﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29754-73/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2005-2006</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="wit.xns__3.5" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST98343</ordernr>
    <vergjaar>2005-2006</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 754</nummer>
      <naam>Terrorismebestrijding</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>73</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTERS VAN JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>7 juni 2006</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 5 december 2005 ontving uw Kamer de derde voortgangsrapportage
terrorismebestrijding<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref>. Nu bijna een half jaar
later is het tijd voor de vierde voortgangsrapportage. Deze bieden wij u in
de vorm van deze brief aan. De afgelopen periode hebben wij u op verschillende
momenten geïnformeerd over onderdelen van het antiterrorismebeleid en
onderwerpen die raken aan terrorismebestrijding. Zo ontving uw Kamer het <nadruk type="cur">Beleidskader aanpak radicaliseringshaarden<voetref refid="v1.2" nr="2"></voetref></nadruk>, een brief over de publiekscampagne <nadruk type="cur">Nederland
tegen terrorisme<voetref refid="v1.3" nr="3"></voetref></nadruk>, een samenvatting van
het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) februari 2006<voetref refid="v1.4" nr="4"></voetref> en de publicatie van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst
(AIVD) <nadruk type="cur">De gewelddadige jihad in Nederland<voetref refid="v1.5" nr="5"></voetref></nadruk>. Ook zijn voortgangsrapportages over CBRN terrorismebestrijding/rampenbestrijding<voetref refid="v1.6" nr="6"></voetref> en over de implementatie van de aanbevelingen van de
Commissie Toegangsbeheer Schiphol<voetref refid="v1.7" nr="7"></voetref> aan u aangeboden.
Tenslotte heeft de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties
uw Kamer geïnformeerd over de voortgang bij de intensivering van de samenwerking
tussen de landen van het Koninkrijkrijk bij de bestrijding van het internationale
terrorisme<voetref refid="v1.8" nr="8"></voetref>. In de vierde voortgangsrapportage
zullen wij bovengenoemde onderwerpen alleen behandelen, indien zich nadat
wij uw Kamer hebben geïnformeerd nog nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Net als voorgaande rapportages, zal ook de vierde beginnen met een samenvatting
van het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (mei 2006). Het
DTN wordt vier keer per jaar opgesteld door de Nationaal Coördinator
Terrorismebestrijding (NCTb) en valt onder zijn verantwoordelijkheid. Wij
hebben besloten om in vergelijking met vorige keren een uitgebreidere samenvatting
van het DTN op te nemen. Op deze manier krijgt uw Kamer een beter inzicht
in het huidige dreigingsniveau. Ook de eerder genoemde AIVD-publicatie <nadruk type="cur">De gewelddadige jihad in Nederland</nadruk> geeft inzicht in de
wijze waarop het jihadistisch terrorisme zich momenteel in ons land manifesteert
en in de factoren en ontwikkelingen die van invloed zijn op de
actuele en toekomstige dreiging vanuit het jihadistisch terrorisme.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Na de samenvatting van het DTN worden net als in voorgaande rapportages
de verschillende onderdelen van het antiterrorismebeleid, voor zover relevante
voortgang valt te melden, behandeld. Daarbij gaat het om tegengaan van radicalisering,
het creëren van een slagvaardige organisatie en instrumenten en het voorbereid
zijn op (de gevolgen van) een mogelijke aanslag. In deze rapportage is een
nieuwe paragraaf opgenomen over veiligheidsmaatregelen, waarin onder meer
aandacht voor het alerteringssysteem en bewaken en beveiligen. De rapportage
sluit af met paragrafen over communicatie en de internationale ontwikkelingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Conform de tijdens het algemeen overleg op 26 januari jongstleden
(kamerstuk 29 754, nr. 64) gedane toezegging, is bij deze voortgangsrapportage
weer een actiepuntenlijst gevoegd.<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref></al>
      <tuskop letat="vet">1. Samenvatting Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland
mei 2006</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Dreigingsniveau</tuskop>
      <al>Een combinatie van factoren, waarbij de dreiging wordt afgezet tegen de
weerstand, zorgt ervoor dat de terroristische dreiging voor Nederland nog
steeds substantieel is. Dat betekent dat er een reële mogelijkheid bestaat
dat er in Nederland een aanslag zal plaatsvinden. Bij deze afweging spelen
de volgende factoren een rol:</al>
      <al>Aan de dreigingskant wordt dit niveau internationaal primair bepaald door
het verloop van de strijd in Irak en de daaruit voortvloeiende veiligheidsrisico’s
voor het Westen. Maar ook de veiligheidssituatie in Afghanistan, het oplopende
conflict rond Iran, de prille activiteiten van transnationale netwerken in
Noord-Afrika, de virtuele netwerken op het internet en de snelle verspreiding
van de jihadistische ideologie dragen hiertoe bij. Voor Nederland werkt dit
in negatieve zin uit, omdat de hier actieve netwerken zich momenteel voor
hun motivatie en actiegerichtheid weer sterker dan voorheen ook internationaal
oriënteren. Daar komt bij dat ons land als bondgenoot van de VS en het
Verenigd Koninkrijk en wegens het felle islamdebat dat hier gevoerd wordt,
in de perceptie van radicale moslims als een vijand van de islam wordt beschouwd.
Dit negatieve beeld kan verder verslechteren omdat lokale kwesties, zoals
controversiële debatten of artistieke uitingen over de islam, internationaal
de aandacht trekken en in het perspectief geplaatst worden van een vermeende
aanval op de islam. Dergelijke zaken zijn koren op de molen van ultraorthodoxe
en radicale stromingen, zoals de salafistische, die in de Nederlandse context
momenteel zowel op het internet als in een steeds groter wordend aantal moskeeën
snel aan invloed winnen. Daarbij maken zij bij voorkeur gebruik van de Nederlandse
taal, waardoor een steeds grotere groep jonge moslims wordt bereikt met alle
radicaliseringsrisico’s van dien.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aan de weerstandskant wordt de waargenomen dreiging enigermate gecompenseerd
door een zich geleidelijk maar gestaag doorzettende bereidheid vanuit de islamitische
gemeenschap om de problemen van radicalisering en rekrutering te onderkennen
en tegen te gaan. Daartoe worden verschillende initiatieven genomen, waarbij
ook het bevorderen van Nederlandstalige diversiteit in het politiek-religieuze
debat als tegenwicht tegen radicale boodschappen steeds meer aandacht krijgt.
Inspanningen van de overheid om de terroristische dreiging te verminderen
zijn de afgelopen periode zichtbaar geworden door de veroordeling van verschillende
Hofstadverdachten, verstoring en waar mogelijk verwijdering van verschillende
risicopersonen uit ons land en een vergroting van de alertheid van de burgers
door middel van een publiekscampagne. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hieronder worden de voornaamste factoren die het huidige dreigingsbeeld
voor Nederland bepalen op hoofdlijnen toegelicht.</al>
      <tuskop letat="cur">Terrorisme en rekrutering</tuskop>
      <al>De aanzienlijke dreiging van binnenlandse netwerken beïnvloedt onverminderd
het dreigingsbeeld. Hierbij valt op dat dergelijke binnenlandse netwerken
een meer internationaal georiënteerde agenda ontwikkelen. De aandacht
voor potentiële doelwitten zou van het binnenland kunnen verschuiven
naar het buitenland. Meer voor de hand liggend is echter, dat de internationale
agenda op de korte termijn naast de nationale agenda komt te staan. Een veiligheidsrisico
vormt de naar verwachting verhoogde professionaliteit van diverse netwerken
door inbreng van internationaal beschikbare expertise.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het risico dat terroristen zich in de toekomst zullen gaan bedienen van
niet-conventionele wapens (chemisch, biologisch, radiologisch of nucleair,
CBRN) wordt voor Nederland voor de korte termijn ingeschat als klein maar
reëel. De inschatting daarbij is dat het in dat geval vooralsnog zou
gaan om een kleinschalige aanslag met een beperkt aantal slachtoffers, maar
met een psychologisch gezien disruptief effect.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De afgelopen maanden lijkt er sprake te zijn van een opleving van jihadistische
activiteiten in Noord-Afrika en kan gesteld worden dat groeperingen aldaar
zich steeds meer richten op de mondiale jihad. Zo is sprake van een nieuw
transnationaal samenwerkingsverband tussen jihadistische netwerken, dat zich
onder andere lijkt toe te leggen op rekrutering van jihadstrijders voor de
strijd in Irak. Dit prille netwerk, de «al Qa’ida organisatie
in de Arabische Maghreb landen» is op dit moment nog bescheiden in omvang,
maar heeft aanhangers in Marokko, Mauritanië, Algerije, Tunesië
en Libië, maar legt zich ook toe op het werven van vrijwilligers in Europa.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot de internationale agenda is een voorzichtige accentverschuiving
in de propaganda van de verzwakte kern van al Qa’ida geconstateerd.
Kopstuk al-Zawahiri heeft moslims in de hele wereld opgeroepen om aanslagen
tegen het westen te plegen. Opmerkelijk is dat Al-Zawahiri de economie als
eerste front bestempelt, en daarbij tevens de inzet van de boycot als wapen
propageert. Hierdoor probeert hij naast radicaal-islamitische ook de meer
geweldloze moslims aan te spreken die eerder niet tot de potentiële aanhangers
van de ideologie van al Qa’ida behoorden. Overigens zou dit ook kunnen
wijzen op een zwakke positie van de kern al Qa’ida of het gebrek aan
aansturing van in potentie sterke aan al Qa’ida gelieerde netwerken.
Verijdelde aanslagen op olie-installaties in Saoedi-Arabië zouden een
gevolg kunnen zijn van deze accentverschuiving.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op het internet nemen jihadistische netwerken in toenemende mate hun toevlucht
tot gesloten websites en fora ten behoeve van hun communicatie, planning en
commandovoering. Het internet biedt ook mogelijkheden om virtuele netwerken
te vormen waarbij geen of nauwelijks fysiek contact vereist is. In dat geval
zouden niet alleen totaal nieuwe netwerken kunnen ontstaan, maar ook interacties
tussen diverse typen fysieke en virtuele netwerken kunnen toenemen. Vooralsnog
kent het ontstaan van zuiver virtuele netwerken echter zijn beperkingen. Leden
van virtuele netwerken zullen in de regel pas tot het ontplooien van gezamenlijke
activiteiten overgaan wanneer er sprake is van daadwerkelijk onderling vertrouwen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De internationale aantrekkelijkheid van Nederland als potentieel terroristisch
doelwit is onverminderd hoog. Nog steeds trekken ontwikkelingen rond terrorisme
en radicalisering in Nederland en het maatschappelijke debat hieromtrent internationaal
de aandacht en kunnen lokale kwesties ertoe leiden dat aanhangers van de radicale
islam in de hele wereld diverse dreigingen op het betreffende land projecteren.
Naar aanleiding van de crisis rond de publicatie van de Deense spotprenten
heeft zich de aflopen maanden, naast demonstraties in diverse landen, een
felle internationale discussie voorgedaan. Controversiële debatten of
artistieke uitingen over de islam in Nederland kunnen door radicale moslims
in het buitenland worden misbruikt om tegen Nederland in actie te komen. Het
beeld van de nog te produceren film Submission 2 is voor verschillende kringen
in de Arabische en Iraanse wereld nu al aanleiding om de blik op Nederland
te richten als potentieel doelwit van protestacties.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Sinds kort moet Europa tot slot ook weer rekening houden met een andere
dan de jihadistische manifestatie van terrorisme. In Turkije hebben Koerdische
separatisten diverse aanslagen gepleegd en loopt de spanning, die ook voelbaar
is binnen de Koerdische gemeenschap buiten Turkije, weer op.</al>
      <tuskop letat="cur">Internationale context</tuskop>
      <al>Het dreigingsbeeld voor Nederland is onlosmakelijk verbonden met internationale
ontwikkelingen omdat de dreiging voor Nederland tot op zekere hoogte een afgeleide
van de internationale dreiging. Hoewel een direct effect van aanslagen elders
niet altijd aanwijsbaar is, kan het jihadistische terrorisme in landen als
Irak, Afghanistan en Indonesië afbreuk doen aan westerse belangen. Zowel
rechtstreeks of indirect, vanwege het destabiliserende karakter op land en
regio en daarmee aan de internationale rechtsorde. Hier komt bij dat vooral
de toestand in Irak maar ook die in andere «brandhaarden» een
inspiratiebron is voor radicalisering in buiten- en binnenland. Verder gaat
vooral van Irak een «ideologische» wervingskracht uit waaruit
radicalisering in het westen zou kunnen voortvloeien. Voorts bestaat er een
gevaar van de «export» uit conflictgebieden van ervaren jihadistische
strijders alsmede nauwere contacten tussen nationale en transnationale terroristische
netwerken. Voor Nederland wordt in dit dreigingsbeeld een internationalisering
van de agenda van lokale netwerken geconstateerd, in aanvulling op de activiteiten
van transnationale netwerken. Om die redenen wordt er aandacht besteed aan
de ontwikkelingen in diverse regio’s in de wereld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In Irak groeit het vertrouwen van het verzet, en daarnaast neemt de kern
van het verzet voorlopig niet deel aan het politieke proces. Kortom, de impasse
en het conflict duren voort en de geschiedenis van asymmetrische oorlogsvoering
leert dat als een opstand «goed draait» het bijna onmogelijk is
om die met puur militaire middelen te stoppen. Daarnaast zou al Zarqawi ook
het noorden van de Sinaï, Egypte en Palestina tot strijdtoneel hebben
verklaard, en door al Qa’ida geïnspireerde organisaties zouden
hun activiteiten uitbreiden naar Libanon.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De veiligheidssituatie in Afghanistan is de afgelopen periode meer dan
op basis van seizoensinvloeden werd verwacht verslechterd. Het aantal zelfmoordaanslagen
in Afghanistan of meldingen over voorbereidingen van dergelijke aanslagen
was gedurende het begin van 2006 hoog. Afghanistan blijkt in toenemende mate
ook weer aantrekkingskracht uit te oefenen op buitenlandse zelfmoordterroristen.
Het optreden van de strijders lijkt te verschuiven van tamelijk defensief,
gericht op gebiedsbehoud, naar steeds offensievere acties met als doel het
controlegebied uit te breiden. Ook in de zuidelijke provincies, waar Nederlandse
troepen zijn en worden gestationeerd, respectievelijk Kandahar
en Uruzgan (Nederlandse deelname aan ISAF), was sprake van relatief veel gewelddadige
incidenten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er lijkt geen sprake te zijn van een concrete terroristische dreiging
tegen Nederlandse troepen in Bosnië en Kosovo. Wel blijft de regio interessant
voor terroristische organisaties. Jihadistische terroristen kunnen eenvoudig
aan wapens komen, zowel in Albanië als in Bosnië. Bovendien zijn
jihadistische netwerken van Bosniërs actief, die vertakkingen in heel
Europa hebben.</al>
      <tuskop letat="cur">Radicalisering</tuskop>
      <al>De dynamiek van radicaliseringsprocessen onder de minderheid van de totale
moslimbevolking en sommige bekeerlingen in Nederland is groot. Dit komt onder
andere tot uitdrukking door het verder oprukkende salafisme in een aantal
moskeeën. Inmiddels wordt steeds meer duidelijk waarneembaar dat er vanuit
de belangrijkste salafistische centra in Nederland actief wordt gepoogd moskeeën
elders in het land ideologisch te beïnvloeden. Vanuit salafistische centra
in Nederland worden lezingen georganiseerd in een groot aantal kleinere steden
door het hele land. Naast deze ideologische beïnvloeding trachten de
salafisten bovendien soms gematigde moskeeën daadwerkelijk over te nemen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De meeste tweede en derde generatie moslimjongeren in Nederland zijn de
Arabische taal niet machtig, maar hebben wel een groeiende behoefte aan kennis
over de islam. Salafistische predikers hebben op deze behoefte ingespeeld
en verzorgen met veel succes in het hele land lezingen in het Nederlands.
Het gebruik van de Nederlandse taal vormt een belangrijke factor voor het
succes dat salafisten hebben bij de jongeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op het internet speelt zich een vergelijkbare ontwikkeling af. Zowel het
naar het Nederlands vertaald jihadistisch materiaal als ook het aantal Nederlandstalige
websites met radicale inslag is in de afgelopen periode in aantal toegenomen.
Deze ideologische beïnvloeding via internet en overname van moskeeën
door salafisten is een zorgelijke ontwikkeling, omdat dit de salafistische
krachten de mogelijkheid geeft hun antiwesterse en anti-integratieve retoriek
aan een breder publiek over te brengen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het aantal meldingen van de politie over personen die een radicaliseringsproces
door zouden maken blijft stabiel. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het
om niet nader geanalyseerde signalen gaat. Het aantal meldingen over mogelijke
radicalisering onder personeel binnen de krijgsmacht neemt geleidelijk toe.
Ook zijn er aanwijzingen dat defensiepersoneel in contact staat met radicale
groeperingen en instanties, zoals enkele islamitische stichtingen en moskeeën,
dan wel daarin participeren. De signalering van radicalisering binnen de krijgsmacht
kan overigens ook het gevolg zijn van een toenemende alertheid binnen de krijgsmacht
en hoeft niet noodzakelijkerwijs het gevolg te zijn van een toename van radicalisering.
Over andere delen van de overheid zijn nauwelijks gegevens betreffende potentiële
radicalisering beschikbaar.</al>
      <tuskop letat="cur">Polarisatie</tuskop>
      <al>De Deense cartoonkwestie leert dat zelfs op het oog lokale incidenten
en kwesties in een kort tijdsbestek kunnen leiden tot heftige mondiale spanningen
tussen moslims en niet-moslims alsmede tussen moslimgroepen onderling. Hoewel
de Deense spotprenten niet tot veel openlijk, laat staan gewelddadig protest
in Nederland hebben geleid, neemt dit niet weg dat de cartoons
door een groot gedeelte van de Nederlandse moslims wel werden afgekeurd. Orthodoxe
moslimkringen hebben op meer verontwaardigde toon gereageerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij niet-moslims kunnen de beelden van woedende menigtes in verschillende
landen in het Midden-Oosten bijdragen aan negatieve beeldvorming over moslims
en angst voor «de» islam. Bovendien zien sommigen de wereldwijde
protesten als een mogelijke bedreiging van de vrijheid van meningsuiting.
Ten gevolge van de Deense cartoonrel is het aantal meldingen van discriminatie
op het internet sterk gestegen. Het betreft met name discriminerende opmerkingen
die voortkomen uit discussies tussen moslims en joden, mede veroorzaakt doordat
de Arabisch Europese Liga (AEL) anti-joodse cartoons op haar eigen website
had geplaatst.</al>
      <tuskop letat="cur">Weerstand</tuskop>
      <al>De in het vorige dreigingsbeeld gesignaleerde trend van een toenemende
weerbaarheid van moslims zet zich door. Verschillende onderzoekers op het
terrein van radicalisme en terrorisme zien politieke participatie van moslimjongeren
als een uitweg voor radicalisering. De gedachte hierachter is dat de woede
en frustraties die heersen bij een deel van de moslimjongeren in Europa via
de politiek gekanaliseerd kunnen worden. De groeiende betrokkenheid van moslims
in Nederland bij de politiek, zoals die zich bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen
heeft gemanifesteerd, kan in dit licht dan ook gezien worden als een positieve
ontwikkeling. In laatste instantie zou deze ontwikkeling kunnen leiden tot
duurzame politieke emancipatie van de betreffende bevolkingsgroepen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om aan het oprukkende salafisme in Nederland tegenwicht te bieden en de
massaal wegblijvende jongeren te bereiken, hechten verschillende gematigde
moskeeën er steeds meer belang aan dat hun imams de Nederlandse taal
machtig zijn. Een dergelijk «taaloffensief» krijgt extra belang
als onderdeel van het kunnen laten horen van een inhoudelijk tegengeluid en
het bevorderen van Nederlandstalige diversiteit in het politiek-religieuze
debat tegenover de vele antiwesterse, anti-integratieve of jihadistische uitingen
op internet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De effecten van de door de overheid genomen tegenmaatregelen op het dreigingsbeeld
zijn wisselend. De op 27 februari gelanceerd publiekscampagne «Nederland
tegen terrorisme» lijkt gunstig uit te pakken. Eerste resultaten van
het onderzoek naar de waardering van de campagne wijzen erop dat beheerst
en nuchter is gereageerd. Het aantal meldingen bij Misdaad Anoniem is sinds
het begin van de campagne licht gestegen. Voor het dreigingsbeeld betekent
dit, dat de alertheid en weerbaarheid enigermate lijkt te zijn verhoogd, maar
dat dit niet ten koste is gegaan van een toename van onveiligheidsgevoelens
onder of polarisatie tussen bevolkingsgroepen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het vonnis inzake het Hofstadnetwerk is een tegenslag voor het netwerk,
omdat leden tot celstraf zijn veroordeeld voor terroristische misdrijven.
Vooralsnog wordt geen extra radicalisering binnen lokale Nederlandse netwerken
waargenomen die met het vonnis in verband kan worden gebracht. Overigens heeft
dit vonnis niet geleid tot ophef in bredere moslimkringen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de financiering van terrorisme treden geleidelijk wijzigingen op. Zo
is er een verandering in de geldstromen ten behoeve van terrorisme waar te
nemen van enkele grote naar letterlijke honderden kleine transacties. Bovendien
gaat het bij de feitelijke financiering van de aanslagen, zoals onder
meer uit onderzoek na de aanslagen in Madrid en Londen is gebleken, voornamelijk
om kleine bedragen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De internationale strijd tegen het terrorisme heeft wel repercussies voor
het dreigingsbeeld en beïnvloedt in afgeleide zin ook de beeldvorming
van Nederland als onderdeel van de internationale coalitie tegen het terrorisme
negatief. De afgelopen maanden hebben nieuwe beelden van mishandeling van
gevangenen in de Iraakse Abu Ghraib gevangenis de beeldvorming van moslims
negatief beïnvloed. De behandeling van de gedetineerden in Guantanomo
Bay, de beelden van mishandelingen van Irakese burgers door ontspoorde Britse
soldaten en de voortdurende berichtgeving over geheime CIA-vluchten en CIA-detentiecentra
in Europa, hebben de internationale coalitie tegen terrorisme in verlegenheid
gebracht. Dergelijke berichtgeving beïnvloedt de meningsvorming over
en het draagvlak voor het militair optreden van de coalitie. Ook door gezaghebbende
wetenschappers zijn diverse kritische kanttekeningen geplaatst.</al>
      <tuskop letat="vet">2. Tegengaan radicalisering</tuskop>
      <al>Het DTN laat duidelijk het belang zien van het vroegtijdig signaleren
en tegengaan van radicaliseringsprocessen. Het kabinet zet daarom de in de
nota’s «Radicalisme en radicalisering»<voetref refid="v7.1" nr="1"></voetref>, «De lokale en justitiële aanpak van radicalisme en radicalisering»<voetref refid="v7.2" nr="2"></voetref> en«Weerbaarheid en Integratiebeleid» TK 2004–2005,
29 754, nr. 27, voorgestelde wijze waarop de overheid en de samenleving
radicalisering tegengaan, voort. Het beleid is gestoeld op drie sporen, te
weten: versterken van de binding aan de samenleving, het vergroten van de
weerbaarheid van de samenleving en het actief ingrijpen. De uitwerking van
dit driesporenbeleid vindt plaats in samenspraak met betrokken ministeries,
gemeenten en maatschappelijke organisaties.</al>
      <tuskop letat="cur">Uitvoering van beleid</tuskop>
      <al>Beleid op het gebied van versterken van de binding en het vergroten van
de weerbaarheid van kwetsbare groepen in onze samenleving wordt gecoördineerd
door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Het afgelopen jaar
is gestart met de uitvoering van het beleid uit de nota «Weerbaarheid
en Integratiebeleid» van genoemde minister. Expertisecentra, minderheden-
en moslimorganisaties hebben activiteiten ondernomen om de weerbaarheid van
vooral moslimjongeren te versterken. Dit zijn activiteiten als debatten over
radicalisering, georganiseerd door studenten- en jongerenverenigingen, studiedagen
voor imams en moskeebesturen en bijscholingsbijeenkomsten voor korandocenten.
De activiteiten worden grotendeels met de (jongeren)organisaties zélf
georganiseerd. Hierdoor wordt actief burgerschap binnen deze groepen versterkt.
Door de activiteiten ontstaat geleidelijk een web van welwillende partners
binnen de diverse gemeenschappen, instellingen en overheden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een ander gerealiseerd onderdeel van de nota «Weerbaarheid en Integratiebeleid»
zijn de expertisebijeenkomsten voor bestuurders, gemeenten, scholen en instellingen
binnen de justitiële (jeugd)keten. Ook is het onderzoek door de Universiteit
van Amsterdam naar de politieke socialisatie van democratische en radicale
moslimjongeren afgerond. Dit onderzoek zal vóór de zomer aan
uw Kamer worden gezonden. </al>
      <tuskop letat="cur">Lokale aanpak</tuskop>
      <al>De nota «Lokale en justitiële aanpak van radicalisme en radicalisering»
benadrukt het belang van betrokkenheid van lokale overheden bij het tegengaan
van radicalisering. Steeds meer gemeenten zijn zich bewust van de noodzaak
van beleid om radicalisering aan te pakken. Inmiddels hebben niet alleen de
vier grote gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag specifiek beleid
ten aanzien van radicalisering, maar zijn ook andere kleinere gemeenten zoals
Ede en Helmond begonnen met beleidsontwikkeling op het gebied van de aanpak
van radicalisering. Voor deze aanpak is van groot belang dat er vanuit verschillende
invalshoeken, zoals jongerenwerk, veiligheid en integratie, op een gebalanceerde
manier wordt samengewerkt. Tevens zijn meerdere gemeenten bezig met het ontwikkelen
van een gemeentelijk informatie analysepunt waar informatie over radicalisering
in de stad of regio aan elkaar wordt gekoppeld en geanalyseerd. Van belang
hierbij is dat de ontwikkeling van een dergelijk informatiepunt in nauwe samenwerking
tussen bestuursdiensten en regiokorpsen van de politie geschiedt. De analyses
die in een informatiepunt worden opgesteld kunnen vervolgens worden gebruikt
bij de gemeentelijke beleidsontwikkeling over de aanpak van radicalisering
en terrorismebestrijding. De NCTb vervult hierbij een stimulerende, faciliterende
en adviserende rol. Zo heeft de NCTb een «Handreiking terrorismebestrijding
op lokaal niveau» ontwikkeld, met aanknopingspunten voor het vormgeven
van beleid inzake radicalisering en terrorismebestrijding op lokaal niveau<voetref refid="v8.1" nr="1"></voetref>. Deze publicatie is op 1 maart 2006 tijdens een
bestuurlijk symposium aan lokale overheden gepresenteerd en inmiddels aan
alle lokale overheden toegezonden. Ook vanuit de AIVD zijn de contacten met
het lokaal bestuur geïntensiveerd. Enkele burgemeesters van gemeenten
waar serieuze problemen rondom radicalisering zijn gesignaleerd, zijn uitvoerig
geïnformeerd over radicaliseringsprocessen in hun gemeenten. Daarnaast
zal spoedig een algemene voorlichtingsmiddag worden georganiseerd voor burgemeesters
van gemeenten waar radicale predikers actief zijn en radicalisering wordt
waargenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het beleid uit de nota’s «Radicalisme en radicalisering», «Lokale
en justitiële aanpak» en «Weerbaarheid» wordt door
de betreffende organisaties opgepakt. Hierbij komt het aan op de uitvoering
van dit beleid en een doeltreffende samenwerking tussen de landelijke en lokale
overheden. Onderzoek naar het fenomeen en de ontwikkelingen blijven van belang.
In dit kader voert de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een onderzoek
uit naar interetnische verhoudingen in het onderwijs. Uw Kamer zal hierover
door de minister van Onderwijs op een later tijdstip worden geïnformeerd.
Daarnaast vindt in mei van dit jaar een eerste evaluatie plaats van de diverse
programma’s en projecten voortvloeiend uit de nota «Weerbaarheid
en Integratiebeleid». De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie
zal de Kamer meer in detail informeren over de voortgang van de uitvoering
van het beleid. Een overzicht van de initiatieven van op Europees niveau op
het gebied van tegengaan van radicalisering is te vinden in de paragraaf over
internationale ontwikkelingen.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanpak radicaliseringshaarden</tuskop>
      <al>Aansluitend op de derde voortgangsrapportage waarin wij ingingen op de
stand van zaken rond de aanpak van radicaliseringshaarden, hebben wij op 22 december
2005 uw Kamer het <nadruk type="cur">Beleidskader Aanpak radicaliseringshaarden</nadruk> toegezonden. Het beleidskader behandelt de belangrijkste elementen
van de aanpak en schept helderheid over de juridische uitgangspunten en de
verantwoordelijkheden van de landelijke en lokale overheden. Ook wordt aandacht
besteed aan de spanning tussen de fundamentele vrijheidsrechten
en de aanpak van radicale uiting(s)vorm(en). Het beleidskader is ontwikkeld
in samenwerking met diverse instanties en de lokale overheid en biedt de gewenste
waarborgen bij de aanpak van radicaliseringshaarden. Op 15 februari 2006
zijn leden van de vaste kamercommissies voor Justitie en Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties van uw Kamer in een briefing door de NCTb nader geïnformeerd
over de aanpak van radicaliseringshaarden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de afgelopen periode hebben de verschillende landelijke en lokale instanties
de uitwerking van het beleidskader ter hand genomen. Er zijn nadere afspraken
gemaakt over de rolverdeling en de wijze van monitoring van de uitvoering
en effecten van de maatregelen. Betrokken instanties hebben bepaald welke
activiteiten zij richting de betreffende haarden zullen ontplooien In verband
met operationele redenen kunnen wij niet op de inhoud van deze maatregelen
ingaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De ontwikkelingen worden door de betrokken partijen nauwlettend gevolgd.
Dit heeft de afgelopen periode geresulteerd in het opstellen van een multidisciplinaire
analyse van een nieuwe radicaliseringshaard. Op basis van deze analyse wordt
nu in overleg met de lokale en landelijke instanties de te volgen aanpak bepaald.
Daarnaast wordt de, in de samenvatting van het DTN genoemde, uitbreiding van
het salafisme naar andere centra in Nederland in de gaten gehouden. Indien
deze verspreiding tot gevolg heeft dat elders radicaliseringsprocessen worden
gesteund of gestimuleerd dan behoort de multidisciplinaire landelijke en lokale
aanpak tot de mogelijkheden. In de tweede helft van 2006 worden de multidisciplinaire
analyses van de bestaande radicaliseringshaarden geactualiseerd. Aan de hand
van de bevindingen uit deze actualisatie wordt bezien of en in hoeverre de
genoemde gecoördineerde aanpak tussen lokale en landelijke diensten dient
te worden voortgezet.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanpak gebruik internet en satellietzenders voor radicale
en terroristische doeleinden</tuskop>
      <al>De aanpak die het afgelopen jaar ter bestrijding van radicale en terroristische
uitingen op het internet in gang is gezet, wordt dit jaar verder vorm gegeven.
De essentie van de aanpak bestaat uit het verkrijgen van inzicht in de problematiek
en het gelijktijdig ondernemen van verschillende activiteiten ter bestrijding
van die problematiek. Samenwerking tussen overheid en private partners is
daarbij het uitgangspunt. De aanpak richt zich op monitoring, het vormgeven
en versterken van surveillance, alsmede opsporing op het internet. Ook wordt
bezien op welke wijze radicale en terroristische uitingen effectief van het
internet kunnen worden verwijderd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit voorjaar is het Meldpunt Cybercrime gestart. Hier kan onder meer melding
worden gemaakt van radicale en terroristische uitingen op het internet. Meldingen
die bij het meldpunt binnenkomen, worden door medewerkers van de politie beoordeeld
op hun behandelbaarheid en al dan niet doorgestuurd naar de participerende
organisaties; politie, openbaar ministerie en AIVD. Voor deze organisaties
kan een melding aanleiding vormen voor nader onderzoek of worden betrokken
in een lopend onderzoek. Over een jaar wordt de werking van het meldpunt geëvalueerd
en zal een beslissing volgen over verdere continuering en structurele financiering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ter versterking van monitoring, surveillance, opsporing, alsmede verwijdering
van uitingen op het internet lopen diverse pilot-projecten bij politie, OM
en private partijen. Deze projecten zijn gericht op intensivering van
de inspanningen van deze partijen en het vergroten van de effectiviteit van
de door hen gevolgde werkwijzen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Behalve deze meer nationaal georiënteerde initiatieven vormt de totstandbrenging
van een aanpak binnen Europees verband op het terrein van internet en terrorisme, één
van de voornaamste aandachtsvelden. In eerste instantie gaat het dan om versterking
van de samenwerking binnen het verband van de Europese Unie (EU). Hierbij
wordt onder andere aandacht besteed aan intensivering van monitoring, alsmede
uitwisseling van informatie en best practices. Intensivering van een Europese
aanpak dient aan te sluiten bij lopende EU-initiatieven enontwikkelingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Commissariaat voor de Media heeft in kaart gebracht in hoeverre in
Nederland buitenlandse (satelliet)zenders zijn te ontvangen die zich mogelijk
schuldig maken aan haatzaaien en geweldsoproepen. Het Commissariaat heeft
zich in deze inventarisatie beperkt tot díe zenders die naar alle waarschijnlijkheid
onder Nederlandse rechtsmacht, en daarmee onder Nederlands mediatoezicht,
vallen. Dit zijn satellietzenders die met gebruikmaking van Nederlandse frequenties
en capaciteit worden doorgegeven. Daarnaast heeft het Commissariaat op verzoek
van de NCTb nog enkele specifieke zenders in de inventarisatie betrokken vanwege
de negatieve publiciteit waarmee deze zenders al enige tijd zijn omgeven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals aangegeven tijdens het algemeen overleg met uw Kamer op 26 januari
jl. zijn de voornaamste conclusies van het onderzoek:</al>
      <al>1. dat er geen indicaties zijn dat buitenlandse zenders die aan Nederlands
toezicht zijn onderworpen, zich schuldig maken aan het oproepen tot haat en
geweld, noch aan antisemitische uitingen, maar:</al>
      <al>2. dat er – naast de inmiddels door de Franse toezichthouder CSA
geblokkeerde zenders Al Manar en Sahar TV1 – nog wel enkele andere zenders
in Nederland zijn te ontvangen die zich mogelijk schuldig maken aan het uitzenden
van antisemitische uitspraken en/of andere radicale uitingen. Dit zijn: het
Iranese Al Alam en het Saoedi-Arabische Art Iqraa.</al>
      <al>De Franse toezichthouder CSA houdt deze zenders nauwlettend in de gaten.
Het Commissariaat voor de Media onderhoudt contact met het CSA over déze
en overige zenders waarover klachten binnenkomen. De NCTb bekijkt per geval
in overleg met het Commissariaat in hoeverre de activiteiten van de Fransen
kunnen worden ondersteund.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Satelliettelevisie is net als het internet een medium met een uitgesproken
internationaal karakter. Dat raakt de kern van het probleem van de aanpak
van zenders die worden gebruikt voor radicale en terroristische doeleinden.
Ook al treft een lidstaat (zoals in dit geval Frankrijk) maatregelen en wordt
daarmee doorgifte via een Europese aanbieder gestaakt, dan nog kan doorgifte
via satellieten van niet-Europese aanbieders en/of via het internet niet worden
uitgesloten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Anticiperend op dit probleem bestaan binnen de Europese Unie wel voornemens
tot ontwikkeling van gemeenschappelijk buitenlands beleid tegenover derde
landen die doorgifte van extremistische uitzendingen naar Europa blijven faciliteren.
Bezien wordt in hoeverre Nederland hierin een aanjagende rol kan vervullen.
Vooralsnog stemmen de lidstaten kwesties en maatregelen af in de speciaal
daarvoor opgerichte werkgroep van Europese toezichthouders.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Behalve de inventarisatie van satellietzenders is onderzocht met behulp
van welk instrumentarium doorgifte van dergelijke zenders – die zich
schuldig maken aan verspreiding van haatzaaiende of anderszins extremistische
uitingen – in zijn algemeenheid kan worden beëindigd. Besloten is tot aanpassing van de Mediawet. De minister van Onderwijs Cultuur
en Wetenschappen werkt daartoe aan een aanpassingsvoorstel. Vanzelfsprekend
kan dit te ontwikkelen instrumentarium alleen worden toegepast indien de betreffende
zender aan Nederlands toezicht is onderworpen.</al>
      <tuskop letat="vet">3. Slagvaardige organisatie en instrumenten</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Uitbreiding KLPD</tuskop>
      <al>De vanwege de taakuitbreiding aangekondigde uitbreiding van het Korps
landelijke politiediensten heeft in 2005 plaatsgevonden via de inrichting
van nieuwe organisatieonderdelen als de Unit Contraterrorisme en -activisme
(UCTA) en uitbreiding van bestaande als de Dienst Koninklijke en Diplomatieke
Beveiliging (DKDB) en de Dienst Nationale Recherche Informatie (DNRI). De
taakuitbreiding van het KLPD omvat onder andere het opstellen van een criminaliteitsbeeldanalyse
(CBA) terrorisme, opsporingsonderzoeken terrorisme, structureel produceren
van kwalitatief goede dreigingsmeldingen, dreiginginschattingen en dreigingsanalyses
en persoonbeveiliging. Deze nieuwe taken worden vrijwel alle volgens de verwachting
van de opdrachtgever en/of afnemer uitgevoerd. De noodzakelijke personeelsuitbreiding
is nog niet volledig gerealiseerd. De arbeidsmarkt voor de benodigde expertises
is krap. Daarnaast is de lange doorlooptijd van de veiligheidsonderzoeken
een vertragende factor bij de aanstelling van personeel. Door herprioritering
van werkzaamheden bij met name de Dienst Nationale Recherche (DNR) en de DNRI
kunnen de nieuwe taken toch worden uitgevoerd. Het streven is dat door extra
inspanning bij de werving van personeel, de uitbreiding eind 2006 volgens
de planning zal zijn verlopen.</al>
      <tuskop letat="cur">Uitbreiding Functioneel Parket</tuskop>
      <al>In de derde voortgangsrapportage is gemeld dat het Functioneel Parket
van het Openbaar Ministerie (OM) een aanvang had gemaakt met de personele
uitbreiding voor de intensivering van de bestrijding van terrorismefinanciering,
de civielrechtelijke aanpak van terrorisme en het toezicht op rechtspersonen.
Inmiddels heeft het Functioneel Parket voldoende capaciteit opgebouwd om bij
het huidige aanbod deze intensivering uit te voeren.</al>
      <tuskop letat="cur">Civielrechtelijke bevoegdheden OM</tuskop>
      <al>Het Hof Amsterdam heeft op 5 januari jl., in navolging van de rechtbank
Amsterdam, een verzoek van het OM tot verbodenverklaring en ontbinding van
de stichting Al Haramain Humanitarian Aid afgewezen. De overwegingen van het
Hof komen er op neer dat er in het onderhavige geval onvoldoende (feitelijke)
aanknopingspunten waren om tot het oordeel te komen dat de werkzaamheden of
het doel van deze stichting in strijd zouden zijn met de openbare orde.<voetref refid="v11.1" nr="1"></voetref></al>
      <tuskop letat="cur">Aanpak terrorismefinanciering</tuskop>
      <al>De aanpak van de financiering van terrorisme blijft van groot belang.
Dit is nogmaals benadrukt in een door het Nederlandse Ministerie van Financiën
georganiseerde internationale Terrorisme Financiering Conferentie op 15 en
16 maart jl. in Den Haag. De bestrijding van de financiering is echter
complexer geworden. Dat komt onder andere doordat, zoals gemeld in het DTN,
er steeds minder grote geldstromen plaatsvinden. Ook het feit dat bepaalde
terroristische netwerken geen duidelijk profiel hebben en dat voortdurend
wordt gezocht naar informelere wegen om geld te verplaatsen bemoeilijkt de
aanpak van terrorismefinanciering. Bij de financiering van aanslagen,
zoals onder meer uit onderzoek na de aanslagen in Madrid en Londen is gebleken,
gaat het bovendien voornamelijk om kleine bedragen. Mede om deze redenen wordt
de benadering «follow the money» naast preventieve maatregelen
zoals het bevriezen van tegoeden steeds belangrijker.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De «follow the money» aanpak vereist een pro-actief gebruik
van financieel onderzoek, zowel voor als na aanslagen. Een van de aanbevelingen
van de conferentie in Den Haag was dan ook dat een uitgebreid financieel onderzoek
een standaard onderdeel van een onderzoek naar terroristische activiteiten
zou moeten vormen. Voorts zal conform de conclusies van Den Haag nog meer
moeten worden geïnvesteerd in een optimale informatie-uitwisseling, zowel
tussen overheidsdiensten, nationaal en internationaal, als tussen de publieke
en private sector en tussen financiële instellingen onderling.</al>
      <tuskop letat="cur">Grensbewaking en identiteitscontrole</tuskop>
      <al>Op 3 februari 2006 heeft het kabinet een Plan van Aanpak Grenscontroles
aan de Tweede Kamer aangeboden<voetref refid="v12.1" nr="1"></voetref>. Op de voortgang
van de maatregelen in het plan van aanpak wordt hieronder ingegaan. Een overzicht
van de maatregelen is te vinden als bijlage bij deze brief.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 1 maart 2006 is een start gemaakt met een pilot van gezamenlijk
toezicht door de Koninklijke Marechaussee (KMar), zeehavenpolitie (ZHP) en
douane langs de kust, in kleine havens en op kleine luchthavens teneinde het
zicht op deze locaties te vergroten. De gemeenschappelijke patrouilles worden
tijdelijk uitgevoerd, voor een periode van zes maanden. In september 2006
zal de pilot geëvalueerd worden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De uitvoering van gemeenschappelijke patrouilles hangt samen met een aantal
andere maatregelen uit het Plan van Aanpak. Voor de uitvoering van die andere
maatregelen is inmiddels een aantal separate werkgroepen opgestart. Zo wordt
op dit moment onder meer gekeken naar de afstemming in informatiebehoefteplannen,
de meest optimale realisatie van koppelingen tussen informatiesystemen voor
grenscontroles en het opstellen van risico-indicatoren met het oog op de nationale
veiligheid. Daarbij worden mede op basis van de door bovengenoemde gezamenlijke
patrouilles vergaarde informatie, in een samenhangend traject risicoanalyses
opgesteld. Deze zullen worden gebruikt voor het tegengaan van illegale immigratie,
aanvoer van ongewenste goederen en grensoverschrijdende criminaliteit, met
als deelaspect het bestrijden van terrorisme.</al>
      <tuskop letat="cur">Internationale samenwerking bij grensbewaking</tuskop>
      <al>Het EU-agentschap, Border Management Agency (BMA) is verantwoordelijk
voor de coördinatie van de operationele samenwerking tussen de lidstaten
op het gebied van het beheer van de buitengrenzen van de Europese Unie voor
zover het gaat om personenverkeer. Het BMA richt zich specifiek op de uitvoering
van de operationele taken, het dagelijks beheer en de coördinatie. Eén
van de instrumenten die het agentschap hiervoor gebruikt zijn de zogeheten «focal
points» in de Lidstaten, punten waar in het kader van grensbewaking
speciale aandacht aan wordt besteed. De uitvoering van de grensbewaking moet
in de toekomst binnen Europa geleidelijk uniformer worden. De KMar en de zeehavenpolitie
worden in de grensbewakingtaak steeds meer betrokken in gezamenlijke operaties
aan de buitengrens van de lidstaten van de EU. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het groter worden van het aantal leden van de EU vraagt om gecoördineerde
samenwerking tussen binnenlandse en buitenlandse partners belast met veiligheidszorg,
teneinde illegale migratiestromen, terrorisme en georganiseerde criminaliteit
effectief tegen te kunnen gaan.</al>
      <al>In aanvulling op onder andere het Schengenverdrag en de Schengen Uitvoerings-overeenkomst
(SUO) zijn hiertoe de volgende verdragen opgesteld.</al>
      <al>1. Prümverdrag (uitvoering Schengen III overeenkomst);</al>
      <al>2. Verdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden
inzake de grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking
in strafrechtelijke aangelegenheden.</al>
      <al>3. Beneluxverdrag inzake politiesamenwerking.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de KMar hebben de verdragen, onder meer ruimere mogelijkheden in
de uitvoering van de taak op het gebied van het mobiel toezicht vreemdelingen
(MTV) aan de oost-en zuidgrens tot gevolg. Hierbij moet vooral worden gedacht
aan samengestelde patrouilles in de grensgebieden. Daarnaast participeert
de KMar in de oprichting en inrichting van een Gemeenschappelijk Grens Coördinatiecentrum
(GGC) Bundespolizei-KMar te Goch/Gennep, dat sinds 1 februari 2006 operationeel
is. Het centrum heeft tot doel het vereenvoudigen van onderlinge informatie-uitwisseling,
coördinatie oostgrens bij overdrachten, samenwerking op gebied van uit
te zetten vreemdelingen, coördinatie samengestelde patrouilles in het
grensgebied Nederland-Duitsland en ondersteunen van de regievoering voor het
MTV aan de oostgrens. Ook aan de zuidgrens is er sprake van een verdergaande
samenwerking.</al>
      <tuskop letat="cur">CBRN-terrorisme</tuskop>
      <al>De stuurgroep Chemisch, Biologisch, Radiologisch en Nucleair (CBRN)-Terrorisme
is in najaar van 2005 gestart met het uitvoeren van het plan van aanpak CBRN.
De stuurgroep stuurt projecten aan gericht op het verkleinen van de kans op
een CBRN-aanslag. In de stuurgroep en de projecten werken ministeries, inlichtingen-
en veiligheidsdiensten, onderzoeksinstellingen en toezichthouders samen om
dit doel te bereiken. Deze projecten zijn gericht op security bij CBRN-objecten,
het optimaliseren van CBRN-grenscontrole, gerichte en zorgvuldige communicatie
en de optimalisatie van CBRN-intelligence. Een voorbeeld hiervan vormt het
door de AIVD en MIVD gezamenlijk opgestelde dreigingsbeeld CBRN-terrorisme.
De projecten leveren gerichte en proportionele maatregelen, instrumenten en
kennis op die een vaste plek moeten krijgen in werkprocessen van publieke
en private organisaties. Hierdoor wordt de weerstand van voor terroristen
aantrekkelijke objecten als de weerstand van de Nederlandse grenzen verder
versterkt. De intensieve samenwerking tussen de partijen heeft tevens tot
gevolg dat bij organisaties die te maken hebben met risicovolle CBRN-agentia
de bewustwording toeneemt en dat deze partijen zelf activiteiten gaan ontplooien
ter voorkoming van CBRN-terrorisme. In 2006 en 2007 zullen deze maatregelen,
instrumenten en kennis worden toegesneden op toepassing door en in de betrokken
organisaties en zal de gerichte en begeleide implementatie hiervan in deze
organisaties verder gestalte te krijgen. Voor alle activiteiten die worden
verricht geldt dat er nauwe afstemming plaatsvindt met het traject CBRN-rampenbestrijding,
dat door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt
gecoördineerd.</al>
      <tuskop letat="cur">Herziening van het stelsel van speciale eenheden</tuskop>
      <al>Aan uw Kamer is eerder gemeld<voetref refid="v13.1" nr="1"></voetref> dat het stelsel
van speciale eenheden zal worden herzien om beter en doelmatiger het hoofd
te kunnen bieden aan de hedendaagse terrorismedreigingen en de samenhang in
het stelsel te waarborgen. In de derde voortgangsrapportage terrorismebestrijding
zijn wij ingegaan op de stand van zaken rond de invoering van het nieuwe stelsel
van speciale eenheden. De implementatie van het nieuwe stelsel vordert gestaag.
De bouw van de nieuwe Dienst Speciale Interventies (DSI) bij het KLPD heeft
enige vertraging opgelopen en zal naar verwachting medio 2006 zijn opgericht.
Reden hiervoor is onder meer dat sinds kort het overleg inzake de mogelijkheden
van structurele financiële dekking van het nieuwe stelsel is afgerond
en er structurele dekking is gevonden en dat de nodige aanpassingen in wet-
en regelgeving, die in gang zijn gezet, zijn vereist.</al>
      <tuskop letat="cur">Wetgeving</tuskop>
      <al>De Raad van State heeft begin 2006 advies uitgebracht over het wetsvoorstel
bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid. Het nader rapport is inmiddels
gereed en het wetsvoorstel zal binnenkort bij uw Kamer worden ingediend. Het
wetsvoorstel geeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
de bevoegdheid om, in overeenstemming met de minister van Justitie, vrijheidsbeperkende
maatregelen op te leggen aan personen die op grond van hun gedragingen in
verband kunnen worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning
daarvan. Deze maatregelen kunnen bestaan uit een gebiedsverbod, een persoonsverbod
(een verbod zich in de nabijheid van een bepaalde persoon te bevinden) en/of
een meldingsplicht. Daarnaast krijgen bestuursorganen, zowel op centraal als
op decentraal niveau, de mogelijkheid aanvragen af te wijzen of beschikkingen
in te trekken, indien de belanghebbende op grond van zijn gedragingen in verband
kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan
en ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt voor
deze activiteiten. De stand van zaken bij de invoering van overige nieuwe
wetgeving is te vinden in de actiepuntenlijst.</al>
      <tuskop letat="cur">Strafrechtelijke handhaving</tuskop>
      <al>In de afgelopen periode zijn enkele rechterlijke uitspraken geweest waarin
al ingevoerde wetgeving op het gebied van terrorismebestrijding is toegepast.
Zo heeft de rechtbank Rotterdam op 10 maart jongstleden uitspraak gedaan
in de zaken tegen veertien verdachten van de zogenoemde Hofstadgroep. Van
de veertien verdachten werden vijf vrijgesproken. De rechtbank achtte de overige
negen verdachten schuldig aan deelname aan een criminele organisatie en deelname
aan een terroristische organisatie. Onder hen is ook Mohammed B., die door
de rechtbank wordt gezien als de initiator en leider van de groep. Hij heeft
geen straf opgelegd gekregen, omdat hij al een levenslange gevangenisstraf
uitzit wegens de moord op de heer van Gogh. Twee van de verdachten, Jason
W. en Ismael A., werden aanvullend ook veroordeeld voor de vijfvoudige poging
tot moord op leden van het Haagse arrestatieteam en voor verboden wapenbezit.
Jason W. en Ismael A. zijn veroordeeld tot respectievelijk 15 en 13 jaar gevangenisstraf.
Een verdachte, Noureddin El F., werd naast de genoemde deelname aan een criminele
en een terroristische organisatie tevens veroordeeld voor verboden wapenbezit.
Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar. De straffen van de
vijf overige verdachten variëren van 1 tot 2 jaar gevangenisstraf.</al>
      <al>Hoger beroep in deze zaak volgt nog ten aanzien van zeven verdachten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op 14 februari 2006 heeft de rechtbank Rotterdam Bilal L. conform
de eis veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf. Bilal L. werd ten eerste schuldig
bevonden aan voorbereidingshandelingen en bevordering van terroristische misdrijven
en ten tweede aan rekrutering voor de gewapende strijd. In deze
zaak is geen hoger beroep aangetekend en het vonnis is daardoor onherroepelijk
geworden.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderzoek</tuskop>
      <al>In de afgelopen periode zijn belangrijke stappen gezet op het terrein
van het stimuleren van het wetenschappelijk onderzoek naar terrorisme en contraterrorisme
en het bevorderen van de kwaliteit van de analyses op dit gebied bij de onderscheiden
diensten. Voor wat betreft de oprichting van een bijzondere leerstoel zijn
alle formaliteiten inmiddels vervuld, zodat vanuit de Universiteit Leiden,
vestiging Campus Den Haag op korte termijn kan worden begonnen met de werving
van een geschikte kandidaat. Daarnaast tracht de NCTb via het stimuleren en
steunen van extern wetenschappelijk onderzoek ook op een andere manier het
inzicht in het fenomeen terrorisme en de bestrijding daarvan te vergroten.
Zo werkt het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum van het ministerie
van Justitie aan een inventarisatie van het huidige contraterrorismebeleid
in de enkele landen van de EU en de VS. Ook ondersteunt de NCTb een vergelijkend
onderzoek naar terrorismebestrijding in de jaren zeventig in enkele Westerse
landen, uitgevoerd door de Universiteit van Utrecht. Samen met andere bij
terrorismebestrijding betrokken diensten heeft de NCTb voorts de aanzet gegeven
tot oprichting van een Platform Inlichtingenanalyse. Inmiddels hebben enkele
bijeenkomsten plaatsgevonden, waarbij analisten van verschillende diensten
en wetenschappers van gedachten wisselen over methodische vraagstukken die
betrekking hebben op het vak van analist.</al>
      <tuskop letat="cur">Informatievoorziening</tuskop>
      <al>In samenwerking met diverse organisaties op het gebied van terrorismebestrijding,
crisisbeheersing en criminaliteitsbestrijding werkt de NCTb aan concrete projecten
op het gebied van de toepassing van informatievoorziening. Daarbij wordt nadrukkelijk
gekeken naar de (verdere) ontwikkeling van methoden en technieken die breed
toepasbaar zijn in de verschillende informatieketens. Recentelijk is het programma
Veiligheidsverbetering door Information Awareness (VIA) geïnitieerd:
een samenwerkingsverband tussen NCTb, AIVD, KLPD en het Nederlands Forensisch
Instituut bij de technologische verbetering van de CT-Infobox. Het programma
VIA heeft een bijdrage ontvangen uit het Fonds Economische Structuurversterking
(FES). Zowel bij het programma VIA als bij de parallel daaraan lopende ontwikkeling
van een analyse-instrument voor de NCTb moet gebruik worden gemaakt van een
technologie om uit grote hoeveelheden data de juiste informatie te destilleren.
Omdat dit één van de voornaamste vraagstukken is bij een adequate
informatievoorziening op dit terrein, is een onderzoek gestart naar de verbetering
van de mogelijkheden van datafusie bij de overheid. Naast bovengenoemde projecten
werd onder andere gewerkt aan de aanpassing van het alerteringssysteem en
de toepassing van slim cameratoezicht.</al>
      <tuskop letat="vet">4. Veiligheidsmaatregelen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Alerteringssysteem Terrorismebestrijding</tuskop>
      <al>De afgelopen periode zijn twee nieuwe sectoren aangesloten op het Alerteringssysteem.
De sector stadsen streekvervoer is aangesloten sinds 21 december 2005
en de financiële sector per 1 mei 2006. Voor beide sectoren zijn
door de NCTb dreigingsanalyses uitgevoerd op grond waarvan de minister van
Justitie het basisniveau heeft afgekondigd. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met andere sectoren zijn verkennende gesprekken gevoerd, alle met de intentie
om ze in de nabije toekomst te kunnen aansluiten. Daarbij gaat onder meer
om de oliesector, grootschalige publieksintensieve plaatsen, het openbaar
bestuur en de chemische industrie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er is een aanvang gemaakt met het uitbreiden van de reeds aangesloten
sectoren Schiphol en Rotterdam. Het streven is dat het Alerteringssysteem
in de toekomst ook zal gelden voor de regionale luchthavens in Nederland en
andere zeehavens dan Rotterdam. Voor wat betreft de zeehavens kan dit gerealiseerd
worden door de systematiek van het Alerteringssysteem te verbinden met die
van de Havenbeveiligingswet en de in dat verband geldende «security
levels» van de «International Ship and Port Facility Security
Code».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De oefencyclus met de aangesloten sectoren is in volle gang. Na een serie
workshops worden thans table-top oefeningen gehouden. De tussentijdse resultaten
gaven al voldoende aanleiding om diverse aanpassingen door te voeren in het
proces van een alertering. Zo heeft de besluitvorming op lokaal niveau over
de te treffen beveilingsmaatregelen een herkenbare plaats gekregen in het
hoofdproces. Taken, rollen en verantwoordelijkheden van beheerders en gebruikers
van het systeem zijn nu helder vastgelegd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er is gestart met het maken van een ontwerp voor een ICT-ondersteund en
snel communicatiesysteem ten behoeve van de gebruikers van het Alerteringssysteem.
De communicatie tussen de diverse contactpersonen van overheid en bedrijfsleven
vindt doorgaans fysiek, telefonisch of per fax plaats, terwijl tegenwoordig
middelen voor een snellere en vollediger gegevensverstrekking beschikbaar
zijn. Deze systemen zijn «of-the-shelf» beschikbaar in de markt
en worden tot nu toe voornamelijk ingezet in de commerciële sector. Op
deze manier wordt het ook mogelijk om naast de direct betrokkenen in geval
van een terroristische dreiging («need to know») de steeds groter
wordende groep indirect betrokkenen («nice to know») snel te informeren.
Dit soort informatie vergroot uiteindelijk het vertrouwen in het systeem.</al>
      <tuskop letat="cur">Terrorismebestrijding en bedrijfsleven</tuskop>
      <al>Door publieke en private partijen is in 2005 de wens uitgesproken de publieke-private
samenwerking rond terrorismebestrijding op te zetten. Onder leiding van de
NCTb is gestart met een gezamenlijk traject.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De samenwerking tussen private en publieke sector is in eerste instantie
gericht op het bevorderen van het bewustzijn bij bedrijven over terroristische
dreigingen en risico’s. Dat vereist een vergroting van de kennis van
bedrijven (en overheid) over dreigingen, kwetsbaarheden, en risico’s.
Daarnaast willen publieke en private partijen elkaar beter informeren over
(concrete) dreigingen en de maatregelen die zij treffen om deze dreigingen
het hoofd te bieden. De beoogde kennistoename kan een gedragsverandering bij
bedrijven teweegbrengen, zoals vergroting van de alertheid en het besef dat
het verstandig is om risicoanalyses uit te voeren. Ook is het mogelijk dat
bedrijven, indien zij risico lopen, concrete maatregelen gaan treffen. Op
basis van genoemde doelen wordt het traject langs drie hoofdlijnen vormgegeven:
verhogen van het bewustzijn bij bedrijven van dreigingen en risico’s,
verbetering van de informatieverzameling en -deling en het bieden van een
handelingsperspectief (maatregelen). De activiteiten zullen binnen de huidige
formele wettelijke kaders plaatsvinden. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het publiek-private traject rond terrorismebestrijding is bedoeld voor
het bedrijfsleven in het algemeen. Indien bij de uitvoering blijkt dat het
nuttig én mogelijk is om een onderscheid te maken tussen branches,
dan wordt dat gedaan. Het traject voorziet in afstemming met lopende trajecten
zoals het Alerteringssysteem Terrorismebestrijding, het project CBRN-terrorisme
en het project bescherming vitale infrastructuur.</al>
      <tuskop letat="cur">Bewaken en beveiligen</tuskop>
      <al>In de brief aan uw Kamer met een evaluatie van het functioneren van het
stelsel bewaken en beveiligen van 10 oktober 2005<voetref refid="v17.1" nr="1"></voetref> hebben wij melding gemaakt van uitbreiding van de zogenaamde limitatieve
lijst met een aantal personen en objecten. Dit traject wordt binnenkort afgerond
met de laatste stap waarin de betreffende personen en de beheerders van de
objecten per brief worden geïnformeerd over het stelsel en de gevolgen
van opname op deze lijst.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In bovengenoemde brief hebben wij u eveneens geïnformeerd over de
wenselijkheid van deskundige begeleiding van bedreigde en beveiligde personen.
Als vast onderdeel van de procedure vindt voortaan een adviesgesprek plaats
tussen de te beveiligen persoon en een deskundige. Daarnaast is een onderzoek
gestart naar de effecten van langdurige bedreiging en beveiliging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De aanpassingen aan het stelsel bewaken en beveiligen die zijn doorgevoerd
op basis van bovengenoemde evaluatie zijn verwerkt in een nieuwe circulaire
die in juni 2006 zal worden verspreid onder de betrokken organisaties en diensten.
In deze aangepaste circulaire komt ook duidelijk naar voren dat het lokaal
gezag aan de Coördinator Bewaking en Beveiliging (CBB) kan voorstellen
een bedreigd persoon voor te dragen voor opname op de limitatieve lijst. De
verantwoordelijkheid voor het voordragen ligt bij de officier van justitie,
maar zal in de praktijk in overleg met de lokale driehoek worden genomen.
De (nationale) Evaluatiedriehoek neemt de finale beslissing over opname op
de limitatieve lijst.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op dit moment wordt gewerkt aan de concrete invulling van het bewakings-
en beveiligingsbeleid voor de lijsttrekkers van de verschillende partijen
bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2007. Het beveiligingsplan dat is gebruikt
voor de verkiezingen van 2003, zal hiervoor als uitgangspunt dienen. Overigens
kan de Evaluatiedriehoek ook om andere redenen dan dreiging of risico, zoals
maatschappelijke onrust tijdens de verkiezingscampagnes, besluiten beveiligingsmaatregelen
te nemen rond een lijsttrekker.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De mogelijkheid tot het opstellen van een beveiligingsnorm als ondergrens
van het beveiligingsniveau van departementen is onderzocht. Het vaststellen
van deze beveiligingsnormen leidt tot meer eenduidigheid in de beveiliging
van onder andere departementen. Hierbij is aansluiting gevonden bij de Rijksgebouwendienst
van het ministerie van VROM. Ook is een instrumentarium ontwikkeld om beveiligingsmaatregelen
realistisch te testen. Zo kunnen de verantwoordelijke organisaties de bewakings-
en beveiligingsmaatregelen verbeteren en wordt de effectiviteit van getroffen
veiligheidsmaatregelen vergroot. Beide instrumenten laten de verantwoordelijkheden
voor uitvoering en beveiliging van de betreffende organisaties onverlet en
zullen als advies worden aangeboden aan de verantwoordelijke organisaties. </al>
      <tuskop letat="vet">5. Reageren op crises</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Crisisbeheersing</tuskop>
      <al>In de derde voortgangsrapportage hebben wij melding gemaakt van het instellen
van een ambtelijke werkgroep van deskundigen die tot taak had verbeteringen
in de responsfase in beeld te brengen. Deze werkgroep heeft haar werkzaamheden
afgerond. Uitgangspunt van de werkgroep was het op kortere termijn verbeteringen
aanbrengen in de crisisrespons in Nederland, waarbij ook de lessen die in
Londen zijn opgedaan na de aanslag in juli 2005 zijn meegenomen. Bij de werkzaamheden
is uitgegaan van het scenario zoals zich dat in Londen en eerder in Madrid
heeft voltrokken: verschillende aanslagen tegelijkertijd in het openbaar vervoer.
Binnen de werkgroep zijn alle betrokkenen zelf voor de eigen taken en werkzaamheden
met voorstellen gekomen tot verbetering en aanscherping. De werkgroep heeft
verbeteringen of aanscherpingen op vijf aandachtsgebieden uitgewerkt:</al>
      <al>• Informatievoorziening</al>
      <al>• Coördinatie en aansturing</al>
      <al>• Verbindingen</al>
      <al>• Operationele Diensten en</al>
      <al>• Civiel-militaire samenwerking</al>
      <al>Bij de start van dit traject hebben wij overlegd met de burgemeesters
van de vier grote gemeenten (G4) en met de directies van de Nederlandse Spoorwegen
en ProRail. Doel was om hun medewerking te krijgen en gezamenlijk afspraken
te maken. Wij zullen binnenkort weer met de burgemeesters van de G4 overleggen
om te verzekeren dat de resultaten van blijvende aard zullen zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De werkgroep heeft een veertigtal uiteenlopende aanscherpingen geïnventariseerd.
Een aantal hiervan betreft heel praktische maatregelen, andere maatregelen
zijn complexer van aard. Op een aantal van de aanscherpingen gaan wij kort
in. De werkzaamheden in de werkgroep hebben in het algemeen geleid tot meer
contacten tussen partijen. Deze intensievere relaties dragen bij aan een betere
en effectievere voorbereiding van de crisisrespons.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er zijn inmiddels procedures in ontwikkeling om het spoorsysteem snel
te evacueren. Verder voert ProRail momenteel een pilot uit met het GSM-R(ail)-netwerk
om de bereikbaarheid van de calamiteitenorganisatie te borgen wanneer publieke
netwerken niet beschikbaar zijn door bijvoorbeeld overbelasting. Voor die
partijen die geen gebruik (kunnen) maken van C2000 indien het reguliere net –
vast en mobiel – zou uitvallen of overbelast raken, is immers een van
knelpunten hoe toch te kunnen blijven communiceren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er zijn nadere procedures ontwikkeld door en voor de hulpverleningsdiensten
over de inzet bij een aanslag. De bijzondere kenmerken van een terroristische
crisis, bijvoorbeeld de reële kans van een vervolgincident of de noodzaak
tot bomverkenning, maakt dat de inzetprocedures op onderdelen anders moeten
zijn dan bij andere typen crises. Het vereist ook dat andere hulpverleningsdiensten
dan de politie oog krijgen voor het feit dat de plaats van een aanslag tegelijkertijd,
in termen van opsporing, een «plaats delict» is. Door het Nibra
zal dit jaar een cursus worden ontwikkeld voor de brandweer hoe zodanig te
opereren op de plaats van de aanslag dat de belangen van een adequate hulpverlening
en van een adequate opsporing beide zijn gewaarborgd. Tenslotte is in dit
kader samen met de operationele diensten van de G4 een Landelijk Operationeel
Coördinatieplan Terrorismegevolgbestrijding ontwikkeld. In dat nagenoeg
afgeronde plan worden de afspraken en wijzen van handelen vastgelegd voor
het optreden van de operationele diensten op regionaal niveau
en de landelijke afstemming.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De gebeurtenissen in Londen hebben weer laten zien dat omstanders in de
eerste momenten na een aanslag van grote waarde zijn. Tot voor kort bleef
de rol van burgers onderbelicht vanwege aspecten als vermeend gebrek aan professionaliteit,
inbreuk op geldende kwaliteitsafspraken en oncontroleerbaarheid. Op basis
van bestaand onderzoek is een brochure «zelfredzaamheid» opgesteld,
die de bewustwording moet vergroten bij hulpverleningsdiensten voor de mogelijke
bijdragen van burgers. Daarnaast bevat de brochure aanwijzingen en tips hoe
nuttig gebruik te maken van omstanders.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een circulaire «Protocol Verdachte Objecten» is uitgebracht,
waarin is aangegeven hoe te handelen wanneer een verdacht object wordt aangetroffen.
Het protocol beschrijft voor verschillende fasen en situaties (melding en
alarmering, verkenning, communicatie tussen verschillende actoren, ruiming,
transport etc.) hoe politie, EOD en andere betrokken partijen moeten handelen.
Om de invoering bij alle betrokken partijen te begeleiden en zeker te stellen,
is een implementatie- en communicatietraject gestart. Voor het omgaan met
verdachte objecten in de spoorsector, bijvoorbeeld op welke plekken treinen
stil te zetten, zijn gecoördineerde procedures tussen overheid en spoorsector
in ontwikkeling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De gemeente Rotterdam is met subsidie van het ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties een project gestart dat als doel heeft het ontwikkelen
van maatregelen voor veiligheid en crisisbeheersing in het openbaar vervoer.
Het gaat dan om risk assesment voor kritieke onderdelen van het openbaar vervoer,
algemene procedures voor routinematig optreden voor en tijdens calamiteiten
en om trainingsprogramma’s voor personeel in het openbaar vervoer. De
resultaten worden, via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), ter
beschikking gesteld aan andere gemeenten en openbaarvervoerbedrijven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tot slot is geprobeerd lessen te trekken uit de manieren waarop in Londen
de betrokken autoriteiten en diensten hebben opgetreden na de aanslagen in
juli 2005. Zo zijn verschillende ambtelijke delegaties in Londen geweest en
heeft de ambassade van het Verenigd Koninkrijk in Den Haag een bijeenkomst
georganiseerd voor Nederlandse vertegenwoordigers van gemeenten, hulpverleningsdiensten
en andere betrokkenen om opgedane kennis en ervaringen uit te wisselen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een overzicht van de voortgang op het gebied van crisisbeheersing binnen
de Europese Unie treft u aan in de paragraaf over internationale ontwikkelingen.</al>
      <tuskop letat="cur">Crisismanagement bij terroristische aanslag</tuskop>
      <al>Het complexe karakter van een terroristische crisis of de dreiging daarvan,
stelt ook hoge eisen aan het crisismanagement. Dat vereist specifieke voorzieningen,
waarbij het terroristisch karakter van de daad leidend is voor de organisatie
van de aansturing.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Doel van de crisisbeheersingsorganisatie voor wat betreft terrorismebestrijding
is om alle betrokken overheidsinstanties goed te laten functioneren tijdens
een terroristische crisis. De NCTb heeft hierbij een centrale rol. Deze rol
is verankerd in de instellingsregeling van de NCTb.<voetref refid="v19.1" nr="1"></voetref> De coördinatie bij een dergelijke crisis vindt ondermeer plaats
op het gebied van verijdelen en verstoren van (geplande) terroristische (vervolg)handelingen,
hulpverlening en nazorg, alsmede het opsporen en vervolgen van de daders.
Hiertoe zal een groot aantal maatregelen dienen te worden genomen, onder andere
op het gebied van bewaken en beveiligen van objecten en personen, alertering,
grensbewaking, het verijdelen, beëindigen en verstoren van terroristische
acties, alsmede op het gebied van de hulpverlening en nazorg.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dat betekent dat ingeval van een terroristische crisis of de dreiging
daarvan een daarop toegesneden crisisorganisatie wordt gehanteerd die op onderdelen
afwijkt van de generieke crisisbesluitvormingsorganisatie. Nadrukkelijk wordt
aangetekend dat deze specifieke crisisorganisatie geen wijziging brengt in
de verdeling van de ministeriële verantwoordelijkheid tussen de minister
van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Het betreft slechts een gerichte stroomlijning en afstemming van de crisisbesluitvormingsorganisatie
ingeval van een terroristische crisis of de dreiging daarvan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het begin van dit jaar zijn hierover door de ministers van Justitie
en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties afspraken gemaakt. De specifieke
voorzieningen betreffen het voorzitterschap en secretariaat van het Ministerieel
Beleidsteam (MBT) en Interdepartementaal Beleidsteam (IBT), de samenstelling
van het MBT en IBT, de positie en rol van de Evaluatiedriehoek, de regievoering
in de voorlichting en de bestuurlijke communicatie in het bestuurlijk kanaal.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De uitwerking van deze afspraken zal ook worden opgenomen, in de herziene
uitgave van het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming, die dit jaar wordt
verwacht.</al>
      <tuskop letat="cur">Cartoonkwestie</tuskop>
      <al>Zoals al in de samenvatting van het DTN gemeld, leert de Deense cartoonkwestie
dat zelfs op het oog lokale incidenten en kwesties in een kort tijdsbestek
kunnen leiden tot heftige mondiale spanningen tussen moslims en niet-moslims
alsmede tussen moslimgroepen. Naast politieke belangen, kunnen daarbij ook
economische belangen, de belangen van ambassades en van in het buitenland
aanwezige militairen in het geding zijn. Omdat een vergelijkbare situatie
zich ook met Nederland zou kunnen voordoen, hebben de meest betrokken ministeries
in kaart gebracht welke maatregelen in een dergelijk geval kunnen worden genomen
om escalatie te voorkomen en spanningen te verminderen. Daarbij is de samenhang
tussen maatregelen op nationaal en internationaal niveau van groot belang.</al>
      <tuskop letat="cur">Oefenen</tuskop>
      <al>Oefenen staat hoog in het vaandel. Op 22 februari jongstleden is
een oefening gehouden van de besluitvorming bij de inzet van de nieuwe Dienst
Speciale Interventies in oprichting. De oefening leverde waardevolle aanwijzingen
op om het besluitvormingsproces te optimaliseren. Op 21 en 22 juni zal
de inzet van de DSI zowel in operationele als in besluitvormende zin opnieuw
worden geoefend. Op 17 mei jongstleden heeft een oefening op het gebied
van terrorismebestrijding plaatsgevonden, waarbij de nadruk lag op het functioneren
van het IBT en het MBT. Een evaluatie van deze oefening zal door de minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
Elders in deze rapportage wordt ingegaan op oefeningen rond het alerteringssysteem.
Daarnaast vinden er nog vele kleinschalige en grootschalige oefeningen plaats
op het gebied van crisisbeheersing, rampenbestrijding en terrorismebestrijding.
Een overzicht van de oefeningen is te vinden in de voortgangsrapportage Beleidsplan
Crisisbeheersing 2004–2007<voetref refid="v20.1" nr="1"></voetref>. </al>
      <tuskop letat="cur">Civiel-militaire samenwerking</tuskop>
      <al>Bij Voorjaarsnota is overeenstemming bereikt over de financiering van
het project «Intensivering Civiel-Militaire Samenwerking» (ICMS)
Binnen het project ICMS kan nu met kracht de structurele rol van Defensie
als veiligheidspartner bij nationale crisisbeheersing worden uitgewerkt. Recentelijk
is uw Kamer hierover door de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en Defensie geïnformeerd<voetref refid="v21.1" nr="1"></voetref>. Het voornemen
is dit eind 2006 formeel te bekrachtigen in een nieuw bestuurlijk convenant.</al>
      <tuskop letat="vet">6. Communicatie en voorlichting</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Publiekscampagne</tuskop>
      <al>De op 27 februari 2006 gelanceerde publiekscampagne «Nederland
tegen terrorisme» heeft tot doel brede bekendheid te geven aan de inspanningen
die de overheid en vele anderen leveren om het risico van aanslagen te verkleinen.
Daarnaast krijgen burgers enige informatie over hoe zij zelf hieraan een steentje
kunnen bijdragen. Op deze wijze wordt gestreefd naar een vergroting van het
vertrouwen in het antiterrorismebeleid van de overheid en vergroting van de
algemene weerbaarheid en waakzaamheid in de samenleving tegen terrorisme.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De reacties van pers en publiek op de campagne tot nu toe geven een positief
beeld te zien. De ontwikkelde campagnemiddelen (brochure, website www.nederlandtegenterrorisme.nl,
en radio- en televisiespots) hebben niet geleid tot een vergroting van angstgevoelens
en ongerustheid onder het publiek of tot stigmatisering van bepaalde bevolkingsgroepen.
Ook vanuit de hoek van de minderheden vielen overwegend positieve reacties
te noteren. Uit eerste voorlopige metingen (na de eerste weken van de campagne)
blijkt dat de campagne een zeer hoog bereik heeft in vergelijking met andere
Postbus51-campagnes; vrijwel iedereen heeft van de campagne gehoord of er
iets van gezien. De campagne werd in die eerste weken gemiddeld gewaardeerd
met rapportcijfer 6,8, vergelijkbaar met andere Postbus 51-campagnes. Ook
de brochure heeft een breed bereik. Meer dan de helft van de mensen die zich
de brochure herinnert, heeft de brochure ook daadwerkelijk gelezen dan wel
ingezien. Daarnaast heeft de helft van de ondervraagden de brochure niet weggegooid
maar bewaard. Ook is gemeten in hoeverre men zich de exacte boodschap van
de campagne herinnert (wat de overheid doet en wat men zelf kan doen). Hier
scoort de campagne gemiddeld lager dan andere Postbus51-campagnes. De oorzaak
hiervoor kan zijn dat de meningen over dit onderwerp nogal gepolariseerd zijn.
Zo zijn sterke uitersten te zien als gevraagd wordt in hoeverre de boodschap
persoonlijk aanspreekt: 22 procent antwoordt dat de boodschap erg aanspreekt,
bij 18 procent spreekt de boodschap (helemaal) niet aan. Toch is het algemene
beeld ook op dit punt positief: het vertrouwen in de overheid als beschermer
van de veiligheid bij terroristische aanslagen is gestegen tijdens de campagne,
met name direct na de verspreiding van de brochure. Inmiddels is die stijging
van het vertrouwen weer wat teruggelopen, al is het nog steeds hoger dan tijdens
de meting voorafgaand aan de campagne. Al met al bevestigen deze ervaringen
het oordeel dat in Nederland beheerst en nuchter is gereageerd op de campagne.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De radio- en televisiecommercials waren in de eerst campagnefase ondergebracht
in een Postbus51-roulement, wat garant staat voor het bereiken van het algemeen
Nederlands publiek. De boodschap van de campagne – en ook de website
en de brochure – werden op deze manier bij een zo breed mogelijk publiek
onder de aandacht gebracht. </al>
      <al>Aanvullend hierop worden de televisiespots in de zomerperiode voortgezet,
maar dan gericht op specifieke doelgroepen. Dit betekent concreet dat de tv-commercials
worden geprogrammeerd rondom bijvoorbeeld jongerenprogramma’s en evenementen
zoals het WK-voetbal. Samen met de partners wordt tevens gekeken naar communicatie
rondom evenementen in de grote steden, zoals bijvoorbeeld een zomercarnaval.
De NCTb ontwikkelt momenteel – binnen het bekende campagnebeeld –
posters met een boodschap die is toegesneden op zulke evenement. In overleg
met de partners worden de mogelijkheden verkend om zulke posters in te zetten
in de aanloopperiode naar een evenement. In het najaar is een tweede periode
van massamediale inzet voorzien, wederom gericht op het algemeen Nederlands
publiek (opnieuw via Postbus 51). Tevens wordt bij het ontwikkelen van middelen
in het traject van publiek-private samenwerking aansluiting gezocht bij het
campagnebeeld van «Nederland tegen terrorisme».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten slotte is na de zomer de derde editie voorzien van het onderzoek van
de Rijksvoorlichtingsdienst naar de publieke opinie over (informatie en voorlichting
over) terrorisme en terrorismebestrijding.</al>
      <tuskop letat="vet">7. Internationale ontwikkelingen</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Europese samenwerking</tuskop>
      <tuskop letat="cur">EU Strategie en Actieplan Terrorismebestrijding</tuskop>
      <al>De Europese Raad van 15 en 16 december 2005 heeft de EU Strategie
inzake terrorismebestrijding vastgesteld. De strategie bevat vier hoofddoelstellingen,
te weten preventie, bescherming, verstoring en respons. In de strategie wordt
aangegeven op welke wijze de EU bijdraagt aan de verwezenlijking van deze
doelstellingen: door capaciteitsopbouw, door het faciliteren van samenwerking
tussen de politie- en justitiediensten van de Lidstaten, alsook tussen de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten, door de ontwikkeling van gezamenlijke
responscapaciteit en door het stimuleren van samenwerking met derde landen.
Een actieplan maakt onderdeel uit van de strategie. Nederland heeft zich ingezet
voor een gezamenlijke strategie die richtinggevend is voor de ontwikkeling
en verdere uitvoering van de talrijke initiatieven en maatregelen. Nederland
heeft steeds het belang van heldere prioriteitstelling, concrete invulling
van de doelstellingen en duidelijke deadlines benadrukt. Naar ons oordeel
is de strategie tevens een nuttig instrument om de werkzaamheden en inzet
van de EU op dit terrein beter inzichtelijk te maken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een stand van zaken van de implementatie van de strategie is voorzien
bij de Europese Raad van juni 2006. De Commissie en de EU-coördinator
Terrorismebestrijding zijn verantwoordelijk voor regelmatige voortgangsrapportages
aan Coreper en de Europese Raad. Voorzien is voorts in een regelmatige dialoog
op hoog niveau tussen Raad, Commissie en Europees Parlement. Deze dialoog
is belangrijk om zeker te stellen dat de samenwerking tussen de drie instituties
en de transparantie bij de uitvoering van het EU-actieplan ter bestrijding
van terrorisme verder wordt versterkt.</al>
      <tuskop letat="cur">Radicalisering en rekrutering</tuskop>
      <al>Op basis van het EU-actieplan terrorismebestrijding zijn een specifieke
strategie en een plan van aanpak voor radicalisering en rekrutering voorbereid
en in december 2005 door de Raad Algemene Zaken en Externe betrekkingen (RAZEB)
vastgesteld. Dit initiatief is een nuttige aanvulling op de nationale initiatieven
die in diverse lidstaten, waaronder in Nederland, worden ontplooid.
De aanpak richt zich, gezien de huidige dreiging, vooral op islamistisch-radicalisme.
Strategie en het actieplan voorzien in een evenwichtige aanpak en tal van
praktische maatregelen, met aandacht voor de noodzakelijke betrokkenheid van
moslimgemeenschappen. Concreet worden acties voorgesteld op het gebied van
internet, imamopleiding, gevangenissen, scholingsprogramma’s. Onderdeel
van het actieplan vormt de ontwikkeling van een EU-communicatiestrategie.
Daarnaast heeft de Europese Commissie in het voorjaar van 2006 een groep met
wetenschappelijke experts ingesteld. Deze groep ondersteunt de Commissie bij
beleidsontwikkeling en zal jaarlijks een rapport uitbrengen over trends in
radicalisering. Ook organiseert de Commissie een conferentie met media, religieuze
leiders en andere experts, waar de rol van media bij radicalisering wordt
besproken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nederland verwelkomt de ontwikkeling van een brede strategie en praktische
maatregelen, die overeenkomt met het beleid zoals dat in Nederland is uitgezet.
Nederland onderschrijft dat het plan zich richt op jihadistisch terrorisme,
gezien de huidige dreiging, maar de maatregelen in het actieplan zijn terecht
ook van toepassing op terrorisme gebaseerd op andere ideologieën. Nederland
hecht aan evenwicht tussen repressieve en preventieve maatregelen. De maatregelen
moeten praktisch zijn en zo spoedig mogelijk worden uitgevoerd. Het is daarbij
ook noodzakelijk om regelmatig de strategie en het actieplan te evalueren
aan de hand van trends en ontwikkelingen, en zo nodig met aanvulleningen te
komen. Samenwerking met Europol en Sitcen is daarbij van belang. Daarnaast
hecht Nederland ook aan de uitwisseling van ervaringen en kennis van maatregelen
op nationaal niveau. Ondersteuning van en samenwerking met derde landen hoort
ook bij een brede aanpak van radicalisering en rekrutering.</al>
      <tuskop letat="cur">Richtlijn dataretentie</tuskop>
      <al>Daags na de aanslagen in Londen in juli 2005 spraken de ministers van
Justitie en Binnenlandse Zaken in de EU af om de deadlines voor enkele voor
de bestrijding van terrorisme essentieel geachte wetgevingsvoorstellen te
vervroegen. Tijdens de JBZ-Raad van 1 en 2 december 2005 kon een politiek
akkoord over een richtlijn dataretentie worden bereikt. Met instemming van
Nederland besloot de Raad op 21 februari 2006 over de richtlijn dataretentie.<voetref refid="v23.1" nr="1"></voetref> De minister van Justitie informeerde u hierover bij
brief van 28 februari 2006.<voetref refid="v23.2" nr="2"></voetref> De richtlijn
introduceert een bewaarplicht van telecommunicatiegegevens.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De onderhandelingen over het ontwerp-kaderbesluit inzake het Europees
Bewijsverkrijgingsbevel (EBB), eveneens van belang in de strijd tegen terrorisme,
zijn eind 2005 in een laatste fase aanbeland. De hoop is erop gevestigd nog
tijdens het Oostenrijkse voorzitterschap overeenstemming over het ontwerp-kaderbesluit
te bereiken. Hierover heeft de minister van Justitie uw Kamer op 20 maart
2006 geïnformeerd.<voetref refid="v23.3" nr="3"></voetref></al>
      <tuskop letat="cur">Crisisbeheersing</tuskop>
      <al>De JBZ Raad van december 2005 is akkoord gegaan met een raamwerk dat het
mogelijk maakt indien gewenst pijleroverstijgend maatregelen te nemen in geval
van externe en interne crises binnen de EU. De maatregelen hebben betrekking
op het managen van een crisis binnen de EU en/of een crisis met grensoverschrijdende
gevolgen. De maatregelen zijn algemeen van aard en worden toegepast in allerlei
soorten crises zoals natuurlijke rampen, industriële ongelukken, pandemieën,
maar zeker ook terroristische aanvallen.</al>
      <al>Op 1 juni 2006 dienen de maatregelen te zijn uitgewerkt, waardoor
het mogelijk zal zijn zowel op operationeel als op politiek niveau
snel en adequaat te kunnen handelen en beslissen, zonder aan de nationale
bevoegdheden te tornen. Hierdoor wordt een goede pijleroverstijgende coördinatie
in Brussel met alle betrokken spelers mogelijk. Onder Oostenrijks voorzitterschap
wordt verder gewerkt aan de praktische uitwerking van de maatregelen. Naar
verwachting is over enkele maanden een EU handboek crisisbeheersing gereed.
De inzet van Nederland was gericht op een structuur vergelijkbaar met die
van het Nationaal Coördinatiecentrum. Deze inzet is voor een groot deel
gerealiseerd. Een andere inzet van Nederland is het creëren van één
aanspreekpunt per lidstaat. Dat zorgt voor een efficiëntere communicatie.
De bevindingen van nog te houden EU-oefeningen op het gebied van de crisismaatregelen
kunnen leiden tot aanpassingen van EU operationeel crisishandboek.</al>
      <tuskop letat="vet">NAVO</tuskop>
      <al>De NAVO continueert de bestaande activiteiten op het gebied van inlichtingenuitwisseling,
de ontwikkeling van capaciteiten ter verdediging tegen terroristische aanslagen,
het tegengaan van proliferatie van massavernietigingswapens en de bescherming
van grootschalige evenementen. Voorts spelen voor wat betreft de NAVO de relaties
met de NAVO-partnerlanden een belangrijke rol in de bestrijding van terrorisme.
In de tweede voortgangsrapportage zijn de actieplannen terrorismebestrijding
die in het kader van de NAVO-Rusland Raad en Partnership for Peace zijn overeenkomen,
al genoemd. De implementatie van de actieplannen heeft inmiddels geleid tot
gezamenlijke oefeningen en uitwisseling van kennis en ervaringen over terrorismebestrijding.
Dit proces wordt voortgezet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De betrekkingen met de partnerlanden zijn ook van belang voor het creëren
van draagvlak voor NAVO-operaties en missies waarbij NAVO-landen zijn betrokken.
Ook zijn diverse partnerlanden belangrijke troepenleveranciers voor de diverse
operaties. Dit is onder andere duidelijk zichtbaar bij Operation Active Endeavour,
de NAVO operatie waarbij in de Middellandse Zee wordt gepatrouilleerd in het
kader van terrorismebestrijding en op vrijwillige basis schepen kunnen worden
geëmbarkeerd. De belangstelling onder partnerlanden om aan deze operatie
deel te nemen, neemt toe. In de tweede helft van 2006 zal Rusland met twee
schepen gaan participeren. Met Oekraïne zijn eveneens afspraken gemaakt
over deelname, welke thans nader worden uitgewerkt. Voorts hebben enkele Mediterrane
Dialooglanden belangstelling getoond; over hun mogelijke participatie vindt
op dit moment overleg plaats.</al>
      <tuskop letat="vet">Verenigde Naties</tuskop>
      <al>Zoals in de derde voortgangsrapportage al werd bericht hebben de onderhandelingen
in de Zesde Commissie over de tekst van een Alomvattende Terrorisme Conventie
helaas niet tot concrete resultaten geleid. Ook de ad hoc groep terrorisme
kon eerder dit jaar geen vooruitgang boeken. Belangrijke vooruitgang is wel
geboekt met de ontwikkeling van een Counter Terrorism Strategie, op basis
van de zogenaamde Madrid-speech van Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties,
Kofi Annan, van maart 2005. De strategie is op 1 mei 2006 gepresenteerd;
plaatsvervangend Secretaris Generaal Bob Orr, die de voor dit doel opgerichte <nadruk type="cur">Counter Terrorism Task Force (CTTF)</nadruk> leidt, heeft aangegeven
dat de nadruk zou moeten liggen op een operationele strategie en dat discussies
over principiële uitgangspunten, zoals definities moeten worden vermeden.
Nederland ondersteunt deze praktische benadering en hoopt dat de strategie
door de Algemene Vergadering van de VN zal worden overgenomen in een eigen
resolutie, dan wel dat zij de strategie in ieder geval in een resolutie verwelkomt.
De EU heeft op 24 januari 2006 in een brief aan de Secretaris-Generaal
aangegeven dat de CT-strategie in ieder geval een aantal elementen moet bevatten,
waaronder het respect voor internationaal recht, mensenrechten en vluchtelingenrecht,
ondersteuning van slachtoffers en hun familieleden, de condities die bijdragen
aan de verspreiding van terrorisme, het voorkomen van aanzetting tot terrorisme
en het ontwikkelen van initiatieven die een interreligieuze dialoog bevorderen.
Nederland heeft vanuit het Project Ondersteuning Buitenlands Beleid diverse
activiteiten van de CTTF die betrekking hebben op de CT-Strategie ondersteund.</al>
      <tuskop letat="vet">Bilateraal</tuskop>
      <al>Het wetsvoorstel tot goedkeuring van het Nederlands-Duitse verdrag over
grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking in strafrechtelijke
aangelegenheden ligt inmiddels in het parlement ter behandeldeling. Er wordt
naar gestreefd om de ratificatieprocedure nog voor het begin van de Wereldkampioenschappen.
Voetbal 2006 in juni volledig af te ronden. Alvorens het Verdrag van Prüm
in werking kan treden, moeten diverse uitvoeringsregelingen worden opgesteld
en overeengekomen en dienen er tevens technische maatregelen (zoals bouw en
aanpassing van databanken) te worden uitgevoerd. Mede gelet op de vele betrokken
landen zal er dan ook sprake zijn van een langduriger implementatietraject.
Hoewel de eerste bijeenkomsten van de daartoe ingestelde multilaterale werkgroepen
inmiddels hebben plaatsgevonden zullen nog uitvoeringsafspraken moeten worden
vastgelegd en zal de implementatie naar verwachting in elk geval tot eind
2006 duren.</al>
      <tuskop letat="vet">8. Tot slot</tuskop>
      <al>Samen met de recente nota’s en brieven waar in deze brief naar wordt
verwezen, biedt de vierde voortgangsrapportage terrorismebestrijding naar
onze mening een goed beeld van de stand van zaken van het antiterrorismebeleid
in Nederland. De onverminderde substantiële dreiging voor Nederland geeft
nogmaals het belang aan van een voortvarende uitvoering van dat beleid. Daar
zullen de inspanningen van het kabinet de komende periode op gericht blijven.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Justitie,</functie>
        <naam>J. P. H. Donner</naam>
        <functie>De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</functie>
        <naam>J. W. Remkes</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 754, nr. 60.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.2" nr="2">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 754, nr. 61.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.3" nr="3">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 754, nr. 65.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.4" nr="4">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 754, nr. 66.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.5" nr="5">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 754, nr. 69.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.6" nr="6">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 753, nr. 70.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.7" nr="7">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 24 804, nr. 39.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.8" nr="8">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 754, nr. 62.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v7.1" nr="1">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 754, nr. 26.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v7.2" nr="2">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 754, nr. 30.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v8.1" nr="1">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 754, nr. 68.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v11.1" nr="1">
    <al>Zie hierover antwoorden op kamervragen van het lid Wilders, Tweede Kamer,
vergaderjaar 2005–2006, Aanhangsel nr. 956.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v12.1" nr="1">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 315, nr. 3.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v13.1" nr="1">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 754, nr. 23.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v17.1" nr="1">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 28 974, nr. 5.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v19.1" nr="1">
    <al>Instellingsregeling Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (Staatscourant
2005, nr. 127).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v20.1" nr="1">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 668, nr. 8.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v21.1" nr="1">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 300 X, nr. 106.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v23.1" nr="1">
    <al>RICHTLIJN 2006/24/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 maart
2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt
in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten
of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v23.2" nr="2">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 23 490, nr. 408.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v23.3" nr="3">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 23 490, nr. 409.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>