﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29200-XII-20/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2003-2004</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.6.1__3.2" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST71557</ordernr>
    <vergjaar>2003-2004</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>29 200 XII</nummer>
      <naam>Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Verkeer en
Waterstaat (XII) voor het jaar 2004</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>20</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>4 november 2003</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar aanleiding van de vragen tijdens het Algemeen Overleg over de chipkaart
OV op 25 juni 2003 (kamerstuk 28 600 XII/23 645, nr. 124) en de
schriftelijke vragen ter voorbereiding van de begrotingsbehandeling (kamerstuk
29 200 XII, nr. 10, blz. 12–13, 24), informeer ik u over de voortgang
van de ontwikkeling van de Chipkaart OV.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De ontwikkeling van de chipkaart verloopt goed en zal naar verwachting
binnen korte tijd kunnen worden afgerond, waarna het systeem zal worden beproefd
in een aantal gebieden en vervoermodaliteiten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de medefinanciering door mijn departement zijn naar mijn mening voldoende
middelen beschikbaar. Het betreft hier dan een totaal pakket ter waarde van
maximaal € 100 mln. Over de bijdrage vanuit het Fonds eenmalige
bijdrage NS (FENS) wordt met NS nog overlegd; naar verwachting kan dat overleg
op korte termijn worden afgerond. Op dit moment bestaat overeenstemming over
een financiering van minimaal € 74 miljoen ten laste van FENS.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De maatschappelijk baten – lasten studie is vrijwel afgerond. Op
basis van de voorlopige uitkomsten blijkt de invoering voor Nederland totaal
een positief saldo van € 400 tot € 1500 mln. op te leveren.
Dat betekent dat invoering van de chipkaart voor het gehele Nederlandse openbaar
vervoer een rendabel project is.</al>
      <al>Uit deze studie kan tevens worden geconcludeerd dat zonder rijksbijdrage
de kaart waarschijnlijk niet op nationale schaal kan worden ingevoerd. Dit
omdat niet alle belanghebbenden bij de invoering een batig saldo hebben en
omdat financiering niet bij alle bedrijven verzekerd is; met name ligt een
rol voor mijn departement en de decentrale overheden om de migratie mogelijk
te maken. Het definitieve rapport zal u binnenkort worden toegezonden. Ik
zend u hierbij een uitgebreid overzicht van de stand van zaken en de voortgang
van het project. Dit zal met alle betrokken partijen nader worden uitgewerkt. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gegeven de verschillende rollen en de verantwoordelijkheden van betrokken
partijen zal een regiegroep voor coördinatie op nationale schaal worden
ingesteld.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Verkeer en Waterstaat,</functie>
        <naam>K. M. H. Peijs</naam>
      </ondtek>
      <bijlage>
        <titel>BIJLAGE 1</titel>
        <tuskop letat="vet">OVERZICHT STAND VAN ZAKEN EN VOORTGANG CHIPKAART OV</tuskop>
        <tuskop letat="vet">Conclusies</tuskop>
        <al>Het is – na 25 jaar overleg tussen overheid en bedrijfsleven –
voor de openbaar vervoerbedrijven haalbaar om in 2004–2008 op nationale
schaal een nieuw (chip)kaartsysteem in te voeren. Daarvoor is nodig, dat de
hoofdrolspelers (de vervoerders, de reizigersorganisaties, de concessieverlenende
overheden en het Rijk) uitgaande van ieders eigen rol en verantwoordelijkheid,
de komende maanden een aantal concrete afspraken maken.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Invoering kan snel, goed en efficiënt, maar dan zullen alle betrokkenen
optimaal moeten samenwerken:</al>
        <al>– de 13 miljoen OV-reizigers, die aan een geheel nieuw kaartsysteem
zullen moeten wennen;</al>
        <al>– de reizigers-, ouderen- en gehandicaptenorganisaties;</al>
        <al>– de 15 OV-bedrijven met 20 000 direct betrokken medewerkers,
die hun bedrijfsprocessen ingrijpend zullen moeten aanpassen;</al>
        <al>– Mobis, TransLink Systems (TLS), Vervoerbewijzen Nederland B.V.
(VBN);</al>
        <al>– de systeemleveranciers;</al>
        <al>– de 35 concessieverlenende provincies, regio's en steden;</al>
        <al>– het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en de overige betrokken
rijksorganisaties.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De ervaringen met de Tripperpas in Groningen, met de chipkaart in Hong
Kong en elders in het buitenland bevestigen dit, maar laten ook zien dat dit
inspanningen van alle partijen vergt. Daarom is een aantal organisatorische,
juridische en financiële voorzieningen nodig. De financiële middelen
zijn hiervoor beschikbaar.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Bovendien moet een aantal andere voorwaarden worden vervuld:</al>
        <al>– tijdige besluitvorming door alle partijen (tijdverlies leidt tot
hogere kosten en grotere risico's);</al>
        <al>– een sobere en eenvoudige opzet in de beginfase om de kosten en
risico's in de hand te kunnen houden;</al>
        <al>– goede organisatie, voorbereiding en beproeving om kinderziekten
te voorkomen, dan wel zo snel mogelijk te verhelpen en de kosten en risico's
te beheersen;</al>
        <al>– goede communicatie tussen partijen;</al>
        <al>– de bereidheid van alle partijen om te geven en te nemen, opdat
álle betrokkenen netto baat bij de invoering zullen hebben;</al>
        <al>– procesregie op nationaal niveau.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De invoering van de chipkaart op nationale schaal in combinatie met toegangspoortjes
op trein- en metrostations zal dan geleidelijk:</al>
        <al>– de toegankelijkheid en aantrekkelijkheid van het OV voor de reizigers
vergroten, waardoor tot 2010 ongeveer anderhalf procent betaalde vervoersgroei
zal ontstaan;</al>
        <al>– de kwaliteit/prijsverhouding van het OV met één
tot vier procent verbeteren, waardoor het effect van de recente bezuinigingsronden
kleiner kan worden;</al>
        <al>– het aantal zwartrijders gemiddeld met ruim 20 procent reduceren;</al>
        <al>– de sociale veiligheid in het OV vergroten. </al>
        <tuskop letat="vet">De studie naar de maatschappelijke kosten en baten van
de chipkaart OV</tuskop>
        <al>In opdracht van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft Hypercube
Business Innovation in samenwerking met de Stichting voor Economisch Onderzoek
van de Universiteit van Amsterdam (SEO) een studie uitgevoerd: «De maatschappelijke
kosten en baten van de invoering van de OV-chipkaart».</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Deze studie is opgedragen om:</al>
        <al>– vast te kunnen stellen of de baten van invoering van de chipkaart
op nationale schaal en het afsluiten van stations met toegangspoortjes groter
zijn dan de lasten;</al>
        <al>– beter inzicht te krijgen in de baten en lasten voor de reizigers,
de vervoerbedrijven, de decentrale overheden en de rijksoverheid;</al>
        <al>– indien nodig baten en/of lasten te kunnen herverdelen, opdat alle
50 autonome partijen en de reizigers netto baat – dus belang –
hebben bij invoering van de chipkaart (indien dat niet het geval is, zullen
partijen niet meedoen dan wel de kaart niet gebruiken);</al>
        <al>– optimalisatiemogelijkheden en knelpunten te identificeren.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De studie is opgezet volgens de OEI-methodiek (Onderzoek Effecten Infrastructuur),
ontwikkeld in opdracht van de Ministeries van Verkeer &amp; Waterstaat, van
Economische Zaken en van Financiën door een aantal instituten, universiteiten
en adviseurs, waaronder het Centraal Planbureau (CPB).</al>
        <al>De methodiek is goed bruikbaar gebleken voor een analyse van de effecten
van een chipkaart OV. Het conceptrapport is door een wetenschappelijk panel,
waarin onder meer het CPB was vertegenwoordigd, besproken. Het commentaar
van het panel is in het rapport verwerkt. Basis voor de studie zijn gedetailleerde
gegevens, verstrekt door de OV-bedrijven. In enkele gevallen waar sprake was
van suboptimale invulling van het chipkaartsysteem hebben de onderzoekers
gegevens geharmoniseerd, Onder andere om het «level playing field»
voor de bedrijven niet te verstoren. Bovendien is een vervoerder-onafhankelijke
«benchmark» ontwikkeld, die als streefbeeld kan fungeren. Met
vertegenwoordigers van de bedrijven, de reizigersorganisaties en de overheden
zijn de uitkomsten besproken.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Een dergelijke studie is een modelmatige monetarisering van waarschijnlijke
ontwikkelingen in de toekomst; de werkelijkheid kan hiervan afwijken. Zelfs
de publicatie van dit rapport zal de ontwikkelingen beïnvloeden. Voor
het bepalen van onder- en bovengrenzen, zeker op macroniveau en voor het opsporen
van knelpunten en optimalisatiemogelijkheden is het echter een goed instrument.</al>
        <al>De vermelde minimumwaarden zijn echte minima, gebaseerd op zeer conservatieve
ramingen. Verwacht wordt dat een beter resultaat behaald zal worden. Daarom
is ook een reële bovengrens aangegeven.</al>
        <al>Bij gebruik van de uitkomsten op microniveau is voorzichtigheid geboden.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De studie kan pas binnenkort aan de Tweede Kamer worden toegezonden, omdat
nog een discussie gaande is over de toerekening van de baten en lasten van
stationsverbouwingen bij het spoorvervoer, samenhangend met het plaatsen van
de toegangspoortjes. Verwacht wordt dat de macro-uitkomsten hierdoor niet
meer wezenlijk zullen veranderen. In het navolgende staan de belangrijkste
(voorlopige) uitkomsten gemeld. De nog lopende discussie heeft geen invloed
op de cijfers voor het stad- en streekvervoer, zodat conclusies over de financiële
faciliteiten hiervoor mogelijk zijn.</al>
        <tuskop letat="vet">De maatschappelijke baten van de chipkaart OV zijn groter
dan de lasten</tuskop>
        <al>De kosten van een nieuw chipkaartsysteem zijn – vooral voor het
stad- en streekvervoer – hoger dan van het huidige systeem. De jaarlijkse
kosten, inclusief NS en de studentenkaart en inclusief kapitaallasten bedragen € 160–170
miljoen tegen nu € 120miljoen. De totale productiekosten van het
openbaar vervoer bedragen ongeveer € 3 miljard; de kostenstijging
is dus ongeveer anderhalf procent.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Het saldo van opbrengsten en kosten van invoering van de chipkaart op
nationale schaal is positief. De Netto Contante Waarde (NCW) hiervan wordt
geraamd op € 400–1500 miljoen (zie bijlage 1 voor een korte
toelichting op de berekening van de NCW).<voetref refid="v5.1" nr="1"></voetref> Voor
een totale investering van ruim € 800 miljoen (inclusief migratiekosten)
is dit een goed minimum resultaat/rendement (de waarde is het overschot na
het terugverdienen van de investering) met een omvangrijke groeipotentie.
Over een aantal jaren gaat het om jaarlijkse netto baten van€ 40–140
miljoen ofwel gerelateerd aan de totale productiekosten een efficiëntieverbetering
van het openbaar vervoer, inclusief het effect voor de reizigers, van 1 à
4%.</al>
        <al>Het leeuwendeel van de netto-baten valt bij de spoor- en metrosystemen;
bij het stad- en streekvervoer (inclusief metro) zijn in de minimumvariant
de baten € 60 miljoen (NCW) groter dan de lasten, maar er is een
groeipotentie van € 550 miljoen (op termijn € 45 miljoen
per jaar). De spoor-, metro-, tram- en bussystemen hebben elkaar vanwege het
schaaleffect (lagere kosten) wel nodig. Gezien de invoering van de chipkaart
op veel plaatsen in het buitenland zijn deze uitkomsten niet verbazingwekkend.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De chipkaart OV zal tot 2010 ongeveer anderhalf procent betaalde vervoergroei
bewerkstelligen. Het aantal ritten zal door de invoering van de chipkaart
met ruim één procent (15 miljoen per jaar) groeien, maar daalt
met ongeveer hetzelfde percentage door zwartrijders, die minder of helemaal
niet meer met het OV gaan reizen. Het aantal zwarte en grijze ritten zal gemiddeld
met ruim 20 procent dalen. Netto groeit het vervoer met 130 mln. reizigerskilometers
per jaar.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De chipkaart OV vormt niet alleen om vervoerkundige redenen een stimulans
voor de Nederlandse economie. Ook de ontwikkeling van hoogwaardige kennis
en moderne betalingssystemen versterkt onze economische structuur.</al>
        <al>De verdeling van de baten en de lasten over de partijen geeft het volgende
beeld:</al>
        <al>– In eerste instantie komen de grootste netto baten (€ 570–710
mln. NCW) ten gunste van de reizigers; dit betreft effecten van wachttijdreductie,
sociale veiligheid en productverbetering. Dit ligt voor de hand gezien de
doelstelling: het openbaar vervoer voor de reiziger aantrekkelijker maken.
In de studie is, gezien de groei van de baten voor de reizigers, gerekend
met een aparte kaartbijdrage van de reiziger van € 1,5–2,5
per jaar; dit komt ongeveer overeen met de productie-, distributie- en servicekosten
van de kaart. Dit bevordert ook het zuinig omgaan met de kaart, die immers
waarde vertegenwoordigt. Bovendien kan het tegoed op een verloren kaart worden
geblokkeerd waardoor waardeverlies voor de reiziger wordt voorkomen. Daarna
resteert een batig saldo van € 280–420 miljoen (NCW) voor
de reizigers en hun werkgevers (in verband met zakelijke reizen en woon-werkverkeer).</al>
        <al>– Bij de vervoerbedrijven is rekening gehouden met enige tariefdifferentiatie
tussen spits en dal, die met de chipkaart mogelijk wordt en die leidt tot
lagere exploitatielasten (niet tot hogere opbrengsten). Gezien de hoge overheidssubsidies
voor het stad- en streekvervoer en de recente bezuinigingen is
efficiëntieverbetering urgent. Dit kan alleen als de concessieverleners
(decentrale overheden) hiermee instemmen. Samen met het effect van de kaartbijdrage
van de reizigers wordt het saldo voor de gezamenlijke vervoerders positief
(dit is inclusief het effect van de toegangspoortjes op trein- en metrostations).
Als dit niet het geval zou zijn, zullen de vervoerders niet in het chipkaartsysteem
investeren en komen dus de extra baten voor de reizigers (en de overheden)
niet beschikbaar.</al>
        <al>– Via de aanbesteding van concessies en onderhandelingen tussen
concessieverlener en concessiehouder zal een deel van het positieve resultaat
voor de vervoerders terechtkomen bij de decentrale overheden (vooralsnog is
uitgegaan van 60%; op langere termijn zal dit waarschijnlijk meer zijn). Voor
de vervoerders in het stad- en streekvervoer worden de netto baten (NCW) dan € 50–220
miljoen en voor de decentrale overheden € 70–330 miljoen.
Voor de concessieverlenende overheden betekent dit over enkele jaren een verbetering
van € 6–28 mln. per jaar. Deze baten reduceren te zijner tijd
het effect van de recente bezuinigingen op de exploitatiebijdragen aan het
stad- en streekvervoer.</al>
        <al>– De netto baten voor de rijksoverheid zijn nagenoeg nihil. Daarnaast
zijn er indirecte economische en externe (milieu-)effecten voor heel Nederland
van € 110 – 130 miljoen (NCW). Op termijn zal een deel van
de baten bij de reizigers en de OV-bedrijven via belastingen en de concessieprijs
voor het hoofdrailnet naar de rijksoverheid toevloeien.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De uitkomsten per belangengroep als geheel: reizigers, vervoerders, decentrale
overheden en het Rijk zijn positief. Dit betekent echter niet, dat álle
individuele belanghebbenden positieve netto baten zullen ondervinden:</al>
        <al>– voor reizigers, die nooit per trein of metro reizen is de gehanteerde
kaartbijdrage in relatie tot de baten voorlopig aan de hoge kant. Dit betreft
ongeveer 10 à 15% van de potentiële gebruikers van de kaart, die
daardoor mogelijk zullen aarzelen de kaart aan te schaffen;</al>
        <al>– voor enkele kleinere busbedrijven is de uitkomst negatief. Er
is een schaaleffect ten gunste van de grotere bedrijven, hetgeen verklaarbaar
is door de relatief hoge vaste en lage variabele kosten van het systeem. Bovendien
is het effect van het terugdringen van het zwart- en grijsrijden en het verbeteren
van de sociale veiligheid bij de trein en metro groter dan bij de bus. Dit
resultaat per bedrijf compenseren is niet goed mogelijk, omdat dit snel leidt
tot concurrentievervalsing of niet geoorloofde staatssteun. Wel kan door onderlinge
samenwerking en optimalisatiemaatregelen het negatieve schaaleffect worden
gereduceerd.</al>
        <al>– bij één van de 19 concessieverlenende decentrale
overheden na 1 januari 2004 (op dat moment gaan in principe de bevoegdheden
van de VOC-gemeenten over naar de provincies) is het saldo van de «benchmark»-berekeningen
per concessie na toepassing van een uniforme tariefdifferentiatie licht negatief;
bij alle anderen is het positief.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Deze belanghebbenden met grotere lasten dan baten zullen alleen meedoen
en de chipkaart gaan gebruiken als hun netto effect positief wordt. Verderop
in dit projectoverzicht worden maatregelen uitgewerkt om dit te realiseren.</al>
        <tuskop letat="vet">De ontwikkeling van een chipkaart OV</tuskop>
        <al>De ontwikkeling van een nieuw kaartsysteem op basis van een korte afstands
contactloze chipkaart verloopt goed. </al>
        <witreg></witreg>
        <al>Mede op initiatief van Mobis wordt het systeem ontwikkeld door de vijf
grootste openbaar vervoerbedrijven in ons land (Nederlandse Spoorwegen, Connexxion,
Gemeentelijk Vervoerbedrijf Amsterdam, RET en HTM).</al>
        <al>Deze bedrijven hebben samen een marktaandeel van ruim 80%. Voor het ontwikkelen
en het uitvoeren van enkele centrale functies hebben de initiatiefnemers Trans
Link Systems (TLS) opgericht. In april 2003 hebben zij na een uitgebreide
internationale tenderprocedure gekozen voor het zogenoemde Octopussysteem
dat sinds 1997 in Hong Kong wordt gebruikt. Een consortium met Accenture,
Vialis, Thales en MTRC uit Hong Kong heeft hiervoor een bindende offerte uitgebracht.
Het systeem maakt een stabiele indruk; het is reeds zes jaar in gebruik, heeft
zich ondertussen verder ontwikkeld en inmiddels is 95% van alle OV-bedrijven
in Hong Kong vrijwillig tot het systeem toegetreden. Het systeem lijkt voldoende
flexibel om te kunnen worden aangepast tot een voor het Nederlands openbaar
vervoer efficiënt en aantrekkelijk systeem.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Aan de dertien systeemeisen uit het zogenoemde Afsprakenkader tussen overheden
en Mobis kan worden voldaan; aan enkele daarvan – met name de groepskorting –
is wel een relatief hoog prijskaartje verbonden. Over de concrete parameters
van de Nederlandse versie van het systeem – vastgelegd in de zogenoemde
«Business Rules» – vindt nog overleg plaats, onder andere
met consumentenorganisaties en de concessieverleners. Het is de bedoeling
dat de vervoerbedrijven en TLS dit medio november 2003 zullen afronden.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Inmiddels hebben de initiatiefnemers RET, NS, Connexxion en TLS de eerste
systemen besteld om te beproeven. De RET voor het gehele Rotterdamse metronet,
NS voor de spoorlijn Rotterdam-Hoek van Holland en Connexxion voor de concessie
ten zuiden van Rotterdam. TLS heeft opdracht gegeven voor de levering van
het centrale verrekensysteem. De RET heeft bovendien een optie genomen op
systemen voor het hele Rotterdamse tram- en busnet, NS voor het overige door
NS geëxploiteerde spoorwegnet en Connexxion voor haar gehele bus- en
tramnet. Verwacht wordt, dat nog dit jaar ook het Gemeentelijk Vervoerbedrijf
in Amsterdam (GVBA) systemen zal bestellen. De bestellingen van RET, NS en
GVBA zijn inclusief de toegangspoortjes.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Bovendien hebben op dit moment vijf bedrijven plannen voor nog een zestal
pilot-projecten. Met de eerder genoemde projecten (zie voor een totaaloverzicht
de bijlagen 2 en 3)<voetref refid="v7.1" nr="1"></voetref> ontstaat een goed gespreid
beproevingstraject (trein, metro, tram, bus, ferry, intermodaal, interliner,
HOV, grote steden, agglomeraties, platteland, aansluitende vervoerssystemen
van verschillende vervoerders, concessieoverschrijdend vervoer, verschillende
tariefsystemen, zeven verschillende bedrijven en negen verschillende concessieverleners).
De tram-, bus- en ferryprojecten komen in principe in aanmerking voor een
bijdrage uit de € 10 mln. gereserveerd voor pilot-projecten (amendement
Dijksma). Echter nog niet alle projecten zijn voldoende ver ontwikkeld en
financieel goed onderbouwd. Verderop wordt nader op het verstrekken van financiële
bijdragen ingegaan.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De hiervoor genoemde projecten hebben enerzijds een beproevingskarakter,
maar vormen anderzijds de start van de invoering van de chipkaart. Dit najaar
starten de feitelijke investeringen, met name in de toegangspoortjes. In 2004
beginnen de proeven met het chipkaartsysteem en de toegangspoortjes in een
«stand-alone» uitvoering en vanaf voorjaar 2005 kan van het centrale
systeem van TLS gebruik worden gemaakt. Omdat het meten van de reizigerstevredenheid
om een proef van minimaal een half jaar vraagt, zal niet eerder dan eind 2005
kunnen worden vastgesteld of het systeem voldoet. </al>
        <witreg></witreg>
        <al>Voorwaarde voor invoering van het systeem daarna op nationale schaal is,
dat:</al>
        <al>– het systeem bij de verschillende modaliteiten onder verschillende
omstandigheden goed blijkt te functioneren;</al>
        <al>– de (onvermijdelijke) kinderziekten onder controle zijn;</al>
        <al>– reizigers tevreden zijn.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Voorwaarde is ook dat het systeem voldoet aan de generieke en specifieke
Europese en nationale wetten en regels. Daarna is pas invoering op nationale
schaal met steun van het Rijk mogelijk. In ieder geval zijn overleg en afspraken
nodig met:</al>
        <al>– De Nederlandsche Bank over de betalingsverkeeraspecten;</al>
        <al>– Het Openbaar Ministerie over opsporing en bewijsvoering in geval
van zwart- en grijsrijden en vervalsing van dan wel fraude met chipkaarten;</al>
        <al>– Het Centraal Orgaan Bescherming Persoonsgegevens in verband met
de privacy-aspecten;</al>
        <al>– Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat over de aanpassing van
het WROOV-systeem en de huidige regelgeving in de periode dat het strippenkaart-
en het chipkaartsysteem naast elkaar worden gebruikt.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Zolang niet besloten is tot invoering van de chipkaart op nationale schaal
is bij het stad- en streekvervoer de chipkaart een regionale kaart. De regionale
en lokale vervoerders dienen daarom instemming van de concessieverlener te
verwerven voor het gebruik van de chipkaart. In de beginperiode zal bij het
regionaal en lokaal vervoer nog het huidige zonetarief worden gebruikt. Het
is de bedoeling van de concessie-verlenende decentrale overheden na invoering
op nationale schaal over te stappen op een kilometertarief.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De vervoerbedrijven hebben nog niet besloten wie de chipkaart gaat uitgeven,
distribueren en promoten. De kansen voor een kaart, geschikt voor alle treinen,
metro's, (snel)trams, bussen en boten in ons land en in een later stadium
mogelijk ook voor Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) en vervoer in
het kader van de Wet Voorzieningen Gehandicapten en voor samenhangende voorzieningen
als fietsenstallingen, parkeerplaatsen en kiosken etc. op stations, zijn groot.
Daar zijn wel één of meer adequate en efficiënte kaartuitgevers
voor nodig. Erkenning hiervan conform de Wet personenvervoer 2000 is pas mogelijk,
indien dit goed is geregeld en na notificatie bij de EU.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Invoering van een systeem op nationale schaal met substantiële financiële
steun van de overheid betekent dat voorwaarden zullen worden gesteld aan het
beheer van enkele centrale functies, zoals de centrale backoffice, teneinde
de belangen van de concessieverleners, de reizigers en de vervoerbedrijven
veilig te stellen. Het beheer dient stabiel, flexibel, neutraal, betrouwbaar
en transparant te zijn. Er dient sprake te zijn van een absoluut «level
playing field» voor alle vervoerders, zowel bestaande als toekomstige.
Daarvoor is nodig dat de rechten, plichten en belangen van alle vervoerders
gelijk zijn en bijvoorbeeld gerelateerd aan hun deel in de omzet («Shared
Services»-organisatie op basis van kostprijs). Voorts is conformiteit
met mededingings- en aanbestedingsregels van groot belang en dient rekening
te worden gehouden met de reizigersbelangen (informatieverstrekking en klachtenprocedures).
De vragen die hierover aan Mobis en de andere initiatiefnemers heeft gesteld,
zijn nog onvoldoende beantwoord. Het antwoord op deze vragen is van belang
voor de te maken afspraken, eventuele aanvullende regelgeving en de vormgeving
van het toezicht (generiek of specifiek).</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De systeemverantwoordelijkheid, de verantwoordelijkheid voor de communicatie
met de reizigers en de intellectuele eigendom van het systeem
berusten bij de OV-bedrijven. De rijksoverheid richt zich op stimuleren van
de invoering van een systeem op nationale schaal, opdat met één
kaart door de hele OV-keten kan worden gereisd. Een nationale chipkaart bevordert
voorts de decentralisatie en de marktwerking zoals vastgelegd in de Wet Personenvervoer
2000.</al>
        <tuskop letat="vet">De invoering van een chipkaart OV op nationale schaal</tuskop>
        <al>Invoering van een chipkaart OV kan uitgaande van decentralisatie en marktwerking
op verschillende manieren tot stand komen:</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">a</nadruk> vervoerbedrijven met een «business
case» met een batig saldo zullen de kaart willen invoeren, mits de risico's
beheersbaar zijn, de financiering rond is en de concessieverlener daarmee
instemt;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">b</nadruk> concessieverleners kunnen bij een aanbesteding
van een concessie de chipkaart voorschrijven. Bij een positieve «business
case» of de beschikbaarheid van voldoende extra middelen om de «business
case» positief te kunnen maken en een mogelijkheid om de investering
te financieren, zal dit geen probleem opleveren. Bij een concessieverlener
met meerdere concessies en een positief totaal saldo zal via de aanbestedingen
herverdeling tussen concessies met batige en negatieve saldi moeten plaatsvinden;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">c</nadruk> indien een concessie voorlopig niet wordt
aanbesteed (tram- en recent aanbestede concessies), is overleg over invoering
en financiering tussen vervoerder en concessieverlener nodig, zie verder b.;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">d</nadruk> het Rijk kan op grond van de wet het gebruik
van een systeem opleggen.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Nadere uitwerking hiervan geeft het volgende beeld:</al>
        <al>– ad a: Dit is de ideale situatie; de markt voert zelf de kaart
in, zoals in Hong Kong. Een voorbeeld is NS: als het systeem goed functioneert
en de reizigers tevreden zijn zal NS, gebruikmakend makend van Fonds Eenmalige
Bijdrage NS (FENS), de chipkaart invoeren. Hetzelfde geldt voor de metro's
in Rotterdam en Amsterdam en waarschijnlijk ook voor de trams en bussen in
deze steden omdat het om samenhangende vervoersystemen gaat. Als NS op de
chipkaart overgaat, zullen vanwege het huidige gemeenschappelijk kaartsysteem
ook NoordNed, Syntus en Randstadrail waarschijnlijk overgaan. Ook de studentenkaart
kan kostendekkend worden omgezet in een chipkaart. Op deze wijze kan 35–60%
van het OV (qua aantal ritten) de overstap naar de chipkaart maken.</al>
        <al>– ad b: Voor 1 januari 2007 moet ruim 80% van alle busconcessies
worden aanbesteed. Via deze weg kan ongeveer 30–40% van het OV (aantal
ritten) overgaan op de chipkaart. Voor een vlot proces zijn wel extra financiële
middelen nodig.</al>
        <al>– ad c: Voor de busconcessies die niet meer behoeven te worden aanbesteed
en voor de tramconcessies liggen onderhandelingen tussen concessiehouder en
concessieverlener voor de hand, gezien de samenhang met aanpalende busnetten
en het belang van bedrijven om zo snel mogelijk te migreren. Dit betreft ongeveer
10–25% van het OV. Financieel geldt hier hetzelfde als bij b, inclusief
herverdeling door de concessieverlener tussen concessies met een batig en
een negatief saldo.</al>
        <al>– ad d: Voor verplicht opleggen door het rijk is erkenning van de
kaartuitgever(s) en het systeem nodig na een notificatieprocedure in Brussel.
Om dit proces te kunnen starten moet eerst duidelijk zijn dat het systeem
goed functioneert en de reizigers tevreden zijn. In een later stadium kan
verplicht opleggen door het Rijk aan de orde komen.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Samenvattend kan worden geconcludeerd, dat bij 35–60% van de OV-ritten
de chipkaart waarschijnlijk snel zal worden ingevoerd als de proeven goed
verlopen.</al>
        <al>Eind 2005 ontstaat een duidelijk beeld over het functioneren van het systeem.
Daarna is het mogelijk definitief te besluiten tot invoering op nationale
schaal. Met een goede voorbereiding nu is het mogelijk het systeem in 2006
en 2007 grootschalig in te voeren. Omdat de migratiekosten – door het
naast elkaar functioneren van het oude en het nieuwe kaartsysteem –
erg hoog zijn, is het belangrijk om te proberen eind 2007 tenminste 90% van
de OV-ritten via de chipkaart te laten verlopen.</al>
        <al>De totale migratiekosten (inclusief NS) bedragen dan ongeveer € 210
miljoen. Elk jaar langer vergt € 50 miljoen extra.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Hoewel gezien het batige saldo voor de vervoerders een flink deel van
het OV op eigen kracht de chipkaart zou moeten kunnen invoeren is er in de
periode 2004–2007 wel sprake van een kastekort/voorfinancieringsbehoefte
van € 150 miljoen bij het regionaal en lokaal OV, veroorzaakt door
de investeringen en de migratiekosten. Voorfinanciering door de vervoerders
zelf is maar ten dele mogelijk omdat na een aantal jaren bij een volgende
aanbesteding mogelijk de concessie naar een ander bedrijf overgaat en het
deel van de investeringen, dat nog niet is terugverdiend dan verloren kan
gaan. Medevoorfinanciering door de concessieverlener dan wel adequate concessievoorwaarden
om kapitaalvernietiging bij de vertrekkende concessiehouder te voorkomen zijn
daarvoor opties. Voor de opdrachtgever gaat in principe geen waarde verloren
bij de overgang naar een andere vervoerder. Door goede samenwerking tussen
vervoerders en concessieverleners kunnen deze risico's worden ondervangen.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Met de invoering van de chipkaart hangt nauw samen de uitfasering van
het strippenkaartsysteem, het huidige nationale kaartsysteem voor regionaal
en lokaal vervoer. Omdat invoering van de chipkaart op één dag
(een «big bang») technisch-organisatorisch naar verwachting niet
realistisch is, is vooralsnog uitgegaan van een overgangsperiode. In deze
periode is het belangrijk om «geen oude schoenen weg te gooien alvorens
de nieuwe zijn ingelopen». Echter om de strippenkaart pas als nationaal
systeem in te trekken als de laatste reiziger overgaat op de chipkaart is
onbetaalbaar. Het «betere» wordt dan de vijand van het «goede».
Bovendien is het onbillijk, omdat bedrijven en regio's, die het eerst overgaan
op de chipkaart dan veel hogere migratiekosten hebben dan de bedrijven en
regio's die tot het laatste moment wachten. Tot nu toe is 1 juli 2006 als
streefdatum genoemd voor het afschaffen van de verplichting voor vervoerders
om de strippenkaart te accepteren (hij mag daarna nog wel vrijwillig worden
geaccepteerd). Om aan de eerder genoemde onbillijkheid tegemoet te komen kan
ook aan een geleidelijke uitfasering van de strippenkaart worden gedacht.
Dit kan door af te spreken, dat – indien in een bepaalde regio of een
bepaald systeem 90% of meer van de ritten (alle frequente en een flink deel
van de geregelde reizigers) met de chipkaart wordt gemaakt – de acceptatie
van de strippenkaart door de vervoerder niet meer verplicht is. Hiervan gaat
een stimulans voor vervoerders en concessieverleners uit om snel te migreren.
Hiervoor is regionaal overleg met de reizigersorganisaties nodig. Los hiervan
is in Rotterdam en Amsterdam een discussie gaande om, teneinde een snelle
verbetering van de sociale veiligheid te realiseren, in de migratieperiode
voor de metro's tijdelijk een aparte metrokaart (met chip) te introduceren.
Het intrekken van de verplichting om de strippenkaart c.a. te accepteren is
de bevoegdheid van de Minister van Verkeer en Waterstaat.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Om deze redenen is het belangrijk om in de gebieden waar de proeven/pilots
worden gehouden de frequente en de geregelde reizigers zo snel mogelijk van
een gepersonaliseerde of anonieme chipkaart te voorzien. Voor
een klein deel van de reizigers wegen de baten echter niet op tegen de lasten.
Daarom wordt overwogen de eerste series chipkaarten goedkoper op de markt
te brengen. Dit verkort ook de migratieduur en verlaagt de migratiekosten.</al>
        <al>De incidentele reiziger moet – indien de strippenkaart niet meer
wordt geaccepteerd – een papieren chipkaart voor één of
meer ritten bij de bestuurder of een automaat kopen. Gezien de relatief hoge
kosten van dit kaarttype (vergelijkbaar met de huidige tweeen driestrippenkaarten)
is het aantrekkelijk als de kaartuitgevers en de vervoerders zo snel mogelijk,
zoveel mogelijk plastic chipkaarten aan de man en vrouw brengen.</al>
        <tuskop letat="vet">Maatregelen om een vlotte, goede en efficiënte invoering
van een chipkaart OV op nationale schaal te faciliteren</tuskop>
        <al>De daadwerkelijke invoering van de chipkaart (en de toegangspoortjes)
is de verantwoordelijkheid van de vervoerbedrijven; het gaat om hun klanten,
de kwaliteit van hun product, de modernisering van hun bedrijfsprocessen en
de veiligheid van hun personeel. De chipkaart is een belangrijk productiemiddel
voor een modern OV-bedrijf, net als bussen en infrastructuur. Bedrijven willen
de kaart invoeren, mits hun «business case» positief is en financiering
mogelijk is.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De concessieverleners/overheden hebben ook belang bij de invoering van
de chipkaart. Goed en veilig openbaar vervoer met zo min mogelijk subsidie
is een algemeen belang. Het stimuleren en faciliteren van de invoering van
de chipkaart kan gezien de uitkomsten van de maatschappelijke kosten-baten
studie als een verantwoorde investering in de toekomst worden gezien.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De reiziger heeft de meeste baat bij de invoering van de chipkaart. Wel
zal de reiziger zijn routine moeten aanpassen en veranderen is lastig. Goede
reizigersvoorlichting door de vervoerders is daarom belangrijk, maar ook de
medewerking van de klant.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Ook zonder directe steun van de rijksoverheid zal de chipkaart worden
ingevoerd. Een deel van het OV (35–60%) zal de chipkaart in gebruik
nemen gezien de voordelen voor reizigers, vervoerders en concessieverleners.
Een beperkte invoering van de chipkaart is een verbetering (onder andere sociale
veiligheid) ten opzichte van de huidige situatie. De maatschappelijke baten/lastenstudie
laat echter zien dat dit nationaal gezien een suboptimale aanpak is. De baten
van invoering worden lager en de kosten relatief hoger, dus het netto resultaat
lager. Bovendien ontstaat er voor de reiziger een onduidelijke lappendeken;
de drempelverlaging bij het OV als gevolg van het «met één
kaart door de OV-keten» kunnen reizen wordt sterk gereduceerd.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Om deze redenen is het Rijk onder voorwaarden bereid om extra middelen
en extra inspanningen beschikbaar te stellen voor een snelle invoering van
de chipkaart op nationale schaal door het bedrijfsleven in nauwe samenwerking
met de decentrale overheden en de reizigersorganisaties.</al>
        <al>Deze middelen en inspanningen richten zich op het slechten van de resterende
problemen en op het beheersen van de risico's.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Invoering op nationale schaal kent de volgende financiële knelpunten:</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">a</nadruk> de migratiekosten en de negatieve «cashflow»
in de periode 2004–2007 vormen door de concessieduur en de afhankelijkheid
van subsidies voor het stad- en streekvervoer een probleem;</al>
        <al>
          <nadruk type="cur">b</nadruk> een klein deel van de reizigers heeft onvoldoende
baat bij invoering van de chipkaart. Bovendien zullen sommige
reizigers de kat uit de boom kijken alvorens de chipkaart aan te schaffen.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Om deze problemen aan te pakken, is het volgende onderling samenhangende
pakket financiële maatregelen beschikbaar:</al>
        <al>1. Een bijdrage conform artikel 57 Besluit Personenvervoer 2000 van maximaal € 10
mln. aan een aantal concessieverleners in het stad- en streekvervoer ten behoeve
van pilotprojecten (amendement Dijksma). NS en de metroprojecten zijn hiervan
uitgesloten vanwege de separate financieringsafspraken over het plaatsen van
toegangspoortjes op stations en de daar aan gerelateerde introductie van de
chipkaart OV. De concessieverleners dienen de bijdragen door middel van een
overeenkomst (in aanvulling op de concessie) één op één
door te geven aan de betreffende vervoerders. In de overeenkomst dienen voorwaarden
te worden opgenomen over onderlinge samenwerking en kennisuitwisseling door
de vervoerbedrijven met betrekking tot onder meer software-ontwikkeling, reizigersvoorlichting
en -tevredenheidsmeting ter reductie van de totale «learning-curve»-kosten.
De pilots moeten operationeel zijn uiterlijk op een nader te bepalen datum
in het voorjaar 2005 en een operationele looptijd hebben van minimaal één
jaar. Voor de overdracht van de middelen aan de vervoerders wordt gedacht
aan:</al>
        <al>– bevoorschotting ter medefinanciering van de investeringen;</al>
        <al>– indien nodig een voor alle projecten gelijk bedrag in verband
met de eenmalige kosten (zie ook maatregelen 2 en 3);</al>
        <al>– afrekening van het subsidievoorschot via een vaste vergoeding
per in de centrale backoffice geregistreerde betaalde rit met de chipkaart
(één in- en uitcheck) binnen een periode van bijvoorbeeld maximaal
anderhalf jaar na de eerste registratie en het een tevoren vastgestelde plafond.
Dit plafond kan worden gerelateerd aan het historische aantal ritten per jaar
in het pilotgebied, indien dit betrouwbaar is vast te stellen of aan het investeringsniveau,
voor zover redelijk in relatie tot de omvang van de pilot; voor stand alone-projecten
moet een aparte registratie-afspraak worden gemaakt.</al>
        <al>2. Met NS heeft het Rijk overeenstemming bereikt over een bijdrage van € 5
mln. ten laste van het Fonds Eenmalige bijdrage NS (FENS) ten behoeve van
een aantal uitgaven voor de proef- en pilotprojecten, die het best gezamenlijk
kunnen worden uitgevoerd (bijvoorbeeld tariefsoftware-ontwikkeling, kaartuitgifte
en distributie, reizigersvoorlichtingsmateriaal entevredenheidsmetingen).
De proef- en pilotprojecten nemen een groot deel van de eenmalige aanloopkosten
van een latere invoering op nationale schaal voor hun rekening.</al>
        <al>3. Een bijdrage van € 1 mln. voor hetzelfde doel van Vervoerbewijzen
Nederland BV (VBN), de uitgever van het huidige strippenkaartsysteem. Mobis
is eigenaar van VBN. Bij VBN zijn de afgelopen jaren reserves van ruim € 1
mln. gevormd onder meer voor de ontwikkeling van de chipkaart. Hierover zullen
met Mobis en VBN nadere afspraken worden gemaakt.</al>
        <al>4. Een bijdrage conform artikel 57 Besluit Personenvervoer van maximaal € 90
mln. aan de concessieverleners in het stad- en streekvervoer ten behoeve van
de invoering van de chipkaart op nationale schaal nadat gebleken is dat de
proef- en pilotprojecten succesvol zijn verlopen. Ook bij deze bijdrage zijn
NS en de metroprojecten uitgesloten. Voorwaarde voor het verstrekken van de
bijdrage is, dat de concessieverlener de chipkaart als verplichting in elke
concessie opneemt op grond van artikel 32, tweede lid en 32a Wet Personenvervoer
2000. Omdat voor 2007 alle busconcessies moeten zijn aanbesteed, kan dit veelal
via de aanbestedingen lopen. Bij recent aanbestede concessies en de tramconcessies
zullen concessieverlener en concessiehouder rond de tafel moeten gaan zitten.
Deze bijdrage van € 90 mln. dient ter dekking van een
substantieel deel van de migratiekosten en de negatieve«cash-flow»
in de jaren 2005 – 2008.</al>
        <al>Het exacte kasritme zal worden bepaald op basis van het investeringsvolume
bij het stad- en streekvervoer.</al>
        <al>Dekking hiervoor wordt gevonden binnen artikel 7 van Hoofdstuk XII en
het Infrastructuurfonds (enveloppe regionale samenwerking).</al>
        <al>Voor de overdracht van de middelen aan de vervoerders wordt gedacht aan:</al>
        <al>– bevoorschotting ter medefinanciering van de investeringen;</al>
        <al>– afrekening van het voorschot via een vaste vergoeding per in de
centrale backoffice geregistreerde betaalde rit met de chipkaart (één
in- en uitcheck) binnen een periode van bijvoorbeeld maximaal drie jaar na
de eerste registratie in de betreffende concessie en tot een tevoren vastgesteld
plafond; dit plafond kan worden gerelateerd aan het historische aantal ritten
per jaar in de concessie. Het bedrag per rit zal lager zijn dan bij de pilotprojecten
omdat een groot deel van de eenmalige kosten bij de pilotprojecten zal worden
gemaakt;</al>
        <al>– nader te maken afspraken over de relatie van de bijdrage voor
de pilotprojecten en de bijdrage bij invoering op nationale schaal om ongelijke
behandeling te voorkomen.</al>
        <al>5. Door de invoering van de chipkaart op nationale schaal vallen vanaf
2007/2008 de kosten van het huidige WROOV-systeem weg. Een bedrag van € 2
mln. per jaar hiervoor, dat door de decentrale overheden ten laste van de
exploitatiebijdrage is gebracht, komt daardoor beschikbaar. Het ligt voor
de hand dit voor de financiering van de chipkaart te gebruiken, bijvoorbeeld
ter voorkoming van kapitaalvernietiging aan het einde van de concessieperiode
bij verandering van vervoerder.</al>
        <al>6. Tussen het Rijk en NS bestaat overeenstemming om een bedrag van € 69
mln. ten laste van FENS aan te wenden voor de financiering van de centrale
backoffice (inclusief aanloopverliezen). Door deze financiering worden de
kosten, die TLS voor het gebruik hiervan in rekening moet brengen bij de vervoerders
substantieel verlaagd (in de baten-lasten studie is tot nu toe rekening gehouden
met een bijdrage van € 45 mln.).</al>
        <al>7. Gezien de uitkomsten van de baten-lastenstudie ligt een kaartbijdrage
voor de hand van ongeveer € 7,5 (ongeveer de totale kaartkosten);
uitgaande van een levensduur van de kaart van 3–5 jaar betekent dit
een jaarlijkse last van € 1,5–2,5. De wachttijd-, comfort-
en veiligheidsbaten, die de kaart voor de reiziger oplevert zijn in bijna
alle gevallen beduidend hoger.</al>
        <al>8. Over twee mogelijke aanwendingen van FENS-middelen heeft het Rijk met
NS nog geen overeenstemming bereikt; dit betreft aanwendingen met een positief
effect op de exploitatiekosten van circa € 1 mln. per jaar en een
verlaging van de migratiekosten.</al>
        <al>9. De vervoerders zullen de resterende investeringen zelf moeten financieren;
op deze netto investering is een goed rendement haalbaar.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Met deze maatregelen ontstaat een situatie waarin alle partijen duidelijk
baat hebben bij de invoering van de chipkaart op nationale schaal en het voor
de OV-bedrijven mogelijk is om op een aanvaardbare manier de noodzakelijke
investeringen te doen.</al>
        <al>Voor alle partijen geldt echter wel dat de «cost voor de baet uyt
gaet», in het bijzonder voor het Rijk. Door deze maatregelen worden
bij het Rijk in eerste instantie de lasten groter dan de baten; door onder
meer de belastingopbrengsten, waarmee in de studie geen rekening is gehouden,
komt te zijner tijd het Rijk ook op een batig saldo uit.</al>
        <al>Dit nog afgezien van de indirecte en externe baten van € 110–130
mln., die iedereen toekomen. Resumerend hebben de maatregelen de volgende
effecten voor de OV-bedrijven:</al>
        <tuskop letat="vet"> (x € 1 mln.) </tuskop>
        <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
          <tgroup align="left" charoff="75" cols="4" tgroupstyle="sdu1">
            <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="52.5mm"></colspec>
            <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="22.5mm"></colspec>
            <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="22.5mm"></colspec>
            <colspec colname="c4" colnum="4" colwidth="15mm"></colspec>
            <thead valign="bottom">
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">maatregel</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">lopende prijzen</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">NCW </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody valign="bottom">
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0">pilots:</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">10</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">9</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">2</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">5</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">4</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">3</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">1</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">1 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0"></entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0"></entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">14</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0">invoering:</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">4</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">90</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">65 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">5</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">2 per
jaar</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">21</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">6</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">69</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">50 </entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">136</entry>
              </row>
              <row valign="top">
                <entry morerows="0" rotate="0">totaal:</entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0"></entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0"></entry>
                <entry align="right" morerows="0" rotate="0">150</entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Van het totaalbedrag (NCW) van € 150 mln. komt ongeveer € 35
mln. (uit de FENS-gelden) ten gunste van NS en € 115 mln. t.b.v.
de bedrijven in het stad- en streekvervoer. Door de marktwerking in het stad-
en streekvervoer zal ongeveer 60% van dit bedrag worden overgedragen aan de
concessieverlenende overheden. Dit effect dient bij de beoordeling van de
bezuinigingen op de exploitatiebijdrage in aanmerking te worden genomen.</al>
        <al>In de brief van Mobis van 18 september 2003, waarvan de Kamer een afschrift
heeft ontvangen, wordt het verzoek om een bijdrage van € 150 mln.
onderbouwd. Het Rijk deelt niet de mening van Mobis, dat de kapitaalvernietiging
aan het einde van een concessie bij verandering van vervoerder voor een rijksbijdrage
in aanmerking komt. Dergelijke kapitaalvernietiging moet via de concessiebepalingen
dan wel via medefinanciering door de concessieverleners (zie punt 5) worden
voorkomen. Daar staat tegenover, dat om een snelle migratie te bevorderen
(de kosten van vertraging zijn zeer hoog) een optimale startsituatie dient
te worden bewerkstelligd in het belang van alle betrokken partijen, inclusief
het Rijk.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Naast maatregelen in de financiële sfeer moeten ook maatregelen in
de juridische sfeer worden getroffen om een vlotte, goede en efficiënte
invoering van de chipkaart en het goed functioneren van het chipkaartsysteem
te bewerkstelligen. Op 2 mei 2003 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat
hierover een brief gestuurd aan de voorzitter en leden van Mobis. Een afschrift
daarvan is aan de Tweede Kamer toegezonden. Belangstellenden hebben gebruik
gemaakt van de mogelijkheid om op de inhoud van de brief te reageren. Deze
reacties zijn in onderstaande maatregelen verwerkt.</al>
        <al>10. De belangrijkste relatie in het systeem is die tussen reiziger en
vervoerder. Deze is vastgelegd in de Vervoervoorwaarden van de vervoerder
en de strafbepaling inzake zwartrijden in de Wet personenvervoer 2000. Deze
Vervoervoorwaarden dienen in verband met de beproeving en invoering van de
chipkaart en het naast elkaar functioneren van de chipkaart en de strippen-kaart
te worden aangepast. Dit dient volgend voorjaar te gebeuren. Inmiddels wordt
gewerkt aan uniforme voorwaarden voor het gehele openbaar vervoer. Overleg
hierover is nodig met de reizigersorganisaties en de concessie-verleners.</al>
        <al>11. De relatie tussen vervoerder en opdrachtgever is vastgelegd in de
vervoersconcessie. Conform de Wet personenvervoer 2000 dienen in de concessie
bepalingen te worden opgenomen over kaartintegratie, in casu de invoering
van de chipkaart en de uitfasering van de strippenkaart. Om met één
kaart door de hele OV-keten te kunnen reizen dienen de concessieverleners
gezamenlijk daarover afspraken te maken. Inmiddels is het CVOV gestart met
het formuleren van standaardbepalingen.</al>
        <al>12. De relatie tussen decentrale overheden en de rijksoverheid is vastgelegd
in de Wet personenvervoer 2000 en in de Begrotingswet. De wet biedt de mogelijkheid
de chipkaart te verplichten. Gezien de daarvoor noodzakelijke erkenning van
kaartuitgever(s) en systeem en notificatie in Brussel ligt dit voor de korte
termijn niet voor de hand, in een latere fase mogelijk wel. Wel zullen de
komende maanden tussen de overheden afspraken moeten worden gemaakt ver het
tempo van invoering, de financiering van het chipkaartsysteem en de uitfasering
van het strippenkaartsysteem.</al>
        <al>13. Een belangrijke relatie is voorts die van vervoerders onderling. Voor
een goed functionerend gemeenschappelijk systeem zullen adequate overeenkomsten
moeten worden gesloten over onder meer kaartuitgifte, beheer en eigendom van
de centrale systemen, «level playing field», uitbreiding naar
andere vervoer- en niet-vervoergerelateerde toepassingen en de verdeling van
baten en lasten.</al>
        <al>14. Van deze afspraken en de concessiebepalingen hangt onder meer af in
hoeverre aanvullende specifieke publieke regels nodig zijn, bijvoorbeeld over
het toezicht.</al>
        <al>15. Ook zijn van belang de overeenkomsten tussen vervoerders en de toeleveranciers
onder meer in verband met de verdeling van de risico's bij beproeving, invoering
en functioneren van het nieuwe systeem.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Tot slot moeten maatregelen worden getroffen in de organisatorische sfeer
om de beproeving en invoering vlot, goed en efficiënt te laten verlopen:</al>
        <al>16. Aan de extra financiële steun wordt de voorwaarde verbonden,
dat de vervoerbedrijven een gezamenlijke beproevings-/invoeringsorganisatie
opzetten, opdat dit proces gecoördineerd, vlot, goed en efficiënt
verloopt. In deze organisatie moeten TLS en VBN participeren. Aspecten waar
een gezamenlijke aanpak nodig dan wel wenselijk is, zijn: reizigersmarketing,
personeelstrainingen, reizigers- en personeelstevredenheidsmetingen, software-ontwikkeling,
aanpassing administratieve systemen, kaartdistributie, overdracht van systemen
bij overdracht van concessies, evaluaties, kennisuitwisseling, etc. Op deze
wijze kan een kwalitatief goede en efficiënte migratie worden gerealiseerd.</al>
        <al>17. Om de samenwerking tussen concessieverleners onderling te waarborgen,
die essentieel is voor een goed werkende chipkaart voor de gehele keten, is
in ieder geval voor de beproevings- en invoeringsfase een meer gestructureerde
samenwerking nodig. De effectiviteit hiervan is bepalend voor het reduceren
van de nationale regelgeving.</al>
        <al>18. Om de samenwerking tussen vervoerders, concessieverleners en de rijksoverheid
gestalte te geven en te zorgen voor een goede regie van het complexe invoeringsproces
op nationale schaal zal de Commissie Chipkaart binnenkort van start gaan.</al>
        <tuskop letat="vet">Besluitvorming</tuskop>
        <al>Om vanaf medio 2004 tot eind 2005 succesvol het systeem te kunnen beproeven
en daarna op nationale schaal te kunnen invoeren, moeten de komende maanden
een aantal besluiten door de hoofdrolspelers worden genomen. Uitgangspunt
hierbij is dat elke partij de verantwoordelijkheid voor het eigen handelen
draagt zoals in de Wet Personenvervoer 2000 en andere wetten is vastgelegd.
Omdat de vervoerbedrijven daadwerkelijk de chipkaartsystemen moeten bestellen
bij de toeleveranciers lopen zij het eerste en grootste risico. Dat is alleen
verantwoord als er adequate afspraken met de reizigersorganisaties, de concessieverleners
en de rijksoverheid zijn. Omdat er onderlinge samenhang tussen de besluiten bestaat is het wenselijk dat alle partijen afspreken dat de afspraken
in februari 2004 gereed zijn. Het gaat om de volgende afspraken:</al>
        <al>1. Tussen de vervoerders, in casu Mobis en de reizigers over de eigenschappen
van de chipkaart, de toetsingscriteria voor de reizigerstevredenheidsmetingen
en de noodzakelijke aanpassingen van de Vervoersvoorwaarden van de vervoerders.
Omdat het niet mogelijk is met alle 13 miljoen reizigers apart afspraken te
maken, dienen de vervoerders op nationaal niveau – na het houden van
een aantal klantenpanels van voldoende variëteit – afspraken met
de reizigersorganisaties te maken. Het overleg hierover is al gestart onder
andere in LOCOV-verband. In het overleg dat landelijk met de reizigersorganisaties
wordt gevoerd, zal de voortgang worden gevolgd.</al>
        <al>2. In samenhang hiermee dienen vervoerders, in casu Mobis met de gezamenlijke
concessieverleners (inclusief het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) afspraken
te maken over de kaarteigenschappen, de toetsing hiervan en van het functioneren
van het systeem in de proef-/pilotfase in verband met het voorschrift tot
het opnemen van bepalingen over kaartintegratie in de concessies. Inmiddels
is een werkgroep van concessieverleners met het bestuderen van de «Business
rules» gestart. Het CVOV is gestart met het formuleren van concessiebepalingen.</al>
        <al>3. Ook in samenhang hiermee dienen regionaal tussen concessieverlener,
vervoerders en reizigersorganisaties afspraken te worden gemaakt over de uitvoering
van proeven/pilots, de invoering van de chipkaart en de uitfasering van de
strippenkaart. In sommige regio's – maar niet in alle – is het
overleg hierover reeds gestart.</al>
        <al>4. Over de hiervoor genoemde maatregelen in de financiële sfeer zullen
tussen het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en de decentrale overheden
concrete afspraken moeten worden gemaakt. Gezien de directe belangen van vervoerders
hierbij is het verstandig hen bij het overleg te betrekken. Om dit te kunnen
doen, dient de Kamer in te stemmen met de betreffende artikelen in de begroting
2004 (Hoofdstuk XII en het Infrafonds). Voorwaarde bij deze afspraken zal
zijn, dat eind 2005 het systeem goed blijkt te functioneren, de kinderziekten
onder controle zijn en de reizigers tevreden zijn.</al>
        <al>5. Over de aanwending van de gelden uit het Fonds Eenmalige bijdrage NS
(zie de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat van 16 januari 2001,
kenmerk DGP/M/MV/U.01 00017) zullen met NS en ProRail nadere afspraken
moeten worden gemaakt. Dit betreft het chipkaart-project in samenhang met
het project «Beheerste toegang stations».</al>
        <al>6. In samenhang met het voorgaande dienen alle decentrale overheden afspraken
te maken met hun vervoerders over de financiering van de chipkaart, voor zover
dit niet voor 2007 via aanbestedingen zal gebeuren.</al>
        <al>7. De vervoerders zullen met het Ministerie van OCW afspraken maken over
de vervanging van de huidige studentenkaart door een chipkaart.</al>
        <al>8. Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat zal met de decentrale overheden
en de vervoerders en in overleg met de reizigersorganisaties afspraken moeten
maken over het tijdstip en de wijze van uitfasering van het strippenkaartsysteem.</al>
        <al>9. Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en Mobis zullen concrete afspraken
moeten maken over de aanwending van de reserves van Vervoerbewijzen Nederland
BV (VBN).</al>
        <al>10. Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, VBN en de vervoerders zullen
afspraken maken over het eind 2004 opzeggen van de contracten voor de productie
en distributie van de strippenkaart, c.a. en in het verlengde van de afspraken
bij 8 over de overgangsfase tot de totale uitfasering als nationaal kaartsysteem.</al>
        <al>11. De vervoerders zullen onderling afspraken moeten maken over de kaartuitgifte, het beheer van de centrale organisatie(s) en de integratie
van Vervoerbewijzen Nederland BV (VBN) in de nieuwe structuren.</al>
        <al>12. De vervoerders zullen in het verlengde daarvan afspraken moeten maken
over het afnemen van capaciteit van de centrale backoffice; tot eind dit jaar
kan bij gebrek aan belangstelling de bestelling ongedaan worden gemaakt («go-no
go» besluit).</al>
        <al>13. Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat zal met de decentrale overheden,
de vervoerders en de reizigersorganisaties afspraken moeten maken hoe vanaf
medio 2005 gehandeld moet worden om tot invoering op nationale schaal over
te gaan als de informatie over het functioneren van het systeem, de kinderziekten
en de reizigerstevredenheidsmetingen beschikbaar is.</al>
        <al>14. De vervoerders, de concessieverleners en het Ministerie van Verkeer
en Waterstaat zullen voor dit omvangrijke en complexe proces met zeer veel
betrokken partijen afspraken over risicobeheersing moeten maken. De Commissie
Chipkaart zal toezicht houden op het risicomanagement op nationaal niveau.</al>
        <al>15. Nadere afspraken moeten tussen alle betrokken partijen worden gemaakt
over hoe de hiervoor genoemde afspraken het best in een beperkt aantal overeenkomsten
kan worden vastgelegd.</al>
        <tuskop letat="vet">Slotopmerking</tuskop>
        <al>Op de aangegeven wijze is een verantwoorde en voortvarende uitvoering
van de chipkaartproeven en invoering van de chipkaart mogelijk. De meest betrokken
partijen zijn hierover reeds in gesprek, maar dit overleg is nog niet afgerond.</al>
        <al>Na afronding daarvan zal het Kabinet nader worden geïnformeerd.</al>
      </bijlage>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v5.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v7.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>