﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28642-19/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2006-2007</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="v2_9__3.8" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST106507</ordernr>
    <vergjaar>2006-2007</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>28 642</nummer>
      <naam>Sociale veiligheid openbaar vervoer</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>19</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>16 april 2007</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij brief van 15 november 2005 (28 642, nr. 15) is door mijn
ambtsvoorganger, mede namens de toenmalige Minister van Verkeer en Waterstaat,
het rapport «Hoe zetten we ze ’t betaald? Onderzoek naar de sanctionering
van zwartrijden na invoering van ET/BTS» aangeboden. Zij lieten u weten
dat het onderzoek een aantal interessante suggesties heeft opgeleverd voor
de sanctionering van zwartrijden na invoering van electronic ticketing en
beheerste toegang stations (ET/BTS) en dat in overleg met onder meer de openbaar
vervoersbedrijven, het Openbaar Ministerie (OM) en de politie nader bezien
zou worden welke van deze ideeën in de praktijk gebruikt kunnen gaan
worden. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat primair de civielrechtelijke
weg wordt gekozen en het strafrecht als ultimum remedium zal worden ingezet
als dat evident nodig is om de eigen verantwoordelijkheid van en de uitvoering
van publieke taken door de vervoersbedrijven te ondersteunen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Aan het OM, de politie en het platform sociale veiligheid openbaar vervoer,
waaraan zowel door de vervoersbedrijven als de vervoersautoriteiten deel wordt
genomen, is gevraagd om te reageren op de in het rapport opgenomen conclusies
en aanbevelingen en onze eerste reactie daarop in de bovengenoemde brief aan
uw Kamer. Op basis van de reacties kan worden geconcludeerd dat de hoofdlijnen
van onze eerste reactie worden onderschreven. Mede namens de Minister van
Verkeer en Waterstaat kan ik u mededelen dat onze afrondende reactie met betrekking
tot de in het rapport opgenomen conclusies en aanbevelingen als volgt luidt:</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">1. Het is uit het oogpunt van de marktwerking in het
openbaar vervoer consequenter en principieel juister als vervoerders zelf
in hun vervoersvoorwaarden langs civielrechtelijke weg hun sanctiebeleid bepalen.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Deze aanbeveling kunnen wij volgen als daarmee wordt beoogd het in de
voorfase opleggen van «een boete» om eventuele strafrechtelijke
afdoening te voorkomen. Wij onderkennen dat het veiligheidsbeleid in het lokale of regionale openbaar vervoer veelal onderdeel is van het algemene
veiligheidsbeleid binnen een bepaalde regio of stad. Daarin kunnen redenen
liggen om in overleg tussen de vervoersautoriteit en het vervoersbedrijf te
kiezen voor lokaal of regionaal maatwerk. Dit lokaal of regionaal maatwerk
komt er veelal op neer dat reizigers de mogelijkheid wordt geboden om tegen
een bedrag variërend van € 10 tot € 20 alsnog een
eenmalige (dag)kaart aan te schaffen. Dit beleid past ook binnen de decentralisatie
van bevoegdheden inzake openbaar vervoer naar provincies en stadsregio’s
als opdrachtgevers van het lokale en regionale openbaar vervoer. Wanneer de
reiziger niet direct betaalt of problemen veroorzaakt, vervalt het aanbod
en worden de ritprijs en de wettelijke verhoging van € 35 alsnog
in rekening gebracht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">2. Pas strafvervolging van zwartrijders op basis van
de Wet personenvervoer 2000 alleen als ultimum remedium toe.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>De aanbeveling om zwartrijden primair civielrechtelijk te handhaven wordt
door ons onderschreven. Het strafrecht hoort slechts als ultimum remedium
ingezet te worden. De huidige situatie komt daar al grotendeels mee overeen.
Bij ruim 90% van de betrapte zwartrijders treden de vervoersbedrijven
gebruikmakend van de civielrechtelijke mogelijkheden, naast of voorafgaand
aan de mogelijkheden die de Wet en het Besluit Personenvervoer 2000 hen bieden,
zelf op. Ook zijn er door vervoersbedrijven, aanvullend op de wettelijke mogelijkheden,
met het OM afspraken gemaakt dat er door inschakeling van incassobureaus wordt
geprobeerd om de ritprijs en de wettelijke verhoging van € 35 op
zwartrijders te verhalen. Pas als dit niet lukt, worden processen-verbaal
aan het OM doorgezonden. Van de door de onderzoekers genoemde mogelijkheid
van loonbeslag ten behoeve van de inning van langs civielrechtelijke weg opgelegde
sancties wordt thans door de vervoersbedrijven geen gebruik meer gemaakt.
Dit is in het verleden wel gebeurd, maar met weinig tot geen resultaat. Bij
de vervoersbedrijven bestaat echter de bereidheid om, nadat is bekeken of
deze weg nu meer resultaat zou kunnen opleveren, door middel van een pilot
te onderzoeken of het gebruikmaken van de civielrechtelijke weg, die op basis
van artikel 475b e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering openstaat,
een bijdrage kan leveren aan een hoger inningspercentage bij zwartrijders.
Indien deze weg nu succesvol(ler) blijkt, kan worden gestimuleerd dat vervoersbedrijven
ten behoeve van de uniformiteit kiezen voor een efficiënte, gezamenlijke
aanpak. Zo zou een extra bijdrage kunnen worden geleverd aan het beleid om
bij de aanpak van zwartrijden het strafrecht slechts als ultimum remedium
in te zetten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Conform de in het kader van het Nationaal Veiligheidsarrangement Spoorvervoer
tussen het OM en de NS, maar niet met de regionale spoorvervoerders, gemaakte
afspraak, zal het OM na invoering van ET/BTS wel de notoire zwartrijders en
degenen die zich niet wensen te identificeren effectief aanpakken. Daarnaast
staat natuurlijk ook voor zwartrijders die zich gewelddadig gedragen tegen
het personeel van vervoersbedrijven buiten kijf dat er tegen hen strafrechtelijk
zal worden opgetreden. Om daarover tot eenduidige afspraken te komen, wordt
er momenteel in het kader van het actieprogramma «Aanpak agressie en
geweld tegen werknemers met een publieke taak» gewerkt aan één
landelijke procedure voor de politie en het OM bij de strafrechtelijke aanpak
van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. Gepland is
dat deze procedure op 1 juli 2007 gereed zal zijn.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">3. Voor het bestuursrecht is bij de aanpak van zwartrijders
geen rol weggelegd, wel worden aanvullende en/of alternatieve sancties genoemd
die in individuele gevallen zouden kunnen worden toegepast.</nadruk>
      </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot de door de onderzoekers gedane suggestie om notoire
zwartrijders te vervolgen voor flessentrekkerij (artikel 326a van het Wetboek
van Strafrecht) lieten wij eerder weten niet zo optimistisch te zijn. Navraag
bij het OM heeft dit optimisme niet verhoogd. Om een «flessentrekkerijzaak»
succesvol voor de rechter te brengen, is dossieropbouw van cruciaal belang.
In het geval een verdachte bij diverse vervoersbedrijven en in diverse delen
van het land zwartrijdt, bemoeilijkt dit de dossieropbouw; zeker als het een
persoon betreft zonder vaste woon- of verblijfplaats. Tevens is de frequentie
(herhaling in korte tijd) een belangrijk aspect in de bewijsvoering met betrekking
tot flessentrekkerij. Het dient om «een gewoonte» te gaan. Alleen
een hele hoge frequentie van zwartrijden zal naar verwachting door de rechter
als «een gewoonte» worden aangemerkt. In geval van zwartrijden
is er bovendien geen sprake van «het kopen van goederen met het oogmerk
om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen
te verzekeren». Voor de door de onderzoekers aanbevolen beperkte wijziging
van het wetsartikel waarin flessentrekkerij strafbaar is gesteld, zien wij
geen redenen. Dit heeft geen meerwaarde naast de al bestaande juridische mogelijkheden
om tegen zwartrijden op te treden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten aanzien van de door de onderzoekers voorgestelde aanvullende en/of
alternatieve sancties, die in individuele gevallen zouden kunnen worden toegepast,
hebben de vervoersbedrijven laten weten dat zij tegen een verplicht OV-abonnement
voor notoire zwartrijders zijn. Deze personen reizen veelal niet alleen zwart,
maar veroorzaken daarbij ook veelvuldig overlast. Het betreft vaak personen
zonder een vaste woon- of verblijfplaats, met psychische en/of alcohol- en/of
drugsproblemen. Het risico is volgens de vervoersbedrijven zeer wel aanwezig
dat dergelijke personen, met een OV-abonnement, meer nog dan nu al het geval
is, het openbaar vervoer als hun vaste woon- of verblijfplaats zullen kiezen,
met alle overlast vandien.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De door de onderzoekers genoemde mogelijkheid van een reisverbod voor
notoire zwartrijders is op basis van de Wet Personenvervoer 2000 al mogelijk.
Dit is in 2004 door middel van de «Handreiking voor reis- en verblijfsverboden
in het openbaar vervoer» onder de aandacht gebracht van de vervoersbedrijven,
politie en OM. Nadere uitwerking van dit alternatief is derhalve niet nodig.
Wel zal worden bezien of de handreiking die nogal juridisch van karakter is
voor de mensen die er in de praktijk mee werken beter toepasbaar kan worden
gemaakt en in dit kader kan worden voorzien van «best practices».</al>
      <tuskop letat="cur">Tot slot</tuskop>
      <al>Zwartrijden zal met de invoering van ET/BTS naar verwachting wel afnemen,
maar niet worden uitgebannen. Uitgangspunt is dat voor de aanpak van de overblijvende
zwartrijders primair de civielrechtelijke weg wordt gekozen en het strafrecht
als ultimum remedium zal worden ingezet als dat evident nodig is om de eigen
verantwoordelijkheid van en de uitvoering van publieke taken door de vervoersbedrijven
te ondersteunen. Vóórdat de invoering van ET/BTS is afgerond –
dit zal naar verwachting in 2009 plaatsvinden – zal het OM na raadpleging
van de daarbij betrokken partijen de condities aangeven waaronder
nog tot strafrechtelijke vervolging van zwartrijden zal worden overgegaan.</al>
      <ondtek>
        <functie>De minister van Justitie,</functie>
        <naam>E. M. H. Hirsch Ballin</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>