﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="meto">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28685-3/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2002-2003</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.6.1__3.2" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST64762</ordernr>
    <vergjaar>2002-2003</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>28 685</nummer>
      <naam>Regeling van DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA-onderzoek bij
veroordeelden)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>3</nummer>
      <titel>MEMORIE VAN TOELICHTING</titel>
      <tuskop letat="vet">1. Inleiding</tuskop>
      <al>Dit wetsvoorstel strekt ertoe afname van celmateriaal ten behoeve van
DNA-onderzoek bij veroordeelden mogelijk te maken.</al>
      <al>Tot dusver is DNA-onderzoek in strafzaken alleen toegestaan bij verdenking
van een strafbaar feit. Tijdens het voorbereidend onderzoek kan uit gevonden
celmateriaal een DNA-profiel worden vastgesteld en vergeleken met de DNA-profielen
die zijn opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken (hierna aangeduid als:
DNA-databank). Verder kan bij verdachten op vrijwillige basis celmateriaal
worden afgenomen. In geval van een verdenking van een misdrijf, omschreven
in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, kan bij een
verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan onder dwang celmateriaal ten
behoeve van een DNA-onderzoek worden afgenomen, indien dat in het belang van
het onderzoek is. Het uit dit celmateriaal verkregen DNA-profiel wordt opgenomen
in de DNA-databank en vergeleken met het DNA-profiel uit het celmateriaal
dat is gevonden op de plaats van het delict, en met de andere in de DNA-databank
opgenomen DNA-profielen.</al>
      <al>Indien de verdachte van wie tijdens het voorbereidend onderzoek een DNA-profiel
is bepaald, later wordt veroordeeld, blijft zijn DNA-profiel gedurende een
termijn van twintig of dertig jaren in de DNA-databank bewaard. Daarmee wordt
beoogd bij te dragen aan de opsporing van toekomstige en andere reeds gepleegde
strafbare feiten van deze veroordeelde. Het bewaren van zijn DNA-profiel gedurende
een bepaalde termijn kan bovendien een preventief effect hebben op zijn gedrag.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderhavige wetsvoorstel, dat eind januari 2001 in de Tweede Kamer
is aangekondigd tijdens de mondelinge behandeling van het voorstel van wet
houdende wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken (Handelingen
II 2000/01, blz. 3440, 3479–3482), bouwt voort op de hiervoor genoemde
overwegingen die ten grondslag liggen aan het bewaren van DNA-profielen van
veroordeelde verdachten. Ook ingeval tijdens het voorbereidend onderzoek,
wegens overvloedig bewijsmateriaal, geen onderzoeksbelang aanwezig was om
een DNA-profiel van de verdachte te bepalen en te verwerken in de DNA-databank,
is het immers van belang dat toekomstige en andere reeds gepleegde strafbare
feiten van de veroordeelde verdachte op efficiënte wijze kunnen worden opgespoord en dat hij zo mogelijk wordt weerhouden van het plegen van
nieuwe strafbare feiten. De huidige regelgeving laat evenwel niet toe dat
in dit geval een DNA-profiel van de veroordeelde wordt bepaald voor verwerking
in de DNA-databank.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Denkbaar zou zijn te regelen dat van verdachten, ook zonder dat het belang
van het onderzoek dat vereist, celmateriaal voor DNA-onderzoek wordt afgenomen.
Het doen vervallen van het belang van het onderzoek als vereiste voor DNA-onderzoek
bij verdachten brengt echter principiële bezwaren met zich, die tijdens
de behandeling door de Tweede Kamer van het hiervoor genoemde wetsvoorstel
reeds uitvoerig aan de orde zijn gekomen (zie Kamerstukken II 2000/01, 26 271,
nr. 16). Kort gezegd houden deze bezwaren het volgende in. Algemeen strafvorderlijk
uitgangspunt is dat dwangmiddelen die een inbreuk maken op de lichamelijke
integriteit alleen bij verdenking van een strafbaar feit mogen worden toegepast
en indien het onderzoek ter opheldering van dat strafbare feit dat rechtvaardigt.
Indien de voorwaarde van het onderzoeksbelang zou worden losgelaten, dan zou
voor het gedwongen afnemen van celmateriaal bij verdachten dit algemeen strafvorderlijk
uitgangspunt worden verlaten. Als gevolg daarvan zouden aan dit dwangmiddel
minder stringente voorwaarden zijn verbonden dan aan andere dwangmiddelen
die een inbreuk maken op de lichamelijke integriteit. Dat terwijl sommige
van deze dwangmiddelen minder ingrijpend zijn dan gedwongen DNA-onderzoek.
Een ander bezwaar tegen het laten vervallen van het onderzoeksbelang is dat
het afnemen van celmateriaal dan ook mogelijk zou worden bij strafbare feiten
voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek niet of nauwelijks relevant kan
zijn. In die gevallen is gedwongen afname van celmateriaal disproportioneel.
Vanwege deze bezwaren is het onderzoeksbelang als vereiste voor DNA-onderzoek
bij verdachten gehandhaafd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderhavige wetsvoorstel vereist voor DNA-onderzoek bij veroordeelden
een veroordeling wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste
lid, van het Wetboek van Strafvordering. De veroordeling vormt de grondslag
van het DNA-onderzoek. Bij DNA-onderzoek bij veroordeelden ontbreekt het directe
onderzoeksbelang, maar daar staat tegenover dat het vereiste van een ernstige
verdenking is verzwaard tot het vereiste van een veroordeling door de strafrechter.
Van de personen op wie het DNA-onderzoek zich richt, staat blijkens hun veroordeling
vast dat zij in staat zijn geweest een ernstig misdrijf te plegen. De zwaarte
van dit misdrijf kan naar het oordeel van de regering rechtvaardigen dat,
voorzover dat nog niet was gebeurd, het DNA-profiel van de veroordeelde wordt
bepaald en verwerkt, teneinde bij te dragen aan de opsporing, vervolging en
berechting van reeds gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van
de veroordeelde, en om hem zo mogelijk ervan te weerhouden opnieuw strafbare
feiten te plegen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderhavige wetsvoorstel zal leiden tot een aanzienlijke toename van
het aantal DNA-profielen in de DNA-databank. Daarmee kan een belangrijke bijdrage
worden geleverd aan de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van
strafbare feiten waarbij celmateriaal van daders wordt achtergelaten. Het
aantal DNA-profielen in de DNA-databank zal ingevolge dit wetsvoorstel eenmalig
zeer sterk stijgen doordat tevens is voorzien in DNA-onderzoek bij personen
die op het moment van inwerkingtreding van de wet reeds zijn veroordeeld of
ontslagen van alle rechtsvervolging (onmiddellijke werking). Het gaat daarbij
om veroordeelden die op dat moment een vrijheidsbenemende straf of maatregel
ondergaan of nog moeten ondergaan. </al>
      <tuskop letat="vet">2. Geschiedenis van het voorstel tot DNA-onderzoek bij
veroordeelden</tuskop>
      <al>De gedachtevorming over DNA-onderzoek bij veroordeelden is in ons land
medio 1999 op gang gekomen, mede naar aanleiding van berichten in de media
over ontwikkelingen in het buitenland. In de nota naar aanleiding van het
verslag bij het voorstel van wet houdende wijziging van de regeling van het
DNA-onderzoek in strafzaken (Kamerstukken II 1999/2000, 26 271, nr. 6,
blz. 10–13) heeft de regering aarzelingen geuit ten aanzien van de invoering
van de mogelijkheid van DNA-onderzoek bij veroordeelden. Zo vroeg zij zich
af of het niet te ver zou gaan de bevoegdheid tot het afnemen van celmateriaal
voor DNA-onderzoek ook aan te wenden in situaties waarin geen direct strafvorderlijk
doel aanwezig is. Vanwege deze aarzelingen achtte de regering het wenselijk
niet over één nacht ijs te gaan en over deze materie advies
in te winnen bij de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing.</al>
      <al>De Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing heeft vervolgens tezamen met
het College van advies voor de justitiële kinderbescherming bij brief
van 28 februari 2000 zijn advies aan mij aangeboden (kenmerk 5011807/00).<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref> Samengevat adviseren de raad en het college een wettelijke
regeling te treffen voor toepassing van DNA-onderzoek bij te veroordelen personen
en veroordeelden wegens ernstige geweldsdelicten en zedenmisdrijven, voorzover
toepassing van deze maatregel in de opsporingsfase niet heeft plaatsgevonden
en deze toepassing een preventief effect op het gedrag van betrokkene zal
hebben. Indien aan die twee voorwaarden is voldaan, achten de raad en het
college het verplichten tot het afstaan van DNA-materiaal in het kader van
de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen mogelijk, alvorens vrijheden
worden verleend. Veroordeelden die hun straf of maatregel reeds hebben ondergaan,
mogen volgens hen niet worden verplicht mee te werken aan een DNA-onderzoek.
Alleen wanneer zij opnieuw verdacht worden van een ernstig gewelds- of zedendelict,
kan afname en opslag van DNA-gegevens mogelijk zijn. Verder stellen de raad
en het college voor de rechter de wettelijke bevoegdheid te geven om bij gelegenheid
van de veroordeling de betrokkene de verplichting op te leggen celmateriaal
voor DNA-onderzoek af te staan voor de verwerking van zijn DNA-profiel in
de DNA-databank.</al>
      <al>Het positieve advies van de raad en het college was de regering vervolgens
tot steun in het voornemen DNA-onderzoek bij TBS-gestelden als voorwaarde
bij proefverlof en bij voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging
te regelen. In de nota naar aanleiding van het nader verslag bij het voorstel
van wet houdende wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken
(Kamerstukken II 1999/2000, 26 271, nr. 9, blz. 24–25) heeft de
regering op dit punt dan ook een wetsvoorstel in het vooruitzicht gesteld.
In dat wetsvoorstel zou dan tevens de bevoegdheid worden gecreëerd voor
de rechter om bij veroordeling in nader te omschrijven gevallen te bevelen
dat de veroordeelde meewerkt aan een DNA-onderzoek.</al>
      <al>Daarnaast werd in de zojuist aangehaalde nota naar aanleiding van het
nader verslag aangekondigd dat medewerking aan DNA-onderzoek ook zou worden
betrokken in de voorgenomen herziening van de vervroegde invrijheidstelling
(deze herziening komt voort uit de beleidsnota «Sancties in perspectief»
van februari 2000).</al>
      <al>Onderzoek naar de wijze waarop in het buitenland DNA-onderzoek bij veroordeelden
is geregeld en een nadere analyse van de verschillende mogelijkheden om deze
materie in Nederland wettelijk te verankeren, hebben echter tot de conclusie
geleid dat een wat andere benadering dan in de nota naar aanleiding van het
nader verslag was aangekondigd, de voorkeur verdient. In het onderhavige wetsvoorstel
is uiteindelijk gekozen voor een zelfstandige, eenduidige regeling die geldt
voor alle veroordeelden wegens misdrijven waarvoor voorlopige
hechtenis is toegelaten, in plaats van allerhande regelingen in voorwaardelijke
modaliteiten (bijvoorbeeld proefverlof en gratie), waarbij de voorwaarde van
DNA-onderzoek op verschillende momenten en door verschillende autoriteiten
wordt gesteld, en waarbij de betrokkene de mogelijkheid behoudt het DNA-onderzoek
te ontgaan. Daarbij heeft tevens een rol gespeeld dat de consequentie van
het niet voldoen aan de voorwaarde van DNA-onderzoek in de meeste gevallen
tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsbeneming zou zijn. Dat is een
zeer vergaande consequentie, die weinig of geen verband houdt met de primaire
strekking van het DNA-onderzoek, te weten de zekerstelling van een potentieel
opsporingsmiddel ten behoeve van andere strafzaken dan die waarin de betrokkene
is veroordeeld. De bij de veroordeling opgelegde vrijheidsbeneming biedt daarvoor
geen adequate grondslag. Het gaat er ook niet om dat de veroordeelde (langer)
zijn vrijheid wordt benomen, maar dat zijn DNA-profiel in de DNA-databank
wordt verwerkt.</al>
      <al>Om vergelijkbare redenen is ervan afgezien de rechter ter zitting de bevoegdheid
te geven bij veroordeling de verplichting tot medewerking aan DNA-onderzoek
op te leggen. De rechter ter zitting in een strafzaak is niet de aangewezen
autoriteit om – buiten de context van het onderzoek in die strafzaak –
te worden belast met zorgen voor de opheldering van andere of toekomstige
strafbare feiten van de veroordeelde. Een centrale rol voor het openbaar ministerie,
dat ook in bredere zin verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit en de
effectiviteit van de opsporing, is meer op zijn plaats (zie ook paragraaf 5.4).
Verder is van belang dat, zoals ook in paragraaf 6.2 nog aan de orde
zal komen, het instrument DNA-onderzoek bij veroordeelden zich lastig laat
classifiseren als straf of als strafrechtelijke maatregel, alsmede dat in
het onderhavige wetsvoorstel geen vaststelling van concreet recidivegevaar
wordt geëist. Ook om deze redenen ligt een centrale rol voor de zittingsrechter
niet in de rede.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hoewel DNA-onderzoek bij veroordeelden in de kern het zekerstellen van
een potentieel opsporingsmiddel behelst, is er niet voor gekozen de inhoud
van dit wetsvoorstel onder te brengen in het Wetboek van Strafvordering. De
reden daarvoor is dat het DNA-onderzoek in dit wetboek moeilijk kan worden
ingepast. Plaatsing in de regeling van het voorbereidend onderzoek wringt,
omdat het DNA-onderzoek niet strekt tot de opheldering van een concrete verdenking,
maar eerst na een veroordeling plaatsvindt. Anders dan het verwerken van DNA-profielen
van verdachten die ten behoeve van de opheldering van een concreet strafbaar
feit zijn vastgesteld, is het verwerken van DNA-profielen van veroordeelden
evenmin gekoppeld aan een strafvorderlijke onderzoekshandeling. Plaatsing
elders in het Wetboek van Strafvordering wringt ook, omdat dit instrument
feitelijk in verband met de opsporing in ruime zin plaatsvindt, terwijl opsporing
in het wetboek onderdeel van het voorbereidend onderzoek uitmaakt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Over het conceptwetsvoorstel zijn adviezen<voetref refid="v4.1" nr="1"></voetref>
ontvangen van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ),
het College van procureurs-generaal (College), de Nederlandse Vereniging voor
Rechtspraak (NVvR), de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en de Raad van
Hoofdcommissarissen. Hierbij dient te worden aangetekend dat het conceptwetsvoorstel,
anders dan het wetsvoorstel zoals dat thans luidt, beperkt was tot veroordeelden
wegens gewelds- en zedenmisdrijven. De algemene conclusie die uit de adviezen
kan worden getrokken, is dat de lijn van het wetsvoorstel steun krijgt. De
RSJ kan zich inhoudelijk vinden in het wetsvoorstel. In de memorie van toelichting
zijn volgens de RSJ de beginselen van rechtszekerheid en de bepalingen uit
internationale verdragen voldoende uitgewerkt. Het College kan zich vinden
in de strekking van het wetsvoorstel. Wel is het van oordeel dat de wet niet
dient te gelden voor personen die op het moment van inwerkingtreding
van de wet reeds zijn veroordeeld. Deze laatste opvatting wordt gedeeld door
de NVvR. Wel spreekt de NVvR haar waardering uit voor het voornemen van de
wetgever te komen tot uitbreiding van de mogelijkheden van het DNA-onderzoek.
Naar het oordeel van de NVvR komt het wetsvoorstel tegemoet aan de wensen
van de politie en het openbaar ministerie en tevens aan het in Nederland levende
rechtsgevoel met betrekking tot de opsporing en vervolging van daders van
zware levens- en zedendelicten. Het afnemen van celmateriaal kan bijdragen
aan de opheldering van oudere onopgeloste zaken.</al>
      <al>De NOvA kan zich op hoofdlijnen verenigen met het wetsvoorstel. Zij is
wel van mening dat met het onderhavige wetsvoorstel opnieuw een principiële
stap wordt gezet op de weg van legitimering van inbreuken op fundamentele
rechten van burgers ten gunste van preventie, opsporing en berechting van
misdrijven. Om die reden vraagt de NOvA bijzondere aandacht voor de uitwerking
van deze inbreuken. De Raad van Hoofdcommissarissen is tot slot verheugd over
de uitbreiding van de mogelijkheden tot het uitvoeren van DNA-onderzoek. De
Raad stelt dat het met het thans voorgestelde wetsvoorstel mogelijk wordt
om in de toekomst DNA-onderzoek breder in te zetten als hulpmiddel bij de
opsporing en mogelijkerwijs als instrument om misdrijven te voorkomen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op een aantal onderdelen van het wetsvoorstel hebben de RSJ, het College,
de NVvR, de NOvA en de Raad van Hoofdcommissarissen kritiek. Op deze punten
van kritiek zal hierna in de paragraaf waarop ze betrekking hebben, worden
ingegaan.</al>
      <tuskop letat="vet">3. Achtergronden van en overwegingen bij het DNA-onderzoek
bij veroordeelden</tuskop>
      <al>De technische mogelijkheden voor DNA-onderzoek in strafzaken zijn sinds
de invoering ervan in 1994 aanmerkelijk toegenomen. Niet alleen is inmiddels
het afnemen van wangslijmvlies voldoende voor het bepalen van een DNA-profiel,
ook de kwaliteit van de DNA-profielvergelijking is vergroot doordat meer kenmerken
van de profielen kunnen worden benut. Naast de toename van technische mogelijkheden
is het maatschappelijk draagvlak voor strafrechtelijke toepassingen van DNA-onderzoek
aanzienlijk gegroeid. Vooral gedurende de laatste paar jaren is het opsporingsmiddel
van DNA-onderzoek steeds vaker ingezet bij het ophelderen van ernstige gewelds-
en zedenmisdrijven, mede vanwege de zojuist genoemde toegenomen kwaliteit
van de DNA-profielvergelijking. De belangstelling voor het gebruik van DNA-onderzoek
in strafzaken komt voorts tot uitdrukking in de vraag, ook vanuit de samenleving,
naar grootscheepse DNA-onderzoeken op vrijwillige basis, waardoor onschuldigen
van verdenking kunnen worden uitgesloten en daders kunnen worden opgespoord.
Verder wordt in de media steeds vaker aandacht besteed aan DNA-onderzoek in
strafzaken en wordt vanuit de Tweede Kamer aangedrongen op ruimere toepassing
daarvan.</al>
      <al>Tegelijkertijd is een zekere bezorgdheid aanwezig over de mogelijke gevaren
van DNA-onderzoek in strafzaken. Deze gevaren bestaan met name in de voortschrijdende
technische mogelijkheden tot het vaststellen van persoonlijke gegevens die
niet relevant zijn voor strafrechtelijk onderzoek en het koppelen van deze
gegevens aan andere gegevensbestanden, zoals bijvoorbeeld die van verzekeringsmaatschappijen.
Het besef van deze gevaren en het belang van de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer nopen ertoe bij de vormgeving van toepassingsmogelijkheden voor
DNA-onderzoek in strafzaken te voorzien in adequate waarborgen tegen misbruik.</al>
      <al>Ook verdient aandacht dat DNA-onderzoek in strafzaken geen wondermiddel
is. DNA-onderzoek kan slechts bewijzen of bevestigen dat aangetroffen
celmateriaal behoort tot een bepaalde persoon. DNA-onderzoek alleen geeft
niet de zekerheid dat die persoon ook inderdaad op de plaats van het misdrijf
aanwezig is geweest of dat hij de dader is. Het blijft daarom van belang dat,
naast DNA-onderzoek, het reguliere recherchewerk wordt voortgezet en ook verder
wordt ontwikkeld. Alleen in samenhang daarmee zullen meer delicten kunnen
worden opgehelderd.</al>
      <al>Ondanks de genoemde gevaren en beperkingen die DNA-onderzoek aankleven,
levert dit instrument een belangrijke bijdrage aan de waarheidsvinding in
strafzaken. Dit belang wordt alom onderkend en komt ook tot uitdrukking in
de reeds ingezette lijn van verruiming van de wettelijke mogelijkheden voor
DNA-onderzoek in het voorbereidend onderzoek. Het onderhavige wetsvoorstel
past in deze lijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Dit wetsvoorstel kan voorts worden geplaatst tegen de achtergrond van
maatschappelijke bezorgdheid en discussie over ernstige misdrijven. DNA-onderzoek
is immers een strafrechtelijk instrument dat bij de opheldering daarvan uitkomst
kan – en blijkt te – bieden, voorzover daarbij celmateriaal van
de dader achterblijft. Wanneer ernstige misdrijven worden gepleegd door personen
die reeds zijn veroordeeld, draagt dat bij aan de ernst van de schok die de
rechtsorde wordt toegebracht en van de maatschappelijke verontwaardiging die
daarop volgt. Snellere opsporing van daders door middel van DNA-onderzoek
kan in dit verband maatschappelijke onrust kanaliseren en gedeeltelijk ook
wegnemen. DNA-onderzoek bij veroordeelden kan aldus een positieve bijdrage
leveren aan de veiligheid en de veiligheidsbeleving in de Nederlandse samenleving.</al>
      <al>Een bijkomend voordeel van DNA-onderzoek bij veroordeelden is dat daardoor
tevens andere, reeds gepleegde strafbare feiten kunnen worden opgehelderd.
Het kan daarbij gaan om oudere onopgeloste zaken, waarbij alle andere opsporingsactiviteiten
dan profielvergelijking reeds zijn afgesloten, maar ook om betrekkelijk recente
zaken waarin het opsporingsonderzoek nog in volle gang is.</al>
      <al>Een overweging die bij het opstellen van dit wetsvoorstel eveneens een
rol heeft gespeeld, is dat van het bepalen van DNA-profielen van veroordeelden
en het verwerken daarvan in de DNA-databank een preventieve werking uit kan
gaan op het gedrag van die veroordeelden. Dit argument heeft mede ten grondslag
gelegen aan de huidige DNA-regelgeving, waarin is voorzien in het verwerken
van DNA-profielen van veroordeelde verdachten en van verdachten die zijn ontslagen
van alle rechtsvervolging en op last van de rechter ter beschikking zijn gesteld
of in een psychiatrisch ziekenhuis zijn geplaatst (zie Kamerstukken II 1999/2000,
26 271, nr. 9, blz. 41–42). De verwachting dat het DNA-profiel
van de veroordeelde een preventieve werking zal kunnen hebben, is gebaseerd
op het feit dat daardoor de zogenoemde pakkans in belangrijke mate wordt vergroot.
Uit onderzoeken naar de afschrikwekkende werking van de pakkans kan worden
geconcludeerd dat er duidelijke aanwijzigingen zijn voor het bestaan van afschrikkingseffecten
van de pakkans (zie F. van Tulder, Economische bijdragen op het gebied van
de criminologie, in: Tijdschrift voor Criminologie 2000/3, blz. 289). Ofschoon
deze onderzoeken, voorzover bekend, geen betrekking hebben op DNA-onderzoek
bij veroordeelden, lijkt het aannemelijk dat de conclusies daarvan in het
algemeen ook opgeld doen bij de door dit instrument vergrote pakkans. De verwachte
preventieve werking voorkomt letsel en schade bij nieuwe slachtoffers of nabestaanden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aan dit voorstel tot DNA-onderzoek bij veroordeelden zijn ook nadelen
verbonden. Naast de inbreuken die op de grondrechten van de lichamelijke integriteit
en de persoonlijke levensfeer worden gemaakt, is inherent aan het wetsvoorstel
dat de veroordeelden om wie het gaat min of meer nadrukkelijk als potentiële
recidivisten worden benaderd. Het verwerken van hun DNA-profielen
in de DNA-databank strekt er immers onder andere toe de opsporing, vervolging
en berechting van toekomstige strafbare feiten van deze veroordeelden effectiever
te doen zijn. Deze benadering van veroordeelden levert enige spanning op met
het resocialisatiestreven. Deze spanning wordt in het onderhavige wetsvoorstel
evenwel aanvaard. Naast de zorg die ten aanzien van veroordeelden moet worden
betracht met het oog op hun resocialisatie, staat immers de evenzeer legitieme
zorg voor een adequate beveiliging van de samenleving tegen misdrijven als
waarvoor deze veroordeelden zijn veroordeeld. In het spanningsveld dat tussen
beide kan bestaan, is het vooral van belang op een verantwoorde en evenwichtige
wijze keuzes te maken. Vanuit het oogpunt van een adequate beveiliging van
de samenleving is het betrekkelijk vanzelfsprekend dat een instrument als
het DNA-onderzoek in deze fase specifiek wordt gericht op personen van wie
blijkens hun veroordeling vaststaat dat zij in staat zijn geweest het soort
ernstige misdrijven te plegen voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek van
betekenis kan zijn. Gelet op de ernst van deze misdrijven kan dit ook worden
aanvaard, zoals in het geldende recht reeds is aanvaard dat een veroordeling
voldoende grondslag vormt voor het langdurig bewaren van het DNA-profiel en
het celmateriaal van de veroordeelde verdachte. In deze afweging speelt mee
dat de genoemde nadelen van het DNA-onderzoek bij veroordeelden kunnen worden
beperkt door het celmateriaal op de minst ingrijpende wijze af te nemen en
door dit betrekkelijk snel na de veroordeling te doen. Bovendien zal het DNA-onderzoek
worden verricht bij nagenoeg alle veroordeelden wegens misdrijven waarvoor
voorlopige hechtenis is toegelaten, omdat vaststelling van concreet recidivegevaar
niet is vereist (zie daarover nader paragraaf 5.3). Een uitdrukkelijke
constatering van recidivegevaar door de officier van justitie of de rechtbank
ten overstaan van de veroordeelde zal als gevolg daarvan vrijwel altijd achterwege
blijven. Tot slot verdient ook in dit verband aandacht dat het voorgestelde
DNA-onderzoek zich niet uitstrekt tot veroordeelden die op het tijdstip van
inwerkingtreding van de wet hun straf of maatregel reeds volledig hebben ondergaan
(zie paragraaf 5.1).</al>
      <tuskop letat="vet">4. Samenhangen met andere wetsvoorstellen en beleidsinitiatieven</tuskop>
      <al>Het onderhavige wetsvoorstel staat in meer opzichten niet op zichzelf.</al>
      <al>In de eerste plaats ligt het wetsvoorstel in het verlengde van de wet
van 5 juli 2001 tot wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken
(Stb. 2001, 335) die op 1 november 2001 in werking is getreden. In beide voorstellen
staan verruimde mogelijkheden tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek
en opname van DNA-profielen in de DNA-databank centraal. De wet van 5 juli
2001 ziet daarbij op het voorbereidend onderzoek, het onderhavige wetsvoorstel
op de fase na de veroordeling. Daarnaast heeft de Tweede Kamer op 1 oktober
2002 het wetsvoorstel aanvaard waarin wordt geregeld dat DNA-onderzoek in
strafzaken op basis van gevonden celmateriaal zich niet alleen mag richten
op vergelijking van DNA-profielen, maar ook op het vaststellen van bepaalde
uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte (Kamerstukken
II 2001/02, 28 072, nrs. 1–2).</al>
      <al>In de tweede plaats is er samenhang met andere initiatieven, waarbij in
het bijzonder het voorkomen van recidive van veroordeelden centraal staat.
In dit verband kunnen onder meer worden genoemd: het beleid tot behandeling
van psychisch gestoorden in detentie (Kamerstukken II 1999/2000, 26 800
VI, nr. 75), de in paragraaf 2 reeds genoemde herziening van de vervroegde
invrijheidstelling (Sancties in perspectief, 2000, blz. 54 e.v.) en het beleid
inzake de informatieverschaffing bij terugkeer van pedoseksuele delinquenten
in de samenleving (Kamerstukken II 1999/2000, 26 800 VI,
nr. 52). Deze initiatieven en het onderhavige wetsvoorstel kunnen elkaars
preventieve werking versterken.</al>
      <tuskop letat="vet">5. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel</tuskop>
      <tuskop letat="cur">5.1 De categorie veroordeelden waarvoor de wet geldt</tuskop>
      <al>Het voorgestelde DNA-onderzoek zal worden bevolen ten aanzien van veroordeelden
wegens de hierna in paragraaf 5.2 te bespreken misdrijven, tenzij bij
de veroordeling geen straf, alleen een geldboete of een financiële maatregel
is opgelegd. Zie de voorgestelde artikelen 2 en 8. De veroordeelden kunnen
plegers of deelnemers zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het concept van dit wetsvoorstel was bepaald dat DNA-onderzoek zou
plaatsvinden ongeacht de soort straf of maatregel die de veroordeelde is opgelegd.
Naar aanleiding van de adviezen van de NOvA en het College van procureurs-generaal
is dit standpunt heroverwogen. De NOvA stelt voor het toepassingsbereik van
de wet te beperken tot veroordeelden wegens misdrijven waarvoor een gevangenisstraf
is opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte tenminste een jaar bedraagt,
alsmede tot veroordeelden die een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende maatregel
opgelegd hebben gekregen. Dit voorstel van de NOvA komt voort uit de overweging
dat het bij DNA-onderzoek om een vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer
gaat en dat daarom terughoudende toepassing geboden is. Het College neemt
eveneens het standpunt in dat de reikwijdte van de wet beperkt moet worden
tot personen die veroordeeld zijn tot een vrijheidsstraf. Vrijheidsbenemende
maatregelen noemt het College niet uitdrukkelijk, maar het advies geeft geen
aanleiding te veronderstellen dat het OM die erbuiten wil laten. Volgens het
College doet deze beperking meer recht aan het argument uit de memorie van
toelichting bij het conceptwetsvoorstel, dat de aard en de ernst van de aangewezen
misdrijven het bepalen en verwerken van een DNA-profiel van de veroordeelde
rechtvaardigen. Het College brengt anders dan de NOvA geen beperking aan met
betrekking tot de minimale duur van de opgelegde straf.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gesteld kan worden dat beide adviesorganen het onvoldoende vinden dat
de aard en ernst van de misdrijven in abstracto uit de wet worden afgeleid,
in plaats van dat tevens gekeken wordt naar de beoordeling in concreto daarvan
door de rechter zoals die tot uitdrukking komt in de opgelegde straf of maatregel.
De kern van de bezwaren lijkt te zijn dat het DNA-onderzoek bij veoordeelden
disproportioneel is indien niet naar de soort opgelegde straf wordt gedifferentieerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tegenover deze bezwaren staan echter goede argumenten om bij de toepassing
van DNA-onderzoek bij veroordeelden niet of zo min mogelijk te differentiëren
naar de soort of duur van de straf of maatregel die bij de veroordeling is
opgelegd. In de eerste plaats leggen in dit verband de belangen van (toekomstige)
slachtoffers en die van de samenleving bij effectieve opsporing veel gewicht
in de schaal. Straftoemeting is in Nederland sterk afhankelijk van feitelijke
omstandigheden in het concrete geval en van de persoonlijke omstandigheden
van de dader. Het ligt niet voor de hand om de effectiviteit van de toekomstige
opsporing van deze omstandigheden in een eerdere strafzaak afhankelijk te
stellen. In dit verband verdient, ten tweede, aandacht dat plegers van ernstige
misdrijven in veel gevallen geen vrijheidsbenemende sanctie, maar alleen een
taakstraf (werk- of leerstraf) opgelegd krijgen. In de voorstellen van de
NOvA en het College zou van deze veroordeelden geen DNA-profiel behoeven te
worden vastgelegd. Het afzien van DNA-onderzoek in deze gevallen is, gelet
op de zwaarte van deze misdrijven, niet gewenst en zou ook niet
stroken met de nagestreefde verruiming van de strafrechtelijke toepassing
van DNA-onderzoek. In de derde plaats is van belang dat het verwerken van
DNA-profielen van veroordeelden bij wie in het voorbereidend onderzoek als
verdachten DNA-onderzoek heeft plaatsvonden, niet afhankelijk is gesteld van
een veroordeling tot een straf of maatregel van een bepaalde soort of duur.
Uit een oogpunt van eenheid in het wettelijk stelsel is het gewenst dat er
bij het strafrechtelijke DNA-onderzoek zo min mogelijk afwijkende regelingen
zijn. Tot slot is DNA-onderzoek bij veroordeelden ook in de onderzochte buitenlanden
niet afhankelijk gesteld van de soort of duur van de strafsanctie die in het
concrete geval is opgelegd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Na weging van de hiervoor weergegeven argumenten is de regering van oordeel
dat een beperking van het DNA-onderzoek tot veroordeelden die een vrijheidsbenemende
straf of maatregel opgelegd hebben gekregen, niet wenselijk is omdat ook bij
ernstige misdrijven in veel gevallen een taakstraf wordt opgelegd. Uit oogpunt
van proportionaliteit en in het verlengde van de adviezen van de NOvA en het
College is wel enige nadere beperking aangebracht. Deze beperking houdt in
dat geen DNA-onderzoek zal plaatsvinden bij diegenen die zijn veroordeeld
zonder oplegging van straf, tot alleen een geldboete, of die bij de veroordeling
alleen een strafrechtelijke maatregel van financiële aard opgelegd hebben
gekregen. Deze geringe afwijking ten opzichte van de regeling voor de veroordeelde
verdachte, waarin niet naar soort en duur van de opgelegde straf is gedifferentieerd,
laat zich rechtvaardigen door de omstandigheid dat het celmateriaal en het
DNA-profiel van de veroordeelde verdachte omwille van de waarheidsvinding
al was verkregen en derhalve bij de veroordeling nog beschikbaar is, terwijl
het bij de andere veroordeelde alsnog zal moeten worden verkregen.</al>
      <al>Het voorgaande brengt mee dat ook indien alleen een taakstraf is opgelegd,
DNA-onderzoek bij de veroordeelde wordt bevolen. Mede in verband daarmee is
voorzien in een mogelijkheid van aanhouding, voor het geval de veroordeelde
niet vrijwillig verschijnt op de in het bevel aangegeven tijd en plaats.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Anders dan de NOvA voorstelt, wordt ingevolge dit wetsvoorstel ook DNA-onderzoek
verricht bij personen die alleen een voorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf
opgelegd hebben gekregen, dan wel TBS met voorwaarden of een voorwaardelijke
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden.
De redenen die hierboven zijn vermeld om niet of zo min mogelijk te differentiëren
naar soort of duur van de opgelegde sanctie, zijn ook hier van toepassing.
Hierbij speelt verder een rol dat in de oplegging van de betreffende straf
of maatregel, ook al wordt deze onder voorwaarden niet ten uitvoer gelegd,
tot uitdrukking komt dat het om een ernstig strafbaar feit gaat.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het wetsvoorstel ziet niet alleen op veroordeelden, maar ook op personen
die op grond van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht zijn ontslagen
van alle rechtsvervolging en aan wie tevens een maatregel als voorzien in
artikel 37 (plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis), 37a juncto 37b (TBS
met verpleging van overheidswege) of 38 (TBS met voorwaarden), 38m (plaatsing
in een inrichting voor de opvang van verslaafden) of 77s (plaatsing in
een inrichting voor jeugdigen) van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.
De omstandigheid dat het gepleegde feit aan deze personen niet kan worden
toegerekend, doet immers geenszins af aan het belang van een effectieve opsporing
en opheldering van eventueel eerder gepleegde en toekomstige strafbare feiten
van deze personen. Dat het wetsvoorstel zich ook tot deze categorie personen
uitstrekt, onderstreept dat het voorgestelde DNA-onderzoek niet als straf
in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt
(zie over dit laatste ook paragraaf 6.2 van deze memorie van toelichting). </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een andersoortige uitbreiding van de categorie personen waarvoor de wet
geldt, is voorzien in artikel 8 van het wetsvoorstel. Daarin is bepaald dat
het DNA-onderzoek ook plaatsvindt bij personen die op het moment dat de wet
in werking treedt een vrijheidsbenemende straf of maatregel ondergaan of nog
moeten ondergaan. Deze straf of maatregel moet dan uiteraard wel zijn opgelegd
bij een veroordeling of ontslag van alle rechtsvervolging op grond van artikel
39 van het Wetboek van Strafrecht, wegens een misdrijf als bedoeld in het
voorgestelde artikel 2, eerste lid, aanhef. De bepaling van artikel 8 zal
slechts tijdelijk worden toegepast. Op het moment dat de wet in werking treedt,
is immers ook de groep personen die op dat moment is veroordeeld, definitief
bepaald. Nadat bij deze personen het DNA-onderzoek is verricht, is artikel
8 uitgewerkt.</al>
      <al>In paragraaf 6.2 van deze memorie van toelichting zal aan de orde
komen dat de bepaling van artikel 8 met betrekking tot reeds veroordeelden
betrekkelijk vergaand kan worden genoemd, maar niettemin aanvaardbaar is.
Van personen die wegens een ernstig misdrijf een vrijheidsbenemende straf
of maatregel ondergaan of nog moeten ondergaan, kan immers in redelijkheid
worden verlangd dat celmateriaal voor DNA-onderzoek wordt afgestaan, alvorens
zij weer op vrije voeten komen.</al>
      <al>Personen die hun straf of maatregel reeds volledig hebben ondergaan, vallen
buiten het bereik van het voorgestelde artikel 8. De rechtszekerheid en het
beginsel van resocialisatie stellen hier grenzen. Evenmin is het artikel,
anders dan artikel 2, van toepassing op personen die voor de inwerkingtreding
van de wet tot een geheel voorwaardelijke vrijheidstraf zijn veroordeeld,
of die alleen TBS met voorwaarden opgelegd hebben gekregen. De bepaling van
artikel 8 terzake van reeds veroordeelden wordt door deze beperkingen nadrukkelijk
gereserveerd voor de zwaardere gevallen.</al>
      <tuskop letat="cur">5.2 De misdrijven waarvoor moet zijn veroordeeld</tuskop>
      <al>Voorgesteld wordt DNA-onderzoek mogelijk te maken bij veroordeelden wegens
een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering, oftewel een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Op dit punt is de reikwijdte van het onderhavige wetsvoorstel verruimd ten
opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel, zoals dat aan de Raad van State
en de adviesinstanties is voorgelegd. Het oorspronkelijk wetsvoorstel was
beperkt tot veroordeelden wegens specifiek aangewezen gewelds- en zedenmisdrijven,
waarvoor voorlopige hechtenis toegelaten is. Met de verruiming van het wetsvoorstel
wordt uitvoering gegeven aan het streven van de regering naar een ruimere
toepassing van het strafrechtelijke DNA-onderzoek. De doelen van het wetsvoorstel
doen naar het oordeel van de regering evenzeer opgeld bij andere ernstige
misdrijven dan alleen gewelds- en zedenmisdrijven. Een belangrijk misdrijf
in dit verband is woninginbraak. Op dit moment bevat de DNA-databank veel
DNA-profielen van sporen van woninginbraken, maar zeer weinig DNA-profielen
van inbrekers. Door de verbreding van de reikwijdte van dit wetsvoorstel kan
deze scheve verhouding meer in evenwicht worden gebracht en kunnen door DNA-onderzoek
vaker woninginbraken worden opgelost. Daarnaast wordt de eenheid in het wettelijk
stelsel aanzienlijk vergroot door niet alleen bij verdachten in het voorbereidend
onderzoek, maar ook bij veroordeelden de grens voor DNA-onderzoek te leggen
bij misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis kan worden toegepast.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten waarbij
DNA-onderzoek niet of nauwelijks een rol van betekenis kan spelen, zoals bijvoorbeeld
meineed of valsheid in geschrift. Bij deze feiten zal ook in het voorbereidend
onderzoek geen celmateriaal voor DNA-onderzoek worden afgenomen vanwege het
vereiste belang van het onderzoek. Ook in het kader van het onderhavige
wetsvoorstel ligt daarom een inperking in de rede. Deze inperking houdt in
dat ingevolge artikel 2, eerste lid, onder b, geen DNA-onderzoek zal plaatsvinden
indien redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het
DNA-profiel van de veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de
voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de
veroordeelde.</al>
      <tuskop letat="cur">5.3 Het geval waarin DNA-onderzoek plaatsvindt; vaststelling
concreet recidivegevaar niet vereist</tuskop>
      <al>In het systeem van het onderhavige wetsvoorstel wordt als regel bij iedere
veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef, celmateriaal afgenomen
voor DNA-onderzoek voorzover dat in het voorbereidend onderzoek nog niet heeft
plaatsgevonden. Op deze regel bestaan twee soorten uitzonderingen, die in
het systeem van dit wetsvoorstel beide vallen onder de in artikel 2, eerste
lid, onder b, neergelegde bepaling dat DNA-onderzoek achterwege blijft indien
redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel
van de veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming,
opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.</al>
      <al>De eerste uitzondering is in de vorige paragraaf reeds aan de orde gekomen
en houdt in dat DNA-onderzoek achterwege blijft bij veroordeelden wegens misdrijven
voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek niet van betekenis kan zijn. Deze
uitzondering correspondeert met het vereiste van het belang van het onderzoek
in het voorbereidend onderzoek. De tweede uitzondering doet zich voor in het
geval dat ondanks dat sprake is van een veroordeling wegens een relevant misdrijf,
DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Hierbij valt te denken aan
een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar
feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan
zijn, en die dat in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstig lichamelijk
letsel, ook nooit meer zal kunnen doen. De uitzonderingsmogelijkheid is evenwel
niet beperkt tot gevallen waarin het feitelijk onmogelijk is dat de veroordeelde
recidiveert. Zo zal onder omstandigheden ook het geval in aanmerking kunnen
komen van een vrouw die nog nooit met justitie in aanraking is geweest en
die na jarenlange mishandeling door haar man er uiteindelijk toe komt hem
ernstig letsel toe te brengen of te doden. In een dergelijk geval mag DNA-onderzoek
overigens uitsluitend achterwege blijven op de in artikel 2, eerste lid, onder
b, omschreven grond en niet (mede) op grond van een eventueel in de strafzaak
vastgestelde mindere strafwaardigheid. Een ander voorbeeld van een geval dat
onder omstandigheden in aanmerking kan komen, is dat van een arts die op grond
van een onregelmatigheid in de naleving van de procedure bij euthanasie wordt
veroordeeld voor moord.</al>
      <al>Uit de voorgaande alinea volgt dat deze tweede uitzondering slechts een
beperkte reikwijdte heeft. Zij gaat verder dan de feitelijke onmogelijkheid
dat wordt gerecidiveerd, maar vereist altijd een objectief waardeerbare omstandigheid;
louter berouw of een belofte van de veroordeelde is onvoldoende. Een nadere
duiding van de reikwijdte van deze uitzondering is in abstracto echter moeilijk
te geven. Zij zal door toepassing in concrete gevallen – aan de hand
van de omstandigheden en de persoon van de veroordeelde – in de beoordeling
van de officier van justitie en de rechter (zie paragraaf 5.4) nader
gestalte moeten krijgen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De uitzonderingsmogelijkheid van artikel 2, eerste lid, onder b, is mede
aangebracht met het oog op artikel 8, tweede lid, van het EVRM, dat eist dat
inbreuken op de onaantastbaarheid van het lichaam en op de persoonlijke levenssfeer
noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Het recht om bij de rechtbank
een bezwaarschrift in te dienen kan in dit verband worden gezien
als waarborg voor proportionele toepassing van het DNA-onderzoek bij veroordeelden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Artikel 2 eist om de volgende redenen niet dat ten aanzien van de veroordeelde
concreet recidivegevaar wordt vastgesteld. In de eerste plaats is het inschatten
van recidivegevaar niet eenvoudig en zal dat daarom nogal eens kunnen leiden
tot beoordelingsfouten. Gelet op de consequenties daarvan voor de effectiviteit
van de opsporing van eerdere of toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde,
zal de beoordelende autoriteit naar valt te verwachten zeer voorzichtig opereren
en bij ernstige misdrijven min of meer standaard DNA-onderzoek bevelen. De
toegevoegde waarde van het vereiste dat concreet recidivegevaar wordt vastgesteld,
is dan niet meer vanzelfsprekend.</al>
      <al>Gesteld kan worden dat in dit wetsvoorstel een aanname van recidivegevaar
besloten ligt. Naar het oordeel van de regering is dit ook gerechtvaardigd.
Voorzover het gaat om gewelds- en zedenmisdrijven kan in dit verband worden
gewezen op de voorlopige analyses die in het kader van de WODC-Recidivemonitor
zijn verricht. Daaruit komt naar voren dat ongeveer tien procent van de veroordeelden
wegens een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf binnen vijf jaar wederom veroordeeld
wordt wegens een gelijksoortig misdrijf dan wel eenzelfde misdrijf. De algemene
recidive onder deze personen ligt hoger. Meer dan vijftig procent van de plegers
van een ernstig geweldsmisdrijf heeft binnen vijf jaar een nieuw justitiecontact
opgebouwd. Bij de plegers van een zedenmisdrijf is dit percentage veertig.
Voorzover het gaat om recidive van inbraken kan worden gewezen op de omstandigheid
dat uit het sporenbestand van de DNA-databank blijkt dat het veelvuldig voorkomt
dat celmateriaal van een persoon op diverse delictplaatsen wordt aangetroffen.</al>
      <al>Een andere reden om concreet recidivegevaar niet als vereiste op te nemen
is dat dit vereiste niet aansluit bij alle doelen van het DNA-onderzoek bij
veroordeelden. Dit instrument beoogt immers mede bij te dragen aan de opheldering
van eventuele reeds gepleegde strafbare feiten van de veroordeelde; het inschatten
van recidivegevaar is daar niet op gericht. Tot slot is een uitdrukkelijke
vaststelling van recidivegevaar door de officier van justitie en de rechtbank
ten overstaan van de veroordeelde uit een oogpunt van resocialisatie minder
gewenst (zie ook paragraaf 3).</al>
      <al>Het systeem van het onderhavige wetsvoorstel kan aldus worden samengevat:
voor DNA-onderzoek bij veroordeelden is een positieve vaststelling van recidivegevaar
niet vereist, maar het DNA-onderzoek dient achterwege te blijven ingeval komt
vast te staan dat geen opsporingsbelang terzake van reeds gepleegde strafbare
feiten of enig relevant recidivegevaar aanwezig is.</al>
      <tuskop letat="cur">5.4 Centrale rol openbaar ministerie; controlerende rol
rechter</tuskop>
      <al>Het openbaar ministerie speelt bij het voorgestelde DNA-onderzoek bij
veroordeelden een centrale rol. Daarvoor zijn verschillende redenen.</al>
      <al>In de eerste plaats houdt de positie van het openbaar ministerie in het
wetsvoorstel verband met de primaire strekking van het DNA-onderzoek in strafzaken,
te weten de zekerstelling van een potentieel opsporingsmiddel ten behoeve
van andere strafzaken dan die waarin de betrokkene is veroordeeld. Het DNA-onderzoek
bij veroordeelden kan daarmee bijdragen aan de kwaliteit en effectiviteit
van de opsporing. De zorg daarvoor ligt bij uitstek bij het openbaar ministerie.
Ingevolge artikel 124 van de Wet op de rechterlijke organisatie is het openbaar
ministerie immers belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde,
waaronder de opsporing van strafbare feiten is begrepen.</al>
      <al>In de tweede plaats past een centrale positie van het openbaar ministerie
ook goed bij de fase van de strafzaak waarin het DNA-onderzoek plaatsvindt. Dat gebeurt immers na de veroordeling, dat wil zeggen ten tijde
van de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf of maatregel. In die fase
heeft het openbaar ministerie ingevolge artikel 553 van het Wetboek van Strafvordering
een sleutelpositie.</al>
      <al>Tot slot sluit een centrale rol voor het openbaar ministerie goed aan
bij de bemoeienis die de officier van justitie heeft gehad met de strafzaak
van de veroordeelde. Tijdens het strafproces heeft de officier aan de hand
van het strafdossier en de terechtzitting inzicht kunnen verkrijgen in het
belang van een eventueel DNA-onderzoek bij de veroordeelde. Op grond van dat
inzicht is hij goed in staat te beoordelen of redelijkerwijs aannemelijk is
dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde al of
niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging
en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Anders dan de NVvR
meent, doet de in artikel 2, eerste lid, onder b, voorziene uitzonderingsmogelijkheid
daarom naar het oordeel van de regering niet een te zwaar beroep op het interpretatie-
en inschattingsvermogen van de officier van justitie.</al>
      <al>De centrale rol die het openbaar ministerie bij het DNA-onderzoek vervult,
houdt het volgende in. Het is de officier van justitie die zo spoedig mogelijk
na de veroordeling het bevel geeft tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek.
Het geven van het bevel is geen bevoegdheid, maar een verplichting. De magistratelijke
kant van het werk van de officier van justitie komt – zo kan in antwoord
op een vraag daarover van het College worden opgemerkt – in dit verband
met name tot uitdrukking in de van hem verlangde beoordeling of een van de
uitzonderingen van artikel 2, eerste lid, zich voordoet en in de verantwoording
van deze beoordeling voor de rechtbank ingeval een bezwaarschrift wordt ingediend.</al>
      <al>In het verlengde van het bevel benoemt de officier de deskundige die het
DNA-onderzoek verricht en hem verslag uitbrengt van zijn bevindingen. Verder
zijn aan hem een aantal ondersteunende bevoegdheden toegekend (bevel tot aanhouding,
ophouding en inbeslagneming; bevoegdheid tot betreden en doorzoeken van de
woning van de veroordeelde). Tenslotte neemt de officier van justitie, ingeval
de veroordeelde een bezwaarschrift indient, de in een raadkamerprocedure gebruikelijke
positie in.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals in paragraaf 2 reeds aan de orde is gekomen, is de rechter
in dit wetsvoorstel niet de autoriteit die de verplichting tot DNA-onderzoek
oplegt. De rol van de rechter heeft een ander karakter, namelijk die van controleur.
Hij beslist op het door de veroordeelde ingediende bezwaarschrift. De voorziene
bezwaarschriftprocedure waarborgt een proportionele toepassing van het DNA-onderzoek
bij veroordeelden. Zie voor een nadere uiteenzetting over deze procedure de
toelichting op artikel 7 in paragraaf 9.</al>
      <tuskop letat="cur">5.5 Beknopte beschrijving van de procedure bij DNA-onderzoek
bij veroordeelden</tuskop>
      <al>Na de veroordeling wegens een «DNA-misdrijf» geeft de officier
van justitie zo spoedig mogelijk het bevel tot afname van celmateriaal voor
DNA-onderzoek, tenzij naar zijn oordeel een van de uitzonderingsgronden van
artikel 2, eerste lid, zich voordoet. Het is niet de bedoeling dat de officier
van justitie het bevel pas geeft op het moment dat de betrokken veroordeelde
verdachte is geworden in een nieuwe strafzaak waarover deze officier de leiding
heeft (zie nader de toelichting op artikel 2, eerste lid).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het bevel wordt aangegeven waar en op welk tijdstip het bevel ten uitvoer
wordt gelegd. Dit laatste is met name van belang voor veroordeelden die zich
op vrije voeten bevinden. Van de veroordeelde wordt verwacht
dat hij zich op de aangegeven tijd en plaats meldt. Dit zal voor veroordeelden
die niet zijn gedetineerd, het politiebureau zijn.</al>
      <al>Verschijnt de veroordeelde niet, dan zal door de uitvoerders van het bevel
contact moeten worden opgenomen met de officier van justitie, die vervolgens
een bevel tot aanhouding uitvaardigt.</al>
      <al>De aangehouden persoon kan, voorzover noodzakelijk voor het vaststellen
van zijn identiteit, voor ten hoogste zes uren worden opgehouden, met dien
verstande dat de tijd tussen middernacht en negen uur 's morgens niet wordt
meegerekend. Deze ophouding ligt in de rede indien de identiteit van de aangehouden
persoon niet kan worden vastgesteld door middel van een sofi-nummer. De zes
uren zijn nodig om via het nemen van lichaamsmaten, foto's en vingerafdrukken
zijn identiteit te achterhalen. Indien zijn identiteit is vastgesteld, kan
de veroordeelde voor ten hoogste zes uren worden opgehouden voor het afnemen
van celmateriaal, met dien verstande dat de tijd tussen middernacht en negen
uur 's morgens niet wordt meegerekend. In veel gevallen zal het afnemen niet
zo veel tijd in beslag behoeven te nemen, maar deze tijd kan in de praktijk
nodig zijn indien een aantal niet verschenen veroordeelden in een keer wordt
aangehouden voor de tenuitvoerlegging van de DNA-bevelen, of indien de arts
of verpleegkundige onverwacht verhinderd blijkt te zijn en er een vervanger
moet worden opgeroepen. Overigens sluit artikel 4 uit dat een aangehouden
persoon twee nachten achtereen wordt opgehouden.</al>
      <al>Voorzover de veroordeelde is gedetineerd, zal het bevel in de betreffende
inrichting ten uitvoer worden gelegd. Dit zal in beginsel geschieden door
de arts of de verpleegkundige die aan de inrichting is verbonden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nadat het DNA-onderzoek is verricht en het DNA-profiel in de DNA-databank
is verwerkt, wordt de officier van justitie het verslag van de deskundige
die het onderzoek heeft uitgevoerd, toegezonden. Indien het DNA-profiel van
de veroordeelde overeenkomt met een ander in de DNA-databank verwerkt profiel,
wordt de veroordeelde daarvan op de hoogte gesteld zodra het belang van het
onderzoek dat toelaat. Voorzover de veroordeelde dan inmiddels verdachte is
geworden, kan hij aanspraak maken op de rechten en bevoegdheden die het Wetboek
van Strafvordering hem toekent, waaronder het recht op tegenonderzoek zoals
voorzien in artikel 151a, vierde lid.</al>
      <tuskop letat="vet">6. Toetsing aan grondrechten en algemene rechtsbeginselen</tuskop>
      <al>De vraag kan worden gesteld of het voorgestelde DNA-onderzoek bij veroordeelden
de toets aan relevante grondrechten en aan algemene rechtsbeginselen kan doorstaan.
Naast de Grondwet zijn in dit verband vooral het Europees Verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) van belang. Tegen
die achtergrond wordt in de eerstvolgende paragraaf (6.1) stilgestaan bij
het DNA-onderzoek bij personen die na de inwerkingtreding van de wet worden
veroordeeld. Het DNA-onderzoek bij personen die voor de inwerkingtreding van
de wet zijn veroordeeld (onmiddellijke werking), komt in de daaropvolgende
paragraaf (6.2) aan de orde.</al>
      <tuskop letat="cur">6.1 DNA-onderzoek bij personen die na de inwerkingtreding
van de wet worden veroordeeld</tuskop>
      <al>Bij DNA-onderzoek bij veroordeelden zijn twee grondrechten in het geding.
In de eerste plaats is het recht op onaantastbaarheid van het lichaam aan
de orde waar het gaat om het afnemen van celmateriaal. Dit grondrecht is neergelegd
in artikel 11 van de Grondwet en ligt besloten in artikel 8 van het EVRM (EHRM
26 maart 1985, NJ 1985, 525, de zaak X. en Y.). In de tweede
plaats is het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in het
geding voorzover het gaat om het bepalen en verwerken van DNA-profielen en
het bewaren van het celmateriaal waaruit die profielen zijn verkregen. Dit
grondrecht is voorzien in artikel 10 van de Grondwet, artikel 8 van het EVRM
en artikel 17 van het IVBPR.</al>
      <tuskop letat="cur">Het recht op onaantastbaarheid van het lichaam</tuskop>
      <al>Duidelijk is dat door de afname van celmateriaal inbreuk wordt gemaakt
op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam. Artikel 11 van de Grondwet
en artikel 8 van het EVRM laten op dit recht echter beperkingen toe die bij
of krachtens de wet zijn voorzien («in accordance with the law»).
Artikel 8 EVRM stelt aan deze beperkingen de eis dat daar een legitiem doel
mee wordt nagestreefd. Als legitieme doelen worden in het artikel onder andere
erkend: het voorkomen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten
en vrijheden van anderen. Verder eist artikel 8 van het EVRM dat beperkingen
noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Deze laatste eis houdt
in dat voor de inbreuk op het grondrecht een dringende maatschappelijke noodzaak
aanwezig is, dat de inbreuk op de minst ingrijpende wijze plaatsvindt en dat
op de inbreuk controle mogelijk is.</al>
      <al>Met de wettelijke regeling van DNA-onderzoek bij veroordeelden wordt voldaan
aan de eis dat de inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam
bij of krachtens de wet is voorzien. Zo is in de artikelen 2 en 8 specifiek
omschreven in welke gevallen celmateriaal van veroordeelden wordt afgenomen,
en in artikel 5 op welke wijze dat gebeurt.</al>
      <al>Daarnaast worden met het onderhavige voorstel van wet legitieme doelen
als omschreven in artikel 8 van het EVRM nagestreefd. Zoals in paragraaf 3
is uiteengezet, wordt met DNA-onderzoek bij veroordeelden beoogd bij te dragen
aan de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten
van veroordeelden. In de jurisprudentie van het EHRM is aanvaard dat dit doel
kan worden begrepen onder het in artikel 8 genoemde voorkomen van strafbare
feiten (vgl. bijvoorbeeld EHRM 16 december 1992, NJ 1993, 400, de zaak Niemitz).
Bovendien strekt DNA-onderzoek tot bescherming van de rechten en vrijheden
van anderen, zoals slachtoffers van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven.</al>
      <al>Ook is het voorgestelde DNA-onderzoek «noodzakelijk in een democratische
samenleving». De inmenging in het recht op onaantastbaarheid van het
lichaam van een veroordeelde wordt gerechtvaardigd door het zwaarwegende algemeen
belang van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De overheid dient
ervoor te zorgen dat misdrijven zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat de
daders daarvan zoveel mogelijk worden opgespoord, vervolgd en berecht. Dit
geldt ook voor de opsporing van nieuwe en oude misdrijven van veroordeelden.
Zoals de praktijk de laatste jaren heeft uitgewezen, is DNA-onderzoek op dit
moment het meeste effectieve instrument om de overheid daarbij te ondersteunen.
Bij veel misdrijven worden sporen achtergelaten aan de hand waarvan met behulp
van DNA-onderzoek een DNA-profiel kan worden gemaakt. Vergelijking van dat
profiel met de andere in de DNA-databank opgenomen profielen kan vervolgens
op snelle en betrekkelijk eenvoudige, zeer betrouwbare wijze een aanwijzing
opleveren dat betrokkene het strafbare feit heeft gepleegd dan wel ontlastend
materiaal voor hem opleveren. Een ander opsporingsmiddel dan DNA-onderzoek
waarmee vergelijkbare resultaten kunnen worden behaald, is niet beschikbaar.</al>
      <al>Met het oog op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit is
bij de vormgeving van het DNA-onderzoek bij veroordeelden gestreefd naar een
zo beperkt mogelijke inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam.
In de eerste plaats wordt voorgesteld het DNA-onderzoek alleen te verrichten
bij personen die wegens ernstige misdrijven zijn veroordeeld (zie artikel
2, eerste lid). Ook wordt bij wijze van ondergrens de eis gesteld
dat de afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek redelijkerwijs van betekenis
zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van
strafbare feiten van de veroordeelde. Op de naleving van deze eis is controle
mogelijk door de rechter (artikel 7). Tot slot is van belang dat de afname
van het celmateriaal zal plaatsvinden op de voor de betrokkene minst ingrijpende
wijze (zie de artikelen 2, tweede lid, 5 en 6).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het creëren van de wettelijke mogelijkheid om veroordeelden wegens
een ernstig misdrijf te verplichten mee te werken aan een DNA-onderzoek, levert
geen strijd op met het verbod op discriminatie, zoals neergelegd in artikel
14 van het EVRM. Het verrichten van een DNA-onderzoek heeft slechts tot doel
het opsporingsbelang te dienen en strekt er niet toe personen op een zodanige
wijze te behandelen dat zij als minder volwaardig worden beschouwd en in een
nadeliger positie worden gebracht ten opzichte van anderen. Weliswaar kan
de veroordeelde wiens DNA-profiel als gevolg van dit wetsvoorstel in de DNA-databank
is verwerkt, in veel gevallen sneller worden opgespoord terzake van door hem
begane oude of nieuwe strafbare feiten waarbij celmateriaal van hem is achtergebleven,
dan de verdachte of veroordeelde wiens DNA-profiel niet in de DNA-databank
is verwerkt. Niettemin komt hij daardoor niet in een nadeliger positie in
de zin dat zijn vrijheid van handelen meer is ingeperkt: geen van beiden mag
immers strafbare feiten plegen.</al>
      <tuskop letat="cur">Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer</tuskop>
      <al>Voor de beoordeling van het DNA-onderzoek bij veroordeelden in het licht
van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, geldt voor
een aantal aspecten (legitieme doelen; noodzakelijk in een democratische samenleving)
hetzelfde als hiervoor bij het recht op onaantastbaarheid van het lichaam
is gesteld. Aan de eis van een wettelijke grondslag voor het bepalen en verwerken
van DNA-profielen en het bewaren van het celmateriaal van veroordeelden wordt
voldaan door enerzijds de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), anderzijds
het voorgestelde artikel 2, vijfde lid. In de Wet bescherming persoonsgegevens
zijn algemene regels voor het verwerken van persoonsgegevens gesteld. Verwerken
in de zin van deze wet omvat onder andere het bewaren, vernietigen en verstrekken
van deze gegevens. Daarnaast bevat het genoemde artikel 2, vijfde lid, van
het onderhavige wetsvoorstel het voorschrift dat bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur regels worden gesteld voor het verwerken van DNA-profielen
en celmateriaal. In deze laatstbedoelde regels zal een nadere invulling worden
gegeven aan de algemene regels van de Wet bescherming persoonsgegevens. Zo
worden daarin onder andere de termijnen voor het bewaren van DNA-profielen
en celmateriaal bepaald, gedifferentieerd naar de zwaarte van de misdrijven
waarvoor is veroordeeld. Het gaat daarbij om een uitwerking van de artikelen
10 en 11 van de Wbp. Met deze differentiatie van bewaartermijnen wordt beoogd
zo veel mogelijk recht te doen aan het in artikel 8, tweede lid, van het EVRM
besloten liggende beginsel van proportionaliteit (vgl. Kamerstukken II 1999/2000,
26 271, nr. 6, blz. 67).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het advies van de NVvR wordt gesuggereerd dat de voorziene procedure
voor het DNA-onderzoek mogelijk in strijd zou kunnen zijn met artikel 8 EVRM,
omdat niet is voorzien in een voorafgaande rechterlijke toets voor het afnemen
van celmateriaal. Rechterlijke instemming tot het toepassen van de voorziene
dwangmiddelen, kan evenwel niet als algemeen vereiste uit de rechtspraak van
het EHRM worden afgeleid. Het is aannemelijk dat de voorziene procedure ook
overigens voldoet aan de eisen van artikel 8 EVRM. </al>
      <tuskop letat="cur">Het recht op een eerlijk proces</tuskop>
      <al>De NVvR vraagt zich af of de voorziene procedure in strijd is met artikel
6 EVRM voorzover de afname van celmateriaal onder toepassing van dwangmiddelen
plaatsvindt. De regering is van oordeel dat het niet aannemelijk is dat de
voorziene procedure strijd met artikel 6 EVRM oplevert, omdat het DNA-onderzoek
bij veroordeelden geen «criminal charge» oplevert als bedoeld
in dit artikel. De voorziene dwangmiddelen hebben geen punitieve strekking
en zijn evenmin zo ingrijpend dat om die reden sprake zou kunnen zijn van
een «criminal charge». Aan het DNA-onderzoek bij de veroordeelde
liggen ook geen nieuwe feiten ten grondslag, zodat ook om die reden geen sprake
kan zijn van een afzonderlijke «charge».</al>
      <tuskop letat="cur">6.2 DNA-onderzoek bij personen die voor de inwerkingtreding
van de wet zijn veroordeeld (onmiddellijke werking)</tuskop>
      <al>Het onderhavige voorstel van wet voorziet in artikel 8 in een uitdrukkelijke
wettelijke grondslag voor DNA-onderzoek bij personen die voor de inwerkingtreding
van de wet zijn veroordeeld. De redenen om ook van deze groep veroordeelden
celmateriaal af te nemen voor het bepalen en verwerken van hun DNA-profielen,
zijn dezelfde als die voor het DNA-onderzoek bij personen die na de inwerkingtreding
van de wet worden veroordeeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de beoordeling van het voorgestelde artikel 8 speelt de vraag hoe
dit artikel zich verhoudt tot de artikelen 7 en 8 van het EVRM. In de adviezen
van de NVvR en het College zijn daarover opmerkingen gemaakt. In het navolgende
zal eerst de verhouding tot artkel 7 EVRM worden behandeld en daarna zal worden
ingegaan op artikel 8 EVRM.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 7 EVRM</tuskop>
      <al>In dit artikel is in het eerste lid bepaald dat geen zwaardere straf mag
worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit
van toepassing was. De vraag is of het verrichten van DNA-onderzoek bij personen
die op het moment van inwerkingtreding van de wet reeds zijn veroordeeld,
strijd oplevert met artikel 7 EVRM; daarvoor moet de vraag worden beantwoord
of het in artikel 8 voorgestelde DNA-onderzoek als straf in de zin van artikel
7 van het EVRM moet worden aangemerkt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de adviezen is, als gezegd, de eventuele strijdigheid met artikel 7
EVRM aan de orde gekomen. De NVvR vraagt zich af of de afname van celmateriaal,
vanwege het feit dat daarbij dwangmiddelen – waaronder vrijheidsbeneming –
kunnen worden toegepast, eventueel aangemerkt kan worden als «straf»
in de zin van artikel 7 EVRM. Om die reden is zij er niet van overtuigd dat
de onmiddelijke werking geen strijd met dit artikel oplevert. Het College
is daarentegen van oordeel dat het afnemen van celmateriaal bij reeds veroordeelden
ten behoeve van DNA-onderzoek niet kan worden opgevat als een straf in de
zin van artikel 7 EVRM. Uit het advies van de RSJ kan worden afgeleid dat
hij evenmin strijd met artikel 7 EVRM aanwezig acht. De NOvA besteedt aan
dit aspect in haar advies geen aandacht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar aanleiding van het advies van de NVvR is de onderhavige vraag voorgelegd
aan prof.mr. J. de Hullu, hoogleraar straf- en strafprocesrecht aan de Katholieke
Universiteit Brabant en aan prof.dr. R.A. Lawson, hoogleraar aan de Universiteit
Leiden en deskundige op het terrein van het EVRM. Deze adviezen zijn bij deze
memorie van toelichting gevoegd.<voetref refid="v17.1" nr="1"></voetref> Beide hoogleraren
zijn, anders dan de NVvR, van oordeel dat de mogelijkheid om
ten behoeve van het DNA-onderzoek enkele dwangmiddelen, waaronder kortstondige
vrijheidsbeneming, toe te passen, dit instrument niet tot een straf in de
zin van artikel 7 EVRM maakt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer De Hullu is zonder aarzeling van oordeel dat het verrichten van
DNA-onderzoek bij reeds veroordeelden en het verwerken van hun DNA-profiel
noch afzonderlijk noch tezamen redelijkerwijs als straf in de zin van artikel
7 EVRM kan worden aangemerkt. De heer Lawson meent dat het DNA-onderzoek bij
reeds veroordeelden in beginsel niet als straf in de zin van artikel 7 EVRM
kan worden beschouwd. Daarvan zou naar zijn oordeel wel sprake kunnen zijn
indien het verkregen DNA-profiel ook wordt gebruikt voor het opsporen, vervolgen
en berechten van misdrijven die de reeds veroordeelde in het verleden, dat
wil zeggen voor het moment van inwerkingtreding van de wet, heeft gepleegd.
Zoals hierna nog nader uiteengezet zal worden, deelt de regering deze laatste
opvatting niet vanwege de betrekkelijk geringe ernst van het DNA-onderzoek
en het niet-punitieve oogmerk daarvan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de beoordeling of sprake is van een straf in de zin van artikel 7
EVRM hanteert het Europese Hof te Straatsburg een aantal criteria (zie m.n.
EHRM 9 februari 1995, NJ 1995, 606, de zaak Welch, en EHRM 8 juni 1995, NJ
1996, 1, de zaak Jamil; EHRM 7 januari 1999, no. 42293/98, n.n.g., de zaak
Adamson): 1. of de opgelegde sanctie op een veroordeling wegens een strafbaar
feit volgt en daar ook afhankelijk van is, 2. de aard en het doel van de sanctie,
3. de categorisering van de sanctie naar nationaal recht, 4. de procedures
die zijn gevolgd bij de oplegging en de tenuitvoerlegging van de sanctie,
alsmede 5. de ernst van de sanctie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De inhoud van deze criteria en hun onderlinge verhouding zijn niet in
alle opzichten helder. In zoverre biedt de rechtspraak van het Europese Hof
geen volledig houvast. Niettemin is aannemelijk dat het er in de kern om gaat
of een sanctie punitief van aard en ingrijpend is. DNA-onderzoek bij veroordeelden
kan, zoals ook de heren De Hullu en Lawson in hun adviezen stellen, in redelijkheid
niet als punitief worden gekarakteriseerd. Het doel van dit instrument is
immers gelegen in het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare
feiten van de veroordeelden. Evenmin is het DNA-onderzoek zo ingrijpend dat
het om die reden als straf zou moeten worden aangemerkt. De voorziene inbreuken
op de lichamelijke integriteit en de privacy en de voorziene dwangmiddelen
zijn daarvoor in deze context bezien niet zwaar genoeg, noch afzonderlijk,
noch in onderling verband.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de volledigheid worden hieronder de criteria van het EHRM afzonderlijk
besproken.</al>
      <al>Het voorziene DNA-onderzoek bij reeds veroordeelden voldoet aan het eerste
criterium van het EHRM omdat het volgt op een veroordeling wegens een strafbaar
feit en daar ook afhankelijk van is.</al>
      <al>Bij het tweede criterium «de aard en het doel van de sanctie»
is, zoals reeds aan de orde is gekomen, doorslaggevend of de sanctie als punitief
kan worden aangemerkt; sancties die uitsluitend preventief of reparatoir van
aard zijn, vallen buiten het bereik van artikel 7 van het EVRM. Het instrument
DNA-onderzoek bij veroordeelden kan niet als punitief worden aangemerkt: er
zijn geen aspecten van afschrikking of vergelding aan verbonden. Indien de
betrokkene de toepassing van het instrument zelf als punitief ervaart, is
dat op zichzelf onvoldoende om een punitief karakter aan te nemen, aldus het
EHRM in de zaak Adamson. Het DNA-onderzoek bij veroordeelden kan worden beschouwd
als een vooraf zeker gesteld opsporings- en bewijsgaringsmiddel.</al>
      <al>Dit laatste kenmerk maakt het lastig het DNA-onderzoek bij veroordeelden
te rubriceren naar Nederlands recht. Ofschoon het kenmerken van de strafrechtelijke
maatregel in zich draagt, kan het door zijn gerichtheid op het voorkomen,
opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten niet als zodanig worden
geclassificeerd. Evenmin kan het instrument naar Nederlands recht als straf
worden gerubriceerd, aangezien er geen leedtoevoeging mee wordt nagestreefd.
Gelet op het voorgaande kan over het voorgestelde DNA-onderzoek ook niet goed
worden gesproken in termen van een «sanctie». Het onderhavige
voorstel voor een afzonderlijke wet onderstreept het eigensoortige karakter
van het DNA-onderzoek bij veroordeelden.</al>
      <al>Bij het criterium van de procedures die zijn gevolgd bij de oplegging
en tenuitvoerlegging van de sanctie, het vierde criterium, bekijkt het EHRM
of daarin elementen kunnen worden ontdekt die duiden op een vorm van bestraffing
die onder artikel 7 van het EVRM zou vallen. In de voorziene procedure voor
DNA-onderzoek bij veroordeelden lijken deze elementen niet aanwezig. Duidelijk
is dat het DNA-onderzoek plaatsvindt in een strafrechtelijke context naar
aanleiding van een veroordeling wegens een strafbaar feit, maar daarbij staat
het belang van het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare
feiten centraal. De aanwezigheid en de mate van schuld van de veroordeelde
spelen bij het DNA-onderzoek verder geen rol. Dit laatste blijkt ook uit het
voorgestelde artikel 1, tweede lid, waarin personen aan wie het strafbare
feit niet kan worden toegerekend, voor de toepassing van de onderhavige wet
met veroordeelden gelijk worden gesteld.</al>
      <al>Bij het laatste criterium, betreffende de ernst van de sanctie, is van
belang of de betrokkene daardoor in een nadeliger positie komt te verkeren
dan die waaraan hij zich blootstelde op het moment van het strafbare feit.
De ernst van de ingreep is in de benadering van het Europese Hof niet doorslaggevend;
bij een te geringe ernst lijkt evenwel niet te worden voldaan aan een basisvoorwaarde
om van een straf te kunnen spreken. Hoewel bij de feitelijke afname van celmateriaal
een inbreuk wordt gemaakt op de lichamelijke integriteit, kan nauwelijks worden
gezegd dat iemand daardoor in een nadeliger positie wordt gebracht. De wijze
waarop het celmateriaal wordt afgenomen, is daarvoor niet belastend genoeg.
Wel is duidelijk dat de betrokkene, doordat zijn DNA-profiel is verwerkt in
de DNA-databank, in veel gevallen sneller kan worden opgespoord terzake van
door hem begane oude of nieuwe strafbare feiten waarbij celmateriaal van hem
is achtergebleven. Het belang om niet of minder gemakkelijk opgespoord te
kunnen worden, is echter geen rechtens te respecteren belang en rechtvaardigt
geen bescherming door het verbod van terugwerkende kracht. Evenmin kan worden
gezegd dat de betrokkene in een nadeliger positie wordt gebracht ten opzichte
van iemand wiens DNA-profiel niet is opgenomen in de DNA-databank, in de zin
dat zijn vrijheid van handelen meer wordt ingeperkt: geen van beiden mag immers
strafbare feiten plegen.</al>
      <al>Samenvattend kan worden vastgesteld dat het criterium van de ernst van
de sanctie geen aanleiding geeft te veronderstellen dat het voorziene DNA-onderzoek
een straf in de zin van artikel 7 EVRM oplevert. Dit oordeel wordt door de
heer De Hullu zonder aarzeling gedeeld. De heer Lawson is in zijn advies,
als gezegd, van mening dat de veroordeelde in een nadeliger positie wordt
gebracht ingeval het verkregen DNA-profiel ook wordt gebruikt voor het opsporen,
vervolgen en berechten van strafbare feiten die voor de inwerkingtreding van
deze wet zijn begaan. Op grond van de zaak Welch voorziet hij de mogelijkheid
dat het EHRM het gebruik van het DNA-profiel van de veroordeelde voor de opsporing
van oude feiten als een «more far-reaching detriment» karakteriseert
en daarmee als onverenigbaar met artikel 7 EVRM zal beschouwen. Naar het oordeel
van de regering behoeft hiervoor echter niet te worden gevreesd. De ingreep
die uit het voorgestelde DNA-onderzoek voortvloeit, is qua ernst niet vergelijkbaar
met de ingreep die in de zaak Welch aan de orde was. Daar betrof het de ontneming
van wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van ongeveer
60 000 Engelse pond en twee jaar vervangende hechtenis. Het EHRM woog
in zijn oordeel mee dat bij het vaststellen van het te ontnemen bedrag de
mate van schuld van de betrokkene in overweging mocht worden genomen en dat
betrokkene bij gebreke van betaling gevangen kon worden genomen. Bij DNA-onderzoek
bij veroordeelden speelt de mate van schuld geen rol en is de ernst van de
ingreep betrekkelijk gering. Tegen deze achtergrond beschouwd is het niet
aannemelijk dat het EHRM dit als straf zal aanmerken. Het zou overigens ook
merkwaardig zijn indien louter vanwege het gebruik voor de opsporing van oude
feiten een strafkarakter zou moeten worden aangenomen. Eigen aan het verwerken
van DNA-profielen in de DNA-databank is immers dat deze profielen worden vergeleken
met de andere DNA-profielen die daarin zijn of worden opgenomen. Voorzover
bekend wordt in het buitenland dit instrument, ook bij reeds veroordeelden,
op dezelfde wijze gebruikt.</al>
      <al>De mogelijkheid om ten behoeve van het DNA-onderzoek bepaalde dwangmiddelen
toe te kunnen passen leidt, zoals ook de heren De Hullu en Lawson in hun adviezen
aangeven, evenmin tot het oordeel dat er sprake is van een straf. Deze dwangmiddelen
hebben geen afschrikwekkende functie en zijn onvoldoende ingrijpend.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 8 EVRM</tuskop>
      <al>Bij de beoordeling van de voorziene onmiddellijke werking heeft het College
van procureurs-generaal ook artikel 8, tweede lid, EVRM betrokken. Dit artikellid
schrijft voor dat inbreuken op de persoonlijke levenssfeer bij wet zijn voorzien
(«prescribed by law»), in welke eis volgens de rechtspraak van
het EHRM onder andere besloten ligt dat deze inbreuken voorzienbaar zijn.
Het criterium van de voorzienbaarheid stelt een inhoudelijke kwaliteitseis
aan de wet: de wettelijke bepaling die een inbreuk op een fundamenteel recht
toestaat, dient helder en eenduidig te zijn, zodat de justitiabele weet waar
hij aan toe is. De wettelijke bepaling mag geen onduidelijkheid laten bestaan
over de vraag in welke gevallen en onder welke omstandigheden de inbreuk gemaakt
kan worden (vgl. EHRM 4 mei 1999, no. 40084/98, de zaak Choudhary).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het College stelt de vraag of de voorzienbaarheid van een inbreuk aanwezig
dient te zijn vanaf het moment dat een wet in werking treedt en daarmee voorafgaand
aan het maken van de inbreuk, dan wel reeds op het moment van het strafbare
handelen van degene ten aanzien van wie (later) de inbreuk wordt gemaakt.
Het College lijkt in zijn advies uit te gaan van dit laatste en dus voorzienbaarheid
voorafgaand aan de daad van de veroordeelde te eisen. Om de navolgende redenen
deelt de regering deze opvatting niet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De kern van het vereiste dat een inbreuk bij wet moet zijn voorzien, is
dat voor inbreuken die door de overheid op grondrechten van burgers worden
gemaakt een duidelijke en toegankelijke grondslag in het recht aanwezig is.
De reden daarvan is dat zo bescherming tegen willekeurig overheidsoptreden
kan worden geboden omdat de inbreuk aan de regeling kan worden getoetst. Dit
betekent dat er ten tijde van de inbreuk een regeling moet bestaan. In artikel
8, tweede lid, EVRM gaat het derhalve om de voorzienbaarheid op dat moment.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In een aantal uitspraken heeft het EHRM het voorzienbaarheidsvereiste
zo uitgelegd dat dit beoogt de burger in staat te stellen om – zonodig
na juridisch advies te hebben ingewonnen – de consequenties van zijn
handelen te voorzien tot op een hoogte die redelijk is gelet op alle omstandigheden.
Dit kan alleen indien de burger de wet op grond waarvan een inbreuk wordt
gemaakt, op het moment van zijn handelen kent. Deze uitspraken hebben evenwel
betrekking op de uitoefening van rechten zoals de vrijheid van
gedachte, geweten of godsdienst en de vrijheid van meningsuiting, waarin mede
de vrijheid van handelen van de burger wordt afgegrensd. Daarbij ligt het
in de rede de voorzienbaarheidseis zo uit te leggen dat op het moment dat
een burger gebruik maakt van deze rechten, de eventuele consequenties daarvan
te voorzien zijn. In dat verband staat immers de toelaatbaarheid van een bepaalde
wijze van uitoefening van deze rechten centraal. De essentie is dat de burger
zijn gedrag moet kunnen afstemmen op het recht. Deze eis geldt ook in het
materieel strafrecht: op het moment van handelen van de burger moet in de
wet duidelijk zijn aangegeven of dat handelen al dan niet strafbaar is. Bij
DNA-onderzoek bij veroordeelden speelt deze eis daarentegen geen rol, evenmin
als bij andere strafvorderlijke bevoegdheden. Hierbij staat immers niet de
regulering van het handelen van de burger, maar die van het overheidsoptreden
centraal. Op het moment dat iemand voor de inwerkingtreding van de Wet DNA-onderzoek
bij veroordeelden bijvoorbeeld een verkrachting of een moord pleegt, weet
hij dat dat strafbaar is. De mogelijkheid dat later bij hem als veroordeelde
DNA-onderzoek wordt verricht, beïnvloedt de ontoelaatbaarheid van zijn
handelen niet. Het zou daarom onredelijk zijn de aanvaardbaarheid van dit
DNA-onderzoek te laten afstuiten op de omstandigheid dat dit DNA-onderzoek
op het moment van het begaan van het misdrijf, niet bij wet was voorzien.
De mogelijkheid om zijn handelen op deze omstandigheid te kunnen afstemmen,
is geen juridische bescherming waard. De omstandigheid dat het DNA-onderzoek
tevens kan bijdragen aan de opsporing van andere reeds gepleegde strafbare
feiten, doet aan het voorgaande niet af. Artikel 8, tweede lid, EVRM beschermt
immers niet een geringere pakkans en bevat evenmin een aanspraak op een ineffectieve
opsporing. Zoals in paragraaf 7 nog aan de orde komt, is ook in het buitenland
DNA-onderzoek bij veroordeelden met onmiddellijke werking ingevoerd; de verkregen
DNA-profielen worden verwerkt in de nationale DNA-databank en vergeleken met
de andere daarin opgenomen DNA-profielen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Steun voor de opvatting dat onmiddellijke werking niet in strijd komt
met het vereiste van voorzienbaarheid kan, met enige voorzichtigheid, worden
gevonden in de zaak Adamson d.d. 7 januari 1999, no. 42293/98, n.n.g., tegen
het Verenigd Koninkrijk. In deze zaak werd geklaagd over de toepassing van
een wet die personen die eerder waren veroordeeld wegens een zedendelict en
hun straf uitzitten, verplicht tot adresregistratie na hun vrijlating. In
zijn beslissing besteedt het EHRM aan de voorziene onmiddellijke werking van
deze wet geen aandacht en beperkt zich bij de beoordeling van de klacht over
artikel 8 EVRM tot de overweging: «Since the measures in question are
set out in clear terms under the Act, it cannot be doubted that they are «in
accordance with the law». Ook kan voor bovenstaande opvatting steun
worden gevonden in de uitspraken van het EHRM in de zaken Khan d.d. 12 mei
2000, appl.nr. 35394/97 en P. G. &amp; J. H. d.d. 25 september 2001, appl.nr
44787/98, beide tegen het Verenigd Koninkrijk. In deze zaken stond de toepassing
van geheime opsporingsmethoden centraal en oordeelde het EHRM, bij de toetsing
aan het criterium «prescribed by law», dat «there was no
domestic law regulating the use of covert listening devices at the relevant
time», waarbij deze «relevant time» duidelijk ziet op het
moment waarop de opsporingsmethoden werden toegepast.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De hier gevolgde uitleg van het begrip «prescribed by law»
sluit aan bij de hoofdregel van het in Nederland geldende strafvorderlijke
overgangsrecht. Deze houdt in dat wijzigingen van het strafprocesrecht onmiddellijk
in werking treden (vgl. HR 11 oktober 1996, NJ 1996, 383 t.z.v. de inbeslagnemingsbevoegdheid
van art. 94a van het Wetboek van Strafvordering). Omdat DNA-onderzoek bij
veroordeelden in de kern het zekerstellen van een opsporingsmiddel
behelst en om die reden als een strafvorderlijk instrument kan worden beschouwd,
ligt het voor de hand om daarop de hoofdregel van strafvorderlijk overgangsrecht
van toepassing te achten. Indien op grond van de voorzienbaarheidseis van
artikel 8 EVRM een ander standpunt zou worden ingenomen, wordt in wezen het
Nederlandse strafvorderlijke overgangsrecht op de helling gezet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Over de vraag of de voorziene onmiddelijke werking van het DNA-onderzoek
bij veroordeelden strijdig is met het voorzienbaarheidsvereiste als bedoeld
in artikel 8, tweede lid, EVRM is advies gevraagd aan de hoogleraren De Hullu
en Lawson. Het hiervoor uiteengezette standpunt van de regering komt in belangrijke
mate overeen met het advies van de heer De Hullu. Het gaat in artikel 8, tweede
lid, EVRM volgens de heer De Hullu om de voorzienbaarheid op het moment dat
inbreuk wordt gemaakt op het recht op privacy. De materieelstrafrechtelijke
voorzienbaarheid (op het moment van het plegen van een strafbaar feit) is
zijns inziens een geheel andere, en speelt bij artikel 7 EVRM en zeker niet
bij artikel 8 EVRM. Een andere opvatting zou tot evident onjuiste en onbillijke
resultaten leiden, met name op het terrein van het strafvorderlijk overgangsrecht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer Lawson daarentegen deelt niet de opvatting dat de voorzienbaarheid
van een inbreuk eerst aanwezig behoeft te zijn vanaf het moment dat een wet
in werking treedt en daarmee voorafgaand aan het maken van de inbreuk. Hij
stelt dat in geen enkele Straatsburgse uitspraak dit standpunt wordt ingenomen,
ofschoon een zekere steun ervoor besloten ligt in de beslissing van het EHRM
in de reeds besproken zaak Adamson. Volgens de heer Lawson is het doel van
de voorzienbaarheidseis in de Straatsburgse jurisprudentie vooral de burger
te informeren over de reikwijdte van de bevoegdheden van de overheid en hem
in staat te stellen zijn optreden aan te passen aan de mogelijke juridische
reacties van de overheid. Hij meent dat deze uitleg ook van toepassing is
op wetgeving met onmiddellijke werking. De regering is daarentegen van oordeel
dat in de onderhavige context de – op het moment van handelen van de
dader – vereiste voorzienbaarheid betrekking heeft op het strafbare
karakter van zijn handelen, maar niet ook op strafvorderlijke bevoegdheden
die ter opheldering van strafbaar handelen kunnen worden ingezet. Dit is in
het voorgaande uitvoerig uiteengezet.</al>
      <tuskop letat="cur">Tot slot</tuskop>
      <al>Uit het voorgaande kan de conclusie worden getrokken dat de bepaling met
betrekking tot reeds veroordeelden in het voorgestelde artikel 8 geen strijd
oplevert met de artikelen 7 en 8 van het EVRM, zoals dat wordt uitgelegd door
het EHRM. Omdat het DNA-onderzoek naar Nederlands recht niet als straf of
strafrechtelijke maatregel kan worden aangemerkt, is evenmin sprake van strijdigheid
met artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht.</al>
      <al>Deze conclusies nemen niet weg dat de bedoelde bepaling in het voorgestelde
artikel 8 betrekkelijk vergaand kan worden genoemd, nu de reeds veroordeelden
alsnog worden onderworpen aan een DNA-onderzoek. De regering is zich er daarbij
terdege van bewust dat het hier gaat om een opsporingsmiddel waarvan de toepassing
ingrijpende gevolgen kan hebben, omdat het iemand met een betrekkelijk grote
mate van zekerheid in verband kan brengen met een strafbaar feit, ook een
uit een ver verleden. Indien daardoor een verdenking ontstaat, kan dit, zolang
het recht tot strafvordering nog niet is verjaard, leiden tot vervolging en
berechting. Het is naar het oordeel van de regering evenwel van groot belang
en alleszins gerechtvaardigd dat van veroordeelden wegens ernstige misdrijven
wordt verlangd dat zij celmateriaal afstaan ten behoeve van het
bepalen en verwerken van hun DNA-profiel, alvorens zij weer in vrijheid worden
gesteld.</al>
      <al>Beide gezichtspunten afwegend is ervoor gekozen het DNA-onderzoek bij
reeds veroordeelden in twee opzichten te beperken.</al>
      <al>In de eerste plaats zal geen DNA-onderzoek worden bevolen bij veroordeelden
die op het moment van inwerkingtreding van de wet hun straf of maatregel reeds
volledig hebben ondergaan. Bij de keuze voor deze beperking zijn, naast de
rechtszekerheid, ook het belang van de resocialisatie en het in paragraaf 2
genoemde advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing en het College
van advies voor de justitiële kinderbescherming, van 28 februari 2000,
meegewogen.</al>
      <al>Deze kwestie is ook aan de orde gekomen in antwoord op vragen van de heer
Dittrich over verplichte afname van DNA bij ex-ter beschikking gestelden (Handelingen
II 2001/02, 344). Daarin heeft de toenmalige Minister van Justitie aangegeven
dat hij er geen voorstander van is om hen te benaderen met het verzoek celmateriaal
af te staan voor DNA-onderzoek. Personen van wie de terbeschikkingstelling
is geëindigd en die inmiddels weer in de samenleving zijn opgenomen,
mogen erop rekenen dat het strafrechtelijk overheidsingrijpen naar aanleiding
van het door hen gepleegde delict, definitief tot een einde is gekomen. Bovendien
is ten aanzien van hen geoordeeld dat zij geen gevaar meer vormen voor de
veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen en goederen.
Het gaat om deze redenen te ver om deze personen alsnog – in veel gevallen
geruime tijd nadat hun terbeschikkingstelling is beëindigd – te
benaderen met de vraag of zij bereid zijn mee te werken aan een DNA-onderzoek.
Tevens heeft de toenmalige minister aangegeven dat om gelijke redenen deze
personen evenmin tot DNA-onderzoek gedwongen moeten worden. In een brief van
5 december 2001 heeft de minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer medegedeeld
dat hij om soortgelijke redenen evenmin bereid is personen die een vrijheidsstraf
volledig hebben ondergaan, te verplichten om celmateriaal voor DNA-onderzoek
af te staan. In het onderhavige wetsvoorstel wordt aan deze beleidslijn onverminderd
vastgehouden.</al>
      <al>De beperking dat het DNA-onderzoek alleen wordt verricht bij veroordeelden
die hun straf of maatregel ondergaan of nog moeten ondergaan, houdt tevens
in dat geen DNA-onderzoek wordt verricht bij reeds veroordeelden die uitsluitend
een voorwaardelijke straf of maatregel opgelegd hebben gekregen. Ook ter beschikking
gestelden van wie op het moment van inwerkingtreding van de wet de verpleging
van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd, vallen buiten de reikwijdte
van artikel 8.</al>
      <al>De tweede beperking met betrekking tot reeds veroordeelden houdt in dat
het DNA-onderzoek alleen wordt bevolen bij personen die bij hun veroordeling
een vrijheidsbenemende straf of strafrechtelijke maatregel kregen opgelegd;
personen aan wie een taakstraf is opgelegd, vallen er derhalve buiten. Hierdoor
wordt de toepassing van DNA-onderzoek bij reeds veroordeelden gericht op de
zwaardere gevallen, waarin dit het meest aangewezen is.</al>
      <al>Met de beperkingen die in artikel 8 zijn aangebracht, wordt tevens beoogd
zo veel mogelijk recht te doen aan het in artikel 8, tweede lid, van het EVRM
besloten liggende proportionaliteitsbeginsel.</al>
      <tuskop letat="vet">7. DNA-onderzoek bij veroordeelden in het buitenland</tuskop>
      <al>Ter voorbereiding van het onderhavige wetsvoorstel is onderzocht onder
welke voorwaarden en op welke wijze in het buitenland celmateriaal van veroordeelden
wordt afgenomen voor DNA-onderzoek. In de ons omringende landen en in de Verenigde
Staten treffen we grofweg twee systemen aan. In sommige landen is afname van
celmateriaal van veroordeelden bij bepaalde ernstige delicten wettelijk voorgeschreven.
De noodzaak van DNA-afname wordt dan niet bij iedere veroordeelde afzonderlijk beoordeeld, maar ligt besloten in de wettelijke voorwaarden voor DNA-afname
en in de aangewezen categorie delicten. Het tweede systeem– dat in enkele
andere landen wordt toegepast – houdt in dat bij iedere veroordeelde
afzonderlijk de noodzaak tot DNA-afname wordt beoordeeld.</al>
      <al>In de kern beogen beide systemen hetzelfde, namelijk bijdragen aan de
voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de
veroordeelde waarbij DNA-onderzoek van betekenis kan zijn.</al>
      <al>De categorie delicten waarbij DNA van veroordeelden wordt afgenomen, varieert
enigszins per land, maar de nadruk ligt ontegenzeggelijk op gewelds- en zedendelicten.
In nagenoeg alle onderzochte landen is DNA-afname verder niet afhankelijk
van de soort of duur van de sanctie die in het concrete geval is opgelegd.
Dit betekent dat ook indien geen vrijheidsbenemende straf of strafrechtelijke
maatregel is opgelegd, DNA-afname bij de veroordeelde mogelijk is. Verder
wordt in het buitenland hetgeen in Nederland wordt aangeduid als ontslag van
alle rechtsvervolging wegens niet-toerekenbaarheid bij gebrekkige ontwikkeling
of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, met veroordeling gelijkgesteld.</al>
      <al>DNA-afname bij veroordeelden wordt ten slotte in de meeste onderzochte
landen ook toegepast bij personen die al waren veroordeeld voordat de regeling
in werking trad.</al>
      <al>In het navolgende zal kort bij de onderzochte Europese landen worden stilgestaan.
Zoals gezegd bestaat ook in de Verenigde Staten wetgeving met betrekking tot
DNA-onderzoek bij veroordeelden. Deze wetgeving wordt in veel staten ook toegepast
op personen die voor de inwerkingtreding van de betreffende wet reeds waren
veroordeeld. Gelet op de niet-punitieve aard van het DNA-onderzoek bij veroordeelden
wordt dit niet in strijd geacht met de «ex post facto clause»
(vgl. o.a. in Virginia: Jones v. Murray, 962 F.2d 302 (4th Circ. 4/92); in
Oregon: Rise v. Oregon, 59 F.3d 1556 (9th Circ. 7/95); in Illinois: Gilbert
v. Peters, 55 F.3d 237 (7th Circ. 5/95)).</al>
      <tuskop letat="cur">Engeland &amp; Wales</tuskop>
      <al>In Engeland en Wales is door een aanpassing van de Police and Criminal
Evidence Act in 1997 de bevoegdheid gecreëerd om bij veroordeelden die
voor 10 april 1995 zijn veroordeeld wegens seksuele delicten, geweldsdelicten
en een aantal andere delicten, celmateriaal voor DNA-onderzoek af te nemen.
Dit is uiteraard een bevoegdheid met een tijdelijk karakter. Sinds 10 april
1995 is het reeds mogelijk om bij verdachten en bij personen die vanaf die
datum zijn veroordeeld DNA-onderzoek te verrichten. Het gaat in beide gevallen
om wettelijke bevoegdheden die aan de politie zijn toegekend en die zonder
beoordeling in concreto worden uitgeoefend. Bij veroordeling is niet vereist
dat een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd.</al>
      <tuskop letat="cur">Duitsland</tuskop>
      <al>In Duitsland geldt sinds enkele jaren de zogenoemde DNA-Identitätsfeststellungsgesetz.
Deze maakt het mogelijk om bij verdachten en bij veroordeelden celmateriaal
voor DNA-onderzoek af te nemen «zum Zwecke der Identitätsfeststellung
in künftigen Strafverfahren». Eerder al was de mogelijkheid ingevoerd
van DNA-onderzoek bij verdachten ten behoeve van een lopend opsporingsonderzoek.</al>
      <al>De bevoegdheid kan worden aangewend ten opzichte van personen die wegens
een in art. 81g Strafprozessordnung (StPO) genoemd strafbaar feit zijn veroordeeld
of wegens ontoerekeningsvatbaarheid zijn ontslagen van alle rechtsvervolging,
en waarvan de registratie nog niet uit het strafregister is verwijderd. De
wet is ook van toepassing op personen die reeds voor de inwerkingtreding van
de wet waren veroordeeld, zelfs indien zij hun straf reeds hebben uitgezeten.
Artikel 81g StPO spreekt van een «strafbaar feit van aanzienlijke
betekenis», in het bijzonder een misdrijf waarop minimaal een jaar gevangenisstraf
is gesteld, een overtreding tegen de seksuele zelfbeschikking, het toebrengen
van gevaarlijk lichamelijk letsel, een diefstal onder bijzonder zware omstandigheden
of chantage. Het gaat hier om een niet-limitatieve opsomming, waarbij moet
worden aangetekend dat een «strafbaar feit van aanzienlijke betekenis»
in Duitsland een bestaand juridisch begrip is, waarvan bepaalde facetten nader
zijn afgebakend.</al>
      <al>Verder is voor de afname van celmateriaal vereist dat wegens de aard of
de uitvoering van de daad, de persoonlijkheid van de veroordeelde of wegens
andere omstandigheden aannemelijk is, dat in de toekomst opnieuw een strafzaak
tegen de betrokkene zal worden aangespannen wegens een van de genoemde strafbare
feiten. Anders gezegd: er moet concreet recidivegevaar aanwezig zijn.</al>
      <al>In het Duitse systeem mag uitsluitend de rechter DNA-onderzoek bij veroordeelden
bevelen. De officier van justitie kan daartoe een vordering indienen. Nadat
de rechter het DNA-onderzoek heeft bevolen, draagt het OM zorg voor de uitvoering.
In dat verband is voorzien in bevoegdheden om personen die reeds op vrije
voeten zijn (desnoods) tot het afstaan van celmateriaal te dwingen.</al>
      <al>In een beslissing van 14 december 2000 heeft het Bundesverfassungsgericht
de voorzieningen van de DNA-Identitätsfeststellungsgesetz grondwettelijk
geoordeeld (BVerfG, 2 BvR 1741/99).</al>
      <tuskop letat="cur">België</tuskop>
      <al>In België is in 1999 een wet tot stand gekomen waarin is voorzien
in DNA-onderzoek, zowel in het voorbereidend onderzoek bij verdachten, als
daarbuiten, bij veroordeelden.</al>
      <al>Het DNA-onderzoek wordt verricht bij personen die zijn veroordeeld tot
gevangenisstraf of tot een zwaardere straf – en bij personen van wie
de internering (bij krankzinnigheid, etc.) definitief is gelast – wegens
het plegen van een van de volgende misdrijven: gijzeling, ontvoering van minderjarigen,
aanranding, verkrachting, verschillende soorten doodslag, waaronder moord,
mishandeling, lichamelijke foltering, diefstal door middel van geweld of bedreiging
gepleegd en afpersing, diefstal of afpersing van kernmateriaal, brandstichting
die verwondingen heeft veroorzaakt en vernieling of beschadiging van eetwaren,
koopwaren of andere roerende eigendommen gepleegd met behulp van geweld of
bedreiging met ziekte of lichamelijk letsel als gevolg.</al>
      <al>De wet verplicht het openbaar ministerie tot het geven van een bevel tot
afname van een hoeveelheid celmateriaal indien in het kader van de procedure
die heeft geleid tot de veroordeling of de beslissing tot internering geen
DNA-profiel van de betrokkene is opgesteld.</al>
      <al>DNA-onderzoek wordt ook bevolen bij personen die voor de inwerkingtreding
van de wet zijn veroordeeld voor een van de genoemde misdrijven en van wie
de vrijheidsberovende straf of interneringsmaatregel «nog niet definitief
ten uitvoer is gelegd».</al>
      <tuskop letat="cur">Oostenrijk</tuskop>
      <al>In Oostenrijk mag sinds 1 september 1999 van veroordeelden wegens een
voor 1 oktober 1997 gepleegd strafbaar feit celmateriaal voor DNA-onderzoek
worden afgenomen, indien: 1. dat feit een «Verbrechen» is, 2.
dat feit kan worden aangemerkt als of samenhangt met een «gefährlichen
Angriff», 3. de veroordeling nog niet is vernietigd, en 4. gelet op
het strafbare feit of de persoonlijkheid van de betrokkene kan worden verwacht
dat hij of zij bij het begaan van verdere «gefährlicher Angriffe»
sporen zal achterlaten die zijn of haar herkenning op grond van DNA-onderzoek
mogelijk maken. Overigens wordt de situatie dat de betrokkene
wegens ontoerekeningsvatbaarheid niet is vervolgd of veroordeeld in dit verband
met veroordeling gelijk gesteld.</al>
      <tuskop letat="vet">8. Organisatorische en financiële consequenties</tuskop>
      <al>De uitvoering van het wetsvoorstel legt een groot beslag op de capaciteit
van de betrokken partners in de strafrechtsketen en op de financiële
middelen. Om deze reden heeft de regering besloten het wetsvoorstel gefaseerd
in te voeren. De eerste fase zal betrekking hebben op veroordeelden wegens
gewelds- en zedenmisdrijven. In een latere fase zal het wetsvoorstel in werking
treden voor veroordeelden wegens andere misdrijven.</al>
      <al>In het navolgende zullen de organisatorische en financiële consequenties
uiteen worden gezet voorzover deze betrekking hebben op de uitvoering van
het DNA-onderzoek bij veroordeelden wegens gewelds- en zedenmisdrijven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De eerste fase van de invoering van dit wetsvoorstel kent twee afzonderlijke
trajecten. Het eerste traject betreft de afname van celmateriaal bij hen die
na inwerkingtreding van het wetsvoorstel worden veroordeeld. Het tweede traject
behelst de zogenaamde «inhaalslag» die inhoudt dat celmateriaal
wordt afgenomen bij hen die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
reeds zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel en deze
sanctie ondergaan of nog moeten ondergaan (zie het voorgestelde artikel 8).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Om voor deze beide trajecten een adequate inschatting te kunnen maken
van de keteneffecten en overige uitvoeringsaspecten is in april 2001 een werkgroep
ingesteld waaraan de verschillende betrokken instanties hebben deelgenomen.
In augustus 2001 heeft de werkgroep haar eindrapport uitgebracht dat vervolgens
door de toenmalige Minister van Justitie voor advies is voorgelegd aan het
College van procureurs-generaal, de Raad van Hoofdcommissarissen en de hoofden
van de inrichtingen. Teneinde de uitvoeringsconsequenties te kunnen aangeven
is allereerst berekend hoeveel personen per jaar wegens gewelds- en zedenmisdrijven
worden veroordeeld tot de in artikel 1, onder c, genoemde straffen of maatregelen
en van wie niet reeds als verdachte een DNA-profiel is vastgesteld. Ten aanzien
van de veroordeelden die onder het eerste traject vallen, komt de schatting
uit op ongeveer 11 000 veroordeelden in 2004, 8000 in 2005, 7000 in 2006
en 6000 in 2007 en volgende jaren. Bij deze schatting is uitgegaan van het
aantal veroordeelden in 2000. In deze schatting is er verder van uitgegaan
dat het aantal veroordeelden van wie in het kader van het voorbereidend onderzoek
al celmateriaal voor DNA-onderzoek is afgenomen, in de loop van de jaren zal
groeien als gevolg van de verruiming van de mogelijkheden tot het afnemen
van celmateriaal bij verdachten die de eerder aangehaalde wet van 5 juli 2001
houdende wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken biedt.
Verder is in de schatting het aantal veroordeelden verdisconteerd dat opnieuw
in aanraking komt met justitie. Van degenen van wie reeds een DNA-profiel
is verwerkt, behoeft ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, niet nog eens
een DNA-profiel te worden vastgesteld.</al>
      <al>Het aantal personen bij wie als gevolg van het tweede traject van de eerste
fase van de inwerkingtreding van deze wet celmateriaal bij wijze van inhaalslag
zal worden afgenomen, bedraagt zo'n 5550. Deze schatting is gebaseerd op de
raming van de dagbezetting over het jaar 2000 in penitentiaire inrichtingen,
TBS-klinieken en justitiële jeugdinrichtingen voor de aangewezen gewelds-
en zedenmisdrijven. In het aantal van 5550 is verdisconteerd het aantal veroordeelden
dat nog aangehouden moet worden in verband met strafexecutie of anderszins
wacht op strafexecutie. Wellicht ten overvloede zij opgemerkt dat het in het
tweede traject gaat om veroordeelden die een vrijheidsbenemende
straf of maatregel (moeten) ondergaan voor een gewelds- of zedendelict; veroordeelden
die andere straffen of maatregelen opgelegd hebben gekregen, vallen er buiten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De werkgroep heeft in haar eindrapport, mede in het licht van de genoemde
aantallen, voor iedere betrokken partner in de strafrechtsketen de organisatorische
en financiële consequenties van dit wetsvoorstel in kaart gebracht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De organisatorische consequenties voor het openbaar ministerie, dat een
sleutelrol in het wetsvoorstel vervult, zijn aanzienlijk. Zo moet het openbaar
ministerie controleren of van de veroordeelde in de DNA-databank reeds een
DNA-profiel is opgenomen, beoordelen of een bevel tot DNA-onderzoek moet worden
uitgevaardigd, een aanhoudingsbevel uitvaardigen indien de betrokkene op het
aangegeven tijdstip niet op het politiebureau verschijnt en controleren of
de veroordeelde niet in hoger beroep wordt vrijgesproken. Het College acht
invoering van het wetsvoorstel slechts verantwoord indien de bijbehorende
werkprocessen van het openbaar ministerie geautomatiseerd ondersteund kunnen
worden. In het kader van de implementatie van de eerder aangehaalde DNA-wet
van 5 juli 2001 wordt gewerkt aan de totstandkoming van een automatiseringssysteem
ten behoeve van de communicatie tussen het openbaar ministerie en het Nederlands
Forensisch Instituut met het oog op het bewaren en vernietigen van DNA-profielen
en celmateriaal. Dit systeem zal naar verwachting in de loop van 2003 gereed
zijn en eveneens kunnen worden toegepast voor DNA-onderzoek bij veroordeelden.
Verder wordt momenteel gewerkt aan de totstandkoming van het Geïntegreerd
Proces Systeem (GPS), de opvolger van het geautomatiseerde Communicatiesysteem
Openbaar Ministerie – Parket Administratie Systeem, kortweg Compas genoemd.
Dit systeem, dat mede benut zal worden ten behoeve van de administratieve
werkzaamheden die uit het wetsvoorstel voortvloeien, zal naar verwachting
in 2004 in gebruik kunnen worden genomen. Aannemelijk is dat zodra beide automatiseringssystemen
operationeel zijn, de werklast die voortvloeit uit de bewakingsmomenten, voor
het openbaar ministerie tot aanvaardbare proporties beperkt zal zijn. De structurele
personeelskosten voor het openbaar ministerie bedragen in 2004 € 1,3
miljoen (in 2005 € 0,9 miljoen, in 2006 € 0,8 miljoen
en in 2007 en volgende jaren € 0,7 miljoen). Een deel van deze kosten
hangt samen met de voorziene bezwaarschriftprocedure. Ervan uitgaande dat
in 10% van het aantal gevallen waarin DNA-onderzoek bij veroordeelden wordt
bevolen, een bezwaarschrift zal worden ingediend, bedragen deze kosten in
2004, evenals in de daarop volgende jaren, € 0,1 miljoen. De overige € 1,2
miljoen zijn kosten voor het personeel, zowel officieren van justitie als
ondersteunend personeel, dat betrokken is bij de uitvoering van de wet, voorzover
deze niet samenhangen met de bezwaarschriftprocedure.</al>
      <al>Verder zijn structurele kosten verbonden aan het onderhoud van het GPS.
Deze bedragen ongeveer € 0,2 miljoen per jaar. Aan het eerder genoemde
communicatiesysteem ten behoeve van het bewaren en vernietigen van DNA-profielen
en celmateriaal zijn naar verwachting voor de uitvoering van deze wet geen
additionele kosten verbonden.</al>
      <al>Naast de structurele kosten zijn er voor het openbaar ministerie eenmalige
kosten. Deze hangen voor een deel samen met het DNA-onderzoek bij reeds veroordeelden
(de zogenaamde inhaalslag). De daarmee verbonden eenmalige personeelskosten
bedragen ongeveer € 0,5 miljoen. In dit bedrag zijn de personeelskosten
verdisconteerd die samenhangen met de mogelijkheid om een bezwaarschrift in
te dienen. Daarbij is uitgegaan van een hoger percentage veroordeelden dat
bezwaar zal aantekenen, te weten 25%. De werkgroep die zich heeft gebogen
over de uitvoeringsaspecten van dit wetsvoorstel, verwacht namelijk dat de
reeds veroordeelden vaker bezwaar zullen aantekenen dan degenen
die na de inwerkingtreding van deze wet worden veroordeeld. Naast de kosten
die samenhangen met DNA-onderzoek bij reeds veroordeelden, zijn er eenmalige
kosten verbonden aan het geschikt maken van het GPS, te weten€ 1,4
miljoen. In totaal bedragen de eenmalige kosten voor het openbaar ministerie
derhalve € 1,9 miljoen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor de zittende magistratuur vloeien kosten voort uit de voorziene bezwaarschriftprocedure.</al>
      <al>De NVvR heeft in haar advies over het conceptwetsvoorstel aangegeven een
stortvloed van bezwaarschriften niet uit te sluiten, omdat in de bezwaarschriftprocedure
onder meer de toepassing door de officier van justitie van de uitzonderingsclausule
in artikel 2, eerste lid, onder b, ter discussie kan worden gesteld. Anders
dan de NVvR is de regering niet bevreesd voor een stortvloed van bezwaarschriften,
voorzover het gaat om personen die na de inwerkingtreding van deze wet worden
veroordeeld. Bij de toepassing van de regeling van het DNA-onderzoek in het
voorbereidend onderzoek, zoals deze luidde voor 1 november 2001, is gebleken
dat van het recht tot het indienen van een bezwaarschrift niet of nauwelijks
gebruik is gemaakt (artikel 195e oud, Sv). Tot op zekere hoogte rechtvaardigt
dit de verwachting dat het aantal bezwaarschriften beperkt zal blijven. Weliswaar
is de situatie bij veroordeelden in die zin anders dat de verdachte in het
voorbereidend onderzoek eventuele verweren ter zake van het DNA-onderzoek
alsnog ter terechtzitting kan voeren, terwijl de veroordeelden deze mogelijkheid
ontbeert, althans voorzover het DNA-onderzoek niet leidt tot een nieuwe strafzaak.
Niettemin lijkt vrees voor een stortvloed van bezwaarschriften niet op zijn
plaats. Zoals eerder is aangegeven, heeft de genoemde uitzonderingsclausule
immers slechts een beperkte reikwijdte, waarvan de beoordeling in concrete
gevallen in handen van de rechters in raadkamer ligt. Waarschijnlijk zullen
in het eerste stadium na de inwerkingtreding van deze wet de grenzen van de
clausule nader worden afgetast. Indien deze grenzen na verloop van tijd voorzover
nodig nader zijn afgebakend, zal naar verwachting het aantal bezwaarschriften
afnemen. Een redelijke schatting lijkt te zijn dat 10% van degenen die na
inwerkingtreding van deze wet worden veroordeeld, een bezwaarschrift zal indienen.
Verwacht wordt, zoals eerder is aangegeven, dat het percentage bij de reeds
veroordeelden hoger zal liggen, te weten 25%.</al>
      <al>Ervan uitgaande dat 25% van de reeds veroordeelden een bezwaarschrift
indienen, bedragen de daarmee gemoeide eenmalige personeelskosten € 0,2
miljoen. De structurele personeelskosten bedragen, ervan uitgaande dat 10%
van degenen die na de inwerkingtreding van deze wet worden veroordeeld, bezwaar
aantekenen, € 0,2 miljoen in 2004 en € 0,1 miljoen in
de daarop volgende jaren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De toepassing van DNA-onderzoek bij veroordeelden genereert ook kosten
voor de politie. De eenmalige kosten die verbonden zijn aan de inhaalslag,
vloeien voort uit het feit dat een deel van de reeds veroordeelden de hun
opgelegde vrijheidsbenemende straf of maatregel nog moet ondergaan. De werkgroep
gaat ervan uit dat dit in totaal 1500 personen betreft. Er wordt van uitgegaan
dat 15% van deze personen zich na betekening van het bevel tot het afnemen
van celmateriaal zelf meldt, te weten 225 personen. Dat betekent dat 1225
personen door de politie moeten worden aangehouden. De totale eenmalige kosten,
verbonden aan beide groepen, alsmede de kosten voor de identificatie en het
afnemen van het celmateriaal door een arts of een verpleegkundige bedragen € 0,8
miljoen.</al>
      <al>Bij de structurele kosten van de politie is als uitgangspunt gehanteerd
dat van de 11 000 veroordeelden in 2004 20%, dat wil zeggen 2200 personen
vastzitten. 8800 personen hebben een taakstraf of een voorwaardelijke straf of maatregel opgelegd gekregen of zijn in afwachting van de
tenuitvoerlegging van een aan hen opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende
straf of maatregel. Ten aanzien van deze 8800 personen wordt eveneens verondersteld
dat 15% van hen zich vrijwillig zal melden. De politiekosten voor beide groepen
betreffen het zonodig aanhouden van de betrokkenen, het vaststellen van hun
identiteit en het afnemen van het celmateriaal. Deze kosten bedragen in totaal € 4,8
miljoen. De kosten voor de zelfmelders bedragen € 0,4 miljoen. Het
totaal van deze kosten in 2004 is derhalve € 5,2 miljoen. Daarna
lopen de jaarlijkse kosten af tot een bedrag € 2,8 miljoen in 2007
en de daarop volgende jaren.</al>
      <al>Aandacht verdient dat op termijn ook inverdieneffecten kunnen optreden
doordat als gevolg van de toepassing van DNA-onderzoek in een substantieel
aantal zaken het bewijs tegen de dader in eerder stadium rondgemaakt kan worden.
In die zaken waarin op de plaats van het delict of op het slachtoffer aangetroffen
celmateriaal overeenkomt met het opgeslagen DNA-profiel van de veroordeelde,
kan het opsporingsonderzoek immers sneller worden toegespitst en kunnen potentiële
daders worden uitgesloten. Dit kan een positief effect hebben op de duur van
het opsporingsonderzoek. Omdat niet kan worden voorspeld in hoeveel zaken
dergelijke inverdieneffecten zich zullen voordoen, is het niet mogelijk deze
inverdieneffecten te schatten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De kosten waarmee de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) bij de
uitvoering van deze wet zal worden geconfronteerd, vloeien voort uit de inzet
van inrichtingspersoneel en van artsen en verpleegkundigen. Bij de bereking
van deze kosten zijn de volgende aantallen veroordeelden gehanteerd. Van de
5550 reeds veroordeelden ten aanzien van wie de zogenaamde inhaalslag zal
worden gemaakt, ondergaan 4000 personen hun straf of maatregel bij de inwerkingtreding
van de wet (1500 personen zijn in afwachting van de tenuitvoerlegging van
hun vonnis – zie hierboven bij de politie –, terwijl 50 personen
in een psychiatrische inrichting verblijven). De kosten van deze inhaalslag
bedragen € 0,9 miljoen. De structurele kosten voor DJI dalen per
jaar met het aantal veroordeelden dat vastzit en bedragen in 2004 € 0,5
miljoen en in 2007 en de daarop volgende jaren € 0,3 miljoen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de uitvoering van deze wet is ook het Centraal Justitieel Incassobureau
(CJIB) te Leeuwarden betrokken. Bij het CJIB is namelijk de zogenoemde verwijsindex
personen (VIP) ondergebracht. In het kader van de implementatie van de DNA-wet
van 5 juli 2001 wordt onderzocht of een koppeling kan worden gelegd tussen
de gegevens uit de DNA-databank van het Nederlands Forensisch Instituut en
de VIP. Deze koppeling zou, voorzover hier van belang, inhouden dat door het
NFI aan het CJIB wordt aangegeven dat van een bepaalde persoon een DNA-profiel
is opgenomen in de DNA-databank. Daardoor zouden politie en justitie op eenvoudige
wijze kunnen nagaan of van een persoon een DNA-profiel is vastgelegd in de
DNA-databank. Dit laatste gegeven is ook van nut voor de uitvoering van het
onderhavige wetsvoorstel, zie het voorgestelde artikel 2, eerste lid, onder
a. Indien de hiervoor genoemde koppeling tot stand is gekomen, zijn aan de
uitvoering van dit wetsvoorstel geen extra kosten voor het CJIB verbonden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor het Nederlands Forensisch Instituut betekent het onderhavige wetsvoorstel
dat meer DNA-onderzoeken zullen moeten worden verricht. Voor wat betreft de
inhaalslag gaat het om 5550 personen, het aantal veroordeelden bedraagt, zoals
aangegeven, in 2004 11 000, 8000 in 2005, 7000 in 2006 en 6000 in 2007
en volgende jaren. De eenmalige kosten voor het bepalen van hun DNA-profielen
bedragen € 0,3 miljoen, de structurele kosten zijn in 2004 € 0,7
miljoen euro en lopen af naar € 0,4 miljoen in 2006 en volgende
jaren. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het totaal van de hiervoor genoemde kosten voor de betrokken partners
in de strafrechtsketen bedragen eenmalig € 4,1 miljoen en structureel
in 2004 € 8,1 miljoen, in 2005 € 6 miljoen, in 2006 € 5,2
miljoen en in 2007 en volgende jaren € 4,6 miljoen. Indien daarvoor
toereikende informatie beschikbaar is, zal een jaar na de eerste fase van
de inwerkingtreding van deze wet een evaluatie plaatsvinden van de aantallen
veroordeelden waarvan bij de berekening is uitgegaan, evenals van de kosten
die aan de DNA-onderzoeken zijn verbonden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tot slot mag worden verwacht dat door de toename van het aantal DNA-profielen
in de DNA-databank, die het gevolg is van de uitvoering van deze wet, meer
zaken zullen worden opgehelderd en voor de rechter zullen worden gebracht.
Daardoor zal er groter beslag worden gelegd op de capaciteit van vrijwel alle
partners in de strafrechtsketen. Het is niet mogelijk aan te geven om hoeveel
extra strafzaken het zal gaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het is de bedoeling dat de invoering van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden
wordt begeleid door een implementatieproject, waarbij alle partners in de
strafrechtsketen worden betrokken. Dit implementatieproject zal op korte termijn
worden gestart.</al>
      <tuskop letat="vet">9. Artikelsgewijze toelichting</tuskop>
      <al>In het voorgaande zijn de meeste artikelen van het onderhavige voorstel
van wet reeds op hoofdpunten toegelicht. In aanvulling daarop wordt in het
navolgende bij elk artikel van het wetsvoorstel nog een toelichting gegeven.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1</tuskop>
      <al>Artikel 1, onder a, is inhoudelijk gelijk aan artikel 138a van het Wetboek
van Strafvordering waarin een definitie van DNA-onderzoek wordt gegeven. Onder
DNA-onderzoek wordt volgens artikel 138a verstaan het onderzoek van celmateriaal
dat uitsluitend is gericht op de vergelijking van DNA-profielen. Dat betekent
dat het onderzoek uitsluitend mag worden verricht voor profielvergelijking
en dus bijvoorbeeld niet gericht mag zijn op het verkrijgen van andere informatie
die uit het celmateriaal kan worden afgeleid.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1, onder c, juncto artikel 2, eerste lid</tuskop>
      <al>Het eerste lid, onder c, definieert de veroordeelde als een persoon die
in eerste aanleg is veroordeeld wegens een aangewezen misdrijf. Dat betekent
dat niet is vereist dat de veroordeling onherroepelijk is. Daarvoor is een
aantal redenen. Tussen de veroordeling in eerste aanleg en de beslissing in
cassatie ligt doorgaans geruime tijd. De betrokkene kan zich gedurende die
tijd schuldig maken aan een nieuw strafbaar feit. Hij kan zich dan immers
op vrije voeten bevinden, bijvoorbeeld omdat hij is veroordeeld tot een taakstraf,
omdat hij wacht op een oproep tot het uitzitten van zijn straf of maatregel
of omdat hij de in eerste aanleg opgelegde vrijheidsbenemende straf of maatregel
reeds heeft uitgezeten. Ook kan de veroordeelde gedurende zijn verblijf in
de (penitentiaire) inrichting of tijdens een verlof of ontvluchting, strafbare
feiten plegen voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn.
Door direct na de veroordeling in eerste aanleg het DNA-profiel van de veroordeelde
te bepalen kan ook in deze gevallen worden bijgedragen aan een snellere opheldering
van de gepleegde strafbare feiten. Ook kan daardoor direct worden bijgedragen
aan het voorkomen van strafbare feiten, doordat de wetenschap dat zijn DNA-profiel
bekend is bij justitie, de veroordeelde ervan kan weerhouden opnieuw strafbare
feiten te plegen. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De NOvA en het College zijn van oordeel dat DNA-onderzoek moet worden
beperkt tot onherroepelijk veroordeelden. De NOvA vindt de hierboven aangevoerde
redenen niet zwaarwegend genoeg. Het College betwijfelt de noodzaak van DNA-afname
na veroordeling in eerste aanleg omdat niet duidelijk is hoeveel personen
strafbare feiten plegen tussen de veroordeling in eerste aanleg en het tijdstip
waarop de veroordeling onherroepelijk is. Verder ontstaan volgens het College
veel bewakingsmomenten omdat in veel gevallen hoger beroep en cassatie worden
ingesteld. Ingeval deze rechtsmiddelen ertoe leiden dat de betrokkene alsnog
wordt vrijgesproken, zal het openbaar ministerie het Nederlands Forensisch
Instituut daarvan op de hoogte moeten brengen opdat het celmateriaal en het
DNA-profiel van de veroordeelde worden vernietigd. Ten slotte voorziet het
College problemen in de sfeer van het onrechtmatig verkregen bewijs ingeval
na veroordeling in eerste aanleg in zaak A aan de hand van het DNA-profiel
een match plaatsvindt die leidt tot een nieuwe zaak B en de betrokkene vervolgens
in hoger beroep van zaak A wordt vrijgesproken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De argumenten van de NOvA en het College hebben geen aanleiding gegeven
het wetsvoorstel te beperken tot onherroepelijk veroordeelden. In de eerste
plaats heeft de praktijk uitgewezen dat het voorkomt dat personen voor het
tijdstip waarop hun veroordeling onherroepelijk is geworden, een nieuw strafbaar
feit plegen. In de tweede plaats kan worden opgemerkt dat, zoals in paragraaf 8
is aangegeven, in het kader van de eerder aangehaalde DNA-wet van 5 juli 2001
wordt gewerkt aan de totstandkoming van een automatiseringssysteem ten behoeve
van de communicatie tussen het openbaar ministerie en het Nederlands Forensisch
Instituut met het oog op het bewaren en vernietigen van DNA-profielen en celmateriaal.
Dit systeem zal naar verwachting in de loop van 2003 gereed zijn en eveneens
kunnen worden toegepast voor DNA-onderzoek bij veroordeelden. Verder wordt
momenteel gewerkt aan de totstandkoming van het GPS. Dit systeem, dat mede
benut zal worden ten behoeve van de administratieve werkzaamheden die uit
het wetsvoorstel voortvloeien, zal naar verwachting in 2004 in gebruik kunnen
worden genomen. Aannemelijk is dat zodra beide automatiseringssystemen operationeel
zijn, de werklast die voortvloeit uit de bewakingsmomenten, voor het openbaar
ministerie tot aanvaardbare proporties beperkt zal zijn. Tot slot speelt het
punt van het onrechtmatig verkregen bewijs ook bij DNA-onderzoek bij verdachten
van wie DNA wordt afgenomen. DNA-onderzoek bij verdachten omvat vergelijking
met de andere in de DNA-databank vastgelegde DNA-profielen (artikel 151a,
zesde lid, 195a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel
14, vijfde lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken). Dit impliceert
dat op rechtmatige wijze profielvergelijking plaatsvindt met DNA-profielen
van verdachten, ook al worden zij later vrijgesproken of buiten vervolging
gesteld. Het is niet goed voorstelbaar waarom dit bij personen die in eerste
aanleg zijn veroordeeld, maar in appel worden vrijgesproken, anders zou liggen.
Er zou dan immers op de grondslag van een veroordeling minder mogelijk zijn
dan op grondslag van een verdenking.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het spreekt voor zich dat het celmateriaal en het daaruit verkregen DNA-profiel
worden vernietigd zodra de veroordeling in eerste aanleg wordt gevolgd door
een vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging waarbij geen maatregel
als bedoeld in artikel 37, 37a juncto 37b of 38, 38m of 77s van
het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd. Deze waarborg zal worden vastgelegd
in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van
dit wetsvoorstel. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 1, onder d</tuskop>
      <al>Onder het begrip «opsporingsambtenaar» als bedoeld in artikel
1, onder d, van dit wetsvoorstel vallen niet alleen ambtenaren van politie,
maar ook militairen van de Koninklijke marechaussee als bedoeld in artikel
141, onder c, van het Wetboek van Strafvordering. Het is namelijk van belang
dat deze militairen kunnen worden ingeschakeld bij de toepassing van de bevoegdheden
zoals neergelegd in de artikelen 4 en 6 van dit wetsvoorstel, indien het een
persoon betreft die veroordeeld is voor een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis
is toegelaten en de Koninklijke marechaussee ingevolge artikel 6 van de Politiewet
1993 een taak heeft.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 2</tuskop>
      <al>Eerste lid</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het eerste lid verplicht de officier van justitie in beginsel een bevel
tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek te geven. Het is van belang
dat hij dit zo spoedig mogelijk na de veroordeling doet, zodat het belang
van de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten
van de veroordeelde direct kan worden gediend.</al>
      <al>Het kan overigens niet zo zijn, zoals in paragraaf 5.5 reeds is gesteld,
dat de officier van justitie het bevel pas geeft op het moment dat de veroordeelde
verdachte is geworden in een nieuwe strafzaak waarover deze officier de leiding
heeft. Dat zou immers rechtsongelijkheid meebrengen in de behandeling van
veroordeelden en, in de hierna te noemen situatie, ook van verdachten. De
Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden zou, indien de officier van justitie het
bevel pas geeft op het moment dat de veroordeelde verdachte is geworden in
een nieuwe strafzaak, worden aangewend in het belang van het onderzoek tegen
de verdachte. Indien de wet op deze wijze wordt aangewend, kan de eis van
ernstige bezwaren, voorzien in artikel 151b, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering, worden omzeild. Dat is in strijd met de bedoeling van de wetgever.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er is overwogen te bepalen dat de officier van justitie het bevel tot
het afnemen van celmateriaal niet geeft dan nadat de veroordeelde is gehoord,
althans opgeroepen. Dat zou aansluiten bij de artikelen 151b, tweede lid,
en 195d, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, die zien op het bevel
van de officier van justitie, respectievelijk de rechter-commissaris tijdens
het voorbereidend onderzoek. Deze hoorplicht heeft in het voorbereidend onderzoek
vooral tot doel vast te kunnen stellen of ernstige bezwaren tegen de verdachte
bestaan en of het belang van het onderzoek het bevel tot afname van celmateriaal
voor DNA-onderzoek rechtvaardigt. Daarnaast strekt het ertoe de verdachte
in de gelegenheid te stellen in te stemmen met het afnemen van celmateriaal.</al>
      <al>In het voorbereidend onderzoek kent de officier van justitie in de meeste
gevallen de verdachte ten aanzien van wie hij een bevel tot DNA-onderzoek
overweegt, nog niet of nauwelijks. Dat is het gevolg van het stadium waarin
de zaak zich bevindt. Het horen van de verdachte is dan een belangrijk instrument
om nadere gegevens te verwerven. Dit laatste ligt anders ten aanzien van de
veroordeelde. Gedurende de behandeling van de zaak van de veroordeelde heeft
de officier van justitie aan de hand van het strafdossier en de terechtzitting
immers inzicht kunnen verkrijgen in het belang van een eventueel DNA-onderzoek
bij de betrokkene na zijn veroordeling. Op grond van dat inzicht is hij in
staat te beoordelen of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken
van het DNA-profiel van de veroordeelde al of niet van betekenis zal kunnen
zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare
feiten van de veroordeelde. De officier van justitie heeft er daarom weinig
belang bij de betrokkene in dit stadium te horen. Het staat de veroordeelde
verder vrij de officier van justitie langs andere weg te verzoeken af te zien
van het bevel tot afname van zijn celmateriaal voor DNA-onderzoek. Daarbij
komt dat de betrokkene, anders dan in het voorbereidend onderzoek, een bezwaarschrift
bij de rechtbank kan indienen tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel.
Om deze redenen is ervoor gekozen in het onderhavige wetsvoorstel geen hoorplicht
voor de officier van justitie op te nemen. De andere functie die deze hoorplicht
in het voorbereidend onderzoek heeft, te weten het bieden van de gelegenheid
in te stemmen met afname van celmateriaal, vormt daarvoor op zichzelf onvoldoende
grond.</al>
      <tuskop letat="rom">Tweede lid</tuskop>
      <al>Het eerste lid stelt als regel voorop dat DNA-onderzoek wordt verricht
aan de hand van afgenomen celmateriaal. Slechts indien er naar het oordeel
van de officier van justitie zwaarwegende redenen zijn, is het toegestaan
het DNA-onderzoek aan ander celmateriaal van de veroordeelde te laten verrichten
dan aan van hem afgenomen celmateriaal. DNA-onderzoek aan celmateriaal op
voorwerpen is met andere woorden alleen bij wijze van uitzondering toegestaan.</al>
      <al>Weliswaar maakt DNA-onderzoek aan celmateriaal dat de verdachte op voorwerpen
heeft achtergelaten, geen inbreuk op zijn lichamelijke integriteit, maar de
lichamelijke integriteit is niet de enige maatstaf bij het vaststellen van
de primaire methode voor het verkrijgen van celmateriaal. Bij DNA-onderzoek
aan afgenomen celmateriaal wordt verzekerd dat de betrokkene weet dat met
betrekking tot zijn celmateriaal DNA-onderzoek wordt verricht. Verder heeft
de praktijk uitgewezen dat sporenmateriaal op bijvoorbeeld koffiekopjes of
tandenborstels lang niet altijd kwalitatief goed materiaal oplevert voor DNA-onderzoek.
Bovendien is niet ondenkbaar dat de veroordeelde voorwerpen afstaat die niet
van hem zijn of waarop hij celmateriaal van een ander heeft achtergelaten.
Dergelijke complicaties zijn er niet indien celmateriaal rechtstreeks van
hem wordt afgenomen. Tot slot is het eenvoudiger en goedkoper om een DNA-profiel
te bepalen uit afgenomen celmateriaal dan uit celmateriaal dat op voorwerpen
aanwezig is. Onderzoek aan dat laatste materiaal is intensiever, terwijl er
geen zekerheid bestaat dat een DNA-profiel wordt vastgesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met het bovenstaande wordt aangesloten bij de artikelen 151c, eerste lid,
en 195e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, waarin eveneens is
bepaald dat DNA-onderzoek primair aan afgenomen celmateriaal van de verdachte
plaatsvindt en secundair, in geval van zwaarwegende redenen, aan ander celmateriaal
van de verdachte dan afgenomen celmateriaal.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er zijn in het kader van dit wetsvoorstel twee situaties waarin van zwaarwegende
redenen sprake kan zijn. De eerste situatie is die waarin de veroordeelde
zich met hand en tand verzet tegen het afnemen van zijn celmateriaal en er
voldoende ander celmateriaal van hem beschikbaar is. De tweede situatie betreft
de veroordeelde die is gevlucht of anderszins onvindbaar is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In artikel 5, eerste lid, is bepaald dat ingeval van verzet van de veroordeelde
tegen de afname van wangslijmvlies wordt uitgeweken naar de afname van bloed
of haarwortels. Bij de afname van deze twee laatste soorten celmateriaal kan
zonodig de hulp worden ingeroepen van de sterke arm of, voorzover de veroordeelde
in een inrichting verblijft, de directeur of het hoofd van de inrichting.
Verzet houdt in dat door het gedrag van de veroordeelde de afname van wangslijmvlies
niet mogelijk is. Bij de afname van bloed of haarwortels waarnaar in dit geval
wordt uitgeweken, kan indien nodig geweld worden toegepast. Verzet met hand en tand is eerst aan de orde indien de afname van celmateriaal ook
met behulp van de sterke arm of de directeur of het hoofd van de inrichting
feitelijk onmogelijk is of om disproportioneel geweld vraagt. In geval van
verzet met hand en tand is DNA-onderzoek aan ander celmateriaal van de veroordeelde
dan afgenomen celmateriaal toegestaan, niet bij louter verzet. Dit hangt samen
met de hiervoor genoemde regel dat DNA-onderzoek in beginsel dient te worden
verricht aan de hand van afgenomen celmateriaal.</al>
      <tuskop letat="rom">Vierde lid</tuskop>
      <al>Het vierde lid bevat de verplichting voor de officier van justitie de
veroordeelde schriftelijk in kennis te stellen indien zijn DNA-profiel overeenkomt
met andere DNA-profielen in de DNA-databank. Deze verplichting geldt niet
zolang het onderzoeksbelang in een lopend voorbereidend onderzoek dat niet
toelaat. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien het de officier van justitie
op basis van het DNA-onderzoek en andere feiten en omstandigheden duidelijk
is dat de veroordeelde als verdachte moet worden aangemerkt van een ander
misdrijf dat hij met meer personen heeft gepleegd en dat het voor de opheldering
van dat misdrijf van belang is dat wordt voorkomen dat deze personen elkaar
informeren of anderszins beïnvloeden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De officier van justitie die het bevel tot afname van celmateriaal heeft
gegeven, is ook de officier die de veroordeelde van de uitslag van het DNA-onderzoek
in kennis stelt. Indien het DNA-profiel van de veroordeelde overeenkomt met
het DNA-profiel van bijvoorbeeld een spoor in een lopend strafrechtelijk onderzoek,
zal de officier die het bevel heeft gegeven, derhalve overleg dienen te voeren
met de officier van justitie onder wiens leiding het desbetreffende strafrechtelijke
onderzoek plaatsvindt. De laatste is immers de officier van justitie die kan
inschatten wanneer het belang van het onderzoek het toelaat dat de veroordeelde
schriftelijk kennis wordt gegeven van de uitslag van het DNA-onderzoek. Het
voorgaande vereist dat tussen beide officieren van justitie een goede communicatie
plaatsvindt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het gaat bij het uitstel van de kennisgeving in het belang van het onderzoek
overigens altijd om tijdelijke geheimhouding. De kennisgeving blijft uiteindelijk
verplicht, mede om de veroordeelde in de lopende strafzaak waarin hij als
verdachte wordt betrokken, de mogelijkheid van tegenonderzoek, bedoeld in
artikel 151a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, te garanderen.
Verzuim van de vereiste kennisgeving is in die strafzaak in beginsel vatbaar
voor herstel (vgl. HR 3 juli 2001, nr. 2875.00).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit het voorgaande volgt dat de meldingsplicht van de officier van justitie
niet geldt in de gevallen waarin het vergelijken van het DNA-profiel met de
andere in de DNA-databank opgenomen profielen geen hit oplevert. Dat betekent
dat de officier van justitie een veroordeelde niet op de hoogte hoeft te stellen
van het loutere feit dat zijn DNA-profiel is verwerkt in de DNA-databank.
Deze melding is overbodig omdat de veroordeelde van dat feit via het bevel
zelf reeds in kennis is gesteld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vijfde lid</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten behoeve van de eenheid in de regelgeving zal bij het stellen van regels
over het verwerken van celmateriaal en DNA-profielen worden aangesloten bij
de regels die daarover in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken zijn opgenomen
ten aanzien van het verwerken van celmateriaal en DNA-profielen van verdachten.
Dat betekent dat de DNA-profielen, afhankelijk van de zwaarte van het misdrijf
waarvoor is veroordeeld, na twintig of dertig jaren na de opname
in de DNA-databank zullen worden vernietigd. Deze termijnen gelden ook voor
het celmateriaal, omdat het besluit erin voorziet dat het celmateriaal tegelijkertijd
wordt vernietigd met het DNA-profiel dat uit dat celmateriaal is vervaardigd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Artikel 51, eerste lid, van de Wbp draagt het College bescherming persoonsgegevens
de taak op toe te zien op de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig
het bij en krachtens de wet bepaalde. De ruime formulering van dit artikellid
geeft het College de mogelijkheid erop toe te zien dat op rechtmatige wijze
gebruik wordt gemaakt van de DNA-profielen die van veroordeelden zijn verkregen,
alsmede van hun celmateriaal. Dit artikellid strekt zich immers ook uit tot
het verwerken van persoonsgegevens binnen de context van het onderhavige wetsvoorstel.</al>
      <al>Nu de Wbp voorziet in onafhankelijk en deskundig toezicht op het gebruik
van de DNA-profielen en het celmateriaal van veroordeelden, acht de regering
het niet aangewezen het College bescherming persoonsgegevens daarnaast een
bijzondere toezichthoudende rol te geven bij de naleving van de bij en krachtens
deze wet gestelde waarborgen tegen misbruik. Dat geldt des te meer nu in dit
wetsvoorstel heldere grenzen voor toepassing van DNA-onderzoek aan het celmateriaal
van de veroordeelden zijn neergelegd en er bovendien duidelijke waarborgen
zullen gelden voor het verwerken van hun celmateriaal en DNA-profielen. </al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 3</tuskop>
      <al>Tweede lid</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De voorschriften van dit artikel beogen een nauwkeurige vaststelling van
de grondslag van het DNA-onderzoek bij de veroordeelde te waarborgen. Daartoe
eist het tweede lid dat in het bevel het misdrijf waarvoor is veroordeeld,
wordt omschreven, alsmede het vonnis of arrest waarbij de veroordeling heeft
plaatsgevonden. Vanzelfsprekend dient in het bevel ook te worden vermeld waar
en wanneer het bevel ten uitvoer zal worden gelegd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Derde lid</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het in het derde lid neergelegde voorschrift over de aanwijzing van de
veroordeelde is ontleend aan artikel 357, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering, dat een gelijke eis stelt aan de inhoud van een vonnis.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vierde lid</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het vierde lid schrijft voor in het bevel te vermelden dat – en
binnen welke termijn – de veroordeelde tegen het bepalen en verwerken
van zijn DNA-profiel een bezwaarschrift bij de rechtbank kan indienen (vgl.
artikel 7, eerste lid). De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift
is veertien dagen na de dag waarop het celmateriaal van de veroordeelde is
afgenomen of de dag waarop de schriftelijke mededeling van de officier van
justitie dat voor het bepalen van zijn DNA-profiel voldoende celmateriaal
in beslag is genomen, aan hem is betekend.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vijfde lid</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De in het vijfde lid voorgeschreven betekening strekt tot waarborg dat
de veroordeelde het bevel tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek daadwerkelijk
ontvangt. Dat draagt bij aan het voorkomen van onverhoedse aanhoudingen op
basis van artikel 4 en van het daar mogelijk uit voortvloeiende verzet. Ook
gelet op de aard en de strekking van het DNA-onderzoek bij veroordeelden
past het een betekening van het bevel voor te schrijven. De lasten van dit
voorschrift zullen beperkt kunnen blijven, doordat in de meeste gevallen sprake
zal zijn van gedetineerde veroordeelden. De betekening geschiedt overeenkomstig
de uitreikingsregels van artikel 588, eerste lid, onderdeel b, tweede en derde
lid, van het Wetboek van Strafvordering. Betekening in persoon is niet voorgeschreven.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 4</tuskop>
      <tuskop letat="rom">Tweede tot en met vierde lid</tuskop>
      <al>Indien een veroordeelde niet verschijnt op de plaats en het tijdstip waarop
het bevel tot afname van celmateriaal ten uitvoer zou worden gelegd, houdt
de politie hem op bevel van de officier van justitie aan, waarna zij vervolgens
de identiteit van betrokkene vaststelt. Dit is neergelegd in het voorgestelde
artikel 4, tweede en derde lid.</al>
      <al>Bij twijfel over de identiteit van de aangehouden persoon of ingeval hij
ontkent degene te zijn tegen wie het bevel tot aanhouding is gericht, is het
van belang dat de politie in staat is om zijn identiteit op accurate wijze
vast te stellen. Zowel in het belang van de aangehoudene als in het belang
van justitie moet immers worden voorkomen dat van een verkeerde persoon celmateriaal
wordt afgenomen en een DNA-profiel wordt bepaald en verwerkt. Gegevens over
naam, adres en woonplaats (de zogenaamde NAW-gegevens), die betrokkene op
vrijwillige basis zal verstrekken, zullen naar verwachting niet altijd voldoende
zijn om de identiteit van de aangehouden persoon vast te stellen.</al>
      <al>Tegen deze achtergrond geeft artikel 4, vierde lid, van dit wetsvoorstel
de politie de bevoegdheid de aangehouden persoon naar zijn sofi-nummer te
vragen. De desbetreffende persoon kan daartoe zijn rijbewijs of paspoort raadplegen
of tonen. Deze twee identiteitsbewijzen bevatten ingevolge artikel 107, derde
lid, van de Wegenverkeerswet 1994 respectievelijk artikel 3, vierde lid, van
de Paspoortwet, het sofi-nummer.</al>
      <al>Met het oog op de situatie dat betrokkene weigert zijn sofi-nummer mede
te delen of te tonen, geeft artikel 4, vierde lid, van dit wetsvoorstel de
bevoegdheid aan de politie om zijn kleding dan wel de voorwerpen die hij bij
zich draagt of met zich voert, te onderzoeken teneinde zijn identiteit te
kunnen vaststellen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aan de hand van het sofi-nummer kan de politie via de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens (hierna te noemen: GBA) de identiteit van betrokkene controleren.
Nadat verificatie van zijn identiteit met behulp van het sofi-nummer heeft
plaatsgevonden, heeft het sofi-nummer zijn nut verloren omdat dan zeker is
gesteld dat de aangehouden persoon al dan niet de veroordeelde is tegen wie
het bevel tot aanhouding is gericht. Opslag van het sofi-nummer is dan niet
langer noodzakelijk voor de uitvoering van de verplichting, neergelegd in
het derde lid. Het sofi-nummer zal daarom na verificatie en identificatie
worden vernietigd; de politie zal verder werken met het GBA-nummer (het zogenaamde
A-nummer) dat is verkregen via het sofi-nummer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De bevoegdheid van de politie om voor verificatie bij de GBA het sofi-nummer
te gebruiken is niet nieuw. In artikel 55b dat bij artikel I, onderdeel A,
van de wet van 1 november 2001 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering
en enige andere wetten omtrent de toepassing van maatregelen in het belang
van het onderzoek en enige andere onderwerpen (Stb. 2001, 532) in het Wetboek
van Strafvordering is ingevoegd, wordt aan de politie een soortgelijke bevoegdheid
toebedeeld. Deze strekt ertoe haar in staat te stellen op doelmatige wijze
de juistheid van gegevens omtrent de identiteit van een staande
gehouden of aangehouden verdachte na te gaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de formulering van artikel 4, vierde lid, eerste en tweede volzin,
van dit wetsvoorstel is aangesloten bij artikel 55b, eerste en tweede lid,
dat bij artikel I, onderdeel A, van de eerdergenoemde wet van 1 november 2001
in het Wetboek van Strafvordering is ingevoegd. Verder voorziet artikel 4,
vierde lid, derde volzin, erin dat het derde tot en met vijfde lid van artikel
55b bij de toepassing van de gebruiksmogelijkheid van het sofi-nummer door
de politie in het kader van het onderhavige wetsvoorstel, van overeenkomstige
toepassing zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het toepassen van het voorgestelde dwangmiddel tot het onderzoeken van
kleding en voorwerpen van de aangehouden persoon is, zoals hiervoor uiteengezet,
noodzakelijk om te voorkomen dat een DNA-profiel van een andere persoon dan
de veroordeelde wordt bepaald en in de DNA-databank wordt verwerkt. Dit belang
rechtvaardigt de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke
levenssfeer, zoals neergelegd in artikel 8, tweede lid, van het EVRM en artikel
10 van de Grondwet. Er is geen andere manier waarop de identiteit van de betrokkene
deugdelijk kan worden vastgesteld en die voor hem minder ingrijpend is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Vijfde lid</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De situatie kan zich voordoen dat de aangehouden persoon weigert zijn
NAW-gegevens en zijn sofi-nummer aan de politie op te geven en dat zijn identiteit
ook niet kan worden achterhaald met behulp van het onderzoeken van zijn kleding
dan wel de voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich voert. Alsdan is
het van belang dat de identiteit van betrokkene op andere wijze kan worden
vastgesteld. Het is immers van belang dat van de juiste persoon celmateriaal
voor DNA-onderzoek wordt afgenomen en dat van de juiste persoon het DNA-profiel
wordt bepaald en verwerkt. Daarom voorziet artikel 4, vijfde lid, van dit
wetsvoorstel in een bevoegdheid van de officier van justitie om in deze situatie
een aantal maatregelen ter identificatie te bevelen. Het betreft hier het
nemen van foto's, vingerafdrukken en lichaamsmaten. Dat zijn dezelfde maatregelen
ter identificatie als die welke ingevolge artikel 61a, eerste lid, onder a
en b, van het Wetboek van Strafvordering bij elk strafbaar feit kunnen worden
bevolen tegen de voor onderzoek opgehouden verdachte.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 5</tuskop>
      <tuskop letat="rom">Eerste lid</tuskop>
      <al>Onder omstandigheden kan het nodig zijn bij de afname van celmateriaal
geweld toe te passen. De toepassing van geweld is, evenals bij verdachten
in het voorbereidend onderzoek, beperkt tot de afname van bloed of haarwortels.
De reden waarom bij de afname van wangslijmvlies geen geweld kan worden toegepast,
is dat het buitengewoon problematisch is wangslijmvlies af te nemen ingeval
de betrokkene zich daartegen verzet.</al>
      <al>Afhankelijk van waar de veroordeelde verblijft, kan bij het afnemen van
celmateriaal de hulp worden ingeroepen van de sterke arm of de directeur van
de penitentiaire inrichting of van de inrichting voor justitiële jeugdbescherming,
dan wel het hoofd van een inrichting voor de verpleging van ter beschikking
gestelden. Indien de veroordeelde verblijft in een psychiatrisch ziekenhuis
als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, kan de assistentie
worden ingeroepen van de sterke arm. De achtergrond hiervan is dat in psychiatrische
ziekenhuizen naast behandelend personeel zoals artsen en psychiatrisch verpleegkundigen
vrijwel geen personeel aanwezig is dat exclusief is belast met
beveiligingstaken. Indien het celmateriaal buiten een inrichting wordt afgenomen,
bijvoorbeeld ingeval een taakstraf is opgelegd, verleent de politie eveneens
bijstand.</al>
      <al>Voor het geval dat de veroordeelde verblijft in een penitentiaire inrichting,
een inrichting voor justitiële jeugdbescherming of een inrichting voor
de verpleging van ter beschikking gestelden, verleent ingevolge het eerste
lid de directeur of het hoofd van de inrichting assistentie. In artikel 9
van dit wetsvoorstel is voorzien in de wettelijke de grondslag voor de toepassing
van geweld door deze functionaris. In de praktijk past de de directeur of
het hoofd van de inrichting het geweld niet zelf toe, maar wordt dit onder
zijn verantwoordelijkheid gedaan door het bewarend personeel. Uit oogpunt
van capaciteit en efficiency is ervoor gekozen om in de genoemde inrichtingen
geen gebruik te maken van de politie, maar van het bewarend personeel.</al>
      <tuskop letat="rom">Tweede lid</tuskop>
      <al>Artikel 5, tweede lid, voorziet erin dat het afnemen van celmateriaal
tegen de wil van de veroordeelde door een arts of een verpleegkundige geschiedt.
Dat geldt ongeacht of er wangslijmvlies wordt afgenomen dan wel, vanwege bijzondere
geneeskundige redenen of vanwege verzet van de veroordeelde, bloed of haarwortels.
Hiermee wordt aangesloten bij de artikelen 151b, derde lid, en 195d, derde
lid, van het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge deze artikelleden dient
bij gedwongen afname van celmateriaal bij een verdachte altijd een arts of
een verpleegkundige te worden ingeschakeld. Er zijn geen redenen om in dit
wetsvoorstel daarvan af te wijken. Het gaat zowel bij de verdachte als bij
de veroordeelde immers om hetzelfde dwangmiddel.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voorzover binnen een inrichting de behandelrelatie tussen de inrichtingsarts
of -verpleegkundige en de veroordeelde naar het oordeel van een van hen in
de weg staat aan de afname van celmateriaal, zal de betreffende inrichting
een andere arts of verpleegkundige om medewerking kunnen vragen.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 6</tuskop>
      <al>Artikel 6 geeft een voorziening voor de uitzonderlijke situatie dat de
officier van justitie oordeelt dat zich zwaarwegende redenen voordoen, op
grond waarvan moet worden afgezien van het afnemen van celmateriaal bij de
veroordeelde. Zie ook de toelichting bij artikel 2, tweede lid. In die situatie
zal immers op een andere wijze celmateriaal van de veroordeelde moeten kunnen
worden verkregen. Het artikel bevat twee bevoegdheden die de inbeslagneming
van het celmateriaal ondersteunen: het betreden van de woning van de veroordeelde
en het doorzoeken van die woning zonder toestemming van de bewoner. Van de
uitoefening van deze bevoegdheden zal ingevolge artikel 10 van de Algemene
wet op het binnentreden een verslag moeten worden opgemaakt, waarvan ingevolge
artikel 11, tweede lid, van die wet een afschrift aan de bewoner moet worden
uitgereikt of toegezonden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het derde lid van artikel 6 verplicht de officier van justitie de veroordeelde
schriftelijk mededeling te doen dat voor het bepalen van zijn DNA-profiel
voldoende celmateriaal in beslag is genomen. De mededeling moet worden gedaan
zodra voldoende celmateriaal in beslag is genomen. Deze schriftelijke mededeling
wordt de veroordeelde betekend overeenkomstig de uitreikingsregels van artikel
588, eerste lid, onderdeel b, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De voorgeschreven betekening waarborgt dat de veroordeelde tijdig een bezwaarschrift
als bedoeld in artikel 7 kan indienen. In het geval dat overeenkomstig
artikel 2, tweede lid, een bevel tot afname van celmateriaal achterwege is
gebleven, garandeert de voorgeschreven betekening van de schriftelijke mededeling
dat de betrokkene verder weet dat van hem als veroordeelde een DNA-profiel
wordt bepaald en verwerkt.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 7</tuskop>
      <al>In artikel 7 is voorzien in het recht van de veroordeelde tegen het bepalen
en verwerken van zijn DNA-profiel een bezwaarschrift in te dienen bij de rechtbank.
Het bezwaarschrift wordt door de rechtbank in raadkamer behandeld, overeenkomstig
de bepalingen van de artikelen 21–26 (Eerste Boek, Titel I, zesde afdeling)
van het Wetboek van Strafvordering. In deze raadkamerprocedure zal het –
in het bevel besloten liggende – oordeel van de officier van justitie,
dat de uitzonderingen van artikel 2, eerste lid, onder a en b, niet op de
betreffende veroordeelde van toepassing zijn, kunnen worden aangevochten.</al>
      <al>In het systeem van het voorstel van wet is het celmateriaal van de veroordeelde
op dat moment reeds afgenomen of in beslag genomen. Het afnemen casu quo in
beslag nemen van het celmateriaal van de veroordeelde is als zodanig niet
onderworpen aan – en kan derhalve ook niet verhinderd worden door –
het instellen van een rechtsmiddel tegen het bevel van de officier van justitie.
De achterliggende gedachte bij deze opzet van de wet is dat de rechtswaarborgen
qua zwaarte zo veel mogelijk dienen te passen bij hetgeen in de betreffende
beslissing of handeling op het spel staat.</al>
      <al>De rechtswaarborgen die met betrekking tot de gedwongen afname van celmateriaal
(de inbreuk op de lichamelijke integriteit) zijn aangebracht, liggen besloten
in de beoordeling door de officier van justitie of de uitzonderingen van artikel
2, eerste lid, onder a en b, van toepassing zijn, alsmede in de – eveneens
naar het oordeel van de officier van justitie toe te passen – mogelijkheid
om op grond van zwaarwegende redenen af te zien van gedwongen afname van celmateriaal
(artikelen 2, tweede lid, en 6). Ook de voorschriften van artikel 4 inzake
de vaststelling van de identiteit van de aangehouden persoon, kunnen in dit
verband als rechtswaarborgen worden aangemerkt. Mede gelet op de omstandigheid
dat de afname van wangslijmvlies als methode van celafname voorop staat (artikel
5, eerste lid), kan naar het oordeel van de regering met deze waarborgen worden
volstaan. Anders dan de NVvR van oordeel is, brengt de mogelijkheid dat ten
behoeve van de afname van celmateriaal dwangmiddelen kunnen worden toegepast,
niet mee dat ook deze afname aan een opschortend rechtsmiddel moet zijn onderworpen.
Ook in het voorbereidend onderzoek is dat niet het geval.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals de voorgestelde citeertitel van het onderhavige voorstel van wet
al aangeeft (artikel 11), ligt de kern van het voorstel in het DNA-onderzoek
dat op basis van het (afgenomen of in beslag genomen) celmateriaal van de
veroordeelde zal worden verricht. De voornaamste bezwaren van de veroordeelde
tegen het bevel van de officier van justitie zullen daarom zijn gericht tegen
het bepalen van zijn DNA-profiel en het verwerken daarvan in de DNA-databank.
Om die reden is daarbij voorzien in de zware rechtswaarborg van een bezwaarschriftprocedure
bij de rechtbank, waarbij is bepaald dat zolang een bezwaarschrift kan worden
ingediend en zolang een ingediend bezwaarschrift nog niet is ingetrokken of
daarop niet is beslist, op basis van het celmateriaal van de veroordeelde
geen DNA-profiel wordt bepaald.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Van de veroordeelde wordt ingevolge het tweede lid verwacht dat hij het
bezwaarschrift met redenen omkleedt. De termijn van veertien dagen biedt daarvoor
voldoende tijd. Een niet of nauwelijks toegelicht bezwaarschrift
kan door de rechtbank, evenals een te laat ingediend bezwaarschrift, niet-ontvankelijk
worden verklaard. Tegenover de plicht van de veroordeelde zijn bezwaarschrift
te motiveren, staat dat de rechtbank de beschikking met redenen omkleedt (artikel
24, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering). De rechtbank zal daarbij,
binnen redelijke grenzen, de door de veroordeelde aangevoerde bezwaren moeten
bespreken. Voor een nadere toelichting op de uitzondering voorzien in artikel
2, eerste lid, onder b, wordt op deze plaats verwezen naar paragraaf 5.3
van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.</al>
      <al>Indien de rechtbank het bezwaarschrift gegrond verklaart, beveelt zij
de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van de
veroordeelde terstond wordt vernietigd. De officier van justitie zal de directeur
van het Nederlands Forensisch Instituut daartoe opdracht moeten geven. De
Minister van Justitie is als eindverantwoordelijke voor de DNA-databank voor
de vernietiging verantwoordelijk.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 8</tuskop>
      <al>Artikel 8 bevat een bepaling van overgangsrechtelijke aard, die meebrengt
dat het DNA-onderzoek ook wordt toegepast bij personen die op het moment van
inwerkingtreding van de wet reeds zijn veroordeeld en een vrijheidsbenemende
straf of maatregel ondergaan of nog moeten ondergaan. Deze groep veroordeelden
is op het moment van inwerkingtreding van de wet volledig en definitief omlijnd.</al>
      <al>Artikel 8 dient vanzelfsprekend in samenhang met artikel 1, eerste lid,
onder c, en tweede lid, en met artikel 2, eerste lid, te worden gelezen. Dan
wordt duidelijk dat de veroordeling waarvan artikel 8 spreekt, op een misdrijf
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, betrekking moet hebben gehad, en dat
met een «persoon die is veroordeeld» gelijkgesteld wordt een «persoon
die op grond van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht is ontslagen van
alle rechtsvervolging en aan wie tevens een maatregel als voorzien in artikel
37, 37a juncto 37b, 38m of 77s van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd».
TBS met voorwaarden (artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht) valt buiten
de werking van artikel 8, omdat daarbij geen sprake is vrijheidsbeneming,
ook niet indien daarbij de voorwaarde van opname in een door de rechter aangewezen
inrichting is gesteld (artikel 38a van het Wetboek van Strafrecht). De ter
beschikking gestelde zal daar immers mee moeten instemmen (artikel 38, derde
lid, van het Wetboek van Strafrecht).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het in het begin van deze toelichting op artikel 8 gebruikte begrip «vrijheidsbenemende
maatregel», moet niet worden verstaan in de zin van artikel 1, onder
t, van de Penitentiaire beginselenwet, maar ziet alleen op de vrijheidsbenemende
strafrechtelijke maatregelen van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis,
terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, plaatsing in een
inrichting voor de opvang van verslaafden en plaatsing in een inrichting voor
jeugdigen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De vrijheidsbenemende straffen waarop artikel 8 ziet, zijn de gevangenisstraf,
de jeugddetentie en de militaire detentie. De hoofdstraf van hechtenis valt
erbuiten omdat deze straf niet kan worden opgelegd voor de misdrijven als
bedoeld in artikel 2, eerste lid. Vervangende hechtenis als bedoeld in de
artikelen 24c en 24d van het Wetboek van Strafrecht valt erbuiten, omdat de
geldboete en de ontnemingsmaatregel, ten behoeve waarvan deze steunfiguur
bestaat, evenmin in de opsomming van artikel 8 zijn opgenomen.</al>
      <al>Van personen ten aanzien van wie op het moment van inwerkingtreding van
de wet een proeftijd loopt terzake van een voorwaardelijke veroordeling tot
gevangenisstraf, jeugddetentie, plaatsing in een inrichting voor de opvang
van verslaafden of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (artikelen
14a, 14b, 38p, 77x en 77y van het Wetboek van Strafrecht), kan niet worden
gezegd dat zij de straf of maatregel «ondergaan of nog moeten ondergaan».
Zij vallen daarmee buiten het bereik van artikel 8, ook indien nadien, op
een na de inwerkingtreding van de wet gelegen tijdstip, alsnog de tenuitvoerlegging
van de opgelegde straf of maatregel wordt gelast. Degenen die op het tijdstip
van inwerkingtreding van de wet een vrijheidsbenemende straf of maatregel
ondergaan of nog moeten ondergaan, waarvan de tenuitvoerlegging op grond van
artikel 14g, 38r of 77dd van het Wetboek van Strafrecht nog voor dat
tijdstip was gelast, vallen echter wel onder het bereik van artikel 8. Zij
ondergaan op dat moment immers een bij de veroordeling opgelegde straf of
maatregel, of moeten deze nog ondergaan, ook al was bij die oplegging bepaald
dat de straf of maatregel onder de gestelde voorwaarden niet ten uitvoer zou
worden gelegd.</al>
      <al>Het in de vorige alinea gestelde geldt ook voor de TBS met voorwaarden.
Voorzover personen die deze maatregel opgelegd hebben gekregen «in hun
proeftijd zitten» op het moment van inwerkingtreding van de wet, vallen
zij buiten het bereik van artikel 8. Analoog aan de voorwaardelijke veroordeling
valt de betrokken persoon echter wel onder de werking van artikel 8 indien
op het moment van inwerkingtreding van de wet de TBS met voorwaarden is omgezet
in TBS met verpleging van overheidswege (artikel 38c van het Wetboek van Strafrecht).
Omdat die verpleging van overheidswege ingevolge de systematiek van de TBS-wetgeving
niet reeds bij de veroordeling was opgelegd, is dit in een afzonderlijke volzin
van artikel 8 bepaald.</al>
      <al>Personen van wie de bij de veroordeling opgelegde verpleging van overheidswege
op het moment van inwerkingtreding van de wet voorwaardelijk is beëindigd,
vallen evenmin onder artikel 8. Zij ondergaan op dat moment immers niet de
maatregel, bedoeld in artikel 37a juncto 37b van het Wetboek van Strafrecht.
Is evenwel de voorwaardelijk beëindigde verpleging van overheidswege
op het moment van inwerkingtreding van de wet hervat, dan valt de betrokkene
wel onder de werking van artikel 8. Anders dan bij de TBS met voorwaarden
behoeft dit niet afzonderlijk in de wet te worden geregeld, omdat het steeds
gaat om de tenuitvoerlegging dan wel voorwaardelijke beëindiging van
de bij de veroordeling opgelegde verpleging van overheidswege.</al>
      <al>De reden waarom de wet niet van toepassing is op personen die op het moment
van inwerkingtreding van de wet «in hun proeftijd zitten» en dus
geen vrijheidsbenemende straf of maatregel ondergaan, is uiteengezet in het
slot van paragraaf 6.2.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 9</tuskop>
      <al>In dit artikel is voorzien in een wettelijke grondslag voor de toepassing
van geweld door de directeur of het hoofd van de inrichting ten behoeve van
de afname van celmateriaal. De huidige artikelen in de drie beginselenwetten
waarin bevoegdheden tot geweldstoepassing zijn neergelegd, zijn niet toegespitst
op het toepassen van geweld dat noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging
van een beslissing van de officier van justitie.</al>
      <al>Van de gelegenheid is gebruik gemaakt de wettelijke grondslag voor de
uitoefening van geweld bij de tenuitvoerlegging van een beslissing van de
officier van justitie meer algemeen te regelen, dat wil zeggen niet te beperken
tot het bevel tot de afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek. Artikel 9
voorziet ook in een wettelijke grondslag voor de toepassing van geweld door
de directeur of het hoofd van de inrichting bij de tenuitvoerlegging van een
bevel dat ingevolge het Wetboek van Strafvordering is gegeven. Hierbij valt
te denken aan de uitvoering van een maatregel in het belang van het onderzoek,
waarvoor de directeur van een inrichting zorg draagt indien de verdachte in
zijn inrichting verblijft. Om deze reden is naast de officier van justitie
ook de rechter-commissaris genoemd. Overigens brengt de voorgestelde
wettelijke regeling niet iets nieuws, maar behelst zij de codificatie van
geldend recht, waarin is aanvaard dat bij de tenuitvoerlegging van een wettelijk
bevel, binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit, gepaste
dwang mag worden aangewend (vgl. Kamerstukken II 1999/2000, 26 983, nr.
3, blz. 21–22).</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 10</tuskop>
      <al>Zoals de toenmalige Minister van Justitie aan de voorzitter van de Tweede
Kamer bij brief van 23 januari 2002 (Kamerstukken II 2001/02, 26 271,
nr. 33) heeft aangekondigd, zal een campagne worden gestart om veroordeelden
wegens gewelds- en zedenmisdrijven fasegewijs te stimuleren vrijwillig mee
te werken aan DNA-onderzoek. Deze campagne loopt vooruit op de eerste fase
van inwerkingtreding van deze wet en heeft betrekking op veroordeelden die
op het moment van de campagne een vrijheidsbenemende straf of maatregel ondergaan.
Indien deze personen op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet hun
vrijheidsbenemende straf of maatregel nog ondergaan, vallen zij onder artikel
8. Omdat hun DNA-profiel dan reeds in de DNA-databank is verwerkt, is in artikel
2, eerste lid, onder a, geregeld dat de officier van justitie ten aanzien
van hen geen bevel tot afname van celmateriaal geeft. Zo wordt een onnodige
inbreuk op de lichamelijke integriteit van de veroordeelde voorkomen. Anders
dan het geval is bij een persoon die vrijwillig heeft meegewerkt aan de afname
van celmateriaal in het kader van de campagne, kan een DNA-profiel dat is
verkregen op basis van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden niet op verzoek
van de veroordeelde uit de DNA-databank worden verwijderd. Artikel 10 regelt
dat ook ten aanzien van de DNA-profielen die tijdens de campagne zijn verkregen,
deze verwijderingsmogelijkheid vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding
van deze wet, uiteraard voorzover het gaat om DNA-profielen van personen die
op dat tijdstip hun vrijheidsbenemende straf of maatregel nog ondergaan.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 11</tuskop>
      <al>Zoals in paragraaf 8 is aangegeven, zal het wetsvoorstel gefaseerd
worden ingevoerd, waarbij de eerste fase ziet op veroordeelden wegens gewelds-
en zedenmisdrijven. Er wordt naar gestreefd het wetsvoorstel voor deze categorie
veroordeelden per 1 januari 2004 in werking te kunnen laten treden.</al>
      <tuskop letat="cur">Artikel 12</tuskop>
      <al>In artikel 1, tweede lid, is bepaald dat personen die op grond van artikel
39 van het Wetboek van Strafrecht zijn ontslagen van alle rechtsvervolging
en aan wie tevens een maatregel als voorzien in artikel 37, 37a juncto 37b
of 38, 38m of 77s van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, met
veroordeelden gelijk worden gesteld. De naam «Wet DNA-onderzoek bij
veroordeelden» is in zoverre niet geheel dekkend. Desalniettemin wordt
voorgesteld aan deze naam vast te houden, omdat hij kort en bondig is en het
overgrote deel van de betrokkenen wel correct aanduidt.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Justitie,</functie>
        <naam>J. P. H. Donner </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v17.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>