﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29800-XVI-170/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2004-2005</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.8.0__3.4" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST86902</ordernr>
    <vergjaar>2004-2005</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 800 XVI</nummer>
      <naam>Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2005</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>170</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>20 mei 2005</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hierbij ontvangt u het jaarverslag 2004<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> en
het jaarbericht 2004<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> van de inspectie voor de
Gezondheidszorg (IGZ). Het jaarverslag is een verantwoordingsdocument met
als doel een koppeling te maken tussen het jaarwerkplan, de begroting en de
door de inspectie geleverde prestaties. Het jaarbericht is een naslagwerk
waarin een uitvoerige beschrijving staat van de inhoud van het werk van de
inspectie van het voorgaande jaar.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De inspectie stapt momenteel over naar een integrale discipline-overstijgende
en probleemgerichte benadering van toezicht. Hierdoor ontstaat er een goed
inzicht in de huidige trends en ontwikkelingen in de gezondheidszorg, waarmee
de inspectie met dit jaarbericht een goede start maakt. De inspectie zal dit
rapport dan ook ruim verspreiden onder een ieder die betrokken is bij de gezondheidszorg.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Over enkele onderwerpen uit het jaarbericht merk ik het volgende op. </al>
      <tuskop letat="cur">– Blz. 18: Patiëntveiligheid</tuskop>
      <al>De inspectie meldt in haar jaarbericht dat de geestelijke gezondheidszorg
en de gehandicaptenzorg achterblijft bij andere zorgsectoren als het gaat
om patiëntveiligheid. De inspectie heeft hiertoe in 2004 enkele risico-indicatoren
ontwikkeld, die zij in 2005 zal toepassen. Ook vanuit VWS zijn er diverse
acties uitgezet rondom het thema patiëntveiligheid. Ik heb u hierover
geïnformeerd bij brief van 25 januari jl. (vergaderjaar 2004–2005,
29 800 XVI, nr. 106), en nadien bij brief (vergaderjaar 2004–2005,
29 800 XVI, nr. 120) waarin ik u informeer over het Kwaliteitsprogramma
Zorg voor Beter. De inspectie geeft daarnaast op het gebied van patiëntveiligheid
bij infectieziekten en rampen aan dat geneeskundige hulpverlening bij ongevallen
en rampen (GHOR) inmiddels van de grond begint te komen, maar dat het nog
schort aan de samenwerking met de zorginstellingen. De inspectie pleit voor
een minder groot beroep op de professionals en de vorming van een vrijgestelde
staf ten behoeve van de voorbereiding op rampen. Mijn streven
is om extra aandacht te besteden aan verdere versterking van de GHOR-taken
binnen de zorginstellingen, met name ziekenhuizen. Ziekenhuizen moeten zich
binnen hun reguliere werk voorbereiden op grootschalig optreden via opleiding,
training en oefening: zij zullen zich meer bewust moeten worden van het belang
van bij- en nascholing en monodisciplinair en multidisciplinair oefenen. In
het wetsontwerp TZi heb ik daartoe een aantal bepalingen opgenomen om dit
expliciet te benoemen.</al>
      <tuskop letat="cur">– Blz. 26: Kwaliteitswet zorginstellingen</tuskop>
      <al>De inspectie constateert dat de zorginstellingen nog steeds de Kwaliteitswet
onvoldoende naleven. De Kwaliteitswet zorginstellingen legt grote verantwoordelijkheid
bij de instellingen zelf en schrijft voor dat iedere instelling over een werkend
kwaliteitssysteem beschikt. De toepassing van dergelijke kwaliteitssystemen
is weliswaar verbeterd, maar nog steeds geen gemeengoed. Certificering kan
hierbij een belangrijke rol spelen. In de praktijk blijken echter veel instellingen
nog niet te streven naar het behalen van een extern onafhankelijk af te geven
certificaat. VWS hecht veel waarde aan een procesversnelling van het aantal
gecertificeerde aanbieders op het terrein van zorg en welzijn. VWS werkt daarom
samen met partijen aan een fasering voor het certificeringstraject op meerdere
niveaus, waarbij aansluiting wordt gevonden bij de adviezen over een veiligheidsmanagementsysteem
en met de al in de diverse sectoren bestaande deelsystemen. Tevens onderstreep
ik dat certificatie geen codificatie is van de status quo. Een kwaliteitsmanagementsysteem
is een lerend systeem en richt zich juist op herontwerp van processen en innovatie
in de zorg.</al>
      <tuskop letat="cur">– Blz. 27: Focus op bevordering en handhaving van
volksgezondheid en veilige en effectieve, patiëntgerichte zorg</tuskop>
      <al>De inspectie geeft aan dat preventieve gezondheidszorg te weinig prioriteit
heeft en dat GGD'en onvoldoende toegerust zijn om de grote leefstijlproblemen
aan te pakken. De implementatie van de landelijke preventienota is inmiddels
door en in overleg met de diverse partijen opgepakt. Diverse acties, geïnitieerd
door zowel VWS, landelijke kennisinstituten, GGD Nederland als de VNG, zijn
erop gericht de uitvoering van de gedragsgerichte gezondheidsbevordering door
de GGD'en verder te versterken. Het leveren van een flinke inspanning voor
de doelen van de preventienota vind ik een zaak van alle betrokken partijen,
zowel van het Rijk als van lokale actoren.</al>
      <tuskop letat="cur">– Blz. 36: Ouderenmishandeling in verpleeg- en verzorgingshuizen</tuskop>
      <al>De betreurenswaardige signalen over ouderenmishandeling in de thuiszorg
en in verpleeg- en verzorgingshuizen hebben betrekking op zeer afkeurenswaardige
feiten. Overigens is het melden op zich een zeer gewenste ontwikkeling. Ouderenmishandeling
in zowel de thuissituatie als zorginstellingen staat op de beleidsagenda en
krijgt steeds meer aandacht. Ik heb in samenwerking met de minister van Justitie
en in overleg met de uitvoerende organisaties, vertegenwoordigd in het Landelijk
Platform Ouderenmishandeling, een verkenning laten uitvoeren naar goede praktijkervaringen
bij gemeenten die ouderenmishandeling in de thuissituatie op de agenda hebben
staan. Met deze verkenning worden gemeenten en lokale/regionale instanties
gestimuleerd over te gaan tot beleid op dit terrein. Er worden twee vormen
van ouderenmishandeling onderscheiden, te weten ontspoorde zorg en moedwillige
mishandeling, die ieder een eigen aanpak vergen. Ik steun dan ook het feit
dat de inspectie zelf zonodig vervolgonderzoek instelt in instellingen bij
dergelijke meldingen.</al>
      <tuskop letat="cur">– Blz. 61: Online contacten arts–patiënt</tuskop>
      <al>De inspectie maakt zich grote zorgen over online internetcontacten tussen
arts en patiënt die niet zijn ingebed in een bestaande behandelrelatie.
In 2004 zijn er meldingen binnengekomen over drie artsen die via e-consulten
op onverantwoorde wijze zorg hebben verleend aan patiënten. E-consult
kan echter een belangrijke bijdrage leveren aan een efficiënte en servicegerichte
zorgverlening. Ik wil wel blijven waken voor misbruik. De KNMG heeft daarom
recentelijk richtlijnen opgesteld voor het online patiënt–arts
contact. Deze richtlijnen zijn een belangrijke randvoorwaarde om ook in het
online contact verantwoorde zorg te kunnen leveren.</al>
      <tuskop letat="cur">– Blz. 67: Zorg bij continentiestoornissen in verpleeg-
en verzorgingshuizen onvoldoende</tuskop>
      <al>Het gesignaleerde probleem rondom zorg bij incontinentie in verpleeghuizen
en verzorgingshuizen heeft vooral te maken met onjuiste en onderdiagnostiek
door verpleeghuisartsen en verzorgend personeel. De gehele zorg bij incontinentieproblematiek,
dus ook de zorg als er sprake is van het gebruik van incontinentiematerialen
is een belangrijk onderdeel van thema als het gaat om de kwaliteit van zorg
in verpleeghuizen. Dit thema is dan ook toegevoegd aan het Actieprogramma
Kwaliteit «Zorg voor Beter».</al>
      <tuskop letat="cur">– Blz. 80: Indicatiestelling RIO's</tuskop>
      <al>De inspectie meldt dat zij, als gevolg van de invoering van nieuwe procedures
rondom de indicatiestelling van RIO's, in de eerste helft van 2004 zijn geconfronteerd
met een toename aan klachten. Deze klachten betroffen de indicatiestelling
zelf, de gehanteerde procedures, de wijze van bejegening en zeer lange wachttijden.
De centrale uitvoering van de indicatiestelling AWBZ door het Centrum Indicatiestelling
Zorg (CIZ) is per 2005 daadwerkelijk van start gegaan. Daarvoor is in 2004
nog hard gewerkt aan het wegwerken van de achterstanden bij de regionale indicatieorganen.
Dit heeft ertoe geleid dat bij het merendeel van de indicatie aanvragen de
wettelijke termijn van zes weken voor het afgeven van het indicatiebesluit
niet meer wordt overschreden. Mocht dat in bijzondere gevallen wel aan de
orde zijn, dan wordt de aanvrager hier tijdig over geïnformeerd. Het
starten van de centrale uitvoering van de indicatiestelling door het CIZ draagt
ook bij aan de eenduidigheid in de gehanteerde procedures voor afhandeling
van aanvragen en eventuele klachten daarover. Het CIZ heeft inmiddels een
heldere klachtenregeling opgesteld. Klachten worden behandeld volgens deze
landelijk vastgestelde klachtenregeling.</al>
      <tuskop letat="cur">– Blz. 80: Toegankelijkheid</tuskop>
      <al>De inspectie meldt dat jaarlijks tientallen jongeren met een licht verstandelijke
handicap met gedragsstoornissen tussen wal en schip raken. Ik heb reeds actie
ondernomen op dit onderwerp. Om te voorkómen dat licht verstandelijk
gehandicapte jongeren in jeugdgevangenissen terecht komen, heb ik inmiddels
afspraken gemaakt met de minister van Justitie voor de ontwikkeling van een
beter zorgaanbod, waarbij sectoroverschrijdend wordt samengewerkt. Ik heb
u hierover geïnformeerd bij brief van 20 april jl. (Kamerstukken
II, 28 741, nr. 12, vergaderjaar 2004–2005).</al>
      <tuskop letat="cur">– Blz. 85: Toezicht op de naleving Wet Bopz</tuskop>
      <al>De inspectie verwerkt sinds 1 juli 2004 de meldingen in het kader
van de Wet Bopz op een centraal registratiekantoor. Hiermee wordt een deel
van de aanzienlijke stijging van 2004 verklaard ten opzichte van eerdere jaren,
namelijk van een planning van ruim 6 800 naar 23 580 daadwerkelijk
binnengekomen meldingen (zie het productieoverzicht in het jaarverslag). Uit de tweede evaluatie van de Wet Bopz is gebleken dat de verplichte
meldingen door Bopz-aangemerkte instellingen aan de inspectie niet altijd
correct en betrouwbaar zijn en er sprake was van onderrapportage. Het blijkt
dat de Wet Bopz in de verstandelijk gehandicaptenzorg nog steeds niet voldoende
wordt nageleefd. Daarnaast kwam uit de evaluatie naar voren dat de wet «in
overwegende mate ongeschikt is» voor de sectoren verstandelijk gehandicaptenzorg
en psychogeriatrie. Daarom wordt nu gewerkt aan een nieuwe wettelijke regeling
die meer is toegesneden op de cliënten in deze twee sectoren. Ik verwacht
in juni 2005 hierover een contourennotitie naar de Tweede Kamer te sturen.</al>
      <tuskop letat="cur">– Blz. 121: Preventie Hepatitis B</tuskop>
      <al>De inspectie adviseert mij om afspraken te maken met de medische opleidingsinstituten
over een vaccinatiebewijs voor inenting tegen hepatitis B, met name voor medische
studenten die stage lopen. Op grond van de Arbeidsomstandighedenregelgeving
is de werkgever echter reeds verplicht om werknemers een vaccinatie tegen
hepatitis B aan te bieden en te betalen, als zij kans lopen op accidenteel
bloedcontact. Deze verplichting geldt ook voor stagiaires. De Arbeidsinspectie
is verantwoordelijk voor het toezicht op de handhaving hiervan.</al>
      <al>De minister van SZW en ik zijn van oordeel dat het niet de taak van de
overheid is om de verantwoordelijkheid van werkgevers over te nemen. De huidige
werkafspraken tussen opleidingen en instellingen die stageplaatsen aanbieden,
zouden tot voorbeeld moeten dienen voor opleidingen die studenten opleiden
tot onder andere dokters- en tandartsassistenten en voor deelnemers van BeroepsBegeleidende
Leerweg (BBL) en de BeroepsOpleidende Leerweg (BOL).</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,</functie>
        <naam>J. F. Hoogervorst</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>