﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29223-10/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2003-2004</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.6.1__3.2" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST78001</ordernr>
    <vergjaar>2003-2004</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 223</nummer>
      <naam>Direct gekozen burgemeester</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>10</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTERS VOOR BESTUURLIJKE VERNIEUWING EN KONINKRIJKSRELATIES
EN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>29 juni 2004</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hierbij treft u ter uitvoering van de motie Hamer-Spies (kamerstukken
II 2003/04, 29 223, nr. 6) een notitie aan over de verschillende invoeringsvarianten
voor de introductie van de gekozen burgemeester. De conclusie van de notitie
is dat de enige variant die in plaats van invoering ineens in 2006 in aanmerking
zou kunnen komen, invoering in twee fasen zou zijn. In deze variant zouden
in een deel van de gemeenten in 2006 de eerste burgemeestersverkiezingen plaatsvinden
en in een ander deel van de gemeenten in 2010. Wij menen dat deze variant
geen voor de hand liggend alternatief is voor invoering ineens in 2006, maar
zijn graag bereid hierover met de Kamer nader van gedachten te wisselen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals u bekend is, hebben diverse adviesorganen en (belangen)organisaties
op 21 mei jl. advies uitgebracht over de concept-wetsvoorstellen ter
invoering van de gekozen burgemeester. Wij zijn deze organisaties erkentelijk
dat zij op de korte termijn van 6 weken advies hebben uitgebracht. Wij zijn
bovendien verheugd dat in de adviezen uitgebreid ingegaan wordt op de vormgeving
van de gekozen burgemeester die het kabinet heeft gekozen en dat in dat verband
vele waardevolle suggesties zijn gedaan. De wetsvoorstellen zijn naar aanleiding
van de adviezen op belangrijke onderdelen aangepast en ter advisering voorgelegd
aan de Raad van State. Enkele belangrijke aanpassingen betreffen</al>
      <al>• de benoeming van de gemeentesecretaris (thans: door het college
op voordracht van de burgemeester);</al>
      <al>• de procedure die tot ontslag van de burgemeester kan leiden (openbaarheid
beraadslagingen van de raad in beide fasen, de mogelijkheid voor de minister
om de commissaris van de Koningin in te schakelen in een ontslagprocedure
door de minister, een verplichting om de ontslaggrond te vermelden in het
ontslagbesluit, beroep bij de rechter tegen ontslag, tenzij dat ontslag is
gegrond op een onwerkbare verhouding tussen burgemeester en raad);</al>
      <al>• een wijziging van de verkiezingsprocedure inhoudende dat niet de tweede, maar de eerste ronde van de burgemeestersverkiezing gelijktijdig
met de verkiezing voor de gemeenteraad zal plaatsvinden (waarmee de vrees
voor beïnvloeding van de opkomst bij en de uitslag van de raadsverkiezing
door de uitslag van de eerste ronde van de burgemeestersverkiezing wordt weggenomen);</al>
      <al>• schrapping van het verbod om tegelijkertijd kandidaat te zijn voor
de verkiezing van de gemeenteraad;</al>
      <al>• verdere aanscherping van de regeling inzake de campagnefinanciering
(regeling van een instantie belast met het toezicht op de naleving, verplichting
voor gemeenten een verordening inzake ondersteuning van kandidaten vast te
stellen, opneming van een bepaling dat ondersteuning kan bestaan uit het verstrekken
van subsidie, en de opneming van de wettelijke norm dat voorwaarden voor ondersteuning
voor iedere kandidaat gelijkelijk gelden).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aan het begin van het najaar hopen wij de wetsvoorstellen bij de Kamer
te kunnen indienen. Op dat moment zal – via de toelichtingen bij de
wetsvoorstellen en het nader rapport – gemotiveerd worden aangegeven
welke onderdelen van de adviezen, inclusief het nog te verschijnen advies
van de Raad van State, aanleiding gegeven hebben tot bijstelling van de voorstellen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorafgaand aan de indiening van de wetsvoorstellen hebben wij de behoefte
op enkele aspecten die in het algemeen overleg over de Hoofdlijnennotitie
invoering direct gekozen burgemeester (kamerstukken II 2003/04, 29 223,
nrs. 3 en 9) aan de orde zijn geweest, nader in te gaan. Het betreft vraagstukken
die met name de positie van de raad regarderen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De positie van de raad heeft in het debat met Uw Kamer bijzondere aandacht
gekregen. Daarbij zijn verschillende zaken aan de orde geweest: het hoofdschap
van de raad, het voorzitterschap van de raad en de wens tot versterking van
de positie van de raad na invoering van de gekozen burgemeester.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wat het hoofdschap betreft heeft het kabinet duidelijk positie gekozen:
het hoofdschap van de raad moet worden gehandhaafd, niet vanwege het feit
dat het grondwettelijk is vastgelegd, maar omdat het hoofdschap – in
de zin van eindverantwoordelijkheid van de raad – voor het kabinet van
wezenlijke betekenis is. Met name in de regeling inzake de ontslagbevoegdheid
voor de raad, die naar aanleiding van de adviezen over de hoofdlijnennotitie
is opgenomen in de wetsvoorstellen, is dit tot uitdrukking gebracht. Uiteindelijk
heeft de raad in het geval er een onwerkbare verhouding tussen de burgemeester
en de raad ontstaat, de mogelijkheid de burgemeester met een tweederde meerderheid
heen te zenden. De bevoegdheid tot ontslag komt de raad daarnaast toe bij
handelen of nalaten van de burgemeester dat onverenigbaar is met een integere
vervulling van het ambt. Dat bij de toepassing van beide ontslaggronden door
de raad de eis geldt van een tweederde meerderheid en dat een zorgvuldige
procedure in acht moet worden genomen met een uitspraak van de raad in twee
instanties en een rol voor de commissaris van de Koningin, is noodzakelijk
met het oog op het eigen electorale mandaat van de gekozen burgemeester. Dit
doet niet af aan het gegeven dat in conflictsituaties die zodanig escaleren
dat van een onwerkbare verhouding moet worden gesproken, de raad het laatste
woord toekomt. Hiermee is op een cruciaal punt invulling gegeven aan het hoofdschap
van de raad.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast heeft het raadsvoorzitterschap van de burgemeester aanleiding
gegeven tot discussie. Wij hebben er kennis van genomen dat er een brede meerderheid
in de Tweede Kamer bestaat voor een aanpassing van de regeling
van artikel 125, derde lid, Grondwet terzake. In het eerder gememoreerde algemeen
overleg is van onze zijde dan ook toegezegd in het kabinet verder te willen
praten over de mogelijkheid van een spoedige grondwetsherziening op het punt
van het raadsvoorzitterschap.</al>
      <al>Inmiddels heeft het overleg in de ministerraad over deze grondwetsherziening
plaatsgevonden. Dit heeft erin geresulteerd dat een voorstel tot deconstitutionalisering
van het raadsvoorzitterschap gedurende de zomermaanden zal worden voorbereid
en in het najaar in procedure zal kunnen worden gebracht. De eerste lezing
van deze grondwetsherziening zal zodoende nog deze kabinetsperiode tot stand
kunnen worden gebracht. Voor de goede orde zij erop gewezen dat het kabinet
van oordeel is dat de wetsvoorstellen inzake de gekozen burgemeester zonder
bezwaar kunnen worden afgehandeld voordat dit voorstel tot wijziging van de
Grondwet in werking is getreden. Het voorstel strekt er immers niet toe grondwettige
beletselen voor de invoering van de gekozen burgemeester weg te nemen, maar
schept ruimte voor een andere wettelijke regeling op dit punt vanuit overwegingen
van bestuurlijke appreciatie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het algemeen overleg is ook de wens geuit de positie van de raad na
de invoering van de gekozen burgemeester verder te versterken.</al>
      <al>Allereerst zouden wij in dit verband onder de aandacht willen brengen
dat de gemeenteraad sinds de dualisering van het gemeentebestuur over een
keur aan formele bevoegdheden beschikt. Wij wijzen met name op de toekenning
van het onderzoeksrecht, de formeelwettelijke regeling van het vragenrecht,
het interpellatierecht alsmede het recht van initiatief en het recht van amendement
(zonder drempelsteun). Wij zien geen bijzondere mogelijkheden voor toekenning
van nieuwe, andere bevoegdheden, eenvoudigweg omdat de gemeenteraad naar ons
oordeel alle bevoegdheden heeft die hij als lokale volksvertegenwoordiging
nodig heeft om zijn controlerende en kaderstellende rol op een goede wijze
invulling te kunnen geven. Mocht echter in het kader van de evaluatie van
de dualisering blijken dat de bestaande bevoegdheden van de raad op onderdelen
voor verbetering vatbaar zijn, dan zijn wij vanzelfsprekend bereid om dit
mede vanuit de wens tot versterking van de positie van de raad met het oog
op de invoering van de gekozen burgemeester, te bezien.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Waar het de meer praktische kanten van de invulling van het raadslidmaatschap
betreft, wijzen wij erop dat raadsleden sinds de Wet dualisering gemeentebestuur
een formeel recht hebben op technische bijstand van ambtenaren enerzijds (artikel
33, eerste lid, Gemeentewet) en dat de in de raad vertegenwoordigde groeperingen –
de fracties – bovendien ook een formeel recht op ondersteuning hebben
(artikel 33, tweede lid, Gemeentewet). Het is niet goed mogelijk om deze formele
rechten voor ambtelijke bijstand en fractie-ondersteuning in een algemene
regeling als de Gemeentewet verder te concretiseren. Om die reden heeft de
wetgever ervoor gekozen aan gemeenteraden de verplichting op te leggen om
inzake beide vormen van ondersteuning van raadsleden een verordening vast
te stellen (artikel 33, derde lid, Gemeentewet). Recentelijk is met de VNG
is afgesproken dat bovenop de reeds eerder toegekende € 33 mln.
ter compensatie van de direct financiële gevolgen van de dualisering
van het gemeentebestuur in 2004 € 25 mln. extra dualiseringsgelden
aan het Gemeentefonds worden toegevoegd. Hoe gemeenten deze extra gelden aanwenden
staat hen vrij, maar in ieder geval zijn zij hiermee in staat een versterking
van de positie van raad in meer materiële zin vorm te geven. Dit kan
de vorm krijgen van versterking van de griffie-functie of verdere ondersteuning
van de fracties in de raad.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit de inbreng tijdens het algemeen overleg over de hoofdlijnennotitie
is ons gebleken dat er een zekere beduchtheid bestaat voor een verzwakking
van de positie van de raad als gevolg van de invoering van de gekozen burgemeester. Met het bovenstaande hebben wij willen aangeven dat wij
dit signaal serieus nemen. Ook in de toekomst zal de positie van de raad een
belangrijk punt van aandacht zijn. In het kader van de invoeringsbegeleiding
van de gekozen burgemeester die door het ministerie van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties in overleg met de verschillende bestuurlijke partners
wordt opgezet, zal dan ook in het bijzonder aandacht worden besteed aan de
positie van de raad.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinetsvoornemen om in 2006 de gekozen burgemeester in te voeren
is uiteraard niet alleen voorwerp van debat in uw Kamer. De aanbieding van
het adres aan de regering en de Staten-Generaal inzake de door de bevolking
gekozen burgemeester aan u op 17 juni jl. toont aan dat het lokaal bestuur
het kabinetsvoornemen serieus neemt en terecht betrokken wil zijn bij het
debat over de vormgeving van de voorstellen. Die betrokkenheid wordt door
ons niet alleen op prijs gesteld, maar door ons ook actief gezocht, getuige
de ruime gelegenheid tot advisering die wij zowel over de Hoofdlijnennotitie
als over de concept wetsvoorstellen hebben geboden. Daarnaast heeft regelmatig
overleg plaatsgevonden met de relevante organisaties uit het lokaal bestuur.
Dat overleg zullen wij ook in het verdere proces blijven voeren. De in het
lokaal bestuur levende opvattingen, onder meer tot uitdrukking gebracht in
de gevraagde adviezen nemen wij ter harte. De neerslag daarvan is waarneembaar
in de wijzigingen die de kabinetsvoornemens sinds het uitbrengen van de Hoofdlijnennotitie
hebben ondergaan en bovenbeschreven wijzigingen die als gevolg van de recente
adviesronde in de concept wetsvoorstellen zijn aangebracht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit het bovenstaande is al impliciet duidelijk geworden dat het kabinet
op andere onderdelen vasthoudt aan het eerder voorgenomen model voor de gekozen
burgemeester, met name waar het de positie van de burgemeester ten opzichte
van het college en de wethouders betreft en de gelijktijdigheid van de verkiezingen.
Graag zetten wij in het najaar het debat over het gekozen model met u voort.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,</functie>
        <naam>Th. C. de Graaf</naam>
        <functie>De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</functie>
        <naam>J. W. Remkes</naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">Notitie invoeringsvarianten introductie gekozen burgemeester</tuskop>
      <tuskop letat="vet">1. Algemeen</tuskop>
      <al>Bij de afronding van het algemeen overleg over de Hoofdlijnennotitie invoering
gekozen burgemeester is een motie Hamer/Spies (Kamerstukken II 2003/04, 29 223,
nr. 6) aanvaard, waarin de regering wordt gevraagd «verschillende invoeringsvarianten
uit te werken, waaronder geleidelijke invoering tot de gemeenteraadsverkiezingen
in maart 2010, en deze alternatieven aan de Kamer voor te leggen». De
gevraagde varianten zijn bedoeld als alternatieven voor het kabinetsvoornemen
om de gekozen burgemeester per maart 2006 tegelijkertijd in alle gemeenten
in te voeren, omdat dit voornemen volgens één van de overwegingen
van de motie «op gespannen voet staat met de positie van burgemeesters
van wie de benoemingstermijn nog niet is verstreken».</al>
      <al>Alvorens in te gaan op de in de motie gevraagde invoeringsvarianten zullen
wij hieronder (paragraaf 2) eerst enige inleidende opmerkingen maken
tegen de achtergrond van de motie en de overwegingen en veronderstellingen
die daarin besloten liggen. De invoeringsvarianten zullen in paragraaf 3
aan de orde komen. In paragraaf 4 wordt ingegaan op de samenloop met
het proces van gemeentelijke herindeling in de Achterhoek. Volledigheidshalve
wordt in paragraaf 5 kort stilgestaan bij de mogelijkheid om de invoering
van de gekozen burgemeester te verschuiven naar 2007 en daartoe de raadsverkiezingen
van 2006 met één jaar uit te stellen. Paragraaf 6 sluit
af met een conclusie.</al>
      <tuskop letat="vet">2. Inleidende opmerkingen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Functioneren benoemde burgemeesters geen aanleiding tot
ontslag</tuskop>
      <al>In het algemeen overleg hebben de woordvoerders van diverse fracties aarzelingen
geuit ten aanzien van het voornemen van het kabinet om de gekozen burgemeester
in 2006 in alle gemeenten in te voeren. Het beeld van een 'massaontslag' van
de zittende groep burgemeesters – een beeld dat in eerste instantie
in de publiciteit over het kabinetsvoornemen om in 2006 de gekozen burgemeester
in te voeren domineerde – leek daar mede debet aan. Dat beeld geeft
weliswaar kernachtig weer dat een ingrijpende verandering in aantocht is,
maar concentreert zich volledig op de negatieve gevolgen voor de zittende
burgemeesters. Het is dan ook niet vreemd dat een dergelijk beeld negatieve
associaties kan oproepen ten aanzien van de achterliggende intenties. De meest
negatieve associatie die kan ontstaan is de gedachte dat de plannen van het
kabinet om de gekozen burgemeester in te voeren iets van doen zouden hebben
met het functioneren van het huidige burgemeesterscorps. Hoewel alle betrokkenen
weten dat deze gedachte onjuist is, leidt zij tot de begrijpelijke neiging
om te zien naar een andere wijze van invoeren waaraan een dergelijke negatieve
associatie niet verbonden is. Door zichtbaar rekening te houden met de belangen
van de zittende burgemeesters zou een negatief beeld kunnen worden geneutraliseerd.
Die wens is op zichzelf begrijpelijk omdat ontslag, hoe men het ook wendt
of keert, voor betrokkenen een onwelkome en pijnlijke maatregel is, te meer
nu zij losstaat van de functievervulling. De vraag is echter wat de belangen
van de zittende burgemeesters zijn, of zij individueel of collectief van aard
zijn en, niet in de laatste plaats, of daaraan bij de invoering van een algemene
stelselwijziging zoals thans aan de orde is, tegemoet gekomen kan worden.
Er zijn immers ook andere belangen in het geding, zoals het recht van burgers
om hun burgemeester te kiezen ongeacht de gemeente waarin zij wonen en in
meer algemene zin het belang van een eenduidige inrichting van het lokaal
bestuurlijk stelsel, respectievelijk het belang dat overal dezelfde algemene
wetgeving geldt. Wetgeving dient in beginsel een algemene strekking
te hebben en overal in gelijke mate te gelden, tenzij er relevante belangen
zijn die een van dat uitgangspunt afwijkend (invoerings-)regime rechtvaardigen.
Een geleidelijke invoering hoe ook vormgegeven maakt (tijdelijk) inbreuk op
dit uitgangspunt en de genoemde belangen, welke inbreuk op objectieve gronden
gerechtvaardigd moet kunnen worden. De vraag is of het uitdienen door de benoemde
burgemeester van zijn benoemingstermijn als objectieve grond kan worden aangemerkt
en of deze de inbreuk op genoemde belangen kan rechtvaardigen.</al>
      <tuskop letat="cur">Einde benoemingstermijn rechtspositioneel geen relevant
tijdstip</tuskop>
      <al>Dat brengt ons op een tweede negatieve associatie die het beeld van een
collectief ontslag kan oproepen. Dat is de gedachte dat een tussentijds ontslag,
dat wil zeggen een ontslag op een willekeurig moment gedurende de benoemingstermijn,
dieper ingrijpt dan een ontslag aan het einde van de benoemingstermijn. Deze
gedachte lijkt ook besloten in de hierboven geciteerde overweging van de motie
dat invoering ineens in 2006 «op gespannen voet staat met de positie
van burgemeesters van wie de ambtstermijn nog niet is verstreken». Door
het gebruik van de algemene term «positie» blijft in het midden
of wordt gedoeld op de persoonlijke belangen van de individuele burgemeester
dan wel in het bijzonder moet worden gedacht aan het rechtspositionele aspect.
Wat dat laatste betreft, maken wij graag van de gelegenheid gebruik een mogelijk
misverstand weg te nemen. Een onvrijwillig ontslag aan het einde van de benoemingstermijn
is rechtspositioneel niet te onderscheiden van een onvrijwillig ontslag gedurende
de benoemingstermijn. De gevolgen zijn in beide gevallen gelijk. Dat vloeit
voort uit het feit dat de rechtspositie van de burgemeester zo is ingericht
dat herbenoeming regel is. Weliswaar voorziet artikel 61a Gemeentewet sinds
2001 in een aanbevelingsrecht van de gemeenteraad inzake herbenoeming, in
feite bestaat er een aanspraak op herbenoeming. Deze aanspraak op herbenoeming
kan slechts teniet worden gedaan, als de raad aanleiding ziet om tijdens de
procedure van herbenoeming een aanbeveling tot ontslag (artikel 61b, tweede
lid, Gemeentewet) uit te brengen. Een dergelijke aanbeveling kan echter op
elk moment gedurende de benoemingstermijn worden uitgebracht, zodra de raad
grond ziet daartoe over te gaan. De procedure van herbenoeming is derhalve
niet meer dan een formeel aanknopingspunt om het functioneren van de zittende
burgemeester periodiek te evalueren. Een aanbeveling tot ontslag uitgebracht
door de raad tijdens de procedure van herbenoeming verschilt in rechtspositionele
gevolgen echter niet van een aanbeveling tot ontslag uitgebracht gedurende
de benoemingstermijn. Terzijde zij opgemerkt dat dit tevens impliceert dat
de hoogte van wachtgeldlasten niet lager is als het ontslag aan het einde
van de benoemingstermijn ingaat.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is tegen deze achtergrond dat in de hoofdlijnennotitie voor het onvrijwillig
ontslag bij de invoering van de gekozen burgemeester als uitgangspunt is genomen
het rechtspositionele regime dat geldt bij gemeentelijke herindeling. Ook
bij herindeling gaat het immers om onvrijwillig ontslag door omstandigheden
die niet gerelateerd zijn aan het functioneren van de burgemeester. Bij herindelingsontslag
wordt om bovengenoemde reden evenmin een onderscheid gemaakt naar de mate
waarin de burgemeester zijn benoemingstermijn heeft kunnen volmaken. De parallel
met de situatie van herindeling maakt overigens duidelijk dat ontslag een
zaak is die elke burgemeester afzonderlijk treft en geen collectief karakter
heeft. De omstandigheid dat tegelijkertijd ook collega's met ontslag worden
geconfronteerd maakt de gevolgen van het ontslag voor de individuele burgemeester
niet groter of kleiner. De omstandigheid dat geen rechtspositionele gevolgen
verbonden zijn aan de mate waarin de burgemeester zijn benoemingstermijn
heeft kunnen voltooien, roept dan ook de vraag op of het de benoemingstermijn
een bruikbaar aanknopingspunt biedt bij de invoering van de wetgeving tot
introductie van de gekozen burgemeester. Die vraag kan temeer worden gesteld
omdat de waarde van het uitdienen van de benoemingstermijn in hoge mate bepaald
wordt door de persoonlijke situatie van elke burgemeester afzonderlijk, zoals
zijn leeftijd en de omstandigheid of hij reeds een of meer benoemingstermijnen
in dezelfde gemeente burgemeester is.</al>
      <tuskop letat="cur">Ontslag treft naar verwachting minderheid burgemeesters</tuskop>
      <al>Ten slotte menen wij dat het beeld van massaal ontslag in kwantitatieve
zin relativering behoeft. Op 30 januari 2004 telde Nederland 483 gemeenten,
waarvan 433 gemeenten een door de Kroon benoemde burgemeester hadden. In 50
gemeenten werd deze functie vervuld door een door de commissaris van de Koning
benoemde waarnemend burgemeester dan wel een door en uit het college van burgemeester
en wethouders aangewezen loco-burgemeester. Dit in verband met bestaan van
een burgemeestersvacature of het om andere redenen niet vervullen van die
functie. Gezien de ervaringen met betrekking tot het aantal jaarlijkse vacatures,
gecombineerd met het voornemen vanaf 1 juli 2005 bij vacatures waarnemend
burgemeesters te benoemen, zal het wettelijk ontslag in 2006 betrekking hebben
op maximaal 391 burgemeesters.</al>
      <al>Op basis van de gegevens per genoemde datum zal de leeftijdsopbouw van
de zittende groep (433) burgemeesters in maart 2006 op basis van de huidige
gegevens als volgt zijn:</al>
      <al>• 39 burgemeesters jonger dan 50 jaar,</al>
      <al>• 88 burgemeesters in de leeftijdscategorie 50 tot 55 jaar,</al>
      <al>• 195 in de leeftijdscategorie 55 tot 61 jaar,</al>
      <al>• 111 burgemeesters ouder dan 61 jaar.</al>
      <al>Van met name de groep burgemeesters van 61 jaar en ouder zal naar verwachting
een aanzienlijk deel kiezen voor FPU. Voorts verwachten wij dat een groot
deel van de burgemeesters zich verkiesbaar zal stellen voor het nieuwe ambt.
Wij sluiten niet uit dat naarmate de datum van invoering dichterbij komt meer
burgemeesters daarover een positieve beslissing zullen nemen. Daarnaast zal
een aantal burgemeesters, dat zich niet verkiesbaar stelt, vóór
16 maart 2006 zelf een andere passende functie vinden. Hoewel over aantallen
op dit moment niet met stelligheid uitspraken kunnen worden gedaan, is onze
verwachting dat ten aanzien van minder dan de helft van het bovengenoemde
aantal van 391 burgemeesters een situatie zal ontstaan die na maart 2006 verdere
actie vraagt. Wij zullen er zelf door een actief beleid aan bijdragen dat
dit aantal zo laag mogelijk is. In samenspraak met het georganiseerd overleg
burgemeesters zullen afspraken worden gemaakt over een actief anticiperend
beleid terzake en vervolgens ook afspraken van rechtspositionele aard.</al>
      <tuskop letat="vet">3. Invoeringsvarianten</tuskop>
      <al>De hiervoor gemaakte opmerkingen plaatsen naar onze mening de bezwaren
tegen het kabinetsvoornemen om de gekozen burgemeester in 2006 tegelijkertijd
in alle gemeenten te introduceren in een ander daglicht. Zij maken duidelijk
dat het moment van invoering van de gekozen burgemeester zich moeilijk laat
benaderen vanuit een als collectief te definiëren belang van de beroepsgroep.
De implicaties van het onvrijwillig ontslag dat onvermijdelijk aan de invoering
van het nieuwe stelsel verbonden is, zijn te zeer afhankelijk van de persoonlijke
omstandigheden en de eigen appreciatie van de individuele burgemeester, met
inbegrip van zijn ambitie om aan burgemeestersverkiezingen te gaan deelnemen.
Het gegeven dat het al dan niet uitdienen van de benoemingstermijn geen rechtspositionele
implicaties heeft, maakt het moeilijk het belang van de positie
van de zittende beroepsgroep tot leidraad te maken bij afwegingen omtrent
de invoering. Het is geen objectiveerbare grond die een afwijking van het
uitgangspunt dat algemene wetgeving overal gelijkelijk dient te gelden, kan
rechtvaardigen.</al>
      <al>Ter uitvoering van de motie Hamer/Spies worden hierna alternatieve invoeringsvarianten
geschetst.</al>
      <tuskop letat="cur">Geleidelijke invoering gerelateerd aan einde benoemingstermijn</tuskop>
      <al>De motie vraagt voor één variant met name aandacht: geleidelijke
invoering tot de gemeenteraadsverkiezingen van 2010. Deze invoeringsvariant
wordt kennelijk beschouwd als de variant die de positie van de zittende burgemeesters
het meest recht doet. Vanuit het perspectief van de motie zou de invoering
van de gekozen burgemeester derhalve idealiter moeten aansluiten op de afloop
van de benoemingstermijn van de benoemde burgemeester. Hieronder wordt daarom
allereerst op deze variant ingegaan. De overwegingen die daarbij aan de orde
komen, zijn ook van belang voor de verkenning en beoordeling van andere invoeringsvarianten
die daarna in ogenschouw worden genomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wij wijzen daarbij allereerst op het volgende. De wens van het kabinet
om de gekozen burgemeester in 2006 in te voeren, hangt samen met het feit
dat in maart van dat jaar reguliere verkiezingen voor de gemeenteraden plaatsvinden.
Een essentieel onderdeel van het door het kabinet voorgestane model is dat
de gemeenteraad en de burgemeester tegelijkertijd worden gekozen en dat (bijgevolg)
de zittingsperiode van de raad gelijkloopt met de ambtsperiode van de burgemeester.
De positie van de gekozen burgemeester als lokaal regeringsleider wordt in
hoge mate bepaald door de omstandigheid dat hij als formateur van het nieuwe
college kan optreden en aldus zijn invloed op het beleid voor de komende collegeperiode
kan veilig stellen. Zijn directe betrokkenheid bij de programmatische grondslag
en personele invulling (inclusief portefeuilleverdeling) van het college vormen
essentiële aanknopingspunten voor een effectieve vervulling van de rol
die de gekozen burgemeester in het nieuwe stelsel is toebedacht. Invoeringsvarianten
die impliceren dat de burgemeestersverkiezing en de raadsverkiezing niet gelijktijdig
plaatsvinden raken derhalve een wezenlijk onderdeel van het nieuwe stelsel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De consequentie van de noodzaak dat beide verkiezingen gelijktijdig plaatsvinden
is dat een geleidelijke invoering die erin voorziet dat de verkiezing van
de burgemeester op een ander tijdstip plaatsvindt dan de reguliere raadsverkiezing
in 2006, gepaard zou moeten gaan met het verplaatsen van de raadsverkiezing.
Gegeven het feit dat de benoemingstermijn van de zittende burgemeesters op
tal van verschillende momenten zal aflopen, zou in (zeer) veel gemeenten een
verschuiving van het tijdstip van de raadsverkiezing nodig zijn. De consequentie
van het aansluiten bij de afloop van de benoemingstermijn van de benoemde
burgemeester is derhalve dat voor elke gemeente afzonderlijk in de wet een
invoeringsdatum moet worden bepaald, waarop de gelijktijdige verkiezing van
de gemeenteraad en de burgemeester plaatsvindt. Dat zou betekenen dat bij
de introductie van het nieuwe stelsel een complex invoeringspatroon ontstaat,
dat wordt bepaald door een grote verscheidenheid van verkiezingsdata, met
alle gevolgen van dien voor de zittingsduur van de raad vóór
en ná het tijdstip van de gecombineerde raads- en burgemeestersverkiezing.
Een geleidelijke invoering in de periode 2006–2010 zou betekenen dat
in veel gemeenten enerzijds de zittingsduur van de in 2002 gekozen raad wordt
verlengd door de verkiezing in 2006 «over te slaan» en anderzijds
de zittingsduur van de raad die bij de gecombineerde verkiezing wordt gekozen
wordt verkort omdat in 2010 het reguliere verkiezingsritme weer moet worden
opgepakt. Dat zou naar ons oordeel tot zeer ongewenste effecten
leiden, waaronder langdurige instabiliteit in de gemeentelijke bestuurslaag
en in de interbestuurlijke verhoudingen. Er zouden gedurende de gehele invoeringsperiode
van vier jaar niet alleen twee gemeentewettelijke regimes naast elkaar bestaan,
maar bovendien zou dit patroon aan voortdurende verandering onderhevig zijn.
Dit zou in een aantal gemeenten voorts gepaard gaan met grote onevenwichtigheden
in opeenvolgende zittingsperiodes van de raad. Zo zou een gecombineerde verkiezing
in 2008 betekenen dat de zittingsduur van de in 2002 in de desbetreffende
gemeente gekozen raad wordt opgerekt tot 6 jaar, terwijl de zittingsduur van
de in 2008 gekozen raad wordt ingekort tot slechts 2 jaar, net als de ambtsperiode
van de eerste gekozen burgemeester. Deze laatste consequentie impliceert dat
een tweede ongewenst effect optreedt, namelijk een valse start van het nieuwe
stelsel. Een ambtsperiode van 2 jaar voor de gekozen burgemeester en zijn
college is niet volwaardig te noemen. Nog daargelaten dat bij de vormgeving
van een dergelijk regime bovendien ook nog tal van praktische vragen onder
ogen zouden moeten worden gezien – het al dan niet volgen van de wens
van een individuele burgemeester zelf om het ambt voortijdig te verlaten,
de gevolgen van een onvoorzien, voortijdig vertrek of overlijden van de burgemeester –
zou een dergelijk invoeringsregime in conflict komen met de in ons bestel
gehanteerde regel dat verkiezingen voor algemeen vertegenwoordigende organen
in beginsel met niet meer dan (globaal) anderhalf jaar worden verschoven,
teneinde de grondwettelijk bepaalde zittingsduur van vier jaar niet te zeer
te verlengen of te verkorten. Deze regel houdt verband met artikel 129, vierde
lid, van de Grondwet waarin de zittingsduur van de raad is bepaald op vier
jaren,«behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen». De enige
uitzondering waarvoor de wet een voorziening biedt en die bij de totstandkoming
van de grondwetsbepaling ook is voorzien, is de situatie van gemeentelijke
herindeling waarvoor de Wet algemene regels herindelingen bepalingen bevat.
Een eventueel afwijken van de regel dat de zittingsduur van de raad met niet
meer dan (globaal) anderhalf jaar kan worden verlengd of bekort brengt deze
invoeringsvariant dus in constitutioneel vaarwater. Het hierboven gegeven
voorbeeld van een burgemeestersverkiezing en een (tussentijdse) gemeenteraadsverkiezing
in 2008 maakt overigens de ratio van de geldende regel begrijpelijk, omdat
de gevolgen van het schuiven met maximaal (globaal) één jaar
beperkt kunnen blijven tot één reguliere verkiezing.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het voorgaande roept echter een andere vraag op, namelijk of het belang
van de zittende burgemeester om zijn benoemingstermijn uit te dienen een belang
is dat überhaupt een afwijking van de grondwettelijke zittingsduur van
de raad rechtvaardigt. Bij gemeentelijke herindeling is afwijking van de grondwettelijke
zittingstermijn van de gemeenteraad onvermijdelijk, omdat de bevolking die
de raad representeert verandert en dus de omvang van de raad. Een wijziging
van de aanstellingswijze van burgemeester brengt geen verandering van de representatieve
functie van de raad met zich. Een reden voor verschuiving van de raadsverkiezing
die direct is gerelateerd aan de legitimatie van de raad ontbreekt derhalve
in dat geval.</al>
      <tuskop letat="cur">Invoering in jaarlijkse tranches</tuskop>
      <al>Het voorgaande betekent dat de voorwaarde van gelijktijdige verkiezingen
voor gemeenteraad en burgemeester het aantal mogelijke invoeringsvarianten
beperkt. Zo stuit een invoeringsvariant die voorziet in een invoering in jaarlijkse
tranches van een aantal gemeenten op dezelfde bezwaren als die in het bovenstaande
zijn verwoord.</al>
      <tuskop letat="cur">Afzien van gelijktijdige raads- en burgemeestersverkiezingen?</tuskop>
      <al>Dat roept de vraag op of de gestelde voorwaarde van gelijktijdige verkiezingen
zou kunnen worden losgelaten. Wij menen dat het loslaten van deze voorwaarde
geen oplossing biedt. Het zou tot (tijdelijke) divergentie tussen de aanstellingswijze
van de burgemeester en het bestuurlijk stelsel leiden. De onlosmakelijke samenhang
tussen beide zou worden doorbroken. Daarbij kunnen twee situaties worden onderscheiden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de eerste plaats is denkbaar dat in gemeenten waarin de ambtstermijn
van de zittende burgemeester in 2006 nog niet is afgelopen (maar bijvoorbeeld
in 2008 eindigt), geen burgemeestersverkiezing plaatsvindt maar wél
de gewijzigde Gemeentewet in werking treedt. Dat zou betekenen dat de zittende
(benoemde) burgemeester zich zou mogen gedragen als had hij een kiezersmandaat.
Hij zou als formateur moeten optreden van het nieuw te vormen college, wethouders
voor benoeming bij de raad moeten voordragen en hun portefeuilles mogen vaststellen.
Terecht zouden de raad en de wethouders de vraag kunnen stellen waaraan de
burgemeester de legitimatie daartoe ontleent. Afgezien van het feit dat aldus
onjuiste verhoudingen worden geschapen bij de introductie van het nieuwe stelsel,
zou het ook tot merkwaardige situaties leiden door de toepasselijkheid van
de conflictregeling en het regime voor onvrijwillig ontslag, die uitgaan van
een kiezersmandaat van de burgemeester. Voorts zou een onduidelijke situatie
aan het eind van de ambtstermijn (i.c 2008) van de benoemde burgemeester ontstaan.
De vraag zou rijzen of de burgemeester of een waarnemer moet worden benoemd
totdat tegelijk met de reguliere raadsverkiezingen in 2010 een burgemeester
kan worden gekozen? Of moet voor de rest van de zittingsperiode van de raad
een burgemeestersverkiezing plaatsvinden?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Die laatste vraag brengt de tweede mogelijkheid in beeld die denkbaar
is als de eis van gelijktijdige verkiezingen wordt losgelaten, namelijk dat
het nieuwe stelsel in werking treedt na afloop van de zittingstermijn van
de benoemde burgemeester. De eerste burgemeestersverkiezing wordt in dat geval
(i.c 2008) halverwege de zittingsperiode van de raad en het zittende college
gehouden. Dat zou betekenen dat de (tussentijds) gekozen burgemeester slechts
zou kunnen «aanschuiven» in het zittende college. Het is immers
niet goed voorstelbaar dat onder leiding van de gekozen burgemeester tussentijds
een nieuw college met een nieuw collegeprogramma wordt geformeerd. De gekozen
burgemeester treft een college aan waarin de geldende verhoudingen in de raad
zijn weerspiegeld. De gekozen burgemeester zal ondanks zijn kiezersmandaat
geen eigen positie kunnen opbouwen, maar feitelijk niet meer dan een waarnemer
kunnen zijn. Een burgemeestersverkiezing heeft derhalve onder die omstandigheden
weinig betekenis. Ook in deze situatie kan de conclusie niet anders zijn dan
dat het nieuwe stelsel geen volwaardige start krijgt. Voor beide situaties
geldt bovendien dat het risico bestaat dat een dergelijke onvolwaardige start
doorwerkt in de volgende bestuursperiode die in 2010 wél met een gecombineerde
verkiezing begint.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een geleidelijke invoering in bovenbeschreven varianten is naar onze mening
op grond van voorgaande overwegingen niet goed mogelijk.</al>
      <tuskop letat="cur">Invoering in twee fasen (2006 en 2010)</tuskop>
      <al>Het enige alternatief dat overblijft is invoering in twee fasen: de ene
helft van de gemeenten in 2006, de andere helft in 2010. Aan dit alternatief
kleven immers niet de hierboven genoemde bezwaren bij varianten van geleidelijke
invoering die de periode tussen beide reguliere gemeenteraadsverkiezingen
betreffen. In dit alternatief wordt juist aangeknoopt bij de
tijdstippen waarop reguliere verkiezingen voor de gemeenteraden plaatsvinden.
Wel blijven de in paragraaf 2 genoemde relativeringen bij de bezwaren
tegen een invoering ineens in 2006, alsmede de kanttekeningen bij de wens
om de positie van de zittende burgemeesters als uitgangspunt te nemen bij
de wijze van invoering van betekenis. Bij de uitwerking van deze variant zouden
overigens nog tal van vragen onder ogen moeten worden gezien, die duidelijk
maken dat ook deze variant complicaties kent. Allereerst zal de vraag moeten
worden beantwoord hoe wordt bepaald of de (eerste) burgemeestersverkiezing
in een gemeente in 2006 of in 2010 plaatsvindt. Het ligt voor de hand om hier
wederom aansluiting te zoeken bij de benoemingstermijn van de zittende burgemeester.
Dat zal er grosso modo op neerkomen dat in gemeenten waarin de benoemingstermijn
van de zittende burgemeester afloopt vóór maart 2008, de eerste
burgemeestersverkiezing in 2006 plaatsvindt en in de overige gemeenten in
2010. Dat betekent dat deze invoeringsvariant slechts gedeeltelijk tegemoet
komt aan de wens om de benoemde burgemeester zijn benoemingstermijn te laten
afmaken. Voorts rijst de vraag of van voornoemd uitgangspunt kan worden afgeweken
als de burgemeester er om hem moverende redenen geen prijs op stelt om zijn
termijn af te maken, met FPU zou willen gaan, of juist een sterke ambitie
heeft om aan verkiezingen deel te nemen. Met andere woorden, mag de wetgever
bij de vormgeving van de invoering van het nieuwe stelsel rekening houden
met de wens van de zittende burgemeester? Nog daargelaten dat fricties kunnen
ontstaan als de wens van de burgemeester conflicteert met de wens van de gemeenteraad,
menen wij dat zulks niet doorslaggevend zou mogen zijn. Indien echter geen
rekening wordt gehouden met de wensen van zittende burgemeesters en uitsluitend
rekenkundig naar het restant van de benoemingstermijn wordt gekeken, zullen
misschien toch voorzieningen getroffen moeten worden voor situaties waarin
een onvoorzien voortijdig vertrek van de burgemeester plaatsvindt. Is het
dan mogelijk de burgemeestersverkiezing alsnog in 2006 te doen plaatsvinden
of moet tot 2010 een burgemeester worden benoemd dan wel in waarneming worden
voorzien?</al>
      <al>Voorts zij erop gewezen dat deze invoeringsvariant ertoe leidt dat gedurende
vier jaar twee gemeentewettelijke stelsels naast elkaar zullen bestaan met
een geografisch gezien willekeurige spreiding over het land. Dat roept vragen
op over de implicaties daarvan voor de interbestuurlijke verhoudingen in het
algemeen en de intergemeentelijke samenwerking in het bijzonder, alsmede over
het dubbele regime dat door de commissarissen van de Koningin en de minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal moeten worden gehanteerd
bij problemen rond het functioneren van de burgemeester en het lokaal bestuur.
Dat zou aanleiding kunnen zijn om (mede) een geografisch criterium te gebruiken
bij de selectie van de gemeenten waar invoering in 2006 respectievelijk 2010
plaatsvindt. Dat zou echter tot gevolg hebben dat het rekening houden met
de positie van de zittende burgemeesters in deze variant nog minder uit de
verf komt. Alles afwegende menen wij dat gefaseerde invoering in 2006 en 2010
een mogelijke variant is maar dat de voordelen van deze variant -gemeten naar
de mate waarin met de benoemingstermijn van de zittende burgemeesters rekening
kan worden gehouden- beperkt zijn.</al>
      <tuskop letat="vet">4. Gemeentelijke herindeling</tuskop>
      <al>Een bijzondere invoeringsvraag betreft ten slotte de positie van de gemeenten
in de Achterhoek die naar verwachting op 1 januari 2005 zullen worden
heringedeeld. Wij menen in het licht van de overwegingen die in de vorige
paragraaf aan de orde zijn gekomen dat voor de nieuwe gemeenten maar één
optie aan de orde kan zijn, nu dit najaar herindelingsverkiezingen zullen
plaatsvinden en de reguliere raadsverkiezingen in 2006 zullen worden overgeslagen.
In deze gemeenten zal de gekozen burgemeester en de daarmee gepaard
gaande gemeentewettelijke wijzigingen pas in 2010 kunnen worden ingevoerd.
Gelet op de hierboven omschreven noodzaak om bij herindeling tussentijdse
raadsverkiezingen te houden, is in het licht van de hiervoor gegeven overwegingen
onvermijdelijk dat de invoering van het nieuwe stelsel in deze gemeenten tot
2010 zal moeten wachten.</al>
      <tuskop letat="vet">5. Uitstel invoering tot 2007</tuskop>
      <al>Allereerst zij opgemerkt dat uitstel tot 2007 geen invoeringsvariant in
de zin van de motie Hamer/Spies is, omdat zij geen alternatief biedt voor
de invoering op een moment, maar dat ene moment slechts met één
jaar uitstelt. Niettemin gaan wij volledigheidshalve kort op dit alternatief
in. Daarbij is een belangrijke vraag of een algemene verschuiving van de raadsverkiezingen
met één jaar grondwettelijk mogelijk is. Wij menen dat zulks
het geval is mits daarvoor een dragende motivering kan worden gegeven. Een
dergelijke motivering kan gelet op het eerder in deze notitie overwogene niet
alleen worden gevonden in het belang van de zittende groep burgemeesters om
hun ambtstermijn (zoveel mogelijk) uit te dienen. Het rendement (naar die
maatstaf gemeten) zou bovendien te gering zijn om een dergelijke ingrijpende
maatregel te rechtvaardigen. Wij wijzen er overigens op dat er één
precedent is van een algemene verschuiving van verkiezingen. Bij de wet van
6 juni 1985 (Stb. 1985, 333) is de zittingsduur van de in 1982 gekozen
provinciale staten met bijna een jaar verlengd, ten einde te bereiken dat
de verkiezingen van gemeenteraden en provinciale staten (voortaan) in verschillende
jaren plaatsvinden. Dit precedent is te meer relevant omdat uitstel van de
raadsverkiezingen van 2006 naar 2007 – aannemende dat zulks genoegzaam
zou kunnen worden gemotiveerd – ertoe zou leiden dat in 2007 beide verkiezingen
weer (blijvend) in hetzelfde jaar zouden gaan plaatsvinden. Bovendien zouden
in dat geval tevens burgemeestersverkiezingen plaatsvinden én ook nog
verkiezingen voor de Tweede Kamer. Waar de wetgever in het verleden heeft
aangestuurd op spreiding van de verkiezingen voor de verschillende vertegenwoordigende
organen, zou deze spreiding door een verschuiving van de raadsverkiezingen
naar 2007 ongedaan worden gemaakt en in dat jaar zelfs een totale concentratie
van alle verkiezingen leiden. Tot slot merken wij op dat uitstel tot 2007
geen soelaas biedt voor de grondwetsherziening terzake van het raadsvoorzitterschap.
De tweede lezing van dat voorstel zal pas in de volgende kabinetsperiode die
begint na de kamerverkiezingen van mei 2007 kunnen worden voltooid, waarna
de wetgever nog een beslissing zal moeten nemen over het raadsvoorzitterschap.</al>
      <tuskop letat="vet">6. Conclusie</tuskop>
      <al>Op grond van het voorgaande menen wij dat er geen voor de hand liggend
alternatief is voor invoering van de gekozen burgemeester in alle gemeenten
bij de raadsverkiezingen in 2006. Die conclusie vloeit voort uit twee typen
overwegingen. In de eerste plaats is het belang van de zittende burgemeesters
een te diffuus begrip, dat zich niet laat objectiveren tot een grond die afwijking
van het uitgangspunt van algemene invoering kan rechtvaardigen. In dat verband
is verder van belang dat naar onze verwachting een minderheid van de zittende
burgemeesters in 2006 op zoek zal moeten naar een nieuwe baan. In de tweede
plaats laten de ratio van het stelsel, de omstandigheid dat een verschuiving
van de raadsverkiezing omwille van de positie van de burgemeester niet kan
worden gemotiveerd vanuit functie van de raad, alsmede de onmogelijkheid te
voorzien in evenwichtige verhoudingen als de voorwaarde van gelijktijdige
verkiezingen wordt losgelaten weinig ruimte voor alternatieve invoeringsvarianten.
Het enige alternatief dat in aanmerking zou kunnen komen, is
gefaseerde invoering in 2006 en 2010. Wij zijn van mening dat de voordelen
van deze variant beperkt zijn. Wij gaan echter graag met de Tweede Kamer het
gesprek aan over de vraag hoe deze variant en de daarmee verbonden vragen
worden beoordeeld.</al>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>