﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/schema/op-xsd-2012-2">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28498-33/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2013-2014</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Tweede Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">2</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>28 498</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Het Internationaal Strafhof</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>Nr. <ondernummer kamer="2">33</ondernummer></stuknr>
      <titel>VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG</titel>
      <datumtekst>Vastgesteld <datum isodatum="2014-02-27">27 februari 2014</datum></datumtekst>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Binnen de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken bestond bij zes fracties de behoefte de Minister van Buitenlandse Zaken enkele vragen en opmerkingen voor te leggen inzake het verslag van de 12<sup>e</sup> Vergadering van Statenpartijen bij het Statuut van Rome ter oprichting van het Internationaal Strafhof (Kamerstuk <extref doc="kst-28498-31" soort="document" status="actief">28 498, nr. 31</extref>).</al>
            <al>De Minister heeft op de vragen en opmerkingen geantwoord bij brief van 25 februari 2014. De vragen en opmerkingen van de fracties en de antwoorden van de Minister zijn hieronder afgedrukt.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De voorzitter van de commissie,</functie>
            <naam>
              <achternaam>Eijsink</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
          <ondertekening>
            <functie>De adjunct-griffier van de commissie,</functie>
            <naam>
              <achternaam>Wiskerke</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <tussenkop kopopmaak="vet">Algemeen</tussenkop>
            <al>De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het verslag van de 12de Vergadering van de Staten die Partij zijn bij het Statuut Rome, ter oprichting van het Internationaal Strafhof. De leden van de VVD-fractie hechten grote waarde aan het International Strafhof. Deze leden achten het van groot belang dat regeringsleiders overal ter wereld weten dat misdaden tegen de mensheid niet ongestraft kunnen blijven. De leden van de VVD-fractie zijn het eens met de visie van de Minister, zoals uiteengezet in het Algemeen Overleg van 19 november jl., dat het Internationaal Strafhof een afschrikkende en preventieve werking heeft, die effect heeft op de wijze waarop men in conflicten optreedt. Die wetenschap komt de internationale rechtsorde ten goede. Het is dan ook goed dat Nederland een actieve bijdrage levert aan het Strafhof door deze in Nederland te huisvesten. Toch constateren de leden van de VVD-fractie dat het op dit moment niet op alle terreinen goed gaat met het Strafhof.</al>
            <al>De leden van de PVV-fractie danken de Minister voor het verslag van de 12e Vergadering van de Staten die Partij zijn bij het Statuut van Rome, ter oprichting van het Internationaal Strafhof.</al>
            <al>De leden van de SP fractie zijn verheugd over de constructieve dialoog die tijdens de 12e Vergadering van Statenpartijen van het Internationaal Strafhof is gevoerd met verschillende Afrikaanse Statenpartijen en dat aanpassing van het Statuut van Rome hierbij niet aan de orde is gekomen. De leden van de SP vinden het heel belangrijk dat dit voorkomen is. De leden van de SP-fractie merken op tevreden te zijn met de nadruk die de Minister in zijn bijdrage aan de vergadering van Statenpartijen legde op de grote steun van gastland Nederland voor het Strafhof. De leden van de SP-fractie hopen en verwachten dat het Strafhof ook in de toekomst kan blijven rekenen op grote steun van Nederland.</al>
            <al>De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het verslag van de 12e Vergadering van Statenpartijen bij het Statuut van Rome, die werd gehouden van 20 tot 28 november 2013. Een vergadering die voornamelijk in het teken stond van de relatie van het Strafhof met verschillende Afrikaanse Statenpartijen.</al>
            <al>De leden van de D66-fractie willen ten eerste hun waardering uitspreken voor de Nederlandse inzet met betrekking tot het Internationaal Strafhof en de Minister danken voor het verslag van de 12e Vergadering van Statenpartijen. Zou de Minister voortaan na iedere vergadering van statenpartijen verslag kunnen doen aan de Kamer? Het Internationaal Strafhof is een relatief jonge instelling met veel potentie. De leden van de D66-fractie zijn van mening dat degenen die het meest verantwoordelijk zijn voor internationale misdrijven als genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid hun straf niet mogen ontlopen. Het Strafhof speelt hierin een cruciale rol. Als gastland heeft Nederland een speciale verantwoordelijkheid voor het Internationaal Strafhof. De leden van de D66-fractie willen benadrukken dat dit niet alleen behelst dat Nederland het Hof moet steunen, maar dat het ook kritisch moet zijn om het te laten ontwikkelen en optimaal te laten functioneren.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">Antwoord:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Conform uw verzoek, zal het kabinet u voortaan jaarlijks een verslag van de Statenvergadering van het Internationaal Strafhof toesturen</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">De positie van het Strafhof in Afrika</tussenkop>
            <al>De leden van de VVD-fractie merken op dat de Minister in de brief verslag doet van de gesprekken met verschillende Afrikaanse staten. Zo had een aantal lidstaten van de Afrikaanse Unie (AU) felle kritiek op het Strafhof, dat zich te eenzijdig op Afrika zou richten en Afrikaanse landen niet in staat zou achten oorlogsmisdadigers zelf te berechten. Verschillende Afrikaanse vertegenwoordigers benadrukten dat deze landen niet uit zijn op algemene straffeloosheid, maar wel een respectvolle en waardige behandeling van deze staatshoofden wensen, voor wie de «presumption of innocence» zou moeten gelden. De leden van de VVD-fractie hebben begrip voor culturele verschillen omtrent de omgang met politieke leiders, zeker als een dergelijk begrip de legitimiteit van het Strafhof ten goede komt, maar het mag niet zo zijn dat zittende regeringsleiders immuniteit wordt verleend, zoals bijvoorbeeld in het geval van Soedan. Hoe beoordeelt de Minister de huidige verhouding tussen het Internationaal Strafhof en de AU-landen? Op welke manier kan het Strafhof gehoor geven aan de kritiek van de AU-landen zonder de internationale rechtsorde te ondermijnen? Hoe beoordeelt de Minister een «receptorbenadering» ten aanzien van de prioritering van het Internationaal Strafhof?</al>
            <al-groep>
              <al>De leden van de fractie van de PvdA zijn verheugd met het initiatief dat de Nederlandse regering nam tot het organiseren van een retreat, waar de dialoog met de Afrikaanse Unie over de vervolging van staatshoofden en de gevolgen daarvan voor vrede, stabiliteit en verzoening, van start ging. De leden van de PvdA fractie vragen hoe de Minister de kritiek van Afrikaanse landen dat het Strafhof zich te eenzijdig richt op Afrika beoordeelt? Wordt onvoldoende rekening gehouden met de mogelijkheden van Afrikaanse landen om zelf internationale misdrijven te berechten? Wanneer zou een uitgestelde berechting van een staatshoofd op zijn plaats kunnen zijn? De leden van de PvdA fractie zijn van mening dat immuniteit voor staatshoofden ongewenst is. Welke andere mogelijkheden benoemden de staatshoofden om de door de verschillende Afrikaanse landen geuite zorgen op serieuze wijze te adresseren? Welke voorkeur werd door Nederland aangegeven?</al>
              <al>De leden van de fractie van de PvdA vragen of de Kamer kan worden geïnformeerd over de aanstaande AU-EU Top, die plaatsvindt in april a.s. Welke onderwerpen staan hier op de agenda? Welke onderwerpen wil Nederland graag op de agenda zetten? Zal er ook gesproken worden over de positie van het Strafhof in Afrika?</al>
            </al-groep>
            <al>De leden van de PVV-fractie zijn verheugd dat alle Afrikaanse landen, inclusief Kenia, bereid waren naar oplossingen te zoeken voor hun grieven met betrekking tot het Internationaal Strafhof, waardoor aanpassing van het Statuut van Rome niet aan de orde is gekomen. De leden van de PVV-fractie merken op dat de Minister tijdens het Algemeen Overleg dat vooraf ging aan de 12e Vergadering enthousiast was over het door het lid de Roon geopperde idee dat het goed zou zijn om ook in Afrika te vergaderen als daarmee ownership kan worden versterkt. De Minister gaf aan dat hij het een interessante gedachte vindt om te bespreken of er niet eens een conferentie in een Afrikaans land kan worden georganiseerd. In het verslag zou de Minister vermelden hoe deze gedachte gevallen is. De leden van de PVV-fractie merken op dat in het verslag alleen de magere constatering wordt gedaan dat de Vergadering in 2014 in New York zal plaatsvinden en in 2015 in Den Haag. Heeft de Minister het idee geopperd? Zo ja, hoe werd er op gereageerd? Zo nee, waarom niet? Nederland investeert dusdanig in het Internationaal Strafhof dat het uit het oogpunt van financiën niet meer dan redelijk is de Vergadering regelmatig in Den Haag te houden. Is het echter niet bespreekbaar de Vergadering bijvoorbeeld in 2016 in een Afrikaans land te houden in plaats van in New York? Graag een reactie van de Minister.</al>
            <al>De leden van de SP-fractie merken op dat in het verslag van de vergadering wordt verwezen naar de kritiek van een aantal Afrikaanse landen op het Strafhof betreffende eenzijdigheid, complementariteit, de behandeling en het belang van staatshoofden en uitstel van berechting. De leden van de SP-fractie vernemen van de Minister graag de door Nederland tijdens de dialoog ingenomen standpunten met betrekking tot deze kritiekpunten. Is de Minister het met de leden van de SP-fractie eens dat amendering van het Statuut van Rome zoals voorgesteld door Kenia, specifiek met betrekking tot artikel 27, volstrekt onacceptabel is? Kan de Minister de berichten bevestigen dat Keniaanse getuigen in het Strafhofproces terzake ernstig onder druk zijn gezet en dat getuigen zich hebben teruggetrokken? Is dit aan bod gekomen tijdens de vergadering van Statenpartijen dan wel bij side-events of anderszins? Heeft Nederland zich hierover uitgelaten? Indien nee, waarom niet? De leden van de SP-fractie willen met betrekking tot de positie van het Strafhof in Afrika graag van de Minister weten of er concrete voorstellen zijn gedaan en aangenomen die ertoe moeten leiden dat de positie van het Strafhof in Afrika wordt versterkt, zoals bijvoorbeeld het organiseren van bijeenkomsten over het Strafhof in Afrikaanse landen.</al>
            <al>De leden van de CDA-fractie hebben met genoegen kennis genomen van de aangenomen resolutie waarin Nederland gecomplimenteerd wordt voor zijn rol als gastland en voortdurende inzet om het Strafhof te ondersteunen. Het CDA complimenteert de Minister van Buitenlandse Zaken ook met het bereiken van een constructieve oplossing voor de zorgen die bij verschillende Afrikaanse landen leefden. Blijvende steun van Afrikaanse landen is van groot belang voor het Strafhof. Het is daarom een goede zaak dat de zorgen van deze landen geadresseerd zijn, zonder afbreuk te doen aan de integriteit van het Statuut van Rome. De Minister heeft het over brede steun en stelt dat «bijna alle Statenpartijen» tevreden waren. Welke Statenpartijen zijn dat nog niet?</al>
            <al-groep>
              <al>De positie van het Strafhof in Afrika is wat betreft de D66-fractie een absolute prioriteit. Zonder de steun van Afrikaanse statenpartijen komt de geloofwaardigheid van en het draagvlak voor het Strafhof in groot gevaar. De voorgenoemde leden spreken hun tevredenheid uit over het feit dat er niet getornd is aan een van de belangrijkste beginselen van het Statuut van Rome en dat immuniteit voor staatshoofden nog altijd onacceptabel is. De leden van de D66-fractie vragen wat precies de inzet van de Nederlandse delegatie is geweest. Hoe is precies de dialoog aangegaan met de Afrikaanse statenpartijen? Welke maatregelen neemt de Minister om ook na deze Vergadering van Statenpartijen zich nog vol in te zetten voor de relatie met Afrika? Heeft de Minister tijdens de afgelopen bijeenkomst het voorstel om de Vergadering van Statenpartijen ook eens in Addis Ababa te laten plaatsvinden voorgelegd aan zijn collega’s en hoe is deze suggestie ontvangen?</al>
              <al>De Minister gaf aan tijdens het Algemeen Overleg dat er aankomend jaar mogelijk weer een bezoekersprogramma zal plaatsvinden. Graag willen de leden van de D66-fractie weten of de Minister van plan is om het draagvlak voor het Strafhof in Afrika verder te vergroten door frequentere en intensievere bezoekersprogramma’s naar Den Haag te organiseren. En, zo vragen de leden van de D66 fractie, hoe ziet de strategie van Nederlandse posten in</al>
              <al>situatielanden eruit om draagvlak voor het Strafhof te vergroten? Zijn hier richtlijnen voor of hangt dit af van de inzet van de lokale post?</al>
              <al>Tijdens het Algemeen Overleg gaf de Minister aan dat hij tijdens de Vergadering van Statenpartijen zou pleiten voor een Strafhof-liaison bij de Afrikaanse Unie. Volgens de Minister is dat belangrijk voor de dialoog met Afrika, omdat het kan helpen om verkeerde indrukken over het Strafhof weg te nemen. De leden van de D66-fractie zijn het hier volledig mee eens en vragen zich af hoe dit voorstel is ontvangen tijdens de vergadering. Zijn er concrete suggesties gedaan en vervolgstappen ondernomen?</al>
              <al>De dialoog met de Afrikaanse Unie is cruciaal om het draagvlak voor het Strafhof in Afrika te behouden en verdere afbraak tegen te gaan. Daarom is door de fractie tijdens het Algemeen Overleg de suggestie gedaan om het Internationaal Strafhof te agenderen voor de AU-EU top dit voorjaar. De voorgenoemde leden zijn erg benieuwd hoe deze suggestie ontvangen is bij de Afrikaanse Statenpartijen. Wat hebben de initiële contacten en initiële initiatieven opgeleverd en hoe ziet de Minister de weg verder?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">Antwoorden:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Statenvergadering in 2013 stond in het teken van de discussie met Afrikaanse Statenpartijen. De indruk van sommige Statenpartijen dat het Internationaal Strafhof (verder: Strafhof) zich eenzijdig op Afrika richt en zorgen over vervolging van staatshoofden waren eerder onderwerp van discussie in verschillende andere fora. Nu stond deze discussie voor het eerst op de agenda van de Statenvergadering. Nederland heeft zich ingespannen een open en constructieve dialoog te voeren over de Afrikaanse zorgen. Tornen aan het Statuut van Rome en specifiek artikel 27, waarin het principe is vastgelegd dat staatshoofden geen immuniteit hebben, is onacceptabel. Nederland is wel bereid compromissen te aanvaarden ten aanzien van wijzigingen in de procedureregels, mits de onafhankelijkheid en integriteit van het Strafhof niet in gevaar komen en deze wijzigingen het Strafhof versterken.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Aandacht voor complementariteit is van groot belang. Statenpartijen moeten in de gelegenheid worden gesteld zelf tot onderzoek en vervolging over te gaan. Daar moet echter daadwerkelijk bereidheid en capaciteit voor zijn. Het blijft aan het Strafhof om te bepalen of dat het geval is en of het Strafhof rechtsmacht heeft of niet.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Wijziging van het Statuut van Rome en uitstel van vervolging door het Strafhof op grond van artikel 16 van het Statuut van Rome («deferral»), zijn tijdens de Statenvergadering niet ter sprake gekomen. De VNVR, en niet de Statenvergadering van het Strafhof, kan beslissen dat uitstel wordt verleend. Nederland is voorstander van een terughoudende toepassing van artikel 16.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Aanklager heeft in 2013 op verschillende momenten haar zorgen geuit over de beïnvloeding van getuigen in de Keniaanse zaken. Dit is een zeer zorgelijke ontwikkeling waar de Aanklager momenteel onderzoek naar doet. In oktober 2013 vaardigde het Strafhof een arrestatiebevel uit tegen een Keniaanse journalist voor onder meer (poging tot) het op corrumperende wijze beïnvloeden van getuigen. Nederland veroordeelt elke vorm van inmenging in de zaken voor het Strafhof en het is goed dat de Aanklager onderzoek doet naar deze beschuldigingen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Met de gevoerde dialoog en overeengekomen wijzigingen van het Reglement van Proces- en Bewijsvoering tijdens de Statenvergadering leek de door de Afrikaanse landen aangezwengelde discussie afgerond. Uit de conclusies van de top van de Afrikaanse Unie op 30 en 31 januari jl. blijkt echter dat de Afrikaanse Unie nog steeds oproept tot wijziging van het Statuut van Rome. Naar verwachting zal de discussie in 2014 dan ook worden voortgezet en de Nederlandse bezorgdheid hierover blijft bestaan. Waar mogelijk blijft Nederland zich inzetten om het draagvlak voor het Strafhof in Afrika te vergroten.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Met het oog op deze gewenste vergroting van het draagvlak in Afrika heeft het kabinet het voorstel om de Statenvergadering in de toekomst in Afrika te houden, overwogen. De huidige combinatie van Den Haag en New York werkt echter goed en er lijkt onvoldoende steun te bestaan onder Statenpartijen voor verandering van locatie. Daarbij zijn de aanwezigheid van de zetel van het Strafhof in Den Haag enerzijds en vertegenwoordiging van alle Statenpartijen in New York anderzijds belangrijke overwegingen. Het kabinet overweegt ook andere manieren om draagvlak te versterken, bijvoorbeeld door organisatie van ad hoc conferenties in Afrika vergelijkbaar met de review conference die in 2010 in Kampala plaatsvond. Ook het opzetten van een liaison office van het Strafhof in Afrika kan het draagvlak vergroten. Dit idee wordt door verschillende Afrikaanse landen gesteund. Het Strafhof onderzoekt op dit moment de mogelijkheden hiervoor. Nederland organiseert daarnaast in 2014 in samenwerking met het Strafhof, net als afgelopen jaar, twee seminars in Afrika over samenwerking met Strafhof. Ook organiseert Nederland een bezoekersprogramma voor influentials uit Afrika en wordt de mogelijkheid onderzocht om verschillende ad hoc bezoeken te organiseren voor journalisten. De inzet van de Nederlandse posten in de Afrikaanse landen voor het vergroten van de steun voor het Strafhof verschilt. Deze is afhankelijk van het land en de ruimte die men daarvoor ziet.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Op 2 en 3 april zal in Brussel de 4<sup>e</sup> EU- Afrika top plaatsvinden. De agenda voor deze top wordt momenteel besproken tussen de EU en Afrikaanse zijde. Nederland dringt aan op een brede discussie over vrede en veiligheid, mensenrechten en ook de strijd tegen straffeloosheid. De Kamer wordt te zijner tijd geïnformeerd over de Nederlandse inzet.</nadruk>
            </al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Wijziging van het Reglement van Proces- en Bewijsvoering</tussenkop>
            <al>De leden van de VVD-fractie merken op dat Nederland gedurende de vergadering samen met Zweden, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk een bijeenkomst heeft georganiseerd over de verdere vergroting van de effectiviteit van het Strafhof in de toekomst. Tijdens deze bijeenkomst vond een levendige discussie plaats. Kan de Minister toelichten hoe de effectiviteit van het Strafhof in de ogen van Nederland en andere gelijkgestemde landen verbeterd kan worden? Zijn er Statenpartijen die hier anders in staan, en zo ja, hoe?</al>
            <al-groep>
              <al>De leden van de PvdA fractie vinden het een goede zaak dat de Werkgroep Amendementen van de Vergadering tot een compromisvoorstel heeft kunnen komen over het al dan niet fysiek aanwezig zijn van verdachten bij hun proces, en dat Nederland hier een bijdrage aan heeft kunnen leveren. Kan een overzicht worden gegeven van de voorwaarden waaronder een verdachte niet aanwezig hoeft te zijn bij (een deel van) het proces? Welke «uitzonderlijke gevallen» worden hier bedoelt?</al>
              <al>De leden van de fractie van de PvdA vragen wat de uitkomsten waren van de bijeenkomst die Nederland organiseerde met Zweden, Zwitserland en het VK over de verdere vergroting van effectiviteit van het Strafhof in de toekomst? Welke voorstellen deed Nederland hiertoe?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>De leden van de PVV-fractie stellen vraagtekens bij het aangenomen amendement om het mogelijk te maken af te wijken van de regel dat verdachten fysiek aanwezig moeten zijn gedurende hun proces. De nieuwe regel maakt het mogelijk dat verdachten met buitengewone verantwoordelijkheden op het hoogste niveau van staat een verzoek in kunnen dienen om bij delen van het proces afwezig te zijn. De Minister schrijft dat het Strafhof het verzoek kan accepteren indien het oordeelt dat afwezigheid van de verdachte in «het belang van een goede rechtsbedeling is». De leden van de PVV-fractie vraagt zich af of de internationale gemeenschap hier geen zand in de ogen gestrooid krijgt, daar de amendering ingegeven is door hele andere motieven dan «een goede rechtsbedeling». Er is namelijk gewoon toegegeven aan de druk van Afrikaanse landen. Graag een reactie van de Minister hierop.</al>
              <al>De leden van de PVV-fractie merken op dat in het Algemeen Overleg dat vooraf ging aan de 12e Vergadering het deze Minister zelf was die zei dat het belangrijk is dat zaken tegen zittende staatshoofden of leidende politici voldragen kunnen worden en er niet moet worden toegegeven om allerlei concessies te doen over wie al dan niet voor de rechter mag verschijnen. «Het is immers een vorm van politisering dat de mensen die aan de macht zijn, de dans ontspringen en de mensen die de pech hebben niet aan de macht zijn, het haasje zijn.» Toch krijgt men de indruk dat er wel degelijk dergelijke concessies gedaan zijn. De leden van de PVV-fractie hebben sterk de indruk dat het feit dat «gewone» verdachten nu ook een verzoek kunnen indienen om niet aanwezig te hoeven zijn bij delen van het proces, een concessie is van de Afrikaanse landen aan de Westerse landen, om er door heen te krijgen dat zittende staatshoofden en leidende politici niet fysiek bij hun strafproces aanwezig te hoeven zijn. Klopt deze analyse? Zo nee, kan de Minister dan toelichten waarom deze uitzondering dan toch is toegevoegd? Wat betekent deze nieuwe ontsnappingsmogelijkheid voor gewone personen om fysiek aanwezig te zijn bij delen van hun strafproces voor de werklast van het Hof? En wat bedraagt de verwachte kostenstijging door de toevoeging van deze verzoekprocedure? Welke delen van het strafproces blijven voor een ieder, ongeacht zijn status, verplicht om bij te wonen? Voor welke delen van het strafproces kan een verzoek ingediend worden om het niet fysiek bij te wonen? Wat voor effect heeft de amendering op de uitleverings-en aanhoudingsbevelen voor bestaande en nieuwe gevallen? Ontspringt een zittend staatshoofd tegen wie een strafproces loopt, indien hij met succes een beroep heeft gedaan om het proces deels niet fysiek te volgen, de arrestatiedans als hij besluit een ander Westers land te bezoeken? Per wanneer worden de amenderingen van kracht? Wat zijn de uitkomsten van de bijeenkomst over de effectiviteit van het Strafhof in de toekomst?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>De leden van de SP-fractie merken op dat in het verslag is te lezen dat allerlei partijen het belang van versterking van het Strafhof benadrukten. De leden van de SP-fractie steunen dit zonder meer. Deze leden willen graag van de Minister weten welk perspectief hij ziet voor versterking van het Strafhof op korte termijn, specifiek door toetreding van meer landen tot het Statuut van Rome. Wat doet de Minister concreet om meer landen te bewegen toe te treden? Kan de Minister ook toelichten wat de resultaten zijn van de samen met Zweden, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk georganiseerde bijeenkomst over de verdere vergroting van de effectiviteit van het Strafhof in de toekomst? De leden van de SP-fractie vernemen van de Minister graag of tijdens de vergadering van Statenpartijen gesproken is over verdere stappen die de Verenigde Staten kunnen nemen om uiteindelijk partij te worden bij het Strafhof. Is de Verenigde Staten hier door Nederland toe aangemoedigd? Kan ook aangegeven worden hoe de stappen tot meer medewerking met het Strafhof die onder president Obama zijn gezet, worden beoordeeld?</al>
              <al>De leden van de SP-fractie vragen voorts of de Minister kan aangeven welke positie Nederland heeft ingenomen in de discussies die leidden tot de aanpassing of aanvulling van de regels 134 en 100 van het Reglement van Proces- en Bewijsvoering.</al>
            </al-groep>
            <al>De leden van de CDA-fractie steunen de wijziging van het Reglement van Proces- en Bewijsvoering die het mogelijk maakt dat een verdachte met buitengewone verantwoordelijkheden op het hoogste niveau van staat een verzoek in kan dienen om te worden vertegenwoordigd door zijn advocaat en zelf afwezig kan zijn bij delen van het proces. Daarmee is het mogelijk gemaakt dat de Keniaanse vicepresident Ruto een deel van het proces van het Strafhof tegen hem niet bij hoeft te wonen, omdat hij aan zijn plichten als bewindspersoon moet voldoen. Echter, bij de meest ernstige mensenrechtenschendingen zou het zeer onbevredigend, totaal onverantwoord zelfs, zijn om de daarvoor verantwoordelijken de mogelijkheid te bieden om op hun post te blijven zitten en door te gaan met het schenden van mensenrechten. Erkent de Minister dit spanningsveld? De leden van de CDA-fractie hopen dat het Strafhof in die gevallen verzoeken van verdachten afwezig te zijn bij delen van het proces, niet honoreert.</al>
            <al-groep>
              <al>De leden van de D66-fractie zijn niet geheel tevreden met alle wijzigingen van het reglement van proces- en bewijsvoering. Met name de aanpassing van regel 134 die het mogelijk maakt dat een verdachte met buitengewone verantwoordelijkheden op het hoogste niveau van staat afwezig kan zijn bij delen van het proces baart de leden zorgen. De leden begrijpen echter dat er aan de onvrede van een aantal Afrikaanse landen tegemoet gekomen moest worden. Dit compromis moet echter geen hellend vlak worden. De leden van de D66-fractie benadrukken dan ook dat het onwenselijk is om staatshoofden een bijzondere positie te geven. Er moet goed gemonitord worden hoe frequent en op basis van welke argument het Strafhof deze vrijstelling zal verlenen. De wijzingen van regel 68 dragen volgens de leden van de</al>
              <al>D66-fractie bij aan de bescherming van getuigen. Wel vragen deze leden aan welke voorwaarden de eerder opgenomen getuigenissen moeten voldoen om gebruikt te mogen worden. Betreft dit alleen getuigenissen die onder de auspiciën van het Bureau van de Aanklager opgenomen zijn?</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">Antwoorden:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Alle Statenpartijen zijn voorstander van een effectiever Strafhof. Het Strafhof is een relatief jong instituut waardoor blijvende aandacht vereist is voor verdere ontwikkeling die nodig is om optimaal te functioneren. De Study Group on Governance zet zich in voor het vergroten van de effectiviteit van het Strafhof door middel van concrete aanbevelingen aan het Strafhof en voorstellen voor amendementen op de verschillende procedurereglementen.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het amendement op regel 68, inzake vooraf opgenomen getuigenverklaringen, komt voort uit deze werkgroep. De nieuwe regel 68 breidt de regeling uit inzake gevallen waarin het is toegestaan vooraf opgenomen getuigenverklaringen te introduceren als bewijs. Deze regel is niet beperkt tot getuigenissen die onder auspiciën van het Bureau van de Aanklager opgenomen zijn. Wel geldt dat het gebruik van een vooraf opgenomen getuigenverklaring niet strijdig mag zijn met de rechten van de verdachte en dat deze regel niet retroactief mag worden toegepast.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Voorts zijn vijf verschillende situaties voorzien, ieder met specifieke voorwaarden, die hieronder op hoofdlijnen zijn weergegeven:</nadruk>
            </al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>
                  <nadruk type="cur">De eerste situatie betreft het geval waarin de getuige niet ter zitting aanwezig is, maar zowel de Aanklager als de verdediging reeds tijdens opname van de getuigenis de mogelijkheid hebben gehad de getuige te ondervragen. In deze situatie is geen additionele voorwaarde gesteld.</nadruk>
                </al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>
                  <nadruk type="cur">De tweede situatie betreft het geval waarin de getuige niet ter zitting aanwezig is en de opgenomen getuigenis betrekking heeft op iets anders dan de handelingen en het gedrag van de verdachte. Dit kan bijvoorbeeld een getuigenis zijn die gaat over de context of puur dient ter bewijs van feiten en niet tot de rol van de verdachte daarin. In deze situatie bevestigt de Kamer van Berechting o.a. of de getuigenis voldoende betrouwbaar is. De getuigenis dient vergezeld te gaan van een verklaring van de getuige dat de inhoud ervan waar is en deze verklaring moet worden gecertificeerd door een persoon die geautoriseerd is door de Kamer of volgens nationaal recht.</nadruk>
                </al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>
                  <nadruk type="cur">De derde situatie betreft het geval waarin de getuige is overleden of niet beschikbaar is wegens andere onoverkomelijke obstakels. In deze situatie dient de Kamer te besluiten of de getuigenis voldoende betrouwbaar is en heeft de Kamer de mogelijkheid de getuigenis niet toe te laten wanneer deze betrekking heeft op handelingen en het gedrag van de verdachte.</nadruk>
                </al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>
                  <nadruk type="cur">De vierde situatie betreft het geval waarin de getuige niet aanwezig is omdat hij is geïntimideerd of omgekocht. In deze situatie onderzoekt de Kamer o.a. of intimidatie of omkoping daadwerkelijk de oorzaak was van het niet kunnen getuigen en of de getuigenis voldoende betrouwbaar is. De Kamer heeft ook de mogelijkheid de getuigenis niet toe te laten als deze betrekking heeft op de handelingen en het gedrag van de verdachte.</nadruk>
                </al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>
                  <nadruk type="cur">De vijfde en laatste situatie betreft het geval waarin de getuige wél ter zitting aanwezig is. In dat geval zijn de enige aanvullende voorwaarden dat de getuige geen bezwaar maakt tegen gebruik van de eerder opgenomen verklaring en dat Aanklager, verdediging en de Kamer de gelegenheid krijgen de getuige te ondervragen ter zitting.</nadruk>
                </al>
              </li>
            </lijst>
            <al>
              <nadruk type="cur">De wijzing van regel 134quater werd vooral ingegeven door de zorgen van verschillende Afrikaanse landen. Met deze wijziging is de rechterlijke onafhankelijkheid behouden gebleven. De regel legt de bevoegdheid om per geval te oordelen over een verzoek om geëxcuseerd te worden van fysieke aanwezigheid bij de Kamer van Berechting van het Strafhof neer. Het Strafhof houdt het laatste woord en niet de Statenpartijen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Regel 134quater beperkt zich niet tot staatshoofden, maar wel tot verdachten die gemandateerd zijn om buitengewone publieke taken op het hoogste nationale niveau te vervullen. Nederland hecht belang aan gelijkheid ongeacht iemands hoedanigheid en onderkent dat deze regel tegen deze gedachte ingaat. De wijziging beoogt een oplossing te bieden voor het spanningsveld tussen het belang dat verdachten fysiek aanwezig zijn tijdens hun proces inzake de meest ernstige misdrijven en het belang dat verdachten hun buitengewone taken blijven uitoefenen. Het Strafhof kan per geval een belangenafweging maken of kan worden afgeweken van de eis van aanwezigheid, waarbij het hiertoe kan overgaan als dit in het belang van de rechtsgang is. Ongeacht de hoedanigheid van een verdachte grijpt berechting in Den Haag diep in in het leven van verdachten waarbij «onschuldig tot het tegendeel bewezen is», het uitgangspunt vormt. Elke verdachte die is verschenen op basis van een summons to appear kan een beroep doen om tijdens zijn proces bij het Strafhof op afstand aanwezig te zijn via videolink.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De gewijzigde regels zijn na aanname tijdens de Statenvergadering 2013 direct in werking getreden en in januari 2014 deed de Kamer van Berechting een eerste uitspraak op basis van regel 134quater in de zaak van de Keniaanse Vicepresident Ruto. Het gaat hier om de eerste toepassing van de regel en de Kamer heeft hierin bepaald dat Vicepresident Ruto delen van het proces niet in Den Haag hoeft bij te wonen. Onderdelen waarbij fysieke aanwezigheid wel geëist wordt, zijn o.a. gedurende verklaringen van slachtoffers, de slotverklaringen, de uitspraak, eventuele strafoplegging en alle overige momenten waarop de Kamer daar om verzoekt. De tijd moet uitwijzen hoe de Kamer van Berechting in andere zaken met deze regel om zal gaan. Ook is op dit moment onduidelijk welke gevolgen de nieuwe regel heeft voor de kosten van het Strafhof.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het kabinet wil graag verduidelijken dat het side event over vergroting van de effectiviteit van het Strafhof een informeel en informatief karakter had. Als zodanig paste deze in de traditie om en marge van de ASP informatieve bijeenkomsten te houden en op die manier de kennis van de deelnemers over verschillende aspecten van het Statuut van Rome te vergroten. Na een inleiding door rechter en Vicepresident van het Strafhof Monageng, spraken vertegenwoordigers van het Bureau van de Aanklager, Parliamentarians for Global Action, en het Zweedse Ministerie van Justitie.</nadruk>
            </al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Syrië en het Strafhof</tussenkop>
            <al>De leden van de PVV-fractie vragen de Minister in te gaan op de huidige stand van zaken omtrent doorverwijzing van Syrië naar het Internationaal Strafhof? Zit er enige beweging in de positie van Rusland, zeker nu de tienduizenden foto’s van de overgelopen Syriërs een nieuw hoofdstuk toe lijken te voegen aan de inzichtelijkheid van de grootschaligheid van mensenrechtenschendingen in Syrië? De Minister heeft een dag na de bekendmaking van het rapport tegenover de NOS verklaard dat deze foto’s bewijzen dat Assad een oorlogsmisdadiger is. Is de Minister daarin niet voorbarig geweest? Mengt hij zich ten eerste niet in de onafhankelijke rechtsgang? Het Strafhof moet bij eventuele doorverwijzing immers nog haar oordeel vellen over de authenticiteit van de foto’s en haar conclusies trekken over wie de verantwoordelijkheid draagt voor de misdaden. En ten tweede, hoe kan het dat Amnesty International nog geen oordeel kon vellen over de foto’s met een verwijzing naar inschattingsfouten in het verleden met dergelijk materiaal en de lange geschiedenis van Syrië op het gebied van mensenrechtenschendingen. Saillant detail is natuurlijk ook dat de foto’s één dag voor Geneva II werden gepubliceerd en het rapport is gefinancierd door Qatar. Voorts is er in het Midden-Oosten natuurlijk ook veelvuldig sprake van manipulatie van beeldmateriaal, ook wel «Pallywood» genoemd, dat verder reikt dan de grenzen van Israël. De leden van de PVV-fractie vragen om uitgebreide reactie van de Minister.</al>
            <al>De leden van de SP-fractie maken zich grote zorgen over de ernstige en aanhoudende schendingen van het internationaal recht door strijdende partijen in Syrië. Deze leden vinden het daarom heel goed dat een aantal landen en organisaties tijdens een side-event heeft uitgesproken dat het van groot belang is de dialoog over gerechtigheid in Syrië zichtbaar te voeren en dat het onderwerp op de agenda van de internationale gemeenschap blijft staan. In het verslag van de vergadering wordt ook de mogelijke doorverwijzing van Syrië naar het Strafhof genoemd. Kan de Minister op dit punt aangeven in welke mate in gesprekken hierover naast terechte aandacht voor schendingen van het internationaal recht door het Assad regime en daaraan loyale milities er ook aandacht is voor schendingen door oppositiegroepen, onder andere groepen die door westerse landen worden gesteund?</al>
            <al>De leden van de CDA-fractie vinden het een goede zaak dat Nederland samen met Zwitserland, Costa Rica en Human Rights Watch een side-event heeft georganiseerd met het thema gerechtigheid in Syrië. Wat heeft de Minister ondernomen ter uitvoering van de motie Omtzigt (Kamerstuk <extref doc="kst-33750-V-31" soort="document" status="actief">33 750-V, nr. 31</extref>), over het gebruik van uithongering als wapen in Syrië? Is de Minister bereid zich voor onderstaande maatregelen in te spannen?</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>het vormen van een coalitie van landen die zich publiekelijk inzet voor verwijzing van de oorlog in Syrië naar het Internationaal Strafhof;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>pleiten voor voorbereidend onderzoek door het Strafhof naar bewuste en geplande uithongering om vast te stellen of en door wie oorlogsmisdaden gepleegd worden;</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>ervoor zorgen dat één van de leden van de Veiligheidsraad zo spoedig mogelijk een resolutie indient over het Strafhof en Syrië?</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat de Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) van de VN niet erkent dat er in Syrië sprake is van uithongering als bewuste strategie en dat de EU dit standpunt volgt? Zo ja, bent u bereid onafhankelijk van het OCHA-stand<?xpp afbm?>punt in EU verband te streven naar erkenning van het feit dat uithongering als wapen gebruikt wordt door de Syrische regering en er als zodanig sprake is van een oorlogsmisdaad? En bent u bereid dit ook in Geneve aan de orde te stellen?</al>
            <al>Het leden van de CDA-fractie zijn geschokt door de recente onthulling van foto’s en ander bewijsmateriaal voor het martelen en doden van gevangenen op grote schaal door het regime Assad. Wat doet Nederland om oorlogsmisdaden in Syrië te documenteren zolang een verwijzing van Syrië naar het Strafhof middels een VN-resolutie niet mogelijk is?</al>
            <al>De leden van de D66-fractie ondersteunen de oproep van de Minister voor doorverwijzing van de situatie in Syrië naar het Internationaal Strafhof. Onderneemt Nederland nog stappen om een VN-Veiligheidsraad doorverwijzing te realiseren? Kan de Minister aangeven wat voor diplomatieke mogelijkheden hij ziet om de VN-Veiligheidsraad unaniem te laten doorverwijzen?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">Antwoorden:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">In Syrië worden al geruime tijd en op grote schaal ernstige wandaden begaan. Straffeloosheid voor internationale misdrijven moet worden tegengegaan teneinde duurzame vrede in Syrië een kans te geven. Om die reden zet Nederland zich actief in voor een doorverwijzing van de situatie in Syrië naar het Strafhof. Nederland en 56 andere landen waren medeondertekenaars van een brief van 14 januari 2013 aan de VN Veiligheidsraad waarin wordt opgeroepen de situatie in Syrië door te verwijzen. Aan deze oproep is door de VN Veiligheidsraad vooralsnog geen gehoor gegeven door een patstelling tussen de permanente leden, waarbij Rusland en in mindere mate China zich blijven verzetten tegen iedere poging tot een doorverwijzing te komen. Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zijn als permanente leden wel uitgesproken voorstander van een doorverwijzing. Ondanks de ongewijzigde positie van de VN Veiligheidsraad blijft Nederland sterk aandringen op doorverwijzing naar het Strafhof, zowel in EU als in VN-verband. Zo heeft Nederland tijdens de vredesconferentie in Montreux expliciet aandacht gevraagd voor het tegengaan van straffeloosheid en het belang van een doorverwijzing van de situatie in Syrië naar het Strafhof onderstreept.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Naast het recent verschenen Carter-Ruck rapport van 20 januari jl. dat voor zichzelf sprekende foto’s bevat, beschikken onder meer het Kantoor van de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens en het Syria Justice and Accountability Centre over uitvoerige informatie over vermeende internationale misdrijven. Een uitgebreid onderzoek naar deze informatie moet uitwijzen in welke mate dat materiaal betrouwbaar is, wat de exacte omvang en aard van de vermeende misdrijven is en wie de verantwoordelijken zijn. Nederland benadrukt dat verdachten van internationale misdrijven, zowel aan de kant van het Assad-regime als aan de kant van de oppositiegroeperingen, vervolgd dienen te worden. Ook andere westerse landen steunen deze oproep. Indien de situatie door de VNVR wordt doorverwezen naar het Strafhof zal de Aanklager onderzoek instellen naar vermeende misdrijven, ongeacht door welke partij deze zijn begaan.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Zolang de situatie in Syrië door de VN Veiligheidsraad niet is doorverwezen naar het Strafhof kan de Aanklager geen voorbereidend onderzoek starten. Het documenteren en het verzamelen van bewijsmateriaal over vermeende misdrijven is in deze fase dan ook essentieel. Nederland ondersteunt organisaties zoals het Syria Justice and Accountability Centre die zich hiervoor inzetten ten behoeve van toekomstige nationale en/of internationale vervolging.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De afgelopen maanden hebben ons vele schokkende berichten bereikt over de mensonterende omstandigheden waaronder Syrische burgers moeten leven. Mogelijk is sprake van doelbewuste tactieken om humanitaire hulp voor de noodlijdende bevolking in belegerde steden en gebieden tegen te houden. Het Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) stelt dat met name het regime zich hieraan schuldig maakt en noemt het tegenhouden van humanitaire hulp een schending van het humanitair oorlogsrecht.</nadruk>
            </al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Complementariteit</tussenkop>
            <al>De Minister geeft aan dat Nederland zich samen met België, Slovenië en Argentinië inzet voor een multilateraal verdrag voor rechtshulp en uitlevering bij internationale misdaden. Een dergelijk verdrag zou de vervolging van internationale misdaden op nationaal niveau kunnen verbeteren. De leden van de VVD-fractie vragen de Minister toe te lichten wat de juridische gevolgen zouden zijn van een dergelijk verdrag. Is het realistisch dat de landen die negatief tegenover uitlevering staan bereid zijn partij te worden van een dergelijk verdrag?</al>
            <al>De leden van de PvdA-fractie vragen de Minister toe te lichten op welke punten het huidige instrumentarium voor de vervolging van internationale misdrijven te kort schiet? Op welke wijze kan een multilateraal verdrag voor rechtshulp en uitlevering bij internationale misdaden vervolging op nationaal niveau verbeteren?</al>
            <al>De leden van de SP-fractie merken op dat de Minister het belang van het principe van complementariteit tijdens de vergadering benadrukte. Deze leden vragen of de Minister kan aangeven of hij voorstander is om dit principe als vast item op de jaarlijkse sessies van de Statenpartijen terug te laten komen? Kan ook aangegeven worden hoe, naast de inzet voor een multilateraal verdrag voor rechtshulp en uitlevering, aan dit thema aandacht wordt gegeven door Nederland?</al>
            <al>De leden van de D66-fractie spreken hun waardering uit voor het multilateraal verdrag voor rechtshulp en uitlevering bij internationale misdaden. De leden waarderen dat 37 landen een verklaring steunen die het belang van het initiatief onderstreept. Deze leden vragen zich wel af wat de positie van de andere Statenpartijen is. Houdt het in dat de andere Statenpartijen het belang van het initiatief niet onderstrepen? Zijn er Statenpartijen expliciet tegen het initiatief?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">Antwoorden:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het tegengaan van straffeloosheid voor internationale misdrijven vormt een van Nederlandse beleidsprioriteiten en past in een breder buitenlands beleid om de internationale rechtsorde te bevorderen. Pas wanneer Statenpartijen niet bereid of bij machte zijn zaken nationaal te onderzoeken, is het Strafhof aan zet. Het principe van complementariteit is tevens essentieel voor het effectief functioneren van het Strafhof, omdat het Strafhof nooit in staat zal zijn alle begane internationale misdrijven te onderzoeken en te vervolgen. Het is van belang dat op nationaal niveau bereidheid en capaciteit bestaat om internationale misdrijven als genocide, oorlogsmisdrijven en misdaden tegen de menselijkheid te onderzoeken en te vervolgen. Het kabinet acht het van belang dat dit onderwerp jaarlijks op de agenda van de Statenvergadering staat en zal zich hiervoor blijven inzetten. Los van het bespreken van dit onderwerp tijdens de Statenvergadering zijn ook concrete acties nodig die er toe leiden dat landen voldoende expertise en mogelijkheden hebben om de meest ernstige misdrijven te onderzoeken en verdachten te vervolgen. Nederland doet dit onder meer door middelen en expertise beschikbaar te stellen om zo de rechtstaat op nationaal niveau te ondersteunen, bijvoorbeeld door ondersteuning van Justice Rapid Response.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Om de nationale vervolging van internationale misdrijven te verbeteren, is een zo effectief mogelijk juridisch instrumentarium van belang. En marge van de Statenvergadering heeft Nederland, samen met Argentinië, België en Slovenië, aandacht gevraagd voor de totstandkoming van een multilateraal verdrag voor rechtshulp en uitlevering inzake internationale misdrijven. Inmiddels hebben 39 landen, door het tekenen van een gezamenlijke verklaring, hun steun voor het initiatief geuit. Hierbij moet worden opgemerkt dat het niet tekenen van deze gemeenschappelijke verklaring niet hoeft te worden gezien als een gebrek aan steun voor het initiatief als zodanig; hieraan kunnen ook andere redenen ten grondslag liggen, zoals de prioritering van andere onderwerpen tijdens de Statenvergadering. Geen van de Statenpartijen heeft voor zover bekend expliciet aangegeven tegen het initiatief te zijn.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Een dergelijk verdrag is een verbetering van zowel het nationale als het internationale instrumentarium. Op dit moment is er sprake van een lappendeken van sterk verouderde verdragen op basis waarvan rechtshulp en uitlevering plaatsvindt. Een coherent systeem zou de samenwerking tussen landen op dit vlak kunnen vergemakkelijken en efficiënter kunnen maken. Bovendien is het nu niet in alle situaties mogelijk om rechtshulp of uitlevering te bieden. Dit komt onder meer door het ontbreken van een dubbele strafbaarstelling of het ontbreken van een verdrag.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">In het geval de Nederlandse inzet leidt tot verdragsonderhandelingen en uitmondt in een verdrag, zullen naar verwachting niet alle landen dit verdrag ratificeren. Hiervoor kunnen diverse redenen bestaan. De vervolging van internationale misdrijven heeft niet voor alle landen prioriteit. Daarnaast is voor bepaalde landen een dergelijk verdrag niet noodzakelijk om rechtshulp en uitlevering te bieden, omdat zij daar geen verdragsrechtelijke basis voor nodig hebben. Er kan nog niet worden vooruitgelopen op de werking van een dergelijk verdrag, omdat onderhandelingen over de inhoud van het verdrag tot op heden nog niet hebben plaatsgevonden. Wel kan worden gesteld dat rechtshulpverdragen doorgaans bepalingen bevatten op basis waarvan landen ook kunnen besluiten een verdachte niet uit te leveren, maar de vervolging zelf ter hand te nemen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Zoals aangegeven zal Nederland zich blijven inzetten om de steun voor dit initiatief te vergroten. Op termijn kan dit mogelijk leiden tot het instellen van een werkgroep belast met het starten van verdragsonderhandelingen. Dergelijke processen vergen tijd en geduld. De Kamer zal gedurende dit proces over relevante ontwikkelingen worden geïnformeerd.</nadruk>
            </al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Samenwerking van Statenpartijen met het Strafhof</tussenkop>
            <al-groep>
              <al>De Minister schrijft dat het van belang is dat derde landen bereid zijn getuigen op te nemen. Is de Minister met de leden van de PVV-fractie van mening dat Nederland als gastland al meer dan voldoende bijdraagt aan het Internationaal Strafhof en van Nederland daarom niet hoeft te worden verwacht ook nog eens langdurig getuigen op te vangen in ons land?</al>
              <al>De leden van de PVV-fractie vragen voorts of de Minister de politisering van het Strafhof in algemene zin, en met het oog op de invoering van «agressie» binnen de competentiesfeer van het Strafhof in specifieke zin, aan de kaak gesteld heeft? Zo nee, waarom niet?</al>
            </al-groep>
            <al>De leden van de SP-fractie delen de opvatting van de Minister dat het beschermen van getuigen, die vaak veel op het spel zetten om hun getuigenis af te leggen, essentieel is. Kan de Minister aangeven of en zo ja hoe Nederland reageert op de oproep aan Statenpartijen om nationale getuigenbeschermingsprogramma’s op te zetten of te versterken en bilaterale overeenkomsten aan te gaan met het Strafhof voor de relocatie van getuigen? Wat is het huidige beleid van Nederland op dit punt?</al>
            <al-groep>
              <al>De leden van D66 fractie zijn verheugd over de Nederlandse inzet voor het beschermen van getuigen en gaan er vanuit dat dit actief bevorderd zal worden op continue basis. Heeft Nederland bilaterale overeenkomsten met het Strafhof voor de relocatie van getuigen?</al>
              <al>Een andere belangrijke kwestie is de relocatie van vrijgesproken verdachten. De leden van de D66 fractie hechten hier groot belang aan. De Minister heeft aangegeven dat de gesprekken hierover met het Strafhof nog steeds gaande zijn en dat de inhoud hiervan niet publiekelijk bekend moet worden gemaakt. Heeft de Minister er zicht op wanneer hierover besluiten genomen kunnen worden? Zo neen, ziet de Minister mogelijkheden om de Kamer vertrouwelijk te informeren over deze kwestie? Ook vragen de leden van de D66 fractie of er al andere Statenpartijen bilaterale overeenkomsten hebben gesloten met het Strafhof voor de relocatie van vrijgesproken verdachten.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">Antwoorden:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Nederland acht het van belang dat alle landen die partij zijn bij het Statuut van Rome samen verantwoordelijkheid nemen voor een zo effectief mogelijk functioneren van het Strafhof.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Nederland faciliteert de komst van getuigen voor het afleggen van hun getuigenis bij het Strafhof, conform de verplichtingen in het zetelverdrag. Allereerst is het Strafhof verantwoordelijk voor de bescherming van getuigen en waar noodzakelijk speelt Nederland ook een rol in de bescherming van deze getuigen tijdens hun verblijf in Nederland. In beginsel keren getuigen na het afleggen van hun getuigenis terug naar het land van herkomst. Indien dat niet mogelijk is, is het van belang dat getuigen naar een veilig derde land kunnen vertrekken. Hierbij heeft opvang in de regio vaak de voorkeur. Het is de verantwoordelijkheid van het Strafhof om hier zorg voor te dragen. Om dit mogelijk te maken sluit het Strafhof overeenkomsten met landen die getuigen willen opnemen. Het kabinet is van mening dat in het kader van «burden sharing» Nederland hierin voldoende verantwoordelijkheid neemt door het faciliteren van verblijf van betrokkenen bij het Strafhof ten behoeve van de getuigenis (en eventueel, zo lang als mogelijk gedurende het realiseren van relocatie).</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Nederland steunt de oproep van het Strafhof aan lidstaten om nationale getuigenbeschermingsprogramma’s op te zetten of te versterken. Nederland heeft al een nationaal getuigenbeschermingsprogramma en ziet geen reden dit te versterken in het kader van de oproep van het Strafhof. In veel situatielanden zijn deze programma’s nog voor verbetering vatbaar. Nederland steunt het Strafhof in zijn activiteiten op dit terrein door bij te dragen aan de organisatie van seminars waarbij samenwerking met het Strafhof en ook getuigenbescherming centraal staan.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Inzake de relocatie van vrijgesproken verdachten staat voorop dat zij in beginsel terugkeren naar het land van herkomst. Alleen wanneer dit uit veiligheidsoverwegingen niet mogelijk is, dient het Strafhof een derde land te vinden waar betrokkenen zich veilig kunnen vestigen. Het is niet aan Nederland om mededelingen te doen over het bestaan van overeenkomsten voor relocatie van vrijgesproken verdachten tussen het Strafhof en derde landen. Het is aan het Strafhof op welke wijze dit wordt georganiseerd.</nadruk>
            </al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Begroting</tussenkop>
            <al>De Minister kondigt aan dat Nederland in 2014 een miljoen euro bij zal dragen aan het Trust Fund for Victims. Tegelijkertijd constateren de leden van de VVD-fractie dat het budget voor het Internationaal Strafhof met ongeveer 6% is gestegen. Dit budget wordt volgens de Minister gebruikt om de toegenomen activiteiten van het bureau van de Aanklager te financieren. De leden van de VVD-fractie achten het van groot belang dat, indien de financiële bijdrage aan een dergelijk instituut verhoogd wordt, het belang van deze bijdrage aangetoond kan worden. Kan de Minister aangeven welke nieuwe activiteiten de Aanklager is gaan ondernemen? Verwacht de Minister dat de budgetverhoging bijdraagt aan het doeltreffender functioneren van de Aanklager, bijvoorbeeld meetbaar aan de hand van het aantal vervolgingsprocedures?</al>
            <al>De leden van de fractie van de PvdA vragen met welk bedrag de Nederlandse bijdrage aan het Strafhof stijgt? Is deze stijging reeds in de begroting van 2014 opgenomen?</al>
            <al>De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister al opheldering heeft ontvangen over het uitblijven van de betaling van Brazilië in 2013? En heeft Brazilië ondertussen al aan de contributie-eis voldaan?</al>
            <al>De leden van de D66-fractie zijn verheugd met de stijging van het budget met 6%.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">Antwoorden:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De toegenomen begroting van het Strafhof in 2014 levert voor Nederland een absolute stijging van de verdragscontributie op van ongeveer 80 duizend euro waarmee de jaarlijkse contributie tot 3,12 miljoen euro is gestegen. Deze contributiestijging is opgenomen in de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor 2014. Vanzelfsprekend gaat Nederland ervan uit dat deze budgetstijging bijdraagt aan de effectiviteit van het Strafhof. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het Strafhof door het toegenomen aantal situatielanden en de complexiteit van de zaken onder grote financiële druk staat. Dat geldt in het bijzonder voor het Bureau van de Aanklager, waar het grootste deel van de extra financiële middelen aan ten goede komt. Of dit tot uiting zal komen in een toename van het aantal vervolgingsprocedures valt niet te zeggen. De strategie van de Aanklager richt zich ten eerste op uitbreiding van de onderzoeken en verbetering van de kwaliteit om de bewijskracht te vergroten. Ten tweede richt zij zich op het eerder procesklaar hebben van de zaken. Tot slot wil de Aanklager de capaciteit om beroepzaken te behandelen vergroten. Al deze maatregelen zullen bijdragen aan een sterker en effectiever Strafhof zonder dat het direct meer situaties vervolgt. De Aanklager is zich echter bewust van het feit dat het aantal situaties in de toekomst nog verder uit zal breiden en dit binnen de huidige begroting mogelijk moet worden gemaakt. De noodzaak om prioriteiten te stellen blijft bestaan.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De meest recente stand van zaken van de contributiebetalingen door Statenpartijen dateert van september 2013. Op dat moment had de helft van de Statenpartijen nog niet de volledige contributie over 2013 betaald, waaronder Brazilië. Gezien de betalingsgeschiedenis van Brazilië bestaan er geen redenen om aan te nemen dat Brazilië deze contributie inmiddels niet alsnog voldaan heeft, dan wel dit niet op korte termijn alsnog zal doen.</nadruk>
            </al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">De rol van Nederland als gastland</tussenkop>
            <al>De leden van de D66-fractie hechten groot belang aan de rol van Nederland als gastland. Wel zijn de leden bezorgd over een aantal kwesties die nog niet uitgewerkt lijken te zijn. De Congolese getuigen die gedetineerd zijn door het Internationaal Strafhof vormen volgens de fractie een serieus juridisch probleem. Deze getuigen hebben asiel aangevraagd, wat geweigerd is op basis van hun 1F-status, inzake het VN Vluchtelingen verdrag. Zij kunnen echter ook niet worden uitgezet naar hun land van herkomst op basis van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ook werd deze week bekend dat het Strafhof deze getuigen niet langer zal detineren, waardoor dit effectief gezien een Nederlands probleem wordt. De leden zijn benieuwd naar de beleidsmatige kant van deze kwestie. Gaat de Minister met zijn collega-bewindslieden van het Ministerie van Veiligheid en Justitie hier een structureel beleid op vormgeven? Ziet de Minister gelegenheid om de Kamer hier (al dan niet vertrouwelijk) over te informeren?</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">Antwoorden:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De recente praktijk heeft aangetoond dat het Zetelverdrag van het Strafhof niet in alle situaties voorziet. Met de president van het Strafhof is afgesproken dat Nederland en de griffie van het Strafhof nadere afspraken zullen maken met betrekking tot de procedures van binnenkomst, verblijf, relocatie en vervoer van getuigen, verdachten, vrijgesprokenen en veroordeelden van en naar het Strafhof. Hierover is Nederland in overleg met de griffie.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Overig</tussenkop>
            <al>De leden van de D66-fractie vinden universaliteit van het Statuut van Rome van groot belang. Daarom vragen deze leden of de Minister tijdens de vergadering van statenpartijen verder uitvoering gegeven heeft aan de motie-Sjoerdsma c.s. (Kamerstuk <extref doc="kst-33400-V-69" soort="document" status="actief">33 400-V, nr. 69</extref>) door dit onderwerp te bespreken met andere statenpartijen en gezamenlijk actie te ondernemen.</al>
            <al>De D66-fractie heeft over een aantal zaken die genoemd worden in de brief van de regering over de stand van zaken met betrekking tot het Internationaal Strafhof. Zo hebben de voorgenoemde leden kennisgenomen van het voornemen van de Minister om de wetsvoorstellen ter goedkeuring en uitvoering van de Kampala-amendementen voor het einde van het jaar bij de Tweede Kamer in te dienen. Ook hebben deze leden geconstateerd dat betreffende wetsvoorstellen niet voor het einde van het jaar 2013 naar de Kamer zijn gestuurd. Wanneer kan de Kamer deze wetsvoorstellen verwachten?</al>
            <al>Verder hebben de leden van de D66-fractie opgemerkt in de brief van de regering over de stand van zaken met betrekking tot het Internationaal Strafhof dat er een duidelijke link gemaakt wordt tussen het Internationaal Strafhof en de Responsibility to Protect (R2P). Zou de Minister een verdere reflectie kunnen bieden op deze link? Ook vragen de leden hoe deze link tussen het Strafhof en R2P zich verhoudt tot het misdrijf agressie. Volgens de leden van de D66 fractie is R2P een concept dat moet bevorderen dat de internationale gemeenschap kan ingrijpen als een staat faalt haar burgers te beschermen, voornamelijk voor misdaden die ook zijn opgenomen in het Statuut van Rome. Als datzelfde Statuut van Rome eventuele humanitaire interventies zou willen criminaliseren onder de noemer van het misdrijf agressie, wordt de ontwikkeling van het concept R2P dan niet geremd? De leden van de D66 fractie horen graag de visie van de Minister op deze overweging.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">Antwoorden:</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Nederland spant zich actief in voor universaliteit van het Statuut van Rome. Nederland steunt verschillende initiatieven van NGO’s om tot universaliteit van het Statuut van Rome te komen en brengt dit onderwerp op tijdens de Universal Periodic Review van de VN Mensenrechtenraad en in bilaterale contacten met landen die zich nog niet hebben aangesloten bij het Statuut van Rome. De Nederlandse aandacht gaat daarbij vanzelfsprekend ook uit naar de Verenigde Staten. Ofschoon de houding van de Verenigde Staten ten opzichte van het Strafhof onder de regering van president Obama positiever is dan onder voorgaande regeringen, lijkt partij worden bij het Statuut van Rome op korte termijn niet aan de orde.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het principe Responsibility to Protect (RtoP) is vastgelegd in het Slotdocument van de VN-Top in 2005. De primaire verantwoordelijkheid om de bevolking te beschermen tegen de vier RtoP- misdrijven (genocide, oorlogsmisdrijven, etnische zuivering en misdrijven tegen de menselijkheid) ligt bij de eigen staat. De internationale gemeenschap heeft met aanvaarding van RtoP de toezegging gedaan staten daarbij te ondersteunen, onder meer door capaciteitsopbouw. Tot slot heeft de internationale gemeenschap de verantwoordelijkheid collectief, op tijd en vastberaden in te grijpen wanneer een staat de eigen bevolking niet kan of wil beschermen tegen de vier RtoP-misdrijven. Wanneer deze hebben plaatsgevonden moeten deze onderzocht en vervolgd worden. Ook hier geldt dat staten in eerste instantie dit zelf zouden moeten doen. Pas wanneer verdragspartijen niet bereid of bij machte zijn om misdrijven te onderzoeken of te vervolgen, is het Strafhof aan zet. Dat misdrijven worden onderzocht en vervolgd heeft een afschrikwekkende werking op mogelijke toekomstige daders en draagt op die wijze bij aan de preventie van internationale misdrijven.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Volgens artikel 8bis van het Statuut van Rome is een daad van agressie het gebruik door een Staat van gewapend geweld tegen de soevereiniteit, territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een andere Staat, of op enige andere wijze die onverenigbaar is met het Handvest van de Verenigde Naties. Het Hof kan overigens pas rechtsmacht uitoefenen over het misdrijf agressie na 1 januari 2017, indien de Statenpartijen besluiten deze rechtsmacht te activeren.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">In een brief van 19 september 2013 betreffende de ontwikkelingen in Syrië heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de volkenrechtelijke mandaten voor het gebruik van geweld beschreven (Kamerstukken II 2013–2014, </nadruk>
              <extref doc="kst-32623-110" soort="document" status="actief">
                <nadruk type="cur">32 623, nr. 110</nadruk>
              </extref>
              <nadruk type="cur">). Op grond van het geldende internationaal recht is het gebruik van geweld in de internationale betrekkingen niet toegestaan, tenzij een uitzondering van toepassing is. Dit grondbeginsel is neergelegd in artikel 2, vierde lid, van het Handvest van de Verenigde Naties. Indien een uitzondering van toepassing is, is hierin de rechtsgrondslag – het «volkenrechtelijk mandaat» – gelegen voor het gebruik van geweld. Er zijn twee algemeen aanvaarde, in het Handvest van de VN neergelegde rechtsgrondslagen voor het gebruik van geweld door staten. Dat zijn: (a) het recht op zelfverdediging op basis van artikel 51 van het Handvest en (b) een resolutie van de Veiligheidsraad op grond van hoofdstuk VII van het Handvest. In de loop der tijd is een aantal alternatieve grondslagen aangedragen om het gebruik van geweld te rechtvaardigen, waaronder Responsibility to Protect en humanitaire interventie. Deze zijn beschreven in voorgenoemde brief (op de bladzijden 3 tot en met 7 van de brief).</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">In relatie tot de strafbaarstelling van het misdrijf agressie betekent het voorgaande het volgende. Voor zover een Staat geweld gebruikt in overeenstemming met het Handvest, kan geen sprake zijn van een daad van agressie en de persoon of personen die voor dit gebruik van geweld verantwoordelijk zijn, kunnen zich dus ook niet schuldig maken aan het misdrijf agressie.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De wetsvoorstellen ter goedkeuring en uitvoering van de Kampala-amendementen zullen op korte termijn naar de Kamer worden gestuurd.</nadruk>
            </al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>