﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="nota">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28630-5/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2002-2003</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.6.1__3.2" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST66392</ordernr>
    <vergjaar>2002-2003</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>28 630</nummer>
      <naam>Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000, alsmede van de Wet centraal
Orgaan opvang asielzoekers teneinde enkele technische verbeteringen aan te
brengen</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>5</nummer>
      <titel>NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG</titel>
      <datum>Ontvangen 20 januari 2003</datum>
      <al>Met belangstelling heb ik kennis genomen van de vragen en opmerkingen
van de leden van de Vaste kamercommissie voor Justitie. Ik dank die leden
voor hun overwegend positieve inbreng. Het onderhavige wetsvoorstel is ingegeven
door de ervaringen die tot dusverre zijn opgedaan met de Vreemdelingenwet
2000. Die hebben mij geleid tot het oordeel dat bijstelling van die wet op
een aantal punten gewenst is in het belang van het functioneren van het systeem
waarvoor destijds is gekozen. Het gaat daarbij om wijzigingen van overwegend
technische aard. Daarnaast bevat het voorstel enkele wijzigingen op punten
waar het systeem niet functioneert zoals bedoeld. Daarvoor worden oplossingen
voorgesteld die aansluiten bij de bedoeling van de wetgever of die uit praktisch
oogmerk het meest voor de hand liggen. Ingrijpender wijzigingen met een meer
beleidsmatig karakter zullen in een separaat wetsvoorstel worden opgenomen.
Bij enkele van de voorgestelde wijzigingen is door verschillende fracties
nochtans de vraag opgeworpen in hoeverre het aanpassingen van technische dan
wel meer beleidsmatige aard betreft.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zo vragen de leden van de VVD-fractie naar de wijziging van artikel 95,
omdat er bij de totstandkoming van de Vreemdelingenwet 2000 voor is gekozen
vrijheidsbeperkende en -ontnemende maatregelen uit te sluiten van hoger beroep.
Ook de leden van de PvdA-fractie hebben hier naar gevraagd. Ingevolge het
bij amendement (kamerstukken 1999/2000, 26 732, nr. 30) ingevoegde
artikel 92a (thans artikel 95) staat al hoger beroep open tegen de eerste
uitspraak van de rechtbank over het opleggen van een vrijheidsontnemende of
-beperkende maatregel. De voorgestelde wijziging van dat artikel strekt er
slechts toe dat in die zaken tegelijk met de hoofdzaak ook de schadevergoeding
aan de orde kan worden gesteld. Daarmee wordt voorkomen dat de door de vreemdeling
gevraagde en door de vreemdelingenkamer toegekende schadevergoeding ook verschuldigd
blijft, indien de maatregel in hoger beroep alsnog rechtmatig wordt bevonden
en er geen reden is om schadevergoeding te betalen. Ook de vreemdeling die
zich niet met de eerste uitspraak van de vreemdelingenkamer kan verenigen,
zo antwoord ik de leden van de CDA-fractie, kan in zijn hoger beroepschrift
grieven aanvoeren over de gevraagde maar niet toegekende schadevergoeding.
Met de voorgestelde maatregel worden ongerijmde uitkomsten als gevolg van
het feit dat dat de rechtmatigheidsvraag wel, maar de onlosmakelijk
daarmee verbonden vraag naar de schadevergoeding niet aan hoger beroep is
onderworpen, voorkomen. Deze kleine aanpassing is dermate vanzelfsprekend
dat zij naar mijn mening terecht een technische aanpassing mag heten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In dat verband hebben de leden van de PvdA-fractie voorts gevraagd naar
de regeling van de samenloop van de imperatieve afwijzing en de ambtshalve
verleende verblijfsvergunning (artikel 30) en naar artikel 107a. De voorgestelde
samenloopregeling corrigeert een gevolg van het huidige systeem dat als zodanig
nimmer is beoogd en reeds vòòr inwerkingtreding van de wet onredelijk
is geacht. Ik wijs daarbij op het standpunt van de toenmalige staatsssecretaris
van Justitie in het nader rapport bij het Vreemdelingenbesluit 2000 (bijlage
Staatscourant 2000, nr. 6). Met de ambtshalve verlening van een reguliere
verblijfsvergunning na afwijzing van een asielaanvraag is niet beoogd die
afwijzing aan rechterlijke toetsing te onttrekken. Ook de oplossing hiervoor
kan ik aanmerken als een technische aanpassing om een onbedoeld gevolg van
het systeem te corrigeren. Het voorgestelde artikel 107a is noodzakelijk geworden
door de invoering van de Wet bescherming persoonsgegevens en vormt de wettelijke
basis die vereist is om de bestaande (uitvoerings)praktijk te kunnen handhaven.
Ook dat zie ik als een technische verbetering. Al met al zie ik dan ook geen
reden om het wetsvoorstel bij te stellen door bijvoorbeeld het woord «technisch»
in het opschrift te laten vervallen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Evenals bij andere grote wetswijzigingen heeft de rechtspraktijk bij de
overgang van de voormalige Vreemdelingenwet naar de Vreemdelingenwet 2000
aan de nieuwe regelgeving moeten wennen. Het is niet verwonderlijk dat er
daarbij diverse vragen zijn opgekomen – onder meer over de uitwerking
van het overgangsrecht, de mogelijkheden tot doorprocederen en de nareis van
gezinsleden van asielmigranten – en dat enkele omissies en leemten in
de wet aan het licht zijn gekomen. Wat betreft het overgangsrecht is er bij
de totstandkoming van de Vreemdelingenwet 2000 als hoofdregel de onmiddellijke
werking gekozen om het naast elkaar bestaan van het oude en het nieuwe systeem
zo beperkt mogelijk te houden. Daarop zijn enkele uitzonderingen gemaakt (onder
meer de artikelen 116, 117, tweede lid, en 118, tweede lid). In de rechtspraktijk
is de vraag opgeworpen of er daarnaast verdere uitzonderingen op het onmiddellijkheidsbeginsel
bestaan. Zo heeft de vreemdelingenkamer wel een algemeen ongeschreven beginsel
van eerbiedigende werking in het vreemdelingenrecht verondersteld dat het
onmiddellijkheidsbeginsel in een groter aantal zaken opzij zou zetten dan
destijds voor ogen stond (Rb 's-Gravenhage 24 augustus 2001, JV 2001/269).
Deze lijn is echter niet algemeen gevolgd en inmiddels heeft de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State maatgevende uitspraken gedaan (ABRS 28 maart 2002,
JV 2002/153; ABRS 1 mei 2002, JV 2002/203) waardoor voor verwarring niet
gevreesd hoeft te worden. Omdat bij wijziging van bestaande regels van overgangsrecht
ingevolge vaste legisprudentie van de Raad van State de grootst mogelijk terughoudendheid
past – als voorbeeld verwijs ik naar het recente advies van de Raad
op het wetsvoorstel tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 betrekking
tot het inwinnen van het advies van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken
(kamerstukken II 2001/2002, 28 267, A, p. 1–2) – en er ook
geen noodzaak voor ingrijpen door de wetgever is, acht ik het niet wenselijk
het overgangsrecht in het onderhavige voorstel te wijzigen. Daarbij heeft
de Raad van State in zijn advies op het onderhavige voorstel ook geen kanttekeningen
geplaatst.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een beperkt aantal vreemdelingen die drie jaar een voorwaardelijke vergunning
tot verblijf (vvtv) hadden of daarvoor (met terugwerkende kracht) in aanmerking
kwamen is, zo antwoord ik de leden van het CDA, in het kader van
de overgang van de oude naar de nieuwe wet inderdaad direct in het bezit gesteld
van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Daarmee zijn zij buiten
de definitie van nieuwkomer in de zin van de Wet inburgering nieuwkomers gevallen.
De gemeenten die deze vreemdelingen een inburgeringscursus willen aanbieden,
staan financiële middelen uit diverse bronnen ter beschikking. Zo kunnen
zij bijvoorbeeld hun eventuele WIN-reserves aanwenden. Daarnaast kunnen zij
beschikken over middelen uit het specifieke oudkomersbeleid; 54 grote gemeenten
krijgen jaarlijks een rijksbijdrage voor het inburgeren van oudkomers en sinds
dit jaar hebben ook alle overige gemeenten van Nederland zich kunnen inschrijven
op een regeling om in aanmerking te komen voor een bijdrage in het kader van
oudkomersbeleid. Maar liefst 286 gemeenten hebben hier gehoor aangegeven.
Verder worden aan de gemeenten zogeheten WEB-middelen ter beschikking gesteld,
waaruit volwasseneneducatie – waaronder begrepen Nederlands als Tweede
taal – kan worden bekostigd. Tenslotte staan hen reïntegratiemiddelen
uit het fonds voor Werk en Inkomen ter beschikking voor, bijvoorbeeld, complete
inburgeringscursussen of cursussen Nederlands als Tweede Taal die aan de reïntegratie
van de voormalige vvtv'er kunnen bijdragen. Overigens is met het oog op de
financiële gevolgen voor de gemeenten van de uitbreiding van de groep
inburgeringsplichtigen door de omzetting van de vvtv in een verblijfsvergunning
asiel voor bepaalde tijd (artikel 115, zesde lid, Vw 2000) op 15 augustus
2001 een (voorschot)regeling getroffen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De memorie van toelichting op het onderhavige wetsvoorstel is na ontvangst
van het advies van de Raad van State aangepast aan het voornemen om het zogeheten
driejarenbeleid te verlaten, omdat het mij niet fraai voorkomt om een wetsvoorstel
toe te lichten met verwijzingen naar een beleidslijn waarvan te voorzien is
dat die voor inwerkingtreding van de voorgestelde wijzigingen zal zijn verlaten.
Anders dan de leden van de fractie van de SP veronderstellen, komt mij dat
niet voorbarig voor, nu achterhaalde verwijzingen bij de toekomstige toepassing
van de wet in het algemeen niet verhelderend werken. Overigens is de verblijfsvergunning
op grond van het driejarenbeleid niet in de Vreemdelingenwet 2000 verankerd
en gaat het hierbij niet om de enige reguliere verblijfsvergunning die na
afwijzing van een asielaanvraag ambtshalve kan worden verleend. Ongeacht de
toekomst van het driejarenbeleid blijven de voorgestelde wijzigingen dan ook
relevant en noodzakelijk, mede in het belang van de vreemdeling. Deze kan
daardoor bijvoorbeeld de afwijzing van de asielaanvraag door de rechter laten
toetsen (artikel 30). In het kader van het onderhavige wetsvoorstel zie ik
dan ook geen aanleiding voor heroverweging van het voornemen om het driejarenbeleid
te verlaten, zo antwoord ik de leden van de GL-fractie.</al>
      <tuskop letat="vet">Artikelen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel A3 (artikel 1)</tuskop>
      <al>In de voorgestelde wijziging van de definitie van de machtiging tot voorlopig
verblijf (mvv) wordt uitdrukkelijk aangegeven dat de mvv, indien er in het
land van herkomst of bestendig verblijf geen Nederlandse vertegenwoordiging
is, wordt aangevraagd en afgewacht in het «dichtstbijzijnde» land.
Met het oog op situaties waarin ook in de aangrenzende landen geen Nederlandse
vertegenwoordiging operationeel is, is gekozen voor de term «dichtstbijzijnde
land» en niet voor «aangrenzend land». Met de leden van
de PvdA-fractie ben ik van mening dat het «dichtstbijzijnde» land
waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd ongewenste discussies kan oproepen
over welk land in concreto het dichtste bij is. Ik ben het dan ook met deze
leden eens dat bij de beoordeling daarvan rekening moet kunnen worden gehouden
met andere factoren dan enkel de afstand in kilometers, omdat
het land dat – in kilometers uitgedrukt – weliswaar het dichtstbijgelegen
is door diverse factoren moeilijker bereikbaar kan zijn dan een ander (buur)land.
Met het dichtstbijzijnde land wordt dan ook gedoeld op het dichtstbijzijnde
land in de regio van het land van herkomst of bestendig verblijf, waarnaar
de aanvrager in staat kan worden geacht zich te begeven teneinde daar een
aanvraag in te dienen. Indien in meer dan één aangrenzend land
een (operationele) Nederlandse vertegenwoordiging is, kan de vreemdeling daaruit
een keuze maken en zich daarbij mede laten leiden door eventueel te verwachten
problemen bij grensoverschrijding elders. Omdat de voorgestelde wijziging
van de definitie van de machtiging tot voorlopig verblijf strookt met de bestaande
situatie, en het hier niet gaat om een ingrijpende wijziging van het wetsvoorstel
zie ik geen aanleiding om separaat advies van de Raad van State in te winnen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik zie geen aanleiding om de zogeheten referentprocedure af te schaffen,
zo antwoord ik de leden van de GL-fractie en de fractie van de SP. Met name
bij aanvragen om gezinshereniging met vluchtelingen is de mogelijkheid om
reeds in Nederland de nodige stappen te ondernemen van groot belang in verband
met de nareistermijn (artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw 2000). De referentprocedure
treedt niet in de plaats van de aanvraagprocedure, maar dient ter voorbereiding
van de indiening van de mvv-aanvraag door de vreemdeling in het buitenland.
In deze procedure worden noodzakelijke gegevens vergaard, met name met betrekking
tot de referent, waarover de vreemdeling in het buitenland naar verwachting
(nog) niet zal beschikken. Ook in die gevallen waarin de in Nederland verblijvende
referent zich tot de overheid wendt met het verzoek om advies over de afgifte
van een mvv, moet de vreemdeling in het buitenland zelf een mvv-aanvraag indienen
voordat een mvv kan worden afgegeven. Dat is met name van belang voor de legalisatie
(en verificatie) van bescheiden en voor de vaststelling van de identiteit
van de vreemdeling. Hoewel in artikel 16a van de voormalige Vreemdelingenwet
en het huidige artikel 1, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 de woorden
«in persoon» inderdaad ontbreken, is het staande praktijk –
en met het oog op de identiteitscontrole van groot belang – dat de aanvraag
door de vreemdeling in persoon wordt ingediend.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel C (artikel 30)</tuskop>
      <al>De kern van de voorgestelde wijziging van artikel 30 is dat de ambtshalve
verlening van een reguliere verblijfsvergunning (bijvoorbeeld als alleenstaande
minderjarige vreemdeling) na afwijzing van de asielaanvraag de rechterlijke
toetsing van de afwijzende asielbeschikking niet in de weg staat. Daarbij
zie ik, zo antwoord ik de leden van de CDA-fractie, geen complicaties door
beperkingen in de ex nunc toetsing. De rechtbank houdt rekening met feiten
en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen,
voor zover die voor de beschikking op de asielaanvraag relevant kunnen zijn.
Daarnaast zijn er beperkingen in het belang van de goede procesorde en de
voortgang van de afdoening. Binnen deze kaders houden de rechtbanken in asielzaken
rekening met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn opgekomen.
Met de voorgestelde wijziging wordt daaraan een beperking toegevoegd doordat
het feit van de ambtshalve verleende reguliere vergunning bij de ex nunc toetsing
niet (als nieuw feit) leidt tot toepassing van artikel 30, onder b, van de
wet. Bij stricte ex tunc toetsing zou dat niet nodig zijn; de rechter zou
de ambtshalve verlening van een reguliere verblijfsvergunning als later opgekomen
feit buiten beschouwing laten. Alleen bij een ex nunc toetsing kan die ambtshalve
verlening de beoordeling van de asielbeschikking in de weg staan. Daarom voorzie
ik in de beperkingen die artikel 83 aan de ex nunc toetsing stelt, geen complicaties.
Wel zie ik aanleiding om een wijziging van artkel 83, tweede lid,
voor te stellen met het oog op de <nadruk type="cur">ex nunc</nadruk> toetsing
van de beslissing om niet ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning te
verlenen.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdelen E, F en L (artikelen 39, 42 en 79)</tuskop>
      <al>De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 39, 42 en 79 strekken tot
procedurele stroomlijning. Indien in de asielprocedure wordt overwogen om
niet alleen de asielaanvraag af te wijzen, maar ook om niet ambtshalve een
verblijfsvergunning regulier (bijvoorbeeld als alleenstaande minderjarige
vreemdeling) te verlenen, wordt de vreemdeling zo mogelijk in staat gesteld
zijn zienswijze daarop kenbaar te maken. Daarna staat de rechtsgang open die
nu alleen in asielzaken openstaat. Daarmee worden uiteenlopende procedures
voorkomen en wordt bewerkstelligd dat de vreemdeling zo spoedig mogelijk uitsluitsel
verkrijgt over de – met de asielaanvraag samenhangende – beslissing
om niet ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning te verlenen. Als de vreemdeling
in zo'n geval toch verkiest een aanvraag in te dienen, zal die aanvraag in
beginsel wegens het ontbreken van een mvv worden afgewezen. Aangezien het
indienen van een bezwaarschrift in dat geval de werking van de beschikking
niet opschort (artikel 73, tweede lid, onder a, Vw 2000) en de vreemdeling
geen verblijfsvergunning of rechtmatig verblijf heeft, is er geen sprake van
één van de imperatieve afwijzingsgronden van artikel 30. Overigens
brengen de voorgestelde wijzigingen daarin geen verandering.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het gaat hier om procedurele stroomlijning. De voorgestelde wijzigingen
strekken niet tot wijziging van de toetsingskaders voor de ambtshalve verlening
van de reguliere verblijfsvergunning, zoals die in de Vreemdelingencirculaire
2000 zijn opgenomen. Deze worden met standaardbouwstenen in de afwijzende
beschikking vermeld, waarbij tevens wordt opgenomen om welke reden(en) in
het concrete geval niet ambtshalve een vergunning is verleend. De IND is,
zo antwoord ik de leden van de GL-fractie, geïnstrueerd om in zaken die
zich daartoe lenen ambtshalve te toetsen of de asielzoeker wiens asielaanvraag
niet voor inwilliging in aanmerking komt, wel een reguliere verblijfsvergunning
als alleenstaande minderjarige vreemdeling kan worden verleend. In voorkomende
gevallen vindt die toets op dit moment echter plaats ná het primaire
besluit. Met de voorgestelde maatregel heeft het bestuur in gevallen waarin
geen nader onderzoek nodig is voor het oordeel dat de vreemdeling niet in
aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning, geen reden om een
voornemen achterwege te laten en zodoende de vraag of de vreemdeling als alleenstaande
minderjarige vreemdeling in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning
aan de rechterlijke toetsing te onttrekken. Niet alleen voor de vreemdeling
maar ook voor het bestuur is het immers gunstig om zo snel mogelijk uitsluitsel
te verkrijgen, terwijl de voorgestelde voornemenprocedure en asielrechtsgang
niet tot werklastverhoging leidt. Het achterwege laten van een voornemenprocedure
draagt daarentegen wel het risico van extra werklast met zich mee, omdat de
vreemdeling zich later alsnog tot de Minister zou kunnen wenden met de stelling
dat hij als alleenstaande minderjarige vreemdeling in aanmerking komt voor
een reguliere verblijfsvergunning.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naar aanleiding van de vragen van de leden van de CDA-fractie over de
ex nunc toetsing en van de GL-fractie over de gevolgen van de procedurele
stroomlijning, stel ik een wijziging van artikel 83 voor. Als in beroep tegen
de afwijzing van de asielaanvraag ook wordt opgekomen tegen de daarmee samenhangende
beslissing om niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier (bijvoorbeeld
als alleenstaande minderjarige vreemdeling) te verlenen, volgt uit het voorgestelde
derde lid van artikel 79 dat artikel 83 van toepassing is en daarmee dat de
rechter in beroep in beginsel ex nunc toetst. Die ex nunc toetsing
kan er toe leiden dat de beslissing om niet ambtshalve een verblijfsvergunning
aan een alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen, niet hoeft te
worden vernietigd als er op dat ogenblik geen reden voor vergunningverlening
meer is. Het tweede lid van artikel 83 beperkt de ex nunc toetsing echter
tot feiten en omstandigheden die voor de verlening van de verblijfsvergunning <nadruk type="cur">asiel</nadruk> relevant kunnen zijn. Dat zou er toe kunnen leiden
dat later ingetreden feiten en omstandigheden die relevant kunnen zijn voor
de ambtshalve verlening van de verblijfsvergunning <nadruk type="cur">regulier</nadruk> buiten de ex nunc toetsing blijven. Dat beperkt de doelmatigheid
en helderheid van de voorgestelde stroomlijning. Het zou er toe kunnen leiden
dat de rechter het bestreden besluit in beroep ex nunc toetst voor zover het
strekt tot afwijzing van de asielaanvraag, en ex tunc voor zover het strekt
tot niet-verlening van een reguliere verblijfsvergunning, waarna nieuw opgekomen
feiten de vreemdeling er toe kunnen bewegen zich wederom tot de minister te
wenden. Bij nota van wijziging wordt voorgesteld artikel 83 aan te passen.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel G (artikel 62)</tuskop>
      <al>Bij het vertrek van Dublinclaimanten en vreemdelingen die op grond van
een terug- en overname overeenkomst worden overgedragen, zo antwoord ik de
leden van de CDA-fractie, wordt zoveel mogelijk gekozen voor begeleid en gecontroleerd
vertrek, hetzij door middel van overdracht aan de grens met Duitsland of door
uitzetting via Schiphol. Overdracht aan België vindt plaats door zelfstandig
vertrek van de vreemdeling. In alle gevallen worden de desbetreffende autoriteiten
op de hoogte gesteld. In de tussentijd zijn de vreemdelingen gehouden tot
periodieke aanmelding bij de korpschef (artikel 54 Vw 2000 jo artikel 4.51
Vb 2000). Ik zie geen aanleiding om ten aanzien van de gehele groep bij wijze
van automatisme een vrijheidsbenemende of -beperkende maatregel toe te passen.
Dat zou de uitvoering en de overige schakels in de vreemdelingenketen onevenredig
belasten. Wel kunnen dergelijke maatregelen uiteraard worden toegepast in
individuele gevallen waarin daarvoor voldoende aanleiding bestaat, bijvoorbeeld
op grond van het vermoeden dat de vreemdeling zich aan uitzetting zal onttrekken.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdelen I, L en M (artikelen 71, 79 en 82)</tuskop>
      <al>De voorgestelde wijziging van de artikelen 71, vijfde lid, 79, tweede
lid, en 82, tweede lid, onder c, strekken ertoe het zogenaamde sprongberoep
op de Afdeling bestuursrechtspraak open te stellen tegen besluiten omtrent
het vertrekmoratorium. Daarmee wordt bereikt dat er aanzienlijk sneller duidelijkheid
bestaat over de rechtmatigheid van het desbetreffende besluit en dat de rechtsbescherming
aansluit bij de bestaande regeling van het besluitmoratorium. In geen van
beide situaties schort het instellen van beroep de werking van het besluit
op, waarmee wordt bewerkstelligd dat de beoogde rechtsgevolgen zonder vertraging
kunnen intreden. Een besluit tot het instellen van een vertrekmoratorium betekent
voor de desbetreffende vreemdeling dat hij aanstonds aanspraak heeft op voortzetting
van de opvang; bij een besluit tot intrekking van een vertrekmoratorium wordt
de opvang aanstonds beëindigd. Het gaat bij dat laatste om situaties
waarin na rechterlijke toetsing vaststaat dat de vreemdeling niet in aanmerking
komt voor een verblijfsvergunning en Nederland moet verlaten. Dat het beroep
tegen intrekking van het vertrekmoratorium de werking van dat besluit niet
opschort, is dan ook, mede gelet op de zorgvuldige voorbereiding van een dergelijk
besluit, redelijk. Overigens heeft een beroep tegen het intrekken van een
vertrekmoratorium ook in de huidige situatie geen opschortende werking.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel P (artikel 95)</tuskop>
      <al>Met de voorgestelde wijziging van artikel 95 wordt voorkomen dat in hoger
beroep tegen eerste uitspraken over vrijheidsontnemende maatregelen wel de
rechtmatigheidsvraag, maar niet de onlosmakelijk daarmee verbonden vraag naar
de gevraagde schadevergoeding, aan de orde kan worden gesteld. Gelet op het
karakter van het onderhavige wetsvoorstel, waarbij ik verwijs naar het algemene
deel van deze nota, is er voor gekozen de wijziging te beperken tot het noodzakelijkste.
Om die reden zijn de verdergaande voorstellen van de Raad van State, zo antwoord
ik de leden van de PvdA, niet overgenomen. Daarbij komt nog dat het zich in
de praktijk hoogst zelden voordoet dat de vreemdeling of zijn advocaat verzuimt
om schadevergoeding te vragen en zich na gegrondverklaring van het beroep
tot mijn ministerie wendt met het verzoek om een schadebesluit.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit de geautomatiseerde systemen van de IND kan worden afgeleid, zo antwoord
ik de leden van de CDA-fractie, dat in de periode van 1 april 2001 tot
en met 30 november 2002 maar liefst 27 333 procedures tegen vrijheidsontnemende
en -beperkende maatregelen (zogeheten habeas corpus procedures) zijn opgevoerd.
In totaal 1511 zaken – ongeveer 5 procent – was sprake van schadevergoeding.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft in 2001 voor 275 000 euro
en in 2002 (tot en met november) voor 160 000 euro aan schadevergoedingen
uitgekeerd. Het gaat daarbij om totaalbedragen; afzonderlijke cijfers voor
schadevergoeding in het kader van vrijheidsontneming en -beperking zijn niet
voorhanden. De staat heeft sedert 1 april 2001 in 33 zaken hoger beroep
ingesteld tegen een uitspraak van de vreemdelingenkamer over de toepassing
van een vrijheidsbenemende maatregel. In 20 daarvan was in eerste aanleg een
schadevergoeding toegekend. In 15 gevallen is het beroep gegrond verklaard
en in 2 zaken is nog geen uitspraak gedaan.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderdeel R (artikel 107a)</tuskop>
      <al>Bij derden die bijzondere persoonsgegevens kunnen verwerken, gaat het,
zo antwoord ik de leden van de PvdA-fractie, om anderen dan de Minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie (en de onder hem ressorterende ambtenaren)
en de ambtenaren belast met toezicht en uitvoering. In de alledaagse uitvoering
van de Vreemdelingenwet 2000 valt daarbij met name te denken aan de Minister
van Buitenlandse Zaken (en onder hem ressorterende ambtenaren) die met individuele
ambtsberichten adviseert over asielaanvragen. Ook kan worden gedacht aan artsen
van de GG&amp;GD of van de Medische opvang asielzoekers. Deze derden zijn
niet noodzakelijkerwijs beperkt tot overheidsinstanties. Omdat «verwerking»
van persoonsgegevens een breed begrip is, dat elke handeling of elk geheel
van handelingen omvat met betrekking tot persoonsgegevens (artikel 1, onder
b, Wbp), kan niet op voorhand worden uitgesloten dat het in een voorkomend
geval ook noodzakelijk is in het belang van grensbewaking, toelating, toezicht
of uitzetting, dat een institutionele of particuliere derde met een bijzondere
expertise de beschikking moet krijgen over persoonsgegevens. Het voorgestelde
artikel 107a ziet op bijzondere persoonsgegevens met betrekking tot godsdienst,
levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven,
lidmaatschap van een vakvereniging en strafrechtelijke persoonsgegevens. Bij
de verwerking daarvan (waaronder het doorgeven aan derden) moet altijd worden
nagegaan of de verwerking noodzakelijk is voor het kunnen uitoefenen van de
taak. Daarbij kan ik mij daar ten aanzien van luchtvaartmaatschappijen niet
veel anders indenken dan de mogelijkheid dat bij het vervoer van een vreemdeling
rekening moet worden gehouden met bepaalde gezondheidsproblemen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Er zijn op dit moment geen signalen uit de praktijk ontvangen dat de werking
van de artikelen 8, 9 en 21 Wbp de grensbewaking, toelating en uitzetting
van vreemdelingen wezenlijk belemmert, zo antwoord ik de leden van de CDA-fractie.
Deze kerntaken kunnen zonder problemen worden uitgevoerd. De Europese Commissie
kan, indien zij naar aanleiding van de aanmelding van het voorgestelde artikel
107a daartoe aanleiding ziet, opmerkingen plaatsen die tot bijstelling moeten
leiden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Los van het verslag van de Vaste commissie voor Justitie over dit wetsvoorstel
heb ik aanleiding gevonden dit wetsvoorstel op enkele punten te wijzigen.
Ik verwijs daarvoor naar de bijgevoegde nota van wijziging en de daarbij opgenomen
toelichting.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,</functie>
        <naam>H. P. A. Nawijn</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>