﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="meto">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29736-3/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2003-2004</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.8.0__3.4" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST79130</ordernr>
    <vergjaar>2003-2004</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 736</nummer>
      <naam>Wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op
de expertisecentra en de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 in verband met
de invoering van lumpsumbekostiging in het primair onderwijs</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>3</nummer>
      <titel>MEMORIE VAN TOELICHTING</titel>
      <tuskop letat="vet">1. INLEIDING</tuskop>
      <tuskop letat="vet">1.1 Ruimte voor eigen beleid</tuskop>
      <al>Vergroting van de autonomie van bevoegde gezagsorganen en deregulering
zijn instrumenten ter verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Goed
onderwijs is afgestemd op de verschillen tussen leerlingen. Dat vraagt om
variatie in de onderwijsaanpak en daarmee in het personeelsbeleid, het ICT-beleid
en ook in het financiële beleid. Meer ruimte geven aan scholen om het
onderwijs te organiseren op basis van een eigen visie, en zo gebruik maken
van de professionaliteit die op scholen aanwezig is, bevordert de kwaliteit
van het onderwijs. Daarvoor is nodig dat de overheid een stap terug doet,
dat er minder regeldruk en meer beleidsruimte is voor de scholen. Die ruimte
krijgt het primair onderwijs (het onderwijs op grond van de Wet op het primair
onderwijs en de Wet op de expertisecentra) voor het financiële beleid
door de invoering lumpsumbekostiging. Met lumpsumbekostiging krijgen scholen
meer bestedingsvrijheid en kunnen gedetailleerde regels die de huidige declaratiebekostiging
met zich meebrengt vervallen. Door bevoegde gezagsorganen en scholen meer
beleidsvrijheid te geven, kunnen zij onderwijs en zorg op maat bieden en zich
beter profileren. Lumpsumbekostiging is een belangrijke randvoorwaarde voor
decentralisatie van arbeidsvoorwaarden, waarmee bevoegde gezagsorganen een
betere positie kunnen verwerven op de arbeidsmarkt. Zij kunnen eenvoudiger
deskundigen op andere terreinen inschakelen, bijvoorbeeld op terreinen als
cultuureducatie (muziekonderwijs, beeldende kunst), veiligheid of integratie.
Lumpsum geeft meer vrijheid om maatwerk te bieden en te vernieuwen. Zo draagt
de invoering van lumpsumbekostiging bij aan de verbetering van de kwaliteit
van het onderwijs.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De sector primair onderwijs is een sector met veel kleine instellingen
die nu nog sterk afhankelijk is van overheidsregelgeving. Daardoor is het
ook een sector waarin de bestuurskracht nog niet voldoende is ontwikkeld om
volledig op eigen benen te staan. Toch wil het kabinet nu ook in het primair
onderwijs een belangrijke slag slaan op het terrein van autonomievergroting
en deregulering. Daarom wordt voorgesteld nu lumpsumbekostiging
in te voeren in het primair onderwijs. De lumpsum wordt een vrij besteedbaar
budget, de schotten en de oormerking vallen weg evenals de declaratieregels.
De rekenregels die nu worden gebruikt om aan scholen formatie toe te kennen,
worden straks gebruikt om de lumpsum uit te rekenen. Dat beperkt de herverdeeleffecten.
In het speciaal onderwijs waar nu de regels het meest ingewikkeld zijn, wordt
wél een vereenvoudiging doorgevoerd. De winst van lumpsum zit in de
toenemende beleidsvrijheid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Scholen krijgen de vrijheid een eigen personeelsbeleid te voeren, zelf
te bepalen hoe wordt geïnvesteerd in onderwijskundige vernieuwingen en
welke competenties daarvoor binnen de organisatie moeten worden ontwikkeld.
Om dat te bereiken moeten de scholen een volwassen financieel en personeelsbeleid
kunnen voeren. Dat vraagt natuurlijk om versterking van het management, maar
steeds met de kwaliteitsverbetering van het primair proces als doel. Om de
managementversterking mogelijk te maken zonder middelen weg te halen bij het
primair proces wordt structureel geïnvesteerd in het bestuur en het management
van de scholen (32 mln. in 2004 oplopend tot 100 mln. in 2007 en volgende
jaren).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dat mag echter niet leiden tot een overmaat aan bureaucratie en schaalvergroting.
In april 2004 heeft de Onderwijsraad een verkenning met als titel «Bureaucratisering
in het onderwijs» aangeboden. Deze verkenning is een betekenisvol signaal
over de toename van de bureaucratisering in het onderwijs, waar ook nog een
beleidsreactie op komt. Bij de invoering van lumpsumbekostiging in het primair
onderwijs wil ik benadrukken dat het er om gaat de autonomievergroting ten
goede te laten komen van de scholen, van het primair proces, omdat alleen
dan een kwaliteitsverbetering van het onderwijs kan worden bereikt. Daarom
is de lumpsumbekostiging zoals hier voorgesteld voorbereid in nauw contact
met het veld. Er wordt samen met de koepelorganisaties voorzien in een flankerend
beleid dat gericht is op de inzet van financiële beleidsvrijheid ten
behoeve van het primair proces. Sinds januari 2004 experimenteren 12 besturen
met 120 scholen met lumpsumbekostiging, zowel kleine scholen, besturen met
één school als grote scholen en besturen met meer scholen. Er
wordt voorzien in transparantie van de middelenverdeling zodat ouders en personeel
kunnen zien hoeveel geld er naar de scholen gaat. Ook de medezeggenschap is
in positie gebracht. Bevoegde gezagsorganen regelen in een managementstatuut
wie waarover beslist. Daarmee is ook duidelijk wie waarop aanspreekbaar is.
De koepelorganisaties ontwikkelen in relatie tot de toenemende beleidsvrijheid
een code of good governance. Er wordt gewerkt aan een meer integraal toezicht
(resultaat, kwaliteit en financieel). Kortom er is een breed pakket aan maatregelen
om ervoor te zorgen dat de bekostiging wordt besteed aan de zaak waar het
om draait: de kwaliteit het onderwijs.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Anders dan bij de invoering van lumpsumbekostiging in bijvoorbeeld het
hoger beroepsonderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie en voortgezet
onderwijs, wordt er bij de invoering van lumpsumbekostiging in het primair
onderwijs geen actief beleid gevoerd om tot verdere schaalvergroting te komen.
Om te zorgen dat lumpsum ook perspectief biedt aan kleine scholen, is een
aantal maatregelen getroffen. Eén van die maatregelen is dat de herverdeeleffecten
van scholen binnen één bestuur onderling gesaldeerd kunnen worden
(bestuursbekostiging). Er wordt extra geïnvesteerd in kleine scholen.
Van de 100 mln. die vanaf 2007 structureel beschikbaar is, gaat 25 mln.
specifiek naar kleine scholen. Ouder personeel is vaak duurder dan jonger
personeel, in de bekostiging wordt daarom rekening gehouden met de leeftijd
van het personeel. De kleine scholen toeslag blijft bestaan. Alle reeds bestaande
wettelijke voorzieningen gericht op toegankelijkheid van het onderwijs, een
goede spreiding van scholen ook in dun bevolkte gebieden (bijvoorbeeld
lage stichtingsnorm, bereikbaarheidscriterium en vervoersregeling) blijven.
De groeiregeling blijft, waardoor ook in nieuwbouwwijken op tijd startende
scholen kunnen worden gevestigd. Er wordt geïnvesteerd in samenwerking
tussen kleine scholen die zelfstandig willen blijven maar wél met andere
scholen samen willen werken om de kansen van lumpsum maximaal te benutten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zo wordt winst geboekt in het primair onderwijs op het terrein van autonomievergroting
en deregulering met waarborgen dat de autonomievergroting ten goede komt aan
de scholen en dat lumpsumbekostiging ook perspectief biedt aan de kleine scholen.</al>
      <tuskop letat="vet">1.2 Een andere sturing</tuskop>
      <al>Een overheid die slechts richting aangeeft en bevoegde gezagsorganen en
scholen die zelf bepalen hoe die richting wordt gerealiseerd, dat vraagt om
een herziening van sturing, verantwoording en toezicht. Dat is niet van vandaag
op morgen gerealiseerd, dat is een proces, een cultuuromslag. Door de invoering
van de Wet op het onderwijstoezicht is op het terrein van de modernisering
van het toezicht al een belangrijke stap gezet. De inspectie richt zich op
de resultaten, op de kwaliteit van het onderwijs. In nauw contact met het
veld wordt onder meer gezocht naar nieuwe vormen voor de organisatie van de
sector. Dit betreft met name de zeggenschap en medezeggenschap en de samenwerking
tussen de scholen en de omringende voorzieningen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om te zorgen dat de beleidsvrijheid ook ten goede komt aan de directeuren
en de leraren op de scholen, wordt vooruitlopend op de gedachtevorming over
de organisatie van de sector, een aantal voorstellen gedaan ter verbetering
van de zeggenschap en de medezeggenschap. Bij deze voorstellen staan transparante
besluitvorming en organisatie met een heldere verdeling van verantwoordelijkheden
voorop. Rekening houdend met de diversiteit in het veld en met de beoogde
vergroting van de autonomie, wordt de wijze waarop de bestuurlijke verhoudingen
worden ingevuld, vrijgelaten. Wel wordt voorgeschreven dat de verhoudingen
eenduidig zijn vastgelegd in een managementstatuut. Onderwijspersoneel en
ouders worden meer in positie gebracht door aanscherping van de medezeggenschap,
ondermeer door de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad voor te schrijven.
Met de voorstellen worden de randvoorwaarden voor een verantwoorde invoering
van lumpsumbekostiging ingevuld en blijven de opties voor een meer definitieve
vormgeving van de medezeggenschap open.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij meer autonomie en meer verantwoordelijkheid hoort ook een versterking
van de verantwoording. Een belangrijke stap in de herziening van de verantwoording
is de beoogde invoering van het jaarverslag, voor het eerst over het kalenderjaar
2005 (Kamerstukken II, 2003/04, 29 470, nrs. 1–2). Een modern,
onafhankelijk extern toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en de onderwijsresultaten
van de scholen zal zijn gewaarborgd door de Wet op het onderwijstoezicht,
de invoering van het jaarverslag en door ouders en personeel via de medezeggenschap
de instrumenten te geven om te participeren in de besluitvorming. Zo ontstaat
een meervoudige publieke verantwoording die voorziet in toezicht binnen de
school en vanuit de overheid (inspectie, gemeente en het ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW)).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Lumpsumbekostiging is alleen dan geslaagd als de beslissingen van bestuur
en management, ook met betrekking tot de besteding van middelen, ten goede
komen aan de kwaliteit van het onderwijs in de school. Het is
van belang dat bevoegd gezag en management bij zichzelf te rade gaan om te
bepalen wat nodig is voor een goed bestuur ten dienste van het onderwijs.
Waar liggen de grenzen die de sector zich stelt bij autonomie? Welke waarden
en normen gelden daarbij, ook bijvoorbeeld op het terrein van investeringen
en beloningen? Wanneer is besluitvorming zorgvuldig? Hoe kan het interne toezicht
en de functiescheiding het best worden georganiseerd? Hoe krijgt de meervoudige
publieke verantwoording ook werkelijk inhoud? Met de besturenorganisaties,
de schoolleiderorganisaties en de personeelsorganisaties wordt een «code
of good governance» ontwikkeld. Zo kan de sector door zelfregulering
invulling geven aan de autonomievergroting en de bestedingsvrijheid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Meer keuzevrijheid betekent dus meer aandacht voor het te voeren beleid
ter verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Toekomstgericht werken
op basis van een visie vraagt om meer bestuurskracht, vraagt meer van het
management en van de directeur. Dat vraagt op het personele en financiële
terrein om andere, nieuwe competenties. Om bevoegde gezagsorganen en scholen
in staat te stellen de toenemende verantwoordelijkheid waar te maken, is in
de begroting voor 2004 een bedrag van € 32 mln opgenomen, oplopend
naar € 100 mln structureel in 2007. Deze middelen zijn in hoofdzaak
bedoeld om bevoegde gezagsorganen en scholen in staat te stellen zich voor
te bereiden op de invoering van lumpsumbekostiging en om structureel ruimte
te creëren en vorm te geven aan de verruiming van de nieuwe beleidsvrijheid.</al>
      <tuskop letat="vet">1.3 Logische vervolgstap</tuskop>
      <al>De invoering van lumpsumbekostiging sluit aan bij eerdere stappen die
zijn genomen om de financiële beleidsruimte van bevoegde gezagsorganen
en scholen te vergroten. In 1993 zijn in het «Schevenings Beraad»
door de toenmalige bewindslieden richtinggevende afspraken gemaakt met de
besturenorganisaties over verdergaande decentralisatie en vermindering van
regelgeving. Onderdeel van deze afspraken was dat er ook voor het funderend
onderwijs lumpsumbekostiging zou komen. Als uitwerking van die afspraken zijn
in 1995 de mogelijkheden verkend om tot een verantwoorde invoering van lumpsumbekostiging
in het primair onderwijs te komen. Toen is besloten voorlopig af te zien van
de invoering van lumpsum in het primair onderwijs. Wel is gekozen voor modernisering
van de regels rond het formatiebudget.</al>
      <al>Sinds 2001 krijgen scholen ook een klein deel van het personele budget
als lumpsum uitgekeerd. Dit budget is in overleg met het veld en in verschillende
stappen tot stand gekomen met als doel de bestedingsvrijheid van bevoegde
gezagsorganen binnen het formatiebudgetsysteem te verruimen. Het werd samengesteld
uit financiële middelen die voorheen door middel van afzonderlijke regelingen
werden toegekend. De introductie van dat budget voor personeelsbeleid<voetref refid="v4.1" nr="1"></voetref> maakte het mogelijk dat scholen en schoolbesturen voor
een deel een eigen personeelsbeleid voeren. Met ingang van 1 augustus
2004 is het schot tussen het personele en het materiële budget vervallen
(amendement De Vries c.s., Kamerstukken II 2003/04, 28 762, nr. 21).
De invoering van lumpsumbekostiging is een logische vervolgstap in de verruiming
van de financiële beleidsvrijheid in het primair onderwijs.</al>
      <al>De invoering van lumpsumbekostiging is ook een logisch vervolg op de eerdere
invoering van lumpsumbekostiging in de andere onderwijssectoren.</al>
      <al>In de brief d.d. 19 december 2002, betreffende lumpsum primair onderwijs,
(Kamerstukken II 2002/03, 28 600 VIII, nr. 107) is aan de Tweede
Kamer gerapporteerd over een verkenning van invoeringsmogelijkheden van lumpsumbekostiging
in het primair onderwijs. In deze brief zijn de uitgangspunten en de randvoorwaarden
geformuleerd. In het overleg met de vaste commissie voor Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap is ook het gefaseerde invoeringsplan besproken, zoals
verwoord in de brief aan de Tweede Kamer van juni 2003 (brief d.d. 11 juni
2003, betreffende lumpsum primair onderwijs, Kamerstukken II, 2003/04, 28 600
VIII, nr. 132). Dit plan voorziet in de start van pilots lumpsumbekostiging
per 1 januari 2004 en eindigt met de lumpsum voor de hele sector per
1 augustus 2006.</al>
      <al>De uitgangspunten en randvoorwaarden zijn uitgewerkt in twee notities,
de uitwerkingsnotitie lumpsumbekostiging primair onderwijs (Kamerstukken II,
2003/04, 29 399, nr. 1) en een brief over een pilot-programma lumpsum
in het primair onderwijs (Kamerstukken II, 2003/04, 29 399, nr. 2).
De beschrijving van het te ontwikkelen nieuwe bekostigingsstelsel en het bestuurlijk
kader waarbinnen het nieuwe stelsel wordt ingevoerd, heeft ten grondslag gelegen
aan het onderhavige wetsvoorstel. Over de uitwerkingsnotitie is overleg gevoerd
met de stuurgroep Autonomie Deregulering en Rekenschap, waarin de besturenorganisaties,
de schoolleiderorganisaties en de personeelsorganisaties zijn vertegenwoordigd.</al>
      <al>Dit wetsvoorstel geeft de nauwgezette vertaling van de hiervoor genoemde
uitwerkingsnotitie.</al>
      <tuskop letat="vet">2. DE NIEUWE BEKOSTIGING</tuskop>
      <tuskop letat="vet">2.1 Een nieuw budget</tuskop>
      <al>Met de voorgestelde invoering van lumpsumbekostiging krijgen bevoegde
gezagsorganen en scholen straks één budget in geld uitgekeerd.
Weliswaar blijven de afzonderlijke berekeningen van het materiële budget
en het budget voor personeelsbeleid bestaan – om de herverdeeleffecten
zoveel mogelijk te beperken –, maar als het om de besteding gaat is
er geen onderscheid meer.</al>
      <al>Het materieel budget wordt nu al in geld uitgekeerd. Met het aanvaarden
van de Wet van 17 december 2003 tot wijziging van de Wet op het primair
onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs
en de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 in verband met een verruiming van
de bestedingsvrijheid voor scholen in het primair en voortgezet onderwijs
(Stb. 2004, 16) is het schoolbudget voor personeelsbeleid en arbeidsvoorwaarden
geïntroduceerd. Dit is een klein personeelsbudget, dat evenals het materieelbudget
in geld wordt uitgekeerd.</al>
      <al>Het grootste deel (meer dan 80%) van de bekostiging ontvangen de schoolbesturen
nu nog in formatierekeneenheden. Deze formatierekeneenheden kunnen in het
bestaande declaratiestelsel worden gebruikt om personeel in dienst te nemen.
De kosten van het personeel dat op de verstrekte formatierekeneenheden is
aangesteld, kunnen nu nog worden gedeclareerd. Met de invoering van lumpsum
wordt de toekenning van formatierekeneenheden omgezet in een toekenning in
geld. Zo ontvangen de bevoegde gezagsorganen één budget bestaande
uit drie berekeningscomponenten. Het geld uit dit budget mag worden ingezet
op de scholen van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kan daarin eigen beleid
ontwikkelen. Om verantwoorde besluitvorming te waarborgen, worden, zoals vermeld,
voorstellen gedaan tot herziening van de zeggenschap en de medezeggenschap.</al>
      <tuskop letat="vet">2.2 Ontschotting</tuskop>
      <al>De schotten tussen het materieelbudget, het budget voor personeelsbeleid
en het formatiebudget vervallen. Om de herverdeeleffecten zo klein mogelijk
te houden blijft de berekening van de afzonderlijke budgetten bestaan. De
besteding ervan is echter vrij.</al>
      <al>In het wetsvoorstel worden de huidige voorwaarden die betrekking hebben
op de leerlinggebonden financiering (LGF, ook wel het rugzakje) en
op de middelen in het kader van het «weer samen naar school-beleid»
gehandhaafd. Deze middelen zijn immers gekoppeld aan taken en activiteiten
die de school met betrekking tot specifieke leerlingen op zich neemt.</al>
      <tuskop letat="vet">2.3 Minder regeldruk</tuskop>
      <al>De huidige declaratiesystematiek vervalt en de omzetting van niet gebruikte
formatierekeneenheden in geld is niet langer nodig. Daarmee vervallen ook
de regels die bepalen onder welke voorwaarden personeel mag worden gedeclareerd.
Niet gebruikte formatierekeneenheden kunnen binnen het declaratiestelsel onder
voorwaarden worden omgezet in geld (de zogenaamde verzilvering). Met de invoering
van lumpsum vervallen de regels die aangeven wanneer niet gebruikte formatierekeneenheden
mogen worden verzilverd. Ook krijgen bevoegde gezagsorganen en scholen door
het wegvallen van de declaratieregels meer mogelijkheden om zelf de arbeidsvoorwaarden
in te vullen. Verdere decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming is
daarmee mogelijk geworden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de scholen die worden bekostigd op basis van de Wet op de expertisecentra
zal de berekening van de bekostiging worden vereenvoudigd. Zo zal bijvoorbeeld
in de berekening van de bekostiging het aantal functieniveaus van onderwijsondersteunend
personeel worden teruggebracht tot één. De toekenning van de
toeslag voor de directie wordt veranderd, waardoor deze eenvoudiger kan worden
toegepast en beter aansluit bij het basisonderwijs. In de huidige berekeningswijze
is een plafond in de bekostiging van de conciërge en de schoolleiding
opgenomen. De complexiteit in de berekening wordt sterk gereduceerd door dit
plafond op te heffen. Deze en andere vereenvoudigingen zullen hun beslag krijgen
in de algemene maatregel van bestuur gebaseerd op artikel 117 van de Wet op
de expertisecentra. Dit maakt het mogelijk voor de verschillende onderwijssoorten
volgens hetzelfde basisprincipe lumpsumbekostiging in te voeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is de bedoeling de groeiregeling (neergelegd in de artikelen 15c en
volgende van het Formatiebesluit WPO en 8 en 9 van het Formatiebesluit WEC)
te handhaven, omdat anders de herverdeeleffecten groter worden. Wel is het
de bedoeling de uitvoering van de groeiregeling uitvoeringstechnisch te vereenvoudigen.
Dit zal zijn beslag krijgen in de algemene maatregel van bestuur waarin de
bekostiging nader wordt geregeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De bedragen per leerling en de bedragen voor de berekening van toeslagen
worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Het is de intentie wijzigingen
in de bedragen binnen een schooljaar zoveel mogelijk te beperken. Dat komt
de duidelijkheid en daarmee de stabiliteit van het financieel beleid van bevoegde
gezagsorganen en scholen ten goede. Op diverse plaatsen in het wetsvoorstel
is sprake van een algemene maatregel van bestuur of van een ministeriële
regeling. Het voornemen is tot een clustering te komen zodat het aantal tot
een minimum wordt beperkt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op dit moment kan de minister op grond van de wet aanvullende formatie
toekennen aan scholen die zich in bijzondere omstandigheden bevinden. De minister
publiceert jaarlijks een aantal omstandigheden op grond waarvan aanvullende
formatie kan worden aangevraagd. In de praktijk zijn de gepubliceerde bijzondere
omstandigheden jaarlijks hetzelfde zoals bijvoorbeeld schipperskinderen en
kinderen van zigeuners.</al>
      <al>Het voorstel is daarom om die standaard bijzondere omstandigheden op te
nemen in een ministeriële regeling. </al>
      <tuskop letat="vet">2.4 Onderbouwde bekostiging</tuskop>
      <al>Er is sprake van een onderbouwde bekostiging. De personele bekostiging
is gebaseerd op een formatieomvang die gegeven het aantal leerlingen toereikend
is voor een school in normale omstandigheden.</al>
      <al>De formules waarmee de budgetten van een school worden berekend kennen
geen sturende werking. Zij geven niet aan hoeveel geld bedoeld is voor hoeveel
formatieplaatsen onderwijspersoneel, onderwijsondersteunend personeel of directie.</al>
      <al>Bij de overgang op lumpsum worden de budgetten, die nu voor declaratie
van personele kosten beschikbaar zijn, opnieuw verdeeld volgens de lumpsumberekening.
Bij de overgang wordt dus niet meer of minder geld verdeeld dan in het oude
declaratiestelsel. Wel wordt structureel geïnvesteerd in de versterking
van management en bestuur. De in de begroting 2004 opgenomen reeks van € 32
mln in 2004, oplopend tot € 100 mln in 2007 en de jaren daarna,
is in hoofdzaak bestemd voor de versterking van bestuur en management.</al>
      <tuskop letat="vet">2.5 Kleinschaligheid</tuskop>
      <al>Het is nadrukkelijk de bedoeling dat lumpsumbekostiging ook een wenkend
perspectief biedt aan kleine bevoegde gezagsorganen. Bijna de helft van het
totale aantal bevoegde gezagsorganen in het primair onderwijs heeft één
school. Meer keuzevrijheid op het financiële terrein brengt meer kansen
met zich mee, maar ook meer risico's. Het gaat dan bijvoorbeeld om de herverdeeleffecten,
de omvang van reserveringen, voorzieningen ten behoeve van ouderenverlof,
premievariaties als gevolg van arbeidsongeschiktheid, of personele lasten
die zich anders ontwikkelen dan in de meerjarenramingen van het bevoegd gezag
is voorzien. Kleine bevoegde gezagsorganen kunnen soms minder veerkracht hebben
om deze risico's op te vangen. Een grote organisatie heeft meestal meer mogelijkheden
om beleid te effectueren, bijvoorbeeld omdat het natuurlijk verloop onder
het personeel door de tijd heen stabieler zal zijn, waardoor maatregelen eenvoudiger
kunnen worden ingevoerd. Grotere organisaties kunnen iets makkelijker een
zekere speelruimte in hun begroting creëren, waardoor meer flexibiliteit
ontstaat. Om ook perspectief te bieden aan de kleine bevoegde gezagsorganen,
wordt bij de berekening van de lumpsum en de impuls voor bestuur en management
rekening gehouden met de positie van de kleine scholen. Voorgesteld wordt
de kleine-scholentoeslag voor basisscholen te laten bestaan en in de bekostiging
rekening te houden met de leeftijd van het personeel van een school. Bovendien
zullen via het flankerend beleid en de pilot lumpsum instrumenten worden aangeboden
voor samenwerkingsvormen waarbij de juiste afweging tussen de intensiteit
van samenwerking en het behoud van zelfstandigheid kan worden gemaakt. Hierbij
kan worden gedacht aan coöperatieve verenigingen, federaties, franchiseorganisaties,
arbeidspools etc. In de pilot lumpsum (op basis van de artikelen 72a WPO en
73a WEC) zijn drie bevoegde gezagsorganen met één school opgenomen.
De pilot voor deze bevoegde gezagsorganen richt zich op de ontwikkeling van
«good practices» die ook voor kleine bevoegde gezagsorganen toekomstperspectief
bieden binnen lumpsumbekostiging, ondermeer door de mogelijkheden van bovenbestuurlijke
samenwerking te beproeven.</al>
      <tuskop letat="vet">2.6 Herverdeeleffecten</tuskop>
      <al>Nu krijgen scholen op basis van leerlingenaantallen en kenmerken van leerlingen
formatierekeneenheden toegekend. De kosten van het personeel dat het bevoegd
gezag aanstelt op deze formatierekeneenheden kunnen worden gedeclareerd. Straks
ontvangen de bevoegde gezagsorganen voor hun scholen geen formatierekeneenheden
meer, maar geld. Bij de berekening van het bedrag dat een bevoegd
gezag ontvangt, wordt uitgegaan van de landelijk gemiddelde prijs van een
formatieplaats. Echter bij individuele besturen kan de gemiddelde prijs van
een formatieplaats afwijken van de landelijk gemiddelde prijs. Daardoor ontstaan
er herverdeeleffecten. Uit de verkenning naar de invoeringsmogelijkheden van
de lumpsum is naar voren gekomen dat deze herverdeeleffecten om speciale maatregelen
vragen, zodat het prijsrisico beheersbaar blijft. Het voorstel is deze maatregelen
vorm te geven in de berekeningswijze van de lumpsum, in een overgangsregeling
en in het flankerend beleid, door:</al>
      <al>• de indicatoren die nu de omvang van de formatie bepalen (leerlingen
en gewichten<voetref refid="v8.1" nr="1"></voetref> en de nu bestaande toeslagen (directie,
kleinescholen-toeslag, nevenvestiging) ook bepalend te laten zijn voor de
omvang van de lumpsum;</al>
      <al>• rekening te houden met de leeftijd van de leraren. Ouder personeel
is meestal duurder dan jonger personeel. Bij declaratie merken de scholen
dat niet, bij lumpsum wel. Daarom wordt voorgesteld dat scholen met ouder
personeel een relatief grotere lumpsum krijgen dan scholen met jonger personeel;</al>
      <al>• een deel van de investering in het management van de scholen uit
te keren in de vorm van een vaste voet per school en een verhoging van de
kleinescholentoeslag voor basisscholen. Dit geeft extra steun aan de kleine
scholen;</al>
      <al>• instrumenten te bieden die kunnen helpen bij het zoeken naar samenwerkingsvormen
zoals bijvoorbeeld coöperaties, of federaties. Daarmee kunnen bevoegde
gezagsorganen de kansen van lumpsumbekostiging beter benutten en de risico's
spreiden, zonder de zelfstandigheid op te geven op punten die voor de betrokken
bevoegde gezagsorganen van essentieel belang zijn;</al>
      <al>• met besturenorganisaties, schoolleiderorganisaties en personeelsorganisaties
te voorzien in goede voorlichting over het nieuwe stelsel, cursussen, coachingsprogramma's
en instrumenten voor financieel beleid;</al>
      <al>• te voorzien in een rekenmodel waardoor bevoegde gezagsorganen en
scholen vanaf het schooljaar 2004/2005 kunnen schaduwdraaien. Dit biedt bevoegde
gezagsorganen en scholen de gelegenheid zich goed voor te bereiden op het
nieuwe bekostigingsstelsel;</al>
      <al>• een overgangsregeling te hanteren die de herverdeeleffecten gedurende
vier jaar matigt.</al>
      <al>De totale omvang van de herverdeeleffecten op basis van de gegevens over
het schooljaar 2002/2003 bedragen ca. € 50 mln. De invoering van
lumpsumbekostiging op zich is budgettair neutraal, dus tegenover een achteruitgang
van bevoegde gezagsorganen, staat een even grote vooruitgang bij andere bevoegde
gezagsorganen.</al>
      <tuskop letat="vet">2.7 Gemiddelde leeftijd</tuskop>
      <al>De reguliere bekostiging wordt leeftijdafhankelijk. Bij overdrachten van
bekostiging voor zorgvoorzieningen aan speciale scholen voor basisonderwijs
wordt geen rekening gehouden met de leeftijd van het personeel van de school,
maar met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van leraren van
speciale scholen voor basisonderwijs. Wel kan een samenwerkingsverband bij
verdere overdrachten desgewenst rekening houden met de leeftijd van het personeel.
Dit kan in het zorgplan worden geregeld. Ook bij de bekostiging in verband
met de groei van het aantal leerlingen (de huidige artikelen 15c en volgende
van het Formatiebesluit WPO en de artikelen 8 en 9 van het Formatiebesluit
WEC) en bekostiging voor aanvullende formatie wordt geen rekening gehouden
met de gewogen (weging op basis van de omvang van de betrekking) gemiddelde
leeftijd van het personeel van de school.</al>
      <al>Voor de vaststelling van de gewogen gemiddelde leeftijd van het personeel van een school, wordt uitgegaan van de leeftijd van de leraren
van een school. De landelijk gewogen gemiddelde leeftijd wordt voor elk schooljaar
gepubliceerd.</al>
      <al>Voor de vaststelling van de gewogen gemiddelde leeftijd is de betrekkingsomvang
van het personeel als gegeven nodig. In lagere regelgeving zal geregeld worden
dat het bevoegd gezag de desbetreffende gegevens levert.</al>
      <tuskop letat="vet">3. ZEGGENSCHAP EN MEDEZEGGENSCHAP</tuskop>
      <al>De bestedingsvrijheid moet ten goede komen aan de kwaliteit van het onderwijs
op de scholen zelf. Lumpsumbekostiging mag niet leiden tot een sector die
aan de ene kant van het spectrum wordt beheerst door financiële managers
en beroepsbestuurders die een eigen koers varen met onvoldoende draagvlak
bij de scholen en de ouders en aan de andere kant van het spectrum, kleine
besturen met vrijwilligers, die alleen maar risico's willen mijden en daarom
maximaal reserveren. Daarom hoort bij meer vrijheid: toenemende verantwoordelijkheid,
transparante besluitvorming en informatievoorziening en adequate verantwoording
en toezicht.</al>
      <al>Alle geledingen binnen de organisaties die het onderwijs verzorgen, dienen
betrokken te zijn bij de besluitvorming over de inzet van middelen. Daartoe
wordt een evenwichtige mix van regelgeving en zelfregulering voorgesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor een goed functionerend bestuurlijk kader is nodig dat alle geledingen
op alle niveaus in de onderwijsorganisatie beschikken over juiste, actuele
en goed toegankelijke beleidsinformatie. Een bevoegd gezag met meerdere scholen
zal een beslissing moeten nemen over de middelenverdeling over de scholen.
Gegarandeerd moet zijn dat de scholen bij deze beslissing via de medezeggenschap
betrokken zijn. Vandaar dat de invoering van lumpsum gepaard gaat met de verplichte
instelling van een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad.</al>
      <al>Op veel scholen is sprake van verandering in de rol van bestuur en management.
Het bovenschoolse management is niet meer weg te denken uit het primair onderwijs.
Daarom wordt voorgesteld de aanstelling te regelen van personeel dat ten behoeve
van meerdere scholen werkt. Duidelijkheid en heldere afspraken over de bestuurlijke
verhoudingen zijn noodzakelijk. Niet door voor te schrijven hóe de
verhoudingen binnen de sturingskolom moeten worden geregeld, maar wel door
van het bevoegd gezag te verlangen dát daarover heldere afspraken worden
gemaakt. Voorgesteld wordt het huidige directiestatuut te vervangen door het
managementstatuut, dat betrekking heeft op de gehele sturingskolom (zie verder
onder 3.2). De wijzigingsvoorstellen op het terrein van de zeggenschap zijn
randvoorwaardelijk voor de invoering van lumpsumbekostiging in het primair
onderwijs. Daarnaast wordt in samenwerking met het veld onderzocht hoe de
medezeggenschapsverhoudingen het best kunnen worden gemoderniseerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De wijzigingsvoorstellen in de WMO hebben niet alleen betrekking op de
scholen die vallen onder de WPO en WEC, maar hebben ook betrekking op de scholen
die onder de Wet op het voortgezet onderwijs vallen, zolang de WMO voor het
voortgezet onderwijs nog niet ingrijpender is aangepast. In het voortgezet
onderwijs is de autonomievergroting verder voortgeschreden dan in het primair
onderwijs. De interne organisatie en medezeggenschapsverhoudingen zijn op
VO-scholen in de afgelopen jaren gemoderniseerd. De aanpassingen van de WMO
1992 en daaraan verbonden omzetting van een directie- naar managementstatuut
sluiten dan ook voor veel scholen aan bij de bestaande verhoudingen in het
voortgezet onderwijs. Om die reden is besloten de betreffende aanpassingen
ook onverkort op het voortgezet onderwijs van toepassing te laten zijn. Dit
neemt niet weg dat, mede in overleg met het onderwijsveld, zal worden bekeken
hoe de medezeggenschapsverhoudingen in het voortgezet onderwijs verder kunnen
worden gemoderniseerd.</al>
      <tuskop letat="vet">3.1 Transparant informeren</tuskop>
      <al>Voorgesteld wordt het bevoegd gezag te verplichten tijdig aan medezeggenschapsraden
(MR) en gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (GMR) transparante en volledige
informatie te verschaffen die voor de vervulling van de medezeggenschapstaak
nodig is. Dit betreft in ieder geval informatie over de door het rijk jaarlijks
berekende lumpsumbekostiging per school of scholen die onder het bevoegd gezag
vallen, de begroting met de geraamde inkomsten en uitgaven, het jaarverslag
(balans en exploitatierekening met informatie over reserves/voorzieningen
en de onderbouwing daarvan). In de informatie wordt onderscheid gemaakt tussen
de afzonderlijke scholen en de gemeenschappelijke voorzieningen op bovenschools
niveau. De afzonderlijke scholen dienen duidelijk herkenbaar te zijn in de
verstrekte informatie.</al>
      <al>De inlichtingen en gegevens worden uit eigen beweging door het bestuur
schriftelijk verstrekt («actief openbaar»).</al>
      <al>Voorgesteld wordt ten behoeve van de bespreking met de MR of GMR over
de (meerjarige) financiële gang van zaken tenminste tweemaal per jaar
aan de MR of GMR mondeling of schriftelijk gegevens te verstrekken over de
(tussen)stand van inkomsten en uitgaven op het schoolniveau respectievelijk
het bovenschools niveau.</al>
      <al>Indien de MR of de GMR van mening is dat het bevoegd gezag of het daartoe
gemandateerde management de verantwoordelijkheid inzake de informatiebepaling
onvoldoende nakomt, bestaat zoals nu reeds het geval is de mogelijkheid de
kwestie aanhangig te maken bij de geschillencommissie WMO.</al>
      <tuskop letat="vet">3.2 Managementstatuut</tuskop>
      <al>In verband met de invoering van lumpsumbekostiging wordt een aanpassing
voorgesteld van het bestuurlijk kader. Voorgesteld wordt een wijziging van
de huidige bepalingen over de vaststelling van het directiestatuut (artikel
31 WPO en WEC en artikel 32c WVO).</al>
      <al>De wijziging houdt in dat het huidige begrip directiestatuut wordt vervangen
door het begrip managementstatuut. Dit in verband met de opdracht aan het
bevoegd gezag om ook in geval van bovenschools management helderheid te bieden
over de taak- en verantwoordelijkheidsverdeling in de gehele sturingskolom
van de onderwijsorganisatie (schooldirecteur – bovenschools management –
bestuur). Het statuut is dan niet langer een zaak tussen alleen het bevoegd
gezag en de directeuren van de afzonderlijke scholen.</al>
      <al>Het bevoegd gezag stelt het statuut vast, na overleg met het betrokken
management (zowel op schoolniveau als het zaken betreft die alleen de betreffende
school aangaan, als op bovenschools niveau als het gemeenschappelijke zaken
betreft die meerdere scholen aangaan). Door deze overlegverplichting wordt
duidelijk gemaakt dat de vaststelling van het statuut geen eenzijdige bestuurshandeling
is. Het management is daar altijd inhoudelijk bij betrokken zonder dat er
overigens sprake is van een instemmingvereiste.</al>
      <al>De inhoud van het managementstatuut is een aangelegenheid van het bevoegd
gezag, het management en de medezeggenschapsorganen. De overheid geeft zo
min mogelijk inhoudelijke voorschriften, maar beperkt zich tot het stellen
van de verplichting dat er duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over
het mandaat waarover het management kan beschikken. Ten gevolge van de invoering
van lumpsum is daarbij van belang om in de wettelijke opdracht
tot uitdrukking te brengen dat de afspraken in ieder geval betrekking hebben
op de taak- en verantwoordelijkheidstoedeling aan het management, bij de toedeling,
bestemming en besteding van de financiële middelen. Er wordt voorgesteld
de adviesbevoegdheid van de GMR over het managementstatuut te regelen in de
WMO.</al>
      <tuskop letat="vet">3.3 Medezeggenschap</tuskop>
      <al>Voor bevoegde gezagsorganen met meer dan één school ontstaat
meer ruimte voor eigen beleidskeuzes op bovenschools niveau omdat met de voorgestelde
invoering van lumpsum de bestedingsverplichting per school vervalt. Dit raakt
de belangen van de individuele scholen. Een effectieve inrichting en uitvoering
van de medezeggenschap op bovenschools niveau, in aansluiting op de al in
de WMO verankerende bevoegdheden van de MR, is daarom een vereiste.</al>
      <al>Het voorstel is om in de WMO op te nemen dat bevoegde gezagsorganen met
meer dan één school gehouden zijn tot het instellen van een
GMR. De huidige bepaling dat het bevoegd gezag hiertoe alleen moet overgaan
indien de meerderheid van de betrokken afzonderlijke medezeggenschapsraden
dit wenst, komt daarmee te vervallen. Er geldt voor een dergelijk bevoegd
gezag de verplichting een GMR in te stellen, net zoals er sprake is van de
verplichting om aan iedere school een MR te verbinden.</al>
      <al>Voorgesteld wordt de in het kader van artikel 31 WMO verleende ontheffingen
tot toepassing van de WMO in verband met de eigen aard daarbij te respecteren.
Onderkend wordt dat er onder één bevoegd gezag scholen kunnen
zijn mét een ontheffing en scholen zónder een ontheffing van
de medezeggenschapsverplichting. Voor een dergelijk bevoegd gezag geldt dan
de verplichting tot de instelling van een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad.
Deze gemeenschappelijke medezeggenschapsraad gaat dan ook over gemeenschappelijke
zaken die de scholen met vrijstelling betreffen.</al>
      <al>Verder wordt voorgesteld de huidige eis ten aanzien van de omvang van
de GMR (ten hoogste 24 leden dan wel indien het aantal aangesloten scholen
groter is dan 24, een aantal leden dat gelijk is aan het aantal aangesloten
scholen) te laten vervallen. De bevoegde gezagsorganen en medezeggenschapsraden
krijgen dan meer ruimte om daarin eigen afwegingen te maken. In de gewijzigde
wet komt dan wel tot uitdrukking dát men dat moet regelen. Voorgesteld
wordt de eis dat de leden komen uit ouders en personeel van de scholen en
dat het personeel onderscheidenlijk de ouders elk de helft van het aantal
leden van de GMR omvatten, te handhaven. Nieuw is dat een GMR-kandidaat géén
lid hoeft te zijn van een MR. De nu in artikel 28, tweede lid, van de WMO
1992, opgenomen bepaling dat de leden van de GMR moeten zijn gekozen uit de
leden van de afzonderlijke medezeggenschapsraden, is niet overgenomen in het
voorgestelde artikel 28.</al>
      <al>Ten behoeve van een effectieve inrichting van de GMR wordt in de WMO 1992
voorzien in een basispakket van adviesbevoegdheden dat aan de GMR wordt toegekend.
De adviesbevoegdheden, die aansluiten bij bestaande adviesbevoegdheden van
de MR op het niveau van afzonderlijke scholen, betreffen de gehele GMR, dus
zowel de ouders als het personeel. Het betreft adviesrechten ten aanzien van
voorgenomen bestuursbesluiten inzake:</al>
      <al>– de vaststelling van de hoofdlijnen van het (meerjarig) financieel
beleid voor alle scholen, waaronder de voorgenomen bestemming van de middelen;</al>
      <al>– de maatstaven/criteria die worden toegepast bij de verdeling van
de totale beschikbare lumpsum over enerzijds gemeenschappelijke voorzieningen
op bovenschools niveau en anderzijds voorzieningen op schoolniveau;
evenals de maatstaven/criteria bij de verschuiving van middelen tussen de
afzonderlijke scholen;</al>
      <al>– de vaststelling of wijziging van het managementstatuut, in het
bijzonder over de taak- en verantwoordelijkheidsverdeling.</al>
      <al>De GMR oefent de bevoegdheden zoals neergelegd in het wettelijke basispakket
uit voor alle MR-en. Dit geldt ook voor alle bevoegdheden die met instemming
van ten minste twee derden van de leden van de betrokken MR-en zijn overgedragen.
Voor de uitoefening van deze bevoegdheden is het bevoegd gezag niet gehouden
om in overleg te treden met de afzonderlijke MR-en. Ook niet met die MR-en
die niet hebben ingestemd met de overdracht van bepaalde bevoegdheden aan
de GMR. Dit voorkomt dat het bevoegd gezag naast het overleg met de GMR over
dezelfde aangelegenheid ook nog met één of meer MR-en zou moeten
overleggen.</al>
      <al>Het vertrekpunt in het wetsvoorstel bij de verdeling van de bevoegdheden
tussen de medezeggenschapsraden van de individuele scholen en de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraden is dat zaken zoveel mogelijk in de medezeggenschapsraden
van individuele scholen worden besproken. De gemeenschappelijke raad is er
voor de zaken die de scholen gezamenlijk betreffen. Zo zal het managementstatuut
voorzover het de gemeenschappelijke invulling van verantwoordelijkheden en
bevoegdheden betreft een zaak van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad
zijn. Dat laat onverlet dat er met of in scholen ook afspraken gemaakt kunnen
worden over verantwoordelijkheden en bevoegdheden die deel uitmaken van het
managementstatuut. Voor deze afspraken geldt de medezeggenschap van de individuele
medezeggenschapsraad van de desbetreffende school.</al>
      <tuskop letat="vet">4. INVOERING EN FLANKERENDE MAATREGELEN</tuskop>
      <tuskop letat="vet">4.1 Gefaseerde invoering</tuskop>
      <al>De invoering van lumpsum in het primair onderwijs zoals die nu is voorzien,
is gepland in een aantal stappen.</al>
      <al>a) Op 1 januari 2004 zijn 35 bevoegde gezagsorganen met samen ca.
700 scholen gestart met een pilot. 12 bevoegde gezagsorganen met samen ca.
100 scholen werken – op basis van de artikelen 72a WPO en 73a WEC –
met geld in plaats van formatierekeneenheden. De overige bevoegde gezagsorganen
werken binnen het declaratiesysteem aan de ontwikkeling van instrumenten voor
o.a. besluitvorming over de verdeling van middelen, de ontwikkeling van kengetallen
en bench marks, de verhouding tussen bestuur, bovenschools management en schoolleiding.</al>
      <al>b) In de eerste helft van 2004 wordt de berekeningswijze van de nieuwe
lumpsumbekostiging uitgewerkt in een elektronisch rekenmodel dat ter beschikking
wordt gesteld aan de scholen.</al>
      <al>c) Ook wordt in de eerste helft van 2004 het meetjaar voorbereid. Op basis
van de gegevens van het meetjaar (schooljaar 2004/2005) worden de landelijk
gemiddelde personele lasten per onderwijssoort vastgesteld die mede bepalend
zijn voor de bedragen die bij de berekening van de lumpsum voor de verschillende
onderwijssoorten worden gehanteerd. Daarnaast is het de bedoeling dat op basis
van het meetjaar wordt vastgesteld in welke mate het lumpsumbudget van een
bestuur wordt bijgesteld in verband met de herverdeeleffecten die bij de invoering
kunnen ontstaan.</al>
      <al>Door de voorbereiding op het meetjaar, de uitvoering van het meetjaar
en het werken met het berekeningsmodel, krijgen bevoegde gezagsorganen, scholen,
(G)MR-en, management inzicht in de werking van de lumpsumsystematiek en kunnen
zij zich voorbereiden op de definitieveinvoering van lumpsumbekostiging,
die gepland is in het schooljaar 2006/2007.</al>
      <al>d) Het streven is dat de schoolbesturen over het kalenderjaar 2005 hun
financiën voor het eerst verplicht via een jaarverslag verantwoorden,
mits de wettelijke basis daarvoor tijdig is geregeld (Kamerstukken II, 2003/04,
29 470, nrs. 1–2).</al>
      <al>e) In de eerste helft van 2006 is gepland dat de bevoegde gezagsorganen
en de scholen worden geïnformeerd over het lumpsumbudget inclusief het
effect van de overgangsregeling.</al>
      <al>f) De planning is dat vanaf 1 augustus 2006 de lumpsumbekostiging
definitief van start gaat.</al>
      <tuskop letat="vet">4.2 Investering in management en bestuur</tuskop>
      <al>Uit de verkenning naar de mogelijkheden om lumpsum in te voeren, is naar
voren gekomen dat het management en het bestuur van scholen een impuls nodig
hebben om met lumpsum te kunnen werken. Alleen dan zal de toenemende beleidsvrijheid
kunnen leiden tot verbetering van de onderwijskwaliteit.</al>
      <al>Zo is het bijvoorbeeld de bedoeling dat bevoegde gezagsorganen en directeuren
de kwantitatieve behoefte aan personeel op langere termijn in kaart brengen.
Bevoegde gezagsorganen en scholen gaan na welke competenties er nodig zijn,
gelet op de onderwijskundige doelstellingen, en zij zorgen voor goede nascholing.
Beginnende leraren verdienen een adequate begeleiding. Een dergelijk modern
personeelsbeleid komt de aantrekkingskracht van het onderwijs ten goede. Lumpsum
is een belangrijk middel om dat te realiseren. Om planmatig en toekomstgericht
te kunnen werken, is een extra impuls in de kwaliteiten van management en
bestuur noodzakelijk om de nieuwe verantwoordelijkheden op het terrein van
personeels-, materieel, financieel en onderwijskundig beleid, te kunnen waar
maken.</al>
      <al>Aan deze randvoorwaarde wordt invulling gegeven door de extra investering
oplopend tot € 100 mln in 2007 en door het flankerend beleid (zie
verder onder 6.2).</al>
      <tuskop letat="vet">4.3 Flankerend beleid</tuskop>
      <al>De invoering van lumpsumbekostiging is pas geslaagd als het aan de kwaliteit
van het onderwijs ten goede komt. Daarvoor is nodig dat bevoegde gezagsorganen,
directeuren, (G)MR-en, ouders en personeel goed voorbereid zijn op de invoering
van lumpsumbekostiging. Zij moeten op de hoogte zijn van de nieuwe beleidsvrijheid
en van de stappen die worden genomen om daartoe te komen. Dat vergt een goed
uitgebalanceerde communicatie. Het vraagt ook om bevordering van de benodigde
deskundigheden, door cursussen, coachingsprogramma's etc. Meer beleidsruimte,
meer keuzemogelijkheden, integraal management, daarbij hoort het ontwikkelen
van een nieuwe visie. Daarbij horen ook nieuwe managementinstrumenten.</al>
      <al>De organisatie van het flankerend beleid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid
van het ministerie en de landelijke organisaties voor bestuur, personeel en
management. OCW heeft in samenwerking met deze landelijke organisaties een
stuurgroep ingericht waarin de uitwerking en de implementatie van het lumpsumtraject
wordt afgestemd in samenhang met andere maatregelen op het terrein van autonomievergroting
en deregulering (invoering jaarverslag, onderwijsnummer enz). Onder verantwoordelijkheid
van deze stuurgroep is een kleine en slagvaardige projectgroep flankerend
beleid ingesteld. De projectgroep wordt geleid door een onafhankelijke projectleider.
Het is de bedoeling dat deze projectgroep werkt aan een samenhangend flankerend
beleid, dat er in voorziet dat het primair onderwijsveld effectief en eenduidig
wordt voorbereid op de implementatie van de lumpsumbekostiging
en daaraan voorafgaand de invoering van het jaarverslag.</al>
      <al>Verder draagt de projectgroep zorg voor de inventarisatie van bestaande
instrumenten en de ontwikkeling van nieuwe instrumenten, die bevoegde gezagsorganen
en scholen kunnen ondersteunen bij de invoering en het gebruik van lumpsumbekostiging.
Daarbij wordt aangesloten bij het ontwikkelwerk dat binnen de eerdergenoemde
pilots plaatsvindt.</al>
      <al>Er zal via een monitor worden nagegaan of alle besturen en scholen daadwerkelijk
aan de slag zijn met de voorbereiding van de invoering lumpsum.</al>
      <tuskop letat="vet">5. HANDHAAFBAARHEID EN UITVOERBAARHEID</tuskop>
      <al>De financiële beleidsvrijheid die scholen ontvangen is niet vrijblijvend.
De schoolbesturen dienen zich te verantwoorden en er is toezicht nodig. De
inspectie houdt toezicht op de resultaten van de scholen en bij achterblijvende
resultaten zal de inspectie nader onderzoek instellen. In verband met de vergroting
van de autonomie van de bevoegde gezagsorganen en scholen, is toezicht door
de inspectie van het onderwijs gemoderniseerd. De inspectie zal in de toekomst
ook moeten nagaan of bestuur en management goede condities realiseren voor
het functioneren van de scholen. Het inspectietoezicht zal daarmee meer integraal
van karakter worden.</al>
      <al>De bevoegde gezagsorganen moeten zich straks verantwoorden door middel
van een jaarverslag. Er vindt accountantscontrole plaats. Uiteindelijk kan
de overheid sancties opleggen.</al>
      <al>De Auditdienst van het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap
voert steekproefsgewijs controles uit.</al>
      <al>De lumpsumbekostiging vergroot niet alleen de beleidsvrijheid van de bevoegde
gezagsorganen en scholen, het maakt ook het bekostigingsstelsel als geheel
eenvoudiger. Het huidige bekostigingsstelsel kent zowel de lumpsumsystematiek
als de declaratiesystematiek. In de praktijk blijkt het naast elkaar bestaan
van lumpsumbudgetten en bekostiging op declaratiebasis, steeds meer complicaties
op te leveren. Zo zijn er regels nodig om te bepalen wat ten laste van het
lumpsumbudget moet en wat mag worden gedeclareerd. Deze complicaties verdwijnen
met de invoering van lumpsumbekostiging.</al>
      <al>Het nieuwe stelsel wordt eenvoudiger, zodat begroting en verantwoording
qua inhoud en vorm net zo zijn als overal in onze samenleving. Dit komt de
inzichtelijkheid en de mogelijkheden voor toezicht door de geledingen in de
(gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ten goede. Daarmee zijn begroting
en verantwoording voor een veel bredere groep toegankelijk. Dit komt de inzichtelijkheid
van het stelsel en de mogelijkheden van toezicht ten goede.</al>
      <al>In het declaratiestelsel vragen scholen voorschotten aan die later weer
worden verrekend met de declaratie. Dit brengt extra administratieve last
met zich mee en ook extra controles. Dit vervalt bij de invoering van lumpsumbekostiging.</al>
      <al>Het bekostigingsstelsel wordt transparanter. De bevoegde gezagsorganen
worden verplicht tot verantwoording via een jaarverslag. Het toezicht door
de inspectie en de accountant is geregeld. Waar het om gaat bij vergroting
van de beleidsvrijheid is dat er voldoende waarborgen zijn om ervoor te zorgen
dat bevoegde gezagsorganen ook beslissen in het belang van het onderwijs en
dat het geld wordt uitgegeven in het belang van de kinderen. Door de voorstellen
op het terrein van de zeggenschap en de medezeggenschap, hebben de directeuren,
de ouders en het personeel een duidelijke rol in het besluitvormingsproces.
Daarnaast wordt er gewerkt aan een «code of good governance»,
waarin nader invulling wordt gegeven aan zaken als het interne toezicht, goede
functiescheiding etc. Hiermee is niet alleen het externe toezicht goed geregeld,
maar wordt ook vorm gegeven aan de waarden en normen die gelden
bij besluitvorming en aan het interne toezicht. Door hier gebruik te maken
van zelfregulering wordt het draagvlak vergroot, wat ten goede komt aan de
naleving.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De uitvoeringsorganisatie Cfi heeft het wetsvoorstel aan een uitvoerbaarheidstoets
onderworpen, waarbij ook de handhaafbaarheid aan de orde is geweest. Cfi acht
de invoering van lumpsumbekostiging uitvoerbaar. Voorbehoud is dat wijzigingen
die na maart 2004 in de nieuwe lumpsumbekostiging worden aangebracht, opnieuw
moeten worden getoetst op tijdige uitvoerbaarheid. Met betrekking tot de handhaafbaarheid,
heeft Cfi een aantal aanbevelingen gedaan die passen binnen het wetsvoorstel
en die in lagere regelgeving zullen worden verwerkt.</al>
      <tuskop letat="vet">6. FINANCIEEL KADER INVOERING LUMPSUM</tuskop>
      <al>Het kabinet heeft extra ruimte gemaakt om de invoering van lumpsumbekostiging
te faciliteren. Het gaat om de volgende reeks: </al>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="3" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="15mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="3mm"></colspec>
          <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="94.5mm"></colspec>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">2004</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">€</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">32 mln. </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">2005</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">€</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">59 mln.</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">2006</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">€</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">96 mln. </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">2007</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">€</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">100 mln. </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" nameend="c3" namest="c1" rotate="0">en volgende jaren.</entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <witreg></witreg>
      <al>De reeks is totstandgekomen uit een eerste investeringsreeks uit het regeerakkoord
Balkenende I (structureel € 75 mln. vanaf 2006) en een tweede
aanvullende reeks uit het regeerakkoord Balkenende II (structureel € 25
mln. vanaf 2006). Bij deze laatste reeks is specifiek prioriteit gelegd
bij de kleinere bevoegde gezagsorganen en scholen, die onder lumpsum niet
worden gedwongen tot (bestuurlijke) schaalvergroting.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de vorige paragrafen is een inhoudelijke uitwerking gegeven van het
stelsel van lumpsumbekostiging. De inzet van de extra middelen is ingevuld
op basis van deze inhoudelijke uitwerkingen. Uitgaande van invoering van lumpsum
per 1 augustus 2006 worden de budgetten voor de jaren 2004, 2005 en 2006
gedeeltelijk benut voor facilitering van besturen en scholen en gedeeltelijk
om het invoeringstraject te financieren (flankerend beleid en pilots). Verder
wordt een deel van het budget gebruikt om de kwaliteitsimpuls voor nieuwe
schoolmanagers te financieren. Vanaf 1 augustus 2006 wordt het overgrote
deel van de structurele middelen toegekend aan de besturen/scholen. Een beperkt
budget blijft dan nog gereserveerd om eventueel nog te treffen aanvullende
overgangsmaatregelen te financieren.</al>
      <tuskop letat="vet">(bedragen x 1 mln €) </tuskop>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="5" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="52.5mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="15mm"></colspec>
          <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="15mm"></colspec>
          <colspec colname="c4" colnum="4" colwidth="15mm"></colspec>
          <colspec colname="c5" colnum="5" colwidth="15mm"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">2004</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">2005</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">2006</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">2007 </entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">1. versterking management/bestuur</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">19,7</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">46,5</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">84,5</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">95,7</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">2. pilots</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">5</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">5</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">3,7 </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">3. flankerend beleid</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">2,5</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">2,5</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">2,5 </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">4. kwaliteitsimpuls management</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1,8</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">2,7</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">2,6 </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">5. invoerings- en overgangsmaatregel(en)</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1,7</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1,3</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">3</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">6. praktijkonderwijs</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1,3</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1,3</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1,3</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1,3</entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <tuskop letat="vet">6.1 Financieel kader: versterking management/bestuur</tuskop>
      <al>6.1.1. Het grootste deel van de extra middelen wordt ingezet om de besturen
en scholen in de gelegenheid te stellen zich voor te bereiden op en uitvoering
te geven aan de lumpsumbekostiging. De faciliteiten worden op schooljaarbasis
toegekend. Uitgaande van de beschikbare middelen per kalenderjaar is de volgende
oplopende reeks voor de facilitering in de komende schooljaren beschikbaar: </al>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="2" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="20mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="92.5mm"></colspec>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">2004/2005:</entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0">€ 48 mln.</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">2005/2006:</entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0">€ 68 mln. </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">2006/2007:</entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0">€ 90,4 mln.</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">2007/2008:</entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0">€ 95,7 mln.</entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor het basisonderwijs is hierin (op basis van de huidige middelenverdeling
van het budget voor personeelsbeleid) een aandeel opgenomen van € 44,4
mln. voor 2004/2005, € 62,9 mln. voor 2005/2006, € 79,45
mln. voor 2006/2007 en € 84,36 voor 2007/2008.</al>
      <al>Deze faciliteiten zullen toegekend worden als aanvulling op het reeds
bestaande budget voor personeelsbeleid voor versterking van personeelsbeleid
en management. Er is een verdeelsystematiek ontwikkeld waarbij een deel van
de middelen (bijna € 25 mln.) toegekend wordt op basis van een vast
bedrag per school (omvang ca € 2 650) en een extra kleine scholentoeslag
conform de systematiek van de al bestaande kleine-scholentoeslag (indicatieve
omvang: maximaal bedrag per school van ca € 5700), verminderd met
een bedrag van € 39,50 per leerling.</al>
      <al>Bij 145 leerlingen is de extra kleine scholen toeslag tot nul verminderd.
Het overige deel van de middelen (2004/2005: € 21,3 mln, 2005/006: € 39,8
mln, 2006/2007: € 56,3 mln, 2007/2008: € 61,2 mln.) wordt
op basis van een bedrag per leerling toegekend. Het bedrag per leerling neemt
toe met de toename van het resterende budget, tot uiteindelijk indicatief € 39,50
per leerling structureel.</al>
      <al>In het Hoofdlijnenakkoord is aangegeven dat dit kabinet kiest voor kleinschalig
onderwijs en dat het kabinet dit stimuleert door de vorming van steeds grotere
scholen en fusies af te remmen. Door de gekozen verdeling van de faciliteiten,
een bedrag per school en een bedrag per leerling, wordt uitvoering gegeven
aan de keuze van het kabinet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>6.1.2. Voor het speciaal basisonderwijs bedraagt het aandeel (op basis
van de huidige verdeling budget voor personeelsbeleid) € 2,36 mln.
in 2004/2005, € 3,34 mln. in 2005/2006, € 4,22 mln. in
2006/2007 en € 4,48 in 2007/2008.</al>
      <al>Het speciaal basisonderwijs kent geen kleine scholen toeslag. Daarom wordt
de toedeling alleen gebaseerd op een vast bedrag per school en een leerlinggerelateerd
bedrag.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>6.1.3. Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs is (op basis van de huidige
middelenverdeling budget voor personeelsbeleid) een aandeel beschikbaar van € 1,24
mln. in 2004/2005, € 1, 76 mln. in 2005/2006, € 2,23 mln.
in 2006/2007 en € 2,36 in 2007/2008.</al>
      <al>Voor scholen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs zal de inzet van
deze middelen voor management/ besturen gedeeltelijk anders plaatsvinden.
In de bekostiging van deze scholen is in de huidige systematiek een maximering
opgenomen voor de personeelsformatie directie, conciërge en technisch
assistent. Om ongewenste complexiteit in de lumpsumsystematiek te voorkomen
zal de maximering worden opgeheven. Daarmee zijn, om de herverdeeleffecten
te mitigeren, extra kosten gemoeid ter hoogte van € 4,5 mln. structureel
vanaf 2006/2007, die worden gefinancierd uit de extra middelen voor management
en bestuur. Het gaat om een structurele ophoging van het budget, gebaseerd
op de meetgegevens zoals die nu bekend zijn. Deze middelen zijn
reeds in mindering gebracht op de genoemde reeks «aandeel beschikbaar».
De resterende middelen worden ingezet naar analogie van de systematiek voor
het speciaal basisonderwijs met een vast bedrag per school en een leerlinggerelateerd
bedrag.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>6.1.4. De Tweede Kamer heeft bij bespreking van de brieven over de lumpsumbekostiging
aangedrongen op een soepele aansluiting tussen de afloop van de stimuleringsregeling
Bestuurlijke krachtenbundeling (BKB) per 1-8-2004 en de toekenning van de
faciliteiten voor management en bestuur. (Handelingen II, 2002/03, nr. 91,
blz. 5254 e.v.). De BKB-facilitering bestaande uit een vast bedrag van € 70 000,–
wordt toegekend per bestuur of samenwerkingsverband van besturen, wanneer
dit bestuur of samenwerkingsverband hetzij 10 scholen omvat, dan wel minimaal
2000 leerlingen, dan wel 80 fte personeelsformatie.</al>
      <al>Herverdeeleffecten treden vooral op bij besturen met weinig scholen en
leerlingen en een relatief grote personeelsformatie. Dit betreft met name
het (voortgezet) speciaal onderwijs. Om de herverdeeleffecten te mitigeren
conform de wens van de Kamer, wordt de faciliteringsregeling voor management/bestuur
in het eerste schooljaar 2004/2005 aangepast. Deze aanpassing houdt in dat
de facilitering per schoolbestuur wordt gemaximeerd op € 70 000,–.
Daarnaast worden de middelen zodanig ingezet dat wordt gegarandeerd dat een
bestuur dat nu gebruikmaakt van de BKB-regeling in het schooljaar 2004/2005
niet meer dan € 35 000,– minder zal ontvangen. Met ingang
van het schooljaar 2005/2006 wordt op de faciliteringsregeling management/bestuur
geen BKB-correctie meer toegepast.</al>
      <tuskop letat="vet">6.2 Financieel kader aanpassingen systemen en processen
uitvoeringsorganisatie</tuskop>
      <al>In de dekking van de kosten van systemen in processen is voorzien. Daarvoor
is in de begroting 2004 ruimte opgenomen (hoofdlijnenakkoord 2004–2007:
enveloppe 1 en 2, A. Deregulering, autonomie en rekenschap, in de post service
gerichte uitvoering). Een deel van deze middelen is bestemd voor de invoering
van lumpsumbekostiging in het primair onderwijs, daarmee zijn de invoeringskosten
volledig gedekt.</al>
      <tuskop letat="vet">7. PLANNING</tuskop>
      <al>Het streven is er op gericht de lumpsumbekostiging in te voeren per 1 augustus
2006. Teneinde bevoegde gezagsorganen en scholen in de gelegenheid te stellen
om zich tijdig op de nieuwe bekostigingssystematiek in te stellen, is het
wenselijk de wet in de zomer van 2005 in het Staatsblad te publiceren.</al>
      <tuskop letat="vet">8. ARTIKELSGEWIJS</tuskop>
      <al>In diverse artikelen worden uitsluitend wijzigingen van technische aard
voorgesteld. Het gaat dan bijvoorbeeld om het vervangen van de begrippen «formatie»
en «formatierekeneenheden» door het begrip «bekostiging»
en om het aanpassen van verwijzingen naar artikelen en artikelleden. Die wijzigingen
worden hier niet afzonderlijk toegelicht. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel D en artikel II, onderdeel D (artikelen
29 WPO en 29 WEC)</tuskop>
      <al>Het voorgestelde vijfde lid maakt het mogelijk om in het kader van bovenschools management personeel te benoemen dat niet aan een specifieke
school is verbonden. Dit personeel verricht ondersteunende werkzaamheden ten
behoeve van het bestuur. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een bovenschools
manager, een juridisch of financieel beleidsmedewerker. Gezien de formulering
van dit lid is het niet noodzakelijk nog afzonderlijk te regelen dat de bedoelde
personeelsleden een benoeming in algemene dienst van het bevoegd gezag hebben.</al>
      <al>In het voorgestelde achtste lid is bepaald dat – hoewel de bekostiging
van het personeel in een lumpsumstelsel in geld plaatsvindt – het bevoegd
gezag nog wel jaarlijks het beleid met betrekking tot de formatie dient vast
te stellen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel E en artikel II, onderdeel E (artikelen
31 WPO en 31 WEC)</tuskop>
      <al>In de artikelen 31 van de WPO en de WEC wordt de term directiestatuut
vervangen door de term managementstatuut, dat betrekking heeft op de gehele
sturingskolom. Verder wordt tot uitdrukking gebracht dat de afspraken over
de taakverdeling, mandaat, bevoegdheden en verantwoordelijkheden niet louter
een eenzijdige handeling van het bevoegd gezag betreffen. De schoolleiding
en het bovenschools management zijn direct betrokken bij de totstandkoming.
De uiteindelijke vaststelling van het statuut is een verantwoordelijkheid
van het bevoegd gezag. Ook wordt tot uitdrukking gebracht dat in het statuut
wordt verankerd dat het management ook direct betrokken is bij de ontwikkeling
van voorstellen ter invulling van de bestedingsvrijheid onder lumpsum. Het
gaat dan om de toedeling (de hoeveelheid geld die voor de school beschikbaar
zal zijn), de bestemming (waaraan zal het geld worden besteed) en de aanwending
(wat is de «reserve»-bestemming als in de loop van het jaar mocht
blijken dat het geld niet volledig zal blijken te worden besteed volgens de
bestemming) van de bekostiging. Het managementstatuut moet openbaar worden
gemaakt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel I en artikel II, onderdeel L (artikelen
69 WPO en 70 WEC)</tuskop>
      <al>In het voorgestelde eerste lid wordt expliciet aangegeven dat het (structureel)
verzorgen van onderwijs aan groepen leerlingen van verschillende scholen niet
is toegestaan. Deze bepaling is een uitvloeisel van de situatie die beschreven
is in de brief van 19 januari 2004 (Kamerstukken II, 2003/04, 29 200
VIII, nr. 116).</al>
      <al>Omdat het voorgestelde bekostigingssysteem niet langer is gebaseerd op
bekostiging via voorschotten (hetgeen in het huidige declaratiesysteem wél
het geval is), wordt de betaling van voorschotten tot een uitzonderingssituatie
bijvoorbeeld voor nieuwe scholen. Om die reden is voorgesteld de regeling
met betrekking tot voorschotten niet langer op te nemen in de basisbepalingen
over bekostiging (art. 69 WPO en 70 WEC), maar in afzonderlijke artikelen
(art. 149 WPO en 144 WEC).</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel J (artikel 70a WPO)</tuskop>
      <al>Het leerlinggebonden budget wordt op dit moment toegekend in de vorm van
een geldbedrag en formatierekeneenheden. In een lumpsumstelsel zal toekenning
nog uitsluitend in de vorm van een geldbedrag plaatsvinden. Uiteraard wordt
het nu geldende bedrag verhoogd als «compensatie» voor de niet
langer toe te kennen formatierekeneenheden. Het leerlinggebonden budget blijft
wel als afzonderlijk bekostigingselement zichtbaar. Dat geldt ook voor het
deel van de bekostiging waarvoor een verplichting geldt dat het besteed wordt
aan ambulante begeleiding, verzorgd door een school voor speciaal onderwijs. </al>
      <al>Het leerlinggebonden budget zal worden berekend op basis van de landelijk
gewogen gemiddelde leeftijd en daarmee dus bekostigd op basis van de landelijke
gemiddelde personele last. Gewogen wil zeggen dat bij de berekening van de
landelijk gemiddelde leeftijd tevens de betrekkingsomvang wordt betrokken.
Voor de onderbouwing van het leerlinggebonden budget zal onderscheid worden
gemaakt naar het schooldeel, berekend op basis van de gemiddelde personele
last van een leraar basisonderwijs en het extern te besteden deel, berekend
op basis van de gemiddelde personele last van een leraar van een school voor
(voortgezet) speciaal onderwijs.</al>
      <al>Tevens is een wijziging aangebracht in de ingangsdatum van de bekostiging
van het leerlinggebonden budget: de eerste van de maand volgend op de melding
is vervangen door de eerste van de maand volgend op de inschrijving.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel L en artikel II, onderdeel O (artikelen
116 WPO en 113 WEC)</tuskop>
      <al>Om snel te kunnen inspelen op bijzondere ontwikkelingen in de sector wordt
in de voorgestelde artikelen een basis gelegd voor de mogelijkheid van aanvullende
bekostiging voor materiële instandhouding. Er worden 2 situaties onderscheiden.
In het eerste lid van de artikelen 116 WPO/113 WEC kan de minister in geval
van bijzondere ontwikkelingen in het basisonderwijs respectievelijk het (voortgezet)
speciaal onderwijs aanvullende bekostiging toekennen. In het tweede lid gaat
het om situaties waarin sprake is van toekenning van bijzondere bekostiging
voor personeelskosten. Die toekenning kan voor de minister reden zijn om aanvullende
bekostiging voor materiële instandhouding toe te kennen.</al>
      <al>In het derde lid wordt de basis gelegd voor het instellen van een subsidieplafond.
Dit is noodzakelijk voor het geval de aanvullende bekostiging de vorm zou
krijgen van een aanvraagprocedure.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel N en artikel II, onderdeel Q (artikelen
120 WPO en 117 WEC)</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Algemeen</tuskop>
      <al>De voorgestelde artikelen 120 WPO en 117 WEC bevatten de basisbepalingen
voor de bekostiging van het personeel voor het basisonderwijs en het (voortgezet)
speciaal onderwijs (inclusief de instellingen voor visueel gehandicapte leerlingen).
Uitgangspunt is een bedrag per leerling, dat wordt verhoogd met een bedrag
dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren
op die school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Omdat ouder
personeel vaak duurder is dan jonger personeel, wordt in de personele bekostiging
rekening gehouden met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de
school op 1 oktober voorafgaande aan het schooljaar. Bij de bekostiging
in verband met groei van het leerlingenaantal en de bekostiging voor aanvullende
formatie zal geen rekening worden gehouden met de gewogen gemiddelde leeftijd
van het personeel van de school.</al>
      <al>Voor de vaststelling van de gewogen gemiddelde leeftijd van het personeel
van een school, wordt uitgegaan van de leeftijd van de leraren van een school.
De landelijk gewogen gemiddelde leeftijd wordt voor elk schooljaar geprognosticeerd
en gepubliceerd. Hierna wordt meer gedetailleerd ingegaan op de totstandkoming
van de bedragen.</al>
      <al>Zowel het bedrag per leerling als de verhoging kunnen voor verschillende
categorieën leerlingen verschillen. De onderscheiden categorieën
worden in het tweede lid van genoemde voorgestelde artikelen beschreven. Zij
komen overeen met de categorieën leerlingen die in het huidige systeem
van formatietoekenning worden onderscheiden. Het bedrag per leerling en het
bedrag van de verhoging worden steeds bij ministeriële regeling vastgesteld. De frequentie van die vaststellingen wordt niet in het
wetsvoorstel geregeld. Uiteraard is het niet de bedoeling om de bedragen binnen
een schooljaar frequent te wijzigen. Dat zou ten koste gaan van de duidelijkheid
over de financiële middelen voor het bevoegd gezag.</al>
      <al>Daarnaast biedt het derde lid van de voorgestelde artikelen de mogelijkheid
om bij algemene maatregel van bestuur te regelen in welke gevallen en onder
welke voorwaarden extra bekostiging wordt toegekend. In ieder geval zal aanvullende
bekostiging worden toegekend voor de huidige toeslag voor kleine basisscholen,
de schoolleiding, de bestrijding van onderwijsachterstanden en nevenvestigingen
(basisonderwijs). Verder zal het bijvoorbeeld gaan om de gewichtenregeling
en de groeiregeling. De huidige formatieve regelingen worden omgebouwd naar
een toekenning in de vorm van een geldbedrag. Uitgangspunt daarbij is om de
huidige systematiek te volgen, zodat de aanvullende bekostiging in de vorm
van een toeslag of een leeftijdsafhankelijk bedrag per leerling zal zijn.</al>
      <al>Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs blijven de sinds de invoering
van leerlinggebonden financiering geldende formatiecomponenten herkenbaar
in de berekening van de bekostiging. Het gaat daarbij om de aanvullende bekostiging
voor instellingen voor visueel gehandicapte leerlingen, leerlingen van wie
de toelating is gericht op een verblijf op de school van korter dan een schooljaar,
leerlingen die zijn opgenomen in residentiële instellingen en preventieve
ambulante begeleiding en ambulante begeleiding in verband met terugplaatsing.</al>
      <al>Het zevende lid (WPO) respectievelijk het vijftiende lid (WEC) komen inhoudelijk
overeen met het huidige artikel 120, tweede lid, van de WPO respectievelijk
artikel 117, eerste lid, vijfde volzin en vijfde lid, tweede volzin, van de
WEC. Met dit artikellid wordt aangeduid welke elementen van de personeelsbekostiging
tezamen redelijkerwijs voldoende zijn voor het verrichten van de binnen een
«standaard»school te verrichten werkzaamheden.</al>
      <tuskop letat="cur">Omrekening huidige formules en hoeveelheden naar formules
en hoeveelheden bij lumpsum</tuskop>
      <al>Op basis van de huidige formatietoekenning wordt een aantal toe te kennen
formatieplaatsen per leerling berekend. Hierbij wordt rekening gehouden met
de huidige verschillen in omvang van formatietoekenning, zoals onderbouw/bovenbouw,
achterstandsformatie, formatie voor schoolleiding, zorgformatie enz. Dit gebeurt
door het aantal toe te kennen formatierekeneenheden te delen door het aantal
formatierekeneenheden voor de desbetreffende personeelscategorie. Voor de
leraren van basisscholen bedraagt dat aantal 179.</al>
      <al>Voor het onderwijzend personeel en de directie wordt de gemiddelde prijs
per formatieplaats bepaald op basis van de declaratie in het meetjaar 2004–2005.
Hierbij wordt rekening gehouden met de bij het Rijk gedeclareerde loonkosten
en de verzilvering van niet verbruikte formatierekeneenheden.</al>
      <al>Vervolgens wordt – om de bekostiging afhankelijk te maken van de
gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren –, per onderdeel van de formatietoekenning
zowel de hoeveelheid formatie als de prijs per formatieplaats vertaald in
een vast bedrag per leerling en een leeftijdsafhankelijk bedrag per leerling.
Dat laatste bedrag wordt vermenigvuldigd met de gemiddelde leeftijd van de
leraren van de school.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Als voorbeeld wordt hier de berekening van het bedrag per leerling in
de onderbouw van een basisschool uitgewerkt:</al>
      <al>Voor een leerling in de onderbouw ontvangt een basisschool 10,21 formatierekeneenheden
voor groepsleraren en 0,45 formatierekeneenheid voor taakrealisatie van de
schoolleiding.</al>
      <al>De berekening voor de hoeveelheid personeel per leerling in de onderbouw
wordt dan: </al>
      <al>(10,21 + 0,45) / 179 = 0,0570 formatieplaats. Als de gemiddelde prijs
voor een leerkracht € 25 000 voor het vaste deel en € 500
voor het leeftijdsafhankelijke deel bedraagt, worden per leerling de bedragen
respectievelijk 0,0570 x 25 000 = € 1425 en 0,0570 x 500 = € 28,50.</al>
      <al>De formule voor de bekostiging voor leerlingen in de onderbouw wordt dan:</al>
      <al>Aantal leerlingen in de onderbouw x (1425,00 + gewogen gemiddelde leeftijd
x 28,50)</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De scholen zien dus uiteindelijk alleen een berekening in geld en geen
formatieberekening. Omdat de bedragen per leerling bestaan uit een hoeveelheidscomponent
en een prijscomponent kunnen wijzigingen in de bedragen worden onderbouwd
via publicatie in het Gele Katern.</al>
      <tuskop letat="cur">Bedragen</tuskop>
      <al>De totale lumpsumvergoeding wordt per schooljaar berekend en toegekend.
Op basis van artikel VI wordt vastgesteld wat de bedragen per leerling, en
de overige bedragen zijn bij de invoering van lumpsumbekostiging. Deze bedragen
worden periodiek bijgesteld ten gevolge van :</al>
      <al>• wijzigingen in het prijsdeel van de onderbouwing van de lumpsumbedragen.</al>
      <al>• wijzigingen in het hoeveelheidsdeel van de onderbouwing van de
lumpsumbedragen.</al>
      <al>• de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd.</al>
      <al>Wijzigingen in het prijsdeel van de onderbouwing van de lumpsumbedragen
hangen samen met de ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslast.
Deze ontwikkeling betreft onder meer de effecten van centrale CAO-afspraken,
van gewijzigde sociale lasten en premies, van gewijzigde pensioenpremies en
van wijzigingen in de opslag voor vervangingsfonds en voor participatiefonds.
Daarnaast wordt de genormeerde gemiddelde personeelslast ieder schooljaar
aangepast met de genormeerde ontwikkeling van de incidentele looncomponent.</al>
      <al>Wijzigingen in het hoeveelheidsdeel van de onderbouwing van de lumpsumbedragen
zullen over het algemeen een gevolg zijn van beleidsmatige keuzes. De verkleining
van de groepsgrootte in de onderbouw zou onder lumpsum hebben geleid tot een
aanpassing in het hoeveelheidsdeel en daarmee tot een aanpassing van de lumpsumbedragen.</al>
      <al>Daarnaast moeten de lumpsumbedragen ieder schooljaar worden bijgesteld
vanwege de ontwikkeling van de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd.
De lumpsumbedragen in het invoeringsjaar zijn afgeleid uit de genormeerde
landelijke gemiddelde personeelslast in dat jaar. Om rekening te houden met
het feit dat de feitelijke gemiddelde personeelslast bij scholen met relatief
oud respectievelijk relatief jong personeel naar verwachting hoger respectievelijk
lager zal zijn dan de genormeerde landelijke gemiddelde personeelslast, vindt
er een correctie op de toekenning plaats. Deze correctie hangt af van de mate
waarin de feitelijke gewogen gemiddelde leeftijd op een school afwijkt van
de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd. Het saldo van alle correcties
is nul; de correctie heeft daarmee een budgettair neutraal karakter.</al>
      <al>Om deze budgettaire neutraliteit in stand te houden moeten, indien in
een volgend schooljaar de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd verandert,
ook de parameters van het correctiemechanisme worden gewijzigd. De lumpsumformules
zullen dan zodanig moeten worden aangepast dat het totaal van de correcties
weer nul is. Deze aanpassing is vergelijkbaar met de aanpassing die in de
lumpsumformules voor het voortgezet onderwijs plaatsvindt bij wijzigingen
in de landelijke gewogen gemiddelde leeftijd in het voortgezet onderwijs. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel O en artikel II, onderdeel R (artikelen
121 WPO en 118 WEC)</tuskop>
      <al>Inhoudelijk zijn er nauwelijks wijzigingen aangebracht in artikel 121
WPO. Nieuw is in het derde lid de wijze van vaststellen van de gewogen gemiddelde
leeftijd van de leraren in geval van samenvoeging van scholen. Deze wijziging
vloeit voort uit de nieuwe bekostigingssystematiek (zie ook de toelichting
bij artikel 120 WPO en artikel 117 WEC). De voorgestelde wijziging in artikel
118 WEC betreft een aanvullende bepalingen voor de telling van leerlingen
in geval van samenvoeging van scholen en ook hier de wijze van vaststellen
van de gewogen gemiddelde leeftijd van leraren in die situatie.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel Q en artikel II, onderdeel S (artikelen
123 WPO en 120 WEC)</tuskop>
      <al>Om snel te kunnen inspelen op bijzondere ontwikkelingen in de sector wordt
in de voorgestelde artikelen een basis gelegd voor de mogelijkheid van bijzondere
bekostiging voor personeelskosten. Vanwege de behoefte om snel te kunnen inspelen
op bijzondere ontwikkelingen is gekozen voor de mogelijkheid om dit bij ministeriële
regeling te regelen. Er worden 2 situaties onderscheiden. In het eerste lid
van de artikelen 123 WPO/120 WEC kan de minister in geval van bijzondere ontwikkelingen
in de sector bijzondere bekostiging toekennen.</al>
      <al>In het tweede lid wordt geregeld dat de minister bijzondere bekostiging
kan toekennen op verzoek van een bevoegd gezag in verband met bijzondere omstandigheden
in een concreet geval. Een verzoek daartoe kan niet eerder worden ingediend
dan 4 maanden voorafgaand aan het schooljaar waarin die bijzondere omstandigheden
zich hebben aangediend en niet later dan in het schooljaar waarin de bijzondere
omstandigheden zich voordoen. Aangezien het besluit betreffende een dergelijk
verzoek in beginsel binnen 4 maanden moet worden genomen, is bij aanvang van
het schooljaar duidelijkheid over het al dan niet honoreren van het verzoek.
Voor beide situaties geldt dat op grond van het vierde lid een bekostigingsplafond
kan worden ingesteld. Dit is nodig voor het geval dat de bijzondere bekostiging
de vorm van een aanvraagprocedure zou krijgen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdelen R en S (artikelen 124 en 125 WPO)</tuskop>
      <al>In de voorgestelde artikelen 124 en 125 wordt geregeld dat het door een
basisschool aan een school voor speciaal basisonderwijs over te dragen bedrag
wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd
van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs. Dit laat onverlet de
mogelijkheid dat binnen een samenwerkingsverband afspraken worden gemaakt
om een hoger bedrag over te dragen. De vaststelling van bedragen zal in een
ministeriële regeling gebeuren. De wijze waarop dit bedrag wordt bepaald,
wordt aangegeven in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
124, achtste lid, respectievelijk artikel 125, tweede lid, van de WPO.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel X (artikel 132 WPO)</tuskop>
      <al>Ook in het voorgestelde artikel 132 WPO wordt de huidige gezamenlijke
zorgformatie voor basisscholen omgezet in gezamenlijke personeelsbekostiging.
Gelet op de schaal van de samenwerkingsverbanden is de leeftijdsafhankelijke
toekenning bij de berekening per school achterwege gelaten en wordt gerekend
met de landelijke gemiddelde personele last (een bedrag per leerling, vermeerderd
met een bedrag per leerling vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen
gemiddelde leeftijd). Daarbij wordt de gemiddelde personele last
van een leraar in het speciaal basisonderwijs gebruikt. Om dezelfde reden
als aangegeven in de toelichting bij de artikelen 124 en 125 WPO wordt ook
het bedrag, bedoeld in artikel 132 WPO bij ministeriële regeling vastgesteld.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdelen U en V en artikel II, onderdelen
U en V (artikelen 129 WPO en 124 WEC)</tuskop>
      <al>De tot nu toe gehanteerde benaming «schoolbudget voor personeels-
en arbeidsmarktbeleid» wordt vervangen door: budget voor personeels-
en arbeidsmarktbeleid. Dit om verwarring te voorkomen met de aanduiding «schoolbudget»
voor het totale lumpsumbudget voor een school.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel Y en artikel II, onderdeel X (artikelen
137 WPO en 131 WEC)</tuskop>
      <al>De bekostiging voor personeel wordt jaarlijks, per schooljaar, verstrekt.</al>
      <al>In de huidige declaratiesystematiek worden uitkeringen die direct of indirect
aan de werkgever worden verstrekt (bijvoorbeeld in het kader van de Ziektewet
of de Wet arbeid en zorg), in mindering gebracht op de te declareren loonkosten.
Om herverdeeleffecten te voorkomen is er voor gekozen deze uitkeringen conform
de huidige systematiek in mindering te blijven brengen op de rijksbekostiging.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel CC en artikel II, onderdeel BB (artikelen
148 WPO en 143 WEC)</tuskop>
      <al>In de voorgestelde artikelen 148 WPO en 143 WEC worden de bestedingsmogelijkheden
van de bekostiging geregeld. Zowel de bekostiging voor materiële instandhouding
als voor personeel kan worden aangewend voor bovenbestuurlijk management en
materiële instandhouding of personeel</al>
      <al>– van de school op basis waarvan die bekostiging is berekend of
van een andere school (bedoeld in de WPO respectievelijk de WEC)) van het
bevoegd gezag (eerste lid);</al>
      <al>– van een centrale dienst of een andere school (bedoeld in de WPO
respectievelijk de WEC) niet van het bevoegd gezag (tweede lid, onderdeel
a);</al>
      <al>– van een centrale dienst of een school bedoeld in een andere wet
dan de wet waaronder de desbetreffende school valt (WPO, WEC of WVO).</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel I, onderdeel HH en artikel II, onderdeel FF (artikelen
163a WPO en 150a WEC)</tuskop>
      <al>Terugstorting van niet bestede bekostigingsbedragen is uitsluitend aan
de orde indien sprake is van de opheffing of de beëindiging van de bekostiging
van de laatste school van een bevoegd gezag.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel III, onderdelen A en C (artikelen 32c en 77a WVO)</tuskop>
      <al>De voorgestelde wijziging komen overeen met de wijzigingen die zijn voorgesteld
in de Wet op het primair onderwijs.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel IV onderdeel A (artikel 5 WMO)</tuskop>
      <al>Eén van de voorwaarden om op volwaardige wijze invulling te kunnen
geven aan medezeggenschap, is het tijdig beschikken over relevante informatie.
Wat relevant is voor de medezeggenschap wordt niet meer ter beoordeling aan
het bevoegd gezag overgelaten, maar is in dit wetsvoorstel gedetailleerd beschreven.
Hoewel er voor het bevoegd gezag geen verplichting bestaat om
een begroting of andere beleidsvoornemens aan het ministerie van OCW voor
te leggen, is het voor een goede (gemeenschappelijke) medezeggenschap van
belang dat MR-en en GMR-en tijdig op de hoogte gebracht worden van toekomstige
plannen van het bevoegd gezag, opdat het adviseren over de voornemens ook
daadwerkelijk invloed kan hebben. Omdat het (verplicht) opstellen van een
jaarverslag onlosmakelijk verbonden is met het maken van een begroting, levert
deze informatieverplichting aan MR-en en GMR-en geen extra administratieve
last op voor het bevoegd gezag. Aan het bevoegd gezag wordt niet voorgeschreven
op welk moment de begroting en de beleidsvoornemens aan de GMR moeten worden
overgelegd, omdat elk bevoegd gezag zelf mag bepalen of het kalenderjaar dan
wel het schooljaar leidend is.</al>
      <al>Het verstrekken van de informatie over de berekening die ten grondslag
ligt aan de bekostiging is gekoppeld aan het moment dat de Centrale Financiën
Instellingen (hierna: Cfi) die aan het bevoegd gezag heeft verstrekt.</al>
      <al>Het moment van verstrekken van het jaarverslag aan de GMR sluit aan bij
het moment waarop het jaarverslag aan de minister van OCW beschikbaar moet
zijn gesteld.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel IV, onderdeel B (artikel 7 WMO)</tuskop>
      <al>Op het adviesrecht van de medezeggenschapsraad over de vaststelling of
wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid, worden twee
soorten middelen uitgezonderd omdat daar op grond van artikel 9 geen adviesrecht,
maar een instemmingsrecht voor de medezeggenschapsraad berust. Het gaat om
de middelen die afkomstig zijn van de ouders of leerlingen zonder dat daartoe
een wettelijke verplichting bestaat, de zogeheten vrijwillige ouderbijdrage
(artikel 9, onderdeel b), en de materiële bijdrage of geldelijke bijdragen
die als sponsorgeld aan de school ter beschikking worden gesteld (artikel
9, onderdeel e).</al>
      <al>Met het oog op het blijvende belang van inspraak op schoolniveau op de
inhoud van het managementstatuut, voorheen directiestatuut (zie ook onder
3.2), is in dit artikel het begrip directiestatuut vervangen door managementstatuut.
Daarmee is het adviesrecht van de medezeggenschapsraad op de vaststelling
of de wijziging van het managementstatuut behouden gebleven. In de praktijk
betekent dit dat alle zaken die het gemeenschappelijke belang raken van de
onder een bevoegd gezag ressorterende scholen, op GMR-niveau besproken worden
en zaken die alleen een individuele school raken worden op MR-niveau besproken.
Hierdoor wordt voorkomen dat het bevoegd gezag zowel met een MR als met een
GMR over dezelfde zaken moet overleggen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel IV, onderdeel C (artikel 8 WMO)</tuskop>
      <al>Om de invloed van personeel op de samenstelling van de formatie van een
school binnen een lumpsumbekostigingssysteem niet te beperken, blijft het
bevoegd gezag verplicht elk voorgenomen besluit over de samenstelling van
de formatie voor te leggen aan de personeelsgeleding. Met de invoering van
de lumpsumbekostiging vervalt de mogelijkheid om aan de personeelsgeleding
van de MR instemming te vragen over de besteding van het formatiebudget aan
materiële voorzieningen. Dat is de reden waarom wordt voorgesteld de
onderdelen l en m te laten vervallen. Dat betekent echter niet dat daarmee
ook de invloed van het personeel op de besteding van de middelen vervalt.
Daarin wordt immers in dit wetsvoorstel voorzien door het uitbreiden van het
adviesrecht op het punt van het vaststellen of wijzigen van de hoofdlijnen
van het meerjarige financieel beleid, zowel op het niveau van de MR (artikel
7, onderdeel c) als op het niveau van de GMR (artikel 28, zesde lid, onderdeel
a). </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel IV, onderdeel D (artikel 11 WMO)</tuskop>
      <al>Om te garanderen dat ook de GMR adequaat kan adviseren op grond van een
gemotiveerd besluit betreffende het meerjarige financieel beleid van het bevoegd
gezag, wordt het eerste lid van artikel 11 met een verwijzing naar artikel
28, zesde lid, onder a, uitgebreid.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel IV, onderdeel E (artikel 15 WMO)</tuskop>
      <al>In artikel 15 zijn de onderwerpen opgesomd die in ieder geval in het reglement
moeten worden opgenomen. Als er sprake is van een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad,
kunnen de medezeggenschapsraden afzien van het afvaardigen van een eigen vertegenwoordiger
in de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad. Afzien van een eigen vertegenwoordiger
is een belangrijke beslissing, die zorgvuldig genomen moet worden en waar
ook op teruggekomen moet kunnen worden. Op welke wijze de beslissing tot stand
komt, hoe lang de afspraak geldend is en op welke wijze een wijziging in de
afgesproken vertegenwoordiging kan plaatsvinden, moet in het reglement worden
geregeld.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel IV, onderdeel F (artikel 28 WMO)</tuskop>
      <al>Zoals onder 3.3 al is aangegeven, ontstaat er ruimte voor schoolbesturen
met meer dan één school voor eigen beleidskeuzes op bovenschoolsniveau
omdat de bestedingsverplichting per school vervalt. Dit raakt de belangen
van individuele scholen. Om een effectieve inrichting en uitvoering van de
medezeggenschap op bovenschools niveau, naast de al bestaande bevoegdheden
van de individuele MR-en, mogelijk te maken wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld
om een GMR verplicht te stellen wanneer een bevoegd gezag meerdere scholen
onder zich heeft. De in het kader van artikel 31 WMO verleende ontheffingen
tot toepassing van de WMO in verband met de eigen aard worden daarbij gerespecteerd.</al>
      <al>Wanneer het gaat om een bevoegd gezag met scholen als bedoeld in de Wet
op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra kan, op grond van
het feit dat de regelgeving in genoemde wetten grote overeenkomsten vertoont
en ook de personele regelingen (zoals CAO's) overeenkomen, worden volstaan
met één GMR. Voorwaarde is wel dat tweederde van de leden van
de desbetreffende medezeggenschapsraden hebben ingestemd met het instellen
van één GMR voor beide schoolsoorten.</al>
      <al>Ressorteren onder hetzelfde bevoegd gezag ook scholen als bedoeld in de
Wet op het voortgezet onderwijs, dan moet, in verband met de afwijkende regelgeving
en eigen CAO, voor deze scholen een aparte GMR voor de WVO-scholen worden
ingesteld.</al>
      <al>Uitgangspunt in dit wetsvoorstel blijft dat een GMR is samengesteld uit
een gelijk aantal leden, gekozen uit het personeel en ouders of leerlingen.
In het wetsvoorstel wordt geen maximum meer gesteld aan het aantal leden van
een GMR. Dit kan door het bevoegd gezag wel in het bij wet voorgeschreven
reglement worden vastgelegd. De eis dat leden van de GMR altijd uit een medezeggenschapsraad
afkomstig moeten zijn, komt te vervallen. Dit maakt het mogelijk om mensen
die een goede bijdrage kunnen leveren aan het functioneren van een GMR, en
wel aan de school verbonden zijn maar niet in de medezeggenschapsraad zitting
hebben, zitting kunnen nemen in een GMR.</al>
      <al>Voorgesteld wordt om de GMR adviesrecht te geven op besluiten die het
bevoegd gezag voornemens is te nemen over de hoofdlijnen van het meerjarig
financieel beleid en over de inhoud van het managementstatuut (zie ook onder
3.2). De bevoegdheden van de GMR kunnen worden uitgebreid met bevoegdheden
die in het bezit zijn van MR-en als twee derden van de leden van de desbetreffende
MR-en het eens is met zo'n overdracht. Het gaat hier echt om overdracht van
bevoegdheden, hetgeen inhoudt dat MR-en afstand doen van hun
bevoegdheden. Een en ander wordt vastgelegd in het reglement.</al>
      <al>De GMR krijgt in het wetsvoorstel een instemmingsrecht op het vaststellen
of wijzigen van het GMR-reglement door het bevoegd gezag. Ook hier geldt dat
twee derden van het aantal leden van de GMR moet hebben ingestemd alvorens
de wijziging of vaststelling een feit is. Echter, als het gaat om zaken waarmee
de MR in een eerdere fase al heeft ingestemd en die daarna zijn overgedragen
aan de GMR, behoeft het bevoegd gezag niet opnieuw instemming te verkrijgen.
Dat is de betekenis van artikel 28, tiende lid.</al>
      <al>Op de overgedragen bevoegdheden blijven de voorschriften zoals bijv. de
wijze van besluitvorming, de wijze waarop advies wordt aangevraagd en de manier
waarop de geschillencommissie in stelling kan worden gebracht, onverminderd
van kracht. Dat is de betekenis van de leden 9 en 11 van dit artikel.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel IV, onderdeel G (artikel 30 WMO)</tuskop>
      <al>Een van de belangrijke verworvenheden van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad
die in dit wetsvoorstel wordt geregeld, is de adviesbevoegdheid op het punt
van het financieel beleid van het bevoegd gezag, anders gezegd het mogen adviseren
over de verdeling van de middelen over de scholen en het bovenschools management.
Om te voorkomen dat deze verworvenheid verloren gaat, wordt in dit wetsvoorstel
de mogelijkheid van de minister om op verzoek van het bevoegd gezag af te
wijken van onderdelen van de WMO op dit onderdeel beperkt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel V</tuskop>
      <al>Ten behoeve van de financiële afhandeling van de personele kosten
onder het formatiebudgetsysteem zullen bij ministeriële regeling voorschriften
worden vastgesteld. Voor de vorm van een ministeriële regeling is gekozen
met het oog op een zo zorgvuldig mogelijke uitwerking, mede gelet op de gedetailleerdheid
van de materie.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel VI</tuskop>
      <al>Voor de (eerste) berekening van de budgetten van de scholen moeten de
te gebruiken bedragen per leerling, respectievelijk de overige in het wetsvoorstel
bedoelde bedragen worden vastgesteld. Hiertoe wordt eerst de gemiddelde prijs
van een formatieplaats vastgesteld. De gemiddelde prijzen per formatieplaats
worden gebaseerd op een meting van de kosten per formatieplaats in het meetjaar
2004/2005 (zie artikel VII). De aldus verkregen prijzen worden vervolgens
omgerekend naar het prijspeil van het jaar van invoering van lumpsum. Vervolgens
kan met gebruikmaking van deze prijzen en de reguliere berekening van de «hoeveelheidscomponenten»
zoals in dit wetsvoorstel voorzien, het bedrag per leerling respectievelijk
de overige bedragen worden berekend ten behoeve van de eerste vaststelling
van de lumpsumbudgetten voor de scholen.</al>
      <al>De lumpsumbekostiging wordt budgettair neutraal ingevoerd. Dat wil zeggen
dat onder lumpsum per sector (basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs,
scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs) in totaal evenveel vergoeding
wordt verstrekt als naar verwachting onder voortgaande declaratiebekostiging
zou zijn verstrekt.</al>
      <al>Deze budgettaire neutraliteit wordt geregeld door in één
en hetzelfde jaar de declaratievergoeding en de lumpsumvergoeding met elkaar
te vergelijken, en de lumpsumvergoeding zodanig aan te passen dat deze gelijk
uitkomt met de declaratievergoeding. Die vergelijking ten behoeve van de budgettaire
neutraliteit vindt plaats op basis van de gegevens uit het meetjaar. Op basis
van die gegevens worden voor dat meetjaar fictieve lumpsumparameters
bepaald. Vanwege de gekozen meetsystematiek zal het totaal van de fictieve
lumpsum voor het meetjaar niet gelijk zijn aan het totaal van de declaratiebekostiging
in dat jaar. Er zijn namelijk effecten binnen de declaratiebekostiging die
niet worden meegenomen binnen de omzettingsmethodiek naar lumpsum. Zo leidt
dat deel van de toegekende formatie dat niet wordt gebruikt, binnen de declaratiesystematiek
niet tot uitgaven. In de lumpsumformules wordt de totale toegekende formatie
vermenigvuldigd met de gemiddelde personele last, en wordt dus geen rekening
gehouden met dit kostenverlagende effect. Ook tengevolge van bijvoorbeeld
verzilvering van formatie doen zich kostenverlagende effecten voor waar de
lumpsumformule geen rekening mee houdt.</al>
      <al>Indien en voorzover het totaal van de fictieve lumpsum in het meetjaar
afwijkt van het totaal van de genormeerde declaratie in dat jaar, worden de
lumpsumparameters met een zodanig percentage verhoogd of verlaagd dat het
totaal van de fictieve lumpsum gelijk wordt aan het totaal van de normatieve
declaratie. Daarmee zijn de lumpsumparameters zodanig vastgesteld dat invoering
van lumpsumbekostiging in het meetjaar budgettair neutraal zou hebben plaatsgevonden.</al>
      <al>Deze bijgestelde lumpsumparameters uit het meetjaar vormen de basis voor
de toekenning van de lumpsumvergoeding in het invoeringsjaar. Daartoe worden
ze nog wel gecorrigeerd voor het verschil tussen de landelijke gewogen gemiddelde
leeftijd die voor het meetjaar is gehanteerd en de landelijke gewogen gemiddelde
leeftijd die voor het invoeringsjaar wordt gehanteerd, en voor wijzigingen
in de genormeerde gemiddelde personeelslast tussen het meetjaar en het invoeringsjaar.
Bovendien zal daarbij rekening worden gehouden met de voorgenomen extra investering
van € 4,5 miljoen in de WEC-sector in het kader van de vereenvoudiging
van de rekenregels.</al>
      <al>De bijstellingsfactor in het meetjaar wordt bepaald door het declaratiegedrag
in het meetjaar. Het is mogelijk dat dit declaratiegedrag afwijkend is van
het declaratiegedrag dat in redelijkheid naar verwachting in het invoeringsjaar
en de daaropvolgende jaren zou zijn opgetreden bij voortgaande declaratiebekostiging.
Daarom zullen alleen die verschillen tussen de gerealiseerde bekostigingsparameters
in het meetjaar en de bekostigingsparameters in de raming meerjarig worden
doorgetrokken die zich naar verwachting ook meerjarig onder voortgaande declaratiebekostiging
zouden hebben voorgedaan. In een dergelijk geval zal de bijstellingsfactor
die voor de berekening van de lumpsumparameters in het invoeringsjaar wordt
gehanteerd, afwijken van de bijstellingsfactor uit het meetjaar. Deze afwijking
vindt plaats op basis van het derde lid van artikel VI.</al>
      <al>Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat dit derde lid wordt gebruikt
om een bezuiniging op de WPOrespectievelijk op de WEC-sector te realiseren.
Met dit artikel wordt alleen beoogd om een zo zuiver mogelijke invulling aan
het begrip «budgettair neutrale invoering» te geven.</al>
      <al>Indien achteraf uit de controles op de meetjaargegevens blijkt dat de
fictieve lumpsum voor het meetjaar, en daarmee de basis voor de lumpsumtoekenning
in het invoeringsjaar, onjuist is geweest, dan zal dit effect zo spoedig mogelijk
na de definitieve vaststelling van de meetjaargegevens worden meegenomen in
de vaststelling van de lumpsumbedragen, dan wel in de vaststelling van de
bedragen van het budget voor versterking management en bestuur. Deze correctie
zal niet met terugwerkende kracht worden toegepast op de reeds vastgestelde
lumpsumparameters, respectievelijk reeds vastgestelde bedragen van het budget
voor versterking management en bestuur.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals hierboven is aangegeven wordt de bekostiging per school gebaseerd
op de gemiddelde personele last en kan deze door bijvoorbeeld onderstaande
situaties afwijken van de gemiddelde personele last van een individuele school. </al>
      <tuskop letat="cur">BAPO, Pemba, ILC en salarisgaranties</tuskop>
      <al>Oudere werknemers kunnen aanspraak maken op de regeling bevordering arbeidsparticipatie
ouderen (BAPO-regeling) die voorziet in gedeeltelijk doorbetaald verlof of
werktijdvermindering. Op dit moment kunnen de kosten die samenhangen met het
BAPO-verlof worden gedeclareerd. Met lumpsum vervalt de declaratie. De kosten
van het BAPO-verlof zoals deze worden vastgesteld in het meetjaar 2004/2005,
worden meegenomen in de gemiddelde personele last op basis waarvan de lumpsum
voor de scholen wordt berekend. Zo is er sprake van een opslag, vastgesteld
op basis van het landelijke budget dat voor BAPO beschikbaar is volgens de
gegevens van het meetjaar 2004/2005. Deze opslag wordt een integraal onderdeel
van de gemiddelde personele last. Dit leidt tot een opslag die binnen het
totale formatiebudget per school aanwezig is. Deze opslag kan positief dan
wel negatief afwijken van de feitelijke uitgaven die een schoolbestuur heeft.</al>
      <al>Door het leeftijdsafhankelijk deel in de lumpsum, ontvangen scholen met
ouder personeel relatief meer lumpsumvergoeding. Bij het bepalen van de meest
optimale leeftijdsafhankelijke factor, heeft ook de huidige BAPO-vergoeding
meegeteld. Maar er wordt – anders dan bij de huidige declaratiebekostiging –
geen rekening gehouden met het feitelijke BAPO-gebruik van de individuele
school. De vergoeding voor de BAPO-kosten wordt door de gevolgde systematiek
gelijk verdeeld over alle schoolbesturen, ongeacht het gebruik van de BAPO-regeling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook voor de variabele premieheffing bij arbeidsongeschiktheid als gevolg
van de wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
(Pemba), geldt dat de premiekosten die nu gedeclareerd worden, straks volgens
de gegevens van het meetjaar 2004/2005 opgenomen worden in de gemiddelde personele
last. Ook hier kan de premievergoeding zowel positief als negatief afwijken
van de feitelijke uitgaven die een bevoegd gezag heeft en is er dus sprake
van herverdeeleffecten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op dit moment kunnen scholen om verschillende redenen (fusies in het verleden)
personeel in dienst hebben met een inschaling die hoger is dan passend bij
de functie. In een aantal gevallen mogen de kosten daarvan toch worden gedeclareerd.
Ook deze salariskosten worden in het meetjaar meegeteld. De hogere salariskosten
als gevolg van de garanties die in overeenstemming zijn met de regelgeving
zijn dus verwerkt in de gemiddelde personele last en worden dus ook in de
lumpsum verdeeld over alle scholen. Dit leidt tot herverdeeleffecten.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel VII</tuskop>
      <al>Op basis van de gegevens van het meetjaar (2004/2005) worden de landelijk
gemiddelde personele lasten vastgesteld waarop de bedragen worden gebaseerd
die bij de berekening van de lumpsum zullen worden gehanteerd (zie artikel
VI).</al>
      <al>Daarnaast wordt op basis van deze meetgegevens de zogenaamde genormeerde
declaratie per school en de fictieve lumpsum per school bepaald. Deze zijn
noodzakelijk om de herverdeeleffecten die bij de invoering van de lumpsum
kunnen ontstaan, vast te stellen. Hiervoor is het nodig de declaratiebekostiging
over het schooljaar 2004/2005 te vergelijken met de bekostiging die een school
zou hebben ontvangen als er in dat schooljaar al sprake zou zijn geweest van
lumpsumbekostiging. Daarvoor zijn speciale voorzieningen nodig in het salarissysteem
voor het onderwijsveld. Er worden speciale afspraken gemaakt met de administratiekantoren
over de verwerking van mutaties en over de toerekening van personele kosten
aan het meetjaar. Er is voorlichting nodig aan de scholen over de bedoeling
van het meetjaar, de doorwerking van de uitkomsten in de overgangsregeling
en de wijze waarop de inzet van formatierekeneenheden de uitkomsten kunnen
beïnvloeden. Ook worden er afspraken gemaakt over de controle op de uitkomsten.</al>
      <al>De correctie die in het vijfde lid is beschreven is noodzakelijk om de
gegevens van het meetjaar te laten aansluiten op de begroting (vergelijk de
toelichting bij artikel VI).</al>
      <al>De hiervoor beschreven systematiek geldt ook voor scholen die op 1 augustus
2004 zijn geopend. Omdat die op 1 oktober 2003 geen leerlingen hebben,
is voor deze scholen het leerlingenaantal van 1 oktober 2004 bepalend.
Dat is geregeld in het zesde lid. Een afwijkende datum voor de berekening
van de gewogen gemiddelde leeftijd is niet nodig. Weliswaar was op die datum
nog geen personeel in dienst, maar voor het personeel van de nieuwe school
is uiteraard wel de leeftijd op 1 oktober 2003 te bepalen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel VIII</tuskop>
      <al>Ondanks alle maatregelen die zijn genomen om de financiële gevolgen
van de overgang van het declaratiestelsel naar het lumpsumstelsel zoveel mogelijk
te beperken, blijven er toch herverdeeleffecten. Deze herverdeeleffecten kunnen
voor individuele bevoegde gezagsorganen verschillend uitpakken. Om de bevoegde
gezagsorganen na de invoering van lumpsumbekostiging in staat te stellen het
beleid af te stemmen op de nieuwe bekostiging is een overgangsregeling voorzien.
De overgangsregeling compenseert tijdelijk de herverdeeleffecten van een bevoegd
gezag, zowel in positieve als in negatieve zin. Hoeveel en hoelang een bevoegd
gezag wordt gecompenseerd, is afhankelijk van de omvang van het herverdeeleffect
van dat bevoegd gezag.</al>
      <al>De overgangsregeling is gebaseerd op de gegevens over het meetjaar 2004/2005
(artikel VII). Omdat bevoegde gezagsorganen na de invoering van lumpsumbekostiging
bestedingsvrijheid krijgen, is het niet mogelijk de omvang van de herverdeeleffecten
later te herijken. Er is dan namelijk geen vergelijking meer mogelijk tussen
de lumpsumbekostiging en de bekostiging die een bevoegd gezag zou hebben ontvangen
volgens de declaratiebekostiging. Na het meetjaar kunnen de omstandigheden
die bepalend zijn voor de verschillen tussen de declaratiebekostiging en de
lumpsumbekostiging wijzigen. Daardoor compenseert de overgangsregeling niet
de verschillen die na het meetjaar optreden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De overgangsregeling heeft een looptijd van vier jaar. Op basis van een
vergelijking tussen de genormeerde declaratie en de fictieve lumpsum, bedoeld
in artikel VII, van alle scholen die op 1 januari voorafgaand aan het
te bekostigen schooljaar onder hetzelfde bevoegd gezag vallen, wordt voor
een afwijkingspercentage bepaald. Dit percentage is voor alle bedoelde scholen
(dus alle scholen die op 1 januari voorafgaand onder hetzelfde bevoegd
gezag vallen) gelijk.</al>
      <al>Wordt een school per 1 augustus daaropvolgend overgedragen aan een
ander bevoegd gezag, dan geldt voor het eerste schooljaar na deze overdracht
voor deze school het percentage zoals dat voor die school bij het «oude»
bevoegd gezag was bepaald. Op grond van het derde lid wordt deze school ten
behoeve van het daaropvolgende schooljaar vervolgens volledig meegerekend
in het voor dat schooljaar te berekenen percentage van het «nieuwe»
bevoegd gezag. Als er sprake is van samenvoeging van scholen, wordt ten behoeve
van de berekening van het afwijkingspercentage de genormeerde declaratie van
alle bij de samenvoeging betrokken scholen vergeleken met de fictieve lumpsum
van alle bij de samenvoeging betrokken scholen. Het percentage wordt in deze
situaties dus opnieuw bepaald, maar steeds op basis van de gegevens van het
meetjaar 2004/2005. Verandert de samenstelling van het scholenbestand onder
een bevoegd gezag niet, dan blijft ook het percentage gelijk. </al>
      <al>In het eerste jaar wordt het afwijkingspercentage volledig toepast. Dus
een bevoegd gezag dat op basis van het gemeten herverdeeleffect een afwijkingspercentage
heeft van vijf procent (achteruitgang), krijgt in het eerste jaar vijf procent
extra bekostigd. In de jaren daarna wordt een drempelwaarde gehanteerd, waarboven
of waaronder wordt gecorrigeerd. Dus als de drempelwaarde in het tweede jaar
twee procent is, krijgt het bestuur met een afwijkingspercentage van vijf
procent, nog drie procent extra bekostigd. De percentages voor de drempelwaarde
in het tweede, derde en vierde schooljaar na invoering van lumpsumbekostiging
worden bij ministeriële regeling vastgesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de drempelwaarde wordt vooralsnog uitgegaan van de volgende benadering
(«vooralsnog», omdat op basis van de resultaten van het meetjaar
de percentages mogelijk anders worden vastgesteld):</al>
      <al>1. gedurende het eerste jaar wordt het correctiepercentage uit het meetjaar
toegepast (zowel positief als negatief);</al>
      <al>2. gedurende het tweede jaar wordt een drempelwaarde toegepast, boven
de 2% en onder de –2% wordt gecorrigeerd (zowel positief als negatief);</al>
      <al>3. gedurende het derde jaar wordt boven 4% en onder –4% gecorrigeerd
(zowel positief als negatief);</al>
      <al>4. gedurende het vierde jaar wordt boven de 6% en onder de –6% gecorrigeerd
(zowel positief als negatief).</al>
      <al>Zoals hiervoor al is aangegeven, is de bepaling van het afwijkingspercentage
gebaseerd op het meetjaar. Dat betekent dat ook de toepassing van het volledige
afwijkingspercentage in het eerst lumpsumjaar, geen garantie geeft dat het
bevoegd gezag geen herverdeeleffecten heeft.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel IX</tuskop>
      <al>De formatiegarantie met betrekking tot de invoering van leerlinggebonden
financiering zal worden omgerekend naar een bekostigingsgarantie. De omrekening
zal naar analogie van artikel VIII gebeuren.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel X</tuskop>
      <al>Dit artikel regelt de overgang van de bekostiging als pilotschool naar
de overgangsregeling. Bedoelde pilotscholen doen na afloop van de pilotperiode
mee in de overgangsregeling voor het nog resterende aantal schooljaren en
onder dezelfde drempelwaarde als voor alle andere scholen geldt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel XIV</tuskop>
      <al>Gezien de ingewikkelde en ingrijpende wijzigingen die door dit wetsvoorstel
worden gerealiseerd, kan het op enig moment noodzakelijk blijken om op zeer
korte termijn een oplossing te realiseren voor een gerezen probleem dat samenhangt
met de goede invoering van de wet, zoals bijvoorbeeld samenloopproblemen.
Het is denkbaar dat in zeer bijzondere gevallen de totstandkoming van een
wetswijziging niet kan worden afgewacht. Om die reden is voorzien in een basis
om voorzieningen te treffen ten behoeve van een goede invoering van de wet,
zowel bij algemene maatregel van bestuur als bij ministeriële regeling.
Het is vanzelfsprekend dat van die laatste mogelijkheid uitsluitend gebruik
gemaakt zal worden indien een algemene maatregel van bestuur niet tijdig kan
worden gerealiseerd. Indien gebruik wordt gemaakt van bedoelde afwijkingsmogelijkheid
zal zo spoedig mogelijk een wetswijziging in gang worden gezet, tenzij geen
sprake is van een afwijking van de wet van meer structurele aard. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel XV</tuskop>
      <al>Artikel XV voorziet in de mogelijkheid van gedifferentieerde inwerkingtreding.
Zoals hiervoor reeds vermeld wordt gestreefd naar invoering van lumpsumbekostiging
met ingang van 1 augustus 2006. Het schooljaar 2006–2007 is dan
het eerste jaar waarin lumpsumbekostiging geldt. Bevoegde gezagsorganen/scholen
moeten echter voor de aanvang van dat schooljaar weten wat de omvang is van
het budget. De uitvoeringsorganisatie Cfi moet die informatie derhalve vóór
1 augustus 2006 kunnen verstrekken. Daarvoor is het noodzakelijk dat
bijvoorbeeld artikel VII (vaststelling gegevens meetjaar) en artikel VIII
(Overgangsregeling) op een eerder tijdstip dan 1 augustus in werking
treden.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,</functie>
        <naam>M. J. A. van der Hoeven</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v4.1" nr="1">
    <al>In de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra, die
de formele grondslag voor dit budget regelen, heet het: «het schoolbudget
voor personeels- en arbeidsmarktbeleid.» Voorgesteld wordt voortaan
de benaming «Budget voor personeels- en arbeidsmarkt beleid» te
hanteren. Dit voorkomt verwarring met de aanduiding schoolbudget voor het
totale lumpsumbudget van een school.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v8.1" nr="1">
    <al>Momenteel wordt de herziening van de gewichtenregeling onderzocht. Omdat
nog niet is besloten hoe de gewichtenregeling wordt herzien, kan daar in de
uitwerking van de lumpsumbekostiging nog geen rekening mee worden gehouden.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>