Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630131 nr. 29

30 131
Nieuwe regels betreffende maatschappelijke ondersteuning (Wet maatschappelijke ondersteuning)

nr. 29
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 11 oktober 2005

Met grote belangstelling heeft de regering kennisgenomen van het verslag van de schriftelijke ronde ter voorbereiding op de plenaire behandeling van het voorstel van Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Bij de beantwoording van de vragen heeft de regering zoveel mogelijk de opbouw van het verslag gevolgd. Op onderdelen heeft zij zich gepermitteerd vragen van gelijke strekking samen te voegen.

Het wetsvoorstel betekent een belangrijke omslag in denken en in doen. De regering is zich dat bewust. De nieuwe wet is een participatiewet en geen zorgwet. Zorg (dat wil zeggen de ingrepen of handelingen die gericht zijn op het verhelpen dan wel het verzorgen van aandoeningen van fysieke, mentale of verstandelijke aard) ziet de regering als aanspraken ondergebracht in het verzekerde domein. Voor zover het daarbij gaat om onverzekerbare zorg horen deze in de AWBZ thuis. Voor deze zorg acht de regering nationale financiële solidariteit de aangewezen weg. Dat wordt uitgedrukt in een basispolis zoals in de Zorgverzekeringswet en in collectieve premieheffing zoals in de AWBZ. Met de aldus opgebrachte middelen kunnen professionals de zorg bieden die nodig is. Naast zorgvoorzieningen zijn er naar het oordeel van de regering ondersteunende voorzieningen nodig. Ondersteuning is nodig om kwetsbare groepen van burgers op een waardige zo niet volwaardige manier aan de samenleving te laten deelnemen. Bij kwetsbaarheid speelt de verhouding tussen draagkracht en draaglast een rol. Het is een relatief begrip dat sterk context gebonden is. Kwetsbaarheid is ook niet altijd het gevolg van een fysieke, mentale of verstandelijke beperking of aandoening. Ook een mantelzorger kan kwetsbaar zijn, of een kind, of een heel gezin. De context kan kwetsbaar maken. De draaglast (zoals bijvoorbeeld de aandoening of beperking, de ouder of het kind dat verzorgd moet worden) is dikwijls een gegeven. In die gevallen zal de draagkracht versterkt moeten worden. Het bieden van ondersteuning daarbij, die past in de eigen context van het dagelijkse leven, de eigen sociale structuur, is dan naar het oordeel van de regering aangewezen. Daartoe strekt dit wetsvoorstel: het bieden van ondersteuning vanuit de directe omgeving van mensen door zowel het bieden van voorzieningen als door het mobiliseren van diegenen in de samenleving die de ondersteuning op welke wijze dan ook kunnen bieden. Van de mantelzorger tot de vrijwilliger bij de sportclub, van de buurtvereniging tot de lokale winkeliersvereniging. Hier gaat het vooral om solidariteit in de zin van betrokkenheid op elkaar. De Wmo gaat over meedoen in brede zin van het woord. Over maatschappelijke participatie van jong, oud, sterk en zwak, met en zonder beperkingen, Nederlanders en medelanders, over welzijn, over leefbaarheid in buurten en wijken en over maatschappelijke binding van verschillende culturen. En dat allemaal dichtbij én samen met de burger georganiseerd.

De publieke verantwoordelijkheid voor de organisatie hiervan kan naar het oordeel van de regering het beste op lokaal niveau gestalte krijgen, omdat dat schaalniveau aansluit bij de vraagstukken van alledag waar het hier om gaat.

Het voorstel van wet heeft al veel discussies uitgelokt. Niet alleen tussen de regering en de kamer, maar ook op het lokale niveau. De regering is blij met dat debat, omdat het oogmerk van de wet raakt aan de inrichting van onze samenleving.

Naar aanleiding van het verslag van de kamer, zal de regering op een aantal punten wijzigingen in het wetsvoorstel aanbrengen. Daartoe gaat deze nota naar aanleiding van het verslag vergezeld van een nota van wijziging.

De regering overweegt op een aantak punten met een tweede nota van wijziging te komen. De regering denkt daarbij aan wettelijke verankering van de zorgplicht (dus niet bij amvb) en het wettelijke verankeren van de keuzemogelijkheid voor een pgb door de cliënt. Tevens overweegt de regering de tijdelijkheid van de zorgplicht te koppelen aan het moment van de eerste evaluatie van de wet (drie jaar na inwerkingtreding van de wet). Verder overweegt de regering de gemeenten de verplichting op te leggen om in het Wmo-plan aan te geven of en hoe zij zich vergewist hebben van de ondersteuningsmogelijkheden van specifieke kleine doelgroepen.

I ALGEMEEN

Inleiding

In de inleiding van het verslag is door veel leden aandacht gevraagd voor de positie van de mantelzorger. Veel leden hebben kennelijk uit de aanloop naar het wetsvoorstel en in het bijzonder de discussie over de eigen verantwoordelijkheid, de naar het oordeel van de regering niet juiste indruk over gehouden dat het wetsvoorstel zou beogen mantelzorgers zwaarder te belasten.

Zo zijn leden van de fractie van het CDA van mening dat de Wmo maatwerk voor mantelzorgers mogelijk moet maken. In dat verband vragen zij zich onder meer af of het denkbaar is dat de familie A die reeds veel mantelzorg verleent, in een bepaalde situatie wel huishoudelijke zorg via de Wmo krijgt en de familie B, die geen mantelzorg verleent niet omdat daar sprake is van gebruikelijke zorg. Deze zienswijze van de leden van het CDA is naar het oordeel van de regering juist. Het is aan de gemeente om de modaliteit te kiezen die het beste bij de mantelzorger past. Als dat in dit geval is in de vorm van huishoudelijke zorg, dan is dat mogelijk.

Deze leden vragen voorts naar de mening van de regering over de situatie dat mensen zich gedwongen voelen hun baan op te geven, omdat zij anders de zorg voor een naaste niet geregeld kunnen krijgen. De regering erkent dat mantelzorgers problemen kunnen ondervinden bij het combineren van arbeid en zorg. Arbeid voorziet hen in een noodzakelijk inkomen. Daarbij geldt in het algemeen voor werknemers dat de arbeidsverplichting boven het verlenen van mantelzorg gaat. Het kabinet heeft heldere doelstellingen omtrent verhoging van de arbeidsparticipatie van met name vrouwen en ouderen. Er moet voor worden gewaakt dat werknemers moeten stoppen met werken of hun arbeidsduur sterk moeten reduceren vanwege verantwoordelijkheden in de mantelzorg. Het kabinet legt dus een zeker primaat bij de arbeid. Van dwang om een baan geheel op te geven om de zorg voor een naaste op zich te nemen mag dan ook geen sprake zijn. Uiteindelijk is er echter sprake van een individuele afweging die mensen moeten maken.

Ook vragen de leden van de CDA-fractie welke mogelijkheden de regering ziet om deze situatie te voorkomen. Onlangs nog heeft het kabinet een notitie over mantelzorg aan de kamer gezonden. In deze notitie wordt een aantal voorstellen gedaan die erop zijn gericht het combineren van zorg en arbeid te faciliteren. Daarbij gaat het met name om de projecten dagindeling waarin praktische adviezen worden gegeven om naast het werk zorgloket te kunnen blijven aanbieden. Intensieve individuele begeleiding is een van de instrumenten waarvan binnen deze projecten gebruik wordt gemaakt. Belangrijk is ook dat op het lokale niveau er goede contacten opgebouwd worden met de werkgevers. Goede afspraken met de werkgevers en gemeenten over de inzet van de mantelzorgondersteuning dragen ertoe erbij dat de draaglast voor de mantelzorger niet onnodig zwaarder wordt.

De leden van de CDA-fractie wijzen er ook op dat landelijke en regionaal opererende koepelorganisaties voor mantelzorgondersteuning van rijkswege geen geld meer ontvangen voor hun activiteiten als in het kader van de Wmo de middelen naar de gemeenten gaan. Bovendien vragen de leden van de CDA-fractie zich af of subsidiemiddelen voor koepelorganisaties voor mantelzorgondersteuning beschikbaar gesteld kunnen worden aan een centrumgemeente of de provincie. Hierover merkt de regering op dat alleen de middelen behorende bij de Subsidieregeling Coördinatie Vrijwillige Thuiszorg en Mantelzorg over gaan naar de gemeenten. Landelijk werkende koepelorganisaties blijven – net als nu – vanuit de begroting van VWS gesubsidieerd. Voor zover er sprake is van regionaal werkende koepelorganisaties en van een financiering van deze organisaties op basis van de CVTM-regeling zie ik geen reden deze organisaties op een andere wijze te behandelen dan andere regionaal werkende instellingen die nu worden gefinancierd op basis van genoemde regeling maar uiteindelijk onder de werkingsfeer van de Wmo worden gebracht.

Dezelfde leden vragen zich af hoe via het zorgloket ondersteuning kan worden geboden aan een mantelzorger van 45 jaar die zonder ondersteuning zijn baan moet opzeggen en tegen welke problemen deze persoon aan kan lopen. Immers deze persoon krijgt te maken met de Zorgverzekeringswet, de AWBZ, de Wmo, de Wet Werk en Bijstand en met de bijbehorende uitvoeringsinstanties. Het komt de regering voor dat in het geopperde geval niet anders dan sprake kan zijn van een zeer ernstige zorgvraag van de naaste. In dat geval mag verondersteld worden dat een verzoek om professionele zorg in het kader van de AWBZ gehonoreerd zal worden. Wanneer de zorgvrager (en met hem of haar de mantelzorger) deze professionele zorg niet wenst is dat een «keuze» van betrokkenen. De regering zet bewust aanhalingstekens bij het woord keuze omdat zij heel goed beseft dat het dikwijls om een morele afweging gaat.

De eerste vorm van ondersteuning is de ondersteuning in deze keuze en het vinden van een goede balans in de keuze voor mantelzorg, werk en het eigen sociale leven. De tweede vorm is de ondersteuning in de praktische consequenties van deze keuze.

Een heel concreet voorbeeld van ondersteuning betreft de functie van mantelzorgmakelaar, zoals die in de omgeving van Alkmaar wordt uitgeoefend. Door deze functionaris wordt een stuk concrete dienstverlening geboden (invullen van aanvraagformulieren, praten met de werkgever, regelen van oppas etc.) die erop is gericht dat mensen aan het werk kunnen blijven. In de kring van LOT en Xzorg wordt op dit moment bezien hoe deze functie in de reguliere werkzaamheden van de steunpunten mantelzorg kan worden ingebouwd. Uiteraard gaat het hier slechts om een voorbeeld.

De leden van de fractie van het CDA vragen ook wie de regie gaat voeren als een cliënt of een mantelzorger in aanraking met zowel de AWBZ, de Wmo, de Wet Werk en Bijstand en de Zorgverzekeringswet en zelf niet in staat is die regie te voeren.

In de Wmo is een van de prestatievelden het geven van informatie en advies aan de burgers op het brede terrein van zorg, wonen, en maatschappelijke ondersteuning.

Gemeenten zullen hiertoe lokale loketten oprichten. De cliënt of mantelzorger zal in het lokale loket geholpen worden. Niet alleen door hem of haar te informeren, maar ook door cliëntondersteuning te bieden. In het voorbeeld van de CDA-fractie wordt vanuit het lokale loket de regie gevoerd over de verschillende wettelijke regimes.

De leden van de CDA-fractie vroegen er nog naar in hoeverre de vermogenstoets van de WWB sturend zal zijn voor de te kiezen oplossing.

In tegenstelling tot de Wet Werk en Bijstand kent de Wmo geen vermogenstoets.

Tenslotte vroegen de leden van de CDA-fractie op dit onderwerp of niet meer middelen voor mantelzorg kunnen worden uitgetrokken nu er door een strakkere indicatiestelling minder beroep op de AWBZ wordt gedaan en meer op mantelzorg. De regering is in de eerste plaats van mening dat het beheersen van de AWBZ uitgaven in zichzelf noodzakelijk is. Daarnaast erkent de regering het belang van mantelzorg nadrukkelijk. Om die reden is het beschikbare budget vanaf 2006 met 10 miljoen euro verhoogd.

In deze inleiding van het verslag van het schriftelijke overleg stellen de leden van de PvdA-fractie de indruk te hebben dat in dit wetsvoorstel de balans tussen zekerheid voor de burger en beleidsvrijheid voor gemeenten volledig zoek is. Zij wijzen er op dat verzekerde rechten van burgers worden afgenomen en in het wetsvoorstel onvoldoende tegenkrachten zijn opgenomen om de zekerheid van de burgers veilig te stellen. Zij achten de prestatievelden zo vaag geformuleerd dat het voor burgers nauwelijks mogelijk is op grond daarvan de gemeente aan te spreken en evenmin een goede controle door de Tweede Kamer op de systeemverantwoordelijkheid van de regering mogelijk maakt. De regering beschouwt gemeenten als een volwaardige bestuurslaag onder democratische controle. De regering deelt op voorhand dan ook niet de suggestie, dat gemeentelijke beleidsvrijheid en rechtszekerheid voor de burger op gespannen voet met elkaar zouden staan. In elke gemeente afzonderlijk geldt het rechtszekerheidsbeginsel onverkort. De regering is voorts van mening dat de verplichtingen voor de gemeente, die uit dit wetsvoorstel voortvloeien voldoende concreet omschreven zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de verplichting aan gemeenten om een plan vast te stellen met betrekking tot de maatschappelijke ondersteuning. De uitvoerige definitie van maatschappelijke ondersteuning, zoals die is neergelegd in artikel 1, eerste lid, onder g, maakt naar het idee van de regering voldoende duidelijk welke inhoudelijke beleidsverantwoordelijkheden uit het wetsvoorstel voortvloeien. Voor de volledigheid merkt de regering op dat het vervallen van verzekerde rechten niet rechtstreeks uit deze wet voortvloeit. Dit gebeurt door aanpassing van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ.

De procedure voor de totstandkoming van het gemeentelijke plan voorziet in brede betrokkenheid van maatschappelijke organisaties. Dat garandeert dat de wensen en behoeften van de vragers van maatschappelijke ondersteuning duidelijk en volledig in beeld worden gebracht. Hier komt nog bij dat in de wet (bij tweede nota van wijziging) aan de gemeente op onderdelen een tijdelijke zorgplicht zal worden opgelegd. Daarnaast kent de Wmo een verordeningsplicht, waardoor de burger weet waarop hij in zijn gemeente kan rekenen. Tenslotte wijst de regering nog op de verplichting van gemeenten om op een voorgeschreven manier informatie over de werking van de wet aan de burgers te verschaffen. Op grond daarvan kunnen vergelijkingen tussen gemeenten worden gemaakt en is het mogelijk om op macro niveau de werking van de wet te volgen. Op die macro-werking is de regering uit hoofde van haar systeemverantwoordelijkheid volledig aanspreekbaar.

De leden van de fractie van de PvdA en verderop in het verslag ook de leden van de fractie van de VVD refereren aan de maatschappelijke onrust, onzekerheid en verzet die er onder de burgers zou leven als gevolg van de invoering van de Wmo en vragen zich af of de regering zich daar verantwoordelijk voor voelt. Natuurlijk voelt de regering zich verantwoordelijk voor de eventuele onzekerheid en onrust die de reeks van ingrijpende veranderingen in de verzorgingsstaat bij burgers te weeg brengt. Dat is ook de redenen dat is gekozen voor een zorgvuldige en gefaseerde invoering van de Wmo. De regering merkt op dat het wetsvoorstel aansluit bij de praktijk in veel gemeenten. Een praktijk waar burgers vaak tevreden over zijn.

Om de onrust weg te nemen wordt veel aandacht besteed aan een zorgvuldige implementatie. Met de invoeringstrajecten en de gereedschapskist kunnen gemeenten, belangenorganisaties én cliëntenorganisaties zich voorbereiden om de Wmo uit te voeren vanaf 1 juli 2006. Daarnaast wordt veel aandacht besteed aan de communicatie om de gemeenten, belangenorganisaties en cliëntenorganisaties optimaal te informeren over de gevolgen en kansen die de Wmo biedt. Het Ministerie van VWS informeert burgers via de eigen website op hoofdlijnen over de Wmo en wat de invoering voor burgers betekent. De regering merkt overigens op dat niet alleen maar sprake is van een negatieve vorm van onrust. In het land ontmoet zij ook veel enthousiaste geluiden. Een belangrijke stap om onzekerheid weg te nemen is snelle besluitvorming over de wet als zodanig. Als alle partijen duidelijk weten waar ze aan toe zijn, kan constructief aan de ontwikkeling van een lokaal Wmo beleid worden gewerkt.

De leden van de PvdA-fractie vervolgden met de vraag om een uitputtend overzicht van elementen van zorg en welzijn waarvoor de regering zich ingevolge de Wmo expliciet verantwoordelijk blijft stellen.

De regering is systeemverantwoordelijk. Dat betekent dat de regering verantwoordelijk is en blijft voor het systeem van wetgeving en financiering en de werking daarvan. De uitvoering is aan anderen opgedragen. In de zorg zijn dat de zorgverzekeraars en in het welzijn zijn dat de gemeenten. De elementen waarvoor de regering zich verantwoordelijk voelt door ze expliciet te omschrijven zijn vastgelegd in bijvoorbeeld het basispakket als het om de Zorgverzekeringswet gaat; de AWBZ aanspraken als het om de AWBZ gaat en de prestatievelden als het om de Wmo gaat. De wijze waarop de elementen worden vastgelegd kan verschillen. Zo is de regering van mening dat een basispakket voor ziektekosten bij uitvoering door concurrerende particuliere verzekeraars een nauwkeuriger omschrijving rechtvaardigt, omdat acceptatieplicht en het voorkomen van risicoselectie uitgangspunt zijn. Bij wijze van overgang maakt de regering door het formuleren van een tijdelijke zorgplicht een uitzondering op onderdelen.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts of de andere verantwoordelijkheidsverdeling alleen bedoeld is om de financiële problemen als gevolg van de vergrijzing op te lossen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen in dat kader elders in het schriftelijke verslag naar de samenhang tussen twee hoofddoelen van de Wmo: beperking van de uitgavenstijging van de AWBZ en het bevorderen van «meedoen» van burgers.

De ambities van de regering met betrekking tot de Wmo reiken verder dan het oplossen van financiële knelpunten. Zij beoogt met dit wettelijke kader ook optimale condities te scheppen voor maatschappelijke ondersteuning en participatie van de burgers. Zij wijst er wel op, dat zonder de Wmo de collectieve financiering van maatschappelijke ondersteuning op den duur gevaar kan lopen. Vanuit dat perspectief is het aanpassen van het Besluit zorgaanspraken AWBZ een voorwaardelijke factor voor een duurzaam beleid dat het meedoen van de burgers in de samenleving faciliteert.

De leden van de PvdA-fractie vragen vervolgens wat het sociaal kapitaal is dat moet worden gekoesterd en zelfs versterkt. De regering doelt hiermee op de vrijwillige inzet van velen in georganiseerd en ongeorganiseerd verband, in burgerinitiatieven en als mantelzorger. Het is de maatschappelijke binding en de invulling van de eigen verantwoordelijkheid voor zichzelf en voor de omgeving.

De leden van de PvdA-fractie vragen verwijzend naar een recent SCP rapport in dit verband ook of mantelzorgers niet overbelast zijn door vermaatschappelijking van de zorg en hoe zich dat verhoudt met het doel van de regering meer en langer gaan werken. In het rapport «Vermaatschappelijking in de zorg» geeft het SCP een bepaalde redeneerlijn aan ten aanzien van de inhoud van het begrip vermaatschappelijking. Naar de mening van het SCP is er sprake van een positief proces van vermaatschappelijking als aan een aantal punten wordt voldaan. Het is dus niet het proces van vermaatschappelijking op zich dat leidt tot overbelasting van mantelzorgers als wel het optreden van een aantal factoren op lokaal niveau die het realiseren van bedoelde redeneerlijn in de weg staan. Het ontbreken van een vergaande samenwerking tussen instellingen is een van deze factoren. Ondanks de opmerkingen die daarover in het rapport worden gemaakt is de regering van mening dat de Wmo goede kansen biedt aan gemeenten een goed voorzieningenniveau te realiseren. In het gehele implementatietraject rond de Wmo wordt hen daartoe ook de nodige ondersteuning geboden. In de vragen van de CDA-fractie terzake heeft de regering dat uiteengezet.

De doelstellingen van het kabinet ten aanzien van de zorg zijn niet strijdig met die ten aanzien van arbeid. Wel is het belangrijk het combineren van zorg en arbeid te faciliteren. Hiertoe zijn in de loop van de tijd al een aantal stappen gezet. In overleg met SZW en de LOT zal worden bezien op welke wijze de resultaten van de dagindelingsprojecten daaraan een bijdrage kunnen leveren.

Vervolgens snijden de leden van de PvdA-fractie het vraagstuk van de betaalbaarheid van de AWBZ-zorg aan. Zij vragen op grond waarvan de regering de druk op de AWBZ onaanvaardbaar en onbetaalbaar vindt. De regering merkt daar over op dat zij in de brief van 23 april 2004 (Kamerstukken II 2003/04, 29 538, nr. 1) een tweetal scenario's heeft gepresenteerd voor de groei van de AWBZ-uitgaven bij ongewijzigd beleid. Deze indiceren een zeer sterke premiestijging tot 2020. Deze stijging acht de regering onaanvaardbaar.

Voorts vragen deze leden welk deel van de gememoreerde groei van de AWBZ-uitgaven gebaseerd is op demografische ontwikkelingen en welk deel op de aanpak van wachtlijsten?

De AWBZ-uitgaven zullen naar schatting van de regering tot 2020 met gemiddeld 1,25% per jaar groeien als gevolg van demografische ontwikkelingen. De aanpak van wachtlijsten impliceert het handhaven van het recht op zorg. Als gevolg van diverse sociaal-culturele trends groeit het aantal mensen dat van dat recht gebruik wil maken, harder dan de demografische ontwikkeling aangeeft. Verder blijft de productiviteitsontwikkeling in de zorg achter bij die in de marktsector. In de scenario's die in de brief van april 2004 genoemd zijn, leiden deze factoren tot een volumegroei die 2,75% à 4,5% boven de demografisch bepaalde ligt.

Deze leden vragen zich vervolgens af hoe het kabinet het recente voornemen de AWBZ-premie te verlagen van 13,45% naar 12,45% verenigt met het geschetste, kennelijk aanzienlijke, betaalbaarheidprobleem van de AWBZ. De regering merkt op dat deze daling verband houdt met de overheveling van een deel van de GGZ naar de Zorgverzekeringswet. Hierdoor kan de premie eenmalig verlaagd worden, maar dit vermindert de noodzaak tot beheersing van de AWBZ-uitgaven niet.

De leden van de PvdA-fractie stellen vervolgens de vraag welk probleem de Wmo moet oplossen met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning, mede in relatie tot de ervaringen met de Welzijnswet 1994 en de Wet voorzieningen gehandicapten en wijst ook op de opmerkingen terzake van de Raad van State.

De regering wijst er op dat het niet alleen gaat om het oplossen van problemen, maar ook om het bieden van nieuwe perspectieven. In dit verband staan de volgende oogmerken centraal. Ten eerste, het voorkomen dat door een onbeheersbare groei van de AWBZ het financiële draagvlak voor de maatschappelijke ondersteuning op termijn in gevaar wordt gebracht. Dit noodzaakt tot het vinden van doelmatige oplossingen. Ten tweede, het stimuleren van een grotere betrokkenheid van de burgers zelf bij het oplossen van hun problemen in de context van de eigen sociale omgeving. Ten derde, het bevorderen van een betere samenhang tussen voorzieningen, die nu nog in verschillende wettelijke kaders zijn ondergebracht.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering het uitgangspunt deelt dat burgers iets moeten hebben aan de Wmo en draagvlak onder cliënten van groot belang is voor het welslagen van de Wmo.

De regering onderschrijft deze stellingname. Om die reden is in artikel 11 en artikel 12 de verplichting opgenomen aan de gemeente om bij de voorbereidingen van het beleid haar burgers, belanghebbenden natuurlijke en rechtspersonen te betrekken en aan representatieve organisaties van vragers van maatschappelijke ondersteuning advies te vragen alvorens een voordracht tot vaststelling van het ontwerp-plan te doen. Om het draagvlak op het lokale niveau te verstevigen investeert de regering in 2006 en 2007 10 miljoen euro in de verbetering van de cliëntparticipatie op het lokale niveau. Hierbij is specifieke aandacht voor cliëntparticipatie in de GGZ.

De leden van de PvdA-fractie vragen in dit verband ook een reactie op het gegeven dat volgens de gezamenlijke ouderenorganisaties slechts twee van de acht voorwaarden uit het manifest «De Wmo? alleen maar zo» zijn gerealiseerd. De regering is van mening dat de evaluatie van de ouderenbonden niet op alle punten juist is. De verschillen zijn veel minder groot dan dat de evaluatie suggereert.

1 Op het punt van recht op zorg op individuele aanspraken heeft de regering de opstellers inderdaad niet in hun wens gevolgd om op dezelfde manier als in de AWBZ rechten van verzekerden vast te leggen. Wel komt er een tijdelijke zorgplicht voor individuele voorzieningen. Dat is een stap in de richting van de opstellers. De regering overweegt om op het punt van de zorplicht haar oorspronkelijke standpunt herzien. Dit zal gebeuren bij de aangekondigde tweede nota van wijziging

2 De regering volgt de opstellers niet als het gaat om het wettelijk vastleggen van het Wvg protocol, maar ook hier geldt dat er sprake zal zijn van een zorgplicht voor individuele voorzieningen.

3 De wet formuleert nadrukkelijk de mogelijkheid van gemeenten om een pgb te verstrekken. Gemeenten worden ook voorzien van een handreiking voor de invoering van het pgb. De regering overweegt om bij een tweede nota van wijziging haar standpunt met betrekking tot het al dan niet verplicht stellen van het pgb te herzien.

4 Aan de vraag om landelijke criteria voor indicatiestelling komt de regering tegemoet door het CIZ te vragen samen met de gemeenten aan een gemeenschappelijke indicatiestelling te werken.

5 De garantie voor toereikende middelen is naar de mening van de regering volledig gerealiseerd. De gekozen financieringsconstructie van een integratie-uitkering maakt het mogelijk dat de uitgaven voor de huishoudelijke verzorging kunnen worden gevolgd. Afgesproken is dat een onafhankelijke derde zich daarmee belast. De adviezen van de onafhankelijke derde leiden, indien de feitelijke uitgaven hoger of lager zijn tot bijstelling van het (macro)budget. De tijdelijke zorgplicht garandeert bovendien dat burgers de zorg krijgen die ze nodig hebben. In deze combinatie is materieel voldaan aan wat met een doeluitkering werd beoogd, namelijk dat er voldoende middelen in overeenstemming met de behoefte worden bestemd voor huishoudelijke verzorging.

6 Alle voorzieningen in de Wmo zijn toegankelijk voor mensen met een minimum inkomen, dit punt is gerealiseerd.

7 Gemeenten zijn verplicht gesteld hun prestaties toetsbaar te formuleren. Als vanzelfsprekend geldt in het kader van de Wmo elke gangbare bezwaar en beroepsprocedure. De horizontale verantwoording op gemeentelijk niveau zal vanuit het cliëntperspectief worden opgezet.

8 De Wmo regelt formele inspraak van burgers. In de toelichting op de Wmo wordt nadrukkelijk gesteld dat de inspraak de volle breedte van het beleid betreft.

9 De informatievoorziening is expliciet in de wet opgenomen.

10 Voor het eerst in de historie heeft ondersteuning van mantelzorgers een wettelijke basis gekregen met de Wmo

De conclusie van de regering is dat op goede gronden inderdaad niet aan alle tien eisen van het manifest is voldaan, maar dat de conclusie dat slechts aan twee van de tien voorwaarden is voldaan dezerzijds bestreden wordt. De regering is eerder van mening dat aan tweederde tot driekwart van de verlangens is voldaan.

De leden van de PvdA-fractie vragen vervolgens om een reactie op de opmerking van de Raad van State dat de verantwoordelijkheid van de overheid ter zake van maatschappelijke ondersteuning niet goed is afgebakend.

Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is aan de memorie van toelichting een paragraaf toegevoegd (paragraaf 3) waarin nader wordt ingegaan op de verantwoordelijkheid van de overheid. Uitgangspunt is zelforganisatie, maatschappelijke binding en eigen verantwoordelijkheid. Voor zover nodig moeten deze worden aangevuld met een professionele benadering. De overheid dient haar verantwoordelijkheid te nemen waar het vermogen van de burgers om problemen zelf op te lossen tekort schiet. De overheid – in casu de gemeentelijke overheid – moet daartoe over voldoende instrumenten beschikken. Het wetsvoorstel strekt ertoe de gemeenten aldus adequaat te instrumenteren. De volgende sturingsinstrumenten van gemeenten zijn voor de uitvoering van de Wmo met name van belang:

– financiële sturing in het kader van welzijnsactiviteiten conform de (voormalige) Welzijnswet 1994;

– ruimtelijke sturingsinstrumenten op grond van de Wet ruimtelijke ordening;

– instrumenten voor bouwvergunningen;

De leden van de PvdA-fractie vragen ook te onderbouwen waarom dit voorstel voor het versterken van de sociale infrastructuur noodzakelijk is en vroegen zich af of de doelstelling niet op andere manieren kan worden bereikt. Terzake merkt de regering op dat zij heeft gekozen voor het huidige wetsvoorstel om verschillende vormen van maatschappelijke ondersteuning in één wettelijk kader onder te brengen waarin de gemeente een aangewezen regierol op het hele terrein van maatschappelijke ondersteuning krijgt. De regering wil de lokale verantwoordelijkheid voor de sociale infrastructuur wettelijk verankeren. De regering is van mening dat die verantwoordelijkheid nu te verbrokkeld, op onderdelen te vrijblijvend en andere onderdelen met te weinig beleidsvrijheid is vormgegeven, waardoor er op lokaal niveau te weinig incentives zijn om slagvaardig en duurzaam een sociale infrastructuur te ontwikkelen. De Wmo stelt buiten twijfel dat de gemeente deze verantwoordelijkheid heeft die zij met ruime bevoegdheden in overleg met haar burgers moet waarmaken. Dat is naar het oordeel van de regering de beste manier.

De leden van de PvdA-fractie vragen in dit verband ook nog op welke wijze vergroting van de samenhang in het lokale beleid wordt gewaarborgd, gelet op de grote beleidsvrijheid van gemeenten in combinatie met beperkte sturingsinstrumenten. Zij vragen ook hoe samenhang een doelstelling van de wet kan zijn als de wetgever nauwelijks invloed kan uitoefenen op deze samenhang.

De vraag gaat uit van de premisse dat samenhang het beste op het hoogste niveau, i.c. het nationale niveau van de wetgever kan worden aangebracht. Die gedachte bestrijdt de regering met klem. Naar het oordeel van de regering is het hoogste integratiekader van beleid de burger zelf waar alle effecten samenkomen. Samenhang moet voor zover het een publieke taak betreft daarom in de onmiddellijke omgeving van die burger worden georganiseerd. Behalve de nationale wetgever is er ook de lokale wethouder .

De regering kiest met de Wmo voor decentralisatie van het beleid. Die keuze is vooral ingegeven, omdat op het lokale niveau de samenhang beleid op het gebied van wonen, welzijn en zorg verstevigd kan worden. De regering ziet de toegenomen beleidsvrijheid als een noodzakelijke voorwaarde om meer samenhang in het gemeentelijke beleid te laten ontstaan. De gemeenten zullen na inwerkingtreding van de Wmo over meer sturingsinstrumenten beschikken om die samenhang handen en voeten te geven dan dat nu het geval is.

De leden van de PvdA-fractie vragen welk eindperspectief de regering voor ogen staat en waaruit de AWBZ en de Wmo in dit eindperspectief bestaan.

De bedoeling van de regering is om de AWBZ uiteindelijk te reserveren voor langdurige zorg voor mensen met een zeer ernstige en langdurige zorgvraag. De functies die straks uit de AWBZ zullen verdwijnen zijn huishoudelijke verzorging en mogelijkerwijs ondersteunende en activerende begeleiding. Uitgaande van de motie Vietsch c.s. is voor de regering thans alleen de huishoudelijke verzorging aan de orde. Volgende stappen vragen te zijner tijd om een nieuwe politieke afweging.

De leden van de PvdA-fractie vragen in de inleiding tenslotte op welke manier dit wetsvoorstel het welzijnswerk versterkt.

De regering merkt daarover op dat met de benoeming van prestatievelden in de wet en de wettelijke verplichting voor gemeenten daarvoor een plan op te stellen en zich daarover expliciet te verantwoorden een steviger fundament aan het lokale welzijnswerk wordt gegeven dan nu op grond van de welzijnswet het geval is. De regering verwacht ook dat dit fundament en de noodzaak dat ook financieel in te vullen het lokale politieke en maatschappelijke krachtenspel ten gunste van het welzijnswerk zal beïnvloeden.

De leden van de SP-fractie vragen in de inleiding van het verslag om maatregelen die de positie van mantelzorgers structureel verbeteren.

Al eerder bij de beantwoording van vragen van andere fracties heeft de regering aangegeven mantelzorg belangrijk te vinden en de ondersteuning van mantelzorgers een belangrijk punt te vinden. Niet voor niets heeft de regering gemeend dit (voor het eerst in de historie) als een afzonderlijk prestatieveld in de wet te moeten opnemen. De regering verwacht dan ook van gemeenten dat zij mantelzorgers als «cliënt» van de Wmo beschouwen en bij het beleid betrekken. Onlangs is opdracht verleend aan het NIZW om een model te ontwikkelen dat gemeenten kunnen gebruiken bij de organisatie van de cliëntenparticipatie. Hierbij is nadrukkelijk aandacht gevraagd voor mantelzorgers; niet alleen omdat zij in bepaalde gevallen zelf ook als cliënt kunnen worden beschouwd maar ook omdat zij nauw betrokken zijn bij het wel en wee van de cliënt met beperkingen en daardoor belang hebben bij een goed proces van cliëntenparticipatie.

De leden van de LPF-fractie vragen heldere definities van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.

De regering verstaat onder zelfredzaamheid het vermogen om het leven in te richten zonder dat hulp van anderen nodig is. Dat laat naar het oordeel van de regering onverlet dat soms ondersteuning nodig is om vervolgens zelf het leven in te kunnen richten. Daartoe strekt de Wmo. Zelfredzaamheid kan dus ook ruimer worden geïnterpreteerd. De reikwijdte van het begrip zelfredzaamheid is individueel bepaald en afhankelijk van individuele behoeften. Onder maatschappelijke participatie verstaat de regering het aangaan van sociale verbanden zowel te eigen bate (materieel via werk bijvoorbeeld en immaterieel via vrienden en kennissen) als ten gunste van anderen (vrijwilligers, mantelzorgers).

De leden van GroenLinks-fractie vragen zich in deze inleiding af of het point of no return met betrekking tot de invoering van de Wmo niet al is gepasseerd. Het lijkt erop, zo stellen zij, dat het parlementaire proces buiten spel wordt gezet en tot een formaliteit wordt gemaakt. De regering bestrijdt met klem deze redenering. Bij alle activiteiten die in het kader van de invoering van de Wmo opgezet worden, wordt expliciet het voorbehoud gemaakt dat het wetsvoorstel nog door de Tweede en Eerste Kamer moet worden behandeld. In het parlement wordt besloten of het wetsvoorstel al dan niet wordt aanvaard. Van een «point of no return» is dan ook geen sprake. De leden menen ook dat de motie Tonkens (Kamerstukken II 2004/05, 29 538, nr. 23) door de regering niet is uitgevoerd. Over de criteria die worden gehanteerd bij de beoordeling van de pilots is een brief aan de kamer gezonden (Kamerstukken II 2004/05, 29 538, nr. 30). Daarmee is naar de mening van de regering wel degelijk uitvoering gegeven aan de motie.

De leden van de GroenLinks-fractie menen dat de verantwoordelijkheid van maatschappelijke ondersteuning en welzijn in eerste instantie wordt afgeschoven naar de burgers, met als gevolg meer druk op mantelzorgers en vrijwilligers. In tweede instantie kan men een beroep doen op de gemeente voor wie slechts een tijdelijke en beperkte zorgplicht gaat gelden. Kostenbeheersing lijkt dus te prevaleren boven het stimuleren van meedoen. Deze leden hebben bovendien twijfel over de kostenbeheersing omdat de voorgenomen verschuiving van functies vanuit de AWBZ naar de Wmo betrekking heeft op de goedkoopste vormen van zorg, waarvan bovendien preventieve werking op duurdere zorgvormen uitgaat.

De regering gaat uit van het mensbeeld van vrije en verantwoordelijke burgers, maar erkent daarbij de keerzijde dat het sommige burgers aan vermogen kan ontbreken om die vrijheid en verantwoordelijkheid ten volle waar te maken. Vanuit dit perspectief acht de regering het volledig aanvaardbaar uit te gaan van het vermogen van de burger zelf alvorens een beroep op derden dan wel de gemeenschap moet worden gedaan. Dat heeft dus niets met kostenbeheersing maar met een mensbeeld en een maatschappijvisie te maken. De regering betreurt dat het vertrekpunt van de eigen verantwoordelijkheid in de discussie wordt gevulgariseerd en wordt uitgelegd als het extra belasten van kwetsbare burgers. Daar waar de eigen verantwoordelijkheid niet kan worden gedragen ziet de regering wel degelijk een verantwoordelijkheid voor de overheid.

In dit perspectief erkent de regering dat mantelzorgers nu reeds een belangrijke bijdrage leveren aan de zorg en ondersteuning van kwetsbare burgers. De regering waardeert dat in hoge mate. Zij meent dat de kwaliteit van de samenleving en de sociale cohesie daardoor zullen worden bevorderd. Zij beseft tegelijk dat de spankracht van de informele hulpverlening begrensd is en dat de inzet van mantelzorgers en vrijwilligers moet kunnen steunen op aanvullende en zonodig vervangende professionele zorg. Zij wil de gemeenten daarom verantwoordelijk stellen voor een beleid, waarin op dit punt een goede balans wordt gevonden. De gemeenten worden daartoe toereikend financieel gefaciliteerd. De regering erkent dat ook overwegingen van doelmatigheid en van kostenbeheersing aan de verschuiving uit de AWBZ naar de Wmo ten grondslag liggen, maar zeker niet als enige overweging. Een doelmatige en doeltreffende organisatie van de maatschappelijke ondersteuning kan preventief werken voor het beroep op zwaardere zorg. Op de lange termijn gezien wordt daardoor het risico van ondermijning van het financiële draagvlak van de AWBZ vermeden. Overigens zij nog opgemerkt dat de verschuiving van de activerende en ondersteunende begeleiding uit de AWBZ naar de Wmo op dit moment nog niet aan de orde is.

De leden van de fractie van GroenLinks wijzen er vervolgens op dat zelfstandig wonen op zich geen garantie biedt voor integratie en zelfredzaamheid. Daarvoor moeten in de omgeving van betrokkenen allerlei voorzieningen georganiseerd worden betreffende recreatie, zorg en contacten. Zij vinden de Wmo in dit opzicht een gemiste kans. Deze leden vragen ook of het de regering bekend is dat sommige zelfstandig wonende ouderen vereenzamen of zelfs vervuilen en vragen hoe de regering tegen deze processen aankijkt.

De regering deelt de opvatting van de GroenLinks-fractie dat het zelfstandig wonen voor kwetsbare burgers aanvulling behoeft van gemeenschapsvoorzieningen om een verantwoorde kwaliteit van het bestaan mogelijk te maken. De signalen waaraan de fractie refereert, zijn de regering bekend. De argumentatie van de GroenLinks-fractie ziet de regering welhaast als een pleidooi voor de Wmo. De Wmo wil dit juist bevorderen door gemeenten te verplichten tot integraal beleid gericht op maatschappelijke ondersteuning. Gemeenten bij uitstek kunnen hierbij maatwerk leveren door het beleid af te stemmen op de specifieke omstandigheden, die in de verschillende buurten en wijken van de betreffende gemeente aanwezig zijn.

De Raad van State adviseert ten minste een globale indicatie van de verwachte kwantitatieve ontwikkelingen om te kunnen beoordelen of er in de toekomst voldoende mantelzorgers beschikbaar zijn. Het komt de GroenLinks-fractie voor als een smoesje dat de regering stelt dat het niet mogelijk is deze indicatie te geven. Er zijn vrij veel cijfers bekend rondom mantelzorg, bijvoorbeeld dat er 2,4 miljoen Nederlanders zijn die langer dan 3 maanden of meer dan 8 uur per week hulp geven, dat mantelzorgers gemiddeld 19 uur per week hulp geven, dat mantelzorgers met een betaalde baan gemiddeld 15 uur per week hulp geven en dat het aantal maanden dat iemand hulp behoeft stijgt met de leeftijd (Mantelzorg in getallen, SCP, oktober 2003). Op basis van deze gegevens en bijvoorbeeld de verwachte vergrijzing en de verwachte arbeidsparticipatie van vrouwen moet een globale indicatie te geven zijn.

De regering blijft echter van mening dat een deugdelijke raming niet op een verantwoorde manier te geven is. Daarvoor moeten te veel gedragsvariabelen verondersteld worden in interactie met de feitelijke omstandigheden die zich op enig moment voordoen. Wel kan worden gewezen op de recente constatering van het SCP, dat de verlening van mantelzorg de afgelopen jaren stabiel is gebleven ondanks veranderingen in de omgeving, zoals een toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen.

Vervolgens zijn de leden van de ChristenUnie-fractie aan het woord. Zij zien een spanning tussen de doelstellingen van zelforganisatie, maatschappelijke binding en eigen verantwoordelijkheid enerzijds en de doelstelling van arbeidsparticipatie anderzijds en vragen de regering naar maatregelen om deze spanning op te heffen.

De regering deelt de opvatting van deze leden dat er spanning kan bestaan tussen de diverse doelstellingen. Door het treffen van de juiste maatregelen probeert de regering een zo goed mogelijke balans in deze spanning te vinden. Zo meent de regering dat het enerzijds niet zo moet zijn dat iemand zich moreel gedwongen moet voelen zijn of haar baan op te zeggen en anderzijds ook niet zo moet zijn dat de belasting van de mantelzorger te hoog wordt door de combinatie met werk. Daarom is het belangrijk om in het kader van de Wmo extra te investeren in de ondersteuning van de mantelzorg en het vrijwilligerswerk. Voor de ondersteuning van de mantelzorg in 2006 en 2007 stelt de regering in totaal 10 miljoen euro ter beschikking. Voor het vrijwilligerswerk stelt de regering in de periode 2005–2008 jaarlijks ruim € 13 miljoen ter beschikking.

De regering merkt op dat uit de recente publicatie «Kijk op informele zorg» van het SCP blijkt dat ondanks de toenemende arbeidsparticipatie van met name vrouwen het aanbod van informele zorg voor zieken en gehandicapten niet terugloopt.

De leden van de SGP-fractie wijzen net als enkele andere fracties op de spanning tussen de beleidsvrijheid en de rechtszekerheid van burgers en vragen op welke wijze de burger over bijvoorbeeld vijf jaar daadwerkelijk zal merken dat hij voordeel heeft van de invoering van de Wmo. De regering herhaalt haar zienswijze dat zij gemeenten beschouwt als een volwaardige bestuurslaag onder democratische controle. De regering deelt op voorhand dan ook niet de suggestie, dat gemeentelijke beleidsvrijheid en rechtszekerheid voor de burger op gespannen voet met elkaar zouden staan. In elke gemeente afzonderlijk geldt het rechtszekerheidsbeginsel onverkort.

De merkbare effecten voor burgers zullen zeer divers zijn en onder meer betrekking kunnen hebben op toegankelijke voorzieningen voor mensen met beperkingen; toegankelijke voorzieningen voor mantelzorgers; heldere loketten; verminderde overlast in buurten waar dat nu wel het geval is; een pro-actievere benadering van zwakken in de lokale samenleving die zich niet gemakkelijk bij de loketten melden; minder eenzaamheid; meer mogelijkheden om langer thuis te blijven wonen voor mensen met beperkingen; betere begeleiding en mogelijkheden voor bijvoorbeeld bijstandsmoeders die herintreden in het arbeidsproces et cetera. De regering heeft niet de pretentie alle creatieve mogelijkheden voor gemeenten en lokale partners hier op te kunnen sommen.

De regering wil wel de ruimte bieden om het voor de burgers beter te maken.

De leden van de D66-fractie stellen vervolgens een aantal vragen in deze inleiding. Zij geven aan ermee bekend te zijn dat in gemeenten tal van betrokken wethouders en raadsleden en ambtenaren met veel warmte en zorg bij de problematiek betrokken zijn en zicht tot het uiterste inspannen om het goed te doen. Toch vragen deze leden zich af of dit voldoende het belang van de patiënt waarborgt. En of er niet per saldo een slechter resultaat ontstaat, dit mede in relatie tot de kostenstijging die voor de AWBZ werd voorzien. Daarnaast vragen de leden of gemeenten niet op termijn gedwongen zullen zijn om te snijden in de zorg.

Ook in de richting van de D66-fractie merkt de regering op dat zij gemeenten als een volwaardige bestuurslaag onder democratische controle zien. De regering kan niet inzien dat de belangen van cliënten en burgers op het vlak van de maatschappelijke ondersteuning ten principale beter gewaarborgd zouden zijn onder nationale controle dan onder lokale democratische controle. De regering is op basis van intensieve contacten met gemeenten in het kader van de voorbereiding op de Wmo optimistisch over de te bereiken resultaten door de gemeenten. Terzijde merkt de regering nog op dat de invalshoek «zorg» en «patiënten» zoals in de vraag doorklinkt geen recht doet aan de strekking en de reikwijdte van de wet. De wet behelst de maatschappelijke ondersteuning in brede zin en heeft betrekking op alle burgers. De door de D66-fractie gevreesde financiële problemen worden voor wat betreft de gemeenten adequaat ondervangen door het financiële arrangement dat door het kabinet met de VNG is overeengekomen. Dit houdt in dat de uitgaven door een onafhankelijke derde zullen worden gevolgd en dat het macrobudget zal worden aangepast aan de hand van de feitelijke uitgaven van gemeenten.

De fractieleden van D66 wijzen vervolgens op het gevaar van nieuwe schotten en de vorming van nieuwe, extra loketten. De regering deelt de mening van deze leden dat een loket bij gemeenten op zich geen garantie is voor de ontschotting. Daarom wordt in de handreikingen duidelijk naar voren gebracht, op welke manier het loket wel kan bijdragen aan ontschotting. Daarbij zijn vooral de goede afspraken die partijen met elkaar maken over de organisatie van de achterkant van het loket van groot belang. De regering is niet voor de vorming van nieuwe loketten, maar stimuleert de gemeenten om aan te sluiten bij eigen loketten of loketten van aanbieders van welzijn, wonen en zorg.

Het loket kent vele verschijningsvormen, voorbeelden zijn de Vraagwijzer, waarin op het thema zorg en welzijn verschillende partijen samenwerken binnen het loket en de gemeentewinkel, waarin juist alle gemeentelijke onderwerpen zijn ondergebracht. De komst van de Wmo zal bij elke gemeente de vraag oproepen of het huidige loket, in welke verschijningsvorm ook, voldoet om de informatie en adviesfunctie vorm te kunnen geven en waar de toegang tot voorzieningen wordt ondergebracht. De regering wil voorkomen dat er extra loketten ontstaan door gemeenten te stimuleren aan te sluiten bij bestaande loketten, of daar samenwerking mee te zoeken, zodat er geen nieuwe schotten ontstaan.

Consultatie en advies

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering in dit verband of zij, met het oog op de mogelijke gevolgen voor omvang en kwaliteit van werkgelegenheid, ook met de vakbeweging overleg heeft gevoerd tijdens de voorbereiding van het wetsvoorstel.

Er hebben verschillende malen overleggen plaatsgevonden met vertegenwoordigers van zowel de FNV als CNV. De vakbeweging heeft in die overleggen begrijpelijkerwijs aandacht gevraagd voor mogelijke werkgelegenheidseffecten. In deze gesprekken is van de zijde van VWS naar voren gebracht dat gelet op de effecten van de vergrijzing er van uit gegaan mag worden dat de werkgelegenheid in de zorg en ondersteuning alleen maar zal toenemen. Recente inzichten in de arbeidsmarktontwikkeling bevestigen dat de kans op een baan in de gezondheidszorg het grootst is.

De leden van de PvdA-fractie vragen in vervolg op hun constatering terzake in de inleiding van het verslag, of dit wetsvoorstel de perfecte balans biedt tussen vrijheid en zekerheid en welke zekerheden dit wetsvoorstel biedt voor burgers. Ook in de inleiding van het verslag stelden de leden deze vraag.

De regering herhaalt dan ook dat zij gemeenten beschouwt als een volwaardige bestuurslaag onder democratische controle en dat zij op voorhand niet de suggestie deelt, dat gemeentelijke beleidsvrijheid en rechtszekerheid voor de burger op gespannen voet met elkaar zouden staan. In elke gemeente afzonderlijk geldt het rechtszekerheidsbeginsel onverkort. De regering is voorts van mening dat de verplichtingen voor de gemeente, die uit dit wetsvoorstel voortvloeien voldoende waarborgen bied. De regering is van oordeel dat in het wetsvoorstel een goede balans tussen gemeentelijke beleidsvrijheid en zekerheden voor burgers is gevonden. Zij is tot dit oordeel gekomen na zorgvuldig kennis genomen te hebben van de opvattingen van de representatieve maatschappelijke organisaties op dit punt.

Dezelfde leden vragen voorts waarom zorgplicht en maatwerk elkaar per definitie uitsluiten. Zij stellen dat maatwerk vooral van toepassing zou moeten zijn op de wijze van aanbieding van voorzieningen en niet op het aanbieden zelf. De regering stelt niet dat maatwerk en een concrete omschrijving van voorzieningen elkaar per definitie uitsluiten. De omschreven voorziening zal immers gebaseerd zijn op de waargenomen behoefte op het moment van het vastleggen van de omschreven voorziening. Het vastleggen betekent echter ook onvermijdelijk dat men zich baseert op de grootste gemene deler. Juist afwijkingen daarvan en de innovatieve kracht die daar van uit kan gaan wil de regering ruimte geven. Zij deelt dan ook niet de opvatting dat deze ruimte alleen betrekking zou moeten hebben op het «hoe» en niet op het «wat».

De regering is ook van oordeel dat door de beleidsvrijheid van gemeenten te vergroten om een samenhangend geheel van voorzieningen tot stand te brengen op het terrein van wonen, zorg, welzijn en dienstverlening, nog beter tegemoet gekomen kan worden aan individuele wensen en behoeften.

Deze leden vragen de regering ook uit te leggen waarom volgens haar het niet bezuinigingen op het budget waarschijnlijk niet zal leiden tot werkgelegenheidsverlies in de thuiszorg. De regering merkt op dat de Wmo geen bezuinigingsmaatregel is en dat ook niet beoogt te zijn. Wel is sprake van een andere bekostigingswijze en wordt de verantwoordelijkheid van de taken in de Wmo gedecentraliseerd van rijksniveau naar gemeenteniveau. Aangezien de wet ertoe zal aanzetten op het lokale niveau arrangementen te scheppen die het langer thuis wonen voor mensen met beperkingen mogelijk maakt; en aangezien de wet het ook mogelijk maakt om huishoudelijk zorg in te zetten met andere doeleinden dan het lenigen van een objectief vastgestelde zorgbehoefte (zoals ondersteuning bij mantelzorgers zoals de CDA-fractie suggereerde of in het kader van herintreding van bijstandsgerechtigden) ziet de regering alle mogelijkheden voor toename van de werkgelegenheid in de thuiszorg.

Ook vragen deze leden of de regering van oordeel is dat huishoudelijke verzorging zo weinig gecompliceerd is dat hiervoor geen kwaliteitseisen noodzakelijk zijn.

Die mening is de regering niet toegedaan. De handelingen in technische zin zijn wellicht ongecompliceerd, de context waarin die uitgevoerd moeten worden is dat allerminst.

Ten aanzien van de zaken die naar de Wmo overkomen vanuit de AWBZ, kan de regering de leden van de GroenLinks-fractie melden dat de kwaliteitsbewaking conform de Kwaliteitswet zorginstellingen ook van toepassing zal zijn op de functie huishoudelijke verzorging.

Aanvullend hierop vragen de leden van de PvdA-fractie of de regering de mening deelt dat huishoudelijke verzorging vanwege haar sociale en signalerende functie een beroep op (duurdere) zorg kan voorkomen en kan bijdragen aan het welzijn van burgers en dat daarom thuiszorgorganisaties de voorkeur verdienen boven schoonmaakbedrijven.

De regering is het op dit punt met de fractie van de PvdA eens, maar wil niet op voorhand meegaan in de gedachte dat het etiket «schoonmaakbedrijf» tot diskwalificatie moet leiden. Het gaat erom dat de gemeente kwaliteitseisen stelt die recht doen aan waar het hier om gaat. Ook wil de regering de vrijheid van pgb-houders niet beperken in die zin dat zij de huishoudelijke verzorging niet bij een schoonmaakbedrijf zouden mogen inkopen.

De leden van de PvdA-fractie vragen op dit onderdeel tenslotte of de regering het gevaar aanwezig acht dat gemeenten prioriteit geven aan individuele voorzieningen boven collectieve voorzieningen, zoals het welzijnswerk. Terzake merkt de regering op dat algemene voorzieningen vaak een preventief karakter hebben. Een gerichte inzet van deze voorzieningen kan het beroep op individuele voorzieningen doen dalen. Dit algemeen erkende gegeven is uiteraard ook bij de gemeenten bekend. Daarom is de regering er van overtuigd dat gemeenten een goede afweging zullen maken tussen de bestedingen van publieke middelen aan collectieve voorzieningen en individuele voorzieningen. Dergelijke afwegingen zijn afhankelijk van de situatie op lokaal niveau en kunnen dus per gemeente verschillen.

Vervolgens komen de leden van de fractie van de CristenUnie aan het woord en zij vragen de regering toe te lichten of de voorstelling van zaken wel juist is dat de voorstellen van de RVZ afgewezen worden met het argument van een onwenselijke scheiding tussen collectieve en individuele voorzieningen. In hun ogen bepleit de RVZ een onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte taken.

De regering is het met deze leden eens dat het voorstel aangrijpt bij het onderscheid verplicht-onverplicht, maar is ook van mening dat de praktische betekenis daarvan neerkomt op het onderscheid individuele versus collectieve voorzieningen. Een verplichtend karakter voor individuele voorzieningen zou het gevaar inhouden zoals hiervoor door de fractie van de PvdA aangegeven. In de visie van de regering moeten gemeenten, in het belang van een adequate maatschappelijke ondersteuning, een integraal en samenhangend beleid kunnen voeren. In een model waarin een scheiding zou worden aangebracht tussen enerzijds collectieve voorzieningen en anderzijds individuele voorzieningen, zoals de RVZ voorstelt, kan de door de regering juist beoogde samenhang tussen individuele en collectieve voorzieningen niet goed worden gewaarborgd.

Door gemeenten de mogelijkheid te geven om individuele en collectieve voorzieningen in onderlinge samenhang vorm te geven, worden zij geprikkeld om een optimale mix aan te bieden, waarbij ook in preventieve voorzieningen kan worden geïnvesteerd.

Bijvoorbeeld: als in een wijk sprake is van overlast door jeugd, de gemeente een afweging moet kunnen maken tussen investering in welzijnsvoorzieningen voor de jeugd (collectieve voorzieningen) en gezinsgerichte interventies in de vorm van opvoedingsondersteuning (individuele voorziening) dan wel een combinatie van beide. Welke oplossing het beste is, is zo situatiegebonden, dat de gemeente niet op voorhand belemmerd moet worden in de mogelijkheid tot een optimale afweging te komen van te treffen maatregelen.

Probleemanalyse en doel van de wet

De leden van de PvdA-fractie vragen in dat verband of het juist is dat de regering niet iedere stijging van de huidige AWBZ-premie onaanvaardbaar vindt en zo nee, welke stijging zij dan aanvaardbaar vindt.

Voor de regering staat voorop de betaalbaarheid van de AWBZ als voorziening ook voor de lange termijn te handhaven. Dat de vergrijzing zal leiden tot een stijging van de uitgaven is voor de regering helder en acceptabel. De maatregelen van de regering strekken er juist toe deze kosten ook in de toekomst op te kunnen brengen. De vraag welke premie dan wel aanvaardbaar is kan niet worden beantwoord. Dat is een afweging die telkenmale in een veel bredere economische context en afwegingen van de totale lastendruk moet worden gemaakt.

Deze leden vragen vervolgens of ook de gemeenten zelf van mening waren dat de samenhang in de voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning verbeterd moet worden en of ook zij van mening waren dat hiertoe nieuwe wetgeving is vereist. Tevens vragen zij welke bestuurlijke consequenties hieraan moeten worden verbonden.

Uit gesprekken met diverse gemeenten is gebleken dat veel gemeentebestuurders vragen om meer instrumenten om duidelijke regie te kunnen voeren op het terrein van zorg, welzijn, wonen en dienstverlening. Veel burgers worden geconfronteerd met diverse veldpartijen die langs elkaar heen werken en waarbij er onvoldoende afstemming plaatsvindt. Zo is er momenteel een groot «grijs» gebied in de verantwoordelijkheid van gemeenten en zorgaanbieders op het terrein van maatschappelijke ondersteuning en dienstverlening, zoals bij de maaltijdvoorziening, alarmering, dagactiviteiten, cliëntondersteuning, etc. Gemeenten hebben aangegeven dat zij bereid zijn om deze regietaak op zich te nemen, waardoor er meer afstemming kan onstaan in het beleid van de verschillende partijen die een bijdrage leveren aan kwetsbare burgers in de samenleving. Met de invoering van de Wmo wordt de regierol bij de gemeente neergelegd. De regering zal in overleg met de VNG onderzoeken óf gemeenten meer instrumenten nodig hebben om deze regierol ook daadwerkelijk te kunnen uitvoeren. De ministeries van Binnenlandse Zaken en VROM zullen hierbij een belangrijke rol spelen.

Dezelfde leden vragen de regering ook op welke wijze dit wetsvoorstel gemeenten meer mogelijkheden biedt om burgers te bereiken die minder mondig zijn.

Met de Wmo zijn gemeenten verplicht om hun burgers en cliëntenorganisaties te betrekken in hun plannen voor de Wmo. Het advies van belangenorganisaties over de Wmo-plannen wordt als bijlage van het vierjarenplan naar de gemeenteraad gestuurd. Hoe beter cliëntenorganisaties zich voorbereiden op hun taak, hoe meer inspraak ze hebben. Een goed toegeruste cliëntenorganisatie is bovendien beter in staat om het gevoerde beleid achteraf te beoordelen.

Om de stem van die belangenbehartigers te versterken heb ik onlangs in 2006 en 2007 € 10 miljoen uitgetrokken. Met dit geld worden lokale cliëntenorganisaties en -platforms ondersteund bij hun taak als belangenbehartiger. De helft van het geld is gereserveerd voor cliëntenorganisaties van de geestelijke gezondheidszorg, één voorbeeld van minder mondige burgers waarnaar de fracties van de PvdA en de Christen Unie refereren. Door hun problematiek participeren psychiatrische patiënten en mensen met chronische psychische problemen tot nu toe minder in het gemeentelijke beleid dan bijvoorbeeld ouderen. Voor een goede uitvoering van de Wmo is het echter belangrijk dat de gemeenteraad ook de stem van GGZ-cliënten hoort. In overleg met de GGZ-patiënten/cliënten organisaties wordt gesproken over de inzet van het geld. Voorts is de regering van mening dat de wet gemeenten de mogelijkheid geeft om de signaleringsfunctie voor sociale problematiek te versterken. Zo acht de regering het zeer wel denkbaar dat aan een thuiszorgorganisatie niet alleen de opdracht tot levering van concrete huishoudelijke diensten wordt gegeven, maar ook afspraken worden gemaakt (mogelijkerwijs samen met de GGD) om «outreachend» in wijken te opereren.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de rol van de provincie is en wat precies het verschil is met de huidige ondersteuningsfunctie van provincies. Ook de leden van de CDA-fractie hebben een aantal vragen rond de rol van de provincie bij de ondersteuning van gemeenten bij de implementatie en uitvoering van de Wmo en ten aanzien van cliëntenparticipatie. Evenals dat nu het geval is kan in de Wmo de steunfunctie vanuit provincies voor (kleine) gemeenten divers worden ingevuld, afhankelijk van de behoeften van de gemeenten. Wat betreft de ondersteuning ten aanzien van cliëntenparticipatie op lokaal niveau via de Regionale patiënten en consumenten platforms (RPCP's), ziet de regering een duidelijke rol voor hen weggelegd. De RPCP's moeten door middel van een gericht ondersteuningsaanbod de lokale platforms faciliteren, zodat zij hun rol bij de beleidsvorming van hun gemeente op een effectieve wijze invulling kunnen geven.

De leden van de PvdA-fractie vragen hier, maar ook elders in het verslag of de regering zich er van bewust is dat de Algemene Rekenkamer in zijn rapport een belangrijke rol ziet weggelegd voor de rijksoverheid met betrekking tot het versterken van de samenhang op het terrein wonen, zorg en welzijn en vragen op welke wijze zij deze verantwoordelijkheid invult. Daarnaast heeft de fractie enkele vragen gesteld over de wijze waarop de gemeente haar regierol kan vervullen en samenhang op lokaal niveau tot stand kan brengen tussen de betrokken partijen. Hierbij vragen zij aandacht voor het wegnemen van wettelijke belemmeringen en over de beschikbaarheid van wettelijke instrumenten om deze regierol te kunnen waarmaken, indien partijen niet vrijwillig samenwerken. Hierbij wordt in het bijzonder gevraagd naar de regierol van de gemeenten in relatie tot de woningbouwcorporaties.

De regering is zich terdege bewust van het rapport van de Algemene Rekenkamer inzake wonen, zorg en welzijn van ouderen van juni 2003 en de aanbevelingen in dat rapport. De regering is van mening dat ze die verantwoordelijkheid ook invult onder meer door middel van deze wet (maar ook bijvoorbeeld door de financiering van zorginfrastructuur). Een van de aanbevelingen was juist het aanwijzen van een duidelijke regisseur. De regering wijst daarvoor de gemeenten aan. Ook beval de Rekenkamer aan dat het rijk inhoudelijke kaders zou moeten vaststellen die door gemeenten moeten worden uitgevoerd. In dat opzicht heeft de regering steeds van mening verschild met de Rekenkamer. Wederom geldt hier dat de regering de gemeenten als een volwaardige bestuurslaag ziet en niet als het uitvoeringsloket van het Rijk.

De fractieleden van de VVD wijzen erop dat veel mensen nu reeds een grote mate van eigen verantwoordelijkheid en inzet ervaren en vragen of de regering verwacht dat de Wmo de maatschappelijke inzet van mensen zal vergroten. De regering is zich zoals zij al eerder uitsprak zeer bewust van de inzet van veel mensen in het kader van vrijwilligerswerk of mantelzorg. In de memorie van toelichting bij de wet heeft ze daar nadrukkelijk gewag van gemaakt. Het doel van de wet is niet om meer mensen te dwingen eigen verantwoordelijkheid te nemen, maar om de vaak al aanwezige wens daartoe te ondersteunen bijvoorbeeld op het gebied van ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers. De regering is daar hiervoor uitvoerig op ingegaan. Wel verwacht de regering dat de wet bijdraagt aan het voor de toekomst behouden van het noodzakelijke draagvlak voor deze inzet van burgers .

De leden van de PvdA-fractie vragen in dit verband wat van gemeenten verwacht mag worden op het terrein van mantelzorg en vrijwilligerswerk.

De regering meent dat in de eerste plaats het ontwikkelen of in stand houden van een adequaat voorzieningenpakket verwacht mag worden. Gemeenten dienen ervoor te zorgen dat mantelzorgers zich met hun vragen (die vaak op meerdere terreinen betrekking hebben) niet elke keer bij een andere instantie moeten vervoegen. Regievoering, samenwerking tussen diverse voorzieningen en kwaliteit van de geboden diensten zijn dan ook belangrijke sleutelwoorden. Eerder heeft de regering al gewezen op het goede voorbeeld in de regio Alkmaar van de zogenaamde mantelzorgmakelaar. Gemeenten moeten er ook voor zorgen dat zij zicht krijgen op specifieke risicogroepen binnen hun gemeenten teneinde een daarop specifiek ondersteuningsaanbod in het leven te kunnen roepen. Bij dit geheel kan de bestaande infrastructuur voor mantelzorgondersteuning een belangrijke rol spelen.

Daarop aansluitend vragen de leden van de PvdA-fractie zich af of binnen de implementatie van de Wmo voldoende aandacht aan mantelzorg wordt besteed.

De regering is van mening dat dat inderdaad het geval is. In het implementatietraject wordt bijvoorbeeld in een aantal pilots bezien hoe de mantelzorger en diens behoefte aan ondersteuning op adequate wijze in beeld kunnen worden gebracht. Ook vindt overleg plaats met de LOT en Xzorg over een aantal zaken die betrekking hebben op de implementatie van de Wmo en de overgang daar naar toe.

De leden van de SP-fractie geven aan bezorgd te zijn over de marktwerking in de Wmo. Zij vrezen dat de continuïteit in de goede samenwerking tussen de verschillende voorzieningen in gevaar komt.

Zoals de regering in het wetsvoorstel heeft aangegeven is het van belang dat de gemeenten de regierol op zich nemen en zorgt voor samenhang in de voorzieningen. De wijze waarop zij zorg draagt voor deze samenhang is dan ook in eerste instantie aan de gemeente. Het staat de gemeente vrij om gebruik te maken van de traditionele aanbieders van de verschillende producten en diensten, maar zij kan er ook voor kiezen om diensten bij andere aanbieders in te kopen. Hierbij zal de gemeente onder meer letten op een goede prijs/kwaliteitsverhouding. Gemeenten hebben er echter alle belang bij dat de uitvoerende partijen goed samenwerken en een samenhangend aanbod realiseren. De regering kan zich voorstellen dat gemeenten in hun aanbestedingsprocedure ook het punt van samenwerking met andere instellingen en organisaties meewegen bij de keuze voor nieuwe aanbieders.

De fractieleden van GroenLinks vragen of de regering concreet kan aangeven hoeveel zij op lange termijn verwacht te besparen door het invoeren van de Wmo.

Het kabinet heeft in zijn brief van 23 april 2004 (Kamerstukken II, 2003/04, 29 538, nr. 1) over de AWBZ en de Wmo aangegeven wat op lange termijn potentiële besparingen zijn. Die besparingen vloeien niet voort uit een verminderde overheveling van middelen naar het gemeentefonds bij gelegenheid van de invoering van de Wmo, maar uit een verwachte verlaging van het groeicijfer van de zorguitgaven als gevolg van goede«voorliggende» welzijnsvoorzieningen op het lokale niveau. «Een euro in welzijn bespaart tien euro zorg» is een in dit verband veel gehoorde stelling.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn kennelijk minder overtuigd van deze stelling en vragen zich af op basis van welke onderzoeken, analyses en of studies de regering denkt dat het overhevelen van voorzieningen naar de Wmo leidt tot kostenbesparing. Zij kennen slechts een Nyfer studie in dit verband die het tegendeel aantoont. De regering merkt op dat de genoemde studie ten onrechte ervan uitgaat dat het vervallen van de aanspraak in de AWBZ leidt tot het in het geheel niet meer voorzien in huishoudelijke verzorging. Gelet op de Wmo is die stelling naar de mening van de regering niet houdbaar.

Dezelfde leden vragen zich af hoe de vermindering van de groei van de uitgaven dan concreet kan worden bereikt.

De regering is van mening dat goede lokale sociale voorzieningen ertoe bijdragen dat mensen langer in hun eigen omgeving kunnen blijven wonen en dat daarmee het beroep op dure zorgvoorzieningen wordt beperkt. De Wmo strekt er nu juist toe die lokale voorzieningen te bevorderen.

In het verlengde hiervan vragen deze leden ook wat door de regering wordt gezien als een aanvaardbare groei van de toekomstige uitgaven voor de Wmo.

De regering stelt voorop dat onder de Wmo de gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor het vaststellen van de aanvaardbare groei van de gemeentelijke Wmo-uitgaven. De regering gaat er daarbij vanuit dat bij handhaving van het bestaande voorzieningenniveau de toekomstige groei van de Wmo-uitgaven in de buurt zal liggen van de vergrijzing plus een opslag voor de stijgende kosten van arbeid en het extramuraliseringsbeleid. Bij de indexering van het budget voor gemeenten wordt hier ook rekening mee gehouden. Ten aanzien van de vraagontwikkeling komt het SCP tot conclusies die ook in deze richting wijzen. In de indexering van de uitgave speelt het aantal extramuraal verblijvende 75-plussers een belangrijke rol. Hiervoor is gekozen vanwege de eenvoud van het model. Uit deze keuze mag niet de onjuiste conclusie getrokken worden dat de middelen die vanwege deze factor toegevoegd worden aan het gemeentefonds exclusief aan ouderenzorg besteed zouden worden. Ze zijn ook wel degelijk bedoeld voor de gehandicaptenzorg.

De leden van de GroenLinks-fractie wijzen vervolgens op onderzoeken waaruit blijkt dat de «rek er bij de mantelzorgers uit is». Zij vragen zich af waarop de wens van de regering is gebaseerd dat mensen meer zelf oplossingen gaan zoeken in hun sociale omgeving.

De regering is daar hiervoor ook al op ingegaan. Zij is zich bewust van de zware belasting die mantelzorg met zich meebrengt en de onderzoeken op dat gebied. Het is naar de mening van het kabinet zeker niet de bedoeling dat er van mantelzorgers meer wordt gevraagd dan zij nu kunnen of willen bieden. In tegendeel. Het wetsvoorstel beoogt nu juist de ondersteuning te verbeteren.

Vervolgens stelt een aantal leden van de kamer vragen over de verantwoordelijkehidsverdeling die met de wet wordt beoogt en naar de mogelijkheden die gemeenten hebben.

Zo stellen de leden van de GroenLinks-fractie dat gemeenten er met de Wmo veel extra taken bij krijgen en vragen welke extra bevoegdheden de gemeenten krijgen om die extra taken uit te kunnen voeren.

– Allereerst merkt de regering op dat de extra taak zich nu in feite beperkt tot het voorzien in ondersteuning in het huishouden voor mensen die om welke reden dan ook die steun naar het oordeel van de gemeente nodig hebben. De overige taken behoren al tot de verantwoordelijkheid en het takengebied van gemeenten, maar worden in de wet expliciet geduid om het proces van de totstandkoming van een samenhangend beleid en verantwoording daarover naar de burgers te bevorderen:

– financiële sturing in het kader van welzijnsactiviteiten conform de (voormalige) Welzijnswet 1994;

– ruimtelijke sturingsinstrumenten op grond van de Wet ruimtelijke ordening;

– instrumenten voor bouwvergunningen.

De leden van de fractie van de CristenUnie wijzen er in dit verband op dat gemeenten niet altijd invloed hebben op zaken die rechtstreeks gevolg hebben voor de vraag naar Wmo-voorzieningen, zoals beslissingen rond AWBZ-indicatiestelling, investeringsbeslissingen in de zorgsector en de bouw van zorg- en ouderenhuisvesting door woningbouwcorporaties. Zij vragen hoe kan worden voorkomen dat gemeenten hierdoor hun taak niet goed kunnen uitoefenen. De leden van de fractie van de PvdA bepleiten in dit verband inspraak van de gemeente in beslissingen rondom vestigingsen investeringsbeslissingen in de AWBZ-sector en de realisering van zorgwoningen door corporaties.

De regering is met deze leden van mening dat beslissingen buiten het domein van de gemeentelijke beleidsverantwoordelijkheid van invloed kunnen zijn op de vraag naar Wmo-voorzieningen. Dat noodzaakt partijen tot onderling overleg en afstemming.

De regering is van mening dat investeringen in en de bouw van zorgen ouderenhuisvesting op zichzelf geen strijdigheid met de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor maatschappelijke ondersteuning oplevert. De mate van substitutie tussen «intramurale» AWBZ-voorzieningen en «extramurale» arrangementen van wonen, zorg en welzijn wordt niet bepaald door verzekeraars c.q. zorgkantoren of aanbieders van zorg, maar door het beleid van indicatiestelling. In dit verband is ook van belang dat het kabinet voorbereidingen treft om het mogelijk te maken dat mensen die op grond van hun zorgbehoefte een indicatie hebben die we in de huidige terminologie met «verblijf» aanduiden, diezelfde zorg (inclusief huishoudelijke verzorging) in een zelfstandige setting aangeboden kunnen krijgen.

De regering heeft met de VNG afgesproken dat zij betrokken wordt bij majeure beslissingen rond de AWBZ-indicatiestelling.

Ten aanzien van het beleid van de woningbouwcorporaties vindt overleg plaats in het kader van het rapport van de Commissie De Boer die aandacht besteedt aan de verhouding tussen gemeenten en woningcorporaties.

De leden van deze fractie vragen ook in welk opzicht de Wmo «outreachend» is.

De regering merkt in dit verband op dat in het kader van de Wmo het verstrekken van individuele voorzieningen niet aan een welomschreven verzekerd recht is gekoppeld dat door een individuele burger moet worden opgevraagd. De regering acht het zeer wel denkbaar dat de gemeente met een thuiszorgorganisatie afspreekt dat niet alleen individuele voorzieningen op aanvraag worden verstrekt, maar dat ook wordt afgesproken dat de thuiszorginstelling of een andere relevante organisatie, wijk of buurt gericht een signaleringsfunctie ten aanzien van vervuiling, vereenzaming of verkommering vervult. Doordat de Wmo zich niet beperkt tot individuele voorzieningen, maar zich bijvoorbeeld richt op de samenhang in buurt en wijk, is het voor de gemeente meer dan in de AWBZ mogelijk wijk of buurtgericht te werken. De AWBZ gaat er van uit dat burgers zelf aangeven wanneer zij hulp nodig hebben. De Wmo biedt mogelijk om ook de niet mondige burger te bereiken.

De leden van de SGP-fractie vragen of de gekozen maatregelen ook echt zullen leiden tot een op langere termijn houdbare AWBZ en of het reëel is te verwachten dat het schrappen van de huishoudelijke zorg hiervoor voldoende is. Tevens vragen de leden naar het perspectief van de regering voor de AWBZ op de langere termijn.

De regering is van mening dat het schrappen van de huishoudelijke zorg als aanspraak op voet van de AWBZ op zichzelf niet voldoende is om tot een houdbare AWBZ op langere termijn te komen. Immers hetzelfde bedrag wordt aan gemeenten ter beschikking gesteld. Wat de regering zoals eerder opgemerkt beoogt is, dat door middel van goede zogenaamde «voorliggende voorzieningen» de groei van de zorguitgaven geremd kan worden. Eerder refereerde de regering op soortgelijke vragen van de fractie van GroenLinks aan de stelling dat een euro welzijn tien euro zorg uitspaart. De regering neemt deze getalsverhouding natuurlijk niet letterlijk, maar is wel overtuigd van de juistheid van deze dynamiek.

De regering ziet de AWBZ op langere termijn nog steeds als een verzekering voor onverzekerbare risico's in de zorg, terwijl de Wmo een participatiewet is en zich daarmee van de AWBZ onderscheidt.

Sturing

De leden van de CDA-fractie vragen de regering in dit verband nadrukkelijk de wet zodanig aan te passen dat er voor de individuele voorzieningen een tijdelijke doeluitkering komt. Deze tijdelijkheid moet volgens hen in ieder geval duren tot de eerste evaluatie van de Wmo. Op dat moment kan volgens deze leden worden bekeken hoe het verder moet.

De regering begrijpt de leden van de CDA-fractie zo, dat zij zeker gesteld willen zien, dat in ieder geval gedurende een bepaalde tijd voldoende middelen zijn gereserveerd voor individuele voorzieningen en dat die tijd bepaald wordt door de resultaten van de evaluatie van de wet die thans binnen vier jaar is voorgeschreven.

De regering begrijpt de samenhang tussen de wens van een tijdelijke doeluitkering en het moment van evaluatie voor die zaken waarvan de verantwoordelijkheid overgaat van de AWBZ naar het gemeentelijke domein. Voor zaken waarvoor nu geen doeluitkering geldt, ligt die samenhang naar het oordeel van de regering minder voor de hand. Om aan de wens van deze leden tegemoet te komen heeft het kabinet afspraken gemaakt over de aanpassing van het macrobudget aan de feitelijke uitgaven zulks ter beoordeling van een onafhankelijke derde. Daarnaast zorgt een tijdelijke zorgplicht ervoor dat waarborgen worden geboden op het individuele niveau. Hiermee komt de regering materieel tegemoet aan de wens van de CDA-fractie. In aanvulling daarop overweegt de regering haar standpunt met betrekking tot de zorgplicht bij tweede nota van wijziging te herzien.

De leden van de CDA-fractie geven aan te beseffen dat het bij de doeluitkering inderdaad om zaken gaat die uit de AWBZ overgaan naar de Wmo. Maar zij verzoeken de regering wel de doelgerichtheid van de middelen voor de Wvg en de Welzijnswet 1994 nader uiteen te zetten.

Zowel de Wvg-middelen als de middelen die gemoeid zijn met de uitvoering van de Welzijnswet 1994 maken thans onderdeel uit van het gemeentefonds. Gemeenten zijn hier dus vrij in de aanwending van deze middelen. Er vindt wel periodiek onderzoek plaats naar klanttevredenheid in de Wvg. Gemeenten scoren hier de laatste jaren overwegend goed. Het welzijnsbeleid wordt niet meer periodiek geëvalueerd (althans niet landelijk). Wel hebben er direct na de decentralisatie van het welzijnsbeleid in 1987/89 enkele evaluaties plaatsgevonden, maar daarna heeft pas weer in december 2002 een landelijke evaluatie plaatsgevonden door het SCP getiteld «De werkelijkheid van de Welzijnswet». Uit deze evaluatie blijkt dat de gemeenten en provincies over het algemeen hun taken in het kader van de Welzijnswet 1994 goed hebben opgepakt. Wel is er soms nog te weinig samenhang met andere relevante beleidsterreinen en ontbreekt het nog aan een richtinggevend kader voor het lokale sociale beleid.

De leden van de CDA-fractie vragen ook de pilots huishoudelijke verzorging nadrukkelijk te beoordelen vanuit de cliënt en de praktijk van de uitvoering. Dat zegt de regering gaarne toe. De resultaten van de pilots worden langs twee wegen getoetst. Er is een toets uitgevoerd waarbij alle overeenkomsten/contracten die gemeenten hebben opgesteld met de betrokken partijen worden getoetst aan de hand van een lijst cruciale criteria. Daarnaast heeft een cliëntentoets plaatsgevonden die is opgebouwd uit drie onderdelen. In de eerste plaats heeft een gesprek plaatsgevonden met de betrokken lokale cliëntenplatforms over hun betrokkenheid bij de pilot en hun oordeel over de gemaakte afspraken en het vertrouwen daarin. In de tweede plaats is per gemeente met een groep van 5 tot 10 cliënten gesproken waarbij de vraag centraal stond op de nieuwe opzet voor cliënten helder was en wat dit procesmatig voor het betekent. Tot slot zijn de gemaakte afspraken aan de hand van casussen getoetst, om eventuele knelpunten rond de afstemming tussen Wmo en AWBZ boven water te krijgen. In het interview met gemeenten is aan de hand van specifieke vragen per casus getoetst welke afspraken over de verschillende onderwerpen zijn gemaakt en of deze afspraken sluitend zijn.

Dezelfde leden vinden het ook van groot belang dat een cliënt kan rekenen op een goede afstemming tussen AWBZ en Wmo. Het gaat hen daarbij om het voorkomen van dubbele indicaties, een op elkaar afgestemde eigen bijdrage regeling.

De regering begrijpt deze zorg en stelt alles in het werk om zulke situaties te voorkomen. Niet alleen ter voorbereiding van de wet, maar ook als de wet in werking is getreden. Uit de pilots huishoudelijke verzorging komt veel informatie beschikbaar die het mogelijk maakt een goede afstemming te borgen tussen de toekomstige uitvoerders van de Wmo en de uitvoerders van de AWBZ. In het lokale loket zal de afstemming plaatsvinden tussen de mogelijke indicatiestelling Wmo en de indicatiestelling AWBZ. De regering heeft het CIZ gevraagd hieraan volledige medewerking te verlenen. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat de indicatiestelling in de AWBZ vanuit het zorgperspectief plaatsvindt. Bij de indicatiestelling Wmo wordt zoals dat past bij deze wet een oordeel geveld vanuit het participatieperspectief. Het CIZ heeft ruime ervaring opgedaan om vanuit beide perspectieven indicaties te stellen. Ten aanzien van de eigen bijdrage wordt samen met het CAK gewerkt aan de vormgeving van een integrale aanpak van de beide eigen bijdrage regimes. Kern hiervan is dat berekening, vaststelling en inning door het CAK plaatsvindt. Hierdoor kan de cliënt erop rekenen dat hij slechts met een rekening wordt geconfronteerd.

Tevens vragen de leden van de CDA-fractie welk bewijs de pilots hebben opgeleverd dat de cliënt er zeker van kan zijn dat de AWBZ-zorg en de Wmo-zorg goed op elkaar zijn afgestemd. Een goede afstemming tussen AWBZ- en Wmo-zorg maakt expliciet deel uit van de toetsing van de pilots. De resultaten van deze toetsing verwacht de regering half oktober aan de kamer te kunnen aanbieden.

Een belangrijk punt voor de leden van de CDA-fractie is de bureaucratie. Zij vragen of de bureaucratie met de komst van de Wmo niet zal toenemen en of deze juist niet kan afnemen.

De regering deelt dit belangrijke aandachtspunt. Zij is van mening dat de bureaucratie als gevolg van de Wmo niet hoeft toe te nemen, maar dat een afname van de administratieve last vooral zal afhangen van de invulling die gemeenten aan de uitvoering geven. Op het onderdeel administratieve lasten komt de regering verderop in deze nota naar aanleiding van soortgelijke vragen nog uitvoeriger terug.

Vervolgens komen de leden van de PvdA-fractie aan het woord en zij vragen of de regering zaken die voor burgers van essentieel belang zijn niet aan de gemeenten toevertrouwt. Zij verwijzen in dit verband naar het gestelde in paragraaf 4 van de memorie van toelichting.

De regering ziet de gemeenten als een volwaardige bestuurslaag met democratische controle en hanteert bij de uitvoering van haar wetgevende taak het subsidiariteitsbeginsel. Dit betekent «decentraal wat decentraal kan en centraal wat centraal moet». Dus ook zaken die voor de burger van essentieel belang zijn kunnen op het lokale niveau zeker gesteld worden. Vanuit het perspectief van de burger is het van belang om de maatschappelijke ondersteuning op het lokale niveau te regelen.

Dezelfde leden vragen hoe de inbreng van direct betrokkenen in het gemeentelijke beleid precies vorm krijgt en wat de status is van hun tegenwicht tegen de gemeentelijke beleidsvrijheid. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen in dit verband wat de regering precies verstaat onder het «betrekken» van ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van het beleid.

De regering hecht eraan dat het plan en het daarop gebaseerde Wmo-beleid een zo groot mogelijk maatschappelijk draagvlak hebben. Naarmate het beleid beter aansluit bij de door de direct belanghebbenden gevoelde behoeften zal dit de effectiviteit van het beleid ten goede komen. De regering acht het de verantwoordelijkheid van de gemeenten zelf om hiervoor procedureregels te ontwerpen. Zij is van oordeel dat volstaan kan worden met het in de wet neerleggen van de verplichting tot het betrekken van belanghebbenden bij de voorbereiding van het plan.

Het gemeentebestuur stelt uiteindelijk het plan vast. Het zal daarbij rekening moeten houden met de inbreng uit de lokale samenleving, maar is er vanzelfsprekend niet toe gehouden om die altijd te honoreren. Inmiddels geven meerdere gemeenten al invulling aan het betrekken van burgers. Onder meer door het houden van bijeenkomsten, inloopavonden, publicaties in lokale media, et cetera. De gemeentelijke samenleving heeft er verder recht op dat de overwegingen en afwegingen, waarop de in het plan gemaakte keuzen zijn gebaseerd, helder worden toegelicht, inclusief waarom door het gemeentebestuur eventueel afgeweken is van maatschappelijke inbreng in de consultatieronde.

De leden van de PvdA-fractie vragen vervolgens wat in het geval van de Wmo de systeemverantwoordelijkheid van de regering behelst. Zij vragen of de regering afgerekend kan worden op de resultaten van de Wmo. Ook de fractieleden van GroenLinks vragen welke verantwoordelijkheden de regering voor zichzelf ziet.

De systeemverantwoordelijkheid van de regering is in de eerste plaats gelegen in haar wetgevende taak en de ordening van verantwoordelijkheden in dat kader. Als de wet in werking is, is het de verantwoordelijkheid van de regering ervoor te zorgen dat het systeem ook daadwerkelijk werkt. Dat wil zeggen dat met de wet de maatschappelijke doelen worden bereikt die bij de wet voor ogen stonden. De instrumenten daarvoor zijn het ter beschikking stellen van voldoende financiële middelen, bestuurlijk overleg (en ultiem bestuurlijke dwang conform de Gemeentewet), monitoring en kennisoverdracht en het op grond hiervan eventueel aanpassen van de wet. Deze verantwoordelijkheid omvat dus de verplichting om de macro-effecten van de Wmo kritisch te blijven volgen. Om die reden is in het wetsvoorstel in artikel 21 bepaald dat de regering elke vier jaar aan de Staten-Generaal verslag doet over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Deze leden vragen ook wat bedoeld wordt met de mededeling dat van gemeenten iets meer gevraagd mag worden dan wat reeds ingevolge de Gemeentewet van haar wordt gevraagd.

De regering bedoelt hiermee dat naast de algemene taken die de gemeenten hebben op basis van de Gemeentewet in het kader van het algemeen belang, in de Wmo extra taken worden aangewezen. Met de Wmo wordt dan ook een extra dimensie aan het goed functioneren van het lokale proces toegevoegd. Dat gebeurt in de eerste plaats in het wetsvoorstel zelf, door de verplichting aan gemeenten tot het vierjaarlijks opstellen van een plan met een sterk «agendazettend» karakter. Meer in het algemeen verplicht het wetsvoorstel tot het vinden van maximaal lokaal draagvlak, tot maximale transparantie van het gemeentelijke beleid, en tot verantwoording op het lokale niveau.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de invulling van de systeemverantwoordelijkheid van de rijksoverheid zich verhoudt met artikel 22 van de Grondwet.

Terzake merkt de regering op dat de Wmo invulling geeft aan het derde lid van artikel 22 dat luidt: «Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijheidsbesteding». «Zij» is in dit verband de overheid. Door de Wmo te maken en door deze te monitoren op de maatschappelijke doelen en bij te stellen indien nodig, voldoet de rijksoverheid met haar systeemverantwoordelijkheid aan het gestelde in de Grondwet. Daarnaast wijst de regering er met nadruk op, dat ook de gemeente «overheid» is. De regering ziet de gemeentelijke overheid als een volwaardige bestuurslaag die mede invulling geeft aan het gestelde in de Grondwet.

Terzijde merkt de regering nog op dat met de Wmo ook een bijdrage wordt geleverd aan de overige leden van artikel 22, te weten: «de overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid» (onder andere door een zoals eerder in deze nota genoemde outreachende aanpak) en «bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid» (onder andere door de mogelijkheden voor een betere afstemming tussen wonen, zorg en welzijn en de regie daarop).

De leden van de PvdA-fractie vragen ook waarom de memorie van toelichting geen afwegingskader bevat waarin ondermeer de definitie wordt bepaald van «meedoen» en dat tevens richtinggevend is voor gemeenten.

De regering merkt in de eerste plaats op dat in de memorie van toelichting beschreven wordt wat de regering in het kader van de Wmo verstaat onder «meedoen». «Meedoen» richt zich op het volwaardig deelnemen aan de samenleving oud en jong met of zonder beperkingen. Eerder in de inleiding van deze nota is de regering op vragen van de LPF-fractie terzake al ingegaan op de definities van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Als mensen niet op eigen kracht kunnen participeren, ondersteunen gemeenten deze mensen door het herstellen van de zelfredzaamheid. Vanuit het perspectief van de burger kan de verdere invulling van meedoen op lokaal niveau plaatsvinden. Om die reden ziet de regering er bewust vanaf om de gemeenten een afwegingskader op te leggen. Zij is er niet van overtuigd dat de concrete invulling beter vanachter een Haags bureau kan worden bepaald.

De leden van de PvdA-fractie vragen vervolgens of het juist is dat er op grond van artikel 9 van de wet geen verantwoording door de gemeenten aan het Rijk wordt afgelegd. In de paragraaf in het verslag over de uitvoeringslasten geven deze leden zelf reeds een antwoord. Zij vragen daar hoe het volledig ontbreken van een informatieverplichting zich verhoudt tot de systeemverantwoordelijkheid van het Rijk. Zij koppelen daaraan tevens de suggestie om een rapportage op hoofdlijnen in de vorm van een Jaarbeeld Wmo naar de Tweede Kamer te sturen.

Naar aanleiding van deze vragen merkt de regering op dat artikel 9 niet bedoeld is als verantwoording van gemeenten aan het Rijk, maar is opgenomen om te benadrukken dat artikel 9 alleen betrekking heeft op de verantwoordingsrelatie tussen gemeenten en haar burgers en maatschappelijke organisaties. De informatievoorziening tussen gemeenten en het Rijk is geregeld in artikel 19. De regering maakt echter ten principale onderscheid tussen informatievoorziening ten behoeve van monitoring en verantwoordingsinformatie.

Het gaat in het geval van artikel 19 niet om verantwoordingsinformatie waarop ten aanzien van een individuele gemeente sancties kunnen volgen, maar om informatie op grond waarvan kan worden beoordeeld of het systeem van de wet goed werkt en of de maatschappelijke en bestuurlijke doelen bereikt worden. Op deze manier geeft de regering inhoud aan haar systeemverantwoordelijkheid. Voor wat betreft de suggestie van de PvdA-fractie om, conform het Jaarbeeld Zorg, jaarlijks een jaarbeeld Wmo naar de kamer te sturen is de regering gaarne bereid dat in overweging te nemen. De vorm waarin wil de regering graag in beraad houden. Het is namelijk goed denkbaar in het desbetreffende beleidsartikel van het departementaal jaarverslag hierover te rapporteren.

De leden van de PvdA-fractie stelden ook een aantal vragen over het vierjaarlijks Wmo-plan dat gemeenten moeten opstellen. Zij vragen in het bijzonder naar de voorwaarden waaraan dit plan moet voldoen en óf de wijze waarop deze verplichting is verwoord in de wetstekst wel voldoende wordt waargemaakt. Tenslotte vragen deze leden zich af óf gemeenten die beredeneerd tot de conclusie komen dat er geen gemeenschappelijke inspanningen nodig zijn om maatschappelijke ondersteuning te bevorderen, wel verplicht zijn tot de opstelling van zo'n plan.

Zoals de regering in de memorie van toelichting heeft aangegeven neemt het opstellen van een vierjaarlijks plan een centrale plaats in in het op geordende wijze totstandkomen van maatschappelijke ondersteuning op lokaal niveau. Artikel 3 verplicht de gemeenteraad dan ook telkens voor een periode van ten hoogste vier jaren een plan op te stellen. In dit plan wordt voor deze periode op hoofdlijnen de doelen en de te bereiken resultaten van het beleid weergegeven van de gemeente op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning. Voor het opstellen van een plan gelden zowel inhoudelijke voorwaarden als procesvoorwaarden. Een belangrijke inhoudelijke voorwaarde is dat de doelen van het gemeentelijke beleid op de verschillende prestatievelden in hun onderlinge samenhang worden weergegeven. Zo kan in dit plan bijvoorbeeld ingegaan worden op de wijze waarop de gemeente de leefbaarheid in wijk x wil verbeteren en hoe zij de samenwerking tussen de mantelzorg en het vrijwilligersbeleid wil versterken. Dit vraagt immers om gezamenlijke inspanningen van gemeentelijke diensten en diverse organisaties die op lokaal regionaal niveau actief zijn, zoals woningbouwcorporaties, buurtorganisaties, welzijnsinstellingen, zorgaanbieders, vrijwilligersorganisaties, etc. Daarnaast moet het plan aandacht schenken aan de kwaliteit van de dienstverlening en de wijze waarop de gemeente om wil gaan met de keuzevrijheid van de burger.

Naast inhoudelijke voorwaarden zijn er ook procedurele voorwaarden. Het opstellen van het plan vormt immers een essentieel element van de horizontale verantwoording. Allereerst vormt het plan de basis om met lokale belangenbehartigende organisaties van groepen burgers en cliënten van voorzieningen en lokale aanbieders in dialoog te gaan over de doelen van het gemeentelijke beleid. Op basis van een inventarisatie van de lokale vraagstukken en behoeften en na overleg met betrokken burger- en cliëntenorganisaties kan het gemeentebestuur prioriteiten stellen in het gemeentelijke beleid. Omdat de lokale behoeften en vraagstukken alsmede de politieke kleur van het lokale bestuur kan verschillen per gemeente, is het ook aan het lokale bestuur om «iets te vinden» van de doelstellingen van het gemeentelijk beleid voor de maatschappelijke ondersteuning. Belangrijke voorwaarde bij het opstellen van een plan is dan ook dat het plan in nauw overleg met de betrokken actoren wordt opgesteld en een goed en realistisch beeld geeft van de doelstellingen en resultaten die de gemeenten wil bereiken in de komende periode.

Zowel deze inhoudelijke als procesmatige voorwaarden brengt de regering op het standpunt dat er van vage omschrijvingen met betrekking tot het opstellen van het Wmo-plan geen sprake is.

Ervaringen met andere planverplichtingen zoals in de Wet collectieve preventie volksgezondheid laten zien, dat gemeenten dit ook consequent doen. Mocht echter een gemeente na inventarisatie toch tot de conclusie komen dat er geen behoefte is aan maatschappelijke ondersteuning, dan bestaat het plan uit de motivering en onderbouwing waarom dat het geval is. Omdat de Wmo echter een breed beleidsterrein omvat (variërend van jeugdbeleid, leefbaarheid, vrijwilligersbeleid tot aan het verstrekken van individuele voorzieningen aan minder draagkrachtige burgers), acht de regering de kans dat er geen lokale vraagstukken en behoeften zijn waar de gemeente een bijdrage aan kan leveren, zeer gering.

Wel is het mogelijk dat het plan tussentijds gewijzigd wordt of een nieuw plan wordt opgesteld. Hierbij denkt de regering in eerste instantie aan tussentijdse wetswijzigingen, die van invloed zijn op het gemeentelijke beleid. Een volgend kabinet zou bijvoorbeeld kunnen besluiten om meerdere functies vanuit de AWBZ over te hevelen naar de Wmo. Daarnaast is het mogelijk dat er tussentijdse wijzigingen plaatsvinden in het gemeentelijke beleid als gevolg van hernieuwde inzichten, wijzigingen in de lokale omstandigheden, alsmede wijzigingen in het lokale bestuur. Het spreekt voor zich dat wijzigingen in het beleidsplan ook voorgelegd worden aan de lokale belangenbehartigende organisaties van burgers en cliënten.

De leden van de PvdA-fractie wil weten in welk opzicht in dit wetsvoorstel de voorbereiding en verantwoording op lokaal niveau beter vastgelegd is dan in de Wvg.

In artikel 3 van het wetsvoorstel is de verplichting voor gemeenten opgenomen om voor maximaal vier jaar een plan op te stellen. Dit plan heeft een agendasettend karakter. Het plan moet ook, op basis van artikel 12, voorgelegd worden aan vertegenwoordigers van representatieve organisaties van vragers op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. In de Wvg is een dergelijk plan niet verplicht. Daarnaast worden gemeenten verplicht jaarlijks een aantal gegevens over hun prestaties op het gebied van maatschappelijke ondersteuning beschikbaar te stellen aan burgers en maatschappelijke organisaties.

De leden van de PvdA-fractie zijn voorts van mening dat gemeenten op reguliere basis moeten onderzoeken óf vragers van maatschappelijke ondersteuning tevreden zijn over de door de gemeente geleverde maatschappelijke ondersteuning. Zij vragen zich af waarom de verplichting tot het houden van zulke tevredenheidsonderzoeken niet opgenomen is in het wetsvoorstel.

De regering is met de leden van de PvdA-fractie van mening dat periodiek moet worden onderzocht in hoeverre gebruikers van de door de gemeente gefinancierde diensten daarmee tevreden zijn . In de memorie van toelichting is aangegeven dat de gemeente zich een beeld moet vormen van de gewenste sociale structuur, de knelpunten daarbij moet analyseren en de vraag moet stellen welke behoefte er op de verschillende onderdelen van de maatschappelijke ondersteuning is en bij wie. Bij de beantwoording van deze vraag moet zij alle betrokken groeperingen horen en het uiteindelijk genomen besluit voldoende onderbouwen. De tevredenheid van burgers over de dienstverlening zal hierbij een aspect zijn. Belangrijk is dat ook aandacht besteed wordt aan soms kleine groepen in de samenleving met een specifieke behoefte en groepen die hun behoefte niet zelf naar voren kunnen brengen. In artikel 9 is voorts bepaald dat de gemeenten jaarlijks bij ministeriële regeling bepaalde gegevens publiceren. Onder die gegevens zal in ieder geval ook de cliënttevredenheid worden opgenomen.

De leden van de PvdA-fractie vragen vervolgens waarom gemeenten alleen verplicht worden verordeningen op te stellen voor individuele voorzieningen en niet voor collectieve voorzieningen.

De regering deelt in dit verband de mening van de Raad van State in zijn advies, dat het helder moet zijn wat burgers aan ondersteuning van hun gemeente kunnen verwachten. De Raad adviseert daarom in het wetsvoorstel op te nemen een verplichting voor gemeentebesturen om de voorzieningen waarop burgers aanspraak kunnen maken in een verordening vast te leggen. Artikel 5 beperkt zich tot de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen, omdat het bij deze voorzieningen gaat over aanspraken van burgers. Voor verordeningen over andere dan deze individuele voorzieningen gelden de bepalingen uit de Gemeentewet.

De leden van de fractie van de PvdA vragen enigszins verontrust waarom de zorgplicht slechts tijdelijk en voor een beperkt aantal voorzieningen wordt geregeld, waarop deze selectie is gebaseerd en of de regering bereid is de zorgplicht te verankeren voor een breed pakket aan essentiële (revalidatie) hulpmidden. Deze leden, evenals verderop in het verslag de leden van de ChristenUnie, vragen verder waarom de zorgplicht niet geldt tot aan de evaluatie van de wet na vier jaar. De leden van de SP-fractie bepleiten een permanente zorgplicht in de wet vast te leggen. Ook de leden van de GroenLinks-fractie vragen eveneens waarom de zorgplicht tijdelijk van aard is en wat de consequenties zijn van de beëindiging. Deze leden spreken zelfs van het vogelvrij verklaren van mensen. De leden van de SGP-fractie vragen hoe tot de selectie is gekomen van de voorzieningen waarvoor een zorgplicht gaat gelden en die in enige vorm en mate beschikbaar moeten zijn. Deze leden vragen of dat niet voor andere voorzieningen geldt, bijvoorbeeld aanpassingen van woningen.

De regering herhaalt allereerst het antwoord op soortgelijke vragen eerder in deze nota dat zij de gemeente als een volwaardige bestuurslaag met democratische controle beschouwt. Zij kan zich absoluut niet vinden in kwalificaties als zouden burgers onder gemeentelijk gezag vogelvrij verklaard zijn. Ten principale vindt de regering dat van een zorgplicht slechts sprake kan zijn bij wijze van overgang. De regering erkent dat verandering in verantwoordelijkheden altijd enige gewenningstijd met zich mee brengt. Dit impliceert dat het opleggen van een zorgplicht slechts als een tijdelijke overgangsmaatregel geldt voor zaken waarbij veranderingen optreden. Dat is vooral het geval bij die zaken waarvan de verantwoordelijkheid van de AWBZ overgaan naar de Wmo. Dat geldt dus niet voor de Wvg. Als deze wet ondergebracht wordt in de Wmo treden er geen veranderingen op, daarom ligt het niet voor de hand om in dit kader een tijdelijke zorgplicht op te leggen.

Op eerdere vragen van de leden van de CDA-fractie is de regering ingegaan op de samenhang tussen de duur van de tijdelijke zorgplicht en het moment van evaluatie van de wet. De regering is bereid die twee momenten aan elkaar te koppelen.

Het heeft de leden van de PvdA-fractie voorts bevreemd dat de reikwijdte van de zorgplicht wordt bepaald in een amvb. Deze leden zijn van oordeel dat de reikwijdte van een zorgplicht van zodanig belang is dat deze in de wet moet worden omschreven. De leden concluderen met de regering dat met de amvb een flexibele invulling mogelijk wordt, maar zij vragen zich af of deze flexibele invulling ook wenselijk is. Tevens vragen deze leden wanneer de regering voornemens is de amvb bij de kamer voor te hangen.

De regering heeft er inderdaad voor gekozen de voorzieningen waarvoor een zorgplicht gaat gelden niet bij wet, maar bij algemene maatregel van bestuur te benoemen. Deze keuze wordt vooral ingegeven om de mogelijkheid te behouden om bij wisselende omstandigheden tijdig en flexibel op de veranderingen die zich in het maatschappelijke veld voordoen in te kunnen spelen zonder daarvoor direct de wet te hoeven veranderen. In de memorie van toelichting bij de wet is echter aangegeven waaraan wordt gedacht, namelijk huishoudelijke zorg waarop voorheen een aanspraak op grond van de AWBZ gold en aan het verstrekken van rolstoelen en scootmobielen. Aan deze voorzieningen wordt nog steeds gedacht. Het gaat om voorzieningen die de gemeente in ieder geval dient te verlenen. De algemene maatregel van bestuur is niet limitatief ten aanzien van de voorzieningen die de gemeente kan leveren. De regering zal de Tweede Kamer blijven informeren over de voorgenomen inhoud van de amvb. De regering overweegt om bij tweede nota van wijziging de duur van de wettelijke verankering van de zorgplicht aan te passen.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af of gemeenten wel over voldoende instrumenten beschikken om de regierol voor het lokale ondersteuningsbeleid waar te maken. Zij vragen zich af of het niet veel beter zou zijn als gemeenten meer inspraak krijgen over beslissingen rondom vestigings- en investeringsbeslissingen in de AWBZ en de realisering van zorgwoningen door corporaties.

De regering is met de leden van de VVD-fractie van mening dat beslissingen buiten het domein van de gemeentelijke beleidsverantwoordelijkheid van invloed kunnen zijn op de vraag naar Wmo-voorzieningen. Op soortgelijke vragen van de leden van de ChristenUnie-fractie is de regering daar eerder op ingegaan. De regering gaf daarbij aan dat investeringen in en de bouw van zorgen ouderenhuisvesting op zichzelf geen strijdigheid met de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor maatschappelijke ondersteuning oplevert. De mate van substitutie tussen «intramurale» AWBZ-voorzieningen en «extramurale» arrangementen van wonen, zorg en welzijn wordt niet bepaald door verzekeraars c.q. zorgkantoren of aanbieders van zorg, maar door het beleid van indicatiestelling. De regering wees in dit verband ook op het feit dat het kabinet voorbereidingen treft om het mogelijk te maken dat mensen die op grond van hun zorgbehoefte een indicatie hebben die we in de huidige terminologie met «verblijf» aanduiden, diezelfde zorg volledig (dus ook huishoudelijke verzorging) in een zelfstandige setting aangeboden kunnen krijgen. Dat is van groot belang voor zelfstandig wonende mensen met een complexe handicap. Daarvoor is het nodig de huidige aanspraak verblijf te splitsen in enerzijds de verblijfdiensten en anderzijds de fysieke component van «vier muren en een dak». Thans vervalt ook de aanspraak op verblijfsdiensten als de cliënt zelf voor de «vier muren en een dak» wenst te kiezen. De welzijnscomponent wordt dan afgewenteld op gemeenten. De aanspraakformulering en de indicatiestelling zijn dus bepalend voor de vraag naar Wmo-voorzieningen. Op de vraag van de leden van de VVD-fractie of het dan gewenst is gemeenten c.q. de VNG te betrekken bij veranderingen terzake, kan worden opgemerkt dat de regering in overleg met de VNG beziet op welke wijze de positie van gemeenten gewaarborgd kan worden bij veranderingsbeslissingen terzake.

Ten aanzien van het beleid van de woningbouwcorporaties vindt overleg plaats in het kader van het rapport van de Commissie De Boer die aandacht besteedt aan de verhouding tussen gemeenten en woningcorporaties.

De leden van de VVD-fractie stellen een cruciale notie aan de orde, namelijk dat de Wmo geen zorgwet mag worden. De regering is het met de leden van de VVD-fractie volstrekt eens dat duidelijk moet zijn onder welke wettelijke regeling aanspraken en voorzieningen geregeld zijn. Ook is de regering het volstrekt eens met de leden van de VVD-fractie dat de Wmo geen zorg- maar een participatiewet is. Helderder dan deze leden het stellen kan de regering het niet formuleren: zorg hoort in het verzekerde domein en maatschappelijke ondersteuning is een gemeentelijke verantwoordelijkheid. De zorgverzekeringswet richt zich op de curatieve zorg. De AWBZ is uiteindelijk bedoeld voor de onverzekerbare risico's. De Wmo richt zich op de maatschappelijke ondersteuning van de burgers. Bij het eventueel verder overhevelen van onderdelen van functies naar een van de andere wettelijke regelingen zal deze redeneerlijn het uitgangspunt zijn.

De leden van de VVD-fractie vinden overheveling van de huishoudelijke verzorging een goede zaak, maar vragen wel wat de voordelen zijn van de overheveling van de gehele huishoudelijke verzorging in een keer uit een oogpunt van zorgvuldigheid. Ook de leden van de PvdA-fractie vragen waarom de regering de gehele huishoudelijke verzorging wil overhevelen. Zij vragen zich af of met het oplossen van de «knip» voor gemeenten niet het probleem op het bordje van de burgers worden gelegd.

De regering is van oordeel dat met het overhevelen van de volledige huishoudelijke verzorging wordt voorkomen dat mensen voor dezelfde functie tussen AWBZ en Wmo heen en weer geschoven worden. Bijvoorbeeld de situatie waarbij iemand begint met alleen een indicatie voor huishoudelijke verzorging. Dan wordt deze geleverd onder verantwoordelijkheid van de gemeente. Na enkele maanden neemt de zorgvraag toe en is ook persoonlijke verzorging noodzakelijk. Op dat moment wordt de huishoudelijke verzorging niet langer onder verantwoordelijkheid van de gemeente geleverd, maar via de AWBZ. Dit zou kunnen betekenen dat betrokkene met een andere zorgaanbieder te maken krijgt en een ander eigen bijdrageregime. Als na verloop van tijd de persoonlijke verzorging niet meer noodzakelijk is, moet hij weer terug naar de gemeente met wederom alle veranderingen van dien. Dit wordt vanuit het cliëntperspectief zeer onwenselijk geacht en daarom gaat de voorkeur van de regering ernaar uit de gehele huishoudelijke verzorging in een keer over te hevelen naar de verantwoordelijkheid van gemeenten. Het is inderdaad zo dat er dan een «knip» ontstaat tussen de huishoudelijke verzorging en de andere AWBZ-functies maar door goede afspraken tussen gemeenten, zorgaanbieders en zorgkantoren kunnen veel afstemmingsproblemen worden voorkomen. Bovendien is het zo dat omgekeerd voor veel mensen de verantwoordelijkheid juist duidelijker wordt. Uit onderzoek van het CAK is inmiddels gebleken, dat van de mensen die huishoudelijke zorg ontvangen meer dan de helft ook gebruik maakt van gemeentelijke Wvg-voorzieningen. De resultaten van de pilots huishoudelijke zorg laten zien waar het van belang is goede afspraken te maken tussen alle betrokken partijen en «backoffice» vraagstukken ook echt «backoffice» vraagstukken te laten zijn. De regering is voornemens om ten behoeve van het overgangstraject standaardmodellen daarvoor te ontwikkelen.

De leden van de PvdA-fractie wijzen in dit verband ook op de brief van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) over uitstel tot 1 januari 2007. In gesprekken met de VNG en ZN over de invoering van de Wmo komen vele onderwerpen aan de orde om te bezien hoe de overgang van de huishoudelijke verzorging op een zorgvuldige manier kan plaatsvinden. Ook een mogelijk uitstel is genoemd door ZN. De argumenten die door ZN zijn ingebracht om tot een mogelijk uitstel te besluiten zijn voor mij niet overtuigend. De regering houdt vast aan de invoeringsdatum van 1 juli 2006.

De leden van de VVD-fractie pleiten ervoor om bij de overheveling van de ondersteunende en de activerende begeleiding onderscheid te maken tussen groepen van mensen die voor hun zelfstandigheid een beroep doen op professionele zorg en groepen mensen die meer vanuit sociale omstandigheden een beroep op hulp doen.

De leden van de VVD-fractie steunen vooralsnog niet een toekomstbeeld waarbij de gehele ondersteunende en activerende begeleiding over gaan naar de Wmo.

De regering begrijpt de redenering van deze leden goed. Zij kan dan ook niet duidelijk genoeg zeggen dat het niet in het voornemen van deze regering ligt deze functies geheel als aanspraak op voet van de AWBZ te schrappen. Ook hier volgt de regering de redenering dat de Wmo een participatiewet is en de AWBZ een zorgwet. Dat betekent dat bij het mogelijk overhevelen van onderdelen van de huidige functies ondersteunende en activerende begeleiding slechts die onderdelen overgeheveld zullen worden die van doen hebben met maatschappelijke ondersteuning. De regering wijst er ook in dit verband op dat zij voorbereidingen treft om ervoor te zorgen dat mensen met complexe aandoeningen die in de huidige terminologie een indicatie voor verblijf rechtvaardigen, die zorg in volle omvang ook in een zelfstandige setting aangeboden kunnen krijgen. Daarvoor zal het besluit zorgaanspraken in die zin worden aangepast dat de functie verblijf wordt opgeknipt in de diensten die nu met verblijf verbonden zijn (waar in dit «intramurale» verband bijvoorbeeld de huishoudelijke zorg onder valt) en het verblijf zelf («de vier muren en een dak»). In die situaties zal dus het volledige pakket geïndiceerd kunnen worden inclusief de huishoudelijke zorg, de ondersteunende en de activerende begeleiding.

De leden van de VVD-fractie vragen, gelet op de door hen onderschreven decentrale sturingsfilosofie van de Wmo, of niet volstaan kan worden met in de wet vast te leggen dat gemeenten zaken moeten regelen, zonder de hoe-vraag te beantwoorden. De controletaak kan dan worden overgelaten aan de gemeenteraad en aan belanghebbende organisaties. Verder vragen deze leden of de zorgplicht niet vervangen kan worden door een compensatieplicht, conform het advies van de RvZ.

De regering is het met de leden van de VVD-fractie eens, dat het wenselijk is dat gemeenten ruime beleidsvrijheid krijgen om de taken op het terrein van de Wmo naar eigen inzicht in te vullen. Dat is ook de reden dat de regering gemeend heeft te volstaan met het benoemen van prestatievelden zonder aan te geven hoe deze lokaal moeten worden ingevuld. Eerder in dit verslag heeft de regering ook de tijdelijkheid van de zorgplicht gemotiveerd bij wijze van overgangsmaatregel.

De regering onderschrijft de opvatting van de RVZ dat primair gedacht moet worden aan compensatie van beperkingen van mensen en niet aan het leveren van voorzieningen maar vindt regulering daarvan gelet op het voorgaande niet wenselijk. De regering is van oordeel dat het wel wenselijk is om in de wet waarborgen op te nemen voor de procesgang, zoals de betrokkenheid van cliëntorganisaties of de informatievoorziening.

De leden van de VVD-fractie informeren vervolgens naar de «één loket gedachte». Met «het loket» bedoelt de regering een herkenbaar punt binnen een gemeente waar een burger terecht kan met vragen over de voorzieningen binnen de gemeente. Uitgangspunt is dat het loket informatie en advies geeft, er vragen verhelderd kunnen worden en veel aanvragen voor voorzieningen direct kunnen worden afgehandeld of vindt gerichte doorverwijzing plaats. Veel gemeenten hebben een loket, maar dat loket mist soms nog de diepte of breedte die juist voor een soepele toegang tot voorzieningen in het kader van de Wmo nodig is. Om de informatie en adviesfunctie, doorgeleiding naar cliëntondersteuning en toegang tot voorzieningen uit de Wmo of ook breder (AWBZ, huursubsidie) goed vorm te kunnen geven, wordt op basis van de Wmo elke gemeente gedwongen na te denken over de loketfunctie. Daarbij ligt het voor de hand om het loket zo in te richten dat de burger daarbij het meest gediend is. Het CIZ is daarom gevraagd om daar waar een gemeente daartoe een verzoek doet, de indicatiestelling integraal in het loket te laten plaatsvinden. Daarbij geldt wel dat bij de indicatiestelling rekening gehouden moet worden met de verschillende perspectieven die aan respectievelijk de AWBZ en de Wmo ten grondslag liggen. De AWBZ gaat over zorg en de Wmo over de ondersteuning van de maatschappelijke participatie.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de omvang van het budget voor de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ) dat van de AWBZ naar de Wmo wordt overgeheveld. Verder verwijzen zij naar de GGZ-projecten op het gebied van de OGGZ. Zij vragen ook of bij het ingaan van de Wmo deze projecten onmiddellijk moeten worden stopgezet. Ten slotte stellen zij voor om de op genezing gerichte zorg binnen de OGGZ naar het zorgverzekeringspakket overhevelen.

Tot de overheveling van de OGGZ-middelen van de AWBZ naar gemeenten is besloten om de al bestaande taken van de gemeenten op het gebied van de OGGZ te versterken (Kamerstukken II, 2004/05, 29 325 nr. 2 en nr. 5). Het gaat daarbij om de financiering van die OGGZ-activiteiten die ten dienste staan van de toeleidingsfunctie naar de zorg, te weten signaleren, opsporen, contact leggen en contact houden (bijvoorbeeld door middel van spreekuren), het toeleiden zelf én de ongevraagde nazorg (volgen van cliënten om terugval te voorkomen).

Over de totale omvang van het over te hevelen budget vindt op dit moment overleg plaats met betrokken partijen zoals GGZ Nederland en de VNG. Binnenkort wordt de kamer over de uitkomsten daarvan geïnformeerd.

Voor eventuele GGZ-projecten en activiteiten op het gebied van de OGGZ/bemoeizorg betekent dit dat zij met de (centrum)gemeente als financier te maken kunnen krijgen. Gemeenten kunnen besluiten om OGGZ-activiteiten op het gebied van de toeleiding (deels) in te kopen bij GGZ-instellingen. Daarnaast blijft het voor de GGZ mogelijk om vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de AWBZ aan OGGZ-projecten deel te nemen. Bij de Zvw gaat het dan om de extramurale geneeskundige GGZ en het eerste jaar van de intramurale geneeskundige GGZ. De overheveling van de AWBZ-middelen voor de OGGZ-activiteiten op het gebied van de toeleiding verandert hier niets aan.

Het verslag vervolgt ermee, dat de fractieleden van de SP hun verontrusting uitspreken over de invoering van de Wmo en zij vragen of de regering bereid is het Wvg-protocol alsnog in de Wmo op te nemen. Die leden baseren zich op de vooronderstelling dat de huidige praktijk van de uitvoering van de Wvg kwalitatief onder de maat is.

De regering is het met deze vooronderstelling niet eens. Uiteraard zullen er individuele gevallen van ontevredenheid zijn, maar na een moeizame start blijkt uit evaluaties keer op keer dat de stelling van een ondermaatse uitvoering niet houdbaar is. Uit de monitor Wvg-protocol blijkt dat 80% van de cliënten vindt dat er voldoende aandacht is besteed aan zijn persoonlijke situatie en omstandigheden. Tevens vond 90% van de cliënten dat een juiste voorziening geboden is. Het wettelijk verankeren van het Wvg-protocol is derhalve niet aan de orde.

Ook spreken deze leden hun zorg uit over de tijdelijke zorgplicht. De regering is daarop hiervoor al ingegaan, mede naar aanleiding van vragen van deze fractieleden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen wanneer de regering ingrijpt als de gemeente in gebreke blijft en welke instrumenten de regering dan tot haar beschikking staan.

Zoals reeds eerder in deze nota uiteengezet heeft het Rijk een systeemverantwoordelijkheid op grond van deze wet.

De wet voorziet niet in ingrijpen in situaties van individuele gemeenten. Daarom ook ziet de regering de informatie die zij van gemeenten krijgt niet als verantwoordingsinformatie. Dat laat onverlet dat in de onderlinge vergelijking van gemeenten ondermaatse uitvoering aan de orde kan worden gesteld. Bestuurlijke beïnvloeding is daarvoor de aangewezen weg. In het geval dat de gemeente zodanig in gebreke blijft en er sprake is van taakverwaarlozing is het gebruikelijke provinciale toezicht op grond van de Gemeentewet van toepassing.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen nog welke instrumenten burgers hebben om goede ondersteuning af te dwingen.

In de beantwoording hiervan moet een onderscheid gemaakt worden in de individuele voorzieningen en de collectieve voorzieningen. Voor de individuele voorzieningen moet de gemeente op basis van artikel 5 van het wetsvoorstel een verordening opstellen. De gemeente heeft de plicht om burgers die op basis van de door de gemeente in haar verordening opgestelde toegangscriteria daarvoor in aanmerking komen betreffende voorzieningen te leveren. Indien een burger het niet eens is met dit besluit kan hij/zij in beroep gaan tegen dit besluit op basis van de Algemene wet bestuursrecht.

Voor wat betreft de collectieve voorzieningen zal naast de vierjaarlijkse gemeenteraadsverkiezingen, het gemeentebestuur organisaties van burgers en cliënten betrekken bij het opstellen van het vierjaarlijkse beleidsplan. Het advies van belangenorganisaties over de Wmo-plannen wordt als bijlage van het vierjarenplan naar de gemeenteraad gestuurd. Organisaties van burgers kunnen op deze wijze hun invloed uitoefenen bij het realiseren van plannen rondom de collectieve voorzieningen. Daarnaast kunnen deze organisaties gebruik maken van de informatie die gemeenten moeten leveren in het kader van de horizontale verantwoording. Organisaties van burgers en cliënten kunnen het gemeentebestuur op basis van deze informatie aanspreken op het gevoerde beleid. Hiervoor kan men naast het zoeken van de publiciteit met name ook de gemeenteraad aanspreken om dit onderwerp te agenderen tijdens de reguliere commissievergaderingen. In het kader van de implementatie van de Wmo zal er een ondersteuningsprogramma opgezet worden om zowel de burger als de cliëntparticipatie te bevorderen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen vervolgens naar de consequenties van het feit dat het wetsvoorstel geen inhoudelijke aanwijzingen voor aard en omvang van het beleid bevat. Zij vragen in dit verband waartoe gemeenten wettelijk verplicht zijn en noemen enkele hypothetische voorbeelden.

De regering is van mening dat het wetsvoorstel wel degelijk inhoudelijke duiding geeft van de gemeentelijke beleidsverantwoordelijkheden. Zij verwijst hiervoor naar ondermeer naar artikel 1, eerste lid, onder g, van het wetsvoorstel en de uitgebreide toelichting die daarop is gegeven in de memorie van toelichting. Het is inderdaad juist dat het wetsvoorstel volstaat met een globale duiding van de prestatievelden. Dit is een bewuste keuze, teneinde de gemeenteraad de ruimte te laten te beoordelen of het Wmo-plan wel voldoet aan de lokale omstandigheden. De inspraak van de burgers zal hierbij sterk van invloed zal zijn.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen voorts waarom de zorgplicht ingaat tegen de dominante sturingsfilosofie van de wet. Deze leden stellen dat de burgers moeten weten waar zij recht op hebben. Daarom zou dit als kader in de wet moeten worden neergelegd. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen in dit verband waarom het accent wordt gelegd op de sturingsfilosofie en niet op de zorgvraag van burgers.

De regering wijst er met nadruk op dat zij niet bedoelt te zeggen dat het duidelijk maken waar mensen op kunnen rekenen strijdig is met de sturingsfilosofie van de wet, maar het feit dat het Rijk dat zou moeten doen in plaats van de gemeente. Uiteraard zal de gemeente duidelijk moeten maken waar burgers op moeten kunnen rekenen. Bij het opstellen van de Wmo is de regering er steeds vanuit gegaan dat de gemeente een volwaardige bestuurslaag is, waar op lokaal niveau democratische controle plaatsvindt. De beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid zijn evenzeer van toepassing op het lokale niveau. De regering heeft op dit onderdeel een accent bij de sturingsfilosofie gelegd omdat voor haar het voorzien in een gerechtvaardigde ondersteuningsvraag van burgers niet in het geding is. De discussie in de voorafgaande debatten spitste zich in belangrijke mate toe op de bestuurlijke hoe-vraag.

De leden van de GroenLinks-fractie vervolgen met de vraag hoe de regering aankijkt tegen de aanbeveling van de RMO om de doelen zo resultaatgericht mogelijk te formuleren.

De regering is van mening dat doelstellingen inderdaad zo resultaatgericht moeten worden geformuleerd. De resultaten op rijksniveau zijn evenwel anders te formuleren dan de resultaten op het lokale niveau. Die resultaten zullen veel operationeler moeten zijn en zullen van gemeente tot gemeente verschillen. Verwacht mag worden dat de te behalen operationele resultaten op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning in de gemeente Nijkerk anders zal zijn dan in de gemeente Amsterdam. Op rijksniveau gaat het erom dat de Wmo bijdraagt aan het maatschappelijke doel van bevordering van maatschappelijke participatie. De regering overweegt om bij tweede nota van wijziging terug te komen op de formulering van de prestatievelden.

De leden van de D66-fractie hadden al enkele vragen gesteld over de sturingsfilosofie, maar vragen zich hier af of de Wmo voldoende waarborgen biedt om de lokale belangenbehartigers een goede stem te geven in de besluitvorming rondom de planvorming van de Wmo.

Naar de mening van de regering is dat wel het geval. Indien het ontwerpplan van het college van burgemeester en wethouders een negatief advies krijgt, kan het college het plan intrekken en aanpassen. Als dit niet gebeurt, is het aan de gemeenteraad en dus aan de lokale democratie om hierop te reageren. De maatschappelijke organisaties kunnen de gemeenteraad van adequate informatie voorzien zodat de raad goed geïnformeerd zijn werk goed kan doen. Het is eveneens aan de gemeenteraad om te beoordelen of een wethouder zijn of haar werk goed doet. Overigens zullen wensen en verlangens van lokale organisaties altijd bekeken moeten worden binnen de daarvoor aanwezige financiële kaders, net zoals dat ook op het nationale niveau gebeurt.

Maar wat als ter plaatse patiënten en cliënten niet of nauwelijks georganiseerd zijn, zo vroegen deze leden zich ook af.

Indien in een gemeente patiënten en cliënten niet of nauwelijks georganiseerd zijn, spelen RPCP's hierbij een belangrijke rol. Zij kunnen ervoor zorgen dat er een netwerk van lokale organisaties ontstaat en onderlinge contacten gestimuleerd worden, zodat de leemte in zo'n gemeente opgevuld kan worden. Omdat de horizontale verantwoording in de Wmo zo'n prominente rol speelt, heeft de regering besloten om in totaal 10 miljoen euro in 2006 en 2007 beschikbaar te stellen om de cliëntparticipatie op het lokale niveau te verstevigen.

De leden van de D66-fractie vinden het in dit verband veelzeggend dat de VNG een verplichting tot transparantie en openbaarmaking afwijst en het wil laten bij «bevorderingsdoelstellingen». Opnieuw vergroot dit niet op voorhand het vertrouwen in een goede werking van de wet, zo stellen deze leden. Het heeft immers ook jaren geduurd voordat gemeenten (en de VNG) wilden erkennen dat de Wvg een drama was geworden.

De regering wijst er – overigens zonder vorm van kwalificatie daarbij – in de eerste plaats op dat in haar ogen het doen en laten van de VNG niet gelijk gesteld mag worden met de gemeenten. Het welslagen van de wet zal niet afhangen van de VNG, maar van de individuele gemeenten.

De leden van de D66-fractie achten bestuurlijk theoretische discussies over het overheidsniveau waarop de zorg geregeld wordt niet van belang. De zekerheid die burgers op dat punt moeten hebben vinden deze leden belangrijker.

Het heeft de regering enigszins verbaasd dat de leden van de D66-fractie het bestuurlijke arrangement waarmee de burger het beste gediend kan worden onbelangrijk vindt. De regering kan zich bovendien niet vinden in de gesuggereerde tegenstelling tussen de bestuurlijke keuze voor gemeenten en de belangen van de burgers. De belangen van de burgers staan per definitie voorop. Het is vervolgens een bestuurlijke opdracht om de juiste arrangementen te vinden om de belangen van de burgers te dienen. Om die reden kiest de regering in de Wmo voor beleidsvrijheid van de gemeenten om de maatschappelijke participatie te bevorderen. Het belang van de burger is gediend bij lokaal maatwerk.

De fractieleden van het CDA, de LPF, de PvdA en de ChristenUnie vroegen zich op verschillende plaatsen in het verslag af of de vaak specialistische kwaliteit en beschikbaarheid van het aanbod voor kleine doelgroepen in de Wmo wel gewaarborgd is. De leden van de LPF-fractie wijzen erop dat de noodzakelijke specialistische kennis wel landelijk, maar niet regionaal, laat staan lokaal overal aanwezig kan zijn. De leden van de PvdA-fractie uitten eveneens hun zorgen over het verloren gaan van deskundigheid en een toename van overhead als alle gemeenten expertise moeten gaan opbouwen. De leden van de PvdA-fractie vragen of de zorg voor doven als een landelijke verstrekking van de AWBZ aangemerkt kan worden met de centrale indicatie.

De leden van de LPF-fractie vinden dat de zorg voor deze groepen waar dat echt nodig is binnen de AWBZ moet blijven. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe kan worden voorkomen dat gemeenten voorbijgaan aan de specifieke behoeften van kleine groepen. Juist kleine groepen lopen een verhoogd risico om door de verschuiving van taken naar gemeentelijk niveau buiten beeld te raken. Ook de leden van de CDA-fractie merken op dat kleine groepen straks moeten concurreren met bijvoorbeeld de grote groep ouderen.

De regering begrijpt de zorg die door de leden van verschillende fracties wordt uitgesproken. De regering meent dat uitsluiting van welke groep van welke omvang ook moet worden voorkomen. Naar het oordeel van de regering wordt op verschillende manieren voorkomen dat er uitsluiting plaatsvindt. Allereerst is het van belang dat de stem van kleine groepen gehoord wordt. In dit verband zullen de RPCP's een belangrijke rol moeten spelen. Reeds enkele malen heeft de regering erop gewezen dat zij daarvoor extra middelen uittrekt. In de tweede plaats kan dat worden voorkomen door een meer «outreachende» aanpak van gemeenten. Niet wachten tot een bepaalde groep zich meldt, maar zelf op zoek gaan. Voor de opstelling van het plan is voorgeschreven dat de gemeente zich een goed beeld vormt van de behoefte onder de bevolking. In de derde plaats zal kennisoverdracht aan gemeenten een belangrijke rol spelen. De regering vindt het tot haar systeemverantwoordelijkheid behoren dat dergelijke kennisoverdracht plaatsvindt. In de vierde plaats is zorgvuldigheid in de overheveling van aanspraken uit het AWBZ domein naar de Wmo van groot belang. De regering begint daarom eerst met alleen de huishoudelijke verzorging. Voor de overheveling van activerende en ondersteunende begeleiding worden eerst pilots uitgevoerd en zal nieuwe politieke besluitvorming nodig zijn. Dit betekent dat ook overheveling van elementen van de zorg voor bijvoorbeeld auditief gehandicapten nog niet aan de orde is. De regering heeft bijvoorbeeld ook besloten de tolkvoorziening voor auditief gehandicapten niet onder de Wmo te laten vallen. Ook hier geldt weer dat het onderscheid tussen zorg en maatschappelijke participatie als het gaat om het toekomstig overhevelen van onderdelen van functies uit de AWBZ leidend moet zijn.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke prestatiegegevens de gemeenten openbaar moeten maken. Verderop in het verslag vragen de leden van de fracties van het CDA en de PvdA hier ook naar, Daarnaast verzoeken de leden van de PvdA-fractie in dit verband om de lijst van gegevens te laten accorderen in de Tweede Kamer.

De gegevens die gemeenten verplicht moeten publiceren worden bij ministeriële regeling vastgelegd. Op dit moment is de opstelling van de lijst van gegevens in ontwikkeling. De gegevens die gepubliceerd moeten worden zullen betrekking hebben op zaken als: de wijze waarop ze burgers en maatschappelijke organisaties bij het beleid betrekken, de activiteiten die ze ondernemen om de sociale samenhang te vergroten en de wijze waarop kwaliteitsborging plaatsvindt. Daarnaast gaat het om enkele financiële gegevens en om de (cliënt)tevredenheid over de inspraakmogelijkheden en het lokale beleid op het terrein van maatschappelijke ondersteuning. Bij het opstellen van de lijst met gegevens zijn de cliëntenorganisaties en de VNG nauw betrokken. In antwoord op het gevraagde van de leden van de PvdA-fractie stelt de regering dat het de bestuursverantwoordelijkheid van de Minister cq de staatssecretaris is te bepalen om welke gegevens het gaat. Deze is te allen tijde beschikbaar om over de gemaakte keuzes verantwoording aan het parlement af te leggen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de regering de mening deelt dat de zorgplicht een goede balans vormt tussen enerzijds het huidige verzekerde recht en anderzijds volledige gemeentelijke beleidsvrijheid.

De regering deelt de opvatting van de leden van de fractie van de ChristenUnie in die zin dat zij de zorgplicht tijdelijk als beste balans ziet gedurende een overgangsfase.

De regering is van oordeel dat in het voorliggende wetsvoorstel de zekerheden van de burgers op verschillende manier gewaarborgd zijn. Een van die manieren vormt de tijdelijke zorgplicht in de overgangssituatie van de Wmo. Daarnaast wijst de regering in dit verband op de omschrijving van de prestatievelden, de gemeentelijke plicht tot het vaststellen van een plan en de verplichting tot gemeentelijke verordeningen omtrent door de gemeente te verlenen individuele voorzieningen. Een verdergaande inhoudelijke sturing op het gemeentelijke beleid houdt het risico in dat niet altijd de in de lokale situatie de meest doeltreffende vormen van maatschappelijke ondersteuning kunnen worden geboden. Dit impliceert dat de regering van oordeel is dat op deze manier een goede balans ontstaat tussen zekerheden voor de burgers en de gemeentelijke beleidsvrijheid.

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat het wetsvoorstel slechts voorziet in een tijdelijke zorgplicht voor een beperkt aantal voorzieningen en dat deze voorzieningen bij amvb zullen worden aangewezen. Deze leden vragen de regering waarom de nadruk wordt gelegd op flexibiliteit en niet op zekerheid voor zorgvragers door de voorzieningen in de wet vast te leggen.

De regering merkt op dat een algemene maatregel van bestuur het inderdaad mogelijk maakt om flexibel in te spelen op de veranderende omstandigheden. Dit betekent echter niet dat hiermee de nadruk wordt gelegd op flexibiliteit in tegenstelling tot zekerheid. In de memorie van toelichting is al aangegeven aan welke voorzieningen wordt gedacht. Het gaat om huishoudelijke zorg waarop voorheen een aanspraak op grond van de AWBZ gold en om het verstrekken van rolstoelen en scootmobielen.. De regering overweegt zoals gesteld om bij tweede nota van wijziging de duur van de wettelijke verankering van de zorgplicht aan te passen.

De leden van de SGP-fractie vragen zich af hoe het Rijk toetst of de gekozen benadering werkt en op grond van welke criteria getoetst wordt of de in de wet geboden bestuurlijke instrumenten voldoende zijn om het maatschappelijke doel dat iedereen mee kan doen aan de samenleving te halen.

De regering zal dit via monitoring en de wettelijk vastgelegde periodieke evaluatie van de Wmo toetsen. Toetspunten zijn daarbij onder meer in hoeverre gemeenten erin slagen samenhang in beleid en uitvoering tot stand te brengen en invulling te geven aan hun regierol. Daarnaast wordt nagegaan hoe gemeenten de verantwoordingsrelatie naar burgers en maatschappelijke organisaties vormgeven en hoe tevreden burgers en cliënten zijn over de maatschappelijke ondersteuning en hun inbreng bij het gemeentelijke beleid.

Deze leden vroegen ook om aan te geven hoe voorkomen kan worden dat gemeenten voor een beredeneerde minimale invulling van hun taak kiezen.

De formulering «iets moeten vinden» zou de idee kunnen oproepen dat gemeenten slechts een mening behoeven te hebben over de invulling van de prestatievelden. Juist omdat in de memorie van toelichting staat dat het «iets moeten vinden» op een beredeneerde, onderbouwde manier moeten plaatsvinden, geeft aan dat zorgvuldigheid hierbij een belangrijke rol spelen. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven beschikken burgers en cliënten over diverse beïnvloedingsinstrumenten. Naast de vierjaarlijkse verkiezingen, moeten deze organisaties betrokken worden bij het opstellen van de verordeningen en bij de vierjaarlijkse beleidsplannen. Daarnaast zal uit benchmarkgegevens over het gemeentelijke beleid en onderzoek onder burgers en cliënten van voorzieningen blijken óf zij tevreden zijn over het gemeentelijke beleid. Naar aanleiding van deze gegevens kunnen (organisaties van) burgers en cliënten het gemeentebestuur aanspreken op de verantwoordelijkheden.

Dezelfde leden merken op dat op rijksniveau vooral sprake is van een systeemverantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid, aldus die leden, veronderstelt dat er voor het onverhoopte geval van ernstige taakverwaarlozing door een gemeente een ultimum remedium mogelijk is voor de rijksoverheid om in te grijpen. Die leden vroegen of dit klopte en zo ja, waar dit principe wettelijk is verankerd.

Op rijksniveau is er sprake van een systeemverantwoordelijkheid. Bij taakverwaarlozing door een gemeente zijn de artikelen 123 en 124 van de Gemeentewet van toepassing. Heel kort beschreven komen die er op neer dat:

– als de raad beslissingen niet of niet naar behoren neemt, het college van burgemeester en wethouders daarin voorziet, en

– als het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester beslissingen niet of niet naar behoren neemt, gedeputeerde staten, respectievelijk de commissaris van de Koningin daarin voorziet.

Samenhang en afstemming tussen stelsels

Zo wijzen de leden van de CDA-fractie er hier nog op dat er groepen cliënten zijn, bijvoorbeeld vroeggehandicapten, die zelfstandig wonen, maar altijd ondersteunende en/of activerende begeleiding nodig zullen hebben, wellicht voor wel 40 of 50 jaar. Is het wel in het belang van zo'n cliëntgroep om de zorg te scheiden in een AWBZ-deel en een WMO-deel? Tevens vragen deze leden of voor zo'n cliëntengroep niet alle zorg, dus ook de huishoudelijke zorg, AWBZ-zorg moet blijven. Kan de functie «verblijf» in de AWBZ niet zo aangepast worden dat de cliënten die buiten de instelling wonen, maar die AWBZ-zorg ontvangen, ook aanspraak hebben op de zorg en ondersteuning die op maat beschikbaar is voor mensen die in een instelling zijn opgenomen, zo vragen deze leden zich af. Eerder al pleitten de leden van de VVD fractie ervoor om onderscheid te maken tussen groepen van mensen die voor hun zelfstandigheid een beroep doen op professionele zorg en groepen mensen die meer vanuit sociale omstandigheden een beroep op hulp doen. De regering begrijpt de redenering van deze leden goed. Het is dan ook niet het voornemen van deze regering om functies geheel als aanspraak op voet van de Awb te schrappen. De regering wijst er in dit verband nogmaals op dat zij voorbereidingen treft om ervoor te zorgen dat mensen met complexe aandoeningen die in de huidige terminologie een indicatie voor verblijf rechtvaardigen, die zorg in volle omvang ook in een zelfstandige setting aangeboden kunnen krijgen. Deze benadering doet recht aan het vertrekpunt dat in de AWBZ zaken georganiseerd moeten worden vanuit een zorgperspectief terwijl in de Wmo het participatieperspectief het vertrekpunt vormt.

De leden van de CDA-fractie vroegen vervolgens of de regering met hen van oordeel is dat het vervoer in het kader van AWBZ-dagbesteding met de dagbesteding op het zelfde moment overgaat naar de Wmo en of dit vervoer de zorg volgt.

Het antwoord hierop is bevestigend. Het voornemen bestaat om – afhankelijk van de uitkomsten van pilots – in samenhang met de AWBZ-functies ondersteunende en activerende begeleiding ook het vervoer onder verantwoordelijkheid van gemeenten te brengen. Het ligt voor de hand om dit over te brengen op het moment dat gemeenten ook verantwoordelijk worden voor deze begeleiding in dagdelen. Dan blijven begeleiding en het daarvoor noodzakelijke vervoer onder één regie en is optimale afstemming mogelijk. Daarmee wordt de huidige verantwoordelijkheid van gemeenten voor bijzondere vervoersvoorzieningen (ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten en het leerlingenvervoer) nog verder uitgebreid. Overigens vindt de beslissing of ondersteunende en activerende begeleiding naar de Wmo overgaat pas in de volgende kabinetsperiode plaats.

Dezelfde leden stellen voorts dat kortdurende op herstel gerichte zorg naar het verzekerd compartiment moet worden overgeheveld. De regering deelt deze opvatting. Met de brief van 13 april 2005 (Kamerstukken II, 29 763, nr. 72) heeft de minister de kamer geïnformeerd over de verdere aanpak van de overheveling van op genezing gerichte zorg uit de AWBZ naar de Zorgverzekeringswet.

De leden van de CDA-fractie stellen ook dat alle langdurende aan het lichaam gebonden zorg, die nu in de AWBZ zit, ook in de nieuwe situatie AWBZ-zorg dient te blijven. Wel onderscheid maken zou huns inziens leiden tot een grotere druk op de intramurale instellingen.

De regering is inderdaad niet voornemens om langdurende aan het lichaam gebonden AWBZ-zorg over te brengen naar de gemeentelijke verantwoordelijkheid.

Vervolgens vragen de leden van de CDA-fractie hoe de regering voor de cliënt denkt te kunnen waarborgen dat de Wmo tot meer maatwerk, efficiëntere ondersteuning en een goede afstemming met de AWBZ leidt.

De belangrijkste waarborg voor de cliënt is naar het oordeel van de regering gelegen in het feit dat de wet dusdanige procesvoorwaarden bevat ten aanzien van de betrokkenheid van burgers en cliënten, dat het vormgeven van de voorzieningen daadwerkelijk aan zal sluiten bij de behoefte van de verschillende cliëntgroepen. Voorts zijn er naar het oordeel van de regering goede afspraken gemaakt over een efficiënte op de AWBZ afgestemde indicatiestelling en idem verwerking van eigen bijdragen. Daarover heeft de regering hiervoor al uiteenzettingen gegeven. Tenslotte wil de regering niet onvermeld laten dat het thans bestaande implementatiebureau van het departement en VNG gezamenlijk na de inwerkingtreding van de wet niet onmiddellijk ophoudt te bestaan, maar nog zeker één à anderhalf jaar gemeenten actief zal ondersteunen.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts of de positie van cliënten in de Wmo ten opzichte van gemeenten wel voldoende sterk is.

Naar het oordeel van de regering kunnen cliënten een stevige inbreng hebben op het te voeren Wmo-beleid van de gemeenten. Er bestaan reeds stevige netwerken van ouderen- en gehandicaptenorganisaties op het lokale niveau. De organisaties op het nationale niveau zijn ook bezig hun gezicht niet alleen naar «Den Haag», maar ook naar het lokale niveau te richten. De Lorep, de koepel van de regionale patiënten en consumentenplatforms (RPCP's) zal bovendien een «toolkit» ontwikkelen ten behoeve van cliëntenparticipatie in samenwerking met de landelijke koepels van ouderen, gehandicapten en GGZ. De toolkit zal naast instrumenten en methodes ook goede voorbeelden bevatten. Daarnaast zal de regering de komende twee jaar 10 miljoen euro extra investeren in de randvoorwaarden voor lokale cliëntenparticipatie. Via RPCP's zullen lokale organisaties of platforms ondersteund worden in hun belangenbehartigende taken. Dit kan zijn door deskundigheidsbevordering, het stimuleren van samenwerking, het coachen van platforms op lokaal niveau. De helft van het bedrag is specifiek bestemd voor het wegwerken van achterstanden in de (lokale) GGZ cliëntenparticipatie. In overleg met de GGZ-patiënten- en cliëntenorganisaties zal over de inzet van deze middelen worden besloten. Overigens wijst de regering erop dat er op lokaal niveau met betrekking tot de Wvg al diverse goedlopende platforms bestaan, waarin gehandicapten en ouderen veelvuldig samenwerken.

De leden van de CDA-fractie vragen in dit verband ook nog of de positie van de cliënten in de verschillende pilots voldoende tot zijn recht komt.

De regering merkt hierover op, dat de betrokkenheid van cliënten op verschillende plekken en verschillende momenten in de pilots aan de orde komt. In alle 26 ontwikkelpilots zijn de lokale organisaties van burgers of patiënten- en cliënten betrokken bij het opstellen en uitvoeren van de projectplannen. In de gereedschapskist zit een handreiking burgerparticipatie, daarnaast loopt er een apart invoeringstraject dat er op gericht is de lokale belangenbehartigers te faciliteren en te ondersteunen. Dit laatste programma wordt samen met het Lorep ontwikkeld. Zoals al eerder aangegeven heeft de regering hiervoor in 2006 en 2007 10 miljoen euro beschikbaar gesteld.

De leden van de CDA-fractie vragen vervolgens hoe de zorgplicht garanties biedt ten aanzien van de cliënten. Zij wijzen met name op de zorgplicht in het kader van artikel 1, eerste lid, onder g, onderdelen 2, 3, 4 en 6.

De regering merkt hierover op, dat bedoelde zorgplicht een objectief indicatiesysteem veronderstelt om te kunnen vaststellen of de bedoelde voorzieningen in een individueel geval noodzakelijk zijn. Als deze noodzaak is vastgesteld, is de gemeente verplicht de geïndiceerde voorziening te verstrekken. De wijze waarop de gemeente dit vorm geeft zal moeten worden vastgelegd in een gemeentelijke verordening. Beslissingen van de gemeente zijn voor beroep vatbaar op grond van de Algemene wet bestuursrecht.

De leden van de CDA-fractie vragen in dit verband ook of in artikel 1, onder g, onderdeel 6, het woord «behoud» of het woord «bevorderen» kan worden toegevoegd.

De regering overweegt om bij tweede nota van wijziging terug te komen op de formulering van dit artikelonderdeel.

Deze leden vragen ook of de vrijwillige thuiszorg die betrekking heeft op de palliatieve terminale zorg buiten de Wmo blijft. Ook vragen zij hoe de regering de subsidieregeling voor de vrijwillige terminale zorg gaat uitvoeren.

De regering merkt hierover op dat de subsidies voor de vrijwillige terminale zorg en de netwerken palliatieve zorg inderdaad niet onder de Wmo worden gebracht. Uitgangspunt daarbij is dat het vrijwilligerswerk binnen de palliatieve zorg van rijkswege ondersteund zal blijven worden.

De leden van de PvdA-fractie vervolgen het verslag met een aantal vragen over de regierol van gemeenten. Eerder al wezen zij in dit verband op het rapport van de Algemene Rekenkamer over wonen en zorg. Hier plaatsen de leden van de PvdA fractie een aantal kanttekeningen bij de regierol van de gemeente om samenhang in het beleid tot stand te brengen. Zo valt het hen op dat in dit wetsvoorstel niets wordt geregeld om die samenhang te bevorderen of af te dwingen en dat ook geen mechanismen worden ingebouwd om te controleren of de gewenste samenhang inderdaad plaatsvindt. Deze leden vragen de regering of zij in dit opzicht volledig vertrouwt op alle betrokken partijen en het wederzijdse belang en wat er gebeurt als een betrokken partij de samenhang niet of onvoldoende bevordert. Ook vragen zij of wellicht sprake is van wettelijke belemmeringen waardoor de samenhang niet gerealiseerd kan worden en hoe die kunnen worden weggenomen.

De regering merkt in dit verband op dat het feit dat de maatschappelijke ondersteuning in brede zin in één bestuurlijke en financieel kader bijeen wordt gebracht de samenhang op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning bevordert. De regering deelt de opvatting van deze leden niet, dat de wet geen bepalingen bevat die de samenhang bevorderen en ook niet dat de wet geen mechanismen bevat om te controleren of de gewenste samenhang inderdaad plaatsvindt. De regering wijst in dit verband op de planverplichting voor de gemeente, op de grote mate van betrokkenheid van burgers en cliëntorganisaties en op de publieke verantwoordingsverplichting die in de wet zijn opgenomen. Wat betreft de samenhang met de aanpalende terrijnen van de maatschappelijke ondersteuning, het wonen en de zorg, is de regering van mening dat er inderdaad sprake is van wederzijdse belangen die in goed overleg geharmoniseerd kunnen worden.

Ten aanzien van het wonen wijst de regering op de specifieke verplichtingen die woningcorporaties hebben ten aanzien van de bouw van woongelegenheden voor mensen met beperkingen op grond van artikel 12b van het Besluit beheer sociale-huursector. In datzelfde besluit zijn voorts bepalingen opgenomen omtrent het bekend maken van de voorgenomen activiteiten in de gemeente waarin zij werkzaam is (artikel 25 eerste lid BBSH) en over de verslaglegging over het met de gemeente gevoerde overleg (artikel 26 tweede lid onder i.). Of deze bepalingen voldoende zijn om tot een goede afstemming tussen een woningcorporatie en de gemeente te komen is op dit moment onderwerp van nader bepaling naar aanleiding van de rapportage van de commissie de Boer terzake. De regering wijst er ook op dat de regietaak van de gemeente betrekking heeft op de samenhang en niet op het overnemen van de verantwoordelijkheid van betrokken partijen op de samenstellende onderdelen. Zo is de bouw en verbouw van voldoende zelfstandige ouderenhuisvesting waarop de leden van de PvdA-fractie wijzen een taak van woningcorporaties en niet van gemeenten. De regering wijst er wat de samenhang met wonen betreft tenslotte op dat de gemeente ook beschikt over het ruimtelijk ordeningsinstrument van het bestemmingsplan, de bouwvergunning en bovendien veelal beschikt over gronden. Zij deelt dan ook niet de opvatting dat zij geen invloed heeft op het doen en laten van woningcorporaties.

Ten aanzien van de zorg merkt de regering op dat de ontwikkeling van de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning geen zaak is die wordt uitgemaakt door zorgkantoren en/of zorgaanbieders. De mate waarin zorgarrangementen met of zonder verblijf beschikbaar moeten zijn wordt bepaald door de indicatiestelling. De regering erkent dat de betrokkenheid van gemeenten bij de regels omtrent de aanspraken en de indicatiestelling beperkt is. Met de VNG overlegt het kabinet op dit moment hoe deze betrokkenheid kan worden vergroot. Het valt de regering voorts op dat bij processen van extramuralisering de zorgaanbieders en de zorgkantoren vaak wijzen op de rol van gemeenten hierbij, soms ook in belemmerende zin. Ervaringen die in de praktijk zijn opgedaan leren dat het vaak nog ontbreekt aan een goede communicatie en het opbouwen van het juiste netwerk om plannen te realiseren. Daarin wil de regering graag stimulerend optreden. In pilots in het kader van de zogenaamde regionale aanpak zijn daar de afgelopen jaren goede resultaten geboekt.

De leden van de GroenLinks-fractie snijden een ander onderwerp aan. Zij willen graag weten hoe de regering aankijkt tegen het voorstel van Arcares om een grens te stellen bij lichaamsgebonden zorg. Zij willen dat mensen die lichaamsgebonden zorg krijgen ook de huishoudelijke zorg vergoed moeten kunnen krijgen.

Arcares is feitelijke van mening dat alleen de enkelvoudige huishoudelijke verzorging uit de AWBZ zou moeten worden overgeheveld. De regering is die mening niet toegedaan. Er kleven – vooral vanuit het perspectief van de burger – grote nadelen aan het overhevelen van alleen de enkelvoudige huishoudelijke verzorging.

De regering is bovendien van mening dat de huishoudelijke verzorging niet tot de onverzekerbare AWBZ zorg gerekend moet worden, tenzij er een zorgarrangement noodzakelijk is waarvoor binnen de huidige terminologie tevens «verblijf» is aangewezen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering inzichtelijk kan maken welk percentage mensen die nu in aanmerking komen voor de AWBZ na invoering van de Wmo een beroep moet doen op zowel de Wmo als de AWBZ.

De regering merkt daar over op dat het CAK op dit moment een onderzoek verricht naar de samenloop van AWBZ en Wvg. Ook in de huidige situatie komt het immers voor dat mensen een beroep op beide systemen doen. Het CAK gaat na welk deel van de huidige AWBZ-populatie tevens een Wvg-voorziening heeft. Nog voor de plenaire behandeling van het wetsvoorstel is het onderzoek afgerond en zijn de gevraagde gegevens beschikbaar. De eerste resultaten lijken uit te wijzen dat er meer mensen zijn die nu op AWBZ en Wvg een beroep doen en straks alleen op de Wmo (ca 107 000), dan dat er mensen zijn die nu alleen op de AWBZ een beroep doen en straks op AWBZ en Wmo (ca 65 000). Het wetsvoorstel houdt zoals de regering verwachtte dus per saldo een verbetering in.

Ook de leden van de D66-fractie stellen vragen over de samenhang. Zij vragen zich af hoe de Wmo kan bewerkstellingen dat er een betere coördinatie tot stand komt tussen de betrokken partijen. Zij vrezen dat door het neerleggen van de regierol bij gemeenten en door het opstellen van gemeentelijke plannen «zompige moerassen» en hopeloze bureaucratie voor de burger ontstaat waardoor deze van het kastje naar de muur wordt gestuurd. De regering deelt niet de opvatting van de leden van de D66 fractie dat de gemeentelijke plannen alleen maar meer bureaucratie met zich mee brengen. Duidelijk aangeven wat de gemeente van plan is en invloed en controle daarop vanuit de burgers en cliënten vindt de regering in dat geval een gewenste vorm van bureaucratie. Zoals meerder malen hiervoor aangegeven zullen cliëntorganisaties ook ondersteund worden in hun rol op het lokale niveau. Met de leden van de fractie van D66 is de regering wel van mening dat de onderlinge afstemming van voorzieningen die voor de burger belangrijk zijn als het gaat om maatschappelijke ondersteuning goed moet zijn. In de Wmo wordt dat bereikt door een aantal wettelijke schotten te slechten. Om er zorg voor te dragen dat de indicatiestelling Wmo en AWBZ goed op elkaar aansluit, is het CIZ gevraagd te participeren in het lokale loket. Er ontstaat dus niet één van de zovele loketten.

Ook de leden van de SGP-fractie zijn van mening dat een naadloze aansluiting tussen de Wmo en andere wetten van groot belang is voor betrokkenen en vragen waarom die aansluiting niet in de wet is verankerd. Hoe is dan gewaarborgd dat er geen situatie ontstaat dat burgers geen voorzieningen krijgen omdat beide indicatiestellers naar de ander verwijzen, zo vragen deze leden.

Met de leden van de SGP-fractie is de regering van mening dat een goede afstemming tussen de Wmo en andere wetten, in het bijzonder de AWBZ noodzakelijk is. Op basis van het prestatieveld informatie en advies zullen gemeenten naar verwachting van de regering in hun Wmo-plan de één-loket gedachte uitwerken. Als gemeenten één-loket realiseren worden mensen niet van het kastje naar de muur gestuurd. Het lokale loket is een unieke plek om ook de indicatiestelling op een integrale manier te laten plaatsvinden. Om er zorg voor te dragen dat de indicatiestelling Wmo en AWBZ goed op elkaar aansluit, is het gevraagd te participeren in het lokale loket. De regering benadrukt echter dat het perspectief van waaruit wordt geïndiceerd in de AWBZ een andere is dan in de Wmo. In de AWBZ wordt geïndiceerd vanuit een zorgbehoefte, in de Wmo vanuit het streven naar sociale participatie. Nu huishoudelijke zorg als afzonderlijke aanspraak (dus niet deel uitmakend van een arrangement in een beschermde woon/verblijfsomgeving) op voet van de AWBZ komt te vervallen, is het dus niet zo dat de huishoudelijke zorg bij wijze van naadloze aansluiting op dezelfde condities geleverd moet worden, maar nu op voet van de Wmo. Wel is het zo dat de cliënt geen last moet hebben van het feit dat in een aantal gevallen zowel zorg uit de AWBZ als ondersteuning uit de Wmo bepaald moet worden. Daartoe strekt de één-loketgedachte.

De leden van de SGP-fractie vragen vervolgens of de verwachting gerechtvaardigd is dat er druk ontstaat om respectievelijk intramuraal dan wel extramuraal te verblijven, omdat men dan voor bepaalde voorzieningen onder de andere regeling valt en er dus voor de desbetreffende persoon geen kosten hoeven te worden gemaakt. En ze vragen hoe deze afschuiving effectief kan worden voorkomen.

Vooraf zij opgemerkt dat de regering met de Wmo niet het onderscheid heeft gecreëerd dat mensen met een zorgbehoefte die zelfstandig wonen op de Wmo zijn aangewezen en zij die intramuraal verblijven op de AWBZ. Met het voorstel zoals dat nu voorligt, kunnen mensen die zelfstandig wonen nog steeds een beroep doen op AWBZ-zorg, behalve op huishoudelijke zorg. De zorgvraag van de individuele burger is leidend bij de beslissing of mensen extramuraal, dan wel intramuraal verblijven. Adequate indicatiestelling, zoals georganiseerd door het CIZ, vaak in samenwerking met de gemeente biedt hiervoor een goede garantie.

De leden van de SGP-fractie vragen in dit verband ook of de regering bereid is om gemeenten te verplichten één loket in te richten en welke andere maatregelen er worden genomen om de samenhang te bevorderen.

De regering merkt hierover op dat in de wet is geregeld dat gemeenten in het Wmo-plan aan moeten geven welke activiteiten al dan niet op het prestatieveld informatie, advies en cliëntondersteuning ontplooid zullen gaan worden. De loketfunctie zal daar naar verwachting één van zijn. Belangrijk is dat de informatie en adviesfunctie breed en integraal wordt opgepakt. Met behulp van de inmiddels gepubliceerde handreikingen voor het gemeentelijke loket zijn verschillende scenario's aangereikt voor het opzetten van een loket. In al deze scenario's is het uitgangspunt dat het loket dé duidelijke plek voor burgers om voor vragen over het brede terrein van welzijn, wonen en zorg terecht te kunnen.

Gevolgen voor andere wetten

Met de introductie van de Wmo zoals door de regering thans beoogd vervallen de welzijnswet, de wet Voorzieningen Gehandicapten, vervalt de huishoudelijke verzorging als afzonderlijke aanspraak op voet van de AWBZ en worden tevens de OGGZ middelen onder de werking van de Wmo gebracht. Over de samenhang met deze andere wetten stelde de leden een aantal vragen.

De leden van de PvdA-fractie vragen wanneer de Welzijnswet 1994 wordt ingetrokken.

In antwoord hierop kan de regering meedelen dat dit gelijktijdig plaatsvindt met de inwerkingtreding van de Wmo met uitzondering van de in artikel 36, onder a en b, genoemde onderwerpen, waarvoor de Welzijnswet 1994 van toepassing blijft.

Deze leden vragen in dit verband ook naar de verankering van het sportbeleid. Het sportbeleid van de rijksoverheid ligt vast in de nota «Tijd voor Sport». Op basis van deze nota zal het Sportprogramma 2006–2010 worden uitgewerkt. De toekomstige kaderwet VWS-subsidies is het raamwerk voor de subsidiëring van het beleid.

De PvdA-fractieleden vragen of de kamer de beschikking kan krijgen over het onderzoek naar de domeinen uit de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv) in relatie tot dit wetsvoorstel. Daarover zij opgemerkt dat op basis van een interne ambtelijke verkenning van de verschillende deelgebieden de regering tot de conclusie gekomen is dat de Wmo het meest geëigende wettelijke beleidskader voor de openbare geestelijke gezondheidszorg vormt, zoals ook gemotiveerd is in de toelichting bij het wetsvoorstel Wmo. Desgewenst kan de kamer beschikken over deze interne notitie.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts naar de redenen om de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ) bij de Wmo onder te brengen, wat dan de samenhang tussen OGGZ en de maatschappelijke opvang is en hoe deze samenhang door onderbrenging in de Wmo wordt vergroot.

Bij de OGGZ gaat het om het opsporen van, bereiken van en hulp bieden aan mensen met problemen op meerdere terreinen (zoals schulden, verslaving en of psychische/psychiatrische problemen, sociaal isolement, vervuiling, werkloosheid). Veel van deze mensen komen ook (al dan niet tijdelijk) terecht bij de maatschappelijke opvang en verslavingszorg. Er is dus sprake van een grote mate van overlap tussen de doelgroepen voor de OGGZ en voor de maatschappelijke opvang en verslavingszorg.

Verder is het zo dat voor de problemen van deze mensen niet één oplossing voorhanden is. Ze vragen om een samenhangend lokaal beleid op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, wonen, welzijn én andere terreinen.

De overlap in doelgroepen en de noodzaak van een samenhangend lokaal beleid vragen om één duidelijk wettelijk kader. Daarom heeft de regering besloten de OGGZ uit de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv) naar de Wmo over te brengen.

Dezelfde leden vragen de regering ook te preciseren welke aanscherpingen van de Gemeentewet in de procedurele sfeer met dit wetsvoorstel worden beoogd.

In het wetsvoorstel wordt in verschillende artikelen verder gegaan dan wat in de Gemeentewet is bepaald. Artikel 11 bepaalt in het ontwerp dat het college van burgemeester en wethouders de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van het beleid betrekt. Dit artikel gaat verder dan artikel 150 van de Gemeentewet, omdat artikel 150 het juist aan de raad overlaat om te bepalen in welke gevallen inspraak geboden wordt. Met artikel 11 van het ontwerp vergelijkbare bepalingen komen in veel andere wetten voor (bijvoorbeeld artikel 47 van de Wet werk en bijstand).

Nieuwe bepalingen (die dus niet in de Gemeentewet voorkomen) zijn de artikelen 9 en 12 van het ontwerp. Artikel 9 verplicht burgemeester en wethouders jaarlijks gegevens te publiceren over de prestaties op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Artikel 12 van het wetsvoorstel bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders, alvorens een voordracht tot vaststelling door de raad te doen, over het ontwerpplan advies vraagt aan de gezamenlijke vertegenwoordigers van representatieve organisaties van de kant van vragers.

Tevens vragen de leden van de PvdA-fractie het kabinet om – op basis van doelgroepen van patiënten, consumenten en cliënten – aan te geven welke verschuivingen zullen plaatsvinden tussen AWBZ, Wvg en Wmo en welke functionele visie hieraan ten grondslag ligt.

De huidige doelgroep voor AWBZ en Wmo bestaat voornamelijk uit ouderen en gehandicapten. Voor een deel is er een overlap van mensen die van beide systemen gebruik maken. De doelgroep van de Wmo is breder dan alleen ouderen en gehandicapten. De Wmo is er enerzijds voor iedereen die – om wat voor reden dan ook – niet in staat is om op eigen kracht mee te doen in de samenleving en anderzijds voor de ondersteuning van mensen die juist een belangrijke bijdrage aan de samenleving kunnen bieden. Het voorstel zoals dat nu voorligt, betekent dat uitsluitend de mensen die huishoudelijke zorg ontvangen (ouderen, gehandicapten en psychiatrische patiënten) en geen indicatie hebben voor zorg in een beschermde woonomgeving met een therapeutisch leefklimaat van de AWBZ overgaan naar voorzieningen op voet van de Wmo. Ouderen en gahandicapten die nu Wvg-voorzieningen hebben zullen die voortaan eveneens op voet van de Wmo verkrijgen. De visie die ten grondslag ligt aan deze verandering, is dat huishoudelijke zorg als dat niet deel uitmaakt van een verblijfsarrangement naar het oordeel van de regering niet gerekend kan worden tot de onverzekerbare zorg, waarvoor de AWBZ bedoeld is.

Ook de leden van de GroenLinks-fractie vragen om een toelichting op het besluit om de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv) onder te brengen in de Wmo, wat het samenvoegen van beide wetten oplevert. Zij vrezen dat de Wmo verwatert als er teveel verschillende andere wetten onder worden gebracht.

Er is hier naar de mening van de regering sprake van een misverstand. De Wcpv blijft bestaan, alleen het bevorderen van de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ) wordt uit de Wcpv naar de Wmo overgebracht (met uitzondering van het bieden van psychosociale hulp bij rampen dat in de Wcpv blijft). Het is dus niet zo dat de Wmo en de Wcpv worden samengevoegd. De vrees van de leden van de GroenLinks-fractie dat de Wmo verwatert, omdat er teveel verschillende andere wetten in worden ondergebracht, is dan ook ongegrond. Belangrijk is wel om na te gaan waar een betere wettelijke samenhang tot stand gebracht kan worden, dan nu het geval is. Dit geldt voor het bevorderen van de OGGZ. Dit terrein hangt nauw met de maatschappelijke opvang en het verslavingsbeleid samen. Er is sprake van een grote mate van overlap tussen de doelgroep voor de OGGZ en de mensen die bij de maatschappelijke opvang en verslavingszorg terechtkomen. Ook is een samenhangend lokaal beleid noodzakelijk. Daarom is besloten om de OGGZ van de Wcpv naar de Wmo over te brengen.

De leden van de D66-fractie verwonderden zich in dit verband over de redenering om de Wcpv niet in de Wmo onder te brengen. Zij vroegen of dezelfde redenering dan niet opgaat voor de voorzieningen uit de AWBZ. Zijn die voorzieningen dan geen volksgezondheidvoorzieningen, zo vroegen deze leden zich af.

Het antwoord van de regering daarop is dat de voorzieningen die de regering noemt om vanuit de AWBZ onder te brengen bij de Wmo inderdaad geen volksgezondheidvoorzieningen zijn. Volksgezondheidvoorzieningen zijn de voorzieningen van preventieve aard die de volksgezondheid in zijn algemeenheid bevorderen. Gezondheidzorgvoorzieningen zijn voorzieningen voor mensen die al iets mankeren en die of weer beter worden door curatieve gezondheidvoorzieningen of niet meer beter worden en de rest van hun leven van zorgvoorzieningen afhankelijk zijn. Daarnaast onderscheidt de regering ondersteunende voorzieningen die worden ingezet vanuit het perspectief van maatschappelijke participatie van mensen. Onder deze laatste categorie begrijpt de regering de voorzieningen waarover in dit wetsontwerp wordt gesproken.

De leden van de D66-fractie willen in navolging van enkele andere fracties voorts weten hoe het zit met de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ), wat nu precies wordt overgeheveld en hoe dit zich verhoudt tot het overhevelen van de kortdurende psychische zorg uit de AWBZ naar de zorgverzekering per 1 januari 2007.

In de brief aan de Tweede Kamer van 7 juni 2005 is ingegaan op de OGGZ en de overheveling van de AWBZ-middelen voor de OGGZ (Kamerstukken II, 2004/05, 29 325, nr. 5). Samengevat komt het op het volgende neer.

De wettelijke basis voor de OGGZ wordt van de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv) overgebracht naar de Wmo. Voor de financiering van de OGGZ betekent dit het volgende:

– Voor de uitvoering van de Wcpv krijgt een gemeente middelen uit het gemeentefonds. Dat blijft zo.

– De volgende middelen worden toegevoegd aan de specifieke uitkering maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid (artikel 17 van de Wmo):

• de middelen van de AFBZ-subsidieregeling OGGZ (€ 6.4 mln);

• de AWBZ-middelen die GGZ- en verslavingszorginstellingen inzetten voor OGGZ-gerelateerde activiteiten;

• de middelen voor collectieve preventie van (ernstige) psychosociale problemen uit de CTG/ZAio-beleidsregel «Loon en materiële kosten».

Over de totale omvang van het budget vindt op dit moment nog overleg plaats. De kamer wordt daarover geïnformeerd.

Bij overheveling van de AWBZ-middelen die GGZ- en verslavingszorginstellingen inzetten voor de OGGZ gaat het om de middelen voor de activiteiten op het gebied van de toeleiding (signaleren, opsporen, contact leggen en contact houden, het toeleiden zelf én de ongevraagde nazorg). Daarmee wordt recht gedaan aan de verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeenten en zorgsector zoals die is neergelegd in respectievelijk de Wmo, de AWBZ en de (nieuwe) Zorgverzekeringswet. De extramurale geneeskundige GGZ en het eerste jaar van de intramurale geneeskundige GGZ zijn en blijven onderdeel van deze wet.

Keuzevrijheid

De leden van de fracties van het CDA, de PvdA, GroenLinks en SP hechten zeer aan keuzevrijheid voor de cliënt. De cliënt moet zelf kunnen kiezen voor een zorgaanbieder. Dit houdt zorgaanbieders scherp, en leidt ertoe dat de cliënt een passend aanbod krijgt. Om die reden willen zij in de Wmo de verplichting voor gemeenten naast zorg in natura ook een pgb aan te bieden voor de maatschappelijke ondersteuning, genoemd in artikel 1, eerste lid onder maatschappelijke ondersteuning onderdeel g, onder 6 en 7. Gelet op de breed levende wens in de kamer om een pgb voor individuele voorzieningen in de Wmo op te nemen verzoeken deze leden de regering te komen met een nota van wijziging waarin artikel 6 zodanig wordt aangepast dat er voor cliënten een recht op pgb ontstaat bij individuele voorzieningen, conform de motie Arib.

De regering heeft gemeend dat een keuze voor een pgb beter op het lokale niveau afgewogen kan worden. Dat wil niet zeggen dat de regering geen voorstander zou zijn van het pgb op gemeentelijk niveau. In tegendeel, via het implementatietraject van de Wmo worden gemeenten actief gestimuleerd om pgb's aan te bieden. Gelet op de breed levend wens van de kamer is de regering bereid om deze voorkeur geheel buiten twijfel te stellen en wettelijk te bepalen dat gemeenten bij het verstrekken van individuele voorzieningen verplicht de keuze moeten bieden tussen een voorziening in natura en een pgb, tenzij het belang van de cliënt zich daar tegen verzet natuurlijk. De regering zal dit bij nota van wijziging in de wet verankeren.

De leden van de CDA-fractie vervolgen hun vraagstelling en merken op dat gemeenten zorg in natura kunnen aanbesteden. Deze leden vroegen of gemeenten ook zelf een prijs mogen vaststellen op basis van marktverkenning voor bijvoorbeeld huishoudelijke zorg en alle plaatselijk of regionaal actieve aanbieders de gelegenheid geven deze huishoudelijke zorg uit te voeren voor de door de gemeente vastgestelde prijs.

Zoals de leden van de CDA-fractie het voorstellen, is er geen bezwaar. Vanzelfsprekend dienen gemeenten geldende regels terzake in acht te nemen. In een dergelijk geval kan worden gedacht aan regels over staatssteun en mededinging.

De leden van PvdA-fractie vervolgens vragen de regering waarom gemeenten alleen met betrekking tot de voorzieningen bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdelen 2, 5 en 6, aandacht moet besteden aan keuzevrijheid voor burgers en niet met betrekking tot andere voorzieningen. Waarom worden, mede gezien de ook door de regering gepropageerde vraagsturing, gemeenten niet verplicht een keuze uit verschillende voorzieningen te bieden zo vragen deze leden.

De reden dat de regering heeft geformuleerd dat gemeenten in hun plan aandacht moeten besteden aan de keuzevrijheid van burgers als het gaat om de genoemde voorzieningen, is dat het hier individuele voorzieningen betreft. Bij individuele voorzieningen is het extra van belang dat er keuzemogelijkheden voor burgers komen. Hierbij geldt dus dat gemeenten verplicht zijn een keuze uit verschillende voorzieningen mogelijk te maken. Zoals hiervoor op vragen van de leden van de CDA-fractie is aangegeven zal daarnaast voor deze voorzieningen de mogelijkheid van een pgb eveneens verplicht worden gesteld.

De leden van de PvdA fractie vragen of de regering nog steeds voorstander is van vraagsturing, zo ja waarom daar dan niets van in de wet is terug te vinden en zo nee hoe dan het nieuwe standpunt luidt.

De regering wil klip en klaar stellen dat zij voorstander is van vraagsturing. De regering is het niet eens met de fractie van de PvdA dat de Wmo de vraagsturing niet bevorderd. De basis voor het Wmo-beleid in de gemeenten is gelegen in het vierjaarlijks door de gemeenteraad vast te stellen plan. De vraagsturing start doordat lokale belangenbehartigers zowel bij de voorbereiding, het opstellen en de uitvoering van het plan nauw betrokken zullen zijn. De te verwachten prestaties op de negen onderscheiden prestatievelden worden niet in termen van aanbod geformuleerd. Ook hier dus veel mogelijkheden om de lokale vraag op basis van de wensen van cliënten vorm te geven. Voorts verwijst de regering naar het gestelde over het pgb.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts hoe de verplichting tot aanbesteding zich verhoudt tot de wenselijkheid dat burgers gebruik maken van een pgb.

Terzake merkt de regering op dat het aanbesteden van huishoudelijke zorg op geen enkele manier het pgb belemmert. De burger kan altijd zelf kiezen bij wie hij ondersteuning inkoopt. Men is niet verplicht een pgb zodanig in te richten dat in zee wordt gegaan met degene(n) met wie de gemeente na aanbesteding een overeenkomst sluit. Ook vragen deze leden waarom de mogelijkheid van «vouchers» niet in de wet is opgenomen. Gelet op het gestelde rond het pgb zou dit naar het oordeel van de regering een beperking van de keuzevrijheid kunnen betekenen.

De fractieleden van de PvdA vragen hier ook of cliëntondersteuning niet in een apart prestatieveld moet worden ondergebracht.

Naar het oordeel van de regering heeft cliëntondersteuning dusdanige raakvlakken met informatie en advies (en daarmee met het lokaal loket) dat het niet afzonderlijk van elkaar gezien kan worden. In de memorie van toelichting wordt op de inhoud van cliëntondersteuning verder ingegaan. Om gemeenten op een adequate manier in te lichten over cliëntondersteuning start het NIZW/Trimbos een traject in opdracht van VWS. Hierbij wordt ook ingegaan op wat cliëntondersteuning inhoudt en wat de relaties kunnen zijn met het lokaal loket.

Met betrekking tot de aanbestedingsprocedure waarin de Wmo voorziet hebben ook de leden van de PvdA-fractie enkele vragen. Deze leden vragen naar de opstelling van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA) ten aanzien van de toepassing van het FENIN-arrest en of er meer duidelijkheid is over de beoordeling van de NMA of aanbieders kunnen worden gekwalificeerd als «ondernemingen». Tevens vragen de leden van deze fractie welke beperkingen er gelden voor gemeenten die gezamenlijk willen aanbesteden, bijvoorbeeld in het kader van kartelvorming of monopolieposities.

Hierover merkt de regering het volgende op. Het eerste lid van artikel 10 van het wetsvoorstel bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders het verlenen van maatschappelijke ondersteuning zoveel mogelijk laat verrichten door derden. Het tweede lid bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders zaken die aan een persoon in eigendom worden overgedragen of in bruikleen worden gegeven, van derden betrekt, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is. De gemeente kan in het algemeen gesproken aan artikel 10 uitvoering geven door het verlenen van subsidie of door het sluiten van een overeenkomst. Omdat het bij artikel 10 vooral gaat om gevallen waarin een gemeente behoefte heeft aan bepaalde activiteiten of diensten, zal vooral het sluiten van overeenkomsten de te volgen weg zal zijn. Het volgen van een aanbestedingsprocedure voordat een overeenkomst wordt gesloten is van groot belang om geen ongerechtvaardigde staatssteun te verlenen. In een dergelijk kader zijn mededingingsvragen, FENIN-arrest en de NMA niet aan de orde. Indien gemeenten gezamenlijk willen aanbesteden zijn dan ook in beginsel geen bepalingen over kartelvorming of monopolieposities van toepassing.

De leden van de fractie van de PvdA stellen voor de gemeenten te ondersteunen bij de mogelijke aanbestedingsprocedures. De leden vragen ook hoeveel ruimte aanbestedingsprocedures bieden voor normatieve en belevingsaspecten.

In de zogeheten «gereedschapskist» ter ondersteuning van de implementatie bevindt zich op dit moment een handreiking met basisinformatie over inkoop- en aanbestedingsprocedures. De regering neemt graag de suggestie van de leden van de PvdA-fractie over om ook op de meer praktische zaken bij het aanbesteden de gemeenten te ondersteunen. Bij het opstellen van het programma van eisen c.q. een bestek ten behoeve van de aanbesteding kan een gemeente heel wel aandacht besteden aan normatieve en belevingsaspecten. Zulks is zelfs aan te bevelen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering de vrees deelt dat bij commerciële aanbestedingsprocedures de waarde van langdurig partnerschap, lokale kennis en ervaring het onderspit kunnen delven.

Die vrees deelt de regering niet. Bij aanbestedingsprocedures moeten programma's van eisen worden opgesteld. Daarbij kunnen gemeenten lokale kennis, ervaring en het hebben van een lokaal netwerk een rol laten spelen.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts of er mogelijkheden zijn om bij aanbesteding beperkingen ten aanzien van reserveopbouw van instellingen mee te nemen. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de opbouw van een voldoende reservepositie. Een toekomstgerichte en verstandige bestuurder probeert de financiële reserves van zijn instelling op een voldoende niveau te brengen en te houden, afgestemd op het risico dat de instelling loopt.

De regering ziet dan ook geen reden en ook geen mogelijkheden om beperkingen op te leggen bij de reserveopbouw van zorginstellingen.

De leden van de PvdA-fractie vragen ook nog hoe de regering de mogelijkheden beoordeelt voor aanbesteding van de Wmo als totaalpakket.

Het is naar de mening van de regering zeer waarschijnlijk dat er meer onderdelen van de Wmo zijn die door gemeenten zullen worden aanbesteed. Dat de Wmo als totaalpakket zal worden aanbesteed is niet realistisch. Het zou ook – al gezien de eisen die aan aanbesteding worden gesteld – naar de inschatting van de regering onuitvoerbaar zijn.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts welke mogelijkheden aanbesteding van producten of diensten die het bedrag van EU-richtlijnen overstijgen biedt voor onderhandse aanbesteding.

Het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten dat op 1 december 2005 in werking treedt, vormt de implementatie van de nieuwe Europese aanbestedingsregels. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen gunning via onderhandelingen mogelijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een opdracht om redenen van bescherming van uitsluitende rechten slechts aan een bepaalde ondernemer kan wordentoevertrouwd of wanneer sprake is van dwingende spoed. Daarnaast geldt voor bepaalde diensten waaronder diensten voor gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening dat geen bepaalde procedure is voorschreven. Gunning via onderhandelingen is dan in principe mogelijk. Hiervoor geldt echter wel dat sprake moet zijn van gelijke behandeling, non-discriminatie en transparantie.

De leden van de PvdA-fractie vragen ook of de regering de lijn vasthoudt dat gemeenten zelf mogen beoordelen hoeveel wordt uitbesteed en hoeveel gemeenten zelf organiseren bij de uitvoering van de Wmo.

Het gaat hier zo begrijpt de regering om artikel 10 van het wetsvoorstel. Het eerste lid van artikel 10 van het wetsvoorstel bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders het verlenen van maatschappelijke ondersteuning zoveel mogelijk laat verrichten door derden. Het tweede lid bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders zaken die aan een persoon in eigendom worden overgedragen of in bruikleen worden gegeven, van derden betrekt, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is. Aan de lijn zoals neergelegd in artikel 10 houdt de regering inderdaad vast.

De leden van de PvdA-fractie vragen in dat verband een nadere toelichting op wat wordt bedoeld met het zoveel mogelijk laten verlenen van maatschappelijke ondersteuning door derden in artikel 10.

De regering heeft er met de Wmo voor gekozen om het primaat zoveel mogelijk bij private partijen te leggen omdat private partijen immers vaak de deskundigheid en professionaliteit bezitten die voor de uitvoering van veel maatschappelijke ondersteuningsactiviteiten nodig is.

Er zijn echter ook activiteiten denkbaar die door gemeente uitgevoerd worden en waarvan het voor de hand ligt dat gemeenten dat kunnen blijven doen (zoals bijvoorbeeld de functie van sociale raadslieden, de ombudsmanfunctie en de invulling van één-loket). De regering kiest er daarom voor om niet in alle gevallen het primaat van private partijen verplicht te stellen.

Bepalend in artikel 10, eerste lid is derhalve het criterium zo veel mogelijk. Dit criterium bepaalt de ruimte die een gemeente heeft om zelf bepaalde activiteiten uit te voeren, de mate waarin zij moet bewijzen dat zij niet ten onrechte zelf bepaalde activiteiten uitvoert en de mate waarin een instelling hard kan maken dat hij ten onrechte niet is benaderd. Gemeenten dienen zich hieromtrent jegens de raad te verantwoorden. Instellingen die vinden dat de gemeente hen ten onrechte niet heeft benaderd, kunnen zich wenden tot de gemeenteraad.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of de regering de voorgenomen toepassing van de aanbestedingsrichtlijnen heeft voorgelegd aan de Europese Commissie. Vervolgens vragen deze leden of als de regering dat niet heeft gedaan, zij dat van plan is te doen, en als de regering dat wel heeft gedaan, wat het oordeel is over de toepassing.

De regering merkt op dat het niet zo is dat in de Wmo wordt bepaald of er al dan niet moet worden aanbesteed en op welke wijze dat al dan niet zal moeten geschieden. Het is de Europese wet- en regelgeving die bepaalt in welke (Wmo)-gevallen er van aanbestedingsplicht sprake is. De regering is dan ook niet van plan de Europese Commissie te consulteren in deze nationale aangelegenheid die uiteraard binnen de Europese spelregels wordt uitgevoerd.

De Pvda-fractie informeert vervolgens hoe gemeenten vertegenwoordigers van cliënten kunnen betrekken bij de aanbestedingsprocedure.

Als gemeenten een programma van eisen in het kader van een aanbestedingsprocedure opstellen, kunnen zij naar het oordeel van de regering met name daarbij de lokale cliëntenorganisaties betrekken.

Het kenniscentrum voor Aanbestedingen werkt ook voor gemeenten. Gemeenten kunnen in het kader van de Wmo op vrijwillige basis gebruik maken van de kennis en expertise van het Kenniscentrum voor Aanbestedingen.

De PvdA-fractie vraagt naar de kennis over aanbesteden binnen het Ministerie van VWS.

De specifieke expertise met betrekking tot aanbesteden is binnen het Ministerie van VWS geconcentreerd bij de Eenheid Inkoop. Boven de 25 000 euro moeten alle voorgenomen aanbestedingen voor toetsing langs de Eenheid Inkoop van het ministerie. Boven de 50 000 euro voert de Eenheid Inkoop de aanbestedingen uit.

De PvdA-fractie vraagt op dit onderdeel tenslotte naar het oordeel van de regering over de verhouding tussen organisatorische en administratieve kosten van aanbesteding in relatie tot de uitvoeringskosten van de Wmo.

De basisgedachte die ten grondslag ligt aan aanbestedingsprocedures is naar de opvatting van de regering dat een open en transparante markt leidt tot een optimale prijs kwaliteit verhouding. In bijna alle gevallen verdienen de kosten van aanbesteding zich terug. De regering gaat er van uit dat het resultaat van een aanbestedingsprocedure zal zijn dat er meer middelen beschikbaar zullen zijn voor de uitvoering van de Wmo.

De leden van de CristenUnie-fractie wijzen er op dat zij voor de zomer voorstellen heeft gedaan om keuzevrijheid, ook voor zorg in natura, in de Wmo op te nemen. Ook de leden van de SGP-fractie wijzen op het belang van keuzevrijheid als uitgangspunt. Zij vrezen dat wanneer dat principe niet in de wet wordt vastgelegd aanbodsturing opnieuw in zicht komt.

Volgens de regering hebben de leden van de CristenUnie-fractie er voor de zomer terecht op gewezen dat het pgb in de AWBZ door slechts 10% van de cliënten wordt gebruikt en dat keuzevrijheid ook in de zorg in natura van belang is. De regering deelt de zienswijze op het belang van keuzevrijheid van deze leden dan ook volledig. Daarom is in artikel 3, vierde lid, onder e, aangegeven dat gemeenten in hun plan verplicht zijn aan te geven hoe zij invulling geven aan de keuzevrijheid voor cliënten. Het principe is daarmee naar het oordeel van de regering wel degelijk in de wet opgenomen. Wat betreft de suggestie om zorgpakketten met maximum prijzen vast te stellen merkt de regering op dat in de Wmo geen sprake is van zorgpakketten die geprijsd moeten worden. Wel is het heel goed denkbaar dat de gemeente voor individuele voorzieningen een maximale vergoeding vaststelt en dat de cliënt vrij wordt gelaten in de aanbieder van zijn of haar keuze. Om de keuzevrijheid van de burger te optimaliseren en vanwege de breedgedeelde wens van de kamerleden heeft de regering besloten het pgb als verplichting in de Wmo op te nemen. Bij nota van wijziging heeft de regering geregeld dat burgemeester en wethouders verplicht worden om personen die aanspraak hebben op individuele voorziening de keuze te geven tussen het ontvangen van die voorziening in natura of het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of pgb. Hiermee krijgen die personen ook het recht om die keuze te maken.

Kwaliteit

De leden van de fractie van het CDA vragen de regering om een reactie op het belang van het zorgloket, om daar ook de toegang tot de AWBZ te integreren. Tevens vragen deze leden of de regering bereid is een zorgloket verplicht te stellen, om het goed functioneren ervan te bevorderen.

Zoals de leden van de CDA-fractie terecht opmerken is een goed functionerend loket van groot belang, niet alleen voor het slagen van de Wmo, maar ook voor voorzieningen die buiten de reikwijdte van de Wmo vallen. De wet regelt dat gemeenten in het Wmo-plan moeten aangeven welke activiteiten zij al dan niet ontplooien op het prestatieveld informatie, advies en cliëntondersteuning. Gemeenten zullen dit in het algemeen doen via de loketfunctie. De precieze vormgeving van dat loket laat ik graag aan gemeenten over. Belangrijk is dat de informatie en adviesfunctie breed en integraal wordt opgepakt.

De regering stimuleert gemeenten om hun bestaande loket door te ontwikkelen tot een volwaardig Wmo-loket of daar waar nog geen loket is, gemeenten stimuleren om het in het kader van de Wmo wel op te gaan zetten. Daarbij wordt extra aandacht gegeven aan de afstemming met de AWBZ-indicatiestelling. Om dit verder te bevorderen is het gevraagd zich aan te sluiten bij lokale initiatieven voor loketten. Daarnaast zijn er reeds handreikingen verschenen die gemeenten ondersteunen bij het maken van keuzes omtrent de loketten en praktische tips geven voor het opzetten van loketten. Als vervolg op deze handreikingen zal binnen het implementatietraject van de Wmo aandacht besteed worden aan het verspreiden van goede voorbeelden. Samen met de VNG wordt nog bekeken welke andere mogelijkheden voor ondersteuning en stimulering van loketten geschikt kunnen zijn. Ten aanzien van het verplicht stellen van één loket merkt de regering op dat weliswaar de functionaliteit van zo'n loket omschreven kan worden, maar dat de vormgeving ervan bezwaarlijk in een wet kan worden vastgelegd omdat die heel verschillend kan zijn en wetgeving terzake alleen verstarrend kan werken.

De leden van de CDA-fractie vragen ook wat de positie van een cliënt is die het niet eens is met een indicatie.

De regering merkt op dat gemeenten niet verplicht zijn tot indicatiestelling vergelijkbaar met de AWBZ uit te voeren. Zij kunnen dat wel doen. Wel zal de gemeente altijd aan moeten geven wanneer en onder welke voorwaarden burgers voor bepaalde voorzieningen in aanmerking komen. Wanneer een cliënt het niet eens is met een beschikking van de gemeente dan staat overeenkomstig de regels van het Algemene wet bestuursrecht hiervoor de gebruikelijke weg van bezwaar en beroep open.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering uit te leggen hoe cliënten bij hun gemeente met succes bezwaar kunnen maken tegen voorzieningen die kwalitatief en of kwantitatief van onvoldoende niveau zijn en welke klachten-, bezwaar en beroepsprocedures de cliënt daarbij heeft.

De gemeente heeft op basis van artikel 3, vierde lid, onder d, van de Wmo de plicht een plan op te stellen, waarin zij onder andere aangeeft welke maatregelen de gemeente neemt om de kwaliteit te borgen van de wijze waarop de maatschappelijke ondersteuning wordt uitgevoerd. De gemeenteraad heeft op lokaal niveau de mogelijkheid om de gemeente aan te spreken op de manier waarop zij hieraan uitvoering geeft.

Voor bezwaar en beroep met betrekking tot de al dan niet toekenning van voorzieningen door de gemeente gelden de algemene procedures in het kader van de Algemene wet bestuursrecht.

Daarnaast wijst de regering er nog op dat de Wet klachtrecht cliënten zorginstellingen van kracht blijft voor die sectoren waarvoor deze ook nu geldt, met de klachtenprocedure zoals deze in de Klachtrecht wordt voorgeschreven. Dat geldt dus ook als een cliënt zijn huishoudelijke zorg geleverd krijgt van een thuiszorgorganisatie.

De leden van de fractie van het CDA vragen voorts waaraan het niveau wordt getoetst. Zij vragen of in de wet geen standaarden opgenomen zouden moeten worden.

Hierover merkt de regering op dat het algemene uitgangspunt is dat het niveau waarop wordt getoetst op lokaal niveau wordt bepaald. Daarbij heeft de gemeenteraad een belangrijke rol. Voordat het ontwerpplan voor invulling van de taken van de gemeente inzake de Wmo ter vaststelling aan de gemeenteraad wordt voorgelegd, vraagt het college van B en W hierover advies aan de gezamenlijke vertegenwoordigers van representatieve cliëntenorganisaties. Om de positie van de cliëntenorganisaties op lokaal niveau te versterken wordt in het kader van de Wmo gewerkt aan de versterking van de Regionale Patiënten & Consumenten Platforms. Voor de zaken die vanuit de AWBZ overkomen naar de Wmo geldt bovendien dat daarop de Kwaliteitswet zorginstellingen van toepassing zal zijn. De regering ziet daarom geen reden om standaarden in de wet op te nemen. Ook in de AWBZ is het bepalen van kwaliteitsnormen een primaire verantwoordelijkheid van de sector zelf.

De fractieleden van het CDA vragen of het juist is dat de wettelijke verankering van de cliëntenparticipatie van de Wvg met dit wetsvoorstel vervalt.

In artikel 1a van de Wvg vindt de cliëntenparticipatie zijn grondslag. Een met dit artikel vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 11 van het wetsvoorstel. Dit artikel moet in samenhang met artikel 3 gezien worden. In dat artikel van het wetsvoorstel is de verplichting voor gemeenten opgenomen om voor maximaal vier jaar een plan op te stellen. Het plan moet op basis van artikel 12 voorgelegd worden aan vertegenwoordigers van representatieve organisaties van vragers op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. In de Wvg is een dergelijk plan niet verplicht. Daarnaast worden gemeenten verplicht jaarlijks een aantal gegevens over hun prestaties op het gebied van maatschappelijke ondersteuning beschikbaar te stellen aan burgers en maatschappelijke organisaties.

Vervolgens komen de leden van de PvdA-fractie aan het woord en zij vragen hoe de kamer de regering kan aanspreken op haar verantwoordelijkheid voor de Wmo als over de kwaliteit van de te leveren voorzieningen in de wet niets is bepaald.

De regering kent een systeemverantwoordelijkheid. Dat betekent dat zij verantwoordelijk is voor de vormgeving van het wettelijke kader de bijbehorende middelen en de maatschappelijke effecten van de wet. De regering heeft hier geen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit in individuele gevallen. De gemeenten zijn verplicht informatie over de werking van de wet in hun gebied openbaar te maken. Daarin zullen de prestaties van de gemeenten als ook de cliënttevredenheid worden opgenomen. De regering ziet dat in het kader van de maatschappelijke ondersteuning als een belangrijke graadmeter. Gemeenten kunnen hierop ook onderling vergeleken worden. Als zou blijken dat op grote schaal en structureel sprake is van ontevredenheid, dan zal de regering moeten concluderen dat het systeem niet doet wat ze ervan verwacht en zullen systeemingrepen worden gedaan.

Daarnaast vraagt de PvdA-fractie hoe gemeenteraden de kwaliteit effectief kunnen controleren.

In artikel 3 van het wetsvoorstel is opgenomen dat gemeenten een plan moeten vaststellen, waarin in ieder geval moet worden aangegeven welke maatregelen de gemeente neemt om de kwaliteit te waarborgen en de wijze waarop maatschappelijke ondersteuning wordt uitgevoerd. Gemeenteraden kunnen met colleges van B&W afspraken maken over kwaliteitsbewakingsystemen. Dat betekent dat de gemeenteraad kan controleren of er aan de kwaliteitseisen is voldaan.

De leden van de PvdA fractie vragen vervolgens naar een reactie van de regering op het standpunt van de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) dat Rijk en gemeenten het eerst eens moeten zijn over het voorzieningenniveau, alvorens kan worden overgegaan tot het ontwikkelen van een financieel verdeelmodel.

De regering is het oneens met deze opvatting van de Rfv. De regering wil met de Wmo het lokale maatwerk op het gebied van voorzieningen stimuleren omdat de burger met lokaal maatwerk beter bediend kan worden als het gaat om maatschappelijke participatie dan met centralistische wet- en regelgeving vanuit Den Haag. Dat betekent dat er geen afspraken gemaakt worden over de invulling van het concrete voorzieningenniveau.

De Wmo beoogt geen bezuinigingen, het budget gaat schoon aan de haak over. Gemeenten moeten in staat zijn met deze middelen een kwalitatief gelijksoortig voorzieningenniveau te realiseren. Bij de ontwikkeling van het verdeelmodel is dan ook uit gegaan van het huidige voorzieningenniveau binnen de AWBZ en de specifieke Wvg uitkeringen.

De PvdA-fractie vraagt de regering of zij hun oordeel deelt dat burgers, waar zij ook wonen, recht hebben op een minimumkwaliteit van de te leveren voorzieningen en op welke wijze dit wetsvoorstel dit waarborgt. Ook de fracties van SP, GroenLinks en CDA vragen naar kwaliteitsnormen in de Wmo en hoe deze met betrekking op alle zorgvoorzieningen worden ingevuld en gehandhaafd.

Hiervoor zette de regering al uiteen dat zij van mening is dat de verantwoordelijkheid voor de minimale kwaliteit van de voorzieningen primair bij de gemeenten ligt. Daar moeten plannen worden gemaakt waarin kwaliteitseisen en het toezicht op naleving daarvan een plek kunnen krijgen. Deze plannen worden vervolgens door de gemeenteraad beoordeeld. De gemeente kan vervolgens afspraken maken met gecontracteerde aanbieders over minimale kwaliteit van de te leveren voorzieningen. Voor de voorzieningen die nu op basis van de Welzijnswet 1994 en de Wvg worden geboden geldt, dat de gemeente ook nu al verantwoordelijk is voor de eisen die aan de kwaliteit van die voorzieningen worden gesteld. De regering heeft ook al eerder aangegeven dat de Kwaliteitswet zorginstellingen zal blijven gelden voor die voorzieningen die uit de AWBZ overkomen naar de Wmo. Dat geldt voor de huishoudelijke verzorging, maar ook voor een eventuele overheveling van ondersteunende en activerende begeleiding indien aanvullende politieke besluitvorming daarover plaatsvindt. De regering is er geen voorstander van alle voorzieningen uit de Wmo onder de kwaliteitswet zorginstellingen te brengen. Zo ziet de regering bezwaarlijk een rol voor de inspectie van de gezondheidszorg ten aanzien van bijvoorbeeld woningaanpassingen of buurthuizen. De suggestie van de leden van de fractie van de PvdA dat de regering eerst nu de Kwaliteitswet zorginstellingen van toepassing verklaart wijst zij van de hand. Dit punt is herhaaldelijk in het debat met de kamer gewisseld.

De leden van de fractie van de PvdA vragen vervolgens of de Wmcz en de Wkcz niet van toepassing wordt verklaard op alle voorzieningen van de Wmo.

Bij de evaluatie van de Wmcz in december 2000 kwam naar voren dat«zowel voor het welzijnswerk voor ouderen, als voor het algemeen maatschappelijk werk de Wmcz zijn doel voorbij schiet» (Kamerstukken II 2001/02, 28 000 XVI, nr. 78). Vandaar dat de toenmalige staatssecretaris mevrouw Vliegenthart de kamer heeft medegedeeld voornemens te zijn dergelijke voorzieningen uit de Wmcz te halen. Dat gebeurt nu bij dit wetsvoorstel.

Voor de overige sectoren heeft de regering ten aanzien van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) en de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz) besloten de wetten van toepassing te laten zijn (blijven) op die sectoren waarvoor zij nu ook gelden.

Deze leden vragen op welke voorzieningen deze wetten wel van toepassing zullen zijn.

De regering meldt hierop dat dat het geval is op dezelfde instellingen, voor uitvoerend werk op het terrein van maatschappelijke hulpverlening, als thans gefinancierd worden op grond van de Welzijnswet 1994. Een uitzondering hierop vormt het algemeen maatschappelijk werk en het gecoördineerd ouderenwerk.

Artikel 27 bevat een voorziening om er voor te zorgen dat uitvoerend werk dat onder de Wkcz valt daaronder blijft vallen.

Deze leden vragen zich ook af wat het Kabinet bedoelt met de uitspraak dat «de regering heeft besloten de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) en de Wet klachtrecht cliënten zorginstellingen (Wmcz) van toepassing te laten zijn (blijven) op die sectoren waarvoor zij nu ook gelden en waar het handhaven van deze regels aansluit bij de feitelijke situatie».

Daarmee heeft de regering bedoeld dat de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor deze voorzieningen geen gevolgen behoeft te hebben voor de geïnstitutionaliseerde inspraak van cliënten op basis van de Wmcz en voor de mogelijkheid een klacht in te dienen op basis van de Wkcz.

Voorts vragen deze leden evenals de leden van GroenLinks of de Kwaliteitswet zorginstellingen, de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) en de Wet klachtrecht cliënten zorginstellingen (Wkcz) ook van toepassing voor aanbieders van bijvoorbeeld huishoudelijke verzorging die geen instelling in de zin der wet zijn.

De Kwaliteitswet zorginstellingen en de Wmcz is alleen van toepassing op instellingen. De Wkcz is eveneens van toepassing op individueel werkende hulpverleners.

De fractieleden van de PvdA vragen of het onderzoek van de Universiteit van Maastricht niet aantoont dat de Kwaliteitswet zorginstellingen van toepassing zou moeten zijn op de Wmo.

Het onderzoek van de Universiteit Maastricht toont het belang aan van het goed in de gaten houden of de patiënt voldoende voeding tot zich neemt en bij bedlegerige patiënten of er voldoende maatregelen genomen worden om decubitus te voorkomen. In de instellingssfeer hoort dat tot het kwaliteitsbeleid en zijn er door de Inspectie voor de Volksgezondheid prestatie-indicatoren voor opgesteld. Bij verzorging in de thuissituatie is het zaak dat de professionals die bij de patiënt over de vloer komen de aanwezige mantelzorger voldoende instrueren en ondersteunen, en zonodig de patiënt controleren. De «professionals» vallen onder de Wkcz en onder de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (onder ander het kwaliteitsartikel 40); de uitzendende thuiszorginstelling valt wel onder de Kwaliteitswet zorginstellingen. Er valt echter geen pleidooi voor een toepassing van de hier bovengenoemde «instellingswetten» ook in de thuissituatie uit af te leiden.

De PvdA-fractie veronderstelt dat met de inwerkingtreding van de Wmo er banen in de thuiszorg verloren zouden gaan. De toenemende vergrijzing zal er in de toekomst echter eerder toe leiden dat er van arbeidskrapte sprake zal zijn dan van een verlies van arbeidsplaatsen. De regering ziet dan ook geen enkele reden om in de Wmo (noch elders) zoiets als werkgelegenheidsgaranties in te bouwen.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts om het toepassen van de CAO-thuiszorg op te nemen in de Wmo.

De regering is dat niet van plan. Het handhaven van de naleving van de CAO en het bepalen van de werkingssfeer ervan is een taak van CAO-partners zelf. De Wmo is daarvoor niet het geëigende middel, net zo min als de AWBZ of de Zorgverzekeringswet geëigende middelen zijn om CAO's van toepassing te verklaren.

De fractieleden van de PvdA vragen de mening van de regering om een wettelijke regeling analoog aan de wet personenvervoer op te nemen.

De situatie waarvoor in de Wet Personenvervoer 2000 een voorziening is getroffen, is een volstrekt andere dan die die met de Wmo wordt gecreëerd. Er is in de Wmo immers geen sprake van een «alles of niets»-situatie voor de aanbieder. Er zijn ook andere marktsegmenten waar de aanbieder zich voor de continuïteit van zijn onderneming op kan richten wanneer de gemeente een expirerend contract niet verlengt. Er is daarom geen reden om in dit geval de normale maatschappelijke en economische dynamiek in te perken met de gesuggereerde voorziening.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom er met het van toepassing zijn van de Kwaliteitswet zorginstellingen op delen van de Wmo wordt afgeweken van het decentralisatieprincipe. Zijn kwaliteitseisen voor huishoudelijke zorg van een groter belang dan bijvoorbeeld voor scootmobiels, zo vragen deze leden. Ook vragen deze leden of hier ook sprake is van een tijdelijke maatregel totdat de zorgplicht voor gemeenten vervalt.

Bij de kwaliteit van verschillende Wmo-voorzieningen spelen verschillende aspecten van kwaliteit een rol, zoals de productkwaliteit, de servicekwaliteit en de zorgkwaliteit. Voor de verschillende aspecten van kwaliteit gelden verschillende regimes.

Er is binnen de Wmo gekozen voor een status quo als het gaat om de bewaking van de kwaliteit van de verschillende voorzieningen. Voor die zaken waarop nu in de AWBZ de kwaliteitswet zorginstellingen van toepassing is, zal dat ook binnen de Wmo gelden. Voor toetsing van de zorgkwaliteit van deze voorzieningen is een specifieke bevoegdheid vereist, die op basis van de Kwaliteitswet zorginstellingen aan de IGZ is toegewezen.

Voor kwaliteitseisen aan een scootmobiel geldt binnen de Wmo, net als over de huidige Wvg, dat de gemeente verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de in te kopen producten. De fabrikant van deze producten draagt verantwoordelijkheid voor de geleverde kwaliteit.

Om de Kwaliteitswet zorginstellingen van toepassing te laten zijn voor die voorzieningen in de Wmo die overkomen vanuit de AWBZ zal de kwaliteitswet worden aangepast. Dit betreft geen tijdelijke maatregel en staat los van de tijdelijke zorgplicht zoals in de Wmo omschreven.

De fractieleden van de VVD vragen voorts of gemeenten de kwaliteit kunnen meten en waarom dat dan niet voor de hele Wmo kan.

Naar de mening van de regering zijn gemeenten zeer wel in staat een eigen kwaliteitsbeleid en de bijbehorende normen en indicatoren te ontwikkelen. Zij kunnen dat naar de mening van de regering ook Wmo breed. De toepasselijkheid van de kwaliteitswet op onderdelen staat dat ook niet in de weg. De gemeenten kunnen bij de contractering afspraken maken over het meten van de kwaliteit van de voorzieningen. Het staat de gemeenten vrij om dit voor de hele Wmo vorm te geven. Deze invulling is onderdeel van het plan dat gemeenten op basis van artikel 3, vierde lid, onder d, van de Wmo verplicht opstellen en waarin zij onder andere aangeven welke maatregelen de gemeente neemt om de kwaliteit te borgen van de wijze waarop de maatschappelijke ondersteuning wordt uitgevoerd.

De leden van de VVD fractie vragen of de regering bereid is mee te denken over een Wmo-breed kwaliteitsbewakingssysteem, omdat huns inziens in de wet geen enkele positie toebedeeld wordt aan de kwaliteitswensen en beleving van de gebruikers.

De regering is het niet met deze leden eens, dat in de wet geen enkele positie is toebedeeld aan de kwaliteitswensen en -beleving van gebruikers. Zowel bij het opstellen van het gemeentelijke plan als bij de verantwoording over de uitvoering daarvan zal het cliëntperspectief leidend zijn. In de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 9 van de wet zal in ieder geval de cliënttevredenheid op de verschillende onderdelen één van de indicatoren zijn die moet worden gepubliceerd, op grond waarvan ook onderling vergelijkingen tussen gemeenten mogelijk worden. Transparantie en benchmarking ziet de regering als belangrijk instrumentarium om kwaliteit te bewaken. Op grond van artikel 3, vierde lid, onder d, zijn gemeenten verplicht een kwaliteitsbeleid te voeren. Aan het ontwikkelen van modellen daarvoor wil de regering graag een bijdrage leveren.

De leden van de SP-fractie menen dat door het overhevelen van de totale huishoudelijke zorg vanuit de AWBZ naar de WMO, veel thuiszorginstelling zich na de invoering van deze wet genoodzaakt zullen zien om voor minder geld, nog meer kwaliteit te leveren. Zij worden immers gedwongen om te concurreren met andere thuiszorginstellingen of zoals ook mogelijk blijkt te zijn met reguliere schoonmaakbedrijven. Hiertoe worden zij gedwongen, willen zij door de gemeenten gecontracteerd worden om het voortbestaan te kunnen garanderen. Dit brengt voor de thuiszorgwerkers een onhaalbare werkdruk met zich mee. Een zorgwekkend gevolg is ook dat de thuiszorginstellingen door een vermindering van opdrachten genoodzaakt zijn om het personeel te ontslaan. De SP leden willen hier extra de nadruk op leggen omdat zij, door de genoemde argumenten, marktwerking in de zorg ontoelaatbaar vinden.

De regering verschilt hier fundamenteel van opvatting met de SP. Het beschreven proces van kwaliteitsverbetering en doelmatigheidsbevordering als gevolg van meer concurrentie juicht de regering juist toe. Wel is de regering van mening dat noch in de zorg, noch in de maatschappelijke ondersteuning sprake zal kunnen zijn van ongebreidelde marktwerking in de zin dat productvorming en prijsvorming in alle opzichten geheel aan het vrije spel van vraag en aanbod zal kunnen worden overgelaten. De regering spreekt dan ook steeds van marktwerking binnen de kaders van het publiek belang.

De leden van de fractie van GroenLinks maken zich eveneens zorgen over de marktwerking. Zij wijzen in dit verband op de mogelijke gevolgen voor de thuiszorginstellingen en voor de vervoersbedrijven die moeten concurreren met in het algemeen goedkopere bedrijven. Deze concurrentie kan volgens deze leden ten koste gaan van de kwaliteit en personele gevolgen hebben. Zij vragen waarom voor thuiszorg en speciaal vervoer geen kwaliteitsnormen in de Wmo zijn opgenomen.

Ten aanzien hiervan geldt naar de mening van de regering hetzelfde als zij opmerkte ten aanzien van hetgeen de leden van de SP fractie naar voren brachten. Ook op het opnemen van normen in de wet is de regering hiervoor uitgebreid ingegaan.

Leden van de GroenLinks-fractie willen weten hoe op dit moment het toezicht is geregeld op de voorzieningen en diensten die worden geleverd op basis van de Wet voorzieningen gehandicapten en de Welzijnswet 1994.

Terzake meldt de regering het volgende. De Wet voorzieningen gehandicapten bevat geen bepalingen over toezicht. In artikel 11a van de Welzijnswet 1994 is bepaald – kort weergegeven – dat met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Welzijnswet 1994 zijn belast bij besluit (van de Minister van VWS, dan wel van gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders) aangewezen ambtenaren. Er zijn echter nooit ambtenaren aangewezen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen vervolgens wat de mogelijke meerwaarde is om net als in de Wcpv een bepaling in de Wmo op te nemen om de kwaliteit en doelmatigheid van de maatschappelijke ondersteuning te bevorderen. Daaraan koppelen zij een vierjaarlijks landelijk programma voor uitvoering van onderzoek op dit terrein.

De regering stelt met het wetsvoorstel juist de gemeenten centraal en beperkt zich zo veel mogelijk tot het stellen van algemene randvoorwaarden. Dat wil echter niet zeggen dat er geen waarborgen voor kwaliteit en doelmatigheid in het wetsvoorstel zijn opgenomen. Ten eerste is er de verplichting van gemeenten tot het vierjaarlijks opstellen van een plan met prestatiegegevens (doelmatigheid). Daarin kunnen gemeenten ook bepalen hoe zij de kwaliteit willen borgen. Daarnaast is voorzien dat de Kwaliteitswet zorginstellingen onverminderd van toepassing is (blijft) op onderdelen van de AWBZ die deels onderdeel blijven uitmaken van het verzekerde pakket van de AWBZ en deels, in het kader van de Wmo, tot de verantwoordelijkheid van de gemeente gaan behoren.

Wat betreft onderzoek op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning wil de regering opmerken dat het vernieuwde subsidiebeleid zich richt op de thema's kennis, innovatie en meedoen. De huidige en toekomstige kennisinfrastructuur biedt voldoende mogelijkheden voor onderzoek op de verschillende terreinen van de Wmo.

De leden van de SGP-fractie hebben de indruk dat de handhaving van het kwaliteitsbeleid in de praktijk onduidelijkheden zal opleveren. In de eerste plaats lijkt het van toepassing verklaren van de Kwaliteitswet zorginstellingen een vreemde constructie. Slechts voor een beperkt deel van het gemeentelijke beleid gelden deze kwaliteitsnormen. De keuze voor de terreinen die uit de AWBZ gaan is uiteraard historisch wel verklaarbaar, maar kan na verloop van tijd verwarring oproepen. In de tweede plaats wordt in de toelichting terecht gesignaleerd dat er twee soorten kwaliteitsnormen zullen gelden voor de terreinen die onder de Kwaliteitswet zorginstellingen vallen. De leden van deze fractie achten de kans erg groot dat deze normen zullen verschillen. Deze verschillen zullen onduidelijkheid oproepen voor de uitvoerende instanties, zeker als bepaalde normen tegenstrijdig zouden zijn. Hoe wordt dit uit elkaar lopen van de kwaliteitsnormen voorkomen Op het van toepassing zijn van de Kwaliteitswet zorginstellingen is de regering hiervoor ingegaan. De regering is er niet van overtuigd dat de geschetste situatie verwarring zal opleveren. Het is niet ongebruikelijk dat meerdere kwaliteitsborgingen van toepassing zijn. Zo zal in een aantal gevallen bijvoorbeeld naast gemeentelijk kwaliteitsbeleid voor «tafeltje dekje» ook de Warenwet van toepassing zijn. Voor instellingen die zorg leveren waarop de normen van de Kwaliteitswet zorginstellingen van toepassing zijn geldt, dat zij te alle tijden aan deze normen moeten voldoen. Zij kunnen derhalve geen contract met de gemeenten sluiten waarin zorg van mindere kwaliteit wordt afgesproken. Van tegenstrijdigheid van normen zal dan ook geen sprake zijn.

De leden van de SGP-fractie vragen eveneens naar de rechtvaardiging voor de gekozen constructie ten aanzien van medezeggenschap en klachtrecht op dit moment. De regering heeft niet gezocht naar een rechtvaardiging maar omgekeerd gemeend dat de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor voorzieningen op zich niet het vervallen van de geïnstitutionaliseerde inspraak van cliënten op basis van de Wmcz en voor het van toepassing zijn van de Wkcz rechtvaardigt.

Financiële effecten

Hierna stellen de leden de financiële aspecten van het wetsontwerp aan de orde.

De leden van de CDA-fractie vragen of al duidelijk is wat de BTW-gevolgen zullen zijn voor bepaalde vormen van thuiszorg en persoonlijke zorg, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Het uitgangspunt van de regering is een voor betrokkenen (ondernemer en belastingdienst) uitvoerbare en controleerbare regeling en het streven is er op gericht de bestaande BTW-vrijstelling zoveel mogelijk te continueren. De leden van de CDA-fractie wensen op dit punt volledige duidelijkheid bij de invoering van de Wmo, en willen niet dat de cliënten geconfronteerd worden met hogere kosten of een minder goed aanbod van voorzieningen. Zij vragen de regering het uiterste te doen om de bestaande BTW-vrijstellingen te continueren. Van de wens van de leden van de CDA-fractie dat op dit punt volledige duidelijkheid bestaat bij de invoering van de Wmo neemt de regering goede nota. Op dit moment is overleg gaande tussen de departementen van VWS en Financiën, waarbij ernaar wordt gestreefd om de bestaande BTW-vrijstelling te continueren. Voorwaarde daarbij is uiteraard wél dat de vrijstelling goed uitvoerbaar en controleerbaar blijft.

De CDA-fractie vraagt naar de inkomensgevolgen van de Wmo als gevolg van een verschil in tarief in premieschijven en belastingschijven.

De Wmo zal ook voor de burger budgettair neutraal verlopen. De overheveling van de huishoudelijke verzorging brengt automatisch een daling van de AWBZ-premie met zich mee. Deze daling in premieopbrengsten wordt gecompenseerd door het belastingtarief in de eerste twee schijven aan te passen, dat wordt dus hoger. Deze compensatie vindt op zo'n danige wijze plaats dat er geen individuele inkomensgevolgen ontstaan.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten waarom bij de overdracht van de financiën is gekozen voor maximale bestedingsvrijheid voor de gemeenten en ze vragen zich af waarom een tijdelijke «oormerking» nadelig zou zijn voor gemeenten.

Het antwoord van de regering daarop is zoals in deze nota reeds meerder malen gegeven, dat zij gemeenten als een volwaardige bestuurslaag ziet onder democratische controle. Ten principale hoort bij de gemeentelijke beleidsvrijheid ook de volledige financiële verantwoordelijkheid. Daarom heeft de regering niet gekozen voor een specifieke doeluitkering. Wel heeft de regering er begrip voor dat een majeure toevoeging aan het gemeentefonds met extra waarborgen wordt omkleed.

Daarom heeft de regering voor een integratie-uitkering gekozen. Een integratie-uitkering maakt deel uit van het gemeentefonds, maar kent een eigen, afwijkende verdelings- en volumeregeling. Er kan daardoor maatwerk worden geleverd, bijvoorbeeld bij het invoeringstraject. Na afloop van de integratie-uitkering volgt automatisch opname in de algemene uitkering van het gemeentefonds. De looptijd is facultatief, wel moet een eindtijd worden aangegeven. De geldstroom kan apart worden geïndexeerd en gemonitoord. Mogelijke tussentijdse taakverzwaringen bij de gemeenten kunnen in geval van een integratie-uitkering in kaart worden gebracht door de onafhankelijke derde. Het oordeel van de onafhankelijke derde leidt tot bijstelling van het Wmo-budget. Bij een integratie-uitkering hebben de gemeenten bestedingsvrijheid van de middelen. Hierdoor worden zij in staat gesteld een integraal beleid te voeren. Er is geen bureaucratische verantwoordingssystematiek richting Rijk nodig. De verantwoording vindt plaats waar hij thuishoort, namelijk horizontaal op het lokale niveau.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering inmiddels een standpunt heeft bepaald over de duur van de integratie-uitkering en op welke wijze en wanneer deze duur wordt vastgelegd. De duur van de integratieuitkering zal in overleg met de VNG worden bepaald.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of zij de mening deelt dat oormerking van middelen voor burgers die gebruik maken van Wmo-voorzieningen, van groot belang kan zijn.

Die mening deelt de regering hier niet. De regering is van mening dat in dit verband de tijdelijke zorgplicht gedurende een overgangsfase bepalender is. Daarom is de regering zoals reeds eerder in deze nota aangegeven van mening dat de combinatie van macro-indexering van de beschikbare middelen en tijdelijke zorgplicht voor de individuele cliënt materieel tegemoet komt aan de bedoeling van een doeluitkering, maar dan zonder de bureaucratische last van een doeluitkering.

De leden van de PvdA-fractie krijgen graag inzicht in de financiële scenario's die zijn gemaakt alvorens tot indiening van de Wmo over te gaan. Zij krijgen hierbij ook graag inzicht in de scenario's waarvoor uiteindelijk niet is gekozen. Zij vragen de regering of ze bereid is dit overzicht te splitsen in een overzicht van collectieve lasten en een overzicht van de inkomensgevolgen voor individuele inkomensgroepen op korte en lange termijn.

Door het «schoon aan de haak» principe bij de overheveling is de invoering van de wet budgettair neutraal en zijn er dus geen korte termijn effecten voor de collectieve lasten. Vanuit de gedachtegang dat goede voorliggende voorzieningen een stijgende zorgvraag kan beperken worden wel positieve effecten verwacht op de collectieve uitgaven. De daarbij gehanteerde scenario's voor de lange termijn heeft de regering al in de contourenbrief over de Wmo van 23 april 2003 («Op weg naar een bestendig stelsel voor langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning», Kamerstukken II, 2003/04, 29 538, nr. 1) geschetst. Naar het oordeel van de regering is geen sprake van vooraf calculeerbare inkomenseffecten als gevolg van de overheveling. Aan het vervallen van de aanspraak huishoudelijke verzorging kunnen geen algemene inkomenseffecten worden toegekend net zomin als in het verleden aan uitbreidingen van het pakket positieve inkomenseffecten zijn toegedicht. Bovendien wordt deze voorziening in veel gevalleen door de gemeente overgenomen. Wel kunnen effecten worden toegekend aan de systematiek van eigen bijdragebepaling.

Vervolgens vragen deze leden wat de regering onder een historische verdeling van de middelen verstaat en wat onder een volledig objectieve verdeling.

De regering verstaat onder de historische verdeling datgene wat door de inwoners van iedere gemeente over 2004 is genoten aan de voorzieningen die vanaf 1 juli 2006 onderdeel uitmaken van de Wmo en nu nog niet via het gemeentefonds worden gefinancierd. De regering verstaat onder een volledig objectieve verdeling, een verdeling die is gerelateerd aan objectieve kenmerken van de gemeenten en haar bevolking. Hierbij valt te denken aan huishoudenssamenstelling, vergrijzing en inkomen.

Dezelfde leden vragen naar de factoren die van belang zijn voor de ontwikkeling van het macrobudget.

De regering heeft inmiddels besloten dat de reële indexering van het macrobudget wordt gebaseerd op de ontwikkeling van het aantal extramuraal verblijvende 75-plussers. Dit is een eenvoudige en transparante maatstaf. De regering merkt hierbij echter nadrukkelijk op dat dat niet betekent dat toevoeging van middelen uitsluitend voor ouderen bedoeld is. Het is slechts een maat om tot een bepaling van de groei te komen. Verder worden de uitgaven voor huishoudelijke zorg gemonitoord door een onafhankelijke derde.

De PvdA-fractie vraagt voorts waarop de regering haar verwachting baseert, dat de overgang van een historische naar een objectieve verdeling vier jaar duurt.

De overgang van de ene verdeling naar de andere verdeling brengt onvermijdelijk herallocatie effecten met zich mee. Over de maximaal toegestane omvang van de jaarlijkse herallocatie effecten bestaan spelregels. De regering baseert haar verwachting op de duur van het overgangstraject op een eerste inschatting van de maximale herallocatie effecten, gedeeld door de jaarlijks maximaal toegestane herallocatie volgens de daarvoor gelden spelregels.

De leden van de PvdA-fractie vragen in dit verband ook waaruit precies de adequate indexering van het budget bestaat. De adequate indexering bestaat voor het reële deel in eerste instantie uit de ontwikkeling van het aantal extramuraal verblijvende 75-plussers. Daarnaast is voor wat betreft de huishoudelijke zorg de jaarlijkse toets door de onafhankelijke derde relevant. Het oordeel van de onafhankelijke derde kan leiden tot bijstelling van het macrobudget voor huishoudelijke zorg.

Daarnaast bestaat de nominale indexering voor 90% uit ova1 (loongevoelig) en voor 10% uit ppc2 (prijsgevoelig). Dit komt overeen met de huidige indexering van deze middelen en doet recht aan het sterk loongevoelige karakter van deze uitgaven.

Daarnaast vragen de leden van PvdA-fractie zich af in welk opzicht deze indexering van het reguliere accres van het gemeentefonds afwijkt.

Het reguliere accres is afgeleid van ontwikkelingen van de rijksuitgaven, dat betekent dat in grote lijnen het accres de stijgingen en dalingen van de rijksuitgaven volgt.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich voorts nog af hoe de feitelijke uitgaven voor huishoudelijke verzorging worden berekend. Bij de berekening van de feitelijke uitgaven voor huishoudelijke verzorging wordt gekeken naar de bestedingen in het jaar 2005. Op basis van de realisatiecijfers van het jaar 2005 vindt de definitieve vaststelling plaats. Deze vaststelling zal geschieden in de loop van 2006.

Verder vragen de leden zich af waaruit de adequate informatievoorziening bestaat. Deze informatievoorziening wordt momenteel ontwikkeld. De huidige structuur voor de informatievoorziening ten behoeve van het gemeentefonds zal hierin een belangrijke plaats innemen.

De methode van adequate indexering wordt volgehouden, zolang dit door alle betrokken partijen opportuun wordt geacht. Dit is mede afhankelijk van de feitelijke ontwikkeling van de Wmo-uitgaven.

De regering acht het nu niet mogelijk zich vast te leggen op een exacte termijn.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af waarom deze methode niet definitief deel gaat uitmaken van het verdeelmodel in de Wmo.

De regering wijst op het belang de indexering en de verdeling uit elkaar te houden. De indexering heeft tot doel het macrobudget voor de Wmo op een adequaat niveau te houden. Het verdeelmodel heeft tot doel een rechtvaardige verdeling van de beschikbare middelen over de gemeenten. Beide systemen tezamen moeten ertoe leiden dat iedere Nederlandse gemeente nu en in de toekomst een adequaat budget voor de Wmo ontvangt.

De leden van de PvdA-fractie vragen vervolgens of de regering op de hoogte is van het probleem van de gemeente Arnhem en vergelijkbare gemeenten, waar naar verhouding grote aantallen mensen met beperkingen binnen de gemeente wonen. Het verdeelmodel voor de Wmo houdt rekening met objectieve factoren die verantwoordelijk zijn voor de Wmo-kosten in de gemeente. De bestaande compensatie van deze gemeenten in de BBAG regeling wordt meegenomen in het verdeelmodel voor de Wmo middelen. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat een dergelijke gemeente per saldo meer of net zoveel geld krijgt voor de Wmo als in de huidige situatie. Er kunnen namelijk andere factoren zijn die in het verdeelmodel leiden tot een aanpassing van het gemeentelijk budget. Dit verdeelmodel wordt volgens de uitgangspunten van het gemeentefonds opgesteld. Leidend voor de verdeling is de vraag welke structuurkenmerken relevant zijn voor de uitgavenverschillen tussen gemeenten. De ontwikkeling van de middelen uit het gemeentefonds worden periodiek gevolgd. Zonodig wordt de verdeelsleutel bijgesteld. Door het bijstellen van de verdeelmaatstaven en het feit dat de structuurkenmerken van een gemeente veranderen, ontstaat er een verdeling over de gemeenten die in de tijd kan meebewegen met de uitgavenontwikkeling in gemeenten. Overigens blijkt dat op basis van de inzichten van nu over de verdeling de BBAG gemeenten er overwegend op vooruit gaan.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de regering vindt van de waarschuwingen dat het budget dat wordt overgeheveld naar de Wmo te beperkt is vanwege de recent aangescherpte criteria voor huishoudelijke verzorging en dat daardoor de mogelijkheden van gemeenten om te innoveren worden beperkt. Zij vragen zich af waarom voor de bepaling van het Wmo budget is gekozen voor de realisatie 2005 en niet voor een meerjarig gemiddelde en of door de aanscherping van de criteria geen sprake is van een indirecte bezuiniging op het budget.

De regering laat de Wmo van start te laten gaan met een budget dat geheel in overeenstemming is met de taakverzwaring van gemeenten. Dit betekent een budget afgestemd op de te verwachten behoefte. Zij meent dat de meest recente realisatie voor overheveling daarvoor de beste maatstaf biedt. De leden van de PvdA-fractie doelen met het aanscherpen van de criteria hoogstwaarschijnlijk op het document «gebruikelijke zorg». Kennelijk veronderstellen de leden van de fractie dat gemeenten in het kader van de Wmo toegangsbepalingen zullen gaan vaststellen die aanzienlijk ruimer zijn dan de grenzen van het document «gebruikelijke zorg». Dat staat de gemeenten natuurlijk vrij, maar dat is niet te verwachten en voor zover dat wel het geval is, behoort dat tot de financiële prioriteitstelling en verantwoordelijkheid van de gemeente. Voorts wijst de regering op de afspraak dat het budget van de integratie-uitkering afzonderlijk gevolgd wordt en dat macro meer- en minderuitgaven zullen worden verrekend. De veronderstelling sprake zou zijn van een indirecte bezuiniging deelt de regering daarom beslist niet.

De leden van de PvdA fractie vragen voorts of over de jaren 2000–2005 kan worden gezegd hoe vaak huishoudelijke hulp is verstrekt en welke bedragen hiermee gemoeid waren.

De regering heeft onderzoek laten doen naar de aantallen indicaties voor huishoudelijke zorg. Daaruit bleek dat het totale aantal nieuwe indicatiebesluiten waarin (ook) de functie huishoudelijke verzorging wordt toegekend, in 2003 293 616 bedraagt en in 2004 318 828.

Ten aanzien van de met de verstrekking van de huishoudelijke verzorging gemoeide bedragen kan de regering de volgende gegevens verstrekken:

Realisatiejaar (mln €)2001200220032004
totale zorg in natura huishoudelijke verzorging593,8751,6872,5920,5
Groei 27%16%5%

Enkele kanttekeningen wil de regering hierbij nog maken. Cijfers voor het jaar 2000 kunnen niet worden geleverd, omdat over dat jaar en de voorgaande jaren registratie niet in deze termen heeft plaatsgevonden. Het definitieve cijfer voor 2005 zal eerst na de afrekening in april 2006 bekend zijn. De cijfers betreffen de zorg in natura en zijn dus exclusief pgb's. Het pgb-bedrag gemoeid met huishoudelijke zorg bedraagt circa 126,1 mln euro (peildatum 1 april 2005). Voor alle duidelijkheid meldt de regering nog dat er per jaar geen directe relatie ligt tussen het aantal nieuwe indicatiebesluiten en de geleverde zorg.

Deze leden vragen voorts of een soortgelijk overzicht kan worden verschaft voor de subsidies die naar de Wmo worden overgeheveld.

Deze subsidies vallen uiteen in subsidies vanwege de WVG en subsidies vanwege de AWBZ.

WVG subsidies (mln euro)

Subsidie20002001200220032004
Bbag22,420,121,122,122,7
DWAP (Dure woningaanpassingen)9,54,824,721,429,9

AWBZ subsidies Mln euro

Subsidie20002001200220032004
Zorgvernieuwingsprojecten ggz (pr. = projecten)2,4 (109 pr.)2,5 (106 pr.)3,8 (135 pr.)4,7 (163 pr.)6,1 (169 pr.)
Diensten bij wonen met zorg (*)8,422,9
CVTM (**)9,314,020,326,330,0 (***)
Aanpassing ADL clusters (cl. = clusters)0,8 (63 cl.)1,4 (67 cl.)1,4 (68 cl.)1,6 (73 cl.)1,7 (83 cl.)

* Deze regeling bestaat sinds 2003.

** Dit is inclusief de middelen voor palliatieve zorg, deze bedragen in 2004 ca € 10 mln.

*** 2004 is nog niet afgewikkeld. De definitieve afrekening komt naar verwachting uit op meer dan € 30 mln.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering hoeveel geld de gemeenten ter beschikking krijgen voor welzijn en de uitvoering van de huidige Wvg en waarop deze uitgaven zijn gebaseerd. Tevens vragen zij om meerjarige overzichten.

De gemeentelijke uitgaven voor het welzijnsbeleid worden gefinancierd uit de algemene middelen van de gemeenten. Deze uitgaven worden als zodanig niet centraal geregistreerd. De invoering van de Wmo leidt niet tot een landelijke bijstelling van de gemeentelijke budgetten voor deze verantwoordelijkheden. Wel krijgen de gemeente de mogelijkheid om het totale Wmo budget optimaal in te zetten voor individuele en algemene Wmo voorzieningen.

Voor wat betreft de omvang van deze uitgaven valt op basis van CBS gegevens een zeer grove schatting te maken die uitkomt op ongeveer 3 mrd.

Gemeentelijke lasten Welzijn begrotingen 2000–2003 (CBS/Statline)

1000 €2000200120022003
Vormings- en ontwikkelingswerka)189 680208 740220 00024 2 000
Maatschappelijke begeleiding en adviesb)1 632 2501 722 5501 846 6002 005 100
Sociaal-cultureel werk476 020525 930595 700667 600
Totaal welzijn2 297 9502 457 2202 662 3002 914 700

a) Vormings- en ontwikkelingswerk omvat naast emancipatie ook de muziekscholen.

b) Onder maatschappelijke begeleiding en advies valt naast het algemeen maatschappelijk werk onder meer ook de maatschappelijke opvang.

Naast bovenstaande uitgaven valt ook de breedtesport onder de welzijnsuitgaven.

Het gaat hier om een bedrag van ca € 712 miljoen.

De uitgaven voor de Wvg vallen uiteen in uitgaven die gemeenten doen vanuit de eigen middelen en een beperkt aantal subsidieregelingen. Hiervoor verwijst de regering ook naar de rapportage Kerncijfers Wvg 2003, zoals in januari van dit jaar aan de Tweede Kamer gezonden. De kerncijfers Wvg zijn gebaseerd op de Wvg scan. Hierbij worden elk jaar bij alle gemeenten kwantitatieve gegevens verzameld over aantallen aanvragers, aantallen toegekende Wvg-voorzieningen en kosten van de Wvg-uitvoering.

Aantallen uitstaande Wvg-voorzieningen, landelijk, ultimo 1996 t/m 2003

Type voorzieningStand ultimo (x 1 000) 
 19961997199819992000200120022003
Roerende woonvoorzieningen15,69,315,318,021,528,636,842,3
Individuele vervoersvoorzieningen:        
– Scootermobielen20,630,645,251,566,172,575,588,6
– Overige natura voorzieningen11,914,324,826,329,129,634,639,2
– Geldsomverstrekkingen166,2192,5231,8228,6224,9160,0132,2144,6
Collectief vervoer181,2213,3277,1293,4405,2384,8421,1527,3
– Waarvan met aanvullende geldsomverstrekking96,6100,2101,4106,0128,0114,4143,9204,8 5
Rolstoelen (handmatig + elektrisch)68,482,8101,3118,9135,3151,6150,0170,7
Totaal uitstaande voorzieningen2453,9542,7695,5736,6882,1827,1850,21 012,7

Toelichting:

1 Alleen die roerende woonvoorzieningen waarvoor de gemeente jaarlijks kosten maakt (huurvoorzieningen).

2 Deze aantallen kunnen niet zonder meer gerelateerd worden aan de bedragen in tabel 1 wegens de gebruikte (getrapte) extrapolatiemethoden en zijn exclusief de aanvullende geldsomverstrekkingen bij collectief vervoer.

Uitgaven op kasbasis voor Wvg-voorzieningen, landelijk, 1996 t/m 2003

Type voorziening  Uitgaven (kasbasis; x miljoen euro)
 19961997199819992000200120022003
Woonvoorzieningen (individueel):119,3160,9172,0164,9165,8187,6221,9242,2
– Woningaanpassingen86,0120,0126,5117,6120,2137,4163,0183,7
– Verhuizing en inrichting19,423,826,126,223,825,527,825,9
– Roerende woonvoorzieningen8,010,010,811,012,014,416,618,3
– Overige woonvoorzieningen5,97,28,710,19,910,414,614,4
Overige gemeentelijke bijdragen aan woonvoorzieningen1,91,01,42,31,62,11,31,1
Vervoersvoorzieningen (individueel):167,9211,5246,2254,8249,6249,2266,5265,4
– Naturavoorzieningen, waarvan:33,549,862,764,483,495,9121,7123,5
* Scootermobielen26,041,051,153,568,379,5103,3102,6
* Overige naturavoorzieningen7,58,811,610,915,116,418,520,9
– Beheerskosten en overige kosten2,84,56,96,89,19,311,910,9
– Geldsomverstrekkingen107,2126,1135,8140,0118,1102,78 7,692,3
– Aanvullende vergoeding bij collectief vervoer124,531,340,843,639,141,445,235,9
Collectief vervoer55,384,595,0115,4121,8133,7165,7178,6
Rolstoelen:60,080,3100,2106,998,0111,6132,2143,8
– Rolstoelen (handmatig en elektrisch)53,470,784,890,180,391,0109,9112,1
– Sportrolstoelen1,01,01,51,61,52,01,51,6
– Beheerskosten1,72,65,97,78,89,811,115,8
– Overige kosten3,95,98,07,57,48,89,714,3
Collectieve voorzieningen11,014,221,420,98,28,411,27,7
Totaal voorzieningen415,4552,5636,1665,1644,9692,6798,8838,8

Toelichting:

1 Het aantal aanvullende vergoedingen naast collectief vervoer is niet in de (sub)totalen meegeteld omdat deze voorziening niet afzonderlijk maar uitsluitend in combinatie met collectief vervoer wordt toegekend en daarom als één geheel moet worden beschouwd.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts waarop de invoeringskosten van € 45 mln zijn gebaseerd.

Deze invoeringskosten zijn de uitkomst van een kritische vergelijking van VWS ramingen en ramingen van gemeentezijde.

In deze ramingen zijn meegenomen de kosten die gemeenten moeten maken voor onder andere:

• het opstellen van een projectplan en projectstructuur;

• het organiseren van een expertmeeting;

• het opstellen van een communicatieplan;

• het inrichten van een lokaal loket;

• het inwinnen van informatie ten behoeve van zorginkoop;

• het opstellen van een plan van aanpak;

• het organiseren van een indicatiestelling;

• het organiseren van de kwaliteitszorg;

• het trainen van medewerkers.

De leden van de fractie van de PvdA vragen ook hoeveel de regering met dit wetsvoorstel naar verwachting bespaart op de uitgaven voor de AWBZ.

De regering beoogt met dit wetsvoorstel geen budgettaire besparing bij de gelegenheid van de invoering van de Wmo. De met de AWBZ zorg gemoeide bedragen gaan schoon aan de haak over naar de gemeenten. De realisatie over 2005 is hierbij het uitgangspunt. Dit laat onverlet dat de regering zoals eerder in deze nota betoogd verwacht dat door het creëren van goede voorzieningen op de lange termijn met minder middelen toekunnen dan bij voortgezet beleid onder de AWBZ het geval zou zijn. De scenario's daarvoor zijn reeds in de brief van 23 april 2003 (Kamerstukken II, 2003/04, 29 538, nr. 1) aan de kamer gemeld.

Deze leden vragen voorts wat de regering vindt van het advies van de Rfv, waarin de Raad bepleit het Rijk voorlopig zelf de risico's van de uitvoering moet dragen en dat op grond daarvan de middelen voor huishoudelijke verzorging via een tijdelijke specifieke uitkering naar de gemeenten moeten vloeien.

De regering is van mening dat de nadelen van een specifieke uitkering niet opwegen tegen de voordelen. Uitgangspunt voor de regering is dat de Wmo een domeinwet is. De gemeente wordt verantwoordelijk voor het Wmo-beleid. De integratie-uitkering is het financiële arrangement dat aansluit op dit bestuurlijke arrangement. De meerwaarde van het gemeentelijk Wmo beleid is gelegen in de integrale afweging, zowel binnen de Wmo uitgaven als tussen de Wmo-uitgaven en andere beleidsterreinen.

Wanneer een gemeente over de aanwending van de Wmo middelen verantwoording moet afleggen aan Den Haag, dan frustreert dat de horizontale verantwoording over de output van beleid. Het Haagse geld moet terug als het niet opgaat en is daarmee vanuit gemeentelijk perspectief gratis. Wanneer de gemeente een deel van haar uitgaven in Den Haag kan declareren, wordt een prikkel gecreëerd om mensen vooral naar die voorzieningen te geleiden.

De regering heeft wel oog voor het argument dat gemeenten in de eerste jaren niet het volle risico voor de vraagontwikkeling moeten dragen. Het financiële arrangement voorziet daarom in een onafhankelijke derde die op macroniveau de uitgavenontwikkeling voor huishoudelijke zorg monitoort. De rapportages van de onafhankelijke derde leiden zonodig tot bijstelling van het macrobudget voor huishoudelijke zorg. De regering meent dat op deze wijze de gemeenten voldoende zekerheden krijgen zonder dat dit leidt tot onnodige bureaucratie en perverse prikkels.

De leden van de VVD-fractie willen weten welke (subsidie)regelingen er opgaan in de Wmo, om welke bedragen het daarbij gaat en welke overgangsmaatregelen er zijn getroffen.

De volgende subsidieregelingen gaan over vanuit de AWBZ naar de Wmo: diensten bij wonen met zorg, initiatieven openbare geestelijke gezondheidszorg, de zorgvernieuwingsprojecten geestelijke gezondheidszorg en de coördinatie vrijwillige thuiszorg en mantelzorg. De exacte bedragen die overgaan zijn op dit moment nog niet bekend omdat die gebaseerd worden op de realisatiecijfers 2005. In 2004 is in totaal € 71,5 mln uitgegeven aan genoemde regelingen. Deze middelen zullen in het eerste jaar op basis van historische gronden worden verdeeld, dus op basis van de daadwerkelijke uitgaven per gemeente. Voor de jaren daarna wordt in een aantal stappen toegewerkt naar een objectief verdeelmodel voor de integratie-uitkering Wmo.

Verder vragen deze leden zich af of niet het gevaar bestaat dat deze middelen wel aan het macrobudget worden toegerekend, maar dat gemeenten er geen eigen beleid op kunnen ontwikkelen omdat er nog langlopende verplichtingen zijn. Om te voorkomen dat gemeenten na de overheveling geconfronteerd worden met langlopende verplichtingen zullen de subsidieregelingen tijdig en op een zodanige manier beëindigd worden dat er van langlopende verplichtingen niet of nauwelijks sprake zal zijn.

De leden van de SP-fractie vragen waarom de rechten en aanspraken zoals die nu geregeld zijn, niet in de Wmo zijn opgenomen.

De regering acht het voor een succesvolle uitvoering van de Wmo door de gemeenten noodzakelijk dat de gemeenten voldoende beleidsvrijheid krijgen. Door gebruik te maken van de lokale mogelijkheden kan een gemeente in bepaalde zorgbehoeften voorzien door het treffen van algemene voorzieningen. De regering acht het ongewenst om de gemeenten in die mogelijkheden te beperken, temeer omdat ze gemeenten zoals reeds meerdere malen betoogd ziet als een volwaardige democratische bestuurslaag. In de eerste jaren van de invoering van de Wmo zal er bij wijze van overgang sprake zijn van een tijdelijke zorgplicht, zodat gemeenten in overleg met lokale belangenbehartigers samen een Wmo-beleid kunnen ontwikkelen. Deze tijdelijke zorgplicht richt zich met name op individuele voorzieningen.

De leden van de SP-fractie vragen tevens aan de regering de gemeenten te laten garanderen dat zowel de subsidiegelden als de opbrengsten van de eigen bijdrage besteed worden aan Wmo relevante voorzieningen. In het verlengde van het hiervoor gegeven antwoord kan de regering daar niet aan voldoen.

De leden van de SP-fractie vragen zich af of de regering inzicht heeft in de opeenstapeling van de eigen bijdragen. Zij voorzien het gevaar dat voor iedere voorziening straks een eigen bijdrage moet worden betaald.

De regering wijst hierbij op haar voorstellen voor de eigen bijdrageregeling Wmo en AWBZ. Deze voorstellen voorzien in een anticumulatiebeding, dat ervoor zorgt dat de cliënt voor de extramurale eigen bijdragen AWBZ en Wmo gezamenlijk nooit meer betaalt dan de maximale inkomensgerelateerde eigen bijdrage AWBZ.

De SP-fractie verzoekt de regering tevens of zij bereid is om inkomensgerelateerde maximale eigen bijdragen in de wet op te nemen.

De regering is inderdaad voornemens de gemeentelijke vrijheid om een eigen bijdrage regeling vast te stellen te binden aan inkomensgerelateerde grenzen. Deze grenzen zijn gebaseerd op de inkomensafhankelijke eigen bijdrage regeling AWBZ.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen zich af welke financiële risico's volgens de regering zijn verbonden aan de invoering van de Wmo en wie voor die risico's gaan opdraaien.

De regering acht weinig financiële risico's verbonden aan de invoering van de Wmo. De belangrijkste onzekerheid is de ontwikkeling van de vraag naar huishoudelijke zorg. Voorzover deze macro leidt tot meeruitgaven voor de gemeenten, wordt het Wmo-budget hierop aangepast. Een onafhankelijke derde brengt bindend advies uit over de noodzaak van mogelijke aanpassingen. Het Rijk heeft zich aan de adviezen van deze onafhankelijke derde verbonden. De regering meent zo een evenwichtige spreiding van de risico's te hebben bewerkstelligd, zonder dat dit leidt tot onnodige inperkingen van de gemeentelijke beleidsvrijheid.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de kamer over de exacte omvang van de uitvoeringskosten wordt geïnformeerd voor de behandeling van het wetsvoorstel in de kamer, of dit kosten zijn die na de invoering van de Wmo worden onderzocht.

Ook ten aanzien van de uitvoeringskosten is afgesproken dat die schoon aan de haak overgaan. Dat vertaalt zich als volgt. Het bedrag dat in eerste instantie overgaat voor uitvoeringskosten is afgeleid van de uitvoeringskosten die het Rijk op dit moment maakt voor deze uitgaven. De omvang van deze uitgaven wordt thans geraamd op circa € 36 miljoen.Op dit moment wordt eraan gewerkt om het bedrag van de uitvoeringskosten exact te bepalen. Afgesproken is dat na de start van de Wmo zal worden bezien hoeveel kosten een doelmatige uitvoering van de Wmo met zich meebrengt. De uitkomsten van dit onderzoek kunnen leiden tot bijstelling van het budget voor de uitvoeringskosten.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom pas na invoering van de Wmo wordt onderzocht welke kosten een gemeente moet maken voor een doelmatige uitvoering.

Het is niet goed mogelijk van te voren een exacte inschatting van de uitvoeringskosten te geven. De regering is van mening dat er genoeg mogelijkheden zijn voor gemeenten om de Wmo op een niet bureaucratische manier uit te voeren. De gemeentelijke uitvoeringskosten zullen de huidige kosten in de AWBZ dan ook niet veel hoeven te ontlopen. Deze kosten zijn daarom het uitgangspunt bij de overheveling van de middelen naar de gemeenten.

De leden vragen voorts wat als uit het onderzoek naar de administratieve lasten blijkt dat het voor een doelmatige uitvoering van de Wmo niet wenselijk is dat gemeenten delen van de AWBZ gaan uitvoeren en of het dan niet te laat is.

De ex ante analyse dient niet om de vraag te beantwoorden of de Wmo er moet komen, maar om te komen tot een adequate bepaling van de vergoeding van het rijk aan de gemeenten. Het is geen probleem dat deze gegevens pas na invoering van de Wmo beschikbaar zijn.

De leden vragen of de regering verwacht dat de uitvoeringskosten voor de AWBZ onderdelen die overgeheveld gaan worden zullen stijgen, omdat elke gemeente dat apart moet gaan organiseren.

De regering verwacht dit niet. Gemeenten kunnen gebruik maken van de synergie met de uitvoering van bestaande gemeentelijke taken. Tot slot kunnen gemeenten er voor kiezen de uitvoering voor een belangrijk deel binnen gemeentelijke samenwerkingsverbanden vorm te geven.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of gemeenten al op voorhand hebben aangegeven dat zij een groot deel van het budget nodig zullen hebben voor de uitvoering en vragen welk percentage tijdens de onderhandelingen is genoemd.

Het is de regering bekend dat van de zijde van de VNG percentages van uitvoeringskosten zijn genoemd van 15 tot 20%. Dergelijke percentages heeft men echter niet aannemelijk gemaakt. Om die reden wordt afzonderlijk onderzoek uitgevoerd naar de kosten van een doelmatige uitvoering.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen wat de verhouding uitvoeringskosten/zorgkosten voor de AWBZ onderdelen is die worden overgeheveld en wat deze verhouding naar verwachting zal zijn na overheveling.

De huidige verhouding is sterk afhankelijk van wat men tot de uitvoeringskosten rekent. Zo zit in de bestaande vergoeding aan de thuiszorginstellingen ook een opslag voor de overhead van deze instellingen. Als men daarvan afziet, dan komt de verhouding neer op 4 staat tot 100. De regering heeft geen aanwijzingen dat deze verhouding na overheveling naar de Wmo sterk verslechtert.

Deze leden vragen voorts wat gemeenten straks moeten gaan betalen aan het CIZ als zij de indicatiestelling voor huishoudelijke zorg, scootmobielen en rolstoelen uitbesteden aan het CIZ, en hoeveel duurder deze indicatiestelling voor de huishoudelijke zorg wordt bij uitbesteding.

De regering wil graag vooropstellen dat de gemeente straks de verantwoordelijkheid draagt voor de toegang tot de Wmo-voorzieningen. De regering heeft het CIZ gevraagd om in die gevallen waar gemeenten dat wensen in het lokale loket met die gemeenten samen te werken om te komen tot een integrale indicatiestelling. Op voorhand valt niet aan te nemen dat de kosten van de indicatiestelling voor huishoudelijke verzorging zullen stijgen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen voorts of de regering inzichtelijk kan maken wat de gevolgen zijn voor gemeenten met grote AWBZ-instellingen op hun grondgebied en of het klopt dat voorzieningen voor bewoners van deze instellingen onder druk komen te staan. De leden van de LPF-fractie spreken eveneens uit dat het sociaal vervoer onder druk komt te staan.

De regering merkt hier over op dat het verdeelmodel voor de Wmo rekening houdt met objectieve factoren die verantwoordelijk zijn voor de Wmo kosten in de gemeente. De bestaande compensatie van deze gemeenten in de BBAG regeling wordt meegenomen in het verdeelmodel voor de Wmo-middelen. Materieel komt deze oplossing dicht bij het voorstel van de leden. Hierdoor komt het sociaal vervoer in ieder geval niet onder druk te staan. Overigens blijkt dat op basis van de inzichten van nu over de verdeling de BBAG gemeenten er overwegend op vooruit gaan. De uitgaven voor rolstoelen lopen mee in de berekeningen voor het verdeelmodel. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat een dergelijke gemeente per saldo meer geld krijgt voor de Wmo. Er kunnen namelijk andere factoren zijn die leiden tot een lager gemeentelijk budget. De regering is niet voornemens om de rolstoelvoorzieningen opnieuw onder te brengen in de AWBZ. De regering verwacht niet dat de voorzieningen voor de bewoners van de betrokken instellingen onder druk komen te staan door de introductie van de Wmo.

De leden van de D66-fractie vragen om een toelichting op het instrument integratie-uitkering en vragen zich voorts af, waarom de mogelijkheid voor een andere aanwending moet worden opengehouden als de mogelijkheid van overschotten niet reëel is.

Op het instrument doeluitkering is de regering hiervoor uitvoerig ingegaan. Het punt van het openhouden van een andere aanwending ziet de regering anders. Ze meent dat er bijzonder goede redenen zijn om de vrijheid van de gemeenten niet in te perken. Zowel voor de inhoud van het beleid, als voor het terugdringen van bureaucratie als voor het functioneren van het horizontale proces acht de regering het gewenst gemeenten de ruimte te geven om op lokaal niveau te komen tot een doelmatige en doeltreffende uitvoering van het Wmo-beleid. Hierop is de regering in deze nota eerder ook uitvoerig ingegaan.

De leden van de ChristenUnie-fractie menen dat alleen de middelen voor huishoudelijke zorg, in tegenstelling tot de overigen Wmo-middelen, zijn geoormerkt in de zin dat de gemeenten hier geen bestedingsvrijheid genieten. Deze opvatting is niet juist. De gemeenten hebben over het integrale Wmo-budget bestedingsvrijheid. Verder vragen de leden of het niet vereist is dat het totale Wmo-budget binnen de gemeentebegroting wordt geoormerkt. De regering is van mening dat een dergelijke oormerking juist niet gewenst is. Hiervoor is reeds meerdere malen uitvoerig op de argumentatie voor een integratie-uitkering versus een doeluitkering ingegaan.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen voorts weten in hoeverre de motie Vietsch wordt uitgevoerd door de resultaten van de pilots bepalend te laten zijn voor de vraag of activerende en ondersteunende begeleiding kan worden overgeheveld naar de Wmo.

De regering merkt hierover op dat zij nog steeds de motie Vietsch als leidraad neemt voor de invoering van de Wmo. Over de functie ondersteunende en activerende begeleiding zal deze regering geen beslissing meer nemen. Die beslissing kan door een volgend kabinet genomen worden. In het kader van de implementatie van de Wmo is er een drietal ontwikkel pilots gestart rondom deze functies. De resultaten van deze pilots zullen conform de motie Vietsch bij de besluitvorming in de volgende regeerperiode betrokken worden.

De leden van de SGP-fractie achten het van groot belang dat bij de verdeling van de middelen rekening wordt gehouden met specifieke omstandigheden in een bepaalde gemeente, en de leden vragen zich af of dit door het aansluiten bij de historische hoogte van de bedragen volledig wordt meegewogen. Verder vragen de leden hoe de financiering er op termijn uitziet en welke concrete stappen er worden gezet.

De regering deelt de opvatting van de leden van de SGP-fractie dat bij de verdeling van de middelen over de gemeenten rekening moet worden gehouden relevante specifieke omstandigheden in een bepaalde gemeente. De regering heeft daarom een verdeelmodel laten ontwerpen dat de middelen op basis van relevante objectieve factoren verdeelt over de gemeenten. De regering is zich er echter ook van bewust dat in iedere gemeente sprake is van een historisch gegroeide situatie. De regering acht het ongewenst dat zich bij de aanvang van de Wmo grote schokken voordoen. Zij kiest er daarom voor het eerste jaar bij de verdeling van de middelen aan te sluiten bij de historische situatie. In die situatie is het in ieder geval mogelijk gebleken om in iedere gemeente aan de bestaande zorgvraag te voldoen. In de daaropvolgende jaren wil de regering stapsgewijs overgaan van deze historische verdeling naar een meer objectieve verdeling.

De leden van de SGP-fractie vragen of de afspraken rond de huishoudelijke zorg betekenen dat het jaarlijkse budget dat aan het gemeentefonds wordt toegevoegd voor huishoudelijke zorg wordt aangepast aan de feitelijke uitgaven. Zij vragen tevens hoe de hoogte van deze bedragen precies wordt vastgesteld en of rekening wordt gehouden met vergrijzing.

De regering kan zoals eerder aangegeven bevestigen dat op macroniveau een aanpassing van het budget plaatsvindt, naar gelang de feitelijke uitgavenontwikkeling. De middelen die aan het gemeentefonds worden toegevoegd worden geïndexeerd met de ontwikkeling van de extramuraal verblijvende 75-plussers. Op deze wijze wordt niet alleen recht gedaan aan de vergrijzing maar worden de gemeenten ook gecompenseerd voor de effecten van extramuraliseringsbeleid. Overigens is het niet zo dat vanwege de parameter extramuraalverblijvende 75-plussers de middelen die toegevoegd worden aan het gemeentefonds exclusief bestemd zijn voor deze doelgroep.

Administratieve lasten

De leden van de PvdA-fractie vragen waarop de verwachting van de regering is gebaseerd dat de gemeenten er alles aan zullen doen om de lasten en regeldruk voor zowel instellingen als burgers zoveel mogelijk te beperken en of ze het eens is met opmerkingen van de Raad van State terzake. Deze leden vragen ook of de regering kan garanderen dat voor de burger de administratieve lasten niet zullen stijgen.

De regering baseert haar verwachting vooral op de effecten van het samengaan van AWBZ- en Wvg-indicaties. Voor een aantal mensen zal met de komst van de Wmo de indicatie voor huishoudelijke zorg en voor de Wvg-voorzieningen nu in één hand komen. Voor hen kan de administratieve last dalen. Voor hen die uitsluitend een AWBZ-indicatie hadden en nu een AWBZ- en een Wmo-indicatie nodig hebben geldt een potentiële verhoging van de administratieve last. De reeds eerder gememoreerde afspraken over één loket en de opdracht aan het CIZ daarin te participeren zal de administratieve last voor deze groep beperken.

Het CAK gaat thans na welk deel van de huidige AWBZ-populatie tevens een Wvg-voorziening heeft. Nog voor de plenaire behandeling van het wetsvoorstel is het onderzoek afgerond en zijn de gevraagde gegevens beschikbaar. De eerste resultaten lijken uit te wijzen dat er meer mensen zijn die nu op AWBZ en Wvg een beroep doen en straks alleen op de Wmo (circa 107 000), dan dat er mensen zijn die nu alleen op de AWBZ een beroep doen en straks op AWBZ en Wmo (circa 65 000). Het wetsvoorstel houdt dus per saldo een verbetering in.

De leden van de PvdA-fractie vragen daarop of er één loket komt om te betalen en een ander om kosten weer vergoed te krijgen. De regering gaat ervan uit dat hier op de eigen bijdrageregeling wordt gedoeld. Op landelijk niveau worden eisen gesteld aan de gemeentelijke eigen bijdrage regelingen. Deze eisen zijn afgeleid van de eigen bijdrage regeling voor extramurale AWBZ zorg. Gemeenten moeten binnen de bandbreedte van deze landelijke eisen blijven. Daarnaast geldt het anticumulatiebeding. Hierdoor betaalt de burger voor Wmo en AWBZ nooit meer dan zij zou moeten betalen voor de eigen bijdrage AWBZ. De situatie verandert wat dat betreft niet ten opzichte van de huidige systematiek voor de eigen bijdrage AWBZ. Ook in de Wmo-situatie is er vanwege de Wet werk en bijstand een opvang mogelijkheid voor mensen die in de problemen komen.

De leden van de PvdA-fractie vragen om een uitputtend overzicht van analyses die zijn verricht met het oog op de aanstaande administratieve lasten van zorgorganisaties. Als deze analyses niet zijn verricht, vragen zij een spoedig onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de Wmo voor de administratieve lasten en bedrijfsvoering van zorgorganisaties. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering bereid is een nulmeting uit te voeren naar de administratieve lasten van de naar de Wmo over te hevelen onderdelen.

De regering merkt hierover op dat de Wmo gemeenten vrij laat bij de invulling van hun beleid, en daarmee ook de invulling van de contractering en verantwoording van zorgaanbieders. Om die reden is geen ex ante analyse van de administratieve lasten gemaakt. Pas wanneer de Wmo is ingevoerd wordt pas duidelijk hoe gemeenten invulling zullen geven aan contracterings- en verantwoordingsplichten en wat de hiermee gepaard gaande administratieve lasten zijn. De regering is van mening dat er genoeg mogelijkheden zijn om dat op een niet bureaucratische manier te doen.

De administratieve lasten die gepaard gaan met de AWBZ en met de Wvg zijn reeds gemeten in de nulmeting administratieve lasten voor bedrijven ultimo 2002. Binnen drie jaar na inwerkingtreding zal de Wmo worden geëvalueerd. De gevolgen voor de administratieve lasten zullen deel uitmaken van deze evaluatie.

De leden van de PvdA-fractie vragen op grond waarvan gemeenten verplicht worden voorzieningen Europees aan te besteden.

Voor de goede orde meldt de regering dat de gemeente niet verplicht is vooraf huishoudelijke verzorging in te kopen. De gemeente kan ook kiezen voor een voucher-systeem zoals eerder door de leden van de ChristenUnie-fractie is geopperd of voor een pgb-systeem. De regering overweegt om bij tweede nota van wijziging terug te komen op de wettelijke verankering van het pgb. In dat geval kan de cliënt zelf inkopen bij de aanbieder naar keuze. Indien de gemeente wel vooraf bij één instelling inkoopt geldt het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten dat per 1 december 2005 in werking treedt. Dit besluit vormt de implementatie van de nieuwe Europese aanbestedingsregels.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de verplichting voor het Europees aanbesteden wel geldt voor gemeenten en niet voor zorgkantoren.

In het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten is opgenomen wanneer sprake is van een zogenaamde aanbestedende dienst. Gemeenten worden hierin met name genoemd. Daarnaast zijn ook de zogenaamde publiekrechtelijke instellingen aanbestedingsplichtig. Voorzover van toepassing gelden de aanbestedingsregels ook voor zorgkantoren. In het Convenant taken en beheerskosten zorgkantoren (Stcrt. 2004, 253) zijn in dit verband afspraken vastgelegd over het op transparante en toetsbare wijze contracteren van zorginstellingen op basis van objectieve criteria.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering de verwachting deelt dat de administratieve lasten voor alle betrokkenen aanzienlijk zullen stijgen. Zij vraagt of de regering dat wenselijk acht en zo neen, waarom niet. Deze leden vragen voorts op welke wijze gemeenten worden gestimuleerd om administratieve lasten te beperken. Verder vragen zij of de verplichting om diensten Europees aan te besteden zich slecht verhoudt tot het streven administratieve lasten te beperken. De leden van de fractie van GroenLinks vragen met name aandacht voor de positie van de zorginstellingen die met veel meer regels en partijen te maken krijgen. Dit leidt in hun visie tot hogere administratieve lasten.

De regering ziet geen redenen waarom de regels en de lastendruk voor burgers zouden moeten toenemen als gevolg van de Wmo. Zij is daarop hiervoor ook al ingegaan op vragen van de PvdA-fractie. Gemeenten zullen onnodige lastendruk niet meer of minder willen vermijden en bestrijden dan het Rijk, omdat zij – evenals de regering – burgers en organisaties zo min mogelijk willen confronteren met bureaucratie. Het gaat hierbij vooral om de procedures rond indicatiestelling, eigenbijdrageregeling en persoonsgebondenbudget. De regering heeft zoals eerder gesteld faciliteiten aan gemeenten in het vooruitzicht gesteld.

Voor instellingen geldt dat sommige veranderingen administratief ontlastend werken en andere juist complicerend. Gunstig voor de instellingen is dat de eisen van de AWBZ ten aanzien van registratie en verantwoording in de Wmo niet terugkeren. Daar staat tegenover dat zij met meerdere contractpartijen (gemeenten) te maken krijgen. De regering wil niet meegaan in de redenering dat het zaken moeten doen met meerdere gemeenten tot een niet aanvaardbare administratieve last zou leiden. Zo'n redenering leidt slechts tot centralisatie en monopolievorming.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering heeft gestudeerd op alternatieve mogelijkheden voor het Europees aanbesteden; zo ja, wat hiervan de uitkomst was en zo neen, waarom niet. De leden van de SGP-fractie vragen in dit verband of een ontheffing voor gemeenten niet mogelijk is.

De regering heeft hiervoor al gewezen op eenvoudige alternatieve methoden om niet te hoeven aanbesteden. Aanbesteden hangt samen met de wens tot centrale inkoop vooraf. Vouchers of pgb's kunnen de noodzaak tot aanbesteding voorkomen. Het is op grond van de Europese regelgeving niet mogelijk om tot een ontheffing te komen. Zorgaanbieders zullen wanneer zij in aanmerking willen komen voor een opdracht, overeenkomstig de aanbestedingsprocedure, naar aanleiding van de aankondiging of de uitnodiging een aanbieding moeten doen en gewenste informatie dienen te verstrekken.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af waarom in de voorziene eigen bijdrage regeling wordt uitgegaan van het besteedbaar inkomen en niet van het netto inkomen.

De regering heeft de eigen bijdrage regeling voor AWBZ en Wmo geënt op de bestaande eigen bijdrage regeling voor de AWBZ. Door uit te gaan van een identiek inkomensbegrip wordt de uitvoering aanmerkelijk vereenvoudigd. Tevens is ook mogelijk te voorkomen dat cliënten door middel van een anticumulatiebeding dubbel moeten betalen. De keuze voor belastbaar inkomen is gemaakt omdat op deze wijze met gegevens van de belastingdienst de eigen bijdrage kan worden vastgesteld zonder de burger onnodig lastig te vallen.

Is de regering het ermee eens dat burgers iets moeten hebben aan de Wmo, dat zij daarom bij één loket terecht moeten kunnen voor al hun vragen en voorzieningen en dat zij één rekening ontvangen voor ontvangen diensten en waarom wordt dat in dit wetsvoorstel dan niet gegarandeerd, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.

De regering is het met de leden van de fractie van de PvdA eens dat de burgers iets moeten hebben aan de Wmo. Daarom wordt binnen de Wmo een duidelijke regisseur aangewezen voor de maatschappelijke ondersteuning: de gemeente. Een grote meerderheid van de gemeenten heeft op dit moment een loket op de terreinen van wonen, welzijn en zorg. Met de Wmo wordt aan deze en andere niet-gemeentelijke loketten op dit thema een impuls gegeven om de werking van deze loketten onder de loep te nemen. In de wet is bepaald dat gemeenten in het Wmo-plan moeten aangeven welke activiteiten zij al dan niet zullen ontplooien op het prestatieveld informatie, advies en cliëntondersteuning. Veel gemeenten zullen dit naar verwachting doen via de loketfunctie. De precieze vormgeving van dat loket laat ik graag aan gemeenten over. Belangrijk is dat de informatie en adviesfunctie breed en integraal wordt opgepakt. Middels de inmiddels gepubliceerde handreikingen voor het gemeentelijke loket zijn verschillende scenario's aangereikt voor het opzetten van een loket. In al deze scenario's is het uitgangspunt dat het loket dé duidelijke plek voor burgers om voor vragen over het brede terrein van welzijn, wonen en zorg terecht te kunnen.

In dit verband vroegen deze leden ook hoe ver de regering is gevorderd met het uitvoeren van de motie-Verbeet terzake. De motie van mevrouw Verbeet over het versturen van één rekening voor de heffing van eigen bijdragen wordt op dit moment uitgewerkt. Samen met het CAK wordt gewerkt aan een systeem van centrale berekening, vaststelling en inning van eigen bijdrage voor zowel de Wmo als AWBZ.

De leden van de VVD-fractie vragen of de ICF-classificatie van Menselijke Beperkingen te toetsen door een arts als basis kan dienen bij de indicatiestelling door gemeenten.

De regering merkt hierover op dat de door de gemeenten te hanteren indicatiecriteria gebaseerd moeten zijn op het doel van de wet: maatschappelijke participatie. Daarvoor is niet beslist het medische oordeel van een arts noodzakelijk. Dit gaat naar de mening van de regering te veel uit van een zorgbenadering zoals in het AWBZ-domein toepasselijk is.

De indicatiecriteria en de wijze van toepassing daarvan zijn derhalve een resultante van het door gemeenten bepaalde beleid. De criteria zullen ook moeten aansluiten bij de aard van de aangeboden voorziening. Voor het toekennen van bijvoorbeeld toegang tot een collectieve voorziening met een eigen bijdrage zullen andere criteria worden ontwikkeld dan voor het toekennen van een individuele aanspraak.

Uitvoeringslasten

De leden van de PvdA-fractie stelde in deze paragraaf van het verlag enkele vragen over de uitvoeringslasten. De regering heeft de vragen van deze leden vanwege de gelijkenis met de vragen aldaar van andere leden beantwoord in de paragraaf over sturing en volstaat hier met een verwijzing daarnaar.

Fasering bij invoering

De leden van de PvdA-fractie vervolgen met de vraag of gegarandeerd kan worden dat de resultaten van de pilots worden afgewacht alvorens de kamer onomkeerbare beslissingen neemt. Wordt de kamer geïnformeerd over de uitkomsten en verbindt de regering hier een waardeoordeel aan, zo vroegen deze leden.

De regering heeft toegezegd dat de resultaten van de pilots meervoudige huishoudelijke verzorging in de tweede helft van oktober voor de kamer beschikbaar zijn. Daarbij zal het oordeel van de regering over de uitkomsten aan de kamer kenbaar gemaakt worden. De kamer kan de resultaten van de pilots dan betrekken bij haar oordeelsvorming over het wetsvoorstel.

De PvdA-leden merken op dat de experimenten niet alleen een antwoord moeten geven op de vraag hoe, maar ook óf de huishoudelijke verzorging moet worden overgeheveld naar de Wmo.

In de brieven van 13 juni 2005 en 8 september 2005 (Kamerstukken II, 2004/05, 29 538, nr. 21 en nr. 30) heeft de regering aangegeven dat het doel van de pilots huishoudelijke verzorging is om na te gaan of gemeenten in staat zijn deze geheel in een keer over te nemen. De enkelvoudige huishoudelijke verzorging gaat in ieder geval over conform de motie Vietsch. Afhankelijk van de resultaten van de pilots zal de regering beoordelen of dit op een verantwoorde manier kan plaatsvinden. De resultaten van de pilots zullen bij de behandeling van het wetsvoorstel betrokken worden.

Uit de pilots zullen zeker ook lessen getrokken kunnen worden over hoe dit op een zorgvuldige manier kan gebeuren. Deze lessen zullen bij het verdere implementatietraject uiteraard worden benut. Het daadwerkelijk regelen van de keuze voor enkelvoudige of meervoudige huishoudelijke verzorging geschiedt door aanpassing van het Besluit zorgaanspraken. Deze wijziging wordt afzonderlijk bij de kamer voorgehangen.

De leden van de PvdA-fractie vragen vervolgens waarom de regering eigenlijk zoveel haast heeft en of invoering niet beter per 1 januari 2007 kan. Voorts vragen zij een gedetailleerd overzicht van de activiteiten die behoren tot het transitietraject en van de stappen die het kabinet essentieel acht voordat tot algehele invoering van de Wmo kan worden overgegaan.

De regering is van mening dat partijen: gemeenten, burgers en instellingen, verzekeraars, et cetera recht hebben om te weten wat er gaat veranderen. De regering heeft de contouren van de verandering reeds op 23 april 2003 (Kamerstukken II, 2003/04, 29 538, nr. 1) aan de kamer aangeboden. Veel partijen zijn daarop op eigen initiatief van start gegaan met voorbereidingen. Die pro-actieve houding van veel partijen waardeert de regering. Sindsdien zijn reeds twee en een half jaar verstreken en op het moment van de beoogde inwerkingtreding ruim drie jaar. In dat perspectief kan de regering bezwaarlijk overhaasting voorgeworpen worden.

De regering draagt samen met de VNG zorg voor ondersteuning van gemeenten bij de invoering van de Wmo. Deze ondersteuning bestaat uit:

1 Het beschikbaar maken van inhoudelijke en procesmatige kennis, in de vorm van handreikingen en signalementen, die gemeenten nodig hebben om de Wmo op een goede manier te kunnen invoeren. (Gereedschapskist)

2 Het beschikbaar maken van bestaande specifieke kennis toegespitst op de invoering van de Wmo door middel van invoeringstrajecten rondom specifieke onderwerpen en thema's. (Invoeringstrajecten)

3 Het versterken, bevorderen en stimuleren van cliënt en burgerparticipatie op lokaal niveau.

4 Het door middel van experimenten ontdekken hoe inhoudelijk gewenste verbeteringen onder de Wmo vorm kunnen krijgen. Experimenten vinden plaats op centrale thema's en de Wmo-prestatievelden. Het delen van de uitkomsten en opgedane ervaringen met alle gemeenten in Nederland. Gemeenten informeren over, betrekken bij en enthousiasmeren voor het opzetten van Wmo-beleid. Het stimuleren van netwerken voor kennisuitwisseling. (Pilots)

5 Laten zien dat gemeenten de meervoudige huishoudelijke verzorging op een zorgvuldige manier kunnen uitvoeren en kennis daarover verspreiden aan gemeenten (Pilots HV)

6 Ondersteuning van voorgaande doelstellingen door middel van communicatie.

Ad. 1.

In het kader van de Gereedschapskist zijn de volgende handreikingen uitgebracht:

De volgende handreikingen zijn inmiddels verschenen:

– Implementatie Wmo: algemene handreiking

– Wmo en samenwerking tussen gemeenten

– Handreiking communicatie Wmo: effectief informeren

– Wmo en gemeentelijke organisatie

– Handreiking burgerparticipatie Wmo

– Ketensamenwerking in de Wmo

– Financieel risicomodel

– Handreiking huishoudelijke verzorging

– Visie op Lokale Loketten

– Stappenplan lokale Loketten

– Inventarisatie van het Lokale Loket

– De Wmo en de rol van de raad

– De Wmo en de rol van de raad – voorbeelden

De volgende handreikingen komen voor oktober nog beschikbaar:

– Instrumenten voor administratieve organisatie

– Signalement nieuwe taken in de Wmo: subsidieregelingen in de Wmo

– Handreiking inkoop en aanbesteding

– Handreiking pgb

Tijdvak realisatie: mei 2005 – september 2005

De volgende handreikingen zullen in de komende maanden worden toegevoegd:

– Handreiking indicatiestelling / toegang

– Handreiking ICT Tijdvak realisatie: oktober 2005 – december 2005

Ad. 2.

In het kader van de Invoeringstrajecten wordt onderscheid gemaakt naar de volgende thema's c.q. onderwerpen:

a. Lokaal loket. Er zijn nu drie handreikingen gemaakt over dit onderwerp (zie gereedschapskist).

b. Mantelzorg. In overleg met Lot/Xzorg en het NIZW zullen best-practices worden verspreid over de rol en activiteiten van gemeenten ten aanzien van mantelzorgondersteuning en de wijze waarop in dit kader de samenwerking met diverse organisaties vorm gegeven kan worden. Daarnaast zal een handreiking mantelzorg ontwikkeld worden die gemeenten instrumenten in handen geeft om de ondersteuning van mantelzorgers verder ter hand te nemen. Ook is er een link met een aantal pilots waarin aandacht besteed wordt aan bijvoorbeeld de vraag hoe mantelzorgers goed bereikt kunnen worden en de vraag hoe hindernissen voor het vragen van ondersteuning kunnen worden weggenomen.

c. Vrijwilligersbeleid. Naast het verzamelen en verspreiden van best-practices van vrijwilligersbeleid gaan we in dit invoeringstraject ook op zoek naar nieuwe projectmatige vrijwilligers activiteiten. Nieuwe wijzen van organiseren kan vrijwilligerswerk aantrekkelijk maken voor een grotere groep mensen, zo is de vooronderstelling.

d. pgb. In het kader van dit invoeringstraject is een handreiking verschenen die gemeenten helpt bij de besluitvorming over het pgb.

e. Cliëntondersteuning. Hier wordt een programma uitgevoerd die erop gericht is de MEE-organisaties die vanuit de VG en LG groep komen te verbreden met doelgroepen ouderen en OGGZ.

Tijdvak realisatie: Invoeringstrajecten hebben een verschillende start- en einddatum. Ze hebben vorm gekregen vanaf mei 2005 en zullen lopen tot 1 juli 2006.

Ad. 3.

Voor cliënt en burgerparticipatie wordt op dit moment een programma opgesteld. Voor dit programma is voor de jaren 2006 en 2007 in totaal 10 miljoen ter beschikking gesteld. In dit programma wordt geïnvesteerd in de randvoorwaarden voor lokale cliëntenparticipatie. Via RPCP's zullen lokale organisaties of platforms ondersteund worden in hun belangenbehartigende taken. Dit kan zijn door deskundigheidsbevordering, het stimuleren van samenwerking, het coachen van platforms op lokaal niveau etc. De helft van het bedrag is specifiek bestemd voor het wegwerken van achterstanden in de (lokale) GGZ cliëntenparticipatie. Over de invulling van dit deel van het programma zal overleg plaatsvinden met de GGZ-organisaties.

Tijdvak realisatie: augustus 2005 – 1 juli 2006.

Ad. 4.

In de pilots Wmo gaan 26 gemeenten complexe thema's en prestatievelden van de Wet maatschappelijke ondersteuning (in brede zin) uitwerken. Deze thema's zijn: Regierol, Regionale samenwerking, Civil society, Inclusief beleid, Horizontale verantwoording en Interactief beleid. Deze pilots verkennen ook de mogelijke uitbreiding vanuit de AWBZ naar de Wmo. Het gaat dan om onderdelen van ondersteunende en activerende begeleiding. De pilots moeten een beeld geven van wat er wel en niet mogelijk is binnen de Wmo. Op deze wijze komen van de meest relevante aspecten binnen de Wmo leerervaringen beschikbaar voor alle gemeenten in Nederland.

De opgedane kennis en ervaringen worden door de 26 pilots gedeeld met 110 gemeenten. Voor dit doel is om de kern van 26 pilots een groep van 110 gemeenten uitgenodigd: de klankbordgemeenten. Ze denken actief mee met de pilots. Alle overige gemeenten in Nederland vormen de derde groep: zij krijgen onder meer via de websitewww.invoeringwmo.nl informatie over de (tussentijdse) resultaten van de pilots Wmo.

Tijdvak realisatie: juli 2005 – december 2007

Ad. 5.

De volgende gemeenten nemen deel aan de pilot huishoudelijke verzorging: Goes, Doetichem, Alkmaar, Enschede, Bergen, Groningen, Utrecht en Regio Noord en Midden Limburg.

Rapportage aan Tweede Kamer vindt plaats in oktober. Tijdvak realisatie: juli 2005 – september 2005 (Kennisverspreiding vanaf oktober 2005)

Ad. 6.

• Helpdesk waar gemeenten terecht kunnen met vragen over de invoering van de Wmo.

• Website www.invoeringwmo.nl waar informatie beschikbaar wordt gemaakt.

• Nieuwsbrieven over de invoering van de Wmo

• Voorlichting tijdens bijeenkomsten in het land

• Bijeenkomsten met veldpartijen (zie herijking communicatieplan Boer en Croon)

Tijdvak realisatie: gedurende gehele invoeringsperiode

Na de invoering zal een taskforce beschikbaar zijn om mogelijke invoeringsproblemen met betrokken partijen snel en adequaat op te lossen.

De leden van de PvdA-fractie vragen welke zaken essentieel zijn voordat tot invoering van de Wmo kan worden overgegaan.

De regering vindt dat:

– de gereedschapskist gereed moet zijn;

– de invoeringstrajecten gestart moeten zijn;

– de versterking van cliënt- en burgerparticipatie gestart moeten zijn;

– de pilots huishoudelijke verzorging afgerond moeten zijn.

De leden van de SP-fractie vragen welke andere AWBZ-onderdelen in een later stadium zullen worden overgeheveld naar de Wmo.

De regering heeft reeds aangegeven dat zij van mening is dat in beginsel ook de ondersteunende en activerende begeleiding in aanmerking komen om onder de werkingssfeer van de Wmo te worden gebracht. Daarbij gelden dezelfde opmerkingen die eerder zijn gemaakt ten aanzien van cliënten met beperking waarvoor in de huidige terminologie «verblijf» zou worden geïndiceerd. Deze cliënten blijven ongeacht of ze daadwerkelijk «intramuraal» verblijven voor het gehele pakket onder de AWBZ vallen. De beslissing of andere AWBZ-onderdelen dan de huishoudelijke verzorging overgeheveld zullen worden naar de Wmo, is nu nog niet aan de orde. Pas in de volgende kabinetsperiode zal deze beslissing genomen worden. De beslissing zal betrekking hebben op de huidige functies uit het besluit zorgaanspraken, ondersteunende en activerende begeleiding.

De leden van de SP-fractie vragen zich af of de Wmo daadwerkelijk de participatie van alle burgers zal realiseren.

Met de introductie van een nieuwe wet zal niet als vanzelfsprekend de participatie van alle burgers gerealiseerd zijn. Wel is het zo dat gemeenten met de Wmo in staat gesteld worden belangrijke verbeteringen te boeken op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Gemeenten kunnen dat niet alleen. Samen met de lokale bevolking, het vrijwilligers weer en de lokale belangenbehartigers is het naar mijn overtuiging mogelijk forse resultaten neer te zetten. De invoering per 1 juli 2006 brengt op het administratief organisatorische vlak een aantal knelpunten met zich mee. De regering ziet oplossingen voor die knelpunten. De regering zal er in ieder geval zorg voor dragen dat de burgers geen hinder ondervinden van een invoering halverwege het jaar.

Implementatie en voorlichting

De leden van de fractie van de PvdA informeren naar de stand van zaken met betrekking tot de handreikingen in de gereedschapskist die opgesteld worden ten behoeve van de implementatie Wmo. Alle geplande handreikingen waren op 1 oktober 2005 voor de gemeenten en andere betrokkenen beschikbaar. De leden vragen waarop de handreikingen later dan gepland beschikbaar waren. Niet alle handreikingen waren zoals toegezegd voor de zomer beschikbaar. De ingeschakelde experts hadden voor een beperkt aantal (drie) handreikingen meer tijd nodig. De regering heeft besloten de kwaliteit van de handreikingen zwaarder te laten wegen dat het halen van de oorspronkelijke planning.

Deze leden vragen voorts hoe een sterke positie van lokale belangenbehartiging in de praktijk vorm krijgt.

De Lorep, de koepel van RPCP's zal een toolkit ontwikkelen ten behoeve van cliëntenparticipatie in samenwerking met de landelijke koepels van ouderen, gehandicapten en GGZ. De toolkit zal naast instrumenten en methodes ook goede voorbeelden bevatten.

Daarnaast zal de regering de komende twee jaar 10 miljoen euro extra investeren in de randvoorwaarden voor lokale cliëntenparticipatie. Via RPCP's zullen lokale organisaties of platforms ondersteund worden in hun belangenbehartigende taken. Dit kan zijn door deskundigheidsbevordering, het stimuleren van samenwerking, het coachen van platforms op lokaal niveau, et cetera.

De helft van het bedrag is specifiek bestemd voor het wegwerken van achterstanden in de (lokale) GGZ cliëntenparticipatie. De regering zal in overleg treden met de GGZ-organisaties over de inzet van deze middelen.

De leden van de PvdA pleiten voor een startkapitaal voor de invoering van de Wmo dat wordt bekostigd uit de besparingen in de AWBZ.

De regering hevelt de middelen voor de Wmo verantwoordelijkheden schoon aan de haak over. Er treden dus geen besparingen op in de AWBZ. De regering komt wel aan het voorstel van de leden tegemoet in die zin dat de invoering van de Wmo op gemeentelijk niveau wordt gefaciliteerd met een vergoeding voor de invoeringskosten. Hiermee is zoals gesteld € 45 mln gemoeid.

De leden van de fractie van GroenLinks haken daar op in. Hoe moet het gegeven geïnterpreteerd worden dat de implementatie van de wet reeds gestart is, er in 2005 € 45 miljoen beschikbaar is voor de gemeenten om zich voor te bereiden op de Wmo terwijl de wet nog behandeld moet worden en het nog niet vast staat dat de wet wordt aangenomen. Ook in de memorie van toelichting wordt er geen rekening mee gehouden dat de wet verworpen kan worden. Is er in de ogen van de regering al een point of no return bereikt nu gemeenten en instellingen zich al hard voorbereiden op de invoering van de wet, zo luiden de vragen van de leden van de fractie van GroenLinks.

Het is inderdaad zo dat in het kader van de voorbereiding op de mogelijke invoering van de Wmo de nodige activiteiten ontplooid worden. Deze activiteiten zijn erop gericht dat als het wetsvoorstel door beide kamers wordt aanvaard er juist vanuit het standpunt van de burger en de cliënt sprake zal zijn van een zorgvuldige invoering. Als gemeenten zich niet op die mogelijke invoering voorbereiden lopen we de kwade kans dat de negatieve gevolgen daarvan op het bordje van de burger terecht komen.

Bij alle voorbereidende werkzaamheden wordt expliciet het voorbehoud gemaakt dat beide kamers nog moeten instemmen met de invoering van de Wmo. De richtlijn voor niet aanvaard beleid wordt bij de voorbereidende activiteiten door mij strikt gehanteerd.

In de voorjaarsnota is een bedrag opgenomen van €45 miljoen voor de voorbereidende activiteiten bij de gemeenten in het kader van de Wmo. De Kamer heeft daarmee ingestemd. Met nadruk wil de regering op de vragen van GroenLinks antwoorden dat het niet de gemeenten of de instellingen zijn die bepalen of er bij de invoering van de Wmo reeds sprake zou zijn van een point of no return. Het oordeel over die vraag is aan de wetgever. Het komt de regering echter als een contradictie voor om in een memorie van toelichting op een wet er steeds van uit te gaan dat een wet er niet komt.

De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat de resultaten van de pilots niet in september 2005 beschikbaar kunnen zijn omdat deze pas kunnen starten nadat de criteria zijn opgesteld en door de kamer zijn besproken. De regering merkt op dat zij ten aanzien van het wel of niet starten van de pilots een eigenstandige verantwoordelijkheid heeft. Ze legt daar graag verantwoording over af. De motie Tonkens (Kamerstukken II, 2004/05, 29 538, nr. 23) vraagt de regering om de toestsbare en meetbare criteria direct na het zomer reces aan de kamer kenbaar te maken. Bij brief is de kamer geinformeerd over de te hanteren criteria (Kamerstukken II, 2004/05, 29 538, nr. 30). De motie vraagt overigens niet aan de regering om de pilots pas dan te starten als de kamer zich heeft uitgesproken over deze criteria.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen tenslotte naar de motie Tonkens over het toepassen van een emancipatie-effectrapportage over het effect dat de Wmo zal hebben op de deelname aan vrijwilligerswerk, de verdeling van arbeid en zorg en het beroep op mantelzorgers is het NIZW verzocht deze uit te voeren. De rapportage kunt u in de tweede helft van oktober 2005 tegemoet zien.

Hiermee rondden de leden hun algemene inbreng op het wetsvoorstel af. Zij vervolgen met een aantal vragen per artikel.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel 1

De leden van de CDA-fractie vragen wat in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdelen 5 en 6 onder voorzieningen wordt verstaan en wanneer individuele voorzieningen en wanneer collectieve voorzieningen noodzakelijk zijn.

Onder voorzieningen wordt hier verstaan alle mogelijke manieren van zorgaanbod waarmee een adequaat antwoord gegeven kan worden op een relevante zorgvraag zodat beperkingen in het participeren worden gecompenseerd.

Het is de zorgvraag van het individu die leidend moet zijn voor het bepalen van het inzetten van hetzij een individuele dan wel een collectieve voorziening. De kracht van de Wmo moet daarin gelegen zijn dat door het aanbieden van collectieve voorzieningen het beroep op individuele voorzieningen wordt verkleind.

De leden van de PvdA-fractie stellen hier en verderop in het verslag eveneens een aantal vragen over artikel 1, eerste lid onder g, onderdelen 5 en 6.

De regering antwoordt daarop het volgende. De terreinen die onder het bereik van de Wmo vallen zijn veel breder dan hetgeen aan voorzieningen in de Wvg is benoemd. Dit heeft niets te maken met problemen met de definities die thans in de Wvg gehanteerd worden, maar met het feit dat de Wmo een breder terrein omvat dan de Wvg. Een bredere formulering sluit beter aan bij het karakter van de Wmo. De gekozen formuleringen bij de onderdelen 5 en 6 beogen geenszins om gemeenten mogelijkheden te bieden om voorzieningen die thans op grond van de Wvg verleend worden straks niet meer te verstrekken. De regering gaat ervan uit dat gemeenten, na overleg met lokale partijen, bepalen op welke wijze zij maatschappelijke ondersteuning gaan verlenen. Uitkomst van deze afweging kan zijn dat de gemeente voor een ander palet van voorzieningen en activiteiten kiest dan zij thans op basis van haar huidige verordening doet. Voor cliënten hoeft dit evenwel geen consequenties te hebben, daar met een alternatieve oplossing ook tegemoet kan worden gekomen aan het probleem waar de cliënt mee geconfronteerd wordt. Met andere woorden, het gaat niet zozeer om de vraag of de gemeente bepaalde voorzieningen wel of niet aanbiedt, maar of zij een oplossing kan bieden voor de problemen die burgers ondervinden in hun zelfstandig functioneren en maatschappelijke participatie.

Daarnaast vragen de PvdA-fractie en CDA-fractie zich af waarom in de memorie van toelichting niet gesproken wordt over woningaanpassingen en autoaanpassingen. Woningaanpassingen zijn onderdeel van het begrip woonvoorzieningen en zijn daarmee wel genoemd in de memorie van toelichting. Voor zowel de woningaanpassingen als voor aanpassingen aan de auto geldt dat gemeenten deze voorziening ook in de Wmo kunnen blijven verlenen.

De CDA-fractie vraagt hoe de geestelijke verzorging in de Wmo een wettelijke basis zou kunnen krijgen.

In de AWBZ is het mogelijk om in de intramurale setting een beroep te doen op geestelijke verzorging. Deze mogelijkheid is indertijd geschapen om voor mensen die vanwege de opname het contact met oorspronkelijke geestelijke verzorgers verloren waren toch deze hulp beschikbaar te kunnen stellen. In de extramurale setting zullen mensen voor hun geestelijke verzorging gebruik blijven maken van de geestelijke verzorgers waarmee zij nu ook contact hebben. Om deze reden acht de regering het niet noodzakelijk om in de Wmo regelingen terzake te treffen. De regering achte het overigens niet ondenkbaar dat gemeenten de geestelijke verzorging bij de ondersteuning mede als gevolg van inbreng bij de beleidsbepaling betrekken. Lokale geloofsgemeenschappen en hun pastors en voorgangers kunnen naar het oordeel van de regering een belangrijke bijdrage aan de doelstellingen van de wet leveren.

Artikel 1, eerste lid, onder f

De leden van de PvdA-fractie vragen welke aanscherping precies beoogd wordt van het onderscheid tussen verslavingsbeleid dat een verantwoordelijkheid is van gemeenten en verslavingsbeleid op grond van de Zorgverzekeringswet.

De verslavingszorg omvat geneeskundige zorg, maar ook maatschappelijke zorg en ondersteuning. De toekomstige financiering en verantwoordelijkheidsverdeling voor de verslavingszorg sluiten aan bij de algemene richting die gekozen is bij de stelselwijziging. De vernieuwing van het zorgstelsel in den brede zal ook de verslavingszorg ten goede komen. De belangrijkste veranderingen zijn:

• De klinische en poliklinische verslavingszorg gaan in 2007 naar de nieuwe zorgverzekeringswet. Dat betekent: alle ambulante behandeling en klinische behandeling tot één jaar. Na één jaar, of als direct duidelijk is dat geen sprake is van geneeskundige zorg, wordt de verslavingszorg gefinancierd op basis van de AWBZ.

• De methadonbehandeling, die in de specifieke uitkering voor gemeenten zat, is vanaf 2005 overgeheveld naar de AWBZ en gaat in 2007 mee naar de zorgverzekeringswet.

• De meer welzijnsachtige taken, zoals opvang, begeleiding en bemiddeling bij wonen en werken, gaan naar de Wmo. De Wmo zal gemeenten, meer dan nu het geval is, in staat stellen het hulpaanbod af te stemmen op de lokale omstandigheden. Onder de Welzijnswet valt nu nog ambulante verslavingszorg (in de praktijk vooral methadonbehandeling). Alle individuele ambulante verslavingszorg valt straks onder de Zorgverzekeringswet. Er is dan geen overlap of grijs gebied meer.

Met deze wijzigingen zorgt de regering voor een duidelijke en logische verantwoordelijkheidsverdeling binnen de verslavingszorg. De zorginstellingen worden verantwoordelijk voor de behandeling en worden als deel van de gezondheidszorg gefinancierd, terwijl de gemeenten verantwoordelijk worden voor de meer welzijnsachtige taken, zoals begeleiding bij wonen, werken en financiën. Deze wijzigingen zijn in lijn met het advies Verslavingszorg Herijkt en met advies van de Algemene Rekenkamer.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom bij de omschrijving van de prestatievelden is gekozen voor begrippen bevorderen en ondersteunen en niet voor bijvoorbeeld bieden en realiseren. Zij verbinden hieraan ook de vraag hoe bij de huidige gehanteerde begrippen gemeenteraden hun colleges ter verantwoording roepen en de kamer het kabinet. De leden van de PvdA-fractie verwijzen naar het advies van de RMO om de prestatievelden prestatiegericht weer te geven en vragen het oordeel van de regering daarover.

De regering staat open voor verbetering van formuleringen van de prestatievelden met het oogmerk deze prestatiegericht te laten zijn. Zij heeft gemeend met de begrippen bevordeneren en ondersteunen de positie van de burger centraal te stellen. De regering heeft in antwoord op een eerdere vraag terzake van de CDA-fractie reeds aangegeven dat zij overweegt om bij tweede nota van wijziging terug te komen op de formulering van de prestatievelden.

Artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 1

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de civil society door dit wetsvoorstel wordt bevorderd. Wat kan er met de Wmo wel wat nu niet kan en wat is de rol van de gemeenten hierin, zo vroegen deze leden. Ook wilde zij weten of de hier gehanteerde definitie niet de facto de huidige definitie van welzijnsbeleid is.

De leden van de PvdA-fractie roeren hier naar de mening van de regeringeen belangrijke doelstelling van de wet aan. Zij geven hiermee aan zich er van bewust te zijn dat de wet geen smalle «hulpverleningswet» is. Allereerst wil de regering hierover opmerken dat de civil society natuurlijk niet bij wet gemaakt wordt. Bovendien is niet alleen de Wmo relevant voor de ontwikkeling van de civil society, alle wetgeving die sociale relaties beïnvloeden, van huisvesting tot onderwijs doen dat. De Wmo beoogt wel een belangrijke pijler in deze ontwikkeling te zijn. Niet door gedetailleerd voor te schrijven hoe de civil society er uit moet zien of ontwikkeld moet worden, maar door een «infrastructuur» neer te leggen die ruimte geeft aan deze ontwikkeling. De invulling zal mede door een maatschappelijk en politiek debat op zowel het lokale als het nationale niveau gestalte moeten krijgen. De regering is van mening dat de aankondiging van de wet reeds de nodige initiatieven in de goede richting op het lokale niveau teweeg heeft gebracht. Terwijl «Den Haag» kibbelt of de wetgever zich wel voldoende heeft kunnen uitspreken, gaat de civil society natuurlijk gewoon zijn gang. Wat de wet ondersteunt, deelname aan de samenleving in brede zin, kan nu natuurlijk ook al. De civil society is iets van de mensen en hun zelfverkozen organisaties zelf. Wat de wet biedt is ondersteuning aan de civil society. De burger moet in staat gesteld worden verantwoordelijkheid en betrokkenheid vorm te geven. Daar komt de rol van de gemeente in beeld. Die dient naar de burgers te luisteren en burgerinitiatieven te ondersteunen. En die initiatieven kunnen liggen op alle beleidsterreinen die door de Wmo bestreken worden. Dat betekent dat de gemeente ook ten aanzien van burgerinitiatieven en de civil society een samenhangend beleid kan voeren, dat zichtbaar wordt gemaakt in het vierjaarlijkse plan. Met inwerkingtreding van de wet is de kous wat betreft de ontwikkeling van de civil society naar de mening van de regering niet af. In tegendeel. De wet is een begin niet een afsluiting van een ontwikkeling. De resultaten van monitoring en evaluatie zullen steeds opnieuw een rol spelen in het publieke debat heirover.

De leden van de PvdA-fractie vroegen ook nog of de hier gehanteerde definitie niet de huidige definitie is van welzijnsbeleid. Dat is ten dele waar, in die zin dat het welzijnswerk kan bijdragen aan het bevorderen van de civil society, maar het is ook breder: welzijnswerk is maar één vorm van maatschappelijke ondersteuning. De civil society kan ook met andere vormen van maatschappelijke ondersteuning bevorderd worden.

De leden van PvdA-fractie vragen voorts of gemeenten verplicht zijn sportbeleid te maken. Ook vragen zij hoeveel geld daarvoor beschikbaar is. Reeds eerder refereerden deze leden aan de positie van de (breedte)sport in het wetsontwerp.

De belangrijke rol die sport kan spelen bij het bereiken van de doelstellingen wordt breed onderkend. De prestatievelden bieden de gemeenten ruime mogelijkheden om ook op het gebied van de sport prestaties op te nemen in het vierjaarlijkse Wmo-plan. De gemeenteraad kan met andere woorden het gemeentebestuur verplichten sport in het Wmo-plan op te nemen. De middelen die gemeenten beschikbaar stellen voor sportactiviteiten op het gemeentelijk niveau, zullen afhankelijk zijn van de activiteiten die in het Wmo-plan worden opgenomen.

Artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 2

De leden van de PvdA-fractie vragen in welk opzicht het gemeentelijke preventieve beleid ten aanzien van probleemjongeren afwijkt ten aanzien het beleid ten aanzien van jongeren. Deze leden vragen voorts hoe beleid ten aanzien van zwerfjongeren wordt bevorderd.

De regering is van oordeel dat het beleid ten aanzien van preventieve ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en ouders met problemen met opvoeden goed aansluit bij huidige beleidsinspanningen van gemeenten. Dit is onder andere het gevolg van de door VNG, IPO, Rijk en MO-groep overeenkomen functies van het preventief jeugdbeleid die er op lokaal niveau tenminste moeten zijn: informatie en advies, signaleren van problemen, toegang tot het hulpaanbod, licht-pedagogische hulp, coördinatie van zorg. Met de Wmo beoogt de regering deze aandacht een verdere, structurele impuls te geven.

De regering heeft er bewust voor gekozen niet allerlei specifieke groepen te benoemen waarvoor de gemeente in het kader van de Wmo beleid moet ontwikkelen. De Welzijnswet kent als beleidsterrein «welzijn jeugd, behoudens voor zover de Wet op de jeugdzorg van toepassing is». De Wmo vraagt explicieter dan de Welzijnswet aandacht voor jeugdigen bij wie sprake is van een verhoogd risico als het gaat om ontwikkelingsachterstand of uitval, maar voor wie zorg op grond van de Wet op de jeugdzorg niet nodig is dan wel voorkomen kan worden. Zwerfjongeren zijn onderdeel van deze groep jeugdigen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of gemeenten extra financiële middelen krijgen ten behoeve van de uitvoering van de taken ten aanzien van zwerfjongeren. Dat is niet het geval. Gemeenten ontvangen door de Wmo geen extra financiële middelen voor op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen en ouders. Voor alle beleidsaspecten die thans hun wettelijke basis in de Welzijnswet hebben geldt namelijk dat gemeenten geen extra financiële middelen krijgen voor het uitvoeren van deze taken.

Wel heeft het kabinet vanaf 2004 tot en met 2007 extra geld verstrekt aan de 51 gemeenten met de grootste opgave op het terrein van opvoedondersteuning, een bedrag dat oploopt tot € 15 miljoen vanaf 2007. In 2007 zal bezien worden hoe deze structurele middelen vanaf 2008 in te zetten.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts naar de taakafbakening tussen gemeentelijk jeugdbeleid en provinciale jeugdzorg. Zij vragen tevens op welke de Wmo een samenhangend en effectief jeugdbeleid bevordert.

Provincies en gemeenten hebben momenteel afspraken gemaakt tussen de aansluiting tussen gemeentelijk jeugdbeleid enerzijds en de provinciale jeugdzorg anderzijds of zij zijn hiermee bezig. Zij zorgen dus in onderling overleg voor een duidelijke en werkbare situatie. Eventuele knelpunten die hierbij blijken worden landelijk besproken tussen Rijk, VNG en IPO. De Wmo draagt gemeenten op hun beleidsvoornemens op het terrein van maatschappelijke ondersteuning – waaronder preventief jeugdbeleid – te expliciteren, af te stemmen met relevante instanties en vast te laten stellen door de gemeenteraad. Dit zal een forse impuls zijn voor samenhangend en effectief jeugdbeleid en de samenwerking tussen betrokken instanties. Artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 2, vraagt in feite om het centraal stellen van jeugdigen met problemen door hen – en in voorkomende gevallen hun ouders – te ondersteunen.

Artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 3

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten waarom het loket, dat een zo belangrijke rol speelt binnen de Wmo, niet verplicht wordt gesteld binnen de Wmo. Het prestatieveld informatie, advies en cliëntondersteuning, zoals geformuleerd in artikel 1, eerste lid , onder g, onderdeel 3°, dwingt een gemeente om in het Wmo-plan aan te geven welke activiteiten op het gebied van informatie en advies zij al dan niet zullen ontplooien. Veel gemeenten zullen dit doen via de loketfunctie. De precieze vormgeving van dat loket laat de regering aan gemeenten over zoals reeds eerder in deze nota betoogd. De diversiteit van vormen laat zich niet zonder verstarring in een wet vangen. Belangrijk is dat de informatie en adviesfunctie breed en integraal wordt opgepakt. Middels de inmiddels gepubliceerde handreikingen voor het gemeentelijke loket zijn verschillende scenario's aangereikt voor het opzetten van een loket. In al deze scenario's is het uitgangspunt dat het loket dé duidelijke plek voor burgers om voor vragen over het brede terrein van welzijn, wonen en zorg terecht te kunnen. De regering overweegt wel om met de VNG te onderzoeken of er een certificeringssysteem opgezet kan worden voor het lokale loket. Zo'n systeem laat ruimte voor diversiteit, maar biedt tegelijkertijd zekerheid over de kwaliteit.

De leden van de fractie van PvdA vragen hoe cliëntondersteuning in de praktijk vorm moet krijgen en wie deze cliëntondersteuning verleent. Ook vragen zij of organisaties met veel ervaring op dit terrein hierbij een rol zullen spelen en of zij financieel ondersteund zullen worden.

Gemeenten hebben beleidsvrijheid om te bepalen hoe cliëntondersteuning in de praktijk gestalte moet krijgen en welke partijen zij hiervoor willen inzetten. Voor veel gemeenten is cliëntondersteuning voor een brede doelgroep nieuw. Om gemeenten op een adequate manier in te lichten over cliëntondersteuning start het NIZW/Trimbos een traject cliëntondersteuning op lokaal niveau in opdracht van VWS. Hierbij wordt ingegaan op wat cliëntondersteuning inhoudt en wat de relaties kunnen zijn met het lokaal loket. Resultaat van het traject is onder andere een handreiking cliëntondersteuning voor gemeenten. Er is een kerngroep geformeerd die het NIZW/Trimbos adviseert en deze vanuit haar expertise input levert. Deze kerngroep bestaat uit aanbieders van cliëntondersteuning vanuit ouderen, gehandicapten en GGZ sector die veel ervaring vanuit de praktijk hebben. Ook zullen cliënten zelf bij het traject betrokken worden. Bovendien worden er werkbezoeken voor gemeenteambtenaren georganiseerd, is er sprake van een leerwerkkring van gemeenten en vormen deskundigen een adviespool die gemeenten met raad en daad ter zijde kunnen staan bij de totstandkoming van cliëntondersteuning.

Ook de manier waarop de financiering plaats zal vinden maakt onderdeel uit van het NIZW/Trimbos traject cliëntondersteuning

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom het AFBZ-subsidie aan het gemeentefonds wordt toegevoegd en waarom dit pas in januari 2008 gebeurt. Tevens vragen deze leden naar de omvang van deze subsidie.

De regering vermoedt dat de leden van de PvdA-fractie doelen op het subsidie voor de MEE-organisaties. Het is het voornemen van de regering dat deze subsidie wordt toegevoegd aan het gemeentefonds omdat in het kader van de Wmo de cliëntondersteuning integraal georganiseerd zal moeten worden. Omdat de huidige MEE-organisaties zich op dit moment reorganiseren vindt de regering het verstandig om pas na deze reorganisatieoperatie het subsidie toe te voegen aan het gemeentefonds. Het subsidiebedrag bedraagt circa 160 miljoen euro.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de huidige regelingen voor buddyzorg en mantelzorg kunnen blijven bestaan.

De regering is van mening dat beleidsverantwoordelijkheid en verantwoordelijkheid voor de financiering bijeen horen. De buddyzorg en mantelzorgondersteuning wordt op dit moment gesubsidieerd op basis van de Subsidieregeling coördinatie vrijwillige thuiszorg en mantelzorg. Deze regeling wordt ingetrokken; gemeenten worden verantwoordelijk voor het beleid en de financiering van de buddyzorg en mantelzorgondersteuning. Dat betekent dat de buddyzorg en de mantelzorgondersteuning niet op dezelfde manier georganiseerd zullen blijven. Het subsidie van de bestaande regelingen gaat per 1 januari 2007 over naar het gemeentefonds. Samen met de VNG en de andere betrokkenen wordt gewerkt aan een verantwoorde overgangsregeling.

Artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de belasting van mantelzorgers op dit moment acceptabel is en op grond waarvan de regering dat meent. In een onderzoek uit 2003 van het SCP blijkt dat er in Nederland ongeveer 150 000 tot 200 000 mantelzorgers zwaar dan wel overbelast zijn. Het spreekt vanzelf dat de regering daar uitermate bezorgd over is. Het feit dat mantelzorg zeer belangrijk is en erg wordt gewaardeerd mag niet betekenen dat dit ten koste van de gezondheid of het welzijn van mantelzorgers mag gaan. Het is dan ook belangrijk overbelasting zoveel mogelijk te voorkomen door goede vormen van ondersteuning. In de notitie «De mantelzorger in beeld»(Kamerstukken II, 2004/05, 30 169, nr. 1) wordt daartoe een aantal voorstellen geformuleerd. In de inleiding van deze nota van antwoord is reeds uitvoerig op de positie van mantelzorgers en de ondersteuning die daarvoor nodig is ingegaan.

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af of het wetsvoorstel leidt tot een grotere belasting van mantelzorgers en of deze zwaardere belasting acceptabel is.

Naar de mening van de regering is dat niet het geval. Het wetsvoorstel beoogt niet een zwaardere last bij mantelzorgers te leggen maar hen juist in hun zware last te ondersteunen. De middelen die nu beschikbaar zijn voor de ondersteuning van mantelzorgers gaan bovendien onverkort over naar de gemeenten. Niet de individuele mantelzorger zal zwaarder worden belast; wel wordt door middel van dit wetsvoorstel een beroep gedaan op meer mensen zich in te zetten voor de zorg aan een naaste.

De leden van de fractie van de PvdA vragen welke doelstelling wordt beoogd met de ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers. Bovendien vragen zij zich af op welke grond het kabinet van mening is dat het voorkomen van een zwaardere belasting van mantelzorgers ten gevolge van dit wetsvoorstel, zal slagen.

Naar de mening van de regering bestaat er op zich zoals hiervoor reeds betoogd geen aanleiding om te veronderstellen dat door dit wetsvoorstel de last van een individuele mantelzorger zal toenemen. De doelstellingen van het kabinet zijn er dan ook niet op gericht dit veronderstelde effect van de Wmo op te heffen. De doelstelling van het beleid ten aanzien van mantelzorg is onder meer gericht gemeenten in staat te stellen tot een integraal aanbod van mantelzorgondersteuning te komen om langs die weg de positie van de huidige en van nieuwe mantelzorgers te verbeteren. Daarbij is ook het realiseren van het ene loket en van een goede samenwerking tussen de diverse aanbieders op het terrein van zorg en welzijn belangrijk. Vanzelfsprekend is het zoveel mogelijk voorkomen van overbelasting een belangrijk effect hiervan.

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af op welke wijze het gemeentelijk beleid ter ondersteuning van mantelzorgers moet worden geïntensiveerd en of daar extra middelen voor beschikbaar komen.

In de genoemde notitie «De mantelzorger in beeld» wordt nadrukkelijk ingegaan op de rol van de gemeenten ten aanzien van de versterking van de infrastructuur voor mantelzorgondersteuning. Hoewel in deze notitie een aantal suggesties daarvoor worden gedaan is het aan de gemeenten hier zelf nadere invulling aan te geven. Voor de versterking van de lokale infrastructuur voor mantelzorgondersteuning wordt in 2007 in totaal € 10 mln extra beschikbaar gesteld.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts of indicatiestellers rekening mogen of moeten houden met beschikbaarheid van mantelzorg. Hoewel deze vraag zich buiten de reikwijdte van het onderhavige wetsontwerp bevindt, is het zo dat in het Besluit zorgaanspraken AWBZ is vastgelegd dat aanspraak bestaat op noodzakelijke zorg. Bij het proces van indicatiestelling kan de mantelzorger aangeven of en zo ja welk deel van deze zorg voor zijn of haar rekening komt. Dat deel van de zorg is dan geen noodzakelijke AWBZ-zorg. Als de mantelzorger zijn of haar inzet ongeacht de reden daartoe beëindigt of beperkt ontstaat een nieuwe situatie, die in principe leidt tot een ander indicatiebesluit. Het is belangrijk op te merken dat mantelzorg nooit afdwingbaar is. Dus alleen als mantelzorgers aangeven de zorg zelf te willen leveren mogen indicatiestellers bij het afgeven van het indicatiebesluit daarmee rekening houden. Mantelzorg is dus, ter onderscheiding van gebruikelijke zorg, ten principale te indiceren zorg.

De leden van de PvdA-fractie vragen in vervolg hierop in hoeverre bij de afweging de draagkracht van de mantelzorger een rol speelt en welke criteria daarbij een rol spelen.

De indicatiestellers beschikken over een instrument om de draagkracht/draaglast van de mantelzorger in kaart te brengen. Indicatiestellers kunnen met behulp van dit instrument voorkomen dat mantelzorgers meer lasten op zich nemen dan hun draagkracht groot is.

Uniforme criteria zijn hierbij niet aan de orde. Indicatiestellers en mantelzorgers nemen gezamenlijk op basis van de resultaten van het genoemde instrument beslissingen.

Door de leden van de fractie van de PvdA wordt vervolgens gevraagd of binnen de doelstellingen van het wetsvoorstel mantelzorgers en vrijwilligers een steeds grotere rol moeten gaan vervullen en professionele zorg een steeds geringere. Zij vragen tevens hoe realistisch dit streven in het licht van de toenemende vergrijzing is.

De regering stelt nogmaals dat de wijzigingen in de AWBZ en de daarmee samenhangende voorstellen in dit wetsvoorstel zijn niet bedoeld als een middel om de individuele mantelzorger extra te belasten en de professionele zorg een kleinere rol te laten spelen. Wel is het zo, dat demografische ontwikkelingen (waaronder de vergrijzing) aan de ene kant en de toekomstige situatie rond de arbeidsmarkt aan de andere kant het ongewijzigd voortzetten van de huidige lijn onmogelijk maken. Dat betekent onder meer dat er een groter beroep wordt gedaan op de samenleving als geheel om zich meer verantwoordelijk te voelen voor de eigen gezondheid en welzijn voor zich zelf en die van een ander. In die zin is er dan ook alleen sprake van een relatief geringere rol van de professionele zorg. De vraag of het grotere beroep op de informele zorg realistisch is kan naar mijn mening positief worden beantwoord. Uit onderzoek van het SCP blijkt dat tot 2020 het aantal potentiële aanbieders van informele zorg met 15% toeneemt en dat de potentiële vraag naar deze zorg met 5% zal toenemen.

De leden van de PvdA vragen ook waarom het toekomstig gebruik van mantelzorg lastig gekwantificeerd kan worden. Deze leden verwijzen naar een advies van de Raad van State bij het wetsvoorstel.

Op het moment waarop dit advies werd uitgebracht waren geen gegevens beschikbaar op basis waarvan een adequate raming kon worden opgesteld. Veronderstellingen ten aanzien van de toekomstige ontwikkelingen met betrekking tot mantelzorg waren vooral kwalitatief van aard. Onlangs heeft het SCP een studie uitgebracht («Kijk op informele zorg») waarin wel een raming is opgenomen, zoals eerder in deze nota al aangegeven.

De leden van de PvdA vragen wanneer waarom de subsidieregeling coördinatie vrijwillige thuiszorg en mantelzorg wordt beëindigd. De subsidieregeling treedt op 1 januari 2007 buiten werking. Het handhaven van deze regeling past niet bij de uitgangspunten van de Wmo waarbij het aan gemeenten is om de ondersteuning van mantelzorgers ter hand te nemen.

Artikel 1, eerste lid, onder g, onderdelen 5 en 6

De leden van de fractie van de PvdA hebben gevraagd naar de relatie tussen het deelnemen aan de samenleving door mensen met beperkingen en de voorzieningen hiertoe uit de Wmo en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. In de WGBH/CZ wordt van werkgevers, aanbieders van beroepsonderwijs en van openbaar vervoer gevraagd mensen met beperkingen gelijk te behandelen aan alle andere mensen. Indien nodig zullen zij aan mensen met beperkingen een redelijke aanpassing moeten bieden wanneer iemand deze niet of moeilijk onder gelijke omstandigheden aan anderen kan functioneren. Hiermee wordt materiële gelijke behandeling bereikt. Van de gemeenten wordt in de Wmo verlangd dat het deelnemen aan de maatschappij voor alle burgers mogelijk moet zijn. Als mensen met beperkingen daarbij problemen ondervinden kan ook van de gemeenten een voorziening worden gevraagd. Het achterliggende concept achter dit onderdeel van de Wmo en van de WGBH/CZ is hiermee gelijk en ook gelijk aan het «inclusieve beleid» zoals het kabinet voor de nationale situatie vorm geeft. Het gaat hier om gelijke behandeling en het voorkomen van discriminatie.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts naar de mogelijkheden die gemeenten hebben om woningcorporaties aan te zetten tot aanpasbaar bouwen.

De regering merkt hierover op dat ten aanzien van de relatie gemeenten-corporaties op dit moment onder verantwoordelijkheid van de Minister van VROM beleidswijzigingen voorbereid worden, mede op basis van advisering door de Commissie De Boer terzake.

De leden van de PvdA vragen de regering vervolgens nader te verklaren waarom de drie genoemde subsidieregelingen worden overgeheveld naar de Wmo.

De regering heeft ervoor gekozen de volgende subsidieregelingen vanuit de AWBZ naar de Wmo over te hevelen: Zorgvernieuwingsprojecten GGZ, Diensten bij wonen met zorg, CVTM en Aanpassing ADL clusters. Er is gekozen voor deze subsidieregelingen omdat alle subsidieregelingen een sterk verband hebben met de verantwoordelijkheid die de gemeenten voor het Wmo-beleid. Zo kan de regeling «Diensten bij wonen met zorg» bijdragen aan het realiseren van zodanige lokale voorzieningen dat opname in een intramurale instelling kan worden uitgesteld of zelfs voorkomen. De CVTM regeling is cruciaal, omdat deze regeling bijdraagt aan het bevorderen van maatschappelijke participatie. De ADL clusters hangen nauw samen met de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor voldoende aangepaste woningen. Ook de ZVP regeling draagt bij aan de maatschappelijke participatie van kwetsbare groepen.

Artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 7

De leden van de PvdA-fractie willen graag weten waarom vrouwenopvang wel en andere onderdelen van de maatschappelijke opvang niet apart worden genoemd. Als voorbeeld noemen zij de bestrijding en het voorkomen van huiselijk geweld.

In artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 7, wordt bepaald dat onder maatschappelijke ondersteuning tevens wordt verstaan het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang. Deze formulering is overgenomen uit de Welzijnswet 1994. Hiermee wordt aangegeven dat onder het bredere begrip maatschappelijke opvang ook vrouwenopvang moet worden verstaan. De specifieke uitkering vrouwenopvang die onder het regiem van de Welzijnswet 1994 aan daartoe aangewezen gemeenten wordt verstrekt, is hierop gestoeld. Met deze specifieke uitkering worden gemeenten in staat gesteld beleid te voeren voor de tijdelijke opvang en begeleiding van vrouwen die ondermeer vanwege geweld de thuissituatie moeten verlaten. Ook deze systematiek is in het wetsvoorstel Wmo gehandhaafd (artikel 17, tweede lid). Bestrijding en het voorkomen van huiselijk geweld in brede zin gaat het begrip maatschappelijke opvang onderscheidenlijk vrouwenopvang te boven. Het gaat daarbij om het brede scala aan preventie, hulpverlening, opvang en (justitiële) interventie waarbij lokaal/regionaal vele organisaties zijn betrokken.

Artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 9

De PvdA-fractie vraagt of het in dit artikelonderdeel verslavingsbeleid overeenkomt met de huidige gemeente verantwoordelijkheden voor het verslavingsbeleid en of zij voor deze eventuele extra taken extra financiële middelen krijgen.

Het in dit onderdeel bedoelde verslavingsbeleid komt grotendeels overeen met de huidige gemeentelijke verantwoordelijkheden. Het verschil zit in de duidelijker afgebakende taak- en verantwoordelijkheidsverdeling tussen opvang/maatschappelijke zorg enerzijds en behandeling/geneeskundige zorg anderzijds.

De gemeenten krijgen geen nieuwe taken. Er is wel één taak bij de gemeenten weggehaald en overgebracht naar de AWBZ: de methadonbehandeling. Gemeenten hebben zelf aangegeven dat deze medische behandeling geen taak van gemeenten was. Vanaf januari van dit jaar maken instellingen voor verslavingszorg met de zorgkantoren productie-afspraken voor de methadonbehandeling. Onder de Welzijnswet valt nu nog ambulante verslavingszorg (in de praktijk vooral methadonbehandeling). Alle individuele ambulante verslavingszorg valt straks onder de Zorgverzekeringswet.

De leden van PvdA-fractie vragen naar de inhoud van de steunfunctie van de provincie.

De huidige Welzijnswet 1994 kent de provinciale steunfunctie. In de Wmo komt deze steunfunctie op gelijke wijze terug.

Artikel 1, eerste lid, onder b

De leden van de fractie van GroenLinks vragen om een nadere invulling van het begrip «langdurig»; hoe lang moet iemand zorg geven wil het onder deze definitie van mantelzorg vallen, zo vragen deze leden zich af.

Het maakt in de zienswijze van de regering niet uit of iemand een maand mantelzorg biedt of bijvoorbeeld 1 jaar. De aard van de zorg is op zich niet afhankelijk van de duur daarvan. Wel is het zo dat wanneer de periode waarover mantelzorg wordt geboden de kans op problemen en fricties in de eigen leefsituatie van de mantelzorger groter wordt. Ook neemt het risico van overbelasting toe. Op basis van een literatuurstudie die in 2001 in opdracht van de regering is verricht ten behoeve van de notitie «Zorg Nabij» kan worden geconcludeerd dat deze problemen en risico's zich vaker voor gaan doen wanneer men meer dan drie maanden mantelzorg verleent. Het beleid is erop gericht juist deze groep een goede ondersteuning te bieden.

Artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 2°

De leden van de GroenLinks-fractie en de leden van de CDA-fractie vragen of de regering de vijf functies van het preventief jeugdbeleid op wil nemen in de Wmo, zodat gemeenten verplicht zijn om deze uit te voeren.

De regering ziet andere mogelijkheden dan een wettelijke eis om het gevaar van ongewenste doorleiding naar de (zwaardere) jeugdzorg met de Wmo te voorkomen. Wat naar de mening van de regering veeleer de vereiste weg is dat provincies en gemeenten komen tot goede afspraken over de afbakening tussen het gemeentelijke en provinciale domein en de inspanningen van beide hierop. Provincies en gemeenten hebben hier momenteel afspraken over gemaakt of zij zijn hiermee bezig. Minstens zo belangrijk is dat gemeenten met lokale partijen het preventief jeugdbeleid bespreken, zodat in onderling overleg gekomen wordt tot goed beleid. Artikel 11 van de Wmo vraagt om een dergelijke afstemming.

In aanvulling daarop geeft de regering momenteel sturing – in de vorm van aandacht en financiële middelen – richting gemeenten door het uitdragen van de vijf gemeentelijke functies van het preventieve jeugdbeleid, het (doen) ondersteunen van gemeenten bij het maken van afspraken op lokaal niveau over deze vijf functies en het geven van een impuls aan opvoed- en gezinsondersteuning door het ter beschikking stellen van extra financiële middelen voor de 51 gemeenten met de grootste problematiek op dit terrein.

Artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°

De leden van de fractie van GroenLinks stellen een aantal vragen over de positie van de mantelzorger bij de indicatiestelling. Vooraf merkt de regering op dat deze vragen de reikwijdte van het onderhavige wetsvoorstel te buiten gaan en vooral op het proces in de AWBZ betrekking hebben.

Zo vragen deze leden of de zorg die een mantelzorger boven de gebruikelijke zorg biedt aanvullend is op professionele zorg of deze vervangt. Dit thema is reeds enkele malen eerder aan de orde gekomen. Gebruikelijke zorg is de zorg waarvan verwacht wordt dat huisgenoten die aan elkaar bieden. Voor deze zorg is geen indicatie voor professionele zorg mogelijk. Wanneer de geboden zorg de gebruikelijke zorg overstijgt is er sprake van indiceerbare zorg. Wanneer de mantelzorger in het proces van de indicatiestelling te kennen geeft deze «extra» zorg geheel of gedeeltelijk zelf te willen leveren wordt daarmee bij de indicatie voor professionele zorg rekening gehouden. De indicatiesteller moet echter wel bezien of de mantelzorger daar werkelijk toe in staat is en wat hij of zij nodig heeft om deze zorg te kunnen bieden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen in dit verband ook of de mantelzorger zelf of het CIZ beoordeelt hoeveel een individuele mantelzorg kan dragen.

Mantelzorg is zoals eerder gezegd onverplicht. De mantelzorger bepaalt zelf zijn inzet. Als de mantelzorger zich zelf te zwaar belast vindt kan hij of zij daaraan zelf grenzen stellen. Het CIZ kan betrokken worden bij de vraag of en op welke wijze de mantelzorger ondersteuning nodig heeft om het bieden van zorg voort te kunnen zetten. In het merendeel van de situaties is dat een zaak van overleg tussen indicatiesteller, mantelzorger en cliënt. Niet alle zorg die door mantelzorgers wordt geboden is verzekerde zorg. Naast zorg die valt binnen de reikwijdte van de AWBZ bieden mantelzorgers geestelijke verzorging, welzijnsactiviteiten, persoonlijke aandacht en andere vormen van ondersteuning. Dat maakt mantelzorg ook als aanvulling op AWBZ-zorg uniek en waardevol.

Deze leden vragen of de onafhankelijk van de indicatiestelling niet in gevaar komt omdat het aantal uren professionele zorg af zou hangen van de zorg die mantelzorgers kunnen bieden.

De indicatiestelling is onafhankelijk (niet door belanghebbenden) in het beoordelen van de aard en mate van de noodzakelijk geachte zorg.

Of AWBZ-zorg noodzakelijk is hangt mede af van de beschikbaarheid van andere zorg. Ook met de beschikbaarheid van mantelzorg zal rekening worden gehouden. In die zin is er een relatie tussen de omvang van de noodzakelijke zorg en mantelzorg. Overigens wordt daarbij ook vastgesteld of AWBZ-zorg noodzakelijk is als bijdrage aan de ondersteuning van de mantelzorger. De regering hecht eraan om nogmaals te benadrukken dat mantelzorg niet afdwingbaar is en dus alleen met de uitdrukkelijke toestemming van de verzekerde en mantelzorger in mindering gebracht kan worden op de uren professionele zorg.

De leden van de fractie van de Christen Unie vragen welke maatregelen de regering neemt om de verwachte ontwikkelingen ten aanzien van het aantal mantelzorgers en vrijwilligers te keren.

De regering wijst graag op het rapport «Kijk op informele zorg» van het SCP. In dit onlangs verschenen rapport wordt de verwachting uitgesproken dat het potentiële aanbod van informele zorg in 2020 met circa 15% zal zijn gegroeid; daar staat een potentiële groei van de vraag naar informele zorg met 5% tegenover. Op basis van deze cijfers zou men kunnen concluderen dat er geen verdere acties nodig zijn. Die conclusie deelt de regering niet. In de notitie «De mantelzorger in beeld» (Kamerstukken II, 2004/05, 30 169, nr. 1) worden voorstellen gedaan voor het faciliteren van mantelzorgers. De regering gaat ervan uit dat deze voorstellen er mede toe zullen leiden dat meer mensen een mogelijkheid zien voor hun naasten te zorgen. Wat de vrijwilligers betreft ontvangt de kamer binnenkort een afzonderlijke notitie.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom ervoor is gekozen de individuele voorzieningen, zoals de mogelijkheid om tijdelijk op adem te komen, niet in de Wmo zijn opgenomen.

Voor zover het gaat om zogenaamde respijtvoorzieningen die worden gefinancierd op basis van de CVTM-regeling worden deze voorzieningen wel degelijk onder de Wmo gebracht. Er zijn echter ook andere vormen van respijtzorg, zoals dag- en nachtopvang et cetera. Deze voorzieningen worden nu op basis van de functie ondersteunende begeleiding in de AWBZ gefinancierd en dat blijft zo.

Artikel 1, eerste lid, onder e

De leden van de SGP-fractie vragen zich af of het mogelijk is om het bieden van psychosociale hulp bij rampen af te scheiden van het bevorderen van de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ). Verder willen zij graag weten hoe de afstemming tussen beide taken plaatsvindt.

Bij het bevorderen van de OGGZ gaat het om het opsporen en in zorg krijgen van mensen die (psychische) hulp nodig hebben, maar daar, om welke reden dan ook, niet uit zichzelf om vragen. Ook preventie, het voorkómen van erger, is belangrijk. Dit is iets anders dan het bieden van psychosociale hulp aan mensen die een ramp hebben meegemaakt (bijvoorbeeld de Vliegramp Bijlmermeer of de Vuurwerkramp in Enschede). Beide terreinen zijn door de aard van het werk en het moment van inzet goed van elkaar te onderscheiden. Daarbij komt dat het instrument van de psychosociale zorg bij rampen (gelukkig) zeer incidenteel ingezet wordt. De geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen (GHOR) maakt regionaal afspraken over deze inzet. De benodigde specifieke deskundigheid en het crisiselement vragen om een andere aansturing dan de reguliere OGGZ. De GGD'en hebben zowel een rol bij de psychosociale hulp na rampen als bij de OGGZ.

Eerste lid, onder g, onderdeel 4

De leden van de fractie van de SGP vragen of het niet mogelijk is toch een tegemoetkomingsregeling voor mantelzorgers te presenteren. Het gaat daarbij om een ondersteuningsregeling op landelijk niveau.

Hoewel de regering de gedachte die aan het voorstel van deze leden sympathiek vindt, is zij van mening dat een dergelijke regeling moeilijk uitvoerbaar is. Het antwoord op vragen als bijvoorbeeld: wanneer is iemand mantelzorger, wanneer komt een mantelzorger in aanmerking voor een tegemoetkoming, hoe wordt calculerend gedrag voorkomen en hoe kan de rechtmatigheid van de tegemoetkoming worden getoetst, is naar de mening van de regering spijtig genoeg niet of nauwelijks te geven.

De leden van de SGP-fractie vragen wat de consequenties zijn van de overheveling van de CTVM-regeling voor de organisaties die hospicezorg regelen. Ook vragen zij of de regering bereid is voor de hospicezorg een afzonderlijke regeling in het leven te roepen.

De regering is met de SGP-fractie van mening dat hospicezorg ook na de overheveling van het subsidie naar de gemeente per 1 januari 2007 op een verantwoorde manier georganiseerd moet zijn. De regering bereidt op dit moment samen met de VNG, ZN, CvZ, een overgangsregeling voor.

Artikel 2

Zoals de leden van het CDA opmerken is het van belang dat burgers weten waar zij aan toe zijn. Voor hen is het niet interessant op basis van welke wet zij al dan niet recht hebben op een voorziening, maar is het belangrijk dat zij weten waar ze terechtkunnen met vragen en hoe zij de voorziening zouden kunnen krijgen.

Dit is bij de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 3, meegenomen. Daarin staat «Met «geven van informatie en advies» wordt gedoeld op activiteiten die de burger de weg wijzen in het veld van maatschappelijke ondersteuning. Het kan hierbij zowel gaan om algemene voorzieningen, zoals een individueel advies, of hulp bij de verheldering van de ondersteuningsvraag. Daarbij dient de gemeente zich niet te beperken tot die voorzieningen waar zij zelf «over gaat», maar ook formatie te geven over relevante aanpalende terreinen zoals zorg en wonen.»

De leden van de PvdA-fractie vragen of artikel 2 dat bepaalt dat in voorkomende gevallen andere wetgeving voorgaat op de Wmo zonder daarbij deze wetten te noemen, niet voor verwarring bij gemeenten, cliënten en andere betrokkenen zal leiden.

Voor een wet is belangrijk dat duidelijk is wat haar bereik is, welke plaats zij inneemt tussen andere wetten. Voor de Wmo wordt dat geregeld in artikel 2. Kort weergegeven, bestaat er in het gegeven geval een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, dan is er geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning. In de memorie van toelichting op artikel 2 worden voorbeelden gegeven van bijzondere wetten waarin specifieke maatregelen worden getroffen, bijvoorbeeld de AWBZ, de Wet op de jeugdzorg en de Wet REA. Naar de mening van de regering zal er over artikel 2 geen verwarring ontstaan. In het algemeen zijn gemeenten, cliënten en andere betrokkenen goed op de hoogte van het bestaan van in het desbetreffende geval van belang zijnde wetten. Mogelijk ontstaan er in enkele concrete gevallen onduidelijkheden. De regering heeft er vertrouwen in dat die onduidelijkheden snel zullen worden opgelost. Van verwarring zal zeker geen sprake zijn.

Opgemerkt dient te worden dat het alternatief (namelijk het bij of krachtens de Wmo noemen van alle bijzondere wetten die specifieke maatregelen kennen op terreinen die in beginsel onder het bereik van de Wmo vallen) zeker niet aantrekkelijk is. De kans dat een dergelijke opsomming niet compleet is, is groot. Bovendien dient zo'n lijst bij wijziging van een wet steeds gewijzigd te worden.

De leden van de SGP-fractie vragen zich af of de Wmo wel voldoende helder maakt wie nu precies verantwoordelijk is voor welke voorzieningen: het zorgkantoor óf de gemeente. Leidt de globale definiëring van de prestatievelden niet tot afstemmingsproblemen, zo vragen zij.

Naar het oordeel van de regering is dat niet het geval. In tegenstelling tot de Welzijnswet 1994 en de oude vormgeving van de AWBZ is nu veel duidelijker aangegeven welke partij waar verantwoordelijk voor is. De oude begrippen «welzijn ouderen en welzijn gehandicapten in de Welzijnswet 1994 leidden juist tot veel onduidelijkheid in de verantwoordelijkheid van gemeenten en zorgkantoor. Ook de verdergaande extramuralisering van de zorg heeft er toe geleid dat het oude begrippenkader van de AWBZ niet meer toereikend was om helderheid te creëren in de verantwoordelijkheden van betrokken partijen. De Wmo en de functiegerichte indeling van de AWBZ hebben beide tot doel om een scherper onderscheid te maken in door de AWBZ-gefinancierde zorg en de door gemeente gefinancierde maatschappelijke ondersteuning (welzijn en dienstverlening).

Artikel 3

De leden van de CDA-fractie hebben aangegeven dat zij graag een passage willen toevoegen aan artikel 3, vierde lid, onder c , in verband met de zorgplicht voor bepaalde individuele voorzieningen. De regering begrijpt de opmerking van deze leden, maar in het wetsvoorstel is reeds aangegeven, dat de gemeente verplicht is om een verordening op te stellen voor de individuele voorzieningen en met name die voorzieningen waarvoor een zorgplicht geldt. De gemeente heeft dus de plicht om burgers die op basis van de door de gemeente opgestelde toegangscriteria daarvoor in aanmerking komen deze te leveren. De gevraagde toevoeging is daarmee overbodig.

Deze leden stellen vervolgens de vraag naar kwaliteitsborging.

De regering merkt daar over op dat zij de zienswijze van de CDA-fractie onderschrijft dat het bij de kwaliteitsborging gaat om de eisen die in redelijkheid aan (individuele) voorzieningen van maatschappelijke ondersteuning gesteld mogen worden.

Op de vragen die de leden van de CDA-fractie vervolgens stellen over kwaliteitsnormering en toetsing is de regering reeds ingegaan in de paragraaf over kwaliteit in deze nota naar aanleiding van het verslag.

De leden van de fractie van het CDA bepleiten vervolgens dat de keuzevrijheid ook wordt gegeven als het gaat om de individuele component van informatie, advies en ondersteuning, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 3.

Anders dan bij de voorzieningen waarnaar wordt verwezen in artikel 3, vierde lid, onder e, lenen de voorzieningen informatie, advies en ondersteuning zich minder duidelijk voor de keuzevrijheid. Dat gemeenten op het prestatieveld informatie en advies burgers verschillende alternatieven aanbieden spreekt voor zich. Zo zal er naast digitale informatie ook schriftelijke informatie voor handen zijn. Het lijkt de regering overbodig deze vanzelfsprekendheid in de wet vast te leggen.

De leden van de PvdA-fractie vragen te bevestigen dat tussentijdse wijzigingen van het plan niet mogen worden gebruikt om het voorzieningenpakket te verslechteren.

Het gemeentelijk Wmo-beleid heeft zijn basis in het gemeentelijke plan. Beleidswijzigingen moeten dus hun basis hebben in aanpassing van het plan. Voor die aanpassing gelden dezelfde regels, inclusief de inspraak door belanghebbenden en hun organisaties, als voor het oorspronkelijke plan.

De leden van de PvdA-fractie vragen naar een definitie van het begrip kwaliteit. Daarover merkt de regering op dat in artikel 3, vierde lid, onder d, onder het begrip «kwaliteit» wordt verstaan een deugdelijke en veilige voorziening. De invulling van het begrip kwaliteit zal op lokaal niveau vorm moeten krijgen. Juist de betrokkenheid van belanghebbenden en de lokale situatie zijn van belang bij de invulling van de kwaliteitsnormen.

Zo ook is de regering van mening dat de gemeente verantwoordelijk is voor het vorm geven van keuzevrijheid. Het begrip zelve is een normaal nederlands woord dat in elk woordenboek wordt omschreven. De regering heeft in dit wetsvoorstel geen afwijkende betekenis voor ogen.

Ook de leden van de CU-fractie hebben enkele toelichtende vragen gesteld over het gemeentelijk beleidsplan. Zo vragen zij zich af waarom de gemeente ook meerdere plannen kan vaststellen, óf de gemeente vaker dan één keer per vierjaar een plan kan vaststellen en op welke wijze de keuzevrijheid voor zorgvragers kan worden gewaarborgd in het plan. Het is inderdaad mogelijk dat de gemeente in plaats van één plan over de maatschappelijke ondersteuning besluit om meerdere plannen uit te brengen over een beperkt aantal prestatiegebieden. Zo kan de gemeente besluiten om aparte plannen te maken voor het jeugdbeleid, voor het zorgbeleid voor groepen met beperkingen (ouderen, gehandicapten) en voor de terreinen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en OGGZ. Ook is het mogelijk dat als gevolg van lokale omstandigheden (wisseling van het gemeentebestuur, calamiteiten, etc.) er meerder nota's verschijnen binnen de voorgestelde periode van vier jaar. Met betrekking tot de keuzevrijheid van burgers heeft de regering aan gegeven dat de gemeente zelf de verantwoordelijkheid heeft om aan te geven op welke wijze zij dit wil vormgeven in het beleid. Ten slotte kan het door de gemeenteraad vastgesteld plan met de doelstellingen en de verwachte resultaten ook achteraf als toets gebruikt worden om te kunnen beoordelen óf de doelstellingen en resultaten bereikt zijn.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom in artikel 3 is gekozen voor de term richting geven in relatie tot het gemeentelijke plan. Zij vragen of deze globale aanduiding niet tot voor burgers onduidelijke bepalingen in het plan leidt.

De term richting geven moet in relatie gezien worden tot de termen hoofdzaak, doelstellingen, samenhang, resultatenen maatregelen die de kernbegrippen vormen voor de inhoud van het gemeentelijke plan. Uit deze begrippen blijkt dat het plan een grote mate van concreetheid moet hebben, zonder tot in detail het beleid vast te leggen. In deze zin is het plan dus kaderstellend. Daarbij past naar het oordeel van de regering een term als richting geven.

De leden van de SGP-fractie zagen graag dat in het Wmo-plan wordt aangeven hoe de relatie is tussen dit plan en overige wetten.

De regering is het met deze zienswijze eens. De Wmo is mede bedoeld om de gemeente te faciliteren in het tot stand brengen van inclusief beleid. Het is dan ook de bedoeling dat in het Wmo-plan aandacht besteed wordt aan de relatie tussen de verschillende beleidsterreinen van de gemeenten en de relatie met wetgeving die buiten de sturing van de gemeente ligt. De regering wil dit graag in het implementatietraject dat samen met de VNG wordt uitgevoerd meenemen.

De leden van de SGP-fractie vragen ook of de regering de mening deelt dat de keuzevrijheid van cliënten, als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder e, in gevaar kan komen wanneer de gemeente slechts een aanbieder kiest.

De regering wijst erop dat de in dit artikelonderdeel bedoelde keuzevrijheid betrekking heeft activiteiten van maatschappelijke ondersteuning. De wet schrijft voor dat het gemeentebestuur aangeeft in het plan hoe zij de keuzevrijheid voor haar burgers organiseert. Dat impliceert dat indien er slechts van één aanbieder sprake is dat dan aangegeven zal moeten worden hoe de keuzevrijheid tussen de verschillende voorzieningen die de aanbieder aanbiedt gekozen kan worden, door bijvoorbeeld een pgb aan te bieden. Omdat de regering overweegt het wetsontwerp in die zin aan te passen dat het pgb als keuzemogelijkheid verplicht wordt gesteld zal er gegarandeerd een keuzemogelijkheid zijn.

Artikel 4

De leden van de CDA-fractie vragen de zorgplicht uit te strekken tot de individuele voorzieningen, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 2, 3, 4 en 6. Zij wensen in combinatie daarmee in de MvT toegelicht te hebben om welke voorzieningen het gaat en wie ervoor in aanmerking komen.

De regering heeft besloten de tijdelijke zorgplicht in te voeren, omdat er sprake is van een overgangssituatie die op een zorgvuldige manier georganiseerd moet worden. Als zodanig merkt zij in ieder geval aan: huishoudelijke zorg, rolstoelen en scootmobielen voor de in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 6, bedoelde voorzieningen. De onder 2, 3 en 4 genoemde voorzieningen zijn van geheel andere orde. Dat laat onverlet dat het gemeentebestuur in het plan moet aangeven op welke manier zij haar beleid ten aanzien van de bedoelde prestatievelden zal vormgeven.

De leden van de PvdA-fractie vragen waar het eerste lid van artikel 4 moet worden gezocht. Tevens vragen zij of uit de opmerking dat de gemeentelijke zorgplicht «kan» worden opgelegd, moet worden opgemaakt dat de regering het opleggen van zo'n zorgplicht alsnog geheel achterwege kan laten.

In het ontwerp dat voor advies naar de Raad van State is gezonden had artikel 4 twee leden. De Raad van State adviseerde in de wet op te nemen een verplichting voor gemeentebesturen om de voorzieningen waarop burgers aanspraak kunnen maken in een verordening vast te leggen. Naar aanleiding van dit advies is artikel 5 toegevoegd aan het ontwerp en kon in verband daarmee het tweede lid van artikel 4 vervallen. Ten onrechte wordt in de memorie van toelichting nog van een eerste lid melding gemaakt.

Dit misverstand wordt waarschijnlijk veroorzaakt doordat in de toelichting abusievelijk staat geschreven dat bij amvb voor bepaalde voorzieningen tijdelijk een gemeentelijke zorgplicht kan worden gecreëerd. In het wetsvoorstel is dit echter een dwingende bepaling. Het wetsvoorstel regelt dat bij amvb een zorgplicht wordt opgelegd. De regering overweegt bij tweede nota van wijziging de wettelijke verankering van de duur van de zorgplicht aan te passen.

Artikel 5

De leden van de CDA-fractie vragen of zowel bij de rijksoverheid als bij gemeenten geen toename van administratieve lasten hoeft op te treden.

De Wmo kent geen uitvoerende verantwoordelijkheden aan de rijksoverheid toe zodat er ook geen sprake is van administratieve lasten voor de rijksoverheid als gevolg van de Wmo. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Wmo door gemeenten betekent voor deze bestuurslaag onmiskenbaar een taakverzwaring. De gemeentelijk apparaten zullen daarop moeten worden aangepast. De middelen daarvoor zullen via het gemeentefonds ter beschikking worden gesteld. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenten om alle aangelegenheden rond de Wmo zo efficiënt mogelijk te organiseren, zodat de administratieve gevolgen voor het eigen apparaat en voor de burgers zo gering mogelijk zullen zijn. Daar waar mogelijk zal in het kader van de invoering van de Wmo vanuit VWS en de VNG ondersteuning geboden worden om de administratieve lasten zo veel mogelijk te beperken.

In antwoord op de vragen van de PvdA-fractie over de verschillen tussen de verordeningsplicht die in artikel 5 is vastgelegd en die in de Wvg meldt de regering het volgende. In de Wvg is opgenomen dat gemeenten bij verordening regels moet vaststellen met betrekking tot het verlenen van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen voor de deelname aan het maatschappelijke verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten. Daarnaast moeten zij bij verordening regels vaststellen die gericht zijn op de realisatie en de vormgeving van cliëntenparticipatie. In de Wmo worden er minder gedetailleerdere voorschriften gegeven. Dit past beter bij het karakter van de Wmo en de rol die het Rijk voor zichzelf en voor gemeenten ziet. Op lokaal niveau bepalen gemeenten immers wat in de betreffende gemeente het meest gewenste aanbod aan maatschappelijke ondersteuning is. De keuze voor deze sterke deregulering komt niet voort uit problemen die er op dit punt zouden zijn bij de Wvg. De gemeente zal ook in de Wmo in haar verordening opnemen welke voorzieningen zij verleent. Indien cliënten het niet eens zijn met de toegekende voorziening kunnen zij op grond van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar maken.

Artikel 6

De leden van de CDA-fractie en van de VVD-fractie vragen om een garantie dat burgers kunnen kiezen tussen zorg in natura en een pgb. De regering overweegt zoals eerder gesteld om bij tweede nota van wijziging haar standpunt met betrekking tot het al dan niet verplicht stellen van het pgb te herzien.

Is de regering het eens met de ChristenUnie-fractie dat er in dit artikel ook sprake zou moeten zijn van keuzevrijheid met betrekking tot zorg in natura (optimale keuzevrijheid) zo vroegen deze leden. De regering is het daar van harte mee eens en zal de suggestie die de CU-fractie heeft aangereikt in het implementatietraject nader aandacht geven.

De leden van de SGP-fractie zouden van de regering graag horen welk verschil er bestaat tussen een financiële tegemoetkoming en het persoonsgebonden budget. Bedoelt de regering aan te geven dat de tegemoetkoming de kosten slechts gedeeltelijk zal dekken en het persoonsgebonden budget volledig.

De Wvg kent de mogelijkheid van het verstrekken van een financiële tegemoetkoming. Gemeenten maken ook gebruik van deze mogelijkheid. Zo worden sportrolstoelen door gemeenten verleend in de vorm van wat in de Wvg een financiële tegemoetkoming is. De AWBZ kent de mogelijkheid van het verstrekken van een persoonsgeboden budget. Er is een subsidieregeling die omschrijft wat hieronder verstaan wordt, deze regeling is onderdeel van de bij ministerieel besluit vastgestelde Regeling Subsidies AWBZ en Ziekenfondswet.

In het kader van de Wmo is er echter geen principieel verschil tussen een financiële tegemoetkoming en een persoonsgebonden budget. Het is dus aan de gemeenten om een invulling te geven aan deze begrippen. Een financiële tegemoetkoming en een persoonsgebonden budget hoeven de kosten niet volledig te dekken.

Artikel 7

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering welke concrete gevolgen het niet van toepassing zijn van titel 4.2 van de Awb op de persoonsgebonden budgetten en de financiële tegemoetkomingen heeft voor burgers die het aangaat.

Het desbetreffende artikel in het wetsvoorstel (artikel 7) is overgenomen uit de Wvg (artikel 5, vijfde lid). Dit vijfde lid van artikel 5 is in de Wvg gekomen met de Aanpassingswet derde tranche Awb I.

Titel 4.2 van de Awb is de zogenaamde subsidietitel en bevat bepalingen over onder andere subsidieplafond, subsidieverlening, verplichtingen van de subsidie-ontvanger, subsidievaststelling, intrekking, wijziging, betaling en terugvordering van subsidies.

In artikel 4:21 van de Awb wordt bepaald wat onder subsidie wordt verstaan. Een financiële tegemoetkoming en een persoonsgebonden budget vallen onder deze definitie van subsidie. Met artikel 7 van het wetsvoorstel wordt geregeld dat de bovenstaande subsidiebepalingen opgenomen in titel 4.2 van de Awb niet van toepassing zijn bij persoonsgebonden budgetten en financiële tegemoetkomingen.

Artikel 9

Op de vragen die de leden van de CDA-fractie en van de PvdA-fractie stelden met betrekking tot de informatievoorziening is de regering al uitvoerig ingegaan in de paragraaf over de sturing in deze nota.

De VVD-fractie vraagt waarom er bij een sturingsmodel met horizontale verantwoording jaarlijks gegevens verstrekt moeten worden aan de landelijke overheid, daar de gegevens vooral nodig zijn om op lokaal niveau het beleid te bepalen en bij te sturen.

De regering is het met de VVD-fractie eens dat de prestatiegegevens die op grond van artikel 9 beschikbaar komen bedoeld zijn om burgers en maatschappelijke organisaties te informeren over de prestaties van hun gemeente en om op lokaal niveau het beleid zonodig bij te sturen. De informatievoorziening aan het rijk of een door de minister aangewezen onderzoeksinstelling betreft uitdrukkelijk geen verantwoordingsinformatie in de zin dat de gemeente daarmee verantwoording aan het rijk aflegt op grond waarvan het rijk zich een (individueel) oordeel zou moeten vormen gevolgd door eventuele sancties. De informatievoorziening aan het rijk dan wel een daartoe aangewezen derde strekt ertoe vergelijking tussen gemeenten te faciliteren. Op deze wijze worden burgers en maatschappelijke organisaties in staat gesteld zich vergelijkenderwijs een beeld te vormen van het door hun gemeente gevoerde beleid. Daarnaast vraagt de VVD-fractie zich af of artikel 9 geen bureaucratisch geheel wordt. De regering streeft naar een beperkte gegevensset, om de uitvoeringslasten voor gemeenten minimaal te houden. Zodra deze gegevensset beschikbaar is zal ik de kamer deze doen toekomen.

Op de vraag van de fractie van de VVD over hoeveel fte's op het departement zullen verdwijnen met de komst van de Wmo kan de regering antwoorden dat het Ministerie van VWS zich zal houden aan de afspraken over afslanking zoals die zijn gemaakt bij de vorming van het kabinet Balkenende II, de mogelijke gevolgen van de decentralisatie zullen hierbij betrokken worden. Met het feit dat de huishoudelijke zorg als aanspraak uit de AWBZ verdwijnt, zijn op departementsniveau geen personele gevolgen verbonden omdat het departement terzake geen uitvoerende taken verricht.

De leden van de SGP-fractie willen weten binnen welke termijn een rapportage wordt gemaakt van de gegevens die gemeenten op grond van artikel 9 moeten publiceren.

De regering is van mening dat binnen een termijn van zes maanden gerapporteerd moet worden. Die informatie kan dan deel uitmaken van de lokale jaarcyclus van beleidsontwikkeling en verantwoording. De regering zal bij tweede nota van wijziging alsnog een termijn van rapportage aan het artikel toevoegen.

Artikel 10

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat gemeenten de regie moeten voeren bij de Wmo. Zij vragen om die reden om een aanscherping van de formulering «zoveel mogelijk» in artikel 10. Ook de leden van de CU vragen wat onder «zoveel mogelijk» wordt verstaan. Zij vragen tevens om voorbeelden waarbij gemeenten maatschappelijke ondersteuning beter zelf zou kunnen uitvoeren. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of dit artikel impliceert dat de gemeente de uitvoering ook (tijdelijk) zelf mag uitvoeren als een bepaalde voorziening niet of niet op voldoende niveau door een derde kan worden aangeboden.

De regering heeft er met de Wmo voor gekozen om het primaat bij private partijen te leggen omdat private partijen immers vaak de deskundigheid en professionaliteit bezitten die voor de uitvoering van veel maatschappelijke ondersteuningsactiviteiten nodig is. De regering begrijpt de opmerkingen die de leden hierover maken, maar zou ongelukkig zijn met een andere formulering. Er zijn ook activiteiten denkbaar die door gemeenten worden uitgevoerd en waarvan het voor de hand ligt dat gemeenten dat kunnen blijven doen. Naast de één-loket functie, kan hierbij worden gedacht aan de functie van sociale raadslieden, de ombudsmanfunctie, het buurthuis, de GGD-functie, het amw, onderhoud sportvelden en bijvoorbeeld de plantsoenendienst die in de winter de stoepjes van ouderen veegt (of vergelijkbare creatieve oplossingen waarbij gemeenten verbindingen tussen prestatievelden mogelijk maken).

De regering kiest er daarom voor om niet in alle gevallen het primaat van private partijen verplicht te stellen. Bepalend in artikel 10, eerste lid, is derhalve het criterium zo veel mogelijk. Dit criterium bepaalt de ruimte die een gemeente heeft om zelf bepaalde activiteiten uit te voeren, de mate waarin zij moet bewijzen dat zij niet ten onrechte zelf bepaalde activiteiten uitvoert en de mate waarin een instelling hard kan maken dat hij ten onrechte niet is benaderd. Naar het oordeel van de regering wordt met de huidige formulering van dit artikel in feite hetzelfde bedoeld als hetgeen de leden van de CDA-fractie beogen met hun tekstvoorstel.

Een verdere aanscherping van de tekst houdt het risico in dat deze zijn doel voorbij schiet. Er zijn bijvoorbeeld situaties denkbaar dat de uitvoering door private organisaties wel «mogelijk» is, maar de prijzen van die organisaties naar het oordeel van de gemeente te hoog zijn. De gemeente moet dan de vrijheid hebben in eigen beheer doelmatiger oplossingen te organiseren.

Die mogelijkheid versterkt de onderhandelingspositie van gemeenten ten opzichte van private organisaties.

De leden van de PvdA-fractie vragen wanneer gemeenten de uitvoering op basis van subsidie dan wel op basis van aanbesteding vorm moeten geven. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of onder het woord «uitbesteding» (memorie van toelichting p. 33) ook iets anders dan aanbesteding kan worden verstaan.

In de memorie van toelichting wordt het woord «uitbesteding» gebruikt in de toelichting op artikel 10 van het wetsvoorstel. Het eerste lid van artikel 10 bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders het verlenen van maatschappelijke ondersteuning zoveel mogelijk laat verrichten door derden. Het tweede lid bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders zaken die aan een persoon in eigendom worden overgedragen of in bruikleen worden gegeven, van derden betrekt, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is.

In het algemeen gesproken kan een gemeente subsidie verlenen of een overeenkomst sluiten. De gemeente is niet geheel vrij in een keuze. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een aparte titel (4.2) voor subsidies en definieert het begrip subsidie. Valt een aanspraak op financiële middelen onder dit subsidiebegrip dan is titel 4.2 van de Awb van toepassing. Overeenkomsten worden beheerst door algemene bepalingen uit het burgerlijk recht en soms nog door voor de desbetreffende overeenkomst geldende specifieke bepalingen.

Het is niet altijd gemakkelijk aan te geven of de weg van de subsidieverlening of die van het sluiten van een overeenkomst gevolgd dient te worden. Als uitgangspunt kan worden gehanteerd dat subsidie er is voor activiteiten ten behoeve van de aanvrager en overeenkomsten worden gesloten voor de levering van goederen of diensten aan het bestuursorgaan (in dit geval: de gemeente).

Daarnaast is er de problematiek van de staatssteun. Het EG-verdrag geeft een definitie van dit begrip. Rond het begrip staatssteun zijn veel regels en voorschriften. Veel subsidies zullen onder het begrip staatssteun vallen. Als subsidie wordt verstrekt kunnen er dan ook problemen ontstaan in verband met staatssteun.

Indien de weg van het sluiten van een overeenkomst wordt gevolgd en dit gebeurt na het volgen van een aanbestedingsprocedure, dan is vooraf de markt betrokken en zullen er geen problemen in verband met staatssteun zijn.

Het bovenstaande komt erop neer dat, nu het bij artikel 10 vooral gaat om gevallen dat een gemeente behoefte heeft aan bepaalde activiteiten of diensten, vooral het sluiten van overeenkomsten de te volgen weg zal zijn. Het verlenen van subsidie door een gemeente zal uitzondering zijn. Het volgen van een aanbestedingsprocedure voordat een overeenkomst wordt gesloten is van groot belang om geen ongerechtvaardigde staatssteun te verlenen.

Artikel 11 en 12

De leden van de fracties van zowel het CDA als van de ChristenUnie, de PvdA, de VVD en Groenlinks stellen vragen over de betrokkenheid van burgers bij de planvorming van de gemeente. In artikel 12 wordt aangegeven dat het college van burgemeester en wethouders het ontwerpplan voor advies moeten voorleggen aan vertegenwoordigers van de kant van vragers van maatschappelijke ondersteuning. Derhalve onderschrijft de regering de stelling van de leden van de PvdA niet dat de verplichte betrokkenheid van organisaties van vragers van maatschappelijke ondersteuning bij het Wmo beleid zeer beperkt is vormgegeven. Dit ontwerpplan geeft richting aan de door de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders te nemen beslissingen. betreffende maatschappelijke ondersteuning. Dit plan geeft onder andere de gemeentelijke doelstellingen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning weer. Dit plan is kaderstellend en geeft richting aan de verdere uitvoering van beleid. Wanneer gemeenten dit plan willen veranderen, moet het plan wederom voorgelegd worden aan vertegenwoordigers van organisaties van vragers van maatschappelijke ondersteuning. Dat kunnen organisaties zijn die actief zijn in de gemeente op het gebied van zorg en welzijn.

Om te stimuleren dat cliënten hun stem kunnen laten horen zal de Lorep, de koepel van RPCP's een toolkit ontwikkelen ten behoeve van cliëntenparticipatie in samenwerking met de landelijke koepels van ouderen, gehandicapten en GGZ. Er zullen geen nieuwe instrumenten ontworpen worden. In het veld is alle deskundigheid aanwezig. Alleen wanneer blijkt dat er behoefte is aan bepaald instrumentarium dat niet bestaat, zullen nieuwe ontwikkeld worden. De toolkit zal naast instrumenten en methodes ook goede voorbeelden bevatten.

Daarnaast zal de regering als systeemverantwoordelijke, zoals de leden van de VVD-fractie vragen, de komende twee jaar 10 miljoen euro extra investeren in de randvoorwaarden voor lokale cliëntenparticipatie. Via RPCP's zullen lokale organisaties of platforms ondersteund worden in hun belangenbehartigende taken. Dit kan zijn door deskundigheidsbevordering, het stimuleren van samenwerking, het coachen van platforms op lokaal niveau et cetera. Daarmee geeft de regering tevens antwoord op de vragen die de leden van de fractie van GroenLinks stelden.

De helft van het bedrag is specifiek bestemd voor het wegwerken van achterstanden in de (lokale) GGZ cliëntenparticipatie. De regering zal in overleg treden met de GGZ-organisaties over de inzet van deze middelen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat onderrepresentatieve organisaties wordt volstaan. Hoe wordt de representativiteit gewaarborgd en is er een beroepsmogelijkheid tegen uitsluiting door de gemeente. Ook de leden van de SGP-fractie vragen hoe de representativiteit getoetst wordt. Verder vragen zij zich af waarom de aanbieders niet betrokken worden bij de planvorming.

Het gemeentelijk plan moet antwoord geven op de vraag, op welke wijze aan de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning inhoud wordt gegeven. Iedere gemeente kent doorgaans een groot aantal organisaties, die relevant zijn voor de verschillende aspecten van maatschappelijke ondersteuning, die in artikel1, eerste lid, van het wetsvoorstel worden onderscheiden. Voor een deel gaat het hierbij om verenigingen van zorg- en ondersteuningsbehoevenden, maar men kan ook denken aan kerkgemeenschappen, wijkraden en overlegplatforms. Dat zal per gemeente verschillen. Bij representativiteit speelt naast het verband tussen de doelstelling van de organisatie en het terrein van maatschappelijke ondersteuning, ook het getalsmatige element een rol in de zin dat de organisatie een substantieel deel van de relevante doelgroep moet vertegenwoordigen. De reden dat aanbieders niet vooraf om advies wordt gevraagd wil niet zeggen dat zij niet bij de planvorming betrokken zijn. Hun positie is echter een wezenlijk andere. De rol van de aanbieders zal vooral vorm krijgen in het inkoopproces tussen gemeente en aanbieders.

Artikel 13

De leden van de CDA-fractie vragen of ten aanzien van cliëntenparticpatie uit de provincies speciale steunfuncties voor kleine gemeenten kunnen worden ingesteld en naar de rol van de RPCP's. De regering merkt daar over op dat evenals dat nu het geval is in de Wmo de steunfunctie vanuit provincies voor (kleine) gemeenten divers wordt ingevuld, afhankelijk van de behoeften van de gemeenten. Met IPO en vertegenwoordigers van provincies is regelmatig overleg hierover om de ondersteuning goed af te stemmen op het implementatietraject. Provincies financieren momenteel RPCP's onder andere voor cliëntenparticipatie. Wat dit betreft wijst de regering op hetgeen ze hiervoor heeft gesteld over de financiering daarvan.

De leden van de CDA-fractie vroegen hier ook of de regering op het gebied van het preventief jeugdbeleid niet meer sturing moet geven, mede omdat zij menen dat mogelijk doorgeleiding plaatsvindt naar de zwaardere jeugdzorg.

De regering acht meer en gedetailleerdere wettelijke sturing op het gebied van het preventief jeugdbeleid niet de aangewezen weg om zo adequaat mogelijk preventief jeugdbeleid tot stand te doen komen. Wat naar de mening van de regering veeleer de vereiste weg is dat provincies en gemeenten komen tot goede afspraken over de afbakening tussen het gemeentelijke en provinciale domein en de inspanningen van beide hierop. Provincies en gemeenten hebben hier momenteel afspraken over gemaakt of zij zijn hiermee bezig. Minstens zo belangrijk is dat gemeenten met lokale partijen het preventief jeugdbeleid bespreken, zodat in onderling overleg gekomen wordt tot goed beleid. Artikel 11 van de Wmo vraagt om een dergelijke afstemming.

In aanvulling daarop geeft de regering momenteel sturing, onder andere in de vorm van financiële middelen, richting gemeenten door het uitdragen van de vijf gemeentelijke functies van het preventieve jeugdbeleid, het (doen) ondersteunen van gemeenten bij het maken van afspraken op lokaal niveau over deze vijf functies en het geven van een impuls aan opvoed- en gezinsondersteuning door het ter beschikking stellen van extra financiële middelen voor de 51 gemeenten met de grootste problematiek op dit terrein.

De leden van de PvdA-fractie vroegen in welk opzicht het steunfunctiewerk van provincies in dit wetsvoorstel verschilt van dat in de Welzijnswet 1994.

Zoals eerder in deze nota opgemerkt is dat verschil er niet. Het steunfunctiewerk van de provincie zoals opgenomen in het wetsvoorstel komt geheel overeen met dat uit de Welzijnswet 1994. Er is geen sprake van nieuwe taken of beleidsterreinen, en om die reden is het ook niet nodig voor het steunfunctiewerk extra middelen ter beschikking te stellen.

De leden van de Christen Unie vragen zich af of het wel nodig is om provincies een ondersteunende taak te geven en of die taak niet door de VNG kan worden verricht.

De regering merkt hierover op dat de invoering van de Wmo gezamenlijk met de VNG wordt opgepakt. Zo is de VNG betrokken bij de gereedschapskist en de overige invoeringstrajecten. Ook zal de VNG modelverordeningen voor gemeenten opstellen. Daarnaast worden gemeenten ook vanuit de provincie ondersteund. Deze ondersteuning is aanvullend op die van VWS/VNG en is afgestemd op de regionale ondersteuningsbehoeften van gemeenten. Daarin zitten grote verschillen tussen gemeenten. Ook beschikken provincies over middelen waarmee zij gemeenten kunnen ondersteunen.

Artikel 14

De leden van de PvdA-fractie vroegen waarom de vier grote steden wat betreft het steunfunctiewerk voor minderheden niet gelijk zijn gesteld met de provincies.

Dat is een voortzetting van de lijn die in de Welzijnswet 1994 al was gekozen. De reden daarvoor is vooral een pragmatische. Ten tijde van de decentralisatie van het steunfunctiewerk voor minderheden waren er geen steunfunctie-instellingen voor minderheden die exclusief in de grote steden werkzaam waren. Hun werkgebied was altijd groter. Daarom is er voor gekozen de provincies voor deze vorm van steunfunctiewerk verantwoordelijk te maken.

De leden van de VVD-fractie vroegen daarentegen waarom de vier grote steden een uitzonderingspositie hebben in de wet als het gaat om het steunfunctiewerk.

Het gaat hier om voortzetting van wat al in de eerste Welzijnswet van 1987 was geregeld en wat in de huidige Welzijnswet 1994 is voortgezet. Destijds is hiertoe besloten omdat de vier grote steden een voldoende schaal hadden om verantwoordelijkheid voor het steunfunctiewerk binnen hun gemeentegrenzen te kunnen dragen. De provincies waar deze steden liggen, blijven verantwoordelijk voor het steunfunctiewerk voor de rest van de provincie. Het feit dat de vier grote steden verantwoordelijk zijn voor het steunfunctiewerk binnen hun gemeentegrenzen heeft geen consequenties voor regionale samenwerkingsverbanden.

Artikel 15

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de hoofdlijnen van de eigen bijdrage regeling niet helderder in de wet of de memorie van toelichting worden opgenomen. Die hoofdlijnen zijn voor de CDA-fractie de anticumulatie met de extramurale AWBZ eigen bijdrage en de maximale eigen bijdrage behorend bij een bepaald inkomen. De leden vragen verder of door de anticumulatie de beide eigen bijdrage regelingen functioneren als een communicerend vat. Tot slot vragen de leden aan de regering of ze kan aangeven dat de voorgestelde regeling door gemeenten en CAK uitvoerbaar is.

De regering stelt dat de door de CDA-fractie benoemde hoofdlijnen inderdaad een belangrijk onderdeel zijn van haar voorstellen voor de eigen bijdrage regeling AWBZ en Wmo. Deze eigen bijdrage zal nader geregeld worden in een besluit. Eind vorig jaar heeft de regering de kamer een brief met dit voorstel doen toekomen(Kamerstukken II, 2004/05, 29 538, nr. 7).

De CDA-fractie heeft ook gelijk dat voorzover iemand zowel AWBZ als Wmo zorg geniet en de eigen bijdrage voor beide voorzieningen wordt begrensd door het inkomensafhankelijke maximum, de regeling kan functioneren als een communicerend vat. Dat wil zeggen als vanwege de ene regeling minder hoeft te worden betaald, men voor de andere regeling meer betaalt tot aan het inkomensafhankelijke maximum.

De regering is in overleg met VNG en CAK om te komen tot een werkbare uitvoering van de eigen bijdrage regeling en verwacht hierover nog dit jaar de kamer te kunnen informeren.

De leden van de CDA-fractie zouden graag zien dat in de memorie van toelichting nadere aanwijzingen zouden komen voor het innen van de eigen bijdrage Wmo. Tevens vraagt de CDA-fractie of de regering bereid is de eigen bijdrage Wmo te beschouwen als specifieke uitgave in het kader van de Tegemoetkomingsregeling buitengewone uitgaven (TBU). De regering kan een reeds bij de Tweede Kamer liggende Memorie van Toelichting niet wijzigen. De regering komt inhoudelijk wel aan de belangrijkste wensen van de CDA-fractie terzake tegemoet.

Alle eigen bijdragen voor verstrekkingen die onder de Wmo zullen gaan vallen en die op dit moment worden aangemerkt als (specifieke) uitgave onder de buitengewone uitgavenregeling, blijven dit ook na invoering van de Wmo. Op dit moment wordt nog onderzocht aan welke Wmo-verstrekkingen een eigen bijdrage in de zin van de Wmo wordt verbonden en welke van die eigen bijdragen (specifieke) uitgaven zijn in de zin van buitengewone-uitgavenregeling.

Overigens heeft de belastingplichtige, die uitgaven voor ziektekosten maakt, recht op de een tegemoetkoming ingevolge het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven, indien die belastingplichtige (al dan niet tezamen met zijn partner) niet de gehele aftrekpost buitengewone uitgaven kan vergelden.

De leden van de CDA-fractie vragen verder of bepaalde vrijstellingen die gelden voor het betalen van een eigen bijdrage in de AWBZ straks ook in de Wmo gaan gelden, of de eigen bijdrage regeling AWBZ zonder verblijf met de komst van de Wmo blijven gelden en of het ijkjaar voor de eigen bijdrage T-2 blijft.

De regering merkt daar over op dat de vrijstellingen voor het betalen van een eigen bijdrage in de AWBZ ook onder de Wmo gelden en het ijkjaar T-2 blijft gehandhaafd.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de regering het onwenselijk vindt dat gemeenten een inkomensbeleid gaan voeren. Ze vragen daarnaast hoe de mogelijke stapeling van eigen bijdragen wordt begrensd.

De regering acht inkomensbeleid de verantwoordelijkheid van het Rijk. Wanneer meerdere bestuurslagen zich hiermee bezighouden kunnen ongewenste effecten optreden, zoals bijvoorbeeld de armoedeval. De stapeling van eigen bijdragen voor de Wmo en de AWBZ wordt in het voorstel van de regering onmogelijk gemaakt door het hanteren van een anticumulatiebeding. Dat betekent dat een cliënt voor AWBZ en Wmo voorzieningen gezamenlijk nooit meer betaalt dan de maximale inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor de AWBZ.

Deze leden vragen de regering voorts of gemeenten niet verplicht zijn om rekening te houden met het inkomen van de burgers en waarom niet voor zo'n verplichting is gekozen.

Het voorstel van de regering verplicht gemeenten om in die zin rekening te houden met het inkomen van burgers, dat zij de maximaal te vragen eigen bijdrage voor de Wmo bindt aan een inkomensafhankelijk maximum. Dit maximum komt overeen met dat van de eigen bijdrage regeling voor de AWBZ. Gemeenten worden echter niet verplicht om een eigen bijdrage te vragen. Gemeenten worden om diezelfde reden niet verplicht om burgers met een hoger inkomen een hogere eigen bijdrage op te leggen dan het maximum voor de minima. Het is aan gemeenten zelf om te beoordelen in hoeverre dit opportuun is. Dit komt overeen met de huidige regeling voor de Wvg.

De leden vragen voorts of de regering het wenselijk vindt als gemeenten geen rekening houden met de draagkracht van hun inwoners. De leden geven aan voorstander te zijn van een vermogenstoets en geven aan of de regering in wil gaan op de stelling dat een vermogenstoets een middel kan zijn om voorzieningen beschikbaar te houden voor mensen die daar zelf niet in kunnen voorzien.

De regering acht het ongewenst wanneer het niet rekening houden door gemeenten met de draagkracht van burgers er toe leidt dat voorzieningen ontoegankelijk worden. Zij heeft er daarom voor gekozen de eigen bijdrage die gemeenten maximaal mogen vragen te binden aan een inkomensafhankelijk maximum. De regering acht het echter ongewenst om de gemeenten te verplichten deze eigen bijdrage ook (volledig) op te leggen. Het is aan de gemeenten om te kiezen hoe zij haar voorzieningen wil financieren. De regering begrijpt dat het verruimen van de financieringsmogelijkheden door middel van het introduceren van een vermogenstoets, kan bijdragen aan het verruimen van het voorzieningenniveau. Zoals eerder aangegeven bij de beantwoording van de vragen naar aanleiding van de brief van de Staatssecretaris van VWS brief over de eigen bijdrage Wmo, acht de regering het niet gewenst om een dergelijke toets hier te introduceren. Zij acht het inkomen voldoende maatstaf voor draagkracht.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering de eisen aan de gemeentelijke eigen bijdrage regeling voor de Wmo in overeenstemming acht met het dominante sturingsmodel, maar verplichte keuzevrijheid niet. De leden vragen zich ook af of het Rijk niet wordt bevoordeeld boven de gemeenten omdat de eigen bijdrage op de AWBZ in eerste instantie wordt geïnd.

De regering begrijpt de vraag van deze leden en heeft inmiddels aangegeven dat zij overweegt om bij tweede nota van wijziging de keuze tussen natura en een pgb verplicht te stellen. Voorts is de regering van mening dat de motivatieplicht rond keuzevrijheid in combinatie met de cliëntbetrokkenheid bij de ontwikkeling van beleid wel degelijk een basis biedt voor het principe van keuzevrijheid ten principale.

De wijze waarop regels omtrent de eigen bijdrageheffing worden gegeven laten ruimte voor gemeenten, maar binnen kaders. Dit vindt de regering in overeenstemming met de dominante sturingsfilosofie. Ten aanzien van de anticumulatie tussen AWBZ en Wmo beziet de regering nog de volgorde in preferentie. Eenvoud van de uitvoering zal daarbij leidend zijn.

De leden van de SGP-fractie ontvangen graag een nadere toelichting op de regeling om stapeling van eigen bijdragen te voorkomen.

De opzet van de regering is de gemeente zelf binnen kaders de eigen bijdrage regeling Wmo te laten maken, maar de inning van de eigen bijdragen centraal te laten gebeuren. De administratie vindt dan plaats door dezelfde organisatie. Gemeenten hebben hier geen omkijken naar. Door de centrale inning is het ook eenvoudig om de anticumulatieregeling toe te passen. Dit model wordt momenteel nader uitgewerkt in overleg met het CAK dat de eigen bijdrageadministratie van de AWBZ uitvoert.

Artikel 16

De leden van de CDA-fractie vragen of in de wet of de toelichting niet verduidelijkt moet worden op welke voorzieningen of tegemoetkomingen de burger kan rekenen.

De regering heeft besloten om in de overgangsperiode voor een aantal individuele voorzieningen een tijdelijke zorgplicht in te voeren. Daarmee is voor de burger in de gemeente helder waarop hij kan rekenen. Overigens merkt de regering op dat ook zonder de zorgplicht het gemeentelijke Wmo-beleid altijd zijn vertaling zal vinden in de gemeentelijke verordeningen. Ook dan is het voor de burger helder waarop hij kan rekenen.

De leden van de CDA-fractie vragen of een beroep op de minister van VWS kan worden gedaan om een uitkering ten laste van de Rijkskas voor voorzieningen voor mensen die in een AWBZ-instelling verblijven ingevolge artikel 8 van de AWBZ en voor voorzieningen die een bepaald bedrag te boven gaan.

Artikel 8 van de AWBZ regelt dat instellingen die AWBZ-zorg verlenen als zodanig zijn toegelaten. De aanspraken op AWBZ-zorg zijn geregeld krachtens artikel 6 van de AWBZ. Als een verzekerde in een AWBZ-instelling verblijft en als onderdeel van de behandeling heeft hij bijvoorbeeld bepaalde hulpmiddelen nodig, dan heeft hij recht op die hulpmiddelen voor rekening van de AWBZ. In dat geval vergoedt de AWBZ de voorziening volledig. De Wmo is dan niet aan de orde.

Als de voorziening valt onder de Wmo en de voorziening gaat een bepaald bedrag te boven, dan is er geen mogelijkheid om een beroep te doen op de Rijkskas. Artikel 16 hoeft derhalve niet te worden aangepast.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de gemeente verplicht is om een aanpassing aan de woning tot stand te brengen als een dergelijke aanpassing gelet op de handicap noodzakelijk is en er geen andere aangepaste woning beschikbaar is. Tevens willen zij weten of de situatie voor deze woningaanpassingen onder de Wmo verandert ten opzichte van wat nu gangbaar is onder de Wvg.

De regering merkt hierover op dat in de Wmo de verlening van woningaanpassingen op dezelfde wijze zal plaatsvinden als bij de Wvg. Gemeenten beoordelen, naar verwachting de noodzakelijkheid van een woonvoorziening en bezien vervolgens of de huidige woning wordt aangepast of dat tot een alternatieve oplossing overgegaan wordt. Het primaat van verhuizen mag gehanteerd worden, bijvoorbeeld omdat er een woning beschikbaar is die goedkoper aangepast kan worden. Gemeenten mogen in de Wmo meerdere jaren een eigen bijdrage vragen voor een woonvoorziening. De bijdrage mag echter niet hoger zijn dan de kosten van de voorziening, is begrensd door het inkomensafhankelijke maximum en telt mee in de anticumulatiebepaling De PvdA-fractie vraagt waarom de bijdrageplicht voor onderhoudsplichtige ouders uit de Wvg in de Wmo vervalt.

Dit heeft te maken met het feit dat er in de Wmo geen eigen bijdragen of een eigen aandeel in de kosten van een voorziening waarvoor een financiële tegemoetkoming verleend wordt, gevraagd kan worden van de ouders als hun kind, dat jonger is dan 18 jaar, maatschappelijke ondersteuning krijgt. Dit geldt ook voor pleegouders die hun pleegkind als eigen kind opvoeden en onderhouden.

Artikel 16 lid 2

De leden van de SGP-fractie vraagt naar aanleiding van artikel 16, tweede lid, waarom de subsidie niet verstrekt wordt aan degene die de verbouwing betaalt in plaats van de eigenaar.

Dit heeft de regering zo bepaald, omdat er situaties denkbaar zijn waarbij deze twee personen verschillend zijn. De reden hiervoor is dat de eigenaar van de woning de aanpassingen aan de woning moet verrichten. Het ligt in de lijn om de financiële tegemoetkoming ook aan hem te verstrekken. Daarnaast hangt de keuze om de tegemoetkoming aan de eigenaar te verstrekken samen met de mogelijkheden om eventueel via de huur de kosten van de woningaanpassing door te berekenen. De eigenaar van de woning krijgt namelijk niet altijd de volledige kosten van de aanpassing van de gemeente vergoed.

Artikel 17 en artikel 18

De leden van de CDA-fractie geven aan te hechten aan een goed objectief verdeelmodel voor de Wmo.

De regering deelt de opvatting van deze leden en heeft een dergelijk model in ontwikkeling. Deze ontwikkeling is naar verwachting binnenkort afgerond.

De CDA-fractie vraagt wie het verdeelmodel zal ontwikkelen en wie het zal evalueren, tevens vraagt de fractie of is voorzien in een goede toetsing.

Het verdeelmodel wordt ontwikkeld onder verantwoordelijkheid van een interdepartementale werkgroep, waar ook de VNG deel van uit maakt. Door deze werkgroep is CEBEON ingehuurd voor de ontwikkeling van het model. De evaluatie en toetsing vindt plaats in het kader van het reguliere gemeentefonds beheer. De regering is zich er van bewust dat iedere verdeelsystematiek automatisch tot discussies leidt tussen winnaars en verliezers. Zeker in de aanvangsperiode is dat onvermijdelijk. De regering is dan ook voornemens de discussie over dit model te voeren op basis van de merites van het model, niet op basis van winnaars en verliezers.

De leden vragen welke criteria in het verdeelmodel in ieder geval gebruikt zullen worden. De criteria van het verdeelmodel moeten objectief en niet manipuleerbaar zijn. Uit het onderzoek moet blijken welke criteria geschikt zijn.

Criteria die onderdeel uitmaken van het model zijn bijvoorbeeld inwonergebonden factoren (aantal en leeftijd), samenstelling huishoudens, inkomensgebonden factoren, factoren inzake arbeidsgerelateerde zorgbehoeften en geografische factoren.

Deze leden vragen voorts of de regering bereid is gemeenten met een sterk bovengemiddeld aantal instellingen voor gehandicapten en chronisch zieken binnen hun grenzen een regeling te treffen. Tevens vragen de leden om een cijfermatige onderbouwing.

De regering merkt hierover op dat het verdeelmodel voor de Wmo rekening houdt met objectieve factoren die verantwoordelijk zijn voor de Wmo kosten in de gemeente. De bestaande compensatie van deze gemeenten in de BBAG regeling wordt meegenomen in het verdeelmodel voor de Wmo-middelen. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat een dergelijke gemeente per saldo meer geld krijgt voor de Wmo. Het model houdt rekening met meerdere factoren. Er kunnen andere factoren zijn die leiden tot een lager gemeentelijk budget.

De berekeningen die ten grondslag liggen aan het model vormen in zekere zin de cijfermatige onderbouwing van het model en daarmee van de uitkomsten van het model.

De leden van de CDA fractie vragen om nadere uitleg van «schoon aan de haak» en «zonder efficiency korting».

Schoon aan de haak en zonder efficiency korting komt op hetzelfde neer. Het betekent dat voor de bepaling van de omvang van het budget de realisatie over 2005 uitgangspunt is. Deze realisatie geeft aan hoeveel middelen het Rijk zelf voor dit beleid in 2005 is kwijt geweest. Dit bedrag wordt, inclusief indexatie, overgeheveld naar het gemeentefonds. De term «zonder efficiency korting» is opgenomen, omdat dit bij operaties in het verleden deze korting vaak wel is toegepast.

De leden vragen voorts of de uitvoeringslasten bij gemeenten niet zullen toenemen, waardoor er minder geld voor de feitelijke maatschappelijke ondersteuning beschikbaar is.

De regering heeft voorshands niet de verwachting dat de gemeenten meer middelen voor de uitvoering van de Wmo nodig zullen hebben dan nu voor de AWBZ benodigd zijn. Voorzover met een doelmatige uitvoering van de Wmo door de gemeenten meer middelen gemoeid zijn dan die worden overgeheveld en dit objectief vast te stellen is, worden de gemeenten daarvoor gecompenseerd. Nader onderzoek wordt daarvoor uitgevoerd.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de gemeenten die in het kader van de Wmo in aanmerking komen voor de specifieke uitkeringen dezelfde zijn als de gemeenten die in de huidige Welzijnswet 1994 daarvoor in aanmerking komen. Voor wat betreft de specifieke uitkeringen op grond van artikel 17 is het antwoord daarop is bevestigend. De lijst van centrumgemeenten blijft ongewijzigd. Voor wat betreft de specifieke uitkeringen bedoeld in artikel 18, geldt dat deze niet tot bepaalde gemeenten zijn beperkt.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af waarom de specifieke uitkeringen alleen betrekking hebben op het bevorderen van de openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid en niet op andere terreinen uit de Wmo.

De middelen voor de beleidsterreinen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid blijven naar centrumgemeenten gaan. Op deze manier is er een betere waarborg voor het handhaven van de crisisopvangfunctie bij dak- en thuisloosheid en bij geweld in de thuissituatie. Indertijd bestond bij de Tweede Kamer de vrees dat een verdeling van middelen via het gemeentefonds zou leiden tot een afbraak van het bestaande voorzieningenniveau op deze drie terreinen. De voorkeur ging uit naar een systeem waarin de middelen gericht toegedeeld worden aan de gemeente waar de voorzieningen geconcentreerd zijn. De afgelopen jaren is het bestuurlijk stelsel van maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid voorwerp geweest van onderzoek.1 Dat heeft geen aanleiding gegeven dat stelsel aan te passen.

Vanwege de samenhang met het beleid op het gebied van maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid is ervoor gekozen de middelen voor de openbare geestelijke gezondheidszorg (AWBZ-middelen en de AFBZ-subsidieregeling OGGZ) aan de specifieke uitkering maatschappelijke opvang en het verslavingsbeleid toe te voegen.

De ratio achter de doeluitkering in dit geval is de specifieke functie die centrumgemeenten op de genoemde beleidsterreinen vervullen. Het is wenselijk dat deze centrumgemeenten de beschikking krijgen over deze middelen, maar het is ook wenselijk een waarborg in te bouwen dat deze middelen ook daadwerkelijk aan de landelijke of regionale functie worden besteed. Juist vanwege dit bovengemeentelijke karakter van deze beleidsterreinen volstaat in deze gevallen de horizontale verantwoording richting de eigen gemeenteraad niet.

Bovenstaande argumenten gelden niet voor de andere beleidsterreinen van het wetsvoorstel. Als ook hier met specifieke uitkeringen gewerkt zou worden zou het lokale maatwerk waaraan de burger behoefte heeft gefrustreerd worden.

De leden vragen voorts hoe de regering er voor zorgt dat de centrumgemeenten in de toekomst hun regierol kunnen vervullen en hoe omringende gemeenten kunnen bewerkstelligen dat zij hun deel van de specifieke uitkering krijgen.

In vergelijking met de Welzijnswet 1994 verandert er niets in de rol van centrumgemeenten. De overheveling van OGGZ-middelen beoogt de regiefunctie van centrumgemeenten te versterken op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg.

De specifieke uitkeringen voor maatschappelijke opvang/verslavingsbeleid en vrouwenopvang delen de middelen gericht toe aan de centrumgemeenten waar de voorzieningen geconcentreerd zijn. Deze gemeenten dienen over de besteding van de middelen daarvan te overleggen met de omringende gemeenten. In dat overleg kunnen afspraken worden gemaakt over de beschikbaarheid van voorzieningen die voor inwoners uit deze omringende gemeenten uit de uitkering gefinancierd worden.

Ook deze bepaling is betrokken bij het eerder genoemde onderzoek naar het bestuurlijk stelsel van de maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid. Dat heeft geen aanleiding gegeven de bepaling aan te passen.

De leden van de PvdA-fractie pleiten voor een specifieke uitkering voor een functie die vergelijkbaar is aan die van de MEE.

In artikel 1, eerste lid, is gewaarborgd dat gemeenten rondom cliëntondersteuning beleid moeten formuleren. Het is het voornemen van de regering om per 1 januari 2008 het budget van MEE-organisaties onder te brengen in het gemeentefonds.

Omdat het van belang is dat cliëntondersteuning op een zorgvuldige manier wordt ondergebracht in de Wmo, start het NIZW/Trimbos een traject in opdracht van VWS. Hierbij wordt ingegaan op wat cliëntondersteuning inhoudt en wat de relaties kunnen zijn met het lokaal loket. Resultaat van het traject is onder andere een handreiking cliëntondersteuning voor gemeenten. Er is een kerngroep geformeerd die het NIZW/Trimbos adviseert en deze vanuit haar expertise input levert. Deze kerngroep bestaat uit aanbieders van cliëntondersteuning vanuit ouderen, gehandicapten (MEE Nederland) en GGZ sector die veel ervaring vanuit de praktijk hebben. Ook zullen cliënten zelf bij het traject betrokken worden. Bovendien worden er werkbezoeken voor gemeenteambtenaren georganiseerd, is er sprake van een leerwerkkring van gemeenten en vormen deskundigen een adviespool die gemeenten met raad en daad ter zijde kunnen staan bij de totstandkoming van cliëntondersteuning. Door het traject en de verdere implementatie activiteiten zal de meerwaarde van cliëntondersteuning en onder andere de MEE-organisaties aan gemeenten kenbaar gemaakt worden. Overigens worden binnen het traject ook activiteiten ontplooit ten gunste van de aanbieders van cliëntondersteuning, bijvoorbeeld op het terrein van samenwerking.

De leden van de PvdA-fractie stellen nog enkele vragen over de stimuleringsuitkering. De mogelijkheid van een stimuleringsregeling is in het wetsvoorstel opgenomen om in die situaties waarin daar aanleiding toe zou zijn de mogelijkheid te hebben gemeenten financieel te stimuleren. Zodra de noodzaak zich daartoe voordoet kan van dit artikel gebruik gemaakt worden. Als dat daadwerkelijk gebeurt, zal de regering de kamer hierover informeren.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af waarom er wél een specifieke uitkering voor maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid en vrouwenopvang bestaat en niet voor bijvoorbeeld de zorg aan verstandelijk gehandicapten. Verder willen zij graag weten hoe artikel 17 zich verhoudt tot het dominante sturingsmodel van de Wmo.

Het motief voor het handhaven van het model van een specifieke uitkering voor de beleidsterreinen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid is dat op deze manier er een betere waarborg is voor het handhaven van de crisisopvangfunctie bij dak- en thuisloosheid en bij geweld in de thuissituatie. Indertijd bestond bij de Tweede Kamer de vrees dat een verdeling van middelen via het gemeentefonds zou leiden tot een afbraak van het bestaande voorzieningenniveau op deze drie terreinen. De voorkeur ging uit naar een systeem waarin de middelen gericht toegedeeld worden aan de gemeente waar de voorzieningen geconcentreerd zijn. Die voorzieningen zijn niet alleen voor mensen uit de eigen gemeente. De afgelopen jaren is het bestuurlijk stelsel van maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid voorwerp geweest van onderzoek. Dat heeft geen aanleiding gegeven dat stelsel aan te passen.

De zorgvraag van verstandelijk gehandicapten concentreert zich niet in enkele gemeenten in Nederland zeker nu de extramuralisering doorzet. Dat betekent dat alle gemeenten in staat gesteld moeten worden een ondersteuningsaanbod gericht op maatschappelijke participatie te ontwikkelen dat aan de vraag van verstandelijk gehandicapten tegemoet komt.

Daarnaast stellen de leden van de VVD-fractie voor om kleine zeer kwetsbare groepen (bijvoorbeeld doven) onder te brengen in artikel 17 van de Wmo.

Artikel 17 heeft betrekking op de beleidsterreinen openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid en vrouwenopvang. De specifieke uitkeringen voor deze beleidsterreinen stellen centrumgemeenten o.a. in staat voorzieningen te treffen voor mensen die tijdelijk onderdak behoeven. De problematiek van deze mensen is een andere dan alleen een specifieke handicap.

De specifieke voorzieningen voor doven bevinden zich bovendien niet in de centrumgemeenten. Daarom is het niet nodig en wenselijk om de middelen gericht toe te delen aan de centrumgemeenten. De regering begrijpt de opmerking van de leden van de VVD-fractie wel en deelt de opvatting dat de aandacht voor zeer kleine groepen niet mag ondersneeuwen. De regering overweegt om bij de tweede nota van wijziging expliciet aandacht te besteden aan kleine doelgroepen die een specifieke deskundige inzet vragen als het gaat om de maatschappelijke participatie. Gemeenten zullen aan moeten geven op welke wijze zij zich hebben vergewist van de behoefte van deze getalsmatige kleine doelgroepen.

Het kan echter wel zinvol zijn om de expertise op een ander niveau te bundelen, bijvoorbeeld als het gaat om specifieke doelgroepen. Indien nodig kunnen gemeenten specifieke ondersteuning inkopen. Vooralsnog heeft het wetsvoorstel dat nu voorligt, nog geen betrekking op deze ondersteuning waarvoor specifieke deskundigheid van doelgroepen nodig is. Het wetsvoorstel heeft immers nog geen betrekking op overheveling van de functies ondersteunende en activerende begeleiding vanuit de AWBZ. Dit betekent dat ook overheveling van elementen van de zorg voor bijvoorbeeld auditief gehandicapten nog niet aan de orde is.

De leden van de VVD-fractie vragen om de subsidieregeling voor sociaal vervoer onder dit artikel te brengen.

De regering deelt de opvatting van de VVD-fractie dat gemeenten met grote intramurale instellingen onder de Wmo met extra kosten worden geconfronteerd. De regering is voornemens dit te ondervangen via de systematiek van het verdeelmodel dat naar het zich laat aanzien goede uitkomsten geeft. De regering is eerder in deze nota daar al uitvoerig op ingegaan.

De in dit artikel opgesomde voorzieningen zijn toegankelijk voor iedereen die in Nederland woont. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of dit betekent dat deze regels voor zowel legaal als illegaal in Nederland verblijvende personen gelden.

De landelijke toegankelijkheid heeft alleen betrekking op legaal in Nederland verblijvende mensen. In het standpunt op het IBO-rapport «De maatschappelijke opvang verstopt» heeft het kabinet het voorstel om gemeenten toe te staan op basis van een hardheidsclausule uitgeprocedeerde asielzoekers op te vangen niet overgenomen. Uitgangspunt van het rijksbeleid is dat gemeenten geen vervangende opvang mogen bieden aan uitgeprocedeerde asielzoekers die Nederland moeten verlaten. Voor deze groep dient dan ook geen opvang beschikbaar gesteld te worden. Zij kunnen gebruik maken van de terugkeerregeling van de International Organisation for Migration.

De leden van de SGP-fractie vragen, net als de leden van de PvdA-fractie, naar de relatie tussen centrumgemeenten en omliggende gemeenten bij de specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid.

Samengevat komt het erop neer dat deze uitkeringen de middelen gericht toedelen aan de centrumgemeenten waar de voorzieningen geconcentreerd zijn. Centrumgemeenten dienen over de besteding van de middelen uit de specifieke uitkering te overleggen met de omringende gemeenten. In dat overleg kunnen afspraken worden gemaakt over de beschikbaarheid van voorzieningen die uit de uitkering gefinancierd worden bevinden voor inwoners uit de omringende gemeenten.

De leden van de SGP-fractie vragen voorts te overwegen om voor landelijk werkende instellingen, zonder specifieke plaatselijke binding ook een regeling zoals in artikel 17 in te stellen.

In die situaties waarin gemeenten om tegemoet te komen aan de vragen van haar burgers een beroep moeten doen op landelijk werkende instellingen kan de gemeente eenvoudigweg de specifieke ondersteuning bij zo'n landelijk werkenden instelling inkopen. Een specifieke regeling lijkt de regering dan ook niet voor de hand te liggen. Voorts heeft de regering aangegeven te overwegen om bij tweede nota van wijziging het pgb als keuzemogelijkheid verplicht te stellen. Het komt de regering voor dat daarmee het door de leden van de SGP-fractie geopperde probleem materieel ondervangen wordt.

De leden van de CDA-fractie hechten aan een goede evaluatie van de wet op basis van doelmatigheid, doeltreffendheid en cliëntgerichtheid. Zij vragen af deze punten niet in de memorie van toelichting opgenomen kunnen worden evenals het betrekken van organisaties van vragers van de maatschappelijke ondersteuning.

In antwoord hierop laat de regering weten dat het niet noemen van deze zaken in de memorie van toelichting niet betekent dat ze geen rol spelen bij de evaluatie. Dit is wel degelijk het geval. Bij de evaluatie zal uiteraard gekeken worden naar aspecten als doelmatigheid, doeltreffendheid en cliëntgerichtheid. Ook de cliëntenorganisaties zullen betrokken worden bij de evaluatie. De regering kan de memorie van toelichting op het wetsvoorstel zoals het nu bij de kamer ligt niet afzonderlijk aanpassen.

Naar aanleiding van de vragen van de ChristenUnie-fractie over de termijn waarop de Wmo geëvalueerd wordt meldt de regering dat conform het voorliggende wetsvoorstel de eerste evaluatie binnen vier jaar plaatsvindt. De regering deelt de mening van de leden van de ChristenUnie-fractie dat het wenselijk is de evaluatie van de wet te koppelen aan het moment waarop de zorgplicht vervalt. De regering overweegt hieromtrent met een tweede nota van wijziging te komen.

Artikel 23

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de in artikel 23 genoemde subsidies niet overgaan naar de Wmo.

Daarover meldt de regering dat de basis voor de vertrekking van rijkssubsidies binnen het domein van de maatschappelijke ondersteuning nu wordt gevormd door de Welzijnswet. De Kaderwet Volksgezondheidssubsidies bevat geen basis om activiteiten te subsidiëren op het gebied van welzijn of maatschappelijke participatie. Met deze aanpassing wordt de Kaderwet de nieuwe grondslag voor deze subsidies.

Op de vraag van de fractie van de VVD over het maatschappelijk werk voor doven, blinden en het Joods Maatschappelijk werk zegt de regering toe dat voor deze doelgroepen geen verandering optreedt. Het maatschappelijk werk voor doven, blinden en het Joods Maatschappelijk Werk blijft gefinancierd worden vanuit de AWBZ.

Artikel 25

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom medezeggenschap niet langer van toepassing zal zijn op de terreinen peuterspeelzaalwerk, gecoördineerd ouderenwerk en het algemeen maatschappelijk werk.

Ook vragen deze leden waarom niet alle onderdelen van de Wmo onder de werking van de Wmcz vallen.

Bij de evaluatie van de Wmcz in december 2000 kwam naar voren dat deze voor de genoemde voorzieningen haar doel voorbij schiet (Kamerstukken II, 2001/02, 28 000 XVI, nr. 78). Vandaar dat de toenmalige staatssecretaris de kamer heeft medegedeeld voornemens te zijn dergelijke voorzieningen uit de Wmcz te halen. Dat gebeurt nu bij dit wetsvoorstel.

De leden van de fractie van de PvdA hebben gevraagd naar de achtergronden van het gekozen begrip «gehandicapten» en hoe die zich verhoudt tot andere relevante wetgeving. In de wettekst wordt het begrip «mensen met beperkingen» gebruikt om een afbakening te geven van de bedoelde groep. Deze terminologie is gebaseerd op de Nederlandse vertaling van de Internatational Classification of Functioning, disability and health (WHO). Er wordt daarmee gekozen voor een brede definitie om er voor zorg te dragen dat geen enkele persoon wordt uitgesloten. De wettekst geeft aan dat het gaat om de deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren en om het verstrekken van voorzieningen voor deze mensen. De aard van de beperkingen is daarmee van ondergeschikt belang.

Door het vervallen van de Wvg is de verwijzing naar mensen met een handicap (gehandicapten) in het Burgerlijk Wetboek niet meer relevant. Er wordt daarom ook daar het begrip mensen met beperkingen ingevoerd.

In de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte wordt ook een breed begrip gehanteerd, Daar wordt expliciet aangesloten bij het spraakgebruik. Het is daar immers niet van belang welke beperkingen iemand heeft; het verbod op discriminatie staat centraal. Om deze reden is ook in de recente wijziging van het Wetboek van Strafrecht (artikelen 137c tot en met 137f en artikel 429quater) wordt voor deze ruime definitie gekozen.

Indien in een wettelijk kader rechten op met name genoemde voorzieningen wordt gegeven, is het van belang zo nauwkeurig mogelijk aan te geven welke mensen dit recht hebben en welke niet. Dit is in de Wmo niet het geval. Hier staat het doel (deelname aan het maatschappelijk verkeer) centraal en de voorzieningen daartoe zijn ter beoordeling van de gemeente.

Artikel 34

Bij nader inzien kunnen de artikelen 90 en 97 van de Wet kinderopvang niet vervallen. Beide artikelen hebben ook na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wmo relevantie voor de kinderopvang. Een nota van wijziging wordt hierbij ingediend.

De leden van de PvdA-fractie stellen enkele vragen over artikel 37, de overgangsbepaling met betrekking tot de Wvg.

Met deze overgangsbepaling wordt voorkomen dat de Wmo onmiddellijk van toepassing is voor degenen die nu rechten hebben op grond van de Wvg. Onmiddellijke toepassing zou betekenen dat de op grond van de Wvg verkregen rechten vervallen. Er is voor gekozen de rechten nog een redelijke tijd, namelijk maximaal een jaar te laten doorlopen. De termijn van een jaar wordt overigens ook genoemd in artikel 38 waar het om de huishoudelijke verzorging gaat.

De bepaling ten aanzien van de nieuwe aanvragen is van belang om te voorkomen dat de afhandeling van aanvragen na de inwerkingtreding van de Wmo gestaakt wordt. Immers, zonder een overgangsbepaling zijn na de inwerkingtreding van de Wmo de bepalingen van de Wvg vervallen, terwijl zeer waarschijnlijk niet iedere gemeente het plan en de verordening al klaar heeft en de uitvoering daarvan (beleidsbeslissingen, beschikkingen en administratie) op orde heeft. De termijn van drie maanden is genoemd omdat aangenomen kan worden dat binnen een dergelijke termijn de gemeente alles op orde heeft en volgens haar regels kan werken.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven of het schrappen van een AWBZ-functie in de toekomst en het al of niet overhevelen van deze functie naar de Wmo altijd aan het parlement ter goedkeuring zal worden voorgelegd.

De regering kan dit bevestigen. Voor het schrappen van een AWBZ aanspraak is wijziging van het Besluit zorgaanspraken nodig. Voor deze wijziging dient de voorhangprocedure gevolgd te worden.

De leden van zowel de CDA-fractie als de VVD-fractie vragen waarom een langlopende indicatie voor huishoudelijke hulp maar voor maximaal een jaar geldt in de Wmo en niet gewoon doorloopt. Een overgang van een jaar vindt de regering een verantwoorde termijn. Omdat momenteel geen indicaties meer voor onbepaalde tijd worden afgegeven, maar voor maximaal 2 jaar, zal een groot deel van de indicaties gedurende het overgangsjaar aflopen. Voor die indicaties die dan nog niet zijn afgelopen heeft de gemeente voldoende tijd om de cliënt voor te bereiden op het nieuwe regime. De regering vindt het een onwenselijke situatie om voor onbepaalde tijd twee regimes naast elkaar te laten bestaan omdat dat de duidelijkheid niet ten goede komt De leden van de PvdA-fractie vragen naar de basis waarop de definitie van de in het tweede lid bedoelde vorm van huishoudelijke verzorging is gebaseerd en stellen vragen over de termijn van een jaar. Verder vragen deze leden wat de gevolgen zijn van het feit dat de WMO de rechten en plichten van burgers «overneemt» voor deze rechten en plichten.

In antwoord hierop merkt de regering op dat deze definitie de letterlijke omschrijving is van de huishoudelijke verzorging zoals die in artikel 3 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ staat. Er is gekozen voor een termijn van één jaar om niet te lang de onduidelijkheid van twee regimes naast elkaar te laten bestaan en omdat dat bij overgangsrecht een redelijke termijn is. In een termijn van een jaar kunnen de zorgvragers die nu nog AWBZ-geïndiceerd zijn op een zorgvuldige manier onder het gemeentelijk regime gebracht worden.

Gedurende het jaar gelden de rechten en plichten zoals die tot de inwerkingtreding van de Wmo op grond van de AWBZ zijn geregeld. Na dat jaar is relevant wat in de verordening is bepaald. Dat is aan de gemeente en kan per gemeente verschillen.

De leden van de VVD-fractie vragen ook wat de term instelling betekent in artikel 38, eerste lid, en of dat ook een schoonmaakbedrijf kan betekenen.

Zoals de regering hiervoor heeft aangegeven, betreft dit lid een definitie van huishoudelijke verzorging die letterlijk hetzelfde is als artikel 3 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Deze bepaling is opgenomen, omdat in artikel 38 wordt geregeld dat deze zorg met de inwerkingtreding van deze bepaling niet meer onder de AWBZ valt. Vervolgens is voor deze zorg in hetzelfde artikel overgangsrecht getroffen. Voor de AWBZ moet een instelling een toegelaten instelling zijn. Dat zou voor huishoudelijke verzorging ook een schoonmaakbedrijf kunnen zijn.

Voor de Wmo geldt toelating niet als voorwaarde. Het is dan aan de gemeente om te bepalen of het ook een schoonmaakbedrijf kan zijn.

Overig

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat het verstandig zou zijn de overheveling van de functies ondersteunende en activerende beleiding tegelijkertijd te laten plaatsvinden met de overheveling van de subsidiemiddelen voor de MEE-organisaties. Bovendien merken zij op dat de cliëntondersteuning pas dan overgeheveld zou moeten worden als genoemde functies uit het Besluit zorgaanspraken geschrapt zijn.

De regering merkt op dat over het mogelijk schrappen van deze functies uit het Besluit zorgaanspraken in de volgende kabinetsperiode een besluit genomen wordt. In het cliëntondersteuningstraject NIZW/Trimbos wordt op deze onderlinge relatie nu reeds geanticipeerd. De gedachte van de leden van de CDA-fractie dat de burgers geen behoefte zouden hebben aan cliëntondersteuning nu de functies ondersteunende en activerende begeleiding nog niet overgeheveld zijn onderschrijf ik niet.

In de wet is opgenomen dat gemeenten rondom cliëntondersteuning beleid moeten formuleren. Het is het voornemen van de regering om per 1 januari 2008 het budget van MEE-organisaties onder te brengen in het gemeentefonds.

Omdat de regering het van belang vindt dat cliëntondersteuning op een zorgvuldige manier wordt ondergebracht in de Wmo, start het NIZW/Trimbos een traject in opdracht van VWS. Hierbij wordt ingegaan op wat cliëntondersteuning inhoudt en wat de relaties kunnen zijn met het lokaal loket. Resultaat van het traject is onder andere een handreiking cliëntondersteuning voor gemeenten. Er is een kerngroep geformeerd die het NIZW/Trimbos adviseert en deze vanuit haar expertise input levert. Deze kerngroep bestaat uit aanbieders van cliëntondersteuning vanuit ouderen, gehandicapten (MEE Nederland) en GGZ sector die veel ervaring vanuit de praktijk hebben. Ook zullen cliënten zelf bij het traject betrokken worden. Bovendien worden er werkbezoeken voor gemeenteambtenaren georganiseerd, is er sprake van een leerwerkkring van gemeenten en vormen deskundigen een adviespool die gemeenten met raad en daad ter zijde kunnen staan bij de totstandkoming van cliëntondersteuning. Door het traject en de verdere implementatie activiteiten zal de meerwaarde van cliëntondersteuning en onder andere de MEE-organisaties aan gemeenten kenbaar gemaakt worden. Overigens worden binnen het traject ook activiteiten ontplooit ten gunste van de aanbieders van cliëntondersteuning, bijvoorbeeld op het terrein van samenwerking.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe versnippering voor specifieke voorzieningen voor kleinschalige doelgroepen kan worden voorkomen.

De regering onderkent dit vraagstuk en zal zoals gezegd in de tweede nota van wijziging opnemen dat in het gemeentelijk plan dient te worden aangegeven op welke wijze aandacht wordt gegeven aan de behoefte van kleine doelgroepen met een specialistisch karakter, waarvoor een specifieke deskundigheid nodig is als het gaat om de ondersteuning van de maatschappelijke participatie.

De leden van de CDA-fractie vragen of regering bereid is om een wettelijke regionale ordening op te nemen ten aanzien van de noodzakelijk geachte schaal van 625 000 inwoners per werkgebied.

De schaalgrootte-eis was destijds onderdeel van het SPD Nieuwe Stijl traject. De huidige MEE-organisaties zijn door het traject vitale en moderne organisaties geworden. Dit kunnen zij gebruiken wanneer zij met gemeenten in onderhandeling treden over cliëntondersteuning. De schaalgrootte zorgt ervoor dat deskundigheid gebundeld is. Daarmee kunnen zij meerdere gemeenten in hun werkgebied van dienst zijn.

In het NIZW/Trimbos-traject is de schaalgrootte-vraag een van de onderdelen die onderzocht wordt. Bezien moet worden welke schaalgrootte voor de gemeenten het meest adequaat is.

De leden van de VVD-fractie hebben het laatste woord en vragen of de regering hun angst deelt dat wanneer MEE's opgaan in de gemeentelijke organisatie specifieke kennis verloren gaat. Tevens vragen zij waarom het nodig is om de MEE's op te heffen.

Met nadruk stelt de regering dat MEE-organisaties niet opgaan in de gemeentelijke organisatie. Per 1-1-2008 wordt het budget van MEE-organisaties ondergebracht in het gemeentefonds. Gemeenten gaan vervolgens activiteiten ontplooien met betrekking tot cliëntondersteuning voor mensen met een handicap. Gemeenten hebben beleidsvrijheid om te bepalen hoe cliëntondersteuning in de praktijk gestalte moet krijgen en welke partijen zij hiervoor willen inzetten. Het is aan de MEE-organisaties om zichzelf bekend te maken bij gemeenten. Door de specifieke kennis die de MEE's over de doelgroep hebben is te verwachten dat gemeenten ook in de toekomst van hun diensten gebruik zullen maken.

Voor veel gemeenten is de brede cliëntondersteuning nieuw. Om gemeenten op een adequate manier in te lichten over cliëntondersteuning start het NIZW/Trimbos een traject in opdracht van VWS. Hierbij wordt ingegaan op wat cliëntondersteuning inhoudt en wat de relaties kunnen zijn met het lokaal loket. Resultaat van het traject is onder andere een handreiking cliëntondersteuning voor gemeenten. Er is een kerngroep geformeerd die het NIZW/Trimbos adviseert en deze vanuit haar expertise input levert. Deze kerngroep bestaat uit aanbieders van cliëntondersteuning vanuit ouderen, gehandicapten (MEE Nederland) en GGZ sector die veel ervaring vanuit de praktijk hebben. Ook zullen cliënten zelf bij het traject betrokken worden. Bovendien worden er werkbezoeken voor gemeenteambtenaren georganiseerd, is er sprake van een leerwerkkring van gemeenten en vormen deskundigen een adviespool die gemeenten met raad en daad ter zijde kunnen staan bij de totstandkoming van cliëntondersteuning. Door het traject en de verdere implementatie activiteiten zal de meerwaarde van cliëntondersteuning en MEE-organisaties aan gemeenten kenbaar gemaakt worden.

De regering ziet geen enkele reden voor de vrees dat de specifieke deskundigheid voor lichtverstandelijk gehandicapten zal verdwijnen. Mogelijkerwijs zal deze deskundigheid in een nieuwe structuur vanuit het standpunt van de klant meer adequaat en meer integraal ingezet worden.

Naar het oordeel van de regering heeft zij hiermee de vragen zoals die door de leden van de Tweede Kamer in het verslag van het schriftelijk overleg zijn gesteld beantwoord.


XNoot
1

Ova is overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling.

XNoot
2

Ppc is prijspeil particuliere consumptie.

XNoot
1

«Selectieve decentralisatie en de zorg voor kwetsbare groepen», F. Fleurke, Vrije Universiteit, 2002; Interdepartementaal Beleidsonderzoek «De maatschappelijke opvang verstopt», 2003.