﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29314-8/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2003-2004</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.8.0__3.4" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST78633</ordernr>
    <vergjaar>2003-2004</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 314</nummer>
      <naam>Beleidsbrief Cultuur 2004–2007</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>8</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
EN VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>19 juli 2004</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar aanleiding van de kamervragen van het lid Dittrich (D66) hebben wij
toegezegd te onderzoeken of de door ons gesignaleerde bezwaren tegen bekrachtiging
van het UNIDROIT-verdrag inzake de internationale terugkeer van gestolen of
onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen (Trb. 1996, nr. 227 en 1997,
nr. 46) overkomelijk zijn (Aanhangsel Handelingen II, 2001/02, nr. 1589
en Aanhangsel Handelingen II, 2002/03, nr. 589; tevens de brieven van eerste
resp. tweede ondergetekende aan de voorzitter van uw kamer, Kamerstuk II,
2003/2004, 29 314, nr. 1 en niet-dossierstuk, just. 031 204). Het
toegezegde onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat ondanks onze sympathie
voor de strekking van het verdrag – wereldwijde bescherming van cultureel
erfgoed – van bekrachtiging van het verdrag moet worden afgezien. De
redenen hiervoor worden hieronder uiteengezet.</al>
      <al>In dit verband is tevens onderzocht in hoeverre op andere wijze aan de
behoefte aan bescherming van cultureel erfgoed kan worden tegemoetgekomen.
In dit onderzoek is mede het UNESCO-verdrag van 1970 inzake de middelen om
de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen
te verbieden en te verhinderen (Trb. 1972, nr. 50 en 1983, nr. 66) betrokken.
Wij streven thans naar ratificatie van dit verdrag, waarvoor een uitgewerkte
implementatiewet nodig is, nu dit verdrag, anders dan het UNIDROIT-verdrag
niet rechtstreeks werkt. Aan het slot van deze brief zijn enkele hoofdlijnen
opgenomen, die aangeven hoe deze implementatie vorm kan krijgen. In die implementatie
zal tevens het belang tot uiting komen, dat Nederland hecht aan bestrijding
van de illegale handel in cultuurgoederen.</al>
      <tuskop letat="vet">1. UNIDROIT-verdrag inzake de internationale terugkeer
van gestolen of onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen</tuskop>
      <al>Illegale handel in cultuurgoederen is zeker geen nieuw verschijnsel en
beperkt zich geenszins tot bepaalde delen van de wereld. Voor veel landen
is de bescherming van hun cultureel erfgoed, zowel roerend als onroerend,
een essentieel onderdeel van hun cultuurbeleid. De eerste internationale initiatieven
om de illegale handel in cultuurgoederen tegen te gaan dateren van een kleine
50 jaar geleden. Dit bleek nodig omdat de illegale handel zich van landsgrenzen
niets aantrekt en het over die grenzen heen moeilijk bleek voor zowel particulieren
als landen om hun beschermde cultuurgoederen terug te krijgen. Daaraan lagen
mede juridische problemen ten grondslag. De uiteenlopende wijzen waarop rechtssystemen
een bezitter te goeder trouw al dan niet beschermen is daar een voorbeeld
van. Ook het niet toepassen door de rechter van buitenlandse publiekrechtelijke
regels ter bescherming van cultuurgoederen, zoals exportverboden, vormden
een probleem. Op die grond is het wenselijk gebleken te komen tot internationale
afspraken, mede op het juridische vlak. Het UNESCO-verdrag van 1970 is op
deze gedachte gegrond. Het UNIDROIT-verdrag is bedoeld als grotendeels privaatrechtelijk
complement van het UNESCO-verdrag.</al>
      <al>Het UNIDROIT-verdrag richt zich in wezen tegen twee soorten van misstanden.
In de eerste plaats is dat het verdwijnen van cultuurgoederen door diefstal.
In de tweede plaats is dat het verdwijnen van cultuurgoederen uit het land
van herkomst door uitvoer in strijd met in dat land geldende verboden voor
de uitvoer van cultuurgoederen. Voor beide categorieën van gevallen is
een belangrijk voorbeeld het op grote schaal verdwijnen van cultuurgoederen
uit vrijwel alle landen die rijk zijn aan cultuurgoederen. Het voorkomen van
diefstal en van illegale uitvoer is een taak waartegen landen in veel gevallen
niet opgewassen zijn. Probleem is dat cultuurgoederen in Europa en de VS en
in toenemende mate in Latijns-Amerika en Azië, grote bedragen opbrengen
en dat er een toenemende vraag is naar deze goederen. Handel in gestolen of
illegaal uitgevoerde cultuurgoederen is daarom moeilijk te bestrijden.</al>
      <al>Dat maakt begrijpelijk dat het verdrag zowel voor gestolen cultuurgoederen
als voor onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen naar drastische middelen
grijpt om terugkeer van het cultuurgoed naar het land van herkomst te waarborgen.
De bescherming van cultureel erfgoed in het verdrag wordt immers hierin gezocht
dat enerzijds de grenzen van het begrip cultuurgoederen zeer ruim worden getrokken
en anderzijds de positie van degene die te goeder trouw een dergelijk goed
verkrijgt, sterk wordt verzwakt. Dat heeft tot gevolg dat de regeling van
het verdrag een zware last legt op de reguliere handel in kunst, antiek, oude
boeken, munten, postzegels, prenten, etnografica en raakt daarbij zowel professionele
handelaren als particuliere kopers. Het verdrag bestempelt immers al dergelijke
zaken tot cultuurgoederen. De lastenverzwaring die in verband met de noodzaak
gegevens te bewaren mede van administratieve aard is, is moeilijk te verenigen
met de politiek van het kabinet die juist op lastenverlichting voor het bedrijfsleven
is gericht.</al>
      <al>Daar komt bij dat met een substantiële werklastvermeerdering voor
de rechterlijke macht rekening moet worden gehouden, juist omdat het verdrag
de voormelde wijde strekking heeft die het hele voormelde segment van het
bedrijfsleven raakt.</al>
      <al>Dit alles moet in verband worden gebracht met het vooralsnog geringe aantal
landen, dat tot ratificatie van het verdrag is overgegaan. Dit gebrek aan
internationale acceptatie heeft tot gevolg dat de met het verdrag beoogde
effectiviteit beperkt moet worden geacht.</al>
      <al>Hieronder wordt een en ander uitgewerkt aan de hand van de bepalingen
van de Hoofdstukken I, II en III van het verdrag. De bezwaren die uit deze
bepalingen voortvloeien, moeten in onderling verband worden gezien.</al>
      <tuskop letat="vet">2. Hoofdstuk I van het UNIDROIT-verdrag</tuskop>
      <al>Het eerste bezwaar zit in de omschrijving van cultuurgoederen in artikel
2 van het UNIDROIT-verdrag. Deze omschrijving is zeer ruim en geeft naar zijn
aard nauwelijks houvast. Als reden hiervoor noemt het toelichtende rapport
bij het UNIDROIT-verdrag<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref> (p. 496, artikel 2,
eerste alinea) dat de definitie rekening diende te houden met de culturele
context én de bijzondere noden van elk van de landen. Dit verklaart
dat inderdaad bewust voor een zeer ruime en in verband met deze doelstelling
ook vage omschrijving is gekozen.</al>
      <al>Artikel 2 spreekt van «voorwerpen die om godsdienstige of wereldlijke
redenen van belang zijn voor de archeologie, de prehistorie, de geschiedenis,
de letterkunde, de kunst of de wetenschap en die behoren tot een van de in
de bijlage bij dit Verdrag genoemde categorieën». Weliswaar is
de bijlage bedoeld als een verduidelijking, maar ook de omschrijving van deze
categorieën biedt weinig houvast. Aangetekend moet daarbij worden dat
de omschrijvingen in de lijn liggen en dan ook grotendeels zijn ontleend aan
het UNESCO-verdrag van 1970. Dit laatste verdrag is blijkens het eerste artikel
daarvan evenwel beperkt tot cultuurgoederen die «om godsdienstige of
wereldlijke redenen als zodanig door de staat zijn aangewezen als belangrijk
voor de oudheidkunde, de prehistorie, de geschiedenis, de letterkunde, de
kunst of de wetenschap». Uiteraard zal deze aanwijzing op redelijke
gronden moeten berusten. Een dergelijke bepaling ontbreekt in het UNIDROIT-verdrag,
wat vooral belangrijk is voor de reikwijdte van Hoofdstuk II. In Hoofdstuk
III wordt immers uitgegaan van de situatie dat het gaat om cultuurgoederen
die zijn uitgevoerd in strijd met de exportbepalingen van de verzoekende staat,
hetgeen in de regel een aanwijzing als cultuurgoed zal impliceren. Maar ook
dan blijft de omschrijving van het UNIDROIT-verdrag nog ruimer dan die van
het UNESCO-verdrag. Artikel 5 lid 3 van het UNIDROIT-verdrag zegt wel dat
de terugkeer van een cultuurgoed kan worden gelast, wanneer de verzoekende
staat aantoont dat het betrokken voorwerp van «uitzonderlijk cultureel
belang is voor de verzoekende staat», maar staat daarnaast ook terugvordering
toe als het buiten het grondgebied van de verzoekende staat brengen van het
voorwerp bepaalde, in het artikel opgesomde andere belangen schaadt. Ook in
dat kader is de vaagheid van de algemene omschrijving van cultuurgoederen
een bezwaar.</al>
      <tuskop letat="vet">3. Hoofdstuk II van het UNIDROIT-verdrag</tuskop>
      <al>Voor een hele ruime en moeilijk af te grenzen groep van cultuurgoederen
komt voor het geval van diefstal derhalve het bijzondere regime van Hoofdstuk
II van het UNIDROIT-verdrag te gelden. Dat betekent in wezen voor de hele
tak van handel die zich toelegt op kunst, antiek, postzegels, prenten, ethnografica
etc. Het toelichtende rapport bij het UNIDROIT-verdrag (p. 498, artikel 2,
zesde alinea) zegt hierover dat het verdrag niet is beperkt tot cultuurgoederen
van «outstanding» of «exceptional» belang, omdat deze
beperking «would exclude from the scope of application of the Convention
less important cultural objects which however fit the criteria laid down by
the Convention and which should be covered on account of the ever greater
number of thefts of such objects.» Ook uit deze passage, die erop neerkomt,
dat ook minder belangrijke cultuurgoederen tegen diefstal moeten worden beschermd,
blijkt de zeer ruime strekking van het UNIDROIT-verdrag. Te bedenken valt
daarbij dat niet de eis wordt gesteld dat het moet gaan om het culturele erfgoed van
de staat waar de diefstal heeft plaats gevonden, noch dat die staat het wenselijk
heeft gevonden dit cultuurgoed te beschermen.</al>
      <al>Artikel 3, eerste lid, van het UNIDROIT-verdrag noopt tot teruggave ongeacht
goede trouw van de verkrijger en ongeacht de vraag of de diefstal mede aan
schuld van de eigenaar is te wijten. Dat kan acceptabel zijn als het om een
belangrijk cultuurgoed gaat, waarbij voor de staat om welker cultuur het gaat,
een zo duidelijk belang betrokken is, dat die staat zich dit belang aantrekt
en het voorwerp terugvordert. Dergelijke eisen ontbreken hier echter.</al>
      <al>Een volgend punt dat hier aandacht verdient, is het oprekken in artikel
3, derde lid, van de verjaringstermijn tot drie jaar vanaf het
tijdstip waarop de eiser de plaats waar het cultuurgoed zich bevindt en de
identiteit van de bezitter ervan kende, en in elk geval vijftig jaar vanaf
het tijdstip van de diefstal. Ook dit legt, al of niet in combinatie met de
mogelijkheid van artikel 4, eerste lid, van het UNIDROIT-verdrag om als verkrijger
toch nog een zekere financiële bescherming te krijgen, een zware last
op het normale handelsverkeer. Men moet namelijk steeds rekening houden met
de mogelijkheid dat verborgen claims komen opduiken van partijen die beweren
bestolen te zijn, dan wel hun erfgenamen of rechtsopvolgers. Daardoor kan
de koper na zeer lange tijd nog in een positie komen, dat hij alsnog heeft
te bewijzen dat hij niet wist dat de zaak gestolen was en dat hij bij de verwerving
van de zaak de nodige zorgvuldigheid heeft betracht (artikel 4, eerste lid,
van het UNIDROIT-verdrag). Zo hij het voorwerp heeft doorverkocht, moet hij
rekening houden met claims van latere bezitters van wie de zaak wordt opgevorderd.
Dat betekent dat hij al die tijd de nodige bewijsstukken paraat moet hebben,
wellicht met betrekking tot omstandigheden die zich een volle generatie eerder
hebben voorgedaan. Te bedenken valt ook dat op de verkrijger de bewijslast
rust dat de vordering is verjaard. Dat brengt mee dat de verkrijger heeft
te bewijzen dat de eiser langer dan drie jaar de plaats van het cultuurgoed
en de identiteit van de verkrijger «kende». Dat bewijs zal in
de praktijk vaak lastig te leveren zijn. Verwacht mag dus worden dat vaak
op de termijn van vijftig jaar teruggevallen moet worden. Ook hier moet rekening
worden gehouden met de zeer ruime omschrijving van cultuurgoederen en de moeilijkheid
deze categorie van goederen af te grenzen. Dat brengt mee dat het bedrijfsleven
wordt genoodzaakt bij het bewaren van gegevens steeds rekening te houden met
de <nadruk type="cur">mogelijkheid</nadruk> dat naderhand zal worden geoordeeld
dat het om cultuurgoederen gaat.</al>
      <al>Ook de redelijke vergoeding waarop de verkrijger te goeder trouw krachtens
artikel 4 van het UNIDROIT-verdrag recht heeft, geeft moeilijkheden. Het artikel
beoogt aan de verkrijger te goeder trouw tenminste een zekere financiële
bescherming te geven. Maar deze is bepaald zwak te noemen. In de eerste plaats
rust op de verkrijger de bewijslast dat hij niet wist of redelijkerwijs had
moeten weten dat het cultuurgoed gestolen was en hij bij de verwerving van
het voorwerp de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Die bewijslast
wijkt af van wat bij roerende zaken in het algemeen geldt: goede trouw wordt
verondersteld. De bewijslast die het verdrag op de verkrijger legt, zal in
de praktijk zwaar zijn, in het bijzonder wanneer men deze in verband brengt
met de lange verjaringstermijn. De verkrijger zal eventueel moeten bewijzen
wat er bijv. 49 jaar geleden gebeurd is. Uit artikel 4, vijfde lid, van het
UNIDROIT-verdrag volgt dat dit bewijs betrekking kan hebben op wat zijn <nadruk type="cur">erflater</nadruk> of <nadruk type="cur">schenker</nadruk> wist
of redelijkerwijs had moeten weten of hoe zorgvuldig deze erflater of schenker
geweest is. Te denken valt hier mede aan een museum of bibliotheek of soortgelijke
instelling die het voorwerp door een legaat of schenking heeft verkregen,
en zelf bij die verkrijging geheel te goeder trouw was en daarom allerlei
kosten, bijv. voor de restauratie, heeft gemaakt.</al>
      <al>Slaagt de verkrijger niettemin in zijn bewijs, dan heeft hij slechts recht
op «een redelijke vergoeding», in de Engelse tekst «fair
and reasonable compensation». Dit begrip wordt in de tekst van het verdrag
niet nader uitgewerkt. Het toelichtende rapport bij het UNIDROIT-verdrag op
p. 518 bij artikel 4 paragraaf 1 zegt daarover: «Since the concepts
of «fair» and «reasonable» are well established in
domestic case law, it was felt to be preferable to rely on the discretion
of the courts rather than refer to any specific criterion such as the price
paid or the commercial value». Vervolgens brengt het toelichtende rapport
de door enige delegaties aan de orde gestelde vraag ter sprake of voor de
hoogte van de «redelijke vergoeding», mede op de draagkracht («ability
to pay») van degene die het voorwerp terugvordert, moet worden gelet.
Ook dit is in de verdragtekst open gelaten. Een en ander kan aldus worden
samengevat dat het verdrag niet tot volledige schadevergoeding
verplicht, doch aan de rechter overlaat om van geval tot geval te beslissen.
Dat komt overeen met wat bepaald is in artikel 86a van Boek 3 Burgerlijk Wetboek,
ontleend aan richtlijn nr. 93/7/EEG, voor de beperkte groep van cultuurgoederen
die onder de richtlijn vallen. Voor de zeer ruime categorie van goederen waarom
het hier gaat, leidt een dergelijk stelsel tot te veel onzekerheid voor het
bedrijfsleven en tot een onnodig zware werklast voor de rechterlijke macht.</al>
      <al>Een bezwaar is verder dat blijkens het toelichtende rapport (p. 518) ervan
is afgezien te bepalen «that the possesor be allowed to retain the object
pending payment of the compensation». Het rapport voegt daaraan toe
dat dit is overgelaten aan «the courts or competent authority or, failing
these, by the parties themselves». Aantekening verdient daarbij dat
dit in overeenstemming is met de Engelse tekst van het verdrag die zegt dat
de bezitter van het cultuurgoed «shall be entitled, at the time of its
restitution, to payment of fair and reasonable compensation». Deze formulering
duidt erop dat de vergoeding op het tijdstip van de teruggave verschuldigd
wordt, niet dat de teruggave slechts plaats behoeft te vinden als tegelijk
ook de betaling plaats vindt, zoals de Nederlandse vertaling suggereert. Een
retentierecht, als bijvoorbeeld neergelegd in artikel 86a lid 4 van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek, is dus niet geregeld. Het kan zich derhalve voordoen
dat het voorwerp terug moet worden gegeven, voordat de vergoeding voldaan
is en dus zonder waarborg dat ook daadwerkelijk betaald zal worden.</al>
      <al>Kort gezegd, de overwegingen die aan het verdrag ten grondslag liggen,
kunnen niet rechtvaardigen dat voor een ruime categorie van voorwerpen als
waarop Hoofdstuk II ziet, zo drastisch wordt afgeweken van de voor de gewone
handel geldende regels. Daarmee is het verdrag in onze ogen niet voldoende
geslaagd in zijn opzet te weten: «to reconcile two equally legitimate
interests: that of the person dispossessed of a cultural object by theft and
that of the good faith purchaser of such an object.» (t.a.p. p. 500,
aanhef hoofdstuk II). Bij de voorbereiding van de wetgeving, nodig ter implementatie
van het UNESCO-verdrag zal worden gezocht naar een afweging van de betrokken
belangen die in onze ogen aanvaardbaar is. Dit laatste verdrag geeft daarvoor
mogelijkheden. </al>
      <tuskop letat="vet">4. Hoofdstuk III van het UNIDROIT-verdrag</tuskop>
      <al>Uit het voorgaande is duidelijk dat een aantal van de bezwaren tegen Hoofdstuk
II niet of in mindere mate tegen Hoofdstuk III gelden, dat ziet op onrechtmatig
uitgevoerde cultuurgoederen. Dat volgt uit het feit dat de terugvordering
hier slechts plaats kan vinden door een lidstaat die ter zake van cultuurgoederen
als waarom het gaat, een exportverbod heeft uitgevaardigd. De categorie van
gevallen die hier aan de orde is, is derhalve beperkter. Niettemin zijn er
ook hier bezwaren.</al>
      <al>Hoofdstuk III bevat immers in art. 5 lid 5 en in art. 6 regels betreffende
verjaring en een zekere financiële bescherming van de verkrijger te goeder
trouw die corresponderen met wat in Hoofdstuk II wordt bepaald voor de diefstalgevallen.
De bezwaren die hiervoor tegen die regels zijn ontwikkeld, gelden derhalve
ook hier.</al>
      <al>Voorts verdient hier nog aandacht de moeilijkheid hoe het UNIDROIT-verdrag
zich precies verhoudt tot de richtlijn van 15 maart 1993, nr 93/7/EEG,
zoals deze in Nederland is geïmplementeerd. De bedoeling van het UNIDROIT-verdrag
is om samenloop moeilijkheden op te lossen in artikel 13, derde lid, van dat
verdrag dat – kort gezegd – ertoe strekt, dat tussen landen waarvoor
de richtlijn geldt niet het verdrag, maar het richtlijnrecht van toepassing
is. Daarmee zijn evenwel niet alle moeilijkheden opgelost. Artikel 13, derde
lid, geeft immers aan de lidstaten slechts de bevoegdheid door een verklaring
te bereiken dat in hun onderlinge betrekkingen de regels van voormelde richtlijn
zullen gelden en dat dan geen toepassing wordt gegeven «aan de bepalingen
van dit Verdrag waarvan het toepassingsgebied samenvalt met die
regels». Mede in verband met de zeer ruime omschrijving in het verdrag
van cultuurgoederen, rijst de vraag wat dit betekent. Is het verdrag wèl
van toepassing als dat leidt tot een verder gaand terugvorderingsrecht dan
uit de richtlijn voortvloeit? Dat zal zich bijv. kunnen voordoen, omdat de
verjaringstermijnen van het verdrag langer zijn dan die van de richtlijn (drie
jaar na bekendheid met plaats van het voorwerp en identiteit van de verkrijger
met een eindtermijn van vijftig jaar tegenover één jaar na zodanige
bekendheid met een eindtermijn van dertig jaar). De richtlijn lijkt niet te
verbieden dat cultuurgoederen beter worden beschermd dan de richtlijn voorschrijft.
En wat geldt als de richtlijn niet overal gelijk is geïmplementeerd?
In hoeverre is dan nog sprake van «interne regels van deze organisaties»,
waarvan in art. 13, derde lid, sprake is? Te vrezen valt dat ook hier een
bron van complicaties schuilt, waarvan de gevolgen moeilijk zijn te voorspellen.
Nu het hier om samenloop van twee internationale regelingen gaat, kunnen de
daaruit voortvloeiende complicaties niet door de nationale wetgever worden
opgelost. In het kader van de implementatie van het UNESCO-verdrag bestaan
hier wel mogelijkheden.</al>
      <tuskop letat="vet">5. Adviezen, literatuur en reacties uit de praktijk</tuskop>
      <al>In 1996 is aan de verschillende colleges uit de Nederlandse juridische
wereld advies gevraagd over de wenselijkheid dan wel de gevolgen van ratificatie
van het UNIDROIT-verdrag door Nederland, met name aan de Nederlandse Vereniging
voor Rechtspraak, de Nederlandse Orde van Advocaten en de Staatscommissie
voor Internationaal Privaatrecht. Deze colleges hebben als volgt gereageerd.</al>
      <al>De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, die uitdrukkelijk verklaart
het becommentariëren van de gemaakte rechtspolitieke keuzen niet tot
haar taak te rekenen, formuleert het in haar advies aldus: «Vanuit juridisch-technisch
gezichtspunt bezien verdient het verdrag zeker geen schoonheidsprijs. Het
verdrag is op sommige, soms zelfs cruciale, punten vaag en laat daardoor veel
ruimte voor verschillende interpretatie. Indien het zou gaan om een wetsvoorstel,
dan zou de werkgroep op een aantal punten zeker suggesties hebben aangedragen
voor verbetering of een nadere uitwerking van bepaalde begrippen en definities.
Daar staat tegenover dat – naar het oordeel van de werkgroep –
het ook weer niet zo is dat deze onduidelijkheden in de tekst van het verdrag
de Nederlandse rechter bij de uitvoering daarvan voor een onmogelijke taak
zouden stellen.» Ook de Nederlandse Orde van Advocaten heeft zich onthouden
van commentaar van rechtspolitieke aard. Wel vestigt men de aandacht op de
verschillen tussen het verdrag en de EG-richtlijn en constateert dat het,
«gezien het belang van hanteerbaarheid, duidelijkheid en zekerheid van
het recht», niet verkieslijk is de praktijk te belasten met «een
verschillend binnen-Europees en buiten-Europees regime, bovenop en afwijkend
van het normale intern-Nederlandse stelsel». De Staatscommissie voor
het Internationaal Privaatrecht heeft zich beperkt tot het bespreken van een
aantal uitdrukkelijk voorgelegde aandachtspunten en het signaleren van een
aantal verdere knelpunten met mogelijke oplossingen, ook hier zonder zich
uit te laten over de rechtspolitieke wenselijkheid van ratificatie.</al>
      <al>Alle drie de adviezen duiden erop dat rekening moet worden gehouden met
gecompliceerde zaken en derhalve met een substantiële toename van lasten
voor bedrijfsleven en rechterlijke macht.</al>
      <al>De Nederlandse juridische literatuur over het UNIDROIT-verdrag is in de
regel kritisch. Als voorbeelden kunnen worden genoemd bijv. Van Galen en Verhey,
NJB 1997, p. 193, («Het UNIDROIT-verdrag is technisch een ingewikkelde
regeling. Er bestaan veel onduidelijkheden over de werking en uitleg ervan.
Belangwekkender is dat het Verdrag in meerdere opzichten ingrijpender gevolgen
kan hebben voor de Nederlandse rechtsorde dan de Europese richtlijn:
het bereik is in potentie groter, het instrumentarium krachtiger en de verkrijger
te goeder trouw heeft niet veel rechten meer.»); R. W. Polak, Advocatenblad,
1998, p. 1309 e.v. («Internationale bescherming van cultuurgoederen
vergt juridische maatregelen die op gespannen voet kunnen staan met fundamentele
rechtsbeginselen en met nationale regels gericht op een vlot handelsverkeer.»);
Kuitenbrouwer, NJB 2002, p. 171 e.v. (waar gelijksoortige Engelse en Amerikaanse
kritiek wordt vermeld) en Schrage, De regelen der kunst II, 2003, p. 51 e.v.
(«Het behoeft geen verbazing te wekken dat de Nederlandse kunstwereld,
de Koninklijke Bibliotheek voorop, met klem van argumenten het voornemen van
de regering het verdrag te ratificeren heeft gekritiseerd.»). De moeilijkheid
hoe het UNIDROIT-verdrag zich precies verhoudt tot de richtlijn van 15 maart
1993, nr 93/7/EEG zoals in Nederland geïmplementeerd, wordt besproken
door Jan A. Winter in het Liber Amicorum voor Paul de Waart. Hij komt tot
de conclusie dat sprake is van een «distinct need for further reflection
on the relationship between the UNIDROIT Convention and the EC rules on the
return of unlawfully exported cultural goods».</al>
      <al>Wat de reacties uit de praktijk betreft geldt het volgende. Zoals te verwachten
was, zijn uit de bedrijfstak van de handel in kunst, antiek, oude boeken,
meubelen, prenten, ethnografica e.d. klemmende bezwaren naar voren gebracht,
die ongeveer samenvallen met wat hiervoor is uiteengezet. Reacties van deze
aard zijn met name ontvangen van The European Fine Art Foundation (TEFAF),
afzonderlijk en tezamen met De Nationale Vereniging voor de Kunsthandel (NKV)
en Pictura Antiquairs Nationaal (PAN), van De Nederlandse Vereniging van Munthandelaren,
van The International League of International Booksellers, van De Nederlandsche
Vereeniging van Antiquaren, van het Antiquariaat Forum BV en van het veilinghuis
Christie's.</al>
      <al>Vanuit de museumwereld is over het algemeen wel positief gereageerd. De
Nederlandse Museumvereniging (NMV) heeft samen met de Nederlandse afdeling
van de International Council of Museums (ICOM) herhaalde malen gewezen op
de wenselijkheid van ratificatie van het UNIDROIT-verdrag door Nederland.
In een gezamenlijke brief hebben NMV en ICOM-NL het volgende opgemerkt: «Respect
voor ons cultureel erfgoed staat centraal in het huidige Nederlandse cultuurbeleid.
Nederland is rijk aan cultureel erfgoed, zowel van Nederlandse bodem als afkomstig
van over de hele wereld. Maar elk land, ook Nederland, verliest cultuurvoorwerpen
ten gevolge van diefstal en illegale handel. Dat gebeurt in Europa, in Afrika,
in Zuid en Zuid-Oost Azië en in Noord en Zuid Amerika. Gezien het belang
van erfgoed in zowel materiële als immateriële zin voor de culturele
identiteit van een land of volk is de schade, die daardoor ontstaat, enorm».
Dat NMV en ICOM niet voorbij zijn gegaan aan de bezwaren die aan het verdrag
kleven blijkt uit het volgende citaat: «Er bestaat ook kritiek op het
UNIDROIT-verdrag. Vooral op de omkering van de bewijslast en de verjaringstermijn,
die kan oplopen tot 75 jaar. Daar staat tegenover, dat eisende partijen in
de praktijk alleen in gevallen, waarin het gaat om cultureel erfgoed van uitzonderlijk
belang, in staat zullen zijn om de vereiste documentatie aan de rechter te
tonen en de kosten van de terugvordering (incl. de advocaten) te betalen.»</al>
      <al>Een afwijkende mening is gepresenteerd door de Koninklijke Bibliotheek.
Men heeft veel waardering voor de bedoeling van het verdrag, maar ontraadt
ratificatie. Men wijst erop dat de vage omschrijving van het begrip cultuurgoed
tot veel onzekerheid zal leiden omtrent het beschikkingsrecht van de eigendommen.
Men vreest voorts dat ratificatie ertoe zal leiden dat de handel zich nog
meer in de illegaliteit zal gaan afspelen. Bovendien wijst men op moeilijkheden
die kunnen ontstaan, indien boeken aan de bibliotheek in bruikleen zijn gegeven
en vervolgens van de bibliotheek als bezitter door een ander dan de bruikleengever
op grond van het verdrag worden teruggevorderd. Bibliotheken kunnen hierdoor
te maken krijgen met een langdurige en veel geld kostende procesgang.
Op al deze punten werd indertijd in enigszins andere bewoordingen ook gewezen
door het Museum Catharijneconvent. Inmiddels sluit ook dit museum zich echter
aan bij de mening van de NMV.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten slotte verdient nog aandacht dat het UNIDROIT-verdrag in vele publicaties
van niet juridische aard, onder meer in de dagblad- en tijdschriftenpers,
bijval heeft gevonden. Deze bijval berust in de regel op begrijpelijke sympathie
voor de doelstellingen van het verdrag en op bezorgdheid ter zake van de misstanden
waartegen het zich richt. Zoals gezegd delen wij deze sympathie en zijn ook
wij van mening dat deze misstanden moeten worden bestreden.</al>
      <al>Samenvattend kan worden gezegd dat de adviezen en overige reacties op
het verdrag geen eenduidig beeld vertonen.</al>
      <tuskop letat="vet">6. Belasting rechterlijke macht</tuskop>
      <al>Het is duidelijk dat het UNIDROIT-verdrag tot allerlei uitlegmoeilijkheden
aanleiding zal geven. Het is niet goed te voorspellen tot hoeveel zaken het
verdrag zal leiden. Maar wel is duidelijk dat die zaken zowel juridisch, als
wat betreft het bewijs bewerkelijk zullen zijn. Rekening moet derhalve worden
gehouden met een substantiële werklastvermeerdering van de rechterlijke
macht.</al>
      <tuskop letat="vet">7. Aantal ratificaties</tuskop>
      <al>Het voorgaande maakt begrijpelijk dat het UNIDROIT-verdrag tot nu toe
slechts door relatief weinig landen is geratificeerd. Van de lidstaten van
de EU zijn dat Finland, Hongarije, Italië, Litouwen, Portugal, Spanje,
Slowakije, Cyprus en Slovenië. Ook Frankrijk schijnt te zullen ratificeren.
Van Duitsland en het Verenigd Koninkrijk staat vast dat zij niet zullen ratificeren.
Het totaal aantal lidstaten bedraagt tot nu toe 23. In vergelijking hiermee
is het UNESCO verdrag tot nu toe door zeer veel meer staten bekrachtigd, te
weten 103. Een effectieve bestrijding van illegale handel in cultuurgoederen
vereist een mondiaal regime. Wanneer slechts een relatief klein aantal landen
het drastische UNIDROIT-verdrag ratificeert, zal dat hoogstens tot gevolg
hebben dat de illegale handel zich naar andere landen verplaatst.</al>
      <tuskop letat="vet">8. Conclusie en voorstel</tuskop>
      <al>De conclusie van dit alles moet zijn dat het geen aanbeveling verdient
het UNIDROIT-verdrag te bekrachtigen. Wij komen tot die conclusie –
kort samengevat – op grond van de ruime definitie van cultuurgoederen
in verband met de ingrijpende gevolgen voor de verkrijgers te goeder trouw,
die een zware bewijslast krijgen zonder zicht op volledige schadevergoeding
en zonder retentierecht zolang de verschuldigde vergoeding niet betaald wordt,
zulks in combinatie met een zeer lange verjaringstermijn met de daaraan inherente
verdere verzwakking van de bewijspositie. Aldus wordt op een niet onbelangrijk
segment van het bedrijfsleven een onevenredig zware last gelegd. Daarvan is
tevens een substantiële werklastvermeerdering voor de rechterlijke macht
te verwachten. De gerechtvaardigde wens een bijdrage te leveren aan de strijd
tegen de illegale handel in cultuurgoederen, weegt niet op tegen deze nadelen.</al>
      <al>Wij zijn tot de conclusie gekomen dat een dergelijke bijdrage beter kan
worden gezocht in het UNESCO-verdrag van 1970. Dat verdrag biedt verschillende
mogelijkheden om een dergelijke bijdrage te leveren zonder dat daaraan de
bezwaren die tegen het UNIDROIT-verdrag bestaan, zijn verbonden. Zo heeft
het UNESCO-verdrag 1970 slechts betrekking op cultuurgoederen die een verdragspartij
heeft aangewezen als belangrijk voor zijn cultureel erfgoed. Ook
is de teruggaveverplichting vervat in het UNESCO-verdrag 1970 beperkter van
aard en stelt het verdrag geen verjaringseisen. Iedere verdragspartij kan
daar zelf inhoud aan geven. Tenslotte geldt volgens het verdrag niet, zoals
bij het UNIDROIT-verdrag, de verplichting om het verdrag als geheel te aanvaarden.
Voor het UNIDROIT-verdrag volgt dat uit artikel 18 van dat verdrag, dat het
maken van voorbehouden uitsluit. Bij gebreke van een dergelijke uitsluiting
volgt voor het UNESCO-verdrag uit artikel 19 van het verdrag van Wenen inzake
verdragenrecht (Trb. 1996, nr 89) dat voorbehouden toegelaten zijn voor zover
zij verenigbaar zijn met voorwerp en doel van het verdrag.</al>
      <al>Voorts is het UNESCO-verdrag 1970 door een aanzienlijk aantal landen over
de gehele wereld geratificeerd of aanvaard, waaronder recent door het Verenigd
Koninkrijk (1 augustus 2002), Zweden (13 januari 2003), Denemarken
(26 maart 2003) en Zwitserland (3 oktober 2003). Voor de wijze waarop
dit verdrag geïmplementeerd kan worden, kan lering worden getrokken uit
de recente implementatiewetgevingen van deze landen. In dit verband zijn met
name Engeland en Zwitserland relevant, grote kunsthandelslanden, die niettemin
gemeend hebben hun bijdrage te moeten leveren aan de strijd tegen de illegale
handel in cultuurgoederen.</al>
      <al>Opmerking verdient dat een aantal andere lidstaten van de Europese Unie
reeds eerder tot ratificatie van het UNESCO-verdrag is overgegaan. Genoemd
kunnen worden: Polen (1974), Italië (1978), Hongarije (1978), Cyprus
(1979), Griekenland (1981), Portugal (1985), Spanje (1985, Slovenië (1992),
Tsjechië (1993), Estland (1995), Frankrijk (1997), Litouwen en Finland
(1999). Ook landen als de VS, Japan en China zijn partij bij dit verdrag,
alsmede vele Zuid-Amerikaanse landen.</al>
      <al>Al met al komen wij tot de conclusie dat gestreefd dient te worden naar
ratificatie van het UNESCO-verdrag. Ter voorbereiding daarvan dient de daarvoor
nodige implementatiewetgeving ter hand genomen te worden. In dat kader zal
moeten worden bezien welke door het UNESCO-verdrag geboden oplossingen ter
bescherming van cultuurgoederen voor Nederland passend zijn. Daarbij kan gebruik
worden gemaakt van de ervaring en de werkwijze van andere landen zoals Engeland
en Zwitserland, waar recent implementatiewetgeving tot stand is gekomen. Ook
het rapport van de Illicit Trade Advisory Panel (ITAP) onder voorzitterschap
van prof. Norman Palmer aan de Engelse Minister of Arts van december 2000,
waarvan de conclusies in belangrijke mate met het voorgaande overeenstemmen,
bevat voor deze implementatie materiaal. Voorts is niet uitgesloten dat, zoals
in Engeland, ter bescherming van cultuurgoederen regels worden toegevoegd,
ook waar het verdrag daartoe niet verplicht. Dit om recht te doen aan het
streven van dit kabinet een serieuze bijdrage te willen leveren aan de bestrijding
van de illegale handel in cultuurgoederen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gedacht wordt derhalve aan de volgende hoofdlijnen:</al>
      <al>a. Nederland bereidt een wetsvoorstel voor dat implementatie mogelijk
maakt van het UNESCO-verdrag 1970;</al>
      <al>b. deze implementatiewetgeving wordt uitgewerkt langs de lijnen van de
richtlijn nr. 93/7/EEG en de huidige regels in het BW, maar met een mondiale
reikwijdte;</al>
      <al>c. de definitie van cultuurgoederen zal zich richten op voorwerpen van <nadruk type="vet">groot</nadruk> cultuurhistorisch en wetenschappelijk belang , die
behoren tot het wettelijke beschermde culturele erfgoed van een land;</al>
      <al>d. de wet geldt zowel ten aanzien van gestolen cultuurgoederen (waaronder
begrepen cultuurgoederen die onrechtmatig zijn opgegraven of van een beschermd
monument zijn verwijderd) als ten aanzien van cultuurgoederen die in strijd
met wetgeving die het cultuurgoed beschermt, zijn uitgevoerd van het grondgebied
van een verdragspartij;</al>
      <al>e. er komt een verbodsbepaling inhoudende een verbod om cultuurgoederen
als bedoeld onder d Nederland binnen te brengen of onder zich te houden;</al>
      <al>f. er komen aanvullende niet-wettelijke maatregelen die vooral betrekking
hebben op zelfregulering en «public awareness».</al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,</functie>
        <naam>M. C. van der Laan</naam>
        <functie>De Minister van Justitie,</functie>
        <naam>J. P. H. Donner</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>UNIDROIT Convention on Stolen or Illegally Exported Cultural Objects:
Explanatory Report, http//www.unidroit.org/english/conventions/1995culturalproperty/explanatoryreport-e.pdf</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>