Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2003-2004
Kamerstuk 29202 nr. 2

Gepubliceerd op 15 september 2003
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



29 202
Beleidsprogramma 2004–2007

nr. 2
PROGRAMMA

Inhoudsopgave blz.

Voorwoord5
1.Inleiding7
2.Sociaal-economisch beleid12
3.Onderwijs, kennis en innovatie21
4.Veiligheid en rechtsorde26
5.Volksgezondheid, zorg en welzijn29
6.Enkele aspecten van immateriële aard33
7.Bestuurlijke vernieuwing en openbaar bestuur35
8.Immigratie en integratie40
9.Mobiliteit, ruimte en milieu43
10.Internationaal en Europees beleid en defensie50

VOORWOORD

Nederland is een land met een groot potentieel aan mensen, aan kennis en aan creativiteit. Dat potentieel weten we echter niet voldoende te benutten. Regels, bureaucratie en een cultuur waarin mensen niet worden aangemoedigd zelf verantwoordelijkheid te nemen, staan waardevolle mogelijkheden tot vernieuwing in de weg.

Het kabinet wil creativiteit van mensen en organisaties de ruimte geven. Met eigen initiatief van mensen zijn veel problemen eerder en makkelijker op te lossen dan met beleidsplannen van de overheid.

Tegelijkertijd wil het kabinet zijn eigen verantwoordelijkheid niet ontlopen. Dit beleidsprogramma van het tweede kabinet Balkenende bevat de belangrijkste politieke doelstellingen van het kabinet voor de kabinetsperiode 2004–2007 en geeft aan hoe het kabinet deze doelstellingen wil realiseren. Het schetst hoe we concreet werken aan een sterke economie, een slagvaardige overheid, een levende democratie en een veiliger samenleving.

De economische situatie waarin ons land verkeert, maakt drastische keuzes noodzakelijk. Van iedereen worden offers gevraagd. Het uitgangspunt is dat de gevraagde offers de draagkracht van mensen niet te boven gaan. Het kabinet is zich er echter goed van bewust dat iedereen de maatregelen zal voelen. Daarom vinden we het belangrijk het gesprek aan te gaan, uit te leggen waarom we doen wat we doen. In de Kamer, via de media, maar ook door werkbezoeken en aanwezigheid bij evenementen zoekt het kabinet de dialoog. Om uitleg te geven, maar ook om nieuwe inspiratie op te doen en de vinger aan de pols te kunnen houden.

Het kabinet kiest met overtuiging niet voor de makkelijke weg, maar voor een aanpak die echte oplossingen binnen bereik brengt. Het perspectief is een solide fundament voor economisch herstel; een basis voor een samenleving waarin eigen initiatieven en talenten van mensen voluit tot bloei kunnen komen.

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,

J. P. Balkenende

1. INLEIDING

Hoofdlijnen van het beleid

Het beleidsprogramma is een uitwerking van de voornemens uit het Hoofdlijnenakkoord en geeft daarmee een nadere invulling aan de inzet van het kabinet: een sterke economie, een slagvaardige overheid, een levende democratie en een veiliger samenleving.

Een sterke economie

De noodzaak om Nederland klaar te stomen voor economisch herstel domineert de agenda van dit kabinet. In het recente verleden zijn de lonen in ons land te sterk gestegen. Dit heeft er onder meer toe geleid dat onze concurrentiepositie is verslechterd. De huidige wereldwijde economische malaise komt daarom extra hard bij ons aan. Nederland is niet klaar om weer mee te doen als de internationale economische ontwikkeling omslaat. En alleen als wij in staat zijn om in economisch opzicht mee te doen met de top van Europa, zijn we in staat om op de langere termijn onze collectieve voorzieningen op peil te houden. Daarom zijn ingrijpende maatregelen nodig in bijvoorbeeld de WAO en de bijstand ten einde de arbeidsparticipatie te bevorderen. De kwaliteit van het onderwijs en de wetenschap moet verbeteren. Dat maakt extra investeringen op dit terrein noodzakelijk. Om het innovatieve vermogen te vergroten wordt het innovatieplatform opgericht. Door gerichte investeringen worden de grootste knelpunten op de wegen en spoorwegen opgelost. En de tekorten op de begroting moeten worden weggewerkt. In met name de hoofdstukken 2, 3, 5 en 9 leest u hoe het kabinet concreet gestalte wil geven aan het versterken van de economische basis.

Een slagvaardige overheid

De kwaliteit van de publieke dienstverlening laat te wensen over. Er is een slagvaardige en moderne overheid nodig. Om dit te bereiken worden in de eerste plaats de administratieve lasten voor burgers en voor bedrijven omlaag gebracht. Het bereiken van deze doelstelling is een zaak van alle ministers. Bovendien worden de pijlen gericht op alle niveaus van wet- en regelgeving: Europa, de rijksoverheid en de medeoverheden (provincies, gemeenten, zelfstandige bestuursorganen en waterschappen).

Naast reductie van administratieve lasten is een slagvaardige overheid gebaat bij een vermindering van bureaucratie. De organisatie van de overheid moet kleiner en intern beter worden afgestemd. Naast een algemene efficiencykorting voor de collectieve sector van 1% per jaar en een volumekorting van gemiddeld 5% uit het vorige kabinet, wordt een additionele efficiencykorting van jaarlijks 1% in 2004–2006 en 2% in 2007 doorgevoerd.

Naast een vermindering van het aantal regels en ambtenaren moet de overheid ook een andere, slimmere manier van werken ontwikkelen, die minder dwingt tot voortdurende bijstelling, overheidsinterventie en conflictbeslechting door de rechter. De operatie «modernisering overheid» zal moeten leiden tot een toegankelijke, dienstverlenende en efficiënte overheid. Tegen deze achtergrond zullen ook taken en werkwijze van de ministeries tegen het licht worden gehouden. Dat geldt ook voor zelfstandige bestuursorganen, gedeconcentreerde rijksdiensten en adviesraden. In met name de hoofdstukken 2 en 7 leest u meer over de aanpak die het kabinet op dit terrein voorstaat.

Een levende democratie

Een vitale democratie kan niet zonder betrokken burgers. Veel mensen hebben echter het idee, dat hun stem niet wordt gehoord. Dat leidt tot onverschilligheid. Het kabinet doet een aantal voorstellen die het representatieve karakter van onze democratie moeten versterken en de rechtstreekse invloed van de burger vergroten. De burgemeester wordt rechtstreeks gekozen, er komt een onderzoek naar de rechtstreeks gekozen minister-president en er komt een nieuw, meer op de individuele volksvertegenwoordiger gericht, kiesstelsel. In hoofdstuk 7 wordt uitvoerig op deze kabinetsplannen ingegaan.

Een veiliger samenleving

Het scheppen van een veiliger samenleving en een betrouwbare rechtsorde, is een kerntaak van de overheid. De overheid richt zich in de eerste plaats op preventie van criminaliteit en vandalisme. De verantwoordelijkheid van mensen zelf en de overdracht van waarden en normen spelen hierin een doorslaggevende rol. De tweede pijler wordt gevormd door duidelijk aanwezig toezicht. Handhaving is het sluitstuk van de keten. De praktijk van het gedogen wordt ingeperkt. De overheid moet regels handhaven en consequent en daadkrachtig optreden. Ook dat past bij een samenleving die wordt gekenmerkt door respect en fatsoen. Het beleid over veiligheid en waarden en normen staat uitgebreid beschreven in met name de hoofdstukken 4 en 6.

De overheid moet uitvoeren wat zij van plan is. Daarbij hoort dat het kabinet, te beginnen bij dit beleidsprogramma, zijn plannen zodanig formuleert dat achteraf ook daadwerkelijk verantwoording kan worden afgelegd over de uitvoering van het voorgenomen beleid. Doelstellingen zijn dan ook waar mogelijk gekwantificeerd. Zo moet het verwachte lerarentekort in het primair en voortgezet onderwijs in 2007 zijn afgenomen van 10 400 naar 2 200 volledige banen. De instroom in de WAO van duurzaam volledig arbeidsongeschikte werknemers moet dalen tot maximaal 25 000 per jaar. Het aantal storingen van spoorinfrastructuur moet in 2007 met 40% gedaald zijn. De criminaliteit en overlast in de publieke ruimte moet tot 2008 met 20 tot 25% afnemen. Als onderdeel van de ecologische hoofdstructuur wordt er circa 8 000 hectare extra per jaar in beheer genomen, waarvan 40% via particulier en agrarisch natuurbeheer. De mate van tevredenheid van burgers over sectoren als gas, post, telefonie en elektriciteit moet tot één van de hoogste in Europa behoren.

Kabinetsbrede thema's

Voor de beleidsdoelstellingen die in het beleidsprogramma zijn opgenomen, geldt dat in de meeste gevallen primair één of enkele ministers verantwoordelijk zijn. Voor een aantal thema's is de reikwijdte breder en strekt deze zich uit over het gehele kabinet en soms zelfs over (overheids)organisaties daarbuiten. Dat geldt voor de eigen verantwoordelijkheid, de kennissamenleving, waarden en normen en de internationale positionering van Nederland in Europa en de rest van de wereld. Deze thema's worden hier kort uiteengezet.

Meer eigen verantwoordelijkheid

Het kabinet wil de bakens duidelijk verzetten. Het beleid voor de komende jaren zal een cultuuromslag teweeg moeten brengen, binnen zowel de overheid als de samenleving. Die cultuuromslag bestaat eruit dat burgers en maatschappelijke organisaties zelf ook een verantwoordelijkheid hebben en in veel gevallen zelfs beter toegerust zijn om de maatschappij vorm te geven. Er bestaat een neiging om snel in de richting van de overheid te kijken voor de oplossing van een probleem, terwijl dat lang niet altijd de meest aangewezen weg is. Mensen kunnen veel zelf als ze de ruimte krijgen. Maar die ruimte moet dan ook wel worden benut. Met andere woorden: de ruimte die wordt geboden is niet vrijblijvend. Burgers en bedrijven hebben de plicht verstandig om te gaan met de eigen verantwoordelijkheid.

Deze overtuiging komt terug in de beleidsvoornemens die beschreven staan in alle hoofdstukken van het beleidsprogramma. Zo moeten scholen en schoolbesturen bijvoorbeeld meer ruimte krijgen om te doen waar zij voor zijn: het verzorgen van goed onderwijs. De komende jaren zullen hun vanuit Den Haag minder regels worden opgelegd. Tegelijkertijd zullen scholen meer dan in het verleden verantwoording moeten afleggen over de door hen geleverde prestaties. Ook in de zorg moet de huidige overmaat aan regels en procedures verdwijnen. In het nieuwe stelsel krijgen instellingen en verzekeraars meer vrijheid, maar ook meer verantwoordelijkheid. De overheid beoordeelt de prestaties en houdt toezicht op de kwaliteit. De bevoegdheden van gemeenten op het terrein van reïntegratie van arbeidsongeschikten en werklozen worden vergroot. Gemeenten krijgen de financiële verantwoordelijkheid voor het reïntegratiebeleid en ontvangen daartoe een ongedifferentieerd budget.

Versterken innovatief vermogen van Nederland

De Nederlandse economie moet groeien om duurzame toename van welvaart veilig te stellen en om de zo broodnodige nieuwe banen te scheppen. Onderwijs, kennis en innovatie staan aan de basis van economische groei en maatschappelijke participatie van mensen. Daarnaast is met innovatie belangrijke winst te boeken op terreinen als de landbouw en het verkeer en vervoer. Het versterken van ons innovatief vermogen is de sleutel tot structureel herstel van de Nederlandse economie. Het kabinet heeft daarom een Innovatieplatform opgericht onder leiding van de minister-president. Daarvan maken gezaghebbende personen uit het bedrijfsleven en de kennisinfrastructuur deel uit. Zij krijgen volop de ruimte om vanuit hun kennis en ervaring te komen met vernieuwende ideeën om de kennissamenleving te versterken.

Op het gebied van ICT moet Nederland zijn prestaties verbeteren en tot de top van Europa behoren. Het kabinet zal daartoe een beleidsagenda opstellen. Om een impuls te geven aan het gebruik van ICT zal het kabinet het actieplan breedband uitvoeren en elektronische communicatie stimuleren. Alle relevante overheidsinformatie en diensten dienen op termijn voor burgers en bedrijven beschikbaar te zijn via het internet. Daarnaast sluit het kabinet coalities, met als doel ICT slimmer te benutten bij het aanpakken van maatschappelijke knelpunten op het gebied van onderwijs, veiligheid, zorg en verkeer en vervoer.

Herstel waarden en normen

Een belangrijk aandachtspunt voor het kabinet is het herstel van waarden en normen. Een overgrote meerderheid van de burgers in Nederland vindt dat de overheid hier een wezenlijke taak heeft, overigens onder erkenning van de eigen verantwoordelijkheid. Een verbetering van de overdracht en handhaving van waarden en normen is noodzakelijk om de sociale samenhang in de samenleving te bevorderen. Beleidsterreinen waarop de overdracht en handhaving van waarden en normen een evidente rol spelen zijn onderwijs, veiligheid, jeugdbeleid en integratie. Het kabinet heeft daarom besloten om in het kader van waarden en normen juist aan deze terreinen bijzondere aandacht te schenken. Hiertoe zijn in de begrotingen van de verantwoordelijke departementen beleidsdoelstellingen geformuleerd, voorzien van concrete beleidsmaatregelen. Het kabinet zal voorts een strikt integriteitsbeleid voeren binnen de overheid en hetzelfde bevorderen voor het bedrijfsleven.

Versterking internationale verantwoordelijkheid van Nederland en Europa in de wereld

De wereld om ons heen ontwikkelt zich snel en dynamisch. Nederland is door zijn open economie en samenleving meer dan andere landen vervlochten met het buitenland. De belangen van Nederland op het gebied van veiligheid en welvaart worden daarom in toenemende mate in een internationale context behartigd. Daarnaast maakt Nederland zich sterk voor de internationale rechtsorde, voor internationale vrede en veiligheid en voor een rechtvaardige wereld. Nederland beschikt over politieke, economische, militaire en ontwikkelingsinstrumenten, die per geval in de juiste verhouding worden ingezet. Met de instelling van een fonds voor vrede en stabiliteit worden middelen en instrumenten gebundeld om een coherent veiligheidsbeleid te kunnen voeren. Ook de bestrijding van terrorisme vraagt om een geïntegreerde aanpak in binnen- en buitenland. Nederland blijft zich inzetten voor de internationale rechtsorde – met Den Haag als juridische hoofdstad van de wereld – voor ontwapening en wapenbeheersing en voor mensenrechten. In de strijd tegen armoede en uitsluiting handhaaft Nederland als een van de weinige landen ter wereld het budget voor ontwikkelingssamenwerking op 0,8% van het bruto nationaal product.

Verdieping van de Europese samenwerking en een sterke transatlantische band zijn ankerpunten van het Nederlandse buitenlands beleid. Nederland bekleedt tijdens de tweede helft van 2004 het voorzitterschap van de Europese Unie. Het Nederlandse voorzitterschap wordt in een aantal opzichten bijzonder. De tien nieuwe lidstaten zullen per 1 mei 2004 formeel meebeslissen. Verder zal er een nieuw Europees Parlement zijn en treedt tijdens het voorzitterschap de nieuwe Europese Commissie aan. Nederland draagt daarom een bijzondere verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de continuïteit in Europa. De Unie zal in de tweede helft van 2004 beslissingen nemen over verdere uitbreiding van de Unie. De besluitvorming over de financiering van de Unie moet worden voorbereid. Thema's als duurzame groei, veiligheid en het externe beleid van de Unie zullen bovenaan de agenda staan. Het voorzitterschap biedt gelegenheid de Nederlandse bevolking meer bij de EU te betrekken.

Het beleidsprogramma in relatie tot de begroting

Dit beleidsprogramma bevat de belangrijkste doelstellingen van het tweede kabinet Balkenende voor de komende periode van vier jaar en geeft aan hoe het kabinet die doelstellingen wil realiseren. Het beleidsprogramma onderscheidt zich van de departementale begrotingen en de daarin opgenomen beleidsagenda doordat het een selectie van de belangrijkste doelstellingen over een periode van vier jaar bevat. De begrotingen en de daarin opgenomen beleidsagenda's daarentegen beslaan het volledige spectrum van het overheidsbeleid en concentreren zich op 2004. Vanzelfsprekend maken de doelstellingen uit het beleidsprogramma onderdeel uit van de beleidsagenda's. In de Miljoenennota is daarnaast een beleidsmatig hoofdstuk opgenomen dat nauw aansluit bij het beleidsprogramma maar een meer financieel-economische invalshoek heeft.

In het vervolg van de kabinetsperiode zal de voortgang van de in dit beleidsprogramma beschreven doelstellingen uiteengezet worden in de departementale begrotingen en jaarverslagen, alsmede in de Miljoenennota en het jaarverslag van het Rijk. Daarin zullen ook gedurende de rit de doelstellingen en het daarmee verbonden beleid geactualiseerd worden.

Den Haag, september 2003

2. SOCIAAL-ECONOMISCH BELEID

De Nederlandse economie staat er niet goed voor. De economische en sociale structuur van Nederland moet worden versterkt om perspectief te houden op behoud en groei van toekomstige maatschappelijke welvaart.

Versterking van de Nederlandse economie is noodzakelijk om het draagvlak voor collectieve voorzieningen als zorg, onderwijs en veiligheid te vergroten. Door de vergrijzing zullen de kosten van deze voorzieningen de komende jaren toenemen, terwijl de omvang van de beroepsbevolking juist in groei zal afnemen.

Voor de komende kabinetsperiode betekent dit dat Nederland boven het gemiddelde van de Eurozone zal moeten uitkomen. De concurrentiekracht van ons land moet worden hersteld. Hiervoor is in de eerste plaats een gematigde loonontwikkeling nodig. De overheid neemt op dit vlak haar verantwoordelijkheid door de ontwikkeling van de lonen in de publieke sector gematigd te houden en door het minimumloon en de uitkeringen richtinggevend te koppelen aan de loonontwikkeling in de publieke sector. Daarnaast is een gematigde lastenontwikkeling van groot belang voor het bevorderen van de arbeidsparticipatie en het ondersteunen van de noodzakelijke loonkostenmatiging. Er moet voldoende ruimte zijn om te ondernemen, goed bestuur van (beursgenoteerde) ondernemingen moet worden versterkt, de administratieve lastendruk moet worden verlaagd. De werking van de arbeidsmarkt moet verder worden verbeterd, onder meer door werknemers arbeidsgeschikt te houden en de mate van arbeidsongeschiktheid van de bevolking terug te dringen, de reïntegratie effectiever te laten verlopen en de mogelijkheid van de combinatie van arbeid en zorg te verbeteren. De tevredenheid van consumenten over belangrijke markten als die van elektriciteit, telefonie en gas moet worden vergroot. Nederland moet een aantrekkelijke vestigingsplaats blijven voor ondernemingen.

Dit alles kan alleen op een vertrouwenwekkende solide financiële basis. Het zicht op aflossing van de staatsschuld om de toekomstige kosten van de vergrijzing te kunnen opvangen, moet behouden blijven.

Sociale zekerheid

DoelstellingMaatregelenRealisatiemoment
WAO  
• Vermindering van instroom van duurzaam volledig arbeidsongeschikte werknemers tot maximaal 25 000 per jaar• Verlenging loondoorbetaling • Wetsvoorstel nieuwe arbeidsongeschiktheidsregeling• Afsluiten arboconvenantenNa invoering van het wetsvoorstel «nieuwe arbeidsongeschiktheidsregeling in 2006 en in elk jaar daarna
Reïntegratie  
• Toename met een kwart in 2007 (van het percentage dat uitstroomt naar reguliere arbeid na te hebben deelgenomen aan een reïntegratietraject)• Invoeren Wet Werk en Bijstand• Invoeren nieuwe activeringsregeling• Sturing op resultaat via prestatie-afspraken met UWV over reïntegratie WW-ers en arbeidsgehandicaptenBinnen 3 jaar na invoering WWB, bij een effectieve reïntegratiemarkt
Arbeid en zorg  
• Verminderen van het verschil tussen de gewenste en de feitelijke mate van combineren van arbeid en zorgtaken met een kwart• Invoering Wet Basisvoorziening Kinderopvang • Invoering Levensloopregeling • Implementatie resultaten Stimuleringsmaatregel Dagindeling 2007
Arbeidsparticipatie  
• De dalende trend van de netto arbeidsparticipatie van ouderen (55–64 jaar) zal in 2007 zijn gekeerd in een stijgende trend• Afschaffen fiscale facilitering voor VUT- en prepensioen met uitzondering van lopende uitkeringen• Invoering van een werkgeversbijdrage aan de werkloosheidslasten van oudere werknemers (WWOW) • Gefaseerde herinvoering van de sollicitatieplicht voor werklozen ouder dan 57½ jaar • Afschaffen van de vervolguitkering WW • Invoering van Wetsvoorstel gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid, naar verwachting per 1 december 2003 2007

WAO

Een halt toeroepen aan de gestage groei van het aantal arbeidsongeschikten is een van de prioriteiten van het kabinet. Een ingrijpende wijziging van het verzekeringsstelsel voor arbeidsongeschiktheid is daarbij onontkoombaar. Het kabinet hanteert daarbij de volgende uitgangspunten:

• Het voorkomen van arbeidsongeschiktheid begint met adequate prikkels voor verzuimpreventie;

• Niet het verzekeren van arbeidsongeschiktheid, maar het activeren van arbeidsgeschiktheid staat centraal;

• Wie écht niet meer in staat is arbeid te verrichten, krijgt een permanente en adequate inkomensbescherming aangeboden. Dit betreft personen die duurzaam én volledig arbeidsongeschikt zijn;

• De primaire verantwoordelijkheid voor preventie en reïntegratie ligt bij werkgevers en werknemers;

• Gedeeltelijk arbeidsgeschikten moeten gelijke kansen krijgen bij de toegang tot arbeid.

Het kabinet streeft ernaar de verplichte loondoorbetalingsperiode voor werkgevers te verlengen van één naar twee jaar, zodat zij er meer belang bij krijgen om langdurig verzuim terug te dringen. Om werknemers te stimuleren hun werk te hervatten is het van belang dat bovenwettelijke aanvullingen op de loondoorbetaling in het tweede ziektejaar achterwege blijven. Een loondoorbetaling in het tweede ziektejaar van 70% zal een belangrijke toegangsvoorwaarde vormen voor de nieuwe arbeidsongeschiktheidsregelingen.

Omdat werkhervatting niet altijd binnen twee jaar zal slagen, moeten ook de uitkeringsvoorwaarden in het teken blijven staan van activering. Het stelsel moet stimuleren tot arbeid. Daarnaast moet het voor werkgevers in alle gevallen financieel aantrekkelijk blijven om gedeeltelijk arbeidsongeschikten in dienst te nemen of te houden. Het streven naar werkhervatting is een centraal element in het nieuwe WAO-stelsel dat het kabinet op 1 januari 2006 wil invoeren. Dit stelsel bevat een inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. Het bevat daarnaast een activeringsregeling voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten (meer dan 35%) en voor volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikten. Personen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, blijven in dienst van de werkgever. Als zij werkloos raken, kunnen zij op de gebruikelijke wijze aanspraak maken op de WW.

In aanloop naar invoering van het nieuwe stelsel zal per 1 juli 2004 het schattingsbesluit worden aangescherpt. Hierdoor kunnen de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid beter bij de beoordeling van de mate van arbeidsgeschiktheid worden betrokken. Het nieuwe Schattingsbesluit zal worden toegepast bij de nieuwe instroom in de WAO en bij herbeoordelingen van werknemers die al recht hebben op een WAO-uitkering.

Arboconvenanten vormen een belangrijk instrument ter preventie van ziekte, verzuim en WAO-instroom. In 2004 start de «tweede fase arboconvenanten» in ongeveer twintig sectoren met een hoog risico op arbeidsongeschiktheid.

De besparing als gevolg van de stelselherziening (op uitkeringslasten en uitvoeringskosten) loopt ten opzichte van ongewijzigd beleid op tot € 700 miljoen in 2007.

Reïntegratie

In de Wet Werk en Bijstand (WWB) die ter behandeling voor ligt in het parlement, zijn verschillende maatregelen genomen die de uitstroom naar reguliere arbeid zullen bevorderen. Doel van het wetsvoorstel is de effectiviteit van het reïntegratiebeleid te bevorderen door een meer doelmatige vormgeving en een minder versnipperd instrumentarium. Daartoe wordt in het voorstel de decentralisatie van de reïntegratiebudgetten doorgezet. Gemeenten krijgen via een ongedifferentieerd en vrij besteedbaar reïntegratiebudget meer bevoegdheden. De tegenhanger van deze beleidsmatige verantwoordelijkheden is dat de gemeenten ook financieel verantwoordelijk worden voor de uitvoering. De voorgestelde datum waarop deze wet van kracht moet worden is 1 januari 2004.

Arbeidsongeschikten die nog kunnen werken (of dat binnen afzienbare tijd weer kunnen), worden in de nieuwe activeringsregeling aangespoord zoveel mogelijk naar vermogen te participeren op de arbeidsmarkt. In die regeling wordt, veel meer dan nu het geval is, werken beloond. De activeringsregeling is onderdeel van een stelselherziening, die – voor nieuwe ziektegevallen – begint met de verlenging tot twee jaar van de loondoorbetaling bij ziekte door werkgevers per 1 januari 2004. De activeringsregeling zelf zal, samen met de regeling voor mensen die nooit meer kunnen werken (de duurzaam volledig arbeidsongeschikten) ingaan per 1 januari 2006.

Een effectief reïntegratiebeleid vraagt ook een goed functionerende reïntegratiemarkt. Het kabinet streeft er dan ook naar de transparantie op de reïntegratiemarkt verder te verbeteren. Resultaatfinanciering en meer concurrentie komen de effectiviteit van de uitvoering ten goede.

Met de reïntegratiemaatregelen is een totale besparing gemoeid van € 850 miljoen op het reïntegratiebudget (voor 80% op de begroting SZW en 20% bij UWV) en € 250 miljoen op de uitkeringslasten van de bijstand. Op het reïntegratiebudget voor arbeidsgehandicapten wordt € 250 miljoen bespaard.

Arbeid & Zorg

Steeds meer mensen willen betaalde arbeid combineren met zorg of andere activiteiten. De overheid heeft die wens de afgelopen jaren ondersteund met wetgeving voor deeltijdarbeid (Wet aanpassing arbeidsduur) en verlof (Wet arbeid en zorg). Als mogelijk sluitstuk van deze laatste wet, beraadt de regering zich op de introductie van een onbetaald recht op langdurig zorgverlof voor mensen met een levensbedreigend zieke partner, ouder of kind. Naast verlof en deeltijdarbeid is kinderopvang een belangrijke voorwaarde voor het combineren van arbeid en zorg. In 2005 zal naar verwachting de Wet basisvoorziening kinderopvang (Wbk) worden ingevoerd. Deze wet regelt de kwaliteit van en de overheidsbijdrage aan de kosten van geregistreerde kinderopvang naar keuze. In 2004 zullen de middelen voor kinderopvang zo worden ingezet dat zij bijdragen aan een soepele overgang naar de Wbk. Bestaande kinderopvangplaatsen zullen in stand kunnen blijven door gerichte bijdragen aan gemeenten, werkgevers en instellingen. Verder biedt het kabinet met de introductie van de levensloopregeling ondersteuning bij het financieren van periodes van onbetaald verlof over de hele levensloop. Van de tot nu toe ontwikkelde mogelijkheden om arbeid en zorg te combineren, blijkt ook nog niet iedereen op de hoogte. Via voorlichting zal de bekendheid met regelingen en voorzieningen voor het combineren vergroot worden.

In aanvulling hierop zal het kabinet stimuleren dat de resultaten van de Stimuleringsmaatregel Dagindeling breed worden geïmplementeerd. Het levensloopbeleid in bedrijven zal worden gestimuleerd door voorbeeldprojecten uit te voeren die het combineren van werk en privé vereenvoudigen.

Arbeidsparticipatie

In de afgelopen decennia is het steeds gewoner geworden dat oudere werknemers vóór hun 65e uittreden om zo ruimte op de arbeidsmarkt te creëren voor jongeren. Begin jaren tachtig was dat goed beleid, maar door de vergrijzing van de bevolking is dat beleid achterhaald. Om voldoende draagvlak te behouden voor de financiering van collectieve voorzieningen is het van groot belang dat iedereen die daar de leeftijd voor heeft, zijn capaciteiten op de arbeidsmarkt ten volle ontplooit. Als uitvloeisel hiervan streeft de overheid naar het omzetten van de dalende trend van de arbeidsparticipatie van ouderen (55–64 jaar), die gezien de stand van de conjunctuur kan worden verwacht, in een stijgende trend.

Ter bevordering van de arbeidsparticipatie van ouderen wordt de fiscale facilitering voor VUT- en prepensioenregelingen gestopt.

Het kabinet wil het risico op werkloosheid bij oudere werknemers helpen terugdringen door werkgevers te laten betalen voor werknemers van 57½ jaar en ouder die in de WW belanden. Deze bijdrage is gelijk aan een deel van de WW-lasten. Tegelijkertijd zullen de sollicitatieplicht en de andere verplichtingen gericht op werkhervatting vanaf 2004 ook weer voor oudere werknemers gaan gelden. Verder zullen aanvullingen van voormalige werkgevers op WW-uitkeringen in mindering worden gebracht op de uitkeringen. Dit geldt zowel voor 57½-plussers als voor jongere werklozen, die daardoor worden ontmoedigd mee te werken aan ontslag. Ook afschaffing van de WW-vervolguitkering maakt de WW onaantrekkelijker als afvloeiingsregeling.

Een belangrijk aandachtspunt is de bevordering van de toegankelijkheid van de arbeidsmarkt voor ouderen. Leeftijdsdiscriminatie mag voor hen geen belemmering vormen deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Het wetsvoorstel «Gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid» geeft ouderen betere arbeidsmarktkansen.

Eind 2003 zal het kabinet aangeven welke maatregelen zij eventueel nog meer zal nemen om de arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen. In ieder geval zal het kabinet een meerjarige voorlichtingscampagne beginnen ter bestrijding van vooroordelen over oudere werknemers en ter stimulering van langer doorwerken. Ook zal de regering een verkennende nota opstellen over de toekomstbestendigheid van werkloosheidsregelingen. Deze nota zal onder meer ingaan op arbeidsmarktontwikkelingen, op ontwikkelingen op het terrein van de VUT, WAO en bijstand, op de relatie met levensloopregelingen en op vereenvoudiging van regelgeving en administratieve lastenverlichting. Een internationale vergelijking van werkloosheidsregelingen maakt ook onderdeel uit van de analyse.

Ondernemingsklimaat

DoelstellingMaatregelenRealisatiemoment
Ruimte om te ondernemen• Vergemakkelijken starten onderneming en bedrijfsoverdrachten • Flexibilisering faillissementswet • Tegengaan tegenstrijdige regels2007
Administratieve lasten  
• Reductie met een kwart t.o.v. 31 december 2002• Instellen administratieve lastenplafonds per departement • Instellen gemengde commissies met het bedrijfsleven2007
Netwerksectoren  
• De mate van tevredenheid over de netwerksectoren behoort tot de top 5 van Europa• Volledige opening energiemarkt• Volledige liberalisering postmarkt2004 2007
Goed ondernemingsbestuur  
• Versterken van de kwaliteit van het ondernemingsbestuur zodat Nederland zich in 2007 bij internationale vergelijkingen in de kopgroep bevindt op de gebieden «rechten en plichten van de aandeelhouders», «transparantie» en «board structuur en kwaliteit»• Wettelijke maatregelen om bovenmatige belonings- en afvloeiingsregelingen te beperken• Internationale verslaggevingsstandaarden en toezicht• Wettelijke facilitering naleving corporate governance codeWetsvoorstellen dienen uiterlijk 1 januari 2005 in werking te zijn getreden

Ruimte om te ondernemen

Nederland daalt op de internationale ranglijsten van meest aantrekkelijke vestigingsplaatsen. Bedrijven en starters hebben niet voldoende ruimte om te ondernemen. Ze ervaren veel overlast van administratieve lasten en bureaucratie, hebben last van files en slechte bereikbaarheid en kampen met onvoldoende fysieke ruimte. Nederland moet als vestigingsplaats weer terug aan de top komen. Dit betekent dat het ondernemingsklimaat in brede zin verbeterd moet worden. Het starten, groeien en overdragen van een bedrijf moet makkelijker worden, de criminaliteit waar het bedrijfsleven mee te maken krijgt moet worden aangepakt en de administratieve lasten en tegenstrijdige regelgeving moeten worden teruggedongen. Concreet zullen vanaf najaar 2003 taskforces worden ingesteld om geconstateerde tegenstrijdige regels aan te pakken. Voorts neemt het kabinet samen met het bedrijfsleven gerichte acties om winkelcriminaliteit en overvallen en ramkraken bij juweliers tegen te gaan.

Het kabinet zal in deze kabinetsperiode prestatieafspraken met de 30 grote steden maken, waarin «op maat» concrete doelen en acties worden afgesproken om (herstructurering van) bedrijventerreinen, bereikbaarheid, gemeentelijke dienstverlening aan bedrijven, breedband en veilig ondernemen te bevorderen.

Administratieve lasten

«Meedoen», «meer werk» en «minder regels», het motto van dit kabinet, vereist een extra inzet op terreinen als ontbureaucratisering, deregulering en het terugdringen van de administratieve lasten. Door het terugdringen van de regeldruk leveren we een tastbare bijdrage aan een aantal belangrijke doelstellingen: een sterkere economie, grotere concurrentiekracht van ons bedrijfsleven, meer initiatieven én een slagvaardige overheid.

Administratieve lasten zijn de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid. De afgelopen jaren is een infrastructuur opgebouwd, waarvan onder meer het Adviescollege voor toetsing van administratieve lasten (Actal), de methodiek voor nulmetingen en departementale gemengde commissies deel uitmaken. Dit biedt de komende kabinetsperiode de mogelijkheid om concrete resultaten te boeken.

De coördinatie van de aanpak van de administratieve lasten voor bedrijven ligt bij de minister van Financiën, in nauw overleg met de staatssecretaris van Economische Zaken (als aanspreekpunt voor het bedrijfsleven). Dit laat onverlet dat elke minister een eigen verantwoordelijkheid draagt.

Bij de aanpak van de administratieve lasten voor bedrijven zal worden voortgebouwd op datgene wat de afgelopen jaren is ontwikkeld. Realisatie van de doelstelling, vermindering van de administratieve lasten met een kwart in deze kabinetsperiode, vergt echter een versterkte aanpak. Om systematisch en consequent de administratieve lastendruk te verminderen wordt aansluiting gezocht bij het begrotingsproces. Verbreding van de aanpak vindt plaats doordat de pijlen gericht worden op alle niveau's van wet- en regelgeving: Europa, de rijksoverheid en de medeoverheden (provincies, gemeenten, ZBO's en waterschappen). In het kader van het Nederlands voorzitterschap van de EU in 2004 zullen diverse initiatieven genomen worden om het onderwerp administratieve lasten in Europees verband sterker op de kaart te zetten. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij het actieplan van de Europese Commissie om de kwaliteit van regelgeving te verbeteren. De integrale aanpak wordt verder versterkt door de inzet van ICT. In het kader van de eenmalige verlenging van het mandaat van de Actal (van 2004 tot 2006) zal bezien worden of de slagkracht van dit adviescollege verder versterkt kan worden.

Om de betrokkenheid van het bedrijfsleven te garanderen is aan de gemengde commissies, waarin vertegenwoordigers van het bedrijfsleven zijn opgenomen, gevraagd om suggesties te doen voor een radicale vermindering van de administratieve lasten. Het zijn immers de bedrijven die ervaren waar de grootste lasten optreden en waar mogelijkheden bestaan ze terug te dringen. Van die kennis moet optimaal gebruik worden gemaakt.

Netwerksectoren

Goed functionerende goederen- en dienstenmarkten zijn cruciaal voor duurzame economische groei. Naast het bevorderen van concurrentie en goed toezicht op gewone markten, kan de dynamiek ook worden aangewakkerd door het liberaliseren van netwerksectoren als energie en ICT. De energiemarkt voor kleinverbruikers zal per 1 juli 2004 worden geliberaliseerd. Daarmee is de energiemarkt volledig vrij. Overigens zal dit gepaard gaan met een pakket aan aanvullende wetgeving om de voorzienings- en leveringszekerheid te garanderen. De sanctiemiddelen van de Dienst uitvoering en toezicht energie (DTe) worden uitgebreid. De postmarkt zal in 2007 worden vrijgemaakt, onder voorwaarde van de garantie van universele dienstverlening.

Doel van deze liberaliseringen is het verbeteren van de positie van de consument. In termen van een betere prijs-kwaliteit verhouding, in termen van toegankelijkheid, betaalbaarheid en markttransparantie en in termen van gedifferentieerd aanbod op maat en goede dienstverlening. Het kabinet streeft ernaar om door middel van liberalisering, toezicht en borging van publieke belangen de tevredenheid van burgers over deze voor de economie vitale sectoren te verbeteren. In 2007 moeten alle sectoren in de top 5 van Europa staan. De huidige score (eind 2002) is:

Elektriciteit9e plaats
Gas3e plaats
Post8e plaats
Mobiele telefonie11e plaats
Vaste telefonie9e plaats

Goed ondernemingsbestuur (corporate governance)

Het vertrouwen in een goed ondernemingsbestuur is van groot maatschappelijk belang. Zonder vertrouwen zullen burgers en institutionele beleggers, waaronder buitenlandse investeerders, niet willen beleggen in Nederlandse ondernemingen. Dat zet een rem op de economische en werkgelegenheidsgroei.

Het vertrouwen in Nederlandse ondernemingen staat recentelijk onder druk. Boekhoudschandalen, ophef omtrent belonings- en afvloeiingsregelingen en mislukte fusies doen de vraag rijzen of de verantwoording van en controle op degenen die het beleid bepalen wel goed geregeld is. Het kabinet is er veel aan gelegen om het maatschappelijk vertrouwen in het bestuur en de raad van commissarissen te herstellen. Met erkenning van en nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van ondernemingen moet de overheid het herstel van het vertrouwen in het ondernemingsbestuur en het toezicht daarop (corporate governance) ondersteunen. Het kabinet stelt zich ten doel de «checks and balances» binnen (beursgenoteerde) ondernemingen te versterken en zal daartoe een aantal kaders stellen.

In het Hoofdlijnenakkoord is aangegeven dat het onverantwoord en niet aanvaardbaar is dat in moeilijke economische tijden veel bestuurders van ondernemingen en zelfstandige organen in de publieke sector, bovenmatige inkomensontwikkelingen kennen. Het kabinet bereidt een wetsvoorstel voor dat inhoudt dat het beloningsbeleid ten aanzien van bestuurders van ondernemingen vooraf ter goedkeuring aan de algemene vergadering van aandeelhouders moet worden voorgelegd. Voorts zal het kabinet in het najaar van 2003 maatregelen aankondigen ter verhoging van de transparantie van de bezoldiging van bestuurders en toezichthouders in de (semi-) publieke sector.

De commissie corporate governance (naar haar voorzitter ook wel commissie-Tabaksblat genoemd) heeft een aantal beginselen van goed ondernemingsbestuur geformuleerd. Op 1 juli 2003 heeft de commissie haar Nederlandse corporate governance code in concept gepubliceerd. De code bevat zowel principes als concrete bepalingen die de bij een vennootschap betrokken personen (onder andere bestuurders en commissarissen) en partijen (onder andere institutionele beleggers) anno 2003 tegenover elkaar in acht zouden moeten nemen. Een aantal van deze bepalingen ziet op de bezoldiging van bestuurders en commissarissen.

Het kabinet heeft veel waardering voor het werk van de commissie. De commissie illustreert het zelfregulerend vermogen van de samenleving. Het kabinet bereidt wetgeving voor waarmee zelfregulering in de vorm van een corporate governance code ondersteund kan worden. Daarbij wordt betrokken dat een dergelijke code snel aan te passen moet zijn aan nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen.

Ten behoeve van de transparantie van de financiële verslaggeving van beursgenoteerde ondernemingen en de onderlinge vergelijkbaarheid van de financiële cijfers zijn hoogwaardige en internationaal geharmoniseerde verslaggevingsstandaarden nodig. Vanaf 2005 zullen dergelijke standaarden voor beursgenoteerde ondernemingen verplicht worden gesteld.

Voor het maatschappelijk vertrouwen in de juistheid van de cijfers is de controle door de externe accountant van groot belang. Een goede kwaliteit van het werk van de controlerende accountant moet daarom worden gewaarborgd. De Autoriteit Financiële Markten zal toezicht gaan houden op de financiële verslaggeving van beursgenoteerde ondernemingen én op de externe accountant. Indien de verslaggeving afwijkt van de verslaggevingsstandaarden, kan de rechter in de jaarrekening ingrijpen.

In Europees verband zal het kabinet zich inzetten voor een snelle start van onderhandelingen over een richtlijn betreffende de facilitering van grensoverschrijdend stemmen door aandeelhouders. Een richtlijn is cruciaal voor het uitoefenen van stemrecht door buitenlandse aandeelhouders van Nederlandse bedrijven. De kring van aandeelhouders van Nederlandse beursgenoteerde vennootschappen bestaat voor een belangrijk deel uit buitenlandse investeerders. Dit kan bij sommige vennootschappen oplopen tot zo'n 40–50%.

Overheidsfinanciën

DoelstellingMaatregelenRealisatiemoment
EMU-saldo  
• Een structureel tekort van maximaal 0,5% in 2007• Handhaven Europese afspraken in het kader van het Verdrag van Maastricht en het Groei- en Stabiliteitspact • Stringente begrotingsregels voor alle departementenDe Tweede Kamer zal in iedere budgettaire nota geïnformeerd worden over de ontwikkeling van het EMU-saldo, de uitgavenkaders en de lastenontwikkeling.

EMU-saldo

Het kabinet streeft naar een verbetering van het EMU-saldo richting begrotingsevenwicht. Een verbetering van het saldo in 2007 is nodig om een budgettaire positie te bereiken waarbij zicht bestaat op verdere aflossing van de overheidsschuld. Door aflossing van de overheidsschuld wordt bespaard op rente-uitgaven, waardoor toekomstige vergrijzingsuitgaven kunnen worden opgevangen, zonder dat in de toekomst belastingtarieven verhoogd hoeven te worden.

Daarnaast is een verbetering van het EMU-saldo nodig om te voldoen aan de Europese verplichtingen uit het Verdrag van Maastricht en het Stabiliteits en Groeipact. Het Verdrag van Maastricht stelt dat het feitelijke EMU-tekort niet hoger mag zijn dan 3% BBP. Het Stabiliteits- en Groeipact stelt aanvullend dat over de middellange termijn een begrotingspositie van nabij evenwicht of een overschot moeten worden gerealiseerd en gehandhaafd. Dit betekent dat het conjunctuurgeschoonde tekort (ook wel: structurele tekort) ten hoogste -0,5% BBP mag bedragen. Indien die doelstelling niet wordt bereikt, is een verbetering van het structurele tekort met tenminste 0,5%-punt BBP per jaar vereist.

Om deze doelstelling te bereiken worden strikte begrotingsregels gehanteerd gedurende de kabinetsperiode. Voor de uitgavenkant worden vaste reële uitgavenplafonds gehanteerd. Uitgaventegenvallers dienen tijdig gecompenseerd te worden door besparende maatregelen. Aan de inkomstenkant van de begroting kunnen automatische stabilisatoren hun werk doen. Inkomstenmeevallers komen ten gunste van het EMU-saldo, inkomstentegenvallers belasten het EMU-saldo. Randvoorwaarde hierbij is dat wordt voldaan aan de vereisten uit het Stabiliteits- en Groeipact. Indien een ontwikkeling dreigt waarbij niet aan deze randvoorwaarden wordt voldaan, dan worden aanvullende maatregelen genomen.

3. ONDERWIJS, KENNIS EN INNOVATIE

De vitale rol van het onderwijs voor onze samenleving moet worden versterkt. Onderwijs en kennis vormen immers de basis voor economische kracht, eigen verantwoordelijkheid en saamhorigheid. Daarom trekt het kabinet voor onderwijs, kennis en innovatie, ondanks de moeilijke budgettaire situatie, € 800 miljoen uit.

De Nederlandse economie moet groeien om duurzame toename van de welvaart veilig te stellen en de werkgelegenheid te bevorderen. Tijdens de Europese Top van Lissabon (maart 2000) werd de ambitie geformuleerd dat Europa de meest dynamische en concurrerende kenniseconomie van de wereld moet worden, die in staat is duurzame economische groei te combineren met meer en betere banen. In het verlengde daarvan wil Nederland tot de Europese voorhoede behoren op het terrein van hoger onderwijs, onderzoek en innovatie.

Naast innovatie is meedoen een sleutelbegrip. Enerzijds moet een baan in het onderwijs aantrekkelijk worden gemaakt. Anderzijds moeten zoveel mogelijk mensen toegang kunnen krijgen tot onderwijs, cultuur en wetenschappen om zo een bindende rol te spelen in de samenleving en de economie te versterken.

Onderwijs

DoelstellingMaatregelenRealisatiemoment
Minder regels, meer ruimte, heldere verantwoording• Verlagen totale administratieve lastendruk instellingen (op basis van nulmeting), waaronder lumpsumbekostiging PO en invoering onderwijsnummer2006/2007
 • Vereenvoudiging bekostigingsregels2007
 • Vereenvoudiging inrichtingseisen aanvraag cultuurnotasubsidie 
 • Invoering verplichte jaarrekening PO-scholen2005/2006
 • Verdieping/verbreding externe controle PO- en VO-scholen2005/2006 (PO)2004 (VO)
 • Prestatieafspraken met instellingen in BVE en HO2007
Meer mensen werkzaam in het onderwijs  
• Terugdringen lerarentekort in PO/VO van 10 400 naar 2 200 • Meer ondersteunend personeel en zij-instromers • Andere organisatie onderwijsproces • Verbetering begeleiding instroom • Versterking opleiden in de school • Versterking kwalificatiestructuur onderwijsberoepen2007
Meer mensen die meedoen  
• 30% minder voortijdig schoolverlaters ten opzichte van 1999 • Waarden en normen meer herkenbaar in onderwijs • Meer ruimte voor scholen (PO en VO) voor cultuureducatie• Schakelklassen PO • Verbeteren begeleiding jongeren via ophogen VOA en RMC • Waarden en normen in nieuwe kerndoelen PO en basisvorming • Maatschappelijke stages en leerlingbegeleiding VO stimuleren • Uitbreiden cultuur- en schoolprogramma2007 2007 2007 2007 2007

Minder regels, meer ruimte en heldere verantwoording

Het kabinet gaat uit van het vakmanschap, de ervaring en de verantwoordelijkheid van de mensen die werken in het onderwijs, de wetenschap of de cultuur. Plannen, regels en voorwaarden die dit belemmeren worden aangepakt. Zo wordt onder meer het onderwijsnummer ingevoerd, waardoor instellingen minder vaak aan ouders en leerlingen informatie hoeven te vragen. Dat betekent minder papier voor de burger en ook meer tijd voor onderwijsinstellingen om te doen waar ze goed in zijn: onderwijs verzorgen. Om de totale administratieve lastendruk voor scholen en (culturele) instellingen vast te stellen, zal een nulmeting worden uitgevoerd. Op basis daarvan kan de administratieve lastendruk worden aangepakt. Het aantal circulaires voor scholen en instellingen wordt zoveel mogelijk beperkt. Het perspectief: onderwijs- en cultuurinstellingen die in overleg met hun omgeving zelf bepalen hoe zij hun maatschappelijke doelen realiseren.

Meer ruimte moet leiden tot betere prestaties, tot beter onderwijs voor de leerling of student. De overheid wil via direct overleg met onderwijsinstellingen en professionals de koers uitzetten die leidt naar die prestaties. De invoering van de zogenaamde lumpsumbekostiging voor scholen in het primair onderwijs is hiervan een voorbeeld: vanaf het schooljaar 2006/2007 krijgen alle scholen een bepaald bedrag, en kunnen zij grotendeels zelf bepalen hoe zij hun geld besteden. Maar de overheid behoudt een duidelijke rol: zij ziet erop toe dat de kwaliteit van het onderwijs goed is en blijft, dat ieder kind onderwijs kan volgen, en dat het geld wordt uitgegeven aan het doel waarvoor het is bestemd.

Wie verantwoordelijkheid draagt, moet ook verantwoording afleggen. De instellingen moeten zich op een vergelijkbare en open wijze verantwoorden. Daarom zullen scholen gedegen jaarrekeningen en jaarverslagen moeten maken. En aan instellingen voor beroeps- en volwasseneneducatie, hogescholen en universiteiten wordt door het stellen van kaders en het maken van prestatieafspraken de ruimte en richting geboden die zij nodig hebben om de boogde prestaties te behalen.

Meer mensen in het onderwijs

Ook de komende jaren zal er een tekort aan leraren blijven. Daarom blijft het bestrijden van het lerarentekort voor het kabinet prioriteit. Het doel is om het verwachte tekort in 2007 van 10 400 volledige banen in het primair en voortgezet onderwijs terug te brengen naar circa 2 200 voltijdbanen. Scholen, instellingen, sociale partners, gemeenten en rijksoverheid moeten dit gezamenlijk zien te bereiken. Dat lukt alleen als het werk op school interessant is en voldoening schenkt, en als het voor meer mensen een aantrekkelijk perspectief biedt. Door het lesgeven anders te organiseren en door de inzet van ondersteunend personeel, krijgt de leraar meer armslag en is de school beter in staat om eventuele personeelstekorten op te vangen. Belangrijk is dat scholen een goed personeelsbeleid voeren. Het gaat om zaken als werving, integraal management en «opleiden in de school». Op die manier kunnen nieuwe doelgroepen zoals onderwijsassistenten, leraren-in-opleiding en zij-instromers worden opgeleid op de werkplek. De mogelijkheden om als zij-instromer aan de slag te gaan worden verder verbeterd.

Omdat de lerarentekorten de komende jaren vooral regionaal, en dan met name op de achterstandsscholen, voelbaar zijn, moeten ze ook regionaal worden aangepakt. In de regio's noord en zuid is de arbeidsmarkt redelijk in evenwicht. De tekorten zijn het grootst in de grote steden en gebieden als Flevoland, Gelderland en de Utrechtse heuvelrug. Daarnaast ontstaan er nieuwe beroepen, zoals de lerarenondersteuner en onderwijsassistent. Zij helpen de leraar met kinderen begeleiden, toetsen afnemen, spullen klaarzetten en toezicht houden. Dit schept een nieuwe behoefte aan scholings- en doorstroomtrajecten. Werkgevers, werknemers en opleidingen moeten hierover gezamenlijk tot afspraken komen, bij voorkeur in regionaal verband. De uitkomst van die scholingstrajecten moet voldoen aan de wensen van het veld én landelijk effect hebben. Daarom is er behoefte aan een transparante kwalificatiestructuur voor onderwijsberoepen en een flexibel stelsel van scholing en opleiding.

Meer mensen die meedoen

De arbeidsmarkt vraagt om veel goed opgeleide mensen. Op dit moment verlaten nog te veel jongeren de school zonder een diploma. Het kabinet maakt zich er hard voor het tij te keren. Zo zullen afspraken worden gemaakt met scholen voor voortgezet onderwijs, BVE-instellingen en hogescholen om meer te doen aan de begeleiding van leerlingen en studenten. Daarnaast komen in het primair onderwijs schakelklassen om leerlingen uit het buitenland via intensieve taalondersteuning voor te bereiden op het reguliere onderwijs dat past bij hun leeftijd en ontwikkelingsniveau. Uiteindelijk streven we ernaar dat het aantal leerlingen dat zonder diploma de school verlaat met 30% wordt verminderd ten opzichte van de situatie in 1999. De maatregelen die het kabinet wil doorvoeren ten aanzien van de prestatiebeurs HBO en BOL 3–4 hebben als doel dat meer studenten hun opleiding zullen afmaken.

Onderwijs, cultuur en wetenschap leveren eveneens een belangrijke bijdrage aan de sociale samenhang in ons land. Leerlingen en studenten ontvangen hier een belangrijk deel van de bagage die ze nodig hebben om als actieve, verantwoordelijke burger deel te nemen aan de samenleving. Een goede beheersing van de Nederlandse taal is hiervoor een vereiste, evenals kennis van cultureel erfgoed en het in acht nemen van algemeen aanvaarde waarden en normen. Als eerste moeten de ouders als opvoeders hier hun verantwoordelijkheid nemen. Het onderwijs vervult in de praktijk een belangrijke medeopvoedende rol. Daarom wordt gestimuleerd dat ouders en scholen in contracten afspraken vastleggen over wat men van elkaar verwacht en waar men elkaar op kan aanspreken. In het basisonderwijs en in de eerste jaren van het voortgezet onderwijs moeten waarden en normen een herkenbare plaats krijgen. Om leerlingen meer bij de maatschappij te betrekken, introduceren we de maatschappelijke stage in het VO. Ook de kennismaking met kunst en cultuur is een belangrijk onderdeel van de vorming van jongeren. Daarom gaan we meer leerlingen kennis laten maken met kunst en erfgoed, onder meer door scholen meer ruimte te geven cultuureducatie te verankeren in het onderwijscurriculum.

Kennis en innovatie

DoelstellingMaatregelenRealisatiemoment
Naar een concurrerende kennissamenleving  
• Nederland behoort tot de Europese voorhoede op het gebied van innovatie• Oprichting Innovatieplatform• Stimuleren publiek-private R&D samenwerking• Stimuleren van technostarters• Stimuleren van speur- en ontwikkelingswerk door verhoging WBSO• Versterking economische structuur (ICES-KIS)2003200720072007 2003–2010
   
• Versterken kwaliteit van toponderzoek en betere samenwerking onderwijs en bedrijfsleven• Versterking prestatiebekostiging universitair onderzoek via dynamisering eerste geldstroom• Concentreren onderzoeksgebieden en locaties door versterking tweede geldstroom• Kennisverspreiding en kennistoepassing beroepsonderwijs naar MKB en bevordering ondernemerschap• Kennisinnovatie in het HBO2007 2007 2007 2007
• Meer kenniswerkers:   
• 15% meer bèta/techniek (tov 2003)• Deltaplan béta en techniek2007
• Substantiële verhoging instroom onderzoeksopleidingen• Onderzoeksmasters WO2007
• Hogere capaciteit medische opleidingen (geneeskunde naar 2900)• Verhogen numerus fixus geneeskunde, mondzorg/zorgmasters HBO2007
   
• Meer sectorale innovatie   
• Substantieel sterker innovatieklimaat in PO en VO• Stimuleren en verspreiden succesvolle vernieuwingen2007
• Gerichte stimulering onderwijsinnovaties met ICT• Innovatieprojecten ICT• Behoud ICT-koopkracht scholen2007
   
• Kwaliteitsverbetering bibliotheken en digitale toegankelijkheid erfgoed• Digitalisering erfgoed• Versterking stelsel van openbare biliotheken2007

Naar een concurrerende kennissamenleving

Het versterken van het innovatief vermogen is de sleutel tot structureel herstel van de Nederlandse economie. Om een impuls te geven aan innovatie als motor van de productiviteitsgroei en economische ontwikkeling heeft het kabinet een Innovatieplatform opgericht onder leiding van de minister-president, waarin naast de ministers van EZ en OC&W gezaghebbende personen uit het bedrijfsleven en de kennisinfrastructuur plaatsnemen. In het innovatieplatform zullen vernieuwende ideeën worden uitgewisseld waarvan de overheid bij de beleidsvorming kan profiteren. Partijen zullen elkaar kunnen aanspreken op de bijdragen die overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen ieder voor zich èn gezamenlijk leveren aan een groter innovatief vermogen van de Nederlandse economie.

Daarnaast richt het kabinet zich op het stimuleren van private research and development (R&D) en samenwerking tussen bedrijfsleven en kennisinstellingen. Het kabinet verhoogt het budget voor de WBSO met € 100 miljoen om R&D te ondersteunen. Tevens wordt de WBSO voor zelfstandigen, inclusief zelfstandige starters, verruimd. Daarnaast zet het kabinet zich in om de relatief hoge octrooikosten in Nederland te verlagen, wat gunstig is voor het MKB. Onder de naam Technopartner start in 2004 de uitvoering van een vernieuwd beleid gericht op technologische starters, waardoor hun aantal en kwaliteit wordt vergroot.

Het kabinet wil het wetenschappelijk onderzoek verder verbeteren door daarin meer focus te brengen via concentratie op onderzoeksgebieden. Belangrijk is ook om meer kennis te ontwikkelen, te verspreiden en toe te passen in (en tussen) bedrijven en kennisinstellingen. Een goede relatie van het midden- en kleinbedrijf met het beroepsonderwijs is onontbeerlijk. In hoger en middelbaar beroepsonderwijs wordt daarom de kennisuitwisseling met het midden- en kleinbedrijf verder gestimuleerd, onder meer door kennisinnovatie en ondernemerschap in het onderwijs te bevorderen.

In verschillende sectoren van de arbeidsmarkt bestaat grote behoefte aan meer hoger opgeleiden. Het kabinet gaat vooral meer jongeren interesseren voor een studie en loopbaan in de bèta- en technieksector. Daarvoor worden extra maatregelen genomen in het basisonderwijs en in het middelbaar en hoger onderwijs. Doel is een 15% hogere instroom in deze sectoren in 2007. Verder worden mensen gestimuleerd te kiezen voor een carrière als wetenschappelijk onderzoeker. Daartoe worden de onderzoeksmasters in het wetenschappelijk onderwijs bevorderd. En om iets te doen aan de wachtlijsten in de zorg, komen er nieuwe medische studies zoals zorgmasters.

Onderwijsinstellingen moeten er alles aan doen om hun leerlingen voor te bereiden op een bestaan in de kennissamenleving van morgen. Het kabinet zorgt ervoor dat scholen een snelle en moderne aansluiting op internet kunnen behouden. Daarnaast wordt het stelsel van openbare bibliotheken kwalitatief versterkt zodat de bibliotheek zijn publieke functie beter kan vervullen.

4. VEILIGHEID EN RECHTSORDE

Het recht en de rechtsorde zijn essentiële voorwaarden om vreedzaam en vruchtbaar samen te leven op een wijze waarbij ieder tot zijn recht kan komen. Maar dan moet die rechtsorde ook bruikbaar zijn voor de burger en aansluiten bij zijn behoefte aan duidelijkheid, aan een adequate en snelle beslechting van geschillen en aan een ordening van het verkeer tussen burgers en met de overheid die hen in staat stelt zelf naar eigen vermogen hun leven en omgeving in te richten.

Wezenlijk is dat Nederland veiliger wordt. Het voorkomen en bestrijden van criminaliteit, het effectief optreden tegen gewelddadige inbreuken op personen, eigendommen en rechten van burgers, behoort tot de kerntaken van de overheid. Inzet van het kabinet is een veiliger samenleving en een effectieve handhaving. Dat vergt niet alleen inzet van de overheid, maar ook van bedrijfsleven, maatschappelijke instellingen en burgers. Maar veiligheid is meer dan de afwezigheid van criminaliteit. De naleving van wetten en regels is niet minder van belang. De praktijk van het gedogen van allerlei overtredingen past daar niet bij. Burgers willen zien dat de overheid de regels handhaaft en dat bij ordeverstoringen en misbruik van publieke voorzieningen consequent en daadkrachtig wordt opgetreden. Door een daadkrachtige aanpak bevestigt de overheid tevens de in wetten en regels vastgelegde waarden en normen en scherpt zij het besef hierover bij burgers aan.

DoelstellingMaatregelenRealisatiemoment
Vermindering criminaliteit  
• Daling criminaliteit en overlast in de publieke ruimte met 20–25% moet vanaf 2006 in vizier komen• Uitvoering van het Integraal Veiligheidsprogramma bestaande uit 147 maatregelen gericht op het verbeteren van de gehele veiligheidsketen. 2003–2006
Jeugdcriminaliteit  
• Vergroten effectiviteit aanpak jeugdcriminaliteit en verbetering aanpak probleemjongeren • Uitbreiding van preventieve maatregelen • Speciale aanpak jeugdige veelplegers • Vergroting capaciteit justitiële jeugdinrichtingen en jeugdreclassering2003–2008
Verbeteren prestaties in de veiligheidsketen• Prestatie-afspraken met de korpsbeheerders2006
 • Versterking beheersbevoegdheid van de minister van BZK2004–2005
 • Verbetering doelmatigheid politie2003–2006
Modernisering rechtsorde• Stimulering alternatieve geschilbeslechting2004–2008
 • Wettelijke maatregelen t.b.v. buitengerechtelijke afdoening strafbare feiten • Verbetering benutting zittingscapaciteit • Versterken infrastructurele kant van de rechtsorde • Stelselherziening rechtsbijstand 

Vermindering criminaliteit

Veiligheid vergt een effectievere preventie en bestrijding van criminaliteit en een verbeterde handhaving. Het kabinet trekt daarom in het Hoofdlijnenakkoord extra geld uit voor veiligheid. Het programma «Naar een veiliger samenleving» (Veiligheidsprogramma) geeft aan hoe het kabinet de veiligheid wil vergroten en formuleert concrete doelstellingen. De criminaliteit en overlast in de publieke ruimte moeten met 20% tot 25% worden verminderd: een vermindering die vanaf 2006 in het vizier moet komen. In de 56 wijken met de ernstigste problemen wordt gemeten of de aanpak succesvol is geweest in die zin dat in die wijken reeds in 2006 tot het landelijk beoogde resultaat van 20% tot 25% reductie moet zijn gekomen.

Belangrijk uitgangspunt van het Veiligheidsprogramma en de besteding van de extra middelen is de integrale en evenwichtige ketenbenadering. Samenwerking tussen de verschillende partners in de justitiële keten zal worden verbeterd en extra geld wordt ingezet waar zich de grootste knelpunten in de keten bevinden.

Het Veiligheidsprogramma is veelomvattend. Het bevat verschillende maatregelen ter voorkoming van onveiligheid en ter versterking van het toezicht en de rechtshandhaving. Speerpunten daarbij zijn de aanpak van stelselmatige daders, intensivering van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving, versterking van het toezicht en controle in de publieke ruimte en de intensivering van gerichte preventieprojecten. Een selectie van een aantal concrete maatregelen:

• Er zullen 1000 detentieplaatsen worden gecreëerd speciaal voor stelselmatige daders;

• De politie heeft zich in het Landelijk Kader Nederlandse Politie (2003–2006) verbonden om extra misdrijfzaken aan het Openbaar Ministerie aan te leveren, oplopend tot 40 000 extra over het jaar 2006 ten opzichte van het aantal in 2002;

• De politie zal 180 000 uit staandehoudingen voortkomende boeten en transacties extra genereren;

• Sanctietoepassingen worden uitgebreid en gemoderniseerd;

• Er wordt uitvoering gegeven aan het plan van aanpak huiselijk geweld;

• Door middel van een publiciteitscampagne zal een gericht appèl worden gedaan op de verantwoordelijkheid van burgers bij de bestrijding van criminaliteit en bevordering van de kwaliteit van de leefomgeving in bijvoorbeeld de eigen woonomgeving, op het sportveld en op school;

• Er wordt een Centrum voor Criminaliteitspreventie ingericht, dat gemeenten en organisaties ondersteunt bij het ontwikkelen en implementeren van veiligheidsconcepten en keurmerken;

• Ter bestrijding van criminaliteit gericht tegen bedrijven zal een apart actieprogramma worden uitgevoerd, waarbij urgente zaken zoals winkelcriminaliteit en overvallen bij juweliers als eerste worden aangepakt.

Tevens zal uitvoering worden gegeven aan het actieprogramma «Rijk aan handhaving» ter versterking van de rechtshandhaving door het Rijk en aan het actieprogramma «Handhaven op niveau» ter versterking van de rechtshandhaving door met name decentrale overheden.

Jeugdcriminaliteit

Het kabinet staat voor een krachtige aanpak van de jeugdcriminaliteit en een effectieve jeugdbescherming. De uiteenlopende doelstellingen langs de lijn preventie – correctie – repressie staan met elkaar in verband. Als kinderen opgroeien in bedreigende omstandigheden wordt de kans groter dat ze afglijden in de criminaliteit. Situaties waarin geen sprake is van een goede opvoedings- en leefsituatie, moeten daarom zo snel mogelijk worden opgeheven. Het kabinet zet in op een versterking van de tijdige signalering en screening bij jongeren die nog geen «harde» criminelen zijn. Ook wordt extra geïnvesteerd in intensieve vormen van opvoedingsondersteuning gericht op ouders met (verhoogd risico op) politiecontact.

Daarnaast richt het in december 2002 gepresenteerde actieprogramma «Jeugd Terecht» zich op een vermindering van delictgedrag door jeugdigen. Daarbij gaat het zowel om het voorkomen van eerste delicten als het terugdringen van recidive.

Verbeteren prestaties in de veiligheidsketen

In het Hoofdlijnenakkoord heeft het kabinet geconstateerd dat de prestaties van de politie moeten en kunnen worden vergroot en dat eveneens de middelen efficiënter kunnen worden ingezet. Dit belang is ook uitgedrukt in het Veiligheidsprogramma en de hieruit voortvloeiende afspraken in het Landelijk Kader Nederlandse politie en de regionale convenanten die met de afzonderlijke korpsen zijn afgesloten. Daarnaast worden er afspraken gemaakt ter verbetering van de doelmatigheid van de politie met 5%. Onderdeel hiervan zijn doelstellingen over de daling van het ziekteverzuim.

De minister van BZK fungeert in het huidige politiebestel als «beheerder op afstand» hetgeen betekent dat ingrijpen op rijksniveau in het beheer van de regiokorpsen beperkt blijft tot het strikt noodzakelijke. Een wijziging van de Politiewet zal erin voorzien dat de sturingsrelatie tussen de minister van BZK en de korpsbeheerders wordt versterkt. Beoogd wordt het wetsvoorstel eind 2003 voor te leggen aan de Raad van State. In relatie hiermee zal in de eerste helft van 2005 het functioneren van de politie worden geëvalueerd.

Een keten is zo sterk als zijn zwakste schakel. De veiligheidsketen is momenteel niet in balans, omdat de capaciteit van de diverse schakels niet op elkaar is afgestemd. Met het ontwikkelen van een prognosemodel wil het kabinet de veiligheidsketen meer in balans te brengen. Momenteel is de beperkte sanctiecapaciteit een belangrijk obstakel. In het Veiligheidsprogramma is al besloten om 5900 extra plaatsen sanctiecapaciteit te creëren in 2007, waarvan 600 plaatsen voor uitzetcentra van vreemdelingen. Voor 1000 plaatsen wordt sanctiecapaciteit gereed gemaakt voor meerpersoonsgebruik. Voor de detentie van veelplegers zijn 1000 plaatsen beschikbaar. Verdere uitbreiding van de capaciteit is echter onontkoombaar. Daarbij gaat het ook om meer elektronisch toezicht en een sobere opvang voor personen die hun boetes niet betalen.

Modernisering rechtsorde

Een rechtsorde zoals het kabinet die voor ogen staat, vergt een voortgaande modernisering daarvan, langs drie invalshoeken: de wetgeving, adequate geschilbeslechting en een toegankelijke rechtspraak.

Het kabinet zal zich in dat verband bij de wetgeving in het bijzonder richten op een verdeling van de verantwoordelijkheid tussen overheid en burgers waarbij burgers zoveel mogelijk in staat worden gesteld zelf keuzes te maken en verantwoordelijkheid te dragen in het publieke domein. De inzet is daarnaast gericht op een adequaat en slagvaardig stelsel van geschilbeslechting, onder meer door het aanbieden en bevorderen van het gebruik van alternatieve manieren om geschillen op te lossen. Maar ook door het investeren van extra middelen in de rechtspraak, de aanpak van onnodige lasten en procedures in de rechtspraak, meer afdoeningen door het openbaar ministerie en het versterken van een slagvaardige organisatie van de rechtspraak. Ten slotte vergt de toegankelijkheid een goede rechtsbijstand. Daartoe wordt een herziening van het stelsel van rechtsbijstand doorgevoerd.

5. VOLKSGEZONDHEID, ZORG EN WELZIJN

Het kabinet staat voor een aantal keuzes met betrekking tot het zorgstelsel. De kosten stijgen sterk, terwijl vraag en aanbod vaak niet goed op elkaar aansluiten. De periode 2004–2007 staat in het teken van de overgang naar een nieuw zorgstelsel. De modernisering van de AWBZ wordt met kracht voortgezet. Tegelijkertijd zorgt het kabinet voor waarborgen voor de kwaliteit en toegankelijkheid van de zorg. Vanwege de sterk stijgende kosten zijn op korte termijn ingrijpende maatregelen nodig om te komen tot een houdbare collectieve verzekering van noodzakelijke zorg.

Zowel de uitdaging die de vergrijzing ons op langere termijn stelt, als de huidige financieel-economische situatie van Nederland dwingen ons tot heldere keuzes. Het Hoofdlijnenakkoord van het nieuwe kabinet bevat stringente budgettaire afspraken voor de komende kabinetsperiode. Daarnaast moeten de kosten van extra wachtlijstproductie worden opgevangen en wordt ervoor gekozen ruimte te creëren voor intensiveringen.

Naast keuzes in de zorg kiest het kabinet ook voor een leefbare en sociaal veilige samenleving. Daarbij richt het kabinetsbeleid zich met name op groepen kwetsbare burgers waarvoor steun van de overheid noodzakelijk is. Het kabinet wil voorkomen dat mensen te snel in allerlei dure zorgvoorzieningen terecht komen. De nadruk ligt hierbij op voorzieningen die ouderen en gehandicapten zo lang mogelijk in staat stellen om zelfstandig te wonen. Daarnaast legt het kabinetsbeleid prioriteit bij het vroegtijdig onderkennen en aanpakken van problemen bij een groep jongeren.

Volksgezondheid en zorg

DoelstellingMaatregelenRealisatiemoment
Beheersing kosten collectieve verzekering• Invoering pakketmaatregelen en eigen betalingen ZFW2004
 • Invoering pakketmaatregelen AWBZ 2004 
 • Invoering eigen risico ZFW2005
 • Compensatiemaatregelen2004
Nieuw zorgstelsel op basis van gereguleerde markt-• Invoering prestatiegerichte vorm van bekostiging2004–2005
werking• Invoeren verplichte standaardverzekering curatieve zorg2006
 • Verbeteren informatievoorziening2004–2006
 • Overhevelen curatieve zorg uit de AWBZ2006
Bewerkstelligen dat elke burger binnen een redelijke• Vergroting ziekenhuiszorg: aanpak wachttijden 2004–2007
termijn zorg en ontvangt met waarborging van betaal-• Aanpak wachttijden levensbedreigende risico's2004–2007
baarheid, kwaliteit en toegankelijkheid• Vergroten productie AWBZ; aanpak wachttijden2004–2007
 • Stimuleringsprogramma kwaliteit, innovatie en efficiency2004–2007

Beheersing kosten collectieve verzekering

De economische ontwikkeling is zorgelijk. Mede met het oog daarop acht het kabinet het ontoelaatbaar dat de ziektekostenpremies nog sterker stijgen. Om dit te voorkomen zijn ingrijpende maatregelen nodig. Alleen dan kan een collectieve verzekering van noodzakelijke zorg duurzaam worden gegarandeerd. Voor het behoud van het evenwicht tussen solidariteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid, krijgen burgers te maken met hogere directe (eigen) betalingen wanneer zij zorgvoorzieningen gebruiken. Het kabinet geeft hieraan de voorkeur boven het verder laten stijgen van de premies. Daarnaast wordt het wettelijk verzekerde pakket beperkt. Om burgers meer eigen verantwoordelijkheid te geven voor de eigen zorguitgaven komt er op 1 januari 2005 een eigen risico in de Ziekenfondswet. De solidariteit – lasten eerlijk verdelen – wordt bewaakt door publieke garanties in het zorgstelsel en door inkomensbeleid. Onderdeel van de solidariteit in de zorg is dat bepaalde groepen kwetsbare mensen, zoals chronisch zieken en mensen met lagere inkomens, worden ontzien. Daarom worden de effecten van de«pakketmaatregelen» voor bepaalde groepen verzacht; met name chronisch zieken en mensen met lage inkomens worden ontzien. Voor hen wordt een speciale fiscale compensatiemaatregel gemaakt die zo spoedig mogelijk aan het parlement wordt voorgelegd.

Nieuw zorgstelsel op basis van gereguleerde marktwerking

De centrale aanbodsturing die het huidige zorgstelsel kenmerkt, zal zo snel als verantwoord is worden vervangen door een systeem van «gereguleerde marktwerking». Dat wil zeggen dat in plaats dat van bovenaf wordt bepaald welk aanbod er is in de zorg, de vraag van patiënten doorslaggevend wordt. Zorginstellingen en verzekeraars moeten de ruimte krijgen om te ondernemen. De op te richten zorgautoriteit krijgt de taak nieuwe instrumenten te ontwikkelen die aanzetten tot efficiënt gedrag in de zorg.

Om het nieuwe zorgstelsel per 1 januari 2006 vorm te geven, moet een groot aantal maatregelen worden genomen.

In de eerste plaats worden prestatiegerichte vormen van bekostiging ingevoerd. In de ziekenhuissector bijvoorbeeld, vindt een gefaseerde invoering van Diagnose Behandelcombinaties (DBC's) plaats. Er wordt een nieuw bekostigingssysteem voor de eerstelijnszorg ontwikkeld. Tevens wordt een functiegerichte bekostiging van de AWBZ gefaseerd ingevoerd. Ook voor geneesmiddelen wordt een nieuw bekostigingssysteem ingevoerd.

In de tweede plaats wordt per 1 januari 2006 een verplichte standaardverzekering voor curatieve zorg ingevoerd. Dit wordt geregeld in de Zorgverzekeringswet. Tegelijk wordt in beginsel alle op genezing gerichte zorg van de AWBZ naar deze standaardverzekering overgeheveld. Ter compensatie van ongewenste inkomenseffecten wordt een zorgtoeslag ingevoerd.

In de derde plaats moet ter bevordering van de kwaliteit de informatievoorziening in de zorg drastisch verbeteren. Ten behoeve van het meten van prestaties van ziekenhuizen en huisartsen zal in 2004 gestart worden met het ontwikkelen van benchmark-instrumenten. In 2005 wordt de implementatie van de AWBZ-brede zorgregistratie afgerond, en zal een geheel van prestatie-indicatoren voor de zorg zijn ontwikkeld. In 2006 moeten aanbieders en verzekeraars gegevens over vraag en aanbod aan elkaar koppelen, wordt er een zorgidentificatienummer ingevoerd, komt er een landelijk dekkend elektronisch medicatiedossier en komt er via internet informatie beschikbaar over verzekeraars en zorgaanbieders om patiënten te helpen bij het maken van keuzes.

Bewerkstelligen dat elke burger binnen een redelijke termijn zorg ontvangt met waarborging van betaalbaarheid, kwaliteit en toegankelijkheid

Het aanpakken van wachttijden in de zorg heeft ook in deze kabinetsperiode hoge prioriteit. Een groot deel van het extra geld voor 2004 en de volgende jaren kan hieraan worden besteed. Voorwaarde is wel, net als in de afgelopen jaren, dat voor dat geld ook daadwerkelijk zorg wordt geleverd, «boter bij de vis».

Extra geld is niet de enige oplossing voor het aanpakken van de wachttijden: ook meer doelmatigheid, een betere organisatie van de zorg en innovatie zijn noodzakelijk om meer en betere zorg te leveren.

De aanpak van wachttijden in de ziekenhuizen en AWBZ-zorg (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten: ouderen, gehandicapten, geestelijke gezondheidszorg) heeft de afgelopen jaren goede resultaten gehad. Er is over de gehele linie meer zorg geleverd, zeker als gevolg van het actieplan «Zorg Verzekerd» dat sinds eind 2000 een verdere groei van de productie mogelijk maakte en dat het veld prikkelde tot meer en nieuwe initiatieven. Dit kabinet wil deze lijn voortzetten en trekt daarvoor extra geld uit. De verwachting is dat de ziekenhuizen en alle AWBZ-sectoren het komende jaar, zowel intramuraal als extramuraal, een groei zullen laten zien.

De productie wordt uitgebreid door de beschikbaarheid van medisch personeel te vergroten. Hiervoor worden diverse maatregelen genomen. De opleidingscapaciteit voor medische opleidingen wordt uitgebreid. Daarnaast zal het implementatieplan van de commissie LeGrand worden uitgevoerd om tot een herschikking binnen beroepsgroepen, een modernisering van de opleidingen en een verkorting van de opleidingsduur te komen.

Daarnaast zal het kabinet zich richten op het behalen van gezondheidswinst door preventie van ongezond gedrag. Dat betekent langer gezond leven. Burgers zijn daar in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor. Maar de overheid kan en wil hen stimuleren.

Welzijn

DoelstellingMaatregelenRealisatiemoment
Jeugdbeleid  
• Bewerkstelligen samenhangend jeugdbeleid• Jeugdagenda (operatie JONG), realiseren van een sluitende keten voor begeleiding van jongeren2004–2007
 • Invoeren Wet op de Jeugdzorg2004

Jeugdbeleid

Het kabinet wil kinderen en jongeren de mogelijkheid bieden zich te ontwikkelen tot volwaardige leden van de samenleving. Problemen moeten zo vroeg mogelijk gesignaleerd en aangepakt worden. De rijksbrede Jeugdagenda 2004–2007 besteedt hieraan aandacht. De rijksoverheid moet zorgen dat de «jeugdketen» sluit. Daarnaast is het belangrijk dat regels op elkaar worden afgestemd en dat de diverse geldstromen worden gebundeld. Voor het uitvoeren van deze ambities is de «operatie JONG» gestart waarin vijf departementen samenwerken. Hierover worden ook afspraken gemaakt met gemeenten, provincies en het veld.

Op 1 januari 2004 wordt de nieuwe Wet op de Jeugdzorg van kracht. Hiermee wordt een wettelijk kader ingevoerd dat een sluitende aanpak van de hulpverlening aan jongeren mogelijk maakt. Hiermee wil het kabinet een stevige aanpak van de wachtlijsten en een snelle en doelmatige behandeling bereiken.

Het kabinet heeft bij het aantreden in het Hoofdlijnenakkoord besloten om preventie en jeugdzorg te versterken. De schaalvergroting in de jeugdzorg, door de vorming van de bureaus Jeugdzorg (de jeugdbeschermingstaken en de jeugdreclassering gaan daar onderdeel van uitmaken) maakt het mogelijk de werkprocessen efficiënter in te richten en de kosten van overhead te beperken. Daarnaast zal het kabinet, in overleg met betrokken partijen, bekijken hoe de effectiviteit in de jeugdzorg kan worden verbeterd.

Vergroten van de sociale cohesie

De komende jaren zal, in overleg met andere verantwoordelijken zoals burgers, gemeenten en provincies, een groot aantal maatregelen worden genomen om de sociale leefbaarheid te vergroten. Uitgangspunt daarbij is het zoveel mogelijk voorkomen dat mensen in dure zorgarrangementen komen. Het kabinet stelt een aantal aandachtspunten centraal:

• Hoogbejaarden en gehandicapten moeten zolang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. Hiervoor is het ontwikkelen van een lokaal stelsel van dienstverlening van grote betekenis. Dit dienstverleningsstelsel moet samenwerkingsverbanden tot stand brengen tussen zorg- en welzijnsvoorzieningen en de schotten wegnemen tussen welzijn, zorg en wonen. De burger moet eerst zelf al het mogelijke doen om zelfstandig te leven en maatschappelijk te functioneren; pas daarna ondersteunt de overheid hem daarbij. Er wordt een Ouderenagenda opgesteld waarin een integrale visie op het ouderenbeleid wordt opgenomen met een inventarisatie van dilemma's en kansen rond het thema vergrijzing. Daarnaast zal de maatschappelijke participatie van burgers in buurt en vereniging door vrijwilligerswerk worden vergroot door een stimuleringsprogramma voor vrijwilligerswerk.

• De probleemwijken in de grote steden (G3O) worden door een sociale impuls bij versnelde herstructurering, geïntegreerd aangepakt. Onder het motto «Opvoeden door Sport» wil het kabinet samenwerkingsverbanden Buurt, Onderwijs en Sport (BOS) vergroten en versterken. Daarnaast heeft het kabinet besloten om extra middelen ter beschikking te stellen ten behoeve van de maatschappelijke opvang, vrouwenopvang, huiselijk geweld en heroïneverstrekking. De inzet van het kabinet is de overlast van verslaafden tegen te gaan. Ten slotte wordt ingezet op het verbeteren van de gezondheid en het sociaal-maatschappelijke functioneren van chronisch verslaafden door het onder toezicht verstrekken van heroïne. Daartoe zal de financiering van een aantal plaatsen ten behoeve van heroïneverstrekking worden voortgezet.

6. ENKELE ASPECTEN VAN IMMATERIËLE AARD

Rekening houden met elkaar en respect voor opvattingen van anderen is een zaak van ons allemaal. Een samenleving ontleent haar kracht aan het delen van een aantal fundamentele leefregels. Om die reden streeft het kabinet naar een verbetering van de overdracht en handhaving van waarden en normen. Het kabinet zal zich met voorrang richten op de in het Hoofdlijnenakkoord genoemde terreinen onderwijs, veiligheid, jeugdzorg en integratie.

Het kabinet zal in de komende vier jaar ook expliciet aandacht schenken aan de zorgvuldigheidsnormen bij zwangerschapsafbreking en bij het tot stand brengen en gebruiken van embryo's voor wetenschappelijk onderzoek. Tegelijkertijd met dit beleidsprogramma zal het kabinet de ethische agenda uitbrengen, waarin vraagstukken als deze uitgebreid aan de orde komen.

DoelstellingMaatregelenRealisatiemoment
Het besef in de samenleving over waarden en normen vergroten• Diverse maatregelen op de terreinen onderwijs, veiligheid, jeugdzorg en integratie neerslaand in de departementale begrotingen • Maatregelen op het terrein van integriteit en de grondwet2004–2007
Medisch ethische kwesties  
• Het stellen van normen, het creëren van breed maatschappelijk draagvlak en beschermen van zwakkere groepen • Kabinetsstandpunt euthanasiepraktijk (toetsing van de wet levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding in de praktijk)2003
 • Kabinetsstandpunt over anticonceptie voor mensen met een verstandelijke handicap2003
 • Kabinetsstandpunt over prenatale screening2003
 • Evaluatie wet afbreking zwangerschap2004
 • Indiening wet zeggenschap lichaamsmateriaal2004–2005

Waarden en normen

Waarden en normen zijn in de eerste plaats natuurlijk een zaak van burgers en maatschappelijke organisaties. Maar ook de overheid heeft hierin een rol, bij uitstek dáár waar de overdracht en/of handhaving van waarden en normen plaatsvindt: onderwijs, veiligheid, jeugdbeleid en integratie.

Waarden en normen zullen een herkenbare plaats krijgen in het basisonderwijs en de eerste jaren van het voortgezet onderwijs. Er zullen maatregelen worden getroffen die de veiligheid in en rondom de scholen bevorderen. Bij jongeren gaat het ook om risicoperceptie. Met het oog hierop zal bekeken worden hoe een discussie met jongeren kan worden gestart. Uitgangspunt is daarbij om jongeren aan te spreken op de risico's die zij lopen, inclusief onoplettend en agressief rijgedrag. De begrotingen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Justitie bevatten maatregelen gericht op tijdige ondersteuning en adequaat ingrijpen wanneer kinderen dreigen te ontsporen. In de begrotingen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie en Verkeer en Waterstaat worden concrete maatregelen voorgesteld om de veiligheid in de publieke ruimte te bevorderen. De begroting van Justitie bevat maatregelen die bijdragen aan de overdracht van Nederlandse waarden en normen aan nieuwkomers en mensen die al langer in Nederland wonen. Ook worden initiatieven genomen teneinde het begrip van autochtonen voor andere culturen te vergroten.

Het kabinetsbeleid zal worden ondersteund door een communicatieaanpak onder leiding van de Rijksvoorlichtingsdienst. Doel daarvan is het publieke debat over waarden en normen en aansprekende lokale en sectorale initiatieven te ondersteunen, versterken en verbreden.

Medisch-ethische kwesties

Medisch-wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen gaan snel, wekken vaak grote verwachtingen over het behandelen van ziekten, maar leiden ook tot ethische vragen: mag alles wat kan? Nieuwe technische mogelijkheden om iemand te genezen rechtvaardigen veel, maar niet alles. Ze plaatsen de samenleving als geheel voor vragen die samenhangen met de ethiek en de kwaliteit van leven. In (medisch-)ethische vraagstukken is een belangrijke en moeilijke rol voor de overheid weggelegd. De overheid heeft tot taak grenzen te stellen vanuit respect voor en bescherming van het leven. Het creëren van een groot draagvlak voor deze grenzen is van essentieel belang. Het kabinet besteedt de komende jaren daarom veel aandacht aan medisch-ethische vraagstukken. Hierbij gaat het om bio-technologische mogelijkheden, maatschappelijk/ethische grenzen, Europese ontwikkelingen, de positie van werkenden in de gezondheidszorg en de rechtspositie van patiënten.

Op korte termijn zal het kabinet een standpunt formuleren over de euthanasiepraktijk. Andere aandachtsvelden op dit terrein betreffen het gebruik van anticonceptie door mensen met een verstandelijke handicap, de prenatale screening en de wet zeggenschap lichaamsmateriaal. De wet afbreking zwangerschappen zal worden geëvalueerd.

7. BESTUURLIJKE VERNIEUWING EN OPENBAAR BESTUUR

Het kabinet wil investeren in bestuurlijke vernieuwing. Versterking van het representatieve karakter van de democratie en meer rechtstreekse invloed van de burger moeten de afstand tussen kiezer en gekozene verkleinen. Een vitale democratie bestaat immers bij de gratie van betrokken burgers. Velen hebben het idee dat hun opvattingen onvoldoende doorklinken in overheidsbeleid. Dat leidt tot onverschilligheid. Het kabinet wil laten zien dat het de moeite waard is om je stem te laten horen. Daarom zet het ook in op verbetering van het bestuur en van de democratie. Door herziening van het kiesstelsel met meer nadruk op het eigen mandaat van de individuele volksvertegenwoordiger. En door de rechtstreeks door de bevolking gekozen burgemeester.

Naast investeren in politieke vernieuwing, staat dit kabinet voor de taak een kwalitatief hoogwaardig en goed toegerust ambtelijk apparaat te hebben dat kan voldoen aan de vragen uit en behoeften van de samenleving. Het moet een overheid zijn waarop de burger kan vertrouwen en een overheid die de problemen waarmee de burger wordt geconfronteerd daadkrachtig en in samenwerking met die burger zelf aanpakt.

Dit vraagt een grote gezamenlijke inspanning van overheid, politici en burgers. De overheid moet daarbij kritisch naar zichzelf kijken. Naar haar organisatie, maar ook naar het te voeren beleid en met name ook de uitvoering daarvan. De organisatie van de overheid moet kleiner en beter intern worden afgestemd. Het beleid moet meer vrijheid laten aan medeoverheden en burgers, onder meer door de afschaffing van overbodige regelgeving.

DoelstellingMaatregelenRealisatiemoment
Eigentijds overheidswerkgeverschap• Een trendzettende CAO overheidssectoren voor 2004 afsluitenNajaar 2003 en 2004
 • Versterking van de bewustwordingsactiviteiten, handhaving en implementatie van integriteitsmaatregelen2003–2004
Modernisering overheid  
• Verbetering publieke dienstverlening, verbetering organisatie en werkwijze overheid en ontbureaucratise-• Terugdringing administratieve lasten voor burgers en voor bedrijven (voor laatstgenoemden met 25%)Deze kabinetsperiode
ren relaties medeoverheden.• ICT: gegevensbeheer en authenticatie • Herbezinning overheidstaken 
 • Terugdringing overlap tussen ministeries 
 • Kritisch doorlichten adviesraden en zbo's. 
 • Opschoning specifieke uitkeringen • Ontbureaucratisering van het grote stedenbeleidIn werkingtreding geïntegreerd beleidskader en BDU's 1-1-2005.
Bestuurlijke vernieuwing  
• Versterking representatieve karakter van de democratie en vergroten rechtstreekse invloed van de burger• Invoering direct gekozen burgemeester • Evaluatie van de wet dualisering gemeentebestuur en de wet dualisering provinciebestuurDeze kabinetsperiode 2005–2006
 • Onderzoek naar modaliteiten versterking positie minister-president2004
 • Herziening kiesstelsel2007
Koninkrijksrelaties  
• Verbetering van de bestuurlijke effectiviteit van het Koninkrijk als zodanig alsmede de verschillende onderdelen daarvan• Instellen commissie Evaluatie Statuut en werkgroepen Europese Unie en Bestuurlijke vernieuwing • Verdere ontwikkeling en uitbreiding programma-financiering met programma's rechtshandhaving • Instellen ontwikkelingsfonds Nederlandse Antillen, verbeteren financiële verhouding tussen eilandgebieden en financieel beheer eilandgebieden2007

Eigentijds overheidswerkgeverschap

Bij de ontwikkeling van specifieke speerpunten gericht op een eigentijds overheidswerkgeverschap gaat het onder andere om het bevorderen van de arbeidsparticipatie, de verhoging van de arbeidsparticipatie tussen 55 en 65 jaar, een duurzame oplossing voor de financiële situatie van het pensioenfonds ABP, het bestrijden van jeugdwerkloosheid, scholing en leeftijdsbewust personeelsbeleid. Deze doelstellingen bepalen mede de werkgeversinzet bij de CAO-onderhandelingen in de verschillende overheidssectoren. Inzet zal zijn om – onverlet de in het Hoofdlijnenakkoord gemaakte efficiencyafspraken – de werkgelegenheid bij de overheid verder op peil te houden.

Naast bovenvermelde aspecten van het eigentijds werkgeverschap is ook betrouwbaarheid een basiseis die aan de overheid wordt gesteld. De overheid behartigt het algemeen belang van de burger en deze heeft recht op een eerlijke en onpartijdige bejegening vanuit de overheid. Daarom moeten hoge eisen worden gesteld aan de integriteit van het overheidsapparaat. Eventuele fraude en corruptie of andere aantastingen van de integriteit binnen het overheidsapparaat dienen met harde hand te worden tegengegaan en bestreden. Het kabinet zal een strikt integriteitsbeleid voeren binnen de overheid, zoals ook aangekondigd in het hoofdlijnenakkoord.

Integriteitsbeleid binnen de overheid vergt voortdurend onderhoud en is meer dan regelgeving alleen. Bewustwording van mogelijke integriteitsproblemen is een belangrijk middel om ze te voorkomen. Een inventarisatie van het integriteitsbeleid binnen openbaar bestuur en politie zal in 2004 mogelijke lacunes zichtbaar maken, die dan moeten worden gedicht. De inspanning van het kabinet zal in de komende periode met name zijn gericht op implementatie, toezicht en handhaving.

Modernisering overheid

Het kabinet zal een overheidsbrede operatie «modernisering overheid» initiëren. Overheidsbreed impliceert de betrokkenheid van alle ministeries, uitvoeringsorganisaties en mede-overheden. De drie grote lijnen van de operatie zijn: de relatie tussen de overheid en de burger, de samenwerking binnen de rijksoverheid zelf en de relatie tussen rijksoverheid en mede-overheden. De modernisering van de overheid moet niet een intern gerichte exercitie worden; het resultaat voor de burger dient voorop te staan. Het resultaat moet zijn een door de burger ervaren toegankelijke, dienstverlenende en efficiënte overheid.

Bij de verbeterking van de toegankelijkheid kan de elektronische overheid een belangrijke rol spelen. Alle relevante overheidsinformatie en -diensten dienen op termijn voor burgers en bedrijven beschikbaar te zijn via het internet. De streefwaarde voor 2004 is dat minimaal 45% van de publieke dienstverlening elektronisch beschikbaar is. Hierbij staat een vraaggerichte benadering centraal. Het kabinet heeft zich voorts expliciete doelen gesteld ten aanzien van de terugdringing van de administratieve lasten, ook voor burgers. Verantwoordelijk voor de coördinatie van het terugdringen van deze administratieve lasten is de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties. Hierbij zullen ook nadrukkelijk de administratieve lasten afkomstig uit Europa worden betrokken.

De «Haagse» overheid zal zichzelf tegen het licht houden. Enkele voorbeelden van concrete projecten hiervan zijn het beteugelen van de hardnekkige groei van de uitgaven voor inhuur van externen en een onderzoek naar de overlap tussen de verschillende ministeries. Ook de zelfstandige bestuursorganen, gedeconcentreerde rijksdiensten en het stelsel van adviesraden zullen worden onderworpen aan een onderzoek betreffende taken, werkwijze en omvang.

Tot slot de relaties tussen overheden. Twee concrete projecten op dit terrein zijn de opschoning van specifieke uitkeringen en het verminderen van de bureaucratie binnen het grotestedenbeleid. Specifieke uitkeringen hebben niet altijd een heldere taakverdeling tussen rijk en decentrale overheden als grondslag. In 2004 zal het kabinet het bestaansrecht van specifieke uitkeringen beoordelen: inzichtelijk zal worden gemaakt welke specifieke uitkeringen kunnen worden gebundeld en welke naar het gemeente- of provinciefonds overgeheveld kunnen worden.

Binnen het grotestedenbeleid (GSB) zetten steden en Rijk de komende periode gezamenlijk in op een forse ontbureaucratisering teneinde de problemen in de grote steden in samenhang te kunnen aanpakken. Het grotestedenbeleid stelt de burger centraal, in plaats van de regels en de regelingen en de instellingen die deze uitvoeren. De rijksbijdragen voor het GSB zullen worden gebundeld in brede doeluitkeringen met meer bestedings- en beleidsruimte voor steden zodat zij resultaatgerichter te werk kunnen gaan.

In het najaar zal een kort en bondig programma modernisering overheid gereed zijn en aan de Tweede Kamer worden gezonden. Het zal een korte analyse van het probleem bevatten, een omschrijving van de uit te voeren activiteiten in de tijd evenals een beschrijving van de samenhang tussen de verschillende activiteiten. Uiteindelijk is het een kwestie van doen!

Bestuurlijke vernieuwing

Een belangrijk onderdeel van de bestuurlijke vernieuwing die dit kabinet voorstaat, is de invoering van de gekozen burgemeester, nog deze kabinetsperiode. Daartoe zal voor het zomerreces in 2004 een wetsvoorstel tot wijziging van onder andere de Gemeentewet aan de Raad van State worden aangeboden.

De invoering van de gekozen burgemeester is meer dan alleen een verandering in de aanstellingswijze. De operatie raakt het hart van de lokale democratie, enerzijds doordat burgers nu werkelijke invloed krijgen op de keuze van hun burgemeester, anderzijds doordat de burgemeester een andere positie binnen het gemeentebestuur krijgt. Belangrijke randvoorwaarden voor de invoering van de rechtstreeks gekozen burgemeester zijn een passende regeling van diens bevoegdheden in relatie tot de wethouders en de gemeenteraad, en van diens bevoegdheden op het terrein van de politie en een passende regeling voor het korpsbeheer.

De invoering van de direct gekozen burgemeester zal voor alle betrokkenen een ingrijpende operatie zijn. Aandacht voor een succesvolle praktische invoering is van groot belang. Daartoe zal onder meer een helpdesk voor burgemeesters en gemeenten worden opgezet.

Bij de evaluatie van de dualisering van gemeente- en provinciebesturen zal de nadruk worden gelegd op de vragen hoe het nieuwe stelsel wordt beleefd en welke condities noodzakelijk zijn om het systeem te faciliteren. Het evaluatieonderzoek dualisering gemeentebestuur zal begin 2004 van start gaan en halverwege dat jaar gereed zijn. Het kabinetsstandpunt naar aanleiding van deze evaluatie zal voor 1 januari 2005 aan de Kamer worden gezonden.

Het evaluatieonderzoek dualisering provinciebestuur zal begin 2005 van start gaan en halverwege dat jaar gereed zijn. Het kabinetsstandpunt naar aanleiding van deze evaluatie zal voor 1 januari 2006 aan de Kamer worden gezonden.

De minister-president zal leiding geven aan een regiegroep uit het kabinet die een onderzoek zal instellen naar de verschillende modaliteiten van de versterking van de positie van de minister-president, diens bevoegdheden en diens democratische legitimatie, waaronder de argumenten voor en tegen diens rechtstreekse verkiezing. Het kabinet doet daarna zo spoedig mogelijk beargumenteerd verslag van zijn bevindingen aan de Staten-Generaal, waar mogelijk vergezeld van concrete voorstellen.

Het nieuwe kiesstelsel zal een belangrijke bijdrage leveren aan de versterking van de democratie. De burger zal zich in het nieuwe stelsel beter kunnen identificeren met de op eigen mandaat gekozen individuele volksvertegenwoordiger. Daarmee wordt de betrokkenheid van de burger bij de landelijke politiek vergroot. Het stelsel zal worden ingevoerd in de periode 2004–2007. Naast het proces van wetgeving zullen de burger, gemeenten en politieke partijen voorgelicht worden over de consequenties van het nieuwe systeem. Het is van groot belang dat degenen die bij de uitvoering van het stemproces betrokken zijn, goed voorbereid zijn. De praktische gevolgen voor wat betreft de stemmachines zullen in deze periode ook aan de orde komen en zonodig tot aanpassing daarvan leiden. Het gaat hier om een omvangrijk proces van verandering.

Koninkrijksrelaties

Het kabinet kiest voor een betrokken en zakelijke benadering van de relatie met de landen overzee, die vooral uitgaat van de eigen verantwoordelijkheid van de Nederlandse Antillen en Aruba voor hun ontwikkeling. Deze focus op zelfredzaamheid is een voortzetting van het onder de vorige kabinetten ingezette beleid, en zal naar het oordeel van het kabinet bijgedragen aan een meer gelijkwaardige dialoog tussen de landen. Sinds 1998 worden duidelijker voorwaarden gesteld aan het verstrekken van ontwikkelingshulp. Zo zijn er met de Nederlandse Antillen en Aruba afspraken gemaakt over het stellen van prioriteiten en over het financieel beheer. In dit kader zijn ook afspraken gemaakt over samenwerkingsprogramma's. Met Aruba zijn zelfs afspraken gemaakt over de afbouw van de hulprelatie en is een ontwikkelingsfonds opgericht. Het kabinet gaat voort op deze weg.

Het kabinet zal in aanvulling op de «zelfredzaamheid» de focus ook richten op een nadere invulling van het Koninkrijk. In een wereld die in economische en politieke termen steeds kleiner wordt, is een keuze voor het Koninkrijk als bindend verband van de drie landen, ook een pragmatische keuze. Dit betekent dat naast werken aan een structurele basis voor economische ontwikkeling en goed bestuur door de landen zelf, er ook een gezamenlijke aanpak van de meest acute en urgente problemen wenselijk is. De komende periode zal door de drie landen gebruikt moeten worden om gezamenlijk te bepalen op welke terreinen aan het Koninkrijk nader invulling gegeven kan worden en met name ook wat van de landen zelf verwacht mag worden. Hierbij kan worden gedacht aan minimum waarborgen op het terrein van goed bestuur, economie en rechtshandhaving.

In het kader van het 50-jarig jubileum van het Statuut is het voornemen om samen met de Nederlandse Antillen en Aruba een gemengde evaluatiecommissie in te stellen. De bedoeling is dat de commissie eind 2003 wordt ingesteld en in 2004 zal rapporteren. De evaluatiecommissie zal zich moeten richten op de vraag of aanpassing van het Statuut nodig is. Nederland heeft aan de Nederlandse Antillen en Aruba voorgesteld om op korte termijn vooruitlopend op de werkzaamheden van de commissie te starten met twee gemeenschappelijke trajecten: «Europa», te weten het onderzoeken van de mogelijkheid voor een verandering van de status van de koninkrijkspartners binnen de EU, en de herziening van de bestuurlijke en financiële verhoudingen binnen de Nederlandse Antillen.

8. IMMIGRATIE EN INTEGRATIE

Bij de gereguleerde toelating van vreemdelingen tot Nederland die hier tijdelijk of definitief willen verblijven worden zowel de belangen van vreemdelingen als die van de Nederlandse samenleving in het oog gehouden. Dat houdt in dat Nederland bereid blijft om vluchtelingen en andere personen die voor internationale bescherming in aanmerking komen op te vangen. Het belang van de Nederlandse samenleving geeft de doorslag bij de toelating van bijvoorbeeld arbeidsmigranten. Tegelijkertijd zal het kabinet een groter beroep doen op de eigen verantwoordelijkheid van vreemdelingen die zich permanent in Nederland willen vestigen: zij moeten aantoonbaar beschikken over de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor een zelfstandig bestaan.

Integratie betekent meedoen met als doel gedeeld burgerschap voor minderheden en autochtonen. Gedeeld burgerschap houdt in dat er Nederlands wordt gesproken, dat men zich bewust is van de Nederlandse waarden en de Nederlandse normen naleeft, en dat er een bereidheid is om actief mee te doen aan onze samenleving. Dan is er een situatie van gelijkwaardigheid en ruimte voor religieuze, culturele en etnische verschillen.

DoelstellingMaatregelenRealisatiemoment
Integratie  
• De toerusting van minderheden, de toenadering tussen minderheden en autochtonen en toegankelijkheid van maatschappelijke instellingen voor minderheden verbeteren («gedeeld burgerschap»)• Beleidsagenda lokaal integratiebeleid • Het vergroten van de integratie van jongeren uit minderheidsgroepen• Initiatieven gericht op het realiseren van een meer eigentijdse positie voor vrouwen uit minderheidsgroepen (i.s.m. SZW). • Het verbeteren van de positie van de minderheden op de arbeidsmarkt2004–2005 2004–2006 2004–2006
 • Het tegengaan van discriminatie en racisme door stroomlijnen instellingen en Nationaal actieplan2004–2005
   
• Vernieuwen van inburgeringsstelsel• Basiskennis Nederlands als voorwaarde voor toelating (vrijwillige nieuwkomers)2004
 • Behalen van het inburgeringsexamen als voorwaarde voor het verkrijgen van een permanente status (regulier en asiel)2005
Een restrictief toelatingsbeleid• Asielaanvragen snel, zorgvuldig en rechtvaardig afhandelen2004–2005
 • Daling aantal benodigde opvangplaatsen2004–2007
 • Inzet op een Europees asiel- en migratiebeleid en versterkte bescherming in de regio2004–2007
 • Versterking van de bescherming van vluchtelingen in de regio's van herkomst2004–2007
 • Verhoging minimumleeftijd voor gezinsvorming2004
Aanpak illegaliteit en effectief terugkeerbeleid• Verbeteren toezicht op terugkeer en illegaal verblijf2004–2007
 • Vergroten detentiecapaciteit2004–2007
 • Vergroten effectiviteit terugkeerbeleid2004–2007

Integratie

Het kabinet wil integratie bereiken langs drie wegen: toerusting van minderheden, toenadering tussen minderheden en autochtonen en toegankelijkheid van onze maatschappelijk instellingen voor minderheden.

Integratiebeleid is maar zeer ten dele een zaak van de landelijke overheid. De landelijke overheid geeft weliswaar de kaders en de doelen, maar de integratie moet tot stand komen in scholen, bedrijven, centra voor werk en inkomen, zorginstellingen, op sportvelden, in de wijk, in de buurt en op straat. Integratiebeleid is dan ook grotendeels lokaal beleid. De rijksoverheid heeft tot taak hierin initiërend en stimulerend op te treden. Met de Beleidsagenda lokaal integratiebeleid wordt de samenhang in het integratiebeleid op gemeentelijk niveau bevorderd.

Bij het versterken van de integratie van jongeren uit minderheden zal speciale aandacht worden gegeven aan het vergroten van hun taalvaardigheid in het Nederlands en aan hun kennis van de Nederlandse normen. Om de arbeidsmarktpositie van minderheden te versterken zullen trajecten worden gestart, waarin scholing en werken worden gecombineerd.

De bestrijding van discriminatie op welke grond dan ook, racisme en vreemdelingenhaat zullen met kracht worden voortgezet.

Uitgangspunt van het nieuwe inburgeringsbeleid is dat immigranten die zich permanent in Nederland vestigen aantoonbaar beschikken over de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor een zelfstandig bestaan. Het zich eigen maken van die kennis en van die vaardigheden behoort primair tot de eigen verantwoordelijkheid van de immigrant. Van degenen die vrijwillig naar Nederland komen, wordt verwacht dat zij in het land van herkomst een start maken met de inburgering. Het behalen van het inburgeringsexamen wordt een voorwaarde voor het verkrijgen van een permanente status.

Inburgering nieuwe stijl brengt met zich mee dat de kosten van de inburgering worden gedragen door de nieuwkomers en de oudkomers zelf. Na het succesvol afleggen van het inburgeringsexamen ontvangt de migrant vervolgens een gemaximeerde vergoeding.

Verschillende categorieën oudkomers die al langer in Nederland zijn, zullen ook met een inburgeringsexamen moeten aantonen dat zij over de nodige kennis en vaardigheden beschikken. Voor in ieder geval oudkomers met een uitkering die het Nederlands onvoldoende beheersen, zal gelden dat zij een inburgeringsexamen moeten halen.

Toelating

Aanvragen om asiel worden strikt, rechtvaardig, snel en zorgvuldig afgehandeld. Op de aanvragen voor de machtiging tot voorlopig verblijf zal binnen 3 maanden worden beslist.

De uitgangspunten van het aanmeldcentrum (AC-) model zullen worden onderzocht. Dit kan resulteren in grotere flexibiliteit in de AC-procedure, grotere onderzoeksmogelijkheden en snellere afhandeling van ongedocumenteerden.

Een dalende instroom van asielzoekers, de intensivering van de terugkeer en een snelle afhandeling van asielaanvragen moeten leiden tot een vermindering van het aantal benodigde opvangplaatsen.

In het kader van het gemeenschappelijk EU-asielbeleid streeft Nederland onverminderd naar doeltreffende afspraken op het gebied van het voorkomen van illegale immigratie, effectieve registratie van asielzoekers en afhandeling van de aanvraag in het eerste EU-land van aankomst. Harmonisatie van het EU-migratiebeleid moet leiden tot een betere spreiding van migranten over de EU-lidstaten. Opvang in de regio van herkomst van asielzoekers moet verder worden versterkt.

De minimumleeftijd voor gezinsvorming wordt verhoogd van 18 naar 21 jaar en de inkomenseis wordt verhoogd tot 120% van het wettelijk minimumloon. Het hiertoe strekkende wetsvoorstel zal in werking treden begin 2004, waardoor de eerste effecten in de loop van 2004 voelbaar worden. De vereisten voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verder aangescherpt.

Terugkeer/illegaliteit

Het tegengaan van illegaal verblijf vereist een intensiving van zelfstandige en gedwongen terugkeer. Ook hier zal de eigen verantwoordelijkheid van vreemdelingen die niet of niet langer in Nederland mogen verblijven een prominente rol blijven spelen.

Het toezicht op de terugkeer zal worden versterkt. Daartoe zullen in de eerste plaats het mobiel vreemdelingentoezicht en dat van de gate controles op Schiphol aan effectiviteit moeten winnen. Tevens is er een noodzaak de capaciteit bij de Vreemdelingendienst voor toezicht te vergroten. Criminele vreemdelingen en illegalen zullen bij voorrang worden verwijderd. Verder zullen maatregelen worden genomen om te voorkomen dat illegale vreemdelingen het slachtoffer worden van profiteurs. Onder meer door middel van financiële sancties zal het optreden tegen personen die zich via illegalen verrijken, zoals huisjesmelkers en koppelbazen verder worden versterkt.

De capaciteit voor vreemdelingenbewaring zal worden uitgebreid, onder andere door de oprichting van nieuwe uitzetcentra.

De komende periode zal worden bezien op welke wijze invulling kan worden gegeven aan de in het Hoofdlijnenakkoord genoemde terugkeerorganisatie. Hierbij zal het accent liggen op een effectievere en efficiëntere organisatie van het huidige terugkeerproces.

Terugkeer- en overnameregelingen met landen van herkomst worden ondersteund door passende maatregelen ter bevordering van samenwerking. Tegen landen die weigeren mee te werken aan de terugkeer van onderdanen worden eveneens passende maatregelen genomen, bijvoorbeeld in de financiële en niet-financiële ondersteuning door Nederland. De Europese samenwerking bij terugkeerprogramma's gericht op specifieke landen zal worden geïntensiveerd. Zelfstandige terugkeer wordt gestimuleerd door onder meer de facilitering van de IOM.

Het onderzoek naar de identiteit van staandegehouden vreemdelingen zal worden geïntensiveerd. Hetzelfde geldt voor de gedwongen verwijdering door middel van de inzet van overheidsvluchten. Een zelfstandige terugkeer zal worden gestimuleerd. Nederland streeft naar een intensivering van de Europese harmonisatie van de wet en regelgeving op het terrein van terugkeer en de bestrijding van illegale immigratie.

9. MOBILITEIT, RUIMTE EN MILIEU

De bereikbaarheid in ons land moet verbeteren. Dit kan niet los worden gezien van het streven om Nederland klaar te stomen voor economisch herstel. Extra investeringen in onderhoud en een betere benutting van de bestaande infrastructuur, zijn nodig. Alleen waar dat niet volstaat, wordt nieuwe infrastructuur aangelegd.

Het kabinet wil echter meer dan ons land zo goed mogelijk door economisch slechtere tijden loodsen. Samen met anderen wil het zorgen voor een duurzame kwaliteit van onze leefomgeving, ook voor toekomstige generaties. Door ontkoppeling van economische groei en de toename van de milieudruk. Met sterke steden die een gevarieerd woningaanbod van voldoende kwaliteit hebben voor alle inkomens. Met een vitaal platteland, waar voldoende ruimte is voor werken, wonen en recreëren.

Binnen de ruimtelijke ordening wil het kabinet een vermindering van de bureaucratie en regeldruk. Het kabinet zal zijn rijksbrede visie op de ruimtelijke inrichting van Nederland neerleggen in één Nota Ruimte. Meer vrijheid wordt gegeven aan provincies en gemeenten.

Mobiliteit

DoelstellingMaatregelRealisatiemoment
Verbetering veiligheid, capaciteit en betrouwbaarheid infrastructuur  
• Afname storingen van de spoorinfrastructuur met 35% à 40% in 2007 • Verbeteren punctualiteit spoor van 81% (in 2002) naar 87–89% (in 2007)• Verminderen gevolgvertragingen spoor• Optimaal gebruik beschikbare capaciteit door personen- en goederenvervoer• Vereenvoudiging dienstregeling• In gebruik nemen grote spoorprojectenEind 2007 (loopt door tot en met 2010)
   
• Afnemen vertragingen en stremmingen op de wegen en waterwegen door onderhoud• Verminderen achterstallig wegonderhoud met ca. 45%• Renovatie waterwerken en baggeren waterwegenEind 2007 (loopt door tot en met 2010)
Betere benutting rijkswegen  
• Verbetering doorstroming weg in grootstedelijke gebieden en op knooppunten zodat de filezwaarte met minimaal 30% afneemt (op weggedeelten waar projecten worden uitgevoerd)• Capaciteitsvergroting door 150 km spitsstroken, 160 km plusstroken, betere afstemming wegwerkzaamheden • Automobilisten beter informeren over alternatieve routes • Sneller vrijmaken van de weg na incidentenEind 2006
 • Start met de aanleg van extra spitsstroken2006–2007
 • Instellen regionale mobiliteitsteamsEind 2007
 • Meer geld besteden via regionale mobiliteitsfondsen  
 • Decentralisatie Gebundelde doeluitkering (GDU+)2004

Verbetering veiligheid, capaciteit en betrouwbaarheid infrastructuur

Burgers en bedrijven kampen met steeds meer files op de weg, vertragingen op het spoor en op de waterwegen. De behoefte aan onderhoud van de infrastructuur is toegenomen door intensiever gebruik en steeds strengere veiligheids- en milieueisen. Het onderhoudsbudget heeft met deze ontwikkeling geen gelijke tred gehouden. Het kabinet gaat daarom een groot deel van het Kwartje van Kok besteden om de achterstanden in beheer en onderhoud te verminderen. Er is minder geld voor kostbare nieuwe projecten. De prioriteitsvolgorde voor de komende jaren is dat eerst de onderhoudstoestand op orde wordt gebracht, vervolgens de bestaande infrastructuur beter wordt benut en tot slot de infrastructuur selectief wordt uitgebreid.

Op spoorgebied investeert het kabinet tot en met 2007 € 578 miljoen extra in de verbetering van het onderhoud (fase 1 van het plan betrouwbaar benutten). Het gaat onder meer om het aanpakken van acute knelpunten, het vergroten van de bedrijfszekerheid van de spoorinfrastructuur, een «groene golf» voor goederentreinen, het vereenvoudigen van de dienstregeling waardoor het aantal gevolgvertragingen beperkt wordt en het uitvoeren van het Verbeterplan NS (nieuw materieel, onderhoud materieel, logistiek, dienstregelingsopzet). In de begroting is voor de tweede fase van het plan betrouwbaar benutten € 263 miljoen (2006–2007) gereserveerd. De beslissing over de aanwending van deze middelen zal plaatsvinden in 2006 op basis van een tussentijdse evaluatie. Zo kan worden nagegaan of de juiste prioriteiten zijn gesteld tussen de verschillende modaliteiten.

In 2007 moeten er ten opzichte van peildatum 2000 circa 35–40% minder storingen aan het gehele railnet zijn. De punctualiteit van de NS moet van 81% in 2002 stijgen naar 87–89% in 2007 voor dagelijks één miljoen spoorreizigers.

Sinds 1994 is er 30% meer verkeer op autosnelwegen bijgekomen. Het extra belastende vrachtverkeer is zelfs met 40% gegroeid in die periode. Naar verwachting zal de verkeersintensiteit tot en met 2010 verder stijgen met circa 15% en het vrachtverkeer met circa 20%.

Voor het beheer en onderhoud van de wegen trekt het kabinet tot en met 2007 € 441 miljoen extra uit. Op 1 januari 2008 zal de achterstand circa 1600 kilometer bedragen in plaats van 2900 kilometer. Prioriteit ligt bij veiligheid, bij de economisch belangrijke verbindingen en ringwegen rond steden en bij het op orde brengen en betrouwbaar houden van bruggen, tunnels en viaducten.

De vaarwegen bieden voldoende ruimte om extra binnenvaart op een efficiënte, veilige en duurzame wijze af te wikkelen. De onderhoudstoestand van de natte infrastructuur nadert echter een kritisch punt. De prioriteiten liggen bij de aanvoer en afvoer van water (sluizen in de Haringvlietdam en stuwen in de Nederrijn) en de verbindingen van de havens van Rotterdam en Amsterdam naar zee en de corridors Amsterdam/Rotterdam–Duitsland en Rotterdam–Antwerpen (Amsterdam-Rijnkanaal, Noordzeekanaal en Waalroute). Het kabinet trekt tot en met 2007 € 350 miljoen extra uit om het achterstallige onderhoud aan sluizen, stuwen, bruggen en waterbodems weg te werken. Vanwege het grote economische belang start op korte termijn het baggeren van het Noordzeekanaal en de Waalroute om de scheepvaart meer ruimte te geven.

Betere benutting rijkswegen

De in 2003 aangenomen Spoedwet Wegverbreding voorziet nu al in de aanleg van ongeveer 150 kilometer extra spitsstroken tot en met 2006 op filegevoelige corridors. Het kabinet intensiveert het programma voor een slimmere en betere benutting van de wegen (Zichtbaar, Slim, Beter). Naast spitsstroken zal de automobilist beter, sneller en op maat worden geïnformeerd over alternatieve routes of mogelijkheden in het openbaar vervoer en zal de weg sneller worden vrijgemaakt na incidenten. Wegwerkzaamheden worden beter op elkaar afgestemd, zodat de automobilist daarvan minder hinder ondervindt. Andere voorbeelden van maatregelen zijn de flexibele rijstrookindeling, uitbreiding van inhaalverboden en het tegengaan van overbelading van vrachtwagens om schade aan het wegdek te voorkomen. Door dat laatste worden extra wegwerkzaamheden vermeden.

In de tweede fase van het programma Zichtbaar, Slim, Meetbaar worden onder meer extra spitsstroken aangelegd op de A1, A12, A20, A27 en A28. Het kabinet zet de noodzakelijke aanpassingen in wetgeving hiervoor op korte termijn in gang. Met dit vervolgprogramma is een bedrag van € 275 miljoen tot en met 2007 gemoeid. Spitsstroken leiden aantoonbaar tot een verbetering van de doorstroming op hardnekkige fileknelpunten zoals ringwegen van steden.

Het uiteindelijke resultaat van alle landelijke maatregelen zal niet zijn dat de files over vier jaar zijn opgelost, maar wel dat de doorstroming in het hele land is verbeterd. Daar waar projecten zijn uitgevoerd, moet de filezwaarte met minimaal 30% zijn afgenomen. De automobilist zal elk half jaar worden gevraagd of in zijn beleving de ergernissen afnemen en de doorstroming verbetert.

Behalve onderhoud en benutting wordt met een beperkt bedrag de aanleg van rijkswegen gestimuleerd op plekken die van specifiek belang zijn voor de economie.

Om de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid te verbeteren, bundelen ministeries, andere overheden, het bedrijfsleven en de consument krachten en geld in een regionaal mobiliteitsteam en mobiliteitsfonds. Deze hanteren een integrale benadering voor een bepaald gebied; niet alleen de snelweg, maar ook provinciale en gemeentelijke wegen en mogelijkheden in het openbaar vervoer worden in de analyse betrokken. Bij knelpunten op stedelijke ringwegen wordt zo niet alleen gekeken naar oplossingen ter plaatse, maar bijvoorbeeld ook naar het beter afstellen van de gemeentelijke verkeerslichten na de afritten. Het Rijk zal extra middelen beschikbaar stellen aan de bestaande regionale mobiliteitsfondsen van de vier regio's in de Randstad en de regio's Eindhoven en Arnhem-Nijmegen.

Ruimte

DoelstellingMaatregelenRealisatiemoment
Bescherming tegen overstromingen, wateroverlast en excessieve droogte• Maatregelen om de waterafvoerende capaciteit van de Rijn toe te laten nemen2007–2015
 • Bevorderen uitvoering eerste maatregelen-programma's Nationaal Bestuursakkoord Water2007
 • Intensiveren versterken dijken en waterkeringen langs Markeren IJsselmeer2007 (loopt door t/m 2010)
Ruimtelijk investeren en ruimte geven aan ontwikkelingen  
• Bieden van voldoende ruimte voor de verschillende bestemmingen • Vergroten van de ruimtelijke kwaliteit en versnellen van de ruimtelijke ontwikkelingen• Nota Ruimte en Uitvoeringsprogramma, met prioritaire rijksinvesteringen• Verkorting procedures bestemmingsplan door in werking treding wetsvoorstel WRO (van max. 62 weken naar max. 26 weken)2004 2004
Vitalisering van steden  
• Stimulering woningbouwproductie door wegnemen belemmeringen• Versnellen woningbouwproductie door vereenvoudiging regelgeving en inzetten aanjaagteams2005
• Bevorderen herstructurering door prioritaire aanpak van 56 probleemwijken in de 30 grootste steden• Inzet van impulsteams en specifieke faciliteiten (maatwerk) bij herstructurering• Matching van vermogens door corporaties • Inbouwen structurele prikkels voor corporaties om vermogen in te zetten voor nieuwbouw, herstructurering en betaalbaarheid2004 20042007

Bescherming tegen overstromingen, wateroverlast en maatregelen bij excessieve droogte

Het Nederlandse klimaat wordt extremer. Na enkele zeer natte jaren heeft Nederland in 2003 te maken gehad met extreme droogte. Door zeespiegelrijzing, toenemende regenval, bodemdaling, intensievere bebouwing en zwaardere golfslag dan bekend was zijn extra maatregelen aan de kust en langs de rivieren nodig om het wettelijk vastgestelde veiligheidsniveau tegen overstromingen te handhaven. Daarnaast zijn maatregelen nodig om de wateroverlast in de regionale watersystemen zoveel mogelijk te beperken. Ook periodes van excessieve droogte maken eens te meer duidelijk dat meer ruimte moet worden gegeven aan water, zodat het water beter kan worden vastgehouden en geborgen.

De ruimtelijke kaders voor het waterbeleid worden in de Nota Ruimte (zie hieronder) weergegeven. Voor de rivieren zullen de kaders worden uitgewerkt in de reeds gestarte PKB Ruimte voor de Rivier. Deze uitwerkings-PKB zal begin 2006 tot afronding worden gebracht. Er is dan een compleet plan met maatregelen gereed om de afvoercapaciteit van de Rijn te vergroten van 15 000 naar 16 000 kubieke meter per seconde. Vooruitlopend op de PKB wordt een aantal lopende projecten gerealiseerd, zoals de Hondsbroekse Pleij.

In deze kabinetsperiode wordt een tijdelijke financiële impuls van € 100 miljoen beschikbaar gesteld voor een versnelde aanpak van regionale wateroverlast. Doelstelling is dat de regionale watersystemen in 2015 op orde zijn. Uiterlijk in 2007 is het eerste maatregelenprogramma uitgevoerd. In 2003 wordt gestart met de koploperprojecten voor waterberging: De Oostpolder bij Anna Paulowna (Noord-Holland), de polders Lappenvoort, Glimmermade en het Oostenland (Groningen/Drenthe), het reservaat Groote Brekken bij Lemmer (Friesland) en het glastuinbouwgebied in Delfland (Zuid-Holland).

Ruimtelijk investeren en ruimte geven aan ontwikkelingen

Het kabinet wil sterke steden samen laten gaan met een vitaal platteland dat niet op slot gaat. Het kabinet heeft de ambitie om de ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van de leefomgeving in Nederland effectiever vorm te geven. Het eindresultaat zal meer decentraal bepaald worden door de burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden zelf, dan van bovenaf opgelegd worden door het Rijk. Een integrale rijksbrede visie op de ruimtelijke inrichting van Nederland is daarvoor noodzakelijk. Hierin wordt aangegeven welke algemene ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang worden geacht. Zo'n rijksbrede Nota Ruimte, die op hoofdlijnen en geïntegreerd is, sluit aan bij de algemene kabinetsdoelen minder beleid, meer samenhang, minder regels en een slagvaardige uitvoering. Ook de wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening die in procedure is gebracht, biedt concreet uitzicht op een slagvaardiger ruimtelijk beleid. Het in de Nota Ruimte vastgelegde beleid biedt het kader voor accommodatie van de verschillende ruimtevragende functies (bedrijventerreinen en kantoren, natuur en landbouw, water, hoofdinfrastructuur en wonen).

Vitaliseren van steden

Het goed functioneren van de woningmarkt is een zaak voor veel partijen. De rijksoverheid heeft de taak belemmeringen weg te nemen, kaders te stellen en partijen te stimuleren. Andere betrokken partijen, zoals gemeenten, corporaties en projectontwikkelaars, zullen er uiteindelijk voor moeten zorgen dat bewoners kunnen beschikken over goede en betaalbare woningen in een aantrekkelijke woonomgeving. Daarbij zijn 56 wijken op voordracht van de grootste steden door de Minister van VROM aangewezen die met prioriteit aangepakt moeten worden.

Bij de aanpak zullen ook de corporaties worden aangesproken, bijvoorbeeld door matching van hun vermogens (van rijk naar arm), bij voorkeur door vrijwillige initiatieven die door de sector zelf worden ontwikkeld. Structurele prikkels worden ingebouwd waardoor corporaties en andere partijen eerder en meer geneigd zullen zijn om te investeren in nieuwbouw, herstructurering en betaalbaar wonen.

Bij de doelstelling om het functioneren van de woningmarkt te verbeteren, gelden de volgende belangrijke subdoelstellingen:

• Verkleinen kloof tussen vraag en aanbod door ombuigen negatieve trend huidige woningbouwproductie (huidige prognoses gaan uit van 70 000 nieuwe woningen per jaar in de periode 2003 t/m 2007)

• Toename tevredenheid bewoners met woning en woonomgeving

• Vasthouden midden- en hoge inkomens in de steden

• Verminderen segregatie

• Toename kwaliteit woningen en openbare ruimte waarbij de meeste urgentie geldt voor de met prioriteit aangewezen herstructureringswijken.

Milieu

DoelstellingMaatregelenRealisatiemoment
Duurzame ontwikkeling  
• Handhaven ontkoppeling tussen economische groei en milieudruk• Functionerend emissiehandelsysteem voor NOx en CO2 • Vergroeningsmaatregelen (energie en verkeer en vervoer) • Actieprogramma Duurzame Ontwikkeling2005 2007 2007
Versterking natuur en landschap• Versterking Ecologische Hoofdstructuur (EHS) • Vergroten van de samenhang binnen de EHS • Reconstructie zandgebieden2004–2007 2004–2007
Duurzame productieketens• Transitieproces duurzame landbouw • Nederland zet zich in Europees verband onverminderd in voor de afschaffing van het non-vaccinatiebeleid. • Traject transitie intensieve veehouderij2010 2007

Duurzame ontwikkeling

Het streven van het kabinet is erop gericht om de ontkoppeling van economische groei en milieudruk die de afgelopen jaren tot stand is gebracht, te handhaven. Het kabinet wil daarom de komende jaren fors inzetten op een verbetering van de eco-efficiëntie van de economie. Dit wil het kabinet onder andere bereiken door kosten voor milieu en natuur zwaarder te laten meewegen. Hierbij is vergroening van het belastingstelsel een belangrijk instrument, naast verhandelbare emissierechten en (Europese) regulering. Burgers en bedrijven zullen daardoor eerder duurzame keuzes maken. Het kabinet zet daarom in 2007 in op verhoging van de REB en functionerende systemen voor het verhandelen van emissie van NOx en CO2 door bedrijven. Ook onderzoekt het kabinet maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer (beprijzing transportsector). Voor de langere termijn is het beleid gericht op een afname van de milieuvervuiling terwijl de economie blijft groeien, ofwel absolute ontkoppeling. Daarvoor zijn meer fundamentele veranderingen vereist – ook wel transities genoemd. Het kabinet wil de komende jaren systeeminnovaties bevorderen. In nauw overleg met alle maatschappelijke actoren zal de overheid initiatieven ontplooien die hieraan bijdragen. In 2007 wil het kabinet het actieprogramma Duurzame Ontwikkeling hebben uitgevoerd. Ook zal een Duurzaamheidsbalans worden opgesteld, zullen ontwikkelingen op terreinen van duurzame mobiliteit, landbouw, energie en biodiversiteit meetbaar zijn gemaakt en wordt ernaar gestreefd dat er geen subsidies meer worden verleend die strijdig zijn met duurzame ontwikkeling. In 2010 zal 10% van de landbouwproductie biologisch zijn. Bij de gewasbescherming zal een reductie van de milieudruk van 95% in 2010 t.o.v. 1998 worden gerealiseerd.

Versterking natuur en landschap

De doelstellingen voor de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), als onderdeel van het Europese ecologische netwerk, moeten in 2018 gerealiseerd zijn. Inzet is om in 2010 het biodiversiteitsverlies tot stilstand te hebben gebracht, conform de EU-Biodiversiteitsstrategie. Met de extra financiële impuls voor de EHS kan voortvarend gewerkt worden aan de realisatie van de beoogde kwaliteit en kwantiteit van de EHS. De omvang van de EHS zal in 2018 circa 728 500 hectare zijn (inclusief 13 500 hectare uit de tweede tranche robuuste verbindingen). De financiële impuls zal ingezet worden om beheer, inrichting en, waar nodig, aankoop ten behoeve van de EHS te versterken. Begonnen zal worden met de realisatie van 27 000 hectare robuuste verbindingen, onder andere door planologische bescherming om onomkeerbare veranderingen te voorkomen. De samenhang binnen de EHS neemt hierdoor in belangrijke mate toe. In de kabinetsperiode zal circa 21 000 hectare in beheer worden genomen, circa 19 400 hectare worden ingericht en circa 15 700 hectare worden verworven.

Binnen het plattelandsbeleid, heeft de reconstructie van de zandgebieden prioriteit. De reconstructie is, behalve op het realiseren van varkensvrije zones en het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven, ook gericht op extensivering van de melkveehouderij, verbetering van de milieukwaliteit en op een integrale aanpak van verdroging en van de stikstof- en fosfaatproblematiek in en rond de grote natuurgebieden van de EHS.

Duurzame productieketens

De gewenste omslag in de land- en tuinbouw vergt niet alleen het sturen op productie, maar ook het reageren op en het beïnvloeden van consumentengedrag. Niet zelf voorop lopen in Europa, maar een effectieve invloed op Europese normstelling uitoefenen zodat het totale beeld verbetert. Het is essentieel dat er ook in de toekomst ondernemers blijven die brood zien in agrarisch ondernemen en jonge mensen die het transitieproces energiek ter hand willen nemen. Het kabinet ondersteunt ondernemers die de omslag willen maken naar duurzame productiemethoden. De aandacht gaat daarbij in het bijzonder uit naar de intensieve veehouderij. Rond de intensieve veehouderij zal de overheid een intensief maatschappelijk debat aanzwegelen, waarbij zij de probleemanalyse, de dilemma's en de concrete maatschappelijke randvoorwaarden schetst. In het vervolgtraject worden concrete maatregelen genomen en praktijkpilots mogelijk gemaakt en ondersteund.

Voedselkwaliteit betreft niet alleen de laatste schakel, het eindproduct, maar de gehele keten. De inspanningen op het gebied van voedselveiligheid moeten op deze ketenbenadering aansluiten. Het bedrijfsleven wordt krachtig aangezet om adequate ketengarantiesystemen te ontwikkelen en te implementeren, zodat de overheid zich op termijn kan richten op «toezicht op toezicht». De onafhankelijke autoriteit, de VWA, speelt bij het toezicht op de voedselveiligheid een belangrijke rol. Om haar onafhankelijkheid te waarborgen wordt de positie van de VWA wettelijk vastgelegd. Verder zullen bestaande informatiestromen aan elkaar worden gekoppeld om potentiële risico's voor de volks- of diergezondheid in de voedselketen tijdig in beeld te brengen. De systematiek van vleeskeuringen wordt gemoderniseerd. Speciale aandacht gaat uit naar illegale groeibevorderaars.

Over de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen overheid en bedrijfsleven op het gebied van het voorkomen van dierziekten is reeds een discussie op gang gekomen. Van belang is dat het bedrijfsleven zelf meer verantwoordelijkheden voor dierziektebestrijding zal gaan dragen. Dit geldt ook voor het onderwerp destructie. Het kabinet zal zijn inzet vooral richten op de methode van dierziektebestrijding, de inzet van het vaccinatie-instrument en de financiering van de dierziektebestrijding.

10. INTERNATIONAAL EN EUROPEES BELEID EN DEFENSIE

Nederland is in zijn buitenlands beleid en defensie afhankelijk van andere landen en internationale organisaties. De wijze waarop deze opereren, laat zich slechts op beperkte wijze beïnvloeden. Binnen deze grenzen zet Nederland zich maximaal in voor de verwezenlijking van zijn doelen. Het bevorderen van de internationale rechtsorde, het bestrijden van terrorisme en het Europees voorzitterschap staan hoog op de agenda. Door de verschillende instrumenten van het buitenlands beleid – diplomatieke, veiligheidspolitieke, militaire, economische en ontwikkelingsinstrumenten – op samenhangende wijze in te zetten, kan de effectiviteit van dat beleid worden vergroot.

Nederland voert een actief vredes- en veiligheidsbeleid. De krijgsmacht vormt een wezenlijk bestanddeel in het instrumentarium waarover ons land voor dat doel kan beschikken. Zij moet in staat zijn tot bijdragen aan uiteenlopende crisisbeheersingsorganisaties overeenkomstig het daartoe vastgestelde ambitieniveau. Dat is ook in het belang van de veiligheid van onze samenleving. De bevordering van de stabiliteit of de bestrijding van het internationale terrorisme door Nederlandse militairen elders in de wereld kan immers steeds minder los worden gezien van de veiligheid van burgers in hun eigen leefomgeving. Een actief veiligheidsbeleid houdt daarom tevens de bereidheid in om in internationaal verband vroegtijdig in te grijpen in crisissituaties.

Het kabinet streeft naar een kleinere maar kwalitatief hoogwaardige en volledig inzetbare krijgsmacht die de aansluiting behoudt bij belangrijke bondgenoten en ook op langere termijn betaalbaar is. Tegen de achtergrond van de verslechterde economische situatie en de veranderingen in de veiligheidssituatie, moet bovendien een nieuw evenwicht worden gevonden tussen taken en middelen. De omvang en de samenstelling van de krijgsmacht zullen de komende jaren grondig veranderen. Op iedereen in die organisatie zal opnieuw een beroep worden gedaan om alle veranderingen positief tegemoet te treden. Als werkgever zal Defensie zich tot het uiterste inspannen om haar mensen, zowel zij die de organisatie verlaten als zij die blijven, de benodigde aandacht te geven.

Internationaal en Europees beleid

DoelstellingMaatregelenRealisatiemoment
Versterking van de Europese Samenwerking  
• Institutionele continuïteit EU• Bewaking bedurende Nederlands voorzitterschap2de helft 2004
• Verdrag dat in de uitgebreide Unie slagvaardigheid en democratische legitimiteit waarborgt• Activiteiten om de Nederlandse bevolking meer bij de EU te betrekken2004
• Verantwoorde uitbreiding EU• Adequate toepassing van vrijwaringsclausules in overleg met de Europese Commissie2004
• Versterking EVDB • Versterking Europese defensiecapaciteiten en militaire samenwerkingDoorlopend proces
• Versterking GBVB• Inzet IGC om institutioneel GBVB-kader effectiever te laten functionerenDoorlopend proces
• Behoedzame uitgavenontwikkeling en relatieve verbetering netto-betalerspositie• Onderhandelingen over Structuurfondsen, Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en nieuwe Financiële Perspectieven2006
Versterking van het multilaterale stelsel• Vergroting effectiviteit van non-profiteratiebeleid en vernietiging van massavernietigingswapensDoorlopend proces
 • Verbeteren functioneren VN• Verbeteren functioneren OVSEDoorlopend proces IJkpunt einde lidmaatschap OVSE trojka (eind 2004)
Millennium ontwikkelingsdoelen  
• Coherentie vergroten van beleidsterreinen in de OESO-landen die van invloed zijn op Ontwikkelingslanden • Versnelde afbouw van handelsverstorende maatregen m.n. op terrein van landbouw (EU, WTO) • Bevordering duurzame visserij en markttoegang i.h.k.v. EU-akkoorden met Afrikaanse landen en WTO • Coherentie actieprogramma te besluiten door OESO Ministerraad in 2004. Initiatief tot nationale MDG-8 rapportages met gelijkgezinde landen met als inzet overname door de OESO/DAC Afronden WTO Doha ontwikkelingsronde eind 2004
• Behouden eerste plaats en verhogen score op coherentie-index van de Centre for Global development (score 2003: 5,6)• Onder meer verbeterde toerekening Nederlandse inspanning t.a.v. vrede, veiligheid en ontwikkelingCGD coherentie index: jaarlijks
• Kwalitatief goed onderwijs voor alle kinderen (jongens en meisjes).• Steun aan de partner- en Education for All Fast Track landen en intensivering bilaterale programma'sDoorlopend proces
• Ondersteuning lokale bedrijfsleven als motor van economische ontwikkeling• Bevorderen ondernemersklimaat• Stimuleren lokale MKB (PSOM, ORET, PUM)Doorlopend procesDoorlopend proces
• Milieu en duurzame ontwikkeling• Concretiseren afspraken Johannesburg met tien partnershipprogramma'sUiterlijk 2005
• Aidspreventie en -bestrijding• Toename van behandelingsmogelijkheden• Intensievere samenwerking met VS en andere donorenDoorlopend procesDoorlopend proces
• Duurzaam houdbare schuldpositie voor ontwikkelingslanden.• Financiering van kwijtschelding multilaterale schulden in het kader van het Heavily Indebted Poor Countries proces (HIPC)• Verlichting van bilaterale schuldenIn 2005 zouden de meeste HIPC-landen het HIPC-proces doorlopen moeten hebben.
Bevorderen van vrede en stabiliteit in Afrika  
• Afname van conflicten in Afrika – algemeen• Versterking van de conflicteenheid van de Afrikaanse Unie, algemene bijdrage en projectuitgavenDoorlopend
 • Capaciteitsopbouw en versterking controlemechanismen op handel in kleine wapens2003–2005
 • Ondersteuning capaciteit vredeshandhaving Zuid-Afrika2004
 • Intensivering, training, demobilisatie, reïntegratie, peacekeeping, advisering veiligheidssectorDoorlopend
• Conflictoplossing in twee specifieke Afrikaanse Regio's (Hoorn van Afrika en het grote merengebied)• Nederlands initiatief Inica platform voor lange-termijn conflictoplossing in Centraal Afrika Eind 2003

Versterking van de Europese Samenwerking

De nieuwe kabinetsperiode staat wat betreft Europa vooral in het teken van het EU-voorzitterschap tijdens het tweede semester van 2004. Dit voorzitterschap wordt voorafgegaan door het voorzitterschap van de Raad van Europa van november 2003 tot mei 2004 en dat van de OVSE in 2003. Met name het voorzitterschap van de EU biedt Nederland een uitgelezen kans zich nadrukkelijk en goed te positioneren in de uitgebreide EU.

Tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap zullen de 10 nieuwe lidstaten voor het eerst een volledig voorzitterschap meemaken. Voorts zal er een nieuw verkozen Europees Parlement zijn en wordt er een nieuwe Commissie samengesteld. Dit voorzitterschap van de Raad brengt dus een bijzondere verantwoordelijkheid met zich mee voor het verzekeren van de institutionele continuïteit. Tenslotte zal dit voor Nederland het laatste EU voorzitterschap in deze vorm zijn. Het aantal speerpunten en aandachtsgebieden is bijzonder talrijk. Naast de in de tabel genoemde voorbeelden zullen tevens activiteiten worden ontwikkeld die strekken tot een verdere uitbouw van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (zoals het bevorderen van het totstandkomen van daadwerkelijk gemeenschappelijk beleid op het gebied van asiel, migratie en integratie en het intensiveren van de samenwerking ter verbetering van de bewaking van Europese buitengrenzen en bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde misdaad). De Lissabon-strategie zal worden geëvalueerd en er zullen verdere hervormingen plaatsvinden van het Gemeenschappelijk Landbouw en Visserijbeleid.

Versterking van het multilaterale stelsel

Nederland heeft een goede naam op het terrein van de bevordering van de internationale rechtsorde, van ontwapening en wapenbeheersing en van de mensenrechten. Juist een internationaal georiënteerd land als Nederland is gebaat bij een internationale ordening. Versterking van het multilaterale stelsel is in deze zin doel op zich èn middel tot andere doelen, zoals de voorkoming van proliferatie van (massavernietigings-) wapens. Concrete activiteiten op dit terrein zijn de personele ondersteuning bij de inwerkingtreding van het Alomvattend Kernstopverdrag (CTBT), de technische ondersteuning van landen bij het exportcontrolebeleid, de deelname aan het Proliferation Security Initiative, de ondersteuning van de voorzitter HCOC bij ontwikkeling van internationale afspraken m.b.t. ballistische raketten, het versterken van de internationale samenwerking en intensiveren van de politieke dialoog met derde landen naar aanleiding van de notitie Terrorisme en Extremisme en de implementatie van het EU-actieplan terzake.

Het multilaterale stelsel moet «tanden» krijgen, zodat naleving wordt bevorderd en schenders niet vrijuit gaan. Onderwerp van bijzondere zorg zijn die landen die geen onderdeel (willen) uitmaken van het wereldomspannende stelsel van afspraken en verdragen. Nederland wil de multilaterale regimes en de wapenexportregimes helpen versterken door opstelling en uitvoering van actieplannen en initiatieven. Hiertoe zal de afstemming met de VS, onder meer aan de hand van de veiligheidsstrategieën van de VS en van de EU, geïntensiveerd worden. Ook de NAVO dient op deze terreinen versterkt te worden.

Teneinde de VN te versterken toont Nederland een actieve betrokkenheid bij de uitvoering van het rapport «strengthening of the UN; an agenda for further change». Voorts zorgen we voor gerichte bijdragen aan goed functionerende organisaties die een kernrol spelen in het bereiken van de Millennium ontwikkelingsdoelen (zie hieronder). Speciale aandacht gaat uit naar het vergroten van de effectiviteit van de VN-mensenrechten-commissie tijdens het Nederlandse lidmaatschap daarvan.

Om het functioneren van de OVSE te verbeteren zorgt Nederland voor impulsen op het gebied van democratisering, «rule of law», vrijheid van media en ontwikkeling van de civil society. Voorts worden maatregelen op het gebied van trafficking (onder andere ook tijdens Nederlandse voorzitterschappen van de Raad van Europa en de EU) geïmplementeerd.

Millennium ontwikkelingsdoelen

Er is internationaal groeiende consensus over de Millennium ontwikkelingsdoelen als leidraad voor ontwikkeling. Deze concentreren de aandacht van donors en OS-landen op een beperkt aantal sleutelproblemen en dienen als kapstok voor essentiële discussies, bijvoorbeeld over hulpvolume, sturing op effect, donorcoördinatie en harmonisatie, coherentie en de gedeelde verantwoordelijkheid van donorlanden en ontwikkelingslanden. Nederland, als zesde en één van de meeste effectieve donoren van de wereld, hecht aan internationale consensus over de Millennium ontwikkelingsdoelen en zal zich in dit kader specifiek richten op onderwijs, milieu en water, aids en reproductieve gezondheidszorg. Hierbij zal de rol van het bedrijfsleven een bijzonder aandachtspunt zijn, onder meer door publiek-private samenwerking.

De Nederlandse hulp aan ontwikkelingslanden conform de ODA-definitie is en blijft 0,8% BBP. Nederland zal blijven aandringen bij andere landen te voldoen aan de internationale afspraken van de Financing for Development conferentie om de ontwikkelingshulp conform de ODA-definitie te verhogen tot 0,7% BBP.

Bevorderen van vrede en stabiliteit in Afrika

De grote grensoverschrijdende en regionale conflicten die Afrika teisterden en nog steeds raken hebben grootschalige ontwrichting en leed teweeg gebracht en geleid tot negatieve beeldvorming over het continent. Wijdverbreide verschijnselen als wanbestuur en corruptie versterkten dit beeld van een continent op drift, in toenemende mate ontkoppeld van de wereldeconomie en ontwikkeling. Het is daarom een eerste vereiste te werken aan terugkeer van vrede en stabiliteit, teneinde mensen en landen weer in staat te stellen te investeren in de eigen toekomst en die van komende generaties.

Bijzondere aandacht van Nederland gaat uit naar de Hoorn van Afrika en de Grote Merenregio. Ter plaatse worden tal van activiteiten tentoongespreid, zoals de deelname aan de monitoring van een vredesakkoord in geheel Sudan, de betrokkenheid bij «friends of UNMEE» en de intensivering van de training, demobilisatie, hervorming en Afrikaanse activiteiten gericht op vredeshandhaving in de regio. Nederland heeft in OESO-verband een initiatief ontwikkeld voor het opzetten van een structuur voor de lange termijn-conflictoplossing in de regio (Inica). Voorts wordt de Internationale Conferentie Vrede en Veiligheid in de Grote Merenregio van de VN ondersteund en leveren we een bijdrage aan de ECOWAS-vredesmacht.

Defensie

DoelstellingMaatregelenRealisatiemoment
Een kleinere maar kwalitatief hoogwaardige en volledig inzetbare krijgsmacht• Opheffing van de reserve-eenheden, een brigade en de Groep maritieme patrouillevliegtuigen • Reductie van aantallen hoofdwapensystemen • Afstoting van defensielocaties zoals Seedorf, Twenthe, Soesterberg en vliegkamp Valkenburg • Uitvoering van uiteenlopende investeringsprogramma's voor de vernieuwing van de krijgsmacht (waaronder vervanging F-16's)2004–2007
Vergroting van de inzetbaarheid van de krijgsmacht voor vredesoperaties (mede ter versterking van de Europese defensiecapaciteit)• Versterking parate capaciteit van de pantserinfanteriebataljons • Versterking strategische en tactische transport • Invoering van hoogwaardige verbindings- en commandovoeringssystemen; • Verbetering van de logistieke ondersteuning • Verbetering van de bescherming en de uitrusting van de (gevechts)soldaat2003–2007
Bestuurlijke vernieuwing bij Defensie en de krijgsmacht• Herziening van de topstructuur van Defensie (waaronder het vervallen van de functie van bevelhebber);• Herinrichting van beleidsdirecties, de defensiestaf en de ondersteunende eenheden • Versterking van de chef Defensiestaf (CDS) als corporate operator en centrale planner2004–2007
Verdieping van de samenwerking met civiele autoriteiten• Uitvoering «Actieplan terrorisme en veiligheid» (2001) en het rapport «Defensie en terrorisme» (2002) • Uitvoering van de projecten met betrekking tot Civiel-militaire bestuursafspraken (CMBA), NBC-bescherming en de bescherming van vitale infrastructuur 

Op weg naar een nieuw evenwicht: een kleinere maar kwalitatief hoogwaardige krijgsmacht

Defensie moet een geloofwaardige en kwalitatief hoogwaardige militaire bijdrage aan internationale vrede en veiligheid blijven leveren tegen de achtergrond van bezuinigingen. Deze bedragen in 2004 in totaal € 255 miljoen oplopend tot € 380 miljoen in 2007. Voorts zijn aanvullende maatregelen nodig om de financierbaarheid van de krijgsmacht op langere termijn te waarborgen en de investeringen op peil te brengen. Investeringen zijn van groot belang om de krijgsmacht aan te passen aan veranderingen in de internationale veiligheidssituatie en in de wijze van militair optreden. De hiervoor noodzakelijke herschikkingen bedragen in 2004 in totaal € 215 miljoen oplopend tot € 350 miljoen in 2007.

Het resultaat is een over de gehele linie van Defensie uit te voeren reeks maatregelen en aanpassingen die de omvang en de samenstelling van de Nederlandse krijgsmacht in de komende jaren grondig zullen veranderen. De taken en middelen van Defensie zijn kritisch tegen het licht gehouden, mede op grond van de analyse van de internationale veiligheidssituatie en in het licht van de afspraken die in de Navo en de EU zijn gemaakt over de versterking van militaire capaciteiten. De maatregelen moeten leiden tot een nieuw evenwicht tussen de taken van de krijgsmacht en de middelen die daarvoor beschikbaar zijn, op zodanige wijze dat de krijgsmacht betaalbaar blijft en er voldoende ruimte is voor de benodigde investeringen. Hiertoe zullen onder meer de exploitatielasten worden teruggedrongen en worden tal van maatregelen getroffen om de doelmatigheid verder te vergroten. Als gevolg van deze en andere maatregelen zal het krijgsmachtbrede investeringspercentage de komende jaren worden verhoogd tot meer dan twintig. Ook in andere opzichten is een nieuw evenwicht binnen de krijgsmacht geboden. Overeenkomstig de uitdrukkelijke wens van de NAVO zal voorrang worden verleend aan kwaliteit boven kwantiteit. Ten koste van de omvang van de krijgsmacht en het aantal hoofdwapensystemen – fregatten, tanks, jachtvliegtuigen, en gevechtshelikopters – worden de inzetbaarheid van militairen en het vermogen wapensystemen doeltreffend in te zetten vergroot. Hiermee wordt een geloofwaardige bijdrage van de Nederlandse krijgsmacht aan de internationale vrede en veiligheid in de komende jaren gewaarborgd.

Het vergroten van de inzetbaarheid van de krijgsmacht voor vredesoperaties

Het gaat in deze kabinetsperiode bij Defensie nadrukkelijk niet alleen om de verwerking van bezuinigingen. Het Hoofdlijnenakkoord bevat een intensivering ten behoeve van de verbetering van de inzetbaarheid van de krijgsmacht voor vredesoperaties. Deze loopt op van € 30 miljoen in 2003 tot € 100 miljoen in 2007 en is daarna structureel. Deze intensivering zal onder meer worden aangewend om de parate capaciteit en het voortzettingsvermogen van de Koninklijke landmacht voor de deelneming aan vredesoperaties alsnog op korte termijn te versterken. Met ingang van 2004 zal de pantserinfanteriecapaciteit met drie compagnieën worden uitgebreid om de parate capaciteit te vergroten («meer groen op de grond»). Voorts zal de strategische en tactische luchttransportcapaciteit worden versterkt door de verwerving van een DC-10 transportvliegtuig en de verbetering van de inzetbaarheid van de transporthelikopters van de Koninklijke luchtmacht. Ook wordt de intensivering aangewend voor de versterking van hoogwaardige commandovoering, verbetering van de zelfbescherming en van de logistieke ondersteuning.

Voor de versterking van de Europese militaire capaciteiten in de NAVO en EU wordt, mede met behulp van de EVDB-voorziening uit het Strategisch Akkoord, tevens geïnvesteerd in moderne commandovoeringssystemen, de Frans-Nederlandse samenwerking op het gebied van onbemande vliegtuigen (UAV), en de deelneming aan Alliance Ground Surveillance (AGS).

Bestuurlijke vernieuwing bij Defensie en de krijgsmacht

Ook op andere terreinen gaat er bij Defensie de komende jaren veel veranderen, zoals de bestuurlijke vernieuwing inclusief de herziening van de topstructuur van Defensie. Hoofdpunten hiervan zijn een duidelijke scheiding tussen beleid, uitvoering en toezicht, en de versterking van de positie van de Chef Defensiestaf, zowel wat de operationele inzet van militaire eenheden als de defensieplanning betreft. De functie van bevelhebber komt te vervallen. De staven worden samengevoegd en met ongeveer eenderde verkleind. Met deze maatregelen is de grondslag gelegd voor een krijgsmacht waarin het onderscheid tussen de krijgsmachtdelen minder belangrijk is ten gunste van een meer geïntegreerde benadering waarbij gezamenlijk optreden centraal staat.

In 2004–2007 zullen als gevolg van het Strategisch Akkoord en het Hoofdlijnenakkoord ten opzichte van de huidige begrotingssterkte bij Defensie een groot aantal functies verdwijnen. In de Personeelsbrief die tegelijk met het beleidsprogramma aan de Kamer wordt verzonden, wordt uitvoerig stilgestaan bij personeelsbeleid en het nieuwe evenwicht dat de komende jaren ook op het terrein van het personeel tot stand moet worden gebracht.

Verdieping van de samenwerking met civiele autoriteiten

De samenhang tussen interne en externe veiligheid neemt toe, onder meer door de toegenomen terroristische dreiging jegens westerse samenlevingen. Hierdoor wordt veelvuldig een beroep gedaan op de krijgsmacht door civiele autoriteiten. In overleg met de meest betrokken departementen zal Defensie werken aan de verdieping van de samenwerking met civiele autoriteiten die van de diensten van de krijgsmacht gebruik maken. Defensie neemt deel aan interdepartementale projecten zoals het project Civiel militaire bestuursafspraken (CMBA), het project NBC-bescherming en het project Vitale infrastructuur. In het kader van het project «Vitale infrastructuur» wordt in 2004 een samenhangend pakket maatregelen gepresenteerd ter bescherming van de infrastructuur van de overheid en het bedrijfsleven.

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl