Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201928973 nr. 205

28 973 Toekomst veehouderij

Nr. 205 BRIEF VAN DE MINISTERS VOOR MEDISCHE ZORG EN VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 oktober 2018

Hierbij bieden wij u het deelrapport «Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartsenpraktijken 2014–2016» aan1. Dit rapport maakt deel uit van een reeks vervolgonderzoeken in het kader van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) III. Met het toesturen van dit rapport doen wij de toezegging uit het Algemeen Overleg dierziekten en antibioticabeleid (d.d. 15 februari 2018, Kamerstuk 29 683, nr. 242) gestand om uw Kamer te informeren over het vervolgonderzoek en de voortgang daarvan.

Het vervolgonderzoek bestaat uit een aantal deelonderzoeken en behelst onder andere een epidemiologische analyse van huisartsengegevens over de jaren 2014–2016 in het VGO-gebied (een deel van Noord-Brabant en het noorden van Limburg) om na te gaan of de eerder gevonden verbanden er ook in deze jaren zijn.

De resultaten van dit onderzoek wijzen, net als de voorgaande onderzoeken, op een associatie tussen het wonen in nabijheid van een geitenhouderij en een verhoogd risico op longontsteking. De associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij blijkt, in de jaren die binnen deze actualisering zijn onderzocht, niet meer statistisch significant te zijn. Een uitzondering is een waargenomen associatie rondom bedrijven met vleeskuikens in 2014.

Reactie

Geiten

Dit rapport benadrukt het belang van inzicht in de oorzaak van de verhoogde ziektedruk rond geitenhouderijen. Zoals eerder al aan uw Kamer gemeld, laten wij onderzoek uitvoeren naar de oorzaak van de verhoogde ziektedruk om uiteindelijk risicoreducerende maatregelen te kunnen nemen. Naar verwachting wordt het VGO III onderzoek in 2021 afgerond. Zodra deelonderzoeken afgerond zijn, zullen wij uw Kamer zoals toegezegd informeren.

Pluimvee

De eerder gevonden associatie tussen het wonen in de buurt van een pluimveehouderij en een verhoogd risico op longontsteking is na 2014 niet zichtbaar. Het rapport geeft aan dat deze associatie in de jaren 2007–2014 wel zichtbaar was, hoewel relatief beperkt en per jaar verschillend. Om vast te stellen of het ontbreken van de associatie in de afgelopen jaren een trendbreuk vormt, adviseren de onderzoekers om ook de gegevens over de jaren 2017 en 2018 te analyseren. Daarnaast kan het vervolgonderzoek waarbinnen vergelijkbare analyses worden uitgevoerd in andere gebieden dan het VGO-gebied meer inzicht geven. Het doel van deze analyses is om te achterhalen of de eerder gevonden effecten hier ook optreden. De resultaten hiervan worden medio 2019 verwacht.

Vanwege de gezondheidsrisico’s van fijnstof is de afgelopen jaren met de pluimveesector gesproken over een aanzienlijke reductie van de stalemissies van fijnstof. We zien in de resultaten van dit onderzoek geen aanleiding om die ambitie te wijzigen. Hoewel in VGO de aandacht op longontsteking is gericht, veroorzaakt fijnstof een breder spectrum gezondheidsrisico’s. Het recente advies van de Gezondheidsraad «Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen: vervolgadvies» benadrukt dat ook en adviseert daarom reductie van fijnstof ter verbetering van de luchtkwaliteit. In reactie daarop hebben wij uw Kamer, in de brief van 3 augustus jl., gemeld in te zetten op het generiek verminderen van de emissies van onder meer fijnstof om zo gezondheidswinst in brede zin te boeken.2 Wel blijkt dat kennis over de omvang en oorzaak van gezondheidsrisico’s door veehouderij nog beperkt is. Met bijvoorbeeld de andere deelonderzoeken uit VGO III wordt hier doorlopend aan gewerkt.

De Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Kamerstuk 28 973, nr. 201.