeling voor geheimhouding van stukken van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
De regeling vormt een uitzondering op het voorgestelde vijfde en zesde lid
van artikel 9:31 Awb omdat in geval van een op artikel 9:31, vierde lid gebaseerde
weigering om aan de Ombudsman inlichtingen te verstrekken of stukken te overleggen
dan wel mededeling aan de Ombudsman dat alleen hij kennis mag nemen van de
inlichtingen c.q. stukken, de Ombudsman niet de bevoegdheid heeft om te beslissen
of die weigering c.q. beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. In
de eerdergenoemde nota van wijziging is aangekondigd dat wordt bezien in hoeverre
een dergelijke procedure eveneens wenselijk is ten aanzien van de verstrekking
van CIE-gegevens.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook ten aanzien van bepaalde politiegegevens doet de noodzaak zich gevoelen
te kunnen voorkomen dat deze bekend worden aan de betrokkene of aan derden.
Dit betreft politiegegevens die betrekking hebben op de identiteit van een
informant of gegevens ten aanzien waarvan geldt dat uit die gegevens, al dan
niet in samenhang met andere gegevens, de identiteit van een informant kan
worden afgeleid. Dergelijke gegevens worden door de politie verwerkt in het
zogenaamde informantenregister. In artikel 12 van dit wetsvoorstel worden
regels gegeven over de verwerking van gegevens over informanten. Daarnaast
kunnen dergelijke gegevens worden verwerkt onder het regime van artikel 10
van dit wetsvoorstel. Het gaat dan om gegevens over het beramen of plegen
van ernstige misdrijven die ter beschikking worden gesteld van andere criminele
inlichtingeneenheden maar welke niet operationeel gebruikt kunnen worden (voorzien
van de afhandelingscode 00). In overleg met de Nationale ombudsman worden
thans werkafspraken voorbereid voor de geheimhouding van de hier bedoelde
CIE-gegevens. Uitgangspunten daarbij zijn dat de Nationale ombudsman
en de substituut-ombudsman, overeenkomstig het voorgestelde artikel 9:31,
vierde lid, Awb, inzage dienen te verkrijgen in de CIE-gegevens die zij verlangen.
Over de vraag of en in welke vorm de verzoeker kennis kan nemen van de CIE-gegevens
en of en in welke mate die gegevens in het rapport van de ombudsman vermeld
zullen worden, zal de beslissingsbevoegdheid echter zijn voorbehouden aan
de Minister van Justitie. Met inachtneming van deze uitgangspunten zal zoveel
mogelijk duidelijkheid worden geboden voor de burger en in het rapport van
de ombudsman, bijvoorbeeld door globale vermelding of geanonimiseerde beschrijving
van gegevens. Door middel van het voorgestelde vierde en vijfde lid wordt
deze afwijking van de voorgestelde regeling van artikel 9:31, vijfde en zesde
lid, Awb geformaliseerd.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 30</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>De huidige Wet politieregisters kent met artikel 24 een soortgelijke bepaling.
De tekst van dit lid is afgeleid van artikel 38, eerste lid, van de Wet bescherming
persoonsgegevens en stemt vrijwel overeen met artikel 39o, eerste lid, van
de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. In aansluiting op deze
bepalingen en het systeem van de huidige Wet politieregisters (artikel 24
Wpolr) geldt voor de verantwoordelijke de verplichting om alle personen of
instanties, aan wie in het jaar voorafgaand aan het verzoek om kennisneming
politiegegevens zijn verstrekt, mededeling te doen van de verbetering, aanvulling,
verwijdering of afscherming van die gegevens. Voor de verdere toelichting
kan worden verwezen naar de memorie van toelichting bij de Wet bescherming
persoonsgegevens (Tweede Kamer, vergaderjaar 199 701 998, 25 892,
nr. 3). In verband met de uitvoerbaarheid van deze regeling is de periode
beperkt tot een jaar voorafgaand aan het verzoek en de sinds dat verzoek verstreken
periode, overeenkomstig de regeling van de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>De huidige Wet politieregisters kent een dergelijke bepaling niet. De
tekst van dit lid is afgeleid van artikel 38, tweede lid, van de Wet bescherming
persoonsgegevens en stemt vrijwel overeen met artikel 39o, tweede lid, van
de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Deze bepaling vormt een
aanvulling op de regeling van artikel 22.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 31</tuskop>
      <al>De huidige Wet politieregisters kent met artikel 25 een soortgelijke bepaling,
die nader is uitgewerkt in artikel 19 van het Besluit politieregisters. De
tekst van dit artikel stemt overeen met artikel 39p van de Wet justitiële
en strafvorderlijke gegevens</al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 5 Toezicht</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Artikel 32</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Eerste lid</tuskop>
      <al>Voor de gegevensverwerkingen binnen de politie geldt de eis van autorisatie.
Met de eis van de autorisatie wordt beoogd te waarborgen dat de verwerking
slechts plaatsvindt voor zover dat noodzakelijk is voor een goede taakuitvoering
van de ambtenaar van politie. De verantwoordelijke is verantwoordelijk voor
het systeem van autorisaties en voor de correcte uitvoering daarvan
voor zover de verwerking van politiegegevens onder zijn beheer plaatsvindt.
Op grond van artikel 4 legt de verantwoordelijke passende technische en organisatorische
maatregelen ten uitvoer om de politiegegevens te beveiligen tegen onder meer
onrechtmatige verwerking. Daarnaast wordt op grond van de artikelen 33, 34
en 35 toezicht en controle uitgeoefend op de rechtmatige verwerking van gegevens.
Om zowel het intern als het externe toezicht mogelijk te maken, dient de verantwoordelijke
bepaalde verwerkingen vast te leggen. Deze protocolplicht is vastgelegd in
arikel 32. In dit artikel wordt onderstreept dat de verantwoordelijke voor
de schriftelijke vastlegging verantwoordelijk is en wordt gewaarborgd dat
toezicht en controle mogelijk is, bijvoorbeeld aan de hand van de schriftelijke
vastlegging. van de doelen van verwerkingen op grond van artikel 9 en 13.
De verplichting tot vastlegging van de verstrekking van politiegegevens aan
derden, dient daarnaast ook ten behoeve van de mogelijkheid tot het naderhand
informeren van deze personen of instanties in geval van correctie van gegevens.
De verantwoordelijke is verder gehouden de verwerkingen vast te leggen ten
aanzien waarvan aanwijzingen bestaan van onbevoegd gebruik. Dit kan het geval
zijn indien gegevens worden verwerkt door personen die voor de betreffende
verwerking niet zijn geautoriseerd. De verantwoordelijke kan daartoe zogenaamde«gebruikersprofielen»
vergelijking met gedragsprofielen teneinde eventuele onregelmatige of onrechtmatige
verwerkingen te signaleren. Ook het systeem van de audits zodanig kunnen worden
opgezet dat, bijvoorbeeld door middel van steekproeven, eventuele onrechtmatige
verwerkingen aan het licht kunnen worden gebracht.</al>
      <al>Een uitzondering voor de protocolplicht geldt voor de verstrekking van
politiegegevens aan de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, indien
dit zich niet verdraagt met het belang van de veiligheid van de staat.</al>
      <tuskop letat="cur">Tweede lid</tuskop>
      <al>Om te voorkomen dat van de mogelijkheid van een gemeenschappelijke verwerking
op een zodanige wijze invulling wordt gegeven dat de kaders van deze wet dan
wel de rechtsbescherming van de betrokkenen in het geding zijn wordt in het
derde lid bepaald dat de gemeenschappelijke gegevensverwerking wordt gemeld
aan het College bescherming persoonsgegevens. Indien daartoe aanleiding bestaat
kan het College Onze Ministers hiervan in kennis stellen. Op grond van de
bestaande aanwijzingsbevoegdheden kunnen de betrokken verantwoordelijken vervolgens
worden aangesproken.</al>
      <tuskop letat="cur">Derde lid</tuskop>
      <al>De bewaartermijn van de schriftelijke vastlegging is nauw verbonden aan
het doel van de verwerking. Zo ligt het in de rede om de schriftelijke vastlegging
van het doel van een onderzoek te beëindigen zodra het doel van dat onderzoek
is vervuld en de betreffende onderzoeksgegevens op grond van artikel 9, vierde
lid, zijn verwijderd. De schriftelijke vastlegging van een autorisatie zal
in ieder geval moeten worden bewaard zo lang de autorisatie geldt. Om te voorkomen
dat de gegevens zouden zijn vernietigd voordat de controle op de uitvoering
van de bij of krachtens deze wet gegevens regels heeft plaatsgevonden is de
bewaartermijn van bepaalde gegevens gekoppeld aan de uitvoering van de audits,
als bedoeld in artikel 33. Om adequaat toezicht te kunnen uitoefenen dienen
de gegevens tenminste beschikbaar te zijn totdat de audit is afgerond. In
geval er een hercontrole plaatsvindt, dan dienen de gegevens beschikbaar te
zijn totdat de hercontrole is afgerond. Aanvullend geldt dat de vastlegging
van de verstrekking van gegevens in een later stadium nodig is indien een
verzoek om kennisneming nog niet is afgehandeld wanneer de controle is afgerond. De termijnen, waarbinnen een beslissing moet worden gegeven
op een dergelijk verzoek, liggen niet bij voorbaat vast vanwege de mogelijkheid
van een procedure op grond van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 29,
eerste lid). Zodra de beslissing in die procedure onherroepelijk is geldt
voor de verantwoordelijke de verplichting om de personen en instanties, aan
wie gedurende een periode van een jaar voorafgaand aan het verzoek om kennisgeving
politiegegevens over de betrokkene zijn verstrekt, zo spoedig mogelijk mededeling
te doen van de verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming. De vastlegging
moet door de verantwoordelijke worden bewaard zo lang als nodig is voor de
naleving van die verplichting. Daarna kan verwijdering plaatsvinden.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 33</tuskop>
      <al>Teneinde zorg te dragen dat de door het wetsvoorstel voorgestelde grenzen
in de praktijk niet worden overschreden, is het van belang passende waarborgen
te creëren. Het wetsvoorstel voorziet hiertoe in twee vormen van intern
toezicht. Ten eerste verplicht het wetsvoorstel de verantwoordelijke tot het
periodiek laten uitvoeren van evaluaties en privacy audits ter controle op
de naleving van de wet. De in de wet geformuleerde eisen dienen binnen de
politieorganisatie op een doeltreffende manier te worden geïmplementeerd
om de rechten van burgers op adequate wijze te waarborgen. Het is daarom van
belang een adequaat stelsel van algemene verwerkingsmaatregelen en -procedures
te realiseren, rekening houdend met de specifieke beschermingsmaatregelen
die voor de verwerking van politiegegevens noodzakelijk zijn. Wil men tot
een evenwichtig verwerkingsbeleid van politiegegevens komen en dit adequaat
implementeren en onderhouden, dan zal dat een belangrijke plaats in de managementcyclus
moeten innemen. Het voeren van beleid gericht op privacybescherming past ook
in het streven van de Nederlandse politie naar totale kwaliteit via het zogenaamde
INK model. Ten tweede verplicht de wet de verantwoordelijke tot het aanwijzen
van een privacyfunctionaris. Deze functionaris heeft mede tot taak de verwerking
van de gegevens te controleren en de verantwoordelijke te adviseren ten aanzien
van de naleving van deze wet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met behulp van een systeem van monitoring (evaluaties en privacy audits)
dient de verantwoordelijk na te gaan in hoeverre de getroffen verwerkingsmaatregelen
en -procedures de doelstelling van de wettelijke normen en het geformuleerde
privacybeleid realiseren. De resultaten van de uitgevoerde monitoring vormen
de basis voor eventuele <nadruk type="vet">correctieve</nadruk> acties, aanpassing
van getroffen maatregelen en procedures, dan wel bijstelling van het geformuleerde
beleid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De evaluaties vinden plaats op basis van een systeem van periodieke zelfevaluaties
aan de hand van vragenformulieren waarbij ruimte bestaat voor een toetsing
van de resultaten, een zogenaamde review, door een externe deskundige.</al>
      <al>De politie beschikt over de nodige ervaring met de organisatie van zelfevaluaties
en reviews. Op basis van de ervaringen met de in een drietal regionale politiekorpsen
gehouden pilots wordt de beheerders van de bij de criminele inlichtingeneenheden
gehouden politieregisters een instrumentarium aangeboden voor een jaarlijks
uit te voeren zelfevaluatie. Dit is beschreven in de circulaire «Toezicht
beheer op de bijzondere politieregisters» van de Ministers van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties, van Justitie en van Defensie (Stcrt. 2002, 51).
Hiermee worden de beheerders van die registers – dit betreft het register
zware criminaliteit, het voorlopig register en het informantenregister –
in staat gesteld adequaat toezicht uit te oefenen op de kwaliteit van de gegevensverwerking.
Het toezicht en beheer van de bijzondere politieregisters wordt
geborgd door middel van een jaarlijkse zelfevaluatie aan de hand van een vragenformulier.
Aanvullend vindt iedere vier jaar een externe onafhankelijke audit plaats,
die wordt verricht door een onafhankelijke EDP-auditor. De zelfevaluatie heeft
als hoofddoel de kwaliteit van de gegevensverwerking te bevorderen en het
bewustzijn en inzicht te bevorderen in de relevante normen waaraan het proces
van de gegevensverwerking moet voldoen. Inmiddels heeft een slotevaluatie
plaatsgevonden van de resultaten van de zelfevaluaties en de reviews. De bevindingen
zijn betrokken bij de evaluatie van de Wet bijzondere politieregisters, waarvan
de resultaten aan de orde zijn gekomen in paragraaf 13 van het algemeen
deel van de memorie van toelichting.</al>
      <al>Naar aanleiding van de resultaten van de zelfevaluaties met externe review
heeft het College bescherming persoonsgegevens er in het naar aanleiding van
dit wetsvoorstel uitgebrachte advies op gewezen dat deze het College in de
overtuiging steunen dat een audit een positieve bijdrage levert aan de naleving.</al>
      <al>Bij de uitvoering van de privacy audit toetst een onafhankelijke auditor
primair of de organisatie adequaat is ingericht om in voldoende mate tegemoet
te komen aan de wettelijke bepalingen. Vervolgens zal de auditor de door de
organisatie getroffen maatregelen en procedures qua bestaan beoordelen die
in de borging van de wettelijke eisen moeten voorzien. Tot slot zal hij aandacht
besteden aan de toetsing van de werking van de betreffende maatregelen over
een vooraf te bepalen periode. Om deze vorm van toezicht mogelijk te maken,
is de verantwoordelijke verplicht de gegevens en inlichtingen te verstrekken
die voor dat toezicht nodig zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De verantwoordelijke is verplicht tot het periodiek doen controleren van
de bij of krachtens de wet gegeven voorschriften door middel van een onafhankelijke
privacyaudit. Hieronder wordt verstaan dat de verantwoordelijke opdracht verstrekt
aan een niet aan de betreffende organsiatie verbonden auditor om de controle
uit te voeren. De onderzoeksresultaten zullen, in de vorm van een rapportage,
aan hem worden bekend gemaakt. Indien onverhoopt zou blijken dat de verwerking
van politiegegevens op onderdelen niet voldoet aan de te stellen kwaliteitseisen,
dan dient binnen een jaar een heraudit te worden uitgevoerd op die onderdelen
waar het resultaat onvoldoende voor was. Blijkt na deze heraudit dat de gegevensverwerking
nog steeds niet voldoet aan de te stellen eisen, dan dient binnen een jaar
wederom een heraudit te worden uitgevoerd en zo verder, tot het moment dat
weer een reguliere audit uitgevoerd moet worden. De kosten van een eventuele
heraudit zijn voor rekenning van de verantwoordelijke.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten behoeve van het onderzoek dienen de medewerkers van het bureau dat
de controle uitvoert, toegang te hebben tot de datasystemen of gegevensbestanden
waarin de politiegegevens worden gehouden (artikel 4, vijfde lid). Zij zullen
geheimhouding dienen te betrachten ten aanzien van de politiegegevens waarvan
zij kennis krijgen (artikel 7).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De auditcyclus en de wijze van uitvoering van de audits zullen bij algemene
maatregel van bestuur nader worden ingevuld. Hierbij zullen regels worden
gegeven over de aan de auditor te stellen eisen, inclusief regels op het gebied
van de screening, en de onderzoeksbureaus die bevoegd zijn tot het verrichten
van de reviews en de privacy-audits. Deze bureaus zullen moeten voldoen aan
nader te stellen specifieke eisen op het gebied van de organisatorische en
administratieve inrichting van de organisatie en de voor de uitvoering van
de audits benodigde kennis en ervaring van de deskundigen. Binnen de gestelde
kaders dient de verantwoordelijke te kiezen voor een onderzoeksbureau dat
wordt belast met het verrichten van de review of de privacy audit. Ook zullen
regels worden gegeven over de periodieke toetsing van de gestelde
vereisten en de vergoeding van de door de verantwoordelijke te maken kosten.
Over het ontwerp voor de algemene maatregel van bestuur zal het College bescherming
persoonsgegevens om advies worden gevraagd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een afschrift van de auditrapportage wordt gezonden aan het College bescherming
persoonsgegevens. Indien noodzakelijk kan het College op grond van de algemene
toezichthoudende bevoegdheden tevens beschikken over de rapportages van de
zelfevaluaties en de reviews. Op grond van de bestaande beheersbevoegdheden
op grond van de Politiewet 1993 kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, zonodig in overeenstemming met Onze Minister van Justitie,
de rapporten van de audits of van de evaluaties doen verstrekken door de beheerders
van de politiekorpsen. In de gevallen waarin daartoe aanleiding zou bestaan,
kunnen de nodige aanwijzingen worden gegeven (artikel 53c, eerste lid, Politiewet
1993).</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 34</tuskop>
      <al>Op dit moment beschikken de meeste politiekorpsen over een zogenaamde
privacyfunctionaris. Deze functionaris heeft geen formele bevoegdheden zoals
de functionaris voor de gegevensbescherming van de Wbp, maar vervult wel een
belangrijke adviserende rol ten aanzien van de privacyvraagstukken binnen
het korps. Het belang van een dergelijke functionaris binnen het politiekorps
is gelegen in zijn bijzondere deskundigheid ten aanzien van het privacyrecht.
In dit artikel wordt de verantwoordelijke verplicht een privacyfunctionaris
te benoemen. Deze functionaris heeft minder bevoegdheden en mogelijkheden
dan de functionaris voor de gegevensbescherming zoals bedoeld in de Wet bescherming
persoonsgegevens. De privacyfunctionaris als hier bedoeld heeft tot taak om
namens de verantwoordelijke toe te zien op de verwerking van de gegevens en
de verantwoordelijke te adviseren ten aanzien van de naleving van deze wet.
Op grond van artikel 4, vierde lid, heeft de privacyfunctionaris toegang tot
de politiegegevens die hij voor zijn taak nodig heeft. De privacyfunctionaris
dient een overzicht te hebben van de onderzoeken die plaatsvinden op grond
van artikel 9, eerste lid, van de verstrekkingen op grond van artikel 19 en
20 en van de koppeling van politiegegevens op grond van artikel 24. Zodra
een artikel 9-onderzoek wordt gestart, moet dit worden gemeld aan de privacyfunctionaris,
maar uiteraard ook eventuele wijzigingen in de doelspecificaties en beëindigingen
van onderzoeken. Ook houdt de privacyfunctionaris overzicht bij van de autorisaties
binnen het korps. De privacyfunctionaris kan een belangrijke rol vervullen
ter ondersteuning van de verantwoordelijke bij de (interne) controle en het
toezicht op de verwerking van persoonsgegevens, maar ook kan hij voorlichting
geven bij het inrichten en uitvoeren van werkprocessen en bij het verlenen
van autorisatie en voor gegevensverwerkingen. Verder kan hij een belangrijke
rol vervullen bij het recht op kennisneming en verbetering van politiegegevens.
De privacyfunctionaris is geen toezichthouder in de zin van artikel 5:11 AWB
en heeft ook geen toezichthoudende bevoegdheden die gelijkwaardig zijn aan
de bevoegdheden in de zin van afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht
(zoals bij de functionaris gegevensbescherming in de WBP wel het geval is).</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 35</tuskop>
      <al>Net als in artikel 26 van de huidige Wet politieregisters is het extern
toezicht op de naleving van de wet opgedragen aan het College bescherming
persoonsgegevens. Naast de instrumenten voor toezicht die het CBP op grond
van de Wet bescherming persoonsgegevens heeft, dragen de artikelen
33 en 34, waarin respectievelijk de auditverplichting en de aanwijzing van
een privacyfunctionaris zijn geregeld, bij aan een effectief toezicht op de
naleving van de wettelijke verplichtingen.</al>
      <al>De bevoegdheden van het CBP op het gebied van de handhaving zijn nauw
aangesloten op die welke dit orgaan op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens
kan uitoefenen. De regeling van de huidige Wet politieregisters is gebaseerd
op de toenmalige Wet persoonsregistraties (WPR) die geen handhavende bevoegdheden
toekende aan het CBP. Met de invoering van de Wet bescherming persoonsgegevens
is hierin verandering gekomen. Vanwege de verplichtingen van de richtlijn
95/46/EG werd het CBP bevoegd tot uitoefening van bestuursdwang (artikel 65
Wbp). Op de bevoegdheid van het College tot uitoefening van bestuursdwang
is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In het systeem van de Algemene
wet bestuursrecht activeert deze bevoegdheid de oplegging van een last onder
dwangsom. Daarnaast kent de Wet bescherming persoonsgegevens de bevoegdheid
tot oplegging van een bestuurlijke boete (artikel 66 Wbp). In aansluiting
op de regeling van de Wet bescherming persoonsgegevens is in het wetsvoorstel
de uitoefening van deze bevoegdheid aan de orde bij het niet nakomen van de
verplichtingen tot vastlegging van bepaalde informatie, de schriftelijke melding
van een gemeenschappelijke verwerking aan het College bescherming persoonsgegevens
of de bewaring van gegevens in verband met het verrichten van de audits. Aldus
worden aan de toezichthoudende autoriteit effectieve bevoegdheden geboden
om in te grijpen indien de situatie op het gebied van de naleving van de verplichtingen
door de verantwoordelijke daartoe aanleiding geeft. Tegen bestuursdwang-,
dwangsomen boetebeschikkingen staan conform de Algemene wet bestuursrecht
bezwaar en beroep open.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 36</tuskop>
      <al>Zowel elke verantwoordelijke afzonderlijk als alle verantwoordelijken
gezamenlijk kunnen besluiten om, naast de verplichte privacyfunctionarissen,
een functionaris gegevensbescherming te benoemen. In het geval dat een verantwoordelijke
besluit tot het benoemen van een functionaris gegevensbescherming, dan heeft
deze functionaris een regionale functie. In het geval dat alle verantwoordelijken
gezamenlijk besluiten tot het benoemen van een functionaris gegevensbescherming,
dan heeft deze een landelijke functie. Deze mogelijkheid is opgenomen naar
aanleiding van de adviezen van het CBP en van de politieberaden. Anders dan
de privacyfunctionaris heeft de functionaris gegevensbescherming een onafhankelijke
positie. Hij kan voor wat betreft de uitvoering van zijn functie bijvoorbeeld
geen aanwijzingen ontvangen van de verantwoordelijken en hij mag geen nadeel
ondervinden van de uitoefening van zijn taak. Ter vervulling van zijn taak
beschikt de functionaris over eigen bevoegdheden met betrekking tot het toezicht:
de verantwoordelijken moeten ervoor zorgdragen dat hij ter vervulling van
zijn taak over bevoegdheden beschikt die gelijkwaardig zijn aan de bevoegdheden
zoals geregeld in Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Hij vervult
derhalve naast het CBP een vorm van extern toezicht. De functionaris kan aanbevelingen
doen aan de verantwoordelijke respectievelijk aan de verantwoordelijken die
strekken tot een betere bescherming van de gegevens die worden verwerkt. In
gevallen van twijfel overlegt hij met het CBP. De functionaris gegevensbescherming
kan naar verwachting vooral een belangrijke rol vervullen bij het toezien
op een degelijke invulling van het voorgeschreven interne toezicht, onder
meer door middel van de audits. </al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 6 Wijziging van andere wetten</tuskop>
      <tuskop letat="vet">De artikelen 37, 38, 39, 42, 43, 44 en 45</tuskop>
      <al>Dit betreffen de wijziging van andere wetten in verband met de invoering
van dit wetsvoorstel en het daarin gehanteerde begrippenkader.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 40</tuskop>
      <al>Artikel 8, vierde lid, van de huidige Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens bevat de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur nadere
voorschriften te geven over het verstrekken van justitiële gegevens aan
de in het eerste tot en met derde lid van dat artikel genoemde personen of
instanties, alsmede over de daarbij te stellen voorwaarden aan het gebruik
daarvan. Gebleken is dat deze algemene maatregel van bestuur inhoudelijk kan
worden beperkt tot de bepaling dat justitiële gegevens niet voor een
ander doel worden gebruikt dan waarvoor zij zijn verstrekt, tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald dan wel de uitvoering van de taak met het oog
waarop de gegevens zijn verstrekt, daartoe noodzaakt. Met het voorgestelde
artikel 39, onder A, wordt de inhoud van deze bepaling opgenomen in het nieuw
geformuleerde artikel 8, vierde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens en komt de bevoegdheid tot het vaststellen van een algemene maatregel
van bestuur te vervallen. Deze bepaling is juridisch nauwkeuriger geformuleerd
dan het huidige artikel 9, tweede lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens. Daarom wordt in onderdeel B voorgesteld om artikel 8, vierde lid,
van toepassing te doen zijn op artikel 9 van de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 41</tuskop>
      <al>Bij het opstellen van de Wet melding ongebruikelijke transacties (MOT)
is er door de wetgever voor gekozen om de Wet politieregisters van overeenkomstige
toepassing te verklaren op de gegevens die zouden worden verwerkt door het
meldpunt ongebruikelijke transacties. Het meldpunt werd daarmee verplicht
een register bij te houden, welk register zou worden beschouwd als een register
in de zin van de Wet politieregisters. De keuze voor het privacyregime van
de Wet politieregisters en niet dat van de Wet persoonsregistraties was gebaseerd
op de overweging dat de taak van het meldpunt, namelijk de gegevensverzameling
en verstrekking met het oog op de voorkoming en opsporing van misdrijven,
nauw met de politietaak is verbonden. De gegevens waarover het meldpunt de
beschikking zou krijgen werden dan ook in verscheidene opzichten vergelijkbaar
geacht met de gegevens die bij de politie berusten. Het gaat namelijk om gegevens
die de betreffende persoon niet zelf heeft geleverd. Bovendien zou het vaak
gaan om gevoelige gegevens (TK, 1992–1993, 23 009, nr 3). In deze
overwegingen omtrent de keuze van het toepasselijke privacyregime behoeft
met de vervanging van de Wet politieregisters door de Wet politiegegevens
geen verandering te komen. Wel heeft de wijziging van het systeem van het
privacyregime met betrekking tot politiegegevens, gevolgen voor de wijze waarop
de gegevensverwerking door het meldpunt in de wet is geregeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zo komt met de Wet politiegegevens het registerbegrip te vervallen. Daardoor
kan in de Wet MOT niet langer volstaan worden met de stelling dat het meldpunt
een register bijhoudt in de zin van de Wet politiegegevens. In de termen van
het nieuwe wetsvoorstel verwerkt het meldpunt gegevens. Die gegevensverwerking
door het meldpunt zal op grond van de nieuwe systematiek gebaseerd moeten
worden op een wettelijke bepaling die aangeeft ten behoeve van welk doel de
gegevens worden verwerkt. Aangezien het doel waarvoor het meldpunt
gegevens verwerkt enerzijds breder en anderzijds beperkter is dan de doelen
als omschreven in de Wet politiegegevens, wordt voorgesteld dit doel vast
te leggen in de Wet MOT zelf.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met de Wet politiegegevens verandert ook het verstrekkingenregime. Momenteel
worden zowel de verstrekkingen van de politie aan het meldpunt als de verstrekkingen
van het meldpunt aan de politie geregeld in het Besluit politieregisters.
Dit sluit aan bij de keuze van de wetgever om het register van het meldpunt
aan te merken als een politieregister. Onder de nieuwe wet ligt het echter
meer voor de hand alleen de verstrekkingen van de politie aan het meldpunt
in het kader van de Wet politiegegevens te regelen. De verstrekkingen van
het meldpunt aan de politie kunnen in de nieuwe systematiek vervolgens beter
worden geregeld in een algemene maatregel van bestuur op grond van de Wet
MOT. In die algemene maatregel van bestuur zouden dan tevens een aantal aspecten
geregeld kunnen worden, die specifiek op het MOT betrekking hebben en die
thans zijn geregeld in het privacyreglement van het MOT.</al>
      <tuskop letat="vet">Paragraaf 7 Slotbepalingen</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Artikel 46</tuskop>
      <al>De verwerking van persoonsgegevens die plaatsvindt door de bijzondere
opsporingsdiensten valt thans grotendeels onder de reikwijdte van de Wet bescherming
persoonsgegevens (Wbp). De taken van de bijzondere opsporingsdiensten –
in het bijzonder de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde op bijzondere
beleidsterreinen – is echter gelieerd aan de politietaak. Geredeneerd
vanuit de taakgerichte benadering, die aan het wetsvoorstel ten grondslag
ligt, zou overwogen kunnen worden de reikwijdte van het wetsvoorstel uit te
breiden tot de bijzondere opsporingsdiensten. Daarbij komt dat de Wet bescherming
persoonsgegevens, die een algemeen regime kent voor de verwerking van persoonsgegevens,
op onderdelen niet goed is toegesneden op de verwerking van persoonsgegevens
ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten. Zo verhoudt de notificatieverplichting
jegens de betrokkene van de Wet bescherming persoonsgegevens (artikel 29,
derde lid) zich minder goed met de opsporingstaak van de BOD'en. Ditzelfde
geldt voor het regime van de Wbp omtrent de verstrekking van gegevens aan
derden, dat minder geëigend is voor het meer structureel uitwisselen
van gegevens met de politie ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten.
Er zijn echter ook andere overwegingen die in de oordeelsvorming moeten worden
betrokken. In de eerste plaats zijn de BOD'en niet belast met de uitvoering
van alle onderdelen van de politietaak, maar alleen met de strafrechtelijke
handhaving van de rechtsorde op een bepaald terrein. Dit betekent dat de reikwijdte
van de regeling van de gegevensverwerking op onderdelen niet passend zou zijn,
bijvoorbeeld ten aanzien van de gegevensverwerking ten behoeve van de uitvoering
van de dagelijkse politietaak (artikel 8). Bovendien houdt het wetsvoorstel
rekening met de organisatie van de Nederlandse politie en de ontwikkeling
van de informatiehuishouding bij de Nederlandse politie. Dit komt bijvoorbeeld
tot uitdrukking in de mogelijkheid tot het verder verwerken van politiegegevens
met het oog op ondersteunende taken (artikel 13) en de regeling van het rechtstreeks
zoeken van politiegegevens (artikel 11). Deze voorzieningen zijn niet toegesneden
op de taakuitvoering van de BOD'en. Gelet op deze juridische, organisatorische
en automatiseringstechnische aspecten kan het wetsvoorstel niet van toepassing
zijn op de taakuitvoering door de BOD'en. Wel worden in artikel 46 de
bepalingen die van toepassing zijn op de verwerking van CIE-gegevens (zie
artikel 10, eerste lid, onder a) en op de informantenverwerking (art. 12)
van overeenkomstige toepassing verklaard op de verwerking van
zulke gegevens door de BOD'en. Vanzelfsprekend gaat het dan om de verwerking
van deze gegevens door de CIE-eenheden van de BOD-en. Deze beperking zal ook
voortvloeien uit de nadere regelgeving omtrent de autorisaties. De betrokken
vakminister is dan de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens
onder het regime van deze wet. Daarnaast wordt in artikel 46 de mogelijkheid
geboden ook andere onderdelen van het bij of krachtens deze wet bepaalde van
overeenkomstige toepassing te verklaren op de verwerking van persoonsgegevens
door een dienst van een publiekrechtelijk lichaam die is belast met de opsporing
van strafbare feiten. Daarvoor kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de verwerking
van gegevens in het kader van gemeenschappelijke opsporingsteams waarin nauw
wordt samengewerkt tussen regiokorpsen of de Koninklijke marechaussee enerzijds
en bijzondere opsporingsdiensten anderzijds. Zo werkt de Koninklijke marechaussee
op de luchthaven Schiphol bijvoorbeeld samen met de FIOD in een geïntegreerd
opsporingsteam. Door onderdelen van dit wetsvoorstel van toepassing te verklaren
op de taakuitoefening van onderdelen van de FIOD kan een gemeenschappelijk
onderzoek worden verricht ten aanzien waarvan de gegevensverwerking plaatsvindt
onder de feitelijke zorg van een daartoe aangewezen verantwoordelijke. De
betrokken bijzondere opsporingsambtenaren kunnen overeenkomstig artikel 6,
vierde lid, van dit wetsvoorstel worden geautoriseerd tot de verwerking van
politiegegevens. De overeenkomstige toepassing heeft immers niet alleen tot
gevolg dat de expliciet genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing
zijn, maar ook een aantal meer algemene onderdelen van de wet, zoals de algemene
bepalingen, waaronder de geheimhoudingsplicht en de bepalingen omtrent de
autorisaties, alsmede de verstrekkingsbepalingen en het recht op kennisneming.
Daarbij moet het in die bepalingen gebruikte begrip politietaak worden opgevat
als BOD-taak.</al>
      <al>Door een nauwe afstemming van de wettelijke regimes voor de verwerking
van gegevens over bepaalde misdrijven die samenhangen met de zware en georganiseerde
criminaliteit wordt een structurele uitwisseling van gegevens tussen de bijzondere
opsporingsdiensten en de regiokorpsen bevorderd. Tevens wordt gewaarborgd
dat de verspreiding van deze gegevens binnen de bijzondere opsporingsdiensten
aan dezelfde beperkingen onderworpen zijn als welke gelden binnen de politie.
In overleg met de betrokken vakdepartementen en met de BOD'en kan hier
bij algemene maatregel van bestuur nadere invulling aan worden gegeven. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 47</tuskop>
      <al>Dit wetsvoorstel bevat een groot aantal regels en voorschriften met betrekking
tot de verwerking van politiegegevens, welke deels nader worden uitgewerkt
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Teneinde de wetgeving goed
te kunnen toesnijden op nieuwe ontwikkelingen en rekening te kunnen houden
met specifieke uitvoeringsaspecten, wordt een algemene wettelijke evaluatiebepaling
voorgesteld die ertoe strekt dat de werking van de wet telkens in zijn geheel
dient te worden onderzocht. Hiervoor ligt een termijn van vijf jaar in de
rede.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 48, 49, 50 en 51</tuskop>
      <al>In artikel 49 is bepaald dat de Wet politieregisters wordt ingetrokken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In artikel 48 is voorzien in een overgangsbepaling voor de situatie waarin
ná de inwerkingtreding van de Wet politiegegevens bezwaar of beroep
wordt ingesteld tegen een beslissing op een verzoek om kennisneming, verbetering,
aanvulling, verwijdering of afscherming van politiegegevens die is genomen
vóór de inwerkingtreding van deze wet. Bepaald is dat in deze gevallen op wettelijke procedures en rechtsgedingen terzake zowel
in eerste aanleg als in verdere instantie, de regels van de Wet politieregisters
van toepassing blijven, zoals die golden voor de intrekking van de Wet politieregisters.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Artikel 50 betreft een terminologische aanpassing aan het wetsvoorstel
bijzondere opsporingsdiensten dat bij koninklijke boodschap van 5 juli
2005 is ingediend bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2004/2005, 30 182,
nr. 2).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In artikel 51 is bepaald dat de inwerkingtreding van de wet gedifferentieerd
kan plaatsvinden. Het feit dat de implementatie van dit wetsvoorstel voor
een deel afhankelijk is van de invoering van de landelijke informatiehuishouding
van de gehele Nederlandse politie (de politiesuite) noodzaakt hiertoe. De
vervanging van de ICT-systemen voor de basispolitiezorg is bijvoorbeeld niet
voorzien voor 2008/2009. De vervanging van de ICT-systemen voor de opsporing
is al wel eerder voorzien. Bij de vaststelling van de termijn voor de inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel zal rekening worden gehouden met de te treffen voorbereidingen
bij de politie en de Koninklijke marechaussee. Zonodig zal voor de inwerkingtreding
van bepaalde artikelen worden gekozen voor een langere termijn van inwerkingtreding.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Justitie,</functie>
        <naam>J. P. H. Donner </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v9.1" nr="1">
    <al>Rotaru tegen Roemenie, zaaknr; 28 341/95 (4 mei 2001), par.
25.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v19.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v23.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>