Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201630234 nr. 141

30 234 Toekomstig sportbeleid

Nr. 141 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Met deze brief informeer ik u over de voortgang van het programma «Sport en Bewegen in de Buurt» en het actieplan «Naar een Veiliger Sportklimaat». Ook ga ik in op de toezeggingen die ik u tijdens het AO Sport op 17 juni jongstleden (Kamerstuk 30 234, nr. 134) en tijdens de behandeling van de Begroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Handelingen II 2014/15, nr. 21, BegrotingVolsgezondheid, Welzijn en Sport XVI) eerder deze maand heb gedaan om u te informeren over:

  • de resultaten van projecten van de Sportimpuls sinds 2012;

  • het vervolg van het huidige programma «Sport en Bewegen in de Buurt;

  • het vervolg van het huidige actieplan «Naar een Veiliger Sportklimaat»;

  • mijn invulling van de Motie Van Nispen aangaande zwemveiligheid (Kamerstuk 34 000 XVI, nr. 10); en

  • de uitkomsten van het overleg met de Hockeybond om de financiering van het nationale E-Hockeyteam te bezien.

Bijgevoegd zijn de «Voortgangsrapportage Monitor Sport en Bewegen in de Buurt 2015», de «VSK Monitor 2015», het plan van aanpak «Op weg naar een duurzaam zwemveilig Nederland in 2020» en de factsheet Zwemvaardigheid 20141.

Programma «Sport en Bewegen in de Buurt» (SBB)

Voortgang

Uit de jaarlijkse monitor «Sport en Bewegen in de Buurt» (www.sportindebuurt.nl) blijkt dat het programma «Sport en Bewegen in de Buurt» inmiddels goed is verankerd. In totaal hebben 371 gemeenten buurtsportcoaches en de aanvragen binnen de sportimpuls zijn kwalitatief goed van aard. Binnen het programma is er een aantal aandachtspunten. Zo blijkt het voor gemeenten lastig om cofinanciering bij derden tot stand te brengen en heeft de lokale politiek behoefte aan inzicht in de resultaten van de buurtsportcoaches in de eigen gemeente.

Effectmeting buurtsportcoaches

De effectmeting waar ik u in de brief van 3 februari jongstleden (Kamerstuk 30 234, nr. 121) over heb geïnformeerd heeft gediend als voorstudie om na te gaan op welke wijze de effecten van de buurtsportcoach goed gemeten kunnen worden. De resultaten uit deze voorstudie zijn gebruikt om een gedegen effectonderzoek te starten. Uit de voorstudie bleek bijvoorbeeld dat gemeenten verschillen in de doelstellingen die zij met buurtsportcoaches nastreven. Het onderzoek wordt uitgevoerd bij een representatieve steekproef van gemeenten. Ik verwacht de resultaten van het effectonderzoek in de loop van 2017. Ook ontvangen alle gemeenten handvatten om deze effecten zelf in beeld te brengen. Ik blijf onverminderd inzetten op het vergroten van de kwaliteit van de buurtsportcoaches.

Resultaten van de Sportimpuls

Binnen de Sportimpuls zijn sinds 2012 in totaal 665 sportimpulsprojecten gestart, waarvan 172 projecten inmiddels zijn afgerond. De resultaten van de afgeronde projecten uit 2012 zijn, conform toezegging, beschikbaar via de management-rapportage van ZonMw (www.sportindebuurt.nl). De bevindingen van eerdere tussenrapportages hebben geleid tot verbetering, verscherping en meer duidelijkheid in de subsidieregeling Sportimpuls. De kwaliteit van de projecten is toegenomen. De projecten zijn succesvol als het gaat om het creëren van nieuw sport- en beweegaanbod. Ook de samenwerking komt doorgaans goed tot stand en is meestal ook geborgd na afloop van de projecten. De financiële borging blijft echter nog wel een punt van aandacht. Het vaak gratis aanbieden van sport- en beweegaanbod zorgt voor oneigenlijke concurrentie en staat de borging van de deelname na afloop van de projectfase in de weg. Dat is uiteraard een ongewenste uitkomst. In de volgende subsidieronde van 2016 wordt hier extra aandacht aan besteed.

Vervolg programma «Sport en Bewegen in de Buurt»

Tijdens het AO Sport op 17 juni (Kamerstuk 30 234, nr. 134) heb ik ook toegezegd helderheid te geven over het tijdpad van het programma «Sport en Bewegen in de Buurt». Om te toetsen of het ingezette beleid ook doelmatig en efficiënt is, is voorzien in een eindevaluatie van het programma «Sport en Bewegen in de Buurt». De resultaten van deze eindevaluatie worden in 2017 opgeleverd, net als de effectmeting van de buurtsportcoaches. Ik wil deze eindevaluatie afwachten alvorens een nieuw beleidskader sportparticipatie te ontwikkelen. Ik zet daarom het huidige programma «Sport en Bewegen in de Buurt» met twee jaar voort tot en met 2018. In de tussenliggende periode ga ik met betrokkenen in gesprek over de uitkomsten van evaluatie en de consequenties hiervan voor mijn beleid.

In de twee jaar verlenging van het programma «Sport en Bewegen in de Buurt» breng ik binnen de huidige kaders een aantal verbeterpunten aan op basis van de ervaringen en effecten tot nu toe. Zo zal het beroepsprofiel van de buurtsport-coach verder worden geprofessionaliseerd. Binnen de Sportimpulsregeling verken ik of verplichte cofinanciering kan worden ingevoerd om lokaal ondernemerschap te stimuleren en een betere borging te realiseren na afloop van de projectperiode. Daarnaast zal binnen de Sportimpulsregeling meer worden gefocust op specifieke doelgroepen zoals chronisch zieken, gehandicapten en ouderen, mede naar aanleiding van het onlangs gestarte beleidskader «Grenzeloos Actief» (Kamerstuk 30 234, nr. 124). Komend jaar werk ik dit met betrokkenen nader uit voor de periode 2017–2018.

Actieplan «Naar een Veiliger Sportklimaat» (VSK)

Voortgang

Uit de monitor van het Mulier Instituut blijkt dat het actieplan ook in 2015 de goede resultaten behaald in eerdere jaren heeft kunnen doorzetten. Dit blijkt onder andere uit de volgende feiten:

  • Het aantal verengingen dat actief sportief gedrag bevordert, is bijna verdubbeld van 1.857 naar 3.561. Dit doen zij onder andere door het aanbieden van cursussen binnen de vereniging.

  • Het aantal aangevraagde Verklaringen Omtrent Gedrag in de sport is in het afgelopen jaar ruim verdubbeld van 10.251 naar 25.281.

  • Het aantal voetbalverenigingen met een vertrouwenspersoon steeg van 34% in 2013 naar 52% in 2015.

  • Het aantal excessen in het voetbal is het afgelopen seizoen 2014/2015 verder teruggelopen met 15% van 363 naar 319.

  • In het afgelopen jaar is het aantal scheidsrechters dat heeft deelgenomen aan de weerbaarheidtraining verdubbeld naar ruim 16.000.

De monitor Veilig Sportklimaat laat positieve resultaten zien als het gaat om het hebben van regelingen ten aanzien van ongewenst gedrag en het stimuleren van sportief gedrag. Toch constateer ik dat excessen en ongewenst gedrag nog steeds plaatsvinden. Dit is mede aanleiding geweest om mij te bezinnen op een vervolg van het actieplan.

Vervolg Actieplan «Naar een Veiliger Sportklimaat»

Na overleg met de sportsector ben ik tot het besluit gekomen om het actieplan met twee jaar te verlengen tot eind 2018. Ik wil deze verlengingsperiode gebruiken om het actieplan verder te verdiepen. Hierbij zal gekeken worden naar een optimale benutting van de maatschappelijke waarde van de sport. Een goed voorbeeld hiervan in het huidige actieplan is de ketenaanpak waarbij de sportvereniging meer in contact komt met onderwijs-, zorg- en jeugdinstellingen en de veiligheidshuizen. Ook zie ik veel lokale initiatieven die de potentie hebben om landelijk toegepast te worden. Hierover ga ik in het komende jaar met de sport, gemeenten en andere betrokkenen verder in overleg. Daarnaast wordt kennis over integriteit in de sport, waaronder een veilig sportklimaat, beschikbaar gemaakt via het Kenniscentrum Sport i.o. Ook buitenlandse goede voorbeelden zullen worden gedeeld via dit centrum.

Zwemveiligheid

Plan van aanpak

Het plan van aanpak «Op weg naar een duurzaam zwemveilig Nederland in 2020» is opgesteld door het Nationaal Platform Zwembaden/NRZ, het NISB en het Mulier Instituut en de factstheet «Zwemvaardigheid 2014» is afkomstig van het laatst genoemde instituut. Beide zijn geïntroduceerd tijdens het Nationaal Zwembad-congres van 11 november jongstleden in Nootdorp.

Reactie

In reactie hierop onderstreep ik, mede namens de Staatssecretaris van OCW, het belang dat de partijen in de zwembranche hun krachten in dit plan hebben verenigd om de zwemveiligheid en -vaardigheid in Nederland met kennis en nadere afspraken te vergroten. De inzet op verbeterde monitoring en het verstrekken van adequate informatie over zwemveiligheid aan publiek, sector en politiek, sluit aan bij de motie Van Nispen van 27 oktober 20142. Op basis van dit plan ben ik bereid om met betrokken partijen het overleg voort te zetten om te bezien of en zo ja welke gerichte steun van de overheid passend is, conform de motie Van Nispen. Daarbij teken ik aan dat de verantwoordelijkheid voor het leren zwemmen in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van ouders is. Scholen en gemeenten bieden in diverse plaatsen hierbij ondersteuning.

Financiering nationale E-Hockeyteam Nederland

Ik hecht veel belang aan inclusief (top)sporten en dat hiervoor voldoende mogelijkheden binnen de sportbonden worden gecreëerd. Het is in de eerste instantie echter de verantwoordelijkheid van de betreffende sportbond, in dit geval de KNHB, om hieraan invulling te geven.

Op 11 november jongstleden is hierover gesproken met vertegenwoordigers van het nationale E-Hockeyteam, de KNHB en NOC*NSF. Ik heb zowel van de KNHB als het nationale E-Hockeyteam begrepen dat ze zich maximaal inspannen om op korte termijn op zoek te gaan naar alternatieve financieringsbronnen.

Ook heb ik afgesproken om voor het einde van het jaar met alle betrokkenen nogmaals in overleg te treden om te horen of er een gezamenlijke oplossing is gevonden.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Kamerstuk 34 000 XVI, nr. 10