﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29800-VIII-251/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2004-2005</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.8.0__3.4" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST88916</ordernr>
    <vergjaar>2004-2005</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 800 VIII</nummer>
      <naam>Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2005</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>251</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>19 juli 2005</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hij vraagt zich hooguit af of deze leerstrategieën
wel zo efficiënt zijn. Soms gaat het allemaal zo traag, zo'n les waarin
leerlingen alles zelf moeten opzoeken en antwoordbladen raadplegen om hun
antwoorden te checken. En dan al die opdrachten waarover ze eindeloos met
elkaar moeten overleggen. «Maar misschien moet je ze ook niet opjagen»,
mijmert hij, «en misschien is dat «met elkaar» wel heel
belangrijk. En hoe efficiënt was het vroeger eigenlijk? Toen had je wel
als docent het gevoel dat je alles onder controle had, terwijl je nu geen
idee hebt wat de leerlingen opsteken. Vaak vind ik dat ik er zelf weinig aan
heb gedaan, maar als ik dan na drie weken een toets geef, blijkt dat ze het
snappen. Dat verbaast me nog steeds.»</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit: Robert Anker, Hajar en Daan. Amsterdam, 2004</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderwijs innoveert. Tal van scholen en instellingen werken aan vernieuwing
van hun onderwijs, in een beweging van onderop. Deze innovatiebeweging vertoont
een grote diversiteit. Zo zijn er initiatieven waarbij sprake is van een compleet
herontwerp van het primaire proces. Maar er zijn ook scholen en instellingen
die stapsgewijs vernieuwen via een benadering die meer als schoolontwikkeling
dan als innovatie kan worden gekenschetst. Wat bij veel scholen en instellingen
centraal staat is dat ze in hun aanpak uitgaan van een herbezinning op het
leren van jongeren, en vertrouwde routines loslaten. Ik acht deze beweging
van groot belang, met het oog op de optimale talentontwikkeling van onze jongeren,
en met het oog op de Lissabonafspraken die in 2000 gemaakt zijn op het terrein
van onderwijs en arbeidsmarkt in 2010. Innovatie draagt in belangrijke mate
bij aan ambities als het verhogen van gediplomeerde uitstroom, een hoger competentieniveau
van jongeren en zodoende ook versterking van de kennissamenleving.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze innovatiebeweging is ook inzet van een soms heftig publiek debat,
dat gedomineerd wordt door voorstanders en tegenstanders van «het nieuwe
leren». Ik juich dat debat zeer toe, zij het dat dit debat ook de ruimte zou moeten gunnen aan voorzichtiger benaderingen, zoals in het
citaat hierboven van de schrijver Robert Anker. Ik kom daar verderop in deze
brief nog op terug.</al>
      <tuskop letat="cur">Innovatie in het voortgezet onderwijs</tuskop>
      <al>Wat ik hierboven beschrijf over de innovatie in het onderwijs in het algemeen,
geldt ook het voortgezet onderwijs. Deze brief gaat daarover. In Koers VO
heb ik het innovatiebeleid voor het voortgezet onderwijs in grote lijnen geschetst.
Tevens heb ik aangekondigd dat de Tweede Kamer jaarlijks informatie zal krijgen
over de voortgang van de innovatie in het voortgezet onderwijs. Dat doe ik
hierbij. De brief bevat de volgende onderwerpen:</al>
      <al>1. Het Innovatieplan_VO van Schoolmanagers_VO en de «Gemeenschappelijke
Afspraak over innovatie in het voortgezet onderwijs» die ik daarover
met de Schoolmanagers_VO gemaakt heb (bijlagen 1 en 2);<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref></al>
      <al>2. De stand en ontwikkeling van de innovatiebeweging op basis van het
Innovatierapport van B&amp;A. Daarbij reageer ik tevens op een aantal vraagstukken
en dilemma's die in dit rapport worden aangekaart (bijlage 3);<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref></al>
      <al>3. De resultaten van de beleidsregel Vooruit! (bijlage 4);<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref></al>
      <al>4. Een korte slotbeschouwing.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Innovatieplan_VO en de Innovatieafspraak_VO bevatten ook voornemens
met betrekking tot een innovatievoorziening. Ik ga daar verderop in deze brief
nog nader op in. Daarmee doe ik ook mijn toezegging van 4 oktober 2004
gestand, gedaan tijdens het Notaoverleg over Koers PO en VO (TK 29 800
VIII, nr. 11).</al>
      <tuskop letat="vet">1. Het Innovatieplan en de Innovatieafspraak VO</tuskop>
      <al>Het Innovatieplan_VO is het antwoord van Schoolmanagers_VO op de uitdaging
uit Koers VO aan de sector, om zelf de aanpak van de innovatie ter handen
te nemen. Op basis van het Innovatieplan_VO heb ik op 8 juni 2005 een
«Gemeenschappelijke Afspraak over innovatie in het voortgezet onderwijs»
met de Schoolmanagers_VO gemaakt. In het vervolg van deze brief spreek ik
over de Innovatieafspraak_VO.</al>
      <tuskop letat="cur">1.1. Het Innovatieplan_VO</tuskop>
      <al>Scholen innoveren zelf. Dat is een centraal uitgangspunt voor mijn innovatiebeleid
in het voortgezet onderwijs. Dat betekent ook dat het collectief van de scholen
in de gelegenheid wordt gesteld zelf de verantwoordelijkheid te nemen voor
een landelijke aanpak. Blijkens het Innovatieplan_VO heeft Schoolmanagers_VO
die verantwoordelijkheid goed naar zich toegetrokken.</al>
      <tuskop letat="cur">Scholen trekken samen op</tuskop>
      <al>Schoolmanagers_VO heeft het Innovatieplan_VO in samenspraak met veel partijen
in en om het voortgezet onderwijs opgesteld. Het Innovatieplan is gericht
op een verbreding en integratie van talrijke dossiers en ontwikkelingen, zoals
SLOA, kwaliteitszorg en ict. Speciaal zal aandacht moeten worden besteed aan
de rol van de docent en de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in het onderwijs.
De ambitie van Schoolmanagers_VO is daarom ook dat het Innovatieplan_VO integraal
deel gaat uitmaken van de visie en taken van de sectororganisatie in oprichting.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Schoolmanagers_VO gaat aan de slag met een aantal onderwerpen. Allereerst
met de vormgeving van een flexibele innovatiestrategie die op grond van voortschrijdend
inzicht en veranderende omstandigheden kan worden bijgesteld.
Daarnaast wordt in deelprojecten gewerkt aan «de Innovatiemakelaar»,
betere samenhang tussen onderwijspraktijk en onderzoek, meer synergie tussen
ict en innovatie, en een innovatievoorziening. Hieronder zal ik de verschillende
onderwerpen kort beschrijven.</al>
      <tuskop letat="cur">a. Innovatiestrategie</tuskop>
      <al>Met de innovatiestrategie beoogt Schoolmanagers_VO een continue ontwikkeling
vanuit de praktijk. De strategie omvat onderwerpen als kennisdelen, wetenschap
en ict maar ook de ontwikkelingen met betrekking tot SLOA. Ook kan het gaan
over het verder ontwikkelen van innovaties. Bij deze strategie staat de vraag
centraal: wat moet er gebeuren, waar zet de sector de komende jaren op in
om de innovatiebeweging sterk te krijgen?</al>
      <tuskop letat="cur">b. Innovatiemakelaar</tuskop>
      <al>Scholen hebben behoefte aan uitwisseling van kennis en ervaringen. Tevens
hebben zij behoefte aan specifieke ondersteuning op maat. De ervaring leert
dat scholen het vaak lastig vinden om te leren van andere scholen. Daarom
gaat Schoolmanagers_VO een makelaarsfunctie vervullen. Bedoeling van deze
functie is om netwerkvorming te stimuleren en in ondersteuning te voorzien.</al>
      <tuskop letat="cur">c. Versterking onderwijspraktijk en onderzoek</tuskop>
      <al>Innovatie vergt een stevig wetenschappelijk fundament. Van verschillende
kanten wordt geconstateerd dat er op dit moment weinig samenhang is tussen
innovaties in de onderwijspraktijk en de resultaten van wetenschappelijk onderzoek.
Het is van groot belang meer kennis te ontwikkelen over hoe mensen leren en
welke condities daartoe getroffen moeten worden. Het publieke debat hierover
kan wetenschappelijke verdieping heel goed gebruiken. Het is dan ook belangrijk
dat wetenschap, onderwijspraktijk en innovatie bij elkaar gebracht worden
en de verschillende disciplines van elkaar kunnen leren. Het Innovatieplan_VO
voorziet hierin.</al>
      <tuskop letat="cur">d. Ict en innovatie</tuskop>
      <al>Ict speelt een belangrijke rol bij innovatie. Ict op School en Kennisnet
zetten zich al jaren in om de inzet van ict in het onderwijsleerproces te
stimuleren. Toch is er nog een aantal barrières te overwinnen om ict
verder binnen het onderwijs te integreren en de synergie met innovatie te
versterken. Bijvoorbeeld de duurzaamheid en overdraagbaarheid van innovaties,
versnipperde kennis over de integratie van ict in het onderwijsleerproces
en de ondersteuningsmogelijkheden daarbij. Ook de kennis van docenten over
het didactisch gebruik van ict en de beperkte aanwezigheid van educatieve
software en content verdienen nog de nodige aandacht. Schoolmanagers_VO gaat
hier samen met de betrokken organisaties mee aan de slag.</al>
      <tuskop letat="cur">e. Innovatievoorziening</tuskop>
      <al>In Koers VO is een innovatievoorziening aangekondigd. Daarmee wordt een
arrangement bedoeld waarbij de sector op basis van programmatische afspraken
met de overheid zelf in staat wordt gesteld innovatieve projecten en programma's
te entameren en te financieren. De innovatievoorziening richt zich op de dieptestrategie:
genereren en ontwikkelen van kansrijke en betekenisvolle nieuwe concepten
en praktijkvoorbeelden. Met Schoolmanagers_VO is afgesproken dat zij komend
najaar een opzet presenteren voor zo'n innovatievoorziening. Bij de uitwerking
van de innovatievoorziening zal ook een relatie worden gelegd met de systematiek
van SLOA. Ik memoreer in dat verband de aankondiging in Koers VO dat in de
SLOA-systematiek een meer vraaggerichte benadering zal worden
aangebracht. Over de uitwerking hiervan krijgt Uw Kamer nog een afzonderlijke
brief.</al>
      <tuskop letat="cur">f. Regelgeving</tuskop>
      <al>Innovatie kan stuiten op belemmerende regelgeving. Met Schoolmanagers_VO
is geconstateerd dat de wet vooralsnog afdoende mogelijkheden biedt om met
het oog op innovatie ontheffingen te verlenen. In de Innovatieafspraak_VO
is opgenomen dat daarvoor een toetsingskader en een procedure voor ontheffingen
zal worden ontwikkeld, zodat optimale helderheid zal ontstaan over de criteria
op basis waarvan ontheffingen verleend worden.</al>
      <tuskop letat="cur">1.2 De Innovatieafspraak_VO</tuskop>
      <tuskop letat="cur">De Innovatieafspraak_VO in grote lijnen</tuskop>
      <al>Essentie van de Innovatieafspraak is dat Schoolmanagers_VO het Innovatieplan_VO
uitvoert en ik dat in financiële en morele zin ondersteun. Voor 2005
stel ik hiervoor een bedrag van ruim € 1,4 mln. beschikbaar.</al>
      <tuskop letat="cur">Relatie met sectorvorming</tuskop>
      <al>De Innovatieafspraak_VO kan uiteraard niet los worden gezien van het proces
van sectorvorming. Het ligt in de rede dat de verantwoordelijkheid voor de
innovatie uiteindelijk bij de te vormen sectororganisatie zal komen te liggen.
In de Innovatieafspraak_VO is opgenomen dat dit kan worden gerealiseerd zodra
de sectororganisatie er klaar voor is. Tot die tijd blijft Schoolmanagers_VO
aanspreekpunt voor de innovatiestrategie.</al>
      <tuskop letat="vet">2. De innovatiebeweging in het voortgezet onderwijs</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">«Innovatie in het voortgezet onderwijs leeft
volop. Niet alleen wordt er veel over innovatie nagedacht en geschreven, er
wordt in de praktijk ook veel aan innovatie gedaan. De initiatieven zijn talrijk,
vele concrete innovatieve projecten zijn reeds gestart en er ontstaan allerlei
vaak «onorthodoxe» samenwerkingsverbanden.»</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>uit: Innovatie in het Voortgezet Onderwijs. Feiten ontwikkelingen en perspectieven
2005, B&amp;A</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In Koers VO staat dat de Tweede Kamer jaarlijks zal worden gerapporteerd
over de stand van de innovatiebeweging in het voortgezet onderwijs. In bijlage
3 vindt u het Innovatierapport van B&amp;A. Het rapport geeft een beredeneerde
impressie van de stand van zaken rond innovatie in het voortgezet onderwijs
en de lopende discussies over het innovatieproces. In de rapportage onderscheid
B&amp;A drie domeinen waarbinnen innovatie kan plaatsvinden:</al>
      <al>1. Pedagogisch-didactisch</al>
      <al>2. Schoolorganisatie en personeelsbeleid</al>
      <al>3. School en Omgeving</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hieronder zal ik kort aangeven welke ontwikkelingen B&amp;A schetst op
deze drie domeinen. Tevens zal ik de bevindingen van B&amp;A voorzien van
een reactie.</al>
      <tuskop letat="cur">2.1 Pedagogisch-didactische vernieuwing</tuskop>
      <al>Dit domein omvat volgens B&amp;A algemene, nieuwe en veranderende visies
op leren en leerlingen. Op steeds meer scholen is de aanpak in de klas niet
meer dezelfde als tien jaar geleden, aldus B&amp;A. Zij stellen dat in het
pedagogisch didactisch domein polarisatie van standpunten gaande is tussen
aanhangers van het «oude» en het «nieuwe» leren. Er
is echter open ruimte nodig om allerlei varianten van innovatief
leren te ontwikkelen, balancerend tussen zelfontwikkeling van de leerlingen
enerzijds en geformaliseerde eisen en examens anderzijds, balancerend ook
tussen het «hoe» en het «wat» van het voortgezet onderwijs.</al>
      <tuskop letat="cur">Reactie</tuskop>
      <al>De constateringen van B&amp;A raken de kern van het publieke debat dat
op dit moment over onderwijsinnovatie plaatsvindt. Dit debat is van groot
maatschappelijk belang omdat de toekomst van onze jongeren ons allemaal aangaat.
Het is natuurlijk wenselijk dat dit debat breed gevoerd wordt, maar dan wel
zorgvuldiger dan nu vaak het geval is. Ik heb daarbij drie aspecten op het
oog.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de eerste plaats wordt het debat gedomineerd door voorstanders en tegenstanders
van «het nieuwe leren», alsof de discussie zo digitaal gevoerd
kan worden. Daarom ben ik ook ongelukkig met het gebruik van «het nieuwe
leren» als verzamelnaam voor allerlei nieuwe initiatieven en als tegenstelling
van het «oude leren»; het maakt de discussie diffuus. Ik pleit
er voor om in eerste instantie te spreken over «leren», een kwaliteit
die al zo oud is als de mensheid. Vervolgens heb ik het over de grote verscheidenheid
aan leervormen en mogelijkheden, die gezamenlijk een breed en gevarieerd repertoire
vormen. Innovatiebeleid is er dan op gericht om effectieve leervormen die
nog niet gemeengoed, of wellicht nieuw zijn, naar voren te halen en een kans
te geven. De discussie moet dus niet worden gevoerd in termen van zwart of
wit, maar het moet gaan om een breed geschakeerde waaier van leermogelijkheden,
die elk hun eigen merites hebben. Het uitgangspunt is altijd dat de innovatie
een positief effect op de leerling moet hebben. Scholen moeten dan ook concreet
inzicht kunnen geven in wat de leerling daadwerkelijk merkt van de innovatie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de tweede plaats: dit zwart-wit denken doet zich ook voor in de discussie
over de rol van de docent. «De traditionele leraar wordt coach»,
is een voorbeeld van zwart-wit denken dat onrecht doet aan de vaak ingewikkelde
en subtiele relatie tussen docent en leerling, en bij veel professionals dan
ook terecht wrevel oproept. Dat betekent uiteraard niet dat over de rol van
de docent niet gediscussieerd zou mogen worden. Docenten kunnen vanuit hun
eigen professionele verantwoordelijkheid in het debat over innovatie participeren.
Het zou jammer zijn als de innovatiebeweging die ik op het oog heb door docenten
beleefd wordt als een operatie van bovenaf.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de derde plaats valt op dat de inbreng van de wetenschap in dit debat
meer nadruk behoeft. Het debat over innovatie in het onderwijs moet niet alleen
gevoerd worden door professionals, ouders en andere betrokkenen, maar ook
door onderzoekers en wetenschappers. Er zal zich meer nadrukkelijk een wetenschappelijk
discours moeten ontwikkelen. Het Innovatieplan_VO bevat daarvoor een goede
aanzet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ruimte bieden aan innovatieve onderwijsvormen is spannend en raakt soms
de grenzen van wat we tot dusverre gebruikelijk vonden in het onderwijs. De
verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de school en bij de schoolbevolking.
Uiteraard zal ook de Inspectie hierop toezicht houden, maar niet op een manier
die initiatief ontmoedigt. Want met het oog op de Lissabonafspraken en de
zich ontwikkelende kennissamenleving kunnen we het ons niet veroorloven al
te terughoudend te zijn ten aanzien van innovatief initiatief.</al>
      <tuskop letat="cur">2.2. Schoolorganisatie en personeelsbeleid</tuskop>
      <al>Dit domein omvat volgens B&amp;A zaken als management, personeelsbeleid
en facilitaire zaken, maar bevat ook aan de inhoud gelieerde thema's als programmering,
leerlijnen, leergebieden, rooster toetsing en dergelijke. De praktijk leert –
zo staat in het rapport – dat innovatie noodzaakt en leidt tot een herbezinning
op de organisatie van het onderwijs en van de school. Een effectieve aanpak
van innovatie vereist daarnaast visie en leiderschap op het niveau van de
school. Dat is zeker nodig als het gaat om personeelsbeleid dat in functie
zou moeten staan van innovatie. In het rapport wordt gesproken van een sleutelrol
voor het personeelsbeleid.</al>
      <tuskop letat="cur">Reactie</tuskop>
      <al>Scholen met daarbij de leraren voorop innoveren zélf, is mijn uitgangspunt
bij het innovatiebeleid. Ik vind het van groot belang dat de werkvloer (leerlingen,
docenten en management) verbonden is met de innovatiebeweging van het voortgezet
onderwijs en dat het innoverend vermogen van de individuele scholen sterker
wordt. De innovatiebereidheid en de innovatiebehoefte dienen keer op keer
gerationaliseerd te worden in plannen, moeten nadrukkelijk vertaald worden
in adequaat personeelsbeleid, en moeten systematische aandacht krijgen in
de horizontale verantwoording door de school.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Scholen kunnen daarbij leren van elkaars ervaringen, ideeën en good
practices. Het is van groot belang dat optimale condities worden gecreëerd
voor het delen van kennis, bij voorkeur door de bedrijfstak zelf. Daarom is
het ook van grote betekenis dat Schoolmanagers_VO zich positioneert als Innovatiemakelaar.
Zodat het delen van kennis steeds beter tot stand kan komen, en wel door een
actor die van en voor de scholen is.</al>
      <tuskop letat="cur">Het primaire proces: rol van de docent</tuskop>
      <al>Als scholen zelf innoveren, is er een belangrijke rol weggelegd voor de
docent. Naarmate de veranderingen in het primaire proces vorderen, wordt de
veranderende rol van de docent belangrijker.</al>
      <al>De docent is tegenwoordig veel meer dan de traditionele kennisoverdrager,
maar die nieuwe rollen moeten ook voor een belangrijk deel nog worden ingevuld.
Daarom moeten docenten ook hun eigen positie in de innovatiebeweging definiëren.
De inzet van de docent is en blijft cruciaal. Over de aanpak van het lerarenbeleid
wordt de Tweede Kamer in juli 2005 meer uitvoerig geïnformeerd via de
voortgangsrapportage over het Beleidsplan Onderwijspersoneel (juni 2005).</al>
      <tuskop letat="cur">Lerarenopleidingen</tuskop>
      <al>De lerarenopleidingen zijn een belangrijk onderdeel van het hiervoor aangehaalde
Beleidsplan Onderwijspersoneel (juni 2004) dat de Tweede Kamer in oktober
2004 heeft besproken. Ter nadere uitwerking is in overleg met de HBO-raad
en de VSNU een afzonderlijke Beleidsagenda Lerarenopleidingen opgesteld die
onlangs – in combinatie met de eerder genoemde voortgangsrapportage –
naar de Tweede Kamer is gestuurd. Deze beleidsagenda heeft tot doel dat de
lerarenopleidingen meer differentiatie en kwaliteit gaan bieden en meer maatwerk
voor studenten en onderwijsinstellingen zullen leveren. Daarnaast wordt een
versterking van de infrastructuur beoogd.</al>
      <tuskop letat="cur">2.3 School en omgeving</tuskop>
      <al>B&amp;A benoemt school en omgeving als het derde domein waarbinnen innovatie
zich afspeelt. Deze relatie is van belang omdat zij een impuls kan betekenen
voor innovatie. Redenen om dergelijke relaties aan te gaan is het creëren
van krachtige leeromgevingen en het gezamenlijk zoeken naar vormen
waarbinnen het leer- en socialisatieproces van jongeren kan plaatsvinden.
Relevante partners zijn dan bedrijven, sport, cultuur, jeugd- en welzijnsinstanties
en dergelijke. In het rapport van B&amp;A wordt ook geattendeerd op condities
die in dat geval moeten worden gecreëerd om de wederzijdse afhankelijkheid
niet tot een last te maken. De conjunctuurgevoeligheid bijvoorbeeld van stageplaatsen
in het bedrijfsleven zal op de een of ander manier moeten worden getackeld.
De omgeving kan daarnaast een conserverende invloed hebben op de school in
plaats van een innoverende.</al>
      <tuskop letat="cur">Reactie</tuskop>
      <al>De school staat midden in de samenleving. Het is belangrijk dat scholen
deuren en ramen open hebben en contact hebben met partners in en om de school.
In het huidige onderwijs ligt de nadruk meer op de verticale interactie tussen
overheid en school, dan op de horizontale interactie tussen school en omgeving.
Dit is echter in beweging, onder meer als gevolg van veranderende opvattingen
over goed onderwijsbestuur. Ook in de praktijk zien we een verandering die
er op gericht is dat de school zich steeds meer leert verstaan met de directe
maatschappelijke omgeving. Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de Brede
Schoolontwikkeling en in de aanpak van de zorgproblematiek. Overigens is ook
het Inspectietoezicht toenemende in mate op horizontale interactie ingericht.
Nader wordt bezien hoe deze ontwikkeling naar een sterkere horizontale interactie
door de landelijke overheid kunnen worden bevorderd.</al>
      <tuskop letat="vet">3. De resultaten van de beleidsregel Vooruit!</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Innovatief elan</tuskop>
      <al>Ik heb het in Koers VO geschreven, maar herhaal het hier nog maar eens.
Ik ga niet zeggen dat scholen moeten innoveren, laat staan dat ik voorschrijf
hoe ze dat moeten doen. Scholen echter die willen innoveren wil ik kansen
bieden, zeker als dat concepten en ervaringen oplevert waarvan andere scholen
kunnen profiteren. Daarom heb ik in 2004 de beleidsregel Vooruit! uitgebracht.
266 scholen hebben een aanvraag voor subsidie ingediend, hetgeen duidt op
een enorme drive om te vernieuwen. Om zoveel mogelijk scholen een kans te
geven hun te innovatieve plannen uit te voeren, heb ik het beschikbare budget
voor deze subsidie kunnen verhogen van 10 miljoen naar ruim 16 miljoen. Daarmee
heb ik 84 projecten kunnen honoreren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Al deze projecten moesten gericht zijn op versterking en vernieuwing van
het leerproces van jongeren in de meest brede zin van het woord. Innovaties
die het leren van jongeren centraal stellen, die de motivatie om te leren
versterken, die leiden tot verbetering van leerprestaties en die een bijdrage
leveren aan het aanboren, uitdagen en ontwikkelen van het talent van jongeren
in het voortgezet onderwijs. De resultaten van Vooruit! en een beschrijving
van alle projecten zijn door SenterNovem in een brochure opgenomen, zie hiervoor
bijlage 4 bij deze brief.</al>
      <tuskop letat="cur">Bevindingen van de Jury Vooruit!</tuskop>
      <al>De aanvragen van Vooruit! zijn beoordeeld door een jury onder leiding
van Hans de Boer. De jury constateerde dat de innovatiebereidheid van docenten
en het management van het voortgezet onderwijs bijzonder groot blijkt te zijn.
De jury constateerde tegelijkertijd dat de kwaliteit en het niveau van de
voorstellen onderling nogal verschillen en sterk afhankelijk zijn van het
innoverend vermogen van de school, de omgevingsgerichtheid en de ervaring
die men heeft met projectmatig werken. De jury constateerde dat de lerarenopleidingen
in geen van de aanvragen als partners werden opgevoerd. Vastgesteld kan worden
dat de bevindingen van de jury in lijn liggen met de bevindingen van B&amp;A.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De jury van Vooruit! heeft mij in haar uiteindelijke advies drie punten
meegegeven die van belang zijn voor de innovatiebeweging in het voortgezet
onderwijs. De innovatie en het effect op de leerling; de innovatie en het
effect op het innoverend vermogen van de school; de innovatie en het effect
op de omgevingsgerichtheid van de school. Deze punten zullen bij de verdere
aanpak van de innovatiestrategie van Schoolmanagers_VO een plek moeten krijgen.</al>
      <tuskop letat="vet">4. Slotbeschouwing</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Andere bestuurlijke omgangsvormen</tuskop>
      <al>Met deze brief hoop ik u een adequaat inzicht te hebben gegeven in de
innovatiebeweging in het voortgezet onderwijs, en met de bestuurlijke omslag
die in het kader van deze innovatiebeweging gemaakt wordt. Die omslag, waarbij
scholen zelf innoveren en waarbij de sector aan het roer staat, heeft op z'n
minst avontuurlijke trekken. Zeker in een sector die lange tijd gewend is
aan operaties die van bovenaf werden doorgevoerd. Voor een goed begrip: deze
bestuurlijke inzet wordt niet alleen bepaald door de actuele bestuursfilosofie,
maar ook door mijn overtuiging dat de doelstellingen van Lissabon effectiever
kunnen worden gerealiseerd door een innovatiestrategie die de creativiteit
en inventiviteit van scholen en professionals tot uitgangspunt neemt. Een
te sterke regulering en bureaucratisering van zulke maatschappelijke processen
werkt mijns inziens stagnerend op innovatie.</al>
      <tuskop letat="cur">Rollen goed verdelen</tuskop>
      <al>Het is dan wel de kunst, zowel van scholen als van de overheid en van
de belanghebbenden rondom de school, om in die nieuwe bestuurlijke verhoudingen
de goede rol aan te nemen. Alle partijen zullen in deze constellatie in hun
rol moeten groeien, soms al zoekend en tastend. Scholen zullen de ruimte moeten
nemen die hen geboden wordt. Belanghebbenden zullen zich sterker moeten manifesteren
als een «critical friend». Als minister van OCW zal ik me toeleggen
op een lichte regie en waar nodig een slimme interventie. Het gevolg daarvan
is dat u als Tweede Kamer de mogelijkheid heeft zich op de hoofdlijnen toe
te leggen. Hoe dit precies uitpakt zal de praktijk leren.</al>
      <tuskop letat="cur">Hoe doet men het elders?</tuskop>
      <al>In die zin is het ook interessant te kijken of Nederland kan leren van
innovatiestrategieën die in het buitenland voor het voortgezet onderwijs
worden gevoerd. Daarover is nu niet veel bekend. De Onderwijsraad zal hierover
na de zomer een verkenning publiceren. Wel kan ik melding maken van de bevindingen
van zo'n 25 beleidsambtenaren uit heel Europa, die eind februari 2005 in Nederland
waren voor een uitwisselingsbezoek. In dat kader bezochten ze ook enkele scholen
die als innovatief bekend staan. Het viel deze functionarissen op dat deze
scholen goed gebruik maakten van de ruimte die ze hadden om het primaire proces
naar de maat van leerlingen in te zetten. Ze waren daarnaast onder de indruk
van de capaciteiten die de leerlingen zelf aan de dag legden, mede dankzij
de manier waarop deze leerlingen op hun talent en ambitie werden uitgedaagd.
Als zulke ervaringen de vrucht zijn van deze aanpak voor innovatie in het
voortgezet onderwijs, dan ga ik graag op deze voet verder.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,</functie>
        <naam>M. J. A. van der Hoeven</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>