28 973 Toekomst van de intensieve veehouderij

Nr. 46 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 29 maart 2011

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie naar aanleiding van de brief van 11 februari 2011 inzake maatschappelijke dialoog megastallen (Kamerstuk 28 973, nr. 44).

De staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 28 maart 2011.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van der Ham

Adjunct-griffier van de commissie,

Schüssel

I. VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

De leden van de PvdA-fractie staan positief tegenover het initiatief tot een maatschappelijke dialoog over de megastallen en juichen dit van harte toe. Toch willen zij de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) graag nog een aantal kritische vragen en opmerkingen voorleggen.

De leden van de PvdA-fractie hechten er aan dat zij het met de staatssecretaris eens zijn dat het voor het goed voeren van een discussie noodzakelijk is dat alle deelnemers voldoende inhoudelijk op de hoogte zijn, zodat een debat op basis van inhoud en niet louter emotie gevoerd wordt. Dat is ook waarom de leden van de PvdA-fractie hier in eerdere inbrengen reeds voor hebben gepleit.

Echter, de opzet van de maatschappelijke dialoog en het bieden van informatie vooraf mag niet verworden tot een: «we leggen het u nog een keer uit». De leden van de PvdA-fractie geven aan dat het een misvatting zou zijn te denken dat de huidige maatschappelijke onrust gebaseerd is op onvoldoende kennis van het onderwerp onder de verontruste burgers en dat het draagvlak er vanzelf wel komt op het moment dat iedereen wel weet hoe de vork in de steel zit.

De leden van de PvdA-fractie menen dan ook dat de uitkomst van discussie ambitieuzer mag zijn dan enkel en alleen het vinden van maatschappelijk draagvlak. Dit draagvlak is inderdaad een noodzakelijke voorwaarde voor verder kunnen gaan met de ontwikkeling van de megastallen, maar niet de enige noodzakelijke voorwaarde. Er zijn er een aantal meer en ook al deze argumenten moeten worden meegewogen, zodat uiteindelijk de vraag beantwoord wordt of deze ontwikkeling nog wel gewenst is. Voorkomen moet worden dat het vinden van draagvlak het einddoel van de discussie gaat zijn.

De leden van de PvdA-fractie hebben daarom enige vragen bij de volgtijdelijkheid. Waarom mogen de burgers bijvoorbeeld pas op tweede termijn mee gaan praten? Kan het brede debat niet al eerder veel breder ingezet gaan worden? Wat is de reden om eerst de gesprekken in kleine groepen te laten plaatsvinden?

Er zal een representatief publieksonderzoek verricht worden, kan de staatssecretaris duidelijker aangeven wat de opzet van dit onderzoek gaat zijn en door wie wordt dit onderzoek uitgevoerd zal gaan worden?

De staatssecretaris van EL&I haalt de norm van 500 Nederlandse Grootvee Eenheden (NGE) voor bedrijven aan, zoals de voormalige Raad voor het Landelijk Gebied (RLG) die stelde als definitie voor een megastal. Graag willen de leden van de PvdA-fractie weten of dit de norm is die gehanteerd zal gaan worden in de discussie? Hiermee blijft het namelijk onduidelijk wanneer het nu precies over een megastal gaat en hoeveel er daarvan zijn in Nederland.

Waarom wordt gekozen voor de norm voor het megabedrijf dat de RLG hanteerde? In wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld Alterra in het onderzoek «Megastallen in beeld» (2007) is uitgegaan van 300 NGE. De leden van de PvdA-fractie pleiten voor het overnemen van de wetenschappelijke definitie zoals gehanteerd door Alterra en aan de hand daarvan een transparante telling te doen van het aantal megastallen in Nederland.

Interessant is dat op 1 maart 2011 de jonge boeren van het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) een moratorium op de bouw van ministallen geëist hebben. De leden van de PvdA-fractie delen de zorgen van deze jonge boeren over ondernemers die wellicht hun toevlucht gaan zoeken in het bouwen van ministallen en de gevolgen voor dierenwelzijn, volksgezondheid, milieu en ruimtelijke ordening.

Ook deze ontwikkeling zal mee moeten worden genomen in het debat volgens de leden van de PvdA-fractie. De leden van de PvdA-fractie zijn dan ook van mening dat het megastallendebat dan ook een maatschappelijk debat zou moeten zijn over hoe de Nederlandse maatschappij vindt dat de veehouderij zich in zijn totaliteit in de toekomst zou moeten gaan ontwikkelen.

Ook zou bij de visie die de staatssecretaris van EL&I van plan is aan de Kamer te sturen zou, in de ogen van de leden van de PvdA-fractie, een evaluatie van het beleid omtrent de Landbouw Ontwikkelingsgebieden (LOG’s) tot nu toe niet mogen ontbreken, om zo ook de goede afweging te kunnen maken of de LOG’s nog wel passen in het huidige kader.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie kiezen voor sterke gezins- en familiebedrijven. Ondernemers dienen de ontwikkeling te zoeken en te krijgen in de extensivering of intensivering of specialisatie of verbreding. Schaalvergroting moet niet, maar mag wel, onder de voorwaarde dat dit duurzaam (ecologisch, economisch en sociaal verantwoord) gebeurt. De concrete invulling van het beleid (keuzes, randvoorwaarden) is aan de lokale en regionale overheden. Elke regio kent immers zijn eigen karakteristieken wat betreft landbouwhistorie. Provincies en gemeenten bepalen dus zelf welke bedrijven, op welke schaal, waar ze zich mogen vestigen en waar niet. De leden van de fractie van het CDA zijn tegen megastallen die gerund worden door zetbazen van grote concerns. Deze leden vinden het van belang dat de keuze voor groot- of kleinschaligheid van veehouderij bewust wordt gemaakt, waarin verschillende belangen zorgvuldig worden afgewogen. Daarom zijn de leden van de CDA-fractie ingenomen met de brede maatschappelijk dialoog welke de staatssecretaris van EL&I gaat organiseren.

De staatssecretaris geeft aan dat hij dilemma’s wil gaan voorleggen die op verschillende onderwerpen maatschappelijk leven. Hij noemt dan schaalgrootte, volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn en ruimtelijke ordening. Is de staatssecretaris bereid om ook (beperking van) milieudruk, ethiek, nutriëntenintake in relatie tot volksgezondheid en ontwikkeling van voedselprijzen mee te nemen? Deelt de staatssecretaris de mening dat het doel van de maatschappelijke dialoog ook gaat om de gewenste ontwikkeling van een duurzame veehouderij/ voedselproductie in beeld te krijgen? Deelt de staatssecretaris dat het noodzakelijk is om ook de Europese Unie en internationale ontwikkeling van de veehouderij/voedselproductie te belichten alsook de mogelijke effecten van voedselstromen onder invloed van stimulansen en/of beperkingen van de ontwikkeling van veehouderij in Europa en in Nederland in het bijzonder? Te meer omdat de footprint van Nederlandse producten veelal positiever is, door de efficiënte wijze van produceren. Graag vernemen de leden van de CDA-fractie de reactie van de staatssecretaris hierop.

Kan de staatssecretaris toelichten waartoe de eerdere maatschappelijke dialogen hebben geleid? Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen de discrepantie tussen het gewenste en behaalde resultaat ten aanzien van de Reconstructiewet? Deelt de staatssecretaris de mening van de leden van de CDA-fractie dat ongewild en onbedoeld door de introductie van de LOG’s juist de veehouderijactiviteiten heeft geconcentreerd? Deelt de staatssecretaris de mening dat de Reconstructiewet heeft bijgedragen aan de vermindering van de leefbaarheid van het platteland en verwijdering van zowel de stedeling als plattelandsbewoners van het platteland en de landbouw? Kan de staatssecretaris dergelijke neveneffecten van maatregelen meenemen in de maatschappelijke dialoog?

De veehouderij in Nederland moet zich ontwikkelen tot een duurzame veehouderij, die kan rekenen op steun uit de samenleving. Een veehouderij waarin respect voor dier, mens en milieu centraal staan zodat steeds meer aandacht komt voor duurzame en maatschappelijk verantwoorde manier van voedsel produceren. Manieren waarbij dus rekening wordt gehouden met dierenwelzijn, natuur, milieu en samenleving. Deelt de staatssecretaris de mening van de leden van de CDA-fractie dat er veel mogelijkheden/kansen liggen voor de Nederlandse land- en tuinbouw om in te spelen op de uitdagingen op het gebied van klimaat, energie, voedsel en water, maar dat zij hiervoor wel (speel) ruimte nodig hebben? Op welke wijze gaat de staatssecretaris dat aspect meenemen in de maatschappelijke dialoog?

Is de staatssecretaris bereid om bewustwording van de consument mee te nemen als uit te werken thema? Het gaat immers om duurzaamheid binnen de gehele keten: van boer tot consument. Iedereen draagt een eigen verantwoordelijkheid voor de leefomgeving (grond, lucht, natuur en biodiversiteit). De leden van de CDA-fractie constateren dat de «gemiddelde» consument zich vooralsnog niet bewust is van de impact van zijn consumptiegedrag op mens, milieu en dierenwelzijn, waar ook ter wereld. Kan de staatssecretaris uiteenzetten of hij bereid is de footprint als bewustwordingsinstrument in te zetten en is hij bereid nader onderzoek naar de footprint in te stellen? De maatschappelijke binding met de leefomgeving en de voedselproductie moet dus hersteld worden, zo menen de leden van de CDA-fractie, zodat mensen bewuster aankopen doen en omgaan met hun voedsel. In dat kader dient ook de verspilling van voedsel te worden tegengegaan. Echter ontbreekt het nu nog aan concrete handvatten. Het Beter Leven kenmerk is zo’n voorbeeld van een zoektocht naar de binding van de burger aan zijn consumptie. Kan de staatssecretaris toelichten op welke wijze in de maatschappelijke dialoog hij het punt over maatschappelijke binding gaat inbedden om te komen tot concrete handvatten/actiepunten?

De staatssecretaris spreekt over het hanteren van heldere begrippen. Deelt de staatssecretaris de mening dat provincies en gemeenten zelf bepalen welke bedrijven, op welke schaal en waar ze zich mogen vestigen? Begrippen kunnen op zich helder zijn, maar de regionale overheden zullen toch een bij de regio passende interpretatie kennen? Op welke wijze neemt de staatssecretaris dit aspect mee in de maatschappelijke dialoog?

Met betrekking tot begrippen is sinds vorig jaar is de NGE afgeschaft als maat voor de economische omvang van bedrijven. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) hanteert nu de standaardopbrengst (SO), in euro’s. De leden van de CDA-fractie vragen waarom het CBS voor deze omzetting heeft gekozen. Wordt deze grootheid als maatstaf gehanteerd bij de doorrekeningen van beleidswijzigingen welke investeringen in duurzaamheid, dierenwelzijn en arbeidsvoorwaarde vragen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

De leden van de SP-fractie zijn blij met de aanstaande maatschappelijke discussie over megastallen. De leden van de SP-fractie zijn wel verbijsterd over het feit dat de noodzaak tot een maatschappelijke discussie wordt erkend, en daarmee de maatschappelijke problemen, terwijl de staatssecretaris weigert een standstill af te kondigen voor uitbreiding of nieuwvestiging van megastallen. Ook zijn de leden van de SP-fractie zeer ontevreden over de manier waarop het kabinet omgaat met de al vorig jaar tijdens de Q-koorts door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genoemde wens om meer mogelijkheden voor het weren van intensieve veehouderij uit het oogpunt van gezondheidsoverwegingen. De leden van de SP-fractie vragen wat de voortgang is op dit dossier en waarom er nog geen noemenswaardige stappen genomen zijn. De leden van de SP-fractie zijn van mening dat afstand tot bebouwing nader onderzocht moet worden en vragen de staatssecretaris dit punt ook mee te nemen in het representatieve onderzoek.

De leden van de SP-fractie zijn van mening dat de discussie niet verengd moet worden tot definities van megastallen. De leden van de SP-fractie zijn tevens van mening dat de discussie over megastallen in een brede context geplaatst moet worden waarin gekeken wordt naar de toekomst van de veehouderij in Nederland en hoe dit maatschappelijk aanvaardbaar vormgegeven kan worden. Verder missen de leden van de SP-fractie in de opzet de discussie over de schaalvergroting in de landbouw: welke schaal is wenselijk voor dier, natuur, mens en landschap? Welke mechanismen stuwen schaalvergroting voort (schuldenlast, druk op marges, subsidiebeleid, beleid banken, noodzaak tot investeringen) en welk beleid is wenselijk? Is het zo dat grote megaboeren ook meer geld verdienen dan bijvoorbeeld middelgrote gediversifieerde bedrijven met weinig extern kapitaal? Verder willen de leden van de SP-fractie dat er afdoende aandacht wordt besteed aan het maatschappelijke onbehagen over de manier waarop dieren behandeld worden in de intensieve veehouderij. De leden van de SP-fractie zijn nieuwsgierig en lichtelijk bezorgd over de opzet van het kwantitatieve onderzoek en de objectiviteit van de vragen hierin. De leden van de SP-fractie zijn dan ook zeer geïnteresseerd naar de opzet van en naar het bureau dat dit uit mag voeren. De leden van de SP-fractie zien graag dat geurhinder ook meegnomen wordt in de inhoud van de gesprekken. De leden van de SP-fractie vragen of er ook een website komt waar een open discussie aangegaan kan worden en waar burgers en boeren hun gevoelens en reacties kwijt kunnen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SGP

De leden van de SGP-fractie merken op dat bij de definiëring van megastallen een tweetal interpretaties van de eenheid NGE de ronde doen. In de voorliggende brief wordt gesproken over Nederlandse Grootvee Eenheden. In de motie van de leden Grashoff en Van Veldhoven (Kamerstuk 28 286, nr. 488) wordt daarentegen de Nederlandse Grootte Eenheid gehanteerd. De laatste richt zich op de economische omvang van een agrarische bedrijf. Beide eenheden worden afgekort met NGE, maar vertolken een enigszins verschillende maatstaf. De leden van de SGP-fractie vragen de staatssecretaris op dit punt helderheid te verschaffen. In hoeverre zijn beide maatstaven vergelijkbaar? Welke maatstaf heeft de voorkeur?

In de voorliggende brief wordt aangegeven dat beeldcommunicatie bij de informatievoorziening binnen de maatschappelijke dialoog over megastallen een grote rol speelt. De leden van de SGP-fractie wijzen in dit verband op het belang van openheid van veehouders richting de samenleving. In de tuinbouw wordt aan openheid gewerkt via bijvoorbeeld «Kom in de kas». Deze leden vragen of de veehouderij en de maatschappelijk dialoog baat zouden kunnen hebben bij een vergelijkbaar project, «Kom in de stal». Hoewel de verantwoordelijkheid en het initiatief hiervoor uiteraard bij de sector zelf ligt, vragen de leden van de SGP-fractie of de staatssecretaris bereid is deze suggestie met de sector te bespreken.

In de Kamer is een tweetal moties (Kamerstuk 28 286 nr. 472 en nr. 488) aangenomen waarin gevraagd wordt om een moratorium op de bouw van megastallen gedurende de maatschappelijke dialoog. In dit verband vinden de leden van de SGP-fractie het relevant om te weten welke vorm van output in de kabinetsvisie van oktober a.s. door de staatssecretaris wordt beoogd. Acht de staatssecretaris het mogelijk dat in de kabinetsvisie over megastallen concrete voorstellen worden gedaan voor wijziging van regelgeving met betrekking tot milieu, huisvesting en ruimtelijke ordening of voor het opstellen van inpassingsplannen, en dat op relatief korte termijn na publicatie van de kabinetsvisie? Stuurt de staatssecretaris hier op aan of niet? Zo niet, is de staatssecretaris het dan met de leden van de SGP-fractie eens dat een voorbereidingsbesluit, zoals beoogd met de motie van de leden Thieme en Jacobi (Kamerstuk 28 286 nr. 472), dan niet aan de orde kan zijn? Gelet op de artikelen 3.7 en 4.4 van de Wet ruimtelijke ordening is een voorbereidingsbesluit immers alleen mogelijk als enigszins duidelijk is welke aanpassing van regelgeving voorbereid moet worden.

De leden van de SGP-fractie hebben uit de nieuwsbrief van Hekkelman advocaten ook begrepen dat, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet ruimtelijke ordening, een voorbereidingsbesluit slechts betrekking kan hebben op aangewezen gebieden en niet op het hele grondgebied van Nederland. Is deze stelling juist? Wat gaat de staatssecretaris hiermee doen?

Een deel van de Nederlandse veehouderijbedrijven moet richting 2013 forse aanpassingen doen aan hun stallen, met bijbehorende investeringen, om te kunnen voldoen aan het Besluit huisvesting en het Varkens- en Legkippenbesluit. De leden van de SGP-fractie vinden dat deze opgave onderbelicht blijft in de nationale en provinciale discussies over de intensieve veehouderij. De leden van de SGP-fractie hebben daarom enkele vragen. Welke consequenties heeft een voorbereidingsbesluit, zoals beoogd met de motie Thieme en Jacobi (Kamerstuk 28 286, nr. 472), voor de genoemde opgave? Hoe gaat de staatssecretaris eventuele negatieve consequenties voorkomen? Wat vindt de staatssecretaris van het voorstel dat door de Provinciale Staten van Groningen zeer recent is aangenomen en waarmee intensieve veehouderijbedrijven in een groot deel van de provincie op slot worden gezet? Welke consequenties heeft dit voorstel voor de genoemde opgave? Is de staatssecretaris bereid om bij de Gedeputeerde Staten van Groningen de genoemde opgave aan te kaarten en, mede gelet op de aangekondigde maatschappelijke dialoog en kabinetsvisie, aan te dringen op uitstel of versoepeling van de uitvoering van het aangenomen voorstel?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD

De leden van fractie van de PvdD hebben met belangstelling kennis genomen van de plannen voor de uitwerking van de maatschappelijke dialoog over megastallen. Zij zijn zeer benieuwd naar de uitkomsten van het debat met de maatschappij en kijken uit naar het moment waarop hier landelijke besluitvorming over kan plaatsvinden in oktober van dit jaar.

In de brief van de staatssecretaris wordt verwezen naar de verschillende definities van megastallen die er zouden zijn. Helaas haalt de staatssecretaris in zijn brief daarbij megabedrijven en megastallen door elkaar. Zo verwijst hij als voorbeeld van een definitie voor megastallen naar de definitie van de voormalige RLG. De omschrijving van deze definitie is echter niet correct. Ten eerste staat de afkorting NGE voor Nederlandse Grootte Eenheden, in plaats van Grootvee Eenheden. Ten tweede gaat het bij de definitie van de voormalige RLG om een megabedrijf. Bij megabedrijven gaat het om het aantal dieren van één bedrijf. De dieren van een megabedrijf kunnen daarbij op verschillende locaties gehuisvest zijn, het gaat dan dus niet, per definitie, om een grote stal. Vanaf de ondergrens van 500 NGE wordt er gesproken over een megabedrijf.

De leden van fractie van de PvdD zijn van mening dat bij de brede maatschappelijke discussie over megastallen, uitgegaan moet worden van de definitie van een megastal, niet van een megabedrijf. Deelt de staatssecretaris die mening? Zo ja, waarom is hij in de opzet van de maatschappelijke dialoog dan uitgegaan van de definitie van een megabedrijf? Zo nee, waarom niet? De enige duidelijke definitie van een megastal komt uit het rapport van Alterra, Megastallen in beeld uit 2007 waarbij van een megastal wordt gesproken vanaf circa 300 NGE. Dit komt neer op 7 500 vleesvarkens, 1 200 fokvarkens, 120 000 leghennen, 220 000 vleeskuikens, 250 melkkoeien of 2 500 vleeskalveren. Deze definitie sluit bovendien aan bij de grens van 1,5 hectare die in verschillende provincies is gehanteerd.

Is de staatssecretaris bereid de Alterra-definitie met de ondergrens van 300 Nederlandse Grootte Eenheden (NGE) aan te houden? Is de staatssecretaris bereid om in de maatschappelijke dialoog over megastallen de grens van 300 NGE te hanteren? Kan de staatssecretaris bevestigen dat hij deze definitie leidend wil maken in de maatschappelijke en politieke discussie om elke vorm van spraakverwarring te voorkomen? Zo nee, waarom niet?

De leden van de PvdD-fractie vinden dat de maatschappelijke dialoog moet draaien om de vraag in hoeverre er ruimte is voor megastallen en of de behoefte aan dierlijke eiwitten de metamorfose van het platteland rechtvaardigt. De leden van fractie van de PvdD zien de discussie over de megastallen in de context van de discussie over het toekomstbeeld voor de veehouderij. Dit kabinet streeft er immers naar om in 2023 het perspectief van het dier leidend te maken bij de bouw van stallen en om de kringlopen tegen die tijd gesloten te hebben.

Deelt de staatssecretaris de mening dat in dit kader ook de denkgroep Wijffels betrokken moet worden, die heeft gepleit voor herontwerp van de intensieve veehouderij, zodat die in 2010 zou zijn beëindigd? Zo nee, waarom niet? Is de staatssecretaris bereid ook een vertegenwoordiging van de 268 hoogleraren, die het manifest «duurzame veeteelt» hebben getekend, actief te betrekken in het maatschappelijk debat over de megastallen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet nu sprake is van een pregnant maatschappelijk signaal vanuit de Nederlandse wetenschap?

Kan de staatssecretaris toezeggen in het debat de gevolgen van veeconcentraties op kleine oppervlaktes op het gebied van volksgezondheid, diergezondheid, milieu en openbare orde ook uitvoerig te zullen belichten? Is de staatssecretaris bijvoorbeeld op de hoogte van het Amerikaanse wetsvoorstel SB12462 dat beoogt in de staat Florida fotografie van megastallen vanaf de openbare weg wettelijk te verbieden op straffe van maximaal 30 jaar hechtenis, waarmee duidelijk wordt hoe groot de belangen in de intensieve veehouderij kennelijk zijn en welk effect ze kunnen hebben op burgers in de omgeving van vestigingen op het gebied van intensieve veehouderij?

Kan de staatssecretaris ook in de discussie betrekken hoe de privacy van veehouders en economische belangen zich verhouden tot volksgezondheidsbelangen, bijvoorbeeld zoals in geval van de recente Q-koorts uitbraak waarbij gekozen werd de GGD niet te informeren over de adressen van besmettingshaarden en ook de bevolking in het ongewisse te laten, waar overheden van andere landen zoals Brazilië en de Verenigde Staten er voor kozen reizigers naar Nederland actief te waarschuwen tegen de besmettingsgevaren die zouden kunnen samenhangen met een bezoek aan het Noord-Brabantse platteland?

De leden van de fractie van de PvdD onderschrijven het belang van beeldcommunicatie bij de correcte beeldvorming van de opstapeling van dieren op een paar vierkante meter. Uit ervaring weten deze leden dat beelden helaas ook een vertekend beeld van de werkelijkheid kunnen geven. De leden van de PvdD-fractie zijn dan ook zeer benieuwd welke beelden getoond gaan worden. De leden van de PvdD-fractie willen dat er ook beelden van het biologisch en/of biologisch-dynamische veehouderijsysteem getoond worden om zo de burger inzicht te geven in de verschillen in de systemen. Is de staatssecretaris bereid die beelden mee te nemen in de opzet van de dialoog? Zo nee, waarom niet? Is de staatssecretaris met de leden van de PvdD-fractie van mening dat alleen op deze wijze een eerlijke en open dialoog gevoerd kan worden? Kan de staatssecretaris de Kamer informeren van welke bedrijven beelden zullen worden getoond? Kan de staatssecretaris de Kamer een overzicht sturen met welke organisaties hij gesprekken zal voeren en welke externe partijen ingeschakeld zullen worden om het maatschappelijk debat te modereren? Welke opdracht zal aan derde partijen verstrekt worden, voor welk bedrag en is de staatssecretaris bereid deze opdracht van te voren met de Kamer te bespreken? Kan de staatssecretaris uiteenzetten op welke wijze gewaarborgd wordt dat zowel voor- als tegenstanders van megastallen op gelijke wijze de kans geboden wordt hun bijdrage te leveren aan het maatschappelijk debat, zodat sprake zal zijn van een open gedachtewisseling?

Kan de staatssecretaris toelichten welke criteria worden gehanteerd bij de samenstelling van een «representatieve» groep Nederlanders voor het publieksonderzoek? Hoe wordt de representativiteit gewaarborgd? Is de staatssecretaris ook voornemens om groeperingen als «megastallen-nee» in dit onderzoek te betrekken? Zo ja, op welke wijze wordt dit vormgegeven? Zo nee, waarom niet? Kan de staatssecretaris de Kamer informeren met wie hij wenst te spreken? Kan de staatssecretaris de Kamer ter zijner tijd een volledige lijst toesturen met wie hij over de voorbereiding van dit debat en tijdens het proces van het debat zelf heeft gesproken?

Is de staatssecretaris bereid, om gezien het gewicht van dit vraagstuk, naast schaalgrootte, gezondheidsrisico’s, diergezondheid, dierenwelzijn en ruimtelijke ordening, ook de principiële discussie aan te gaan over het beëindigen van deze vorm van veehouderij? Is de staatssecretaris bijvoorbeeld bereid de dialoog te voeren over de noodzaak tot het inkrimpen van de veestapel? Zo ja, op welke wijze wordt dit vormgegeven? Zo nee, waarom niet en waarom acht de staatssecretaris het niet nodig voor de discussie om deze in het juiste perspectief te plaatsen?

Wie denkt de staatssecretaris bij de discussie op internet te gaan betrekken en hoe zal een representatieve groep burgers betrokken worden bij de internetdiscussie? Welke rol krijgen maatschappelijke organisaties?

De motie van de leden Thieme en Jacobi (Kamerstuk 28 286, nr. 472) die in de Kamer is aangenomen en vraagt om een voorbereidingsbesluit te nemen waarmee een moratorium op de bouw van megastallen wordt afgekondigd en dit zo snel mogelijk kenbaar te maken aan provincies en gemeenten wacht nog op uitvoering. De leden van fractie van de PvdD zijn teleurgesteld dat dit besluit nog steeds niet is genomen. Waarom is dit nog steeds niet gebeurd? Deze leden ontvangen derhalve graag zo spoedig mogelijk bericht dat dit moratorium is ingesteld. Hierbij willen de leden van de fractie van de PvdD benadrukken dat deze motie nadrukkelijk niet vraagt om in overleg te gaan met provincies en gemeenten. De motie draagt op om per direct een voorbereidingsbesluit te nemen (op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening (artikel 4.3 lid 4) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 3.3)) en daarmee de vergunningverlening per direct stop te zetten. De leden van de PvdD-fractie zien graag een reactie van de staatssecretaris hierop.

Tot slot zijn de leden van de fractie van de PvdD benieuwd naar de uitkomsten van de maatschappelijke dialoog.

II. REACTIE VAN DE STAATSSECRETARIS

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

(1)

De leden van de PvdA-fractie hebben daarom enige vragen bij de volgtijdelijkheid. Waarom mogen de burgers bijvoorbeeld pas op tweede termijn mee gaan praten? Kan het brede debat niet al eerder veel breder ingezet gaan worden? Wat is de reden om eerst de gesprekken in kleine groepen te laten plaatsvinden? Er zal een representatief publieksonderzoek verricht worden, kan de staatssecretaris duidelijker aangeven wat de opzet van dit onderzoek gaat zijn en door wie wordt dit onderzoek uitgevoerd zal gaan worden?

In mijn brief van 11 februari (28 973; nr. 44) heb ik uw Kamer aangegeven hoe ik de maatschappelijke dialoog over megastallen in wil richten.

In april laat ik onderzoek verrichten naar de denkbeelden en meningen van Nederlanders over megastallen. Ik hecht er waarde aan dat dit onderzoek representatief is voor de beelden en meningen van alle Nederlanders van 18 jaar en ouder. Representatief betekent daarbij dat respondenten wat betreft opleiding, leeftijd, geslacht en provincie een goede afspiegeling zijn van de gehele Nederlandse bevolking. Om daarbij voldoende betrouwbare uitspraken te kunnen doen, doen aan dit onderzoek minimaal duizend respondenten mee.

Voor de uitbesteding van dergelijk onderzoek heeft het ministerie van Algemene Zaken, Dienst Publiek en Communicatie raamcontracten gesloten met gerenommeerde onderzoeksbureaus. Binnen dit raamcontract deed bureau Veldkamp uit Amsterdam de beste aanbieding. Veldkamp organiseert zes rondetafelgesprekken, als voorbereiding op dit publieksonderzoek; vier met burgers en twee met ondernemers in de veehouderij. Deze groepsgesprekken vinden plaats in Zwolle, Helmond en Amsterdam.

Groepsgesprekken en publieksonderzoek helpen om te bepalen over welke onderwerpen het in de discussie vooral gaat en hoe de gesignaleerde dilemma’s vervolgens in de bredere maatschappelijke dialoog constructief te bespreken zijn.

Naast dit onderzoek ga ik in april in gesprek met diverse personen. Ik wil persoonlijk verkennen welke maatschappelijke partijen medeverantwoordelijkheid willen nemen voor het door u en mij gewenste, constructieve maatschappelijke gesprek. In mijn eerdere brief heb ik aangegeven mijn licht op te steken bij een breed scala van maatschappelijk betrokkenen.

Over de uitkomsten van het publieksonderzoek en mijn verkennende ronde informeer ik u begin mei. Ik laat u dan ook meer in detail weten hoe ik de dialoog in de weken daarna wil voeren. Ik zal u dan verder informeren over de invulling van de internetdialoog en de bijeenkomsten die ik samen met enkele provincies en maatschappelijke partijen wil organiseren. Daarbij zal ik mogelijk maken dat iedereen die inbreng wil leveren dat ook kan doen.

(2)

De staatssecretaris van EL&I haalt de norm van 500 Nederlandse Grootvee Eenheden (NGE) voor bedrijven aan, zoals de voormalige Raad voor het Landelijk Gebied (RLG) die stelde als definitie voor een megastal. Graag willen de leden van de PvdA-fractie weten of dit de norm is die gehanteerd zal gaan worden in de discussie? Hiermee blijft het namelijk onduidelijk wanneer het nu precies over een megastal gaat en hoeveel er daarvan zijn in Nederland. Waarom wordt gekozen voor de norm voor het megabedrijf dat de RLG hanteerde? In wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld Alterra in het onderzoek «Megastallen in beeld» (2007) is uitgegaan van 300 NGE. De leden van de PvdA-fractie pleiten voor het overnemen van de wetenschappelijke definitie zoals gehanteerd door Alterra en aan de hand daarvan een transparante telling te doen van het aantal megastallen in Nederland.

De eerste vraag die gesteld wordt als de term «megastal» valt is «wat is nu een megastal?» Voor de duidelijkheid wil ik uitgaan van «megalocatie», het gaat hierbij om de omvang van een bedrijf op één locatie.

De definitie van 300 NGE komt voort uit het rapport «Megastallen in beeld» (2007) van de Wageningen Universiteit. Hierbij wordt een bouwblokgrootte van 1 tot 1.5 hectare maximaal benut. De benutting daarbij is wel afhankelijk van bijvoorbeeld het huisvestingssysteem. Maar, zo stellen de onderzoekers ook, «deze grens is arbitrair. Het gaat om stallen die heel wat groter zijn dan een gemiddeld bedrijf».

Daarnaast is er de grens die de Raad voor het Landelijk Gebied in rapporten heeft aangehouden. In het Rapport Boegbeelden en buitenbeentjes (RLG, 2006) wordt een omvang van 500 NGE gehanteerd. In de begin 2008 op verzoek van de Tweede Kamer opgestelde rapporten rond megastallen is ook uitgegaan van een grens van 500 NGE. Wel moet opgemerkt worden dat deze grens verschuift, net zoals de omvang van een gezinsbedrijf de laatste tientallen jaren steeds verschoven is.

Provincies en gemeenten zijn verantwoordelijk voor het ruimtelijk beleid. Zij bepalen bijvoorbeeld hoe groot een bouwblok maximaal mag zijn en of meer dan één bouwlaag toegestaan is. Daarmee wordt regionaal en lokaal geïnterpreteerd wat de maximaal toelaatbare omvang van een «megalocatie» is. Wat wordt ervaren als acceptabel voor de omgeving hangt af van verschillende factoren. Hoeveel dieren worden er op de locatie gehouden? Past het bijvoorbeeld in het landschap? Hoe ziet de sociale en economische structuur in het gebied er uit? Hebben omwonenden last van geurhinder, fijnstof? Dit verschilt van gebied tot gebied.

In de maatschappelijke dialoog wil ik ingaan op wat door burgers en boeren wordt gezien als een «megalocatie». Ik kies daarom op dit moment geen landelijke definitie, daarmee zou ik geen recht doen aan de regionale verschillen en de nog te voeren dialoog.

(3)

Ook zou bij de visie die de staatssecretaris van EL&I van plan is aan de Kamer te sturen, in de ogen van de leden van de PvdA-fractie, een evaluatie van het beleid omtrent de Landbouw Ontwikkelingsgebieden (LOG’s) tot nu toe niet mogen ontbreken, om zo ook de goede afweging te kunnen maken of de LOG’s nog wel passen in het huidige kader.

De LOG’s maken onderdeel uit van de zogenaamde reconstructiezonering uit de Reconstructiewet concentratiegebieden. De verantwoordelijkheid voor een juiste zonering is vanuit deze wet ook bij de provincies neergelegd in door het Rijk goedgekeurde reconstructieplannen. Het is dus aan de provincies om dit beleid te evalueren en zo nodig het beleid aan te passen. Een aantal provincies heeft, mede als gevolg van burgerinitiatieven, het beleid inmiddels heroverwogen en indien daar aanleiding voor was, aangepast. Een grote rijksbemoeienis met ruimtelijk beleid acht ik niet waarschijnlijk gezien de in het regeerakkoord aangekondigde verdere decentralisatie van het ILG en het ruimtelijk beleid. De rijksuitgaven voor reconstructie worden in het kader van de ombuigingen beëindigd.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de CDA

(4)

«De staatssecretaris geeft aan dat hij dilemma’s wil gaan voorleggen die op verschillende onderwerpen maatschappelijk leven. Hij noemt dan schaalgrootte, volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn en ruimtelijke ordening. Is de staatssecretaris bereid om ook (beperking van) milieudruk, ethiek, nutriëntenintake in relatie tot volksgezondheid en ontwikkeling van voedselprijzen mee te nemen? Deelt de staatssecretaris de mening dat het doel van de maatschappelijke dialoog ook gaat om de gewenste ontwikkeling van een duurzame veehouderij/ voedselproductie in beeld te krijgen? Deelt de staatssecretaris dat het noodzakelijk is om ook de Europese Unie en internationale ontwikkeling van de veehouderij/voedselproductie te belichten alsook de mogelijke effecten van voedselstromen onder invloed van stimulansen en/of beperkingen van de ontwikkeling van veehouderij in Europa en in Nederland in het bijzonder?

Te meer omdat de footprint van Nederlandse producten veelal positiever is, door de efficiënte wijze van produceren. Graag vernemen de leden van de CDA-fractie de reactie van de staatssecretaris hierop.»

«Deelt de staatssecretaris de mening van de leden van de CDA-fractie dat er veel mogelijkheden/kansen liggen voor de Nederlandse land- en tuinbouw om in te spelen op de uitdagingen op het gebied van klimaat, energie, voedsel en water, maar dat zij hiervoor wel (speel) ruimte nodig hebben? Op welke wijze gaat de staatssecretaris dat aspect meenemen in de maatschappelijke dialoog?»

«Is de staatssecretaris bereid om bewustwording van de consument mee te nemen als uit te werken thema? Het gaat immers om duurzaamheid binnen de gehele keten: van boer tot consument. Iedereen draagt een eigen verantwoordelijkheid voor de leefomgeving (grond, lucht, natuur en biodiversiteit). De leden van de CDA-fractie constateren dat de «gemiddelde» consument zich vooralsnog niet bewust is van de impact van zijn consumptiegedrag op mens, milieu en dierenwelzijn, waar ook ter wereld. Kan de staatssecretaris uiteenzetten of hij bereid is de footprint als bewustwordingsinstrument in te zetten en is hij bereid nader onderzoek naar de footprint in te stellen? De maatschappelijke binding met de leefomgeving en de voedselproductie moet dus hersteld worden, zo menen de leden van de CDA-fractie, zodat mensen bewuster aankopen doen en omgaan met hun voedsel. In dat kader dient ook de verspilling van voedsel te worden tegengegaan. Echter ontbreekt het nu nog aan concrete handvatten. Het Beter Leven kenmerk is zo’n voorbeeld van een zoektocht naar de binding van de burger aan zijn consumptie. Kan de staatssecretaris toelichten op welke wijze in de maatschappelijke dialoog hij het punt over maatschappelijke binding gaat inbedden om te komen tot concrete handvatten/actiepunten?»

Voor het antwoord hierop verwijs ik u naar vraag (1). De maatschappelijke dialoog zal in ieder geval gaan over de punten die ik u heb toegezegd, te weten schaalgrootte, volksgezondheid, dierenwelzijn, diergezondheid en ruimtelijke ordening.

In de eerste fase van de maatschappelijke dialoog verken ik in mijn persoonlijke gesprekken met diverse partijen, verdiepingsgesprekken met burgers en ondernemers en in het representatieve publieksonderzoek wat voor onderwerpen en dilemma’s er verder aan de orde moeten komen. In mei zal ik u rapporteren hoe ik het vervolg voor mij zie.

(5)

Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen de discrepantie tussen het gewenste en behaalde resultaat ten aanzien van de Reconstructiewet? Deelt de staatssecretaris de mening van de leden van de CDA-fractie dat ongewild en onbedoeld door de introductie van de LOG’s juist de veehouderijactiviteiten heeft geconcentreerd? Deelt de staatssecretaris de mening dat de Reconstructiewet heeft bijgedragen aan de vermindering van de leefbaarheid van het platteland en verwijdering van zowel de stedeling als plattelandsbewoners van het platteland en de landbouw? Kan de staatssecretaris dergelijke neveneffecten van maatregelen meenemen in de maatschappelijke dialoog?

De landbouwontwikkelingsgebieden zijn bedoeld om de intensieve veehouderij weer kansen op ontwikkeling te geven. In de extensiveringsgebieden wordt op termijn elke intensieve veehouderijactiviteit afgebouwd.

De landbouwontwikkelingsgebieden moeten dan ook een plek bieden aan te verplaatsen intensieve veehouderijen vanuit extensiveringsgebieden, in het kader van de zogenaamde afwaartse beweging. Deze nieuwvestigingen van veehouderijbedrijven hebben tot de nodige discussie geleid, omdat sommige werden geassocieerd met «megastallen».

Ik deel de mening niet dat de Reconstructiewet heeft bijgedragen aan vermindering van de leefbaarheid. De reconstructie beoogt het tegenovergestelde. Juist het verplaatsen van intensieve veehouderijbedrijven (afwaartse beweging), verder weg van woon- en natuurgebieden naar een concentratiegebied, heeft bijgedragen aan een vergroting van de leefbaarheid. Daarnaast hebben de provincies samen met hun partners in de reconstructie heel veel maatregelen genomen om de leefbaarheid te verbeteren. Hiervoor verwijs ik u ook naar de Midtermreview ILG die eerder naar uw Kamer is gezonden

(6)

De staatssecretaris spreekt over het hanteren van heldere begrippen. Deelt de staatssecretaris de mening dat provincies en gemeenten zelf bepalen welke bedrijven, op welke schaal en waar ze zich mogen vestigen? Begrippen kunnen op zich helder zijn, maar de regionale overheden zullen toch een bij de regio passende interpretatie kennen? Op welke wijze neemt de staatssecretaris dit aspect mee in de maatschappelijke dialoog?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag (2).

(7)

Met betrekking tot begrippen is sinds vorig jaar is de NGE afgeschaft als maat voor de economische omvang van bedrijven. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) hanteert nu de standaardopbrengst (SO), in euro’s. De leden van de CDA-fractie vragen waarom het CBS voor deze omzetting heeft gekozen. Wordt deze grootheid als maatstaf gehanteerd bij de doorrekeningen van beleidswijzigingen welke investeringen in duurzaamheid, dierenwelzijn en arbeidsvoorwaarde vragen?

De Nederlandse Grootte Eenheid (NGE) is sinds vorig jaar vervangen door de standaardopbrengst (SO), in euro’s. Beiden zijn een economische indicator. Er zijn verschillende redenen om over te stappen op SO in plaats van NGE. Er kan nu makkelijker op Europees niveau economische data vergeleken worden. Daarnaast sluit het aan bij de verandering in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB): de premies zijn ontkoppeld van betreffende gewassen en dieren en zijn opgenomen in bedrijfstoeslagen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

(8)

Ook zijn de leden van de SP-fractie zeer ontevreden over de manier waarop het kabinet omgaat met de al vorig jaar tijdens de Q-koorts door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genoemde wens om meer mogelijkheden voor het weren van intensieve veehouderij uit het oogpunt van gezondheidsoverwegingen. De leden van de SP-fractie vragen wat de voortgang is op dit dossier en waarom er nog geen noemenswaardige stappen genomen zijn. De leden van de SP-fractie zijn van mening dat afstand tot bebouwing nader onderzocht moet worden en vragen de staatssecretaris dit punt ook mee te nemen in het representatieve onderzoek.

Voor een antwoord hier op verwijs ik naar mijn brief van 15 maart jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 494) en de brief van de minister van VWS (Kamerstuk 28 286, nr. 469). Uiteraard is volksgezondheid een belangrijk thema waarvan ik toegezegd heb dat dit zeker terug zal komen in de maatschappelijke dialoog. Ook de resultaten van het onderzoek naar de relatie tussen volksgezondheid en de intensieve veehouderij worden bij de dialoog betrokken. Op de uitkomsten van dat onderzoek wil ik niet vooruitlopen.

(9)

Verder missen de leden van de SP-fractie in de opzet de discussie over de schaalvergroting in de landbouw: welke schaal is wenselijk voor dier, natuur, mens en landschap? Welke mechanismen stuwen schaalvergroting voort (schuldenlast, druk op marges, subsidiebeleid, beleid banken, noodzaak tot investeringen) en welk beleid is wenselijk? Is het zo dat grote megaboeren ook meer geld verdienen dan bijvoorbeeld middelgrote gediversifieerde bedrijven met weinig extern kapitaal? Verder willen de leden van de SP-fractie dat er afdoende aandacht wordt besteed aan het maatschappelijke onbehagen over de manier waarop dieren behandeld worden in de intensieve veehouderij.

Ik verwijs u naar het antwoord op vraag (4).

(10)

De leden van de SP-fractie zijn nieuwsgierig en lichtelijk bezorgd over de opzet van het kwantitatieve onderzoek en de objectiviteit van de vragen hierin. De leden van de SP-fractie zijn dan ook zeer geïnteresseerd naar de opzet van en naar het bureau dat dit uit mag voeren. De leden van de SP-fractie zien graag dat geurhinder ook meegnomen wordt in de inhoud van de gesprekken. De leden van de SP-fractie vragen of er ook een website komt waar een open discussie aangegaan kan worden en waar burgers en boeren hun gevoelens en reacties kwijt kunnen.

De gesprekken met diverse personen en de verdiepende gesprekken hebben tot doel te zorgen dat alle onderwerpen en dilemma’s zorgvuldig bekeken worden, dus ook geurhinder. Dit zal verwerkt worden in het representatieve publieksonderzoek. Voor meer details hierover verwijs ik u naar vraag (1).

Ik zal u in mei informeren over de invulling van de verdere dialoog. Een internetdialoog is daar een onderdeel van. In ieder geval zal voorzien worden in een forum waar een ieder die een bijdrage wil leveren aan de discussie dat ook kan doen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SGP

(11)

In de motie van de leden Grashoff en Van Veldhoven (Kamerstuk 28 286, nr. 488) wordt daarentegen de Nederlandse Grootte Eenheid gehanteerd. De laatste richt zich op de economische omvang van een agrarische bedrijf. Beide eenheden worden afgekort met NGE, maar vertolken een enigszins verschillende maatstaf. De leden van de SGP-fractie vragen de staatssecretaris op dit punt helderheid te verschaffen. In hoeverre zijn beide maatstaven vergelijkbaar? Welke maatstaf heeft de voorkeur?

Ik hanteer het begrip Nederlandse Grootte Eenheden. Waar ik in mijn brief van 11 februari jl. Nederlandse Grootvee Eenheden vermeld stond, werd Nederlandse Grootte Eenheden bedoeld.

In mijn antwoord op vraag (7) van de leden van de CDA fractie kunt u zien dat vanaf vorig jaar het begrip standaard opbrengst (SO) wordt gebruikt en wat daarvan de reden is.

(13)

In de Kamer is een tweetal moties (Kamerstuk28 286, nr. 472en nr.488) aangenomen waarin gevraagd wordt om een moratorium op de bouw van megastallen gedurende de maatschappelijke dialoog. In dit verband vinden de leden van de SGP-fractie het relevant om te weten welke vorm van output in de kabinetsvisie van oktober a.s. door de staatssecretaris wordt beoogd. Acht de staatssecretaris het mogelijk dat in de kabinetsvisie over megastallen concrete voorstellen worden gedaan voor wijziging van regelgeving met betrekking tot milieu, huisvesting en ruimtelijke ordening of voor het opstellen van inpassingsplannen, en dat op relatief korte termijn na publicatie van de kabinetsvisie? Stuurt de staatssecretaris hier op aan of niet? Zo niet, is de staatssecretaris het dan met de leden van de SGP-fractie eens dat een voorbereidingsbesluit, zoals beoogd met de motie van de leden Thieme en Jacobi (Kamerstuk28 286, nr. 472), dan niet aan de orde kan zijn? Gelet op de artikelen 3.7 en 4.4 van de Wet ruimtelijke ordening is een voorbereidingsbesluit immers alleen mogelijk als enigszins duidelijk is welke aanpassing van regelgeving voorbereid moet worden. De leden van de SGP-fractie hebben uit de nieuwsbrief van Hekkelman advocaten ook begrepen dat, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet ruimtelijke ordening, een voorbereidingsbesluit slechts betrekking kan hebben op aangewezen gebieden en niet op het hele grondgebied van Nederland. Is deze stelling juist? Wat gaat de staatssecretaris hiermee doen?

Een deel van de Nederlandse veehouderijbedrijven moet richting 2013 forse aanpassingen doen aan hun stallen, met bijbehorende investeringen, om te kunnen voldoen aan het Besluit huisvesting en het Varkens- en Legkippenbesluit. De leden van de SGP-fractie vinden dat deze opgave onderbelicht blijft in de nationale en provinciale discussies over de intensieve veehouderij. De leden van de SGP-fractie hebben daarom enkele vragen. Welke consequenties heeft een voorbereidingsbesluit, zoals beoogd met de motie Thieme en Jacobi (Kamerstuk28 286, nr. 472), voor de genoemde opgave? Hoe gaat de staatssecretaris eventuele negatieve consequenties voorkomen? Wat vindt de staatssecretaris van het voorstel dat door de Provinciale Staten van Groningen zeer recent is aangenomen en waarmee intensieve veehouderijbedrijven in een groot deel van de provincie op slot worden gezet? Welke consequenties heeft dit voorstel voor de genoemde opgave? Is de staatssecretaris bereid om bij de Gedeputeerde Staten van Groningen de genoemde opgave aan te kaarten en, mede gelet op de aangekondigde maatschappelijke dialoog en kabinetsvisie, aan te dringen op uitstel of versoepeling van de uitvoering van het aangenomen voorstel?

In de voorbereiding op de kabinetsvisie zal ik bekijken óf er op rijksniveau gestuurd moet worden op grootschalige (intensieve) veehouderij. Daarbij houd ik uiteraard rekening met de positieve en de negatieve aspecten. Is de conclusie dat dit noodzakelijk is, zal ik aangeven op welke manier ik deze sturing voor mij zie. Ik sluit daarbij voorstellen voor wijziging van regelgeving niet uit.

Daarnaast constateer ik dat provincies al geruime tijd ruimtelijk beleid inzetten om gewenste én ongewenste ontwikkelingen met betrekking tot niet grondgebonden veehouderij mogelijk te maken of juist tegen te gaan. In Groningen hebben de Provinciale Staten onlangs een besluit genomen over het beperken van grootschalige (intensieve) veehouderij. De Provinciale Staten van Groningen hebben de eigenstandige bevoegdheid om hierover te besluiten. Ik meng mij daar niet in, temeer nu de dialoog over megastallen nog niet is gevoerd.

Voor mijn reactie op de uitvoering van de motie van de leden Thieme en Jacobi (28 286, nr. 472) verwijs ik naar de brief die ik op 15 maart jl. heb gestuurd (Kamerstuk 28 286, nr. 494).

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD

(14)

De leden van fractie van de PvdD zijn van mening dat bij de brede maatschappelijke discussie over megastallen, uitgegaan moet worden van de definitie van een megastal, niet van een megabedrijf. Deelt de staatssecretaris die mening? Zo ja, waarom is hij in de opzet van de maatschappelijke dialoog dan uitgegaan van de definitie van een megabedrijf? Zo nee, waarom niet? De enige duidelijke definitie van een megastal komt uit het rapport van Alterra, Megastallen in beeld uit 2007 waarbij van een megastal wordt gesproken vanaf circa 300 NGE. Dit komt neer op 7500 vleesvarkens, 1200 fokvarkens, 120 000 leghennen, 220 000 vleeskuikens, 250 melkkoeien of 2500 vleeskalveren. Deze definitie sluit bovendien aan bij de grens van 1,5 hectare die in verschillende provincies is gehanteerd. Is de staatssecretaris bereid de Alterra-definitie met de ondergrens van 300 Nederlandse Grootte Eenheden (NGE) aan te houden?

Is de staatssecretaris bereid om in de maatschappelijke dialoog over megastallen de grens van 300 NGE te hanteren? Kan de staatssecretaris bevestigen dat hij deze definitie leidend wil maken in de maatschappelijke en politieke discussie om elke vorm van spraakverwarring te voorkomen? Zo nee, waarom niet?

Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik u naar vraag (2).

(15)

Deelt de staatssecretaris de mening dat in dit kader ook de denkgroep Wijffels betrokken moet worden, die heeft gepleit voor herontwerp van de intensieve veehouderij, zodat die in 2010 zou zijn beëindigd? Zo nee, waarom niet? Is de staatssecretaris bereid ook een vertegenwoordiging van de 268 hoogleraren, die het manifest «duurzame veeteelt» hebben getekend, actief te betrekken in het maatschappelijk debat over de megastallen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet nu sprake is van een pregnant maatschappelijk signaal vanuit de Nederlandse wetenschap? Kan de staatssecretaris toezeggen in het debat de gevolgen van veeconcentraties op kleine oppervlaktes op het gebied van volksgezondheid, diergezondheid, milieu en openbare orde ook uitvoerig te zullen belichten?

In de dialoog zoals we die nu voor ogen hebben kan iedereen meepraten, burgers, boeren maar ook wetenschappers, artsen en maatschappelijke organisaties.

Ik heb reeds toegezegd dat ik schaalgrootte, volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn en ruimtelijke ordening een plaats zal geven in het maatschappelijk debat. Hoe ik de afbakening van de dialoog zie, heb ik aangegeven in het antwoord op vraag (1).

(16)

Kan de staatssecretaris ook in de discussie betrekken hoe de privacy van veehouders en economische belangen zich verhouden tot volksgezond-heidsbelangen, bijvoorbeeld zoals in geval van de recente Q-koorts uitbraak waarbij gekozen werd de GGD niet te informeren over de adressen van besmettingshaarden en ook de bevolking in het ongewisse te laten, waar overheden van andere landen zoals Brazilië en de Verenigde Staten er voor kozen reizigers naar Nederland actief te waarschuwen tegen de besmettingsgevaren die zouden kunnen samenhangen met een bezoek aan het Noord-Brabantse platteland?

Voor de afbakening van de dialoog verwijs ik u naar vraag (1). Over privacygegevens heb ik reeds gecorrespondeerd met de Kamer, ik verwijs u naar mijn brief van 20 december 2010 (Kamerstuk 28 286, D).

(17)

De leden van de PvdD-fractie zijn dan ook zeer benieuwd welke beelden getoond gaan worden. De leden van de PvdD-fractie willen dat er ook beelden van het biologisch en/of biologisch-dynamische veehouderijsysteem getoond worden om zo de burger inzicht te geven in de verschillen in de systemen. Is de staatssecretaris bereid die beelden mee te nemen in de opzet van de dialoog? Zo nee, waarom niet? Is de staatssecretaris met de leden van de PvdD-fractie van mening dat alleen op deze wijze een eerlijke en open dialoog gevoerd kan worden? Kan de staatssecretaris de Kamer informeren van welke bedrijven beelden zullen worden getoond? Kan de staatssecretaris de Kamer een overzicht sturen met welke organisaties hij gesprekken zal voeren en welke externe partijen ingeschakeld zullen worden om het maatschappelijk debat te modereren? Welke opdracht zal aan derde partijen verstrekt worden, voor welk bedrag en is de staatssecretaris bereid deze opdracht van te voren met de Kamer te bespreken? Kan de staatssecretaris uiteenzetten op welke wijze gewaarborgd wordt dat zowel voor- als tegenstanders van megastallen op gelijke wijze de kans geboden wordt hun bijdrage te leveren aan het maatschappelijk debat, zodat sprake zal zijn van een open gedachtewisseling?

In mijn brief van 11 februari heb ik aangegeven dat ik deelnemers aan de dialoog wil laten zien hoe stallen er van binnen en buiten uitzien. Ik zal daarbij representatief beeldmateriaal gebruiken ter ondersteuning van de dialoog. De beelden die gebruikt gaan worden laat ik bovendien beoordelen op neutraliteit door de verschillende maatschappelijke partijen die medeverantwoordelijkheid nemen in de dialoog.

In vraag (1) heb ik aangegeven hoe ik de maatschappelijke dialoog voor mij zie. Voor de verdiepende gesprekken met burgers en ondernemers en het representatieve publieksonderzoek heb ik bureau Veldkamp uit Amsterdam ingehuurd. De internetdialoog en gesprekken in de provincies worden op dit moment voorbereid.

Ik zal u in mei rapporteren over de resultaten van de dialoog tot dat moment en inzage geven in het proces dat hiertoe heeft geleid. Ik zal er op toezien dat zowel voor- als tegenstanders ruim de gelegenheid krijgen om hun standpunt in te brengen.

(18)

Kan de staatssecretaris toelichten welke criteria worden gehanteerd bij de samenstelling van een «representatieve» groep Nederlanders voor het publieksonderzoek? Hoe wordt de representativiteit gewaarborgd? Is de staatssecretaris ook voornemens om groeperingen als «megastallen-nee» in dit onderzoek te betrekken? Zo ja, op welke wijze wordt dit vormgegeven? Zo nee, waarom niet? Kan de staatssecretaris de Kamer informeren met wie hij wenst te spreken? Kan de staatssecretaris de Kamer ter zijner tijd een volledige lijst toesturen met wie hij over de voorbereiding van dit debat en tijdens het proces van het debat zelf heeft gesproken?

Voor het antwoord op de vragen over het representatieve publieksonderzoek verwijs ik u naar vraag (1). Voor de overige vragen verwijs ik u naar het antwoord op vraag (17).

(19)

Is de staatssecretaris bereid, om gezien het gewicht van dit vraagstuk, naast schaalgrootte, gezondheidsrisico’s, diergezondheid, dierenwelzijn en ruimtelijke ordening, ook de principiële discussie aan te gaan over het beëindigen van deze vorm van veehouderij? Is de staatssecretaris bijvoorbeeld bereid de dialoog te voeren over de noodzaak tot het inkrimpen van de veestapel? Zo ja, op welke wijze wordt dit vormgegeven? Zo nee, waarom niet en waarom acht de staatssecretaris het niet nodig voor de discussie om deze in het juiste perspectief te plaatsen?

Ik ben van mening dat het houden van vee in Nederland mogelijk moet zijn.Mijn doelstelling daarbij is dat in 2023 de Nederlandse veehouderij een volledig duurzame veehouderij is. Samen met verschillende partners werk ik daar aan met de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij.

Ik heb daarnaast eerder aan de Tweede Kamer toegezegd dat ik in april of mei zal komen met een verdere invulling van het volumebeleid veehouderij in Nederland.

(20)

Wie denkt de staatssecretaris bij de discussie op internet te gaan betrekken en hoe zal een representatieve groep burgers betrokken worden bij de internetdiscussie? Welke rol krijgen maatschappelijke organisaties?

Bij de internetdialoog krijgt een ieder die mee wil praten over «megalocaties» ook de gelegenheid om dat te doen. Om de resultaten te kunnen duiden laat ik ook een representatief publieksonderzoek uitvoeren, zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag (1).

(21)

De motie van de leden Thieme en Jacobi (Kamerstuk28 286, nr. 472) die in de Kamer is aangenomen en vraagt om een voorbereidingsbesluit te nemen waarmee een moratorium op de bouw van megastallen wordt afgekondigd en dit zo snel mogelijk kenbaar te maken aan provincies en gemeenten wacht nog op uitvoering. De leden van fractie van de PvdD zijn teleurgesteld dat dit besluit nog steeds niet is genomen. Waarom is dit nog steeds niet gebeurd? Deze leden ontvangen derhalve graag zo spoedig mogelijk bericht dat dit moratorium is ingesteld. Hierbij willen de leden van de fractie van de PvdD benadrukken dat deze motie nadrukkelijk niet vraagt om in overleg te gaan met provincies en gemeenten. De motie draagt op om per direct een voorbereidingsbesluit te nemen (op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening (artikel 4.3 lid 4) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 3.3)) en daarmee de vergunningverlening per direct stop te zetten. De leden van de PvdD-fractie zien graag een reactie van de staatssecretaris hierop.

Voor een reactie op de uitvoering van de aangenomen moties verwijs ik u naar mijn brief van 15 maart over de uitvoering van de aangenomen moties (Kamerstuk 28 286, nr. 494).


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Dijksma, S.A.M. (PvdA), Snijder-Hazelhoff, J.F. (VVD), Verburg, G. (CDA), Koopmans, G.P.J. (CDA), Ham, B. van der (D66), voorzitter, Smeets, P.E. (PvdA), Samsom, D.M. (PvdA), Jansen, P.F.C. (SP), ondervoorzitter, Jacobi, L. (PvdA), Koppejan, A.J. (CDA), Graus, D.J.G. (PVV), Thieme, M.L. (PvdD), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Wiegman-van Meppelen Scheppink, E.E. (CU), Tongeren, L. van (GL), Ziengs, E. (VVD), Braakhuis, B.A.M. (GL), Gerbrands, K. (PVV), Lodders, W.J.H. (VVD), Vliet, R.A. van (PVV), Dijkgraaf, E. (SGP), Schaart, A.H.M. (VVD) en Verhoeven, K. (D66).

Plv. leden: Jadnanansing, T.M. (PvdA), Elias, T.M.Ch. (VVD), Ormel, H.J. (CDA), Blanksma-van den Heuvel, P.J.M.G. (CDA), Koolmees, W. (D66), Dikkers, S.W. (PvdA), Klijnsma, J. (PvdA), Irrgang, E. (SP), Groot, V.A. (PvdA), Werf, M.C.I. van der (CDA), Dijck, A.P.C. van (PVV), Ouwehand, E. (PvdD), Gerven, H.P.J. van (SP), Ortega-Martijn, C.A. (CU), Vacature, (GL), Leegte, R.W. (VVD), Grashoff, H.J. (GL), Mos, R. de (PVV), Taverne, J. (VVD), Bemmel, J.J.G. van (PVV), Staaij, C.G. van der (SGP), Houwers, J. (VVD) en Veldhoven, S. van (D66).

X Noot
2

http://www.flsenate.gov/Session/Bill/2011/1246/BillText/Filed/HTML

Naar boven