Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200429420 nr. 6

29 420
Wijziging van de Invoeringswet Wet werk en bijstand in verband met het verlenen van de bevoegdheid aan gemeentebesturen om in het kader van de Wet werk en bijstand categoriale regelingen voor de kosten van chronische ziekte of handicap voort te zetten of nieuwe categoriale regelingen terzake tot stand te brengen

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 23 april 2004

De regering heeft met belangstelling kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarin zowel het voorliggende wetsvoorstel aan de orde komt als de brief van 27 februari 2004 van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarin deze de Tweede Kamer, ter voldoening aan het verzoek van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, geïnformeerd heeft betreffende de regeling voor chronisch zieken en gehandicapten die is overeengekomen in het Najaarsakkoord.1 Bij deze brief heeft de Tweede Kamer de Handreiking voor de verlening van bijzondere bijstand aan chronisch zieken, gehandicapten en ouderen ontvangen. Het doet de regering genoegen dat de fracties instemmen met de in het wetsvoorstel neergelegde beleidsvoornemens.

Algemeen

Het verschil tussen het voorliggende wetsvoorstel en de vigerende Wet werk en bijstand (WWB) cq de Invoeringswet WWB waarnaar de leden van de CDA-fractie vragen, is dat het voorliggende wetsvoorstel de aan de gemeenten geboden mogelijkheden voor de verlening van categoriale bijzondere bijstand (in de vigerende WWB voor personen van 65 jaar en ouder, en in de Invoeringswet WWB bij wijze van overgangsrecht en voor collectieve aanvullende ziektekostenverzekeringen) uitbreidt met de mogelijkheid om categoriale bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van chronische ziekte of handicap.

In antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie waarom deze regeling in de invoeringswet WWB wordt vastgelegd, wijst de regering op het tijdelijke karakter van de regeling. Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is aangeven, zullen bij de geldigheidsduur van de bepaling de ontwikkelingen rond de voorliggende voorzieningen, zoals de invoering van een nieuw zorgstelsel, betrokken worden. De regering ziet de categoriale bijzondere bijstand voor chronische ziekte en handicap nadrukkelijk in samenhang met vorenbedoelde ontwikkelingen.

Het onderscheid tussen algemene en bijzondere ziektekosten, waarnaar de leden van de CDA-fractie vragen, wordt in het wetsvoorstel niet gemaakt. Zoals bij alle vormen van bijzondere bijstand gaat het ook bij de categoriale bijzondere bijstand voor de kosten van chronische ziekte of handicap om uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Het is aan de gemeenten om daar invulling aan te geven. Het voorliggende wetsvoorstel geeft de gemeenten de mogelijkheid om, naast de individuele invulling, te komen tot een invulling voor een categorie van personen die geacht wordt bepaalde bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben als gevolg van ziekte of handicap.

De gemeente kan aan een tot die categorie behorende persoon bijzondere bijstand verlenen zonder dat behoeft te worden nagegaan of ten aanzien van die persoon de betreffende kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn.

Met de leden van de PvdA-fractie, die vragen of de regering bereid is de regeling zodanig aan te passen dat chronisch zieken en gehandicapten een recht kunnen doen gelden op een inkomenscompensatie, onderschrijft de regering het belang dat chronisch zieken en gehandicapten recht moeten kunnen doen gelden op een inkomenscompensatie, in die zin dat zij een tegemoetkoming ontvangen voor de kosten die verband houden met de chronisch ziekte of handicap. De regering is van oordeel dat de WWB dat recht daadwerkelijk biedt. In artikel 35, eerste lid, van die wet is bepaald dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover niet kan worden beschikt over de middelen om te kunnen voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Bij chronisch zieken en gehandicapten zal er in de regel sprake zijn van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. In dat geval kunnen zij op grond van de aangehaalde bepaling recht doen gelden op individuele bijzondere bijstand. Gemeenten die geen gebruik maken van de mogelijkheid om voor de kosten van chronische ziekte en handicap een categoriale regeling te treffen, zijn altijd gehouden aan het hiervoor genoemde individuele recht. Gezien het vorenstaande ziet de regering geen aanleiding om de regeling aan te passen.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de PvdA-fractie wat de verwachting is van de regering over het aantal gemeenten dat aan het verzoek van de staatssecretaris tot invoering van een categoriale regeling gevolg zal geven, merkt de regering op dat de invulling van de regeling in de gedecentraliseerde WWB voor de verantwoordelijkheid van de gemeenten is. De gemeenten hoeven geen categoriale regeling te maken, maar kunnen dit. De regering kan geen concreet aantal noemen van gemeenten die aan de oproep van de staatssecretaris gevolg zal geven. Met de leden van de PvdA-fractie die, zoals zij ook in het verslag aangeven, deze vorm van categoriale bijzondere bijstand hadden opgenomen in een initiatiefwetsvoorstel voor een lang-laagregeling, verwacht de regering echter wel dat een groot aantal gemeenten van de geboden mogelijkheid van een categoriale regeling gebruik zal maken.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering bereid is om per 15 juni 2004 en vervolgens per 15 oktober 2004 de kamer te informeren over het aantal gemeenten dat een inkomenscompensatie voor chronische zieken en gehandicapten heeft en de hoogte van de gemiddelde vergoeding, en of de regering tevens bereid is aan te geven hoeveel gemeenten een regeling hebben voor een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering en welke tarieven daarvoor worden gehanteerd. De regering wijst er in dit verband in het algemeen op dat «minder regels» tot uitgangspunten van het kabinet behoort en dat derapportage in het bijzonder een van de pijlers van de WWB is. Zoals is aangegeven in de memorie van toelichting bij die wet zorgen vermindering en vereenvoudiging van regels en terugdringing van rapportageverplichtingen van gemeenten voor een aanzienlijke vermindering van de bureaucratie en daarmee voor een geringere belasting van gemeenten1.

De categoriale regeling waarin dit wetsvoorstel voorziet, is een nieuw element binnen de bijzondere bijstand. In het in voorbereiding zijnde Beleidsplan informatieuitvraag SZW (BIS), waarover u nader zult worden geïnformeerd, is voorzien dat in algemene zin wordt gerapporteerd over het gebruik van categoriale regelingen. Informatie hierover komt in de loop van 2005 beschikbaar.

In antwoord op vragen van de leden van de VVD- en ChristenUnie-fractie over de definitie van het begrip «chronisch zieken en gehandicapten» acht de regering het niet passend binnen de ruime beleidsvrijheid die de WWB aan de gemeenten biedt, om dit begrip nader te definiëren door dit in een wettelijke regel vast te leggen. Overigens biedt de Handreiking voor de verlening van bijzondere bijstand aan chronisch zieken, gehandicapten en ouderen, die tot stand is gekomen in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Divosa en gemeenten en die aan alle gemeenten is gezonden, een adequaat handvat voor de wijze waarop de gemeenten invulling zouden kunnen geven aan dit begrip.

In reactie op de vragen van de leden van de VVD-fractie over de langdurigheidstoeslag wijst de regering erop dat deze toeslag een uitzondering is op het uitgangspunt van de toereikendheid van het sociaal minimum. Die uitzondering is door de wetgever alleen dan gerechtvaardigd geacht als de betrokkene ten minste vijf jaar een inkomen op het niveau van het sociaal minimum heeft gehad én er, buiten toedoen van betrokkene, geen arbeidsmarktperspectief is. Als er inkomsten zijn (geweest) uit arbeid, is er geen sprake van een situatie waarin arbeidsmarktperspectief ontbreekt en bestaat er volgens de wet geen recht op de langdurigheidstoeslag. Bij de WWB staat de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan voorop. De regering ziet dan ook niet in waarom er een langdurigheidstoeslag zou moeten worden verleend aan degene die invulling geeft aan de door de WWB vooronderstelde eigen verantwoordelijkheid door actief te zijn in (deeltijd)werk. Om uitstroom te stimuleren hebben de gemeenten de mogelijkheid om een premie te geven. Voorts heeft de regering tijdens de parlementaire behandeling van de WWB aangegeven dat de langdurigheidstoeslag het risico met zich meebrengt van een bonus op langdurig verblijf in de bijstand. De door de leden van de VVD-fractie voorgestelde wijziging staat haaks op het principe van de eigen verantwoordelijkheid en zou een bonus betekenen op een langdurig verblijf in de bijstand.

De regering acht die redactie ongewenst gezien de inbreuk op de uitgangspunten van de WWB, nog daar gelaten of de voorgestelde redactie tot een aanzienlijke lastenverlichting leidt bij gemeenten die de aanvraagprocedure voor de langdurigheidstoeslag nu al efficiënt hebben ingericht. In dit verband wijst de regering erop dat een werkgroep langdurigheidstoeslag, bestaande uit vertegenwoordigers van de VNG, Divosa, gemeenten, Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en Sociale Verzekeringsbank hebben onderzocht hoe de aanvraagprocedure voor de langdurigheidstoeslag zo adequaat mogelijk vorm kan worden gegeven. De aanbevelingen die de werkgroep op dit punt heeft gedaan, zijn door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overgenomen.

Brief van 27 februari 20041

Budgettair

In antwoord op vragen van de leden van de CDA-, PvdA-, VVD- en ChristenUnie-fractie over het bedrag van € 20 miljoen dat de werkgevers in het kader van het najaarsakkoord voor 2004 beschikbaar hebben gesteld en de € 80 miljoen waarmee de regering het budget bijzondere bijstand heeft verhoogd, licht de regering het volgende toe.

De extra inkomensondersteuning van de werkgevers wordt in 2004 toegevoegd aan het fictieve budget bijzondere bijstand en is daarin voor de gemeenten herkenbaar door de informatie die zij daarover ontvangen van de gemeentefondsbeheerders. Ook in de Handreiking voor de verlening van bijzondere bijstand aan chronisch zieken, gehandicapten en ouderen zijn de gemeenten geïnformeerd over de werkgeversbijdrage. Gemeenten kunnen deze informatie betrekken bij de beleidsontwikkeling. De werkgeversbijdrage van € 20 miljoen en de € 80 miljoen waarmee de regering het budget bijzondere bijstand heeft verhoogd zijn niet geoormerkt voor inkomensondersteuning aan chronisch zieken, gehandicapten en ouderen met een minimuminkomen. Dit past niet bij de bestedingsvrijheid die gemeenten hebben bij de bijzondere bijstand. De regering gaat ervan uit dat de gemeenten met haar het belang van de besteding van de beschikbaar gestelde middelen aan de doelgroep onderschrijft. Dit is ook tot uitdrukking gebracht in de Verzamelbrief van 18 december 20032 en de Handreiking voor de verlening van bijzondere bijstand aan chronisch zieken, gehandicapten en ouderen. In het Najaarsoverleg op 14 oktober 2003 is door de werkgevers toegezegd een eenmalige extra inkomensondersteuning ten behoeve van langdurige minima te zullen bekostigen. De afgelopen maanden heeft hierover zowel binnen de Stichting van de Arbeid als naderhand tussen de Stichting, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de VNG nader overleg plaatsgevonden over de wijze waarop aan een en ander uitvoering kan worden gegeven. In overleg met het ministerie en de VNG is door de werkgevers voorgesteld deze inkomensondersteuning te richten op de categorie chronisch zieken en gehandicapten, zijnde een groep die het dichtst aansluit bij de groep langdurige minima.

De regering is van oordeel dat een bijdrage van de werkgevers aan chronisch zieken en gehandicapten past binnen de het totale pakket zoals dat aan de orde was bij het najaarsoverleg en de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de daarbij betrokken partijen. De bijdrage is niet vergelijkbaar met bijdragen die plaatsvinden op persoonlijke titel en buiten bestaande kaders.

In de aangenomen motie van het lid Weekers c.s.3 is de regering verzocht vanaf het jaar 2005 incidentele extra middelen, die nu worden ingezet voor onder meer de bijzondere bijstand, structureel te maken, teneinde de inkomenspositie van de bedoelde groep chronisch zieken, gehandicapten en ouderen die hiervan afhankelijk is, structureel te waarborgen. Zoals is aangegeven in de brief d.d. 20 januari 2004 van de bewindspersonen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal de regering deze motie betrekken bij de Begrotingsvoorbereiding 20054.

Samenhang bijzondere bijstand, buitengewone uitgavenaftrek en Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven

Naar aanleiding van de brief van 27 februari 2004 en de daarbij gevoegde Handreiking voor de verlening van bijzondere bijstand aan chronisch zieken en gehandicapten zijn door de leden van meerdere fracties vragen gesteld over de samenhang tussen de bijzondere bijstand, de buitengewone uitgavenaftrek (BU) en het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven (TBU). Alvorens die vragen te beantwoorden wordt een korte beschrijving en een voorbeeld gegeven van de werking van de regelingen en hun onderlinge samenhang.

Bij de BU gaat het om alle (niet-vergoede) ziektekosten van de belastingplichtige, zijn partner, zijn kinderen jonger dan 27 jaar en tot zijn huishouden behorende ernstig gehandicapte personen van 27 jaar of ouder. Een drietal elementen kunnen binnen de regeling worden onderscheiden, te weten a) ziektekostenpremies, b) feitelijke, aantoonbare kosten in verband met ziekte, invaliditeit en bevalling, en c) ouderdoms-, arbeidsongeschiktheids- en chronisch ziekenforfait1.

De TBU regelt een tegemoetkoming voor burgers die langs fiscale weg door de combinatie van de hoogte van hun inkomen en de totale hoogte van hun aftrekposten en heffingskortingen niet de volledige waarde van hun aftrek van buitengewone uitgaven kunnen effectueren.

In het kader van de bijzondere bijstand kunnen feitelijke, aantoonbare kosten in verband met ziekte, invaliditeit en bevalling op individuele basis worden vergoed. Daarnaast biedt de WWB de gemeenten de mogelijkheid om categoriale bijzondere bijstand te verlenen aan ouderen. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt die laatste vorm van bijstand ook voor de kosten van chronische ziekte en handicap mogelijk te maken.

Cijfervoorbeeld ter illustratie

Een echtpaar (beide ouder dan 65 jaar) ontvangt in 2004 aan inkomsten alleen AOW. Op de AOW-uitkering van het echtpaar wordt aan ziekenfondspremie € 1273 ingehouden (werkgevers- en werknemersdeel). Aan nominale premie wordt in 2004 betaald € 960 en voor een aanvullende ziektekostenverzekering betalen zij per jaar een premie van € 240.

Een van de echtelieden heeft een nieuwe bril nodig. De aanschafkosten van de bril bedragen € 200. Voor die kosten is bijzondere bijstand verleend. De gemeente heeft bij de uitkering van de bijzondere bijstand rekening gehouden met een drempelbedrag van € 75. Per saldo is € 125 bijzondere bijstand ontvangen.

Met inachtneming van de ontvangen bijzondere bijstand kunnen de volgende posten nog worden opgevoerd binnen de BU-regeling:

ziekenfondspremie€ 1273
nominale premie€ 960
aanvullende premie€ 240
huisapotheek (2 x vaste bedrag van € 23)€ 46
ouderdomsforfait(cijfers 2004)€ 1552
niet door de bijstand vergoede kosten bril€ 75
 € 4146

Rekening houdend met de BU-drempel (€ 1778) en het relevante marginale belastingtarief (15,5%) bedraagt de daadwerkelijke belastingteruggaaf op grond van de BU € 367.

Mocht het zo zijn dat door de combinatie van de hoogte van hun inkomen en de totale hoogte van hun aftrekposten en heffingskortingen van de € 367 slechts € 167 langs fiscale weg kan worden vergolden (maximaal de ingehouden loonheffing over de AOW-uitkering), dan wordt op basis van de TBU-regeling nog € 200 uitgekeerd. Ter verduidelijking van bovenstaande alinea onderstaand cijfervoorbeeld:

Belastbaar inkomen na aftrek buitengewone uitgaven:8000
Te betalen IB (tarief 15,5 %) 1240
Heffingskorting 1440
Te betalen IB nihil

In de situatie van het voorbeeld kan € 200 (verschil 1440–1240) van de totale belastingteruggaaf op grond van de BU van € 367 niet worden vergolden. Dit gedeelte wordt via de TBU regeling uitgekeerd.

Voor de samenloop tussen de BU-regeling en de bijzondere bijstand, waarover vragen zijn gesteld door de leden van de PvdA- en de ChristenUnie-fractie, kunnen verschillende situaties worden onderscheiden:

1. volledige vergoeding van specifieke ziektekosten door de bijzondere bijstand;

2. gedeeltelijke vergoeding van specifieke ziektekosten door de bijzondere bijstand.

In de eerste situatie (volledige vergoeding) kunnen de vergoede ziektekosten niet nogmaals worden afgetrokken van het belastbare inkomen via de BU-regeling. In het tweede geval (gedeeltelijke vergoeding) kan het residu aan ziektekosten in aftrek worden gebracht op het belastbare inkomen via de BU-regeling.

De opmerking op bladzijde 2 van de Handreiking voor de verlening van bijzondere bijstand aan chronisch zieken, gehandicapten en ouderen, heeft betrekking op feitelijke, aantoonbare kosten. Met de opmerking op bladzijde 20 van genoemde Handreiking wordt aangegeven dat als er bijzondere bijstand is verstrekt voor feitelijke, aantoonbare kosten, dat niet raakt aan de vergoeding in het kader van de BU/TBU van de ziektekostenpremies, het ouderdomsforfait en het arbeidsongeschiktheidsforfait1; deze posten kunnen onverkort in aftrek worden gebracht op het belastbare inkomen via de BU-regeling náást de bijzondere bijstand.

De vragen van de leden van de PvdA-, VVD- en ChristenUniefractie over bijzondere bijstand, BU en TBU, mede bezien in hun onderlinge samenhang, beantwoordt de regering als volgt.

De Handreiking voor de verlening van bijzondere bijstand aan chronisch zieken, gehandicapten en ouderen vermeldt voor wat betreft de kosten waarvoor een beroep kan worden gedaan op de BU/TBU de limitatieve opsomming uit de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor die kosten kan dus een beroep worden gedaan op de BU/TBU. Samenloop van bijzondere bijstand en BU/TBU is alleen dan niet toegestaan als de bijzondere bijstand betrekking heeft op feitelijke, aantoonbare kosten. Terecht wijzen de leden van de PvdA-fractie erop dat er bij categoriale bijzondere bijstand geen sprake is van declaratie en dat de vergoeding betrekking kan hebben op kosten die niet aftrekbaar zijn als buitengewone uitgaven; deze vorm van bijzondere bijstand kan dus wél samenlopen met BU/TBU. Aangezien de TBU betrekking heeft op het niet-verzilverde deel van de BU, geldt het verbod op samenloop voor BU en TBU. De ratio voor het tegengaan van samenloop van bijzondere bijstand en BU/TBU bij feitelijke, aantoonbare kosten is dat de regering het ongewenst acht dat er voor die kosten een dubbele vergoedingsmogelijkheid bestaat. Samenloop is dus alleen niet toegestaan voor kosten die én onder de bijzondere bijstand én onder de BU/TBU vallen. Extra verwarmingskosten, de langdurigheidstoeslag, een koelkast en een laag bed vallen niet én onder de bijzondere bijstand én onder de BU/TBU en blijven dus buiten het verbod op de samenloop. Bij de aanschaf van een hoogbed op medische gronden kan samenloop wel aan de orde zijn. Zoals in alle situaties van samenloop is het aan de belanghebbende om te bepalen of voor de aanschafkosten van een hoogbed op medische gronden óf een beroep wordt gedaan op de bijzondere bijstand dan wel op de BU/TBU. In beginsel dienen alle belastingteruggaven, voor zover die betrekking hebben op een periode waarover dan wel kosten waarvoor bijstand is verleend, verrekend te worden met de (bijzondere) bijstand. Hierop geldt echter een aantal uitzonderingen. Niet tot de middelen worden gerekend belastingteruggaven in verband met:

– kinderkorting, aanvullende kinderkorting;

– jonggehandicaptenkorting;

– aanvullende alleenstaande ouderkorting;

– combinatiekorting en aanvullende combinatiekorting voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger is dan vijf jaar;

– kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor die kosten bijstand is verleend.

Op grond van dit laatste wordt de belastingteruggaaf voor BU niet tot de middelen gerekend voor zover deze betrekking heeft op andere kosten dan feitelijke, aantoonbare kosten waarvoor bijzondere bijstand is verleend.

Voorts is in de WWB bepaald dat de tegemoetkoming ontvangen op grond van de TBU niet tot de middelen behoren, tenzij voor de betreffende kosten bijstand is verleend. BU/TBU zijn niet de eerste vorm van belastingverrekening met bijzondere bijstand.

De BU verlaagt het belastbaar inkomen en leidt bijgevolg tot een lager toetsinkomen voor de huursubsidie. Bij de kwijtschelding van belastingen, die gebaseerd wordt op een netto inkomen, wordt de BU/TBU niet als inkomensbestanddeel in aanmerking genomen. De TBU is inkomensneutraal. BU en TBU hebben derhalve geen negatief effect bij inkomensafhankelijke regelingen op basis van zowel belastbaar als netto inkomen. De beslagvrije voet heeft betrekking op periodieke uitkeringen. Een belastingteruggaaf in verband met buitengewone uitgaven en de TBU zijn eenmalige teruggaven en worden bij beslag en de vaststelling van de beslagvrije voet niet in aanmerking genomen. Categoriale bijzondere bijstand behoort, ongeacht de frequentie van de uitbetaling, niet tot het belastbaar inkomen, tenzij er sprake is van ongerichte inkomenssuppletie, die immers in het kader van de WWB niet is toegestaan. Naar aanleiding van de motie van Vroonhoven-Kok1 en de vragen van het lid Verhagen bij het debat over de regeringsverklaring is onderzoek gedaan naar de buitengewone uitgaven2. Bijgevoegd treft u een overzicht van de raming van het gebruik en het gemiddelde nettovoordeel van de BU en de TBU3. Het gaat hierbij om de totale groep belastingplichtigen die hier gebruik van maken.

Aantal belastingplichtigen* en netto voordeel BU en TBU

 <65 jaar> 65 jaarTotaal
Aantal met BU (raming 2002)475 000625 0001 100 000
Gemiddeld netto voordeel€ 452€ 320€ 375
    
Aantal met TBU (raming 2004)40 000265 000305 000
Gemiddeld netto voordeel€ 715€ 210€ 275

* Het gaat hierbij om het aantal personen dat BU opvoert bij de aangifte IB.

Op de vraag van de leden van de PvdA-fractie wat de hoogte is van het bedrag per belanghebbende in relatie tot de werkelijke kosten die gemaakt zijn, is door de werking van de drempel (11,2% van het verzamelinkomen), de vermenigvuldigingsfactoren en de kostenforfaits geen eenduidig antwoord op te geven. Wel kan aangegeven worden dat voor degenen die over de drempel heen komen het netto voordeel van de BU (en TBU) als gevolg van een extra euro aan werkelijke kosten in beginsel het geldende marginale tarief bedraagt. Dit varieert van 15,55% voor 65-plussers in de eerste schijf tot 52% voor iedereen in de vierde schijf. Voor personen met een inkomen in de eerste en tweede schijf die tevens zogenaamde specifieke kosten maken (zoals hulpmiddelen, eigen bijdrage AWBZ etc) kan door de werking van de vermenigvuldigingsfactor (65%) het voordeel oplopen tot 66,5% (165%*40,35%). Door de werking van het forfait is het zelfs mogelijk dat de BU/TBU meer vergoedt dan daadwerkelijk aan extra (specifieke) kosten gemaakt is (zie ook de grafiek hierna).

Er zijn geen gegevens bekend over de omvang van de doelgroep van chronisch zieken en gehandicapten voor de bijzondere bijstand en het bedrag aan bijzondere bijstand dat aan deze groep verstrekt zal worden.

Er wordt op dit moment gewerkt aan een voorstel tot aanpassing van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarin cumulatie van bijzondere bijstand en een beroep via de regeling BU/TBU wordt geregeld. De hoogte van BU/TBU en die van de bijzondere bijstand zijn in de eerste plaats afhankelijk van de hoogte van het inkomen en de kosten. Daarnaast spelen voor de BU/TBU mee de forfaits (voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen) en de vermenigvuldigingsfactor voor bepaalde kosten. Deze verhogen het bedrag aan aftrek BU zonder dat er daadwerkelijke (feitelijke) kosten tegenover staan.

Bij de bijzondere bijstand is, naast de hoogte van het inkomen en de kosten, het onderscheid van belang tussen individueel en categoriaal, alsmede het al dan niet toepassen van een drempelbedrag door de gemeente. Tot slot speelt een eventuele normering van de maximale vergoeding een rol.

Gezien het aantal factoren dat de hoogte van de onderscheiden regeling bepaalt, is de hoogte van de vergoeding sterk afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van de belanghebbende. Op hoofdlijnen geldt het volgende, waarbij de regering wijst op het indicatieve karakter van de berekeningen en het feit dat de werkelijke uitkomsten van individu tot individu verschillend kunnen zijn.

Bij inkomens op of rond het sociaal minimum zal de bijzondere bijstand in de regel hoger zijn dan de BU/TBU. De bijzondere bijstand maakt een volledige vergoeding mogelijk, terwijl bij de BU/TBU een drempel geldt en de tegemoetkoming een, met het marginale belastingtarief overeenstemmend, percentage van de kosten bedraagt. Hierop geldt echter een uitzondering als er feitelijke, aantoonbare kosten zijn die naar hun aard en hoogte onder de vermenigvuldigingsfactor van de BU vallen en recht geven op het chronisch ziekenforfait en er niet reeds uit andere hoofde (handicap, leeftijd) recht bestaat op een forfait. In die situatie kan bij inkomens op of rond het sociaal minimum de BU/TBU hoger zijn dan de bijzondere bijstand. Komen de kosten echter boven een bepaalde grens dan wordt de bijzondere bijstand weer hoger dan de BU/TBU. In onderstaande grafiek is ter illustratie een en ander weergegeven voor een alleenstaande bijstandsgerechtigde die jonger is dan 65 jaar. Hierbij is er van uitgegaan dat bij de bijzondere bijstand een volledige vergoeding heeft plaatsgevonden van de feitelijke, aantoonbare kosten.kst-29420-6-1.gif

Bij hogere inkomens zal de BU/TBU in de regel hoger zijn dan de bijzondere bijstand. Hier is van belang welk gedeelte van het inkomen de gemeente als draagkracht in aanmerking neemt. Bijzondere bijstand voor feitelijke, aantoonbare kosten staat eraan in de weg dat die kosten in aanmerking worden genomen voor BU/TBU. Gemeenten kunnen de belanghebbende niet eerst verplichten om een beroep te doen op de BU/TBU en daarna aanvullend bijzondere bijstand verlenen voor de in aftrek gebrachte kosten.

De burger kan voor verschillende kosten ook een beroep doen op verschillende regelingen zolang het per kostenpost c.q. kostensoort maar niet tot doublures van declaraties leidt. De burger kan de voor hem meest gunstige route kiezen.

Het bedrag van € 11 miljoen, dat aan het bedrag voor de bijzondere bijstand in het gemeentefonds wordt toegevoegd als compensatie voor gemeenten voor het vervallen van de mogelijkheid van verrekening van bijzondere bijstand met een fiscale tegemoetkoming, is gerelateerd aan de € 30 miljoen die de regering heeft toegevoegd aan het fictief budget bijzondere bijstand voor chronisch zieken en gehandicapten en aan de gemiddelde teruggaaf die zou worden ontvangen als verrekening mogelijk zou zijn gebleven.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van de ChristenUnie waarop de verwachting is gebaseerd dat circa 305 000 personen in aanmerking komen voor de buitengewone aftrek in 2004 (zie bladzijde 10 van de handreiking) dient hier uitdrukkelijk vermeld te worden dat het aantal van 305 000 betrekking heeft op de raming voor de TBU in 2004 (belastingjaar 2003). Voor de BU bedraagt het geraamde gebruik in 2002 circa 1,1 mln belastingplichtigen. Voor de ramingen van beide posten is rekening gehouden met de door de leden van de CU genoemde stijgende ziektekosten.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte


XNoot
1

Kamerstukken II 2003–2004, 29 200 XV, nr. 73.

XNoot
1

Kamerstukken II 2002–2003, 28 870, nr. 3, blz. 2.

XNoot
1

Kamerstukken II 2003–2004, 29 200 XV, nr. 73.

XNoot
2

SOZA030906

XNoot
3

Kamerstukken II 2003–2004, 29 200 XV, nr. 53.

XNoot
4

Kamerstukken II 2003–2004, 29 200 XV, nr. 69.

XNoot
1

Onder de buitengewone uitgaven vallen tevens uitgaven wegens overlijden en uitgaven wegens adoptie. Echter binnen het bestek van dit wetsvoorstel kunnen ze verder onvermeld blijven.

XNoot
1

De bijzondere bijstand raakt wel aan het chronisch ziekenforfait. Dit forfait is namelijk gekoppeld aan de hoogte van feitelijke, aantoonbare kosten en die kosten mogen niet worden opgevoerd als daarvoor bijstand is verstrekt.

XNoot
1

Kamerstukken II 2003–2004, 28 607, nr. 39.

XNoot
2

Zie ook de brief van 16 september 2003 van de staatssecretaris van Financiën (28 607, nr. 65).

XNoot
3

Het gaat hierbij om de geraamde cijfers, voor de BU 2002 en voor de TBU 2004 (belastingjaar 2003).