﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29325-2/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2004-2005</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.8.0__3.4" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST82969</ordernr>
    <vergjaar>2004-2005</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 325</nummer>
      <naam>Interdepartementaal beleidsonderzoek: Maatschappelijke opvang</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>2</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>17 december 2004</datum></al>
      <tuskop letat="vet">1. Inleiding</tuskop>
      <al>In het standpunt op het IBO-rapport <nadruk type="cur">De maatschappelijke
opvang verstopt</nadruk> heeft het kabinet toegezegd zich te bezinnen op de
vraag of in de keten van maatschappelijke opvang meer dwang toegepast zou
moeten worden.<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref> Het voorliggende Plan van aanpak
verloedering en overlast is het resultaat daarvan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De aanpak van verloedering en overlast is voor dit kabinet ook in het
kader van normen en waarden een belangrijk onderwerp. Binnen verschillende
beleidsdomeinen (criminaliteitspreventie, veiligheidsbeleid, gezondheidszorg)
is er een groep mensen in beeld die onevenredig veel aandacht vraagt van lokale
instanties (wonen, welzijn en politie) en overlast bij medeburgers veroorzaakt.
Die overlast vindt zijn oorzaak in psychische problemen, verslavingsproblemen
en dakloosheid. Desondanks mijden ze vaak de zorg. Maar het past onze samenleving
niet om deze mensen aan hun lot over te laten. Het kabinet wil ook deze mensen
in staat stellen zo volwaardig en zelfstandig mogelijk deel te nemen aan de
samenleving. Daarvoor doet het een beroep op de verantwoordelijkheid van deze
burgers én op de verantwoordelijkheid van instellingen om deze groep
burgers niet aan hun lot over te laten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet onderscheidt in zijn beleid drie groepen overlastgevenden:</al>
      <al>1. De veelplegers, die niet alleen overlast veroorzaken, maar ook veel
misdrijven plegen. Vaak is er een relatie met alcohol en/of drugsverslaving.
De Wet plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, die op 1 oktober
2004 in werking is getreden, biedt mogelijkheden hiertegen effectief op te
treden.</al>
      <al>2. Overlastgevende zorgmijders die overlast veroorzaken waarbij een (oorzakelijke)
relatie is met ernstige psychische en verslavingsproblemen en dakloosheid.</al>
      <al>3. Overlastgevenden van wie het gedrag als asociaal bestempeld wordt. Over de aanpak van deze groep heeft de minister van Justitie u onlangs
een brief gestuurd.<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref></al>
      <al>Het voorliggende plan van aanpak heeft betrekking op de overlastgevende
zorgmijders. Dat laat onverlet dat de aanpak van de overlast van de andere
twee groepen positieve effecten heeft op deze groep.</al>
      <al>Bij de voorbereiding van dit plan van aanpak heeft overleg met gemeenten,
zorginstellingen en justitiële instellingen plaatsgevonden. Daaruit is
gebleken dat dit plan ook tegemoet komt aan wensen van deze partijen voor
een effectievere aanpak van dit vraagstuk. Zij ervaren vooral de voorstellen
over het overhevelen van de OGGZ-middelen naar gemeenten en de voorstellen
waardoor de Wet Bopz beter gebruikt kan worden als een doorbraak. Het plan
speelt in op de vele initiatieven die voor deze groep al ondernomen worden.
Daarom bevat deze brief ook «good practices» waarvan ik hoop dat
daarvan een voorbeeldwerking uitgaat.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De in dit plan aangekondigde acties zullen in het stramien van het programma
«Naar een veiliger samenleving» uitgewerkt worden en dientengevolge
bijdragen aan de doelstelling van dat programma<voetref refid="v2.2" nr="2"></voetref>.
Over de voortgang van dit plan rapporteert het kabinet via de tussentijdse
rapportages. De eerstvolgende verschijnt in mei 2005.</al>
      <tuskop letat="vet">2. Probleemanalyse</tuskop>
      <tuskop letat="cur">2.1 Kwantitatieve en kwaltitatieve analyse van de doelgroep:
overlastgevende zorgmijders </tuskop>
      <al>
        <nadruk type="vet">Nederland</nadruk>
      </al>
      <al>15 200 dak- en thuislozen in 2001 (schatting in Zwerven in de 21e
eeuw, 2003); andere schattingen zijn beduidend hoger</al>
      <al>4839 rechterlijke machtigingen en 6861 inbewaringstellingen GGZ in 2002,
gemeld bij IGZ 8000 mensen met ernstige psychiatrische problemen die geen
contact hebben met de hulpverlening en waarbij sprake is van geregeld optredende
acute nood, bijvoorbeeld door verergering van ziekteverschijnselen, zoals
wanen en hallucinaties, al dan niet in combinatie met verslavingsproblemen
(Advies Gezondheidsraad, Zorg voor niet-opgenomen acute psychiatrische patiënten,
2004)</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">Amsterdam</nadruk>
      </al>
      <al>4000 dak- en thuislozen (schatting van gemeente gebaseerd op gemiddeld
2000 dak- en thuislozen per dag)</al>
      <al>4200 harddrugsverslaafden, waarvan 1500 problematisch</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">Den Haag</nadruk>
      </al>
      <al>788–1275 daklozen (Trimbos-rapport 2001)</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">Rotterdam</nadruk>
      </al>
      <al>4600 dak- en thuislozen</al>
      <al>3000 problematisch verslaafden</al>
      <al>700 personen die extreme overlast bezorgen, crimineel gedrag vertonen,
mogelijk verslaafd zijn en/of psychiatrische problemen hebben en vaak dak-
en thuisloos zijn (schatting)</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">Utrecht</nadruk>
      </al>
      <al>500 overlastgevende zorgmijders</al>
      <al>800–1000 daklozen (schatting in Zorg op straat 1)</al>
      <al>1500 verkommerden en verloederden</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De groep zorgmijders is moeilijk in kaart te brengen. Als individu zijn
ze bekend bij politie en hulpverlening. Maar specifieke cijfers over deze
doelgroep ontbreken. De betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van de cijfers
laat nog veel te wensen over. Bovenstaand kader bevat enkele landelijke cijfers
die vooral gebaseerd zijn op schattingen, aangevuld met cijfers van de G4. </al>
      <al>De doelgroep bestaat uit een vooral op straat zichtbare groep mensen die
niet de hulp (wil) krijgen die zij nodig heeft. Daardoor dreigt voor hen maatschappelijke
teloorgang. De belangrijkste oorzaken daarvoor zijn verslaving aan drugs of
alcohol, psychische en persoonlijkheidsstoornissen.</al>
      <al>De verloedering gaat in een aantal gevallen samen met overlastgevend gedrag.
De strafbare feiten die hiermee gepaard gaan, leveren hooguit korte vrijheidsstraffen
op. Ze zijn in veel gevallen te licht voor toepassing van de maatregel tot
plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (voor veelplegers).
Het strafrecht is niet het geschikte middel om overlast te bestrijden.</al>
      <tuskop letat="cur">2.2 Huidig instrumentarium: er kan meer, maar er zijn
leemten</tuskop>
      <al>De oorzaken waarom weinig overlastgevende zorgmijders de zorg en ondersteuning
krijgen die zij nodig hebben, zijn hun eigen gedrag, de ontoegankelijkheid
van het zorgaanbod, ontoereikend (gebruik van) het bestuurlijk-juridisch instrumentarium
op lokaal niveau en het onvoldoende toepassen van de wet Bopz.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zorgmijders onttrekken zich aan de hulpverlening, omdat zij bijvoorbeeld
weten dat zij vaak met hun drugsgebruik moeten stoppen als ze in een instelling
willen blijven. Maar het kan ook het gevolg zijn van slechte ervaringen, bijvoorbeeld
omdat ze ooit onder dwang zijn opgenomen. Ze hebben een wantrouwen gekregen
jegens mensen die hen willen helpen. </al>
      <al>Schakelstation Zuid-Kennemerland</al>
      <al>Het doel van de ketensamenwerking is de kwaliteit van leven van sociaal
kwetsbare mensen met zorgmijdend gedrag én hun omgeving te verbeteren.
Inzet op het verminderen van de overlast voor de samenleving en de cliënt
zelf is daarmee ook een samenwerkingsdoel.</al>
      <al>De ondertekening op 23 september jl. van een ketensamenwerkingsovereenkomst
gericht op kwetsbare mensen met zorgmijdend gedrag vormde de start van het
Schakelstation: een centraal meld- en coördinatie(regie)punt bij de GGD
waar kwetsbare mensen worden aangemeld, geregistreerd, aan een mentor gekoppeld
en blijvend worden gevolgd. De mentoren zijn afkomstig van elf ketenpartners.</al>
      <al>Deze missie realiseren de ketenpartners door meer dan voorheen op assertieve
wijze te blijven zoeken naar een passend aanbod: durven doen. Door daadwerkelijk
vorm te geven aan het integrale karakter van het aanbod: samen werken en door
alleen afspraken te maken die nagekomen kunnen worden en deze uitvoeren: doen
wat je zegt.</al>
      <al></al>
      <al>Bron: Kwetsbare mensen met zorgmijdend gedrag in Zuid-Kennemerland</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wanneer zorgmijders toch hulp zoeken zijn er voor hen hoge drempels. Want
de regels en methoden die instanties (moeten) hanteren sluiten nauwelijks
aan bij de dagelijkse realiteit van zorgmijders. Ze hebben geen adres, telefoon,
agenda, geld en officiële documenten. Ook hanteren instellingen op therapeutische
gronden contra-indicaties op grond waarvan een opname geweigerd kan worden.
Dan gaat het bijvoorbeeld om verslaving.</al>
      <al>Gelukkig ontwikkelen steeds meer zorginstellingen vormen van bemoeizorg.
Het gaat vaak om een combinatie van psychiatrische zorg, praktische hulp en
het bieden van onderdak, veiligheid en voedsel. Doel is contact leggen en
houden, patiënten praktisch begeleiden en zo mogelijk behandelen. Maar
de financiering vindt vaak plaats op projectbasis. Dat betekent dat instellingen
het aanbod wel opstarten, maar dit stopzetten als de geldstroom wegvalt. Ook
ondervinden instellingen problemen om voor bemoeizorg kenmerkende
activiteiten als cliëntfinding, veelvuldige contacten met het netwerk
en «no show-contacten» gedeclareerd te krijgen.</al>
      <al>De samenwerking tussen instellingen is te vrijblijvend. Dit wordt onder
meer veroorzaakt door versnippering van de hulpverlening en financieringsstromen,
(vermeende) belemmeringen in privacy-wetgeving, verschillen in definities
en informatieregimes, capaciteitsproblemen (sancties/zorg), niet-sluitende
overdracht en gebrek aan ketenmanagement en -regie.<voetref refid="v4.1" nr="1"></voetref>
Wel is de vraag gewettigd of instellingen zich niet achter deze argumenten
verschuilen. Bovenstaand voorbeeld laat zien dat er veel kan. Er zijn meer
van deze voorbeelden, maar de basis van die samenwerking is wel vrijwillig.
Vooral gemeenten willen daarom meer zeggenschap over het aanbod van de GGZ
en de verslavingszorg. Zij denken dan beter in staat te zijn regie te voeren
over de ketenpartners rondom deze doelgroep. De indruk bestaat wel dat gemeenten
meer dan nu hun eigen aanbod op het terrein van huisvesting, dagbesteding,
schuldhulpverlening en arbeidsreïntegratie kunnen benutten voor een meer
assertieve aanpak van deze groep. Onderstaand voorbeeld van de gezamenlijke
aanpak in Amsterdam Zuidoost illustreert dat. </al>
      <al>Geïntegreerde Voorziening Drugshulpverlening Amsterdam Zuidoost</al>
      <al>Het totaal aantal drugsverslaafden in Zuidoost wordt, op kwartaalbasis,
geschat op 900 personen. Het gaat voor ca. 80% om mannen van Surinaams/Nederlands
Antilliaanse origine, ouder dan 40 jaar. De verslavingsduur is meer dan twintig
jaar. Het aantal drugsverslaafden dat geen gebruik maakt van hulpverlening
en uitkeringsrechten is aanzienlijk. Om hierin verandering aan te brengen
heeft Amsterdam een geïntegreerde voorziening tot stand gebracht waarin
de ketenpartners uit de domeinen zorg, werk, inkomen, politie en justitie
samenwerken. Zij leveren de cliënten aan voor deze voorziening. Ook de
Sociale Dienst maakt deel uit van deze voorziening. De Sociale dienst beheert
voor ca. 300 cliënten de uitkering en/of verstrekt bijstand in natura
in de vorm van het regelen van slaapplaatsen. Door de geïntegreerde aanpak
door verschillende organisties worden drugsverslaafde cliënten beter
bereikt. Op deze wijze is het naar verwachting mogelijk cliënten daadwerkelijk
gebruik te laten maken van aangewezen hulp c.q. onderdak. De bedoeling is
dat het aantal cliënten van de Sociale Dienst dat gebruikt maakt van
de Geïntegreerde Voorziening stijgt tot 500 cliënten op jaarbasis.</al>
      <al></al>
      <al>Bron GGGD Amsterdam</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare
orde biedt gemeenten ook mogelijkheden om meer assertief op te treden naar
overlastgevende zorgmijders. Zij kunnen regels stellen en op overtreding daarvan
straf stellen. Een voorbeeld is de strafbaarstelling van bedelarij. Rotterdam
is voor zover bekend de enige gemeente die van deze mogelijkheid gebruik maakt.
De model-APV van de VNG bevat geen modelbepaling over deze onderwerpen. Bij
gemeenten lijkt hier geen behoefte aan te bestaan. Wanneer het niet gelukt
is dat al of niet onder drang zorgmijders vrijwillig hulp accepteren, resteert
de optie van dwangopname en -behandeling. De mogelijkheden daarvoor zijn beperkt,
maar worden niet volledig benut. Dat laatste heeft vooral te maken met verschillende
interpretaties van begrippen uit de Wet Bopz. Deze wet ziet toe op gedwongen
opnemingen van onder andere psychiatrische patiënten in psychiatrische
instellingen als er sprake is van een gevaarssituatie voor de persoon zelf
of voor diens omgeving die wordt veroorzaakt door een geestesstoornis. De
praktijk leert dat vooral bij de hulpverlening onduidelijkheid bestaat of
ernstige verslaving een geestesstoornis is in de zin van de Wet Bopz. Ook
de toepassing van het gevaarscriterium laat verscheidenheid zien. Er zijn
voorbeelden waarin rechters het gevaarscriterium heel nauw hanteren. Ook psychiaters
doen dat en zien dan af van een gang naar de rechter. Anderzijds komen rechters
en psychiaters in hun uitleg van het gevaarscriterium dicht bij
het bestwil-criterium. Sommige psychiaters zijn aarzelend over een dwangopneming
als zij twijfelen aan de mogelijkheid van behandeling. Andere psychiaters
vinden dat de drempel voor dwangbehandeling te hoog is: «als er makkelijker
onder dwang kan worden behandeld, kun je mensen snel van straat halen en hoef
je ze ook niet zo lang hun vrijheid te benemen». Deze psychiaters vinden
dat zij nu met de handen op de rug moeten toekijken omdat ze niet onder dwang
mogen behandelen.</al>
      <tuskop letat="vet">3. Uitgangspunten</tuskop>
      <al>Een verbetering van de zorg aan mensen aan de rand van de samenleving
komt de kwaliteit van hun leven ten goede. Daardoor zal bovendien de overlast
die deze mensen veroorzaken verminderen. Het perspectief om beleid te ontwikkelen
voor deze groep kan niet òf overlast òf zorg zijn. Het gaat
om een tweevoudig perspectief: door het bieden van adequate zorg en een verbetering
van de kwaliteit van leven vermindert de overlast.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Overlastgevende zorgmijders moeten de hulp krijgen die zij nodig hebben
om een verdere teloorgang en de overlast die daarmee gepaard gaat te voorkomen.
Dat begint bij de directe omgeving die de teloorgang moet signaleren bij gemeentelijke
of zorginstellingen. Bij gemeenten ligt ook de beleidsverantwoordelijkheid
om te voorkomen dat mensen tot deze doelgroep gaan behoren.</al>
      <al>Vervolgens vraagt dat een persoonsgerichte aanpak omdat het algemene beleid
onvoldoende effectief is voor deze doelgroep. Zonodig wordt deze hulp afgedwongen,
hetzij bij de cliënt, hetzij bij de betrokken instellingen. Gemeenten
regisseren een optimale keten van zorg- en dienstverlening voor deze groep.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om deze situatie te bereiken moeten drie dingen verbeteren.</al>
      <al>In de eerste plaats moet deze groep meer dan nu op de huid gezeten worden
om hulp te accepteren. Intensieve drang moet worden uitgeoefend om iemand
hulp te laten accepteren.</al>
      <al>Ten tweede moet als dat niet lukt, het in specifieke situaties gemakkelijker
worden om mensen onder dwang te helpen. Het recht op zorg (de noodzaak van
zorg) en het belang van de samenleving kunnen zwaarder wegen dan het recht
op zelfbeschikking van mensen als zij door hun verslaving of stoornis maatschappelijk
teloor dreigen te gaan. Dat rechtvaardigt (onorthodoxe) maatregelen met meer
accent op drang en – als het niet anders kan – op dwang. Dwang
blijft een ultimum remedium. Dat hoeft niet beperkt te blijven tot dwangopname.
Als dat nodig is, moet er onder dwang behandeld kunnen worden, mits duidelijk
is waarvoor en onder waarborgen.</al>
      <al>In de derde plaats is het nodig dat de samenwerking tussen instellingen
minder vrijblijvend wordt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op basis van een cliëntvolgsysteem zijn instellingen altijd op de
hoogte van het hulpverleningstraject. Als de situatie daarom vraagt, bijvoorbeeld
in een crisissituatie moet de medewerking van een instelling door een gemeente
afgedwongen kunnen worden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het voorliggende plan is erop gericht om de hiervoor geschetste verbeteringen
te realiseren. Dat wil zeggen dat overlastgevende zorgmijders eerder en beter
dan nu geholpen worden. Met dit programma wil het kabinet bereiken dat in
2007 daarvoor de voorwaarden aanwezig zijn.</al>
      <al>Zoals gezegd, overlast, criminaliteit door verslaafden en dealers zullen
als gevolg van opvang en verbetering van leefomstandigheden afnemen. Ze zullen
niet volledig verdwijnen. Het gaat het om het beheersbaar maken van dit vraagstuk. </al>
      <tuskop letat="vet">4. Doelstellingen en maatregelen</tuskop>
      <al>Het kabinet heeft voor 2007 de volgende doelstellingen geformuleerd:</al>
      <al>• De mogelijkheden voor drang op cliënten om hulp te accepteren
zijn vergroot.</al>
      <al>• De ketensamenwerking tussen instellingen is minder vrijblijvend
gemaakt.</al>
      <al>• Het gebruik van de Wet Bopz voor deze doelgroep is verbeterd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op dit moment vindt al het nodige plaats om deze drie doelstellingen te
realiseren. In aanvulling daarop zijn maatregelen nodig om te zorgen dat die
doelen daadwerkelijk gerealiseerd worden. Het gaat dan vooral om maatregelen
die tegemoet komen aan wat iemand nodig heeft om weer enigszins gewoon in
onze samenleving mee te doen.</al>
      <tuskop letat="cur">4.1 Verruimen van drang op cliënten om ondersteuning
en hulp te accepteren</tuskop>
      <al>Het kabinet wil dat er meer zorgmijders hulp gaan aanvaarden dan nu het
geval is. Daarvoor is nodig dat de zorg assertiever wordt aangeboden en dat
het aanbod beter aansluit op de behoefte van de doelgroep.</al>
      <tuskop letat="cur">Ontwikkelen van een verbeterd assertief zorgaanbod </tuskop>
      <al>Bemoeizorg: GGZ voor veiligheid</al>
      <al>De GGZ wil mensen met ernstige psychische stoornissen die de zorg mijden,
in zorg krijgen en houden. Bij deze ambitie hebben vele partijen belang, vooral
op lokaal niveau. Denk bijvoorbeeld aan gemeenten en politie. Daarom moeten
GGZ-instellingen concrete en wederzijds verplichtende afspraken maken met
lokale partijen. De GGZ draagt op deze manier bij aan een veiliger samenleving
voor iedereen: patiënt en burger. Daarnaast zorgt de GGZ voor voldoende
beveiligde bedden voor specifieke doelgroepen. Zo komen er beveiligde bedden
voor patiënten met een psychische stoornis en gedragsproblemen, voor
patiënten die een delict gepleegd hebben en voor ernstig verslaafde patiënten
die heroïne krijgen.</al>
      <al>Uit Visiedocument GGZ Nederland, november 2004</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er is een meer assertieve benadering nodig om meer zorgmijders hulp te
laten aanvaarden. Het kabinet juicht daarom toe dat in de steden steeds meer
bemoeizorg plaatsvindt. De ambitie van de GGZ-sector om in 2009 alle zorgmijders
in beeld hebben en de helft daarvan in behandeling zal ongetwijfeld daarop
een positief effect hebben. Het kabinet onderschrijft deze ambitie, maar wil
ook met de sector afspraken maken wat hiervan al in 2007 gerealiseerd is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een goed voorbeeld overigens van het assertief aanbieden van zorg is de
toepassing van Assertive Community Treatment (ACT). Verschillende ggz-instellingen
in Nederland passen deze methodiek met succes toe.</al>
      <al>Een andere mogelijkheid om drang uit te oefenen biedt de dit jaar in werking
getreden Wet werk en bijstand (Wwb). Deze wet biedt gemeenten instrumenten
om de bijstandsverlening in te zetten om bijvoorbeeld zorgmijders te verleiden
om hulp te accepteren. Ik verwijs hierbij naar het eerder beschreven experiment
in Amsterdam-Zuidoost.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een specifieke groep waarop steden drang willen uitoefenen zijn verslaafden
die uit de eigen stad afkomstig zijn. Om hun overlast te verminderen ontwikkelt
een aantal steden (Utrecht, Heerlen, Rotterdam) een beleid om ze terug te
leiden naar hun oorspronkelijke zorg- en sociale netwerk. Dit beleid is mede
ingegeven door de aanpak in Zwitserland van de overlast van harddrugsverslaafden.
Strikt genomen is dit beleid op dit moment in strijd met de landelijke
toegankelijkheid van voorzieningen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid.
Het kabinet is bereid om de eis van landelijke toegankelijkheid te beperken
tot de crisisopvang (inclusief de vrouwenopvang). Deze beperking draagt bij
aan het verminderen van de druk op de grote steden. Genoemde voorzieningen
vallen vanaf 2006 onder de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO).
In het wetsvoorstel dat het kabinet volgend voorjaar naar de Kamer zal sturen
zal deze beperking worden opgenomen.</al>
      <tuskop letat="cur">Ontwikkelen van een aanbod dat beter aansluit op behoefte
doelgroep</tuskop>
      <al>Niet alleen de benadering van de zorgmijders behoeft verbetering, ook
het aanbod zelf moet meer aansluiten op de behoeften van deze groep. Want
onder deze groep van zorgmijders bevinden zich vooral in de vier grote steden
mensen die niet meer vatbaar lijken voor behandeling. Het gaat dan vooral
om chronisch verslaafden voor wie, ook al zijn ze opgenomen – al dan
niet onder dwang – , weinig mogelijkheden voor behandeling zijn. Zij
zullen niet afkicken. Deze groep heeft behoefte aan voorzieningen, mogelijk
zelfs buiten de stad, waar zij zonder verplichting tot behandeling kunnen
verblijven. Het moet daar ook mogelijk zijn om onder voorwaarden te gebruiken.
Zij krijgen daar onderdak en een zinvolle dagbesteding. Het kabinet wil met
steden nader bezien onder welke voorwaarden een dergelijke voorziening tot
stand kan komen. Het uitgangspunt is een vrijwillig verblijf. Mogelijk kan
hier een verbinding gelegd worden met de brede pilot die de minister van Justitie
van plan is met het «Doe normaal contract». Een dergelijk contract
kan eraan bijdragen dat het verblijf in een dergelijke voorziening niet vrijblijvend
is.</al>
      <al>Een andere mogelijkheid om het aanbod beter te laten aansluiten bij de
behoefte van de doelgroep biedt de verruiming van de heroïnebehandeling.
De Tweede Kamer heeft ingestemd met de uitbreiding van de heroïnebehandeling
van 300 naar maximaal 1000 plaatsen, verdeeld over 15 behandeleenheden verspreid
over Nederland. Nu zijn er zes eenheden. De behandeling blijft bestemd voor
ernstig zieke, chronisch heroïneverslaafden die geen baat hadden bij
methadonbehandeling alleen. BZK heeft € 1 mln. per jaar (voor een
periode van 3 jaar) beschikbaar gesteld voor de nieuwe behandeleenheden.</al>
      <tuskop letat="cur">4.2 De ketensamenwerking tussen instellingen wordt minder
vrijblijvend</tuskop>
      <al>De problemen van overlastgevende zorgmijders liggen op verschillende terreinen.
Voor een effectieve aanpak is een goede samenwerking tussen ketenpartners
vereist. Dat vraagt om sterke regiefunctie van de gemeente. Ook kan de samenwerking
verbeterd worden als de gegevensuitwisseling goed verloopt.</al>
      <tuskop letat="cur">Vergroten van gemeentelijke zeggenschap over aanbod ggz-instellingen</tuskop>
      <al>De gemeentelijke regierol kan versterkt worden als gemeenten meer zeggenschap
krijgen over de GGZ. In de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv)
is vastgelegd dat de gemeenteraad zorg moet dragen voor het bevorderen van
openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ). Daaronder wordt o.a. verstaan
het bereiken en begeleiden van kwetsbare personen en risicogroepen, het functioneren
als meldpunt voor signalen van crisis of dreiging van crisis bij kwetsbare
groepen en risicogroepen en het tot stand brengen van afspraken tussen betrokken
organisaties over de uitvoering van de OGGZ. In veel gemeenten bestaan op
vrijwillige basis OGGZ-convenanten, zoals het hiervoor beschreven Schakelstation.
Maar gemeenten missen de zeggenschap om aanbod van GGZ-instellingen in te
kopen. Het kabinet wil de gemeenten die invloed geven. Daarom heeft het kabinet
besloten de middelen voor de OGGZ over te hevelen van de AWBZ
naar gemeenten. Overheveling sluit ook aan bij het voornemen de OGGZ-subsidieregeling
onder te brengen in de WMO.<voetref refid="v8.1" nr="1"></voetref> Bij de uitwerking
hecht het kabinet er zeer aan dat de over te hevelen middelen ingezet worden
voor deze doelgroep zodat de overheveling bijdraagt aan het doel dat meer
zorgmijders hulp accepteren. Het kabinet wil dat gemeenten hun verantwoordelijkheid
nemen en prestatieafspraken maken met de aanbieders van zorg, bijvoorbeeld
over het aantal overlastgevende zorgmijders dat hulp aanvaardt en van wie
de overlast vermindert.</al>
      <al>In dit verband wil ik in twee gemeenten in het kader van de WMO proeftuinen
starten die gericht zijn op een betere ketenzorg voor overlastgevende zorgmijders,
waarbij de geselecteerde gemeenten zich toeleggen op een gekwantificeerde
ambitie.</al>
      <al>Het kabinet wil voor 1 april 2005 de Kamer informeren over de precieze
uitwerking van deze overheveling. Gemeenten zullen betrokken worden bij de
uitwerking.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De voorgestelde overheveling versterkt de regiefunctie van gemeenten.
Daarnaast wordt bezien of het «Doe normaal-contract» voor deze
doelgroep mogelijkheden biedt. Bij de voorbereiding van dit plan is ook gekeken
naar andere opties om het bestuurlijk instrumentarium te vergroten. Voor een
model-APV overlast lijkt geen draagvlak te bestaan. Hierover blijft het kabinet
in overleg met gemeenten.</al>
      <tuskop letat="cur">Nazorg na detentie</tuskop>
      <al>De hiervoor genoemde overheveling van GGZ-middelen naar gemeenten stelt
gemeenten ook beter in staat om de nazorg na detentie te regisseren. Voor
de overige maatregelen die getroffen zijn om de aansluiting van detentie en
opvang en verdere nazorg te verbeteren verwijs ik naar de onlangs uitgebrachte
voortgangrapportage over de uitvoering van het kabinetsstandpunt op het IBO-rapport <nadruk type="cur">De maatschappelijke opvang verstopt</nadruk> en de brief van de
minister van Justitie over nazorg voor ex-gedetineerden.<voetref refid="v8.2" nr="2"></voetref></al>
      <tuskop letat="cur">Voorwaarden scheppen waardoor privacy geen excuus meer
kan zijn</tuskop>
      <al>Gegevensuitwisseling is nodig voor een goede ketensamenwerking. VWS ondersteunt
de totstandkoming en de implementatie van een checklist «Omgaan met
persoonsgegevens in het kader van bemoeizorg». De checklist beschrijft
de doelgroep en het doel van de gegevensuitwisseling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze checklist is het resultaat van een gezamenlijke actie van GGZ Nederland,
GGD Nederland en de KNMG. De checklist wordt over enkele maanden in een invitational
conference gepresenteerd. Daarna kan de checklist in het gehele land gebruikt
worden. VWS zal de een ruime verspreiding ervan mogelijk maken.</al>
      <al>Daarnaast kunnen samenwerkingsverbanden een beroep doen op (producten
van) de Helpdesk privacy van Justitie. De afgelopen jaren heeft deze Helpdesk
al een Handreiking uitgebracht voor gemeenten over privacyaspecten bij criminaliteitspreventie
en een Modelconvenant over de gegegevensuitwisseling tussen partijen betrokken
bij het criminaliteitspreventiebeleid in gemeenten.</al>
      <al>VWS zal tenslotte de IGZ vragen advies uit brengen over de vraag of het
privacyvraagstuk op het onderhavige terrein hiermee van voldoende instrumenten
is voorzien of dat nog aanvullende maatregelen nodig zijn. </al>
      <tuskop letat="cur">4.3 Het gebruik van de Wet Bopz verbeteren</tuskop>
      <al>In het kabinetsstandpunt Wet Bopz heeft het kabinet geconcludeerd dat
de praktijk nog onvoldoende gebruik maakt van de mogelijkheden van dezewet voor deze doelgroep.<voetref refid="v9.1" nr="1"></voetref> Richtlijnen met
betrekking tot centrale begrippen in de Wet Bopz moeten ertoe leiden dat in
de praktijk beter gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die de wet nu
al biedt. Daarom heeft de minister van VWS de Nederlandse Vereniging voor
psychiatrie (NVvP) opdracht gegeven om, in samenwerking met de departementen
van Justitie en VWS, de rechterlijke macht, het Openbaar Ministerie en gemeenten,
aan te geven in welke gevallen en situaties de Wet Bopz voorziet in de mogelijkheid
tot dwangopname, van onder meer ernstig verslaafden. Deze richtlijn is in
het voorjaar van 2005 beschikbaar.</al>
      <al>In hetzelfde standpunt heeft het kabinet ook aangekondigd de wet aan te
passen om de mogelijkheden tot dwangbehandeling binnen de instelling te verruimen.
Het kabinet is voornemens binnen enkele maanden de contouren van de daartoe
noodzakelijke wetswijziging te formuleren en deze ter consultatie voor te
leggen aan de instellingen die daarvoor als gebruikelijk in aanmerking komen.</al>
      <al>In aanvulling op deze maatregelen wil het kabinet de meerwaarde onderzoeken
van een nazorg onder toezicht-register, zoals dat door Rotterdam en andere
steden bepleit wordt. Hiermee willen zij voorkomen dat iemand na het ontslag
uit het psychiatrische ziekenhuis aan zijn lot wordt overgelaten. Er zouden
voorwaarden aan het ontslag gesteld worden. Ontslag is alleen mogelijk als
er nazorg geregeld is; de patiënt moet zich houden aan afspraken, anders
volgt een nieuwe dwangopname; nazorginstellingen moeten zich ook houden aan
de afspraken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mede namens de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,</al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,</functie>
        <naam>C. I. J. M. Ross-van Dorp </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II, 2003–2004, 29 325, nr. 1.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II, 2004–2005, 28 684, nr. 39.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v2.2" nr="2">
    <al>In de periode 2008–2010 moet het Veiligheidsprogramma leiden tot
een reductie van criminaliteit en overlast in de publieke ruimte met 20 tot
25%. Die reductie moet in 2006 in de probleemwijken in de grote steden reeds
in 2006 (meting 2007) waarneembaar zijn.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.1" nr="1">
    <al>Opsomming ontleend aan rapport Boer&amp; Croon over Veelplegers.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v8.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II, 2003–2004, 29 538, nr. 1.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v8.2" nr="2">
    <al>Kamerstukken II, 2004–2005, 27 834, nr. 36.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v9.1" nr="1">
    <al>Kamerstukken II, 2003–2004, 25 673 en 28 950, nr. 4.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>