﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="nota">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29708-37/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2005-2006</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="wit.xns__3.5" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST96508</ordernr>
    <vergjaar>2005-2006</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 708</nummer>
      <naam>Regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht
daarop (Wet op het financieel toezicht)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>37</nummer>
      <titel>NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VIJFDE NADER VERSLAG</titel>
      <datum>Ontvangen 11 april 2006</datum>
      <al>De vaste commissie voor Financiën heeft nader verslag uitgebracht
van haar bevindingen ten aanzien van de vierde nota van wijziging. In dit
vijfde nader verslag ligt de nadruk op het Deel Gedragstoezicht financiële
ondernemingen en het Deel Gedragstoezicht financiële markten. In eerdere
verslagen had de commissie al opmerkingen gemaakt bij, en vragen gesteld over
het wetsvoorstel zoals dat in eerste instantie is ingediend en de nota’s
van wijziging die daar later op zijn gevolgd. Het door de commissie verrichte
voorbereidende onderzoek omvat thans alle delen van het wetsvoorstel. Blijkens
het vijfde nader verslag acht de commissie hiermee de openbare behandeling
van het wetsvoorstel voldoende voorbereid, onder het voorbehoud dat de regering
de vragen en opmerkingen in het verslag afdoende zal beantwoorden. De regering
spreekt de hoop uit dat met de navolgende beantwoording aan dat voorbehoud
wordt voldaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Net als het vierde nader verslag geeft ook het vijfde nader verslag op
een aantal punten aanleiding tot aanpassingen in het wetsvoorstel. Deze zullen
worden verwerkt in een nota van wijziging die de Kamer zo spoedig mogelijk
tegemoet kan zien. In die nota van wijziging zullen tevens alle verder geconstateerde
onvolkomenheden worden hersteld en de overige wenselijk geachte verbeteringen
worden aangebracht. Daarmee zal de tekst van het wetsvoorstel op alle onderdelen
in overeenstemming zijn met de actuele inzichten, en zal het wetsvoorstel
ook in dat opzicht naar het oordeel van de regering gereed zijn voor openbare
behandeling.</al>
      <tuskop letat="vet">Inleiding</tuskop>
      <al>De regering is verheugd dat de leden van de CDA-fractie de aangebrachte
splitsing tussen het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen en
het Deel Gedragstoezicht financiële markten ondersteunen en dat zij de
aanpassingen in het wetsvoorstel die samenhangen met de invoeging van een
nieuw Deel Markttoegang financiële ondernemingen als een logisch gevolg
van de structuurwijziging zien.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de PvdA-fractie vroegen de regering te
reageren op de stelling van de gecombineerde commissie dat diverse inhoudelijke
wijzigingen zijn aangebracht zijn, zonder dat hieraan aandacht
is besteed in de memorie van toelichting? Deelt de regering de mening dat
geen wijzigingen zouden moeten worden aangebracht in bestaande formuleringen
zonder dat daar in de wetsgeschiedenis aandacht aan is besteed? Zou de regering,
indien sprake is van inhoudelijke wijzigingen, hier alsnog aandacht aan willen
besteden?</nadruk>
      </al>
      <al>In de nota naar aanleiding van het vierde nader verslag is uitvoerig gereageerd
op de commentaren van (onder andere) de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht
van de Nederlandse Orde van Advocaten en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie.
Voor het antwoord op de vraag van deze leden wordt derhalve naar die nota
verwezen.<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie maakten de kritische kanttekening
dat er nog enige tekortkomingen in onder andere de verwijzingen blijken te
zitten. Zij vroegen met klem om deze, vooral technische, tekortkomingen op
een zo kort mogelijke termijn te verhelpen.</nadruk>
      </al>
      <al>Het wetsvoorstel, zoals dat luidde na de indiening van de vierde nota
van wijziging, bevatte inderdaad nog tekortkomingen. De inmiddels ingediende
vijfde nota van wijziging neemt een aantal van die tekortkomingen weg, alle
andere geconstateerde onvolkomenheden worden hersteld in de hiervoor aangekondigde
nota van wijziging.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De achtereenvolgende grootschalige vernieuwingen in
het gedragstoezicht in een zeer kort tijdsbestek bezorgen de financiële
ondernemingen substantiële implementatielasten. Eerst werd de Wet financiële
dienstverlening (hierna: Wfd) ingevoerd en de Wet toezicht beleggingsinstellingen
(Wtb) gemoderniseerd, daarna volgen de nodige veranderingen door de Wft en
daarna komen er opnieuw aanpassingen door de implementatie van de Europese
richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten (MiFID)<voetref refid="v2.2" nr="2"></voetref>. Heeft de regering zich ervan overtuigd dat de financiële
ondernemingen in staat zijn om binnen een zeer kort tijdbestek ten minste
drie maal substantiële wijzigingen te implementeren? Zou het niet van
efficiëntie getuigen als deze trajecten zo veel mogelijk met elkaar gecombineerd
worden? De leden van de VVD-fractie zouden hierop graag een reactie van de
regering ontvangen.</nadruk>
      </al>
      <al>Het is juist dat de financiële sector in de afgelopen jaren, en ten
dele ook nog in de komende jaren, met veel nieuwe wet- en regelgeving is respectievelijk
wordt geconfronteerd. Die wet- en regelgeving dient ertoe beleidsdoeleinden
op het gebied van, onder andere, marktordening en consumenten- of beleggersbescherming
te realiseren, voor een groot deel op basis van Europese richtlijnen. Dit
vergt inderdaad bepaalde aanpassingen van de betrokken financiële ondernemingen.
Ten aanzien van de in de vraag genoemde wetgeving moet daarbij worden aangetekend
dat deze op verschillende categorieën instellingen betrekking heeft:
de Wfd is van toepassing op financiëledienstverleners, de Wtb op beleggingsinstellingen,
en de MiFID op beleggingsondernemingen. Het is dus niet zo dat financiële
ondernemingen drie maal substantiële wijzigingen moeten implementeren.
De Wft raakt wel elk van de genoemde categorieën, maar brengt slechts
in beperkte mate inhoudelijke veranderingen mee. De Wft houdt bovendien al
rekening met de komende implementatie van de MiFID, doordat de regels die
door de MiFID worden geraakt zoveel mogelijk ongewijzigd zijn overgenomen
uit de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995), precies met het doel
een snelle opeenvolging van aanpassingen te vermijden.</al>
      <tuskop letat="vet">Structuur</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie constateerden dat bepalingen
die betrekking hebben op dezelfde onderwerpen verspreid zijn opgenomen waardoor
het lastig is voor marktpartijen om alle bepalingen over die onderwerpen snel te vinden. Voorbeelden hiervan zijn de gedragsregel met betrekking
tot het «ken uw cliënt principe» (zie artikelen 4:23, 4:34,4:90).
Zou het niet logischer zijn geweest deze bepaling met eventuele afwijkingen
voor bepaalde instellingen onder afdeling 4.2.3. (zorgvuldige dienstverlening)
op te nemen, zo vroegen deze leden.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen
is onderverdeeld in drie hoofdstukken. Hoofdstuk 4.1 bevat inleidende bepalingen.
Hoofdstuk 4.2 (23 artikelen) bevat regels die voor het merendeel van de financiële
diensten gelden. Hoofdstuk 4.3 (75 artikelen) bevat in aanvulling daarop regels
die alleen voor bepaalde financiële diensten gelden en dus alleen van
toepassing zijn op bepaalde financiële ondernemingen. In hoofdstuk 4.3
zijn de regels per financiële dienst in een afdeling opgenomen en is
waar nodig een nadere onderverdeling in paragrafen per financieel product
gemaakt. Deze onderverdeling komt tot uitdrukking in de opschriften. Op die
manier wordt duidelijk gemaakt waar de aanvullende regels voor een bepaalde
financiële dienst zijn opgenomen. De regels voor een bemiddelaar in verzekeringen
bijvoorbeeld zijn in hoofdstuk 4.2, de paragrafen 4.3.3.1 en 4.3.3.3 en afdeling
4.3.8 te vinden. Samenvoeging van de regels in hoofdstuk 4.2 en 4.3 zou betekenen
dat het overgrote deel van die samengevoegde regels niet van toepassing zou
zijn op het merendeel van de financiële ondernemingen. Dit zou de toegankelijkheid
van het voorstel niet ten goede komen. De gekozen indeling heeft tot gevolg
dat bepalingen die uit hetzelfde beginsel voortvloeien maar waaraan bij specifieke
diensten een specifieke uitwerking wordt gegeven verspreid zijn opgenomen,
zoals het «ken uw klant» beginsel en de artikelen 4:23, 4:34 en
4:90.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Artikel 4:23 is in afdeling 4.2.3 van hoofdstuk 4.2
opgenomen omdat dit artikel van toepassing is op alle financiële ondernemingen.
Indien een financiële onderneming adviseert, is het eerste lid van artikel
4:23 van toepassing, indien een financiële onderneming een financiële
dienst verleent zonder daarbij te adviseren is het tweede lid van artikel
4:23 van toepassing. De zogenaamde kredietwaardigheidtoets van artikel 4:34
is alleen van toepassing op aanbieders van krediet en daarom opgenomen in
de paragraaf met aanvullende regels voor het aanbieden van krediet (paragraaf 4.3.1.3).
De «ken uw klant»-verplichting van artikel 4:90 is alleen van
toepassing bij het beheren van een individueel vermogen en is daarom opgenomen
in de afdeling met aanvullende regels voor het verlenen van beleggingsdiensten
(afdeling 4.3.7).</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Ook vroegen deze leden of de regering kan aangeven
waarom de Wtb in het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen is
opgenomen zonder dat de structuur daarvan is aangepast aan de structuur van
dat deel.</nadruk>
      </al>
      <al>Anders dan deze leden veronderstellen zijn de uit de Wtb overgenomen gedragsregels
voor beleggingsinstellingen wel aangepast aan de structuur van het Deel Gedragstoezicht
financiële ondernemingen. De bepalingen uit de Wtb worden met inachtneming
van de structuur van dat deel immers overgenomen in hoofdstuk 4.1, hoofdstuk
4.2 en afdeling 4.3.1.4.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De memorie van toelichting rept van een ordening die
een logische opbouw kent en die inzichtelijk is. Die opzet lijkt vooralsnog
niet geslaagd, aldus de leden van de VVD-fractie. Zij vroegen of de regering
de mening deelt dat hier nog een belangrijke verbeteringsslag moet worden
gemaakt, en hoe de regering dit wil aanpassen.</nadruk>
      </al>
      <al>De mening dat de ordening en de opbouw van het wetsvoorstel nog een belangrijke
verbeteringsslag behoeven, wordt door de regering niet gedeeld. Zoals in eerdere
brieven en ook in de toelichting bij de vierde nota van wijziging is toegelicht,
is de structuur van het wetsvoorstel ten opzichte van de oorspronkelijke opzet
op twee onderdelen aangepast.<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref> Er is een nieuw
Deel Markttoegang financiële ondernemingen toegevoegd en de regels voor
het gedragstoezicht zijn ondergebracht in twee aparte delen, in
plaats van één. Verdere aanpassingen in de structuur zijn nodig
noch wenselijk.</al>
      <tuskop letat="vet">Definities</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie maakten enkele opmerkingen
over de in de Wft gehanteerde definities en vroegen of de regering de mening
deelt dat het veel beter zou zijn alle definities op te nemen in het Algemeen
deel, zodat justitiabelen daar alle vormen kunnen vinden waarin een bepaalde
term voorkomt in de hele Wft, zonder telkens aan het begin van ieder hoofdstuk
te hoeven zoeken.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden wezen verder op afwijkingen van de Wft ten
opzichte van de Wfd, waarbij de reden voor afwijking niet duidelijk wordt
toegelicht. Ook zouden volgens deze leden sommige van de wijzigingen in strijd
zijn met de toezegging van beleidsneutrale omzetting van de Wfd in de Wft.
Zij vroegen de regering een overzicht te geven van de afwijkingen en de reden
waarom is afgeweken van de Wfd.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie waren van mening dat de
leesbaarheid en toegankelijkheid van het wetsvoorstel wordt bemoeilijkt doordat
op diverse plaatsen wordt verwezen naar eerdere stukken in het kader van de
behandeling van de Wft of zelfs geheel andere Kamertrajecten. Zij vroegen
of de regering bereid is om naast een doorlopende wettekst een doorlopende
tekst van de memorie van toelichting beschikbaar te stellen.</nadruk>
      </al>
      <al>De hiervoor aangehaalde vragen zijn ook gesteld in het vierde nader verslag
en beantwoord in de nota naar aanleiding van het vierde nader verslag. Op
deze plaats wordt naar die beantwoording verwezen.<voetref refid="v4.1" nr="1"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden vonden de opgestelde transponeringstabel
in het kader van de werkbaarheid van het wetsvoorstel een grote stap vooruit,
die echter voor een belangrijk deel weer teniet wordt gedaan doordat bij de
tabel is uitgegaan van de Wft en deze te transponeren naar oude wet- en regelgeving.
Om vanuit de oude situatie naar de nieuwe situatie te kijken is de tabel daardoor
nagenoeg onbruikbaar. Komt een dergelijke transponeringstabel nog beschikbaar,
vroegen deze leden. Zo nee, waarom niet?</nadruk>
      </al>
      <al>Voor een transponeringstabel van de Wft naar de oude wetten is gekozen,
omdat op die manier de herkomst van een bepaald artikel duidelijk wordt. Voor
de beoordeling van een voorgestelde bepaling is het immers van belang deze
te vergelijken met de bestaande tekst, zodat kan worden vastgesteld of sprake
is van een beleidsneutrale omzetting of eventueel van een verlichting of verzwaring.
Wie wil weten waar een bepaald artikel uit een bestaande toezichtwet in de
Wft terecht is gekomen, moet in de transponeringstabel in de kolom van de
desbetreffende wet op zoek gaan naar het bedoelde artikel en kan aldus het
bijbehorende Wft-artikel vinden. Dat is iets meer werk, maar het is niet zo
dat de tabel voor dat doel onbruikbaar zou zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen of het in het kader
van de Wft niet wenselijk is dat vast komt te staan dat de verplichting om
een reglement op te stellen overeenkomstig het Besluit marktmisbruik niet
geldt voor (semi) open-end beleggingsinstellingen.</nadruk>
      </al>
      <al>Ook (semi) open-end beleggingsinstellingen kunnen over voorwetenschap
beschikken, bijvoorbeeld bij een voorgenomen structuurwijziging van de beleggingsinstelling
van (semi) open-end naar closed-end, bij een op handen zijnde opheffing van
een kapitaalbeperking of bij een wijziging in de fiscale behandeling van een
beleggingsinstelling. Het reglement is dus ook bij (semi) open-end beleggingsinstellingen
een belangrijk instrument bij het toezicht. Daarnaast draagt het bij aan het
bewustzijn van personen die met koersgevoelige informatie te maken krijgen
omtrent de regels inzake marktmisbruik.</al>
      <al>Aangezien de Vereniging Effecten Uitgevende Ondernemingen (VEUO) en de
Autoriteit Financiële Markten (AFM) een modelreglement ter beschikking
hebben gesteld, zijn de administratieve lasten voor het opstellen van een
reglement gering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de SP-fractie vroegen of de verandering
van de definitie van het begrip «financiëledienstverlener»
gevolgen heeft voor het toezicht voor de groep die wel onder de Wfd definitie
viel maar nietonder de Wft definitie en zo ja, welke gevolgen dit zijn.</nadruk>
      </al>
      <al>De wijziging van inhoud van het begrip «financiëledienstverlener»
ten opzichte van de Wfd heeft geen gevolgen voor de reikwijdte van het toezicht.
In bepalingen uit de Wfd die in die wet van toepassing zijn op alle financiële
dienstverleners wordt in dit voorstel het begrip «financiële onderneming»
gehanteerd (zie bijvoorbeeld artikel 32 van de Wfd en artikel 4:23 van het
voorstel).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie vroegen of een correcte,
juiste en volledige voorlichting aan consumenten valt onder «deskundigheid
en betrouwbaarheid» en zo ja, of de regering de mening deelt dat gesproken
kan worden van wanprestatie indien een toezichthouder constateert dat geen
sprake is van deskundigheid en betrouwbaarheid.</nadruk>
      </al>
      <al>De personen die het dagelijks beleid van een financiële onderneming
bepalen moeten de bestuurlijke kennis en vaardigheden hebben die de uitoefening
van het betreffende bedrijf vereist. Dat omvat niet de vraag of zij persoonlijk
in staat zijn correcte, juiste en volledige informatie aan consumenten of
cliënten te verstrekken. De deskundigheid van de personen die het dagelijks
beleid bepalen moet ook onderscheiden worden van de zogenaamde vakbekwaamheidseisen,
die op grond van artikel 4:9, tweede lid, gelden voor de medewerkers van een
financiële onderneming die het contact met de klanten hebben. Deze vakbekwaamheid
zal conform de Wfd en het Bfd worden gewaarborgd door diploma’s of door
de inrichting van de bedrijfsvoering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het niet voldoen aan de wettelijke eisen met betrekking tot informatieverstrekking
kan indirect een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van
de personen die het beleid van een financiële onderneming bepalen of
onderdeel zijn van een orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid
en algemene gang van zaken van de financiële onderneming. Het niet voldoen
aan de informatieverplichtingen zou kunnen leiden tot een zogenaamd «toezichtantecedent»
dat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid in aanmerking wordt genomen.
Een toezichtantecedent wordt met strafrechtelijke, financiële, fiscaal
bestuursrechtelijke en overige antecedenten, de aan de antecedenten ten grondslag
liggende gedragingen en de overige omstandigheden van het geval worden door
de toezichthouder meegewogen bij die beoordeling. Dit is thans het geval op
grond van de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing.<voetref refid="v5.1" nr="1"></voetref>
Bij de uitwerking van de betrouwbaarheidtoetsing op grond van de artikelen
2:37, derde lid, en 4:10, derde lid, wordt bij deze beleidsregel aangesloten.</al>
      <al>Of sprake is van wanprestatie indien een financiële onderneming niet
voldoet aan de wettelijke informatieverplichtingen die gelden tijdens de looptijd
van een overeenkomst is niet in algemene zin te zeggen. Dat zal afhangen van
hetgeen de financiële onderneming daarover in het concrete geval met
de consument of cliënt is overeengekomen en of sprake is van toerekenbare
niet-nakoming door de financiële onderneming.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Tevens vroegen deze leden of bij de beoordeling van
de deskundigheid en betrouwbaarheid door de Autoriteit Financiële Markten
(AFM) of De Nederlandsche Bank (DNB) het oordeel van anderen, zoals de consumentenbond
of een geschillencommissie, relevant is.</nadruk>
      </al>
      <al>De deskundigheid van een persoon die het dagelijks beleid van een onderneming
bepaalt, wordt beoordeeld aan de hand van diploma’s, het curriculum
vitae en referenties. Het oordeel van de consumentenbond of een geschillencommissie
wordt daarbij niet betrokken.</al>
      <al>De antecedenten die AFM en DNB bij de beoordeling en vaststelling van
de betrouwbaarheid in aanmerking nemen omvatten niet het oordeel van de consumentenbond.
De overige antecedenten kunnen uitspraken van een geschillencommissie omvatten.
Hierbij moet gedacht worden aan uitspraken waarbij tuchtrechtelijke, disciplinaire
of andere vergelijkbare maatregelen worden opgelegd door of vanwege een organisatie
van beroepsgenoten of arbeidsrechtelijke sancties na conflicten met een vorige
werkgever. De belangenafweging die de toezichthouder maakt bij de beoordeling
van de betrouwbaarheid dient overigens wel te berusten op zijn eigen beoordeling.</al>
      <tuskop letat="vet">Delegatiegrondslagen/bevoegdheden</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de PvdA-fractie informeerden waarom pas
in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) invulling wordt gegeven aan het
begrip «professionele marktpartijen».</nadruk>
      </al>
      <al>Zoals vermeld in de toelichting bij de definitie van professionele marktpartij
(Kamerstukken II 2004/05, 29 708, nr. 10, blz. 186) kunnen
op grond van onderdeel 4° (later vernummerd tot onderdeel d) bij AMvB
andere personen worden aangewezen als professionele marktpartij. Zo zullen
bijvoorbeeld de in artikel 1, onderdeel e, onder 9° en 10°, van de
Vrijstellingsregeling Wet toezicht kredietwezen 1992 opgenomen personen als
professionele marktpartij worden aangewezen. Omdat de bedragen die in deze
onderdelen worden genoemd kunnen fluctueren is ervoor gekozen om ten behoeve
van de flexibiliteit deze categorieën op te nemen op het niveau van de
AMvB. Tevens biedt dit de mogelijkheid om naderhand categorieën toe te
voegen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In dit verband wordt er verder opgewezen dat bij nota van wijziging het
begrip professionele marktpartij in artikel 1:1 zal worden gesplitst in twee
begrippen, te weten het begrip professionele marktpartij en het nieuw te introduceren
begrip «gekwalificeerde belegger». Dit laatste begrip zal volledig
zijn gebaseerd op de richtlijn prospectus, die gebaseerd is op het beginsel
van totale harmonisatie. Het begrip professionele marktpartij zal in zoverre
worden gewijzigd dat de onderdelen die rechtstreeks waren overgenomen uit
de richtlijn prospectus zullen verdwijnen en dat nauwer zal worden aangesloten
bij het begrip professionele marktpartij uit de Vrijstellingsregeling Wet
toezicht kredietwezen 1992. Met betrekking tot het begrip gekwalificeerde
belegger zal eveneens een gedeelte van de definitie worden ingevuld op AMvB
niveau. Dit betreft het gedeelte van de definitie dat ziet op kleine en middelgrote
onderneming uit artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van de richtlijn prospectus.
De reden dat dit op AMvB niveau wordt geregeld is dat de Europese Commissie
op basis van artikel 2, vierde lid, van de richtlijn prospectus uitvoeringsmaatregelen
vaststelt voor de in artikel 2, eerste lid, van de richtlijn prospectus vervatte
definities. De maatregelen behelzen onder meer een mogelijke aanpassing van
de in de definitie van kleine en middelgrote onderneming gehanteerde cijfers.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden vroegen verder of het waar is dat de bewaring
van activa van beleggingsinstellingen geen «financiële dienst»
is.</nadruk>
      </al>
      <al>Dit is juist. Uit de definitie van financiële dienst in artikel 1:1
volgt dat de bewaring van activa van een beleggingsinstelling niet als financiële
dienst kwalificeert.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen
biedt verschillende bepalingen om bij ministeriële regeling vrijstelling
te verlenen, aldus de leden van de PvdA-fractie. Zij vroegen hoeveel verzoeken
daartoe al zijn ingediend en welk afwegingskader de regering hanteert. Hoe
wordt de Kamer en de consument hierover geïnformeerd?</nadruk>
      </al>
      <al>Het wetsvoorstel bevat op veel plaatsen de mogelijkheid bij ministeriële
regeling vrijstelling te regelen van bepaalde regels. De op te stellen vrijstellingsregelingen
zullen voor het grootste deel een voortzetting zijn van de vrijstellingsregelingen
die zijn vastgesteld krachtens de bestaande toezichtwetten. Vrijstellingen
worden van rechtswege verleend. Degene die aan de in de regeling gestelde
criteria voldoet is daarmee automatisch vrijgesteld van de desbetreffende
bepaling. Hij behoeft daarvoor geen verzoek in te dienen en er behoeven dus
evenmin verzoeken te worden getoetst. Vrijstellingsregelingen worden in de
Staatscourant gepubliceerd en zijn derhalve voor iedereen kenbaar.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merkten op dat in het Deel
gedragstoezicht, vaker dan in de andere delen, is gekozen voor delegatie van
bevoegdheid. Vaak is daartoe gekozen voor een ruime delegatiegrondslag, «bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur», waardoor justitiabelen
niet altijd kunnen afleiden op welk niveau van regelgeving (AMvB, ministeriële
regeling of toezichthouderregel) een onderwerp wordt geregeld. Deze leden
achtten dit onwenselijk. Zij merkten op dat de inhoud van de AMvB’s
inmiddels bekend is en vroegen de regering in te gaan op de vraag of de delegatiegrondslagen
niet kunnen worden geclausuleerd.</nadruk>
      </al>
      <al>Verwezen wordt naar het antwoord op een gelijkluidende vraag in de nota
naar aanleiding van het vierde verslag.<voetref refid="v7.1" nr="1"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden vroegen de regering tevens in te gaan op
de ontwikkeling door de AFM van een soort «no action policy»,
zoals de Securities &amp; Exchange Commission (SEC) in de Verenigde Staten
van Amerika dat ook heeft. Op grond daarvan kan de SEC via zijn website aangeven
in welke soorten gevallen zij een «no action policy» voert en
bij handelen binnen de kaders van dit beleid geen sancties zal opleggen. De
huidige rubrieken op de AFM-site «Interpretaties» (alleen Wet
melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996 (Wmz 1996)
en Wte 1995) en «Veelgestelde vragen» hebben daar wel elementen
van, maar voldoen daar toch niet helemaal aan. De rubrieken staan immers verspreid
op internet, dekken maar een klein deel van het wetgevingsgebied en missen
daardoor de nodige transparantie ten aanzien van de interpretatie van de nieuwe
wetgeving, zo constateerden de leden van de fractie van de VVD. Met een «no
action policy» krijgt de toezichthouder een instrument in handen om
apert onredelijke en niet-bedoelde neveneffecten in de Wft wetgeving (tijdelijk)
ongedaan te maken en aldus onzekerheid in de financiële markt weg te
nemen.</nadruk>
      </al>
      <al>Het is niet geheel duidelijk wat deze leden bedoelen met een «no
action policy» of welk doel daarmee wordt beoogd. De verwijzing naar
de interpretaties en antwoorden op veel gestelde vragen op de website van
de AFM suggereert dat het gaat om de uitleg die de AFM geeft aan bepaalde
regels. Een onderneming die vooraf zekerheid wil hebben dat een bepaald voornemen
aan alle toezichtregels voldoet – of het nu gaat om het lanceren van
een nieuw product, de inrichting van de bedrijfsvoering of een ander onderwerp
dat tot het toezichtdomein van de AFM behoort – kan dat voornemen aan
de AFM voorleggen om antwoord te krijgen op haar vraag. Als het antwoord positief
is mag de onderneming erop vertrouwen dat de AFM niet tegen de uitvoering
van het voornemen zal optreden.</al>
      <al>De passage aan het slot van de vraag, over het ongedaan maken van «apert
onredelijke en niet-bedoelde neveneffecten» van de Wft, lijkt op een
geheel andere gedachte te berusten. Een onderneming overtreedt een bepaalde
regel, maar die regel is apert onredelijk of pakt in een bepaald geval uit
op een manier die niet is beoogd. Over die situatie kan het volgende worden
opgemerkt. Als sprake is van een regel die naar het oordeel van de onderneming
in haar specifieke geval onredelijk uitpakt kan de desbetreffende onderneming
een ontheffing aanvragen. Als daar goede gronden voor zijn zal die ontheffing
ook worden verleend. Mocht sprake zijn van een regel die – ondanks alle
zorg die aan het formuleren ervan is besteed – onjuist is geredigeerd
of die in bredere zin onbedoelde neveneffecten heeft, dan is in de eerste
plaats actie van de wetgever vereist om de regel aan te passen of in te trekken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie gingen uitvoerig in op
de koersvorming bij (semi) open-end beleggingsinstellingen en de consequenties
daarvan voor de op die instellingen rustende verplichting tot het openbaar
maken van koersgevoelige informatie. Zij vroegen daarop een reactie van de
regering.</nadruk>
      </al>
      <al>De normadressaat van de openbaarmakingsverplichting (artikel 5:59, eerste
lid) vloeit rechtstreeks<voetref refid="v8.1" nr="1"></voetref>   voort uit de
richtlijn marktmisbruik<voetref refid="v8.2" nr="2"></voetref>. Aangezien een (semi)
open-end beleggingsinstelling onder de bewoording «emittenten van financiële
instrumenten» uit de richtlijn valt, geldt de openbaarmakingsverplichting
ook voor (semi) open-end beleggingsinstellingen.</al>
      <al>Er moet dan wel sprake zijn van, kort gezegd, koersgevoelige informatie
die rechtstreeks betrekking heeft op de (semi) open-end beleggingsinstelling,
anders is de openbaarmakingsverplichting niet aan de orde. Als openbaarmaking
van de informatie geen significante invloed zou kunnen hebben op de koers,
is er geen sprake van voorwetenschap (artikel 5:53, eerste lid) en hoeft de
informatie niet openbaar gemaakt te worden.</al>
      <al>In de memorie van toelichting bij de Wet marktmisbruik<voetref refid="v8.3" nr="3"></voetref> en in de brochure van de AFM over openbaarmaking van koersgevoelige
informatie worden voorbeelden gegeven van informatie die voorwetenschap kan
opleveren. Per geval moet er echter gekeken worden of in de specifieke situatie
sprake is van voorwetenschap.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie vroegen de regering waarom
de Wft geen bepaling kent die het mogelijk maakt dat de schade die particulieren
hebben geleden kan worden «gevoegd» – naar analogie van
voeging bij de eis van een Officier van Justitie in een strafproces –
bij de maatregelen die de AFM en/of DNB aan de onder toezicht staande instellingen
oplegt.</nadruk>
      </al>
      <al>Het opnemen van de mogelijkheid voor particulieren die schade hebben geleden
zich te voegen bij de toezichthouder, past niet binnen het Nederlandse systeem
waarin de toezichthouder verantwoordelijk is voor – bestuursrechtelijk –
toezicht en de rechter voor een – privaatrechtelijke – schadevergoedingsactie
van particulieren en bedrijven onderling. Het opnemen van deze door de leden
van de LPF-fractie bedoelde regeling is dan ook niet overwogen.</al>
      <al>Een vordering tot schadevergoeding kan bij de burgerlijke rechter worden
aangebracht. Dit is ook het uitgangspunt bij schade van particulieren die
voortvloeit uit een strafrechtelijk delict. Het voegen van een benadeelde
in een strafproces op basis van artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering
is niet in ieder geval mogelijk. Enkel wanneer het een vordering betreft die
eenvoudig van aard is – en zich om die reden leent tot behandeling tijdens
het strafproces – wordt het voegen van een vordering tot schadevergoeding
toegewezen.<voetref refid="v8.4" nr="4"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie vroegen voorts of de AFM
op grond van de Wft mag weigeren aan een informatieverzoek van de fiscus te
voldoen.</nadruk>
      </al>
      <al>De toezichthouders mogen op basis van de Wft aan een informatieverzoek
van de fiscus voldoen indien de informatie die door de fiscus wordt verzocht
niet vertrouwelijk van aard is. Wanneer het wel vertrouwelijke informatie
betreft, dan bieden de geheimhoudingsbepalingen in de Wft de toezichthouders
enkele limitatief opgesomde mogelijkheden om informatie alsnog uit te wisselen
met andere (overheids)organisaties of personen. Een van deze uitzonderingen
betreft bijvoorbeeld de uitwisseling van informatie in het kader van een strafrechtelijk
onderzoek. Het geheimhoudingsregime van de Wft, maar ook van de huidige toezichtwetgeving,
is een zogenaamd gesloten regime dat direct is gebaseerd op Europese richtlijnen.</al>
      <al>Een dergelijk gesloten regime van geheimhouding vormt de basis voor een
gedegen toezicht op de financiële markten. De ondertoezichtstaande instelling
moet er immers van uit kunnen gaan dat de aan de toezichthouder verstrekte
(bedrijfs)informatie strikt vertrouwelijk blijft. Indien de instelling niet
op deze vertrouwelijkheid kan rekenen dan beïnvloedt dit mogelijk de
bereidwilligheid om informatie aan de toezichthouder te verstrekken. Voor
de goede werking van het toezicht is het echter noodzakelijk dat een financiële
onderneming zonder terughoudendheid volledig medewerking verleent aan het
toezicht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie vroegen verder op welke
wijze gewaarborgd is dat de kosten van invoering van de Wft niet op particulieren
zullen worden afgewenteld.</nadruk>
      </al>
      <al>De toezichthouder brengt op grond van artikel 1:23 de kosten van de werkzaamheden
die voortkomen uit de wet in rekening bij de ondernemingen waarvoor die werkzaamheden
worden verricht. Deze ondernemingen zijn vrij om te beslissen of deze kosten
al dan niet worden doorberekend aan derden. Het betreft hier een marktmechanisme
waar de overheid geen bemoeienis mee heeft. Dit houdt in dat de door de leden
van de LPF-fractie gevraagde waarborg niet kan worden verleend. Overigens
zij bedacht dat in de Wft een groot aantal bestaande toezichtwetten wordt
ondergebracht en dat marktpartijen nu reeds betalen voor het in die wetten
verankerde toezicht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie stelden voorts een aantal
vragen over de bestuurlijke handhaving.</nadruk>
      </al>
      <al>• In hoeverre zal de Wft veranderingen brengen in de modaliteiten
en hoogten van de op te leggen boetes?</al>
      <al>Met de Wft zijn geen wijzigingen beoogd ten aanzien van de modaliteiten
en hoogten van de op te leggen bestuurlijke boetes. Dit neemt niet weg dat
als gevolg van harmonisatie van de verschillende regelingen die in de Wft
worden opgenomen, er enkele beperkte aanpassingen worden doorgevoerd. Ingrijpende
wijzigingen ten aanzien van de modaliteiten en hoogten van de op te leggen
bestuurlijke boetes zijn aangekondigd in de zogenaamde «Boetenota»<voetref refid="v9.1" nr="1"></voetref>. De wetgeving die de Boetenota zal implementeren zal
ook de Wft op dit punt wijzigen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>• <nadruk type="cur">Wat is de verhouding tussen de Wft en het wetsvoorstel
Vierde Tranche Algemene wet bestuursrecht en zal dat laatste wetsvoorstel
moeten worden aangepast naar aanleiding van de invoering van de Wft en zo
ja, op welke punten?</nadruk></al>
      <al>De Vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht treedt naar verwachting
in 2008 in werking. De Wft zal als gevolg van de Vierde tranche worden aangepast.
De Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt niet door de Wft beïnvloed.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>• <nadruk type="cur">Brengt de Wft verandering in de keuze voor bestuursrechtelijke
afdoening en ten koste van strafrechtelijke afdoening of juist ten gunste
van strafrechtelijke afdoening ten koste van bestuursrechtelijke afdoening?</nadruk></al>
      <al>Op dit punt brengt de Wft geen wijzigingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>• <nadruk type="cur">In welke mate biedt de Wft meer mogelijkheden
dan haar voorganger(s) om bestuurders van onder toezicht staande
instellingen persoonlijk civielrechtelijk aansprakelijk te stellen dan wel
persoonlijk bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk te straffen voor gedragingen
die zijn begaan door een instelling c.q. rechtspersoon?</nadruk></al>
      <al>De civielrechtelijke aansprakelijkheid van financiële ondernemingen
wordt niet geregeld door de Wft. De regelgeving op dat gebied is opgenomen
in het Burgerlijk Wetboek. De Wft brengt dan ook geen verandering op dit gebied.
Wel is het zo dat het feit dat de Wft niet is nageleefd door een financiële
onderneming een relevant aspect is bij de vraag naar de civielrechtelijke
aansprakelijkheid van die onderneming. In de toelichting op artikel 1:6p is
hier nader op ingegaan.<voetref refid="v10.1" nr="1"></voetref></al>
      <al>De wijze waarop in het strafrecht met de persoonlijke aansprakelijkheid
van bestuurders wordt omgegaan, gaat het kader van de Wft te buiten.</al>
      <al>Hoe de toezichthouders in de toekomst om zullen gaan met de mogelijkheid
om aan individuele personen bestuurlijke boetes op te leggen, is in het kader
van de Boetenota uitgebreid besproken.<voetref refid="v10.2" nr="2"></voetref> Op deze
plaats kan worden gemeld dat met het wetsvoorstel op dit punt geen wijzigingen
zijn beoogd.</al>
      <tuskop letat="vet">Verhouding Wft met voorlooptrajecten en richtlijnen</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie constateerden dat er diverse
wetten zijn vastgesteld (Wfd, Wet marktmisbruik, Prospectuswet; zgn. «voorloopwetten»)
of nog in aantocht (Wmz-wetsvoorstel, implementatiewet MiFID) die een plaats
krijgen in de Wft. In weerwil van de voornemens van het ministerie van Financiën
blijken de (bestaande) regels uit de voorlooptrajecten op veel plaatsen niet
ongewijzigd te zijn overgenomen. Op veel plaatsen in de Wft zijn bepalingen,
definities en begrippen anders geformuleerd dan in de huidige regels, zonder
dat is toegelicht of hiermee redactionele verbeteringen of inhoudelijke wijzigingen
zijn beoogd. Dit leidt volgens deze leden tot rechtsonzekerheid. Zij noemden
de volgende voorbeelden:</nadruk>
      </al>
      <al>• <nadruk type="cur">Door het vervangen van het huidige begrip «effecten»
uit de Wet Marktmisbruik door het begrip «financiële instrumenten»
in de Wft is de reikwijdte van hoofdstuk 5.3 ruimer geworden dan de reikwijdte
van de Wet Marktmisbruik die onlangs werd ingevoerd.</nadruk></al>
      <al>• <nadruk type="cur">Een voorbeeld van een niet beleidsneutrale omzetting
ten opzichte van de Wfd vormt artikel 4:16, tweede lid (verbod op uitbesteden
van bepaalde werkzaamheden). In de Wfd ontbrak een equivalent van dit artikel.
Ook wordt hier vooruitgelopen op discussies in Europa. In Europees verband
is namelijk besloten om af te zien van het aanwijzen van werkzaamheden die
niet mogen worden uitbesteed. De voorlooptrajecten zijn nog niet afgerond;
bij de implementatie in de Wft is het onduidelijk of formuleringen een wijziging
betreffen.</nadruk></al>
      <al>• <nadruk type="cur">De toelichting over de vraag of een gewijzigde
redactie ook leidt tot inhoudelijke wijzigingen is vaak onduidelijk en soms
zelfs pertinent onjuist. Zo wordt in de algemene toelichting op de vierde
nota van wijziging aangegeven dat de regels betreffende openbare biedingen
ongewijzigd zijn overgenomen. Na lezing van de artikelsgewijze toelichting
op hoofdstuk 5.5 blijkt echter het tegendeel.</nadruk></al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het is als financiële onderneming lastig te bepalen
of formuleringen klaar zijn voor de Wft en of systemen nu wel of niet moeten
worden aangepast. De leden van de VVD-fractie vroegen de regering in te gaan
op voornoemde bezwaren. Tevens vroegen zij of de regering voornemens is het
wetsvoorstel op dit punt te wijzigen. Het ontbreken van een toelichting impliceert
dat de vermoedelijke betekenis van een norm vooral zal moeten worden ontleend
aan de parlementaire geschiedenis. Resulteert dat naar de mening van de regering
in een voldoende inzichtelijke toezichtwet, wilden deze leden weten.</nadruk>
      </al>
      <al>Ten aanzien van het eerste voorbeeld kan het volgende worden opgemerkt. Het begrip «effecten» uit hoofdstuk XII van de
Wte 1995 is vervangen door het begrip «financiële instrumenten»
in de Wft. De reikwijdte van hoofdstuk 5.4 is hierdoor niet ruimer geworden
dan die van hoofdstuk XII van de Wte 1995. De terminologie is hierdoor in
overeenstemming gebracht met de richtlijn marktmisbruik.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten aanzien van het tweede voorbeeld zij erop gewezen dat bij onderdeel
PPPP van de vijfde nota van wijziging in artikel 4:16, tweede lid, is verduidelijkt
dat alleen voor de beheerder van beleggingsinstellingen werkzaamheden zullen
worden aangewezen die niet kunnen worden uitbesteed.<voetref refid="v11.1" nr="1"></voetref> Deze bepaling is derhalve niet van toepassing op financiële ondernemingen
die onder de Wfd vallen.</al>
      <al>Artikel 4:16, tweede lid, zal de grondslag vormen voor het verbod om het
bepalen van het beleggingsbeleid uit te besteden. Dit verbod is thans is opgenomen
in artikel 27, tweede lid, van het Besluit toezicht beleggingsinstellingen
2005 (Btb 2005) en vloeit voort uit de artikelen 5octies, eerste lid, onderdeel
c, en tweede lid, tweede volzin, van de richtlijn beleggingsinstellingen.<voetref refid="v11.2" nr="2"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wat betreft het derde voorbeeld kan worden opgemerkt dat de algemene toelichting
op de vierde nota van wijziging inderdaad ten onrechte de indruk wekt dat
de voorschriften omtrent en de reikwijdte van het toezicht op openbare biedingen
volledig overeenstemmen met de voorschriften en de reikwijdte op dit terrein
in de Wte 1995. Wat betreft de voorschriften omtrent openbare biedingen is
getracht geen inhoudelijke wijzigingen te laten ontstaan bij de omzetting
van de Wte 1995 in de Wft. De reikwijdte van de biedingregels is echter, hetgeen
wel in de artikelsgewijze toelichting op artikel 5:70 naar voren komt maar
ten onrechte niet in het algemeen deel van de toelichting is vermeld, op enkele
onderdelen aangepast om aansluiting te behouden met de sinds 1 juli 2005
geldende voorschriften voor het aanbieden van effecten. Verwezen wordt naar
de artikelsgewijze toelichting op artikel 5:70.<voetref refid="v11.3" nr="3"></voetref></al>
      <tuskop letat="vet">Implementatie Wet financiële dienstverlening en Besluit
financiële dienstverlening</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie vroegen of de Wfd alleen
is opgenomen in het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen of
ook in andere delen. Zij vroegen of de Wfd als zodanig niet meer bestaat en
het niet meer de bedoeling is de Wfd als zodanig te benoemen.</nadruk>
      </al>
      <al>De Wfd wordt in meerdere delen van de Wft overgenomen. In het Algemeen
deel van de Wft worden alle procedurele bepalingen en de bevoegdheden van
de AFM overgenomen. In het Deel Markttoegang financiële ondernemingen
worden alle bepalingen die de toegang tot de markt betreffen (verbodsbepaling
en notificatieplicht) en de bijbehorende bepalingen (uitzonderingen op de
verbodsbepaling, vergunningverlening, ontheffingsbevoegdheden, vrijstellingsbepalingen)
overgenomen. De gedragsnormen uit de Wfd worden in het Deel Gedragstoezicht
financiële ondernemingen overgenomen en samengevoegd met de gedragsnormen
uit de Wtb en de gedragsnormen voor beleggingsondernemingen uit de Wte 1995.
De Wfd blijft inderdaad zelf niet meer als zodanig bestaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie vroegen voorts in welke
artikelen uit de Wfd veranderingen zijn aangebracht en wat die veranderingen
zijn.</nadruk>
      </al>
      <al>Zoals ook in de nota naar aanleiding van het vierde nader verslag is aangegeven,
worden de verplichtingen uit de Wfd grotendeels inhoudelijk ongewijzigd overgenomen.<voetref refid="v11.4" nr="4"></voetref> Er is sprake van twee inhoudelijke wijzigingen, te weten
het vervallen van de vergunning van rechtswege en de generieke ontheffingsmogelijkheid.
Voorts heeft de integratie van de bepalingen uit de Wfd met de bepalingen
uit de overige toezichtwetten in de Wft tot redactionele en terminologische
aanpassingen geleid. Deze aanpassingen zijn in de artikelsgewijze toelichting
toegelicht.<voetref refid="v12.1" nr="1"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Aangezien het Besluit financiële dienstverlening
(Bfd) per 1 januari 2006 in werking is getreden zijn tal van bepalingen
voor de financiële sector van kracht geworden. Zoals de aanvraag van
een vergunning voor het intermediair. Hierover hadden de leden van de CDA-fractie
een aantal vragen op basis van publiciteit hierover medio januari 2006.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de regering op de hoogte van het bericht in vier
landelijke dagbladen waaruit blijkt dat op 12 januari slechts 2000 intermediairs
(van de ongeveer 140 000 intermediairs) vergunningsaanvragen bij de AFM
hebben ingediend om te kunnen voldoen aan de vereisten van de Wfd? Kunt de
regering aangeven of zij de zorg van de AFM deelt ten aanzien van het lage
aantal vergunningsaanvragen?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is de regering op de hoogte van de oorzaken van dit
aantal aanvragen? Zou de regering dit willen en kunnen onderzoeken? Zou dit
mede kunnen komen door overbelasting van de website van de AFM? Indien de
redenen buiten de eigen verantwoordelijkheid van de intermediairs liggen,
is de regering dan bereid de periode voor vergunningaanvraag te verlengen?</nadruk> De regering heeft kennisgenomen van het bericht in de landelijke
dagbladen waaruit blijkt dat op 12 januari jl. slechts 2000 intermediairs
een vergunningaanvraag bij de AFM hadden ingediend. Conform de verwachting
van de regering en de AFM is dit aantal in de daarop volgende periode gestaag
opgelopen tot uiteindelijk 11 000 vergunningaanvragen op 1 februari
2006. Daarnaast zijn er 2 700 tussenpersonen aangemeld als «verbonden
bemiddelaar». Gezien dit aantal is de overgangsperiode tot nog toe naar
tevredenheid verlopen.</al>
      <al>De constatering dat het vergunningaanvraagproces langzaam op gang is gekomen
is juist. De oorzaak hiervan zal mede gelegen zijn in de omstandigheid dat
de maand januari over het algemeen een drukke maand is voor ondernemers. Bovendien
is de Wfd-regelgeving eind december 2005 in definitieve vorm gepubliceerd
en is het aanvraagformulier pas per 1 januari 2006 in definitieve vorm
beschikbaar gekomen. Van een overbelasting van de website van de AFM is geen
sprake geweest. Wel is de website van de Stichting financiële dienstverlening
begin januari 2006 korte tijd niet bereikbaar geweest, maar dat heeft geen
belemmering gevormd voor financiële dienstverleners om tijdig een vergunning
aan te vragen. Vergunningaanvragen moesten bij de AFM worden ingediend.</al>
      <al>Het totaal van 11 000 aangevraagde vergunningen ligt uiteindelijk
iets lager dan het door de AFM aanvankelijk geschatte aantal vergunningaanvragen
van 14 000. Daar tegenover staat dat meer verbonden bemiddelaars zijn
aangemeld dan verwacht (ruim 2 700), zodat het totale aantal aangemelde
financiële dienstverleners in lijn ligt met de verwachtingen op dit punt.</al>
      <al>Gezien het voorgaande is er geen aanleiding geweest om de vergunningaanvraagperiode
te verlengen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie merkten op dat in artikel
13 van de Vrijstellingsregeling Wfd staat dat financiële dienstverleners
vrijgesteld zijn van de wet indien zij een andere hoofdberoepswerkzaamheid
hebben en de adviezen in het verlengde van hun hoofdberoepswerkzaamheid liggen
en men slechts incidenteel optreedt als adviseur. Zij stelden hierover de
volgende vragen. Betekent dit inderdaad concreet dat bijvoorbeeld advocaten,
fiscalisten, notarissen, belastingadviseurs en accountants en dergelijke wel
financiële adviezen mogen geven maar niet de zorgplicht (en overige bepalingen)
zoals vastgelegd in de Wft hoeven na te leven? Hoe ziet de regering dit in
relatie tot het doel van de Wfd om een professioneel, deskundig, betrouwbaar
en integer kader te scheppen in de financiële dienstverlening?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Er worden – terecht naar de mening van de leden
van de CDA-fractie – strenge eisen gesteld aan de persoon van financieel
adviseur en het bedrijf waar hij aan verbonden is, maar anderen op dit terrein
hoeven zich daar niet aan te houden. Hoe ontstaat er dan toch een betere,
professionelere en transparantere markt in financiële dienstverlening?
Kan de regering hier uitleg over en toelichting op geven? Hoe werkt deze vrijstellingsregeling
dan mee aan het herstel van consumentenvertrouwen dat zo noodzakelijk is en
waarvoor de wetgeving ook grotendeels gemaakt is? Wie beoordeelt of er sprake
is van een incidenteel advies in het verlengde van de hoofdberoepswerkzaamheid
en wanneer het zodanig van omvang wordt dat het wel onder de wet zou moeten
vallen?</nadruk>
      </al>
      <al>Het is juist dat artikel 13 van de Vrijstellingsregeling Wfd beoogt accountants
en belastingadviseurs en alle andere dienstverleners die een andere hoofdberoepswerkzaamheid
hebben dan het verlenen van een financiële dienst én uit dien
hoofde inzicht hebben in de financiële situatie van hun klanten, volledig
vrij te stellen van de Wfd. De vrijstelling kent enkele belangrijke beperkingen.
Zo geldt de vrijstelling alleen indien een «zakelijke» consument
wordt geadviseerd. Met een zakelijke consument wordt bedoeld de in de uitoefening
van zijn bedrijf of beroep handelende natuurlijke persoon of rechtspersoon
aan wie een financiële dienst wordt verleend. De vrijstelling geldt niet
indien een consument in enge zin (de consument die niet handelt in bedrijf
of beroep) wordt geadviseerd. Daarnaast dient men aan twee aanvullende voorwaarden
te voldoen wil men onder vrijstelling vallen: de dienstverlener mag geen provisie
ontvangen van de aanbieder van het financiële product dat hij aanbeveelt
en er mag slechts sprake zijn van incidenteel advies.</al>
      <al>Het behoort in eerste instantie tot de eigen verantwoordelijkheid van
een dienstverlener zelf om te beoordelen of aan deze voorwaarden wordt voldaan
en, indien dit niet het geval is, om een vergunning aan te vragen bij de AFM.
Indien de AFM een bepaald geval tegenkomt in de praktijk ten aanzien waarvan
zij als toezichthouder van de Wfd van oordeel is dat ten onrechte geen vergunning
is aangevraagd, is het uiteindelijke oordeel van de AFM in beginsel doorslaggevend.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Net als de overige vrijstellingen van de Wfd geldt ook voor deze vrijstelling
dat deze ziet op een situatie die vanwege de brede opzet van het wettelijke
kader onbedoeld onder de wet zou vallen en waarvoor de toepasselijkheid van
de Wfd een disproportionele belasting zou zijn. Door de aan de vrijstellingen
verbonden voorwaarden worden de belangen die de Wfd beoogt te beschermen voldoende
gewaarborgd. Bovendien volgt de vrijstelling uit de richtlijn verzekeringsbemiddeling<voetref refid="v13.1" nr="1"></voetref> die door middel van de Wfd wordt geïmplementeerd.
In deze richtlijn worden accountants en belastingconsulenten expliciet uitgezonderd
voorzover de bemiddeling in verzekeringen slechts een marginale, incidentele,
activiteit betreft.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden vroegen verder of in artikel 21d van de
Vrijstellingsregeling Wfd niet moet staan «kredieten waarvan de kredietsom
meer dan € 250 bedraagt», in plaats van meer dan € 1000.</nadruk>
      </al>
      <al>Voor krediet waarvan de kredietsom minder dan € 1 000 bedraagt,
is een vrijstelling opgenomen in artikel 21, tweede lid, onderdeel d, van
de Vrijstellingsregeling Wfd. De gemiddelde consument kan de aard, de gevolgen
en de risico’s van deze relatief kleine kredieten over het algemeen
goed overzien en waarderen. De kans dat de consument een voor hem ongeschikt
klein krediet koopt wanneer hij zich bij zijn keuze niet baseert op het advies
van een financiële dienstverlener, is relatief klein. Om die reden is –
zoals aangekondigd in de nota van toelichting bij het Bfd – besloten
tot de uitzondering: de toegevoegde waarde van de adviesregels staat niet
in een redelijke verhouding tot de bedrijfslasten.</al>
      <al>De verlaging van het grensbedrag van € 1 000 naar € 250
heeft enkel betrekking op de verplichte toetsing van een stelsel van kredietregistratie
en is geregeld in artikel 60 van het Bfd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de PvdA-fractie vroegen of het juist is
dat er nu al weer wijzigingen zijn aangebracht ten opzichte van de Wfd en
of de regering de mening deelt dat dit de rechtszekerheid aantast.</nadruk>
      </al>
      <al>Zoals in antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie is aangegeven,
zijn de verplichtingen uit de Wfd op twee punten na inhoudelijk ongewijzigd
overgenomen. De overige wijzigingen zijn van redactionele en terminologische
aard. Hoewel deze wijzigingen enige aanpassing zullen vergen van de sector,
betekent dit naar de mening van de regering niet dat de rechtszekerheid wordt
aangetast.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie hadden commentaar op de
wijze waarop de Wfd in de Wft is verwerkt. Zij vonden de transponeringstabel
(Wft – oude regelgeving) minder geschikt voor gebruikers die gewend
zijn met de oude regelgeving (i.c. de Wfd) te werken, en wezen erop dat de
tabel niet volledig is en fouten bevat.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zij merkten verder op dat de meeste Wfd-artikelen niet
in ongewijzigde vorm zijn overgenomen, maar redactioneel en/of inhoudelijk
zijn aangepast. Het vergt een zorgvuldige studie van de toelichting om vast
te kunnen stellen welke artikelen zijn aangepast, hoe dit is gebeurd en waarom –
als het al in de toelichting is opgenomen. Dit zorgt ervoor, aldus deze leden,
dat het voor financiëledienstverleners zeer moeilijk is om de bepalingen
uit de Wfd, die ze net hebben geïmplementeerd, terug te vinden en te
herkennen. Dit klemt te meer nu een groot deel van die financiële dienstverleners
niet zelf over de (juridische) expertise beschikt om een dergelijke vergelijking
uit te voeren. De noodzakelijke externe expertise die ze moeten inhuren om
hun op de Wfd geënte bedrijfsvoering aan de Wft aan te passen zorgt voor
onnodige, hoge extra nalevingskosten. De leden van de VVD-fractie ontvingen
hierop graag een reactie van de regering.</nadruk>
      </al>
      <al>Bij de nota naar aanleiding van het vierde nader verslag is een nieuwe,
verbeterde transponeringstabel gevoegd waaruit de samenhang tussen de Wft
en de Wfd blijkt. Voor wat betreft de omzetting van de Wfd naar de Wft en
de gevolgen daarvan voor de bedrijfsvoering van financiëledienstverleners
wordt verwezen naar het hiervoor gegeven antwoord op een soortgelijke vraag
van de PvdA-fractie en naar de beschouwing die in de nota naar aanleiding
van het vierde nader verslag aan dat onderwerp is gewijd.</al>
      <tuskop letat="vet">Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende
instellingen (hierna: Wmz-wetsvoorstel)</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie constateerden dat in hoofdstuk
5.3 de regels staan voor het melden van stemmen, kapitaal, zeggenschap en
kapitaalbelang in uitgevende instellingen. Het Wmz-wetsvoorstel is nog in
behandeling bij de Tweede Kamer. Deze leden vroegen de regering bij de beantwoording
van deze schriftelijke inbreng de wijzigingen in de artikelen in dit hoofdstuk
aan te geven aangezien de kans bestaat dat het plenaire debat leidt tot veranderingen
in de inhoud en tekst van deze wet. Deelt de regering de mening dat deze wijze
van behandeling niet de schoonheidsprijs verdient? Waarom heeft de regering
niet gewacht met de behandeling van de Wmz gelijktijdig met de behandeling
van de Delen Gedragstoezicht van de Wft? Ook de leden van de PvdA-fractie
vroegen hoe de lopende plenaire behandeling van de Wmz zich verhoudt tot de
Wft. Als de Tweede Kamer wijzigingen aanbrengt in de Wet melding zeggenschap,
kan er dan van uitgegaan worden dat de regering de Wft met een nota van wijziging
aanpast, wilden deze leden weten.</nadruk>
      </al>
      <al>De plenaire behandeling van het Wmz-wetsvoorstel heeft nog niet plaatsgehad,
waardoor er geen wijzigingen zijn in dat wetsvoorstel die in het kader van
deze schriftelijke inbreng zouden moeten worden meegenomen. Wat betreft de
wijze van behandeling van beide wetsvoorstellen is in de toelichting bij dit
wetsvoorstel reeds uiteengezet dat het Wmz-wetsvoorstel een voorlooptraject
is op de Wft. De plenaire behandeling in uw Kamer is de afgelopen maanden
verschillende keren geagendeerd geweest (onder andere in de week van 15 februari
jl., zoals ook opgemerkt door de leden van de CDA-fractie in het kader van
de onderhavige vraag), maar even zovele keren ook weer afgevoerd van de agenda.</al>
      <al>De regering heeft met het Wmz-wetsvoorstel niet gewacht op de behandeling
van de Delen Gedragstoezicht van de Wft omdat het Wmz-wetsvoorstel een voorlooptraject
is op de Wft en omdat het wenselijk wordt geacht dat de met dit wetsvoorstel
beoogde doelstellingen (vergroting van de transparantie in de zeggenschap
en kapitaalbelangen in beursgenoteerde vennootschappen en vermindering van
administratieve lasten voor meldingsplichtigen) zo spoedig mogelijk worden
gerealiseerd. Daarenboven dient het Wmz-wetsvoorstel (deels) ter implementatie
van de richtlijn transparantie<voetref refid="v15.1" nr="1"></voetref>, die op 20 januari
2007 moet zijn geïmplementeerd in de regelgeving van de lidstaten van
de Europese Unie.</al>
      <al>Ten slotte zal de regering de eventueel door de Tweede Kamer in het Wmz-wetsvoorstel
aan te brengen wijzigingen overnemen in de Wft indien deze wijzigingen worden
aangebracht voordat het onderhavige wetsvoorstel zal zijn aangenomen door
uw Kamer.</al>
      <tuskop letat="vet">Wte 1995</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de SP-fractie merkten op dat een aantal
financiële instrumenten die volgens de Wte 1995 een effect zijn, maar
kwalificeren als effect volgens de richtlijn prospectus, niet langer als zodanig
worden gereguleerd. Zij vroegen om welke instrumenten het hier gaat en of
al deze instrumenten zullen komen te vallen onder de categorie financieel
instrument of financieel product. Zo nee, welke instrumenten niet? Wat zijn
de gevolgen voor het toezicht op de instrumenten die niet langer als effect
gedefinieerd worden, vroegen deze leden verder. Klopt het dat voor de instrumenten
die niet langer als effect worden gedefinieerd ook niet langer de verplichting
om een prospectus op te stellen geldt? Zo ja, waarom is het niet nodig dat
bij deze instrumenten een prospectus wordt opgesteld?</nadruk>
      </al>
      <al>De Wte 1995 kent een zeer breed begrip effecten. Deze effecten zijn met
het oog op een juiste toepassing van het begrip aanbieden onderverdeeld in
enerzijds effecten als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, van de Wte 1995
en 1a, onderdeel d, van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 (Bte 1995)
(effecten volgens de richtlijn prospectus) en anderzijds effecten die niet
onder de richtlijn prospectus vallen (artikel 3, vierde lid, van de Wte 1995).
De effecten die onder de richtlijn prospectus vallen, kwalificeren in dit
wetsvoorstel ook als effect. Ten aanzien van deze «richtlijn prospectus
effecten» verandert er niets ten opzichte van de Wte 1995. Door de inperking
van het begrip effect wordt een aantal voormalige artikel 3, vierde lid, Wte
1995 effecten niet meer als «effect» in de zin van artikel 1:1
beschouwd. Dit heeft gevolgen voor de van toepassing zijnde regelgeving.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een deel van de effecten die onder artikel 3, vierde lid, van de Wte 1995
vallen, kwalificeert in artikel 1:1 als «financieel instrument»
(deelnemingsrechten in een beleggingsinstelling niet zijnde effecten<voetref refid="v15.2" nr="2"></voetref>, rechten op overdracht op termijn van goederen (futures),
opties, en soortgelijke, al dan niet voorwaardelijke, rechten). De definitie
van financieel instrument is grotendeels ontleend aan de richtlijn beleggingsdiensten<voetref refid="v15.3" nr="3"></voetref> (die is vervangen door de MiFID). Deze
richtlijn reguleert het verlenen van beleggingsdiensten door financiële
ondernemingen. Beleggers worden dus wel degelijk beschermd, alleen bestaat
er geen verplichting om een prospectus op te stellen voor het aanbieden van
financiële instrumenten die geen effect zijn. De enige uitzondering hierop
zijn de deelnemingsrechten in een beleggingsinstelling die geen effecten zijn.
Voor het aanbieden van dergelijke rechten van deelneming geldt nog wel een
prospectusplicht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een ander deel van de effecten die onder artikel 3, vierde lid, van de
Wte 1995 vallen, waaronder bepaalde beleggingsobjecten, kwalificeren in artikel
1:1 als «financieel product». Voor het aanbieden van beleggingsobjecten
geldt een prospectusplicht. Overige financiële producten worden alleen
gereguleerd voorzover dit onder de Wte 1995 ook al het geval was.</al>
      <al>Een overig deel van de effecten, bedoeld in artikel 3, vierde lid, van
de Wte 1995, kan ingevolge dit wetsvoorstel worden aangewezen als beleggingsobject
indien blijkt dat het huidige toezicht op dergelijke constructies onvoldoende
is. Hiermee behoudt de regering de mogelijkheid om aanvullende regelgeving
op te stellen, indien dit voor een adequate werking van de financiële
markt en de positie van beleggers daarop wenselijk wordt geacht. Op dat moment
zal eveneens worden bepaald of volstaan kan worden met een prospectus of dat
ook instellingstoezicht noodzakelijk is.</al>
      <tuskop letat="vet">MiFID</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie merkten op dat de regering
aangeeft dat de MiFID voor 30 oktober 2006 geïmplementeerd moet
worden, maar dat op het moment van consultatie van de Wft de tekst van de
richtlijn nog niet gepubliceerd was. De leden vroegen zich af hoe zij op de
juiste wijze deze wet kunnen beoordelen als ze niet de beschikking hebben
over de tekst van de richtlijn en of de richtlijn tot nadere aanpassingen
in de tekst van het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen of
in de overige delen van de Wft leidt.</nadruk>
      </al>
      <al>De tekst van de MiFID is inmiddels gepubliceerd (PbEU L 145 van 30 april
2004). De publicatie van de definitieve tekst van de richtlijn heeft niet
geleid tot wijzigingen van het wetsvoorstel. De Europese Commissie heeft een
voorstel gedaan tot wijziging van de implementatiedata. Op basis van dit voorstel
zou de richtlijn door de lidstaten op 30 januari 2007 geïmplementeerd
moeten zijn en zou de aldus gewijzigde wetgeving op 30 oktober 2007 van
toepassing worden op de instellingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie constateerden dat in de
Wft ten aanzien van een aantal onderwerpen wordt geanticipeerd op de implementatie
van de MiFID. Dit lijkt volgens de leden niet consequent te zijn gebeurd en
onvoldoende toegelicht. Een voorbeeld van niet anticiperen waar dit volgens
de leden wel voor de hand had gelegen is het systeem van de «optionele
professionele cliënt/belegger». Een voorbeeld waar wel wordt geanticipeerd
en waar dit op problemen stuit is het «execution-only» regime.
Niet alleen constateerden de leden essentiële verschillen, maar het regime
is op niveau 2 in Europa ook nog niet uitgewerkt.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden wezen ook op het voorbeeld van de afwijkende
definitie van financieel instrument in de Wft ten opzichte van de MiFID. Dit
alles is volgens de leden moeilijk te rijmen met het in de toelichting geformuleerde
uitgangspunt dat anticipatie op de MiFID zowel consistent moet zijn met de
nieuwe richtlijn als moet bijdragen aan de harmonisatie met regels die voor
andere financiële diensten gelden.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden vroegen vervolgens of de regering het wenselijk
acht dat marktpartijen voor wat betreft de aan de richtlijn gerelateerde onderwerpen
tweemaal een implementatietraject moeten doorlopen.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Ten aanzien van alternatieve handelssystemen vroegen
de leden in hoeverre die als een markt in financiële instrumenten worden
aangemerkt, met als gevolg dat een beurserkenning zal worden vereist, dan
wel dat volstaan kan worden met een vergunning voor het verlenen van beleggingsdiensten.</nadruk>
      </al>
      <al>Het systeem van de «optionele professionele cliënt/belegger»
wordt om verschillende redenen op dit moment niet overgenomen uit de MiFID
in de Wft. Onder de Wte 1995 zijn bepaalde voorschriften (in hun geheel) uitgezonderd
als de dienst verleend wordt voor professionele cliënten/beleggers. Het
systeem van de MiFID is genuanceerder. Voor het verlenen van beleggingsdiensten
aan professionelen wordt de toepassing van bepaalde voorschriften niet uitgesloten,
maar gelden vaak andere voorschriften, die in de uitvoeringsrichtlijn worden
uitgewerkt. Daar komt bij dat het onder de huidige richtlijn beleggingsdiensten
niet altijd is toegestaan om voor de toepassing van voorschriften een belegger
die zich wil laten behandelen als professionele cliënt ook uit te sluiten
van de bescherming van bepaalde regels.</al>
      <al>Wat betreft het «execution-only»-regime kan opgemerkt worden
dat het systeem inhoudelijk aansluit bij de MiFID. Inmiddels blijkt uit de
voorstellen voor de uitvoeringsrichtlijn dat op dat niveau slechts wordt uitgewerkt
de wijze waarop de beoordeling van de geschiktheid van de dienst voor de cliënt
plaatst vindt (zie artikel 4:24, vijfde lid). Dit zal bij de implementatie
van de MiFID op het niveau van een AMvB worden geregeld. Tot die tijd zal
het voldoen aan de verplichting om een cliëntenprofiel op te maken dus
vormvrij zijn. Het zesde en zevende lid van artikel 4:24 zullen in de zesde
nota van wijziging komen te vervallen.</al>
      <al>Zoals in de toelichting op de definitie van «financieel instrument»
is opgemerkt is deze definitie grotendeels ontleend aan de richtlijn beleggingsdiensten.
Met de definitie van financieel instrument als geheel is niet beoogd te anticiperen
op de MiFID. De definitie is om die reden dan ook niet gelijkluidend aan de
definitie van financieel instrument in de MiFID. Voor de definitie van grondstofderivaat
is wel de MiFID gevolgd, omdat de richtlijn beleggingsdiensten geen definitie
van dit begrip bevat.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op basis van het bovenstaande kan gesteld worden dat marktpartijen voor
wat betreft de aan de richtlijn gerelateerde onderwerpen niet tweemaal een
implementatietraject hoeven te doorlopen. Daar waar inhoudelijk ten opzichte
van de Wte 1995 een wijziging van het regime wordt voorgesteld, zoals bij
execution-only dienstverlening, is geen sprake van een dubbel implementatietraject.
Het systeem van beoordeling van geschiktheid dat straks op basis van de Wft
vooruitlopend op de MiFID door instellingen zal worden ingevoerd, betekent
een verlichting van regime. Bij implementatie van de MiFID zal alleen de wijze
waarop de beoordeling op geschiktheid plaatsvindt nader worden ingevuld. Zoals
hiervoor opgemerkt zijn de beleggingsondernemingen tot die tijd vrij in de
wijze waarop invulling wordt geven aan de verplichtingen.</al>
      <al>Afhankelijk van de vormgeving zullen alternatieve handelssystemen zijnde
multilaterale handelsfaciliteiten (MHF’s) onder de Wft tot aan de implementatie
van de MiFID worden aangemerkt als markten in financiële instrumenten
en zal voor de houder een erkenning als gereglementeerde markt vereist zijn,
zoals bijvoorbeeld op basis van de Wte 1995 geldt voor Endex. De reikwijdte
van de verbodbepaling met betrekking tot deze handelssystemen wijzigt in de
Wft niet ten opzichte van de Wte 1995. In voorkomend geval zal ook een andere
oplossing mogelijk zijn, zoals ten aanzien van de Alternext beurs die door
Euronext wordt opgezet voor het MKB: Alternext wordt door middel van een verklaring
van geen bezwaar onder de bestaande beurserkenning van Euronext gebracht.
Een vergunning voor beleggingsdiensten zal niet volstaan waar feitelijk sprake
is van het organiseren van een handelsplatform, zoals bijvoorbeeld blijkt
uit het hanteren van een centraal orderboek, en uit het mogelijk maken van multilaterale transacties. MHFs zijn per definitie multilaterale handelsplatformen
zodat deze nooit op basis van een vergunning voor het verlenen van beleggingsdiensten
gehouden kunnen worden.</al>
      <tuskop letat="vet">Administratieve lasten</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de memorie van toelichting staat vermeld dat de
mogelijkheden om de administratieve lasten die uit de financiële regelgeving
voortvloeien te verminderen separaat zijn onderzocht in het Kabinetsplan aanpak
administratieve lasten. De resultaten zijn in april 2004 aan de Tweede Kamer
voorgelegd. De leden van de CDA-fractie vroegen of de uitkomsten van deze
administratieve lastenverlichting anno januari 2006 nog identiek zijn aan
de resultaten van april 2004. Zo niet, waar liggen de verschillen en hoe denkt
de regering om op dit terrein tot een vermindering van administratieve lasten
te komen van 25 procent?</nadruk>
      </al>
      <al>Medio mei zal uw Kamer een brief ontvangen met een integraal overzicht
van de administratieve lastenvermindering die het gevolg zal zijn van de invoering
van de Wft per 1 januari 2007. Deze vermindering maakt onderdeel uit
van de bredere exercitie die er op is gericht de administratieve lasten voor
de financiële sector in de periode 2003 tot en met 2007 te reduceren
van € 700 mln tot € 500 mln. Dit proces wordt gemonitord
door de Gemengde Commissie Administratieve Lasten Financiële Markten,
waarin o.a zijn vertegenwoordigd: Financiën, de NVB, het Verbond van
verzekeraars, de financiële intermediairs, DNB, AFM en Actal. In de Voorjaarsbrief
AL die binnenkort aan uw Kamer wordt gezonden wordt hierop nader ingegaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Tevens waren de leden van de fractie van het CDA benieuwd
naar de omvang van de nalevingskosten die met deze wet gepaard gaan. Deze
leden hebben geconstateerd dat het laatste advies van Actal over het Algemeen
deel en de Delen Gedragstoezicht van de Wft dateert van 2 september 2004.
Inmiddels is de vierde nota van wijziging van de hele Wft bij de Kamer ingediend.
Daarbij misten genoemde leden een toets van het Actal. De leden van de CDA-fractie
wilden de regering namelijk houden aan zijn toezegging om de administratieve
lasten voor de financiële sector met 25 procent te verminderen ultimo
2007. Naar hun inschatting wordt dit een lastige klus gezien de omvang en
reikwijdte van de Wft en met name ook de Wfd en Bfd. Graag zagen de leden
van de genoemde fractie dan ook een onderbouwd advies van Actal over de Delen
Gedragstoezicht voor wat betreft de administratieve lasten en de eventuele
nalevingskosten.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Over hetzelfde onderwerp vroegen de leden van de PvdA-fractie
de regering aan te geven hoe de onderdelen gedragstoezicht een bijdrage leveren
aan één van de doelstellingen van de Wft, namelijk 25 procent
reductie van administratieve lasten.</nadruk>
      </al>
      <al>Verwezen moge worden naar de hierboven aangekondigde brief die een overzicht
zal bevatten van de administratieve lastenvermindering ten gevolge van de
invoering van de Wft. Deze brief zal ter toetsing aan Actal worden voorgelegd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie stelden dat omwille van
de concurrentieverhoudingen in Europa en reductie van administratieve lasten
en nalevingskosten een strakke en sobere uitvoering van Europese regels zonder
nationale toevoegingen het uitgangspunt moet zijn. In dit verband merkten
zij op dat van het verlicht regime in geval van execution-only dienstverlening
van artikel 4:24 beperkt gebruik zal worden gemaakt omdat in Nederland het
beleggen in derivaten een hogere vlucht heeft genomen dan in andere lidstaten.
Ook zal bij het verlenen van effectenkrediet het verbod op overkreditering
van artikel 4:34 het gebruik van dit regime grotendeels onmogelijk maken,
tenzij dit verbod voor effectenkrediet buiten toepassing zal
worden verklaard. Bovendien stelden deze leden dat het zeer onzeker is of
de (civielrechtelijke) zorgplicht van de beleggingsonderneming ook in de toekomstige
jurisprudentie dermate extensief kan worden uitgelegd dat het verlicht regime
de facto niet gebruikt zal kunnen worden. Zij vroegen of de regering nader
kan onderbouwen of financiële ondernemingen daadwerkelijk gebruik kunnen
maken van het verlicht regime.</nadruk>
      </al>
      <al>Het regime van artikel 4:24 brengt een verlichting met zich ten opzichte
van de huidige Nadere regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002 waarin
ook bij execution-only dienstverlening een volledig cliëntenprofiel moet
worden opgemaakt. Voor transacties in eenvoudige financiële instrumenten,
zoals aandelen en obligaties, hoeft geen cliëntenprofiel meer te worden
opgemaakt. Voor transacties in meer risicovolle instrumenten hoeft alleen
de kennis en ervaring van de cliënt te worden beoordeeld. Het is mogelijk
dat financiële ondernemingen in de praktijk daarnaast nog aan andere
verplichtingen moeten voldoen. Indien een financiële onderneming tevens
krediet aanbiedt, zal zij op grond van artikel 4:34 informatie over de financiële
positie van de cliënt moeten inwinnen. Daarnaast geldt de zorgplicht
op grond van het civiele recht bij de meer risicovolle producten en ligt het
niet in de lijn der verwachting dat die zorgplicht dermate extensief zal worden
uitgelegd dat ook een zwaardere zorgplicht zal gelden voor de gewone aandelen
en obligatietransacties.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen waarom een (semi)
open-end beleggingsinstelling koersgevoelige informatie niet op de website
van de beheerder van de beleggingsinstelling mag publiceren in plaats van
op de eigen website.</nadruk>
      </al>
      <al>De verplichting dat een uitgevende instelling als bedoeld in artikel 5:59,
eerste lid, alle koersgevoelige informatie die zij openbaar dient te maken
gedurende een passende periode op haar internet-website plaatst, volgt uit
de richtlijn marktmisbruik (artikel 6, eerste lid).</al>
      <al>Het doel van deze bepaling is een transparante informatievoorziening voor
beleggers. Aangezien de beheerder van een beleggingsinstelling de normadressaat
is van de informatieverplichtingen op grond van de Wet toezicht beleggingsinstellingen
(Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen, zie artikel 1:6f, eerste
lid) en de betreffende informatie op de website van de beheerder wordt geplaatst,
is het goed denkbaar dat beleggers de koersgevoelige informatie eveneens op
de website van de beheerder verwachten. Bij nota van wijziging zal artikel
5:59, tweede lid, zodanig aangepast worden dat de informatie als bedoeld in
artikel 5:59, eerste lid, eveneens op de website van de beheerder geplaatst
mag worden. In de wet staat dan waar beleggers de informatie kunnen raadplegen.
De transparante informatievoorziening is hiermee gewaarborgd.</al>
      <tuskop letat="vet">Afspraken over kredieten</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie merkten op dat in het algemeen
overleg op 10 november 2005 afspraken zijn gemaakt over de maximale kredietrente,
het registeren van kredieten vanaf een bepaald bedrag en het toetsen bij Stichting
BKR voordat een krediet verstrekt wordt. In de Wfd, behandeld in 2004, stonden
hier kaders voor. In de artikelen 4:34 en 4:35 wordt hierover niets meer genoemd,
behalve dat bij AMvB nadere regels kunnen worden gesteld. Deze leden wilden
weten of de afspraken die hierover gemaakt zijn op 10 november 2005 in
een AMvB worden vastgelegd. Zo ja, wanneer kan de Tweede Kamer deze AMvB tegemoet
zien? Per wanneer zijn deze afspraken van kracht of zijn deze per 1 januari
2006 wel al van kracht geworden?</nadruk>
      </al>
      <al>De afspraken die op 10 november 2004 zijn gemaakt, zullen alle worden
uitgevoerd. Zoals ik in mijn brief van 7 november 2004 heb aangegeven, heeft verlaging van de maximale kredietvergoeding plaatsgevonden door
aanpassing van het Besluit kredietvergoeding. Deze wijziging zal in werking
treden op 1 juli 2006. Artikel 4:35 is in het wetsvoorstel opgenomen
om ook onder de Wft voor dit besluit een grondslag te laten bestaan.</al>
      <al>Het bedrag waarboven het voor een kredietverstrekker verplicht wordt om
informatie in te winnen bij een stelsel van kredietregistratie, is, zoals
ook in mijn brief van 10 november 2004 is toegezegd, in het Bfd verlaagd
van € 1000 naar € 250. Deze wijziging zal in werking treden
op 1 mei 2006 en wordt onder de Wft overgenomen.</al>
      <tuskop letat="vet">Verplichting beroepsaansprakelijkheidsverzekering</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de kabinetsreactie op het eindrapport van de Commissie
Geschillen Aandelenlease is aangekondigd dat, met inachtneming van de gevolgen
voor de administratieve lasten, zal worden bezien of het wenselijk is de reikwijdte
van de verplichting tot een beroepsaansprakelijkheidsverzekering te verbreden,
zo merkten de leden van de CDA-fractie op. Zij vroegen hoe de regering hier
op dit moment tegenover staat.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Ook de leden van de SP-fractie haalden deze aankondiging
aan. Zij vroegen waarom er niet voor is gekozen dit al in de Wft te doen,
en wanneer een voorstel hierover te verwachten is.</nadruk>
      </al>
      <al>De verplichting tot het aangaan van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering
geldt thans alleen voor bemiddelaars in verzekeringen en herverzekeringsbemiddelaars.
Dit omdat de richtlijn verzekeringsbemiddeling hiertoe verplicht. Naar aanleiding
van het eindrapport van de Commissie Geschillen Aandelenlease is eerder aangekondigd
dat, met inachtneming van de gevolgen voor de administratieve lasten, een
uitbreiding van de groep financiële dienstverleners waarvoor de eis geldt,
zou worden overwogen.</al>
      <al>De Commissie Geschillen Aandelenlease heeft geconstateerd dat waar tussenpersonen
in rechte aansprakelijk worden gehouden voor schade ontstaan in verband met
de aankoop van een aandelenleaseproduct, er een aanzienlijk verhaalsrisico
bestaat. De commissie brengt dit in verband met het ontbreken van een verplichte
verzekeringsdekking voor de aansprakelijkheid van tussenpersonen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is de vraag of een verplichting voor alle tussenpersonen in financiële
producten om een beroepsaansprakelijkheidsverzekering aan te gaan tot gevolg
zal hebben dat consumenten hun schade massaal en volledig zullen kunnen verhalen
op deze tussenpersonen wanneer zich in de toekomst een soortgelijke problematiek
voordoet. Dit ten eerste omdat een verzekeraar het verzekerde bedrag zal maximeren,
per klacht, per onderneming, per jaar. Bovendien is het aannemelijk dat een
verzekeraar de door hem in verzekering genomen risico’s zal willen beperken
door bepaalde omstandigheden uit te sluiten. Zo zal een verzekeraar kunnen
bedingen dat hij niet zal hoeven uitkeren wanneer de tussenpersoon zich opzettelijk
onprofessioneel heeft gedragen.</al>
      <al>Een mogelijk positief effect van een verplichting tot het aangaan van
een beroepsaansprakelijkheidsverzekering kan zijn dat er een zekere normerende
werking vanuit gaat. De beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar zal geen tussenpersonen
als cliënt willen accepteren waarbij hij te grote risico’s loopt.
De facto bepaalt de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar daarmee mede de toegang
tot de financiële markten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Welke effecten de verplichting tot het aangaan van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering
precies heeft moet worden afgewacht. Bij de voorgenomen evaluatie van de doeltreffendheid
en de effecten van de Wfd in de praktijk zal ook verslag worden gedaan van
de gevolgen van de verplichte beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor verzekeringsbemiddelaars. Daarnaast is in de MiFID vastgelegd dat de Europese Commissie verslag
zal uitbrengen over de vraag of de krachtens het Gemeenschapsrecht aan tussenpersonen
gestelde eisen inzake het aangaan van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering
nog steeds dienstig zijn.</al>
      <al>Gelet hierop is besloten voorlopig te wachten met een uitbreiding van
de verplichting tot het aangaan van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering
en dus om noch in de Wfd, noch in de Wft een beroepsaansprakelijkheidsverzekering
verplicht te stellen voor alle tussenpersonen in financiële producten.</al>
      <tuskop letat="vet">Toezicht infrastructuur</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie vroegen of zij het juist
hebben gezien dat een laatste deel van de Wft, het toezicht op de infrastructuur,
deel 6 zal worden.</nadruk>
      </al>
      <al>Dat is juist. Dit laatste deel, dat zal komen te luiden Deel Toezicht
afwikkelsystemen, zal via een afzonderlijk wetsvoorstel aan de Wft worden
toegevoegd.</al>
      <tuskop letat="vet">Toezicht op clearinginstellingen</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het voornemen om toezicht op clearinginstellingen in
te voeren roept een groot aantal vragen op, zo constateerden de leden van
de VVD-fractie. Zij vroegen of er een dringende noodzaak bestaat om hiertoe
over te gaan, en waarom voor een Nederlandse «Alleingang» wordt
gekozen, nu hiertoe op grond van Europese richtlijnen nog geen verplichting
bestaat. Daarnaast wilden deze leden weten waarin de activiteiten van een
clearinginstelling zich onderscheiden van die van een beleggingsonderneming.</nadruk>
      </al>
      <al>Ook België en Frankrijk kennen toezicht op clearinginstellingen.
Dit is mede van belang omdat de huidige centrale tegenpartij voor de beurzen
in Nederland (LCH.Clearnet) dezelfde is als voor de beurzen in Frankrijk en
België. Door het achterwege blijven van wetgeving op dit punt zijn de
concurrentievoorwaarden thans voor Nederlandse clearinginstellingen ongunstiger.
Het ontbreken van wettelijk toezicht betekent immers een mindere waarborg
van hun soliditeit. Het risico bestaat dat Nederlandse clearinginstellingen
om die reden moeilijker of tegen hogere kosten toegang hebben tot de beurzen
in Frankrijk en België, of hun in het ergste geval zelfs de toegang wordt
ontzegd. Om die reden is ook vanuit de markt zelf aangedrongen op invoering
van toezicht op clearinginstellingen. Het ontbreken van wetgeving verstoort
ook de binnenlandse concurrentieverhoudingen, doordat clearinginstellingen
die niet tevens kredietinstelling of beleggingsonderneming zijn nu slechts
indirect onder toezicht staan, in tegenstelling tot clearinginstellingen die
wel tevens kredietinstelling of beleggingsonderneming zijn. Daarnaast wordt
de noodzaak tot invoering van het toezicht op clearinginstellingen versterkt
doordat deze vorm van toezicht het risico verkleint dat de onmogelijkheid
van een beurspartij om zijn verplichtingen uit een bepaalde transactie na
te komen zich voortplant. Dat belang is zo groot dat het onwenselijk is dat
dit aan private partijen wordt overgelaten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorts vroegen deze leden waarin de activiteiten van een clearinginstelling
zich onderscheiden van die van beleggingsondernemingen. Een beleggingsonderneming
speelt een rol bij de <nadruk type="cur">totstandkoming</nadruk> van transacties
in financiële instrumenten. Zij verricht transacties, hetzij als tussenpersoon,
hetzij voor eigen rekening. Een clearinginstelling daarentegen speelt een
rol bij de <nadruk type="cur">afwikkeling</nadruk> van eenmaal verrichte transacties.
Overigens is het mogelijk dat een clearinginstelling tevens beleggingsonderneming
is, maar dat behoeft niet het geval te zijn.</al>
      <tuskop letat="vet">Solvabiliteit</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen of DNB bij de beoordeling
van de solvabiliteitseisen toetst welk gedeelte van het vermogen van een bepaalde
instelling is verhypothekeerd, omdat dit de verhaalsmogelijkheden van particulieren
kan verminderen.</nadruk>
      </al>
      <al>In de solvabiliteitstoets wordt rekening gehouden met verhypothekeren.
Een hypothecaire schuld van een financiële onderneming staat als verplichting
op haar balans. De onroerende zaak waarop de hypotheek rust, staat als bezit
op haar balans. Het verschil tussen beide balansposten maakt deel uit van
haar eigen vermogen. Alleen dit verschil komt in aanmerking als aanwezige
solvabiliteit die kan worden gebruikt om aan de solvabiliteitseisen te voldoen.</al>
      <tuskop letat="vet">Het beleggerscompensatiestelsel en het depositogarantstelsel</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden vroegen verder of de regering bereid is
om – gelet op de stijging van de spaar- en beleggingstegoeden –
het garantiebedrag voor particulieren te verhogen tot bijvoorbeeld € 40 000
per instelling waar spaar- en/of beleggingstegoeden worden aangehouden.</nadruk>
      </al>
      <al>Bij brief van 21 maart 2006 heb ik u bericht dat ik, mede in het
licht van uw vraag in het vijfde nader verslag, heb besloten de maximale vergoeding
op grond van het depositogarantiestelsel te verhogen van € 20 000
tot € 40 000.<voetref refid="v22.1" nr="1"></voetref> Daarnaast heb ik
aangekondigd te zullen onderzoeken hoe ik voor de verdere toekomst een zodanige
garantieregeling kan ontwerpen die het risicobewustzijn bij banken en depositohouders
kan vergroten en toch een fatsoenlijke compensatie garandeert. Hier zal eigen
risico een rol moeten spelen. Over de precieze modaliteiten hiervan zal nog
overleg worden gevoerd met de bancaire sector.</al>
      <tuskop letat="vet">Commentaar</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de PvdA-fractie vroegen de regering in
te gaan op de opmerkingen van Lukas Daalder van Bank Oyens &amp; van Eeghen,
over de nieuwe financiële bijsluiter en de tekortschietende voorschiften
voor het presenteren van de mogelijke opbrengsten.<voetref refid="v22.2" nr="2"></voetref></nadruk>
      </al>
      <al>In de nieuwe financiële bijsluiter worden inderdaad dezelfde drie
scenario’s gehanteerd als in de oude financiële bijsluiter; een
standaard rendement, een historisch rendement en een pessimistisch rendement.
In tegenstelling tot in de oude financiële bijsluiter worden deze rendementen
niet in een tabel weergegeven doch in grafiekvorm; gebleken is dat dit voor
consumenten bijdraagt aan de inzichtelijkheid. De drie rendementscenario’s
zijn niet arbitrair gekozen. Het historische rendement geeft inzicht in de
koersontwikkelingen van het verleden. Het pessimistische rendement geeft inzicht
in een mogelijke koersontwikkeling in slechtere economische tijden. Het standaard
rendement biedt consumenten een mogelijkheid om verschillende producten met
elkaar te vergelijken. Aangezien de rendementsscenario’s van de financiële
bijsluiter nettorendementen betreffen, blijkt uit de weergave in de financiële
bijsluiter dat bij dezelfde inleg en hetzelfde bruto rendement (het standaard
rendement), het netto rendement kan verschillen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Tevens vroegen deze leden de regering te reageren op
het artikel van prof. mr. drs. C.M. Grundmann-van de Krol.<voetref refid="v22.3" nr="3"></voetref> In het bijzonder vroegen zij of het waar is dat de AFM op grond van
de Wft uitbesteding van bepaalde werkzaamheden kan verbieden. Ook vroegen
zij of het waar is dat in de voorgestelde Wft-structuur zowel de AFM als DNB,
ieder op eigen toetsingsgronden, een vetorecht hebben ten aanzien van de groep
of organisatiestructuur waarvan een Nederlandse effecteninstelling of beheerder van een Nederlandse instelling voor collectieve beleggingen
in effecten (icbe) deel uitmaakt.</nadruk>
      </al>
      <al>Het bedoelde artikel van prof. Grundmann is de weergave van een voordracht
die zij heeft gehouden op een congres, gehouden op 10 november 2004,
dat gewijd was aan de taken van de AFM op het gebied van het ondernemingsrecht.
Het artikel geeft een schets van de gevolgen van het effectenrecht voor de
organisatie van een onderneming en in het bijzonder de mate van vrijheid die
ondernemingen hebben bij het inrichten van hun organisatie. Prof. Grundmann
spitst haar betoog toe op de regelgeving op een viertal gebieden, waaronder
het uitbesteden van werkzaamheden en het deel gaan uitmaken van een groep
of een bepaalde organisatiestructuur. Met regelgeving wordt hier in hoofdzaak
de bestaande toezichtwetgeving bedoeld, zij het dat prof. Grundmann op een
aantal plaatsen tevens verwijst naar consultatieteksten van de Wft.</al>
      <al>Met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden is in het Deel Gedragstoezicht
financiële ondernemingen het volgende bepaald. De algemene lijn, zoals
neergelegd in artikel 4:16, eerste lid, van het wetsvoorstel, is dat de financiële
onderneming er bij het uitbesteden van werkzaamheden aan een derde voor moet
zorgen dat die derde de op deze werkzaamheden van toepassing zijnde regels
naleeft. Het tweede lid van artikel 4:16 voorziet in de mogelijkheid bij AMvB
werkzaamheden aan te wijzen die een beheerder niet mag uitbesteden. Dit verbod
vloeit voort uit de richtlijn beleggingsinstellingen.</al>
      <al>Met betrekking tot de regels die van toepassing zijn op een beleggingsonderneming
(voorheen effecteninstelling) of een icbe-beheerder die deel uitmaakt of zal
uitmaken van een groep kan het volgende worden opgemerkt. Ingevolge artikel
4:13 mag een beleggingsonderneming of een beheerder niet met personen verbonden
zijn in een formele of feitelijke zeggenschapstructuur die in zodanige mate
ondoorzichtig is dat deze een belemmering vormt voor het adequaat uitoefenen
van toezicht. De AFM houdt toezicht op deze bepaling. Artikel 2:122 van het
wetsvoorstel bepaalt dat degene die een gekwalificeerde deelneming in een
beleggingsonderneming of een icbe-beheerder houdt, verwerft of vergroot, of
die aan de deelneming verbonden zeggenschap uitoefent, daarvoor een verklaring
van geen bezwaar dient te hebben. Deze verklaring van geen bezwaar moet worden
aangevraagd bij en worden verleend door DNB. DNB toetst de (voorgenomen) deelneming
of uitoefening van zeggenschap op de gevolgen ervan voor een gezonde en prudente
bedrijfsuitoefening door de betrokken beleggingsonderneming of beheerder.
DNB verleent de verklaring van geen bezwaar alleen dan niet als de gezonde
of prudente bedrijfsuitoefening erdoor in gevaar zou komen. De AFM en DNB
hebben dus op het hier beschreven gebied beide een taak, maar wel elk een
verschillende taak, vanuit ieders eigen verantwoordelijkheid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de PvdA-fractie verzochten de regering
in te gaan op de diverse reacties uit het veld. Zij vroegen of deze opmerkingen
reeds tijdens de consultatie zijn gemaakt.</nadruk>
      </al>
      <al>Verwezen wordt naar de nota naar aanleiding van het vierde nader verslag,
waarin uitvoerig is ingegaan op de commentaren van de Nederlandse Vereniging
van Banken, het Verbond van Verzekeraars en de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht
van de Nederlandse Orde van Advocaten en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie.<voetref refid="v23.1" nr="1"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden vroegen tevens of de regering kan ingaan
op de brief van het Verbond van Verzekeraars van 20 januari 2006. Zij
vroegen de regering daarbij met name in te gaan op de omzetting van de Wfd
in de Wft, het niveau van vaststelling van lagere regelgeving, de reductie
van administratieve lasten en de leesbaarheid en toegankelijkheid van het
wetsvoorstel als geheel. Waarom wordt verwezen naar eerdere stukken in het
kader van de behandeling van de Wft of zelfs geheel andere Kamertrajecten,
zo vroegen deze leden. Kan er een doorlopende tekst van de memorie van toelichting
beschikbaar komen? Kan de regering ingaan op de leesbaarheid van de transponeringstabel?</nadruk>
      </al>
      <al>Alle in de brief van het Verbond van Verzekeraars en in de vragen van
deze leden aan de orde gestelde onderwerpen zijn hiervoor en in de nota naar
aanleiding van het vierde nader verslag beantwoord. Op deze plaats wordt derhalve
naar die antwoorden verwezen.<voetref refid="v24.1" nr="1"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de PvdA-fractie vroegen de regering te
reageren op de brief van 20 januari 2006 van Euronext Amsterdam N.V.,
de Nederlandse Vereniging van Banken, de Raad voor de Effectenbranche en het
Verbond van Verzekeraars.<voetref refid="v24.2" nr="2"></voetref> Zij vroegen de regering
met name in te gaan op de schorsende werking van beroep en bezwaar en de opschorting
van de publicatiebevoegdheid.</nadruk>
      </al>
      <al>Met de vijfde nota van wijziging is de schorsende werking van bezwaar
en beroep opgenomen in artikel 1:67. Deze schorsende werking houdt in dat
het aantekenen van bezwaar of beroep tegen een besluit tot oplegging van een
bestuurlijke boete tot gevolg heeft dat de betalingsverplichting van de opgelegde
bestuurlijke boete wordt opschort. De bestuurlijke boete zal worden ingevorderd
eerst nadat het besluit tot oplegging van de bestuurlijke boete in kracht
van gewijsde is gegaan.</al>
      <al>Overigens schorst het aantekenen van bezwaar of beroep niet de publicatie
van een besluit tot oplegging van de bestuurlijke boete. Dit zou zoals hieronder
nader wordt toegelicht een ongewenste verstoring van de beoogde balans in
de nu voorgestelde regeling van de publicatiermogelijkheden betekenen. Zie
hiervoor nader de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1:81 en de nota
naar aanleiding van het vierde nader verslag<voetref refid="v24.3" nr="3"></voetref>.</al>
      <al>Voor een nadere toelichting omtrent de uitwerking van de schorsende werking
wordt u verwezen naar de toelichting bij de wijziging van artikel 1:67 in
de vijfde nota van wijziging.<voetref refid="v24.4" nr="4"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Tevens vroegen de leden van PvdA-fractie of de regering
de mening deelt dat de toezichthouder voortvarend te werk moet kunnen gaan
bij het waarschuwen van het publiek voor financiële ondernemingen die
de financiële toezichtwetgeving niet naleven.</nadruk>
      </al>
      <al>Bij de regeling van de publicatiemogelijkheden is het de bedoeling geweest
om de mogelijkheden tot publiceren te verruimen ten opzichte van de huidige
wetgeving. Dit komt tot uiting in het opnemen van de automatische publicatie
van bestuurlijke boetes en dwangsommen. Ook van de openbare waarschuwing is
in het wetsvoorstel de redactie zodanig gewijzigd dat deze vaker, of op een
eerder moment, kan plaatsvinden.</al>
      <al>Op deze plaats kan wel worden opgemerkt dat het niet alleen bij de vormgeving
van de publicatiebepalingen belangrijk is om de balans tussen het belang van
de publicatie en het belang van de desbetreffende onderneming goed voor ogen
te houden, maar ook bij de inzet van de publicatiebepalingen; publicatie dient
altijd zorgvuldig plaats te vinden. Hier doet een verruiming van de mogelijkheden
tot publicatie niets aan af.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de PvdA-fractie vroegen de reactie van
de regering op de suggesties en vragen van de Nederlandse Vereniging van Banken
in haar brief van 19 januari 2006.</nadruk>
      </al>
      <al>Vergelijking van de (zeer uitvoerige) brief van de NVB met het vijfde
nader verslag wijst uit dat alle door de NVB naar voren gebrachte punten hun
weg hebben gevonden naar het verslag. Met de onderhavige nota worden derhalve
ook alle vragen en opmerkingen van de NVB beantwoord.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden vroegen de regering ook te reageren op het
advies van de gecombineerde commissie vennootschapsrecht ten aanzien van de
onderdelen over financiële markten en financiële ondernemingen.</nadruk>
      </al>
      <al>Zoals hierboven al is vermeld, bevat de nota naar aanleiding van het vierde
nader verslag reeds een uitgebreide reactie op het bedoelde advies.</al>
      <tuskop letat="vet">ARTIKELSGEWIJS</tuskop>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de beantwoording van de vragen die in het vijfde nader verslag onder
dit kopje zijn gesteld, wordt hierna de volgorde van de doorlopende tekst
van het wetsvoorstel aangehouden. Dit betekent dat op sommige plaatsen wordt
afgeweken van de volgorde in het vijfde nader verslag.</al>
      <tuskop letat="vet">Algemeen Deel</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1:6m, onderdeel c</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Dit is een inhoudelijke wijziging ten opzichte van
artikel 2, tweede lid, onderdeel k, van de Wfd: beperking reikwijdte Wft,
zo constateerden de leden van de VVD-fractie. In plaats van «indien
geen openbaar aanbod wordt gedaan tot het deelnemen aan die overeenkomst»
wordt nu een getalscriterium gehanteerd. De toelichting geeft wel aan dat,
maar niet waarom dit getalscriterium wordt geïntroduceerd. De wijziging
houdt een mogelijke beperking in t.o.v. de Wfd. Werkgevers met meer dan 100
werknemers, die een dergelijk aanbod zouden doen, vallen niet onder de Wfd,
maar wél onder de Wft. De leden van de VVD-fractie ontvingen graag
een reactie van de regering.</nadruk>
      </al>
      <al>Verwezen wordt naar de nota naar aanleiding van het vierde nader verslag
waarin deze vraag reeds is beantwoord.<voetref refid="v25.1" nr="1"></voetref></al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1:23</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De toezichthouder brengt de kosten in rekening; artikel
23 van de Wfd: de toezichthouder kan de kosten in rekening brengen. Waarom?
Zal dit gaan leiden tot een lastenverzwaring, zo vroegen de leden van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>Ook deze vraag is reeds beantwoord in de nota naar aanleiding van het
vierde nader verslag.<voetref refid="v25.2" nr="2"></voetref></al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1:62, eerste lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering bevestigen dat alle in de Bijlage bij
het eerste lid van dit artikel opgenomen verwijzingen juist zijn, zo vroegen
de leden van de VVD-fractie. O.a. de verwijzing naar artikel 1:23 lijkt niet
juist te zijn</nadruk>.</al>
      <al>De regering zal in het kader van de zesde nota van wijziging zorgdragen
voor juiste verwijzingen in de bijlagen bij artikel 1:62, eerste lid.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1:62, derde lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In artikel 73, derde lid, van de Wfd was bepaald dat
regels ter zake van het opleggen van een bestuurlijke boete in overeenstemming
met de Minister van Justitie zouden kunnen worden opgesteld. In de Wft is
deze verwijzing naar de Minister van Justitie verdwenen. De toelichting zwijgt
hierover. Waarom, zo vroegen de leden van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>Verwezen wordt naar de nota naar aanleiding van het vierde nader verslag
waarin deze vraag is beantwoord.<voetref refid="v25.3" nr="3"></voetref></al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1:67</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie, evenals de leden van de
CDA-fractie vroegen de regering toe te lichten waarom in artikel 1: 67 de
opschortende werking van bezwaar en beroep tegen de beschikking waarbij de
boete wordt opgelegd, niet is opgenomen, terwijl in de Nota Boetestelsel
reeds is gesteld dat zowel naar huidige als toekomstige financiële wetgeving
in een schorsende werking van bezwaar en beroep wordt voorzien (Kamerstukken
II 2004/05, 30 125, nr. 3, blz. 9, tweede alinea).</nadruk>
      </al>
      <al>Zoals eerder in deze nota is gemeld, is met de vijfde nota van wijziging
de schorsende werking van bezwaar en beroep opgenomen in het wetsvoorstel.
Voor nadere toelichting omtrent de schorsende werking wordt verwezen naar
de toelichting bij de wijziging van artikel 1:67 in de vijfde nota van wijziging.<voetref refid="v26.1" nr="1"></voetref></al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1:72</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Artikel 84, derde en vierde lid, van de Wfd zijn niet
overgenomen. Waarom niet, zo vroegen de leden van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>De regelingen van het derde en vierde lid van artikel 84 van de Wfd zijn
terug te vinden in artikel 1:76 respectievelijk artikel 1:74.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1:74</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Dit artikel behelst informatieverstrekking door toezichthouder
aan Rechter-Commissaris, bewindvoerder, curator. Dit artikel is gebaseerd
op de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (Wtv 1993), de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf (Wtn), de Wet toezicht kredietwezen 1992
(Wtk 1992), de Wte 1995 en de Wtb, maar nieuw ten opzichte van de Wfd. Het
gaat nu ook voor financiële dienstverleners gelden. Graag ontvingen de
leden van de VVD-fractie een toelichting van de regering.</nadruk>
      </al>
      <al>Deze vraag is beantwoord in de nota naar aanleiding van het vierde nader
verslag.<voetref refid="v26.2" nr="2"></voetref></al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 1:75</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Dit nummer ontbreekt. De toelichting zwijgt hierover.
Graag ontvingen de leden van de VVD-fractie een toelichting hierop.</nadruk>
      </al>
      <al>Deze vraag is beantwoord in de nota naar aanleiding van het vierde nader
verslag.<voetref refid="v26.3" nr="3"></voetref></al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1:76 en 1:77</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze artikelen, over de informatieverstrekking aan
strafvorderlijke instanties (1:76) respectievelijk aan ECB, accountant, actuaris,
beurs (1:77), zijn gebaseerd op de Wtv 1993, de Wtn, de Wtk 1992, de Wte 1995
en de Wtb, maar nieuw ten opzichte van de Wfd. Zij gaan nu ook voor financiëledienstverleners
gelden. Waarom? Zal dit leiden tot een lastenverzwaring, zo vroegen de leden
van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>Deze vraag is beantwoord in de nota naar aanleiding van het vierde nader
verslag.<voetref refid="v26.4" nr="4"></voetref></al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1:78</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze bepaling is aanzienlijk uitgebreid ten opzichte
van artikel 85 van de Wfd. Waarom, zo vroegen de leden van de VVD-fractie.
Artikel 1:78 geeft de bevoegdheid het publiek te waarschuwen. Indien de onderneming
in kwestie verzoekt om een voorlopige voorziening, schorst dat de publicatie
van de waarschuwing (artikel 1:80). De onderneming heeft 5 dagen de tijd om
in Kort Geding op te komen tegen de waarschuwing en dat is een mager, maar
noodzakelijk rechtsmiddel – niet alleen in het belang van de onderneming,
maar ook in het belang van de klanten die de onderneming al heeft.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Een vergelijkbare rechtsgang staat open tegen de boete/dwangsom
(artikelen 1:66 en 1:67, zevende lid) en die kán schorsende werking
hebben indien de kort geding rechter dat beslist. Maar die schorsende
werking wordt niét gegeven indien de onderneming van mening is dat
de«bestuurlijke boete ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld»
(artikel 1:67, achtste lid). Dus tegen de publicatie zelf kan men niet opkomen.
Graag ontvingen de leden van de VVD-fractie een uitgebreide reactie van de
regering waarbij ook de recente jurisprudentie op dit gebied wordt meegenomen.</nadruk>
      </al>
      <al>De Wfd gaat uit van het systeem van openbaarmaking in de huidige wetgeving.
Zoals bekend wordt die regeling aangepast in het wetsvoorstel om de regeling
qua karakter te verhelderen en de mogelijkheid te bieden het publiek eerder
te kunnen waarschuwen. Zo bepaalt het wetsvoorstel duidelijk in welke gevallen
een publicatie mogelijk is, dit in tegenstelling tot artikel 85 Wfd. Dit biedt
rechtszekerheid. Tegelijkertijd is de redactie van 1:78 zo gewijzigd dat in
deze limitatief genoemde gevallen eerder en vaker een openbare waarschuwing
kan worden gegeven.</al>
      <al>De verwijzing naar de artikelen 1:66 en 1:67, zevende lid en achtste,
zijn mogelijk abusievelijk opgenomen in de vraag van de leden van de VVD-fractie.
In deze artikelen wordt namelijk niet voorzien in een rechtsgang tegen het
besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete of dwangsom. Artikel 1:67,
zevende lid, handelt over de invordering. Meer in bijzonder bepaalt artikel
1:67, zevende lid, dat het verzet tegen de invordering bij dwangbevel de invordering
niet schorst.</al>
      <al>Ook de opmerking dat tegen de publicatie op basis van artikel 1:81 niet
kan worden opgekomen, behoeft enige nuancering. Tegen het boetebesluit kan
in bezwaar en beroep worden gekomen. Wel is het zo dat bezwaar en beroep de
publicatie niet schorst. Zoals hierboven aan bod kwam, is dit een keuze van
de regering geweest die tot doel heeft om een snellere publicatie mogelijk
te maken.</al>
      <al>Wat betreft de recente jurisprudentie doelen de leden van de VVD-fractie
mogelijk op de uitspraak van de burgerlijke kamer van het Hof Amsterdam van
6 oktober 2005 inzake de publicatie van een bestuurlijke boete op basis
van artikel 48m van de Wte 1995.<voetref refid="v27.1" nr="1"></voetref> De rechter
heeft in deze zaak de AFM verboden om een bestuurlijke boete te publiceren
alvorens de boetebeschikking in kracht van gewijsde is gegaan.</al>
      <al>Ten aanzien van deze uitspraak kan worden opgemerkt dat het regime van
artikel 48m van de Wte 1995 verschilt van het regime dat wordt voorgesteld
in artikel 1:81. In de Wte 1995 is de publicatie van een bestuurlijke boete
geen automatisme. Er bestaat op dat punt beleidsvrijheid. Bovendien wordt
indien tot publicatie wordt overgegaan geen tijdstip van publiceren in de
wet bepaald. De Wft is hierover in artikel 1:81 veel duidelijker: de bestuurlijke
boete wordt altijd gepubliceerd, nadat deze is bekend gemaakt aan de overtreder.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 1:79 en 1:80</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze artikelen, die waarborgen bij een openbare waarschuwing
bevatten, zijn nieuw ten opzichte van de Wfd. Is dit een verbetering, zo vroegen
de leden van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>Uitgangspunt bij een wijziging van de wet is over het algemeen het bewerkstelligen
van een verbetering. Bedoeld is in dit geval het karakter van de publicatiemogelijkheden
te verhelderen en de mogelijkheid te bieden het publiek eerder te kunnen waarschuwen.
Om deze reden wordt met de publicatie op grond van artikel 1:78 niet gewacht
tot de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, tot op
het beroep is beslist. Dit betekent niet dat de rechtsbescherming uit het
oog wordt verloren. Wel is getracht om het oordeel van de rechter over de
openbare waarschuwing naar voren te halen in het proces. Hiertoe is een voorlopige
voorziening in artikel 1:80 van het wetsvoorstel opgenomen. Indien de toezichthouder
van plan is een openbare waarschuwing te zullen uitvaardigen dan stelt zij
de betrokken onderneming in kennis van dit feit. De toezichthouder
vaardigt niet eerder dan vijf werkdagen na deze melding de openbare waarschuwing
uit (op de uitzondering van het derde lid van artikel 1:80 na).</al>
      <al>Deze wijziging resulteert er in dat op een eerder moment kan worden gewaarschuwd
tegen bijvoorbeeld een illegale aanbieder in de markt en dat er voldoende
rechtsbescherming open staat voor de onderneming tegen het besluit tot het
uitvaardigen van een openbare waarschuwing.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1: 81</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van zowel de CDA als de VVD-fractie vroegen
de regering een toelichting te geven waarom er in artikel 1:81 Wft niet is
voorzien in een opschorting van de bevoegdheid om een opgelegde boete te publiceren,
zolang het boetebesluit niet in kracht van gewijsde is gegaan, dan wel tenminste
de mogelijkheid open te stellen daartegen een voorlopige voorziening in te
stellen. Dit is immers ook het geval bij de publicatie van een waarschuwing
op grond van artikel 1:79 jo. 1:80 tweede lid Wft. Hierbij merken deze leden
nog op dat de regering in de Boetenota met betrekking tot de publicatiebevoegdheid
reeds heeft gesteld dat extra eisen worden gesteld aan de rechtsbescherming.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden vroegen de regering in dit verband eveneens
in te gaan op het feit dat de reputatieschade ontstaan door publicatie van
een achteraf gebleken ten onrechte opgelegde en gepubliceerde boete, mede
in het licht van recente jurisprudentie.</nadruk>
      </al>
      <al>Met het huidige voorstel is gezocht naar een passende balans tussen het
belang van de waarschuwing van het publiek en het belang van de financiële
onderneming. Het moment van publicatie verschuiven tot ná de uitkomst
van de bezwaar- en beroepsprocedure zou een aanzienlijke vertraging van de
publicatie betekenen. Deze procedures kunnen immers lange tijd duren. De regering
heeft gekozen om het belang van de waarschuwende werking te laten prevaleren
boven het risico dat achteraf blijkt dat een bestuurlijke boete onterecht
is opgelegd of onterecht de publicatie niet achterwege is gelaten.</al>
      <al>Dit is een keuze die mede is ingegeven door ervaringen met de publicatie
in de afgelopen jaren. In veel van deze gevallen liet een publicatie zeer
lang op zich wachten. Dit betekent ook dat de regering er niet voor kiest
om met de publicatie te wachten tot op het bezwaar en beroep is beslist.</al>
      <al>Daarbij moet worden opgemerkt dat de procedure voor het opleggen van een
bestuurlijke boete of dwangsom diverse waarborgen bevat. Zo zal een financiële
onderneming bijvoorbeeld moeten worden gehoord alvorens een bestuurlijke boete
of dwangsom kan worden opgelegd.</al>
      <al>Tegenover het standpunt van de sector dat, kort gezegd, inhoudt dat de
publicatiemogelijkheden met meer waarborgen moeten worden omkleed, staat het
standpunt van de Consumentenbond en de VEB. Deze organisaties zijn van oordeel
dat de huidige publicatiemogelijkheden te beperkt zijn en dat deze in de Wft
dienen te worden verruimd. Alhoewel met de nu voorgestelde regeling deels
aan deze kritiek tegemoet wordt gekomen, beoordeelt de Consumentenbond de
verruiming als onvoldoende. De regering is echter van oordeel dat met de huidige
voorstellen een juiste balans wordt bereikt tussen de verschillende belangen
die bij publicatie een rol spelen Op vragen omtrent de reputatieschade is
in de nota naar aanleiding van het vierde nader verslag reeds ingegaan.<voetref refid="v28.1" nr="1"></voetref> Wat betreft de recente jurisprudentie hieromtrent doelt
uw Kamer mogelijk op de uitspraak van de burgerlijke kamer van het Hof Amsterdam
van 6 oktober 2005 inzake de publicatie van een bestuurlijke boete op
basis van artikel 48m van de Wte 1995.<voetref refid="v28.2" nr="2"></voetref></al>
      <al>In deze uitspraak constateert de rechter terecht dat er bij een publicatie
schade kan optreden. De rechter gaat er echter niet van uit dat hiervan in
alle gevallen sprake zal zijn of dat eventuele schade steeds onherstelbaar
zou zijn. De uitspraak bevestigt nogmaals dat de toezichthouder altijd de mogelijkheid dat er schade bij de financiële onderneming kan
optreden nadrukkelijk mee moet wegen in zijn beslissingen die kunnen leiden
tot een publicatie.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1:82, eerste lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie hebben een toelichting
gevraagd bij het stellen van voorschriften en beperkingen aan een vergunning
of ontheffing. Artikel 1:82, eerste lid, leert dat er voorschriften en beperkingen
kunnen worden verbonden aan een ontheffing; een ontheffing kan ook gedeeltelijk
worden verleend (dat staat weer in artikel 1:84, eerste lid, onderdeel d,
laatste volzin). In de Wfd was de ontheffing, met voorschriften of beperkingen
in één artikel geregeld (artikel 18).</nadruk>
      </al>
      <al>De mogelijkheid om aan een vergunning voorschriften te verbinden of beperkingen
te stellen is geregeld in artikel 1:82, tweede lid. In de Wfd is deze mogelijkheid
opgenomen in artikel 11, derde lid.</al>
      <al>In artikel 1:84, eerste lid, onderdeel d, is de mogelijkheid opgenomen
om aan ontheffingen voorschriften te verbinden of beperkingen te stellen.
In de Wfd is dit opgenomen in artikel 18.</al>
      <al>De mogelijkheid om aan een vergunning of ontheffing voorschriften te verbinden
of beperkingen te stellen is derhalve zowel in de Wft als in de Wfd in twee
artikelen opgenomen. Er is dan ook geen beleidswijziging beoogd.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1:93</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In het register ontbreken de verbonden bemiddelaars,
die wel in het Wfd register zijn opgenomen. De leden van de VVD-fractie ontvingen
graag een toelichting.</nadruk>
      </al>
      <al>Verwezen wordt naar de nota naar aanleiding van het vierde nader verslag
waarin deze vraag reeds is beantwoord.<voetref refid="v29.1" nr="1"></voetref></al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1:95, tweede lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De mogelijkheid bezwaar te maken tegen beschikkingen
van AFM is ten opzichte van de Wfd vervallen. Waarom? Zal dit tot een lastenverzwaring
leiden, zo vroegen de leden van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>Op besluiten op grond van de Wft is de Awb van toepassing. Wanneer er
sprake is van een besluit dan wel een beschikking kan op grond van desbetreffende
bepalingen in de Awb bezwaar worden gemaakt. Uit de verschillende wetsartikelen
van het wetsvoorstel wordt duidelijk in welke gevallen er sprake is van een
besluit. De mogelijkheid om bezwaar te maken zal dus niet in algemene zin
vervallen. Van een lastenverzwaring is geen sprake.</al>
      <tuskop letat="vet">Deel Markttoegang financiële ondernemingen</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merkten op dat het onduidelijk
is wat er gebeurt met de Wfd-vergunning in het Deel Markttoegang financiële
ondernemingen van de Wft. Wordt die omgezet in een Wft-vergunning?</nadruk>
      </al>
      <al>Eenmaal verleende Wfd-vergunningen zullen via het overgangsrecht geacht
worden te zijn verleend onder de Wft voor zover het onder de Wft vergunningplichtige
activiteiten betreft. Instellingen die onder de Wfd een vergunning van rechtswege
hebben ontvangen worden in het Deel Markttoegang van de Wft uitgezonderd van
de vergunningplicht voor de desbetreffende activiteit.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Ten opzichte van de Wfd blinkt dit deel niet uit in
inzichtelijkheid, aldus deze leden. Zij spraken van een zoekplaatje en waren
van mening dat het door de verschillende «niveaus» van vergunningen
voor de financiële dienstverlener uit de Wfd niet eenvoudig
is om te herkennen waaronder de activiteiten vallen die hij uitvoert.</nadruk>
      </al>
      <al>Verwezen wordt naar de nota naar aanleiding van het vierde nader verslag
waarin een reactie wordt gegeven op een eerdere, gelijkluidende opmerking.<voetref refid="v30.1" nr="1"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden stelden enkele vragen over artikel 1a:52
van het wetsvoorstel, met de aantekening dat hetzelfde commentaar geldt voor
de artikelen 1a:57, 1a:72, 1a:77, 1a:83 en 1a:89.</nadruk>
      </al>
      <al>• <nadruk type="cur">Artikel 1a:52, eerste lid: beperking tot «in
Nederland», de Wfd betrof «in of vanuit», graag toelichting.</nadruk></al>
      <al>• <nadruk type="cur">Artikel 1a:52, tweede lid: in de Wft kan een
ontheffing voor bepaalde tijd worden gegeven, in de Wfd stond die beperking
niet. Graag een toelichting en beantwoording van de vraag of dit tot een lastenverzwaring
zal leiden.</nadruk></al>
      <al>Beide vragen zijn reeds beantwoord in de nota naar aanleiding van het
vierde nader verslag.<voetref refid="v30.2" nr="2"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>• <nadruk type="cur">De bepalingen over ontheffing zijn volgens de
leden van de VVD-fractie een zoekplaatje. Artikel 1a:52, tweede lid, bepaalt
dat ontheffing mogelijk is. Vervolgens moet (zonder dat daar overigens naar
wordt verwezen) worden teruggebladerd naar artikel 1:84, eerste lid, aanhef,
waarin staat dat de bepalingen uit de afdeling waartoe dit artikel behoort
(1.6.1 Vergunningen) van overeenkomstige toepassing zijn op (zie artikel 1:84,
eerste lid, onderdeel d) een ontheffing van de verboden, bedoeld in [onder
meer] artikel 1a:52.</nadruk></al>
      <al>In het wetsvoorstel is ervoor gekozen om in het Algemeen deel naast het
instrumentarium voor de toezichthouders om toezicht te houden op de naleving
van de overige delen ook de algemene procedurebepalingen op te nemen die voor
meerdere delen relevant zijn. In het Deel Markttoegang financiële ondernemingen
zijn per activiteit de vergunningen en vergunningeisen en de daaraan gerelateerde
ontheffingen opgenomen. Vergunningen en ontheffingen van de verbodbepalingen
geven een onderneming beide toegang tot de markt. De daarop van toepassing
zijnde procedurebepalingen die ook voor besluiten in andere delen relevant
zijn worden op één plaats, namelijk in het Algemeen deel, geregeld
hetgeen de eenvormigheid van procedures ten goede komt en onnodige herhaling
voorkomt. Overigens geldt deze opsplitsing over de verschillende delen niet
alleen voor de ontheffingsbevoegdheid uit artikel 18 van de Wfd, maar voor
alle uit de huidige toezichtwetten overgenomen ontheffingsbevoegdheden.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1a:54</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Dit artikel is volgens de transponeringstabel overgenomen
uit artikel 13 van de Wfd. Artikel 13, tweede lid, van de Wfd is echter pas
terug te vinden in artikel 4:12, eerste lid, van de Wft. De leden van de VVD-fractie
ontvingen graag een toelichting.</nadruk>
      </al>
      <al>Artikel 13, eerste lid, van de Wfd is overgenomen in het Deel Markttoegang
financiële ondernemingen, omdat het uitzonderingen op de vergunningplicht
betreft. Het tweede lid van artikel 13 is overgenomen in het Deel Gedragstoezicht
financiële ondernemingen, omdat het een uitzondering op de reikwijdte
van het lopend toezicht betreft.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1a:101</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen om een bevestiging
dat de in de toelichting genoemde vrijstellingsregeling gebaseerd wordt op
het eerste lid van artikel 1a:101. Vervolgens vroegen zij hoe de vrijstellingsregeling
vorm zal krijgen.</nadruk>
      </al>
      <al>Over de reikwijdte en de inhoud van de vrijstellingsregeling wordt op
dit moment overleg gevoerd met de toezichthouders. Mede bepalend voor de reikwijdte
van de vrijstellingsregeling zijn de geldende richtlijnen. Onderzocht wordt
nog in hoeverre deze richtlijnen ruimte laten voor nationale vrijstellingen.</al>
      <tuskop letat="vet">Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:1 (bedoeld zal zijn artikel 4:16)</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de PvdA-fractie vroegen de regering voorbeelden
te noemen van werkzaamheden waar zij huiverig is voor uitbesteding die naleving
van Wft-regels kan ondermijnen. Ook vroegen zij welke toezichtregels er bestaan
met betrekking tot uitbesteding, en waarom deze niet via AMvB of ministeriële
regels zijn gesteld. Hoe kan een financiële onderneming ervoor zorgdragen
dat «deze derde» inderdaad de regels naleeft? Heeft u geslaagde
en minder geslaagde voorbeelden?</nadruk>
      </al>
      <al>Bij de vijfde nota van wijziging is in artikel 1:1 een definitie opgenomen
van het begrip «uitbesteden». Van uitbesteden is sprake indien
opdracht wordt verleend aan een derde tot het verrichten van werkzaamheden
die deel uitmaken van of voortvloeien uit (bedrijfsprocessen ter ondersteuning
van) het uitoefenen van het bedrijf of verlenen van financiële diensten
door de financiële onderneming. Inkoop van bijvoorbeeld gestandaardiseerde
marktinformatie of kantoorinventaris valt daar niet onder. Uitgangspunt is
dat het uitbesteden van werkzaamheden niet tot ontduiking van de voor de financiële
onderneming geldende regels mag leiden. Het moet voor (het toezicht op) de
naleving van de wet geen verschil maken of de financiële onderneming
zelf de werkzaamheden uitvoert of daar een derde voor inschakelt. In die zin
mag het uitbesteden van werkzaamheden de naleving van de wet niet ondermijnen.
Om dat te garanderen is in artikel 4:16, eerste lid, de norm opgenomen dat
de financiële onderneming zorg dient te dragen voor de naleving van de
voor de werkzaamheden relevante regelgeving door de derde. De financiële
onderneming is daarbij vrij te bepalen op welke wijze zij hieraan vorm geeft.
Voor beheerders en bewaarders zullen op grond van het derde lid van artikel
4:16 conform het Btb 2005 nadere regels worden gesteld voor het uitbesteden
van werkzaamheden.</al>
      <al>Daarnaast zal bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het
uitbesteden van werkzaamheden niet is toegestaan als dat een belemmering vormt
voor het toezicht.</al>
      <al>Er zal in de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 4:16
geen grondslag voor toezichthouderregels worden opgenomen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:3, tweede lid, onderdelen a en b</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie hadden de indruk dat de
onderdelen a en b van artikel 4:3, tweede lid, met betrekking tot het verrichten
van diensten door een bank met zetel in een andere lidstaat overlappen en
vroegen een reactie.</nadruk>
      </al>
      <al>De onderdelen a en b van artikel 4:3, tweede lid, hebben betrekking op
het verrichten van diensten door verschillende soorten banken en overlappen
niet. Artikel 4:3, tweede lid, onderdeel a, betreft de banken met zetel in
een andere lidstaat die naar het recht van die lidstaat geen vergunning behoeven
te hebben voor het uitoefenen van hun bedrijf. Deze banken dienen op grond
van artikel 1a:15, derde lid, DNB in kennis te stellen van de dienstverrichting
naar Nederland en aan te tonen dat zij aan het bepaalde ingevolge artikel
2:82 voldoen. Artikel 4:3, tweede lid, onderdeel b, betreft banken met zetel
in een andere lidstaat die wel een door de toezichthoudende instantie in die
andere lidstaat verleende vergunning hebben en hebben voldaan
aan de in die lidstaat geldende notificatieverplichtingen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:4, eerste lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen waarom in artikel
4:4, eerste lid, niet zoals in artikel 21 van de Wfd is opgenomen dat het
opleggen van een verbod eerst mogelijk is na het geven van een aanwijzing.
Tevens vroegen deze leden hoe deze bevoegdheid zich verhoudt tot de bevoegdheden
van de toezichthouders in het Algemeen deel, waarom deze bevoegdheid niet
in het Algemeen deel is opgenomen en of de procedure van de Awb tegen een
dergelijk besluit van de AFM openstaat. Ten slotte vroegen de leden van de
VVD-fractie of DNB ook een dergelijk verbod kan opleggen als bepalingen uit
het Deel Gedragstoezicht worden overtreden.</nadruk>
      </al>
      <al>Bij beantwoording van deze vragen is het van belang de achtergrond van
de in artikel 4:4 opgenomen bevoegdheid in het oog te houden. Uitgangspunt
van het wetsvoorstel is de verlening van één vergunning door één
toezichthouder. De in de Wfd bestaande figuur van de vergunning van rechtswege
is daarom komen te vervallen. In plaats daarvan worden ondernemingen die op
grond van de Wfd een vergunning van rechtswege hebben, in de Wft uitgezonderd
van de vergunningplicht in het Deel Markttoegang financiële ondernemingen
(zie bijvoorbeeld de artikelen 1a:58, 1a:73, 1a:78 en 1a:95). Indien deze
financiële ondernemingen de regels van het Deel Gedragstoezicht financiële
ondernemingen in ernstige mate overtreden, dan kan de AFM als ultimum remedium
echter niet de vergunning intrekken. Deze bevoegdheid wordt in de Wft evenals
in de huidige regelgeving toegekend aan de vergunningverlener, in casu DNB.
Teneinde in dergelijke gevallen toch de bedoelde normovertreding een halt
toe te kunnen roepen wordt in artikel 4:4 voorzien in een sanctiebevoegdheid
voor de AFM. Deze is geënt op artikel 12 van de Wte 1995. Kort gezegd
houdt dit in dat de AFM aan financiële ondernemingen met een door DNB
verleende vergunning of met zetel in een aangewezen staat een verbod kan opleggen
om de activiteiten die in strijd zijn met het Deel Gedragstoezicht financiële
ondernemingen nog langer te verrichten. Dit verbod kan de AFM overigens alleen
opleggen nadat DNB conform artikel 1:30 haar zienswijze op het opleggen van
het verbod heeft gegeven.</al>
      <al>In artikel 4:4 is niet opgenomen dat het verbod eerst na het niet opvolgen
van een aanwijzing kan worden opgelegd omdat de AFM op grond van de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het proportionaliteitsbeginsel, doorgaans
pas van de bevoegdheid om een verbod op te leggen gebruik zal mogen maken
nadat «lichtere» handhavingsinstrumenten, zoals de aanwijzing,
niet het gewenste resultaat hebben gehad. Dit is in de artikelsgewijze toelichting
aangegeven.</al>
      <al>Artikel 4:4 is in het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen
opgenomen omdat het een bijzondere bevoegdheid van de AFM betreft. Deze bevoegdheid
staat naast de andere handhavingsinstrumenten. Tegen het opleggen van een
verbod door de AFM staat de bezwaar- en beroepsprocedure van de Awb open.</al>
      <al>Het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen betreft het domein
van AFM. DNB heeft derhalve geen toezichthoudende en handhavende taak ten
aanzien van de naleving van het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen
en kan niet optreden tegen overtredingen van de bepalingen van dit deel.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:4, derde lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden vroegen of gelet op het eerste lid van artikel
4:4 in het derde lid niet moet worden gesproken van een «staat, niet
zijnde een lidstaat».</nadruk>
      </al>
      <al>Het eerste lid van artikel 4:4 zal bij zesde nota van wijziging worden
aangepast. De uitzondering van de mogelijkheid om een activiteitenverbod
als bedoeld in artikel 4:4, eerste lid, op te leggen dient namelijk beperkt
te zijn tot financiële ondernemingen die op grond van een Europees paspoort
in Nederland financiële diensten verlenen. Aan hen kan immers op grond
van artikel 1:38, tweede lid, een verbod worden opgelegd om nieuwe overeenkomsten
af te sluiten. Aan financiële ondernemingen met zetel in andere lidstaat
die in Nederland financiële diensten mogen verlenen op grond van het
feit dat die lidstaat een aangewezen staat is, kan op grond van artikel 4:4,
eerste lid, wel een activiteitenverbod worden opgelegd. Gelet hierop dient
in artikel 4:4, derde lid, niet te worden gesproken van een«staat, niet
zijnde een lidstaat».</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:6</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Wft is ten opzichte van de Wfd (artikel 12, tweede
lid) toegevoegd de verplichting onverwijld te melden, zo constateerden de
leden van de VVD-fractie. Zij vroegen de regering toe te lichten waarom deze
wijziging kort na de inwerkingtreding van de Wfd alweer nodig is.</nadruk>
      </al>
      <al>De toevoeging van het woord «onverwijld» betreft geen inhoudelijke
wijziging van het voorschrift, maar een verduidelijking. Ook onder de Wfd
is het noodzakelijk dat de mededeling onverwijld wordt gedaan, omdat de AFM,
vanaf het moment dat een bemiddelaar ophoudt «verbonden bemiddelaar»
te zijn, erop moet toezien dat de bemiddelaar een vergunning aanvraagt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:6a</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merkten op dat dit artikel
op een holding betrekking heeft, die blijkbaar niet zelf vergunningplichtig
is. Op grond van dit artikel kunnen aanwijzingen gegeven worden aan de holding.
Onduidelijk is welke sanctie staat op het niet naleven van de aanwijzing.
Deze leden vroegen de regering hier op in te gaan. Ook vroegen zij de regering
toe te lichten waarom de AFM hier een rol krijgt. Kent het Deel Prudentieel
toezicht een soortgelijke bepaling? Wordt met het begrip «groep»
het begrip groep in de zin van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedoeld?</nadruk>
      </al>
      <al>Indien de holding het voorschrift van artikel 4:6a, eerste lid, overtreedt
kan de AFM, op grond van artikel 1:61 respectievelijk artikel 1:62 (zie de
bij deze artikelen behorende bijlagen), de holding een last onder dwangsom
of een bestuurlijke boete opleggen. Ingevolge het tweede lid van artikel 4:6a
kan de AFM bij overtreding van het eerste lid eveneens een aanwijzing geven.</al>
      <al>Artikel 4:6a heeft betrekking op het gedragstoezicht van de AFM op de
tot de groep behorende financiële ondernemingen. Dat is de reden waarom
dit artikel in het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen is opgenomen,
en waarom de AFM de verantwoordelijke toezichthouder is. Om dezelfde reden
kent het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen niet een
soortgelijke bepaling. DNB kan zo nodig wel optreden jegens de holding ingevolge
het toezicht op financiële conglomeraten. De holding moet voldoen aan
prudentiële eisen, zoals de kapitaaltoereikendheid (zie de artikelen
2:327 e.v.).</al>
      <al>Met het begrip «groep» wordt inderdaad een groep in de zin
van het BW bedoeld.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:7</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deelt de regering het standpunt dat dit artikel redactionele
verbetering behoeft, zo vroegen de leden van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>Uit de vraag wordt niet duidelijk op welke redactionele verbetering deze
leden het oog hebben. De regering ziet vooralsnog niet in dat een dergelijke
verbetering nodig zou zijn.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:9, derde lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden vroegen waarom expliciet in de wettekst
is opgenomen dat er in ieder geval sprake is van deskundigheid indien personen
beschikken over een erkend diploma, terwijl dit ook al bij AMvB is geregeld.
Het vierde lid van artikel 4:9 bepaalt immers dat nadere regels kunnen worden
gesteld met betrekking tot. deskundigheid; daartoe is in artikel 17 van het
Bfd (dat naar verwachting ook als AMvB onder de Wft zal komen te hangen) al
bepaald dat deskundigheid onder meer kan worden aangetoond door middel van
een diploma, zo merkten de leden van de VVD-fractie op. Het Bfd laat echter
expliciet de ruimte voor andere methoden om deskundigheid te waarborgen. Het
onderhavige artikellid overlapt dus met het Bfd, en suggereert bovendien –
mede door de woorden «in ieder geval» – dat andere methoden
van deskundigheidswaarborging, die niet in de Wft zelf worden genoemd, niet
gelijkgesteld zijn aan waarborging d.m.v. diploma’s. Zij vroegen of
de regering bereid is deze overlap en deze suggestie weg te nemen, bijvoorbeeld
door dit artikellid te schrappen.</nadruk>
      </al>
      <al>Vanwege de belangrijke plaats die diplomering inneemt in de deskundigheidsbevordering
is ervoor gekozen dit in het wetsvoorstel zelf vast te leggen. Dit zou bij
omzetting van de Bfd-bepalingen naar de Wft-amvb kunnen leiden tot een dubbeling.
De regering zegt daarom toe dat nog eens kritisch zal worden bezien op welke
wijze en welk niveau dit onderwerp het meest adequaat kan worden geregeld.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:10, tweede lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Wfd was dit artikel 26. In de toelichting op
artikel 4:10, tweede lid, staat dat de reikwijdte uitgebreid zou zijn tot «cliënten»
voor zover het advisering over financiële instrumenten betreft. De leden
van de VVD-fractie merkten op dat dit echter niet is terug te vinden in de
tekst van dat artikel (deze heeft het alleen over «cliënten»
in verband met verzekeren). Zij vroegen de regering hierop in te gaan.</nadruk>
      </al>
      <al>Ik ga er vanuit dat de VVD-fractie hier doelt op artikel 4:9 en niet op
artikel 4:10. Er is inderdaad sprake van een fout in de toelichting. In de
zesde nota van wijziging, waarin ook artikel 4:9 (om een andere reden) zal
worden aangepast, zal de toelichting op dit punt worden verduidelijkt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:10, derde lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In artikel 26 van de Wfd konden bij AMvB ook anderen
aangewezen worden die aan de betrouwbaarheidseisen zouden moeten voldoen.
De leden van de VVD-fractie constateerden dat dit niet is overgenomen in de
Wft. Zij vroegen of de regering hierop kan ingaan</nadruk>.</al>
      <al>Met het vervallen van artikel 26 van de Wfd zal het daarop gebaseerde
artikel 10 van het Bfd onder de Wft worden gebaseerd op artikel 4:11, derde
lid, van die wet. Deze wijziging is alleen systematisch en niet inhoudelijk.
Soortgelijke bepalingen als die ten aanzien van sleutelfiguren waarvoor artikel
26 van de Wfd de grondslag biedt, zijn in het Besluit integere bedrijfvoering,
het Btb 2005 en het Bte 1995 in het kader van de «integere bedrijfsvoering»
geplaatst en niet onder «betrouwbaarheid».</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:11</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoewel er ten opzichte van de Wfd geen inhoudelijke
wijziging heeft plaatsgevonden in dit artikel – wat een positief punt
is – illustreert het artikel in zijn geheel wel het gebrek aan consistentie
en inzichtelijkheid van de Wft, zo constateerden de leden van de VVD-fractie.
Het waarborgen van een integere bedrijfsvoering verschilt naar gelang de aard
van de geadresseerde. Bovendien kunnen er voor financiëledienstverleners andere onderwerpen worden aangewezen die tot de integere bedrijfsvoering
behoren, terwijl dit voor de in het eerste lid genoemde ondernemingen niet
geldt. Deze leden wilden weten wat de achtergrond van dit verschil is.</nadruk>
      </al>
      <al>De eisen die thans op basis van de Wfd voor financiëledienstverleners
gelden met betrekking tot het waarborgen van de integere bedrijfsvoering zijn
reeds minder vergaand dan de bestaande eisen die aan andere financiële
ondernemingen gesteld worden. Het risico op belangenverstrengeling bij een
financiëledienstverlener is bijvoorbeeld kleiner dan bij andere financiële
ondernemingen.</al>
      <al>Gelet daarop is het niet wenselijk om in het kader van de Wft eisen voor
financiëledienstverleners inzake integere bedrijfsvoering te verzwaren
en daarmee de nalevingskosten te verhogen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 4:11 en 4:14</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen de regering toe
te lichten of dit artikel niet dezelfde materie regelt als het voorgestelde
artikel 4:14. Kan de regering overwegen om de artikelen 4:11 en 4:14 in dezelfde
paragraaf te regelen aangezien deze artikelen betrekking hebben op dezelfde
materie, zo vroegen deze leden.</nadruk>
      </al>
      <al>De artikelen 4:11 en 4:14 zien op twee verschillende aspecten van de integere
uitoefening van het bedrijf. De financiële onderneming is op grond van
artikel 4:11 verplicht om een op integriteit gericht beleid te voeren. Artikel
4:14 stelt regels voor de inrichting van de bedrijfsvoering. De financiële
onderneming dient de bedrijfsvoering – en daarmee diens organisatie –
zodanig in te richten en te structureren dat een integere uitoefening van
het bedrijf is gewaarborgd. De inrichting van de bedrijfsvoering is ondersteunend
aan het op integriteit gerichte beleid. De genoemde bepalingen zijn om die
reden in twee verschillende afdelingen opgenomen.<voetref refid="v35.1" nr="1"></voetref></al>
      <tuskop letat="vet">AFDELING 4.2.2</tuskop>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merkten op dat deze afdeling,
getiteld structurering en inrichting, niet uitblinkt in een inzichtelijke
structuur: het normadressaat verschilt per artikel, maar overlapt wel gedeeltelijk,
er gelden uitzonderingen voor beperkte groepen uit het normadressaat (bijvoorbeeld
artikel 4:17, tweede lid) en er staan kruisverwijzingen in die bepaalde artikelonderdelen
weer van overeenkomstige toepassing verklaren op weer andere groepen instellingen
(bijvoorbeeld artikel 4:14, derde lid). De leden van de VVD-fractie vroegen
welke maatregelen de regering voor ogen heeft waar het gaat om het voorkomen
van misinterpretaties van de wet. Deze leden vroegen of de regering wellicht
bereid is een helpdesk in te richten waar gebruikers van de wet terecht kunnen
met hun vragen over de uitleg van de wet. Zo niet, dan wilden deze leden weten
op welke wijze de regering dan wil voorkomen dat gebruikers in hun dagelijkse
bedrijfsvoering worden belemmerd door onduidelijkheden in de formulering van
gecompliceerde artikelen zoals de artikelen 4:14, derde lid, en 4:17, tweede
lid.</nadruk>
      </al>
      <al>De regering verwacht niet dat marktpartijen in hun dagelijkse bedrijfsvoering
belemmerd zullen worden door onduidelijkheden in de formulering van bepalingen
van de Wft. De regering erkent dat het kennisnemen van de wet – in het
bijzonder de nieuwe structuur en aangepaste terminologie daarvan – een
zekere inspanning zal vergen van alle betrokkenen. De mogelijkheid bestaat
dat er onder betrokkenen ook vragen rijzen over de uitleg van de wet.</al>
      <al>De toelichting op het wetsvoorstel beoogt antwoord te geven op dergelijke
vragen. Daarnaast worden er vanuit de markt diverse initiatieven ondernomen
om de parlementaire stukken voor de praktijk toegankelijker te maken. Een
voorbeeld hiervan is de integrale, doorlopende versie van de
tekst van het wetsvoorstel en toelichting opgesteld door de <nadruk type="cur">Dutch fund and asset management association</nadruk> (Dufas), waarin per artikel
de daarbij behorende toelichting is opgenomen – deze integrale tekst
kan kosteloos worden geraadpleegd en afgedrukt via de website van Dufas, <nadruk type="cur">www.dufas.nl</nadruk>. De regering gaat ervan uit dat marktpartijen,
mede dankzij dergelijke initiatieven, in staat zullen zijn hun dagelijkse
bedrijfsvoering onbelemmerd voort te zetten na de inwerkingtreding van de
Wft. Mochten marktpartijen toch problemen ondervinden, dan kunnen zij zich,
net als voor de uitleg van de huidige wetgeving, laten bijstaan door professionele
adviseurs. Tevens bestaat de mogelijkheid voor marktpartijen om de toezichthouders
te benaderen indien zij met een concreet probleem worden geconfronteerd. Met
betrekking tot de uitleg en interpretatie van de wet zal uiteindelijk de rechter
uitsluitend bevoegd zijn.</al>
      <al>Tot slot zullen het ministerie van Financiën en de toezichthouders
in samenwerking een elektronisch meldpunt opzetten waarop marktpartijen en
andere betrokkenen opmerkingen kunnen plaatsen met betrekking tot de Wft en
de daarmee verband houdende lagere regelgeving. Doel hiervan zal zijn om mogelijke
tekortkomingen in de wet en lagere regelgeving zo snel mogelijk op te sporen
en te herstellen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:12</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Klopt het dat de verwijzing in het derde lid naar artikel
4:14, derde lid, incorrect is en moet worden vervangen naar een verwijzing
naar artikel 4:14 tweede lid, zo vroegen de leden van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>De leden van de VVD-fractie wijzen terecht op het feit dat de verwijzing
in art 4:12, derde lid, naar artikel 4:14, derde lid, vervangen dient te worden
in een verwijzing naar artikel 4:14, tweede lid. Dit zal bij nota van wijziging
hersteld worden.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:14</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Volgens de toelichting zullen het eerste lid en tweede
lid, onderdeel c, op grond van het derde lid ook gelden voor onder andere
kredietinstellingen, zo merkten de leden van de VVD-fractie op. In het derde
lid wordt echter alleen gesproken over het «derde lid» (bedoeld
wordt waarschijnlijk het tweede lid, onderdeel c) en wordt het eerste lid
helemaal niet genoemd. Kan de regering hierop ingaan? Het tweede lid, onderdeel
c, is veel ruimer dan het daarmee corresponderende artikel 28, tweede lid,
van de Wfd. De Wfd was gericht op de interne bedrijfsprocessen, terwijl het
tweede lid, onderdeel c, veel verder lijkt te gaan door ook de financiëlemarktprocessen
daaronder te betrekken. Ook de in de subonderdelen 1 tot en met 6 genoemde
onderwerpen waarover regels kunnen worden gesteld zijn zo ruim geformuleerd
dat hiermee een basis wordt gelegd om over allerlei onderwerpen nadere regelgeving
te kunnen vaststellen. Ten opzichte van artikel 28, eerste en tweede lid,
van de Wfd (die ook op kredietinstellingen van toepassing zijn), is dit een
wijziging. Deze leden vroegen de regering hierop in te gaan en toe te lichten
waarom nu al een wijziging nodig is ten opzichte van de recentelijk in werking
getreden Wfd. Ook vroegen zij of de regering de mening deelt dat het de inzichtelijkheid
niet ten goede komt als, zoals in artikel 4:14, opeens in het derde lid van
artikel 4:14 bepalingen van overeenkomstige toepassing worden verklaard op
kredietinstellingen en andere daar genoemde instellingen.</nadruk>
      </al>
      <al>Het eerste lid wordt niet genoemd in artikel 4:14, derde lid, omdat deze
norm voor de DNB-vergunninghouders is opgenomen in artikel 2:45.</al>
      <al>Artikel 4:14, tweede lid, onderdeel c, is van toepassing op beheerders,
beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen en bewaarders en correspondeert
om die reden niet met artikel 28 van de Wfd. Artikel 28 van de Wfd is opgenomen
in artikel 4:15. De wet onderscheidt algemene-, integriteits-, prudentiële-
en gedragsaspecten van de bedrijfsvoering en regelt welke toezichthouder
hierop toezicht houdt. De artikelen 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel
c, en 4:15, tweede lid, aanhef en onderdeel b, bieden een grondslag om bij
algemene maatregel van bestuur regels te stellen met betrekking tot de gedragsaspecten
van de bedrijfsvoering. Dit zijn aspecten waar de AFM voor alle financiële
ondernemingen toezicht op houdt. Door middel van het van overeenkomstige toepassing
verklaren van artikel 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel c, in artikel
4:14, derde lid, is duidelijk dat bij algemene maatregel van bestuur ook regels
kunnen worden gesteld met betrekking tot de gedragsaspecten van de bedrijfsvoering
van de daar genoemde financiële ondernemingen. De gedragstypische elementen
van de bedrijfsvoering van alle financiële ondernemingen worden op deze
manier op één plek in de wet geregeld. Deze systematiek is ook
wat de prudentiële aspecten van de bedrijfsvoering betreft gehanteerd
in artikel 2:45.</al>
      <al>Bij het stellen van regels op grond van artikel 4:14, tweede lid, aanhef
en onderdeel c, en artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onderdeel b, streeft
de regering naar handhaving van de bestaande situatie. Dit betekent dat de
regels die op grond van artikel 28 van de Wfd gelden voor DNB-vergunninghouders
gehandhaafd blijven. In het kader van de zesde nota van wijziging zal worden
bekeken of dit uitgangspunt duidelijker in de tekst van de artikelen 4:14
en 4:15 tot uitdrukking kan worden gebracht.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:15</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen de regering toe
te lichten waarom in artikel 4:15 wordt gesproken van cliënten of consumenten. «Cliënten»
omvat toch tevens «consumenten»?</nadruk>
      </al>
      <al>Het is juist dat het begrip «cliënten» tevens «consumenten»
omvat. In artikel 4:15 zijn beide begrippen opgenomen om duidelijk te maken
dat bij AMvB een onderscheid kan worden gemaakt in de reikwijdte van de bepalingen.
Bij financiële diensten met betrekking tot een verzekering wordt de zakelijke
afnemer immers op dezelfde wijze beschermd als de «consument».
Dit volgt in de Wfd uit artikel 6.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:16</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Artikel 39 Wfd kende een algemeen verbod tot uitbesteding «indien
hierdoor het toezicht werd gehinderd». De leden van de VVD-fractie merkten
op dat deze bepaling is vervangen door de mogelijkheid om bij AMvB werkzaamheden
aan te wijzen die niet mogen worden uitbesteed en regels te stellen ten aanzien
van uitbesteding. Zij vroegen waarom dit is gedaan. In de toelichting bij
deze bepaling is opgenomen dat «overtreding van zo’n bepaling
door die derde een overtreding van artikel 4:16 door de financiële onderneming
kan opleveren». Hiermee wordt de in het eerste lid van dit artikel opgenomen
inspanningsverbintenis opgerekt tot een garantieverbintenis zonder dat daarvoor
een juridische grondslag bestaat. Deze leden vroegen de betreffende zin uit
de toelichting te schrappen. Tevens vroegen zij of het voornemen bestaat om
gebruik te maken van de bevoegdheid om bij AMvB bepaalde werkzaamheden aan
te wijzen die niet kunnen worden uitbesteed. Welke rechtvaardigingsgrond zou
er kunnen kan bestaan om zo vergaand in te grijpen in de bedrijfsvoering van
de financiële ondernemingen, zulks mede gelet op de eisen die op grond
van het bepaalde in lid 1 reeds aan uitbesteding worden gesteld?</nadruk>
      </al>
      <al>Artikel 39, tweede volzin, van de Wfd zal in een AMvB worden opgenomen
op grond van artikel 4:16, derde lid, aanhef en onderdeel b. Indien de derde
zich niet aan de regels houdt, levert dit een aparte overtreding op van artikel
4:16 door de financiële onderneming. De financiële onderneming is
immers verantwoordelijk voor de naleving van de regels door de derde. Indien
de financiële onderneming er niet in slaagt om deze verplichting na te
leven, kan zij daar op grond van artikel 4:16 op worden aangesproken.
Artikel 4:16, eerste lid, biedt daarvoor voldoende grondslag. De toelichting
is op dat punt correct.</al>
      <al>Bij AMvB zal worden bepaald dat beheerders het bepalen van het beleggingsbeleid
niet mogen uitbesteden. Dit verbod is thans opgenomen in artikel 27, tweede
lid, van het Btb 2005 en vloeit voort uit artikel 5octies, eerste lid, onderdeel
c, en tweede lid, tweede volzin, van de richtlijn beleggingsinstellingen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:17</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Blijkens artikel 4:17, tweede lid, is de eis van (aansluiting
bij een) erkende geschilleninstantie niet van toepassing op beheerders, beleggingsondernemingen
en clearinginstellingen, zo constateerden de leden van de VVD-fractie. Is
dit niet in strijd met het beginsel dat er een gelijk speelveld dient te bestaan?
Het lijkt erop dat op grond van dit artikel de Klachtencommissie DSI niet
zal worden aangemerkt als een erkende geschilleninstantie. Dit vermoeden vloeit
ook voort uit de toelichting. Daaruit blijkt dat een geschilleninstantie die
geschillen uitsluitend beslecht door middel van bindend advies (zoals de Klachtencommissie
DSI) in strijd zou zijn met artikel 17 van de Grondwet. Deze redenering gaat
misschien wel op voor arbitrage, maar niet voor bindend advies. Een belegger
heeft immers bij een effectenklacht altijd de mogelijkheid de gang naar de
rechter te kiezen, in plaats van de gang naar de Klachtencommissie DSI. Ook
bij een uitspraak van de Klachtencommissie DSI staat het de belegger nog vrij
om dit oordeel (marginaal) te laten toetsen door een rechter. Daarnaast is
het aan de cliënt/consument én de onderneming om alternatieve
geschillenbeslechting te kiezen boven de rechtbank, indien beide partijen
overeen zijn gekomen zich aan de uitkomst te conformeren. Deze leden vroegen
de regering aan te geven of inderdaad uit dit artikel afgeleid mag worden
dat erkenning niet is vereist dan wel dat de geschilleninstanties zoals wij
die nu kennen voor beleggingsondernemingen, namelijk de Klachtencommissie
DSI, niet worden erkend.</nadruk>
      </al>
      <al>Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is de huidige regelgeving als
uitgangspunt genomen. Het wetsvoorstel is een beleidsarme operatie. Voor beheerders
en beleggingsondernemingen bestaat op dit moment op grond van de Wtb en Wte
1995 geen verplichting om zich bij een erkende geschilleninstantie aan te
sluiten. Omgekeerd betekent dit ook dat beleggingsondernemingen zich bij DSI
kunnen aansluiten of aangesloten kunnen blijven indien DSI niet op grond van
artikel 4:17 erkend wordt. Voor clearinginstellingen wordt aansluiting bij
een geschilleninstantie niet noodzakelijk geacht omdat zij enkel zakelijke
cliënten bedienen.</al>
      <al>Het is bovendien niet wenselijk om deze financiële ondernemingen
met nieuwe verplichtingen – die de nodige administratieve lasten met
zich brengen – te confronteren.</al>
      <al>Iedere geschilleninstantie dient om erkend te worden daartoe een aanvraag
te doen. Indien een geschilleninstantie enkel de mogelijkheid biedt om geschillen
met een bindende uitspraak af te doen, komt deze volgens het wetsvoorstel
niet voor erkenning in aanmerking. Gelet op de wettelijke verplichting om
aan te sluiten bij een erkende geschilleninstantie zouden partijen in strijd
met artikel 17 van de Grondwet tegen hun wil worden afgehouden van de rechter.<voetref refid="v38.1" nr="1"></voetref> Artikel 4:17 laat onverlet dat een geschilleninstantie
naast beslechting door middel van een niet-bindend advies, ook de mogelijkheid
biedt een geschil te beslechten door middel van een bindend advies. Partijen
dienen dan wel vooraf uitdrukkelijk er mee in te stemmen dat de geschillenbeslechting
resulteert in een bindend advies.</al>
      <al>Een geschilleninstantie zal alleen erkend worden als de beslechting van
een geschil door die geschilleninstantie ook kan resulteren in een niet-bindend
oordeel.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:20</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hierin is opgenomen dat in geval van advies of individueel
vermogensbeheer de financiële onderneming is gehouden haar «informatieverstrekking
precies af te stemmen op de individuele kenmerken van de consument of cliënt».
Uiteraard zal conform het bepaalde in artikel 4:23, eerste lid, onderdeel
b, respectievelijk artikel 4:90, eerste lid, onderdeel b, in het kader van
het advies respectievelijk vermogensbeheer, voor zover redelijkerwijze mogelijk,
rekening moeten worden gehouden met het zogenaamde ken uw klant-beginsel.
Is het de bedoeling dat ook alle productinformatie, algemene voorwaarden en
overige informatie steeds op maat gesneden dienen te zijn, zo vroegen de leden
van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Dit resulteert volgens de sector in een exponentiële
verzwaring van administratieve lasten, en draagt niet bij aan de doelstelling
van ordelijke en transparante financiële marktprocessen en de onderlinge
vergelijkbaarheid van soortgelijke producten, is potentieel in strijd met
het uitgangspunt van een gelijke behandeling van klanten onder vergelijkbare
omstandigheden en is praktisch onuitvoerbaar. Deze leden vroegen de regering
hierop in te gaan.</nadruk>
      </al>
      <al>De toelichting op artikel 4:20 wekt wellicht verwarring op dit punt. Voorop
staat echter dat een financiële onderneming bij de informatieverstrekking
aan een consument of cliënt op grond van artikel 4:20 de gemiddelde consument
of cliënt als uitgangspunt kan nemen. Daarbij moet de financiële
onderneming uiteraard rekening houden met de complexiteit van het product
of de dienst en eventueel de doelgroep die zij op het oog heeft. Dit uitgangspunt
geldt ook indien de financiële onderneming de betreffende consument of
cliënt tevens adviseert of indien sprake is van individueel vermogensbeheer.
De financiële onderneming is dan ook niet gehouden om in het kader van
artikel 4:20 de productinformatie, algemene voorwaarden en andere informatie
op die specifieke consument of cliënt toe te spitsen. Wél zal
de financiële onderneming bij het voldoen aan de artikelen 4:23 en 4:90
de kenmerken van de specifieke consument of cliënt als uitgangspunt moeten
nemen. Het advies en het individueel vermogensbeheer moeten worden toegespitst
op de specifieke kenmerken van de cliënt. Bij advies zal de financiële
onderneming voor een goed begrip haar toelichting op de overwegingen van het
advies moeten afstemmen op het kennisniveau van de consument of cliënt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:20, eerste lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Ten opzichte van artikel 31van de Wfd wordt hier toegevoegd
dat ook voorafgaand aan de overeenkomst inzake een financiële dienst
informatie verstrekt dient te worden. In de toelichting wordt aangegeven dat
de Wfd hier ook in voorzag, doordat in de toelichting op de Wfd was aangegeven
dat een adequate beoordeling van het product alleen mogelijk is indien ook
informatie over de dienstverlening wordt gegeven, zo merkten de leden van
de VVD-fractie op. Het ging in de Wfd echter om informatie over de dienstverlening
voorafgaande aan het sluiten van een overeenkomst over een product en niet
om overeenkomsten ten aanzien van de dienstverlening zelf. Dit laatste is
wel degelijk een uitbreiding. Deze leden vroegen de regering hierop in te
gaan.</nadruk>
      </al>
      <al>De bedoelde uitbreiding van artikel 4:20, eerste lid, is nodig ten behoeve
van de informatieverstrekking door beleggingsondernemingen voorafgaand aan
het verlenen van beleggingsdiensten. Onbedoeld is echter ten opzichte van
de financiële diensten die onder de Wfd vallen het moment van informatieverstrekking
verschoven, zoals deze leden aangeven. In artikel 4:20, eerste lid, zal daarom
bij nota van wijziging worden verduidelijkt dat alleen voor het verlenen van
beleggingsdiensten geldt dat de informatie voorafgaand aan het verlenen van
de dienst moet worden verstrekt. Dit laat overigens onverlet dat financiële
ondernemingen in het kader van de overige financiële diensten
voorafgaand aan de overeenkomst op basis waarvan de cliënt een financieel
product afneemt, informatie dienen te verstrekken over het product zelf en
de diensten die de financiële onderneming in verband daarmee voor de
cliënt verricht. Dit is ook de strekking van artikel 31 van de Wfd.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:20, zevende lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Wfd was dit artikel 31, merkten de leden van
de VVD-fractie op. Deze leden vroegen of de regering kan toelichten waarom
het aanbieden en bemiddelen terzake van financiële instrumenten niet
onder deze uitzondering valt. Of is dit het verlenen van beleggingsdiensten?</nadruk>
      </al>
      <al>Het bemiddelen in financiële instrumenten valt inderdaad onder het «verlenen
van beleggingsdiensten». Voor het aanbieden van rechten van deelneming
in een beleggingsinstelling en het aanbieden van effecten zijn bijzondere
voorschriften opgenomen in hoofdstuk 4.3 respectievelijk het deel Gedragstoezicht
financiële markten.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:22</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Dit artikel vormt de grondslag voor de financiële
bijsluiter en reclameregels. Op welke wijze zal worden verzekerd dat in de
op grond hiervan vast te stellen AMvB een dam wordt opgeworpen tegen de toenemende
neiging van de AFM om zaken tot in de kleinste details te regelen, zoals deze
zich thans bijvoorbeeld in het kader van de Nadere Regeling financiële
dienstverlening aan het openbaren is, zo vroegen de leden van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>In de artikelen 1:11 en 1:12 zijn bepalingen opgenomen die betrekking
hebben op de regelgevende mogelijkheden van de toezichthouders. In artikel
1:11 wordt bepaald dat indien bij of krachtens de wet door toezichthouders
regels kunnen worden gesteld, de toezichthouder daar niet toe over zal gaan
dan na raadpleging van een daarvoor in aanmerking komende representatieve
vertegenwoordiging van onder zijn toezicht staande ondernemingen. Voorts kan
indien de door de toezichthouder vastgestelde algemeen verbindende voorschriften
een onredelijke belasting voor de financiële markten tot gevolg hebben,
en de toezichthouder de geconstateerde onvolkomenheid na overleg niet heeft
weggenomen, de minister op grond van artikel 1:12 bij ministeriële regeling
regels stellen voor het desbetreffende onderwerp, onder gelijktijdige intrekking
van de door de toezichthouder voor dat onderwerp vastgestelde algemeen verbindende
voorschriften.</al>
      <al>Door toezichthouders te stellen regels zullen van technische en of organisatorische
aard zijn. In geval van de financiële bijsluiter zijn de door de AFM
te stellen regels zeer technisch van aard. De financiële bijsluiter betreft
een document waarin met name rendementen, kosten en risico’s op een
uniforme wijze worden berekend en gepresenteerd. Daartoe is noodzakelijk dat
de technische berekeningswijze gedetailleerd wordt voorgeschreven in de regels
van de AFM.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:22, eerste lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie waren van mening dat onduidelijk
is tot wie de informatievoorziening is gericht en wat de verhouding van dit
artikel is ten opzichte van het voorgestelde artikel 4:20, vierde lid. Zij
vroegen de regering hierop in te gaan.</nadruk>
      </al>
      <al>Het gehele artikel 4:20 (dus ook het vierde lid) heeft betrekking op de
informatie die in het kader van een overeenkomst met een consument of cliënt
moet worden verschaft. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen informatie
die voor en na het sluiten van de overeenkomst wordt verstrekt. De voorschriften
die op basis van artikel 4:22 worden gesteld hebben betrekking
op de algemene informatieverstrekking door de financiële onderneming,
zonder dat dit in het kader van een overeenkomst hoeft te geschieden. Hierbij
kan met name gedacht worden aan voorschriften over de informatie bij reclame-uitingen
en (het beschikbaar houden van) de financiële bijsluiter.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:23</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Dit artikel heeft betrekking op de «ken uw cliënt
verplichting» wanneer de financiële onderneming adviseert, zoals
wij dat thans kennen onder de Wte 1995, NRgt 2002 en recentelijk de Wfd, aldus
de leden van de VVD-fractie. Deze verplichting lijkt nu op grond van dit artikel
ook te worden opgelegd aan bijvoorbeeld de beheerder die een cliënt adviseert
over één van haar vastgoedfondsen die kwalificeert als artikel
1:1 financieel product onder f. Dit lijkt een nieuwe verplichting ten opzichte
van het bestaande regime, nu onder de Wtb, de Wte 1995 noch de Wfd de verplichting
hiertoe bestaat. Deze leden vroegen of de regering kan aangeven of deze veronderstelling
juist is, zo ja, waarom een verandering is beoogd ten opzichte van het bestaande
regime.</nadruk>
      </al>
      <al>De verplichting om bij adviseren van een consument informatie in te winnen
over diens financiële positie, kennis en ervaring, doelstellingen en
risicobereidheid is van toepassing verklaard op alle financiële ondernemingen.
Er is geen objectieve grond om bepaalde ondernemingen van deze verplichting
uit te sluiten. Onder de Wfd en de Wte 1995 is de verplichting al van toepassing
op financiëledienstverleners en effecteninstellingen. Beheerders en beleggingstellingen
krijgen onder de Wft voor het eerst met deze verplichtingen te maken. In de
praktijk zal deze verplichting weinig betekenis hebben, omdat cliënten
in de meeste gevallen op advies van derden of op eigen initiatief zullen participeren
in een beleggingsinstelling.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:24</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de PvdA-fractie vroegen wat de rechten
en plichten zijn van de cliënt en de financiële onderneming indien
de cliënt een financiële dienst toch afneemt, ondanks de waarschuwing
dat de financiële dienst voor hem niet geschikt is. Wat is de sanctie
als na het inwinnen van informatie over de financiële positie blijkt
dat de aankoop van een financieel product onverantwoord is? Deze leden wilden
weten of in dat geval sprake van een onrechtmatige daad en of ontbinding van
de overeenkomst mogelijk is.</nadruk>
      </al>
      <al>Artikel 4:24 voorziet in een beperkte geschiktheidtest in het kader van
de zogenaamde «execution-only» dienstverlening waarbij de financiële
onderneming niet adviseert. Hierbij dient de financiële onderneming alleen
aan de hand van de kennis en ervaring van de cliënt of consument na te
gaan of de dienst geschikt is voor die cliënt. De financiële positie
van de cliënt of consument speelt derhalve geen rol bij het uitvoeren
van de geschiktheidtest van artikel 4:24. Een beleggingsonderneming zal overigens
gelet op de ingevolge artikel 4:25, eerste lid, bij AMvB op te nemen bestaande
plicht tot bewaking van de bestedingsruimte wel moeten nagaan of de cliënt
beschikt over voldoende saldi om een transactie uit te voeren en op grond
van de saldibewakingsplicht ervoor moeten waken dat de cliënt vervolgens
kan voldoen aan de actuele verplichtingen die voortvloeien uit ingenomen posities.</al>
      <al>Indien een cliënt of consument ondanks de waarschuwing dat de dienst
voor hem niet geschikt is de transactie toch wil doorzetten, is dat zijn eigen
verantwoordelijkheid. Het voorstel belet de financiële onderneming niet
om de transactie uit te voeren als de cliënt dat wil en legt ook geen
adviesplicht op de financiële onderneming. De financiële onderneming
handelt dan ook niet in strijd met een wettelijke plicht zodat die grond voor onrechtmatige daad zich niet voordoet. Evenmin bevat het voorstel
de mogelijkheid om in dat geval de overeenkomst te ontbinden. Naar burgerlijk
recht zal ontbinding van de overeenkomst alleen mogelijk zijn indien sprake
is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst (hetgeen
mede afhankelijk is van hetgeen partijen zijn overeengekomen) of indien partijen
zijn overeengekomen dat ontbinding mogelijk is in deze situatie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen of door opname
van «consument» en «financieel instrument of verzekering»
de mogelijkheid bestaat om bij AMvB andere financiële diensten aan te
wijzen ook als zij niet onder de reikwijdte van de MiFID vallen? Gaat het
bij de beoordeling van de geschiktheid om de vraag of het raadzaam is dat
de klant in bepaalde soorten instrumenten gaat beleggen of om de vraag of
de klant geschikt is voor execution-only dienstverlening? Ook vroegen deze
leden of de regering kan aangeven waarom bedoelde financiële diensten
niet in dit artikel worden opgenomen in plaats van in een AMvB.</nadruk>
      </al>
      <al>Het is juist dat het mogelijk is voor de toepassing van artikel 4:24 bij
AMvB diensten aan te wijzen die niet vallen onder de reikwijdte van de MiFID.
Die mogelijkheid is opgenomen omdat in de toekomst vanuit de praktijk de behoefte
zou kunnen ontstaan om het aanbieden van of bemiddelen in financiële
producten die wat risico betreft gelijk gesteld kunnen worden met de financiële
instrumenten bedoeld in het eerste lid, onder het bereik van artikel 4:24
te brengen. Bij de beoordeling van de geschiktheid gaat het om de vraag of
de soort dienstverlening geschikt is voor de cliënt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merkten op dat artikel
4:24 ook van toepassing lijkt te zijn op beleggingsdiensten als bedoeld in
de onderdelen b en c van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst
in artikel 1:1, terwijl artikel 19, zesde lid, van de MiFID uitgaat van het «uitvoeren
van orders van cliënten en/of ontvangen en doorgeven van deze orders»
hetgeen overeenkomt met onderdeel a van de definitie van het verlenen van
een beleggingsdienst.</nadruk>
      </al>
      <al>In artikel 4:24 wordt artikel 19, vijfde en zesde lid, van de MiFID geïmplementeerd.
Het vierde lid van artikel 4:24 zal bij zesde nota van wijziging in lijn met
artikel 19, zesde lid, van de MiFID worden aangepast en beperkt tot beleggingsdiensten
als bedoeld in onderdeel a van de definitie van het verlenen van beleggingsdiensten
in artikel 1:1. De formulering van artikel 4:24, eerste lid, wordt gehandhaafd
omdat die formulering overeenkomt met artikel 19, vijfde lid, van de MiFID.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden constateerden voorts dat artikel 4:24 een
nieuwe beoordelings- en waarschuwingsplicht is opgenomen hetgeen een forse
lastenverzwaring ten opzichte van de huidige regelgeving oplevert. Hiertegenover
staat een vermindering van de lasten indien het gaat om door de cliënt
geïnitieerde transacties in eenvoudige producten als bedoeld in artikel
4:24, vierde lid. Van het vierde lid zal echter vaak geen gebruik gemaakt
kunnen worden zodat per saldo sprake zal zijn van een lastenverzwaring.</nadruk>
      </al>
      <al>Het regime van artikel 4:24 brengt een verlichting met zich ten opzichte
van de huidige Nadere regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002 waarin
ook bij execution-only dienstverlening een volledig cliëntenprofiel (financiële
positie, ervaring en beleggingsdoelstellingen) moet worden opgemaakt. Voor
transacties in eenvoudige financiële instrumenten, zoals aandelen en
obligaties, die door de cliënt geïnitieerd worden hoeft op grond
van artikel 4:24, vierde lid, geen cliëntenprofiel meer te worden opgemaakt.
Voor transacties in meer risicovolle instrumenten hoeft op grond van artikel
4:24, eerste lid, alleen de kennis en ervaring van de cliënt te worden
beoordeeld. Er is derhalve ook bij de risicovolle producten sprake
van een lastenverlichting ten opzichte van het huidige regime omdat de toets
lichter is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen ten slotte of bij
de uitwerking van de vereisten over het geven van de waarschuwing niet bij
de Europese regels moet worden aangesloten in plaats van het stellen van nationale
regels en hoe gewaarborgd wordt dat volledig implementeren van het regime
voor de professionele belegger uit de MiFID niet voor nog een wijziging zal
zorgen.</nadruk>
      </al>
      <al>Bij de uitwerking van dit artikel zal volledig worden aangesloten bij
de uitwerking op grond van de MiFID. Inmiddels blijkt uit de voorstellen voor
de uitwerking van de MiFID dat alleen de wijze waarop de beoordeling van de
geschiktheid plaatsvindt wordt uitgewerkt en niet de manier waarop de waarschuwing
wordt gegeven of kenbaar wordt gemaakt dat de geschiktheid van de dienst niet
beoordeeld is. Het zesde lid van artikel 4:24 zal dan ook bij zesde nota van
wijziging komen te vervallen. Bij het volledig implementeren van het regime
voor de professionele belegger uit de MiFID zal alleen de reikwijdte van de
geschiktheidstoets verder worden beperkt omdat meer cliënten aangemerkt
(kunnen) worden als professionele belegger.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:24, vierde lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie stelden enkele vragen over
de reikwijdte van artikel 4:24, vierde lid. Allereerst vroegen zij of in de
onderdelen a tot en met c van het vierde lid een verbreding ten opzichte van
artikel 19, zesde lid, van de MiFIDis beoogd omdat het vereiste dat het gaat
om financiële instrumenten die tot de handel op een gereglementeerde
markt of een gelijkwaardige markt zijn toegelaten niet is overgenomen. Ook
vroegen zij of een verruiming ten opzichte van de MiFID is beoogd doordat
in onderdeel d deelnemingsrechten in alle beleggingsinstellingen zijn opgenomen
in plaats van deelnemingsrechten in instellingen voor collectieve belegging
in effecten. En waarom zijn in het vierde lid geen ander niet-complexe financiële
producten opgenomen, zoals in artikel 19, zesde lid, van de MiFID het geval
is? Ten slotte vroegen deze leden waarom niet is overgenomen dat aan de cliënt
wordt medegedeeld dat hij de bescherming van de gedragsregels niet geniet,
zoals uit artikel 19, zesde lid, vierde gedachtestreepje, van de MiFID voorschrijft.</nadruk>
      </al>
      <al>In artikel 4:24, vierde lid, onderdelen a tot en met c, wordt geen verbreding
ten opzichte van artikel 19, zesde lid, eerste gedachtestreepje, van de MiFID
beoogd. Het vereiste van toelating tot de handel op een gereglementeerde markt
of een gelijkwaardige markt geldt alleen voor aandelen.<voetref refid="v43.1" nr="1"></voetref> In onderdeel a wordt dit vereiste tot uitdrukking gebracht door «aandelen
die tot de handel op een markt in financiële instrumenten zijn toegelaten».</al>
      <al>Onderdeel d zal bij zesde nota van wijziging conform artikel 19, zesde
lid, eerste gedachtestreepje, van de MiFID worden beperkt tot deelnemingsrechten
in instellingen voor collectieve belegging in effecten. Daarnaast zal het
vierde lid worden uitgebreid tot andere niet-complexe financiële producten
die voldoen aan de eisen die op grond van de MiFID gesteld worden.</al>
      <al>Anders dan deze leden veronderstellen schrijft artikel 19, zesde lid,
vierde gedachtestreepje, van de MiFID niet voor dat aan de cliënt moet
worden meegedeeld dat de gedragsregels niet van toepassing zouden zijn. Uit
deze bepaling vloeit alleen voort dat de regels omtrent belangenconflicten
voor beleggingsondernemingen ook gelden bij exection only dienstverlening
als bedoeld in artikel 19, zesde lid, van de MiFID en artikel 4:24, vierde
lid. Dit volgt al uit artikel 4:88 zodat een aparte regeling in artikel 4:24,
vierde lid, niet nodig is. Het is overigens een misvatting dat «de gedragsregels»
niet van toepassing zouden zijn op de execution-only dienstverlening, bedoeld
in artikel 4:24, vierde lid. Alleen de beoordeling van de geschiktheid
van de dienst blijft achterwege bij die dienstverlening en de beleggingsonderneming
moet dat voorafgaand aan de dienstverlening aan de cliënt kenbaar maken
(laatste zinsnede van artikel 4:24, vierde lid).</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:24, achtste lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merkten op dat de uitzondering
in betekenis inboet omdat het begrip professionele belegger in de zin van
de MiFID nog niet is geïmplementeerd. Een financiële onderneming
kan gelet hierop nog geen goede afweging maken bij het aanpassen van haar
dienstverlening. Zij vroegen waarom het wenselijk is om deze wijziging door
te zetten als er uit oogpunt van administratieve lastenverlichting geen valide
redenen zijn om artikel 19, vijfde en zesde lid, van de MiFIDversneld in te
voeren, de definitieve interpretatie op niveau 2 nog niet bekend is en er
een andere afbakening tussen de professionele en niet-professionele belegger
zal komen.</nadruk>
      </al>
      <al>In het algemeen deel van de toelichting bij de vierde nota van wijziging
is uiteengezet dat in het voorstel voor beleggingsondernemingen in zeer beperkte
mate vernieuwingen zijn opgenomen vanwege het feit dat de implementatie van
de MiFID wijzigingen in de regels voor het verlenen van beleggingsdiensten
met zich zal brengen. Wijzigingen in de regelgeving voor deze financiële
diensten worden alleen voorgesteld indien aan de volgende twee voorwaarden
is voldaan: de wijziging (a) draagt bij aan de harmonisatie met de regels
die voor andere financiële diensten gelden en (b) is consistent met de
MiFID.<voetref refid="v44.1" nr="1"></voetref> Aan deze voorwaarden wordt in dit geval
voldaan. De artikelen 4:23 en 4:24 dragen bij aan de harmonisatie met de regels
uit de Wfd op grond waarvan alleen bij advies een cliëntenprofiel moet
worden opgemaakt. De huidige Nadere regeling gedragstoezicht effectenverkeer
2002 vereist immers dat ook bij execution-only dienstverlening een volledig
cliëntenprofiel (financiële positie, ervaring en beleggingsdoelstellingen)
wordt opgemaakt. Deze regeling is voorts consistent met de MiFID doordat voor
execution-only dienstverlening met risicovolle producten een beperkte beoordeling
moet worden uitgevoerd. Bovendien is sprake van een lastenverlichting ten
opzichte van het huidige regime waarin in alle gevallen een volledig profiel
moet worden opgesteld. Zoals bij de vraag van deze leden over de implementatie
van de MiFID is aangegeven, blijkt uit de voorstellen voor de uitvoeringsrichtlijn
dat slechts wordt uitgewerkt de wijze waarop de beoordeling van de geschiktheid
van de dienst voor de cliënt plaatsvindt (zie artikel 4:24, vijfde lid).
Dit zal bij de implementatie van de MiFID op het niveau van een AMvB worden
geregeld. Tot die tijd zal het voldoen aan de verplichting om de geschiktheid
te beoordelen vormvrij zijn. Ten slotte zal bij de volledige implementatie
van het regime voor de professionele belegger uit de richtlijn alleen de reikwijdte
van de geschiktheidstoets verder worden beperkt omdat meer cliënten aangemerkt
(kunnen) worden als professionele belegger.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:26</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen of het niet de
voorkeur zou genieten de meldingsplichten toe te voegen aan de betreffende
artikelen, omdat financiële ondernemingen anders voor veel onderwerpen
die niet onder dit artikel vallen moeten gaan zoeken of hiervoor een meldingsplicht
aan de toezichthouder bestaat. Tevens merkten deze leden op dat de plaats
van de meldingsplicht in het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen
niet logisch lijkt omdat het merendeel van de meldingsplichtige feiten voortvloeit
uit het deel Markttoegang financiële ondernemingen en het deel Prudentieel
toezicht financiële ondernemingen.</nadruk>
      </al>
      <al>Artikel 4:26 bevat een grondslag om bij AMvB aan financiële ondernemingen een plicht op te leggen tot het melden van wijzigingen aan
de AFM en – in voorkomend geval – de toezichthoudende instantie
van een andere lidstaat met betrekking tot onderwerpen waarover verstrekking
van gegevens is voorgeschreven (kort gezegd) bij vergunningverlening, bij
notificatie, voorafgaand aan het aanbieden van deelnemingsrechten of na aanvang
van werkzaamheden in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen. Dit artikel
is in het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen opgenomen en
niet in het Deel Markttoegang financiële ondernemingen omdat het verplichtingen
in het lopend toezicht betreft. De verplichting betreft bovendien het melden
aan de AFM en zal alleen betrekking hebben op algemene onderwerpen (voor AFM-vergunninghouders)
en gedragsonderwerpen, zodat dit artikel in het Deel Gedragstoezicht financiële
ondernemingen thuishoort. Uit het voorgaande volgt dat het niet mogelijk is
de meldingsplichten bij de in het eerste lid genoemde artikelen op te nemen.
Overigens zullen de verplichtingen tot het melden van wijzigingen in eerder
verstrekte gegevens in de AMvB op grond van dit artikel in één
afdeling worden opgenomen, zodat deze verplichtingen voor de financiële
ondernemingen eenvoudig te vinden zijn.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:26, derde lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merkten op dat in dit lid
wordt bepaald dat bij of krachtens AMvB wordt bepaald welke wijzigingen gemeld
moeten worden. Zij vroegen of de regering kan bevestigen dat artikel 4:26
derhalve geen betekenis heeft tot dergelijke bepalingen zijn vastgesteld.</nadruk>
      </al>
      <al>Dit is juist.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:27</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de PvdA-fractie vroegen welke meldingsplichten
een accountant heeft bij geconstateerde fraude naar diverse interne en externe
toezichthouders toe en hoe dit zich verhoudt tot de Wet toezicht accountantsorganisaties
op grond waarvan de AFM ook toezichthoudende taken heeft.</nadruk>
      </al>
      <al>Een accountant van bepaalde financiële ondernemingen is ten behoeve
van het toezicht op die financiële ondernemingen op grond van de artikelen
2:121a, 2:121c, 2:121d, 2:121f en 4:27 alleen verplicht tot het melden aan
de AFM en DNB van omstandigheden die in strijd zijn met de wet, die leiden
van het weigeren van het afgeven van een verklaring tot omtrent de getrouwheid
of die leiden tot het maken van voorbehouden. Het niet voldoen aan deze meldingsplichten
kan in het kader van het toezicht op de een accountant op grond van de Wet
toezicht accountantsorganisaties uiteraard alleen worden meegenomen indien
de betrokken toezichthouder handhavend is opgetreden tegen de accountant en
dat besluit formele rechtskracht heeft verkregen. Er worden in dit voorstel
op accountants geen verplichtingen opgelegd tot het melden van fraude aan
interne toezichthouders.</al>
      <al>In de Wet toezicht accountantsorganisaties is een meldingsplicht opgenomen
voor de externe accountant indien het betreft fraude van materieel belang.
Het Besluit toezicht accountantsorganisaties bepaalt wat als fraude van materieel
belang moet worden aangemerkt en in welke gevallen dan ook een melding moet
worden gedaan aan een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het
Wetboek van Strafvordering.</al>
      <al>Ten slotte is een accountant op grond van de recent aangescherpte Verordening
op de fraudemelding in geval van een bij hem gerezen vermoeden van fraude
eerder gehouden dit vermoeden te melden bij het toezichthoudend orgaan van
de opdrachtgever (bijvoorbeeld bij de commissarissen). Deze verplichte melding
was tot voor kort gelimiteerd tot onder andere directiefraude en fraude van
materieel belang. Voortaan zal de accountant alle vermoedens
van fraude moeten melden. Eventueel kan het toezichthoudend orgaan een ondergrens
stellen aan de omvang van de te melden fraude.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:28</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen naar de redenen
om het bereik van de bepalingen over de ontbinding van een overeenkomst op
afstand uit te breiden tot het domein van de Wte 1995 en de Wtb terwijl doorgaans
het bepaalde in artikel 4:28, vierde lid, onderdeel a, aan ontbinding in de
weg zal staan. Zij vroegen of de rechtszekerheid niet meer wordt gediend door
te bepalen dat de artikelen 4:28 en 4:29 niet van toepassing zijn op beheerders,
beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen en bewaarders.</nadruk>
      </al>
      <al>In artikel 4:28 wordt artikel 6 van de richtlijn verkoop op afstand van
financiële diensten aan consumenten<voetref refid="v46.1" nr="1"></voetref> geïmplementeerd.
Beleggingsondernemingen, beleggingsinstellingen en beheerders worden in artikel
6 van deze richtlijn ook niet als zodanig uitgesloten (zie bijvoorbeeld artikel
6, eerste lid, laatste alinea, van de richtlijn). Het heeft naar de mening
van de regering de voorkeur om deze in de richtlijn gevolgde systematiek te
handhaven.</al>
      <al>Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de artikelen 4:28 en 4:29 niet
van toepassing zijn op bewaarders omdat zij gelet op de aard van hun activiteiten
(bewaring van de activa) geen overeenkomsten inzake deelnemingsrechten aangaan.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:28, vierde lid, onderdeel f</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen waarom in artikel
4:28, vierde lid, onderdeel f, de beperking tot overeenkomsten inzake financiële
producten is opgenomen. Deze beperking ontbreekt in artikel 40 van de Wfd.</nadruk>
      </al>
      <al>De toevoeging «inzake financiële producten» betreft een
verduidelijking. In de Wfd vloeit deze beperking voort uit de definitie van
overeenkomst op afstand.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:30</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merkten op dat in de artikelen
40 en 41 van de Wfd niet is bepaald dat deze bepalingen van dwingend recht
zijn en vroegen waarom nu al wordt afgeweken van de Wfd. Zij vroegen voorts
of de regering kan bevestigen dat rechtshandelingen in strijd met de artikelen
4:28 en 4:29 niet met nietigheid of vernietigbaarheid op de voet van artikel
1:6p worden bedreigd.</nadruk>
      </al>
      <al>De artikelen 40 en 41 van de Wfd zijn ook van dwingend recht. Dit volgt
uit artikel 101 van de Wfd. Er is derhalve geen sprake van een afwijking van
de Wfd.</al>
      <al>Aangezien dat in de artikelen 4:28 en 4:29 niet uitdrukkelijk is bepaald
zijn rechtshandelingen in strijd met deze artikelen, gelet op artikel 1:6p,
niet om die reden aantastbaar.</al>
      <tuskop letat="cur">Hoofdstuk 4.3</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen of het niet zuiverder
is om in het opschrift van hoofdstuk 4.3 te spreken van «Aanvullende
regels» met betrekking tot het werkzaam zijn op de financiële markten
betreffende bepaalde financiële diensten, om tot uitdrukking te brengen
dat het gaat om specifieke regels ter aanvulling van de algemene gedragsregels
van hoofdstuk 4.2.</nadruk>
      </al>
      <al>Deze suggestie zal bij de zesde nota van wijziging worden overgenomen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:30a</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering toelichten wat een beleggingsobjectprospectus
is? Kan zij dat ook doen voor een kredietprospectus (artikel 4:33)? Is de
regering bereid een definitie op te nemen van beleggingsobjectprospectus en
kredietprospectus, zo vroegen de leden van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>De termen beleggingsobjectprospectus en kredietprospectus worden gebruikt
om een onderscheid te maken en dienen ter ordening. Het enige verschil tussen
beide begrippen is dat het in het ene geval gaat om het prospectus met betrekking
tot een beleggingsobject en in het andere geval om een prospectus met betrekking
tot krediet. Er zal geen definitie worden opgenomen. Onder prospectus wordt
verstaan een document dat aan een aanbieding ten grondslag ligt en waarin
uitvoerig financiële en andere informatie wordt gegeven over het product.
Uit de artikelen 4:30a en 4:33 en de uitwerking bij AMvB blijkt voldoende
wat onder prospectus wordt verstaan; een definitie zou daaraan niets toevoegen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:32</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Wfd was dit artikel 52, zo merkten de leden van
de VVD-fractie op. Zij vroegen of de regering kan toelichten of een aanbieder
van krediet die alleen effectenkrediet verstrekt, ook deel dient te nemen
aan een stelsel van kredietregistratie. In het Besluit financiële dienstverlening
is effectenkrediet uitgezonderd van de toetsingsplicht.</nadruk>
      </al>
      <al>In de vrijstellingsregeling Wfd wordt vastgelegd dat aanbieders van effectenkrediet
die kredieten aanbieden waarop de toetsingsplicht, op basis van het Bfd, niet
van toepassing is, ook niet aangesloten hoeven te zijn bij een stelsel van
kredietregistratie. Van deze situatie is sprake als de kredietlimiet niet
hoger is dan 70 procent van de waarde van de betrokken effecten. Dezelfde
vrijstelling zal onder de Wft worden gecontinueerd.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:33</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merkten op dat ten aanzien
van het tweede lid niet duidelijk is welk deel van het eerste lid van overeenkomstige
toepassing is op de bemiddelaar. Alleen uit de toelichting blijkt dat dit
geen betrekking heeft op de passieve verstrekkingsplicht via Internet. Zij
vroegen de regering hierop in te gaan.</nadruk>
      </al>
      <al>In het tweede lid wordt alleen de verplichting tot <nadruk type="cur">verstrekking</nadruk> van het kredietprospectus op de bemiddelaar gelegd.
Dit betekent dat ook alleen het bepaalde over <nadruk type="cur">verstrekking</nadruk> van het kredietprospectus in het eerste lid van overeenkomstige toepassing
is op die verplichting van de bemiddelaar. De bemiddelaar moet het kredietprospectus
altijd verstrekken indien de aanbieder geen website heeft. Indien de aanbieder
wel een website heeft waarop het kredietprospectus beschikbaar is, hoeft de
bemiddelaar het kredietprospectus alleen op verzoek van de consument te verstrekken.
De verplichting om een kredietprospectus op de website beschikbaar te hebben
rust alleen op de aanbieder.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:34</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de toelichting op dit artikel wordt (overigens net
als bij de Wfd) teveel de nadruk gelegd op het moeten hebben van inzicht in
inkomsten, zo constateerden de leden van de VVD-fractie. Dit gaat voorbij
aan het feit dat bepaalde vormen van krediet soms alleen op basis van de vermogenspositie
van de klant worden verstrekt. Het begrip «financiële positie»
uit de wetstekst wordt in de toelichting te eng uitgelegd door dit te beperken
tot de inkomenspositie. Kan de regering hierop ingaan? Tevens vroegen deze
leden of het ter voorkoming van de onduidelijkheid die de Wfd/Bfd daar thans
over laat bestaan niet raadzaam is om met zoveel woorden in de
wet op te nemen dat geen informatie behoeft te worden ingewonnen over de financiële
positie van de consument indien sprake is van een zekerheidskrediet (zoals
bijvoorbeeld een effectenkrediet) waarbij door middel van de gehanteerde bevoorschottingspercentages
wordt bewaakt dat nadat tot uitwinning van de gestelde zekerheden is overgegaan
geen schuld resteert.</nadruk>
      </al>
      <al>Het oogmerk van artikel 4:34 is voorkoming van overkreditering van de
consument. Hierbij zal de inkomenspositie in veel gevallen de belangrijkste
indicatie zijn. Het ligt daarom ook in de rede dat juist dit element, naast
het stelsel van kredietregistratie, in de toelichting naar voren wordt gehaald.
Hiermee wordt niet uitgesloten dat ook de vermogenspositie van de consument
wordt gebruikt om te beoordelen of er sprake is van een risico op overkreditering.
Voor zover er constructies worden gebruikt die waarborgen dat het krediet
niet te hoog oploopt, zal overkreditering van de consument niet snel aan de
orde zijn. In het Bfd en de Vrijstellingsregeling Wfd zijn voor de specifieke
situatie van het effectenkrediet enkele verplichtingen voor de kredietwaardigheidstoets
opgenomen. Een kredietwaardigheidstoets hoeft niet te worden uitgevoerd, indien
de kredietlimiet niet hoger mag zijn dan 70 procent van de waarde van de betrokken
effecten.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:35</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merkten op dat in de Wfd
geen bepaling voorkwam ten aanzien van de maximum kredietvergoeding. Zij vroegen
de regering toe te lichten waarom nu al wordt afgeweken van de Wfd.</nadruk>
      </al>
      <al>De maximum kredietvergoeding wordt thans vastgesteld op basis van het
Besluit Kredietvergoeding dat is gebaseerd op de Wet op het Consumentenkrediet.
In plaats van de Wck zal artikel 4:35 van de Wft de grondslag voor dit besluit
kunnen vormen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:47, tweede lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In dit artikellid wordt het begrip toezichthouder gebruikt.
De leden van de VVD-fractie vroegen of dit betekent dat de melding ook aan
De Nederlandsche Bank N.V. moet worden gedaan.</nadruk>
      </al>
      <al>Het begrip toezichthouder in artikel 4:47, tweede lid, zal bij nota van
wijziging worden gewijzigd in de Autoriteit Financiële Markten.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:48</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen de regering te
overwegen om een definitie op te nemen van registratiedocument.</nadruk>
      </al>
      <al>Het begrip registratiedocument is gebaseerd op artikel 11 van het Btb
2005. Dit besluit kende geen definitie van het begrip registratiedocument.
Uit artikel 4:48 en de uitwerking bij AMvB zal voldoende blijken wat onder
registratiedocument wordt verstaan; een definitie zou daaraan niets toevoegen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:60</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het eerste lid van dit artikel is eigenlijk een deel
van de definitie van een icbe, zo constateerden de leden van de VVD-fractie.
Waarom wordt dit niet in de definitie verwerkt in artikel 1:1? De in artikel
1:1 opgenomen definitie kan hiermee verduidelijkt worden. In het kader van
deze definitie merkten deze leden op dat de toevoeging «niet zijnde
een beleggingsmaatschappij die via dochterondernemingen voornamelijk belegt
in andere objecten dan effecten» verwarring schept. Zij begrepen dat
hiermee bedoeld is de constructie van artikel 7, onderdeel d, van de Wtb te
ondervangen, maar andere bepalingen van artikel 7 van de Wtb worden hier niet
in meegenomen. Om in een definitie alle constructies mee te nemen
die niet onder een bepaalde definitie horen te vallen, maakt men de definitie
zelf onhanteerbaar. Kan de regering hier op ingaan?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Ten aanzien van het vijfde lid meenden de leden van
de VVD-fractie dat – in samenhang met artikel 1:6p – rechtshandelingen
in strijd met toezichtwetgeving alleen met de nietigheid of vernietigbaarheid
bedreigd dienen te worden indien Europese wetgeving of andere internationale
verplichting daartoe dwingen. Kan de regering ingaan op de vraag of de sanctie
van nietigheid als bedoeld in het vijfde lid voortvloeit uit een Europese
richtlijn? Zo niet, wat is de reden van deze sanctie?</nadruk>
      </al>
      <al>Artikel 4:60, eerste lid, is bij de vijfde nota van wijziging aangepast.
Het eerste lid van artikel 4:60 bevat ook in de vernieuwde versie een deel
van de definitie van een icbe zoals de VVD-fractie terecht constateert. De
aanpassing in de vijfde nota van wijziging betreft een verduidelijking. In
de onderdelen a tot en met g wordt de materiële omschrijving opgenomen
van de financiële instrumenten waar een icbe in mag beleggen. Er is dus
inderdaad sprake van een gedeeltelijke overlap. Het is echter nodig om een
gedeelte van de definitie in artikel 4:60, eerste lid, te herhalen vanwege
de materiële betekenis die eraan wordt gegeven. Het toevoegen van het
eerste lid van artikel 4:60 aan de definitiebepaling van icbe in artikel 1:1
heeft geen toegevoegde waarde omdat dit gedeelte al is opgenomen in de definitie.
Er wordt in de definitie verwezen naar artikel 1, tweede lid, van de richtlijn
beleggingsinstellingen.</al>
      <al>De zinsnede «niet zijnde een beleggingsmaatschappij die via dochterondernemingen
voornamelijk belegt in andere objecten dan effecten» in artikel 1:1
zal bij nota van wijziging worden verplaatst. Bekeken zal worden waar dit
voorschrift, dat dient ter implementatie van artikel 1, vierde lid, van de
richtlijn beleggingsdiensten, kan worden opgenomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Artikel 4:60, vijfde lid, wordt overgenomen uit artikel 11, tweede lid,
van de Wtb en is de implementatie van artikel 1, vijfde lid, van de richtlijn
beleggingsinstellingen. Daarin is bepaald: «De Lidstaten verbieden de
icbe’s die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, zich
om te zetten in een instelling voor collectieve belegging die niet onder deze
richtlijn valt.» Zowel bij de implementatie van de Wtb<voetref refid="v49.1" nr="1"></voetref> als in de toelichting op artikel 4:60, vijfde tot en met zevende lid,
is uitgebreid toegelicht waarom desondanks voor deze sanctie is gekozen.<voetref refid="v49.2" nr="2"></voetref></al>
      <al>Uit onderzoek van het Tilburg Law and Economics Center (Tilec) is gebleken
dat privaatrechtelijke handhaving van verboden rechtshandelingen naast het
toezicht door de toezichthouder een rol kan vervullen bij het verwezenlijken
van de doelen die aan dit wetsvoorstel ten grondslag liggen. Er zijn situaties,
waarin nietigheid of vernietigbaarheid de gewenste oplossing bieden. Daarom
is in het wetsvoorstel een aantal gevallen uitgezonderd van de hoofdregel
van artikel 1:6p. Artikel 4:60, vijfde lid, is een van deze gevallen. Zie
voor een uitgebreide toelichting ook de toelichting bij artikel 1:6p en de
antwoorden op de vragen over dit artikel van de PvdA-fractie in de nota naar
aanleiding van het vierde nader verslag.<voetref refid="v49.3" nr="3"></voetref></al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:72, derde lid, onderdeel b, en artikel 4:73,
derde lid, onderdeel b</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de Wfd was geen grondslag opgenomen om nadere regels
te stellen met betrekking tot de objectieve analyse zelf (wel t.a.v. de informatieverstrekking
over die objectieve analyse), aldus de leden van de VVD-fractie. Zij vroegen
waarom deze extra grondslag is opgenomen, terwijl er sprake zou zijn van een
beleidsneutrale overname van bestaande regels.</nadruk>
      </al>
      <al>In de Wfd is de grondslag voor het stellen van nadere regels met betrekking
tot de objectieve analyse opgenomen in artikel 100. Er is derhalve geen sprake
van het creëren van een extra grondslag.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:73</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Ligt het niet in de rede, zo vroegen de leden van de
VVD-fractie, om – overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:72, eerste
lid – de hier opgenomen informatieverplichtingen uitsluitend te laten
gelden voor een bemiddelaar die met betrekking tot het aangeboden financiële
product niet tevens optreedt als aanbieder, beleggingsonderneming, adviseur
of (onder)gevolmachtigde agent?</nadruk>
      </al>
      <al>In artikel 4:72 wordt artikel 34 van de Wfd beleidsarm overgenomen. Door
middel van de zinsnede «adviseur die met betrekking tot het aanbevolen
financiële product niet tevens optreedt als aanbieder, beleggingsonderneming,
bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent» is de
reikwijdte van artikel 34 van de Wfd gehandhaafd. In de Wfd volgt dat uit
de definitie van adviseur in artikel 1, onderdeel c, van de Wfd en het feit
dat artikel 34 van de Wfd niet van toepassing is op beleggingsondernemingen.
De Wte 1995 en het Bte 1995 kennen een dergelijke verplichting niet. In artikel
4:73 wordt artikel 33 van de Wfd beleidsarm en artikel 12, eerste lid, tweede
alinea, van de richtlijn verzekeringsbemiddeling geïmplementeerd. Noch
artikel 33 van de Wfd, noch artikel 12, eerste lid, tweede alinea, van de
richtlijn verzekeringsbemiddeling kent een nadere beperking van de reikwijdte.
Het ligt dan ook niet in de rede de reikwijdte van artikel 4:73 te beperken.</al>
      <al>Overigens zou een bemiddelaar die met betrekking tot een aangeboden product
tevens optreedt als aanbieder, beleggingsonderneming of gevolmachtigde agent
geen bemiddelaar meer zijn. Voor een bemiddelaar die tevens optreedt als adviseur
is het overeenkomstig artikel 4:72, eerste lid, juist de bedoeling dat artikel
4:73 van toepassing is.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:73, eerste lid, onderdeel b</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op welke wijze dient de bemiddelaar de consument te
informeren over de beloning? Betreft dit de hoogte van de provisie en de verhouding
tussen afsluit- en doorlopende provisie, zo vroegen de leden van de PvdA-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>Zoals aangegeven in mijn brief van 20 maart jl.<voetref refid="v50.1" nr="1"></voetref> bevat het bij die brief gevoegde ontwerp-Besluit gedragstoezicht financiële
ondernemingen een uitwerking van de eerder met uw Kamer besproken beloningsregels
voor bemiddelaars en adviseurs. De beloningsregels hebben betrekking op de
verhouding tussen afsluit- en doorlopende provisie en de wijze waarop beloningstransparantie
moet worden geboden. Hiermee wordt een uitwerking gegeven aan de bij brief
aan de Tweede Kamer van 11 juli 2005 aangekondigde maatregelen, bedoeld
om de mogelijkheid van beloningsgedreven kleuring van advies te verminderen.
Belanghebbende koepelorganisaties zijn intensief betrokken bij deze uitwerking
waarbij de verstrekkingswijze van de informatie en de voorwaarden voor een
gelijk speelveld tussen adviseurs, bemiddelaars en aanbieders de belangrijkste
aandachtspunten waren. Om beloningsprikkels inzichtelijk te maken voor consumenten
is actieve verstrekking van deze informatie noodzakelijk. Beloningstransparantie
houdt enerzijds in dat bemiddelaars en adviseurs informatie over de hoogte
van de afsluit- en doorlopende provisie moeten verstrekken en anderzijds dat
aanbieders informatie over de hoogte van de variabele, productgerelateerde
beloning van hun adviserende medewerkers moeten verstrekken. Daarnaast geldt
voor alle partijen dat zij informatie over de aard van overige beloningsvormen
(zoals bonus- of omzetprovisie stelsels) moeten verstrekken. De regelgeving
omtrent de verhouding tussen afsluit- en doorlopende provisie houdt in dat
afsluitprovisie maximaal de helft van de som van afsluit- en doorlopende provisie
mag bedragen. Teneinde de invoeringslast van deze regelgeving voor de marktpartijen
zo licht mogelijk te maken, is voorzien in een aantal overgangsmaatregelen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:74</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD vroegen of het niet voor de hand
zou liggen om het tweede lid van artikel 4:74 van de wet ook voor andere zekerheidkredieten
(zoals effectenkrediet) dan hypotheken uit te sluiten.</nadruk>
      </al>
      <al>Artikel 4:74 is ongewijzigd overgenomen uit de Wfd en is oorspronkelijk
afkomstig uit de Wet op het consumentenkrediet (Wck). Van het toepassingsgebied
van de Wck waren hypothecair krediet (artikel 4, eerste lid, onderdeel f,
van de Wck) en, onder voorwaarden, krediettransacties die bestonden uit de
belening van effecten (artikel 4, eerste lid, onderdeel h) uitgezonderd waardoor
de thans in artikel 4:74 van de wet opgenomen norm niet gold voor deze categorieën
krediet. In de Wfd is de thans in artikel 4:74 neergelegde norm van de Wck
overgenomen in artikel 53, waarbij hypothecair krediet is uitgezonderd in
het derde lid van het betreffende wetsartikel. Van de thans in artikel 4:74
neergelegde norm zijn onder de Wfd aanbieders van krediet vrijgesteld die
krediet aanbieden tegen onderpand van effecten, mits de consument voor het
aanbieden van het krediet houder is van de te verpanden effecten en de kredietsom
of de kredietlimiet gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake het krediet
niet hoger is dan 70 procent van de waarde van de verpande effecten.</al>
      <al>In de zesde nota van wijziging zal de bovengenoemde vrijstelling uit de
Wfd als uitzondering worden opgenomen in artikel 4:74.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:77 en 4:78</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan niet gesteld worden dat beleggingsondernemingen
reeds voldoen aan het hier gestelde, zodat zij van het toepassingsbereik van
deze bepaling kunnen worden uitgezonderd, zo vroegen de leden van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>Nee. Vanwege de activiteitgerichte benadering van het wetsvoorstel is
het nodig om afzonderlijke eisen te stellen voor clearinginstellingen die
tevens beleggingsonderneming zijn. Indien een financiële onderneming
optreedt als clearinginstelling, valt zij immers niet onder de definitie van «beleggingsonderneming»
en derhalve ook niet onder de artikelen 4:86 en 4:88.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:78</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merkten op dat het onduidelijk
is door wie de informatieverstrekking moet geschieden en aan wie informatie
moet worden verstrekt. Dit geldt ook voor de artikelen 4:22 en 4:61. Zij vroegen
de regering hierop in te gaan.</nadruk>
      </al>
      <al>Tot wie de verplichting op basis van artikel 4:22 zich richt en aan wie
de informatie moet worden verschaft, zal bij AMvB worden bepaald. De strekking
van artikel 4:22 is eerder uiteengezet.</al>
      <al>Artikel 4:61 is gericht tot icbe’s. In de zesde nota van wijziging
zal dit artikel worden verduidelijkt. Het artikel zal dan een basis verschaffen
voor regels met betrekking tot de bedrijfsvoering, de informatieverstrekking
aan de AFM en de deelnemers, het beleggen door icbe’s (eerste lid) en
een ontheffingsmogelijkheid van deze regels (tweede lid).</al>
      <al>Ook artikel 4:78 wordt in de zesde nota van wijziging verduidelijkt. De
bepaling zal zodanig worden aangepast dat deze ook van toepassing is op clearinginstellingen,
waarbij op basis van het eerste lid de informatieverschaffing aan cliënten
wordt geregeld en op basis van het tweede lid de informatieverschaffing aan
de AFM.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 4:82 tot en met 4:90</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merkten op dat een deel
van de alle gedragsregels die thans zijn opgenomen in het Besluit
toezicht effectenverkeer 1995 (Bte 1995) in het voorstel zijn opgenomen doch
een ander deel niet, waaronder de het verstrekken van een effectennota en
de verplichting om een cliëntenprofiel op te stellen anders dan bij vermogensbeheer
of in het kader van de beperkte geschiktheidstoets.</nadruk>
      </al>
      <al>Het is juist dat niet alle bepalingen uit het Bte 1995 zijn opgenomen
in het voorstel. Er is voor gekozen om hoofdnormen in het wetsvoorstel op
te nemen en de uitwerking daarvan op lager niveau te laten plaatsvinden. Zo
zijn in artikel 4:20 de hoofdregels over informatieverstrekking opgenomen.
Bij of krachtens AMvB worden deze regels nader uitgewerkt, onder andere door
opname van de verplichting een «effectennota» te verstrekken.</al>
      <al>De bepaling over het opstellen van het volledige cliëntenprofiel
wordt alleen voor adviseren over financiële instrumenten overgenomen
in artikel 4:23. Dat is bij artikel 4:23 toegelicht. Indien geen sprake is
van advies of individueel vermogensbeheer is artikel 4:24 van toepassing.
Zoals in antwoord op de vragen van deze leden over artikel 4:24 is aangegeven,
hoeft bij transacties in eenvoudige financiële instrumenten, zoals aandelen
en obligaties, die door de cliënt geïnitieerd worden op grond van
artikel 4:24, vierde lid, geen cliëntenprofiel meer te worden opgemaakt.
Voor transacties in meer risicovolle instrumenten kan op grond van artikel
4:24, eerste lid, worden volstaan met beoordeling van de kennis en ervaring
van de cliënt. Dit is ook toegelicht bij artikel 4:24.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 4:82</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Dezelfde leden vroegen of de bankbeleggingsondernemingen,
die een vergunning van DNB hebben, ter voorkoming van een dubbele rapportagelast
niet geheel van artikel 4:85 moeten worden uitgezonderd in plaats van uitsluitend
het eerste lid van artikel 4:85.</nadruk>
      </al>
      <al>Het is niet nodig om deze bankbeleggingsondernemingen van het gehele artikel
4:85 uit te sluiten. Door de uitsluiting van het eerste lid zijn het tweede,
derde en zesde lid van artikel 4:85 ook niet van toepassing. Het vierde en
vijfde lid zijn door de formulering al niet van toepassing op deze bankbeleggingsondernemingen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:86</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De delegatiegrondslag van dit artikel biedt de mogelijkheid
tot het stellen van nieuwe regels naast de artikelen 30 en 40 van het Bte
1995, hetgeen volgens de sector onwenselijk is. De leden van de VVD-fractie
vroegen een reactie van de regering op de stelling dat indien er toch behoefte
bestaat aan een dergelijke ongeclausuleerde bepaling, een dergelijke AMvB
toch op zijn minst onderworpen zou moeten worden aan parlementaire controle.</nadruk>
      </al>
      <al>Bij nota van wijziging zal in dit artikel worden verduidelijkt dat de
grondslag alleen betrekking heeft op informatieverstrekking door beleggingsondernemingen.
Dit volgt ook al uit de plaatsing in afdeling 4.3.7. Het betreft derhalve
geen algemene grondslag. Bovendien zullen tot aan de implementatie van de
MiFID op deze grondslag alleen de artikelen 30 en 40 van het Bte 1995 (die
dienen ter implementatie van artikel 22 van de richtlijn beleggingsdiensten)
in de AMvB worden overgenomen. Er zullen geen nieuwe regels over de informatieverstrekking
door beleggingsondernemingen aan de AFM worden gesteld. Gelet daarop is de
regering van mening dat er geen bijzondere redenen bestaan die parlementaire
controle van de te stellen regels rechtvaardigen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:88</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie stelden ten eerste de vraag
of in het eerste lid niet meer bij de realiteit kan worden aangesloten door
te spreken over het beheersen van belangconflicten en ten tweede
of openbaarmaking van belangenconflicten pas aan de orde is voorzover die
conflicten niet voorkomen kunnen worden.</nadruk>
      </al>
      <al>Dit artikel implementeert artikel 11, eerste lid, zesde gedachtestreepje,
van de richtlijn beleggingsdiensten, en sluit daarom aan bij in dat artikel
gebezigde formulering «voorkomen van belangenconflicten». Van
een beleggingsonderneming mag worden verwacht dat zij een beleid voert waarin
belangenconflicten zo veel mogelijk worden voorkomen. Daaronder valt het openbaar
maken van belangentegenstellingen aan cliënten.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:89</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In het tweede lid, tweede volzin, wordt bepaald dat
bij of krachtens AMvB nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot
de vorm van de overeenkomst. De leden van de VVD-fractie vroegen of deze grondslag
niet overbodig is omdat in het eerste lid al wordt bepaald welke vorm de overeenkomst
moet hebben.</nadruk>
      </al>
      <al>Deze grondslag is inderdaad overbodig omdat er geen nadere regels zullen
gelden voor de vorm van de overeenkomst. Artikel 4:89, tweede lid, tweede
volzin, zal dan ook bij zesde nota van wijziging komen te vervallen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:90</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De toelichting op artikel 4:90 suggereert een monitoring-
c.q. aanpassingsplicht voor het cliëntenprofiel indien er bij het beheer
andere financiële instrumenten of markten in beeld komen dan bij aanvang
van de relatie in beeld waren. De leden van de VVD-fractie verzochten verduidelijking
omdat onduidelijk is hoe het in beeld komen van andere financiële instrumenten
of markten zal nopen tot een verplichting tot het aanpassen van het cliëntenprofiel
zonder dat de cliënt daartoe zelf een verzoek doet. Voorts vroegen zij
om verduidelijking over de toepasselijkheid van de bepalingen omtrent het
adviseren omdat het gebruik van de term «advies» in de toelichting
lijkt te suggereren dat bepalingen over advies altijd van toepassing zijn
bij individueel vermogensbeheer. Ten slotte vroegen deze leden of het noodzakelijk
is om in het eerste lid, onderdeel c, de verplichting op te nemen om de overwegingen
van het vermogensbeheer toe te lichten, ook vanwege de lastenverzwaring.</nadruk>
      </al>
      <al>Andere financiële instrumenten of markten kunnen uiteraard in beeld
komen omdat de cliënt daar zelf om verzoekt. Het is echter ook denkbaar
dat de vermogensbeheerder een voorstel doet aan de cliënt om in andere
financiële instrumenten of markten te beleggen. Ook dan zal moeten worden
bekeken of dat in het profiel past.</al>
      <al>Bij individueel vermogensbeheer is niet altijd tevens sprake van advies.
Bepalingen over adviseren zijn alleen van toepassing op een vermogensbeheerder
indien de vermogensbeheerder de cliënt ook daadwerkelijk tevens adviseert.
De zinsnede in de toelichting op het tweede lid van artikel 4:90 «kunnen
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld
over (...) de manier <nadruk type="cur">waarop het advies</nadruk> aan de
consument of cliënt wordt toegelicht» wekt inderdaad ten onrechte
de suggestie dat bij individueel vermogensbeheer altijd wordt geadviseerd.
Zoals ook uit artikel 4:90, tweede lid, aanhef en onderdeel b, volgt betreft
het immers regels over de manier <nadruk type="cur">waarop het individueel
vermogensbeheer</nadruk> aan de cliënt wordt toegelicht. Voor de goede
orde wordt er op gewezen dat het cliëntenprofiel op grond van artikel
4:90 altijd moet worden opgesteld, ongeacht de vraag of de vermogensbeheerder
de cliënt tevens adviseert of niet. Dat blijkt ook uit de derde alinea
van de toelichting op artikel 4:90.</al>
      <al>De verplichting om de overwegingen die ten grondslag liggen aan het vermogensbeheer
toe te lichten was opgenomen uit oogpunt van consistentie met
artikel 4:23. Aangezien de MiFID noch de daarop gebaseerde uitvoeringsrichtlijn
een dergelijke verplichting kent zal onderdeel c van het eerste lid bij zesde
nota van wijziging komen te vervallen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4:91</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze bepaling stamt uit de periode dat er nog sprake
was van zelfregulering door de rechtsvoorgangers van Euronext, zo merkten
de leden van de VVD-fractie op. Bestaat er nu deze zelfregulering een einde
heeft genomen en de beurs in hoge mate een commerciële organisatie is
geworden die in bepaalde opzichten in concurrentie kan treden met beleggingsondernemingen
nog wel een noodzaak om deze bepaling te continueren?</nadruk>
      </al>
      <al>Ook nadat begin jaren ’90 het toezicht op effecteninstellingen is
overgeheveld van de effectenbeurs naar de publiekrechtelijke toezichthouder,
heeft deze bepaling nog zijn nut. De overheveling van wettelijke controletaken
van de effectenbeurs betekende niet het einde van de controle- en onderzoeksbevoegdheden
ten aanzien van de eigen regelgeving («beursregels») van de effectenbeurs.
Daarom is het artikel ook na de afschaffing van de zelfregulering in de Wte
1995 gehandhaafd. De bepaling heeft tot doel te waarborgen dat de toepasselijke
beursregels inzake controle- en onderzoeksbevoegdheden niet door de Wet bescherming
persoonsgegevens worden doorkruist. Indien een lid van één van
de effectenbeurzen (de zogenaamde cash- of de derivatenmarkt) verplicht is
ter medewerking aan de controle op de nakoming van de beursregels, gegevens
te verstrekken uit een door die beleggingsonderneming gehouden persoonsregistratie
als bedoeld in de Wet Bescherming Persoonsgegevens, hoeft voor die gegevensverstrekking
niet de uitdrukkelijke toestemming van de geregistreerde gevraagd te worden.
De voorgestelde bepaling is dus zowel naar huidig (Wte 1995) als toekomstig
recht nodig en nuttig. Het schrappen van deze bepaling zou tot een administratieve
lastenverzwaring leiden.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 4:94 (4:95 idem)</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie stelden dat sprake is van
een lastenverzwaring ten opzichte van de Wdf omdat een aanbieder niet langer
kan volstaan met een eenvoudige controle van het AFM-register maar moet worden
nagegaan of de bemiddelaar dan wel gevolmachtigde agent handelt in strijd
met de vergunningplicht, een ontheffing heeft, onder een uitzondering op de
vergunningplicht valt of onder een vrijstelling valt. De eerste drie gegevens
kunnen uit het register worden opgemaakt, doch afhankelijk van de inrichting
van het register (drie deelregisters of één register op naam)
betekent deze uitgebreide controle-eis een beperkte of aanzienlijke toename
van de administratieve lasten van de aanbieder. Vrijstellingen worden echter
niet geregistreerd zodat de aanbieder zelf een inhoudelijke toets moet verrichten
om na te gaan of sprake is van een vrijstelling. Deze leden vroegen of de
regering bereid is deze ten opzichte van de Wfd uitgebreide controle te heroverwegen
dan wel aan te geven hoe de extra administratieve lasten zullen worden gecompenseerd.</nadruk>
      </al>
      <al>De verplichtingen van de aanbieder op grond van artikel 4:94 zijn niet
gewijzigd ten opzichte van de Wfd. Zoals deze leden terecht opmerken, kan
de aanbieder in het register nagaan of de betrokken bemiddelaar of gevolmachtigde
agent een vergunning dan wel een ontheffing heeft of onder een uitzonderingsgrond
voor de vergunningplicht valt (zoals notificatie of een door DNB verleende
vergunning). Er is geen sprake van een uitgebreidere controle-eis en niet
valt in te zien dat het controleren van het (elektronisch) register van de
toezichthouders onder de Wft moeilijker zal zijn dan onder de Wfd. Opgemerkt
wordt dat een aanbieder uiteraard ook altijd bij de bemiddelaar of gevolmachtigde
agent die hij inschakelt kan nagaan of hij een bewijs van vergunning dan wel
ontheffing heeft of genotificeerd heeft. Het voorgaande geldt
ook voor de jaarlijkse controleplicht van de aanbieder in artikel 4:95.</al>
      <al>Wat de vrijstellingen betreft wordt allereerst opgemerkt dat ook onder
de Wfd beoogd is dat een aanbieder gebruik mag maken van vrijgestelde bemiddelaars
en gevolmachtigde agenten. In artikel 44, derde lid, van de Wfd is –
anders dan in artikel 44, eerste lid, van de Wfd – abusievelijk de zinsnede «een
bemiddelaar of gevolmachtigde agent waarop het verbod, bedoeld in artikel
10, van toepassing is» niet opgenomen waardoor een aanbieder strikt
genomen geen gebruik kan maken van een vrijgestelde bemiddelaar of gevolmachtigde
agent (waarop het verbod van artikel 10 van de Wfd immers niet van toepassing
is). Artikel 44, derde lid, van de Wfd moet echter wel zo worden uitgelegd.
De formulering van de artikelen 4:94 en 4:95 is wel in overeenstemming met
de bedoeling. Deze controleplicht vergt overigens geen vergaande inhoudelijke
toets. In het oog gehouden moet worden dat in een ministeriële regeling
vrijstellingen generiek geregeld worden en dat het moet gaan om vrijstelling
voor de dienst waarvoor de aanbieder de betreffende bemiddelaar of gevolmachtigde
agent inschakelt. De aanbieder weet uiteraard voor welke dienst hij de bemiddelaar
of gevolmachtigde agent wil inschakelen en kan eenvoudig in de vrijstellingsregeling
nagaan of daar een vrijstelling voor geldt.</al>
      <al>Gelet hierop is er geen reden om de formulering van deze artikelen te
heroverwegen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 4:100</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merkten op dat de verwijzing
in artikel 4:100 naar artikel 1a:89 waarschijnlijk een verwijzing naar artikel
1a:93 moet zijn. Zij vroegen om een toelichting op de verschillen tussen dit
artikel en artikel 41 van de Nadere regeling gedragstoezicht effectenverkeer
2002, met name wat de reikwijdte betreft. Ten slotte vroegen deze leden of
het niet raadzaam is om met het oog op het belang van de cliënt in het
derde lid een onderscheid te maken tussen het aangaan van nieuwe transacties
en het afwikkelen van eerder aangegane transacties zoals in artikel 4:94 het
geval is.</nadruk>
      </al>
      <al>De verwijzing naar artikel 1a:89 is inderdaad onjuist en zal bij zesde
nota van wijziging vervangen worden door een verwijzing naar artikel 1a:93.</al>
      <al>De reikwijdte van artikel 4:100 is ten opzichte van artikel 41 van de
Nadere regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002 op twee punten beperkt.
Ten eerste is het verbod op het middellijk of onmiddellijk deelnemen in het
kapitaal van een andere «illegale» beleggingonderneming komen
te vervallen. Voor het deelnemen in andere ondernemingen gelden de bepalingen
in de afdeling 2.3.10. Ten tweede worden geen regels meer gesteld over handelingen
met beleggingsondernemingen die niet in Nederland actief zijn. Doel van artikel
4:100 is immers (evenals de artikelen 4:94 tot en met 4:96) het weren van
malafide partijen op de Nederlandse markt.</al>
      <al>In het derde lid is bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de beleggingsonderneming
geen nieuwe cliënten meer mag aannemen van de andere «illegale»
beleggingsonderneming. De beleggingonderneming mag het verlenen van beleggingsdiensten
aan cliënten die eerder door de desbetreffende onderneming bij haar zijn
aangebracht continueren en dus zowel eerder aangegane transacties voor die
cliënt afwikkelen als nieuwe transacties voor die cliënt aangaan.
Er zal worden bekeken of dit in de tekst van het derde lid moet worden verduidelijkt.</al>
      <tuskop letat="vet">Deel Gedragstoezicht financiële markten</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Hoofdstuk 5.1</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de prospectusrichtlijn wordt op verschillende plaatsen
bepaald dat de Europese Commissie uitvoeringsmaatregelen kan
treffen, zo constateerden de leden van de VVD-fractie. In dit hoofdstuk is
geen grondslag opgenomen om deze uitvoeringsmaatregelen te verwerken in de
Nederlandse rechtsorde. Dit soort maatregelen is niet te beschouwen als organisatorisch
of technisch van aard (zie bijvoorbeeld de artikelen 4 en 7 van de prospectusrichtlijn)
en leent zich niet voor een regeling op het niveau van de toezichthouderregel.
Kan de regering toelichten hoe deze uitvoeringsmaatregelen worden verwerkt
in de Nederlandse rechtsorde?</nadruk>
      </al>
      <al>De richtlijn prospectus is opgesteld met inachtneming van de zogenaamde
Europese Lamfalussy-systematiek. De Lamfalussy-systematiek houdt in dat op
het niveau van de richtlijn (niveau 1) de hoofdzaken worden geregeld. Op niveau
2 worden, na advies van de nationale effectentoezichthouders in Europa, verenigd
in het Committee of European Securities Regulators (CESR) en van het European
Securities Committee (ESC) en na consultatie van marktpartijen in de lidstaten,
uitvoeringsmaatregelen door de Europese Commissie vastgesteld. Door technische
uitvoeringsmaatregelen op niveau 2 vorm te geven, kan snel worden gereageerd
op veranderde marktomstandigheden. De uitvoeringsmaatregelen die zijn vastgesteld
in het kader van de richtlijn prospectus zijn voornamelijk opgenomen in de
prospectusverordening.<voetref refid="v56.1" nr="1"></voetref> De prospectusverordening
werkt rechtstreeks door in de Nederlandse rechtsorde. De Europese Commissie
heeft de bevoegdheid om uitvoeringsmaatregelen vast te stellen, met dien verstande
dat deze geen wijziging van de essentiële onderdelen van de richtlijn
prospectus met zich mogen brengen. De enige uitzondering daarop zijn de uitvoeringsmaatregelen
die zijn gericht op de in artikel 2, eerste lid, van de richtlijn prospectus
vervatte definities. Deze maatregelen behelzen onder meer een mogelijke aanpassing
van de in de definitie van kleine of middelgrote onderneming gehanteerde cijfers
in het licht van de Gemeenschapswetgeving en -aanbevelingen alsook van de
ontwikkeling van de economische trends en maatregelen in verband met de openbaarmaking
van de registratie van personen als gekwalificeerde belegger.</al>
      <al>Indien de Europese Commissie uitvoeringsmaatregelen treft op het niveau
van de prospectusverordening is daarom geen aanpassing van dit wetsvoorstel
noodzakelijk. Mocht de richtlijn prospectus zelf worden gewijzigd door uitvoeringsmaatregelen
dan is wel een aanpassing van de wet respectievelijk AMvB noodzakelijk. Dit
is de reden dat in de voorgestelde definitie van gekwalificeerde belegger
een gedeelte van de definitie zal worden ingevuld op het niveau van een AMvB.
Zie hiervoor ook het antwoord op de vraag van de PvdA-fractie over «professionele
marktpartijen».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">In hoofdstuk 5.1 wordt op diverse plaatsen wat betreft
het gebruik van definities en begrippen afgeweken van de formuleringen uit
de prospectusrichtlijn, aldus de leden van de VVD-fractie. Veelal is niet
toegelicht dat en waarom is afgeweken van die formuleringen. Afwijkingen van
formuleringen uit de prospectusrichtlijn vergroten de kans op onjuiste implementatie.
Kan de regering toelichten wat de verhouding is tussen het begrip «verbonden
onderneming» uit de prospectusrichtlijn en de begrippen «groepsmaatschappij»
en «een in een groep verbonden rechtspersoon of instelling» in
hoofdstuk 5.1? Deze leden vroegen verder of de regering kan garanderen dat
het begrip verbonden onderneming» uit de prospectusrichtlijn juist is
geïmplementeerd. Is de regering van mening dat het begrip «verbonden
onderneming» inhoudelijk overeenkomt met het begrip «groepsmaatschappij»
of «een in een groep verbonden rechtspersoon of instelling»? Hoe
verhoudt dit zich tot artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de prospectusrichtlijn
waarin het begrip «entiteit die tot de groep van die uitgevende instelling
behoort», wordt gehanteerd?</nadruk>
      </al>
      <al>Ten aanzien van gedefinieerde begrippen in de richtlijn prospectus is
voorzover daarvan werd afgeweken toegelicht waarom dit is gebeurd. Het begrip «verbonden onderneming» wordt niet gedefinieerd
in de richtlijn prospectus. Omdat de richtlijn prospectus geen duidelijkheid
verschaft is ervoor gekozen om vanwege de rechtszekerheid het begrip te herbenoemen
en nader in te vullen. Het Europese Hof van Justitie zal duidelijkheid moeten
verschaffen over de inhoud van het begrip. Omdat aannemelijk is dat in de
richtlijn prospectus beoogd is aan te sluiten bij het economische begrip «groep»,
is ervoor gekozen deze terminologie ook in hoofdstuk 5.1 te hanteren. In dit
wetsvoorstel worden begrippen die ook in het BW voorkomen alleen gedefinieerd
voorzover daarvan in dit wetsvoorstel wordt afgeweken. De definitie in artikel
5:1, onderdeel f, van het begrip «groep» is abusievelijk opgenomen.
Dit zal bij nota van wijziging worden hersteld. Het begrip«verbonden
onderneming» wordt in hoofdstuk 5.1 niet gebruikt omdat hieraan in artikel
2:303 een betekenis wordt toegekend die minder passend is bij het beoogde
toepassingsbereik in de richtlijn prospectus. Uit het voorgaande vloeit tevens
de keuze voort om het begrip «entiteit die tot de groep van die uitgevende
instelling behoort» uit artikel 2, eerste lid, onderdeel b, uit de richtlijn
prospectus in artikel 5:1, onderdeel d, onder 2°, te implementeren door
middel van het BW-begrip «een daarmee in een groep verbonden rechtspersoon».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Ook ten aanzien van het begrip «effect»
hadden deze leden vragen. Kan de regering garanderen dat de definitie van «effect»
in artikel 1:1 (die relevant is voor de reikwijdte van hoofdstuk 5.1) overeenkomt
met de definitie van «effect» bedoeld in artikel 1, aanhef, onderdeel
a van de prospectusrichtlijn?</nadruk>
      </al>
      <al>Het begrip effect in artikel 1:1 komt inhoudelijk overeen met de definitie
van «effect» in artikel 1, aanhef, en onderdeel a, van de richtlijn
prospectus. De definitie van «effect» is ontleend aan de complexe
omschrijving van het begrip effect in de richtlijn beleggingsdiensten en de
richtlijn prospectus. Dit is de reden dat de definitie lastig leesbaar kan
zijn. Een inhoudelijk verschil is echter niet beoogd. Het enige punt waarop
wordt afgeweken van de richtlijn prospectus is dat rechten van deelneming
in beleggingsinstellingen die op verzoek van de deelnemer ten laste van de
activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald (de zogenaamde
rechten van deelneming in open-end beleggingsinstellingen) in dit wetsvoorstel
al in de definitie van het begrip effect worden uitgezonderd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen voorts of het uitzonderen
van «appartementsrechten» in artikel 1:1, evenals «rechten
van deelneming in een open-end beleggingsinstelling» betekent dat «appartementsrechten»
en «rechten van deelneming in een open-end beleggingsinstelling»
niet kwalificeren als «effect» in de zin van de wet en of dit
in overeenstemming is met de prospectusrichtlijn.</nadruk>
      </al>
      <al>Dit is een juiste veronderstelling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Voorts vroegen deze leden zich af of zij uit de definitie
van «financieel instrument» waarbij naast «effect» «geldmarktinstrumenten»
en «rechten deelneming in een open-end beleggingsinstelling» apart
worden genoemd moesten afleiden dat «geldmarktinstrumenten» en «rechten
van deelneming in een open-end beleggingsinstelling» niet kwalificeren
als «effect». Hoe verhoudt dit zich tot de definitie van effect
in artikel 1:1?</nadruk>
      </al>
      <al>Geldmarktinstrumenten (instrumenten die gewoonlijk op de geldmarkt wordt
verhandeld) vallen te allen tijde onder de definitie van financieel instrument
in artikel 1:1. Voor zover geldmarktinstrumenten tevens kwalificeren als met
een aandeel gelijk te stellen waardebewijs of schuldinstrument met een looptijd
van meer dan twaalf maanden dan kwalificeren zij ook als effecten.</al>
      <al>Bij de vijfde nota van wijziging is erin voorzien dat geldmarktinstrumenten
met een looptijd van minder dan twaalf maanden geen effect zijn. Abusievelijk
is dit wel voor de onderdelen b en c van de definitie van effect gedaan,
maar nog niet voor onderdeel a van de definitie van effect. Deze wijziging
zal bij nota van wijziging ook voor onderdeel a van de definitie van effect
worden doorgevoerd.</al>
      <al>Uit artikel 1, tweede lid, onderdeel a, van de richtlijn prospectus volgt
dat de richtlijn prospectus niet van toepassing is op rechten van deelneming
in instellingen voor collectieve belegging die niet van het closed-end-type
zijn. Daarom zijn rechten van deelneming in een open-end beleggingsinstelling
(een beleggingsinstelling die op verzoek van de deelnemer ten laste van de
activa direct of indirect rechten van deelneming inkoopt of terugbetaalt)
uitgezonderd van de definitie van effect in artikel 1:1. Dergelijke rechten
van deelneming in een open-end beleggingsinstelling kwalificeren om die reden
niet als effect in artikel 1:1.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De prospectusrichtlijn sluit «geldmarktinstrumenten
met een looptijd van minder dan twaalf maanden» uit van het begrip «effect».
Wel biedt artikel 2, eerste lid, van de prospectusrichtlijn de mogelijkheid
om nationale regels te stellen ten aanzien van geldmarktinstrumenten. Moet
artikel 5:1 zo worden gelezen dat voor geldmarktinstrumenten ook een prospectusplicht
geldt, zo vroegen de leden van de VVD-fractie. Strookt dit met het «level
playing field» indien andere lidstaten er niet voor kiezen geldmarktinstrumenten
met een looptijd van minder dan twaalf maanden te onderwerpen aan een prospectusplicht?</nadruk>
      </al>
      <al>Geldmarktinstrumenten zijn zoals hiervoor vermeld geen effect voorzover
zij een looptijd hebben van minder dan twaalf maanden. Hoofdstuk 5.1 is alleen
van toepassing op effecten. Aanbieders van dergelijke geldmarktinstrumenten
hoeven dus geen prospectus op te stellen. Er is geen gebruik gemaakt van de
mogelijkheid van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de richtlijn prospectus.
Het «level playing field» wordt dus niet verstoord.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Artikel 1, tweede lid, onderdelen b tot en met f, van
de prospectusrichtlijn bepaalt dat bepaalde categorieën effecten buiten
de reikwijdte van de richtlijn vallen. De leden van de VVD-fractie vroegen
of de regering kan toelichten of en waar dit artikel uit de richtlijn is verwerkt
in de wet.</nadruk>
      </al>
      <al>Artikel 1, tweede lid, onderdelen b tot en met f, uit de richtlijn prospectus
is niet opgenomen in dit wetsvoorstel. Het artikel is op dit moment opgenomen
in artikel 1b, eerste lid, van de Vrijstellingsregeling Wte 1995. Het voornemen
bestaat om dit artikel op te nemen in een vrijstellingsregeling onder dit
wetsvoorstel. Het feit dat de richtlijn prospectus niet van toepassing is
op deze categorieën effecten betekent dat het lidstaten is toegestaan
om nationaal beleid te voeren ten aanzien van het aanbieden van deze categorieën
effecten. Door deze effecten op te nemen in de Vrijstellingsregeling behoudt
de regering de mogelijkheid om, indien ontwikkelingen in de praktijk daartoe
aanleiding geven, aanbiedingen van bepaalde effecten in de toekomst toch te
reguleren dan wel bepaalde vrijstellingen aan te passen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">In artikel 1, derde lid, van de prospectusrichtlijn
wordt de mogelijkheid geboden dat voor de buiten de richtlijn vallende categorieën
effecten niettemin de mogelijkheid bestaat om toch een prospectus op te stellen.
Deze mogelijkheid lijkt niet in hoofdstuk 5:1 te zijn overgenomen, aldus deze
leden. Kan de regering hier op ingaan?</nadruk>
      </al>
      <al>Omdat, zoals hiervoor werd vermeld, het voornemen bestaat om artikel 1,
tweede lid, onderdelen b tot en met f, uit de richtlijn prospectus op te nemen
in een ministeriële regeling onder dit wetsvoorstel, ligt het in de rede
dat ook artikel 1, derde lid, van de richtlijn prospectus in die ministeriële
regeling wordt opgenomen. Op dit moment is dat eveneens gebeurd, in artikel
1b, derde lid, van de Vrijstellingsregeling Wte 1995.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering toelichten hoe in dit verband artikel
1:2 van de wet zich verhoudt tot de prospectusrichtlijn? Artikel 1:2 lijkt
immers een prospectusplicht te introduceren voor de buiten de richtlijn vallende
categorieën effecten.</nadruk>
      </al>
      <al>Op het eerste gezicht lijkt het inderdaad zo dat artikel 1:2 een prospectusplicht
introduceert voor categorieën van effecten die nu juist buiten de richtlijn
prospectus vallen. Het systeem zit echter genuanceerder in elkaar. In hoofdstuk
5.1 en de daarop berustende bepalingen wordt zelfstandig bepaald voor welke
categorieën effecten een prospectusplicht geldt. De reden hiervoor is
dat de richtlijn prospectus de mogelijkheid geeft voor een aantal van deze
categorieën effecten om – ondanks het feit dat zij buiten de richtlijn
prospectus vallen – toch een prospectus op te stellen. Deze zogenaamde «opt-in»
mogelijkheid zal in een ministeriële regeling worden geregeld. Deze opt-in
was niet mogelijk geweest indien de buiten de richtlijn prospectus vallende
categorieën effecten waren opgenomen in artikel 1:2.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat
voor een deel van de «niet-prospectusrichtlijn effecten» geen
regeling meer bestaat in de wet, zo constateerden de leden van de VVD-fractie.
Zij vroegen de regering aan te geven welke categorie het betreft en wat dit
nu betekent voor de prospectusplicht ten aanzien van die categorie effecten.</nadruk>
      </al>
      <al>De Wte 1995 kent een breed effectenbegrip. Door implementatie van de richtlijn
prospectus is het begrip effecten in dit wetsvoorstel verengd. Zie hiervoor
ook het antwoord op de vraag van de SP-fractie over de Wte 1995. Met de invoering
van dit wetsvoorstel komt een deel van de voormalige «artikel 3, vierde
lid, van de Wte 1995 effecten» te vallen onder de categorie financieel
instrument of financieel product. Het aanbieden van niet-verhandelbare obligaties
en andere niet-verhandelbare schuldinstrumenten met een looptijd korter dan
een jaar is niet meer onderhevig aan de prospectusplicht. Naast de prospectusplicht
in hoofdstuk 5 die alleen van toepassing is op verhandelbare effecten, bestaat
er ook nog een prospectusplicht in hoofdstuk 4 voor het aanbieden van rechten
van deelneming, niet zijnde effecten, in een beleggingsinstelling en voor
het aanbieden van beleggingsobjecten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">In hoofdstuk 5.1 komt op enkele plaatsen (bijvoorbeeld
in artikel 5:21) nog het begrip «effecteninstelling» voor in plaats
van «beleggingsonderneming». De leden van de VVD-fractie vroegen
de regering om een verklaring hiervoor.</nadruk>
      </al>
      <al>Dit is een terechte opmerking. Het begrip «effecteninstelling»
is onjuist en zal bij nota van wijziging worden gewijzigd in het begrip «beleggingsonderneming».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Artikel 6 van de prospectusrichtlijn geeft bepalingen
over de aansprakelijkheid voor het prospectus. Deze leden constateerden dat
de wetgever het niet nodig heeft gevonden om deze bepalingen te implementeren.
Echter, in het richtlijnartikel zijn bepalingen opgenomen die niet zonder
meer uit het Nederlandse civiele recht volgen. Zo dient de bepaling dat een
persoon niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de samenvatting naar de
mening van deze leden uitdrukkelijk in de nationale wetgeving te worden opgenomen,
aangezien dit niet zonder meer uit de Nederlandse rechtsorde volgt. Kan de
regering hierop ingaan?</nadruk>
      </al>
      <al>De hoofdnorm voor de inhoud van het prospectus is te vinden in het eerste
lid van artikel 5:13 van het wetsvoorstel. Een prospectus dient uit hoofde
daarvan, kort gezegd, alle gegevens te bevatten die, gelet op de aard van
de uitgevende instelling en van de aan het publiek aangeboden of tot de handel
op een gereglementeerde markt toe te laten effecten, van belang zijn voor
het vormen van een verantwoord oordeel. Tevens dient het prospectus, zo schrijft
artikel 5:14, tweede lid, onderdeel d, voor, een waarschuwing
te bevatten dat de samenvatting uitsluitend in samenhang met de andere onderdelen
van prospectus tot aansprakelijkheid kan leiden. Bij de goedkeuring van een
prospectus wordt door een toezichthouder getoetst of het prospectus volledig,
begrijpelijk en consistent is.</al>
      <al>Artikel 6, tweede lid, van de richtlijn prospectus schrijft de lidstaten
voor dat de bepalingen van burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing
dienen te zijn op de personen die verantwoordelijk zijn voor de in het prospectus
op te nemen informatie. De bepalingen in boek 6 van het BW (meer specifiek
de artikelen 6:162 en 6:194 van het BW) voorzien in implementatie van artikel
6, tweede lid, van de richtlijn prospectus. In deze bepalingen is geregeld
dat de vraag of een persoon aansprakelijk kan worden gehouden wordt overgelaten
aan het oordeel van de rechter. Bij die beoordeling toetst de rechter of sprake
is van een misleidend prospectus of dat anderszins sprake is van een onrechtmatige
daad. Daarmee valt ook het bepaalde in de tweede volzin van artikel 6, tweede
lid, van de richtlijn prospectus – waarin (kort gezegd) is opgenomen
dat een persoon niet aansprakelijk kan worden gesteld op basis van de samenvatting
alleen, tenzij deze misleidend, onjuist of inconsistent is – onder het
toepassingsbereik van de artikelen in boek 6 van het BW.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:1, aanhef</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen of de regering
het standpunt deelt dat in de aanhef van dit artikel de zinsnede «In
afwijking van artikel 1:1» moet worden opgenomen, bij gebreke waarvan
in dit artikel het begrip «aanbieden» in artikel 1:1 moet worden
gelezen.</nadruk>
      </al>
      <al>Nee, de huidige formulering van artikel 5:1, aanhef, blijft gehandhaafd.
Ter verduidelijking zal bij nota van wijziging de aanhef van artikel 1:1 worden
aangepast zodat de formulering duidelijk maakt dat in de verschillende hoofdstukken
van dit wetsvoorstel alsmede de daarop berustende AMvB’s en ministeriële
regelingen definities kunnen worden gehanteerd die afwijken van artikel 1:1.
Met deze formulering is het niet langer noodzakelijk om telkens de zinsnede «in
afwijking van artikel 1:1» op te nemen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoewel de leden van de VVD-fractie voorstander waren
om in dit hoofdstuk het begrip «aanbod» te gebruiken in plaats
van «voorstel» (zie de definitie van aanbieden in artikel 1:1)
leverde dit een consistentieprobleem op. In de toelichting op de begrippen «voorstel»
respectievelijk «aanbod» in artikel 5:1 wordt verwezen naar het
BW-begrip «aanbod». Echter, in de toelichting op het begrip «voorstel»
wordt aangegeven dat daaronder geen uitnodiging tot het doen van een aanbod
wordt begrepen, terwijl in de toelichting op het begrip aanbod in artikel
5:1 wordt aangegeven dat dat nou juist wel de bedoeling is. Dit is verwarrend,
aldus deze leden, vooral in relatie tot artikel 5:70 waar het begrip «openbaar
bod» wordt gedefinieerd en waar anders dan in hoofdstuk 5.1 de uitnodiging
tot het doen van een aanbod wel expliciet in de tekst van het artikel is opgenomen.
Zij vroegen de regering hierop in te gaan.</nadruk>
      </al>
      <al>Het begrip aanbieden (van effecten aan het publiek) in artikel 5:1 wijkt
af van het begrip aanbieden in artikel 1:1. In de toelichting op het begrip
aanbieden van effecten aan het publiek in artikel 5:1 staat dat daaronder
niet alleen een aanbod als bedoeld in artikel 6:217 van het BW valt maar tevens
de uitnodiging tot het doen van een aanbod. Deze laatste toevoeging is het
kenmerkende verschil tussen het aanbieden van effecten aan het publiek in
artikel 5:1 en het begrip aanbieden in artikel 1:1.</al>
      <al>Wat betreft de inhoud komt het begrip aanbieden van effecten aan het publiek
als bedoeld in artikel 5:1 inhoudelijk overeen met het begrip openbaar bod
in artikel 5:70. Om verwarring te voorkomen zal artikel 5:1 bij nota van wijziging
worden aangepast zodat het begrip in lijn komt met artikel 5:70. Dat wil zeggen
dat in de tekst van het begrip aanbieden in artikel 5:1 zal worden toegevoegd
dat met aanbod niet alleen een aanbod als bedoeld in artikel
6:217, eerste lid, van het BW wordt bedoeld maar ook een uitnodiging tot het
doen van een dergelijk aanbod.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de toelichting bij artikel 5:1 is opgenomen dat
het moet gaan om het aan één of meerdere personen doen van een
voldoende bepaald aanbod tot het kopen of anderszins verkrijgen van effecten,
zo merkten de leden van de VVD-fractie op. Hiermee komt niet alleen aan het
onderdeel «aan het publiek» geen enkele zelfstandige betekenis
meer toe, doch zulks wijkt ook af van de toelichting bij artikel 5:3 waarbij
de navolgende zin is opgenomen: «In dit verband wordt nog eens opgemerkt
dat een aanbieding van effecten aan één persoon niet onder het
verbod van artikel 5:2 valt.» Deze leden vroegen of het voorgaande niet
met zich mee brengt dat de toelichting bij artikel 5:1 op dit punt zal moeten
worden aangepast.</nadruk>
      </al>
      <al>De zin «Het moet gaan om het aan één of meerdere personen
doen van een voldoende bepaald aanbod (...)» uit de toelichting bij
artikel 5:1 is onjuist. Dit geldt eveneens voor de toelichting bij artikel
5:3 waarin in de tweede alinea, eerste zin, de zinsnede staat «aan één
of meer professionele marktpartijen». Immers uit de toelichting op artikel
5:3, tweede alinea, laatste zin, blijkt dat van een aanbieding van effecten
aan het publiek pas sprake is indien een voorstel aan meer dan één
persoon wordt gedaan. Bij beantwoording van de vorige vraag is opgemerkt dat
het begrip aanbieden van effecten aan het publiek in artikel 5:1 bij nota
van wijziging zal worden aangepast. Bij die gelegenheid zal ook de toelichting
worden verduidelijkt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:1, aanhef en onderdeel c</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering ingaan op de vraag of onder het aanbiedingsprogramma
vallende effecten, «warrants« mede worden begrepen, zoals voorzien
in de prospectusrichtlijn, zo vroegen de leden van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>Warrants vallen onder het begrip effecten als bedoeld in de definitie
van aanbiedingsprogramma. Uit de toelichting op de definitie van effect in
artikel 1:1 volgt dat warrants kwalificeren als effect. In de definitie van
aanbiedingsprogramma in artikel 5:1, onderdeel c, wordt verwezen naar (i)
effecten zonder aandelenkarakter en (ii) naar effecten als bedoeld in onderdeel
d, onder 2°, van eenzelfde categorie of klasse. De definitie van aanbiedingsprogramma
is gebaseerd op artikel 2, eerste lid, onderdeel k, van de richtlijn prospectus.
Daarin wordt vermeld dat alle vormen van warrants vallen onder het begrip
effecten zonder aandelenkarakter. Indien echter door omwisseling van een warrant
een effect met aandelenkarakter kan worden verkregen dan valt een warrant
tevens onder artikel 5:1, onderdeel d, onder 2°, indien de uitgevende
instelling van de om te ruilen waardebewijzen dezelfde is als degene die de
onderliggende effecten met een aandelenkarakter heeft uitgegeven.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:1, aanhef, en onderdeel f</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In dit hoofdstuk wordt voor het begrip «groep»
verwezen naar het BW, maar dit wordt niet gedaan voor het begrip «groepsmaatschappij»
(eveneens een begrip dat in het BW wordt omschreven), zo constateerden de
leden van de VVD-fractie. Kan de regering hier op ingaan? Kan de regering
toelichten wat het verschil is tussen de in dit hoofdstuk gehanteerde begrippen «groepsmaatschappij»
en «een in een groep verbonden rechtspersoon of instelling»?</nadruk>
      </al>
      <al>In dit wetsvoorstel worden begrippen die ook in het BW voorkomen alleen
gedefinieerd voorzover daarvan in dit wetsvoorstel wordt afgeweken. De definitie
in artikel 5:1, onderdeel f, van het begrip «groep» is daarom
per abuis opgenomen. Bij nota van wijziging zal artikel 5:1, onderdeel f,
komen te vervallen.</al>
      <al>Het begrip «groepsmaatschappij» komt inhoudelijk overeen met
het begrip «een in een groep verbonden rechtspersoon of instelling».</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden merkten verder op dat de prospectusrichtlijn
het begrip «basisprospectus» definieert. In hoofdstuk 5.1 wordt
dat niet gedaan. Zij vroegen of de regering kan toelichten of zij van mening
is dat het begrip basisprospectus voldoende duidelijk maakt wat dat is.</nadruk>
      </al>
      <al>Uit artikel 5:16, gelezen in samenhang met de toelichting op dit artikel,
blijkt voldoende duidelijk wat een basisprospectus is. De richtlijn prospectus
bevat bovendien een onduidelijke definitie. Het opnemen van een definitie
in dit wetsvoorstel in lijn met de definitie van basisprospectus in artikel
1, onder r, van de richtlijn prospectus zou verwarring scheppen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:2</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De richtlijn definieert het begrip «goedkeuring»,
waarschijnlijk omdat de betekenis afwijkt van wat in het normale spraakgebruik
onder goedkeuring wordt verstaan. In dit hoofdstuk is geen definitie opgenomen,
maar wordt in de toelichting beschreven wat onder goedkeuring moet worden
verstaan, zo merkten de leden van de VVD-fractie op. Dit leek deze leden een
minder juiste oplossing, omdat in de wet op meerdere plekken het begrip goedkeuring
wordt gehanteerd, maar dan in een afwijkende betekenis (te weten in de zin
van wat normaal gesproken onder goedkeuring wordt verstaan). Kan de regering
hierop ingaan?</nadruk>
      </al>
      <al>De in de richtlijn prospectus opgenomen definitie van het begrip «goedkeuring»
heeft als doel te harmoniseren op welke wijze de toezichthouder van de verschillende
lidstaten invulling dienen te geven aan de rol bij de beoordeling van aan
hen ter toetsing voorgelegde prospectussen. Het uitgangspunt is daarbij niet
geweest dat het begrip «goedkeuren», al dan niet in enige mate,
afwijkend zou zijn van hetgeen in het normale spraakgebruik onder «goedkeuren»
wordt verstaan. Wel is met opname van de definitie van het begrip «goedkeuring»
in de richtlijn prospectus beoogd zeker te stellen dat de beoordeling van
een prospectus een toets op volledigheid, consistentie en begrijpelijkheid
omvat, en uitdrukkelijk geen toets op de juistheid van de in het prospectus
verstrekte informatie. Deze bedoeling komt naar het oordeel van de regering
voldoende tot uitdrukking door opname van een omschrijving van het begrip «goedkeuring»
in de toelichting op artikel 5:2 van het wetsvoorstel.</al>
      <al>Indien het begrip «goedkeuren» elders in dit wetsvoorstel
wordt gebruikt, zal dat doorgaans betrekking hebben op het – overigens
evenmin gedefinieerde – begrip «goedkeuring» in de zin van
de Awb, tenzij uit de tekst en context van en de toelichting op de desbetreffende
bepaling blijkt van een andere betekenis. Een voorbeeld waarbij «goedkeuring»
in dezelfde betekenis zal worden gebruikt als in artikel 5:2 zijn de in het
wetsvoorstel overnamerichtlijn<voetref refid="v62.1" nr="1"></voetref> opgenomen bepalingen
die zien op de goedkeuring van een biedingsbericht. Deze bepalingen zullen
uiteindelijk in hoofdstuk 5.5 van dit wetsvoorstel worden opgenomen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:3</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De prospectusrichtlijn kent twee soorten «vrijstellingen».
In de eerste plaats bepaalt artikel 1, lid 2, van die richtlijn dat de richtlijn
niet van toepassing is op bepaalde categorieën effecten. Verder bepalen
de artikelen 3 en 4 van de richtlijn dat de prospectusplicht niet van toepassing
op bepaalde effecten. In hoofdstuk 5.1 lijken alleen de vrijstellingen van
de prospectusplicht te zijn verwerkt, zo constateerden de leden van de VVD-fractie.
Deze leden vroegen waar in de wet artikel 1, tweede lid, van de richtlijn
is geïmplementeerd. Artikel 5:4 leek volgens hen daartoe geen grondslag
te bieden, aangezien dat artikel de mogelijkheid biedt om vrijstelling van
artikel 5:2 te geven, en dat is een vrijstelling van de prospectusplicht.
Ook artikel 1:2 van de wet bood naar de mening van deze leden geen soelaas,
aangezien in dat artikel hoofdstuk 5.1 wel van toepassing wordt geacht. Kan
de regering hierop ingaan?</nadruk>
      </al>
      <al>Deze categorieën effecten uit artikel 1, tweede lid, van de richtlijn
prospectus zijn thans in de Vrijstellingsregeling Wte 1995 geregeld. Het voornemen
bestaat om de uitzondering van deze categorieën in een ministeriële
regeling onder dit wetsvoorstel te implementeren. Zie hierover ook het antwoord
op de vraag van de VVD-fractie over de verhouding van artikel 1:2 tot prospectusrichtlijn.</al>
      <al>Artikel 5:5 van het wetsvoorstel voorziet in een mogelijkheid om bij ministeriële
regeling vrijstelling te verlenen van artikel 5:2. Bij nota van wijziging
zal de grondslag van artikel 5:5 worden verruimd, zodat bij ministeriële
regeling vrijstelling kan worden verleend van hoofdstuk 5.1.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Dient aan het slot van onderdeel g «en»
niet «of» te zijn, aangezien het gaat om alternatieve mogelijkheden
in plaats van cumulatieve voorwaarden, zo vroegen de leden van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>Dit is juist, het woord «en» aan het slot van artikel 5:4,
onderdeel g, is onjuist en dient «of» te zijn. Dit zal bij nota
van wijziging worden gewijzigd.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:3, eerste lid, onderdeel b</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering aangeven waarom in dit lid niet weergegeven
is dat de honderd personen grens geldt «per lidstaat», zoals thans
in de wet is opgenomen en gelijk de prospectusrichtlijn, zo vroegen de leden
van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>Het verbod van artikel 5:2 strekt zich alleen uit tot het in Nederland
aanbieden van effecten aan het publiek. Omdat de AFM alleen toezicht houdt
op aanbiedingen van effecten die in Nederland plaatsvinden heeft het geen
zin om de term «per lidstaat» toe te voegen aan artikel 5:3, eerste
lid, onderdeel b.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:3, eerste lid, onderdeel c</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe is het bedrag van € 50 000 vastgesteld?
Wordt dit bedrag geïndexeerd, zo wilden de leden van de PvdA-fractie
weten.</nadruk>
      </al>
      <al>De uitzondering genoemd in artikel 5:3, eerste lid, onderdeel c, is gebaseerd
op artikel 3, tweede lid, onderdeel c, van de richtlijn prospectus. De bedragen
genoemd in de richtlijn prospectus zijn niet geïndexeerd en dit zal ook
niet gebeuren voor de bedragen in dit wetsvoorstel die rechtstreeks zijn overgenomen
uit de richtlijn prospectus. Indien bedragen in de richtlijn prospectus worden
aangepast dan zal dit ook in de wet worden gedaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Dient aan het slot van artikel 5:3, tweede lid, onderdeel
d, «en» niet «of» te zijn, aangezien het gaat om alternatieve
mogelijkheden in plaats van cumulatieve voorwaarden, zo vroegen de leden van
de VVD-fractie verder.</nadruk>
      </al>
      <al>Dit is juist, het woord «en» aan het slot van artikel 5:3,
tweede lid, onderdeel d, is onjuist en dient «of» te zijn. Dit
zal bij nota van wijziging worden veranderd.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:4, tweede lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de PvdA-fractie informeerden naar de onduidelijkheid
omtrent het toezichtbeleid met betrekking tot het openbaar maken van koersgevoelige
informatie en welke stappen ondernomen zijn om deze onduidelijkheid weg te
nemen.</nadruk>
      </al>
      <al>De bevoegdheid om toezicht te houden op het openbaar maken van koersgevoelige
informatie berust sinds de implementatie van de richtlijnen marktmisbruik
in de Wte 1995 (door middel van de Wet marktmisbruik<voetref refid="v64.1" nr="1"></voetref> ) bij de AFM. Deze wetswijziging is op 1 oktober 2005 in werking
getreden. Om meer duidelijkheid te verschaffen omtrent haar toezichtbeleid
heeft de AFM, naast de reeds in september 2005 uitgebrachte brochure «Snelgids
Koersgevoelige Informatie», voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd
voor uitgevende instellingen en is het mogelijk om (telefonisch) met de AFM
overleg te plegen of vragen te stellen over deze openbaarmakingsverplichting.
De uiteindelijke beslissing om al dan niet over te gaan tot publicatie van
de koersgevoelige informatie blijft uiteraard de verantwoordelijkheid van
de uitgevende instelling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe is de voortgang van één loket voor
financiële geschillen? Is de Consumentenbond er ook mee akkoord, zo vroegen
de leden van de PvdA-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>Diverse koepelorganisaties, waaronder de NVB, DSI en de NVA, hebben een
intentieverklaring ondertekend waarin is uitgesproken dat er tot één
geschilleninstantie zal worden gekomen. Er is een projectorganisatie opgericht
die het proces hiervoor zal begeleiden. Streefdatum voor het actief worden
van de nieuwe geschilleninstantie is 1 januari 2007. Zoals bekend stond
de Consumentenbond een model voor ogen, waarin de Wfd-geschilleninstantie
zou worden ondergebracht bij de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken
(SGC). De betrokken koepelorganisaties hebben hier niet voor gekozen, maar
hebben wel aangegeven bereid te zijn tot samenwerking met de SGC.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:4, aanhef, onderdeel h, onder 5</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Dient in dit artikelonderdeel niet «toezichthouder»
te worden vervangen door «Autoriteit Financiële Markten»
of is ook De Nederlandsche Bank N.V. hier bedoeld, zo vroegen de leden van
de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>In artikel 5:4, onderdeel h, onder 5, is abusievelijk «toezichthouder»
opgenomen waar Autoriteit Financiële Markten werd bedoeld. Dit zal bij
nota van wijziging worden veranderd.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:5</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie verwezen naar hun eerdere
opmerkingen bij het voorgestelde artikel 5:3. Volgens de toelichting op artikel
5:5 wordt beoogd om hiermee de vrijstelling voor het aanbieden van effecten
aan het publiek die deel uitmaken van een aanbieding waarbij de totale tegenwaarde
minder dan 2,5 miljoen euro bedraagt op te nemen. Deze leden begrepen niet
waarom voor deze vrijstelling een aparte ministeriële regeling nodig
is en zien hiertoe ook geen noodzaak aangezien de prospectusrichtlijn uitgaat
van maximumharmonisatie. Deze leden hadden een voorkeur voor het op wetsniveau
opnemen van alle vrijstellingen (en de buiten de reikwijdte van de richtlijn
vallende categorieën effecten). Kan de regering hierop ingaan?</nadruk>
      </al>
      <al>De richtlijn prospectus is niet van toepassing op de categorieën
genoemd in artikel 1, tweede lid, van de richtlijn prospectus. Ten aanzien
van deze categorieën is het lidstaten toegestaan om nationaal beleid
te voeren. De regering heeft vooralsnog het voornemen om deze categorieën
vrij te stellen in een ministeriële regeling bij dit wetsvoorstel. Het
vrijstellen van deze categorieën in een ministeriële regeling biedt
een zekere flexibiliteit. Mocht blijken dat misbruik wordt gemaakt van bepaalde
vrijstellingen dan kan de regering overwegen deze vrijstelling te schrappen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Genoemde leden vroegen voorts waarom niet in artikel
5:9 is opgenomen dat het gaat om standaarden voor de informatievoorziening
die van IOSCO afkomstig zijn, maar in de toelichting wel.</nadruk>
      </al>
      <al>In dit wetsvoorstel worden in beginsel geen Engelse termen gehanteerd.
IOSCO is in het Nederlands een internationale organisatie van effectentoezichthouders,
dat staat ook in artikel 5:9. Bovendien is de bepaling op deze manier bestand
tegen een eventuele naamswijziging van IOSCO.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:9a</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie waren van mening dat dit
artikel, door niet aan te sluiten bij de richtlijnbepaling waarop het is gebaseerd,
ertoe leidt dat de termijn binnen welke de Autoriteit Financiële Markten
de kennisgeving van haar besluit tot goedkeuring van het prospectus langer
kan zijn dan de termijn die geldt op de grond van de richtlijn. Deze leden
achtten dit ontoelaatbaar omdat de richtlijn uitgaat van maximumharmonisatie.
Kan de regering hierop ingaan?</nadruk>
      </al>
      <al>Uit de vraag van de VVD-fractie is niet af te leiden op welk punt wordt
afgeweken van de richtlijn prospectus. Hierdoor is het moeilijk de vraag specifiek
te beantwoorden. Naar de mening van de regering wordt de richtlijn prospectus
echter op een juiste wijze geïmplementeerd.</al>
      <al>Artikel 5:9a strekt ter implementatie van artikel 13 van de richtlijn
prospectus.</al>
      <al>In het eerste lid van dit artikel is geregeld dat de AFM onverwijld en
binnen ten hoogste tien werkdagen na ontvangst van de aanvraag van goedkeuring
besluit over de goedkeuring en dit bekend maakt bij de aanvrager. Onder werkdagen
vallen niet de algemeen erkende feestdagen als bedoeld in artikel 3 van de
Algemene termijnenwet. Voorts vallen onder werkdagen niet de vrije dagen uit
de collectieve arbeidsovereenkomst voor het bankbedrijf die door de AFM wordt
gevolgd.</al>
      <al>De aanvraag van goedkeuring is een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3,
derde lid, van de Awb. Met aanvrager wordt bedoeld degene die de aanvraag
tot goedkeuring indient. Hieronder kunnen dus, al naar gelang het geval, de
uitgevende instelling, degene die de effecten aanbiedt aan het publiek of
degene die om toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde
markt verzoekt vallen. Indien de AFM niet tijdig een besluit neemt, is artikel
6:2 van de Awb van rechtswege van toepassing. Aangezien de bezwaaren beroepsprocedure
op grond van artikel 1:95 zijn uitgezonderd voor de goedkeuringsbesluiten,
staat in een dergelijk geval rechtstreeks beroep open bij het College van
Beroep voor het bedrijfsleven.<voetref refid="v65.1" nr="1"></voetref></al>
      <al>In het tweede lid is geregeld dat, in afwijking van het eerste lid, de
termijn voor het nemen van een besluit en bekendmaking daarvan ten hoogste
twintig werkdagen bedraagt in geval van een eerste aanbieding van effecten
aan het publiek of een eerste toelating van effecten tot de handel op een
gereglementeerde markt. Het gaat hier dus altijd om gevallen waarin de AFM
nog geen kennis heeft van de uitgevende instelling waarvan de effecten worden
aangeboden.</al>
      <al>Op grond van het derde lid kan de AFM in twee situaties van de aanvrager
verlangen zijn aanvraag aan te vullen. De eerste situatie betreft het geval
waarin de ingediende documenten niet volledig genoeg zijn om over de goedkeuring
te beslissen. Van een onvolledige aanvraag is bijvoorbeeld sprake als bepaalde
rubrieken of schema’s die verplicht zijn op basis van de prospectusverordening
niet of niet volledig zijn ingevuld. De tweede situatie betreft het geval
waarin het ingediende prospectus op zichzelf wel voldoende volledig is om
de aanvraag te kunnen beoordelen, maar dat er op andere gronden aanvullende
informatie nodig is. Hiervan wordt geacht sprake te zijn, indien het voor
de AFM aangewezen is om (aanvullende of aangepaste) informatie aan de aanvrager
te vragen op basis van artikel 3, derde alinea, 22, eerste lid, derde alinea,
23, eerste lid, eerste alinea, of 23, derde lid, tweede alinea, van de
prospectusverordening. Het verzoek van de AFM om aanvullende informatie dient
in beide situaties te geschieden binnen de oorspronkelijke beslissingstermijn
van tien of twintig werkdagen. Wanneer na het verstrijken van
de gestelde termijn het onvolledige prospectus niet is aangevuld, kan de AFM
besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al>
      <al>Indien de verlangde aanvullende informatie wel wordt verstrekt, heeft
de AFM op grond van het vierde lid een nieuwe termijn van tien of twintig
werkdagen om te besluiten op de aangevulde aanvraag. Omdat dit artikel een
specifieke regeling geeft voor het aanvullen van aanvragen van prospectussen
en het vereenvoudigd afdoen van aanvragen door de AFM kan de generieke bepaling
van artikel 4:5 van de Awb (en daarmee ook artikel 4:15 van die wet) buiten
toepassing blijven. Uit artikel 13 van de richtlijn prospectus vloeit deze
bepaling voort. In het vierde lid van dat artikel is geregeld dat wanneer
de bevoegde toezichthouder op redelijke gronden oordeelt dat de ingediende
documenten onvolledig zijn of dat aanvullende informatie nodig is, de termijnen
voor de goedkeuring van het prospectus opnieuw starten op de datum waarop
de aanvullende informatie is vertrekt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:13, eerste lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering toelichten waarom in dit artikel het
woord «plichten» is opgenomen, terwijl dit niet is opgenomen in
artikel 5, eerste lid, van de prospectusrichtlijn, zo vroegen de leden van
de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>Het woord «plichten» is abusievelijk opgenomen en zal bij
nota van wijziging komen te vervallen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:14</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden merkten op dat artikel 5, tweede lid, laatste
alinea van de prospectusrichtlijn de mogelijkheid biedt om geen samenvatting
op te nemen. Zij vroegen waar die bepaling in de wet is geïmplementeerd.</nadruk>
      </al>
      <al>Artikel 5, tweede lid, laatste alinea, van de richtlijn prospectus dient
gelezen te worden in samenhang met artikel 19, vierde lid, van de richtlijn
prospectus. In artikel 19, vierde lid, laatste alinea, van de richtlijn prospectus
staat: «lidstaten kunnen in hun nationale wetgeving bepalen dat een
samenvatting moet worden opgesteld in hun officiële ta(a)l(en)».
Omdat geen gebruik wordt gemaakt van deze keuzemogelijkheid, is het ook niet
noodzakelijk om artikel 5, tweede lid, laatste alinea, van de richtlijn prospectus
te implementeren. In dit artikel staat namelijk dat het niet verplicht is
om een samenvatting op te stellen tenzij een lidstaat daar conform artikel
19, vierde lid, van de richtlijn prospectus om verzoekt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen verder waar in
de wet artikel 8, onderdeel b, van de prospectusrichtlijn is geïmplementeerd.</nadruk>
      </al>
      <al>Artikel 8, eerste lid, aanhef, van de richtlijn prospectus geeft lidstaten
een keuzemogelijkheid tussen de onderdelen a en/of b. De lidstaten zijn namelijk
normadressaat in artikel 8, eerste lid, van de richtlijn prospectus. Met het
oog op het functioneren van de financiële markten heeft de regering ervoor
gekozen om alleen artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de richtlijn prospectus
te implementeren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Naar de mening van de genoemde leden was het niet altijd
duidelijk of in hoofdstuk 5:1 «een gereglementeerde markt» of «een
gereglementeerde markt in Nederland» (zoals omschreven in artikel 1:1)
wordt bedoeld. Dit was vooral het geval door de soms afwijkende begrippen
in dit hoofdstuk (bijv. «een in Nederland gelegen of functionerende
gereglementeerde markt»). Kan de regering hierop ingaan?</nadruk>
      </al>
      <al>Het begrip «gereglementeerde markt in Nederland» is in artikel
1:1 van dit wetsvoorstel gedefinieerd als een gereglementeerde markt waarvan
de houder een erkenning heeft als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, dat
wil zeggen een erkenning van de Minister van Financiën.
Dit begrip komt niet voor in hoofdstuk 5.1.</al>
      <al>Het begrip «gereglementeerde markt» is (eveneens in artikel
1:1) gedefinieerd als een markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van de
richtlijn beleggingsdiensten of een soortgelijke markt in grondstoffenderivaten.
Onder dit begrip valt onder andere een gereglementeerde markt in Nederland.
Een gereglementeerde markt in Nederland heeft namelijk – in de vorm
van de genoemde erkenning van de Minister van Financiën – een vergunning
zoals bedoeld in artikel 1, onder 13, van de richtlijn beleggingsdiensten
(dat wil zeggen een vergunning van de bevoegde autoriteiten van een lidstaat
van de Europese Unie) en voldoet mede daardoor aan de criteria van het begrip
gereglementeerde markt. Het begrip gereglementeerde markt komt in hoofdstuk
5.1 voor in combinatie met «het toelaten van effecten tot de handel
op een gereglementeerde markt». Deze term is rechtstreeks overgenomen
uit artikel 2, eerste lid, onderdeel j, van de richtlijn prospectus.</al>
      <al>Het begrip «een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde
markt» is ook rechtstreeks overgenomen uit de richtlijn prospectus.
Bekeken zal worden of een en ander nog verder verduidelijkt kan worden.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:23</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de PvdA-fractie vroegen welke lessen de
regering heeft getrokken uit het debacle van World Online met betrekking tot
informatieverplichtingen ná goedkeuring van het prospectus. Kan de
regering daarbij met name ook ingaan op de mogelijkheid van onduidelijke informatie
in het prospectus? Ook vroegen zij of Nederland afwijkt ten aanzien van andere
EU-landen ten aanzien van de prospectusrichtlijn.</nadruk>
      </al>
      <al>Artikel 5:23 ziet op de mogelijkheid dat zich een belangrijke nieuwe ontwikkeling
voordoet of een materiele vergissing of onjuistheid wordt geconstateerd na
goedkeuring van het prospectus maar vóórdat de handel is aangevangen
dan wel vóórdat de aanbieding van effecten aan het publiek is
afgesloten. Bij World Online werd echter nadat de aanbieding was gesloten
en de handel reeds was aangevangen, geconstateerd dat sprake was van onduidelijke
informatie in het prospectus. Artikel 5:23 zou dus niet van toepassing zijn
geweest op de zaak World Online. Aangezien de richtlijn prospectus totale
harmonisatie beoogt wijkt dit niet af van wat in andere lidstaten is geregeld.</al>
      <al>In de praktijk is het aan de rechter om te oordelen of eventueel onduidelijke
informatie in het prospectus gekwalificeerd kan worden als een belangrijke
nieuwe ontwikkeling of een materiele vergissing of onjuistheid.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:26</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen of van het bepaalde
in het vierde lid van dit artikel ook gebruik kan worden gemaakt indien de
gereglementeerde markt in de andere lidstaat slechts over een vergunning beschikt
om beleggingsdiensten te mogen aanbieden. Indien de voorafgaande vraag bevestigend
wordt beantwoord, hoe wordt dan het gelijke speelveld gewaarborgd met soortgelijke
vanuit Nederland opererende activiteiten?</nadruk>
      </al>
      <al>Indien de gereglementeerde markt in de andere lidstaat slechts beschikt
over een vergunning om beleggingsdiensten te mogen aanbieden kan niet gebruik
worden gemaakt van het bepaalde in artikel 5:26, vierde lid. Hiervan kan slechts
gebruik worden gemaakt indien in de andere lidstaat een vergunning is verkregen
om een markt in financiële instrumenten te houden.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:28</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Klopt het dat in de laatste volzin van het tweede lid
het gedeelte «kunnen, in afwijking van de vorige volzin,» moet
worden geschrapt? In de laatste zin van de toelichting wordt gesproken over
een voorgenomen subdelegatie van een bevoegdheid tot het stellen van regels
aan de AFM, zo constateerden de leden van de VVD-fractie. Hoe wordt gewaarborgd
dat het hier slechts om onderdelen van technische of organisatorische aard
zal gaan?</nadruk>
      </al>
      <al>Het tweede lid van artikel 5:28, waarop deze vraag van de leden van de
VVD-fractie betrekking heeft, zal worden gewijzigd in de zesde nota van wijziging
bij dit wetsvoorstel. Het door de betreffende leden aangehaalde zinsdeel «kunnen
in afwijking van de vorige volzin,» zal daarbij vervallen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:38</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de toelichting bij dit artikel is opgenomen dat
de juridische titel op grond waarvan men de beschikking verkrijgt of verliest
over aandelen of stemmen niet relevant is, zo merkten de leden van de VVD-fractie
op. Vervolgens wordt als voorbeeld onder meer genoemd de vestiging van een
pandrecht op aandelen. In geval van verpanding van aandelen wordt toch niet
de beschikking over aandelen verkregen en wordt toch slechts het stemrecht
verkregen indien dat bij de vestiging van het pandrecht is bepaald?</nadruk>
      </al>
      <al>In geval van verpanding van aandelen wordt het stemrecht inderdaad slechts
verkregen door de pandnemer indien dit bij de vestiging van het pandrecht
is overeengekomen. Alleen in dat geval beschikt de pandnemer over de aan de
betreffende aandelen verbonden stemmen in de zin van dit wetsvoorstel. Dit
is geregeld in artikel 5:45, tweede lid, door middel van de woorden «...,
indien toepassing is gegeven aan... onderscheidenlijk 89, derde lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek».</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:39</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wordt voldoende onderkend dat de hierin opgenomen meldingsplicht
die niet het gevolg is van eigen handelen doch van een noemerwijziging die
er in resulteert dat een drempelwaarde wordt bereikt zeer hoge nalevingslasten
met zich meebrengt, zo vroegen de leden van de VVD-fractie. De termijn van
vier handelsdagen na de verwerking van de noemerwijziging in het register
vereist dat in beginsel dagelijks het register moet worden geraadpleegd. Deze
leden vroegen of niet gedacht kan worden aan een ICT-ondersteunde oplossing
waarbij in geval van een noemerwijziging automatisch door de AFM een bericht
wordt gezonden aan alle in haar register opgenomen houders van meldingsplichtige
belangen en/of stemmen om hen hierover te informeren met het verzoek om te
bezien of dit het doen van een nieuwe melding nodig maakt.</nadruk>
      </al>
      <al>De regering onderkent dat de in artikel 5:39 opgenomen meldingsplicht
nalevingskosten met zich brengt, maar wil er tegelijkertijd op wijzen dat
dit artikel dient ter implementatie van de richtlijn transparantie (artikel
9, tweede lid) en dus hoe dan ook in dit wetsvoorstel dient te worden opgenomen.
De regering staat positief tegenover het voorstel van de leden van de VVD-fractie
om te voorzien in een ICT-ondersteunde oplossing waarbij in geval van een
noemerwijziging door de AFM automatisch een bericht wordt verzonden aan belanghebbenden.
In dit kader kan worden gewezen op een zogenaamde alerteringsfunctie die binnen
het nieuwe door de AFM te voeren register van Wmz-melding zal worden ingebouwd.
Met behulp van deze functie zal een persoon die daarom heeft verzocht per
e-mail in beginsel een alerteringsbericht kunnen ontvangen wanneer een mutatie
in de in het genoemde register opgenomen noemergegevens van een uitgevende
instelling is verwerkt. Daarvoor zal deze persoon, naast het
betreffende verzoek, slechts zijn e-mail adres kenbaar hoeven te maken. Overigens
wordt opgemerkt dat deze norm, waarin niet wordt voorzien in de richtlijn
transparantie, dient te worden beschouwd als een inspanningsverplichting.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:45</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het, teneinde het ontstaan van dubbele meldplichten
(zowel door de economisch belanghebbende als de juridisch gerechtigde) te
voorkomen niet raadzaam, om bij het vierde tot en met zesde lid te bepalen
dat de in deze bepalingen genoemde derde wordt geacht niet te beschikken over
aandelen of stemmen (zoals daarin ook in het zevende lid wordt voorzien),
zo vroegen de leden van de VVD-fractie. Deze vraag is van overeenkomstige
toepassing op het bepaalde in het negende lid met dien verstande dat daar
in plaats van «derde» de «volmachtgever» moet worden
gelezen.</nadruk>
      </al>
      <al>Het is, zoals door de leden van de VVD-fractie gevraagd, niet raadzaam
om in het vierde, vijfde, zesde en negende lid van artikel 5:45 te regelen
dat de in deze leden genoemde derde (respectievelijk volmachtgever, in het
geval van het negende lid) wordt geacht niet te beschikken over de betreffende
aandelen en stemmen. In de betreffende leden wordt namelijk doelbewust, ter
bevordering van de transparantie en ter implementatie van de richtlijn transparantie,
een meldingsplicht beoogd voor zowel de in deze leden genoemde persoon als
de betreffende derde.</al>
      <al>Ten aanzien van een situatie die valt onder het vierde lid is het niet
mogelijk te bepalen dat de desbetreffende derde wordt geacht niet te beschikken.
In deze bepaling wordt geregeld dat, ook indien de aandelen van een persoon
door een derde voor zijn rekening worden gehouden, deze persoon toch wordt
geacht te beschikken over deze aandelen en de daaraan verbonden stemmen. Degene
die de aandelen houdt (de juridische eigenaar) is in deze situatie ook meldingsplichtig
op grond van het eerste lid van dit artikel.</al>
      <al>In geval van een overeenkomst als bedoeld in het <nadruk type="cur">vijfde</nadruk> lid zal iedere persoon die partij is bij een dergelijke overeenkomst
zich het totale aantal stemmen van alle personen die partij zijn bij deze
overeenkomst moeten toerekenen in het kader van zijn meldingsplicht. Hiermee
wordt uitvoering gegeven aan de richtlijn transparantie (artikel 10, onderdeel
a). Daarbij zal een persoon zich de stemmen waarover hij zelf beschikt rechtstreeks
moeten toerekenen, en zich de overige stemmen die deel uitmaken van de overeenkomst
middellijk moeten toerekenen. De personen die beschikken over de laatstgenoemde
stemmen zullen zich die echter rechtstreeks moeten toerekenen.</al>
      <al>Van de in het <nadruk type="cur">zesde</nadruk> lid geregelde situatie
van een tijdelijk en betaalde overdacht van stemmen is bijvoorbeeld sprake
bij een overeenkomst terzake van het in- en uitlenen van aandelen en de daaraan
verbonden stemmen. Hierbij beschikt de zogenaamde inlener over deze stemmen
(in de vorm van een rechtstreeks stemrecht) en wordt de uitlener (op grond
van het zesde lid) geacht te beschikken over deze stemmen (in de vorm van
een potentieel stemrecht). Hierdoor wordt uitvoering gegeven aan de richtlijn
transparantie (artikel 10, onderdeel b).</al>
      <al>In geval van de (in artikel 5:45, <nadruk type="cur">negende</nadruk> lid,
geregelde) situatie waarin sprake is van een volmachtverlening worden zowel
de volmachtgever als de volmachtnemer geacht te beschikken over de betreffende
stemmen in de zin van dit wetsvoorstel. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan
de richtlijn transparantie (artikel 10, onderdeel h). De volmachtnemer wordt
hierbij geacht te beschikken over een rechtstreeks stemrecht, terwijl de volmachtgever
beschikt over een potentieel stemrecht.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:46</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In het tweede lid, onderdeel b, en het derde lid wordt
het verlenen van een uitzondering op de meldingsplicht onder
meer gekoppeld aan het dan niet overschrijden van een drempelwaarde van 5
procent. Dit riep bij de leden van de VVD-fractie de vraag op hoe de betreffende
belangen zich verhouden tot de belangen die door de betreffende meldingsplichtige
financiële ondernemingen uit anderen hoofde worden gehouden. Zou het
niet beter zijn om deze uitzonderingen toe te staan ongeacht de hoogte van
de betreffende kapitaalbelangen en de daaraan verbonden stemmen?</nadruk>
      </al>
      <al>De in deze vraag bedoelde koppeling tussen een uitzondering op de meldingsplicht
en het bereiken van de drempelwaarde van 5 procent dient ter implementatie
van de richtlijn transparantie (artikel 9, vijfde lid, voor wat betreft het
tweede lid, onderdeel b, van artikel 5:46 onderscheidenlijk artikel 9, zesde
lid, voor wat betreft het derde lid van dat artikel). Dientengevolge is het
niet mogelijk om, zoals door de betreffende leden gevraagd, de in deze bepalingen
opgenomen uitzonderingen toe te staan ongeacht de hoogte van de betreffende
kapitaalbelangen en de daaraan verbonden stemmen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:48</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de toelichting bij het derde lid is opgenomen dat
de genoemde termijn van twee weken gaat lopen vanaf de datum waarop het daartoe
bevoegde orgaan van de uitgevende instelling de benoeming heeft verricht.
Hoe kan een bestuurder of commissaris redelijkerwijze aan deze verplichting
voldoen indien hij eerst later in kennis wordt gesteld van het betreffende
besluit tot benoeming, zo vroegen de leden van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>De in deze vraag genoemde situatie dat een bestuurder of commissaris van
een uitgevende instelling pas later (bedoeld zal zijn nadat de eveneens genoemde
termijn van twee weken zal zijn verlopen) in kennis wordt gesteld van een
besluit tot benoeming zal zich in de praktijk zelden of nooit voordoen. Voor
zover bekend hebben zich in de praktijk namelijk nooit problemen voorgedaan
met de toepassing van deze bepaling, die ook reeds is opgenomen in de huidige
wetgeving (artikel 2a, eerste lid, van de Wmz 1996). Daaruit kan worden afgeleid
dat een bestuurder of commissaris in de huidige praktijk reeds goed aan deze
verplichting kan voldoen, en mag worden aangenomen dat zij dit ook na inwerkingtreding
van de Wft zullen kunnen doen.</al>
      <tuskop letat="cur">Hoofdstuk 5.4</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op veel plaatsen in de memorie van toelichting bij
dit hoofdstuk 9 wordt aangegeven dat de terminologie is gewijzigd teneinde
beter aan te sluiten bij de Richtlijn Marktmisbruik. Het betreft wijzigingen
ten opzichte van de kort geleden in werking getreden Wet marktmisbruik die
juist diende ter implementatie van genoemde richtlijn (een wetsvoorstel waaraan
jaren is gewerkt teneinde zo veel mogelijk bij de richtlijn aan te sluiten).
Nu de wijziging van de terminologie een uitbreiding en verzwaring betekent
ten opzichte van de zojuist in werking getreden Wet Marktmisbruik, rijst de
vraag of hier wel sprake is van beleidsneutraal overnemen van wetgeving en
een goede motivering daarvan. Kan de regering hier op ingaan, zo vroegen de
leden van de VVD-fractie.</nadruk>
      </al>
      <al>In artikel 5:64 wordt inderdaad een inhoudelijke wijziging voorgesteld.
Zoals eerder aangegeven is dit het enige artikel uit hoofdstuk XII van de
Wte 1995 dat niet beleidsneutraal is overgenomen. Door de wijzigingen wordt
beter aangesloten bij de Uitvoeringsrichtlijn aanbevelingen<voetref refid="v70.1" nr="1"></voetref> en worden in artikel 5:64, tweede lid, de drie groepen normadressaten
op eenvoudiger wijze weergegeven dan in artikel 47e van de Wte 1995. Het opnemen
van de begripsbepalingen«beleggingsaanbeveling» en «uitbrenger
van een beleggingsaanbeveling» conform het Besluit marktmisbruik, leidt
niet tot een uitbreiding of een verzwaring, maar juist tot een
vereenvoudiging van de bepalingen. Een uitbreiding of verzwaring van de regels
inzake marktmisbruik is dan ook niet beoogd.</al>
      <al>De reikwijdte van het begrip «aanbieder» (artikel 5:53, derde
lid) is per abuis uitgebreid. Bij nota van wijziging zal dit worden gecorrigeerd,
zodat ook op dit punt de Wte 1995 beleidsneutraal is overgenomen. In de beantwoording
van de vraag over de definitie van «aanbieder» wordt hieronder
verder ingegaan op deze wijziging.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:53, derde lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen of de regering
in kan gaan op het gebruik van het begrip «aanbieder».</nadruk>
      </al>
      <al>Zoals toegelicht bij artikel 5:53, vijfde lid<voetref refid="v71.1" nr="1"></voetref>,
kan niet worden volstaan met «de uitgevende instelling die financiële
instrumenten heeft uitgegeven», omdat niet alle financiële instrumenten
worden uitgegeven. Als een persoon de wederpartij een voorstel doet om bijvoorbeeld
een optieovereenkomst te sluiten, is de persoon partij bij een overeenkomst
inzake een financieel instrument.</al>
      <al>De reikwijdte van het begrip «aanbieder» is per abuis uitgebreid,
omdat er in het voorstel geen onderscheid wordt gemaakt tussen degene die
een voorstel heeft gedaan (na nota van wijziging opgenomen in artikel 5:53,
vierde lid, onderdeel a) en degene die voornemens is een voorstel te doen
(na nota van wijziging opgenomen in artikel 5:53, vierde lid, onderdeel b).
In de Wte 1995 komt dit onderscheid terug doordat gesproken wordt van «effecten
heeft uitgegeven» en van «effecten heeft uitgegeven of zal uitgeven».</al>
      <al>Om de verwarring met de afwijkende definitie van aanbieder in hoofdstuk
5.1 te vermijden, wordt «degene die een koopovereenkomst inzake een
financieel instrument, niet zijnde een effect, heeft voorgesteld, welke tot
stand is gekomen» en «degene die een koopovereenkomst inzake een
financieel instrument, niet zijnde een effect, voorstelt» bij nota van
wijziging toegevoegd aan de definitie van «uitgevende instelling».
Een aparte definitie van «aanbieder» is daardoor niet meer nodig.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:53, zesde lid, onderdeel a</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie stelden voor om «een
onafhankelijk analist, een beleggingsinstelling (...) werkzame natuurlijke
persoon, als» te vervangen door «de personen, bedoeld in artikel
5:64, tweede lid, (aanhef) onder a».</nadruk>
      </al>
      <al>In lijn met het voorstel zal bij nota van wijziging in artikel 5:53, zesde
lid, onderdeel a, verwezen worden naar de personen die in artikel 5:64, tweede
lid, onderdeel a, zijn opgenomen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:55 (bedoeld zal zijn 5:58)</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen waarom er geen
grondslag is opgenomen voor het verlenen van een ontheffing c.q. tijdelijke
vrijstelling ten aanzien van een categorie transacties of handelsorders waarover
de AFM de Minister van Financiën wil gaan adviseren of heeft geadviseerd
deze uit te zonderen van het verbod van marktmanipulatie.</nadruk>
      </al>
      <al>Bij nota van wijziging zal in artikel 5:58, derde lid, worden opgenomen
dat de categorieën transacties of handelsorders waarop het verbod van
marktmanipulatie niet van toepassing is omdat er in deze situaties wordt gehandeld
in overeenstemming met een gebruikelijke marktpraktijk, bij ministeriële
regeling worden vastgesteld. Deze opname van de uitzondering in een ministeriële
regeling vergroot de rechtszekerheid. Het verlenen van een ontheffing c.q.
tijdelijke vrijstelling is niet nodig, omdat direct nadat de Minister van
Financiën heeft besloten het advies van de AFM over te nemen,
de ministeriële regeling geschreven kan worden en kort daarna in werking
kan treden.</al>
      <al>Neemt de Minister het advies niet over, dan vormt de marktpraktijk geen
uitzondering op het verbod van marktmanipulatie. De rechtszekerheid is gewaarborgd
door een uitzondering op te nemen in een ministeriële regeling, die sneller
tot stand kan komen dan een AMvB.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:56, eerste lid, onderdeel c</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen waarom de woorden «met
uitzondering van» worden gebruikt in plaats van «niet zijnde».</nadruk>
      </al>
      <al>Met beide termen wordt hetzelfde bedoeld. In de veronderstelling dat «met
uitzondering van» duidelijker was, is deze formulering aangepast, maar
nu blijkt dat «niet zijnde» duidelijker wordt gevonden, zal deze
eerdere wijziging bij nota van wijzing ongedaan worden gemaakt. De woorden «niet
zijnde» zullen dus terug komen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen of de regering
voor artikel 5:59, tweede en zevende lid, 5:60, eerste lid, onderdeel a, 5:61,
eerste lid, 5:62, eerste lid, 5:64, eerste lid, kan aangeven waarom is afgeweken
van de zojuist ingevoerde Wet marktmisbruik en waarom dit niet is toegelicht?
(p. 44)</nadruk>
      </al>
      <al>Zoals in de vraag over beleidsneutraal overnemen van wetgeving reeds is
aangegeven is in de vierde nota van wijziging alleen in artikel 5:64 een inhoudelijke
wijziging aangebracht ten opzichte van de Wte 1995. Tenzij anders is aangegeven,
vloeien wijzigingen voort uit het aansluiten bij de terminologie van de Wft
en is er geen inhoudelijke wijziging beoogd.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:59, eerste lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merken op dat artikel 5:59,
eerste lid, tevens geldt voor financiële instrumenten die nog niet zijn
uitgegeven of nog niet zijn toegelaten tot de handel.</nadruk>
      </al>
      <al>In artikel 47 van de Wte 1995 wordt gesproken van «effecten heeft
uitgegeven» en «verzocht is om toelating van die effecten».
Er is geen materiële wijziging beoogd. Daarom zullen bij nota van wijziging
de zinsneden «of voornemens is financiële instrumenten uit te geven»
en «of voornemens is als aanbieder partij te zijn bij financiële
instrumenten» komen te vervallen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:59, zevende lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen of de regering
kan bevestigen dat de zinsnede «bedoeld in die onderdelen» en «bedoeld
in dat onderdeel» tot doel hebben de reikwijdte van het zevende lid
te beperken tot financiële instrumenten die tot de handel op een gereglementeerde
markt zijn toegelaten of waarvoor toelating tot die handel is aangevraagd.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Verder vroegen deze leden of de verwijzing in artikel
5:59, zevende lid, naar artikel 5:56, eerste lid, niet een verwijzing naar
artikel 5:53, eerste lid, moet zijn.</nadruk>
      </al>
      <al>Nee, dat is niet beoogd. Er wordt verwezen naar artikel 5:56, eerste lid,
onderdeel a of b. Het gaat daar om financiële instrumenten die zijn toegelaten
tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland of waarvoor toelating
tot die handel is aangevraagd (onderdeel a) of om financiële instrumenten
die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in een andere
lidstaat of die zijn toegelaten tot de handel op een markt in financiële
instrumenten die is gevestigd en van overheidswege toegelaten in een staat
die geen lidstaat is, of in financiële instrumenten waarvoor toelating
tot die handel is aangevraagd (onderdeel b).</al>
      <al>De verwijzing in artikel 5:59, zevende lid, naar artikel 5:56, eerste
lid, moet inderdaad een verwijzing naar artikel 5:53, eerste lid, zijn. Bij
nota van wijziging zal deze verwijzing worden aangepast.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:60, tweede lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen of een gelieerde
derde een zelfstandige vrijstelling heeft in geval de hoofdmeldingsplichtige
zelf geen transacties verricht maar de gelieerde derde wel.</nadruk>
      </al>
      <al>Een gelieerde derde (artikel 5:60, tweede lid, juncto artikel 5 van het
ontwerp-Besluit marktmisbruik Wft) beschikt momenteel nog niet over een zelfstandige
vrijstelling, maar deze zal bij nota van wijziging worden geïntroduceerd.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:61, tweede lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen of de meldingsplichtige
een correctiemogelijkheid heeft indien naar zijn mening onjuiste gegevens
door de AFM worden opgenomen in het register. Voorts vroegen deze leden of
de regering in kan gaan op de constatering dat in de toelichting is vermeld
dat de AFM een inspanningsverplichting heeft wat betreft de juistheid en volledigheid
van de gegevens opgenomen in het register, maar dat dit niet strookt met de
zelfstandige correctiemogelijkheid die de AFM is gegeven in het tweede lid
van dit artikel.</nadruk>
      </al>
      <al>Een meldingsplichtige doet er uiteraard goed aan de AFM op de hoogte stellen
van het feit dat hij van mening is dat er onjuiste gegevens in het register
zijn opgenomen.</al>
      <al>De bevoegdheid van de AFM om de naar haar oordeel juiste gegevens in het
register op te nemen, komt overeen met de wijze waarop dit is geregeld voor
meldingen op grond van hoofdstuk 5.3 (Regels voor het melden van stemmen,
kapitaal, zeggenschap en kapitaalbelang in uitgevende instellingen). De AFM
dient zoveel mogelijk de juistheid en volledigheid van het register te bevorderen,
zodat het register daadwerkelijk het doel van transparantie dient.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:62</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen of er een verschil
in betekenis is tussen het begrip «bemiddelen» uit artikel 47c
van de Wte 1995 en het begrip «werkzaamheden verrrichten» uit
artikel 5:62 Wft.</nadruk>
      </al>
      <al>De reden waarom het begrip «bemiddelen» niet is gehandhaafd,
is inderdaad omdat dit begrip in de Wft reeds een andere betekenis heeft.
Met het begrip «werkzaamheden verrichten» is geen inhoudelijk
wijziging beoogd. De materiële betekenis van deze bepaling is dan ook
onveranderd.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:63, tweede lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen of de regering
in kan gaan op de strafrechtelijke vrijwaring uit artikel 5:63. Deze leden
gaven aan dat de vrijwaring in dubbel opzicht beperkt is, en wel tot (i) tenlasteleggingen
op grond van de artikelen 5:56 en 5:58 en (ii) gegevens en inlichtingen verstrekt
op grond van artikel 5:62 en vroegen de regering om een reactie.</nadruk>
      </al>
      <al>Dat een melding die te goeder trouw is gedaan generlei aansprakelijkheid
met zich brengt (artikel 11, derde lid, van de Uitvoeringsrichtlijn gebruikelijke
marktpraktijken<voetref refid="v73.1" nr="1"></voetref> ) komt terug in het eerste lid,
waarin staat dat een beleggingsonderneming die te goeder trouw een melding
heeft gedaan, niet aansprakelijk is voor schade die een derde dientengevolge
lijdt.</al>
      <al>Hoewel dit niet met zoveel woorden in artikel 11 van deze uitvoeringsrichtlijn
is opgenomen, blijkt uit de context dat de vrijwaring uit het tweede lid niet
geldt voor aansprakelijkheid voor gedragingen buiten het kader
van markmisbruik. Deze vrijwaring is bijvoorbeeld niet bedoeld voor een veroordeling
tot schadevergoeding op grond van een willekeurige onrechtmatige daad jegens
een derde. Verder wordt in artikel 11, derde lid, van deze uitvoeringsrichtlijn
verwezen naar «de overeenkomstig de artikelen 7 tot en met 10 gedane
melding (...) van informatie», waardoor ook de uitvoeringsrichtlijn
de vrijwaring koppelt aan de gegevens en inlichtingen die zijn verstrekt op
grond van artikel 5:62.</al>
      <al>Aangezien de beleggingsonderneming de normadresaat is van de zogenaamde
klikplicht (artikel 5:62) is dezelfde beleggingsonderneming eveneens de normadressaat
van de strafrechtelijke vrijwaring (artikel 5:63). In de Wet Melding ongebruikelijke
transacties komt een vergelijkbare bepaling voor (artikel 12 van die wet).
De regering heeft in dat kader na raadpleging van de sector geconcludeerd
dat de bestaande vrijwaringen adequaat zijn.<voetref refid="v74.1" nr="1"></voetref></al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:64</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen ofreclame voor
een beleggingsinstelling te kwalificeren is als een aanbeveling ex artikel
5:64 en of de inhoudsvoorschriften voor zo’n aanbeveling op de reclame
van toepassing zijn. Verder vroegen deze leden of het niet juister is om in
het vijfde en zesde lid te spreken over een verspreider van een beleggingsaanbeveling
in plaats van een uitbrenger van een beleggingsaanbeveling, aangezien deze
bepalingen zien op het verspreiden van beleggingsaanbevelingen die door een
derde zijn uitgebracht?</nadruk>
      </al>
      <al>In artikel 5:53, zesde lid, is het begrip beleggingsaanbeveling gedefinieerd.
Per concreet geval zal gekeken moeten worden of de reclame-uiting onder deze
criteria valt. In zijn algemeenheid is daar geen antwoord op te geven. De
AFM heeft de brochure «Uitbrengen van beleggingsaanbevelingen»
uitgegeven, waarin onder meer wordt ingegaan op de vraag wanneer iets aangemerkt
wordt als een beleggingsaanbeveling.</al>
      <al>In het vijfde en zesde lid wordt gesproken van «een uitbrenger van
een beleggingsaanbeveling die (...) een door een derde uitgebrachte beleggingsaanbeveling
(...) verspreidt». Er is niet voor gekozen nog een nieuwe term te introduceren
die heel beperkt gebruikt zou worden in deze toch al terminologisch gecompliceerde
bepalingen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:64, tweede lid, onderdelen b en c</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen wat het verschil
is tussen «andere dan de in onderdeel a bedoelde personen» (tweede
lid, onderdeel b) en «een ieder die niet in het kader van de uitoefening
van zijn beroep of bedrijf» (tweede lid, onderdeel c).</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Verder merken deze leden op dat in de transponeringstabel
achter artikel 5:53, vierde lid als corresponderend artikel uit de Wte 1995
artikel 45a, onder 2°, staat vermeld. Deelt de regering het standpunt
dat dit artikel 45a, onder 1°, Wte 1995 moet zijn?</nadruk>
      </al>
      <al>De personen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, handelen in
de uitoefening van hun beroep of bedrijf, de personen, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel c, handelen <nadruk type="cur">niet</nadruk> in de uitoefening
van hun beroep of bedrijf.</al>
      <al>De Uitvoeringsrichtlijn aanbevelingen richt zich grotendeels tot «betrokken
personen», welke handelen in het kader van hun beroeps- of bedrijfsuitoefening,
dus tot 1) onafhankelijke beleggingsanalisten, beleggingsondernemingen, kredietinstellingen,
andere personen van wie de hoofdactiviteit bestaat in het doen van aanbevelingen
of in het kader van een arbeidscontract of anderszins voor hen werkzame natuurlijke
personen (artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsrichtlijn
aanbevelingen, opgenomen in artikel 5:64, tweede lid, onderdeel a) en 2) andere
dan de onder 1) genoemde personen (artikel 1, vierde lid, onderdeel
b, van de Uitvoeringsrichtlijn aanbevelingen, opgenomen in artikel 5:64, tweede
lid, onderdeel b).</al>
      <al>Artikel 2, eerste lid, van deze uitvoeringsrichtlijn richt zich echter
tot een ieder, dus ook tot personen die <nadruk type="cur">niet</nadruk> in
het kader van hun beroeps- of bedrijfsuitoefening handelen. Zoals in de artikelsgewijze
toelichting op artikel 15 van het ontwerp-Besluit marktmisbruik is aangegeven,
is dit het enige artikel dat ook van toepassing is op personen die niet in
het kader van hun beroeps- of bedrijfsuitoefening beleggingsaanbevelingen
uitbrengen. Om het bereik van artikel 5:64 aan te geven, zijn in het tweede
lid de drie mogelijke normadressaten opgenomen.</al>
      <al>Het corresponderende artikel uit de Wte 1995 van artikel 5:53, vierde
lid, is inderdaad artikel 45a, onder 1°, en niet onder 2°, zoals in
de transponeringstabel is opgenomen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:65</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen of het niet juister
is om in de tekst van dit artikel met zoveel woorden te bepalen dat uitsluitend
een reglement hoeft te worden vastgesteld voorzover de betreffende uitgevende
instelling aandelen of financiële instrumenten waarvan de waarde mede
wordt bepaald door de waarde van deze aandelen heeft uitgegeven? (p. 46)</nadruk>
      </al>
      <al>De zinsnede «aandelen of financiële instrumenten waarvan de
waarde mede wordt bepaald door de waarde van deze aandelen» is per abuis
weggevallen. In het corresponderende artikel uit de Wte 1995 (artikel 47f)
is deze zinsnede wel opgenomen. Bij nota van wijziging zal deze zinsnede ingevoegd
worden.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:66</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen naar welke bepaling
in de toelichting wordt verwezen, aangezien artikel 5:66 geen tweede lid kent.</nadruk>
      </al>
      <al>De bevoegdheid van de AFM om een aanwijzing als bedoeld in artikel 5:66
openbaar te maken, is vervallen. Het informeren van het publiek zal in dit
geval plaats vinden via de uitgevende instelling of via de toezichtinstrumenten
die hiervoor ter beschikking staan. In de toelichting wordt per abuis naar
het vervallen tweede lid verwezen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:68</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden vroegen of het niet juister zou zijn in
het eerste lid, onderdeel b, te spreken over het beheersen in plaats van voorkómen
van belangenconflicten.</nadruk>
      </al>
      <al>Deze suggestie zal in de zesde nota van wijziging worden overgenomen.</al>
      <tuskop letat="cur">Hoofdstuk 5.5</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merkten op dat, in weerwil
van wat in paragraaf 7.7 van de Algemene toelichting wordt aangegeven,
in hoofdstuk 5.5 wel degelijk inhoudelijke wijzigingen worden opgenomen ten
opzichte van het huidige regime voor openbare biedingen in de Wte 1995. In
de toelichting op artikel 5:70 wordt uitgebreid ingegaan op één
inhoudelijke wijziging. Dit blijkt echter niet de enige inhoudelijke wijziging
te zijn. Voorts zijn bepalingen redactioneel anders geformuleerd, maar is
dit niet of nauwelijks toegelicht, ook niet daar waar wel degelijk een inhoudelijke
wijziging is beoogd. Deze leden vroegen de regering hierop in te gaan.</nadruk>
      </al>
      <al>Eerder in deze nota is reeds opgemerkt dat de inhoudelijke wijzigingen
in hoofdstuk 5, die in het bijzonder zien op een aanpassing van het toepassingsbereik
van de biedingsregels, ten onrechte niet zijn vermeld in paragraaf 7.7
van de Algemene toelichting. De overige wijzigingen hangen samen
met de andere redactie van begrippen in de Wft dan in de Wte 1995. Met deze
wijzigingen zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd. Materieel zijn de voorschriften
omtrent openbare biedingen, zoals ook in de artikelsgewijze toelichting op
artikel 5:71 is vermeld, gelijk gebleven. Materiële wijzigingen zullen
wel worden doorgevoerd in het thans bij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel ter
uitvoering van de overnamerichtlijn (zie voetnoot 54).</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:70</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vroegen waarom de definities
van «openbaar bod» en «bieder» niet in artikel 1:1
worden opgenomen. Deze begrippen komen niet alleen in hoofdstuk 5.5 voor (zie
bijvoorbeeld het hoofdstuk betreffende marktmisbruik). Naar de mening van
deze leden zou opneming van deze begrippen in artikel 1:1 meer flexibiliteit
voor de toekomst bieden en bijdragen aan een meer toekomstbestendige Wft.
Deze leden waren overigens van mening dat dit geldt voor meerdere begrippen
die in de bijzondere hoofdstukken zijn opgenomen. Kan de regering hierop ingaan?
De sector vroeg zich af of het begrip «openbare mededeling» evenals
nu het geval is pas op het niveau van de AMvB wordt ingevuld. Genoemde leden
achtten dit onwenselijk en gaven er de voorkeur aan dat definities zoveel
mogelijk op wetsniveau worden ingevuld. Kan de regering hierop ingaan?</nadruk>
      </al>
      <al>Ondanks dat de begrippen «openbaar bod» en «bieder»
niet voorkomen in hoofdstuk 5.4 zullen deze begrippen door het wetsvoorstel
overnamerichtlijn alsnog in artikel 1:1 worden opgenomen. Meer in algemene
zin worden definities in beginsel in artikel 1:1 opgenomen, tenzij een definitie
afwijkt van een eerder gedefinieerd begrip of het voor de inzichtelijkheid
van in een bepaald hoofdstuk opgenomen voorschriften inzichtelijker is om
de definities op één plaats te concentreren.</al>
      <al>Aan de invulling van het begrip «openbare mededeling», het
ontbreken van een definitie daarvan en de verhouding van dit begrip met de
voorschriften omtrent het tegengaan van marktmisbruik en gebruik van voorwetenschap,
wordt in het genoemde wetsvoorstel overnamerichtlijn nader aandacht besteed.
In het onderhavige wetsvoorstel is gekozen voor een beleidsneutrale overname
van het begrip «openbare mededeling».</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:70, onderdeel a</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hierin is naast een verwijzing naar het begrip «aanbod»
in het BW expliciet opgenomen de «uitnodiging tot het doen van een aanbod».
De leden van de VVD-fractie vroegen of een inhoudelijk verschil is beoogd
ten opzicht van de definitie van «aanbieden van effecten aan het publiek»
in artikel 5:1. In dat artikel wordt namelijk niet verwezen naar aanbod in
de zin van het BW. Kan de regering de verschillen ten opzichte van het voorgestelde
artikel 5:1 toelichten?</nadruk>
      </al>
      <al>Zoals eerder in reactie op een vraag over artikel 5:1 is opgemerkt zal
bij nota van wijziging dat artikel worden aangepast. Artikel 5:70 en 5:1 zullen
daardoor beide het element «uitnodiging tot het doen van een aanbod»
bevatten.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:71, tweede lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Volgens de leden van de VVD-fractie verdient het de
voorkeur dat in het tweede lid de delegatiegrondslag wordt geclausuleerd en
wordt aangegeven waar de regels die bij AMvB zullen worden opgenomen betrekking
op hebben. Nu is dat niet op voorhand duidelijk. Voorts is deze bepaling ten
opzichte van de Wte 1995 redactioneel gewijzigd (toevoeging door of namens
hem gedane), maar is dit niet toegelicht. Deze leden vroegen of de
regering kan toelichten of deze wijzigingen ook inhoudelijke wijzigingen met
zich brengen.</nadruk>
      </al>
      <al>Het voorgestelde artikel 5:71, tweede lid, zal na inwerkingtreding van
het wetsvoorstel overnamerichtlijn worden vervangen door het in dat wetsvoorstel
voorgestelde artikel 5:76, eerste lid, waarin een delegatiegrondslag is opgenomen
voor het bij algemene maatregel van bestuur bepalen van gegevens die in het
biedingsbericht moeten worden opgenomen. Ter uitvoering hiervan is thans het
Besluit openbare biedingen in voorbereiding.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:71, derde lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze bepaling is redactioneel gewijzigd ten opzichte
van de daarmee corresponderende bepaling uit de Wte 1995. Niet is toegelicht
waarom dit is gedaan, zo merkten de leden van de VVD-fractie op. Deze leden
achtten hier een toelichting van belang, omdat in dit artikellid de clausulering
in de delegatiegrondslag (met het oog op een adequate functionering van de
effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten) is komen te
vervallen ten opzichte van de Wte 1995. Hierdoor is het bereik van de regels
die bij AMvB kunnen worden gesteld verruimd. Kan de regering hierop ingaan?</nadruk>
      </al>
      <al>Niet beoogd is met het voorgestelde artikel 5:71, derde lid, een beleidsmatige
wijziging door te voeren ten opzichte van het huidige recht. Bedoeld derde
lid zal worden vervangen door artikel 5:76, tweede lid, onderdeel a, zoals
voorgesteld in het wetsvoorstel overnamerichtlijn, dat een delegatiegrondslag
bevat voor het stellen van regels met betrekking tot de voorbereiding, het
aankondigen, het uitbrengen, het verloop en de gestanddoening van het openbaar
bod.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:71, vierde lid</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Ook deze bepaling wijkt qua redactie af van de huidige
tekst uit de Wte 1995, aldus de leden van de VVD-fractie, terwijl uit de toelichting
niet blijkt wat de achterliggende reden en de eventuele gevolgen van de wijziging
zijn. Kan de regering hierop ingaan, zo vroegen deze leden.</nadruk>
      </al>
      <al>In het bestaande artikel 6a, vierde lid, is een zogeheten voorhangprocedure
opgenomen die inhoudt dat alvorens een wijziging van de artikelen 9a e.v.
van het Bte 1995 in werking kan treden de Staten-Generaal in kennis dient
te worden gesteld. Gelet op het belang van de materie is in het voorgesteld
artikel 5:71, vierde lid, eveneens een voorhangprocedure opgenomen terzake
van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels met betrekking tot
openbare biedingen. Deze voorhangprocedure is vanuit het belang van eenheid
van wetgeving opgesteld volgens het gangbare model van aanwijzing 43 van de
Aanwijzingen voor de regelgeving. Artikel 6a, vierde lid, is thans niet volgens
dat model geredigeerd.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:72</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat dient onder «soort» te worden verstaan,
zo vroegen de leden van de VVD-fractie. Vooral omdat in hoofdstuk 5:1 «categorie
of klasse» wordt gehanteerd.</nadruk>
      </al>
      <al>Het begrip «soort» is beleidsmatig neutraal en terminologisch
gelijkluidend uit de Wte 1995 overgenomen. Beoogd is echter niet dat aan dit
begrip een andere betekenis toekomt dan aan het in hoofdstuk 5:1 gebruikte
begrip «categorie of klasse» dat ziet op verschillende soorten
effecten (indien over «categorie» wordt gesproken) of op een onderverdeling
binnen één categorie (indien over «klasse» wordt
gesproken). Verwezen wordt naar de toelichting op artikel 5:3.</al>
      <al>Om te voorkomen dat door dit verschil in terminologie onduidelijkheid ontstaat over de reikwijdte van desbetreffende begrippen – en
geen verschil in reikwijdte is beoogd – zal bij nota van wijziging het
begrip «soort» in artikel 5:72 worden vervangen door «categorie
of klasse».</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Financiën,</functie>
        <naam>G. Zalm</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 32, blz. 35 tot en
met 41.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v2.2" nr="2">
    <al>Richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten in financiële
instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen nr. 85/611/EEG en nr. 93/6/EEG
van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad
en houdende intrekking van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad (PbEU
L 145).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nrs. 13, 16 en 19.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 32, blz. 1–2
(doorlopende toelichting), 28–29 (omzetting Wfd), 42–43 (plaatsing
definities).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v5.1" nr="1">
    <al>Beleidsregel inzake de betrouwbaarheid van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers
van en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande
instellingen (Stcrt. 2005, 20).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v7.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 32, blz. 12.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v8.1" nr="1">
    <al>In artikel 5:59, eerste lid, is artikel 6, eerste lid, juncto artikel
9, derde alinea, van de richtlijn marktmisbruik geïmplementeerd.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v8.2" nr="2">
    <al>Richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie
(PbEU L 96).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v8.3" nr="3">
    <al>Kamerstukken II 2004/05, 29 827, nr. 3.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v8.4" nr="4">
    <al>Artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v9.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2004/05, 30 125, nr. 2.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v10.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 19, blz. 390.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v10.2" nr="2">
    <al>Kamerstukken II 2004/05, 30 125, nrs. 2 en 3.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v11.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 34.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v11.2" nr="2">
    <al>Richtlijn nr. 85/611/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie
van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen
voor collectieve belegging in effecten (PbEG L 375).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v11.3" nr="3">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 19, blz. 612 en 613.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v11.4" nr="4">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 32, blz. 28 en 29.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v12.1" nr="1">
    <al>Zie bijvoorbeeld de toelichting op de definities van (onderdeel a van)
aanbieden, adviseren, adviseur, bemiddelen, financieel product, financiële
dienst, financiëledienstverlener, optreden als (onder)gevolmachtigde
agent en verzekering in artikel 1:1 (Kamerstukken II 2005/06, 29 708,
nr. 20, blz. 355, 356, 358, 359, 363, 368, 369, 371, 374 en 381)
en de toelichting op de artikelen 4:9, eerste lid, 4:11, 4:15, 4:20, 4:36,
4:37, 4:72, 4:73, en 4:94 tot en met 4:96 (Kamerstukken II 2005/06, 29 708,
nr. 20, blz. 500, 505 en 506, 509, 525, 546, 548 en 556).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v13.1" nr="1">
    <al>Richtlijn nr. 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling
(PbEG L 9).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v15.1" nr="1">
    <al>Richtlijn nr. 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten
die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot
de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van
Richtlijn 2001/34/EG (PbEU L 390/38).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v15.2" nr="2">
    <al>Bij nota van wijziging zullen de niet-verhandelbare rechten van deelneming
in closed-end beleggingsinstellingen (onderdeel f van de definitie van financieel
product in artikel 1:1) onder de definitie van financieel instrument in artikel
1:1 worden gebracht.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v15.3" nr="3">
    <al>Richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied
van beleggingen in effecten (PbEG L 141).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v22.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 30 300 IXB, nr. 30.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v22.2" nr="2">
    <al>Financieel Dagblad, «Cash is koning!», blz. 7, 3 januari
2006.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v22.3" nr="3">
    <al>Ondernemingsrecht, «Beperkingen op de organisatievrijheid van financiële
ondernemingen als gevolg van toezichtswetgeving», blz. 190 tot
en met 196, juni 2005.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v23.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 32, blz. 30 e.v.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v24.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 32, blz. 31 e.v.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v24.2" nr="2">
    <al>Fin0600018.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v24.3" nr="3">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 32, blz. 16 e.v.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v24.4" nr="4">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 34, blz. 26.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v25.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr 32, blz. 49.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v25.2" nr="2">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr 32, blz. 54 en 55.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v25.3" nr="3">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr 32, blz. 58.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v26.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 34, blz. 26.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v26.2" nr="2">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 32, blz. 60.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v26.3" nr="3">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 32, blz. 60.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v26.4" nr="4">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 32, blz. 60.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v27.1" nr="1">
    <al>Hof Amsterdam 6 oktober 2005, JOR 2006/12.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v28.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 32, blz. 20 e.v.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v28.2" nr="2">
    <al>Hof Amsterdam 6 oktober 2005, JOR 2006/12, overweging 4.11.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v29.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 32, blz. 62.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v30.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708. nr. 32, blz. 62.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v30.2" nr="2">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 32, blz. 65 en 66.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v35.1" nr="1">
    <al>Zie ook Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 32, blz. 67.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v38.1" nr="1">
    <al>Zie in dit verband ook onderdeel 9.c. van het advies van de Raad van State
en het nader rapport, Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 20, blz. 69
en 71.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v43.1" nr="1">
    <al>In dit verband wordt ook gewezen op de Engelse tekst van artikel 19, zesde
lid, eerste gedachtestreepje, van de MiFID: «the above services relate
to shares admitted to trading on a regulated market or in an equivalent third
country market, money market instruments, bonds or other forms of securitised
debt (excluding those bonds or securitised debt that embed a derivative),
UCITS and other non-complex financial instruments.», en de Franse tekst: «les
services mentionnés ci-dessus concernent des actions admises à
la négociation sur un marché réglementé ou sur
un marché équivalent d’un pays tiers, des instruments
du marché monétaire, des obligations et autres titres de créances
(à l’exception des obligations et autres titres de créances
qui comportent un instrument dérivé), des OPCVM et d’autres
instruments financiers non complexes.»</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v44.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 19, blz. 320.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v46.1" nr="1">
    <al>Richtlijn nr. 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand
van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de richtlijnen
nr. 90/619/EEG, nr. 97/7/EG en nr. 98/27/EG (PbEG L 271).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v49.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 1988/89, 21 127, nr. 3, blz. 20.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v49.2" nr="2">
    <al>Kamerstukken II 29 708, nr. 19, blz. 537.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v49.3" nr="3">
    <al>Kamerstukken II, 29 708, nr. 19. blz. 390 tot en met 395.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v50.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708. nr. 35, blz. 2.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v56.1" nr="1">
    <al>Verordening (EG) nr. 809/2004 van de Europese Commissie van 29 april
2004 tot uitvoering van richtlijn nr. 2003/71/EG van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie wat de in het prospectus te verstrekken informatie,
de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van
verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van advertenties
betreft (PbEU L 149).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v62.1" nr="1">
    <al>Wetsvoorstel ter uitvoering van richtlijn nr. 2004/25/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004
betreffende het openbaar overnamebod (Kamerstukken II 2005/06, 30 419).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v64.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2004/05, 29 827.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v65.1" nr="1">
    <al>Artikel 1:95 is aangepast bij de vijfde nota van wijziging.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v70.1" nr="1">
    <al>Richtlijn 2003/125/EG van de Europese Commissie van 22 december 2003
tot uitvoering van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad
wat de juiste voorstelling van beleggingsaanbevelingen en de bekendmaking
van belangenconflicten betreft (PbEU L 339).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v71.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 19, blz. 600.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v73.1" nr="1">
    <al>Richtlijn nr. 2004/72/EG van de Europese Commissie van 29 april
2004 tot uitvoering van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en
de Raad wat gebruikelijke marktpraktijken, de definitie van voorwetenschap
met betrekking tot van grondstoffen afgeleide instrumenten, het opstellen
van lijsten van personen met voorwetenschap, de melding van transacties van
leidinggevende personen en de melding van verdachte transacties betreft (PbEU
L 162).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v74.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II 2004/05, 29 990, nr. 7, blz. 21.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>