﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29993-18/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2004-2005</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.8.0__3.4" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST88807</ordernr>
    <vergjaar>2004-2005</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 993</nummer>
      <naam>Referendum Europese Grondwet</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>18</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>4 juli 2005</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het referendum over instemming door Nederland met het Grondwettelijk verdrag
ligt inmiddels ruim een maand achter ons. De uitslag – een overtuigend
«tegen» – laat als zodanig weinig aan duidelijkheid te wensen
over. In de aanloop naar de komende Brede Maatschappelijke Discussie zullen
regering, Kamer en anderen zich de vraag stellen welke plaats deze uitslag
inneemt in de ontwikkeling van de Europese Unie en de Nederlandse bijdrage
daaraan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals toegezegd tijdens het plenaire debat op 2 juni jl. over de
uitslag van het referendum betreffende het Grondwettelijk verdrag, werd het
eerste deel van de Geannoteerde agenda van de Europese Raad van 16 en 17 juni
(21 501-02, nr. 628) gewijd aan een eerste gedachtebepaling van de kant
van de regering over dit onderwerp, in het licht van de Europese Raad. In
de Staat van de Unie (bijlage bij de Memorie van Toelichting bij de begroting
2006 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) zal een nadere duiding van
de zijde van de regering volgen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vooruitlopend op de discussie met het Presidium van uw Kamer over de organisatie
van de Brede Maatschappelijke Discussie over <nadruk type="cur">«de
vraag waar we met de Europese samenwerking naar toe willen»,</nadruk> en
ten behoeve van uw gedachtevorming hierover, stel ik u hierbij alle rapportages<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> ter beschikking van onderzoek naar de meningen van burgers
over Europa en het Grondwettelijk verdrag dat het ministerie van Buitenlandse
Zaken in de afgelopen maanden heeft laten uitvoeren. In het najaar verschijnt
bovendien een rapportage van onderzoek dat de Universiteit Twente thans uitvoert
in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,</functie>
        <naam>A. Nicolaï </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>