﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="lyst">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29660-3/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2003-2004</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.8.0__3.4" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST78902</ordernr>
    <vergjaar>2003-2004</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 660</nummer>
      <naam>Zorg voor verslaafden</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>3</nummer>
      <titel>LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN</titel>
      <datum>Vastgesteld 20 augustus 2004</datum>
      <al>De commissie voor de Rijksuitgaven<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> en de
vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport<voetref refid="v1.2" nr="2"></voetref> hebben een aantal vragen aan de Algemene Rekenkamer voorgelegd over
het rapport «Zorg voor verslaafden» (kamerstuk 29 660, nrs.
1–2).</al>
      <al>De Algemene Rekenkamer heeft deze vragen beantwoord bij brief van 20 augustus
2004.</al>
      <al>Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de commissie voor de Rijksuitgaven,</functie>
        <naam>B. M. de Vries</naam>
        <functie>De Voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn
en Sport,</functie>
        <naam>Blok</naam>
        <functie>Adjunct-griffier van de commissie voor de Rijksuitgaven,</functie>
        <naam>Fernandez Garcia</naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="rom">1</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarop is de vooronderstelling gebaseerd dat verslaafden
met meervoudige problematiek baat hebben bij een verslavingszorgnetwerk? Wordt
deze opvatting gedeeld door alle 18 verslavingsinstellingen?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Algemene Rekenkamer heeft voorafgaand aan haar onderzoek een vooronderzoek
uitgevoerd om het veld te verkennen. In het kader van dit vooronderzoek zijn
beleidsstukken bestudeerd, zijn twee verslavingszorginstellingen enkele malen
bezocht en is gesproken met de secretaris van de commissie Verslavingsbeleid
van GGZ-Nederland en met het Ministerie van VWS.</al>
      <al>Uit de gesprekken bleek onder andere dat verslaafden met meervoudige problematiek
niet alleen gebaat zijn bij een behandeling door een verslavingszorginstelling,
maar ook door naast de behandeling hulpverlening op het gebied van wonen,
financiën en werk of dagbesteding te krijgen. Uit de interviews die in
het kader van het onderzoek gevoerd zijn met de 18 verslavingszorginstellingen,
bleek dat deze opvatting gedeeld wordt door alle instellingen. Zij merkten
regelmatig op dat het voor het slagen van de behandeling cruciaal is dat de
hulpverlening op de leefgebieden al start tijdens de behandeling.</al>
      <tuskop letat="rom">2</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waaraan wordt de andere helft van het budget voor ambulante
verslavingszorg besteed (tabel 1)?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ambulante verslavingszorg wordt gefinancierd via de specifieke uitkering
maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid. In 2003 bedroeg deze uitkering € 227,9
miljoen. Bijna 50% van de specifieke uitkering maatschappelijke opvang en
verslavingsbeleid wordt besteed aan verslavingsbeleid en iets meer dan 50%
wordt besteed aan maatschappelijke opvang.</al>
      <tuskop letat="rom">3</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waarom is de verslavingsreclassering buiten het bereik
van het onderzoek gehouden, terwijl juist hier het accent ligt op hulp op
primaire leefgebieden?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Algemene Rekenkamer had tijdens de uitvoering van het verzoekonderzoek
Opvang zwerfjongeren<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref> signalen gekregen over problemen
binnen de verslavingszorg. Deze signalen waren aanleiding voor een vooronderzoek
(zie ook het antwoord op vraag 1). Daarin werden met name knelpunten gesignaleerd
in de reguliere verslavingszorg.</al>
      <al>Verslavingsreclassering vormt net als preventie een onderdeel van het
totale takenpakket van de verslavingszorg. Om het onderzoek af te bakenen
en overzichtelijk te houden is ervoor gekozen deze onderwerpen niet mee te
nemen.</al>
      <al>De Algemene Rekenkamer deelt de mening dat hulp op de primaire leefgebieden,
evenals bij de reguliere verslavingszorg, van belang is in het kader van de
verslavingsreclassering. Zij merkt daarbij op dat het tijdig signaleren en
het in (reguliere) zorg krijgen en houden van verslaafden, inclusief de hulpverlening
op de primaire leefgebieden, kan voorkómen dat verslaafden met justitie
in aanraking komen.</al>
      <tuskop letat="rom">4</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Bestaan er ook schattingen van andere groepen van verslaafden,
zoals alcohol en cocaïneverslaafden met meervoudige problematiek, naast
de heroïneverslaafden?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nee, schattingen van alcohol- en cocaïneverslaafden met meervoudige
problematiek zijn de Algemene Rekenkamer niet bekend. Uit de interviews die
zijn gevoerd met de verslavingszorginstellingen komt wel naar voren dat
de instellingen schatten dat bij 85% van de opgenomen verslaafden sprake is
van meervoudige problematiek. Deze schatting heeft betrekking op alle opgenomen
cliënten, dus ook op alcohol- en cocaïneverslaafden.</al>
      <tuskop letat="rom">5</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zijn er verschillen per regio in het bereik van ernstig
verslaafden? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is de Algemene Rekenkamer niet bekend of er regionale verschillen
zijn in het bereik van ernstig verslaafden.</al>
      <tuskop letat="rom">6</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zijn er gegevens over de behoefte van alcoholverslaafden
voor eigen gebruikersruimten?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nee, hierover zijn geen exacte gegevens bekend. Uit onze gesprekken met
het veld kwam naar voren dat alcoholverslaafden moeilijk gelijktijdig opgevangen
kunnen worden met drugsverslaafden. Alcoholverslaafden blijken laag «in
rang» te staan in de verslaafdenwereld. Daarnaast geeft alcoholgebruik
op straat veel overlast (openbare dronkenschap) en is het niet toegestaan.
Een enkele gemeente heeft geprobeerd deze overlast te verminderen door een
verplaatsbare gebruikersruimte voor alcoholverslaafden te creëren. Een
container die tweewekelijks rouleert naar een andere plek in de stad. Deze
gebruikersruimte biedt comfort in de vorm van rust en gedogen van alcoholgebruik.
Daarnaast blijkt de ruimte een plek te zijn waar de (maatschappelijke) hulpverlening
in contact komt met verslaafden en waarbij samenwerking met andere instanties
zoals politie en verslavingszorginstelling is ontstaan.</al>
      <tuskop letat="rom">7</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Zijn de vier door de Algemene Rekenkamer onderscheiden
aspecten voor het in zorg krijgen en houden een resultaat van onderzoek of
een vooronderstelling? Waarom mag worden verondersteld dat het in de verslavingszorg
moet draaien om deze vier aspecten?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De vier aspecten zijn het resultaat van de gesprekken die de Algemene
Rekenkamer heeft gevoerd met de verslavingszorginstellingen en de overige
organisaties in de vijf centrumgemeenteregio's.</al>
      <al>Binnen de verslavingszorg is het in huis hebben van het juiste en kwalitatief
goed behandel- of zorgaanbod een eerste vereiste. In het kader van het project
«Resultaten Scoren» werkt de sector aan de verbetering van de
kwaliteit en de effectiviteit daarvan. Maar een goed aanbod leidt bij deze
doelgroep nog niet vanzelfsprekend tot de gewenste resultaten. Verslaafden
zijn of lijken vaak niet gemotiveerd om in behandeling te gaan en te blijven.
Zoals uit ons onderzoek blijkt, haakt een groot deel van de verslaafden (meermalen
tussentijds) af. Om een verslaafde te motiveren of gemotiveerd te houden is
het van belang met de verslaafde een vertrouwensband op te bouwen en regelmatig
contact te hebben. Dit kan door te zorgen dat verslaafden die zich eenmaal
bij een verslavingszorginstelling hebben aangemeld ook snel met een behandeling
te laten beginnen, door verslaafden in hun eigen omgeving op te zoeken (outreachment)
en door begeleiding te bieden door één casemanager voor zowel
de zorg binnen een instelling als de hulpverlening daarbuiten. Wanneer de
zorg/behandeling niet aanslaat en de verslaafde niet (meer) te motiveren is,
is er sprake van chronische verslaving waarvoor aparte voorzieningen getroffen
moeten worden. De genoemde aspecten beschouwt de Algemene Rekenkamer dus als
een belangrijke aanvulling op het behandelaanbod en niet als de enige aspecten
waar het in de verslavingszorg om moet draaien.</al>
      <tuskop letat="rom">8</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Wat is de reden voor instellingen om niet deel te nemen
aan een OGGZ-bemoeizorgteam?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderzoek van de Algemene Rekenkamer heeft duidelijk gemaakt dat ruim
60% van de verslavingszorginstellingen deelneemt aan een OGGZ-convenant. Het
is de Algemene Rekenkamer niet bekend waarom de resterende 40 % niet deelneemt
aan zo'n convenant. Tijdens het onderzoek hebben andere deelnemers aan OGGZ-convenanten
in verschillende regio's wel aangegeven dat met name privacyregels hen hinderen
in de OGGZ-samenwerking. Zo werken niet alle organisaties mee en is het terugkoppelen
van informatie na OGGZ-zorg vanwege de privacy niet mogelijk.</al>
      <al>Verder is gebleken dat ook niet-deelnemers aan de OGGZ-convenanten in
de samenwerking worden gehinderd door privacyreglementen. De Algemene Rekenkamer
heeft de minister daarom aanbevolen de praktijk voor te lichten over de (on)mogelijkheden
van de privacy-wetgeving en te monitoren of dit knelpunt in de praktijk wordt
opgelost.</al>
      <tuskop letat="rom">9</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Geven de onderzoeksresultaten wel aanleiding om te
veronderstellen dat sprake is van een paradigmawijziging in de verslavingssector,
of is er juist sprake van een preparadigmatische fase, waarin de actoren er
verschillende opvattingen op nahouden over de inhoud van de behandeling, de
bijkomende zorg en de nazorg, wat de samenwerking belemmert?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Binnen de sector bestaan verschillende opvattingen over de oorzaken van
verslaving en daaruit voortvloeiend, de behandeling van verslaafden. Er vindt
hierover een professionele discussie plaats. In die zin is er nog sprake van
een preparadigmatische fase. Het bestaan van verschillende opvattingen kan
samenwerking in de weg staan en daarmee een risico vormen voor (de kwaliteit)
van de zorg en hulpverlening.</al>
      <tuskop letat="rom">10</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waar ligt het verschil van inzicht in het functioneren
van de beleidslijn dat ieder zorgkantoor voor zich productieafspraken maakt
met verslavingszorginstellingen, waarvan het werkgebied groter is dan één
zorgkantoorregio?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zorgkantoren kopen zorg in bij instellingen en maken daarover productieafspraken.
Zorg, zoals (poli)klinische verslavingszorg, wordt gefinancierd op basis van
de AWBZ. Een zorgkantoor voert zijn inkoopfunctie uit binnen een aangewezen
regio. Nederland kent 32 van deze zogenaamde zorgkantoorregio's en 14 werkgebieden
van de klinische verslavingszorginstellingen. Deze zorgkantoorregio's komen
vaak niet overeen met de werkgebieden van de verslavingszorginstellingen.</al>
      <al>Op het terrein van de verslavingszorg bestaat de afspraak tussen zorgkantoren
en instellingen dat in de regio waar een instelling statutair gevestigd is,
het aanwezige zorgkantoor de (poli)klinische verslavingszorg inkoopt in naam
van alle andere zorgkantoren in het verzorgingsgebied van een instelling.
Uit het onderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat de zorgkantoren met
die inkoopfunctie onvoldoende of geen kennis hebben van de (omvang en inhoud
van de) zorgvraag in de andere zorgkantoorregio's. Hierdoor kunnen zij de
toegewezen inkoopfunctie niet goed vervullen. Dit is, naar de mening van de
Algemene Rekenkamer, één van de oorzaken dat de samenwerking
op regionaal niveau niet goed verloopt. De minister van VWS verschilt daarover
van inzicht met de Algemene Rekenkamer. In zijn reactie op het Rekenkamerrapport
zegt hij geen signalen te hebben ontvangen over problemen als gevolg van regio-indelingen
die niet samenvallen met de werkgebieden van zorgkantoren.</al>
      <tuskop letat="rom">11</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Welke elementen wil de Algemene Rekenkamer in een visie
op de verslavingszorg terugzien?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In <nadruk type="cur">§ 8.2 Aanbevelingen</nadruk> (pag. 44
e.v.) geeft de Algemene Rekenkamer aan dat de minister van VWS in een visie
aandacht kan besteden aan onderwerpen die behoren tot zijn systeemverantwoordelijkheid.
Onderwerpen die daaronder vallen zijn:</al>
      <al>• De doelen die hij nastreeft met het systeem, de prestaties die
hij verwacht van de betrokken actoren en de te bereiken resultaten.</al>
      <al>• De verantwoordelijkheden van actoren op rijks-, regionaal en lokaal
niveau, zodat zij daarop ook aangesproken kunnen worden.</al>
      <al>• De informatie die hij nodig heeft om na te gaan of het systeem
werkt, zodat een kwalitatief goed en toegankelijk aanbod afgestemd op de (potentiële)
vraag, inclusief de maatschappelijke (re)integratie van (ex)verslaafden gerealiseerd
wordt.</al>
      <al>• De financiering van de verslavingszorg en van de hulpverlening
op de verschillende leefgebieden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Verder geeft de Algemene Rekenkamer aan dat de minister in de visie aandacht
zou kunnen besteden aan meer specifieke onderwerpen zoals:</al>
      <al>• De beleidsmatige en individuele samenwerking op lokaal en regionaal
niveau en de wijze waarop die verbeterd kan worden, bijvoorbeeld via gerichte
projecten naar het voorbeeld van het OGGZ-beleid.</al>
      <al>• Het belang van de verslavingszorg als eerst verantwoordelijke voor
de zorg en hulpverlening op de leefgebieden, vanwege haar expertise op het
terrein van verslavingsproblematiek.</al>
      <al>• (Verbeteringen in) de signalering van verslaafden en het belang
van outreachende zorg, bemoeizorg en de ontwikkeling van nieuwe voorzieningen
of methoden.</al>
      <al>• De (verdere ontwikkeling) van de kwaliteit en innovatie van de
verslavingszorg en de verschillende paradigma's die binnen de verslavingszorg
bestaan.</al>
      <tuskop letat="rom">12</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Waren de interviews voorgestructureerd? Kunnen de resultaten
als betrouwbaar en valide worden geacht? Met wie hebben de interviews bij
de 18 instellingen voor verslavingszorg plaatsgevonden (uitvoerende medewerkers
en/of Raad van Bestuur)?</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>In bijlage 1 van het rapport «Zorg voor Verslaafden» is de
onderzoeksopzet beschreven. De Algemene Rekenkamer heeft in het kader van
haar onderzoek gesproken met 67 regionale en/of lokale organisaties die op
enigerlei wijze betrokken zijn bij de zorg of hulpverlening aan verslaafden
met meervoudige problematiek. Er is zowel gesproken met uitvoerende medewerkers
als met leden van Raden van Bestuur. Alle interviews zijn afgenomen aan de
hand van gestructureerde vragenlijsten om de antwoorden van de organisaties
onderling te kunnen vergelijken (zowel binnen als tussen regio's). Om de gevonden
resultaten verder aan te vullen en te ondersteunen, is gebruik gemaakt van
verschillende (beleids)documenten van alle geïnterviewde organisaties.<voetref refid="v5.1" nr="1"></voetref></al>
      <al>De resultaten van de interviews met de 18 verslavingszorginstellingen
geven een representatief beeld van de verslavingszorg in Nederland. De resultaten
van de interviews met de overige organisaties in de vijf centrumgemeente-regio's
zijn niet representatief voor de overige 37 centrumgemeenten. Deze gegevens
moeten eerder als kwalitatief</al>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling:</al>
    <al>Leden: Duivesteijn (PvdA), Giskes (D66), Ondervoorzitter, Crone (PvdA),
Rouvoet (CU), De Vries (VVD), Voorzitter, de Haan (CDA), Atsma (CDA), Vendrik
(GL), Halsema (GL), Kant (SP), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), Balemans (VVD),
De Pater-van der Meer (CDA), Van As (LPF), Rambocus (CDA), Gerkens (SP), Van
Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), De Nerée tot Babberich (CDA), Aptroot
(VVD), Blom (PvdA), Douma (PvdA), Stuurman (PvdA), Heemskerk (PvdA), Van Dam
(PvdA) en Schippers (VVD).</al>
    <al>Plv. leden: Noorman-den Uyl (PvdA), Bakker (D66), Fierens (PvdA), Van
der Vlies (SGP), Van Egerschot (VVD), Mosterd (CDA), Kortenhorst (CDA), Van
Gent (GL), Duyvendak (GL), De Ruiter (SP), Dezentjé Hamming (VVD),
Schreijer-Pierik (CDA), Hofstra (VVD), Ferrier (CDA), Eerdmans (LPF), Vacature
(CDA), Vergeer (SP), De Vries (CDA), Hermans (LPF), Mastwijk (CDA), De Krom
(VVD), Smeets (PvdA), Van Heemst (PvdA), Smits (PvdA), Boelhouwer (PvdA),
Kalsbeek (PvdA) en Van Beek (VVD).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.2" nr="2">
    <al>Samenstelling:</al>
    <al>Leden: Van der Vlies (SGP), Kalsbeek (PvdA), Rijpstra (VVD), Lambrechts
(D66), Buijs (CDA), Atsma (CDA), Arib (PvdA), Halsema (GL), Kant (SP), Blok
(VVD), Voorzitter, Smits (PvdA), Örgü (VVD), Verbeet (PvdA), Van
Oerle-van der Horst (CDA), Ondervoorzitter, Vergeer (SP), Vietsch (CDA), Tonkens
(GL), Joldersma (CDA), Van Heteren (PvdA), Smilde (CDA), Nawijn (LPF), Van
Dijken (PvdA), Timmer (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Hermans (LPF), Schippers
(VVD), Omtzigt (CDA).</al>
    <al>Plv. leden: Rouvoet (CU), Verdaas (PvdA), Griffith (VVD), Bakker (D66),
Ferrier (CDA), Çörüz (CDA), Blom (PvdA), Vendrik (GL), Gerkens
(SP), Veenendaal (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Weekers (VVD), Tjon-A-Ten
(PvdA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), De Ruiter (SP), Ormel (CDA), Van
Gent (GL), Koomen (CDA), Waalkens (PvdA), Mosterd (CDA), Varela (LPF), Bussemaker
(PvdA), Heemskerk (PvdA), Oplaat (VVD), Kraneveldt (LPF), Hirsi Ali (VVD)
en Eski (CDA).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>Tweede Kamer, 2001–2002, 28 265, nrs. 1–2</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v5.1" nr="1">
    <al>Het gebruik van verschillende informatie- of databronnen wordt in de methodologie
ook wel triangulatie genoemd en vergroot de interne validiteit.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>