﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29338-45/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2005-2006</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="wit.xns__3.5" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST93336</ordernr>
    <vergjaar>2005-2006</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 338</nummer>
      <naam>Wetenschapsbudget 2004</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>45</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>28 november 2005</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is mij een genoegen u het zesde rapport van het Nederlands Observatorium
van Wetenschap en Technologie (NOWT) «Wetenschaps- en Technologie Indicatoren
2005» te kunnen aanbieden<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref>. Het rapport
is net als de vorige rapporten opgesteld door het samenwerkingsverband van
het CWTS (Universiteit van Leiden) en MERIT (Universiteit van Maastricht).
Het rapport beschrijft de kwantitatieve ontwikkelingen op het terrein van
wetenschap en technologie in Nederland en zet deze af tegen internationale
ontwikkelingen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het rapport geeft een breed overzicht van de positie van de Nederlandse
kennisinfrastructuur, zoals de investeringen van overheid, bedrijven en andere
partijen, de uitvoering van onderzoek en ontwikkeling door universiteiten,
researchinstellingen en bedrijven, de wetenschappelijke productie in de vorm
van publicaties, de invloed en productiviteit van deze publicaties, de technologische
productie in de vorm van octrooien, de wetenschappelijke samenwerking binnen
en buiten Nederland en het gebruik van wetenschappelijke kennis.</al>
      <al>Het rapport is te zien als complementair aan de jaarlijkse CBS-publicatie «Kennis
en economie» doordat het NOWT-rapport zich primair richt op het functioneren
van het wetenschapssysteem en het CBS-rapport zich primair richt op het innovatiesysteem.
Daarnaast doet zich een raakvlak voor met de Science System Assessment (SciSa)
activiteiten van het Rathenau Instituut. Maar waar het NOWT zich vooral toelegt
op het verzamelen en presenteren van beschikbaar cijfermateriaal over de kennisinfrastructuur,
zullen de SciSa-activiteiten zich met name richten op het inzichtelijk maken
van de processen die in het wetenschapssysteem spelen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het NOWT-rapport zie ik als een bruikbaar instrument in het kader van
de discussies over het wetenschapsbeleid. De gegevens van het NOWT-rapport
zijn daarbij één van de bronnen van informatie, naast kwalitatieve
en evaluatieve gegevens, die specifieker ingaan op bepaalde beleidsonderwerpen.
Het rapport geeft vooral een breed beeld van de kennisinfrastructuur en is
in die zin een eerste aanknopingspunt om dieper op specifieke aspecten in
te gaan. Verschillende gegevens uit het NOWT-rapport zijn goed bruikbaar voor
de OCW-publicaties«Kerncijfers OCW» en «Bestel in beeld»
die jaarlijks in mei verschijnen en zijn daarin dan ook terug te vinden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Verschillende onderdelen van het NOWT-rapport hebben een directe relatie
met de hoofdlijnen van het Wetenschapsbeleid:</al>
      <al>– <nadruk type="cur">Output en kwaliteit:</nadruk> de wetenschappelijke
prestaties van de Nederlandse kennisinfrastructuur staan al jaren op een hoog
peil, en ook uit het voorliggende rapport blijkt dat Nederland internationaal
met de besten mee kan. Voortdurende aandacht en inspanningen blijven noodzakelijk
om dat hoge peil te behouden of op onderdelen zelfs te verhogen. Het wetenschapsbeleid
kent daarom een aantal instrumenten die tot doel hebben de kwaliteit van het
onderzoek te verhogen. Enerzijds enkele persoonsgerichte instrumenten zoals
de Vernieuwingsimpuls en Aspasia, anderzijds het smart mix instrument en de
specifieke investeringen in enkele prioritaire gebieden (ICT, genomics, nanotechnologie).</al>
      <al>– <nadruk type="cur">Investeringen in R&amp;D</nadruk>: uit het
NOWT-rapport blijkt dat Nederland wat betreft het investeringsniveau niet
voorop loopt in vergelijking met de landen waarmee Nederland wordt vergeleken.
Dat geldt vooral voor het private investeringsniveau. Over de investeringen
in kennis (zowel R&amp;D als onderwijs en scholing) hebben OCW en EZ in juli
van dit jaar een notitie uitgebracht en naar de Tweede Kamer gezonden. Ook
heeft het Kabinet sinds zijn aantreden al de nodige extra investeringen in
kennis en innovatie gedaan, waardoor voorzichtig kan worden geconcludeerd
dat de daling van het aandeel overheidsfinanciering in R&amp;D tot staan lijkt
te zijn gebracht en weer iets lijkt toe te nemen.</al>
      <al>– <nadruk type="cur">Wisselwerking en valorisatie:</nadruk> wetenschap
staat niet op zich, maar heeft ook een maatschappelijke functie. Het NOWT-rapport
geeft aardige voorbeelden van de netwerken die er bestaan rondom BSIK- en
STW-programma’s. Hoewel deze netwerkfiguren uiteraard maar een klein
deel van de werkelijkheid beschrijven, geven ze toch een inzicht in de vele
relaties die er bestaan tussen kennisinstellingen en maatschappelijke partijen.
In de kabinetsreactie op het AWT-advies over de economische betekenis van
universitair onderzoek van 7 november jl. («De waarde van weten»,
AWT, 2005) wordt aangegeven dat universiteiten een belangrijke verantwoordelijkheid
hebben om helder te maken op welke wijze universitaire kennis «waarde»
krijgt.</al>
      <al>– <nadruk type="cur">Kenniswerkers:</nadruk> menselijk kapitaal
speelt een cruciale rol binnen de kennisinfrastructuur, enerzijds om nieuwe
kennis te produceren, anderzijds om deze kennis te verspreiden en te laten
gebruiken. Het kabinetsbeleid is erop gericht om talenten de kans te laten
krijgen deze te gebruiken, o.a. via de eerder genoemde Vernieuwingsimpuls
en het Aspasia-programma.</al>
      <al>– <nadruk type="cur">Maatschappelijke inbedding en betrokkenheid:</nadruk> de kennisinfrastructuur opereert – naast een wetenschappelijke –
ook in een maatschappelijke context. Het is belangrijk dat de maatschappij
de inspanningen op wetenschappelijk gebied erkent en waardeert. Het is verheugend
dat Nederlanders zeer geïnteresseerd zijn in wetenschap en techniek,
positief zijn over het belang ervan en dat er voldoende draagvlak is voor
de overheidsfinanciering van wetenschappelijk onderzoek.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het NOWT-rapport bevat een schat aan informatie. De algemene conclusie
van het rapport is dat Nederland op sommige onderdelen (zeer) goed scoort
en op andere onderdelen minder goed, of zelfs zwak door achterblijvende ontwikkelingen
in de afgelopen jaren. Maar dat geldt ook voor de landen, waarmee Nederland
wordt vergeleken en waarvan geen enkele systematisch beter of
slechter presteert dan Nederland. Daarvoor is de werkelijkheid te complex.
Reden om ons voortdurend te blijven inzetten voor een versterking van de positie
van Nederland. Het kabinet heeft daarvoor op verschillende manieren een aanzet
gegeven door extra investeringen en door bijvoorbeeld af te spreken er naar
te streven toekomstige meevallers in het Fonds Economische Structuurversterking
voor ongeveer de helft te bestemmen voor onderwijs, kennis en innovatie. Toekomstige
NOWT-rapporten zullen moeten laten zien dat deze inspanningen ook tot resultaat
hebben geleid.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,</functie>
        <naam>M. J. A. van der Hoeven</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>