Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200530131 nr. 2

30 131
Nieuwe regels betreffende maatschappelijke ondersteuning (Wet maatschappelijke ondersteuning)

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en daarbij de rol van de gemeente te versterken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;

c. maatschappelijke opvang: het tijdelijk bieden van onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen die, door een of meer problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

d. vrouwenopvang: het tijdelijk bieden van onderdak en begeleiding aan vrouwen die, al dan niet gedwongen, de thuissituatie hebben verlaten in verband met problemen van relationele aard of geweld;

e. openbare geestelijke gezondheidszorg: het signaleren en bestrijden van risicofactoren op het gebied van de openbare geestelijke gezondheidszorg, het bereiken en begeleiden van kwetsbare personen en risicogroepen, het functioneren als meldpunt voor signalen van crisis of dreiging van crisis bij kwetsbare personen en risicogroepen en het tot stand brengen van afspraken tussen betrokken organisaties over de uitvoering van de openbare geestelijke gezondheidszorg;

f. verslavingsbeleid: maatschappelijke zorg gericht op verslaafden, alle individuele geneeskundige verslavingszorg daaronder niet begrepen, en preventie van verslavingsproblemen, met inbegrip van activiteiten in het kader van de bestrijding van overlast door verslaving;

g. maatschappelijke ondersteuning:

1°. het bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten;

2°. op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden;

3°. het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning;

4°. het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers;

5°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;

6°. het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behoud van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer;

7°. het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang;

8°. het bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg, met uitzondering van het bieden van psychosociale hulp bij rampen;

9°. het bevorderen van verslavingsbeleid;

h. steunfunctiewerk: activiteiten die het uitvoeren of voorbereiden daarvan, ondersteunen van het door de gemeente te voeren beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning.

2. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:

a. echtgenoot: geregistreerde partner;

b. gehuwd: als partner geregistreerd.

3. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt:

a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;

b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld,

b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander,

c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract, of

d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.

6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.

7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.

Artikel 2

Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.

§ 2. Gemeenteraad en college van burgemeester en wethouders

Artikel 3

1. De gemeenteraad stelt een of meer plannen vast, die richting geven aan de door de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders te nemen beslissingen betreffende maatschappelijke ondersteuning.

2. De gemeenteraad stelt het plan telkens voor een periode van ten hoogste vier jaren vast. Het plan kan tussentijds gewijzigd worden.

3. Het plan bevat de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning.

4. In het plan wordt in ieder geval aangegeven:

a. wat de gemeentelijke doelstellingen zijn op de verschillende in artikel 1, eerste lid, onder g, genoemde onderdelen van maatschappelijke ondersteuning;

b. hoe het samenhangende beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning zal worden uitgevoerd en welke acties in de door het plan bestreken periode zullen worden ondernomen;

c. welke resultaten de gemeente in de door het plan bestreken periode wenst te behalen;

d. welke maatregelen de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders nemen om de kwaliteit te borgen van de wijze waarop de maatschappelijke ondersteuning wordt uitgevoerd;

e. welke maatregelen de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders nemen om voor degene aan wie maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdelen 2°, 5° en 6°, wordt verleend, de keuzevrijheid te bevorderen met betrekking tot de activiteiten van maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 4

Tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor het verlenen van bij die maatregel aangewezen voorzieningen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6°.

Artikel 5

De gemeenteraad stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen.

Artikel 6

Het college van burgemeester en wethouders bepaalt of aan personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening, de keuze wordt gegeven tussen het ontvangen van die voorziening in natura of het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

Artikel 7

Op de persoonsgebonden budgetten en de financiële tegemoetkomingen is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 8

1. Een vreemdeling kan voor het verlenen van een individuele voorziening slechts in aanmerking komen indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

2. In afwijking van het eerste lid kunnen in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te noemen gevallen, zo nodig in afwijking van artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000, bij of krachtens die maatregel aan te geven categorieën niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, geheel of gedeeltelijk in aanmerking komen voor bij die maatregel aan te geven individuele voorzieningen. Het in aanmerking komen voor een individuele voorziening geeft een vreemdeling geen recht op rechtmatig verblijf.

3. In de in het tweede lid genoemde maatregel kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders zorg draagt voor het verlenen van bij die maatregel aangewezen voorzieningen.

Artikel 9

1. Het college van burgemeester en wethouders publiceert jaarlijks voor 1 juli bij ministeriële regeling aangewezen gegevens over de prestaties van gemeenten op het gebied van maatschappelijke ondersteuning betreffende het voorgaande kalenderjaar.

2. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt jaarlijk voor 1 juli aan Onze Minister of een door Onze Minister aangewezen instelling de in het eerste lid omschreven gegevens.

3. Onze Minister draagt er zorg voor dat op basis van de door de gemeente verstrekte gegevens een rapportage wordt opgesteld en gepubliceerd waarin de gegevens van de gemeenten worden vergeleken.

Artikel 10

1. Het college van burgemeester en wethouders laat het verlenen van maatschappelijke ondersteuning zoveel mogelijk verrichten door derden.

2. Het college van burgemeester en wethouders betrekt zaken die in het kader van het verlenen van maatschappelijke ondersteuning aan een persoon in eigendom worden overgedragen of in bruikleen worden gegeven, van derden, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 11

Het college van burgemeester en wethouders betrekt de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening.

Artikel 12

Alvorens een voordracht tot vaststelling door de gemeenteraad te doen, vraagt het college van burgemeester en wethouders over het ontwerpplan advies aan de gezamenlijke vertegenwoordigers van representatieve organisaties van de kant van vragers op het gebied van maatschappelijke ondersteuning.

§ 3. Provinciale staten en gedeputeerde staten

Artikel 13

Provinciale staten onderscheidenlijk gedeputeerde staten dragen zorg voor het voeren van beleid betreffende het steunfunctiewerk.

Artikel 14

1. De gemeenteraad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht worden voor de toepassing van artikel 13 gelijkgesteld met provinciale staten onderscheidenlijk gedeputeerde staten. 2. De in het eerste lid genoemde gemeenten worden ten aanzien van het beleid inzake steunfunctiewerk voor minderheden niet gelijk gesteld met een provincie.

§ 4. Eigen bijdrage en financiële tegemoetkomingen

Artikel 15

1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een persoon van 18 jaren of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, voor zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget en niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd.

2. De hoogte van de eigen bijdrage kan voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de eigen bijdrage.

Artikel 16

1. De hoogte van de financiële tegemoetkomingen kan voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.

2. Een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de financiële tegemoetkomingen.

§ 5. Specifieke uitkeringen

Artikel 17

1. Onze Minister kan aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gemeenten een specifieke uitkering verstrekken ten behoeve van beleid op het terrein van openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid.

2. Onze Minister kan aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gemeenten een specifieke uitkering verstrekken ten behoeve van beleid op het terrein van vrouwenopvang.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van:

a. het bedrag van de uitkering dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;

b. de aanvraag van een uitkering en de besluitvorming daarover;

c. de aan de verlening van een uitkering verbonden verplichtingen;

d. de vaststelling van de uitkering;

e. de intrekking of wijziging van de beschikking tot verlening en vaststelling van de uitkering;

f. de betaling, de terugvordering van de uitkering alsmede het verlenen van voorschotten op de uitkering.

4. Een gemeente waaraan een uitkering als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt verstrekt en die financiële middelen verstrekt aan instellingen, draagt er zorg voor dat die instellingen overeenkomstig door Onze Minister bij ministeriële regeling te stellen regels hun werkzaamheden registreren en de geregistreerde gegevens verstrekken aan een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling.

5. Een gemeente die een uitkering als bedoeld in het eerste of tweede lid ontvangt, overlegt over de besteding van die uitkering met de omringende gemeenten.

6. De door gemeenten ingevolge het eerste en tweede lid bekostigde voorzieningen op het terrein van maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid zijn toegankelijk voor iedereen die in Nederland woont.

§ 6. Stimuleringsuitkeringen

Artikel 18

1. Onze Minister kan aan gemeenten een uitkering verstrekken ten behoeve van de stimulering van de maatschappelijke ondersteuning.

2. Artikel 17, derde lid, is van toepassing.

§ 7. Gegevensverstrekking

Artikel 19

1. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt desgevraagd kosteloos aan Onze Minister de gegevens die hij met betrekking tot deze wet nodig heeft.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde gegevens.

Artikel 20

De rijksbelastingdienst verstrekt het college van burgemeester en wethouders de persoonsgegevens die voor het college noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de artikelen 15 en 16.

§ 8. Evaluatiebepaling

Artikel 21

Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

§ 9. Overige bepalingen

Artikel 22

Roerende zaken, voor de aanschaf waarvan krachtens deze wet een financiële tegemoetkoming is verstrekt, die zijn aangeschaft met een persoonsgebonden budget of die krachtens deze wet in eigendom of bruikleen zijn verleend, zijn niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, zolang die roerende zaken voor de rechthebbende op die zaken nodig zijn. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.

§ 10. Wijziging van andere wetten

Artikel 23

De Welzijnswet 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

B. De artikelen 3 tot en met 8 vervallen.

C. Artikel 9 komt te luiden:

Artikel 9

1. Onze Minister kan subsidies verstrekken ten behoeve van de volgende activiteiten op het terrein van het welzijnsbeleid:

a. het volgen, signaleren en analyseren van ontwikkelingen in de samenleving;

b. het stimuleren van nieuw beleid, nieuwe voorzieningen en activiteiten;

c. het zorgdragen van innovatieve projecten met een landelijke betekenis;

d. het zorgdragen voor internationale uitwisselingen van informatie;

e. het zorgdragen voor een landelijke infrastructuur waaronder landelijke organisaties.

2. Onze Minister kan voorts subsidies verstrekken ten behoeve van de volgende activiteiten:

a. internaten voor kinderen van binnenschippers en kermisexploitanten;

b. categoriaal maatschappelijk werk;

c. bejaardenpensions;

d. maatschappelijke hulpverlening in verband met zwangerschap, adoptie, sexueel geweld en alleenstaand ouderschap;

e. instellingen voor vorming, training en advies;

f. activiteiten die gesubsidieerd worden uit de opbrengst van de vierde tranche van de goudpool van de Tripartite Goudcommissie.

D. Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid vervalt «, anders dan specifieke uitkeringen,».

2. Het zesde lid vervalt.

E. De artikelen 10a tot en met 18 vervallen.

F. De artikelen 20 tot en met 22 vervallen.

Artikel 24

De Kaderwet volksgezondheidssubsidies wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 2 worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

d. de maatschappelijke zorg, voor zover van landelijke betekenis;

e. de sport, voor zover van landelijke betekenis.

B. Artikel 3 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid vervalt onderdeel i en wordt tevens de puntkomma aan het slot van onderdeel h vervangen door een punt.

2. Een derde lid wordt toegevoegd, luidende:

3. Onze Minister kan de uitvoering van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van het nemen van besluiten op grond van deze regels, delegeren aan andere bestuursorganen.

C. Artikel 11 komt te luiden:

Artikel 11

Deze wet wordt aangehaald als: Kaderwet VWS-subsidies.

Artikel 25

Artikel 1, eerste lid, onder b, onderdeel 2°, onder b, van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen komt te luiden:

b. door Onze Minister op grond van de Welzijnswet 1994 of een gemeente op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, voor zover het betreft activiteiten rechtstreeks gericht op personen of groepen van personen in de samenleving op het terrein van maatschappelijke hulpverlening in verband met zwangerschap, adoptie, seksueel geweld en alleenstaand-ouderschap, thuislozenzorg, cliëntondersteuning, de handhaving of bevordering van de mogelijkheden voor ouderen om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen, thuiszorg, alsmede vrouwenopvangcentra, algemene crisisopvangcentra, FIOM-huizen en blijf-van-mijn-lijf-huizen.

Artikel 26

Artikel 1, eerste lid, onder b, onderdeel 2°, onder b, van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen komt te luiden:

b. door Onze Minister op grond van de Kaderwet VWS-subsidies of een gemeente op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, voor zover het betreft activiteiten rechtstreeks gericht op personen of groepen van personen in de samenleving op het terrein van maatschappelijke hulpverlening in verband met zwangerschap, adoptie, seksueel geweld en alleenstaand-ouderschap, thuislozenzorg, cliëntondersteuning, de handhaving of bevordering van de mogelijkheden voor ouderen om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen, thuiszorg, alsmede vrouwenopvangcentra, algemene crisisopvangcentra, FIOM-huizen en blijf-van-mijn-lijf-huizen.

Artikel 27

Artikel 1, eerste lid, onder b, onderdeel 1°, onder b, van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector komt te luiden:

b. activiteiten rechtstreeks gericht op personen of groepen van personen in de samenleving worden verricht op het terrein van het algemeen maatschappelijk werk, de maatschappelijke opvang en het welzijn van ouderen;

Artikel 28

Artikel 2, tweede lid, onderdeel f, van de Wet collectieve preventie volksgezondheid komt te luiden:

f. het bieden van psychosociale hulp bij rampen.

Artikel 29

Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 255 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder a, vervalt de zinsnede: , als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder a, van de Wet voorzieningen gehandicapten,.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Onder gehandicapte in het eerste lid wordt verstaan een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt.

B. Artikel 274 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onder b, vervalt de zinsnede: als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder a, van de Wet voorzieningen gehandicapten.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Onder gehandicapte in het derde lid wordt verstaan een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt.

Artikel 30

1. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet het bij koninklijke boodschap van 5 januari 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Woningwet (Kamerstukken II 2003/2004, 29 392, nrs. 1–2) (verbetering handhaafbaarheid en handhaving bouwregelgeving), nog niet tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt artikel 15a van de Woningwet als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid vervalt de zinsnede: in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten.

b. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Onder gehandicapte in het eerste lid wordt verstaan een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt.

2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, wordt in het in dat lid genoemde voorstel van wet, nadat dat tot wet is verheven, in artikel I, onderdeel L, in artikel 16 van de Woningwet «de Wet voorzieningen gehandicapten» vervangen door: de Wet maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 31

Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet het bij koninklijke boodschap van 5 januari 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Woningwet (Kamerstukken II 2003/2004, 29 392, nrs. 1–2) (verbetering handhaafbaarheid en handhaving bouwregelgeving), na tot wet te zijn verheven, in werking is getreden, wordt in artikel 16 van de Woningwet «de Wet voorzieningen gehandicapten» vervangen door: de Wet maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 32

In artikel 67, vierde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt «2, onder d, van de Welzijnswet 1994 (Stb. 447)» vervangen door: 1, eerste lid, onderdeel g, onder 7°, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 33

Artikel 24, vierde lid, van de Wet inburgering nieuwkomers komt te luiden:

4. Voor zover deze wet of de Wet educatie en beroepsonderwijs daarin niet voorziet, alsmede indien nodig in afwijking van het bij of krachtens deze wetten bepaalde, worden bij ministeriële regeling regels vastgesteld ten behoeve van een goede invoering van deze wet of de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals gewijzigd door deze wet.

Artikel 34

De artikelen 90 en 97 van de Wet kinderopvang vervallen.

§ 11. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 35

1. Na de inwerkingtreding van artikel 17 van deze wet berust het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid op het eerste en tweede lid van dat artikel.

2. Na de inwerkingtreding van artikel 18 van deze wet berusten de Tijdelijke stimuleringsregeling advies- en steunpunten huiselijk geweld en de Tijdelijke stimuleringsregeling buurt, onderwijs en sport op dat artikel.

Artikel 36

De Welzijnswet 1994 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft:

a. op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van op grond van de Welzijnswet 1994 verleende subsidies en uitkeringen, aangevraagde en aan te vragen subsidies en uitkeringen tot aan het tijdstip van inwerkingtreding van de wet;

b. in wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen besluiten die op grond van de Welzijnswet 1994 zijn genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie.

Artikel 37

1. De Wet voorzieningen gehandicapten wordt ingetrokken, met dien verstande dat:

a. zij van toepassing blijft op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten verleende uitkeringen, aangevraagde en aan te vragen uitkeringen tot aan het tijdstip van inwerkingtreding van de wet;

b. artikel 9 van de Wet voorzieningen gehandicapten van toepassing blijft op roerende zaken, voor de aanschaf waarvan met toepassing van of krachtens die wet een financiële vergoeding is verleend, dan wel die met toepassing van of krachtens die wet in eigendom of bruikleen zijn verleend;

c. andere rechten en verplichtingen dan die die voortvloeien uit artikel 9 van de Wet voorzieningen gehandicapten als bedoeld onder b, die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot een beschikking waarbij op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten een voorziening is verleend, blijven gelden gedurende de looptijd van de beschikking, doch ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding van deze wet;

d. zij van toepassing blijft ten aanzien van een aanvraag om een woonvoorziening, vervoersvoorziening of rolstoel tot drie maanden nadat:

1. de gemeenteraad de verordening, bedoeld in artikel 5 van deze wet, heeft vastgesteld, doch uiterlijk tot een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, voor zover het betreft een op grond van artikel 4 van deze wet bij algemene maatregel van bestuur aangewezen voorziening;

2. de gemeenteraad een plan als bedoeld in artikel 3 van deze wet heeft vastgesteld, doch uiterlijk tot een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, voor zover het betreft andere voorzieningen dan die bedoeld in artikel 4 van deze wet.

2. Indien op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onder d, met toepassing van de Wet voorzieningen gehandicapten bij beschikking een voorziening is verleend, blijven de andere rechten en verplichtingen dan die die voortvloeien uit artikel 9 van die wet als bedoeld in het eerste lid, onder b, met betrekking tot die beschikking gelden gedurende de looptijd van de beschikking, doch ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding van deze wet.

3. In wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen besluiten die op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten zijn genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen, blijven, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie, de regels van toepassing, die golden voor de intrekking van die wet.

Artikel 38

1. In dit artikel wordt verstaan onder huishoudelijke verzorging: het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem die of dat leidt of dreigt te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort, te verlenen door een instelling.

2. De aanspraken op zorg, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, omvatten niet huishoudelijke verzorging ten behoeve van het behoud van zelfstandig functioneren of deelname aan het maatschappelijke verkeer.

3. De rechten en verplichtingen die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot huishoudelijke verzorging waarvoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven gelden gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat het college van burgemeester en wethouders in de plaats treedt van de zorgverzekeraar van betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en dat betrokkene de bijdrage in de kosten, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, aan het college van burgemeester en wethouders is verschuldigd.

4. Op een aanvraag om huishoudelijke verzorging wordt door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene woont, tot drie maanden nadat de gemeenteraad de verordening, bedoeld in artikel 5, heeft vastgesteld, doch uiterlijk tot een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, een beslissing genomen overeenkomstig de regels zoals die voor de inwerkingtreding van deze wet op deze verzorging van toepassing waren, met dien verstande dat het college van burgemeester en wethouders optreedt als onafhankelijk indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

5. Indien op grond van het vierde lid op een aanvraag een indicatiebesluit voor huishoudelijke verzorging is afgegeven, is het derde lid van overeenkomstige toepassing.

6. In wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen besluiten betreffende huishoudelijke verzorging die op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten zijn genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen, blijft, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie, het bepaalde bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten van toepassing.

Artikel 39

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 40

Deze wet wordt aangehaald als: Wet maatschappelijke ondersteuning.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,