﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29237-66/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2007-2008</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="rel_1_0_5_7__1.1" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST115130</ordernr>
    <vergjaar>2007-2008</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 237</nummer>
      <naam>Afrika-beleid</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>66</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>8 februari 2008</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hierbij treft u het rapport «Het Nederlandse Afrikabeleid 1998–2006,
Evaluatie van de bilaterale samenwerking» aan<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref>
en de beleidsreactie daarop. Het rapport is opgesteld door de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking
en Beleidsevaluatie (IOB) van het ministerie van Buitenlandse Zaken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De aanleiding van het verschijnen van het rapport vormde het verzoek van
de commissie voor Buitenlandse Zaken van de Tweede Kamer in 2004 om een evaluatie
van het Nederlandse Afrikabeleid voor Sub-Sahara Afrika in de periode 1998–2006.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aangezien een deel van de behandelde thema’s reeds eerder uitgebreid
is geëvalueerd en voorzien van een beleidsreactie aan u is aangeboden,
concentreert deze beleidsreactie zich op de belangrijkste aanbevelingen uit
de synthese van het nu voorliggende rapport.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het rapport geeft naar onze mening een redelijk overzicht van de vormgeving,
uitvoering en resultaten van het Nederlandse bilaterale Afrikabeleid in deze
periode.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gezien de aard en omvang van de uitdagingen waarvoor Afrika zich ziet
gesteld, zullen we ons voortdurend moeten blijven afvragen of onze aanpak
voldoende aansluit bij wat er aan de hand is in Afrika. De evaluatie biedt
hiervoor een aantal nuttige aanknopingspunten.</al>
      <ondtek>
        <functie>De minister van Buitenlandse Zaken,</functie>
        <naam>M. J. M. Verhagen</naam>
        <functie>De minister voor Ontwikkelingssamenwerking,</functie>
        <naam>A. G. Koenders</naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">Beleidsreactie op het rapport «Het Nederlandse Afrikabeleid
1998–2006, Evaluatie van de bilaterale samenwerking»</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Inleiding</tuskop>
      <al>De herijking van het buitenlandse beleid in 1996 luidde het tijdperk in
van geïntegreerd Afrikabeleid. Acht jaar daarna vroeg de Kamer om een
evaluatie van dit beleid. Het thans voorliggende evaluatierapport van de Inspectie
Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) behandelt het bilaterale
Nederlandse beleid voor Sub-Sahara Afrika tussen 1998 en 2006. Gezien de aard
van onze relaties met Sub-Sahara Afrika in die periode ligt de nadruk hierbij
op ontwikkelingssamenwerking. In het rapport wordt een breed scala aan sectoren,
thema’s en hulpmodaliteiten onderzocht in verscheidene deelstudies.
Uit de evaluatie blijkt dat met name de Nederlandse inspanningen ten behoeve
van respectievelijk basisonderwijs, HIV/Aids, handel en coherentie, versterking
van de rechtsstaat, conflictbeheersing en humanitaire hulp succesvol zijn
geweest.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de aard en de opzet van de evaluatie als geheel kan evenwel een aantal
kanttekeningen worden geplaatst. De representativiteit van de deelstudies
varieert en sommige wezenlijke onderdelen van het Nederlandse Afrikabeleid,
bijvoorbeeld via het Europese en multilaterale beleid en Nederlandse diplomatieke
activiteiten in Afrika, komen niet of onvoldoende aan bod. Ook lijken niet
alle conclusies even degelijk onderbouwd; in deze beleidsreactie wordt aangegeven
waar dit het geval is. In een aantal gevallen wordt niet zozeer het Nederlandse
Afrikabeleid beoordeeld als wel enkele generieke OS-instrumenten. Dat is bijvoorbeeld –
in meerdere of mindere mate – het geval bij schuldkwijtschelding, begrotingssteun
en de sectorale benadering. Het gevolg is dat er veelal sprake is van een
opsomming van bevindingen uit eerdere evaluaties, waarop reeds in beleidsreacties
is gereageerd. De evaluatoren zijn er naar onze mening niet altijd in geslaagd
om op basis van de bevindingen van de deelstudies een synthese te maken die
antwoord geeft op de door de evaluatoren zelf geformuleerde centrale vragen
over het Nederlandse Afrikabeleid in de specifieke Afrikaanse context.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Over het geheel genomen geeft het rapport een redelijk overzicht van de
vormgeving, uitvoering en resultaten van een belangrijk deel van het Nederlandse
Afrikabeleid in deze periode. De evaluatie bevat een aantal behartenswaardige
aanbevelingen waarmee het Nederlandse Afrikabeleid zijn voordeel kan doen.
Het blijft zaak onze beleidsaannames kritisch te confronteren met de Afrikaanse
realiteit, te leren van gemaakte fouten in het verleden en – waar nodig –
ons beleid aan te passen. De evaluatie biedt hiervoor een aantal zinnige suggesties.
Intussen heeft het Nederlandse beleid, net als de ontwikkelingen in Afrika
zelf, niet stil gestaan. In de Memorie van Toelichting 2008 en in de nota’s «Naar
een menswaardig bestaan, een mensenrechtenstrategie voor het buitenlands beleid»
en «Een zaak van iedereen; investeren in ontwikkeling in een veranderende
wereld», hebben wij een aantal voornemens met belangrijke implicaties
voor ons Afrikabeleid geformuleerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Omdat een aantal behandelde thema’s niet lang geleden onderworpen
is aan afzonderlijke evaluaties (algemene begrotingssteun, door Nederland
gesteunde programma’s voor drinkwater en sanitaire voorzieningen in
Tanzania, de Nederlandse humanitaire hulp, schuldverlichting, sectorale benadering
en de beleidsdoorlichting van HIV/Aids) en de evaluatierapporten in een eerder
stadium vergezeld van een beleidsreactie aan u zijn aangeboden<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref>, concentreert deze beleidsreactie zich op de belangrijkste conclusies,
aanbevelingen en aandachtspunten uit de synthese van het nu voorliggende evaluatierapport,
waarbij soms naar eerdere beleidsreacties wordt verwezen.</al>
      <tuskop letat="cur">Het Nederlandse Afrikabeleid</tuskop>
      <al>De evaluatie constateert dat binnen het Nederlandse buitenlandse beleid
de aandacht voor en betrokkenheid bij Sub-Sahara Afrika is toegenomen. Hierbij
is de samenwerking met andere departementen, zoals de ministeries van Defensie,
Economische Zaken en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, in de geëvalueerde
periode geïntensiveerd en is er sprake van een toenemend geïntegreerd
beleid. Wij zijn van mening dat die grotere betrokkenheid bij Afrika terecht
is. Hoewel de laatste jaren de economische groei ook in Afrika toeneemt, neemt
de armoede maar langzaam af. Weliswaar biedt globalisering mogelijkheden voor
verdere economische groei, maar Afrika blijkt nog onvoldoende in staat deze
kansen te grijpen.</al>
      <al>Hiermee dreigt het werelddeel de concurrentieslag met andere ontwikkelingslanden
elders te verliezen. Ook op het terrein van vrede en veiligheid is er sprake
van een broze vooruitgang.</al>
      <al>Er is in de afgelopen jaren sprake van een vermindering van het aantal
conflicten in Afrika, maar het risico van uitbreken van nieuwe gewelddadigheden
blijft groot. Hierbij speelt met name de aanhoudende kwetsbaarheid van de
overheid in vele Afrikaanse landen een rol, al geldt dit niet overal in dezelfde
mate. Het ontwikkelingsperspectief van Afrika onderscheidt zich hiermee duidelijk
van andere werelddelen. Dit noodzaakt de formulering van een specifiek Afrikabeleid
dat vervolgens op landenniveau wordt uitgewerkt. Ook de komende jaren zal
met name de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking zowel beleidsmatig als financieel
sterk op Afrika gericht blijven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De evaluatie bevestigt de tendens gedurende de evaluatieperiode in de
richting van een daadwerkelijk geïntegreerd Afrikabeleid. In die periode
is er sprake geweest van een duidelijke continuïteit op hoofdlijnen van
het Nederlandse beleid: de actieve aandacht voor vrede en veiligheid naast
de meer traditionele ontwikkelingssamenwerking, de toenemende betrokkenheid
bij goed bestuur en politieke vraagstukken, de doorvoering van de sectorale
benadering en het hanteren van begrotingssteun waar mogelijk en de inzet op
zeggenschap, harmonisatie en aansluiting bij de werkwijzen van de ontvangende
landen. De verschillende notities en brieven aan de Kamer getuigen daarvan.
Naar aanleiding van de kritiek in het evaluatierapport over het teveel aan
beleid, willen we nog eens bevestigen dat terughoudendheid zal worden betracht
bij de formulering van nieuw beleid (zie aanbeveling 1 in de bijlage<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref> ). Wij zijn ons er van bewust dat meer beleid niet per
se beter beleid betekent.</al>
      <al>Dat laat evenwel onverlet dat waar er als gevolg van nieuwe inzichten
of ontwikkelingen een behoefte is aan nieuw of aangepast beleid, hierin zal
worden voorzien. Mede in dit licht moeten de nota «Een zaak voor iedereen»
en de hierin aangekondigde deelnotities worden bezien. Deze notities zullen
dan ook ingaan op een veranderende Afrikaanse context en een aantal scherpe
beleidskeuzes bepalen.</al>
      <tuskop letat="cur">Armoedebestrijding</tuskop>
      <al>Armoedebestrijding staat nationaal en internationaal nadrukkelijk op de
agenda. De grote aandacht voor het bereiken van de millennium ontwikkelingsdoelen
getuigt daarvan. Zoals bekend neemt ook in het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid
het nastreven van deze <nadruk type="cur">Millennium Development Goals</nadruk> (MDG’s)
een centrale plaats in. Het is dus verheugend dat de evaluatie tot de conclusie
komt dat de substantiële ondersteuning van nationale overheden een significante
verruiming van publieke dienstverlening mogelijk heeft gemaakt.</al>
      <al>Met name de sectorale ondersteuning van het basisonderwijs, één
van de speerpunten van het Nederlandse MDG beleid, heeft een spectaculaire
groei van de toegang tot primair onderwijs mogelijk gemaakt. De aanbeveling
van IOB om door te gaan met steun aan onderwijs (aanbeveling 8), met meer
aandacht voor kwalitatieve aspecten, sluit geheel aan bij het huidige
beleid. Toegang tot onderwijs is van enorme betekenis voor verdere ontwikkeling.
De Nederlandse steun aan deze sector wordt daarom gecontinueerd en zal zich
richten op het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs. Het gaat hierbij
om zowel de kwaliteit van de leraren, de relevantie en kwaliteit van de inhoud
van het onderwijs als het verbeteren van het management op de scholen (grootte
van de klassen, aanwezigheid van lesmaterialen en leraren, participatie van
ouders en gemeenschap). Speciale aandacht wordt gegeven aan het verwerven
van beroepsvaardigheden, evenals voorschools onderwijs waar de basis voor
de verdere schoolcarrière wordt gelegd. Een concreet voorbeeld van
bijdrage aan kwaliteitsverbetering is de Nederlandse ondersteuning aan de
onderwijssector in Zambia waar inmiddels 97% van kinderen naar school
gaat, maar er te weinig leraren zijn om hen goed onderwijs te geven. De Zambiaanse
overheid en de Nederlandse ambassade zetten in op het opleiden en aannemen
van extra leraren. In 2007 zijn er meer dan 10 000 extra leraren aangenomen,
mede dankzij de Nederlandse steun. Daarnaast zullen fragiele staten meer aandacht
krijgen, omdat daar zowel toegang tot onderwijs als de kwaliteit sterk achterblijven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het voorliggende rapport herhaalt de conclusie uit de enige tijd geleden
uitgevoerde evaluatie van de sectorale benadering dat door de invoering van
de sectorale benadering de armoedefocus in het Nederlandse beleid aan scherpte
heeft verloren mede door de hiermee gepaard gaande afschaffing van het doelgroepenbeleid.
Wij refereren in dit verband aan de beleidsreactie op de IOB-evaluatie van
de sectorale benadering uit 2006. Hierin wordt gesteld dat Nederland, vanaf 1998,
bewust heeft besloten om de directe donorsteun aan doelgroepen af te bouwen,
omdat dergelijke interventies neerkomen op het negeren van de directe verantwoordelijkheid
van overheden en daarmee een overheidsvervangend karakter dragen.</al>
      <al>Weliswaar heeft een doelgroepbenadering op korte termijn een sterke armoedefocus,
maar op langere termijn biedt deze geen zicht op duurzame resultaten. Er is –
althans in landen met een redelijke kwaliteit van bestuur – geen goed
alternatief voor een benadering waarin het land zélf verantwoordelijk
is voor bestrijding van armoede. Het overheidsbeleid in de desbetreffende
partnerlanden kent echter meestal geen sterke eigen traditie van gericht beleid
om gemarginaliseerde groepen te bereiken en er is tijd mee gemoeid om beleid
en uitvoering op dit punt aan te scherpen. Het is dus zeker zaak, zoals IOB
ook opmerkt, om niet naïef te zijn in het vertrouwen dat samenwerking
met de overheid een garantie zou inhouden dat doelgroepen ook daadwerkelijk
bereikt worden. Daarom ook is in de beleidsbrief «Een zaak van iedereen»
aandacht geschonken aan het versterken van lokale verantwoordingsmechanismen
(zie ook paragraaf over zeggenschap).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De evaluatie van de sectorale benadering laat daarbij zien dat Nederland
met succes een grotere armoedefocus binnen het overheidsbeleid heeft weten
te bevorderen, bijvoorbeeld een hogere prioriteit voor eerstelijnsgezondheidszorg
op het platteland. Ook hebben Nederlandse ambassades met succes ingezet op
een ruimere aandacht voor de armste districten binnen programma’s van
de overheid en de introductie van productieve vangnetten. Hiertoe is juist
een aanpak waarbij met zowel lijnministeries als met ministeries van financiën,
planning of lokaal bestuur wordt gesproken, effectiever dan een eigen doelgroepbenadering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Armoedebestrijding stond en staat centraal in het Nederlandse Afrikabeleid.
Maar het moet en kan altijd beter. Wij onderschrijven dan ook de aanbeveling
van IOB dat er méér kan worden gedaan om de armoedefocus te «revitaliseren»
(aanbeveling 2). De beleidsintensiveringen in de beleidsbrief «Een zaak
van iedereen» hebben juist tot doel om de armste groepen
beter te bereiken. Dit geldt voor de intensivering ten aanzien van niet alleen
gelijke rechten en kansen voor vrouwen, een doelgroep die op ieder beleidsterrein
speciale aandacht verdient maar ook voor groei en verdeling, gericht op economische
groei waar juist ook de armen van profiteren.</al>
      <al>Maar ook zal, zoals de beleidsbrief aangeeft, in het hele OS-programma
meer worden ingezet op een politieke dialoog over de feitelijke resultaten
in de strijd tegen armoede, de dieperliggende oorzaken van sociale uitsluiting,
en over de mate waarin partneroverheden verantwoording afleggen aan de eigen
bevolking. Begrotingssteun en de sectorale benadering bieden hiervoor een
goede ingang. Maar een voortdurende <nadruk type="cur">reality check</nadruk> op
het behalen van de beoogde armoede-effecten blijft geboden zoals beschreven
in de nota «Een zaak voor iedereen». Wij dienen ons hierbij te
blijven realiseren dat het bij structurele armoedebestrijding om langdurige
sociaaleconomische en interne maatschappelijke processen gaat. Zoals reeds
opgemerkt in de beleidsbrief blijft bescheidenheid omtrent de resultaten die
we met onze hulp op korte termijn kunnen boeken op zijn plaats. Toch toont
deze evaluatie opnieuw aan dat goed afgestemde en zorgvuldig uitgevoerde interventies
resultaten opleveren en bijdragen aan armoedevermindering.</al>
      <tuskop letat="cur">Groei en verdeling</tuskop>
      <al>Door de invoering van onder andere de sectorale benadering en de hoge
prioriteit voor de sociale sectoren is volgens IOB de belangstelling binnen
het beleid voor directe steun aan de productieve sectoren, waaronder de landbouw,
weggezakt. Graag wijzen wij er op dat de landbouwontwikkeling in de Nederlandse
programma’s in Afrikaanse landen zoals Ethiopië en Rwanda wel degelijk
een belangrijke plaats inneemt. Ook heeft Nederland de afgelopen jaren een
actief beleid gevoerd op het gebied van private sectorontwikkeling. Wel zijn
wij het eens met de constatering dat specifieke aandacht voor de inkomensdimensie
van armoede relatief onderbelicht is geraakt. Economische groei is een noodzakelijke
voorwaarde voor welvaartsstijging en in steeds meer partnerlanden neemt de
economische groei gelukkig ook weer toe. Stijgende wereldmarktprijzen voor
landbouwproducten en grondstoffen en een verbeterd macro-economisch beleid
zijn daar voor een groot deel verantwoordelijk voor. De mate waarin de allerarmsten
hiervan profiteren wisselt echter sterk. Daarom is groei en verdeling een
prioriteit en één van de aangekondigde beleidsintensiveringen
binnen ontwikkelingssamenwerking.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze intensivering vereist een breder beleid dan hulp alleen. Dit betreft
ook het streven naar een eerlijk en open wereldhandelssysteem. Het doet deugd
dat in dit verband de initiatieven van Nederland voor een verbeterde markttoegang
van Afrikaanse producenten op het gebied van snijbloemen en katoen in de evaluatie
over het geheel genomen positief worden beoordeeld. Wij zullen op de ingeslagen
weg van versterking van de coherentie tussen handelsbeleid en ontwikkelingsbeleid
voortgaan. Afrikaanse landen hebben echter ook een eigen verantwoordelijkheid
voor de ontwikkeling en uitvoering van een samenhangende groei- en ontwikkelingsstrategie,
gericht op het scheppen van werkgelegenheid en vermindering van armoede. Dit
vraagt onder andere om macro-economische stabiliteit en een transparant begrotingsbeleid
en -beheer. De Nederlandse begrotingssteun aan partnerlanden biedt een goede
ingang voor een dialoog hierover met de overheden van de partnerlanden, maar
ook met invloedrijke donoren op dit gebied zoals de Wereldbank en het IMF.
Wij zullen de komende periode actief pleiten voor meer aandacht voor groei
en verdeling binnen deze dialoog. Daarnaast zal Nederland in het kader van
private sectorontwikkeling zich blijven inspannen voor een verbetering van
het ondernemingsklimaat zoals door het ondersteunen van de totstandkoming
van adequate wet- en regelgeving en het tegengaan van corruptie.
Wij verwijzen in dit verband naar de brief aan de Tweede Kamer van 29 juni
2007 over private sectorontwikkeling in ontwikkelingslanden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Economische groei alleen is echter niet genoeg. Zoals ook uit de evaluatie
blijkt, bestaat de noodzaak te onderzoeken op welke wijze Nederland een duidelijker
bijdrage kan leveren aan verbreding van groei naar het platteland en sectoren
waar veel armen leven en actief zijn.</al>
      <al>Voorstellen van onze ambassades in onder andere Ethiopië, Mali, Rwanda,
Tanzania, Uganda, Zambia en Kenia bieden hiervoor interessante aanknopingspunten.
Zoals aangekondigd in de genoemde beleidsbrief zal een nadere uitwerking van
dit beleid worden vastgelegd in een notitie over landbouw, rurale bedrijvigheid
en voedselzekerheid (aanbeveling 9). In samenwerking met het ministerie van
LNV wordt de Nederlandse inzet op deze gebieden uitgewerkt. Deze zal onder
andere bestaan uit bevordering van toegang van de rurale bevolking tot de
markteconomie, internationale markten en ondersteunende diensten zoals financiële
producten (krediet, verzekeringen e.d.) en infrastructuur. Nederland zal programma’s
ondersteunen gericht op innovaties in landbouwproductie, ketens en markten
die aansluiten bij lokale en/of regionale agenda’s. Tevens zullen succesvolle
partnerschappen die gericht zijn op het vergroten van markttoegang voor landbouwproducten
worden uitgebouwd door knelpunten in specifieke ketens gericht aan te pakken.</al>
      <tuskop letat="cur">Veiligheid en ontwikkeling</tuskop>
      <al>Een andere beleidsintensivering betreft fragiele staten, aangezien in
deze landen de achterstanden bij het realiseren van de millennium ontwikkelingsdoelen
het grootst zijn en de essentiële voorwaarden voor het bereiken hiervan
vaak ontbreken. In Afrika hangt de mate van fragiliteit van een land en het
risico op het uitbreken van gewapende conflicten nauw met elkaar samen. Er
zijn nog teveel landen in Afrika waar de veiligheid zelf in het geding is,
waar ongecontroleerd geweld wordt gebruikt ten koste van burgers en hun soms
schamele bezittingen. Vrede en veiligheid staan dan ook bovenaan de agenda
in deze landen. Wij zullen de door IOB vastgestelde grotere nadruk in het
Nederlandse Afrikabeleid op de bevordering van vrede, veiligheid en ontwikkeling
continueren, inclusief de door de evaluatie ondersteunde geïntegreerde
aanpak, waarbij de relevante instrumenten van buitenlands beleid, ontwikkelingssamenwerking
en defensie op een onderling samenhangende manier worden ingezet (aanbeveling
12). In de nota «Een zaak voor iedereen» wordt dit ook specifiek
genoemd. Goede voorbeelden van deze geïntegreerde aanpak zijn Sudan,
de Democratische Republiek Congo en Burundi. Zoals bepleit door de evaluatoren
zal Nederland daarbij sterk blijven inzetten op actie in multilateraal verband,
zoals nu ook reeds in genoemde landen de praktijk is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De genoemde onevenwichtigheden in het vrede en veiligheidsbeleid voor
de Grote Meren als gevolg van de ongelijke toegang tot budgetmiddelen van
partneren niet-partnerlanden behoort inmiddels tot het verleden. Door Congo
en Burundi tot partnerlanden te maken, is de voorwaarde gecreëerd voor
een actievere Nederlandse inzet. De nieuwe landenindeling heft het door IOB
geconstateerde onderscheid op en doet recht aan de verschillen in de uitgangspositie
van de specifieke landen (aanbeveling 13).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De evaluatie vraagt terecht om meer aandacht voor de extra kwetsbare positie
van vrouwen bij gewapende conflicten. Ook op dit terrein is de samenwerking
met het ministerie van Defensie in internationale fora en in het veld geïntensiveerd
(aanbeveling 11). Het Nederlands Nationaal Actieplan ten behoeve van VN-veiligheidsresolutie
1325 over vrouwen, vrede en veiligheid is inmiddels ondertekend en in uitvoering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wat betreft de overigens in de evaluatie zeer positief beoordeelde Nederlandse
humanitaire hulpinspanningen, delen wij de geuite zorgen over de «kloof»
tussen het verlenen van humanitaire hulp en de meer structurele vormen van
ondersteuning in post-conflict landen.</al>
      <al>Deze kloof vormt inderdaad een belangrijke belemmering voor een succesvolle
wederopbouw. Zowel in de praktijk, bijvoorbeeld bij de Nederlandse wederopbouwhulp
in Zuid-Sudan, als door middel van internationale afspraken (de ook door Nederland
onderschreven principes van <nadruk type="cur">Goed Humanitair Donorschap)</nadruk> besteedt Nederland hieraan reeds de nodige aandacht. De binnenkort
aan de Tweede Kamer aan te bieden notitie over veiligheid en ontwikkeling
in fragiele samenlevingen gaat nader op deze kloof in (aanbeveling 14).</al>
      <tuskop letat="cur">Goed bestuur</tuskop>
      <al>Naast de hierboven genoemde intensiveringen zal de Nederlandse inzet een
scherper politiek accent krijgen. Uitgangspunt daarbij is dat ontwikkelingslanden
de baas blijven over hun eigen ontwikkelingsproces. Vanuit dat perspectief
beoordelen wij de opmerkingen in de evaluatie over de vormgeving van het beleid
op het gebied van goed bestuur, het technische karakter van de toetsingsinstrumenten
en de versterking van de rechtsstaat.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Doordat IOB zich in zeer beperkte mate rekenschap geeft van de veranderende
internationale en nationale context is haar conclusie, dat de vormgeving van
beleid voor goed bestuur moeizaam was, naar onze mening nogal kort door de
bocht. Goed bestuur is de afgelopen jaren geëvolueerd van een vooral
technisch naar een meer politiek gedefinieerd begrip, waarbij niet alleen
de aanwezigheid van formele instituties, maar ook de wijze waarop de principes
van goed bestuur in de praktijk worden gebracht, centraal staan. Dat is een
positieve ontwikkeling. Gezien complexiteit van dit beleidsterrein is het
echter niet verwonderlijk dat een nadere, in de praktijk bruikbare uitwerking
niet alleen in Nederland maar ook internationaal met vallen en opstaan gepaard
gaat. Wij zijn het van harte met IOB eens dat een te technische analyse het
zicht ontneemt op de realiteit achter de façade van formele instituties
in Afrika. Nieuwe initiatieven om tot een meer politieke benadering te komen
zijn reeds in uitvoering. Wij hebben opdracht gegeven tot het uitvoeren in
alle partnerlanden van een zogeheten <nadruk type="cur">Strategic Governance
and Corruption Analysis</nadruk> die in kaart brengt wat onderliggende oorzaken
zijn van goed bestuursproblemen (aanbeveling 10). Een dergelijke analyse is
reeds uitgevoerd in Benin, Burkina Faso, Ethiopië, Tanzania, Rwanda en
Uganda.</al>
      <al>Deze analyses bieden mogelijkheden voor een op de lokale context toegesneden
en dus realistische benadering van de goed bestuursproblematiek. Ook hebben
wij ambassades in de partnerlanden geïnstrueerd de politieke dialoog
over goed bestuursaangelegenheden te intensiveren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is goed te vernemen dat er voor de Nederlandse programma’s voor
versterking van de rechtsstaat grote waardering bestaat. Wel was er volgens
de evaluatoren sprake van relatief weinig aandacht voor de hogere doelstellingen
van de rechtsstaat in deze programma’s. De notitie «Naar een menswaardig
bestaan», die onlangs aan de Tweede Kamer is aangeboden, geeft de aanzet
om in deze lacune te voorzien (aanbeveling 10).</al>
      <tuskop letat="cur">Zeggenschap</tuskop>
      <al>Naar de mening van IOB worden de pretenties van donoren (inclusief Nederland)
over bevordering van zeggenschap van de ontvanger maar ten dele waargemaakt.
Zeggenschap is vaak een wassen neus volgens de evaluatoren<nadruk type="cur">.</nadruk> Dit zou ook gelden voor algemene begrotingssteun en sectorale steun,
modaliteiten die juist een grotere zeggenschap beogen.</al>
      <al>Voor zover er sprake is van nationaal <nadruk type="cur">ownership</nadruk>,
beperkt die zich veelal tot het desbetreffende ministerie van Financiën.
Hoewel wij deze – weinig genuanceerde- conclusie graag voor rekening
van IOB laten, erkennen wij wel dat hier een spanningsveld ligt. De kwestie
van zeggenschap is problematisch om drie redenen. Ondanks allerlei afspraken
over zeggenschap bepalen donoren meestal de agenda omdat de verhouding tussen
donoren en partnerlanden nu eenmaal niet gelijkwaardig is en donoren in de
praktijk een geringe bereidheid vertonen om eigen prioriteiten aan te passen
en hun zichtbaarheid te verminderen. In de tweede plaats is de beperkte mate
van zeggenschap ook terug te voeren op de in eerdere beleidsreacties (over
sectorale benadering en over onderzoeksbeleid) gememoreerde paradox: de spanning
tussen de wens om de partners in het Zuiden de samenwerking vorm te laten
geven en het ontbreken van voldoende capaciteit hiervoor. Dit leidt er ook
toe dat partneroverheden de zeggenschap vaak zelf niet voldoende opeisen.
De vaak overheersende rol van het ministerie van Financiën hangt doorgaans
samen met de aanwezige capaciteit in dit ministerie. Ten derde bestaat er
niet zelden een spanning tussen zeggenschap van de ontvangende overheid en
de donorwensen ten aanzien van de legitimiteit van bestuur.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze problemen ontslaan ons echter niet van de verplichting om te proberen
hierin verbetering te brengen. Uit de IOB-evaluatie van de sectorale benadering
uit 2006 blijkt dat Nederland meer dan andere donoren ruimte laat voor eigen
besluitvorming. In dit rapport wordt geconstateerd dat het met name de internationale
financieringsinstellingen zijn die zich intensief bemoeien met het <nadruk type="cur">Poverty Reduction Strategy Paper</nadruk>, en het macro- en sectorbeleid<voetref refid="v8.1" nr="1"></voetref>. Nederland zal zich sterk blijven maken voor het terugdringen
van beleidsmatige conditionaliteiten die de partnerlanden voorschrijven hoe
zij hun beleid moeten ombuigen. In plaats daarvan zet Nederland zich op landenniveau
en internationaal sterk in voor een resultaatgerichte benadering, waarin de
beleidsdialoog en eventuele condities voor financiering gekoppeld zijn aan
de ontwikkelingsresultaten – en daarvoor benodigde maatregelen –
die partnerlanden zelf hebben geformuleerd. Zo zet Nederland zich in Uganda
in voor een gerichte focus op twee indicatoren in de onderwijssector –
de aanwezigheid van leraren op school en het beperken van uitval van leerlingen –
die nauw verbonden zijn aan de kwaliteit van het onderwijs. Deze indicatoren
zijn ontleend aan het Ugandese onderwijsbeleid, maar vergen van de overheid
wel een grote inspanning die raakt aan «politieke» belangen (onderwijzers
vormen een belangrijke achterban voor de president).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een belangrijk uitgangspunt blijft dat de Nederlandse overheid –
anders dan bedrijven en NGO’s – overheden in onze partnerlanden
als natuurlijke partner heeft. Een ministerie van Financiën vervult een
belangrijke rol als hoeder van de begroting. Maar we overleggen ook intensief
met de vakministeries van bijvoorbeeld onderwijs, gezondheidszorg en milieu,
en met niet-gouvernementele organisaties. De veelzijdige Nederlandse inzet
in termen van partnerkeuze wordt weerspiegeld in het aandeel van verschillende
hulpmodaliteiten: begrotingssteun maakte in 2007 19% uit van de bilaterale
hulp aan de partnerlanden en sectorale programmasteun 26%. In de beleidsbrief
is het belang onderstreept van politieke verantwoording binnen de partnerlanden
zelf. Wij kunnen daar als donoren een rol in spelen door actiever participatie
te bevorderen van lokale belanghebbenden zoals parlement, lokale overheden,
maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven bij het nationale (politieke)
besluitvormingsproces. Wij zullen de komende jaren veel werk maken van versterking
van <nadruk type="cur">checks and balances</nadruk> in de landen zelf (aanbeveling
10 en 15). In samenwerking met organisaties zoals SNV en <nadruk type="cur">Netherlands Institute for Multiparty Democracy</nadruk> zullen wij de lokale
verantwoording versterken. Nederland zal zich ervoor inzetten dat de inspanningsverplichtingen
zoals vastgelegd in de Verklaring van Parijs ook hun weerslag
vinden in <nadruk type="cur">memoranda of understanding</nadruk>. Daarin zullen
met partnerlanden afspraken worden gemaakt over zowel meerjarige hulp en goed
bestuur als de rol van de lokale bevolking bij de vaststelling van de prioriteiten
en controle op uitvoering van het beleid.</al>
      <tuskop letat="cur">Begrotingssteun</tuskop>
      <al>Begrotingssteun wordt niet alleen door donoren en partnerlanden gezien
als de financieringsmodaliteit die het meest bijdraagt aan versterking van
de zeggenschap en de eigen capaciteit van het partnerland, maar inmiddels
ook door NGO’s zoals Oxfam/Novib.</al>
      <al>Begrotingssteun is de meest radicale wijze om de transactiekosten van
donorsteun terug te dringen, omdat donoren immers volledig aansluiten bij
de nationale beleidsprioriteiten en begrotingssystematiek. De IOBevaluatie
onderkent dat begrotingssteun positieve gevolgen heeft voor donorharmonisatie
en bijdraagt aan toenemende efficiëntie en effectiviteit van de publieke
sector in de desbetreffende landen. Dit betreft met name de capaciteit voor
planning, begroting en verantwoording op het nationale niveau. Tevens biedt
begrotingssteun beter dan projectsteun een ingang om de tekortkomingen in
het beheer van publieke middelen, inclusief corruptiegevoelige procedures,
te bespreken. Daarnaast heeft begrotingssteun nog een belangrijke functie,
namelijk het uitbreiden van de financiële armslag voor betere dienstverlening
door de overheid en uitgaven die economische groei kunnen stimuleren.</al>
      <al>Zowel de ruimte voor investeringen als voor het behouden, beter opleiden
en uitbreiden van personeel neemt toe. Met name onderwijs en gezondheidszorg
hebben zich mede dankzij de stijgende begrotingssteun sterk uit kunnen breiden.
Dat we daarin zijn geslaagd, blijkt ook uit de evaluatie van algemene begrotingssteun
die een groep donoren, waaronder Nederland, gezamenlijk liet uitvoeren<voetref refid="v9.1" nr="1"></voetref> en waarover ik u in 2006 rapporteerde.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>IOB merkt op dat de uiteindelijke effecten van algemene begrotingssteun
op economische groei en de armoedesituatie in de partnerlanden niet zijn aangetoond
in de internationale evaluatie. Dat ligt voor de hand; het effect van begrotingssteun
kan moeilijk worden geïsoleerd van het algemene sociale en economische
beleid van het partnerland zelf.</al>
      <al>Bovendien zijn er veel andere contextspecifieke factoren van invloed op
groei en (inkomens)armoede. Maar dit betekent natuurlijk niet het omgekeerde:
dat begrotingssteun géén positief effect heeft. Door de hierboven
genoemde drastische uitbreiding van de sociale dienstverlening hebben, zoals
IOB zelf constateert, ook meer armen toegang gekregen tot onder andere basisonderwijs
en gezondheidszorg. Een relatie tussen die verruimde toegang en armoedevermindering
is plausibel. De kwaliteit van diensten houdt echter nog geen gelijke tred
met de kwantitatieve uitbreiding. Daarnaast zijn er niet altijd voldoende
gegevens beschikbaar over wie er wel en niet worden bereikt. Dit zijn onderwerpen
waaraan in toenemende mate aandacht wordt besteed in de beleidsdialoog. Het
is van belang dat ook deze aspecten in evaluaties nader onderzocht worden,
iets dat binnen het kader van de genoemde internationale evaluatie begrotingssteun
niet is gebeurd. Wij zijn het eens met IOB dat nader onderzoek nodig is om
scherper in kaart te brengen waaraan begrotingssteun – zowel de geldstroom
als de daaraan gekoppelde dialoog – wel en niet bijdraagt (aanbeveling
7). Of daadwerkelijk causaliteit zal kunnen worden vastgesteld tussen gekozen
beleidsinzet, ingezette middelen en resultaten blijft een vraag. Er ligt zowel
voor IOB als voor ons een uitdaging om hiervoor een methodologie te ontwikkelen.
De sterk toegenomen inzet van IOB, maar ook internationaal, om impactevaluaties
uit te voeren geeft aan dat deze uitdaging ook wordt opgepakt. Het zal duidelijk
zijn dat ook wij graag een beter inzicht zouden hebben in de effecten van
begrotingssteun op armoede, waarbij ook gebruik kan worden gemaakt van op
microniveau verkregen informatie. De paragraaf over kennis van
veranderingsprocessen gaat hierop in.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>IOB beveelt aan grotere terughoudendheid te betrachten bij het verlenen
van algemene begrotingssteun bij schending van mensenrechten, slecht beheer
of onvoldoende corruptiebestrijding door de overheid (aanbeveling 6). Wij
wijzen er op dat nu reeds per land een gedegen sociaaleconomische en politieke
analyse plaatsvindt voordat begrotingssteun wordt verstrekt. Hierbij komen
genoemde aspecten uitgebreid aan bod. Het zogeheten <nadruk type="cur">track
record</nadruk> is een belangrijk instrument voor een integrale afweging van
de beleids- en beheersmatige risico’s en de wijze waarop deze kunnen
worden ondervangen. Dit instrument heeft bijgedragen aan een meer objectieve
toetsing van die risico’s. Het maken van de afweging en het analyseren
van die risico’s draagt uiteraard altijd een subjectief element in zich,
maar door de onderlinge vergelijkbaarheid bij de beoordeling van een groot
aantal landen, het gebruik van internationale <nadruk type="cur">benchmarks</nadruk> en de verwijzing naar bronnen wordt dit zo veel mogelijk beperkt.
In de afgelopen jaren is het track record herhaaldelijk aangepast om de analyse
zoveel mogelijk te objectiveren. Dat is iets anders dan dat het instrument
complex zou zijn. Het stelt wel uitdagingen aan onze medewerkers, maar dat
is een inspanning die we aan onszelf en onze partners verplicht zijn. Het <nadruk type="cur">track record</nadruk>is ook geen instrument om alleen goed bestuur
te beoordelen, zoals door IOB wordt gesuggereerd. Het besluit om al dan niet
tot begrotingssteun over te gaan betreft uiteindelijk een landenspecifieke
afweging, waarbij politieke overwegingen eveneens een rol kunnen spelen. Zo
kan onder voorwaarden ook in de meer fragiele landen worden besloten tot begrotingssteun,
omdat deze het meest directe effect heeft op het vermogen van de overheid
bepaalde basisdiensten te herstellen of uit te breiden.</al>
      <al>Burundi is hiervan een voorbeeld. De controle door donoren op het transparante
gebruik van begrotingsmiddelen is in deze landen scherper dan in landen met
een beter bestuur. Het is echter niet realistisch in landen met een zeer beperkte
capaciteit een lange lijst resultaatindicatoren aan begrotingssteun te verbinden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is juist dat Nederland met het <nadruk type="cur">track record</nadruk> een
eigen systeem hanteert. Overigens hanteren ook andere donoren ieder hun eigen
systeem. Nederland analyseert met het <nadruk type="cur">track record</nadruk>systematisch
en heeft altijd open gestaan voor het delen van deze informatie met andere
donoren. Bovendien wordt gebruik gemaakt van analyses van andere donoren.
Ook met partnerlanden wordt hierover gecommuniceerd, omdat de beoordeling
in het <nadruk type="cur">track record</nadruk> wordt gebruikt als input voor
de beleidsdialoog. De mogelijke spanning tussen het <nadruk type="cur">track
record</nadruk> en het <nadruk type="cur">Performance Assessment Framework</nadruk> (PAF) wordt erkend en bij de laatste aanpassing van het <nadruk type="cur">track record</nadruk> in juli 2007 is zorg gedragen voor een betere aansluiting
tussen deze twee monitoringsinstrumenten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij willen er ook op wijzen dat begrotingssteun vrijwel altijd gepaard
gaat met maatregelen ter verbetering van beheer, verantwoording en aanwending
van de publieke middelen. Dit wordt vastgelegd in een <nadruk type="cur">Memorandum of Understanding</nadruk> en met een set van voortgangsindicatoren
(de PAF). Wij zullen begrotingssteun niet alleen gebruiken als een ingang
voor een kritische dialoog over verantwoord gebruik van de begrotingsmiddelen
en de hiermee te bereiken resultaten maar ook over meer «politieke»
onderwerpen zoals sociale uitsluiting, mensenrechten en de kwaliteit van het
bestuur, inclusief de vertaling van nationaal beleid in tastbare resultaten
op lokaal niveau. De mensenrechten worden daarnaast ook nog besproken in de
zogenaamde artikel VIII dialoog in het kader van het EU-Verdrag van Cotonou.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wat de beleidsmatige basis voor begrotingssteun betreft, die volgens IOB
zou ontbreken, verwijzen wij naar de informatie die de Kamer hierover in het
verleden heeft ontvangen<voetref refid="v11.1" nr="1"></voetref>.</al>
      <al>Daarnaast zijn ook internationaal verschillende publicaties verschenen
die de inzet van deze hulpmodaliteit ondersteunen, zoals bijvoorbeeld die
van de OESO/DAC (<nadruk type="cur">Harmonising donor practices for effective
aid delivery</nadruk>). Over de toewijzing van macrosteun in meer algemene
zin is het parlement jaarlijks tot 2004 geïnformeerd door middel van
de zogeheten macrobrief. Op verzoek van de Tweede Kamer is vanaf 2005
deze rapportage in het jaarverslag van het ministerie van Buitenlandse Zaken
geïntegreerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de evaluatie wordt aangegeven dat bestedingsdruk vanwege het plafond
van 0,8% voor <nadruk type="cur">Official Development Assistance</nadruk> (ODA)
van invloed is op de hoogte van begrotingssteun.</al>
      <al>Thans is als gevolg van beter begrotingsbeheer van de ODA-middelen daar
steeds minder sprake van en berust de beslissing om begrotingssteun te verstrekken
vooral op beleidsmatige afwegingen. Zowel het besluit om tot begrotingssteun
over te gaan als de hoogte ervan wordt, zoals hierboven aangegeven, bepaald
op basis van een landenspecifieke afweging en behoefte aan middelen in dat
land. Indien er door onverwachte ontwikkelingen – zoals bijvoorbeeld
de in het rapport genoemde schuldkwijtschelding – verandering ontstaat
in de beschikbaarheid van ODA-middelen voor een bepaald jaar, wordt de verandering
in de beschikbaarheid van middelen zoveel mogelijk ingezet op een wijze die
de onderliggende programmering in landen dan wel programma’s niet beïnvloedt.
Zo wordt de precieze jaarlijkse omvang van de meerjarige Nederlandse bijdrage
aan multilaterale instellingen en fondsen mede bepaald in het licht van de
beschikbaarheid van middelen.</al>
      <tuskop letat="cur">Schuldkwijtschelding</tuskop>
      <al>In het rapport wordt nogmaals de reeds uit een eerdere evaluatie bekende
conclusie herhaald dat de Nederlandse schatkist zou profiteren van de kwijtschelding
van exportkredietschulden en dat het onduidelijk is wat het voor de armen
in Afrika doet. De volledige rekening zou volgens IOB immers uit de begroting
van ontwikkelingssamenwerking worden betaald, terwijl het hier geen ontwikkelingsrelevante
transacties zouden betreffen en de desbetreffende premies kostendekkend geacht
worden te zijn. Het is echter goed om een onderscheid te maken tussen de vraag
of schuldkwijtschelding een zinnig hulpinstrument is en de wijze waarop de
budgettaire toerekening plaats vindt.</al>
      <al>Het is een gemiste kans dat de evaluatoren vooral ingaan op de budgettaire
toerekening van schuldverlichting, maar (te) weinig aandacht besteden aan
de positieve effecten van schuldverlichting voor Afrika. De grote schuldverlichtinginitiatieven
van de afgelopen jaren (zoals <nadruk type="cur">Heavily Indebted Poor Countries</nadruk>) leidden tot verbeterde kredietwaardigheid van deze landen, tot
nieuwe financiering voor ontwikkelingsdoelen, grotere macro-economische stabiliteit
en – door de intensieve samenwerking met internationale financiële
instellingen – beter begrotingsbeheer. Dit hebben ook verschillende
studies (bijvoorbeeld van Wereldbank, IMF, AfDB) uitgewezen. Nederland blijft
dan ook van harte initiatieven ondersteunen voor schuldverlichting en -kwijtschelding
voor de armste zwaarverschuldigde ontwikkelingslanden onder internationaal
overeengekomen voorwaarden. In die zin is de focus van de evaluatoren op Nigeria
en DRC ook te beperkt. Weliswaar had schuldkwijtschelding voor die landen
de grootste budgettaire consequenties, maar vooral de schuldkwijtschelding
voor Nigeria is een zeer atypisch geval gebleken. Besluitvorming over deze
schuldkwijtschelding was geen bilaterale aangelegenheid maar is het gevolg
van internationale afspraken. Naar aanleiding van de aanbeveling van de evaluatoren
tot aanvullend onderzoek over de totstandkoming en resultaten van de kwijtschelding
van exportkredietschulden zullen wij in internationaal verband
nagaan of hieraan behoefte bestaat (aanbeveling 4). Aan de positieve effecten
voor al die andere (meer dan 20) <nadruk type="cur">Heavily Indebted Poor
Countries</nadruk> die de afgelopen jaren schuldverlichting, o.m. met Nederlandse
hulp, kregen, wordt door de IOB geen aandacht besteed. Daarbij tekenen wij
ook graag aan dat Nederland zich bij schuldverlichting al jaren inzet voor
het maken van duidelijke afspraken over armoedebestrijding, corruptiebestrijding
en bestuurlijke en economische hervormingen in debiteurlanden die voor schuldverlichting
in aanmerking komen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals in «Een zaak van iedereen» wordt aangegeven, is verantwoord
schuldenbeheer daarbij net zo goed een verantwoordelijkheid van crediteuren
als debiteuren. Daarom pleit de Nederlandse regering internationaal voor nieuwe
afspraken hierover. Zo heeft de OESO onlangs, mede op aandringen van Nederland,
regels vastgesteld voor het verantwoord verstrekken van (export)kredieten
aan zwaarverschuldigde ontwikkelingslanden. Ook in eigen land zal de regering
dit in haar herverzekeringsbeleid uitwerken. In dit verband refereren wij
aan de brief aan de Tweede Kamer van 13 juni 2007 over toerekening van
schuldkwijtschelding aan de OS-begroting.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de evaluatie wordt vooral een beschrijving gegeven van de wijze van
toerekening van kwijtschelding van exportkredietschulden aan de ontwikkelingsbegroting.
Het kabinet heeft echter besloten om deze toerekening van schuldkwijtschelding
in de huidige regeerperiode te handhaven (aanbeveling 3 en 5). Nederland volgt
met deze methode van toerekening de regels van de OESO/DAC, die schuldkwijtschelding
als ontwikkelingsrelevant aanmerken. Hierbij zij opgemerkt dat de afgelopen
jaren in zowel het parlement als de media al veelvuldig is gediscussieerd
over de toerekening van schuldkwijtschelding aan de ODA-begroting, mede naar
aanleiding van de IOB evaluatie ter zake uit 2003. Alleen al in 2007 werden
er twee Kamerbrieven over dit onderwerp naar de Kamer gestuurd, vonden er
twee voorlichtingsbijeenkomsten voor Kamerleden plaats en hebben de ministers
van Financiën en voor Ontwikkelingssamenwerking uitgebreid met de Tweede
kamer over dit onderwerp van gedachten gewisseld.</al>
      <tuskop letat="cur">Kennis van veranderingsprocessen in Afrika</tuskop>
      <al>In de evaluatie wordt gesteld dat de kennis op het ministerie van Buitenlandse
Zaken over landenspecifieke veranderingsprocessen – zowel op het macro-,
meso- als microniveau – snel achteruit gaat. Deze bevinding onderschrijven
wij ten dele. Als gevolg van de overgang naar sectorale en macrosteun is de
analyse en het inzicht van ambassades in bestuurlijke en politieke processen
op het nationale niveau in de partnerlanden juist toegenomen.</al>
      <al>Daarentegen erkennen wij dat de kennis van de armoedesituatie op lokaal
niveau afneemt en dat deze kennis onontbeerlijk blijft voor een zinvol beleid
voor ontwikkelingssamenwerking.</al>
      <al>Er is meer kennis nodig van de situatie op lokaal niveau, die kan worden
verkregen via analyse, impactmeting, netwerken en dialoog met relevante actoren.
Met dit doel zijn in 2007 voor alle sectoren zogenaamde sectorale track records
opgesteld, die de hele sector van nationaal beleid tot bijvoorbeeld de dienstverlening
in scholen en klinieken in kaart brengen.</al>
      <al>Posten worden geadviseerd over en ondersteund in het gebruik van instrumenten
zoals <nadruk type="cur">Public Expenditure Tracking Surveys</nadruk>, die
de geldstroom volgen tot aan het niveau van de werkelijke uitvoering, enquêtes
onder de bevolking over de kwaliteit van en toegang tot diensten, impactevaluaties
en andere geëigende instrumenten. Decentralisatieprocessen krijgen weer
meer aandacht in het beleid. Maar ook hier geldt dat Nederland vooral de capaciteit
van het partnerland wil versterken. Zo wordt de komende jaren
gezamenlijk met het Verenigd Koninkrijk een substantieel bedrag uitgetrokken
voor versterking van de capaciteit voor relevante gegevensverzameling. Voorts
zal door intensievere samenwerking beter gebruik worden gemaakt van de aanwezige
kennis over de impact van de Nederlandse hulpinspanningen op districts- en
lokaal niveau bij Nederlandse maatschappelijke organisaties zoals SNV en VNG
en van organisaties in de partnerlanden zelf.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onze analyse en interventies zullen relevanter worden naarmate we meer
rekening houden met de (politieke) realiteit achter de façade en de
percepties van de lokale bevolking zelf. Zo is een beter begrip nodig van
hoe met name de patroon-cliënt relaties in de praktijk van een bepaald
land werken. We zullen vaker onze «patronagebril» moeten opzetten.
Daartoe wordt in elk partnerland een eerder gememoreerde corruptie- en bestuursanalyse
uitgevoerd. Ook zal in de dialoog met het partnerland in kwestie steeds weer
worden gelet op de betrokkenheid van de direct belanghebbenden bij beleidsvorming
enuitvoering.</al>
      <tuskop letat="cur">Ten slotte</tuskop>
      <al>Het Nederlandse Afrikabeleid heeft zijn waarde bewezen. Maar dat betekent
niet dat we met de armen over elkaar kunnen blijven zitten. Gezien de complexiteit,
diversiteit en omvang van de uitdagingen waarvoor Afrika zich ziet gesteld,
zullen we ons voortdurend moeten blijven afvragen of onze aanpak voldoende
aansluit bij wat er aan de hand is in Afrika. Alleen dan is een Afrikabeleid
mogelijk dat tegelijkertijd ambitieus en realistisch is. De onlangs aan u
toegezonden notities «Naar een menswaardig bestaan, een mensenstrategie
voor het buitenlands beleid» en «Een zaak van iedereen; investeren
in ontwikkeling in een veranderende wereld» geven daartoe een belangrijke
nieuwe aanzet. In dat licht interpreteren we de bevindingen uit deze evaluatie
en beschouwen deze als een nuttige bijdrage aan dit streven.</al>
      <tuskop letat="vet">Bijlage bij beleidsreactie Afrikaevaluatie</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Aanbevelingen uit het evaluatierapport (hoofdstuk 17)</tuskop>
      <al>1. Maak duidelijke keuzes en focus het beleid</al>
      <al>2. Revitaliseer de armoedefocus</al>
      <al>3. Breng de kwijtschelding van de exportkredietschulden niet langer ten
laste van de begroting van Ontwikkelingssamenwerking</al>
      <al>4. Voer snel aanvullend (evaluatie)onderzoek uit naar de totstandkoming
en resultaten van de kwijtschelding van exportkredietschulden aan Nigeria
en de DRC</al>
      <al>5. Wanneer de schuldkwijtschelding ten laste komt van de middelen voor
ontwikkelingssamenwerking dient de financiering additioneel plaats te vinden</al>
      <al>6. Wees terughoudender met het geven van algemene begrotingssteun aan
regeringen die mensenrechten schenden, de publieke sector slecht beheren of
corruptie onvoldoende bestrijden</al>
      <al>7. Voer snel aanvullend (evaluatie)onderzoek uit naar de effecten van
algemene begrotingssteun op economische groei en armoedevermindering</al>
      <al>8. Ga door met onderwijs, met meer aandacht voor kwalitatieve aspecten</al>
      <al>9. Doe meer aan de productieve sectoren, vooral in de landbouwsector en
op het platteland</al>
      <al>10. Zet meer in op de versterking van <nadruk type="cur">checks and balances</nadruk>bij armoedebestrijding en de bevordering van mensenrechten</al>
      <al>11. Besteed meer aandacht aan <nadruk type="cur">gender</nadruk></al>
      <al>12. Continueer de samenwerking met het ministerie van Defensie</al>
      <al>13. Maak budgetten voor wederopbouw en ontwikkeling standaard in het regionale
beleid</al>
      <al>14. Maak serieus werk van de overgang van humanitaire naar structurele
hulp</al>
      <al>15. Kies voor een realistische benadering van <nadruk type="cur">ownership</nadruk>, zonder retoriek</al>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>Zie <nadruk type="cur">«Evaluation of General Budget Support: Synthesis
report. A joint evaluation of General Budget Support 1994–2004»</nadruk>, juni 2006. <nadruk type="cur">«Impact Evaluation Water Supply
and Sanitation Programmes Shinyanga Region, Tanzania 1990–2006»</nadruk>, oktober 2007. <nadruk type="cur">«Dutch Humanitarian Assistance:
an evaluation»</nadruk>, oktober 2006. «HIV/Aids, malaria en andere
levensbedreigende ziekten» en «seksuele en reproductieve gezondheid
en rechten», november 2007. «Van Projecthulp naar Sectorsteun.
Evaluatie van de sectorale benadering 1998–2005», april 2006. «Resultaten
van Internationale Schuldverlichting 1990–1999», 2003.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>Aangezien in het IOB rapport de aanbevelingen niet genummerd zijn, zijn
ten behoeve van de beleidsreactie deze aanbevelingen genummerd en in een bijlage
bij de beleidsreactie opgenomen.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v8.1" nr="1">
    <al>Zie Van Projecthulp naar Sectorsteun; evaluatie van de sectorale benadering
1998–2005, hoofdbevinding 7, pagina 12: «Nederland heeft bijgedragen
aan het scheppen van betere voorwaarden voor <nadruk type="cur">ownership</nadruk> door in de sociale sectoren de besluitvorming over de hulp steeds
meer over te laten aan de ontvangende overheid en door de hulp af te stemmen
op de beleids- en beheerskaders van deze overheid».</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v9.1" nr="1">
    <al>Zie <nadruk type="cur">Evaluation of General Budget Support: Synthesis
report. A joint evaluation of General Budget Support 1994–2004</nadruk>,
juni 2006.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v11.1" nr="1">
    <al>In 1998 werd de Nota Beheer en Toezicht uitgebracht om de Kamer op de
hoogte te stellen van de criteria die het ministerie van Buitenlandse Zaken
hanteert bij de besluitvorming omtrent begrotingssteun. De notitie «Macro-georiënteerde
programmahulp», aangeboden aan de Tweede Kamer in december 1999, was
een eerste uitwerking hiervan.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>