30 012
Leven Lang Leren

nr. 30
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 december 2009

I Inleiding

Met de brieven van 8 december 2008, (Kamerstuk 30 012, nr. 13), en van 18 september jl., (Kamerstuk 30 012, nr. 17), bent u geïnformeerd over de uitvoering van het Ervaringscertificaat (EVC). Aanvullend hierop en voorafgaand aan het Algemeen Overleg dat wij binnenkort met elkaar hebben over een Leven Lang Leren, geef ik u mede namens de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mevrouw Klijnsma onze visie op de ontwikkeling van het Ervaringscertificaat voor de komende jaren. Voor de toekomst is de kwaliteit van EVC essentieel. Daarom moet de komende drie jaar een aantal acties worden ondernomen om de basiskwaliteit op orde te brengen. De regie zal genomen worden door de overheid. Voor de lange termijn worden in 2010 afspraken met de (andere) convenantpartners1 gemaakt over een goed systeem van kwaliteitsborging voor na 2012 waarbij sprake is van een evenwicht tussen de verantwoordelijkheid van de overheid en de (andere) convenantpartners. De convenantpartners hebben deze lijn, die hieronder nader zal worden uitgewerkt, in een overleg op 23 november jl. onderschreven.

Belang Ervaringscertificaat

De betekenis van het Ervaringscertificaat is de afgelopen jaren sterk toegenomen. De economische recessie heeft het belang van het Ervaringscertificaat nog actueler gemaakt. In «Werken aan toekomst», een aanvullend beleidsakkoord bij «samen werken, samen leven» van het kabinet (maart 2009) is EVC één van de geïnitieerde maatregelen om potentiële werkzoekenden sneller van werk naar werk te helpen.

Het instrument Ervaringscertificaat is in een cruciale fase gekomen, waarin de (basis)kwaliteit op orde moet worden gebracht en de kwantiteit verder moet groeien. Het is tijd voor nieuwe stappen om dit te bereiken.

Belang van transparante kwaliteit

Het toegenomen belang vereist dat het Ervaringscertificaat de individuele burger, de werknemer of de werkgever biedt wat hij/zij ervan verwacht: een nauwkeurige en waarheidsgetrouwe foto van de competenties die iemand op dat moment bezit, in vergelijking tot een opleidings- of beroepenstandaard uit CREBO, CROHO of een branche.

In het bijzonder als het Ervaringscertificaat de opmaat is naar een verzilveringsprocedure in het onderwijs, via de examencommissies van de onderwijsinstellingen, is het van groot belang dat helder is wat de waarde is en wie dat garandeert. Maar dit geldt ook als een werknemer het Ervaringscertificaat gebruikt om een carrièrestap te maken, of als een werkgever het gebruikt om inzicht te verkrijgen in de competenties van zijn personeel. In de hoorzitting in uw Kamer op 30 september jl. benadrukten sociale partners het belang van het Ervaringscertificaat voor de arbeidsmarkt.

EVC is geen rijksbekostigde activiteit, maar een marktactiviteit, ongeacht of het uitgevoerd wordt als contractactiviteit door bekostigde onderwijsinstellingen, door Kenniscentra Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (KBB’s) of door private aanbieders.

Dit laat onverlet dat het systeem van kwaliteitsborging voor de erkenning van EVC-aanbieders in het private of het publieke domein georganiseerd kan worden. Dit vraagstuk zal aan de orde komen in de discussie over het systeem van kwaliteitsborging voor de lange termijn. Transparantie van de kwaliteit van EVC is hierbij het uitgangspunt.

Geschiedenis

EVC is een instrument in ontwikkeling. Na een aantal jaren experimenteren is in november 2006 de kwaliteitscode EVC via een convenant met alle convenantpartners (waaronder de overheid) tot stand gekomen. EVC-aanbieders kunnen op vrijwillige basis de kwaliteitscode onderschrijven en zich na positieve beoordeling laten registreren in het register van erkende aanbieders. Het convenant regelt de kwaliteitsborging van de EVC-aanbieders. Vanaf 2007 vond de opbouw van het register van erkende EVC-aanbieders plaats. Dit register werd in eerste instantie gevuld met voorlopig erkende aanbieders. In 2008 en 2009 zijn alle aanbieders een eerste keer beoordeeld.

Sinds 2006 stimuleert de overheid via verschillende subsidieregelingen het gebruik van het Ervaringscertificaat in regionale en sectorale samenwerkingsverbanden Leren en Werken. En in 2008 heeft de overheid de naam Ervaringscertificaat geïntroduceerd via een campagne op radio en televisie.

Situatie nu

De huidige situatie is langs drie lijnen te schetsen.

1. De kwaliteitscode EVC

De kwaliteitscode voldoet, daarover zijn alle convenantpartners het eens. Dit jaar is, op basis van de werkwijze van de Inspectie van het Onderwijs, de normering verhelderd die gebruikt wordt bij de beoordeling van EVC-aanbieders.

Zoals vermeld in de brief van 18 september jl. hebben de convenantpartners geconstateerd dat de positionering van het systeem van kwaliteitsbewaking verbetering behoeft. Vooral het ontbreken van een helder «eigenaarschap» van dit systeem is een punt van zorg. In het bijzonder de aansturing van de beoordelende organisaties die de EVC-aanbieders beoordelen én de bevoegdheid te beslissen aanbieders al dan niet tot het register toe te laten of eruit te verwijderen, moet helderder worden geregeld.

2. De kwaliteit van EVC-aanbieders

Op dit moment zijn er 113 erkende aanbieders1. Zij zijn allemaal in 2008 en 2009één of twee keer beoordeeld. De convenantpartners hebben eind 2008 geconstateerd dat in de uitvoering van de beoordelingen verschillen bij de beoordelende organisaties optraden. In 2009 is intensief gewerkt om dit beoordelingsproces op orde te krijgen.

In 2008 en 2009 treedt de Inspectie van het Onderwijs in de mbo-sector op als beoordelende organisatie. De wijze van beoordelen van de Inspectie is de nieuwe standaard geworden. Dit is vastgelegd in nieuwe werkafspraken voor beoordelende organisaties. Bij de beoordelingen van de EVC-aanbieders dit najaar gaan de beoordelende organisaties met de Inspectie van het Onderwijs mee om die nieuwe eenduidige manier van beoordelen goed onder de knie te krijgen.2 De Inspectie zal na 2009 regulier toezicht blijven houden op de werkwijze van de examencommissies bij de verzilvering van Ervaringscertificaten in het onderwijs.

3. De kwaliteit van de ervaringscertificaten

Door het nog niet optimaal functioneren van het systeem zijn Ervaringscertificaten niet goed overdraagbaar van de ene naar de andere aanbieder. Er zijn aanbieders die weinig Ervaringscertificaten afgeven en daardoor onvoldoende ervaring opdoen met dit instrument. Dit alles tezamen betekent dat de examencommissies van de onderwijsinstellingen, die de wettelijke beslissingsbevoegdheid hebben eventueel over te gaan tot verzilvering van een Ervaringscertificaat, nog onvoldoende kunnen vertrouwen op die certificaten. Dat betekent dat een burger teleurgesteld kan worden in de effectiviteit van zijn Ervaringscertificaat.

Korte termijn: acties komende drie jaar

Bovenstaande zorg is voor mij aanleiding geweest het initiatief te nemen tot nader overleg met de convenantpartners over een goede aanpak.

Alle convenantpartners zijn het erover eens dat de positionering van het systeem van kwaliteitsborging verbetering behoeft. Vanwege het toenemende belang en de groei van EVC willen we dat de basiskwaliteit van het Ervaringscertificaat op orde komt, op alle bovengenoemde onderdelen. Dat proces mag maximaal drie jaar duren. In goede afstemming en samenwerking met de ministeries van SZW, LNV en EZ zal ik de regie nemen om dit te realiseren. Vervolgens zal puntsgewijs toegelicht worden hoe dit zal plaatsvinden.

I. De kwaliteitscode EVC

De kwaliteitscode EVC vormt voor mij de juridische basis om beslissingen te nemen over de erkenning van aanbieders. Dit vraagt juridisch nadere uitwerking. Hierbij wordt rekening gehouden met voorstellen van de convenantpartners, naar analogie van bijvoorbeeld de rol van de overheid bij het vaststellen van de kwalificatiedossiers mbo op basis van voorstellen van de KBB’s. Op die manier zal ook de normering bij de kwaliteitscode vastgelegd worden, die noodzakelijk is om de kwaliteitsbeoordeling bij de aanbieders te doen. Ten slotte wordt de werkwijze van de beoordelende organisaties vastgelegd. Door dit alles vast te leggen, wordt helder waar de regie op het systeem EVC in de overgangsperiode van drie jaar komt te liggen, namelijk bij de rijksoverheid.

II. De kwaliteit van de EVC aanbieders

Een verschil in de wijze van beoordelen van EVC-aanbieders is ongewenst. Om de basiskwaliteit op orde te krijgen, zal ik de komende drie jaar de regie nemen op zowel het proces van de beoordelingen van EVC-aanbieders als op de bestuurlijke hantering van de uitkomsten van die beoordelingen, de beslissing dus over al dan niet opname of verwijdering uit het register van erkende EVC-aanbieders.

Deze aanpak is ook een reactie op de signalen die we hebben ontvangen over de lopende beoordelingen, in de mbo-sector in het bijzonder. Er moet zo snel mogelijk transparantie geboden worden over de kwaliteit van het systeem. Daarom zal de overheid op basis van de rapporten van de beoordelende organisaties beslissingen gaan nemen. Daarbij zullen de volgende vier categorieën aanbieders worden onderscheiden:

1. zwakke aanbieders die niet of nauwelijks voldoen aan essentiële onderdelen van de kwaliteitscode. Zij worden uit het register van erkende EVC-aanbieders geschrapt. Zij kunnen na een nog nader te bepalen periode een nieuwe beoordeling aanvragen gericht op het verkrijgen van een erkenning;

2. aanbieders met meerdere tekortkomingen, die binnen één jaar zijn op te lossen. Zij krijgen een geconditioneerde erkenning voor één jaar en worden binnen dat jaar opnieuw volledig beoordeeld;

3. aanbieders met enkele tekortkomingen, die binnen één jaar zijn op te lossen. Zij krijgen een geconditioneerde erkenning voor één jaar en worden binnen dat jaar opnieuw beoordeeld. Hierbij is sprake van een proportionele beoordeling: alleen die onderdelen waar tekortkomingen geconstateerd zijn worden opnieuw beoordeeld;

4. aanbieders die voldoen aan alle onderdelen van de kwaliteitscode. Zij krijgen een erkenning voor drie jaar.

De convenantpartners hebben zich verbonden aan deze indeling en dit wordt juridisch nader uitgewerkt. Alle voorlopige erkenningen die op 31 december 2009 aflopen, worden voor korte tijd verlengd tot het moment dat de overheid een beslissing neemt over de adviezen van de beoordelende organisaties over de beoordelingen die in het najaar van 2009 zijn uitgevoerd. Voor alle duidelijkheid: dit impliceert dat de aanbieders met een voorlopige erkenning die op 31 december 2009 afloopt en die zich hebben laten beoordelen in het najaar van 2009, deze beoordeling uiterlijk 15 februari 2010 aanbieden aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor een beslissing over het wel of niet erkennen als EVC-aanbieder op basis van de bovengenoemde indeling.

III. De kwaliteit van de ervaringscertificaten

Na drie jaar zijn alle aanbieders één of meerdere keren beoordeeld volgens de vastgestelde normering (standaard van de Inspectie) en zijn er op basis van het hierboven genoemde indeling beslissingen genomen over het wel of niet erkennen van aanbieders. Daarmee is een situatie ontstaan waarin sprake is van een evenwichtig systeem van basiskwaliteit.

Hierdoor en door het steviger sturen door de overheid op het proces van beoordelingen van aanbieders, zal het binnen een periode van drie jaar beter mogelijk worden de intrinsieke kwaliteit van het proces van EVC te garanderen. Daardoor kan ook de uitkomst van EVC, de inhoud van het Ervaringscertificaat, gegarandeerd worden.

Lange termijn

Naast de acties voor de korte termijn zal in 2010 met de convenantpartners overlegd worden over het kwaliteitsborgingssysteem na de overgangsperiode van drie jaar. Dit systeem van kwaliteitsborging moet garanties bieden voor de bestendiging van de kwaliteit en er moet sprake zijn van een evenwichtige verantwoordelijkheidsverdeling tussen de overheid en de (andere) convenantspartners. In het overleg met de convenantpartners zal ook worden ingegaan op het aantal beoordelende organisaties en de positie daarvan.

Financiering systeem

De steviger rol van de overheid in het systeem van kwaliteitsbewaking betekent niet dat de overheid ook alle financiële verantwoordelijkheid op zich neemt. Dat is ook niet nodig. Het systeem van kwaliteitsbewaking betaalt nu grotendeels zichzelf, en er is geen reden dat te wijzigen. De rol van de overheid is een regievoerende, geen financierende. Dat betekent overigens niet dat de bestaande financiële instrumenten van de overheid voor stimulering van EVC verdwijnen. De fiscale faciliteit wordt gecontinueerd, de subsidiëring van het Kenniscentrum EVC loopt nog enige jaren door en ook volgend jaar is er een communicatiecampagne om het Ervaringscertificaat te promoten. Waar mogelijk gebruikt de rijksoverheid het instrument EVC, indien verzorgd door erkende aanbieders, om beleidsdoelstellingen voor de arbeidsmarkt te realiseren.

Tot slot

In uiterlijk drie jaar tijd moet de basiskwaliteit van EVC op orde zijn gebracht. Voor de korte termijn heb ik een aantal maatregelen aangekondigd om de huidige beoordelingen van aanbieders goed te laten plaatsvinden. Daarnaast gaat de overheid in 2010 in overleg met de (andere) convenantpartners werken aan een kwaliteitsborgingssysteem dat toekomstbestendig is. Ik zal u daarover in 2010 nader informeren.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart


XNoot
1

De convenantpartners zijn: Stichting van de Arbeid, Colo, HBO-Raad. MBO-Raad, AOC-Raad, UWV Werkbedrijf, Open Universiteit Nederland, Paepon, de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mede namens de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Nederlandse Vereniging voor Examens (NVE).

XNoot
1

Het gaat om 44 ROC’s, AOC’s en vakscholen, 28 hogescholen, 1 universiteit, 12 KBB’s en 28 private aanbieders.

XNoot
2

De inspectie zal na 1 januari 2010 niet meer als beoordelende organisatie voor EVC optreden. EVC is een marktactiviteit die niet onder de reikwijdte van de inspectie valt.

Naar boven