﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="nota">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29702-7/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2005-2006</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="wit.xns__3.5" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST96509</ordernr>
    <vergjaar>2005-2006</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 702</nummer>
      <naam>Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene
wet bestuursrecht)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>7</nummer>
      <titel>NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG</titel>
      <datum>Ontvangen 12 april 2006</datum>
      <tuskop letat="vet">1. Algemeen</tuskop>
      <al>Met belangstelling hebben wij kennisgenomen van de opmerkingen en vragen
van de vaste commissie voor Justitie (hierna: de commissie) en van de leden
van de fracties van het CDA, de VVD, de LPF en de ChristenUnie. Het verheugt
ons dat uit deze vragen en opmerkingen blijkt, dat de strekking en de hoofdlijnen
van het voorstel breed worden onderschreven. Hierna zullen wij de concrete
vragen en opmerkingen beantwoorden.</al>
      <tuskop letat="rom">1</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie onderschrijven de doelstelling
van het wetsvoorstel om een algemene regeling met betrekking tot bestuurlijke
geldschulden, bestuurlijke handhaving en attributie van bestuursbevoegdheden
aan ondergeschikten binnen de Awb tot stand te brengen.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zij willen benadrukken dat deregulering ook binnen
het bestuursrecht tot vereenvoudiging en verduidelijking kan leiden en derhalve
ook hier – voor zover mogelijk – gewenst is. Kan de regering aangeven
in hoeverre bij onderhavig wetsvoorstel de voornemens uit het Hoofdlijnenakkoord
om de administratieve lasten te verminderen zijn meegenomen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het doet ons genoegen dat de leden van de CDA-fractie de doelstelling
van het wetsvoorstel onderschrijven. Wij zijn het met hen eens dat deregulering
ook binnen het bestuursrecht tot vereenvoudiging en verduidelijking moet leiden.
Dat is ook de doelstelling van dit wetsvoorstel. Daarmee wordt ook het belang
van de verlichting van administratieve lasten gediend. Een voorbeeld daarvan
is de voorgestelde regeling van de geldschulden, waarin onder meer uniforme
voorschriften over de betaling zijn opgenomen. Zij vereenvoudigen niet alleen
het recht doordat talloze uiteenlopende regelingen worden vervangen door een
enkele, maar leiden er ook toe dat de overheid voortaan bij vertraagde betaling
rente moet vergoeden.</al>
      <tuskop letat="rom">2</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie hebben bij de plenaire
behandeling van het wetsvoorstel uniforme openbare voorbereidingsprocedure
Awb aangegeven bij het thans voorliggende wetsvoorstel dieper
in te gaan op de werking van de Awb in het algemeen. Zij merken op dat het
bestuursrecht de laatste jaren aanzienlijk ingewikkelder is geworden. Ook
met het opnemen van deze tranche wordt van betrokken partijen, ook van de
kant van de overheid, een grote deskundigheid ter zake verwacht. Daarmee wordt
eigenlijk afgestapt van het principe dat burger en bedrijf in bestuursrechtelijke
zaken zonder advocaat kunnen procederen. Deze leden vragen de regering of
de eenvoud en de begrijpelijkheid van het bestuursrecht in de loop der jaren
niet uit het oog verloren is. Hoe kijkt de regering hier tegenaan?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een algemene uitspraak over de vraag of het bestuursrecht de laatste jaren
ingewikkelder is geworden, is moeilijk te doen. Tendenties in beide richtingen
zijn aan te treffen. Enerzijds dwingen ontwikkelingen in de samenleving veelvuldig
tot het initiëren van nieuwe wetgeving. Het gaat dan in het algemeen
om nieuwe regelgeving in het bijzonder bestuursrecht. Anderzijds streeft de
regering ernaar tot zoveel mogelijk vereenvoudiging te komen. De Algemene
wet bestuursrecht is een voorbeeld daarvan. Zonder die wet zou het bestuursrecht
veel meer regels hebben gekend en minder toegankelijk zijn dan nu het geval
is. Ook dit wetsvoorstel biedt verschillende voorbeelden van vereenvoudiging.
Zo vervangt de regeling over de invordering van geldschulden tientallen regelingen
die dit onderwerp – vaak nog weer op een onderling afwijkende wijze –
in afzonderlijke wetten regelen. Ook de regeling van de uniforme openbare
voorbereidingsprocedure, door de leden genoemd, heeft talloze voordien bestaande
procedures vervangen door één enkele. Ook op het terrein van
het bijzonder bestuursrecht wordt aan vereenvoudiging gewerkt. Men denke aan
de herzieningen op het terrein van het belastingrecht, en aan het project
om voor het omgevingsrecht met één omvattende vergunning te
komen. Hoewel de regering zich dus inzet voor vereenvoudiging, moet ook bedacht
worden dat in een steeds ingewikkelder wordende samenleving de wetgeving niet
steeds eenvoudiger kan worden.</al>
      <tuskop letat="rom">3</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Voorts merken de leden van de VVD-fractie op dat het
bestuursrecht in het algemeen traag lijkt te werken. De periode van bezwaar
tot een uiteindelijke onherroepelijke rechterlijke uitspraak kan soms zeer
lange tijd duren. Dat is voor betrokkenen zeer nadelig, omdat het lang kan
duren voordat men weet waar men uiteindelijk aan toe is. Deze leden zien in
het creëren van de mogelijkheid om een bestuurlijke dwangsom op te leggen
tegen het overheidsorgaan dat niet tijdig besluit een deel van de oplossing.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een traag verloop van bestuurlijke procedures is – hoewel veel procedures
wel tijdig worden afgehandeld – één van de meest gehoorde
klachten over het openbaar bestuur. Met het oog daarop heeft de regering een
voorstel voor een Wet beroep bij niet tijdig beslissen ingediend (Kamerstukken
II 2005/06, 30 435, nrs. 1–4) terwijl ook het initiatief-wetsvoorstel
van de leden Wolfsen en Lichtenveld inzake een dwangsom bij niet tijdig beslissen
(Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 5) hierop betrekking heeft. Vragen
daarover kunnen het beste in het kader van die voorstellen worden behandeld.</al>
      <al>Opmerking verdient nog wel dat dit wetsvoorstel voor de vierde tranche
bestuursorganen verplicht tot rentevergoeding ingeval door trage besluitvorming
de burger een betaling van de overheid te laat ontvangt. </al>
      <tuskop letat="rom">4</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie merken op dat de uitbouw
van de Awb met rasse schreden vordert. Mede vanwege de fiscale implicaties
van het onderhavige wetsvoorstel wensen deze leden vragen te stellen.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zij hebben een algemene vraag over de budgettaire gevolgen
van het wetsvoorstel. Zij merken op dat in de memorie van toelichting (p.
9) staat dat na invoering van de vierde tranche Awb «de directe uitvoeringskosten
grosso modo niet zullen toenemen». Op welke gegevens baseert de regering
de verwachting dat de directe kosten niet zullen toenemen? Zullen de indirecte
uitvoeringskosten na invoering naar verwachting wel toenemen, zo vragen deze
leden.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De directe uitvoeringskosten van dit wetsvoorstel zullen grosso modo niet
toenemen omdat het accent van de regeling bij de geldschulden ligt op harmonisatie
van de huidige, divergerende regelingen, en bij de handhaving op harmonisatie
en codificatie van algemene bepalingen omtrent sancties. Het ligt voor de
hand dat dit bij de geldschulden tot enige besparing leidt omdat uniformering
van procedures en werkwijzen binnen uitvoeringsorganisaties mogelijk wordt.
Bij de handhaving zal de combinatie van harmonisatie en codificatie meer zekerheid
omtrent het geldende recht opleveren, en tegelijkertijd het bestuur dwingen
zorgvuldig met de oplegging van sancties om te gaan. Denkbaar is dat dit laatste
enige toename van lasten oplevert bij die bestuursorganen, waar de procedures
nu nog niet overeenkomstig de nu voorgeschreven standaarden van zorgvuldigheid
verlopen.</al>
      <al>Meer indirect, maar moeilijker precies aan te duiden, zijn de voordelen
die voortvloeien uit het feit dat de opleiding van ambtenaren en de voorlichting
aan het publiek vereenvoudigd kan worden, dat gemeenschappelijke uitvoeringsorganisaties
voor het innen van geldvorderingen kunnen worden ingericht, en dat de wetgever
eenvoudiger kan besluiten tot handhaving met behulp van bestuurlijke boetes
nu daarvoor een goede regeling van de waarborgen bestaat.</al>
      <tuskop letat="vet">2. Bestuursrechtelijke geldschulden</tuskop>
      <tuskop letat="cur">2.1 Algemeen</tuskop>
      <tuskop letat="rom">5</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De commissie constateert dat in het bestuursrecht het
accent in de afgelopen decennia heeft gelegen op de (noodzakelijke) rechtsbescherming
van de burger tegen de overheid, maar dat thans ook aandacht wordt besteed
aan andere aspecten van de verhouding tussen burger en bestuur, waaronder
aansluiting met algemene rechtsbeginselen die in het burgerlijk recht uitdrukking
hebben gevonden. De regeling van de bestuursrechtelijke geldschulden is daar
een voorbeeld van, zij het dat deze regeling door de beperking in omvang en
toepassingsbereik niet volledig is. Dat lijkt overigens niet goed te stroken
met de notie dat het tussen het bestuursrecht en het privaatrecht tot een
betere onderlinge afstemming moet komen.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Uit het eerste lid van artikel 4.4.1.1 volgt dat titel
4.4 alleen ziet op geldschulden die voortvloeien uit een wettelijk voorschrift
dat een verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan
regelt. Veel geldschulden blijven daarmee buiten het bereik van de titel,
waaronder alles wat onder het bestuursrechtelijke schadevergoedings-recht
valt.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Scheltema komt in een rede ter gelegenheid van zijn
afscheid als hoogleraar bestuursrecht tot de slotsom dat het bestuursrecht
een beetje sprookjesachtig is omdat het bestuursrecht soms ver af kan staan
van de werkelijkheid<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref>. In het verlengde van het
door Scheltema als «wondere» gekenschetste bestuursrecht merkt
de commissie op dat een werkwijze waarbij niet alle onderwerpen die samenhang
vertonen zoveel mogelijk en gelijktijdig in dezelfde wettelijke regeling worden
vastgelegd, meebrengt dat de structuur van die regeling daardoor inderdaad
wat sprookjesachtig (in de door Scheltema bedoelde zin) wordt.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Hoe beoordeelt de regering tegen die achtergrond het
door de Vereniging voor Bestuursrecht (VAR) instemmend beantwoorde vraagstuk
of een behandeling van de bestuursrechtelijke geldschulden, het bestuursrechtelijke
schadevergoedingsrecht en het bestuursrechtelijke overeenkomsten-recht in één
verband vanuit het algemene gezichtspunt van een geïntegreerde benadering
van de beschermingsaspecten op het grensgebied van bestuurs- en privaatrecht
niet de voorkeur verdient?<voetref refid="v4.1" nr="1"></voetref></nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De gedachte dat bestuursrechtelijke geldschulden op het terrein van de
schadevergoeding buiten titel 4.4 vallen, berust op een misverstand. Weliswaar
was dit in het voorontwerp het geval, maar in het wetsvoorstel worden ook
geldschulden die voortvloeien uit een besluit dat vatbaar is voor bezwaar
of beroep onder de regeling gebracht. In zoverre is dus aan de, ook door de
VAR onderschreven, wens tegemoet gekomen.</al>
      <al>Voor het overige menen wij dat het betere de vijand is van het goede.
Op zichzelf lijkt het op één moment tot stand brengen van een
veelomvattende regeling als door de VAR genoemd, een aanzienlijk voordeel
te zijn. Zij vergt echter een zo uitvoerige studie, en belast het wetgevingsproces
en de uitvoeringspraktijk met een zo omvangrijke vernieuwing, dat de nadelen
van deze benadering groot zijn. Daarom is bij de Awb gekozen voor het systeem
van een aanbouwwet, waarin nieuwe onderdelen tot stand worden gebracht wanneer
een algemene regeling van een onderwerp voordelen biedt, zonder dat gewacht
behoeft te worden op het gereedkomen van andere onderdelen.</al>
      <al>Die benadering is ook hier gekozen. Voor de geldschulden wordt nu een
aanzienlijke vereenvoudiging bereikt. Het is gewenst die tot stand te brengen
zonder te wachten op een regeling van de bestuursrechtelijke overeenkomst,
die zeker nog veel tijd zou vergen.</al>
      <tuskop letat="rom">6</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De commissie acht het ongelukkig wanneer subtiele,
soms omstreden, dogmatisch getinte en van geval tot geval voortschrijdende
keuzen bepalend kunnen zijn, bijvoorbeeld voor de rechtsmachtverdeling bestuursrecht-privaatrecht.
Is de diversiteit in bestuursrechtelijke geldvorderingen niet te groot voor
een uniforme regeling als thans voorgesteld? Kan de regering ingaan op de
tendens tot verdere harmonisatie en unificatie van bestuursrecht en privaatrecht
en hoe beantwoordt de regering in dat kader de vraag hoe de verhouding tussen
bestuursrecht en privaatrecht gezien moet worden? Waar ligt het primaat? Waar
loopt de «magische lijn»<voetref refid="v4.2" nr="2"></voetref>, zou bijvoorbeeld
het gedachtegoed van de ongerechtvaardigde verrijking een verdere uitwerking
in het bestuursrecht verdienen<voetref refid="v4.3" nr="3"></voetref> ? En de terugvordering
van onverschuldigde betaling<voetref refid="v4.4" nr="4"></voetref> ? Met andere woorden
hoe zal de bestaande grote mate van verwevenheid tussen bestuurs- en privaatrechtelijke
regels en normen in de Awb verder gestalte krijgen? Kan de regering daarbij
de te verwachten<voetref refid="v4.5" nr="5"></voetref> ontwikkelingen op het gebied
van de rechterlijke toetsing van het handelen van Europese overheidsinstanties
betrekken?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan de regering voorts nader toelichten waarom is gekozen
voor het van overeenkomstige toepassing verklaren van bepaalde regelingen
in het BW en niet voor het rechtstreeks toepasselijk kunnen zijn?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Naar het oordeel van de commissie moet verder nadrukkelijk
aandacht worden geschonken aan de vraag of met partiële aanpassingen
voor de justitiabele een beter hanteerbaar stelsel ontstaat. Iets dergelijks
geldt voor de vraag of niet ten onrechte afbreuk wordt gedaan aan de effectiviteit
van de geboden rechtsbescherming.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met de commissie vinden wij het ongelukkig wanneer subtiele, soms omstreden,
dogmatische en veranderlijke keuzen de rechtsmachtverdeling tussen bestuursrechter
en burgerlijke rechter beheersen. Veeleer gaat het erom keuzen te maken die
aansluiten bij de praktijk en eenvoudig hanteerbaar zijn. Dat
neemt niet weg dat de ervaring in alle landen waarin een afzonderlijke stelsel
van bestuursrechtspraak bestaat leert dat grensproblemen niet te voorkomen
zijn.</al>
      <al>Voor wat de onderhavige materie betreft, speelt dit probleem geen rol.
De regeling van titel 4.4 geeft uitsluitend inhoudelijke regels over bestuursrechtelijke
geldschulden. De regeling heeft geen betrekking op de rechtsmachtverdeling
tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter. Daarin wordt door het
wetsvoorstel dan ook geen verandering gebracht.</al>
      <al>Wel speelt de vraag een rol in hoeverre bij de regeling van de bestuursrechtelijke
geldschulden gebruik kan worden gemaakt van de bepalingen van het privaatrecht.
Daarbij hanteert het wetsvoorstel twee uitgangspunten.</al>
      <al>Allereerst de meer praktische vraag hoe de codificaties op het terrein
van het privaatrecht en het bestuursrecht zich tot elkaar verhouden. Ter wille
van de duidelijkheid moet de wetgever hier een helder stelsel kiezen. Het
ligt dan voor de hand dat het uitgangspunt is dat iedere codificatie is geschreven
voor het eigen rechtsgebied: het Burgerlijk Wetboek voor het privaatrecht,
en de Awb voor het bestuursrecht. Wanneer de wetgever wenst dat de bepalingen
van een bepaalde codificatie ook gelden voor het andere rechtsgebied, dan
moet hij dat uitdrukkelijk aangeven.</al>
      <al>Die systematiek komt ook in beide codificaties tot uitdrukking. Het BW
kent een aantal titels die niet alleen voor het privaatrecht zijn bedoeld,
maar ook voor het bestuursrecht. Dat is in die titels – van Boek 3 over
het vermogensrecht in het algemeen – uitdrukkelijk gebeurd door te bepalen
dat die titels «buiten het vermogensrecht van overeenkomstige toepassing
zijn, voor zover de aard van de rechtsverhouding zich daartegen niet verzet».
Blijkens de wetsgeschiedenis is met «buiten het vermogensrecht»
juist ook op het bestuursrecht gedoeld. Ook in de Awb komt het voor dat bepalingen
van het BW van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Daarnaast kent
de Awb een bepaling waarin bestuursrechtelijke regels in het privaatrecht
van overeenkomstige toepassing zijn verklaard – artikel 3:1, tweede
lid – en geschiedt datzelfde ook in het BW.</al>
      <al>Dit punt betreft de systematiek van de wetgeving, en heeft in zekere zin
een beperkte betekenis.</al>
      <al>Het tweede uitgangspunt is meer inhoudelijk van aard. Wanneer op het ene
rechtsgebied reeds rechtsregels bestaan, behoort bij het ontwerpen van bepalingen
op het andere rechtsgebied bij die regels te worden aangesloten, tenzij de
verschillende aard van de rechtsgebieden met zich meebrengt dat daartegen
duidelijke bezwaren bestaan. Eenvoud en eenheid van het recht verlangen immers
dat nodeloze verschillen tussen rechtsregels moeten worden voorkomen. Voor
de regeling van de geldschulden in de vierde tranche betekent dit dat steeds
is nagegaan of de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek over geldschulden
ook in het bestuursrecht toepassing kunnen vinden. Op soortgelijke wijze is
in de bepalingen over de bestuurlijke boete en de handhaving nagegaan in hoeverre
aansluiting kan worden gezocht bij de geldende regeling in het strafrecht.</al>
      <al>Het grote voordeel van deze benadering is dat de wetgever een duidelijke
keuze maakt over de toepasselijkheid in het bestuursrecht van de bepalingen
uit het burgerlijk recht en het strafrecht. In de huidige situatie bestaat
daarover nogal eens onzekerheid, omdat in de jurisprudentie soms de bepalingen
uit het andere rechtsgebied worden toegepast en in andere gevallen niet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hiermee is ook een antwoord gegeven op de vraag over de tendens tot verdere
harmonisatie tussen bestuursrecht en privaatrecht. Verschillen tussen de rechtsregels
uit die rechtsgebieden waarvoor geen goede reden bestaat, behoren te worden
vermeden. Het innemen van meer dogmatische standpunten over de verhouding
tussen bestuursrecht en privaatrecht kan de wetgever daarbij beter vermijden.
Een dogmatische beschouwing biedt vaak ook geen antwoord op de
concrete vragen waar het hier om gaat. De lengte van de betalingstermijn,
de vraag op welk tijdstip en op welke wijze betaald moet worden en de regeling
van de gevolgen van te late betaling moeten in beide rechtsgebieden geregeld
worden. De specifieke argumenten om voor dergelijke onderwerpen al dan niet
tot uniforme regels te komen, houden meestal geen verband met dogmatische
uitgangspunten, maar hebben een meer pragmatisch karakter.</al>
      <al>Het karakter van de Awb als aanbouwwet brengt met zich mee dat prioriteit
wordt gegeven aan die onderwerpen, waaraan in de rechtspraktijk een duidelijke
behoefte bestaat. De behoefte aan een regeling over de onverschuldigde betaling
of de ongerechtvaardigde verrijking zal dus moeten worden afgewogen tegen
de behoefte van een regeling van andere onderwerpen. Wel menen wij dat optreden
van de wetgever op het terrein van de schadevergoeding gewenst is. Om die
reden is een studiegroep ingesteld om die voor te bereiden. Daarbij zijn ook
de ontwikkelingen in Europa op het gebied van rechterlijke toetsing van overheidshandelen
aan de orde.</al>
      <al>Zoals in het verslag aangegeven worden bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek
van overeenkomstige toepassing verklaard, indien zij ook voor het bestuursrecht
behoren te gelden. Dat zij niet rechtstreeks van toepassing worden verklaard,
maar dat van overeenkomstige toepassing wordt gesproken, sluit direct aan
bij de terminologie die ook nu al in het Burgerlijk Wetboek en de Algemene
wet bestuursrecht wordt gebruikt. Men zie de artikelen 3:59, 3:79 en 3:326
BW en 3:1, tweede lid, Awb.</al>
      <al>Wij zijn ervan overtuigd dat de regeling van de geldschulden een grotere
eenheid van regels in het bestuursrecht ten gevolge heeft, en bovendien de
bestaande onzekerheid die in de jurisprudentie te vinden is, kan verminderen.
Dat is ook hier het doel van de codificatie.</al>
      <tuskop letat="rom">7</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de brief van 19 juli 2004 (29 279, nr.
16) inzake Rechtsstaat en Rechtsorde geeft het kabinet aan dat de Vierde tranche
en de daarmee verbonden aanpassingswetgeving leiden tot een ingrijpende vereenvoudiging
en sanering van de bijzondere bestuursrechtelijke wetgeving, waaronder de
inning en invordering van geldschulden van en aan de overheid. Het is echter
de vraag of de vele beslismomenten en de verschillende mogelijkheden van bezwaar
en beroep de slagvaardigheid ten goede komen. Kan de regering daar nader op
in gaan?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De commissie vraagt zich af of de vele beslismomenten en de verschillende
mogelijkheden van bezwaar en beroep de slagvaardigheid ten goede komen. Wij
merken op dat in de literatuur dezelfde kritiek op het voorontwerp is geleverd.
Teneinde daaraan tegemoet te komen is in het wetsvoorstel een voorziening
opgenomen. Deze voorziening houdt in dat het bezwaar en beroep tegen een betalingsbeschikking
zich mede richt tegen een bijkomende beschikking, zoals een beschikking omtrent
verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling
van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding (art. 4.4.5.1). Aldus
worden verschillende op zichzelf afzonderlijk appellabele besluiten voor bezwaar
en beroep samengenomen. Uiteraard gebeurt dit uitsluitend voorzover de appellant
de bijkomende beschikkingen betwist.</al>
      <tuskop letat="rom">8</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Van Paridon en Bax<voetref refid="v6.1" nr="1"></voetref> stellen
dat de regeling van titel 4.4 er ten onrechte vanuit gaat dat de vermogensrechtelijke
gevolgen van een handeling van een bestuursorgaan uitsluitende een rechtspersoon
treffen waartoe het bestuursorgaan hoort. Zo zouden er bestuursorganen zijn
die geen deel uitmaken van een rechtspersoon. De commissie ziet deze vraag
graag (nader) beantwoord.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij zouden, ter verduidelijking van hetgeen hierover reeds in de memorie
van toelichting is gezegd, nog het volgende willen opmerken. In de Awb wordt
steeds gesproken over bestuursorganen. Bestuursorganen zijn evenwel in de
regel geen privaatrechtelijk rechtssubject. Uitsluitend natuurlijke personen
en rechtspersonen zijn in het privaatrecht in staat om vermogensrechtelijke
rechtshandelingen te verrichten. Om die reden is het van belang een verbinding
te leggen tussen de Awb en het rechtspersonenrecht van het BW. Die verbinding
is gemaakt door te bepalen dat de vermogensrechtelijke gevolgen van een handeling
van een bestuursorgaan de rechtspersoon treffen waartoe het bestuursorgaan
behoort. De gedachte van Van Paridon en Bax dat er dan een probleem is indien
een bestuursorgaan geen deel uitmaakt van een rechtspersoon berust op een
onjuiste veronderstelling. Het komt niet voor dat een bestuursorgaan geen
deel uitmaakt van een rechtspersoon. Wanneer een bestuursorgaan in het leven
wordt geroepen, behoort dat bestuursorgaan tot de rechtspersoon (staat, gemeente,
provincie) die dat bestuursorgaan in het leven heeft geroepen. Dit is alleen
anders indien bij de instelling is bepaald dat het bestuursorgaan tot een
andere rechtspersoon behoort.</al>
      <tuskop letat="rom">9</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De commissie signaleert nog een zekere onzekerheid
bij het beschikkingskarakter van een aantal beslissingen. Zo voorziet het
voorgestelde artikel 4.1.1.4 lid 3 bijvoorbeeld in een mogelijkheid een betalingsverplichting
alsnog bij beschikking vast te stellen. Ziet de commissie het goed dan is
het toch zo dat de in titel 4.4 neergelegde verplichtingen (tot betaling,
vaststelling et cetera) en daaruit voortvloeiende bestuursrechtelijke geschilpunten
niet zien op de gestelde onrechtmatigheid van een door de burger omschreven
handelen van het bestuursorgaan, maar op het resultaat van een publiekrechtelijke
rechtshandeling van een bestuursorgaan (besluit/beschikking)? Wat is het rechtsgevolg
van de in het derde lid «geconstrueerde» beschikking? De commissie
vraagt, in navolging van Du Perron<voetref refid="v7.1" nr="1"></voetref>, of de vaststelling
van een wettelijke geldschuld van de overheid op grond van artikel 4.4.1.4.
lid 3 wel een werkelijke beschikking is, nu de betalingsverplichting niet
door de vaststelling ontstaat. De vaststelling heeft echter in zoverre rechtsgevolg,
dat het bestuursorgaan aan de vaststelling is gebonden en niet kan betogen
dat uit het betrokken wettelijk voorschrift eigenlijk een ander (lager) bedrag
volgt.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Men kan er inderdaad over aarzelen of de vaststelling van een betalingsverplichting
als door deze leden bedoeld in alle gevallen als een beschikking kan worden
aangemerkt, omdat niet altijd duidelijk is in hoeverre deze vaststelling op
rechtsgevolg is gericht. Om geen onzekerheid te laten bestaan vinden wij een
uitdrukkelijke bepaling, inhoudende dat de vaststelling «bij beschikking»
geschiedt, gewenst. Daarmee worden mogelijke onzekerheden weggenomen en wordt
zeker gesteld dat rechtsbescherming steeds door de bestuursrechter kan worden
geboden.</al>
      <tuskop letat="rom">10</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de memorie van toelichting staat dat een kwijtscheldingsregeling
zich niet leent voor regeling in de Awb. Het uitgangspunt is dat schulden
dienen te worden betaald. Een regeling met betrekking tot kwijtschelding kan
naar het oordeel van de regering beter worden gereserveerd voor een bijzonder
rechtsgebied, zoals de Invorderingswet 1990. Een dergelijke regeling leent
zich niet voor een algemene regeling in de Awb. De commissie kan zich in die
overweging vinden, zij het dat het de vraag is of voor aanzienlijke geldschulden
niet een soort «ventielbepaling» kan worden opgenomen, waarbij
naast een mogelijkheid van uitstel een (partiele) kwijtschelding (al dan niet
onder voorwaarden) in het geval van concrete betalingsonmacht wordt gerealiseerd.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij merken hierover op dat dit wetsvoorstel het bestuursorgaan de mogelijkheid
biedt de wederpartij uitstel van betaling te verlenen. Dit uitstel kan onder
voorwaarden worden verleend (vgl. art. 4.4.1.10). Wij hebben onze gedachten
nogmaals laten gaan over de vraag of het zinvol is daaraan een algemene regeling
voor, al dan niet partiële, kwijtschelding toe te voegen. Een algemene
wettelijke regeling is echter niet goed realiseerbaar, aangezien de gevallen
waarin kwijtschelding op haar plaats is, te veel van geval tot geval verschillen.
Bovendien valt niet uit te sluiten dat een dergelijke voorziening in de praktijk
een zekere aanzuigende werking zal hebben, terwijl het uitgangspunt toch moet
zijn dat schulden worden voldaan. Dit alles sluit overigens niet uit dat in
bijzondere wetgeving voor een bepaald geval een kwijtscheldingsregeling wordt
opgenomen.</al>
      <tuskop letat="rom">11</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het stemt de leden van de CDA-fractie tevreden dat
het accent in het bestuursrecht niet meer alleen ligt op de (noodzakelijke)
rechtsbescherming van de burger tegen de overheid, maar ook steeds meer op
andere aspecten van de verhouding tussen burger en overheid. De regeling voor
bestuursrechtelijke geldschulden, zoals voorgesteld in onderhavig wetsvoorstel,
is hier een duidelijk voorbeeld van. Hieruit zou men kunnen opmaken dat de
burger steeds meer als gelijkwaardige partij kan worden gezien ten opzichte
van het bestuursorgaan. Graag een reactie van de regering op dit punt. In
het kader van de rechtszekerheid zou naar mening van deze leden binnen de
toepassing van het bestuursrecht meer aansluiting bij privaatrechtelijke regels
mogen worden gezocht. Rechtstreekse toepassing van bepaalde regelingen in
het BW zou hierbij dan ook kunnen aansluiten.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij constateren met genoegen dat de leden van de CDA-fractie tevreden
zijn met de voorgestelde regeling, nu het accent niet meer alleen ligt op
de noodzakelijke rechtsbescherming tegen de overheid, maar ook ziet op andere
aspecten van de verhouding tussen burger en overheid. Hieruit zou men kunnen
opmaken, zo vervolgen deze leden, dat de burger steeds meer als gelijkwaardige
partij kan worden gezien ten opzichte van het bestuursorgaan. Op verzoek van
deze leden reageren wij op dit punt als volgt.</al>
      <al>Het bestuursrecht regelt de verhouding tussen bestuursorgaan en burger.
Anders dan in het privaatrecht, waarbij het steeds gaat om private partijen,
gaat het in het bestuursrecht om de verhouding tussen een bestuursorgaan en
een burger. De beide partijen nemen daarbij een verschillende positie in,
waarbij het bestuursorgaan – juridisch gezien – doorgaans bij
beschikking de onderlinge verplichtingen vaststelt. In het privaatrecht staat –
juridisch gezien – de tweezijdigheid van rechtsverhouding meestal voorop.</al>
      <al>Dit juridische verschil kan worden gezien als een uitvloeisel van het
feit dat de overheid in verhouding tot de burger als de meest machtige partij
kan worden beschouwd, terwijl in het privaatrecht van twee gelijkwaardige
partijen sprake is. Deze kenschets is echter te eenvoudig: in het bestuursrecht
komen verhoudingen voor waarin feitelijk sprake is van gelijkwaardige partijen,
terwijl in het privaatrecht sprake kan zijn van een sterke ongelijkwaardigheid.
Men denke aan het consumentenrecht.</al>
      <al>Los daarvan staat echter, dat ook in het bestuursrecht sprake is van een
zekere wederkerigheid in de onderlinge verhouding. Ook in de verhouding tussen
bestuursorgaan en burger behoren beide partijen zich aan hun over en weer
bestaande verplichtingen te houden. Zoals de overheid geen belastingaanslag
mag opleggen in strijd met de rechtsregels daarover, behoort de burger van
zijn kant de terecht opgelegde aanslagen te betalen. Het bestuursrecht behoort
de verplichtingen van beide kanten te sanctioneren. Aan de burger moet rechtsbescherming
worden geboden tegen onjuist opgelegde aanslagen, maar anderzijds moet ook
de verplichting van de burger om de terecht opgelegde aanslag
te betalen, afgedwongen kunnen worden. In die zin is er sprake van tweezijdigheid
in de rechtsverhouding tussen burger en bestuur en behoort het bestuursrecht
te zien op de rechten en verplichtingen van beide kanten.</al>
      <al>Wat de aansluiting bij het privaatrecht betreft, is hierboven reeds uiteengezet
dat de regels uit het privaatrecht over geldschulden in het wetsvoorstel zijn
gevolgd, voor zover er niet duidelijke argumenten bestaan om tot een andere
regeling te komen. Uit het oogpunt van rechtszekerheid verdient het daarbij
de voorkeur dat de wetgever nauwkeurig aangeeft welke regels wel en welke
niet gevolgd moeten worden, dan dat men dat- zoals nu – aan de jurisprudentie
overlaat. Daarbij maakt het voor de rechtszekerheid geen verschil of men van
rechtstreekse of van overeenkomstige toepassing spreekt: in beide gevallen
geldt de regel. Wanneer bijvoorbeeld voor de berekening van de wettelijke
rente of voor de gevolgen van devaluatie in artikel 4.4.2.2 een aantal bepalingen
van het BW van overeenkomstige toepassing worden verklaard, staat daarmee
precies vast welke regel geldt. Alleen zijn de bepalingen van het BW, inclusief
uitvoeringsbesluiten, geschreven voor privaatrechtelijke geldschulden, zodat –
overeenkomstig de in het BW gehanteerde systematiek – over van overeenkomstige
toepassing moet worden gesproken.</al>
      <tuskop letat="rom">12</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Ten aanzien van de regeling betreffende schuldvordering
merken de leden van de VVD-fractie het volgende op. Met het wetsvoorstel wordt
veel van de huidige rechtspraktijk als het ware gecodificeerd. Dit neemt niet
weg dat indien het voorstel wet wordt veel bestuursorganen naar het oordeel
van deze leden een grote omschakeling moeten maken. De regelgeving ter zake
schuldvordering heeft dan immers algemene gelding . Het systeem zal daarmee
het gehele scala aan bestuursrecht dekken. Zij vrezen dat dit grote aanloopproblemen
met zich zal meebrengen, er aanzienlijke aanpassingen in de werkwijze van
bestuursorganen moeten plaatsvinden en het investeringen in de kennis van
de medewerkers van bestuursorganen zal vergen. Verder zal de regeling ook
gaan gelden voor zelfstandige bestuursorganen die financiële besluiten
nemen. Hierbij kan worden gedacht aan de veelheid aan kleine subsidie- en
uitkeringsfondsen die Nederland kent (veelal stichtingen, zoals het Filmfonds
en de Stichting Patiëntenfonds PGO). Zullen niet ook allerlei certificerende
instanties die (tegen betaling) verplichte keuringen uitvoeren onder de regeling
vallen (denk aan de jaarlijkse keuring van het Liftinstituut)? Daarmee is
naar het oordeel van deze leden de regeling te breed opgezet. Daarmee wordt
onbedoeld veroorzaakt dat, door de vele beslismomenten, er in «procedures»
gaat worden gedacht door bestuursorganen. Deze leden vragen de regering uiteen
te zetten of het niet beter zou zijn de regeling in eerste instantie slechts
voor een aantal rechtsgebieden te laten gelden en daarna te evalueren.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Anders dan deze leden menen wij niet dat titel 4.4 te breed is opgezet.
Vooropgesteld zij dat naar ons oordeel niet kan worden gezegd dat deze regeling
teveel beslismomenten bevat. Zoals hierboven reeds aangegeven, biedt artikel
4.4.5.1 een voorziening die aan dit euvel tegemoet komt. Oogmerk van deze
titel is een uniforme regeling te geven die voor het gehele bestuursrecht
geldt en die eenheid brengt waar nu nog verscheidenheid heerst. In het bijzonder
valt de denken aan de algemene betalingstermijn van zes weken nadat de beschikking
is bekendgemaakt, de verplichting voor burger en overheid tot het betalen
van wettelijke rente bij betalingsverzuim, een algemene verjaringstermijn
van vijf jaren en een algemene regeling voor de invordering bij dwangbevel.
Aan een uniforme regeling bestaat behoefte omdat thans de betalingsregelingen
zonder aanwijsbare redenen zowel qua omvang als inhoud zeer sterk uiteenlopen,
hetgeen ook problematisch is in verband met de benodigde rechtszekerheid.
Indien de voorgestelde regeling slechts voor een aantal rechtsgebieden zou
gelden, zou dit oogmerk uiteraard niet worden gerealiseerd en zou, vergeleken
met de huidige stand van zaken, het systeem nog veel minder overzichtelijk
worden.</al>
      <al>Uiteraard hebben deze leden gelijk als zij constateren dat bestuursorganen,
ook de kleine, inspanningen zullen moeten verrichten om zich de nieuwe regeling
eigen te maken. Dat is bij de invoering van nieuw recht nu eenmaal altijd
het geval. Maar op den duur maakt een algemene regeling het recht juist overzichtelijker
en toegankelijker. Juist ook de kleine bestuursorganen profiteren daarvan.
De ervaring leert immers dat het werken met een algemene regeling veel meer
en sneller hulpmiddelen in de vorm van commentaren, handleidingen, modellen,
checklists e.d. beschikbaar komen dan voor een regeling die slechts een beperkt
gebied bestrijkt.</al>
      <al>In hoeverre een certificerende instantie een bestuursorgaan is en derhalve
onder de voorgestelde regeling valt, is niet in het algemeen te zeggen. Dit
hangt af van het type certificering en de daaraan verbonden rechtsgevolgen.</al>
      <tuskop letat="rom">13</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie merken op dat in de memorie
van toelichting (p. 11) staat dat ten aanzien van bijvoorbeeld de verrekening
van een geldboete met een recht op huursubsidie: «De publiekrechtelijke
taken die door verschillende bestuursorganen binnen een en hetzelfde openbare
lichaam worden verricht, zo divers zijn dat verrekening van uit die taken
voortvloeiende geldvorderingen in beginsel niet aan de orde kan zijn».
Acht de regering het bij wege van uitzondering wel mogelijk als gevolg van
de verregaande concentratie van taken bij de Belastingdienst (de Dienst inkomensafhankelijke
regelingen) het recht tot verrekening van de burger op grond van de «één
loket gedachte» uit te breiden?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Artikel 4.4.1.9 vereist dat de verrekening een wettelijke grondslag heeft.
In artikel 30 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is voorzien
in een verrekeningsregeling voor het geval er sprake is van een door de Belastingdienst/Toeslagen
in te vorderen schuld die voortvloeit uit een terugvordering. Verrekening
is in de eerste plaats mogelijk met een door de Belastingdienst/Toeslagen
uit te betalen bedrag. Dit uit te betalen bedrag kan zijn grondslag vinden
in zowel dezelfde inkomensafhankelijke regeling (bijvoorbeeld terugvordering
huurtoeslag met uitbetaling huurtoeslag) als een andere inkomensafhankelijke
regeling (bijvoorbeeld terugvordering huurtoeslag met uitbetaling tegemoetkoming
kinderopvang). In de tweede plaats kan de Belastingdienst/Toeslagen een terugvordering
verrekenen met een aan dezelfde belanghebbende uit te betalen bedrag dat voortvloeit
uit een aanslag inkomstenbelasting (al dan niet met een voorlopig karakter).
Het is in deze gevallen de Belastingdienst/Toeslagen die het besluit tot verrekening
neemt. De belanghebbende kan de Belastingdienst/Toeslagen echter ook verzoeken
om van de verrekeningsbevoegdheid gebruik te maken.</al>
      <tuskop letat="rom">14</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Voorts vragen deze leden in het kader van de verhouding
van de Awb tot het BW op welke wijze de regering de verhouding tussen de vierde
tranche Awb enerzijds en de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna:
Awr) 1959 en Invorderingswet 1990 anderzijds wil samenvatten.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De vierde tranche van de Awb harmoniseert de diverse regelingen op het
gebied van de geldschulden in de bijzondere bestuursrechterlijke wetgeving.
Bij het opstellen ervan is getracht zoveel mogelijk aansluiting te zoeken
bij bestaande regelgeving. Daarbij is wel in aanmerking genomen dat op verschillende
terreinen bij wet andere, specifieke regelingen zijn getroffen,
die zozeer met de eigen aard van die bijzondere wetgeving samenhangen, dat
het niet steeds goed mogelijk is de regeling zonder meer aan de Awb aan te
passen. De wetgeving op het terrein van het belastingrecht vormt daar een
voorbeeld van.</al>
      <al>De aanpassing van wetgeving aan de vierde tranche van de Awb zal plaatsvinden
door middel van een separaat wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel is thans in voorbereiding,
maar vooruitlopend daarop kan reeds worden opgemerkt dat waar nodig en mogelijk
bepalingen uit de belastingwetgeving op de Awb worden afgestemd. Zo kent de
Invorderingswet 1990 thans een eigen aanmaningsbepaling met een daaraan gekoppelde
termijn van tien dagen. De vierde tranche Awb kent hiervoor een algemene regeling
met een termijn van twee weken. De bewuste bepaling in de Invorderingswet
1990 kan daardoor komen te vervallen.</al>
      <al>De Invorderingswet 1990 zal voorts in verband met haar specifieke karakter
op een aantal punten een aanvullende regeling bieden ten opzichte van de vierde
tranche Awb. Zo bevat deze wet de mogelijkheid een dwangbevel te betekenen
door middel van terpostbezorging. Deze methode van betekening komt niet voor
in de algemene regeling van de vierde tranche Awb, maar is voor de uitvoeringspraktijk
van de Belastingdienst wel van groot belang en zal dus aanvullend geregeld
blijven in de Invorderingswet 1990. Dit geldt eveneens voor enige andere in
de Invorderingswet 1990 opgenomen regels, zoals omtrent voorrecht en bodemrecht
e.d. Waar nodig zal in de Invorderingswet 1990, gelet op de eigenheid van
het belastingrecht, op een aantal onderdelen worden afgeweken van de vierde
tranche Awb. Zo wordt in de Invorderingswet 1990 gewerkt met in rekening te
brengen en te vergoeden heffings- en invorderingsrente in plaats van met een
algemene wettelijke rente zoals de vierde tranche kent.</al>
      <al>Soortgelijke opmerkingen kunnen worden gemaakt ten aanzien van het fiscale
boeterecht. De vierde tranche Awb regelt de procedure die bij het opleggen
van de bestuurlijke boete moet worden gevolgd. Dit betreft een aantal zaken
die nu in de AWR zijn geregeld. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:
het zwijgrecht, una via en de boetebeschikking. Het voorgaande zal ertoe leiden
dat in beginsel dergelijke formele boetebepalingen in de AWR kunnen vervallen.
De vierde tranche Awb regelt niet in welke gevallen een bestuurlijke boete
kan worden opgelegd, noch hoe hoog die boete dan is. Dit materiële boeterecht
blijft geregeld in de fiscale wetgeving.</al>
      <tuskop letat="rom">15</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Tevens hebben deze leden over de opzet van de regeling
enkele vragen. In de memorie van toelichting (p. 23) schrijft de regering: «Het
bestuursorgaan mag voor de kosten van de aanmaning een forfaitair bedrag in
rekening brengen dat afhankelijk is van de hoogte van de schuld». In
het kader van het beginsel «gelijke monniken, gelijke kappen»:
welke kosten mag de burger in rekening brengen als hij de overheid aanmaant
tot betaling van een geldschuld? Waarom voorziet het onderhavige wetsvoorstel
niet in een aanpassing van de Invorderingswet 1990 in de vorm van «een
betalingstermijn en een renteregeling, dan wel regels en sancties die gelden
indien de ontvanger in gebreke blijft met betalen» (zie J.J. Vetter,
De regeling voor bestuursrechtelijke geldschulden in het voorontwerp voor
de Vierde tranche Algemene Wet Bestuursrecht; van maatpak naar confectiepak,
FED 2001/215, p. 815), zo vragen deze leden.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij willen voorop stellen dat het openbaar bestuur en in het bijzonder
de Belastingdienst in de regel tijdig betalen. Voor het bijzondere geval dat
het bestuursorgaan in verzuim is, wordt het verplicht tot betaling van de
wettelijke rente over het bedrag dat hij aan de burger verschuldigd is (artikel
4.4.2.2).</al>
      <al>Zoals bij de beantwoording van de vorige vraag reeds is opgemerkt, is
de aanpassingswetgeving nog in voorbereiding. Artikel 9, eerste lid, van de
Invorderingswet 1990 geeft een betalingstermijn van twee maanden voor een
belastingaanslag. Opgemerkt dient te worden dat de Belastingdienst in het
overgrote deel van de gevallen reeds enkele dagen na de vaststelling van de
beschikking waaruit een uit te betalen bedrag blijkt, uitbetaalt. Voor het
enkele geval dat hij er niet in slaagt binnen de geldende termijn van twee
maanden te betalen én tevens de Belastingdienst in verzuim is, is bovendien
voorzien in een renteregeling. Deze renteregeling bestaat reeds sinds 1990,
zij het dat deze regeling geen wettelijke basis heeft, maar in de beleidssfeer
is totstandgekomen. Deze regeling wordt ook wel de coulancerenteregeling genoemd.
De Belastingdienst zal een dergelijk renteaanbod alleen doen als hij zelf
in verzuim is. Wat betreft de hoogte van deze rente wordt aangesloten bij
de voor de fiscaliteit geldende heffings- en invorderingsrente. Geconcludeerd
kan derhalve worden dat de Invorderingswet 1990 reeds voorziet in een betalingstermijn
voor door de Belastingsdienst uit te betalen bedragen en de Belastingdienst
tevens rente vergoedt in het geval hij in verzuim is bij het uitbetalen.</al>
      <tuskop letat="rom">16</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen
of in verband met de toepassing van titel 4.4 ook private instellingen die
met een publiekrechtelijke taak zijn belast met een bestuursorgaan worden
gelijkgesteld. Als voorbeeld noemen zij de ziektekostenverzekeraars. Zowel
de ziekenfondspremies als de omslagpremies berusten op een wettelijke verplichting.
Inzake de verhouding tussen verzekeraar en verzekerde moet echter gezegd worden
dat deze primair door civielrecht wordt beheerst.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij herinneren er aan dat de Awb een algemene wet is die voor een zeer
belangrijk deel regels geeft waaraan primair bestuursorganen zijn gebonden.
Overeenkomstig de in de Awb gebruikelijke terminologie wordt in titel 4.4.
steeds gesproken van bestuursorganen. Dit wetsvoorstel brengt geen wijziging
teweeg in de reikwijdte van het begrip bestuursorgaan.</al>
      <al>Ook organen van privaatrechtelijke instellingen die met een publieke taak
zijn belast, moeten soms als bestuursorgaan in de zin van de Awb worden aangemerkt.</al>
      <al>Onder de nieuwe Zorgverzekeringswet (Stb. 2005, 358) is iedere inwoner
verplicht een zorgverzekeringsovereenkomst te sluiten met een privaatrechtelijke
zorgverzekeraar. Deze zorgverzekeraar zal voor dit deel van zijn werkzaamheden
geen bestuursorgaan zijn. Zorgverzekeraars kunnen er echter voor kiezen ook
de AWBZ uit te voeren. Voor dat deel van hun werkzaamheden zullen zij dan
wél bestuursorgaan zijn. Op besluiten die zij bij de uitvoering van
de AWBZ nemen, is de Awb – evenals vroeger het geval was – van
toepassing. Het zou tot onoverzichtelijkheid leiden om van die toepassing
weer de regeling van de geldschulden uit te sluiten.</al>
      <tuskop letat="rom">17</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zij vragen voorts een nadere toelichting op de keuze
de betalingsverplichting na verloop van vijf jaren te laten verjaren. Deze
termijn komt deze leden vanuit het bestuursorgaan geredeneerd onwenselijk
lang voor, zeker daar het voor het bestuursorgaan te allen tijde mogelijk
is door bijvoorbeeld aanmaningen of invorderingsacties de termijn van verjaring
te stuiten. Het komt onredelijk over als alsnog een betalingsverplichting
van kracht blijft in gevallen dat het bestuursorgaan jarenlang helemaal niets
van zich heeft laten horen. Zij wijzen er in dit verband op dat nog onlangs
een motie in de Kamer is aangenomen die een termijn van twee jaar stelt inzake
de betaling van eigen bijdragen in de Thuiszorg en vragen mede naar aanleiding
daarvan of een termijn van twee jaar niet meer in de rede ligt. Een andere
overweging zou kunnen zijn om in de termijn onderscheid te maken
tussen burgers zijnde natuurlijke personen en rechtspersoonlijkheid bezittende
instellingen, omdat van de laatste meer dan van burgers kan worden verondersteld
dat zij in een meer gelijkwaardige positie ten opzichte van de overheid verkeren.
Graag ontvangen deze leden een reactie op deze suggestie.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen verder een nadere toelichting
op de keuze de betalingsverplichting na verloop van vijf jaren te laten verjaren.
Zij vinden deze termijn onwenselijk lang en vragen of een termijn van twee
jaar niet meer in de rede ligt. Als alternatief doen zij de suggestie om in
de termijn onderscheid te maken tussen burgers zijnde natuurlijke personen
en rechtspersoonlijkheid bezittende instellingen.</al>
      <al>Begrijpen wij het goed, dan is het vooral de onzekerheid van de burger
over de vraag of hij nu wel of niet moet betalen, die de leden op deze suggesties
brengt, temeer nu de burger dikwijls niet in een gelijkwaardige positie tegenover
de overheid staat. Wij willen vooropstellen dat mogelijke onzekerheden voor
de burger vooral kunnen zitten in de termijn waarop het bestuursorgaan de
verplichting tot betaling oplegt. Voor de goede orde: dit is een termijn met
een ander karakter dan de verjaringstermijn van titel 4.4. De termijn waarbinnen
het bestuursorgaan de betalingsbeschikking moet nemen, is in veel gevallen
geregeld in de bijzondere wetgeving. Deze termijn leent zich niet goed voor
een algemene regeling in de Awb. Daarvoor verschilt deze termijn te veel per
terrein waarop de betaling betrekking heeft. Nadat het bestuursorgaan de betalingsbeschikking
heeft genomen, is de schuldenaar rechtens verplicht de schuld te voldoen binnen
de gestelde betalingstermijn. In veel gevallen betaalt de schuldenaar gelukkig
zonder dat er invorderingsmaatregelen worden genomen. Ook is het vaak mogelijk
een betalingsregeling te treffen. De betalingsverplichting blijft bestaan
wanneer het bestuursorgaan na het verstrijken van de betalingstermijn geen
invorderingmaatregelen neemt. Het zou een verkeerd signaal zijn als een betalingsverplichting
in feite alleen zou bestaan voorzover het bestuursorgaan de betaling afdwingt
of dreigt af te dwingen. Van onzekerheid over de betalingsverplichting behoeft
bij de burger dus geen sprake te zijn, mits maar een duidelijke betalingsbeschikking
is genomen.</al>
      <al>Het bestuursorgaan dient de invorderingsmaatregelen te nemen binnen de
gestelde verjaringstermijn. Wij hebben deze termijn op vijf jaar gesteld.
De lengte van deze verjaringstermijn sluit aan bij de meest gebruikelijke
termijn in het BW. Deze termijn leent zich wel voor een uniforme regeling
in de Awb. Voorts is de verjaringsregeling van de Awb vooral gericht op een
algemene regeling van de mogelijkheden tot stuiting van de verjaring met inbegrip
van de daaraan verbonden gevolgen.</al>
      <tuskop letat="cur">2.2. Artikelsgewijs</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4.4.1.2</tuskop>
      <tuskop letat="rom">18</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie constateren dat in de memorie
van toelichting (p. 32) de regering schrijft: «Ook bij betalingen door
de overheid behoort ter wille van de rechtszekerheid als regel een beschikking
vooraf te gaan aan de verplichting tot betaling». Op welke wijze kan
een burger afdwingen dat – bij weigering – de Ontvanger binnen
redelijke termijn een beschikking neemt waaruit voor de overheid een geldschuld
voortvloeit?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De regering heeft erkend dat een «verzuim»
van de overheid/schuldeiser om de betalingstermijn bij beschikking te vermelden
reden kan zijn om de overschrijding van de betalingstermijn verschoonbaar
te achten (memorie van toelichting p. 33). Is bij de bepaling van de «verschoonbaarheid»
de in het kader van artikel 6:11 Awb gewezen jurisprudentie relevant?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor door de ontvanger te nemen beschikkingen gelden de termijnen uit
de belastingwetgeving en de algemene bepalingen over termijnen voor beschikkingen
in de Awb. Indien een beschikking uitblijft kan de burger bij de ontvanger
bezwaar maken wegens niet tijdig beslissen (artikel 6:2 Awb). Op grond van
artikel 6:12 Awb is hij daarbij niet gebonden aan een bepaalde termijn maar
dient hij dat te doen binnen een redelijke termijn na het uitblijven van de
beschikking. In dit verband is van belang dat een aanvulling op de Awb in
voorbereiding is die voorziet in een effectiever rechtsmiddel voor de burger
waarmee hij bij een bestuursorgaan kan afdwingen dat deze binnen redelijke
termijn een beschikking neemt (voorstel voor een Wet beroep bij niet tijdig
beslissen). Verwezen zij voorts naar het initiatief-wetsvoorstel van de leden
Wolfsen en Luchtenveld inzake een dwangsom bij niet tijdig beslissen (Kamerstukken
II 2004/05, 29 934, nr. 5).</al>
      <al>De vraag van deze leden of bij het bepalen van het al dan niet verschoonbaar
zijn van een overschrijding van de betalingstermijn de in het kader van artikel
6:11 Awb gewezen jurisprudentie relevant is, beantwoorden wij bevestigend.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4.4.1.5</tuskop>
      <tuskop letat="rom">19</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In artikel 4.4.1.5. van het wetsvoorstel wordt voorgeschreven
dat betaling geschiedt door bijschrijving op een daartoe bestemde bankrekening
ten name van de schuldenaar, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
In artikel 4.4.1.6, eerste lid, wordt reeds voorzien in uitzonderingen op
deze regeling, namelijk voor de gevallen waarin girale betaling bezwaarlijk
is.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Koopman meent dat het regelen van de wijze van betaling
aan de bijzondere wetgever moeten worden overgelaten<voetref refid="v14.1" nr="1"></voetref>. Dat voorkomt discussies over de vraag of girale betaling al dan niet
bezwaarlijk is. Dat er in de praktijk genoeg situaties denkbaar zijn waarin
girale betaling niet de geëigende weg is, ligt volgens hem voor de hand.
Daarnaast ontstaan nieuwe betalingsvormen, waarbij de debiteur langs elektronische
weg betaalt, en de crediteur het in zijn macht heeft de bijschrijving op zijn
bankrekening direct plaats te laten vinden of uit te stellen. Door in het
tweede lid van artikel 4.4.1.5 het moment van betaling te koppelen aan de
bijschrijving op de bankrekening, wordt de debiteur naar zijn mening tekort
gedaan. Het zou naar het oordeel van Koopman de voorkeur genieten in plaats
van het thans voorgestelde artikel 4.4.1.5, een bepaling op te nemen waarin
staat dat indien betaling geschiedt door overmaking door de debiteur op een
daartoe door de schuldeiser aangewezen bankrekening, de betaling geschiedt
op het tijdstip waarop de rekening wordt gecrediteerd. Gezien de vele betalingswijzen
die in de praktijk zijn gegroeid zou hij verdere regelgeving in de bijzondere
wet willen opnemen. De commissie vraagt de regering aan te geven of de door
Koopman in het voorontwerp gesignaleerde kwesties met de huidige tekst in
het wetsvoorstel van de baan zijn. Zo neen, waarom niet?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zowel in het voorontwerp als in het wetsvoorstel is als hoofdregel neergelegd
dat de schuldenaar giraal betaalt. Maar een belangrijk verschil met het voorontwerp
is dat het wetsvoorstel het mogelijk maakt dat door de bijzondere wetgever
van de hoofdregel wordt afgeweken (men zie het eerste lid). Verder is het
derde lid in die zin verduidelijkt dat dit voorschrift uitsluitend betrekking
heeft op betaling door bijschrijving op een bankrekening. Een daartoe strekkende
bepaling is in bijgaande nota van wijziging opgenomen. In zoverre zijn wij
aan het voorstel van Koopman tegemoet gekomen. Voorts kan de betaling in andere
vorm plaatsvinden indien girale betaling naar het oordeel van het bestuursorgaan
niet wenselijk is (art. 4.4.1.6). Wij achten het echter niet wenselijk dat
de vaststelling van de wijze van betaling zonder deze hoofdregel aan de bijzondere wetgever wordt overgelaten, omdat dan een versnipperd systeem
zou ontstaan en de eenheid die dit wetsvoorstel beoogt te realiseren zou zoekraken.
Met de thans voorgestelde bepaling kan aan beide wensen tegemoet worden gekomen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4.4.1.6</tuskop>
      <tuskop letat="rom">20</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat
in dit artikel de hoofdregel is neergelegd dat betaling giraal geschiedt.
De afwijking is pas aan de orde als dit naar het oordeel van het bestuursorgaan
bezwaarlijk is. De burger zou echter ook argumenten kunnen hebben waarom girale
betaling bezwaarlijk is. Op welke wijze worden die argumenten gewogen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het oordeel dat girale betaling bezwaarlijk is, is in handen gelegd van
het bestuursorgaan. Dit ligt in het systeem van de Awb enigszins voor de hand:
het is het bestuursorgaan dat in het algemeen de beslissingen neemt. Dit neemt
niet weg dat het bestuursorgaan bij zijn beslissing alle relevante belangen –
dus ook de belangen van de betrokken burger die girale betaling bezwaarlijk
acht – dient te betrekken en dient af te wegen tegen de belangen die
voor girale betaling pleiten.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4.4.1.9</tuskop>
      <tuskop letat="rom">21</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In artikel 4.4.1.9 is geregeld dat verrekening van
een geldschuld met een bestaande vordering niet mogelijk is tenzij dat bij
wettelijk voorschrift is bepaald. Bij subsidies is er bijvoorbeeld reden een
dergelijke wettelijke voorziening te treffen. De publiekrechtelijke taken
die door verschillende bestuursorganen binnen een en hetzelfde openbare lichaam
worden verricht, zijn – zo staat in de memorie van toelichting –
zo divers dat verrekening van uit die taken voortvloeiende geldvorderingen
in beginsel niet aan de orde kan zijn. De commissie vraagt in het verlengde
van die vaststelling of in de voorgestelde verrekeningsbepaling is uitgesloten
dat verrekening plaatsvindt buiten eenzelfde rechtsverhouding of rechtsbetrekking.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ingevolge de voorgestelde bepaling kan verrekening slechts plaatsvinden
voorzover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien.
Een dergelijk wettelijke voorschrift kan een grondslag bieden voor een verrekening
die buiten eenzelfde rechtsbetrekking plaatsvindt. Zo is het krachtens de
sociale zekerheidswetgeving mogelijk dat een bestuurlijke boete die op grond
van de ene wet wordt opgelegd, wordt verrekend met een uitkering krachtens
een andere wet (zie bijvoorbeeld artikel 27g, tweede lid, Werkloosheidswet).</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4.4.1.10</tuskop>
      <tuskop letat="rom">22</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie constateren dat tijdens
uitstel van betaling de wettelijke rente gaat lopen of de wettelijke rente
loopt door. Op grond van artikel 4.4.2.5 kan een bestuursorgaan bij beschikking
bepalen dat geheel of gedeeltelijk geen wettelijke rente is verschuldigd (memorie
van toelichting p. 49). Kan de regering voorbeelden geven van situaties waarin
bestuursorganen kunnen bepalen dat geheel of gedeeltelijk geen wettelijke
rente is verschuldigd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gedacht kan worden aan het geval dat met een belanghebbende met een geringe
aflossingscapaciteit een betalingsregeling wordt getroffen die tevens
een gedeeltelijke kwijtschelding inhoudt. Het ligt dan niet voor de hand om
wel rente te berekenen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 4.4.2.1 en 4.4.2.2</tuskop>
      <tuskop letat="rom">23</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Indien niet tijdig is betaald, treedt verzuim in met
als gevolg dat de wettelijke rente verschuldigd wordt, zoals geregeld in artikel
4.4.2.2. Is het bestuursorgaan schuldeiser, dan zal het na het intreden van
verzuim in beginsel een aanmaning zenden en vervolgens verdere invorderingsmaatregelen
kunnen treffen. Artikel 4.4.2.1 regelt het tijdstip waarop de schuldenaar
geacht wordt in verzuim te zijn. Met het begrip «verzuim» is aangesloten
bij artikel 6:81 e.v. BW. De regeling is volgens de memorie van toelichting
vooral van belang voor het bepalen van het begin van de termijn waarover wettelijke
rente moet worden betaald, maar het verzuim heeft ook andere gevolgen. Zo
kan het bestuursorgaan eerst een aanmaning sturen wanneer het verzuim is ingetreden.
Het verzuim ontstaat wanneer de schuldenaar niet tijdig heeft betaald. Het
primaire oogmerk van de aanmaning is de schuldenaar in de gelegenheid te stellen
alsnog de vordering te voldoen. De schuldenaar wordt tevens gewaarschuwd voor
mogelijke invorderingsmaatregelen. Hij krijgt nog twee weken om zijn schuld
te voldoen. Een soort terme de grâce. Hoe verhouden deze twee weken
van respijt zich tot het gegeven dat de harde zes weken termijn duidt op een
fatale termijn en de schuldenaar daarmee zonder ingebrekestelling al in verzuim
is, zo vraagt de commissie.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Indien niet tijdig is betaald, is de schuldenaar in verzuim. De betalingstermijn
bedraagt doorgaans zes weken. De aanmaningstermijn is in de regel twee weken.
De commissie vraagt hoe deze twee termijnen zich tot elkaar verhouden. Het
antwoord hierop is dat het verzuim intreedt zodra de betalingstermijn is verstreken.
Maar het bestuursorgaan kan dan niet onmiddellijk gaan invorderen. Alvorens
tot invordering over te gaan dient het bestuursorgaan de schuldenaar een aanmaning
te sturen, waarin de schuldenaar nog twee weken de tijd krijgt om zijn schuld
te voldoen. Voordat invorderingsmaatregelen kunnen worden genomen, zijn bij
een betalingstermijn van zes weken dus minstens acht weken verstreken. Aangezien
het verzuim intreedt zodra de in de betalingsbeschikking genoemde betalingstermijn
is verstreken, is de schuldenaar wettelijke rente verschuldigd over de termijn
die hem in de aanmaning wordt gegund.</al>
      <tuskop letat="rom">24</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie merken op dat het artikel
4.4.2.1 de volgende – nogal cryptische – zin bevat: «De
regeling laat de vaststelling van de omvang van de schade onverlet, met inbegrip
van de eventueel daarbij behorende rentecomponent» (p. 46). Betekent
deze zin dat naast de wettelijke rente nog een «extra» percentage
aan rente als schadevergoeding kan worden gevraagd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De geciteerde zin heeft betrekking op de vordering tot schadevergoeding
uit onrechtmatige daad. Bij een onrechtmatige daad is de schuldenaar in de
regel wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat de schadetoebrengende
gebeurtenis plaatsvond. De betalingsbeschikking, met de betalingstermijn,
wordt veelal eerst op een veel later tijdstip genomen. Titel 4.4 heeft geen
betrekking op de grond waarop de betalingsbeschikking wordt genomen. Deze
regeling geeft voorschriften over de wettelijke rente die verschuldigd is
als de in de betalingsbeschikking genoemde betalingstermijn is verstreken.
Over de samenstelling van het verschuldigde bedrag, en dus ook over de rente
die reeds verschuldigd kan zijn, zwijgt titel 4.4. Bepalingen daarover zouden
wellicht kunnen worden opgenomen in een bestuursrechtelijke regeling
over schadevergoeding. Zoals gezegd, is een studiegroep ingesteld die zich
over schadevergoeding buigt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4.4.2.3</tuskop>
      <tuskop letat="rom">25</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Artikel 4.4.2.3 bepaalt dat het bestuursorgaan het
bedrag van de verschuldigde wettelijke rente vaststelt. Deze bepaling geldt
zowel in de situatie dat het bestuursorgaan de schuldeiser is als wanneer
hij de schuldenaar is. De commissie vraagt wie de rente zal vaststellen wanneer
zowel de schuldeiser als de schuldenaar bestuursorganen zijn.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals in de memorie van toelichting (blz. 47) is uiteengezet, stelt in
dat geval de schuldeiser de rente vast. De reden hiervoor is dat de schuldeiser
onder omstandigheden geheel of gedeeltelijk kan afzien van het in rekening
brengen van de wettelijke rente.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4.4.2.6</tuskop>
      <tuskop letat="rom">26</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie merken op dat in de memorie
van toelichting (p. 51) de regering schrijft: «Onderhavig artikel laat
onverlet dat, indien daarvoor gronden zijn, nog vergoeding van andere schade
mogelijk is». Kan de regering voorbeelden van schade noemen die de burger –
indien een betalingsbeschikking door de belastingdienst onjuist is vastgesteld –
als «andere schade» kan vorderen?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Onder de huidige belastingwetgeving bestaat, behoudens
de regeling met betrekking tot de heffings- en invorderingsrente, geen wettelijke
regeling. Wel heeft de staatssecretaris van Financiën een beleidsregel
uitgevaardigd, die voorziet in toekenning van een rentevergoeding in de situatie
dat geen heffings- of invorderingsrente wordt vergoed.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Verzoeken tot rentevergoeding kunnen betrekking hebben
op trage besluitvorming door de inspecteur en op de vertraging bij de Ontvanger
met betrekking tot uit te betalen bedragen. Rente wordt alleen vergoed in
die gevallen waarin de vertraging is te wijten aan een verzuim van de Belastingdienst.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het bijzondere van de regeling van artikel 4.2.2.6
is, nu noch uit de wettekst noch uit de memorie van toelichting anders blijkt,
de heffingsrente en invorderingsrente wel lijken te kunnen cumuleren met de
wettelijke rente van artikel 4.2.2.6. Dit lijkt naar de mening van de leden
van de LPF-fractie een trendbreuk te vormen met de beleidsregel van de staatssecretaris
van Financiën. Is het de bedoeling dat de vergoeding van de wettelijke
rente op grond van artikel 4.2.2.6 Awb kan cumuleren met de heffings- en/of
invorderingsrente, zo vragen deze leden.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij andere schade dan renteschade valt te denken aan een misgelopen huurtoeslag
of andere financiële verstrekking die van het belastbaar inkomen afhankelijk
is. Bij het opstellen van de regeling van afdeling 4.4.2 is onder ogen gezien
dat op verschillende terreinen andere regelingen zijn getroffen, die zozeer
met de eigen aard van die bijzondere wetgeving samenhangen, dat het niet goed
mogelijk is de regeling van de Awb daarop zonder meer toe te passen. Daarom
is in artikel 4.4.2.7 bepaald dat deze afdeling niet van toepassing is indien
bij wet een andere regeling omtrent verzuim en de gevolgen daarvan is getroffen.
Het belastingrecht kent, zoals deze leden opmerken, een andere regeling. Artikel
4.4.2.6 zal derhalve daarop niet van toepassing zijn.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikelen 4.4.4.2.1 tot en met 4.4.4.2.11</tuskop>
      <tuskop letat="rom">27</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Paragraaf 4.4.4.2 voorziet in een uniforme regeling
voor de invordering bij dwangbevel. Zoals Daalder signaleert bestaat aan een
dergelijke regeling behoefte, zoals ook blijkt uit een aantal recente uitspraken
van de Hoge Raad over dit soort civielrechtelijke kanten van bestuursrechtelijke
besluiten [Zie bijvoorbeeld HR 28 juni 2002, AB 2002, 102 m.nt.
FvO (verjaring invorderingsbevoegdheid bestuurlijke dwangsom) en HR 18 april
2003, JOL 2003, 239 (verjaring van terugvorderingbesluit), maar ook ABRvS
12 maart 2003, JB 2003, 126 (wanneer wordt verjaring van een dwangsom
gestuit)<voetref refid="v18.1" nr="1"></voetref>. Heeft de uit de jurisprudentie voortvloeiende
behoefte in voldoende mate invulling gekregen? In plaats van enkele tientallen
invorderingsprocedures die onderling allerlei kleine verschillen vertonen,
heeft het openbaar bestuur voortaan te maken met één uniforme,
relatief eenvoudige invorderingsprocedure. Dit zal een gunstig effect hebben
op de kosten verbonden aan de daadwerkelijke invordering van geldschulden
door de overheid, zo valt in de memorie van toelichting te lezen. Kan de regering
concreter aangeven waaruit het gunstige effect op de kosten bestaat?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Een belangrijk aspect bij de invordering van geldschulden
is de rechtsbescherming. Betaling van een bestuursrechtelijke geldschuld door
de overheid kan – indien dat noodzakelijk zou zijn – uiteindelijk
via de civielrechtelijke weg worden afgedwongen. De vraag doet zich voor welke
rechtsgang voor de schuldenaar open dient te staan bij invordering bij dwangbevel
door de overheid. De regering stelt dat het dwangbevel in beginsel in aanmerking
komt voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter, maar maakt in het wetsvoorstel
de keuze de bevoegdheid van de burgerlijke rechter op dit terrein te handhaven.
Kan de regering die keuze van een nadere motivering voorzien?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De aanmaning heeft ook betekenis voor de mogelijkheid
verdergaande – civielrechtelijke, dan wel bestuursrechtelijke –
invorderingsmaatregelen te nemen: het bestuursorgaan kan daar eerst toe overgaan
indien het tevoren een aanmaning heeft toegezonden en niet binnen de daarin
gestelde termijn is betaald. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen
begrepen de maatregelen die in afdeling 4.4.4 Awb zijn uitgewerkt, zoals het
dwangbevel, maar ook de middelen uit het privaatrecht. De commissie vraagt
of daaronder ook de mogelijkheid van gijzeling valt? Zo ja, hoe ziet de regering
die mogelijkheid in relatie tot het artikel 1 van het vierde protocol bij
het EVRM dat luidt: Aan niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen op de enkele
grond dat hij niet in staat is een contractuele verplichting na te komen.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit de jurisprudentie blijkt dat de toepassing van privaatrechtelijke
regels op bestuursrechtelijke geldschulden soms tot onzekerheden leidt. De
privaatrechtelijke regels zijn niet steeds goed op dit soort verhoudingen
toegesneden. Met titel 4.4 wordt beoogd betere en rechtstreeks toepasbare
regels te geven. Aldus kan bijvoorbeeld het begintijdstip van de verjaringstermijn
eenvoudiger en preciezer worden vastgesteld. De aangehaalde jurisprudentie
heeft overigens niet steeds betrekking op de invordering bij dwangbevel maar
op enige verjaringskwesties. Oogmerk van deze titel en in het bijzonder van
de algemene regeling voor de invordering bij dwangbevel is tevens dat deze
een einde maakt aan de niet gerechtvaardigde onderlinge verschillen tussen
de tientallen dwangbevelprocedures die we nu kennen.</al>
      <al>In plaats van enkele tientallen invorderingsprocedures die onderling allerlei
kleine verschillen vertonen, heeft het openbaar bestuur voortaan te maken
met één uniforme, relatief eenvoudige invorderingsprocedure.
Dit zal een gunstig effect hebben op de kosten verbonden aan de daadwerkelijke
invordering van geldschulden door de overheid.</al>
      <al>Dit gunstig effect bestaat voor het bestuur uit twee elementen. In de
eerste plaats zijn uniforme instructies en een algemene handleiding mogelijk
voor alle invorderingsprocedures. Dat bevordert het opstellen van dergelijke
instructies, en heeft tevens tot gevolg dat een ambtenaar die van positie
verandert, niet weer een nieuwe procedure behoeft te leren. In de tweede plaats
brengt de uniforme regeling met zich mee dat verwante invorderingstaken eenvoudiger
bij dezelfde dienst kunnen worden ondergebracht. Indien bijvoorbeeld een departement
of een gemeente een centrale afdeling wil belasten met de invordering van
geldschulden, dan maakt de uniforme regeling dat veel eenvoudiger dan thans
het geval is. Ook voor de rechterlijke macht zal gelden dat een uniforme regeling
eenvoudiger toe te passen is.</al>
      <al>De commissie vraagt voorts om een nadere motivering van de keuze voor
de burgerlijke rechter voor de rechtsbescherming tegen een dwanginvordering.
Zoals in het algemeen deel van de memorie van toelichting is opgemerkt, is
vrij uitvoerig nagedacht of nu de bestuursrechter of de burgerlijke rechter
bevoegd moet zijn kennis te nemen van executiegeschillen. Voor de bestuursrechter
is in zoverre iets te zeggen dat dit ook de rechter is die bevoegd is kennis
te nemen van de onderliggende betalingsbeschikking. Niettemin hebben wij er
hier voor gekozen de huidige bevoegdheid van de burgerlijke rechter te handhaven.
Daarvoor zijn verschillende met elkaar samenhangende redenen aan te voeren.
In de eerste plaats dient bedacht te worden dat het in executiegeschillen
vooral gaat om praktische vragen die niet of nauwelijks verschillen van vragen
die zich voordoen bij de executie van privaatrechtelijke geldvorderingen.
Voor de vraag of bepaalde goederen de schuldenaar toebehoren en of en in hoeverre
er beslag op kan worden gelegd, is niet relevant of de onderliggende geldschuld
van bestuursrechtelijke of privaatrechtelijke aard is. Daarbij komt dat in
de executieprocedure bestuursrechtelijke vragen die verband houden met de
rechtmatigheid van de doorgaans aanwezige betalingsbeschikking geen rol meer
mogen spelen. De aard van de zaken die in een executiegeschil aan de orde
komen is veelal privaatrechtelijk, ook als de onderliggende betalingsbeslissing
dat niet is. De burgerlijke rechter heeft bovendien een grote expertise met
executiegeschillen opgebouwd. Het heeft dan ook geen goede zin dit soort geschillen
naar de, op dit vlak veel minder ervaren, bestuursrechter over te hevelen.</al>
      <al>Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen begrepen de maatregelen
die in afdeling 4.4.4 zijn uitgewerkt, zoals het dwangbevel, maar ook de middelen
uit het privaatrecht. De commissie vraagt of daaronder ook de mogelijkheid
van gijzeling valt. Zo ja, hoe ziet de regering die mogelijkheid in relatie
tot het artikel 1 van het vierde protocol bij het EVRM.</al>
      <al>Wij willen erop wijzen dat gijzeling een – overigens tamelijk in
onbruik geraakt – indirect executiemiddel is, dat alleen kan plaatsvinden
op basis van een rechterlijke uitspraak; andere executoriale titels vormen
op zichzelf onvoldoende grondslag. Gijzeling wordt niet toegestaan voor veroordelingen
die strekken tot betaling van een geldsom. Voor de invordering van geldschulden
is de gijzeling derhalve niet aan de orde.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4.4.5.1</tuskop>
      <tuskop letat="rom">28</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Daalder en Verhage noteren dat er een aantal vragen
rijst bij lezing van het voorgestelde artikel 4.4.5.1 dat ziet op bezwaar
en beroep<voetref refid="v19.1" nr="1"></voetref>. Vragen die overigens ook te stellen
zijn bij de toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 Awb. Zo vereist het artikel
uitsluitend dat een bijkomende beschikking door de belanghebbende wordt betwist.
Op welke wijze en in welk stadium dat moet gebeuren, is niet duidelijk. Het
artikel lijkt ervan uit te gaan dat de belanghebbende in elk stadium, dus
bijvoorbeeld ook pas bij pleidooi, kenbaar kan maken een bijkomende beschikking
te betwisten. De belanghebbende zal vanzelfsprekend moeten aangeven
waarom de bijkomende beschikking wordt betwist, maar vanwege het ontbreken
van vormvereisten en termijnen kan het voor een bestuursorgaan lastig worden
daar – in een laat stadium van de procedure – adequaat op te reageren.
De commissie ziet ook graag deze vragen beantwoord.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten slotte wordt gevraagd op welke wijze en in welk stadium een bijkomende
beschikking door de belanghebbende kan worden betwist, waarbij wordt aangetekend
dat het voor een bestuursorgaan in een laat stadium van de procedure lastig
kan worden om adequaat te reageren.</al>
      <al>Wij willen opmerken dat de belanghebbende de bijkomende beschikking kan
betwisten op dezelfde wijze als hij enig ander standpunt in de procedure inneemt:
in een schriftelijk processtuk, maar onder omstandigheden ook nog mondeling
ter zitting, mits dit niet in strijd komt met de goede procesorde. Het is
niet gewenst de mogelijkheid om een bijkomende beschikking te betwisten verder
te beperken; de rechter kan ervoor waken dat het bestuursorgaan adequaat kan
reageren door in geval van strijd met de goede procesorde de betwisting niet
meer toe te staan of het bestuursorgaan een extra mogelijkheid te geven om
te reageren.</al>
      <tuskop letat="rom">29</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze bepaling betekent naar de mening van de leden
van de LPF-fractie een belangrijke verbetering in de rechtsbescherming van
de burger ten opzichte van het voorontwerp en is ontleend aan artikel 6:19
Awb. Het eerste lid van artikel 4.4.5.1 brengt mee dat bezwaar of beroep tegen
een betalingsbeschikking zich mede richt tegen een bijkomende beschikking,
zoals een beschikking omtrent verrekening, uitstel van betaling en dergelijke,
voorzover de belanghebbende deze bijkomende beschikking betwist (memorie van
toelichting, p. 69). Waarom kent de Awr geen bepaling waarin een bezwaar tegen
een (belasting)aanslag wordt geacht een bezwaar te zijn tegen alle beschikkingen
omtrent verliesverrekening die gelijktijdig met de aanslag moeten worden vastgesteld?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Over deze problematiek zijn op 28 december 2004 Kamervragen gesteld
door het lid Dezentjé Hamming (VVD) (Vragen II 2004/05, nr. 2040505680).
Gevraagd is onder andere of artikel 24a van de AWR zodanig kan worden aangepast
dat het bezwaar tegen een aanslag geacht wordt tevens gericht te zijn tegen
een verliesbeschikking die tegelijk met de aanslag is vastgesteld. Hierop
heeft de staatssecretaris van Financiën geantwoord dat in het geval dat
uit het bezwaarschrift redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat het bezwaar
(mede) er toe strekt te zijn gericht tegen de tegelijkertijd op het aanslagbiljet
bekend gemaakte verliesbeschikking, de inspecteur het bezwaarschrift tevens
aanmerkt als een bezwaar tegen deze verliesbeschikking (Aanhangsel Handelingen
II 2004/05, nr. 907, blz. 1923 en 1924). Met deze werkwijze kan op een praktische
wijze recht worden gedaan aan de belangen van de belanghebbenden. Een wijziging
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt niet overwogen.</al>
      <tuskop letat="vet">3. Bestuurlijke handhaving</tuskop>
      <tuskop letat="cur">3.1 Algemeen</tuskop>
      <tuskop letat="rom">30</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De commissie constateert dat hoofdstuk 5 geen volledige
regeling van het bestuurlijk handhavingsrecht biedt. Een groot aantal sancties,
waaronder intrekking van een begunstigende beschikking, de waarborgsom, de
uitsluiting en de disciplinaire straf zijn hierin niet geregeld. Op dit moment
ligt er alleen voor de intrekking van een beschikking een voornemen om deze
in een volgende tranche van de Awb op te nemen. Welke voornemens heeft de
regering nog meer dienaangaande?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er zijn thans geen concrete voornemens om andere bestuurlijke sancties
in de Awb te regelen. De prioriteit bij het werk aan de Awb ligt thans bij
de vierde tranche, alsmede bij de uitvoering van de voornemens, neergelegd
in de nota «Naar een slagvaardiger bestuursrecht» (Kamerstukken
II 20 043/05, 29 279, nr. 16H).</al>
      <tuskop letat="rom">31</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Raad van State heeft vraagtekens geplaatst bij de
indeling van titel 5.1 inzake de algemene bepalingen. De Raad heeft geadviseerd
om de titel met algemene bepalingen onder te verdelen in drie afdelingen (bestuurlijke
sancties in het algemeen/ herstelsancties/ bestraffende sanctie) en de titels
5.1 en 5.2 om te wisselen. De regering heeft het advies van de Raad echter
niet overgenomen. De regering geeft slechts summier aan waarom zij het advies
van de Raad niet opvolgt. De commissie vraagt of de regering een nadere overweging
kan geven waarom zij het advies niet volgt.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna:
VNG) vindt de indeling van hoofdstuk 5 niet logisch. Zij wijzen er op dat
artikel 5.4, in navolging van titel 5.3, beter bestraffende sancties genoemd
had kunnen worden met daaronder de algemene bepalingen en de specifieke bepalingen
voor de bestuurlijke boete. De reden die de VNG hiervoor geeft, is het voorkomen
dat in een later stadium andere punitieve sancties worden toegevoegd, die
tot vernummering van de artikelen zullen leiden, met alle administratieve
rompslomp van dien. Wat vindt de regering van de suggestie van de VNG, zo
vraagt de commissie.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De argumenten om het advies van de Raad op dit punt niet te volgen zijn
geen andere dan de in het nader rapport genoemde. Er bestaat geen praktische
noodzaak voor de door de Raad voorgestelde herindeling van hoofdstuk 5, terwijl
deze wel de praktische nadelen zou hebben die inherent zijn aan vernummeringen.
Bovendien is bijvoorbeeld artikel 5.0.11, inzake het zwijgrecht, juist ook
voor het toezicht van belang, zodat ook inhoudelijke argumenten voor de thans
voorgestelde indeling pleiten.</al>
      <al>Wij delen niet de mening van de VNG, dat titel 5.4 beter het opschrift «bestraffende
sancties» zou hebben kunnen dragen. Dat zou de indruk wekken dat sommige
bepalingen van titel 5.4 ook voor andere bestraffende sancties dan de bestuurlijke
boete zouden gelden. Wij hebben er echter bewust voor gekozen om de werking
van titel 5.4 in ieder geval vooralsnog te beperken tot de bestuurlijke boete.
Mede aan de hand van ervaringen die in de praktijk worden opgedaan, kan in
een later stadium worden bepaald in hoeverre artikelen over de bestuurlijke
boete ook voor andere bestraffende sancties geschikt zijn. Waar nodig kunnen
die artikelen eventueel al overeenkomstig worden toegepast.</al>
      <al>Bij een toekomstige aanvulling is een herschikking en vernummering van
artikelen niet altijd te vermijden. Maar het streven is erop gericht dit zoveel
mogelijk te voorkomen. Juist daarom wordt een nieuwe indeling of een vernummering
uitsluitend voorgesteld indien daarvoor zwaarwegende argumenten bestaan. De
plaatsing van titel 5.4 aan het slot van het huidige hoofdstuk 5 biedt ook
goede mogelijkheden tot aanvulling zonder wijziging van de bestaande indeling
of nummering.</al>
      <tuskop letat="rom">32</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de memorie van toelichting staat dat in de literatuur
is bepleit om een algemene regeling van bestuurlijke boetes op te nemen in
een aparte Wet op het Bestuursstrafrecht. Een belangrijk argument hiervoor
is dat de bestuurlijke boete wordt beheerst door zowel regels van het strafrecht
als van het bestuursrecht. Het zogenoemde bestuursstrafrecht is in deze visie
een van het strafrecht en het bestuursrecht te onderscheiden deel van het
recht waarin publiekrechtelijke bestuursorganen zonder tussenkomst van de
betrokkene of een onafhankelijke rechter, sancties met een bestraffend karakter
kunnen opleggen<voetref refid="v21.1" nr="1"></voetref>. Ook Albers<voetref refid="v21.2" nr="2"></voetref> pleit in haar dissertatie voor een aparte wettelijke
regeling inzake de oplegging van bestraffende bestuursrechtelijke sancties.
Een belangrijke reden voor dit pleidooi is, dat het bestaande bestuursprocesrecht
volgens deze auteurs onvoldoende zou zijn toegesneden op procedures tot oplegging
van bestraffende sancties, zeker waar het betreft het bieden van voldoende
rechtsbescherming aan de vermoedelijke overtreder. De regering acht een aparte
wettelijke regeling voor bestraffende bestuursrechtelijke sancties niet noodzakelijk,
aangezien ze deel uit maken van het bestuursrecht waarvoor enkel een aantal
bijzondere regels nodig is. Kan de regering dit nader beargumenteren en hierbij
ook ingaan op de wijze hoe dit in de ons omringende landen is geregeld (bijvoorbeeld
het Duitse Ordnungswidrigkeitengesetz), zo vraagt de commissie.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij stellen voorop dat de plaats van een regeling op zichzelf nog niet
zoveel zegt over de inhoud daarvan. Genoemde auteurs zijn kennelijk van oordeel
dat bepaalde inhoudelijke regels die zij wenselijk achten, niet in de Awb
zouden kunnen worden opgenomen. Het is ons niet duidelijk waarop dat oordeel
is gebaseerd. Evenmin onderschrijven wij de gedachte dat de noodzakelijke
regels over bestuurlijke boeten een afzonderlijk, van het bestuursrecht en
het strafrecht te onderscheiden rechtsgebied zouden vormen. De regels over
de bestuurlijke boeten zijn regels over een bepaalde categorie besluiten van
bestuursorganen en derhalve bestuursrechtelijk van aard. Dat dit deel van
het bestuursrecht bepaalde regels gemeenschappelijk heeft met het strafrecht,
doet daar niet aan af. Het bestuursrecht heeft ook veel regels gemeenschappelijk
met het privaatrecht, maar dat betekent niet dat die regels dan plotseling
niet meer tot het bestuursrecht zouden behoren.</al>
      <al>Tenslotte is ons uit de genoemde publicaties ook niet duidelijk geworden,
waarom het bestuursprocesrecht, met een enkele aanpassing zoals voorgesteld
in dit wetsvoorstel, de burger onvoldoende rechtsbescherming zou kunnen bieden
tegen bestuurlijke boeten.</al>
      <al>Er bestaat ook geen verband tussen het al dan niet opnemen van de regeling
in de Awb en de aard van de rechtsbescherming die men wenst. Ook binnen de
Awb kan de rechtsbescherming worden toegesneden op de wensen die daarover
bestaan. Naar ons oordeel blijkt dit ook uit het wetsvoorstel, zoals dat nu
is aangevuld.</al>
      <al>Daarbij komt dat een aparte Wet op het bestuursstrafrecht het recht onoverzichtelijker
zou maken. Bestuursorganen die sancties opleggen en bestuursrechters die in
procedures over sancties moeten oordelen zouden dan bij het opleggen van sancties
zowel met de Awb als met de nieuwe wet te maken krijgen. Bepalingen over de
begrippen bestuursorgaan, besluit, belanghebbende, over de voorbereiding,
motivering en bekendmaking van besluiten, over mandaat en delegatie en over
de procedure voor de rechter uit de Awb zouden toch van toepassing moeten
zijn. Ook voor vele andere bepalingen zou dit gelden.</al>
      <al>Daar komt nog bij, dat een regeling in een afzonderlijke wet tot aanzienlijke
coördinatie-problemen aanleiding zou kunnen zijn. Immers, het opleggen
van een bestuurlijke sanctie staat vaak in nauw verband met het nemen van
andere besluiten, zoals het terugvorderen van te veel betaalde uitkering of
het opleggen van een naheffing. Het is van groot belang dat het onderlinge
verband tussen deze besluiten niet uit het oog wordt verloren. Dit betekent
bijvoorbeeld dat bij de bestuursrechter de mogelijkheid moet bestaan om deze
besluiten in één procedure in samenhang te beoordelen. Wanneer
de materie over verschillende wetten zou worden verdeeld, verminderen daarmee
de waarborgen voor een goede aansluiting. Dat is schadelijk voor de rechtspositie
van de burger, en ook voor de effectiviteit van de rechtstoepassing.</al>
      <al>Een vergelijking met de ons omringende landen is niet eenvoudig te maken.
Juist omdat Nederland met de Awb een relatief grote eenheid in het bestuursrecht
heeft bereikt, is de situatie niet goed vergelijkbaar met die
elders. Overigens blijkt uit het preadvies van Jansen (O.J.D.M.L. Jansen,
De dynamiek van het publiekrechtelijk sanctierecht, preadvies NJV 2002, Hand.
NJV 2002–1, Deventer 2002, blz. 185, 186 dat Duitsland, Oostenrijk en
Portugal een soort Wet op het bestuursstrafrecht kennen, maar Spanje een regeling
opgenomen in het equivalent van de Algemene wet bestuursrecht. Frankrijk en
Italië kennen in het geheel geen algemene regeling van het bestuurlijke
sanctierecht. Overigens steunt Jansen de opneming van de regeling in de Awb
(blz. 188).</al>
      <tuskop letat="rom">33</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Raad van State geeft in zijn advies in overweging
een bewijsregel op te nemen die aansluit bij de jurisprudentie inzake het
gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs<voetref refid="v23.1" nr="1"></voetref>. Ook in de literatuur is een afzonderlijke regeling voor het bewijs
bij bestuurlijke bestraffing bepleit<voetref refid="v23.2" nr="2"></voetref>. Hierbij
wordt gevraagd of de huidige en voorgestelde regels in de Awb, gezien de omstandigheid
dat het gaat om het opleggen van straffen, voldoende rechtszekerheid en rechtsgelijkheid
bieden aan de betrokkene, waardoor deze kan inzien op basis waarvan hij of
zij aansprakelijk is voor de overtreding en bestraft mag worden. Dat staat
los van een in de memorie van toelichting genoemde, al dan niet afzonderlijke
regeling van het bewijs. De commissie vraagt of de regering hierop in kan
gaan.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij onderschrijven niet de opvatting dat een regel inzake het gebruik
van strafrechtelijk gezien onrechtmatig verkregen bewijs los kan worden gezien
van het overige bewijsrecht. Wij zijn dan ook geen voorstander van het opnemen
van één of enkele geïsoleerde bewijsregel(s) in de Awb.
Zo’n regel zou van de wetgever noodzakelijkerwijs ook een standpuntbepaling
over tenminste de algemene uitgangspunten en beginselen van bestuursrechtelijk
bewijsrecht vragen. Voorts achten wij een regeling van het bestuursrechtelijk
bewijsrecht thans niet urgent. Aan het genoemde vereiste dat degene aan wie
een bestraffende sanctie is opgelegd «kan inzien op basis waarvan hij
of zij aansprakelijk is voor de overtreding en bestraft mag worden»
is reeds voldaan. Dat het bestuursorgaan dit inzicht moet verschaffen, volgt
immers reeds uit de regel dat een besluit moet berusten op een deugdelijke
motivering (art. 3:46 Awb). Uit de praktijk zijn ons op dit punt dan ook geen
knelpunten bekend.</al>
      <tuskop letat="rom">34</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Awb is bedoeld als een algemene regeling die harmoniserend
en uniformerend werkt. Voor afwijkingen dienen goede redenen te bestaan. Het
Nederlands Juristenblad (hierna:NJB)<voetref refid="v23.3" nr="3"></voetref> merkt in
dit verband op dat het opmerkelijk is dat kort nadat het wetsvoorstel Vierde
tranche het licht zag, een wetsvoorstel Wet op het financieel toezicht werd
gepresenteerd, waarin regels over toezicht, last onder dwangsom en bestuurlijke
boete zijn opgenomen die soms aanzienlijk afwijken van de voorstellen in de
Vierde tranche<voetref refid="v23.4" nr="4"></voetref>. Daarin is bijvoorbeeld de ook
in andere financiële wetten opgenomen bevoegdheid van de toezichthouder
tot het geven van aanwijzingen opgenomen. Voorts is de bevoegdheid van de
toezichthouder opgenomen om bij niet-voldoen aan de medewerkingsplicht van
artikel 5:20 Awb een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete op te leggen.
En ten slotte zijn er regels over de betaling van de bestuurlijke boete opgenomen,
waarbij bezwaar en beroep de betalingsverplichting opschorten. Zouden die
onderwerpen zich ook niet lenen voor een algemene regeling in de Awb, of gaat
elk ministerie eigen regels opstellen, zo vraagt de commissie.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Wet op het financieel toezicht (Wft) zal, indien zij wordt aangenomen,
naar verwachting eerder in werking treden dan de vierde tranche. Ten tijde
van het indienen van de Wft stond de regering derhalve voor de keuze: vooruitlopen
op de bepalingen van de vierde tranche door die vooralsnog over
te nemen, dan wel vooralsnog aansluiting blijven zoeken bij de bepalingen
over bestuurlijke handhaving zoals die voorkomen in de bestaande wetgeving
inzake het toezicht op financiële markten. Op praktische gronden is gekozen
voor het laatste: bij de indiening van de Wft stond immers nog niet definitief
vast hoe de bepalingen van de vierde tranche zouden gaan luiden. Dit laat
onverlet dat de Wft straks, net als alle overige wetten waarin een regeling
inzake bestuurlijke handhaving voorkomt, zal worden aangepast aan de vierde
tranche. Het gaat dus niet om een keuze om af te wijken van de Awb, maar om
een pragmatische keuze om niet vooruit te lopen op de inwerkingtreding van
de vierde tranche.</al>
      <tuskop letat="rom">35</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie hechten eraan te benadrukken
dat zij voorstander zijn van bestuursrechtelijke handhaving van wet- en regelgeving.
Deze leden achten het van belang dat deze handhaving structureel op een hoger
niveau komt. Zij zien de instrumenten die het bestuursrecht biedt als onontbeerlijk
en vinden het van belang dat de overheid wanneer zij gebruik maakt van het
bestuursrecht doeltreffend en adequaat kan optreden. Met betrekking tot de
regeling van het bestuurlijk handhavingsrecht in het algemeen en de bestuurlijke
boete in het bijzonder, geven de leden van de CDA-fractie aan dat zij vooralsnog
geen reden zien een aparte wettelijke regeling voor bestraffende bestuursrechtelijke
sancties in het leven te roepen. Echter, deze leden zien met belangstelling
uit naar de nadere beargumentering van de regering met betrekking tot dit
standpunt en de argumenten omtrent het al dan niet verwijzen naar strafrechtelijke
regelgeving in de voorgestelde regeling. Kan de regering uiteenzetten hoe
het wetsvoorstel Bestuurlijke boete kleine ergernissen publieke domein zich
verhoudt tot onderhavig wetsvoorstel? Sluit dit andere wetsvoorstel aan bij
de algemene regeling zoals die in de Awb zal worden neergelegd ingevolge onderhavig
wetsvoorstel?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor een nadere argumentatie over de relatie met het strafrecht, verwijzen
wij naar het hierboven gegeven antwoord op een vraag van de commissie. Daarin
hebben wij toegelicht waarom wij een aparte Wet op het bestuursstrafrecht
niet gewenst vinden.</al>
      <al>Over de verhouding van de vierde tranche met het wetsvoorstel Bestuurlijke
boeten overlast openbare ruimte ((voorheen «kleine ergernissen»,
Kamerstukken 2004/05, 30 101, nrs. 2–3) merken wij het volgende
op. Het wetsvoorstel Bestuurlijke boeten overlast in de openbare ruimte voorziet
in de mogelijkheid dat het gemeentebestuur een boete oplegt in geval van overtredingen
die overlast veroorzaken in de openbare ruimte. Het gaat om een nieuw (facultatief)
handhavings-instrument voor gemeentebesturen. Ingevolge het in het wetsvoorstel
voorgestelde artikel 154, eerste lid, van de Gemeentewet kan de raad bij verordening
bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor bij algemene maatregel
van bestuur omschreven gedragingen die kunnen leiden tot overlast in de openbare
ruimte en die tevens krachtens artikel 154 strafbaar zijn gesteld. Gezien
de verwachting van de opstellers van dit wetsvoorstel dat inwerkintreding
daarvan, indien het door het parlement wordt aangenomen, eerder plaatsvindt
dan de vierde tranche, is een afzonderlijke boeteregeling opgenomen, die zoveel
mogelijk aansluit bij de regeling in de vierde tranche (zie ook blz. 13–15
van de memorie van toelichting bij genoemd wetsvoorstel). Bij de aanpassingswetgeving
zal een deel van deze bepalingen weer kunnen vervallen.</al>
      <tuskop letat="rom">36</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie pleiten voor beter op elkaar
aansluitende bezwaar- en beroepsprocedures bij de rechter. Thans komt het
veel te vaak voor dat als de bezwaarfase is afgerond het beroep bij de rechter
pas maanden later aan de orde komt. Hoe beschouwt de regering deze situatie,
zo vragen deze leden. Kan de regering uiteenzetten of het mogelijk is om,
afgezien van het bepaalde in artikel 7:1a Awb (mogelijkheid de bezwaarprocedure
geheel over te slaan), wettelijk te regelen dat bezwaar- en beroepsprocedures
beter op elkaar aansluiten? Is de regering al bezig om concrete stappen in
dezen voor te bereiden?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de VVD-fractie vragen aandacht voor de verbetering van doorlooptijden
van zaken bij de rechter. Wij stellen voorop dat het van groot belang is dat
procedures niet te lang duren.</al>
      <al>Wel is het zo dat een zorgvuldige procedure en een goede beoordeling van
de betreffende zaak door de rechter enige tijd in beslag nemen. Zo moeten
noodzakelijke termijnen in acht worden genomen, zoals de termijn voor het
opvragen van stukken. Vaak wordt bijvoorbeeld aanvankelijk alleen een «pro-forma»-beroepschrift
ingediend. Verder heeft de rechtbank tijd nodig voor de bestudering van de
op de zaak betrekking hebbende stukken, voordat de zaak indien nodig ter zitting
kan worden behandeld. Op dit punt is overigens een belangrijke stap in de
goede richting gezet door de Landelijke procesregeling bestuursrecht van de
sectoren bestuursrecht van de rechtbanken, die richtlijnen bevatten voor de
wijze van behandeling van zaken (zie voor de laatste versie Stcrt. 2005, 53;
ook te vinden op www.rechtspraak.nl).</al>
      <al>Verder tijdsverloop kan daarnaast worden veroorzaakt door een (te) grote
werkbelasting van de rechtbanken. Wij beamen dat tijdsverloop dat hierdoor
wordt veroorzaakt, zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Wat betreft de rechterlijke
macht ziet de Raad voor de Rechtspraak toe op de bedrijfsvoering en kwaliteit
van de rechtspraak. De doorlooptijden zijn daarbij een belangrijk aandachtspunt.
Uit de Jaarverslagen van de Raad van State (zie telkens bijlage 6 H), die
niet onder de Raad van de Rechtspraak ressorteert, kan worden afgeleid dat
de doorlooptijden bij de Afdeling bestuursrechtspraak in de afgelopen jaren
aanmerkelijk zijn verkort.</al>
      <tuskop letat="rom">37</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zij herinneren zich dat de regering een adviesaanvraag
heeft ingediend ten aanzien van een herijking van het belanghebbendenbegrip.
Deze leden achten nadere beperking van dit begrip in het bestuursrecht noodzakelijk,
om daarmee zoveel mogelijk overbodige en wellicht onechte procedures te vermijden.
Is de regering met deze leden van mening dat het in de jurisprudentie ontwikkelde
ruime «omgevingscriterium» onwenselijk is? Kan de regering een
indicatie geven met welk percentage de bezwaar- en beroepsprocedures afnemen
als het belanghebbendenbegrip wordt herijkt zoals de regering voor ogen heeft?
Wanneer kan de Kamer de resultaten van de adviesaanvraag en daarop gebaseerde
wetgeving naar verwachting tegemoet zien?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij brief van 16 juli 2004 hebben wij het onderzoeksrapport «Herijking
van het belanghebbendebegrip. Een relativiteitsvereiste in het Awb-procesrecht»
ter kennisneming aan de Tweede Kamer toegezonden (Kamerstukken II 2003/04,
29 2000 VI, nr. 176). Uit het onderzoek blijkt dat met name in milieuzaken
bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vaker argumenten
worden aangevoerd die niet een belang raken waarin deze partijen door het
bestreden besluit worden geraakt dan in beroepsprocedures bij de rechtbanken.
Als de bevindingen uit het onderzoek worden geëxtrapoleerd naar het geheel
van de afhandeling van beroepszaken door de in eerste aanleg oordelende bestuursrechter,
betekent dit voor de milieuzaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak dat situaties
waarin een derde opkomt voor een belang dat bij hantering van een strikte
relativiteitsleer niet aan bod zou mogen komen, zich in één
op de zeven à acht procedures zou voordoen, en voor de beroepszaken
die bij de rechtbank aan de orde zijn in minder dan één op de
250 procedures. Voor de goede orde zij opgemerkt dat vaak tegen hetzelfde
besluit tegelijkertijd ook bezwaren en beroepen worden ingediend
die wel passen binnen een relativiteitsvereiste, zodat van invoering van een
relativiteitsvereiste als zodanig niet een substantiële afname van het
aantal bezwaar- en beroepsprocedures mag worden verwacht.</al>
      <al>In onze brief van 16 juli 2004 hebben wij aangegeven dat de uitkomsten
van dit onderzoek aanleiding geven om, overeenkomstig de gebruikelijke werkwijze
bij mogelijke wijzigingen en aanvullingen van de Awb, aan de commissie Wetgeving
algemene regels van bestuursrecht (commissie-Scheltema) advies te vragen of
tot invoering van enige vorm van een relativiteitsvereiste in het Awb-procesrecht
moet worden overgegaan en een mogelijke wetswijziging in de vorm van een voorontwerp
uit te brengen. Wij verwachten het advies dit voorjaar te ontvangen.</al>
      <tuskop letat="rom">38</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie hebben de indruk dat de
rechter steeds meer op de stoel van de bestuurder is komen te zitten als het
gaat om bestuursrechtelijke vraagstukken. De rechter zou eigenlijk een marginale
toetsing moeten doen, maar hij is zich steeds meer met inhoudelijke vraagstukken
gaan bemoeien. Hoe kijkt de regering hier tegenaan, zo vragen deze leden.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De inhoudelijke aspecten moeten toch vóór
het moment van besluitneming aan de orde komen in bijvoorbeeld de inspraakprocedures
et cetera. Dan is het eventueel de uiteindelijke taak van de rechter om te
kijken of de juiste procedures zijn gevoerd en of een besluit voldoende is
gemotiveerd. Het wisselen van argumenten moet bij de rechter toch niet nog
eens dunnetjes worden overgedaan? Welke mogelijkheden ziet de regering om
hier verandering in te brengen, zo vragen deze leden.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij delen de indruk van de VVD-fractie niet. De indringendheid waarmee
de bestuursrechter besluiten toetst, hangt af van het te toetsen aspect. Of
een besluit in strijd is met wettelijke regels, wordt vol getoetst. Naarmate
het bestuursorgaan meer beoordelings- en beleidsvrijheid heeft, vindt een
meer terughoudende toetsing plaats. Naar onze mening geeft de rechtspraak
van de verschillende bestuursrechtelijke colleges geen aanleiding voor de
veronderstelling dat de rechter met onvoldoende terughoudendheid toetst. In
de literatuur wordt de bestuursrechter soms juist verweten dat te marginaal
wordt getoetst: een indruk die wij overigens evenmin delen. Dit alles neemt
niet weg dat de rechterlijke toetsing bij een voor het bestuursorgaan negatieve
uitkomst met name in grote projecten tot ingrijpende gevolgen kan leiden.</al>
      <al>Mede daarom hebben wij in de nota «Naar een slagvaardiger bestuursrecht»
(Kamerstukken II 2004/05, 29 279, nr. 16H) aangegeven voornemens te zijn
een zogenoemde «bestuurlijke lus» mogelijk te maken, waardoor
het bestuursorgaan bepaalde gebreken in besluiten nog tijdens de procedure
kan herstellen.</al>
      <tuskop letat="rom">39</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De regelingen inzake dwangsom en bestuursdwang zijn
nu reeds in de wet opgenomen. Met de invoering van de vierde tranche komt
daar de bestuurlijke boete bij. De leden van de VVD-fractie hebben met grote
teleurstelling kennisgenomen van de mededeling dat naar verwachting de wetsvoorstellen
Bestuurlijke boete kleine ergernissen in het publieke domein en Bestuurlijke
boete fout parkeren naar verwachting pas op 1 januari 2006 in werking
zullen treden. Deze leden kunnen zich voorstellen dat een aantal van de zaken
die in de wetsvoorstellen wordt geregeld ook van belang zijn voor de beoordeling
van de algemene regels inzake bestuurlijke handhaving in het onderhavige wetsvoorstel.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een aantal zaken dat in de vierde tranche wordt geregeld, is ook van belang
voor de door de VVD-fractie genoemde wetsvoorstellen. Bij de aanpassingswetgeving
zal dus een deel van de bepalingen in die wetsvoorstellen weer kunnen vervallen.</al>
      <tuskop letat="rom">40</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Er bestaan meer bestuurlijke sancties, waarvan een
aantal een punitief karakter heeft. Het betreft niet alleen de boete, maar
ook de intrekking van de begunstigende beschikking. Vallen al deze punitieve
sancties onder de waarborgen van artikel 6 EVRM? Zo neen, acht de regering
noodzakelijk om hierin een voorziening te treffen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De waarborgen van artikel 6 EVRM gelden voor die bestuurlijke sancties,
die een «criminal charge» in de zin van het eerste lid van die
bepaling opleveren. Deze categorie lijkt in belangrijke mate samen te vallen
met de categorie «bestraffende» sancties. Of zij daarmee geheel
samenvalt, is bij de huidige stand van de jurisprudentie van het Europese
Hof voor de Rechten van de Mens niet met zekerheid te zeggen. Verdedigd wordt
wel, dat zeer lage bestuurlijke boeten buiten het bereik van artikel 6 EVRM
zouden kunnen vallen, maar het Hof heeft dit tot op heden nooit expliciet
uitgesproken.</al>
      <al>Wij zien dus geen aanleiding om op dit punt een voorziening te treffen. </al>
      <tuskop letat="rom">41</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast aandacht
voor het bestuursrechtelijk verkregen bewijs. In het strafrecht is het krijgen
van bewijs helemaal afgestemd op artikel 6 EVRM. Hoe staat de bestuursrechtelijke
punitieve sanctie in relatie tot onrechtmatig verkregen bewijs? Er is geen
regeling in de wet opgenomen. Wordt er bewust door de regering gekozen geen
regeling in de wet op te nemen? Of wil de regering het graag overlaten aan
de rechtspraktijk? Ontstaat daarmee niet het risico dat de beoogde uniformerende
werking van het wetsvoorstel wordt ondergraven? Gaarne ontvangen deze leden
daarop een reactie van de regering.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Kortheidshalve verwijzen wij naar het antwoord op een soortgelijke vraag
van de commissie (vraag 33).</al>
      <tuskop letat="rom">42</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de nieuwe regeling is het mogelijk dat een derde
partij toepassing vraagt aan het bestuursorgaan van de last onder bestuursdwang.
Maar als het bestuursorgaan vervolgens weigert de bestuursdwang toe te passen,
wat is dan de positie van deze derde partij als belanghebbende in een eventueel
later proces voor de rechter? Daarnaast rijst de vraag of, indien de burger
eerst na verloop van enige tijd om toepassing van bestuursdwang vraagt (gezien
het leerstuk van de formele rechtskracht), die burger niet het recht verspeelt
om om handhaving te verzoeken? De handhavingsbevoegdheid en -plicht liggen
toch exclusief bij de overheid? Wordt de verantwoordelijkheid voor de handhaving
met de voorgestelde regeling niet deels naar de burger doorgeschoven? Hoe
kijkt de regering hier tegenaan, zo vragen de leden van de VVD-fractie. Wat
is het oordeel van de regering op het voorstel van deze leden om de beginselplicht
tot handhaving in het bestuursrecht duidelijk voorop te stellen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Volledigheidshalve zouden wij allereerst willen benadrukken dat een onderscheid
moet worden gemaakt tussen toepassing van bestuursdwang en effectuering daarvan.</al>
      <al>Onder de huidige regeling is het al mogelijk – en de vierde tranche
brengt hierin geen verandering – dat een burger het bestuur attendeert
op een overtreding en daarbij verzoekt om bestuursdwang toe te passen. Indien
een bestuursorgaan zo’n verzoek afwijst, is die derde volwaardig partij
in een bestuursrechtelijke procedure, voorzover hij als belanghebbende
in de zin van artikel 1:2 Awb kan worden aangemerkt.</al>
      <al>Het kan ook gebeuren dat een bestuursorgaan wel besluit tot toepassing
van bestuursdwang, maar dit besluit niet effectueert. Hierop heeft de voorgestelde
wijziging betrekking. De derde krijgt nu de mogelijkheid om het bestuursorgaan
te verzoeken om tot effectuering over te gaan.</al>
      <al>De regeling beoogt de positie van de burger die om handhaving verzoekt,
te versterken. Zij doet geen afbreuk aan de primaire verantwoordelijkheid
van de overheid voor handhaving, die door de leden van de VVD-fractie terecht
voorop wordt gesteld. Dit uitgangspunt wordt ook in de rechtspraak van bestuursrechters
benadrukt (zie bijv. ABRS 11 augustus 2004, AB 2004, 444 m.nt. F.R. Vermeer).</al>
      <al>Voorts is van belang dat het leerstuk van de formele rechtskracht in de
door de VVD-fractie geschetste situatie geen rol speelt. Dit leerstuk heeft,
kort gezegd, betrekking op de onaantastbaarheid van besluiten. In de situatie
waarbij een burger vraagt om toepassing van bestuursdwang, is daarvan nog
geen sprake. Ook indien wordt gedoeld op de situatie waarbij de burger vraagt
om effectuering van een reeds genomen besluit tot toepassing van bestuursdwang,
vormt dit leerstuk geen belemmering.</al>
      <tuskop letat="rom">43</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie merken op dat in de memorie
van toelichting (p. 73) staat: «Het terugdringen van dit handhavingstekort
is evident van groot belang». Draagt het onderhavige wetsvoorstel bij
tot vermindering van dit «handhavingstekort» en zo ja, op welke
wijze en binnen welke termijn?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het wetsvoorstel codificeert en systematiseert het recht inzake bestuurlijke
handhaving. Daardoor wordt dit recht beter toegankelijk en wordt het voor
bestuursorganen eenvoudiger om bestuurlijke handhavingsinstrumenten in te
zetten. Het is aannemelijk dat dit bijdraagt aan het terugdringen van het
handhavingstekort, maar een dergelijk effect laat zich niet goed op voorhand
kwantificeren.</al>
      <tuskop letat="rom">44</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Voorts hebben deze leden ten aanzien van de herstelsancties
de navolgende vragen. Kan de regering voorbeelden geven van situaties waar
in het belastingrecht de inspecteur en/of de Ontvanger een last onder dwangsom
kan toepassen? Is volgende veronderstelling juist: zolang een bijzondere regeling
voor de (fiscale) dwangsom in de Awr ontbreekt, kunnen de inspecteur en de
Ontvanger van afdeling 5.3.2 van de Awb gebruik blijven maken?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Thans beschikt noch de inspecteur, noch de ontvanger over een bevoegdheid
om een last onder dwangsom op te leggen. Anders dan deze leden veronderstellen,
kunnen inspecteur en ontvanger afdeling 5.3.2 Awb dan ook niet toepassen.
De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie wordt niet door
de Awb toegekend, maar door de bijzondere wet.</al>
      <tuskop letat="rom">45</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Tevens hebben deze leden ten aanzien van de bestuurlijke
boete enkele vragen en opmerkingen. In memorie van toelichting (p. 118/119)
geeft de regering in de letters a t/m i criteria voor de beantwoording van
de vraag of normen binnen een bepaald rechtsgebied bestuursrechtelijk dan
wel strafrechtelijk moeten worden gehandhaafd. Indien deze criteria worden
toegepast op het belastingrecht, sociaal zekerheidsrecht, bank- en effectenrecht
(incl. misbruik van voorwetenschap), valt de afweging voor de regering dan
uit in het voordeel van bestuursrechtelijke handhaving, strafrechtelijke handhaving
of een combinatie van beide?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De criteria in de memorie van toelichting geven de bijzondere wetgever
en het bestuur aanknopingspunten om binnen een bepaald rechtsgebied en in
een bepaald geval een weloverwogen keuze te kunnen maken voor strafrechtelijke
dan wel bestuursrechtelijke handhaving, of een combinatie van beide.</al>
      <al>In het belastingrecht is gekozen voor een combinatie van beide. De Aanmeldings-,
Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen in fiscale delicten en douanedelicten
(Stcrt. 2001, 248) geven aan wanneer de strafrechtelijke weg in aanmerking
komt. Uitgangspunt is dat voor de strafrechtelijke weg dient te worden gekozen
indien een bestuurlijke boete, gelet op de ernst van het feit en/of de persoon
van de dader, niet meer als een adequate reactie kan worden aangemerkt, dan
wel indien dit nodig wordt geacht ter ondersteuning van de bestuurlijke handhaving
(bijv. bij (tijdelijke) acties, gericht op specifieke doelgroepen).</al>
      <al>Het sociale zekerheidsstelsel gaat uit van een bestuursrechtelijk sanctiestelsel.
Sommige overtredingen vormen tevens een strafbaar feit omdat sprake is van
een overtreding of misdrijf, genoemd in het Wetboek van Strafrecht (bijv.
valsheid in geschrifte; oplichting). Blijkens de Richtlijn voor strafvordering
sociale zekerheidsfraude (Scrt. 2000, 251) is uitgangspunt voor het strafvorderingsbeleid
het brutobedrag dat ten onrechte ten laste van de uitvoerende instantie(s)
is gekomen («nadeel»).</al>
      <al>Bij de handhaving van financiële wetgeving (o.a. bank- en effectenrecht,
misbruik van voorwetenschap) bestaat sinds de inwerkingtreding van de Wet
tot invoering van de dwangsom en de bestuurlijke boete (Wet IDBB) in 2000 –
net als in het belastingrecht – de mogelijkheid tot strafrechtelijke
en bestuursrechtelijke afdoening. Uitgangspunt is dat slechts voor strafrechtelijke
afdoening wordt gekozen, indien de ernst van de overtreding hierom vraagt.
Bij de invoering van de Wet IDBB is voor afweging van de keuze tussen beide
vormen van afdoening een afstemmingsoverleg tussen toezichthouders (DNB, AFM),
het Openbaar Ministerie en FIOD-ECD ingesteld. Voor de volledigheid wordt
opgemerkt dat een Nota Boetstelsel financiële wetgeving aan de Kamer
is toegezonden, waarin een standpunt over het boetestelsel in de financiële
wetgeving wordt gepresenteerd (Kamerstukken II 2004/05, 30 125, nrs.
1–2).</al>
      <tuskop letat="rom">46</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden merken verder op dat in de paragraaf «de
procedure» de regering het onderscheid tussen «lichte» en «zwaardere»
boeten als volgt toelicht: «De zware procedure geldt bij overtredingen
waarvoor een bestuurlijke boete van meer dan € 340 kan worden opgelegd,
tenzij bij wettelijk voorschrift een andere grens is bepaald» (memorie
van toelichting, p. 121). Is het de bedoeling van de wetgever dat voor alle
(fiscale) vergrijpboeten en verzuimboeten – met uitzondering van de
verzuimboete van artikel 67b Awr – de «zware» procedure
geldt? Zo neen, voor welke verzuim- en vergrijpboetes, waarvoor op grond van
het criterium van € 340 de «zware» procedure zou moeten
gelden, geldt dan bij wege van uitzondering de lichte procedure?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vooralsnog is het voornemen om voor het belastingrecht te bepalen, dat
voor verzuimboeten de lichte procedure zal gelden en voor vergrijpboeten de
zware procedure. Definitieve besluitvorming daarover zal in het kader van
de aanpassingswetgeving plaatsvinden.</al>
      <tuskop letat="rom">47</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Heeft de regering uitgezocht met welk bedrag de administratieve
lasten toenemen door de verplichting dat voor «zwaardere» boeten
een rapport moet worden opgemaakt?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Neen. Het is echter niet aannemelijk dat sprake is van een substantiële
verzwaring. Het rapport is immers niet meer dan een schriftelijke vastlegging van de constatering van een overtreder. Bij de zwaardere boeten
pleegt een dergelijke schriftelijke vastlegging ook nu al plaats te vinden,
om latere bewijsproblemen te voorkomen.</al>
      <tuskop letat="cur">3.2 Artikelsgewijs</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.0.1.</tuskop>
      <tuskop letat="rom">48</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In het tweede lid van artikel 5.0.1 staat dat onder
overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.
Ook voor het medeplegen is analoog aan het strafrecht dubbel opzet vereist.
Volgens de memorie van toelichting is vereist dat de fysieke dader en de normadressaat
bewust samenwerken en de normschending gezamenlijk uitvoeren. Hiermee wordt,
volgens het NJB, in beginsel gebroken met het elders gedebiteerde uitgangspunt
dat in het bestuursrecht een vraagstuk als opzet geen rol speelt<voetref refid="v30.1" nr="1"></voetref>. De commissie vraagt hoe het een en ander zich naar de rapportage
bij constatering en later naar bewijs vertaalt?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de memorie van toelichting (blz. 125) hebben wij opgemerkt dat in het
bestuursrecht vragen van opzet en schuld geen grote rol spelen, omdat opzet
en schuld doorgaans geen bestanddeel vormen van bestuursrechtelijke «delictsomschrijvingen».
Dit is een feitelijke constatering en niet een normatief uitgangspunt.</al>
      <al>Een geheel andere vraag is wanneer iemand als medepleger kan worden aangemerkt.
Zoals in de memorie van toelichting (blz. 79) aangegeven is daarbij aangesloten
bij het strafrecht. Daarom is ook gewezen op de strafrechtelijke jurisprudentie
waaruit blijkt dat sprake moet zijn van bewuste samenwerking en gezamenlijke
uitvoering. Maar ook in het strafrecht betekent een dergelijke bewuste samenwerking
en gezamenlijke uitvoering geenszins dat er tevens sprake moet zijn van opzet,
gericht op het begaan van een strafbaar feit. Dat hangt juist af van de delictsomschrijving.
De figuur van de medepleger wordt in het strafrecht dan ook zowel gebruikt
bij delicten waarbij opzet of schuld vereist zijn, als bij delicten waarbij
dat niet het geval is. In het bestuursrecht gaat het doorgaans om de laatste
soort van gevallen.</al>
      <al>Problemen bij de rapportage en het bewijs zien wij op dit punt niet. Indien
de overtreding bijvoorbeeld bestaat in het onvoorzichtig en gevaarlijk gebruik
van een machine door een aantal werknemers gezamenlijk (artikel 11 Arbeidsomstandighedenwet
1998) zal voor het medeplegen bewezen moeten worden dat een bewuste samenwerking
en een gezamenlijke uitvoering in dat gevaarlijk gebruik hebben geresulteerd.
Voor strafbaarheid als medepleger is dus niet vereist dat de medeplegers ieder
afzonderlijk alle bestanddelen van het delict vervullen. De betrokken werknemers
kunnen ieder een overtreding plegen, ook al verricht ieder van hen maar een
deel van de fysieke handelingen die het gevaar veroorzaken.</al>
      <tuskop letat="rom">49</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De VNG is in dit verband van mening dat door het begrip
medeplegen te introduceren slechts deels tegemoetgekomen is aan praktijkproblemen
van de handhaving<voetref refid="v30.2" nr="2"></voetref>. Het komt in de praktijk veelvuldig
voor dat handhaving wordt gefrustreerd door het tijdens de procedure verkopen
of overdragen van eigendom aan familieleden, vrienden of stromannen, met gevolg
dat de handhavingsprocedure veelal opnieuw moet starten. De oorspronkelijke
overtreder is nergens meer te vinden zodat het bestuursorgaan opdraait voor
de kosten. Het introduceren van het begrip «medeplegen» is niet
voldoende om aan dit vaak voorkomende probleem het hoofd te bieden, aangezien
vereist is dat men bewust heeft samengewerkt en de normschending gezamenlijk
heeft uitgevoerd. Dit stelt dus eisen aan de kwaliteit van bewijsgaring.
Is de regering ervan overtuigd dat deze kwaliteit in de praktijk haalbaar
zal zijn?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De figuur van het medeplegen kan inderdaad niet het door de VNG gesignaleerde
probleem voorkomen. Daarvoor is deze figuur ook niet bedoeld.</al>
      <al>Het type handhavingsproblemen waarop de VNG doelt kan wel worden verminderd
door wettelijk te regelen dat bepaalde handhavingsbesluiten «zakelijke
werking» krijgen. Dit is bijvoorbeeld gebeurd voor de aanschrijvingen
in de artikelen 14 tot en met 20 van de Woningwet, waaraan in beginsel ook
de rechtsopvolger van de aangeschrevene is gebonden. Het ligt op de weg van
de bijzondere wetgever om invoering daarvan op specifieke deelterreinen te
overwegen.</al>
      <tuskop letat="rom">50</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Voorts wijst de memorie van toelichting op het belang
van het onderscheid tussen medeplegen en medeplichtigheid, aangezien aan de
medeplichtige geen bestuurlijke sancties kunnen worden opgelegd. De VNG merkt
echter op dat het voor het opleggen van een herstelsanctie wel van belang
kan zijn om ook de medeplichtige dader deels verantwoordelijk te kunnen stellen,
ook al heeft deze slechts ondergeschikt aandeel. Is de regering het hiermee
eens? Zo ja, wordt het wetsvoorstel in die zin aangepast dat het mogelijk
wordt om ook de medeplichtige een herstelsanctie te kunnen opleggen? Zo neen,
waarom niet?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In artikel 5.0.1 wordt het begrip «overtreder» omschreven.
De medeplichtige wordt daarbij niet als overtreder aangemerkt. In het strafrecht
is medeplichtigheid slechts bij misdrijven strafbaar (artikel 48 Sr) ; in
dat licht zou het te ver voeren om in het bestuursrecht de medeplichtige over
de hele linie als overtreder aan te merken.</al>
      <al>Dit betekent dat bestuurlijke sancties die slechts aan de overtreder kunnen
worden opgelegd, niet aan een medeplichtige kunnen worden opgelegd. Dit geldt
voor alle bestraffende sancties en voor de last onder dwangsom, want ook deze
laatste kan slechts aan de overtreder worden opgelegd (art. 5:32 lid 1; zie
ook blz. 80/81 van de memorie van toelichting).</al>
      <al>Maar bij de last onder bestuursdwang ligt dit anders: deze is niet specifiek
tegen de overtreder gericht, maar kan worden opgelegd aan een ieder die het
in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen of de gevolgen daarvan
weg te nemen. Het is daarbij zelfs niet nodig dat degene tot wie de last wordt
gericht medeplichtige aan de overtreding was: ook indien hij met de overtreding
zelf niets te maken had, kan de last onder bestuursdwang aan hem worden opgelegd
en kan zonodig daadwerkelijk bestuursdwang jegens hem worden toegepast. De
kosten kunnen echter slechts op de overtreder zelf worden verhaald (art. 5:25).</al>
      <al>Omgekeerd kan een last onder dwangsom zelfs niet aan de overtreder worden
opgelegd, als deze het niet (meer) in zijn macht heeft om de overtreding te
beëindigen of de gevolgen daarvan weg te nemen. Een medeplichtige –
die dus slechts een ondergeschikt aandeel in de overtreding had – zal
het veelal niet in zijn macht hebben om de overtreding te beëindigen
of de gevolgen daarvan weg te nemen.</al>
      <tuskop letat="rom">51</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Tot slot staat in de memorie van toelichting dat het
derde lid waarborgt dat de bestuurlijke sanctie ook aan rechtspersonen kan
worden opgelegd en wordt artikel 51 van Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige
toepassing verklaard. Indien de rechtspersoon een publiekrechtelijke rechtspersoon
is, merkt de memorie van toelichting op dat vooralsnog aansluiting moet worden
gezocht bij de strafrechtelijke jurisprudentie hierover. Deze jurisprudentie
komt er, kort samengevat, op neer dat de Staat immuniteit geniet en dat decentrale
overheden in beginsel alleen een sanctie opgelegd kunnen krijgen in het kader
van gedragingen die niet werden verricht ter uitvoering van een
exclusieve overheidstaak<voetref refid="v32.1" nr="1"></voetref>. Echter, de Hoge Raad
heeft in een arrest van 3 maart 1998 expliciet aangegeven dat de regel
uit het Pikmeer II-arrest niet geldt in het kader van de oplegging van bestuurlijke
boetes op grond van de Wahv. Dit roept de vraag op of het niet toch mogelijk
is, ondanks de tekst in het wetsvoorstel, om bestuurlijke boetes op te leggen
aan decentrale overheden die een exclusieve overheidstaak uitvoeren<voetref refid="v32.2" nr="2"></voetref>. Bovendien is het maar de vraag of het wel gewenst is
dat de Staat volledige immuniteit bezit. Waarom zou deze als deze bijvoorbeeld
de Mededingingswet of de Arbeidsomstandighedenwet overtreedt geen boete opgelegd
moeten krijgen, zo vraagt de commissie<voetref refid="v32.3" nr="3"></voetref>.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De leden van de commissie verwijzen in hun vraag naar het arrest van Hoge
Raad van 3 maart 1998 (HR 3 maart 1998, RAwb 1998, nr. 142 (m. nt.
O.J.D.M.L. Jansen). In dit arrest heeft de Hoge Raad uit de geschiedenis van
de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften afgeleid
dat de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd het opleggen van boeten op grond
van deze wet aan de Staat en andere publiekrechtelijke rechtspersonen mogelijk
te maken.</al>
      <al>Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat de bijzondere wetgever in beginsel
zelf kan bepalen dat bepaalde boeten ook kunnen worden opgelegd aan centrale
of decentrale overheden die beboetbare feiten plegen, ook als zij dat doen
in de uitoefening van een exclusieve overheidstaak. Heeft de bijzondere wetgever
daarover niets geregeld, dan zal aan de hand van de door de leden van de commissie
aangehaalde jurisprudentie de vraag moeten worden beantwoord of aan de overheid
voor de betreffende gedraging een boete kan worden opgelegd. Zo blijkt bijvoorbeeld
uit ABRS 17 april 2002, AB 2002, 253 m.nt. OJ dat aan de gemeente Schouwen-Duiveland
een bestuurlijke boete op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 kon worden
opgelegd naar aanleiding van een arbeidsongeval op het gemeentehuis te Zierikzee.</al>
      <tuskop letat="rom">52</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie hebben over tweede lid
van artikel 5.0.1 de navolgende vragen. Kan de regering voorbeelden geven
van situaties waarin het naar haar mening mogelijk en wenselijk is dat aan
een belastingadviseur een bestuurlijke boete wordt opgelegd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het opleggen van een boete aan een belastingadviseur is alleen mogelijk
indien deze kan worden aangemerkt als overtreder in de zin van het tweede
lid van artikel 5.0.1. Een situatie waaraan kan worden gedacht is die waarbij
een ondernemer en zijn adviseur na gezamenlijk overleg hebben besloten dat
de belastingadviseur, als gemachtigde van de ondernemer, in de aangifte niet
het door de adviseur berekende bedrag opgeeft maar een nihilaangifte in zal
dienen. In een dergelijk geval is het naar onze mening mogelijk en wenselijk
om aan de adviseur een bestuurlijke boete op te leggen.</al>
      <tuskop letat="rom">53</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is het de bedoeling van artikel 5.0.1 dat aan zowel
de fysieke dader als de functionele dader voor hetzelfde (beboetbare) feit
een bestuurlijke boete wordt opgelegd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Indien de fysieke dader en de functionele dader allebei verwijtbaar hebben
gehandeld en daarmee beiden dezelfde overtreding hebben begaan, dan kan aan
beide overtreders voor hetzelfde beboetbare feit een boete worden opgelegd.</al>
      <tuskop letat="rom">54</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat
er krachtens rechtspraak niet kan worden opgetreden tegen gedragingen in verband
met buitenwettelijke voorschriften, zoals voorwaarden verbonden aan gedoogbeschikkingen.
Deze leden vragen of dit het wenselijk maakt te bezien of en in hoeverre deze
voorwaarden anderszins beter gehandhaafd kunnen worden, zeker gelet op het
feit dat het softdrugsbeleid in belangrijke mate gestoeld is op gedoogbeschikkingen.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Voorts constateren deze leden dat inzake het daderschap
er voor is gekozen de medepleger evenzeer aan te spreken. Er lijkt op zich
goede reden te zijn de regeling zich niet te laten uitstrekken tot medeplichtigheid.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is van belang om onderscheid te maken tussen bestuursrechtelijk gedogen
en strafrechtelijk gedogen. Bij het softdrugsbeleid gaat het om strafrechtelijk
gedogen. De gedoogbeschikking is een bestuursrechtelijk instrument.</al>
      <al>De leden van de ChristenUnie-fractie merken terecht op dat niet rechtstreeks
kan worden opgetreden tegen overtreding van voorwaarden, verbonden aan een
bestuursrechtelijke gedoogbeschikking of aan het strafrechtelijke gedoogbeleid.
Dit betekent echter niet dat in het geheel niet handhavend kan worden opgetreden.
Ingeval van overtreding van de voorwaarden die aan een gedoogbeschikking zijn
verbonden, kan de gedoogbeschikking worden ingetrokken, waarna vervolgens
handhavend kan worden opgetreden. Iets soortgelijks geldt voor het strafrechtelijke
gedoogbeleid. Bij overtreding van de in het gedoogbeleid opgenomen voorwaarden,
is dit beleid niet meer van toepassing en wordt vervolging wegens de voorheen
gedoogde strafbare gedraging mogelijk.</al>
      <tuskop letat="rom">55</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Omdat bij de vormgeving van de afdeling wel degelijk
goed gekeken is welke begrippen uit het Wetboek van Strafrecht ook in het
kader van de bestuursrechtelijke handhaving aan de orde zijn, doet zich naar
het oordeel van deze leden wel de vraag voor of en in hoeverre enkele andere
algemene bepalingen uit het strafrecht niet met zoveel woorden van toepassing
zouden moeten zijn. Zij wijzen bijvoorbeeld op de bepalingen inzake overmacht,
noodweer en uitvoering van een wettelijk voorschrift. Nu is een en ander vertaald
in de algemene bepaling inzake de rechtvaardigingsgrond. Verdient dit geen
nadere omschrijving, zeker omdat de strafrechtelijke traditie inzake strafuitsluitingsgronden
wel als uitgangspunt voor de uitleg wordt genomen? Deze leden stellen vervolgens
de vraag of het in elk geval aanbeveling verdient te spreken van strafuitsluitingsgrond
in plaats van rechtvaardigingsgrond.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het begrip rechtvaardigingsgrond, genoemd in artikel 5.0.5, verwijst naar
het algemene leerstuk over de rechtvaardigingsgronden in het strafrecht. Het
wettelijk benoemen van de rechtvaardigingsgronden in het bestuursrecht zou
naar onze mening niet tot meer rechtszekerheid leiden, aangezien de ontwikkeling
en de inhoud van de rechtvaardigingsgronden in het strafrecht voornamelijk
in jurisprudentie is geschied. Met deze enkele bepaling wordt de bestuursrechter
voldoende houvast gegeven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het tweede deel van deze vraag beantwoorden wij samen met de vragen bij
artikel 5.0.5 onder nummer 68.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.0.2</tuskop>
      <tuskop letat="rom">56</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het eerste lid van artikel 5.0.2, betreffende de definitie
van «bestuurlijke sanctie», is in vergelijking met het voorontwerp
gewijzigd. In het voorontwerp stond dat een sanctie ook kon bestaan uit een
bij beschikking genomen maatregel; in het huidige wetsvoorstel
wordt gesproken over onthouden aanspraak. De regering heeft hiervoor gekozen,
omdat in de sfeer van de sociale zekerheid en de subsidies sancties voorkomen
die niet zozeer een nieuwe verplichting voor de overtreder inhouden, maar
een vermindering (eventueel tot nihil) van de financiële aanspraken die
de overtreder zonder de overtreding zou hebben gehad. Dit is een erg summiere
toelichting. De commissie vraagt of de regering bereid is deze wijziging van
een uitgebreidere toelichting te voorzien. Tevens is in vergelijking met het
voorontwerp weggelaten dat een bestuurlijke sanctie bij beschikking wordt
opgelegd. Het NJB vraagt of daarmee het sanctiebegrip niet onnodig wordt opgerekt
en niet wordt gebroken met de in het bestuursrecht gebruikelijke terminologie
en achterliggende doctrine. Kan de regering hierop ingaan?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De definitie van het begrip bestuurlijke sanctie is gewijzigd in verband
met de introductie van het begrip last onder bestuursdwang. In het voorontwerp
werd bestuursdwang nog primair gezien als feitelijk handelen. In verband daarmee
was het element maatregel in de definitie opgenomen. In het wetsvoorstel staat
bij de definitie van bestuursdwang de last voorop. Nu een last naar zijn aard
een beschikking is, is uitbreiding van het begrip bestuurlijke sancties met
genomen maatregelen niet meer nodig.. De sancties die onder hoofdstuk 5 van
de het wetsvoorstel vallen – last onder dwangsom, last onder bestuursdwang
en bestuurlijke boete – zijn alle beschikkingen. Er zijn geen feitelijke
handelingen die als bestuurlijke sanctie kunnen worden aangemerkt.</al>
      <al>Uit het voorafgaande volgt ook dat van onnodige oprekking van het sanctiebegrip
geen sprake is, en evenmin van een breuk met de gebruikelijke bestuursrechtelijke
terminologie of de bestuursrechtelijke doctrine.</al>
      <tuskop letat="rom">57</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Voorts is naast het begrip herstelsanctie, het begrip
bestraffende sanctie in het wetsvoorstel opgenomen. De regering definieert
de bestraffende sanctie als een bestuurlijke sanctie voorzover deze beoogt
de overtreder leed toe te voegen. Het NJB vraagt in dit verband of er sancties
zijn die zowel bestraffend als herstellend zijn en waarom niet de formulering
strekt tot is gebruikt, zoals bij herstelsancties. Kan de regering hierop
ingaan?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de literatuur wordt inderdaad wel gesteld dat een bestuurlijke sanctie
deels herstellend en deels bestraffend kan zijn. Veelbesproken is bijvoorbeeld
ABRS 8 februari 2000, AB 2000, 118 m.nt. LD, JB 2000, 91 m.nt. CLGFHA
(Woningverbeteringssubsidie Den Haag). Daarin werd wegens fraude de gehele
subsidie ingetrokken, hoewel vast stond dat de ontvanger zonder de fraude
wel recht zou hebben gehad op een gedeelte van het subsidiebedrag. De Afdeling
bestuursrechtspraak oordeelde dat de algehele intrekking geen bestraffend
karakter had. Diverse schrijvers (zie de noten onder de uitspraak en B.J.
van de Griend, Het oogmerk als ijkpunt. Bestuurlijke sancties in bestuursrechtspraak
en wetgevingsadvisering, blz. 44 e.v.) menen echter dat zo’n algehele
intrekking als deels en deels herstellend en deels bestraffend moet worden
beschouwd. Ook de Afdeling lijkt niet te hebben willen uitsluiten dat dit
onder omstandigheden het geval kan zijn. Concrete voorbeelden daarvan zijn
ons niet bekend, maar de voorgestelde wettekst laat ruimte voor een dergelijke
rechtsontwikkeling door het gebruik van het woord «voorzover»
in de definitie van bestraffende sanctie (artikel 5.0.2, eerste lid, onderdeel
c).</al>
      <tuskop letat="rom">58</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Tot slot wordt in het tweede lid van artikel 5.0.2
uitdrukkelijk bepaald dat een enkelvoudige last geen bestuurlijke sanctie
is. Volgens het NJB is het van tweeën één of de last wordt
opgelegd naar aanleiding van een overtreding en dan is het een
sanctie of niet en dan is het geen sanctie. Kan de regering ook hierop ingaan?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De enkele last tot het verrichten van bepaalde handelingen komt in verschillende
bestuursrechtelijke wetten in verschillende gedaanten voor. Er zijn lasten
die kunnen worden opgelegd zonder dat sprake is van een overtreding (zie bijvoorbeeld
artikel 1:58, tweede lid van de voorgestelde Wet op het financieel toezicht,
Kamerstukken II 2003/04, 29 708, nr. 2). Deze kunnen reeds daarom niet
als sanctie worden aangemerkt. Indien een last wel een reactie op een overtreding
vormt, behelst zij veelal een nadere concretisering van de verplichtingen
die voor de overtreder uit de overtreden norm voortvloeien. Tegen het niet
uitvoeren van een dergelijke last kan vervolgens veelal met bestuurlijke sancties
worden opgetreden. Tegen deze achtergrond is er voor gekozen de enkelvoudige
last zelf niet als bestuurlijke sanctie aan te merken.</al>
      <tuskop letat="rom">59</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De VNG wijst er op dat per 1 januari 2005 de Wet
kinderopvang van kracht wordt, met als bijzondere instrumenten de schriftelijke
aanwijzing en het exploitatieverbod. De VNG stelt voor dat in de memorie van
toelichting wordt opgenomen dat ook deze twee voorbeelden vallen onder het
tweede lid, zodat de onduidelijkheid over al dan niet mogelijke toepassing
van de last onder bestuursdwang of dwangsom wordt weggenomen. Is de regering
bereid deze suggestie over te nemen? Zo neen, waarom niet?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De aanwijzing van artikel 65 Wet Kinderopvang is aan te merken als een
enkelvoudige last (zie Kamerstukken II 2001/02, 28 447, nr. 3, p. 89).
De aanwijzing draagt de houder op zodanige maatregelen te nemen dat wordt
voldaan aan de wettelijke eisen. Dit houdt niet meer in dan een last voor
de houder. De aanwijzing valt derhalve onder het tweede lid van artikel 5.0.2.</al>
      <al>Artikel 66, eerste lid, Wet Kinderopvang luidt: «Het college van
burgemeester en wethouders kan de houder verbieden de exploitatie van een
kindercentrum of gastouderbureau voort te zetten, zolang hij een bevel of
aanwijzing niet opvolgt en het toepassen van bestuursdwang niet mogelijk is.»
Dit exploitatieverbod kan eveneens worden aangemerkt als een enkelvoudige
last, met als bijzonderheid dat zij volgt op een meer specifieke last. Van
een last onder bestuursdwang is geen sprake, nu het exploitatieverbod blijkens
de wettekst juist ziet op een situatie waarin bestuursdwang niet mogelijk
is.</al>
      <tuskop letat="rom">60</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie stellen vast dat de regering
in de memorie van toelichting (p. 83) schrijft: «Met de woorden «geheel
of gedeeltelijk» is beoogd aan te geven dat ook zogenaamde «partiële
handhaving» onder omstandigheden denkbaar is». Deze leden lezen
in deze zin dat het door hun zo verfoeide «gedoogbeleid» van de
overheid niet in de ban wordt gedaan. Welke mogelijkheden heeft een bestuursorgaan –
na invoering van de Vierde tranche Awb – om een onrechtmatige situatie
te gedogen, zonder met dit gedogen in strijd te komen met jurisprudentie van
de Afdeling rechtspraak van de Raad van State?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De woorden «geheel of gedeeltelijk» behelzen geen wijziging
van ons standpunt over gedogen. Dit standpunt komt overeen met de jurisprudentie
van de Afdeling bestuursrechtspraak inzake de «beginselplicht tot handhaving.»
Daarin stelt de Afdeling voorop dat, gelet op het algemeen belang dat met
handhaving is gediend, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift
een bestuursorgaan dat bevoegd is een herstelsanctie op te leggen, in de regel
van deze bevoegdheid gebruik moet maken. De Afdeling wijst er echter tevens
op dat zich situaties kunnen voordoen waarin handhavend optreden
zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat
in die concrete situatie van handhaving behoort te worden afgezien (vgl. ABRS
11 augustus 2004, AB 2004, 444 (m.nt. F.R. Vermeer)).</al>
      <al>Indien het bestuursorgaan tot handhaving overgaat, is en blijft het uitgangspunt
dat een handhavingsbesluit gericht moet zijn op het volledig beëindigen
of ongedaan maken van (de gevolgen van) een overtreding. Het kan echter voorkomen,
dat volledige handhaving onevenredig is in verhouding met de daarmee te dienen
belangen. Indien het bestuursorgaan in zo’n situatie niet bevoegd zou
zijn tot gedeeltelijke handhaving, zou het geheel van handhaving moeten afzien,
terwijl denkbaar is dat gedeeltelijke handhaving wel in overeenstemming met
het evenredigheidsbeginsel is. Juist om te voorkomen dat het bestuur in zo’n «alles
of niets» situatie terecht komt en dan voor «niets» moet
kiezen, zijn de woorden «geheel of gedeeltelijk» opgenomen. Daardoor
zullen bestuursorganen dus niet meer, maar juist minder hoeven te gedogen.</al>
      <tuskop letat="rom">61</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de ChristenUnie attenderen
op het wegvallen van de aanduiding a en b bij de respectievelijke onderdelen
van het eerste lid.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De opmerking van de leden van de ChristenUnie is terecht. Bij nota van
verbetering zijn deze aanduidingen alsnog aangebracht (stuk nr. 5). </al>
      <tuskop letat="rom">62</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Verder vragen zij voor alle duidelijkheid (de memorie
van toelichting geeft daar aanleiding toe) of de bestuurlijke sanctie het
meeromvattende begrip is en de herstelsanctie en de bestraffende sanctie beide
als bestuurlijke sanctie moeten worden gezien.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit kunnen wij bevestigen. In artikel 5.0.2 wordt eerst het overkoepelende
begrip bestuurlijke sanctie gedefinieerd, waarna vervolgens in respectievelijk
het tweede en het derde lid twee soorten bestuurlijke sancties worden omschreven:
de herstelsanctie en de bestraffende sanctie.</al>
      <tuskop letat="rom">63</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deze leden vragen voorts waarom de definitie van de
bestraffende sanctie luidt zoals die luidt: «beoogt om leed toe te voegen».
Waarom is het nodig tot een precieze omschrijving over te gaan? Kan daar niet
net zo goed, of zelfs beter van worden afgezien?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">In elk geval leidt de huidige definitie, zo menen deze
leden, tot misverstanden. In de eerste plaats wijzen zij er op dat het ook
in het strafrecht immers niet zo is dat dit oogmerk het enige is. Te denken
valt aan in de literatuur en wetsgeschiedenis voorkomende andere oogmerken,
zoals in het bijzonder generale en specifieke preventie. Deze oogmerken zullen
ook gelden voor de bestuurlijke boete. Je zou zelfs heel goed kunnen beweren
dat preventie, of anders gezegd, het voorkomen van herhaling door de dader
zelf of door anderen, het belangrijkste motief is. Anders dan in het geval
van misdrijven is een overtreding in bestuurlijke zin immers niet in zichzelf
strafwaardig in morele zin, dus verwerpelijk. De overtreding in bestuurlijke
zin is slechts in de context van de bestuurlijke handhaving en handhaving
van de openbare orde een gedraging waarop een sanctie van toepassing kan worden
geacht. Het rijden zonder deugdelijke fietsverlichting is bijvoorbeeld enkel
afkeurenswaardig in het kader van de verkeersveiligheid, maar is niet te vergelijken
met bijvoorbeeld het opzettelijk vernielen van andermans eigendommen. In die
zin zou je dus kunnen stellen dat de kern van het opleggen van een sanctie
is gelegen in het oogmerk om er voor te zorgen dat men zich overeenkomstig
de bestuurlijke regels gedraagt. Deze leden wijzen in dit verband ook naar
de criteria om te onderscheiden tussen bestuurlijke boete en
strafrechtelijke sanctie op de pagina’s 118 en 119 van de memorie van
toelichting.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de ChristenUnie concluderen
op dit punt dat bestraffende sancties, waaronder de bestuurlijke boetes primair
als doel hebben herhaling van ongewenst gedrag te voorkomen en normovereenkomstig
gedrag te bevorderen. Het toebrengen van leed is in dat verband niet zozeer
het doel, als wel het middel. Dit in tegenstelling tot strafrechtelijke sancties,
waar leed toebrengen vanwege het oogmerk van vergelding wel een zelfstandig
motief kan zijn. Graag ontvangen zij een reactie op deze beschouwing.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een omschrijving van het begrip bestraffende sanctie is nodig omdat voor
bestraffende sancties enkele specifieke regels gelden, waarvan het toepassingsbereik
moet worden afgebakend. Het oogmerk van leedtoevoeging is het kenmerk dat
bestraffende sancties onderscheidt van herstelsancties. Dat er ook andere
oogmerken kunnen zijn, doet daar niet aan af.</al>
      <al>Het criterium «beoogt de overtreder leed toe te voegen» sluit
aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State. De Afdeling spreekt in dit verband van «het toebrengen van
een verdergaande benadeling dan die welke voortvloeit uit het enkel doen naleven
van de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften» (ABRvS 19 september
1996, AB 1997, 91 m. nt. PvB; zie ook CBb 4 september 2003, AB 2004,
14 m.nt. ICvdV). De Afdeling heeft dit criterium afgeleid uit de jurisprudentie
van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over het begrip «criminal
charge» in artikel 6 EVRM.</al>
      <al>Overigens menen wij, anders dan deze leden, dat overtredingen in bestuursrechtelijke
zin soms wel degelijk moreel laakbaar kunnen zijn. Men denke bijvoorbeeld
aan overtredingen van de arbeidsomstandighedenwetgeving waardoor de gezondheid
van werknemers in gevaar wordt gebracht. Hooguit kan men zeggen dat naarmate
deze morele laakbaarheid zich meer opdringt, handhaving via het strafrecht
in plaats van via het bestuursrecht eerder in aanmerking komt.</al>
      <tuskop letat="rom">64</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Overigens is deze leden daarnaast opgevallen dat het
voorkomen van herhaling als motief enkel wordt gekoppeld aan de herstelsanctie.
Kan dit worden toegelicht?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hoewel ook bestraffende sancties mede beogen door afschrikking herhaling
te voorkomen, behelzen zij niet een concreet geïndividualiseerd bevel
aan de overtreder om zich van herhaling van een specifieke overtreding te
onthouden. Een last onder dwangsom kan wel een zodanig bevel inhouden.</al>
      <tuskop letat="rom">65</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Tenslotte constateren deze leden op dit punt dat de
bestraffende sanctie ook een andere vorm kan kennen dan de bestuurlijke boete.
Dit blijkt naar hun oordeel niet voldoende helder uit de wettekst.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze leden constateren terecht dat er naast de bestuurlijke boete nog
andere bestraffende sancties bestaan. Naar ons oordeel laat de wettekst daarover
ook geen misverstanden bestaan. Zo volgt uit artikel 5.0.3 dat bij wettelijk
voorschrift een aantal algemene bepalingen van titel 5.1 ook van toepassing
kan worden verklaard op andere dan de in hoofdstuk 5 geregelde bestuurlijke
sancties. Ook artikel 5.4.2.7 gaat er uitdrukkelijk van uit dat er naast de
bestuurlijke boete nog andere bestraffende sancties bestaan.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.0.5</tuskop>
      <tuskop letat="rom">66</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In dit artikel wordt ingegaan op de rechtvaardigingsgrond.
In de memorie van toelichting staat dat het artikel niet impliceert dat het
bestuursorgaan bij iedere bestuurlijke sanctie moet onderzoeken of een rechtvaardigingsgrond
aanwezig is en moet motiveren waarom dat niet het geval is. Daartoe is slechts
aanleiding indien de overtreder een onderbouwd beroep doet op een rechtvaardigingsgrond
of anderszins aanwijzingen bestaan dat mogelijk een rechtvaardigingsgrond
aanwezig is. De commissie vraagt wat voor aanwijzigen dat kunnen zijn.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De vraag van de commissie laat zich moeilijk in zijn algemeenheid beantwoorden.
Afhankelijk van de feiten en omstandigheden in een concrete zaak, kan sprake
zijn van aanwijzingen op grond waarvan het bestuursorgaan nader moet onderzoeken
of er rechtvaardigingsgronden zijn. Bij het onderzoek voorafgaand aan het
nemen van het sanctiebesluit kan het bestuursorgaan daarop stuiten. Als bijvoorbeeld
blijkt dat zich kort voor de overtreding een calamiteit heeft voorgedaan binnen
het bedrijf waar de overtreding is gepleegd kan dit, afhankelijk van het soort
overtreding, aanleiding zijn om nader te onderzoeken of wellicht sprake was
van noodtoestand of anderszins van overmacht.</al>
      <tuskop letat="rom">67</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De VNG is van mening dat het artikel geen recht lijkt
te doen aan de heersende jurisprudentie. Uitgangspunt van handhaving is altijd
geweest dat handhaving in beginsel vooropstaat, tenzij er dringende redenen
zijn om ervan af te zien. Dringende redenen worden door de rechter zeer beperkt
uitgelegd, het lijkt er nu op dat een meer ruimhartige uitleg wordt gegeven.
Kan de regering uiteenzetten of met dit artikel een ruimhartige uitleg wordt
beoogd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Artikel 5.0.5 beoogt niet af te wijken van de door de VNG bedoelde jurisprudentie.
Het verduidelijkt slechts dat – evenals in het strafrecht – voor
handhaving geen plaats is indien een rechtvaardigingsgrond bestaat. In dat
geval is immers geen sprake van wederrechtelijk handelen, zodat er eigenlijk überhaupt
geen overtreding is.</al>
      <tuskop letat="rom">68</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie merken op dat de wettekst
spreekt over «rechtvaardigingsgrond», terwijl in de memorie van
toelichting (p. 86) wordt gesproken over «strafuitsluitingsgronden»,
die worden onderverdeeld in «rechtvaardigingsgronden» enerzijds
en «schulduitsluitingsgronden» anderzijds. Deze leden vermoeden
dat voor «rechtvaardigingsgrond» in artikel 5.0.5 «strafuitsluitingsgrond»
dient te worden gelezen. Bedoelt de regering met «rechtvaardigingsgrond»
niet «strafuitsluitingsgrond», zo vragen deze leden.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het woord «rechtvaardigingsgrond» is hier niet ten onrechte
gebruikt. Strafuitsluitingsgrond is het overkoepelende begrip. Er bestaan
twee soorten strafuitsluitingsgronden: schulduitsluitingsgronden en rechtvaardigingsgronden.</al>
      <al>Schulduitsluitingsgronden zien op de verwijtbaarheid van de dader. Indien
er geen schuld is kan er ook geen straf worden opgelegd. Alleen bij bestraffende
sancties wordt vereist dat de verwijtbaarheid van de dader is komen vast te
staan. Schulduitsluitingsgronden spelen dus alleen een rol bij bestraffende
sancties en worden daarom behandeld in de titel over de bestuurlijke boete
(artikel 5.4.1.2).</al>
      <al>Rechtvaardigingsgronden zijn zowel voor herstelsancties als voor bestraffende
sancties relevant. Daarom zijn zij geregeld in de titel «Algemene bepalingen».</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.0.6</tuskop>
      <tuskop letat="rom">69</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In dit artikel staat dat het bestuursorgaan geen herstelsanctie
oplegt zolang een andere wegens dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie
van kracht is. Wordt met overtreding de enkele gedraging of het toepasselijke
voorschrift bedoeld, zo vraagt de commissie.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de betekenis van het begrip «overtreding» in deze bepaling
zij verwezen naar artikel 5.0.8. Daaruit volgt dat, indien twee of meer voorschriften
zijn overtreden, voor de overtreding van elk afzonderlijk voorschrift een
bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd, tenzij de overtreden voorschriften
naar hun strekking zodanig nauw samenhangen dat in wezen slechts één
overtreding plaatsvond (zie de memorie van toelichting, blz. 91). Eén
gedraging (een fysiek handelen of nalaten) kan dus meer dan één
overtreding opleveren en onder omstandigheden ook tot meer dan één
herstelsanctie leiden.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.0.7</tuskop>
      <tuskop letat="rom">70</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De VNG is van mening dat de effectiviteit van de handhaving
wordt verminderd door de zinsnede: «Uiteraard kan en moet de dreiging
van ernstige schade wel een rol spelen bij de ingevolge artikel 3:4 Awb te
verrichten belangenafweging.» Het VNG adviseert dan ook deze inperking
te schrappen. De commissie vraagt of de regering bereid is het vereiste van
ernstige schade te schrappen. Zo neen, waarom niet?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij hebben in de toelichting benadrukt dat wij van oordeel zijn dat preventieve
toepassing van herstelsancties onder omstandigheden ook mogelijk behoort te
zijn als niet vaststaat dat ernstige schade zal ontstaan. Ook dan kan er aanleiding
zijn om in te grijpen.</al>
      <al>Met de door de VNG aangehaalde zinsnede is slechts tot uitdrukking gebracht
dat een handhavingsbesluit, net als ieder ander besluit, moet voldoen aan
het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4, tweede lid, Awb) en dat de dreiging
van ernstige schade bij de in dat kader te maken belangenafweging een rol
kan spelen. Aan die zinsnede hebben wij overigens toegevoegd dat het ontbreken
van dergelijke schade niet zonder meer betekent, dat niet kan worden opgetreden.</al>
      <al>De vrees dat deze zinsnede de effectiviteit van de handhaving vermindert,
is dus ongegrond.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.0.9</tuskop>
      <tuskop letat="rom">71</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie merken op dat in de memorie
van toelichting (p. 92) staat: «Voorzover dit nodig is om de gedraging
te identificeren, dient de beschikking tevens een aanduiding te bevatten van
de plaats waar en het tijdstip waarop de gedraging plaatsvond». Heeft
deze zinsnede voor het fiscaal (boete)recht praktische betekenis en zo ja,
op welke wijze kunnen plaats en tijdstip dan worden vastgesteld?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het gebruik van de woorden «zo nodig» in onderdeel b van artikel
5.0.9 geeft aan dat een aanduiding van plaats en tijd alleen hoeft te worden
gegeven voorzover dit vereist is om de gedraging te identificeren. Over het
algemeen zal dit bij het opleggen van een fiscale boete niet nodig zijn.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.0.10</tuskop>
      <tuskop letat="rom">72</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In artikel 5.0.10 is bepaald dat voorzover een bestuurlijke
sanctie verplicht tot betaling van een geldsom, deze geldsom toekomt aan het
bestuursorgaan dat de sanctie heeft opgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift
anders is bepaald. Op deze voorgestelde regeling is, onder meer van de Hoge
Raad en het openbaar ministerie, veel kritiek gekomen. Volgens de kritiek
is het mogelijke gevaar van misbruik in de handhaving levensgroot, nu het
bestuur een financieel belang heeft bij de oplegging van een boete. Ook het
NJB wijst er op dat bestraffende geldelijke sancties principieel geen inkomstenpost
mogen vormen waarop wordt geanticipeerd bij de begroting. Het NJB is dan ook
van mening dat vanuit rechtsstatelijke optiek artikel 5.0.10 een aanpassing
verdient en geeft in overweging om een soort handhavingsfonds op te richten
en de inkomsten uit boetes opgelegd door bestuursorganen daarin te verzamelen,
waarna verdeling kan plaatsvinden. De commissie vraagt of de regering, gelet
op de vele kritieken, bereid is artikel 5.0.10 aan te passen en het idee van
een soort handhavingsfonds over te nemen. Zo neen, waarom niet?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De vrees voor misbruik van de handhavingsbevoegdheid door bestuursorganen
is in onze ogen niet gegrond.</al>
      <al>Om te beginnen zal er uit de aard der zaak altijd sprake moeten zijn van
een overtreding voordat het bestuursorgaan handhavend kan optreden.</al>
      <al>Verder geeft de praktijk tot nu toe geen grond voor een dergelijke vrees.
Zo is bij de bevoegdheid om verbeurde dwangsommen te innen, die al langer
bij het bestuursorgaan ligt, niet gebleken dat bestuursorganen hiervan misbruik
hebben gemaakt om meer geld binnen te krijgen.</al>
      <al>In verschillende wetten is er in het verleden al voor gekozen om de opbrengsten
uit handhaving bij het handhavende bestuursorgaan te laten. Ook in deze gevallen
is niet van misbruik gebleken.</al>
      <al>Daarnaast kost toezicht en handhaving de overheid veel geld. Op de meeste
beleidsterreinen levert handhaving minder op dan het kost. Het is dus niet
zo dat handhaven financieel lucratief is voor een bestuursorgaan.</al>
      <al>Gelet op het voorgaande zien wij geen reden om een handhavingsfonds –
dat bovendien weer de nodige mensen, middelen en procedures nodig zal hebben –
op te tuigen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.0.11</tuskop>
      <tuskop letat="rom">73</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In het artikel 5.0.11 betreffende het zwijgrecht en
de cautieverplichting zijn belangrijke wijzigingen aangebracht. Wat allereerst
opvalt, is dat de regering ervoor heeft gekozen om deze rechtswaarborgen onder
titel 5.1 «algemene bepalingen» te plaatsen. Dit is opmerkelijk
aangezien het zwijgrecht en de cautieverplichting alleen gelden voor de bestuurlijke
boete. Het NJB vraagt in dit verband waarom de regering er niet voor heeft
gekozen om het artikel te plaatsen in afdeling 5.4.1 (algemene bepalingen)
of 5.4.2 (procedure). Doorwerking van het zwijgrecht en de cautieverplichting
ten aanzien van andere bestraffende sancties in het bestuursrecht kan dan,
volgens het NJB, eventueel worden verleend op grond van artikel 5.4.2.7. De
commissie vraagt of de regering bereid is om onderhavig artikel te verplaatsen
naar 5.4.1 of 5.4.2. Zo neen, waarom niet?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gekozen is voor plaatsing in titel 5.1, omdat het zwijgrecht onder meer
derogeert aan de in artikel 5:16 j° 5:20 neergelegde verplichting om inlichtingen
te verschaffen aan toezichthouders. Voorts geldt het zwijgrecht ook ten opzicht
van ambtenaren die geen toezichthouder zijn.</al>
      <al>Het regelen van het zwijgrecht op een andere plaats is daarom uit wetssystematisch
oogpunt niet wenselijk.</al>
      <tuskop letat="rom">74</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Voorts valt op dat de vraag wanneer het zwijgrecht
begint, in het voorontwerp anders is beantwoord dan in voorliggend wetsvoorstel.
In het voorontwerp was bepaald dat het zwijgrecht toekwam aan degene die aan
een handeling van het bestuursorgaan redelijkerwijs de gevolgtrekking kan
verbinden dat aan hem een bestuurlijke sanctie, niet zijnde een herstelsanctie
zal worden opgelegd. In de thans voorgestelde bepaling is bepaald dat degene
die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende
sanctie, niet verplicht is ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding
af te leggen. De regering geeft hiervoor als argument dat het bestuursrecht
op dit punt zoveel mogelijk aansluiting dient te zoeken bij het strafrecht.
Het NJB vraagt in dit verband waarom dan «het verhoor» als moment
van het intreden van het zwijgrecht wordt geïntroduceerd. Het NJB is
van mening dat hiermee impliciet in het gehele bestuursrecht het verhoor als
juridisch fenomeen wordt geformaliseerd. Volgens het NJB was het beter geweest
indien de bepaling simpelweg «het redelijk vermoeden van schuld aan
het begaan van een overtreding» als uitgangspunt had genomen<voetref refid="v41.1" nr="1"></voetref>. Hiermee zou ook een beter aanknopingspunt zijn gekozen
voor het garanderen van de schriftelijke verklaringsvrijheid. Nu ligt, volgens
het NJB, de nadruk bij het zwijgrecht op de mondelinge verklaringsvrijheid,
terwijl de jurisprudentie van zowel het Europese Hof te Straatsburg als de
Hoge Raad op dit punt duidt op een ruimere, ook de schriftelijke verklaringsvrijheid
behelzende rechtswaarborg. Kan de regering op deze suggestie ingaan?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit rechtspraak van het EHRM kan worden afgeleid dat het zwijgrecht in
ieder geval geldt vanaf het tijdstip waarop kan worden gesproken van een «criminal
charge». De jurisprudentie van het EHRM over inhoud van dit begrip is
evenwel nog niet uitgekristalliseerd, zodat een daarop aansluitende, van het
strafrecht afwijkende omschrijving, bij de huidige stand van zaken niet kan
worden gerechtvaardigd. Wij hebben er dan ook voor gekozen om aan te knopen
bij het begrip «verhoor», dat ook in het strafrecht en het fiscale
recht als ijkpunt wordt gehanteerd voor het zwijgrecht.</al>
      <al>Met de woorden «wordt verhoord» wordt bedoeld dat naar objectieve
maatstaven door een redelijk waarnemer kan worden vastgesteld dat sprake is
van een «verhoor» met het oog op de oplegging van een bestuurlijke
boete. Met bovenstaande is nog niets gezegd over de vorm waarin het verhoor
plaatsvindt. De tekst sluit niet uit dat een schriftelijke ondervraging onder
omstandigheden als verhoor zou kunnen worden aangemerkt.</al>
      <tuskop letat="rom">75</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De VNG wijst er in dit verband op dat met de uitspraak
van het EHRM<voetref refid="v41.2" nr="2"></voetref> de discussie is opgelaaid of niet
ook documenten en ander materiaal dat onafhankelijk van de wil van de verdachte
bestaat onder artikel 6 EVRM moet vallen. In deze zaak overweegt het EHRM
dat een relevant criterium voor inbreuk op het nemo tenetur-beginsel is of
het gevraagde materiaal mogelijk enige informatie zou kunnen bevatten over
het strafbare feit. Onduidelijk is nu of bij het bestaan van een«criminal
charge», een onder toezicht staande persoon/ verdachte buiten het zwijgrecht
nu ook recht heeft op het weigeren van inzage verschaffen in bijvoorbeeld
boekhouding<voetref refid="v41.3" nr="3"></voetref>. Kan de regering hier meer duidelijkheid
over verschaffen, zo vraagt de commissie.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hoewel de rechtspraak van het EHRM inderdaad geen volstrekte duidelijkheid
verschaft, kan naar ons oordeel uit het door deze leden aangehaalde arrest
J.B./Zwitserland niet worden afgeleid, dat degene jegens wie een «criminal
charge» bestaat, niet meer zou kunnen worden verplicht om inzage te
verschaffen in bijvoorbeeld een boekhouding. Het arrest betrof een ongericht
verzoek van de Zwitserse belastingautoriteiten om inzage in alle
documenten met betrekking tot drie bedrijven waarin de klager zou hebben geïnvesteerd.
Volgens het EHRM kon in dat licht in dit geval niet worden gezegd dat het
ging om materiaal dat onafhankelijk van de wil van klager bestond (r.o. 68).
Daaruit volgt echter niet, dat een specifieke verplichting om inzage te verschaffen
in documenten niet meer toelaatbaar zou zijn. Het arrest geeft vooral aan,
dat onder omstandigheden de wijze waarop de overheid informatie heeft verkregen
zodanig onbehoorlijk kan zijn dat deze informatie niet voor het bewijs mag
worden gebruikt.</al>
      <tuskop letat="rom">76</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie merken op dat in de memorie
van toelichting (p. 95) staat: «Het zwijgrecht bestaat dus niet bij
iedere vraag die belastende informatie zou kunnen opleveren, maar slechts
bij vragen die daarop zijn gericht». Wanneer zijn vragen gericht op
het verkrijgen van belastende informatie? Kan de regering voorbeelden geven
van vragen van de inspecteur die gericht zijn op het verkrijgen van belastende
informatie?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een vraag is gericht op het verkrijgen van een belastende verklaring als
zij vraagt naar een verklaring omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij
een beboetbaar feit (HR 7 oktober 1980, NJ 1981, 61). Een inspecteur
mag wel vragen hoeveel inkomen iemand in een bepaald jaar had, maar niet of
er inkomen opzettelijk is verzwegen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:21</tuskop>
      <tuskop letat="rom">77</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het begrip «bestuursdwang» is, op advies
van de Raad van State, gewijzigd in «last onder bestuursdwang».
Zoals blijkt uit artikel 5:21 wordt hiermee tot uitdrukking gebracht dat de
last onder bestuursdwang, net als de last onder dwangsom, inhoudt: (1) een
last tot herstel van de overtreding en (2) de verplichting om te dulden dat
het bestuursorgaan de last door feitelijk handelen ten uitvoer legt, indien
de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. In het derde lid van artikel
5:24 is bepaald dat de last onder bestuursdwang bekend wordt gemaakt aan de
overtreder, aan de rechthebbende op het gebruik van de zaak waarop de last
betrekking heeft en aan de aanvrager. Met de nieuwe definitie is niet duidelijk
geworden of de overtreder of de rechthebbende op het gebruik van de zaak waarop
de last betrekking heeft, de last moet uitvoeren. De commissie vraagt of de
regering hier nader op in kan gaan.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met de wijziging van «bestuursdwang» in «last onder
bestuursdwang» is geen inhoudelijke verandering beoogd. De last kan
zowel aan de overtreder als aan de rechthebbende op het gebruik van de zaak
worden gericht, afhankelijk van wie het in zijn macht heeft om de overtreding
te beëindigen.</al>
      <al>Overigens hebben wij van de gelegenheid gebruik gemaakt om artikel 5:21
te verduidelijken door daarin de bevoegdheid van het bestuursorgaan tot feitelijk
ingrijpen meer centraal te stellen. Verwezen zij naar bijgaande nota van wijziging.</al>
      <tuskop letat="rom">78</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Er zijn twee bevoegdheden: de bevoegdheid tot het opleggen
van een last onder bestuursdwang en de bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang.
Deze laatste bevoegdheid was geregeld in artikel 5:22, maar dit artikel is
thans vervallen. Het NJB is van mening dat dit een belangrijke omissie is
en merkt op dat de definitiebepaling van herstelsanctie (art. 5.0.2, lid 1)
ontoereikend is. Dit artikel zegt niets over de bevoegdheid tot feitelijk
optreden van het bestuursorgaan. Als de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd,
dient het bestuursorgaan tot feitelijke toepassing van bestuursdwang
te besluiten, zoals ook uit de overige artikelen impliciet blijkt. En niet
door dat laatste besluit of de last, maar door de wet (art. 184 Sr) ontstaat
de verplichting tot dulden dat de bestuursdwang wordt toegepast. De commissie
vraagt of de regering op geconstateerde omissie in kan gaan.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is niet zo dat er twee aparte bevoegdheden bestaan: één
om de last onder bestuursdwang op te leggen en één om feitelijk
bestuursdwang toe te passen. De bevoegdheid om een last onder bestuursdwang
op te leggen impliceert de bevoegdheid om, als de begunstigingstermijn is
verlopen, feitelijk op te treden. In de in bijgaande nota van wijziging voorgestelde
verbeterde redactie van artikel 5:21 is dit expliciet tot uitdrukking gebracht.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:24</tuskop>
      <tuskop letat="rom">79</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het zou, volgens het NJB, verstandig zijn als de wet
opnieuw (zoals eerst in het thans vervallen artikel 5:24 stond) expliciet
zou bepalen dat een last onder bestuursdwang een beschikking is, zoals ook
ten aanzien van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang het geval is
(artikel 5:31a, lid 3). Is de regering bereid hierin te voorzien, zo vraagt
de commissie.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Awb geeft een algemene definitie van de beschikking in artikel 1:3
lid 2. Elke handeling van een bestuursorgaan die onder de definitie van beschikking
valt, is daarmee ook een beschikking. Dit hoeft niet apart te worden vermeld.
Een last is naar zijn aard een beschikking. De last houdt een verplichting
in voor de geadresseerde en is daarmee een op rechtsgevolg gericht besluit
van een bestuursorgaan.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:31a</tuskop>
      <tuskop letat="rom">80</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In het eerste lid is bepaald dat de aanvrager van een
last onder bestuursdwang, dan wel een andere belanghebbende die door de overtreding
wordt benadeeld, het bestuursorgaan kan verzoeken bestuursdwang toe te passen.
De overtreder kan dit dus niet. De VNG vindt dit onlogisch aangezien ook een
overtreder belang kan hebben bij een besluit om tenuitvoerlegging. Kan de
regering hierop ingaan?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Indien de overtreder de mogelijkheid zou worden gegeven een handhavingsverzoek
in te dienen, zou dat betekenen dat hij ook een verzoek kan doen om niet te
handhaven. Met een dergelijke mogelijkheid kan de overtreder de handhaving
vertragen. Het is daarom niet wenselijk om de overtreder de mogelijkheid te
geven om een verzoek om handhaving te doen.</al>
      <tuskop letat="rom">81</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan
binnen vier weken op het verzoek beslist. Dit wijkt af van de normale reactie
termijn van bestuursorganen. Dit is, volgens de regering, ook redelijk aangezien
de derde meent dat het bestuur talmt met de tenuitvoerlegging van een reeds
genomen handhavingsbesluit. De VNG wijst er op dat dit ook te maken kan hebben
met het nog niet onherroepelijk zijn van het onderliggende besluit, in het
afwegen van financiële risico’s of in andere, door bijvoorbeeld
omwonenden, aangedragen omstandigheden of nieuwe feiten. Meestal wordt de
tenuitvoerlegging opgeschort omdat de rechterlijke uitspraak (of uitspraak
in bezwaar) wordt afgewacht. Het bestuursorgaan loopt altijd een groot financieel
risico bij tenuitvoerlegging, met dit artikel worden deze risico’s vergroot,
zodat het een averechts effect kan hebben op de inzet van de
last onder bestuursdwang. Deelt de regering de zorg over het averechtse effect
dat dit artikel kan hebben? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat gaat de regering
doen om dit averechtse effect te voorkomen, zo vraagt de commissie.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In antwoord op deze vraag willen wij allereerst wijzen op de in de rechtspraak
van de Afdeling bestuursrechtspraak erkende «beginselplicht tot handhaving»
(zie het antwoord op vraag 59). Een bestuursorgaan dat bevoegd is om tegen
overtredingen op te treden, kan daarvan slechts in bijzondere gevallen afzien.
Dit geldt niet alleen voor het opleggen van een last onder bestuursdwang,
maar ook voor het daadwerkelijk toepassen van bestuursdwang indien de last
niet wordt uitgevoerd; anders zou de last immers slechts een «papieren
tijger» zijn.</al>
      <al>In deze benadering past niet, dat een bestuursorgaan als regel de toepassing
van bestuursdwang opschort tot de last onherroepelijk is. Het bestuursorgaan
moet zijn verantwoordelijkheid nemen en kan niet telkens wachten tot het door
de rechter «gedekt» is. Dat er dan wel eens een zeker financieel
risico wordt gelopen, is inherent aan het besturen. Overigens blijkt uit onderzoek,
dat dit financiële risico waarschijnlijk beduidend minder groot is dan
vaak wordt gedacht (J. Gundelach, F.C.M.A. Michiels, Ongegronde vrees; een
onderzoek naar de rechtspraak inzake handhavingsbesluiten, Deventer 2003).</al>
      <al>Het voorgaande laat onverlet, dat er in bijzondere gevallen redenen kunnen
zijn om de uitslag van een (proef-)procedure af te wachten. De voorgestelde
tekst sluit dit ook niet uit. Het bestuur moet binnen vier weken beslissen
omtrent toepassing van bestuursdwang, maar die beslissing kán onder
omstandigheden inhouden dat met die toepassing nog wordt gewacht, mits daarbij
de door handhaving te dienen belangen voldoende zijn meegewogen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:31c</tuskop>
      <tuskop letat="rom">82</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Er zijn drie beschikkingen terzake van bestuursdwang
te onderscheiden: de last onder dwangsom, de kostenbeschikking (artikel 5:25,
lid 6) en de toepassingsbeschikking (artikel 5:31a, lid 1). Dit kan een cumulatie
van besluitmomenten opleveren, dat weer gevolgen kan hebben voor het eventuele
bezwaar of beroep. Elk van deze beschikkingen is in beginsel namelijk vatbaar
voor bezwaar of beroep. Om de daaruit voor bestuur, burger en rechter voortvloeiende
procedurelasten te beperken, zorgt artikel 5:31c, eerste lid, er voor dat
eventuele procedures over de bijkomende beschikkingen waar mogelijk worden
gecombineerd met een nog aanhangige procedure tegen de last onder bestuursdwang,
zodat de rechter het gehele geschil in één keer kan beslechten.
Deze regeling is analoog aan het huidige 6:19 Awb. Artikel 5:31c geldt niet
voor een beschikking die inhoudt dat van toepassing van bestuursdwang wordt
afgezien. Indien er een procedure tegen de last onder bestuursdwang aanhangig
is dan kan de belanghebbende dus niet tegen de bijkomende beschikking afzonderlijk
bezwaar maken of beroep in stellen. Doet hij dit toch dan wordt het bezwaar-
of beroepschrift doorverwezen naar de instantie waar het beroep of bezwaar
al aanhangig is. Dat geldt ook voor een eventuele voorlopige voorzieningprocedure.
Het NJB vreest dat dit verval van instantie kan opleveren. Het NJB vreest
tevens dat dit alles, gelet op de ervaringen met de artikelen 6:18 en 6:19
Awb, leuke puzzels kan gaan opleveren. De commissie vraagt of de regering
deze vrees deelt? Zo neen, waarom niet?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Toepassing van artikel 5:31c kan inderdaad op zichzelf tot gevolg hebben
dat in geval van een bijkomende beschikking één of zelfs twee
instanties worden overgeslagen. Doorgaans is dat niet bezwaarlijk, omdat het proceseconomisch voordeel voor de belanghebbende zwaarder weegt. Indien
in bijzondere gevallen eerst een behandeling in lagere instantie gewenst is,
kan de administratieve rechter op grond van het tweede lid de beslissing op
het (hoger) beroep van een bijkomende beslissing verwijzen naar een ander
orgaan.</al>
      <al>Met de in artikel 5:31c voorgestelde regeling heeft de regering juist
beoogd te voorkomen dat voor de burger een procesrechtelijke puzzel ontstaat.
Het zoveel mogelijk samenvoegen van procedures beperkt de procedurelasten
voor de burger.</al>
      <tuskop letat="rom">83</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Met betrekking tot de kostenbeschikking betwijfelt
de VNG of de handhaving er wel beter op wordt, aangezien al de extra lasten
voor het bestuursorgaan ervoor zorgen dat een bestuursorgaan wel tweemaal
zal nadenken over de inzet van bestuursdwang. Dwangsom kan namelijk met minder
financieel risico en de boete is eenvoudig. Deelt de regering deze zorg van
de VNG? Zo neen, waarom niet, zo vraagt de commissie.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij delen de zorg van de VNG niet, omdat wij niet verwachten dat de kostenbeschikking
veel extra lasten zal meebrengen. Immers, ook nu al moeten bestuursorganen
die bestuursdwang hebben toegepast, vaststellen wat de kosten daarvan zijn.
Het enige nieuwe element in het wetsvoorstel is dat een dergelijke specificatie
van de kosten als een appellabel besluit wordt aangemerkt. Dit heeft als voordeel
dat eventuele geschillen over de kosten door de bestuursrechter kunnen worden
beslist in plaats van, zoals thans het geval is, door de burgerlijke rechter
en pas in de invorderingsfase. Dit komt de efficiëntie van een eventueel
daarop volgend invorderingstraject ten goede. Bovendien worden de lasten van
een eventuele bestuursrechtelijke procedure over de kosten nog verder beperkt
door het voorgestelde artikel 5:31c, dat het in voorkomende gevallen mogelijk
maakt een procedure over de kosten te combineren met een procedure over de
bestuursdwang zelf.</al>
      <al>Op zichzelf is het juist dat bestuursorganen de last onder dwangsom vaak
als een eenvoudiger middel ervaren dan de last onder bestuursdwang. Er zijn
echter situaties waarin het bestuursorgaan zelf het herstel van de rechtmatige
situatie moet of wil zekerstellen. Wij verwachten dus niet dat bestuursorganen
nooit meer voor de last onder bestuursdwang zullen kiezen.</al>
      <tuskop letat="rom">84</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merken op dat de nieuwe
regeling een route van twee beschikkingen introduceert. Ten eerste dient er
een beslissing te worden genomen over een last onder bestuursdwang en daarna
dient er een beslissing te worden genomen over de uitvoering van die bestuursdwang.
Twee stappen dus. Waarom wordt er een tweede beslissingsmoment gecreëerd
en waarom is het gewoon geen automatisme?. Hoe verhoudt deze benadering zich
tot de in de jurisprudentie ontwikkelde beginselplicht tot handhaving? Werkt
deze tweefasen benadering juist niet juridisering in de hand? Wordt hiermee
niet het hele instrument ondermijnd en ontstaat er niet een «quasi-gedogen»?
Dit roept dan toch ook weer extra procedures op? Gaarne ontvangen deze leden
hierop de visie van de regering.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de meeste gevallen zal er geen sprake zijn van een tweede beschikking.
De last onder bestuursdwang is te vergelijken met de huidige beschikking die
aan de toepassing van bestuursdwang vooraf moet gaan. Leidt die beschikking
niet tot een beëindiging van de overtreding, dan kan het bestuursorgaan
tot feitelijk optreden overgaan. Daaraan ligt dus niet een nieuwe
beschikking ten grondslag, waartegen procedures mogelijk zouden zijn. In dat
opzicht bestaat er geen verschil met het nu geldende recht.</al>
      <al>Wel nieuw is dat een belanghebbende die door de overtreding wordt benadeeld,
uitdrukkelijk om dat feitelijke optreden kan verzoeken. Alleen in dat geval
volgt een tweede beschikking, namelijk de beslissing op het verzoek van de
belanghebbende. Hiermee wordt de positie van derdebelanghebbenden versterkt,
wat juist kan helpen om het door de leden van de VVD-fractie gevreesde «quasi-gedogen»
tegen te gaan.</al>
      <tuskop letat="rom">85</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de VVD-fractie merken op dat zowel de
regeling voor de geldschulden als de regeling voor de handhaving bepalingen
voor coördinatie van bezwaar, beroepsprocedures en hoger beroepsprocedures
tegen de hoofdbeschikking en de bijkomende beschikkingen bevat. Deze regelingen
vertoont overeenkomsten met het bestaande artikel 6:19 Awb, dat in de rechtspraktijk
tot aanzienlijke procesrechtelijke complicaties blijkt te leiden. Werkt deze
regeling dan ook niet eerder juridisering in de hand, dan dat deze dejuridiserend
werkt?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is juist dat de bestaande artikelen 6:18 en 6:19 Awb in de eerste
jaren na hun invoering in 1994 de nodige vragen hebben opgeroepen. Inmiddels
is de jurisprudentie over deze artikelen echter zodanig uitgekristalliseerd,
dat zij voldoende houvast biedt. Bovendien zijn de nu voorgestelde artikelen
4.4.5.1, 5:31c en 5:39 eenvoudiger dan de artikelen 6:18 en 6:19. Eén
van de lastigste problemen bij de toepassing van laatstgenoemde artikelen
was hoe te onderscheiden tussen een wijzigings- of intrekkingsbesluit in de
zin van artikel 6:18 en een geheel nieuw besluit. Dit probleem doet zich bij
de thans voorgestelde artikelen niet voor, omdat daarin de besluiten die in
een lopende procedure kunnen worden «meegenomen» veel concreter
konden worden aangeduid.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:35</tuskop>
      <tuskop letat="rom">86</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De VNG vindt het betreurenswaardig dat de verjaringstermijn,
zoals in dit artikel wordt voorgesteld, niet gelijkgesteld is aan de termijn
van vijf jaar. De toelichting maakt niet duidelijk waarom dit het geval is.
De toelichting maakt een verwijzing naar de opmerking dat de huidige termijn
van zes maanden te kort wordt bevonden, onder meer omdat men soms de uitkomst
van een eventueel beroep tegen de dwangsomoplegging wil afwachten. Dit laatste
zal, zo vervolgt de memorie van toelichting, na inwerkingtreding van dit voorstel
in ieder geval niet meer kunnen als een derde om invordering verzoekt. De
VNG is van mening dat deze opmerking al een voorschot geeft op de situatie
die zij voor de praktijk niet wenselijk acht. Daarbij merkt zij op dat het
al dan niet overgaan tot invordering niet zichtbaar is voor een derde. De
commissie vraagt of de regering hierop in kan gaan.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De termijn voor invordering van verbeurde dwangsommen bedraagt thans zes
maanden. Dit komt overeen met de verjaringstermijn voor civielrechtelijke
dwangsommen (art. 611g Rv.). Gebleken is dat dit voor het bestuursrecht aan
de korte kant is. Daarom wordt voorgesteld de termijn te verlengen tot een
jaar. Deze termijn – die bovendien overeenkomstig de artikelen 4.4.3.2
en 4.4.3.3 kan worden gestuit – is voldoende lang. Verdere verlenging
zou tezeer afbreuk doen aan de rechtszekerheid van de (vermeende) overtreder
en ook niet passen bij de aard van de last onder dwangsom. Een last onder
dwangsom strekt er toe de overtreder te dwingen om de wet (alsnog) na te leven.
Dit doel wordt slechts bereikt als het bestuursorgaan bij niet-naleving van
de last de dwangsom daadwerkelijk en spoedig effectueert (zie
in die zin ook P.J.J. van Buuren, G.T.J.M. Jurgens, F.C.M.A. Michiels, Bestuursdwang
en dwangsom, 3e druk, Deventer: Kluwer 2005, blz. 211 en de noot van F.J.
van Ommeren onder HR 28 juni 2002, AB 2003, 102 (Haarlemmermeer/Hashish).</al>
      <al>Dat het niet invorderen van verbeurde dwangsommen voor een derde niet
zichtbaar is, zien wij niet als een probleem. Als de derde waarneemt dat de
overtreding voortduurt of wordt herhaald, kan hij bij het bestuursorgaan informeren
of en wanneer tot invordering wordt overgegaan.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:37</tuskop>
      <tuskop letat="rom">87</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De invorderingsbeschikking zal, volgens de VNG, verwarring
opwekken. De discussie bij de rechter zal gaan over het al dan niet bestaan
van de overtreding, niet zozeer over het al dan niet invorderen. Het tweede
lid is ook afwijkend van artikel 5:31a aangezien iedere belanghebbende kan
vragen om een invorderingsbeschikking en er dus geen onderscheid tussen belanghebbenden,
zoals in artikel 5:31a, is gemaakt. De verplichting om te betalen ontstaat
van rechtswege. Het uitgangspunt is altijd dat invordering zal plaatsvinden
in praktijk. De VNG meent dat het nemen van een besluit hierover enkel tot
vertraging leidt. De commissie vraagt of de regering deze zorg over mogelijke
vertraging deelt. Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat is ze van plan daaraan
te gaan doen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij denken niet dat de invorderingsbeschikking verwarring zal opwekken.
Het is duidelijk dat de invorderingsbeschikking in de eerste plaats een beslissing
behelst over de vraag of de last is overtreden, zodat dwangsommen zijn verbeurd,
en verder een besluit over de invordering zelf omvat. In een geschil over
een invorderingsbesluit kunnen beide aspecten ter beoordeling aan de rechter
worden voorgelegd.</al>
      <al>Het tweede lid wijkt inderdaad in zoverre af van artikel 5:31a dat –
kort gezegd – alleen belanghebbenden die het bestuur tot handhaving
willen bewegen om een beschikking tot toepassing van bestuursdwang kunnen
vragen, terwijl eenieder die belanghebbende is – onder wie dus ook de
overtreder – op grond van artikel 5:31a om een invorderingsbeschikking
kan verzoeken. Voor deze afwijking is bewust gekozen; voor de redenen daarvoor
verwijzen wij kortheidshalve naar de memorie vann toelichting, blz. 108/109.</al>
      <al>De zorgen over mogelijke vertraging tengevolge van het nemen van een invorderingsbeschikking
delen wij niet. Wij denken dat het voor de voortgang weinig verschil maakt
of de beslissing tot invordering van de dwangsommen, die ook thans moet worden
genomen, al dan niet in de vorm van een beschikking wordt gegoten. Het voordeel
daarvan is juist dat een eventueel geschil over het al dan niet verschuldigd
zijn van dwangsommen niet pas bij de executie kan worden beslecht. Bovendien
zien wij het als een verbetering, dat een derde die door de overtreding wordt
benadeeld, met de mogelijkheid van een verzoek om een invorderingsbeschikking
te geven een middel in handen krijgt om het bestuursorgaan tot voortvarend
optreden aan te sporen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:38</tuskop>
      <tuskop letat="rom">88</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De VNG merkt op dat het artikel tekstueel niet klopt.
Een last onder dwangsom kan ook voor een deel worden ingetrokken. Bovendien
heeft intrekking geen terugwerkende kracht, zodat de al verbeurde dwangsommen
blijven bestaan. Dan kan de beschikking tot invordering niet zomaar vervallen.
Is de regering bereid de formulering van het artikel aan te passen, zo vraagt
de commissie.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Inderdaad is de bepaling niet goed geformuleerd. Zij beoogt te voorkomen
dat een invorderingsbeschikking van een dwangsom blijft bestaan indien de
dwangsom zelf ongedaan is gemaakt of verminderd. Het is in het belang van
de rechtszekerheid dat de invorderingsbeschikking dan vervalt, en eventueel
een nieuwe beschikking wordt genomen die is aangepast aan de nieuwe situatie.</al>
      <al>Daartoe bestaat echter alleen aanleiding indien de last onder dwangsom
zodanig is gewijzigd, dat dit gevolgen heeft voor de dwangsom(men) waarvoor
reeds een invorderingsbeschikking is genomen. Dat is bijvoorbeeld het geval
wanneer de dwangsom met terugwerkende kracht is verminderd of zelfs geheel
is ingetrokken. Maar indien de last onder dwangsom alleen met gevolgen voor
de toekomst is gewijzigd, heeft dat voor het verleden geen consequenties.
In dat geval wordt de invorderingsbeschikking niet geraakt door de nieuwe
last onder dwangsom, en moet zij dus blijven bestaan.</al>
      <al>Een en ander is in het nieuwe eerste lid tot uitdrukking gebracht. Uit
de bepaling vloeit voort dat de invorderingsbeschikking steeds in haar geheel
vervalt, ook indien de nieuwe last onder dwangsom slechts tot een gedeeltelijke
wijziging van de reeds ingevorderde dwangsom leidt. Dat is in het belang van
de rechtszekerheid. Zou de invordering van een deel van de dwangsom ook in
de nieuwe situatie in aanmerking komen, dan moet dat in een nieuwe beschikking
tot uitdrukking worden gebracht. Dat is voor alle duidelijkheid in het tweede
lid bepaald.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de oorspronkelijke bepaling was ook aandacht besteed aan de gevolgen
van de vernietiging van de beschikking. Daarvoor geeft artikel 5:39 echter
bij nader inzien een voldoende voorziening. Doordat is bepaald dat bezwaar
en beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking hebben op de beschikking
tot invordering, komt bij vernietiging van de last in de rechterlijke procedure
ook vast te staan welke gevolgen dit moet hebben voor de invorderingsbeschikking.
In artikel 5:38 is daarom geen regeling voor de vernietiging van de last onder
dwangsom nodig.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5:39</tuskop>
      <tuskop letat="rom">89</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Artikel 5:39 komt overeen met artikel 5:31c. Indien
een beschikking tot invordering wordt gegeven, terwijl nog een bezwaar of
beroep tegen de last onder dwangsom aanhangig is, kan de overtreder in deze
procedure tevens opkomen tegen de invordering. Hetzelfde geldt voor de voorlopige
voorziening. Ook hier kan verval van instantie optreden en ook deze procedures
kunnen tot leuke puzzels leiden als er verschillende belanghebbenden zijn.
Kan de regering hier ook op ingaan, zo vraagt de commissie.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Kortheidshalve verwijzen wij naar het antwoord op vraag 82, over het overeenkomstige
artikel 5:31c.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.4.1.1.</tuskop>
      <tuskop letat="rom">90</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In het tweede lid is uitdrukkelijk opgenomen dat een
vermindering of intrekking van een door de overheid verleende financiële
aanspraak wegens niet naleving van de daaraan verbonden voorschriften, niet
onder de definitiebepaling van de bestuurlijke boete valt. De commissie vraagt
hoe dit tweede lid zich verhoudt tot de toelichting op artikel 5.0.6 waarin
het intrekken van de vergunning als voorbeeld van een bestraffende sanctie
wordt gepresenteerd. En hoe verhoudt het zich met hetgeen is opgenomen in
artikel 5 lid 1, sub c Verordening van 18 december 1995 betreffende de
bescherming van de financiële belangen van de Europese gemeenschappen
(Vo 2988/95, PbEG 1995, L 312/2)? In deze verordening is bepaald dat volledige
of gedeeltelijke intrekking van een bij de communautaire regeling toegekend
voordeel, ook al heeft de betrokkene dit voordeel slechts deels wederrechtelijk
genoten, moet worden aangemerkt als een sanctie. Dit houdt in dat daaraan
een geheel of gedeeltelijk bestraffend karakter wordt toegekend<voetref refid="v49.1" nr="1"></voetref>.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De vermindering of intrekking van een aanspraak op financiële middelen
kan wel een bestuurlijke sanctie zijn, maar is blijkens de rechtspraak niet
altijd een bestraffende sanctie. Daarom kunnen de regels inzake de bestuurlijke
boete daarop niet zonder meer worden toegepast.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.4.1.2.</tuskop>
      <tuskop letat="rom">91</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De VNG pleit ervoor om onderhavig artikel meer te laten
aansluiten bij – het in de memorie van toelichting aangehaalde –
artikel 66 tweede lid Wet bescherming persoonsgegevens, aangezien de huidige
formulering van artikel 5.4.1.2 tot discussie kan leiden omdat het lijkt alsof
het bestuursorgaan de verwijtbaarheid moet bewijzen. De VNG stelt daarom voor
het artikel als volgt te laten luiden: «Het bestuursorgaan legt geen
bestuurlijke boete op voorzover de overtreder aannemelijk maakt dat hem van
de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt.» Hoe denkt de regering
over een dergelijke aanpassing, zo vraagt de commissie.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Net zoals in het strafrecht, is schuld in de zin van verwijtbaarheid in
het bestuursrecht meestal geen bestandsdeel van de overtreding. Dit betekent
dat het bestuursorgaan de verwijtbaarheid niet hoeft te bewijzen om een boete
te kunnen opleggen.</al>
      <al>Dit staat los van het feit dat het ontbreken van verwijtbaarheid zal moeten
leiden tot het achterwege laten van een bestuurlijke boete. Ook dit is in
het strafrecht niet anders.</al>
      <al>Het ontbreken van verwijtbaarheid kan door de belanghebbende worden aangevoerd,
waarbij van hem mag worden verwacht dat hij dit dan ook aannemelijk maakt
voorzover dat in zijn vermogen ligt. Indien echter het bestuursorgaan zelf
reden heeft om aan de verwijtbaarheid te twijfelen, dient het eigener beweging
van het opleggen van een boete af te zien.</al>
      <tuskop letat="rom">92</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen
wat de meerwaarde is van deze bepaling boven de in zijn strekking gelijke
bepaling als vervat in artikel 5.0.5.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Artikel 5.0.5 heeft niet dezelfde betekenis als artikel 5.4.1.2. Artikel
5.0.5 ziet op de situatie dat een overtreding kan worden gerechtvaardigd (de
zogenaamde rechtvaardigingsgronden), terwijl artikel 5.4.1.2 de situatie betreft
waarbij een overtreding niet (geheel) aan de dader kan worden verweten (de
zogenaamde schulduitsluitingsgronden). De laatste bepaling houdt een codificatie
in van het beginsel «geen straf zonder schuld». Zie ook de antwoorden
op de vragen 65 tot en met 67.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.4.1.4.</tuskop>
      <tuskop letat="rom">93</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie constateren dat ten aanzien
van het «ne bis in idem beginsel» de regering in de memorie van
toelichting (p. 136) opmerkt: «Het beginsel houdt in, dat niemand tweemaal
mag worden gestraft voor dezelfde overtreding». Legt de regering ten
aanzien van het «ne bis in idem beginsel» een juridisch criterium
aan (een natuurlijk persoon of rechtspersoon mag niet tweemaal worden bestraft
voor hetzelfde beboetbare feit) of juist een economisch criterium
(een persoon mag niet terzake van hetzelfde feit tweemaal in zijn vermogen
worden getroffen, bijvoorbeeld een directeur/100% aandeelhouder mag
ter zake van zwarte omzet niet worden geconfronteerd met een vergrijpboete
bij zowel een navorderingsaanslag inkomsten- als vennootschapsbelasting)?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit de rechtspraak blijkt dat het inderdaad kan voorkomen, dat een rechtspersoon
en een bestuurder daarvan zozeer met elkaar moeten worden vereenzelvigd, dat
het de overheid niet meer vrijstaat aan beide een bestraffende sanctie op
te leggen wegens hetzelfde feit. Aldus HR (belastingkamer) 20 juni 1990,
NJ 1990, 811, m.nt. ThWvV en CRvB 21 maart 2002, AB 2002, 280 m.nt. OJ;
zie ook G.J.M. Corstens, Non bis in eundem hominem, in: M.S. Groenhuijsen,
J.B.H.M. Simmelink, Glijdende schalen, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003,
blz. 95–109.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.4.1.5</tuskop>
      <tuskop letat="rom">94</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Dit artikel regelt het «una via-stelsel».
In de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat als het openbaar ministerie
niet binnen dertien weken reageert, de bevoegdheid herleeft om een bestuurlijke
boete op te leggen. Deze bevoegdheid herleeft eveneens, indien het openbaar
ministerie aan het bestuursorgaan mededeelt van strafvervolging af te zien.
Andersom geldt dit echter niet. Als het bestuur aan de overtreder heeft medegedeeld
hem geen bestuurlijke boete op te leggen dan kan de officier van justitie
hem niet meer vervolgen. Is dit niet vreemd, zo vraagt de commissie. En wat
gebeurt er als het openbaar ministerie te kennen heeft gegeven wel te willen
vervolgen maar daar niet binnen de gestelde termijn van dertien weken aan
toekomt? Is dan het bestuur weer bevoegd om een bestuurlijke boete op te leggen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is bij dit onderwerp belangrijk om twee soorten mededelingen te onderscheiden:
de mededelingen – van bestuursorgaan of officier van justitie –
die aan de overtreder zijn gericht en de mededelingen die bestuursorgaan en
officier van justitie onderling uitwisselen.</al>
      <al>De mededeling van het bestuursorgaan aan de overtreder dat geen bestuurlijke
boete wordt opgelegd, heeft ingevolge de in artikel II voorziene wijziging
van het Wetboek van Strafvordering dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving
van niet verdere vervolging. Uit een dergelijke mededeling kan de overtreder
opmaken dat het dossier in zijn zaak in beginsel is gesloten (tenzij nieuwe
bezwaren rijzen in de zin van artikel 255 Sv; zie blz. 154 van de memorie
van toelichting).</al>
      <al>De in het derde lid van artikel 5.4.1.5 genoemde mededeling van de officier
van justitie is niet gericht aan de overtreder maar aan het bestuursorgaan.
Daarom is het niet vreemd dat in de spiegelbeeldige situatie de bevoegdheid
van het bestuursorgaan om tot handhaving over te gaan wel herleeft. Indien
de officier aan het bestuursorgaan heeft meegedeeld dat van strafvervolging
wordt afgezien, zal het overigens van de reden daarvan afhangen of het bestuursorgaan
het opportuun acht om tot handhaving over te gaan: het bestuursorgaan is zelf
verantwoordelijk voor zijn beslissing.</al>
      <al>Geeft het openbaar ministerie aan het bestuursorgaan te kennen dat het
wel wil vervolgen, dan is het bestuursorgaan niet bevoegd tot handhaving over
te gaan. Het maakt daarbij niet uit of het OM nog niet daadwerkelijk tot vervolging
overgaat. Pas als de officier van justitie aan het bestuursorgaan meedeelt
dat (toch) van vervolging wordt afgezien (derde lid onder b), herleeft de
bevoegdheid tot bestuurlijke handhaving weer.</al>
      <tuskop letat="rom">95</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Voorts staat in de memorie van toelichting dat het
openbaar ministerie en bestuur in onderling overleg criteria moeten formuleren
voor de keuze tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke afdoening. Wie
heeft het laatste woord als bestuur afziet van het voorleggen van een gedraging
aan het openbaar ministerie omdat het bestuur de criteria anders interpreteert
dan het openbaar ministerie<voetref refid="v51.1" nr="1"></voetref> ?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Als het openbaar ministerie en het bestuursorgaan duidelijke afspraken
maken, zal het niet vaak voorkomen dat sprake is van een verschil in interpretatie
van de afgesproken criteria. Mocht het toch voorkomen met als gevolg dat het
bestuursorgaan een bepaalde zaak niet voorlegt aan het OM, dan zal het OM
over het algemeen ook niet op de hoogte raken van die zaak en daarop dus ook
niets ondernemen. Het bestuursorgaan kan dat juist wel doen, want in de interpretatie
van het bestuursorgaan valt de betrokken zaak dan immers in de categorie gevallen
die niet gemeld hoeven te worden en waarin dus zonder overleg met het OM en
zonder wachttijd een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Indien het bestuursorgaan
een boete heeft opgelegd of een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.4.2.3.,
tweede lid, onderdeel a, van de Awb heeft verzonden, kan het OM voor dezelfde
overtreding niet meer vervolgen.</al>
      <tuskop letat="rom">96</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie constateren dat in de memorie
van toelichting (p. 138) de regering het «nemo debet bis vexari»
beginsel als volgt toelicht: «Ook moet worden voorkomen dat iemand nodeloos
tweemaal in een sanctieprocedure wordt betrokken voor dezelfde overtreding».
Gelet op de uitwerking van het beginsel: is de regering bereid om aan artikel
69a Awr «artikel 67f» toe te voegen om te waarborgen dat eenzelfde
persoon ter zake van bijvoorbeeld verzwegen omzet niet zowel een vergrijpboete
kan worden opgelegd (artikel 67f Awr) als strafrechtelijk kan worden vervolgd
voor een onjuiste dan wel onvolledige aangifte (artikel 69, tweede lid, Awr)?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Artikel 67f Awr kent in de strafrechtelijke bepalingen van de Awr geen
equivalent. Op basis van artikel 69 Awr kan hetzelfde feit als in artikel
67f Awr staat, niet worden vervolgd. Het is daarom niet zinvol artikel 67f
op te nemen in art 69a Awr. In het door de leden genoemde voorbeeld over verzwegen
omzet geldt dat de officier van justitie zelf moet beoordelen of het mogelijk
en opportuun is om de belanghebbende aan wie een vergrijpboete is opgelegd
wegens het te weinig betalen van omzetbelasting, te vervolgen voor een onjuiste
of onvolledige aangifte omzetbelasting.</al>
      <tuskop letat="rom">97</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Heeft artikel 5.4.1.5 voorrang op de artikelen 76,
leden 2 t/m 5 en 80, leden 2 t/m 4, Awr?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het tweede lid van artikel 5.4.1.5 is bepaald dat bij wettelijk voorschrift
of afspraak tussen bestuursorgaan en OM kan worden afgeweken van de hoofdregel
dat een gedraging, indien zij tevens een strafbaar feit is, aan de officier
van justitie wordt voorgelegd. De artikelen 76 en 80 Awr kunnen als zodanige
wettelijk voorschriften worden beschouwd en hebben in die zin «voorrang»
op artikel 5.4.1.5.</al>
      <tuskop letat="rom">98</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is met het criterium «een gedraging die aan de
officier van justitie moet worden voorgelegd» van artikel 5.4.1.5, tweede
lid bedoeld artikel 67o Awr aan te vullen of gaat artikel 5.4.1.5 als nieuwere
wet voor op artikel 67o Awr als de oudere wet, zo vragen deze leden.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor het antwoord op deze vraag verwijzen wij naar hetgeen hierboven bij
vraag 97 is opgemerkt. Ook artikel 67o Awr kan worden aangemerkt als een wettelijk
voorschrift dat voorziet in een uitzondering.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.4.1.6.</tuskop>
      <tuskop letat="rom">99</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen
om een nadere toelichting op de voorgestelde termijnen van invordering. Bestuurlijke
boetes kunnen naar hun aard slechts gaan om gedragingen die qua zwaarte met
strafrechtelijke overtredingen vergelijkbaar zijn. Bovendien is de overtreding
niet in zichzelf verwerpelijk. Is het tegen die achtergrond niet van belang,
gelet op het naar het oordeel van deze leden voornaamste doel van de boete,
namelijk gedrag conform de regels afdwingen, de boete zo snel mogelijk op
te leggen. Kan de boete nog een redelijk doel dienen indien deze lang na het
plegen van de bestuurlijke overtreding wordt opgelegd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij zijn het met deze leden eens dat het voor de effectiviteit van een
boete van belang is dat deze zo snel mogelijk wordt opgelegd. Sommige overtredingen
komen echter pas na verloop van tijd aan het licht of vergen uitgebreider
onderzoek. In die gevallen mag van het bestuur verwacht worden dat de boete
zo snel mogelijk wordt opgelegd nadat de overtreding is geconstateerd of nadat
het nodige onderzoek is afgerond. Artikel 5.4.1.6 waarborgt dat ook in die
gevallen een grens wordt gesteld aan het tijdsverloop tussen de overtreding
en de boeteoplegging. Het gaat hier dus om maximumtermijnen. In de meeste
gevallen zal de boeteoplegging aanmerkelijk sneller na de overtreding plaatsvinden.</al>
      <al>Tegen deze achtergrond is bij de lichte procedure gekozen voor een termijn
van twee jaar. Deze termijn sluit aan bij de termijn die in het strafrecht
geldt voor overtredingen (zie artikel 70 onder 1° Wetboek van Strafrecht).</al>
      <al>Bij toepasselijkheid van de zware procedure, die geldt bij relatief zwaardere
overtredingen, waarvan de opsporing en het onderzoek doorgaans meer tijd zal
vergen, is gekozen voor een termijn van vijf jaar.</al>
      <al>Met de keuze van deze termijnen denken wij een goed evenwicht te hebben
bereikt tussen het belang dat een boete zo snel mogelijk wordt opgelegd, en
het belang om ook de na enig tijdsverloop pas aan het licht gekomen en/of
omvangrijk onderzoek vergende (vaak ook zwaardere) overtredingen te kunnen
beboeten.</al>
      <tuskop letat="rom">100</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen
voorts hoe de termijnen genoemd in dit artikel zich verhouden tot de termijn
genoemd in artikel 5.4.2.4.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De termijnen in artikel 5.4.1.6 zien op de bevoegdheid tot het opleggen
van een bestuurlijke boete. De termijn in artikel 5.4.2.4. is een beslistermijn
voor het bestuursorgaan. Overschrijding van deze beslistermijn heeft, anders
dan overschrijding van de in artikel 5.4.1.6. genoemde termijnen, niet tot
gevolg dat de bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.4.1.7</tuskop>
      <tuskop letat="rom">101</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Dit artikel ziet op de hoogte van de op te leggen bestuurlijke
boete. Naar het oordeel van de Raad van State dient een indringende rechterlijke
toetsing op evenredigheid van de hoogte van de bestuurlijke boete niet alleen
plaats te vinden bij niet wettelijke gefixeerde boetes maar ook bij wettelijk
vastgestelde boeten. Verder meent de Raad van State dat het bestuur in geval
van wettelijk gefixeerde boetetarieven gehouden is zorg te dragen voor evenredigheid
tussen overtreding en sanctie, ook als de overtreder hier niet uitdrukkelijk
een beroep op doet. Ook de meeste jurisprudentie van Rechtbank Rotterdam en
het College van Beroep voor het bedrijfsleven lijkt in die richting te wijzen<voetref refid="v53.1" nr="1"></voetref>. De regering is echter niet van mening dat de rechter
altijd ambtshalve moet bezien of de sanctie evenredig is. Het bestuur heeft
wel de plicht om na te gaan of er «sterke aanwijzingen blijken te zijn
die zouden moeten leiden tot een matiging van de hoogte van de bestuurlijke
boete, zonder dat de betrokkene hier expliciet een beroep op heeft gedaan».
Het betekent echter niet «dat het bestuursorgaan steeds ambtshalve moet
nagaan of zich bijzondere omstandigheden voordoen». Hoe verhouden deze
twee uitspraken zich met elkaar, zo vraagt de commissie.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Indien er blijkens het dossier duidelijke aanwijzingen bestaan dat voor
verlaging van de boete aanleiding zou kunnen zijn, dan moet het bestuursorgaan
deze nader onderzoeken. Geeft het dossier daarvoor evenwel geen enkel aanknopingspunt,
dan hoeft het bestuursorgaan geen ambtshalve onderzoek te doen naar het bestaan
van bijzondere omstandigheden die wellicht nopen tot verlaging van de boete.
Het bestuursorgaan en de rechter mogen dan in beginsel uitgaan van de door
de wetgever gemaakte afweging (zie CBb 5 april 2005, AB 2006, 81 en 82,
m.nt. OJ).</al>
      <tuskop letat="rom">102</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De overtreder zal, ingevolge het derde lid, dus zelf
aannemelijk moeten maken dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid.
De VNG merkt hierbij op dat memorie van toelichting niet vermeldt wanneer
er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Ook blijkt niet uit het wetsvoorstel
hoe disproportioneel een boete moet zijn voordat een bestuursorgaan dient
over te gaan tot het opleggen van een lagere boete. De commissie vraagt of
de regering hier meer duidelijkheid over kan verschaffen.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onder welke omstandigheden sprake is van een bijzondere omstandigheid,
als bedoeld in dit lid, valt op voorhand moeilijk te zeggen. Het zal in ieder
geval om uitzonderlijke situaties moeten gaan, waarmee de wetgever bij het
vaststellen van de boeteregeling geen rekening heeft gehouden. Zo kan er sprake
zijn van een wanverhouding tussen enerzijds de opgelegde boete en anderzijds
de ernst van het feit en de omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare
feit, maar buiten de directe invloedssfeer van de belanghebbende liggen (Vgl.
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, paragraaf 44). De situatie
waarbij de overtreder door de bijzondere omstandigheden geen verwijt kan worden
gemaakt, valt hier niet onder; in dat geval volgt reeds uit artikel 5.4.1.2.
dat geen boete kan worden opgelegd.</al>
      <tuskop letat="rom">103</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Volgens de regering – en de leden van de LPF-fractie
delen deze mening – vloeit het evenredigheidsbeginsel in de eerste plaats
voort uit artikel 6 EVRM (memorie van toelichting, p. 141). Valt de toepasselijkheid
van artikel 6 EVRM op bestuurlijke boeten samen met het onderscheid tussen
lichte en zware boeten? Zo neen, op welke fiscale boeten is artikel 6 EVRM
naar de mening van de regering dan van toepassing, zo vragen deze leden.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Eerder (bij vraag 39) hebben wij aangegeven dat de waarborgen van artikel
6 EVRM gelden voor die bestuurlijke sancties, die een «criminal charge»
opleveren. Weliswaar is de aard en de zwaarte van de straf blijkens de jurisprudentie
van het EHRM één van de drie criteria voor het beantwoorden
van de vraag of sprake is van een «criminal charge», maar aan
die rechtspraak kan niet de conclusie worden verbonden dat bij lichte boeten
in de regel artikel 6 EVRM niet van toepassing zou zijn. Het opleggen van
een bestuurlijke boete, waaronder een fiscale boete, levert (zo goed als)
altijd een «criminal charge» op. Zie voor de fiscale boete reeds
HR 19 juni 1985, NJ 1986, 104 m.nt. EAA.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.4.2.1</tuskop>
      <tuskop letat="rom">104</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de LPF-fractie vragen of het opleggen
van een bestuurlijke boete en het opmaken van een rapport door twee verschillende
ambtenaren dient te geschieden.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij onderkennen het belang van een zekere functiescheiding tussen de constatering
van het feit en het opstellen van het rapport enerzijds en het opleggen van
de boete anderzijds de oplegging van de boete naar aanleiding daarvan. Met
het oog daarop is voor de zware procedure, waarin het opmaken van een rapport
of proces-verbaal verplicht is gesteld, in artikel 10:3, vierde lid, de regel
neergelegd dat degene die het rapport opmaakt, niet tevens in mandaat kan
worden belast met de boeteoplegging. In geval van toepasselijkheid van de
lichte procedure, zal meestal geen rapport worden opgemaakt. Indien dat in
een bepaald geval wel is gebeurd, sluit de wettekst niet uit dat de boete
door de opsteller van dit rapport wordt opgelegd. Bij lichte boeten achten
wij dit aanvaardbaar, mede vanwege het belang dat een dergelijke boete zo
snel mogelijk na de overtreding wordt opgelegd.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.4.2.6</tuskop>
      <tuskop letat="rom">105</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de memorie van toelichting staat indien de zware
procedure van toepassing is, de indiener steeds in de gelegenheid wordt gesteld
zijn zienswijze naar voren te brengen. De in afdeling 4.1.2 neergelegde beperkingen
op deze hoorplicht zijn dan niet van toepassing. Voor de lichte procedure
geldt afdeling 4.1.2 wel. Het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten
(hierna: NJCM) heeft destijds bij het voorontwerp aanbevolen om in te voeren
dat de betrokkene ook bij lichte boete de mogelijkheid krijgt zijn zienswijze
kenbaar te maken voordat het boetebesluit wordt genomen. De huidige regeling
is niet in strijd met het EVRM, maar desondanks achtte het NJCM deze regel,
conform het huidige artikel 67k lid 2 Awr, vanuit het oogpunt van het beginsel
van hoor en wederhoor wel wenselijk. De commissie vraagt waarom de regering
deze aanbeveling niet heeft overgenomen.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De lichte procedure zal van toepassing zijn in geval van feiten die betrekkelijk
snel een eenvoudig kunnen worden geconstateerd en waarvoor de boete betrekkelijk
laag is. Te denken valt aan het te laat doen van aangifte of aan overtredingen
die in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
zijn genoemd. In geval van dergelijke overtredingen is het naar onze mening
in de praktijk moeilijk te realiseren en bovendien ook niet nodig om iedere
overtreder in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze te geven voordat een
boete wordt opgelegd. Om deze reden hebben wij de aanbeveling van het NJCM
niet overgenomen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5.4.2.7</tuskop>
      <tuskop letat="rom">106</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Het NJCM heeft destijds bij het voorontwerp geadviseerd
om onderhavig artikel zodanig aan te passen dat de mogelijkheid deze «boetewaarborgen» van overeenkomstige toepassing te verklaren op andere
bestuurlijke sancties niet alleen bij wettelijk voorschrift, maar ook bij
besluit van het desbetreffende bestuursorgaan mogelijk wordt. Deze aanbeveling
volgt niet uit het EVRM maar past, volgens NJCM, in het systeem van de Awb
en vergemakkelijkt het in het leven roepen van waarborgen voor de burger.
De commissie vraagt waarom de regering ook deze aanbeveling niet heeft overgenomen.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Artikel 5.4.2.7. verbiedt niet dat bestuursorganen de betreffende «boetewaarborgen»
ook bij andere bestuurlijke sancties in acht nemen. Wij vinden het niet nodig
om expliciet te regelen dat bestuursorganen deze van overeenkomstige toepassing
kunnen verklaren. Dat kan ook zonder uitdrukkelijke regeling.</al>
      <tuskop letat="vet">4. Attibutie</tuskop>
      <tuskop letat="rom">107</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Met de voorgestelde uitbreiding van titel 10.1 Awb
betreffende mandaat en delegatie met twee artikelen over attributie beoogt
de regering een regeling te treffen voor de bevoegdheden van een bestuursorgaan
ten opzichte van een onder diens verantwoordelijkheid werkzame persoon of
college, met geattribueerde bevoegdheden. Met de regeling wil de regering
buiten twijfel stellen dat bij attributie van een bevoegdheid aan een persoon
of college, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een ander bestuursorgaan,
het gewone staatsrechtelijke patroon niet wordt doorbroken. De regering is
van oordeel dat het feit dat de onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan
werkzame betrokkene naar buiten toe de bevoegdheid op eigen naam uitoefent,
ook wat betreft de toegedeelde bevoegdheid onverlet laat dat het bovengeschikte
bestuursorgaan (de minister, het college van burgemeester en wethouders of
een ander verantwoordelijk orgaan) de bevoegdheid heeft om per geval of in
het algemeen instructies te geven. In vergelijking met de regelingen betreffende
de bestuurlijke geldschulden en de bestuurlijke handhaving, is er –
waarschijnlijk vanwege de geringe omvang van dit onderwerp – door de
Raad van State, de adviesorganen, de beroepsorganisaties en de wetenschap
weinig aandacht besteed aan dit onderwerp.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De commissie heeft aan de hand van de punten van kritiek
onder 4 van dit verslag enkele vragen en opmerkingen geformuleerd.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij zijn inderdaad van oordeel dat de bevoegdheid van een bestuursorgaan
om een ondergeschikte instructies te geven, zowel in algemene zin als per
geval, niet ineens anders komt te liggen wanneer het om een aan die ondergeschikte
geattribueerde bevoegdheid gaat. Dit is niet alleen ónze mening: het
is al geruime tijd de heersende opvatting in het bestuursrecht, zowel in de
literatuur als in de jurisprudentie. Die brede overeenstemming kan ook verklaren
waarom er verhoudingsgewijs weinig reacties zijn gekomen op dit onderdeel
van het voorontwerp, zoals de commissie terecht constateerde.</al>
      <tuskop letat="rom">108</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Bij de inwerkingtreding van de derde tranche Awb is
aan de Awb een regeling toegevoegd voor mandaat en delegatie. Deze regeling
omvatte onder meer het in artikel 10:14 Awb opgenomen verbod van delegatie
aan ondergeschikten. Door dit verbod zijn nadien knelpunten ontstaan in de
decentralisatie en de deconcentratie van overheidstaken. Met de voorgestelde
uitbreiding van titel 10.1 Awb met een regeling voor attributie aan ondergeschikten
beoogt de regering deze problemen op te lossen.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij benadrukken dat de voorgestelde regeling een beperkte strekking heeft.
Anders dan de commissie veronderstelt, is hiermee niet beoogd problemen
op te lossen die na invoering van de derde tranche van de Awb in de praktijk
zouden zijn ontstaan door het verbod van delegatie aan ondergeschikten. Dergelijke
problemen zijn er ook niet. Wel is in de juridische literatuur voorafgaand
aan de invoering van verschillende kanten de vrees geuit dat het verbod in
de praktijk tot problemen zou leiden. Uit de evaluatie van dit onderdeel van
de derde tranche is echter al snel gebleken dat de praktijk zich met het verbod
goed weet te redden (S.E. Zijlstra e.a., <nadruk type="cur">Algemeen bestuursrecht
2001: Mandaat en delegatie</nadruk>, Den Haag 2001, blz. 206–213).</al>
      <tuskop letat="rom">109</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De commissie constateert dat de regeling van attributie,
meer in het bijzonder van attributie aan een persoon of college, werkzaam
onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, een beperkte strekking
heeft. Welbeschouwd lijkt de titel van de afdeling 10.1.3 op een generale
regeling te wijzen, maar ziet de inhoud op een specialis. Er wordt immers
alleen een specifiek aspect van attributie geregeld: de attributie aan ondergeschikten.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Anders dan bij mandaat of delegatie bestaat er naar
het oordeel van de regering geen aanleiding voor bepalingen over grondslag
voor en anderszins mogelijkheden tot het attribueren van bevoegdheden. Zij
heeft uitsluitend betrekking op attributie aan personen of colleges die onder
verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzaam zijn, omdat op dat punt
sprake is van een knelpunt dat door de wetgever in de Awb kan en moet worden
opgelost. Voor een meer algemene regeling over de toedeling van bestuursbevoegdheden
ontbreekt volgens de regering de noodzaak. De Voogd vraagt of het wel zinvol
is om een bijzondere regeling te maken, als het niet mogelijk blijkt een algemene
regeling op te stellen. Hij merkt op dat de regeling een juridisch verschijnsel
tracht te codificeren, zonder de (problematische) fundamenten ervan te verduidelijken.
Ook de VAR-werkgroep Vierde tranche kan de redenering van de regering niet
echt overtuigen. Zij stellen dat in het verleden immers in de Awb ook vele
bepalingen zijn opgenomen van zuiver codificerende aard voor onderwerpen die
in de praktijk niet als een knelpunt werden ervaren. Bedoelde werkgroep vraagt
ook of de te creëren bevoegdheid wel in overeenstemming is met de overige
wetgeving.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De Voogd duidt de motieven om in voorkomende gevallen
tot attributie over te gaan verder als onzuiver en moeilijk te onderscheiden
van de motieven om een zelfstandig bestuursorgaan (hierna: ZBO) in te stellen.
Met mandaat zou bovendien in de meeste gevallen hetzelfde bereikt kunnen worden.
Het is onduidelijk wat precies de meerwaarde is van attributie van ondergeschikten
ten opzichte van de bestaande mandaatfiguur.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Speelt bij die vraag de door Daalder en Verhage gesignaleerde
(door Verheij kritisch besproken) rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State een rol, waarin is beslist dat een mandaat dat is verleend
onder de beperking dat het niet geldt, voor zover de bevoegdheid naar het
oordeel van de mandataris door een bestuurder ongeldig is?</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De commissie vraagt de regering haar motivering in
het licht van de hiervoor genoemde vragen en opmerkingen uiteen te zetten.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het wetsvoorstel beperkt zich tot regeling van die gevolgen van attributie
waarover in de praktijk van het bestuur met enige regelmaat vragen blijken
te ontstaan. Dat laatste doet zich eigenlijk alleen voor als een bevoegdheid
geattribueerd is aan ondergeschikten van een bestuursorgaan, omdat in dat
geval de vraag kan rijzen hoe de wettelijke opdracht zich verhoudt tot de
ondergeschiktheidsrelatie. Het wetsvoorstel wil het antwoord op die vraag
in de wet vastleggen. Voor de praktijk schept dat duidelijkheid en dat is
in onze ogen winst. Wij zien eerlijk gezegd niet in waarom de
wetgever per se meer zou moeten willen regelen dan nu is voorgesteld, noch
waarom hij – wegens de beperkte strekking van het voorstel – maar
beter helemaal van een regeling zou kunnen afzien, zoals in de door de commissie
aangehaalde literatuur wel is gesteld. De overeenstemming met de overige wetgeving
wordt – waar nodig – afzonderlijk verzekerd door middel van de
aanpassingswetgeving.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is juist dat met mandaat in beginsel hetzelfde kan worden bereikt
als met attributie aan ondergeschikten. De keuze voor attributie kan daarnaast
het voordeel hebben dat de wetgever bepaalde wenselijk geachte kenmerken van
de uitvoering wettelijk kan verankeren, zoals de dienst waar een bevoegdheid
wordt uitgeoefend, de bekwaamheid van degenen die de bevoegdheid uitoefenen
of de geografische spreiding van de bevoegdheidsuitoefening. Bij mandaat wordt
dit soort zaken in beginsel door het mandaterende bestuursorgaan bepaald.
In de gevallen waarin de wetgever dit laatste niet wenst, kan attributie dus
wel degelijk een meerwaarde hebben. De eventuele nadelen van attributie zijn
hier het spiegelbeeld van: voor de organisatie van de uitvoering is deze figuur
wat minder flexibel dan het werken met mandaat.</al>
      <al>De door de commissie vermelde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State (AB 2004/216, met noot NV) ging niet over attributie
aan ondergeschikten, maar over (onder)mandaat. De essentie van de uitspraak
was, dat de ambtenaar niet zelf de omvang van zijn mandaat mag bepalen, waar
de betrokken mandaatregeling volgens de Afdeling wel op neerkwam. In deze
ondermandaatregeling was namelijk bepaald dat de ambtenaar zijn mandaat uitoefende
voorzover de beslissingsbevoegdheid naar zijn oordeel niet door een hiërarchisch
hogere functionaris of door de minister behoefde te worden uitgeoefend. In
de inderdaad zeer kritische noot bij deze uitspraak wijst de nootschrijver
erop dat problemen als deze eenvoudig zijn te voorkomen door bevoegdheden
zonder voorbehoud te mandateren, maar dat dat natuurlijk niets afdoet aan
het feit, dat ook dan een goede en loyale ambtenaar nog steeds verplicht zal
zijn om politiek gevoelige beslissingen aan zijn minister voor te leggen.</al>
      <al>Bij attributie zal het probleem dat in deze uitspraak aan de orde was,
zich niet snel voordoen, omdat attributie altijd zonder voorbehoud geschiedt.
Omdat attributie aan een ondergeschikte van een bestuursorgaan de hiërarchische
relatie met het verantwoordelijke bestuursorgaan niet opzij zet, geldt overigens
ook in dat geval dat een goede en loyale ambtenaar zaken soms desalniettemin
aan het bovengeschikte bestuursorgaan zal behoren voor te leggen.</al>
      <tuskop letat="rom">110</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De VAR werkgroep noteert ook dat een gevolg van attributie
van een bevoegdheid aan meerdere geografisch gespreide ondergeschikte ambtenaren
binnen een gedeconcentreerde dienst kan zijn dat de bevoegdheid in volstrekt
gelijksoortige gevallen toch verschillend wordt uitgeoefend. Bij territoriale
decentralisatie is deze ongelijkheid bewust gewild, bij deconcentratie niet.
Is deze consequentie van attributie aan ondergeschikten nu ook bewust gewild
of rust op de superieur een rechtsplicht om sturend op te treden en aldus
de gelijkheid te waarborgen en zou deze rechtsplicht niet in de wet verankerd
moeten worden?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Geografische verschillen zijn over het algemeen niet een bewust gewild
gevolg van attributie aan ondergeschikte ambtenaren. Ze zijn daarvan beslist
ook geen noodzakelijk gevolg, omdat het bovengeschikte bestuursorgaan immers
altijd de bevoegdheid heeft om algemene en bijzondere instructies te geven.
Daarmee kan te allen tijde de beoogde mate van uniformiteit bij de uitoefening
van de geattribueerde bevoegdheid worden bewerkstelligd. Punten waarvoor die
uniformiteit niet noodzakelijk is, kunnen in beginsel aan het
ondergeschikte bestuursorgaan worden overgelaten. Dit ligt bij attributie
dus niet anders dan bij mandaat aan ondergeschikten. De rechtspraak pleegt
ongerechtvaardigde verschillen die desondanks voorkomen, af te straffen, ook
als het om een geattribueerde bevoegdheid gaat, zoals bijvoorbeeld bij de
bevoegdheden van de inspecteurs der belastingen (Zie o.a. R.H. Happé, <nadruk type="cur">Vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel en het beleidsmatige handelen
van de Belastingdienst. Ontwikkelingen in de periode 1996–2004,</nadruk>in
NTB 2005, nr. 2, blz. 37 e.v.). Dat doet de rechter in zo’n geval niet
door een algemene rechtsplicht aan te nemen voor het bovengeschikte bestuursorgaan,
maar door in het betrokken geval een afstemmingsplicht aan te nemen voor het
verwerende bestuursorgaan, dus voor het ondergeschikte bestuursorgaan dat
het bestreden besluit daadwerkelijk heeft genomen.</al>
      <al>De wenselijkheid van uniformiteit is niet op alle terreinen even groot.
Een algemene opdracht dienaangaande in de Awb lijkt ons daarom – naast
de al voorgestelde bevoegdheid om instructies te geven – niet op zijn
plaats.</al>
      <tuskop letat="rom">111</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Is niet het risico aanwezig dat een interbestuurlijke
rechtsverhouding en de wijze van uitoefening van de geattribueerde verhouding
onnodig worden gejuridiseerd?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De vrees voor onnodige juridisering van de bevoegdheidsuitoefening in
de praktijk als gevolg van de voorgestelde bepalingen over attributie, delen
wij niet. Integendeel. Het wetsvoorstel behelst op dit punt niet meer of minder
dan de codificatie van reeds geldend recht. In die zin verandert er dus niets
in vergelijking met de huidige situatie. Wat wel verandert, is dat er straks
geen enkele twijfel meer kan bestaan over deze – dan immers in de wet
vastgelegde – regels. Aan het beëindigen van onzekerheid op dit
punt, bleek juist in de praktijk grote behoefte te bestaan.</al>
      <tuskop letat="rom">112</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Over het begrip bevoegdheid valt het een en ander op
te merken. Kennelijk bestaat geen overeenstemming over de te hanteren terminologie.
Past in het voorgestelde begrip bevoegdheid de door Duk gehanteerde terminologie
waarbij men een bevoegdheid heeft tot het verrichten van rechtshandelingen
en een recht tot het verrichten van feitelijke handelingen? Is er een verschil
in werkingssfeer wat betreft het bevoegdheidsbegrip tussen de afdelingen 10.1.3
en die van de al bestaande afdelingen 10.1.1 en 10.1.2 Awb10? De VAR-werkgroep
acht een weloverwogen gebruik van de term bevoegdheid van belang omdat de
door de Awb geïntroduceerde bestuursrechtelijke regimes voor rechtshandelingen
en feitelijke handelingen nogal sterk van elkaar verschillen.</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="cur">De commissie ziet graag een toelichting op deze vraagpunten.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de Awb kan het begrip bevoegdheid zowel betrekking hebben op het verrichten
van rechtshandelingen, als op het verrichten van feitelijke handelingen. Waar
in een bepaling behoefte bestaat aan een beperkter begrip, wordt dat bereikt
door de reikwijdte nader te specificeren, bijvoorbeeld door te spreken van
de «bevoegdheid tot het nemen van besluiten». De uitdrukking «bevoegdheid
tot het nemen van besluiten» betekent in de nieuwe afdeling 10.1.3 precies
hetzelfde als in de afdelingen 10.1.1 en 10.1.2.</al>
      <tuskop letat="rom">113</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Ten aanzien van de regeling betreffende attributie
vragen de leden van de VVD-fractie of deze regeling überhaupt wel in
de wet moet worden opgenomen. Zij vragen of niet kan worden gekozen voor mandatering.
Mandatering is namelijk veel meer ingeburgerd in het bestuursrecht, maar laat
er geen enkel misverstand over bestaan dat de minister of het college van B&amp;W alle verantwoordelijkheid draagt. De aan het woord zijnde
leden vrezen dat het creëren van een regeling van attributie tot gevolg
heeft, dat er een wildgroei van allerlei onzelfstandige bestuursorganen met
eigen bevoegdheden kan plaatsvinden.Om de democratische controle op deze onzelfstandige
bestuursorganen daadwerkelijk te realiseren moeten complicerende – en
daarmee juridiserende – interbestuurlijke rechtsverhoudingen worden
geconstrueerd. Hoe oordeelt de regering in dit verband over het feit dat deze
onzelfstandige bestuursorganen op grond van de jurisprudentie bevoegd zijn
buitenwettelijke zuivere schadebesluiten te nemen inzake door hen bij de uitoefening
van hun geattribueerde bevoegdheid veroorzaakte schade? Zou het naar de mening
van de regering niet wenselijk zijn als deze schadebesluitbevoegdheid bij
het verantwoordelijke bestuursorgaan ligt? Gaarne ontvangen de leden van de
VVD-fractie een nadere beschouwing van de regering op dit punt.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij zijn het met deze leden eens dat mandaat in de meeste gevallen de
meest geschikte vorm is voor spreiding van bevoegdheid binnen hiërarchische
organisaties, maar willen deze leden erop wijzen dat juist na inwerkingtreding
van de in dit wetsvoorstel voor attributie voorgestelde bepalingen, er óók
bij attributie aan ondergeschikten geen enkel misverstand meer over kan bestaan
dat de minister of het college van B&amp;W alle verantwoordelijkheid draagt,
hetgeen zij als een groot voordeel van mandatering aanmerken.</al>
      <al>Als hiervoor gezegd, kiest de wetgever bij het totstandbrengen van bijzondere
bestuurswetgeving soms voor de figuur van attributie aan personen of colleges
die onder gezag van een bestuursorgaan werkzaam zijn, omdat langs die weg
wenselijk geachte aspecten van de uitvoering in de wet kunnen worden vastgelegd,
zoals bijvoorbeeld geografische spreiding. Het onderhavige wetsvoorstel heeft
op dit punt geen ander doel dan het regelen van enkele gevolgen van een dergelijke
attributie van bevoegdheden. De daadwerkelijke keuze voor de figuur van attributie
aan ondergeschikten, wordt per geval door de bijzondere wetgever gemaakt.</al>
      <al>Indien aan een ondergeschikt persoon of college een bevoegdheid tot het
nemen van een besluit wordt geattribueerd, betekent dit ingevolge de thans
geldende rechtspraak dat deze persoon of dit college eveneens bevoegd is besluiten
te nemen op een verzoek om schadevergoeding tengevolge van het door hem genomen
besluit. Naar ons idee levert dat in het licht van de voorgestelde regeling
geen problemen op. De regeling waarborgt immers juist dat het betreffende
bestuursorgaan de aan hem ondergeschikte persoon of het ondergeschikte college
algemene en bijzondere aanwijzingen kan geven omtrent de uitoefening van deze
bevoegdheid.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Justitie,</functie>
        <naam>J. P. H. Donner</naam>
        <functie>De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</functie>
        <naam>J. W. Remkes</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>M. Scheltema, De wondere wereld van het bestuursrecht, Deventer 1997.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.1" nr="1">
    <al>De Vierde tranche Awb, commentaar en vraagpunten, Den Haag 2000, p. 65
en 66.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.2" nr="2">
    <al>Verschuiving van de magische lijn, preadviezen voor de ALV van de Vereniging
voor Administratief recht, Alphen aan de Rijn 1999 met verwijzingen naar Van
der Hoeven, De magische lijn, in: Honderdjarig rechtsleven, Zwolle 1970, p.
201 ev.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.3" nr="3">
    <al>Cf. M.W. Scheltema en M. Scheltema, Gemeenschappelijk recht, Deventer
2003, p. 409 en 410.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.4" nr="4">
    <al>Zie ook M.W. Scheltema, Onverschuldigde betaling in het publiekrecht,
NJB 1998, p. 943.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.5" nr="5">
    <al>Daarover reeds W.G. Huijgen, Aansprakelijkheid van de overheid, Graadmeter
voor de verhouding tussen publiek- en privaatrecht, Deventer 1991.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v6.1" nr="1">
    <al>In: L.J.J. Rogier (red), Commentaren op het Voorontwerp Algemene wet bestuursrecht
Vierde tranche, Rotterdam 2000.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v7.1" nr="1">
    <al>C.E. du Perron, Bestuursrechtelijke geldschulden. In het voorontwerp Algemene
wet bestuursrecht (vierde tranche), vergeleken met het Burgerlijk Wetboek,
in NJB 2000, 1178.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v14.1" nr="1">
    <al>NJB 2000, 1191.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v18.1" nr="1">
    <al>E.J. Daalder, Kroniek van het algemeen deel van het bestuursrecht, NJB
2003, 1601.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v19.1" nr="1">
    <al>E.J. Daalder, S. Verhage, Kroniek van het algemeen deel van het bestuursrecht;
de Awb verjaart, NJB 2004, 31.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v21.1" nr="1">
    <al>A.R. Hartmann en P.M. van Russen Groen, Contouren van het bestuursstrafrecht,
Deventer 1998, p. 74.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v21.2" nr="2">
    <al>C.L.G.F.H. Albers, Rechtsbescherming bij bestuurlijke boeten, Balanceren
op een magische lijn?, diss. Maastricht 2002, Den Haag 2002, met name opp.
413–414 en 445–447).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v23.1" nr="1">
    <al>Zie bijvoorbeeld EHRM 12 juli 1988, NJ 851 (Schenk); HR 1 juli
1992, NJ 1994, 621; ABRS 4 februari 2000, AB 242.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v23.2" nr="2">
    <al>Zie met name A.R. Hartmann, Bewijs in het bestuursstrafrecht, diss. EUR
1998, Arnhem 1998.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v23.3" nr="3">
    <al>Waar het NJB wordt aangehaald, wordt op het artikel gedoeld van: A.R.
Hartmann en L.J.J. Rogier «Bestuurlijke Handhaving in het wetsvoorstel
Vierde tranche Awb», NJB 79 (2004) 36 (8 oktober): 1877–1882.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v23.4" nr="4">
    <al>Kamerstukken 29 708, nrs. 1–4.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v30.1" nr="1">
    <al>Kamerstuk 29 702, nr. 3 p. 125–126.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v30.2" nr="2">
    <al>Zie ook: T.E.P.A. Lam, «Handhaving in de toekomst: voorstellen van
de vierde tranche», Journaal Bestuursrecht 2004, p. 14.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v32.1" nr="1">
    <al>HR 25 januari 1994, Vliegbasis Volkel, NJ 1994, 598 en HR 6 januari
1998, Pikmeer II, NJ 1998, 367.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v32.2" nr="2">
    <al>Albers, «De bestuurlijke boete in de gemeentelijke praktijk; straffen
en gestraft worden», in de Gemeentestem (2002), nr. 7176, p. 641.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v32.3" nr="3">
    <al>Raad en Widdershoven, «De bestuurlijke boete in de Awb», NJCM
bulletin, jrg. 25 (2000) nr. 3, p. 779.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v41.1" nr="1">
    <al>Zie ook: A.R. Hartmann, «Het zwijgrecht en de cautieverplichting»,
in: L.J.J. Rogier (red.), Commentaren op het Voorontwerp Algemene wet bestuursrecht
Vierde tranche, SI-EUR-reeks 22, Rotterdam: Gouda Quint 2000, p. 37–63.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v41.2" nr="2">
    <al>EHRM, 3 mei 2001, Application number 00.031.827/96 (J.B. versus Zwitserland),
NJCM-bulletin 27 (2002) 5, p. 606 ev., m.n.t. E.E.V. Lenos.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v41.3" nr="3">
    <al>Zie ook: B.J. Koops en L. Stevens, «J.B. versus Saunders. De groeiende
duisternis rond nemo tenetur», Delikt en Delinkwent 2003/33, p. 281–294.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v49.1" nr="1">
    <al>F.C.M.A. Michiels, «Nieuwe instrumenten ter bescherming van de financiële
belangen van de Europese gemeenschappen», SEW 1996, p. 362–371,
i.h.b. p. 365.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v51.1" nr="1">
    <al>Zie L.J.J. Rogier, «Una via», in: L.J.J. Rogier (red.), Commentaren
op het Voorontwerp Algemene wet bestuursrecht Vierde tranche, SI-EUR-reeks
22, Rotterdam: Gouda Quint 2000, p. 91–109.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v53.1" nr="1">
    <al>L.J.J. Rogier, «Handhaving van bestuursrecht», NTB 2004, p.
306.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>