﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29534-1/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2003-2004</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.6.1__3.2" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST75938</ordernr>
    <vergjaar>2003-2004</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 534</nummer>
      <naam>Bekostiging van de rechtspraak</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>1<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref></nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>19 februari 2004</datum></al>
      <tuskop letat="vet">Inleiding</tuskop>
      <al>Hierbij treft u aan het kabinetsstandpunt inzake het eindrapport «Met
recht gefinancierd» van het onderzoeksbureau Andersson Elffers Felix
(AEF). Dit rapport is in opdracht van het Ministerie van Justitie opgesteld
en gaat over het ontwikkelingsgericht onderzoek inzake de bekostiging van
de rechtspraak.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het doel van dit onderzoek was:</al>
      <al>• het inzichtelijk maken van de risico's van het huidige bekostigingsmodel;</al>
      <al>• het aangeven van mogelijke verbeteringen in het bekostigingsmodel;</al>
      <al>• het in kaart brengen van mogelijkheden van prikkels voor doelmatigheid;</al>
      <al>• het aangeven van mogelijke negatieve gedragseffecten die in het
model zijn besloten en</al>
      <al>• het in kaart brengen van de gevolgen van een in te voeren baten-lasten
stelsel voor de rechtspraak in 2005</al>
      <al>(voor de volledige opdrachtformulering verwijs ik u naar bijlage 1). In
het voorjaar van 2003 is het eindrapport door AEF opgeleverd. Dit eindrapport
treft u bij deze brief separaat aan<voetref refid="v1.2" nr="2"></voetref>.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De reden waarom ik u pas nu informeer ligt in het volgende. Deze zomer
zijn besprekingen gestart over de invoering van het baten-lasten stelsel voor
de rechtspraak. De invoering van dit stelsel lijkt een oplossing te kunnen
bieden voor een aantal in het eindrapport gesignaleerde tekortkomingen in
de bekostigingsystematiek. Daarom was het van belang eerst de hoofdelementen
van het baten-lasten stelsel voor de rechtspraak te verkennen. Nu hiermee
voldoende vordering is gemaakt kan ik mijn standpuntbepaling over de aanbevelingen
in het AEF-rapport doen toekomen. Deze standpuntbepaling heb ik, conform de
adviestaak van de Raad voor de rechtspraak (art 95 Wet R.O.), ter consultatie
voorgelegd aan de Raad voor de rechtspraak.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hieronder zal ik als eerste het huidige bekostigingsmodel kort aanhalen.
Vervolgens worden de belangrijkste bevindingen uit het eindrapport van AEF
weergegeven. Daarbij zal tevens ingegaan worden op de implementatie van de
aanbevelingen. Hierbij moet vermeld worden dat een deel van de aanbevelingen
van AEF behandeld wordt in het onderhavig standpunt en een ander deel zal
worden meegenomen in de verdere gedachteontwikkeling van het in te voeren
baten-lasten stelsel voor de rechtspraak. In bijlage 2 treft u een tabel aan,
waar inzichtelijk wordt gemaakt welke aanbevelingen van AEF waar uitgewerkt
c.q. behandeld worden.</al>
      <tuskop letat="vet">Huidig bekostigingsmodel</tuskop>
      <al>In het thans geldende Besluit financiering rechtspraak (Staatsblad 390,
13 juli 2002) worden regels gesteld met betrekking tot de financiering
van de rechtspraak. De Raad voor de rechtspraak vervult hierin een centrale
rol. De Raad is belast met de verwerving van de middelen via zijn bij de Minister
van Justitie in te dienen begrotingsvoorstel en met de verdeling van de in
de Justitiebegroting voor de Raad uitgetrokken middelen over de gerechten.
Het Besluit financiering rechtspraak regelt hoofdzakelijk de grondslagen waarop
de Raad de middelen verwerft en de daarmee nauw samenhangende wijze waarop
de Raad de toegekende middelen over de gerechten verdeelt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het totale budget voor de rechtspraak is te onderscheiden in twee delen,
te weten een budget van de Raad en een budget van de gerechten.</al>
      <al>Het budget van de Raad kent een onderscheid in programmakosten en apparaatskosten.
Onder programmakosten worden verstaan de kosten die gemoeid zijn met de uitvoering
van landelijke taken op het terrein van huisvesting (huren, installaties),
automatisering (uitvoeringsorganisatie ICT-bedrijf Rechterlijke Organisatie,
landelijke infrastructuur) en opleiding (Studiecentrum Rechtspleging). Deze
posten worden ook wel de centrale budgetten genoemd. Onder apparaatskosten
worden verstaan de personele en bedrijfsvoeringkosten van de Raad voor de
rechtspraak (het bureau van de Raad en het College van Afgevaardigden).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het budget van de gerechten wordt voornamelijk bepaald door de werklast
van de gerechten. Het betreft hier de financiering van de in het objectief
werklastmetingssysteem (Lamicie-model) opgenomen zaken, de zogenaamde Lamiciezaken.
Deze zaakscategorieën, in totaal 48, vormen de overgrote meerderheid
van de in totaal door de gerechten af te handelen zaken. In het Lamicie-model
wordt voor deze 48 zaakscategorieën beschreven hoeveel tijd gemoeid is
met de afhandeling van zaken door rechters en ondersteunend personeel. Het
betreft dan landelijk gemiddelde behandeltijden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het budget voor de Lamiciezaken wordt berekend door de totale behandeltijd
per zaakscategorie te vermenigvuldigen met een tarief. Dit tarief wordt bepaald
op basis van een middensom voor de personele kosten en de direct productieve
uren. Voor de overheadkosten wordt een toeslag toegevoegd.</al>
      <al>Daarnaast kent het budget van de gerechten nog financieringsgrondslagen
voor de niet-Lamicie zaken (zoals bijvoorbeeld megazaken), voor de gerechtskosten
(in bestuursrechtelijke en civielrechtelijke zaken) en voor het innovatie-
en projectbudget.</al>
      <tuskop letat="vet">Belangrijkste aanbevelingen</tuskop>
      <al>In het eindrapport «Met recht gefinancierd» geeft AEF zijn
aanbevelingen weer. Het merendeel van de aanbevelingen van het eindrapport
wordt door zowel het Kabinet als de Raad voor de rechtspraak onderschreven. Op dit moment worden reeds vele aanbevelingen nader uitgewerkt om vervolgens
deze in de praktijk te implementeren. Hierna zal per onderzoeksdeelvraag ingegaan
worden op de belangrijkste aanbevelingen en de wijze van implementatie hiervan.
Daarbij zal eveneens aangegeven worden waar ik afwijk van de aanbevelingen
van het eindrapport.</al>
      <tuskop letat="vet">Risico's en negatieve gedragseffecten</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Vereenvoudiging</tuskop>
      <al>Over de onderzoeksdeelvraag welke risico's het huidige bekostigingsmodel
kent, wordt in het eindrapport aangegeven dat er nu teveel variabelen zijn
in de basis van de financiering. De werklast van de gerechten wordt nu berekend
op basis van 48 zaakscategorieën. In het rapport wordt aangegeven, dat
door de grote hoeveelheid variabelen en de grote verschillen van zwaarte hierbinnen,
de mogelijkheid bestaat van negatieve gedragseffecten. Hierbij wordt dan specifiek
gedoeld op het uitlokken van gedragseffecten zoals in de wijze van het afdoen
van zaken (vb het meervoudig afdoen van een zaak die enkelvoudig afgedaan
had kunnen worden).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het eindrapport geeft aan dat het bekostigingsmodel sterk vereenvoudigd
kan worden door het aantal zaakscategorieën van 48 terug te brengen tot
11. Deze 11 zaakscategorieën bepalen namelijk ruim 75% van het totale
Lamicie-budget dat aan de Raad voor de rechtspraak wordt toegekend.</al>
      <al>Ik kies echter, in overeenstemming met de Raad voor de rechtspraak, voor
een andere wijze van vereenvoudiging, die beter aansluit bij het in te voeren
baten-lasten stelsel. De intentie is om de zaakscategorieën per sector
te bundelen en hierdoor één bekostigingsvariabele per sector
over te houden. Dit betekent dat de bekostiging op landelijk niveau gaat plaatsvinden
op basis van de productie per sector (bijvoorbeeld Civiel, Straf en Bestuur).
Dit wordt mogelijk wanneer in het baten-lasten stelsel de kostprijs per productgroep
op sectorniveau zichtbaar is. Voor alle duidelijkheid wil ik aangeven dat
het Lamicie-model niet verdwijnt. Het Lamicie-model met de 48 zaakscategorieën
blijft namelijk van belang om de nodige analyses ten aanzien van de zaaksontwikkelingen
en zaakssamenstelling te kunnen uitvoeren.</al>
      <tuskop letat="cur">Prognosemodel</tuskop>
      <al>Uit het ontwikkelingsgericht onderzoek blijkt dat het noodzakelijk is
om een eenduidig en betrouwbaar prognosemodel te ontwikkelen. Een prognosemodel
is noodzakelijk om eenduidig en in de tijd consistent te kunnen vaststellen
hoe de instroom van zaken en de productie bij de gerechten zich in de loop
van de jaren zal ontwikkelen. Tot voor kort was een dergelijke systematiek
slechts op basis van een «best guess» benadering aanwezig. De
ontwikkeling van de zaaksinstroom werd namelijk door ieder gerecht op eigen
wijze geprognosticeerd. Een eenduidig prognosemodel voor de rechtspraak ontbreekt
dan ook en dit wordt door AEF gezien als risico van het huidig bekostigingsmodel.
Het Kabinet is een groot voorstander van het ontwikkelen van een prognosemodel
voor de rechtspraak.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De ontwikkeling van een prognosemodel voor de rechtspraak wordt trouwens
in een groter geheel geplaatst. Er wordt een algeheel prognosemodel voor de
Justitieketen ontwikkeld, waarin de rechtspraak één van de ketenpartners
is. Het prognosemodel voor de rechtspraak maakt onderdeel uit van dit Justitie-prognosemodel.
Het Justitie-prognosemodel heeft als doel om beleidsneutrale prognoses te
vormen van de te verwachten ontwikkelingen binnen de justitieketen
ter onderbouwing van de totale Justitiebegroting (zie ook baten-lasten stelsel).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het Ministerie van Justitie werkt modulair aan de totstandkoming van het
algeheel prognosemodel. Op dit moment wordt een prognosemodule ontwikkeld
voor de strafrechtketen. Vervolgens worden modules ontwikkeld voor de andere
rechtsgebieden. Bij de ontwikkeling van het algeheel prognosemodel en specifiek
de prognosemodule strafrechtketen wordt de Raad voor de rechtspraak direct
betrokken.</al>
      <tuskop letat="cur">Betrouwbaarheid tijdschrijfonderzoek</tuskop>
      <al>In het eindrapport wordt eveneens als mogelijk risico van het huidig bekostigingsmodel
aangegeven, dat de betrouwbaarheid van het tijdschrijfonderzoek niet optimaal
is. Hierbij wordt hoofdzakelijk gedoeld op de elementen representativiteit
en selectie van tijdschrijfperiodes. De Raad voor de rechtspraak heeft inmiddels
deze aandachtspunten meegenomen in zijn nieuwe aanpak voor de nieuw te plegen
tijdschrijfonderzoeken. Zo zijn de geoffreerde methodieken getoetst en beoordeeld
door een extern wetenschappelijk bureau. Deze externe toetsing zal ook plaatsvinden
nadat de onderzoeken zijn uitgevoerd, maar dan gericht op de uitvoering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aan het onderwerp tijdschrijfonderzoek is de aanbeveling gerelateerd om
de normering van de directe productiviteit voor rechterlijk personeel in overeenstemming
te brengen met de praktijk. AEF constateert op dit punt dat de directe productiviteit
van rechterlijk personeel stelselmatig hoger ligt dan het gehanteerde uitgangspunt.
Deze discrepantie tussen model en praktijk kan leiden tot minder waarde en
overtuigingskracht van het Lamiciemodel.</al>
      <al>De Raad voor de rechtspraak is in het kader van het aantal direct productieve
uren per fulltime equivalent een onderzoek gestart. Met dit onderzoek wordt
de in het Besluit financiering rechtspraak vastgelegde verhouding tussen direct
en indirect productieve uren bezien. Aan de hand van de onderzoeksresultaten
zal de Raad voor de rechtspraak voorstellen doen aan de Minister van Justitie
ten aanzien van de normering van directe productiviteit.</al>
      <tuskop letat="cur">Vorm van sturing</tuskop>
      <al>De Minister van Justitie heeft diverse sturingsinstrumenten ten opzichte
van de Raad voor de rechtspraak, mede gelet op het feit om te voldoen aan
de maatschappelijke vraag naar rechtspraak. De sturingsinstrumenten zijn onder
meer het onderling overleg (dialoog) met de Raad voor de rechtspraak en de
mogelijkheid tot het geven van een aanwijzing (voorschriften). In het eindrapport
constateert AEF dat in de dagelijkse praktijk hoofdzakelijk voor de dialoog
wordt gekozen en niet voor de directe, juridisch gefaciliteerde sturing (voorschriften).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door de gekozen vorm van sturing, de dialoog, is naar de mening van AEF
een mogelijke risico te onderkennen in de vorm van vrijblijvendheid. AEF doet
op dit onderdeel dan ook de aanbeveling om te streven naar een grote mate
van transparantie zowel op het terrein van zaaksproductie en financiële
gegevens alsmede op de gerealiseerde maatschappelijk effecten. Hierbij moet
gedacht worden aan de indicatoren doorlooptijden en werkvoorraden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het kader van het verder vormgeven van het onderwerp toezicht is recent
het document «Bestuurlijke verhoudingen Minister van Justitie –
Raad voor de rechtspraak» opgesteld. In dit document wordt uiteengezet welke wettelijke verantwoordelijkheden aan de Minister van Justitie
zijn toebedeeld en hoe de Minister van Justitie aan deze verantwoordelijkheden
vorm en inhoud geeft.</al>
      <tuskop letat="vet">Doelmatigheid</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Centrale budgetten</tuskop>
      <al>Ten aanzien van de onderzoeksdeelvraag welke mogelijkheden van prikkels
voor doelmatigheid er zijn, geeft AEF ondermeer aan dat de centrale budgetten
(huisvesting, automatisering en opleiding) niet afzonderlijk gefinancierd
zouden moeten worden. Doordat de centrale budgetten niet direct gekoppeld
zijn aan de zaaksproductie ontbreekt hierin een doelmatigheidstimulans. Gelijk
aan de normering voor de overhead (component van tarief per minuut) stelt
AEF voor om een opslag aan te brengen voor de centrale budgetten. Met het
aanbrengen van een dergelijke opslag wordt een koppeling bewerkstelligd tussen
de centrale budgetten en de zaaksproductie en zodoende een doelmatigheidsprikkel
gecreëerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Door AEF wordt wel aangegeven dat de normering van huisvestingslasten
(specifiek investeringen voor de lange termijn) bezien moet worden met betrekking
tot de te verwachten groei en de overeenstemming hierin tussen het Ministerie
van Justitie en de Raad van de rechtspraak. Hiermee wordt bedoeld om voor
deze meerjarenuitgaven een voorziening te treffen, die de Raad voor de rechtspraak
in staat stelt om bij terugvallende instroom en daarmee productie deze vaste
lasten te kunnen blijven financieren. Op deze wijze wordt stabiliteit verkregen
op het huisvestingsbeleid bij de rechtspraak.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet staat niet onwelwillend tegenover het aanbrengen van een opslag
voor de centrale budgetten. Op dit moment wordt echter bezien of in plaats
van een dergelijke opslag de centrale budgetten opgenomen kunnen worden in
de kostprijs van de productie. Hierbij is een randvoorwaarde dat er een verband
gelegd moet worden tussen de uitputting van de centrale budgetten en de productieomvang
van de gerechten. Hiermee wordt de rechtspraak (nog meer) gestimuleerd een
voor het bedrijfsproces optimale keuze te maken bij de inzet van middelen.
Bij de voorbereidingen van de invoering van het baten-lasten stelsel (zie
hierna) zal dit onderwerp nog nader worden uitgewerkt.</al>
      <tuskop letat="cur">Benchmarking</tuskop>
      <al>Een andere prikkel voor doelmatigheid die genoemd wordt in het eindrapport
is benchmarking. Deze benchmarking heeft een complementaire functie naast
het bekostigingsmodel. In hoofdlijnen zal de benchmarking zich moeten richten
op de elementen kwaliteit en doelmatigheid.</al>
      <al>De resultaten van de benchmarking kunnen gebruikt worden voor onderlinge
visitatie en auditing (collegiale toetsing). Daarnaast kan het instrument
benchmarking ingezet worden om het niveau van de overhead bij de gerechten
te ijken. De relatief efficiënte gerechten kunnen bij deze ijking als
referentiekader dienen. De Raad voor de rechtspraak heeft het initiatief genomen
een benchmarkmodel te ontwikkelen op het bevorderen van doelmatigheid.</al>
      <tuskop letat="vet">Baten-lasten stelsel</tuskop>
      <al>Uit het eindrapport blijkt dat aan het gehanteerde uitgangspunt van prestatiegerichte
bekostiging van (en binnen) de rechtspraak op dit moment onvoldoende vorm
wordt gegeven. De bekostiging van de rechtspraak is nu hoofdzakelijk
geënt op de door de gerechten geprognosticeerde instroom van de aantallen
zaken. Om meer prikkels tot prestatie in te bouwen wordt door AEF aanbevolen
een afrekensystematiek te ontwikkelen op basis van de gerealiseerde output
en niet op basis van prognoses. Hierdoor ontstaat een directe relatie tussen
de productie (zaaksaantallen) en de financiële middelen. Het in te voeren
baten-lasten stelsel voor de rechtspraak, een ander deelvraag van het ontwikkelingsgericht
onderzoek, biedt hiervoor mogelijk een uitkomst. AEF geeft aan dat een dergelijk
baten-lasten stelsel de eerder genoemde afrekensystematiek, het afrekenen
op gerealiseerde output, mogelijk maakt. In het IBO-rapport «Recht van
spreken» (juli 1999) werd al gepleit voor de invoering van een baten-lasten
stelsel binnen de rechtspraak om te komen tot een resultaatgerichte besturing
en bedrijfsvoering.</al>
      <al>Het eindrapport van AEF «Met recht gefinancierd» geeft als
aanbeveling een afrekensystematiek te hanteren waarbij de financiering van
de rechtspraak plaatsvindt op basis van gerealiseerde productie. Hierbij dient
wel opgemerkt te worden dat dit niet een openeinde regeling impliceert. De
financiering van de rechtspraak zal wel dienen plaats te vinden binnen de
beschikbare budgettaire kaders.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast biedt het stelsel de rechtspraak de mogelijkheden van reserveren
en het opbouwen van een eigen vermogen. Met dit eigen vermogen kunnen bedrijfsrisico's
en daarmee prijsfluctuaties opgevangen worden. Tevens biedt het baten-lasten
stelsel de rechtspraak de mogelijkheid om gebruik te maken van de leenfaciliteit
bij het Ministerie van Financiën. Hieruit kunnen investeringen, bijvoorbeeld
op het gebied van huisvesting of automatisering, worden gefinancierd. Deze
aanbeveling wordt door het Kabinet en door de Raad voor de rechtspraak onderschreven.</al>
      <tuskop letat="vet">Aandachtspunt</tuskop>
      <al>Met nadruk vraagt AEF in het eindrapport aandacht voor de geloofwaardigheid
van en het draagvlak voor het bekostigingsmodel. In het Besluit financiering
rechtspraak is de mogelijkheid opgenomen (artikel 9: toereikendheid middelen
op de rijksbegroting) om een deel van de bepalingen van deze AMvB ten aanzien
van de budgetomvang buiten werking te stellen. De ervaring tot nu toe leert
dat reeds in de eerste twee jaren van de toepassing van de AMvB (in 2002 en
2003) gebruik is gemaakt van dit artikel 9. Wanneer ook in de komende jaren
wordt afgeweken van het uit de systematiek voortvloeiende budget voor de rechtspraak,
komt de geloofwaardigheid van en draagvlak voor het model sterk onder druk
te staan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het draagvlak voor het bekostigingsmodel kan volgens AEF (verder) vergroot
worden door nadrukkelijk inzichtelijk te maken wat de (financierings)behoefte
van de rechtspraak is. Dit kan ondermeer bereikt worden door het uitwerken
van diverse aanbevelingen van het eindrapport, die gericht zijn op het verhogen
van de beoogde soberheid en doelmatigheid. Hierbij moet gedacht worden aan
het ontwikkelen van een door alle partijen geaccepteerd en eenduidig prognosemodel,
het verder implementeren van het kwaliteitssysteem en het inbedden van doelmatigheidsprikkels.</al>
      <tuskop letat="vet">Slot</tuskop>
      <al>Op dit moment vinden de voorbereidingen plaats voor het invoeren van het
baten-lasten stelsel bij zowel de Raad voor de rechtspraak als de gerechten.
In dit kader wordt bezien op welke wijze in het bekostigingssysteem evenwicht
kan worden gevonden tussen doelmatigheid en borging van toegankelijkheid en
kwaliteit van de rechtspraak. De besprekingen hierover zijn nog
gaande. De inrichting van een baten-lasten stelsel zal een grote impact hebben
op de uiteindelijke vormgeving van het bekostigingsmodel en daarmee op het
nieuwe Besluit financiering rechtspraak. Over de uitkomsten hiervan zal ik
u het voorjaar van 2004 berichten.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Justitie,</functie>
        <naam>J. P. H. Donner</naam>
      </ondtek>
      <bijlage>
        <titel>BIJLAGE 1</titel>
        <tuskop letat="vet">Opdrachtformulering</tuskop>
        <tuskop letat="vet">Ontwikkelingsgericht onderzoek bekostigingsystematiek
rechtspraak </tuskop>
        <tuskop letat="vet">Ontwikkelingsonderzoek bekostigingsystematiek Rechtspraak</tuskop>
        <tuskop letat="vet">0. Aanleiding</tuskop>
        <al>In het wetsvoorstel Raad voor de rechtspraak is aangegeven dat in een
AMvB regels worden gesteld voor de financiering van de rechtspraak. Eind 2000
is een notitie afgerond met de hoofdlijnennotitie zijn financieringsgrondslagen
uitgewerkt voor bepalen van te budget voor de Raad voor de rechtspraak en
de gerechten Aangezien de organisatie sterk in ontwikkeling is, het een nieuw
bekostigingstelsel betreft waarmee ervaring moet worden opgedaan en per 2002–2004
van toepassing te laten zijn. Tijdens de bespreking van het bekostigingsmodel
met de diverse belanghebbenden is naar voren gekomen dat er vroegtijdig zicht
dient te worden verkregen op de uiteindelijke contouren van het bekostigingsstelsel
voor de periode na 2004 zodat tijdens de periode van 2002–2004 aspecten
van het uiteindelijke model kunnen worden getoetst op hun waarde.</al>
        <al>Om dit te bewerkstelligen moet er een ontwikkelingsonderzoek worden uitgevoerd
naar de beperkingen van het huidige model en mogelijke innovaties en vereenvoudigingen.
Niet uitgesloten is de mogelijkheid dat de uitkomsten van het ontwikkelingsonderzoek
nog tot beperkte aanpassingen van de financieringsgrondslagen voor de periode
2002–2004 leiden. De hoofdlijnen van het bekostigingsmodel (IBO-ZM)
staan echter niet meer ter discussie.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De behoefte aan het ontwikkelingsonderzoek is ook door de bewindslieden
en betrokkenen vanuit de ZM onderschreven. Enerzijds om te laten onderzoeken
in welke richting het model zich in de toekomst dient te ontwikkelen anderzijds
als externe toets en validering van het concept bekostigingstelsel voor de
periode van 2002–2004.</al>
        <tuskop letat="vet">1. Doel van het ontwikkelingsonderzoek</tuskop>
        <al>Het bekostigingsstelsel zoals uitgewerkt in de hoofdlijnennotitie heeft
het karakter van een verdeelsysteem. De grondslagen zijn gericht op het vaststellen
van een budget voor de Rechtspraak en de verdeling van de middelen over de
Raad voor de rechtspraak en de gerechten. Het grootste deel van het budget
wordt vastgesteld op basis van het geprognotiseerde aantal zaken (Q) vermenigvuldigd
met de kostprijs (P) . De uiteindelijke realisatie van het aantal zaken (Q)
heeft vooralsnog geen invloed op het budget voor het desbetreffende jaar.
Verrekening van het verschil tussen geprognotiseerde en gerealiseerde aantal
zaken vindt niet plaats. De gerechten ondervinden derhalve geen financiële
consequenties van het niet behalen van het geprognotiseerde aantal zaken.
De vraag die echter resteert is of het model voldoende prikkels bevat om een
doelmatige en doeltreffende rechtspraak te stimuleren en niet aanzet tot ongewenst
strategisch gedrag. De uitkomsten van de ze vragen en mogelijke suggesties
ter verbeteringen van het bekostigingsstelsel moeten de aanzet geven voor
de contouren van het stelsel voor 2004 e.v.</al>
        <al>Samengevat is het doel van het onderzoek het inzichtelijk maken van de
risico's en mogelijke verbeteringen van het voorgestelde bekostigingsstelsel
zodat deze tijdens de eerste werkingsperiode van de AMvB van 2002–2004
kunnen worden getoetst op hun waarde. Hiermee wordt bewerkstelligd dat vroegtijdig
een beeld wordt verkregen van de ontwikkelingsrichting van het voorgestelde
bekostigingsmodel in de hoofdlijnennotitie.</al>
        <tuskop letat="vet">2. Afbakening en aanpak</tuskop>
        <al>Van de onderzoekers wordt verwacht dat zij, op basis van hun eigen expertise
en onderzoek naar ervaringen elders met soortgelijke bekostigingsmodellen,
een advies formulieren waarin de risico's en mogelijke verbeteringen van het
bekostigingsmodellen, een advies formulieren waarin de risico's en mogelijke
verbeteringen van het bekostigingsmodel worden uiteengezet. De onderzoekers
dienen hierbij in ieder geval een antwoord te geven op de volgende vragen:</al>
        <al>• Is het zinvol om ten behoeve van de vereenvoudiging van het bekostigingsmodel
dat de minister gebruikt om het budget voor de rechtspraak vast te stellen
het aantal variabelen te beperken? In het model wordt er nu gewerkt met 48
zaakscategorieën In de uitwerking dient aandacht te worden besteed aan
de voor- en nadelen van het beperken van het aantal variabelen en de wijze
waarop dit kan worden bewerkstelligd.</al>
        <al>• Het bekostigingsmodel moet doelmatig en doeltreffend werken bevorderen.
De onderzoekers moeten bezien of het huidige model hierin voldoende voorziet
en welke alternatieve en aanvullende prikkels mogelijk zijn?</al>
        <al>• Welke negatieve gedragseffecten kunnen door het huidige model worden
opgeroepen bij de financier, de Raad en de gerechten en op welke wijze kunnen
deze effecten worden voorkomen?</al>
        <al>• Het grootste deel van het budget voor de rechtspraak wordt, eenvoudig
gesteld, berekend door het vermenigvuldigen van de geprognotiseerde output
(het aantal zalen) met de daarvoor vastgestelde kostprijs. Van groot belang
is derhalve een betrouwbare prognose van de output, In het bekostigingsmodel
is nu voorgesteld de instroom van de zaken in de jaren t-2 en t-3 als uitgangspunt
te nemen gecorrigeerd voor significante trendmatige en beleidsmatige (nieuwe
wetgeving)ontwikkelingen De vraag aan de onderzoekers is te bezien of:</al>
        <al>• deze indicatoren voldoende houvast bieden voor een betrouwbare
voorspellingen van de output;</al>
        <al>• aan deze indicatoren risico's kleven;</al>
        <al>• alternatieve indicatoren voor de toekomstige werklast denkbaar
zijn.</al>
        <al>• Ten aanzien van het voorgaande punt geldt dat de betrouwbaarheid
(juist en volledig) en continuïteit van de informatie cruciaal is voor
een goede werking van het bekostigingsstelsel. Kan aangegeven worden of en
eventueel welke risico's op dit terrein worden gelopen?</al>
        <al>• Tot en met 2007 heeft de Raad voor de rechtspraak enige vrijheid
bij het verdelen van de middelen over de gerechten teneinde de bestaande scheefgroei
in de budgetten voor de gerecht recht te trekken. Algemeen gedragen wordt
het standpunt dat de Raad nu en in de toekomst over enige financiële-
en beleidsmatige ruimte moet beschikken om invloed te kunnen uitoefenen op
de gerechten. Aan de onderzoekers wordt gevraagd te bezien of het bekostigingsmodel
nu en in de toekomst voldoende ruimte aan de Raad biedt om invloed uit te
oefenen en eventuele suggesties aan te reiken ter verbetering van de positie
van de Raad;</al>
        <al>• Voor de 48-zaakscategorieën worden landelijke gemiddelde behandeltijden
vastgesteld. Op lokaal niveau kunnen er echter significante afwijkingen ontstaan
als gevolg van de invloed van omgevingsfactoren (bijvoorbeeld de werkwijze
van de advocatuur). Op welke wijze kunnen deze locale afwijkingen onderling
worden gecorrigeerd?</al>
        <al>• Een vraag die mogelijk samenhangt met de hiervoor genoemde invloed
van de omgevingsfactoren betreft een analyse naar de oorzaken van huidige
schreefgroei in de budgetten. De onderzoekers worden verzocht deze oorzaken
in kaart te brengen en aan te geven in hoeverre deze (mogelijk
objectieve) factoren in het verleden en in de toekomst een afwijking rechtvaardigen
van de landelijke normen bij het toekennen van de budgetten aan de gerechten?</al>
        <al>• Centraal in het bepalen van het budget staat de kostprijs per minuut.
Deze bestaat uit een looncomponent en een opslag voor overhead (excl. Huisvesting,
ICT en opleidingen). Deze opslag voor overhead is bepaald op basis van ervaringsgegevens.
De vraag os nu op welke wijze komende jaren tot een nadere validering van
deze norm voor overhead kan worden gekomen?</al>
        <al>• Welke consequenties heeft de invoering van het baten-lasten stelsel
per 2004 voor het bekostigingsmodel?</al>
        <al>• Welke risico's kleven er aan de wijze waarop de bijzondere zaken
(bijv. mega-zaken) in het bekostigingsmodel zijn opgenomen en welke alternatieven
zijn er denkbaar?</al>
        <al>Naast bovenstaande vragen wordt aan de onderzoekers verzocht op basis
van eigen expertise en onderzoek bestuurlijke risico's, beheersbaarheid, verbeteringen
en vereenvoudigingen te signaleren en aanbevelingen te formuleren.</al>
        <tuskop letat="vet">3. Opzet onderzoek</tuskop>
        <al>Het onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van de DG WRR. De onderzoekers
rapporteren hun resultaten aan een begeleidingsgroep onder leiding van een
gerespecteerd «buitenstaander». De begeleidingsgroep zal als volgt
worden samengesteld:</al>
        <al>• vertegenwoordiger NVvR</al>
        <al>• vertegenwoordiger Raad voor de rechtspraak/LBO</al>
        <al>• vertegenwoordiger presidentenvergadering/commissie B&amp;B</al>
        <al>• vertegenwoordiger Raad voor het Openbaar Bestuur</al>
        <al>• Directeur Drp</al>
        <al>• Directeur DFEZ of DAD</al>
        <al>• Gerespecteerd buitenstaander met expertise op het terrein van besturing-
en bekostigingsmodellen</al>
        <al>• Secretaris</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Ten einde de onderzoekers een goede toegang tot de organisatie te geven,
de mogelijkheid te bieden om vragen te beantwoorden en tussenprodukten te
beoordelen zal er onder de stuurgroep een klankbordgroep als volgt worden
samengesteld:</al>
        <al>• vertegenwoordiger NVvR</al>
        <al>• vertegenwoordiger Raad voor de rechtspraak/LBO</al>
        <al>• vertegenwoordiger commissie B&amp;B</al>
        <al>• vertegenwoordiger DFEZ of DAD</al>
        <al>• Gerespecteerd buitenstaander met expertise op het terrein van besturings-
en bekostigingsmodellen</al>
        <al>• Secretaris</al>
        <tuskop letat="vet">4. Tijdshorizon</tuskop>
        <al>De uitkomsten van het onderzoek moeten in het voorjaar 2002 gereed zijn
zodat eventuele aanbevelingen kunnen worden verwerkt in de AMvB die op het
begrotingsjaar 2004 van toepassing zal zijn.</al>
        <tuskop letat="vet">5. Selectie onderzoeksbureau</tuskop>
        <al>Het onderzoeksbureau dient deskundig te zijn op het gebeid van besturingsvraagstukken.
Zij moet een beeld kunnen vormen van zowel de politieke en bestuurlijke implicaties
als de bedrijfseconomische risico's van het voorgestelde bekostigingsmodel.</al>
        <al>Na het vaststellen van de definitieve lijst met mogelijke opdrachtnemers
zal Drp de bureaus benaderen met het verzoek om een offerte op te stellen.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De klankbordgroep maakt vervolgens een voorselectie waarna de belangrijkste
kandidaten worden uitgenodigd voor een korte presentatie aan de begeleidingsgroep.
Op voorstel van de begeleiding neemt de DG WWR vervolgens het besluit aan
welk bureau de opdracht wordt gegund.</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <titel>BIJLAGE 2</titel>
        <tuskop letat="vet">Overzicht aanbevelingen AEF</tuskop>
        <tuskop letat="vet">Aanbevelingen AEF</tuskop>
        <al>In het onderstaand schema wordt aangegeven welke aanbevelingen van AEF
in welk traject behandeld worden. Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt
in het kabinetsstandpunt en het baten-lasten traject. Dit onderscheid is gemaakt
aangezien een aantal aanbevelingen uit het eindrapport «Met recht gefinancierd»
van AEF op dit moment nader worden ingevuld in het traject van de invoering
van het baten-lasten stelsel bij de rechtspraak. Onder het kopje Kabinetsstandpunt
wordt ook de indeling van onderwerpen aangehouden zoals deze in de brief «kabinetsstandpunt
eindrapport» wordt gehanteerd.</al>
        <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
          <tgroup align="left" charoff="75" cols="3" tgroupstyle="sdu1">
            <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="5mm"></colspec>
            <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="35mm"></colspec>
            <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="72.5mm"></colspec>
            <thead valign="bottom">
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1">Aanbevelingen AEF</entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody valign="bottom">
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">
                  <nadruk type="vet">1.</nadruk>
                </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">
                  <nadruk type="vet">Kabinetsstandpunt</nadruk> • risico's/negatieve gedragseffecten</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">– financieringsmodel in negen clusters (1.1) –
afdoeningsprofiel voor strafsector (1.2) – tussentijdse correctie zaakstijden
(1.3) – normering directe productiviteit (1.4) – toets gedragseffecten
(1.5) – prognosemodel (2.1) – definitie functie Gerechtelijke
Verkenningen (2.2) – afrekensystematiek (4.2) – onderzoeksmethodiek
tijdschrijven (5.1) – scheefgroeifactoren (5.2) – regiegeld (5.3) –
gerechtelijke verkenningen (6.4) – betrouwbaarheid Lamicie-administratie
(7.1) – programma versterking bedrijfsvoering (7.2) </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
                <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
                <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">• doelmatigheid</entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">– herijking volgens benchmarksystematiek
(3.2) – integrale opslag centrale budgetten (3.3) – vormgeven
P&amp;V kaders (6.1) – benchmarking (6.2 + 7.3) – budgetbeheer
huisvesting (8.2) – productiviteitseffecten opleidingen (8.3) –
dienstverlening ICTRO (8.4) </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
                <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
                <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">• baten-lasten stelsel </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">– risicobuffer (4.1) – afrekensystematiek
(4.2) – overeenstemming over productprijzen (4.3) – werkvoorraden
(4.4)</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
                <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
                <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">• aandachtspunten </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">– positionering begroting Raad – bestuurlijk
draagvlak model</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
                <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
                <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">
                  <nadruk type="vet">2.</nadruk>
                </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">
                  <nadruk type="vet">Baten-lasten traject</nadruk>
                </entry>
                <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">–
normering directe productiviteit (1.4) – definitie overhead (3.1) –
integrale opslag centrale budgetten (3.3) – risicobuffer (4.1) –
afrekensystematiek (4.2) – overeenstemming over productprijzen (4.3) –
werkvoorraden (4.4) – werkvoorraden en doorlooptijden (6.3) –
IJking overheadniveau (8.1) – Normering huisvesting (9)</entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
      </bijlage>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Eerder abusievelijk gedrukt onder 29 435, nr. 1.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.2" nr="2">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>