﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29754-97/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2006-2007</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="v2_9__3.8" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST106825</ordernr>
    <vergjaar>2006-2007</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 754</nummer>
      <naam>Terrorismebestrijding</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>97</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTERS VAN JUSTITIE EN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>25 april 2007</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hierbij bieden wij u een samenvatting aan van het Dreigingsbeeld Terrorisme
Nederland (DTN) van maart 2007. Het DTN wordt vier keer per jaar opgesteld
door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en is in eerste instantie
bedoeld voor de Raad voor de Nationale Veiligheid. Het DTN wordt ook besproken
met de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van uw Kamer.
Twee keer per jaar wordt een samenvatting van het DTN opgenomen in de halfjaarlijkse
voortgangsrapportage terrorismebestrijding. Aangezien de volgende voortgangsrapportage
pas eind mei van dit jaar naar uw Kamer zal worden gestuurd, hebben wij ervoor
gekozen uw Kamer via deze weg te informeren over de inhoud van het meest recente
DTN. In de eerstkomende voortgangsrapportage zal een samenvatting van het
dan actuele DTN worden opgenomen en zal ook worden ingegaan op mogelijke beleidsimplicaties
van het DTN.</al>
      <ondtek>
        <functie>De minister van Justitie,</functie>
        <naam>E. M. H. Hirsch Ballin</naam>
        <functie>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</functie>
        <naam>G. ter Horst</naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland maart 2007</tuskop>
      <al>Het meest opvallende kenmerk van het nieuwste dreigingsbeeld is de conclusie
dat het dreigingsniveau naar beneden wordt bijgesteld: van substantieel naar <nadruk type="cur">beperkt</nadruk>. Het niveau «beperkt» betekent dat
de kans op een terroristische aanslag relatief gering is, doch zeker niet
geheel valt uit te sluiten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten tijde van de arrestatie van Samir A. en de moord op Theo Van Gogh
in 2004 was sprake van een concrete<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref> terroristische
dreiging richting Nederland. Ook latere arrestaties van leden van lokale netwerken
onderstreepten dit. Bij deze concrete dreiging kwam een aanzienlijke potentiële<voetref refid="v2.2" nr="2"></voetref> dreiging, die voortvloeide uit bijvoorbeeld de aanslagen
in Madrid in maart 2004. Bij deze potentiële dreiging speelde ook het
internationale profiel van Nederland een rol vanwege, met name, de aanwezigheid
van Nederlandse militairen in Irak en later Afghanistan. Andere belangrijke
elementen van het dreigingsbeeld vormden de radicalisering van jonge moslims,
de polarisatie in de Nederlandse samenleving die aan radicalisering voeding
zou kunnen geven, de mogelijke terugkeer van Irak-jihadisten naar Europa en
de mogelijke <nadruk type="cur">comeback</nadruk> van de kern van al Qa’ida.
Ten slotte vonden enkele aanvullende onzekerheidsfactoren hun basis in recentere
incidenten in Europa en Canada, waardoor duidelijk werd dat veel gebeurtenissen
in de wereld door jonge jihadisten als sleutelgebeurtenissen kunnen worden
ervaren, dat zij pragmatisch zijn in hun doelwitselectie en dat netwerkvorming
zeer snel kan plaatsvinden. Het internet faciliteert hen in al die facetten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de voorgaande dreigingsbeelden is de bovenstaande mix van gegevens
telkens opnieuw gewogen, waarbij de balans steeds doorsloeg naar het dreigingsniveau «substantieel».
Binnen de bandbreedte «substantieel» was in de loop van de tijd
wel sprake van verschuivingen in het onderlinge gewicht dat werd toegekend
van deze factoren. Sinds dreigingsbeelden uit oktober 2006 leek sprake van
een afname van de concrete dreiging in Nederland die zich doorzette. Hierdoor
verschoof het zwaartepunt van de dreigingsafweging naar de potentiële
dreiging, onder andere vanuit de aanwezige radicalisering in Nederland, alsmede
naar de internationale context en het internationaal profiel van Nederland.
Naast deze afname van de concrete binnenlandse dreiging, die vermoedelijk
van langere duur zou zijn, bleken potentiële dreigingen zich niet te
concretiseren. Daarbij komt, dat de weerstand binnen de moslimgemeenschap
is toegenomen.</al>
      <al>Deze tendens heeft nu uiteindelijk geleid tot het terugbrengen van het
dreigingsniveau naar «beperkt». De belangrijkste risico’s
die zich daarbij voordoen liggen nu in de sfeer van de onvoorspelbaarheid
van incidentele gewelddaden, in de langetermijnrisico’s van de nog steeds
voortschrijdende radicalisering en de mogelijke verscherping van het internationale
profiel van Nederland.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het dreigingsniveau «beperkt» is een algemene indicatie van
het dreigingsniveau voor Nederland. Het terugbrengen van het dreigingsniveau
heeft geen directe gevolgen voor concrete beveiligingsmaatregelen en mag die
ook niet hebben. Voor de bepaling van dergelijke maatregelen worden andere
systematieken gehanteerd, namelijk het Alerteringssysteem Terrorismebestrijding
en het Stelsel Bewaken &amp; Beveiligen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De belangrijkste elementen van het huidige dreigingsbeeld zijn:</al>
      <tuskop letat="cur">Nationaal</tuskop>
      <al>De situatie rond de gekende jihadistische netwerken in Nederland is opnieuw
als vrij rustig te omschrijven. Een verschijnsel dat in oktober 2006
al voorzichtig werd beschreven blijkt een trend. Zowel door overheidsingrijpen
als door gebrek aan leiderschap en interne verdeeldheid zijn enkele van deze
netwerken uiteengevallen, terwijl bij nog bestaande netwerken sprake is van
een kloof tussen het jihadistische ideaal en de praktijk.</al>
      <al>Hierbij mag worden aangenomen dat het overheidsingrijpen, met als sluitstuk
veroordelingen, plaatsing op de EU-terrorismelijst en (vooral) uitzettingen,
een zekere afschrikkende werking heeft en daardoor een remmende invloed heeft
op nieuwe aanwas.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast is zichtbaar dat personen die zich schuldig maken aan (het dreigen
met) geweld, hun daad impliciet of expliciet in verband brengen met een geradicaliseerde
visie op geloof en samenleving. Sommigen van hen doen dit echter niet zozeer
vanuit een religieuze motivering, maar handelen vanuit frustratie of verkeren
in een staat van psychische verwarring. Door naar hun islamitische achtergrond
te verwijzen, lijken zij hun daden ten opzichte van henzelf en hun sociale
omgeving te legitimeren.</al>
      <tuskop letat="cur">Radicalisering</tuskop>
      <al>Het salafistische gedachtegoed – dat voor sommige individuele personen
een opstap kan vormen naar radicalisering en een mogelijke ontwikkeling richting
bereidheid tot geweld – heeft in 2005 en 2006 sterk aan invloed gewonnen
in Nederland. De belangrijke salafistische centra in Nederland spelen een
grote rol in de verspreiding van dit gedachtegoed. Zij proberen actief moskeeën
elders in het land ideologisch te beïnvloeden en soms ook gematigde moskeeën
daadwerkelijk over te nemen. Opvallend hierbij is dat salafisten steeds meer «taal»
als instrument gebruiken om het salafisme te verspreiden. In 2006 is gerapporteerd
dat salafisten de Nederlandse taal gebruiken om moslimjongeren – die
veelal de Arabische taal niet machtig zijn – aan zich te binden. Blijkbaar
wordt deze strategie nu ingezet om de salafistische boodschap ook bij andere
doelgroepen (in de Turkse taal en voor Berberstaligen) over te brengen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Los van de verbreiding van het salafisme is er sprake van een levendige
jeugd- en internetcultuur waarin vooral de polemiek tussen sympathisanten
van de gewelddadige en niet-gewelddadige jihad opvalt. Op het internet verheerlijken
en legitimeren leden van eerstgenoemde groep de jihadstrijd en het martelaarschap
in verschillende topics. Het modieus worden van orthodoxe en zelfs extremistische
varianten van de islam betekent dat deze varianten kwetsbaar worden voor vervlakking
en dat deze varianten op termijn zelfs uit de mode kunnen raken. Daartegenover
staat dat deze jeugdsubcultuur de radicale islam en zijn ideeën laagdrempelig
kan maken voor jongeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De uitbreiding van het salafisme noch de genoemde jeugdcultuur lijken
op dit moment echter te leiden tot meer dan incidentele doorradicalisering
naar een grotere bereidheid tot geweld. Deze conclusie wordt ondersteund door
de afname van de concrete terroristische dreiging in Nederland.</al>
      <tuskop letat="cur">Internationaal</tuskop>
      <al>Noord-Afrika speelt een belangrijke rol in het internationale dreigingsbeeld,
met potentiële uitstraling naar Europa en in zekere mate ook naar Nederland.
Zo lijken de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla in Marokko een belangrijk mobilisatiethema
te zijn geworden voor de jihadistische beweging. Zawahiri maakte gewag van
de Spaanse enclaves als «bezet islamitisch land». Na de officiële
erkenning van de aansluiting van de Algerijnse terroristische «Groupe
Salafiste pour la Prédication et le Combat» (GSPC) bij al Qa’ida,
volgde eind januari de bevestiging dat de GSPC zich voortaan de «al
Qa’ida Organisatie in de Islamitische Maghreb» noemt.</al>
      <al>De organisatie richt zich op de «afvallige regimes» in Noord-Afrika
en de «kruisvaarders» in Europa en de VS.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zeker na de formele aansluiting bij al Qa’ida en de naamswijziging
zal de organisatie extra gemotiveerd zijn om een daad te stellen en te laten
zien dat ze ook daadwerkelijk een rol van betekenis kunnen spelen in de internationale
jihad. Tevens bestaat het beeld dat Noord-Afrikaanse netwerken zoals de GSPC
deels uit pragmatisme hun operationele activiteiten momenteel vooral in de
eigen regio opvoeren: regionale aanslagen vergen doorgaans minder voorbereidingen
dan transnationale. De verwachting is dat, wanneer dergelijke netwerken zich
daadwerkelijk door middel van aanslagen in Europa manifesteren, zij eerder
actief zullen worden in bijvoorbeeld Spanje of Frankrijk dan in Nederland.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een eventueel herstel van de slagkracht van al Qa’ida is vooralsnog
zichtbaar in Pakistan. De dreiging vanuit al Qa’ida richting Europa
lijkt zich daarmee nog steeds enkel te manifesteren in het Verenigd Koninkrijk,
gelet op de bevolkingssamenstelling aldaar. Er zijn weinig concrete zaken
die de stelling ondersteunen dat vanuit de overblijfselen van al Qa’ida
een directe en concrete dreiging tegen Nederland uitgaat.</al>
      <al>Al met al zal de dreiging van al Qa’ida richting het Europese vasteland
het meest waarschijnlijk verlopen via Noord-Afrikaanse netwerken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een potentiële verstoring van het huidige dreigingsbeeld wordt vooral
gevormd door enerzijds een mogelijke wijziging in negatieve zin in het internationale
profiel van Nederland. Dat zou kunnen optreden onder invloed van negatieve
ontwikkelingen rond de Nederlandse inzet in Afghanistan. Anderzijds geldt,
dat in eerdere dreigingsbeelden de nodige aandacht is geweest voor de lessen
uit het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Denemarken: de vele sleutelgebeurtenissen,
snelle doorradicalisering en netwerkvorming, alsmede pragmatische doelwitselectie
en handelen uit emotie. Hoewel op dit moment niet zichtbaar ten aanzien van
de Nederlandse situatie, valt niet uit te sluiten dat netwerken of individuen
worden getriggerd door actuele ontwikkelingen in of ten aanzien van Nederland,
bijvoorbeeld over het debat over de islam.</al>
      <tuskop letat="cur">Polarisatie en extremisme</tuskop>
      <al>Polarisatie, interetnisch geweld en xenofobie blijven onverminderd zorgelijk
voor de cohesie in de samenleving, omdat zij het wij/zij-denken tussen groepen
in de samenleving versterken. Deze factoren vormen momenteel echter geen component
van de terroristische dreiging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij diverse individuen en ongeorganiseerde groepjes jongeren is momenteel
sprake van sterk nationalistische of xenofobe ideeën, die in toenemende
mate ook tot uitdrukking komen in bedreigingen en openlijke geweldplegingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het aantal interetnische conflicten is wederom toegenomen. Deze ontwikkeling
heeft een niet te negeren invloed op processen van polarisatie en radicalisering.
Diverse recente onderzoeken naar extremisme, racisme en gevoelens van etnische
dreiging bevestigen het bestaan van een kloof tussen bevolkingsgroepen. Echter,
in tegenstelling tot wat vaak wordt verondersteld, lijkt er géén
sprake te zijn van een trendbreuk sinds de aanslagen van 11 september
2001 en de moord op Fortuyn en Van Gogh. Wellicht dat de neiging tot etnische
distantie zich al langere tijd voordeed dan algemeen werd verondersteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De omvang van ongeorganiseerd extreemrechts is in deze rapportageperiode
toegenomen. Enkele extreemrechtse internetpagina’s publiceren strijdlustige
uitspraken. Blood &amp; Honour trekt momenteel veel aandacht, werft
aanhang en deinst niet terug voor openlijk vertoon van fascistische ideeën.
Ook worden confrontaties met antifascisten niet uit de weg gegaan, waarbij
wel bedacht moet worden dat ook van antifascistische zijde deze confrontaties
soms, al dan niet op heimelijke provocatieve wijze, gezocht worden.</al>
      <tuskop letat="vet">Weerstand</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Weerbaarheid</tuskop>
      <al>Het afgelopen jaar heeft een toename laten zien van de weerstand van de
moslimgemeenschappen in Nederland tegen radicalisering en geweld uit naam
van de islam. Gematigde, maar ook meer orthodoxe gelovigen, nemen steeds meer
afstand van gewelddadige islamitische stromingen. Dit is eveneens zichtbaar
op het internet. Ook erkennen steeds meer moskeeën en moslimorganisaties
het probleem van radicalisering in eigen kring. Deze ontwikkeling zet ook
nu door.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ondanks de druk op de salafistische moskeeën is in het afgelopen
jaar het zelfvertrouwen van de salafistische centra en de ideologische beïnvloeding
vanuit de moskeeën onverminderd toegenomen. De moskeeën zijn erin
geslaagd hun organisatiegraad te verhogen en spelen daarmee ook in op een
groeiende behoefte onder moslims naar kennis over de islam. Er komt steeds
duidelijker een nieuwe jonge generatie van salafistische predikers in beeld
die niet alleen zeer actief is bij de verspreiding van het niet-gewelddadige
salafisme, maar die eveneens goed op de hoogte is van de spelregels van de
Nederlandse rechtsstaat. De mogelijkheden van de overheid om de verspreiding
van dit salafistisch gedachtegoed met een anti-integratieve en isolationistische
boodschap in Nederland in te dammen zijn tot op heden dan ook beperkt geweest.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Opvallend is dat er steeds meer concurrerende beelden ontstaan over de
belangrijkste salafistische moskeeën in Nederland. Het eerste –
en reeds langer aanvaarde – beeld is dat van moskeeën die een ideologie
uitdragen, die op de langere termijn de democratische rechtsorde kan aantasten.
Dit is een beeld dat geschetst wordt door vooral de (nationale) overheid.
Het tweede beeld is dat van moskeeën die hun orthodoxe signatuur niet
ontkennen maar tegelijkertijd benadrukken niets met radicalisme van doen te
willen hebben. De moskeeën stellen zich ook steeds meer open voor hun
omgeving. Het ontstaan van concurrerende beelden wordt versterkt doordat steeds
meer onderzoeksbureaus en journalisten onderzoek verrichten naar de wijze
waarop het salafisme zich in Nederland manifesteert. De verschillende beelden
kunnen op termijn de <nadruk type="cur">sense of urgency</nadruk> doen afnemen,
vooral omdat sommige medewerkers van de politie, het gemeentelijke apparaat
en de omgeving van de salafistische centra de radicaliseringstendensen niet
(altijd) feitelijk kunnen waarnemen.</al>
      <tuskop letat="cur">Tegenmaatregelen</tuskop>
      <al>In het afgelopen jaar zijn in het kader van de aanpak van enkele radicale
salafistische moskeeën op zowel nationaal als lokaal niveau diverse maatregelen
uitgevoerd. De toegenomen druk vanuit de overheid in combinatie met de maatschappelijke
aandacht voor deze moskeeën, leidt er nog steeds toe dat de moskeeën
zich in het openbaar gematigd opstellen. Hoewel sommige imams nog steeds controversiële
uitspraken doen, heeft de radicale boodschap wel een kleiner bereik gekregen
omdat niet elke moskeebezoeker nu met deze boodschap wordt geconfronteerd.
Een andere consequentie van deze meer gematigde opstelling is dat de meer
radicale jongeren sommige moskeeën de rug toe keren, hetgeen kan inhouden
dat in bepaalde gevallen het zicht op dergelijke jongeren vermindert.</al>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>Concrete dreiging (of: gekende dreiging): door veiligheidsautoriteiten
op netwerk- en/of persoonsniveau geïdentificeerde dreiging.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v2.2" nr="2">
    <al>Potentiële dreiging (of voorstelbare dreiging): gelet op de ervaringen
van 11 september 2001 niet uit te sluiten manifestatie van een dreiging waarvoor
bij veiligheidsautoriteiten echter geen concrete aanwijzingen beschikbaar
zijn.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>