﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28457-20/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2004-2005</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.8.0__3.4" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST84544</ordernr>
    <vergjaar>2004-2005</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>28 457</nummer>
      <naam>Regeling van het conflictenrecht inzake adoptie en de erkenning van
buitenlandse adopties (Wet conflictenrecht adoptie)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>20</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>21 februari 2005</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het verslag van het schriftelijk overleg van de vaste commissie voor
Justitie, naar aanleiding van mijn brief van 8 juli 2004 (TK 2003–2004,
28 457, nr. 17) over adoptie door een homopaar en andere onderwerpen,
heeft een aantal fracties enkele vragen en opmerkingen aan mij voorgelegd.</al>
      <al>In de afgelopen maanden is een aantal acties in gang gezet die van belang
zijn voor de verbetering van de adoptieprocedure. In mijn brieven van 13 december
2004 (TK 2003–2004, 28 457, nr. 19) en 3 januari 2005 (Just05-009)
heb ik aangekondigd uw Kamer hierover te berichten en daarbij een plan van
aanpak aan uw Kamer te doen toekomen. Dat doe ik bij deze. Hierna zal ik in
het algemeen deel in grote lijnen de voorgenomen wijzigingen in beleid en
wet-en regelgeving aangeven. Tevens zal ik ingaan op interlandelijke adoptie
door een homoseksueel paar. Tenslotte zal ik in het tweede deel van de brief
de vragen die zijn gesteld in het schriftelijk overleg beantwoorden. (zie
kamerstuk 28 457, nr. 21).</al>
      <tuskop letat="vet">I. Algemeen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">1. Uitgangspunten bij beleid</tuskop>
      <al>Bij interlandelijke adoptie zijn de drie belangrijkste betrokkenen het
adoptiefkind, de biologische ouder en de adoptiefouder(s). Binnen deze «adoptiedriehoek»
bestaan ten aanzien van de adoptieprocedure verschillende belangen. Bij de
beoordeling van een adoptie staat het belang van het kind voorop. Dat wil
echter niet zeggen dat met de belangen van anderen geen rekening wordt gehouden.</al>
      <al>De procedure terzake van adoptie moet zo efficiënt mogelijk zijn.
De grens ligt daar waar het belang van het kind in het gedrang komt. Wat bij
adoptie het belang van het kind is, wordt in artikel 21 van het Internationaal
Verdrag voor de Rechten van het Kind en het Haags Adoptieverdrag nader ingevuld.
Daarbij gaat het met name om de volgende beginselen.</al>
      <al>– Een kind kan pas voor interlandelijke adoptie in aanmerking komen
wanneer is gebleken dat geen geschikte opvang aanwezig is in het land
van herkomst. Men spreekt in dit verband wel over het«subsidiariteitsbeginsel».</al>
      <al>– Men mag niet aan adoptie meewerken uit een oogpunt van geldelijk
gewin. Kinderhandel is uit den boze, maar ook overigens is ongepast geldelijk
voordeel niet aanvaardbaar.</al>
      <al>– De afstand van een kind moet op een behoorlijke en juridisch correcte
wijze hebben plaatsgevonden. De toestemming van de moeder moet in alle vrijheid
zijn gegeven, nadat zij is voorgelicht over de (definitieve) gevolgen van
adoptie. De toestemming moet niet zijn gegeven tegen betaling of in ruil voor
enige andere tegenprestatie. Het is goed daarbij in aanmerking te nemen dat
in een land van herkomst een bedrag van bijvoorbeeld $ 200,– soms
een aantal jaarsalarissen oplevert.</al>
      <al>Een afstandsmoeder dient gedurende een redelijke termijn op haar beslissing
terug te kunnen komen en kunnen besluiten het kind toch zelf op te voeden.</al>
      <al>– Bij een kind moet een ouder worden gezocht en niet een kind bij
een ouder.</al>
      <al>– Een kind moet psychologisch en medisch in staat zijn baat te hebben
bij een adoptie. Dit moet blijken uit rapportage over het kind. Zo zal een
kind met ernstige hechtingsproblematiek veelal geen baat hebben bij interlandelijke
adoptie.</al>
      <al>Dat het aldus ingevulde belang van het kind voorop staat, geldt ook voor
adopties uit niet-verdragslanden<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref>, niet alleen
bij volledige bemiddeling, maar ook bij deelbemiddeling.</al>
      <al>Adoptiekinderen zijn a priori kwetsbare kinderen. Deze kwetsbaarheid kan
onder meer worden teruggevoerd op ervaringen opgedaan voorafgaande aan de
adoptie, die het ontwikkelingsverloop beïnvloeden. Voorbeelden daarvan
zijn het aantal separaties (van ouders, verzorgers), slechte hechtingservaringen,
ondervoeding en verwaarlozing in het land van herkomst. De manier waarop het
adoptiegezin is toegerust voor zijn speciale opvoedingstaak, is eveneens van
invloed op het verloop van een adoptieplaatsing.</al>
      <al>Dat de adoptieprocedure efficiënt, maar ook zorgvuldig verloopt is
met name van belang omdat met het naar Nederland komen ter fine van adoptie
een voor het adoptiekind en de adoptieouders feitelijk onomkeerbare situatie
ontstaat. In die situatie heeft de overheid een verantwoordelijkheid. Dat
klemt met name nu landen van herkomst beter dan voorheen het subsidiariteitsbeginsel
toepassen en gezonde, jonge kinderen vaker in het land zelf kunnen blijven
en deze landen vooral gehandicapte en oudere kinderen beschikbaar stellen
voor adoptie in het buitenland. Ook stellen de landen van herkomst steeds
hogere eisen aan het geschiktheidonderzoek van aspirant-adoptiefouders.</al>
      <al>Uit het voorgaande vloeit voort dat het enerzijds aan de overheid is om
interlandelijke adoptie te faciliteren door het bieden van een «infrastructuur»
(wet- en regelgeving, Centrale autoriteit (verder te noemen: CA), voorlichtingscursus,
gezinsonderzoek, nazorg) en om de adoptieprocedure zo efficiënt mogelijk
te laten zijn. De overheid waarborgt anderzijds het belang van het kind door
regels te stellen, toezicht te houden, te reguleren en te monitoren in verband
met het naleven van onder meer voorgaande beginselen. Met de hierna voorgestelde
aanpak van knelpunten en verbeterpunten wordt beoogd tussen deze twee doelstellingen
een juiste balans te vinden. Op een aantal punten leiden mijn voorstellen
tot vereenvoudiging van de procedure; op een aantal punten, waarbij het belang
van het kind dit vergt, is de procedure aangescherpt.</al>
      <tuskop letat="cur">2. Ondernomen activiteiten</tuskop>
      <al>Het bij brief van 21 februari 2003 (TK 2003–2004, 28 457,
nr. 5) aan uw Kamer toegezonden rapport van KPMG <nadruk type="cur">Versnelling
van de afhandeling van aanvragen tot verkrijging van beginseltoestemming</nadruk> (2002) kan worden beschouwd als een begin van een uitvoerige discussie
over interlandelijke adoptie. Dit rapport betrof het terugdringen van de doorlooptijd
voor de afgifte van een beginseltoestemming met inbegrip van een indicatie
van de hiervoor benodigde financiële middelen. In het KPMG-rapport is
ook opgemerkt dat het uitsluitend optimaliseren van de fase ter verkrijging
van de beginseltoestemming tot gevolg heeft dat de vervolgfase, de bemiddelingsfase,
overbelast raakt. Door een kortere doorlooptijd komen er immers niet meer
kinderen naar Nederland. Mede naar aanleiding daarvan heb ik voorgesteld om
een wachtlijst in te voeren. Dit heeft in de afgelopen twee jaar geleid tot
een uitvoerige discussie in uw Kamer over dit onderwerp. Tegelijkertijd ontstond
eveneens discussie, zowel in uw Kamer als bij ketenpartners en belangenorganisaties,
over onderwerpen als interlandelijke adoptie door een homoseksueel paar, deelbemiddeling,
de taak van de overheid, de rol van de CA bij adoptie en de doorberekening
van de kosten van voorlichting.</al>
      <al>In juli 2004 heb ik aan de meeste landen van herkomst een enquête
opgestuurd over homoadoptie. Voorts heb ik niet alleen in het voorjaar van
2004 de Wet opneming buitenlandse kinderen (Wobka) laten evalueren <nadruk type="cur">(Evaluatieonderzoek Wobka, Een evaluatieonderzoek naar de Wet opneming
buitenlandse kinderen ter adoptie (juli 2004)),</nadruk>uitgevoerd door Bureau
Van Montfoort (hierna: Evaluatieonderzoek Wobka), maar ook in september 2004
een onderzoek in laten stellen naar de mogelijkheden om de adoptieprocedure
tot aan de afgifte van de beginseltoestemming efficiënter in te richten
en goedkoper te maken. Dit laatste onderzoek is uitgevoerd door Capgemini
Nederland BV en heeft geresulteerd in het <nadruk type="cur">Rapport onderzoek
Vereenvoudiging adoptieprocedure</nadruk> (10 januari 2005) (hierna:
Rapport Capgemini). Zie bijlage 1<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref>. Werkgroepen
zijn ingesteld om te overleggen over een aantal zaken, te weten de adoptiecapaciteit,
de controle en het toezicht op de adoptieketen, en de adoptie van zogeheten
special-needs kinderen. Aan de ketenpartners, de belangenorganisaties en de
Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming is in november 2004 respectievelijk
januari 2005 gevraagd te reageren op het Evaluatierapport Wobka en op het
Rapport Capgemini. Tenslotte noem ik in dit verband de werkconferentie over
interlandelijke adoptie die op 9 december 2004 heeft plaatsgevonden.</al>
      <al>Al met al heeft tussen de ketenpartners, de belangenorganisaties en ambtenaren
van mijn departement een intensieve uitwisseling van gedachten en standpunten
plaatsgevonden. Tussen al deze organisaties bestaat een natuurlijke spanning
als gevolg van hun verschillende rollen, taken en belangen (adoptieouder,
geadopteerde, natuurlijke ouder, bemiddelaar, controleur/toezichthouder).
Mijn indruk is dat men thans meer dan voorheen begrip heeft voor elkaars standpunt.
Ik heb goede nota genomen van de standpunten van de ketenpartners en belangenorganisaties
en deze betrokken bij de besluitvorming.</al>
      <tuskop letat="cur">3. Aanpak van knelpunten en verbeterpunten</tuskop>
      <al>Hieronder worden de voorgenomen wijzigingen in beleid en wet- en regelgeving
in grote lijnen weergegeven, waarbij rekening is gehouden met de hiervoor
genoemde beleidsuitgangspunten. Aan het slot wordt ingegaan op het tijdpad.</al>
      <tuskop letat="cur">a. Adoptiecapaciteit</tuskop>
      <al>In mijn brieven van 1 december 2003 (TK 2003–2004, 28 457,
nr. 8), 6 februari 2004 (TK 2003–2004, 28 457, nr. 14) en
28 april 2004 (TK 2003–2004, 28 457, nr. 15) heb ik uitvoerig
uiteengezet dat waar het aantal aspirant-adoptiefouders het aantal kinderen
dat voor adoptie beschikbaar is, overschrijdt, in de adoptieprocedure een
flessenhals en alleen al om die reden een wachttijd ontstaat. Intussen doet
zich de omstandigheid voor van een duidelijke verschuiving in
de verhouding tussen vraag en aanbod van voor adoptie geschikte kinderen,
niet alleen door een verlaging van het aantal aanvragers van een beginseltoestemming
(2002: 3050; 2003: 2700; 2004: 2474), maar ook door een toename van het aantal
adoptiekinderen. Deze toename is voornamelijk te danken aan het feit dat meer
kinderen uit China konden worden geadopteerd. In 2004 zijn 800 Chinese kinderen
naar Nederland gekomen (2002: 510; 2003: 567). In bijlage 2<voetref refid="v4.1" nr="1"></voetref> is een aantal statistische gegevens opgenomen. Ook voor 2005 wordt
door de vergunninghouders een stijging van de adoptiecapaciteit verwacht.
Overigens wordt door de vergunninghouders geconstateerd dat voor oudere of
gehandicapte kinderen nauwelijks aspirant-adoptiefouders zijn te vinden. Waar
enerzijds dus aspirant-adoptiefouders op een kind wachten, zijn er anderzijds
kinderen waarvoor geen aspirant-adoptiefouders te vinden zijn. De kans dat
ouders lange tijd op een kind moeten wachten, is nog steeds aanwezig, maar
neemt wel af.</al>
      <al>Deze ontwikkeling biedt mij ruimte om het huidige aantal van ongeveer
1500 beginseltoestemmingen dat per jaar wordt afgegeven te verhogen. Daarbij
valt te denken aan een aantal van 1800 als goede balans tussen «voorraad»
van aspirant-adoptiefouders (buffer) en aanbod van voor adoptie geschikte
kinderen. Een dergelijke verhoging heeft echter financiële consequenties.
Aan dat bezwaar kan tegemoet worden gekomen door doorberekening van de kosten
van het gezinsonderzoek aan de aspirant-adoptiefouder. Daartoe zal ik op korte
termijn een wetsvoorstel indienen.</al>
      <al>Daarnaast zal de Centrale autoriteit vergunninghouders waar mogelijk helpen
als zij drempels ondervinden bij het vergroten van het aantal plaatsingen.
Graag verwijs ik terzake naar mijn brief van 28 april 2004 (TK 2003–2004,
28 457, nr. 15).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik acht het wenselijk dat de wachttijd in de adoptieprocedure tot aan
de afgifte van de beginseltoestemming, zoveel mogelijk wordt beperkt, zodat
de aspirant-adoptiefouders eerder weten waar zij aan toe zijn. Door het aantal
beginseltoestemmingen te verhogen tot 1800 en door de verlenging van de geldigheidsduur
van de beginseltoestemming tot vier jaar, verwacht ik dat een bekorting van
de procedure kan worden bereikt. Enige regulering is echter onvermijdelijk.
De adoptiecapaciteit is niet een vaststaand gegeven en fluctuaties kunnen
optreden, bijvoorbeeld door het uitbreken van een ernstige besmettelijke ziekte
in een land van herkomst. Ook acht ik het belangrijk dat kapitaalvernietiging
(wachttijd in bemiddelingsfase zo lang dat de beginseltoestemming dient te
worden verlengd met alle kosten van dien (aanvullend gezinsonderzoek)) wordt
voorkomen en dat tevens wordt voorkomen dat de druk op vergunninghouders zo
groot wordt dat dit ten koste kan gaan van het belang van het kind. Zoals
hierboven is aangegeven is het van belang de adoptiecapaciteit in samenspraak
met de vergunninghouders regelmatig te monitoren en inzichtelijk te krijgen
om zo goed op situaties in te kunnen spelen.</al>
      <tuskop letat="cur">b. Vereenvoudiging adoptieprocedure tot en met afgifte
beginseltoestemming</tuskop>
      <al>De eerste stap in een adoptieprocedure is de aanvraag van een beginseltoestemming.
Capgemini heeft onderzocht of de adoptieprocedure tot aan de afgifte van de
beginseltoestemming, efficiënter kan worden ingericht en goedkoper kan
worden gemaakt. Het gaat dan met name om de voorlichtingscursus die wordt
gegeven door de Stichting Adoptievoorzieningen en het gezinsonderzoek door
de raad voor de kinderbescherming (hierna: raad). Ook nu geldt dat het belang
van het (a priori kwetsbare) kind voorop staat.</al>
      <al>Thans is de voorlichtingscursus zo geregeld dat er gedurende zes dagdelen
een cursus wordt gegeven, waarbij kennisoverdracht (hoe duur, welke landen,
etc) en voorbereiding op de adoptie (bespreking ongewenste kinderloosheid,
motivatie, verwachtingen, mogelijke problemen) de twee belangrijkste onderdelen
zijn. Vervolgens komt in het gezinsonderzoek de vraag aan de orde of er redenen
zijn om aan te nemen dat de aspirant-adoptiefouders niet geschikt zijn om
een buitenlands adoptiekind, dat in het land van herkomst in de regel al een
en ander heeft meegemaakt, te verzorgen en op te voeden. Een tweede aspect
van het gezinsonderzoek betreft het «informatie-gedeelte»: informatie
die het land van herkomst nodig heeft om tot een goede matching te komen en
om te kunnen controleren of het adoptiefkind wel aan (in hun ogen) goede aspirant-adoptiefouders
wordt gekoppeld.</al>
      <al>In het rapport Capgemini wordt een voorkeursscenario geschetst waarbij
a. in het kader van de voorlichting aan een grote groep informatie wordt gegeven
over de adoptie en de adoptieprocedure (kennisoverdracht), b. vervolgens een
gezinsonderzoek plaatsvindt (maximaal drie gesprekken in plaats van de huidige
vier) en c. aspirant-adoptiefouders in een kleine groep worden voorbereid
op de adoptie (wat kan een adoptieouder verwachten).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de komende periode zal ik over dit scenario met in ieder geval de raad
voor de kinderbescherming en de Stichting Adoptievoorzieningen in overleg
treden, alvorens hierover een beslissing te nemen. Zoals hiervoor onder a,
reeds is uiteengezet, zal ik daarbij uitgangspunt nemen dat de kosten van
het gezinsonderzoek geheel worden doorberekend aan aspirant-adoptiefouders.
Bij adoptie gaat het om een persoonlijke, vrijwillige keuze van aspirant-adoptiefouders
om een kind uit het buitenland te adopteren. Om die reden acht ik deze doorberekening
redelijk, zodra deze kosten zijn geoptimaliseerd en de procedure zo efficiënt
mogelijk is ingericht.</al>
      <al>Verder heb ik het voornemen om de adoptieprocedure te vereenvoudigen door
de geldigheidsduur van de beginseltoestemming, thans drie jaar, te verlengen
tot vier jaar. Omdat er landen van herkomst zijn die een recentere geschiktheidverklaring
verlangen, zal deze maatregel niet in alle gevallen effect hebben.</al>
      <al>Tevens wil ik in de wet de mogelijkheid opnemen om de beginseltoestemming,
die thans geldt voor standaard één kind, desverzocht voor de
opname van twee kinderen tegelijk te laten gelden, mits uit het gezinsonderzoek
is gebleken dat de aspirant-adoptiefouders geschikt zijn om twee kinderen
tegelijkertijd op te nemen. Het is dan niet langer nodig dat ik daarover een
aparte beslissing neem. Voorts merk ik op dat ingevolge de Wobka een aanvraag
voor een beginseltoestemming niet in behandeling wordt genomen indien in het
gezin reeds één of meer eigen kinderen of adoptiekinderen verblijven
en deze kinderen minder dan één jaar zijn verzorgd door de adoptiefouder.
De reden van deze regel, namelijk bevorderen dat de nieuwe situatie die is
ontstaan, zich heeft gestabiliseerd voordat een volgend kind is opgenomen,
onderschrijf ik. Voortaan zal aan deze regel strikter de hand worden gehouden;
aspirant-adoptiefouders kunnen na afloop van die éénjaartermijn
overigens gewoon weer een nieuwe aanvraag indienen.</al>
      <tuskop letat="cur">c. Sturing, controle en toezicht</tuskop>
      <al>Hiervoor heb ik al aangegeven dat sprake moet zijn van een zorgvuldige
en kwalitatief verantwoorde adoptieprocedure, waarin de belangen van het kind
voorop staan en zijn gewaarborgd. Sturing en controle door het ministerie
van Justitie en het toezicht door de Inspectie jeugdzorg moet daartoe goed
op elkaar zijn afgestemd. Ik onderzoek momenteel hoe de verschillende taken
en rollen van de bij de adoptieprocedure betrokken organisaties kunnen worden
verduidelijkt en of daarvoor een wetswijziging nodig is.</al>
      <al>Ook zal beleid worden ontwikkeld voor de informatievoorziening door de
vergunninghouders, de plicht voor vergunninghouders om aspirant-adoptiefouders
als cliënt te accepteren (wanneer wel/niet; wat moeten vergunninghouders
doen als zij twijfelen aan de geschiktheid van aspirant-adoptiefouders om
te adopteren), en voor de kwaliteitseisen die worden gesteld aan vergunninghouders.
Van de vergunninghouders zal ik vragen om, in samenspraak met het ministerie
van Justitie, hun eigen beleid en werkwijze in protocollen vast te stellen,
waaruit blijkt op welke wijze het belang van het kind wordt geoperationaliseerd.</al>
      <al>Verder zal ik om beter op kwaliteit te kunnen sturen de aanbeveling in
het Evaluatierapport Wobka opvolgen dat bij een adoptie uit een niet-verdragsland
een matching van adoptief kind en -ouder steeds voor accordering aan mij moet
worden voorgelegd («akkoordverklaring»). Men vergelijke de «statement
of approval» bij verdragsadopties, waarbij de centrale autoriteiten
van de landen van herkomst en van opvang de matching moeten «goedkeuren».
Bij adopties uit niet-verdragslanden zal het vanzelfsprekend een eenzijdige
akkoordverklaring mijnerzijds betreffen.</al>
      <al>Daarnaast zal ik niet alleen bij bemiddelingswerkzaamheden in verdragslanden,
maar ook bij die in niet-verdragslanden van de vergunninghouders per land
een machtiging eisen om deze werkzaamheden uit te mogen voeren. Voordeel daarvan
is dat de vergunninghouders beter kunnen worden aangestuurd. Een ander voordeel
is dat ik daarmee over meer mogelijkheden beschik om bij gebleken misstanden
corrigerend op te treden. Thans kent de Wobka slechts één sanctie,
te weten het intrekken van de (algemene) vergunning. Ik zal bezien of het
aantal sanctiemodaliteiten kan worden uitgebreid. Daarbij denk ik bijvoorbeeld
aan het intrekken van een machtiging als alternatief voor het intrekken van
een vergunning als geheel als hiervoor genoemd.</al>
      <tuskop letat="cur">e. Deelbemiddeling</tuskop>
      <al>Onder het Haags Adoptieverdrag is adoptie uit niet-verdragslanden via
deelbemiddeling in beginsel, niet mogelijk. De reden is dat de procedure minder
goed controleerbaar is. Dat blijkt in de praktijk ook het geval te zijn. Ik
heb daarover al geschreven in mijn brief van 28 april 2004 (TK 2004–2004,
28 457, nr. 15), waarin ik ook een aantal incidenten heb beschreven.
In het Evaluatierapport Wobka wordt dit bevestigd en vastgesteld dat er in
de procedure voor deelbemiddeling onvoldoende waarborgen zijn dat de belangen
van het kind voorop worden gesteld. Vergunninghouders geven aan het moeilijk
te vinden om in het kader van hun advies aan mij aangaande de verzochte deelbemiddeling,
te onderzoeken of de instanties, organisaties en personen die in het desbetreffende
buitenland bij de adoptieprocedure zuiver en zorgvuldig handelen, zoals artikel
7a Wobka vereist. Belangenverenigingen voor adoptieouders menen dat de vergunninghouders
niet onafhankelijk genoeg zijn bij hun onderzoek.</al>
      <al>Ik realiseer mij dat deelbemiddeling aspirant-adoptiefouders een aanvullende
mogelijkheid biedt een kind te adopteren. De handhaafbaarheid van de regels
die gelden om het belang van het kind te waarborgen, blijkt in de praktijk
op problemen te stuiten. Zo is het moeilijk om te controleren of is voldaan
aan het subsidiariteitsbeginsel. Ook het beginsel van geen geldelijk gewin,
is moeilijk te controleren. Handhaving vindt bovendien vaak plaats terwijl
aspirant-adoptiefouders in veel gevallen al met een kind hebben kennisgemaakt.
Een afwijzing op procedurele gronden kan dan haast niet zonder grote frustraties
plaatsvinden.</al>
      <al>Ik zal de volgende maatregelen nemen:</al>
      <al>a. bij elke adoptie wordt met betrekking tot de matching tussen adoptief
kind en -ouder een akkoordverklaring vereist;</al>
      <al>b. er wordt één vragenlijst gemaakt die bij elke deelbemiddeling
geldt en door de aspirant-adoptiefouders moet worden ingevuld en voorzien
van de benodigde documenten,</al>
      <al>c. bij vergunninghouders wordt benadrukt dat aan mij een neutraal advies (geen betrouwbaar onderzoek mogelijk) kan worden gegeven, waarna
als daar aanleiding toe bestaat wordt bezien of door de CA nader onderzoek
kan worden gedaan via het ministerie van Buitenlandse Zaken of International
Social Service. De situatie dat de huidige deelbemiddelingsprocedure het belang
van het kind niet voldoende waarborgt, rechtvaardigt deze maatregelen. De
gang van zaken behoudt intussen mijn bijzondere aandacht. Daarbij merk ik
op dat steeds meer landen het verdrag ratificeren en dat de overblijvende
landen juist landen zijn waar controle problemen oplevert.</al>
      <tuskop letat="cur">f. Leeftijdsgrenzen</tuskop>
      <al>Het huidige systeem van leeftijdsgrenzen in de Wobka is in grote lijnen
het volgende. Het leeftijdverschil tussen adoptiefkind en -ouder mag maximaal
veertig jaar zijn. Bij binnenkomst in Nederland dient een kind jonger te zijn
dan zes jaar. Dit brengt met zich een maximumleeftijd van adoptiefouders om
een buitenlands kind op te nemen van 46 jaar.</al>
      <al>Vrijwel algemeen wordt handhaving van de huidige leeftijdsgrenzen als
wenselijk beschouwd. Het wordt ervaren als een systeem dat aansluit bij de
bestaande grenzen van biologisch ouderschap. Hierboven heb ik al aangegeven
dat adoptiekinderen door het aantal separaties van ouders en verzorgers, slechte
hechtingservaringen, ondervoeding en verwaarlozing a-priori kwetsbare kinderen
zijn. Dat uit zich veelal in het steviger doormaken door een kind van alle
ontwikkelingsfasen, zoals de fase van hechting na aankomst in Nederland en
de fase van loslaten in met name de puberteit. Dat gaat dikwijls niet zonder
problemen. Zo wijst wetenschappelijk onderzoek uit dat in vergelijking met
biologische kinderen, adoptiekinderen vaker in de residentiële hulpverlening
terecht komen. Dit betekent dat aan adoptiefouders vaak zware eisen worden
gesteld en dat zij in staat moeten zijn eventuele problemen het hoofd te bieden.
Het voorgaande rechtvaardigt dat in het belang van het kind leeftijdscriteria
worden gesteld aan de adoptiefouders.</al>
      <al>Met betrekking tot de huidige maximumleeftijd van adoptiefouders van 46
jaar, is er, mede gelet op het uit de evaluatie gebleken draagvlak daarvoor,
geen reden om deze grens te wijzigen. De raad voor de kinderbescherming geeft
duidelijk te kennen wijziging van deze grens niet positief te beoordelen.
Wèl overweeg ik om deze leeftijdsgrens te verhogen naar 48 jaar in
gevallen waarin er sprake is van de opvolgende opneming van een broer of zus.
De huidige maximumleeftijd van het kind is, zoals gezegd, zes jaar. Deze grens
wordt blijkens de evaluatie algemeen onderschreven. Ik zie ook bij deze grenzen
geen reden voor wijziging. Dat geldt in beginsel ook voor het maximum leeftijdsverschil
van veertig jaar, zij het dat het verschil met ten hoogste twee jaar kan worden
vergroot bij een verhoging van de leeftijdsgrens tot 48 jaar in het geval
als hiervoor genoemd.</al>
      <tuskop letat="cur">g. Nazorg</tuskop>
      <al>Het begrip «nazorg» bevat verschillende aspecten. Onderscheiden
dient te worden de in de Wobka opgenomen verplichting voor vergunninghouders
bij volledige bemiddeling om adoptieouders <nadruk type="cur">begeleiding</nadruk> te geven nadat het buitenlandse kind is opgenomen. Daarnaast zijn
er verschillende vormen van <nadruk type="cur">ondersteuning</nadruk> door
de Stichting Adoptievoorzieningen, zoals het telefonisch spreekuur voor vragen
over verzorging en opvoeding, en de video-interactiebegeleiding. Tenslotte
is de <nadruk type="cur">jeugdzorg</nadruk> (Wet op de jeugdzorg) te noemen,
dat ieder kind dat in Nederland woont, onder bepaalde voorwaarden kan ontvangen.</al>
      <al>Uit voornoemde conferentie en uit het Evaluatieonderzoek Wobka is naar
voren gekomen dat men de nazorg als te beperkt en onvoldoende gestructureerd
ervaart. Behoefte bestaat aan een sluitend systeem van nazorg, waarin ook
nazorg na deelbemiddeling is vervat. Ik zal in samenspraak met de ketenpartners
bezien op welke wijze dit gerealiseerd kan worden. </al>
      <tuskop letat="cur">Evalueren/voortgangsrapportage</tuskop>
      <al>Waar het voorgaande leidt tot ingrijpende wijzigingen ten opzichte van
het huidige beleid, regelgeving of uitvoering, zal bezien worden op welke
termijn evaluatie dient plaats te vinden. Ik streef er naar omstreeks de zomer
van 2006 de beoogde beleidswijzigingen waarvoor geen wetswijziging nodig is,
te hebben doorgevoerd. Ik zal uw Kamer aan het eind van dit jaar over de voortgang
van het ter hand nemen van de knelpunten en verbeterpunten berichten. Ik streef
er naar om omtreeks de zomer van 2006 een wetsvoorstel tot wijziging van de
Wobka bij uw Kamer in te dienen.</al>
      <tuskop letat="cur">4. Interlandelijke adoptie door een paar van hetzelfde
geslacht</tuskop>
      <al>Tijdens het overleg met de vaste commissie voor Justitie op 11 maart
2004 heb ik aangegeven dat wanneer interlandelijke adoptie door een paar van
hetzelfde geslacht in de praktijk daadwerkelijk mogelijk blijkt en er tenminste
één land is waaruit homoparen kunnen adopteren, de Nederlandse
wet daaraan niet meer in de weg mag staan. Om dat te onderzoeken heb ik, mede
in het licht van de motie van het lid Van der Laan c.s. (TK 2003–2004,
28 457, nr 12), in juli 2004 enquêtebrieven doen uitgaan naar 25
landen van herkomst met de vraag of men wilde meewerken aan interlandelijke
adoptie door een homopaar en/of in het geval Nederland interlandelijke homoadoptie
door een paar mogelijk zou maken, dit ten koste zou gaan van de huidige samenwerking,
waardoor men minder kinderen ter fine van adoptie naar Nederland laat komen.
Het aantal van 14 aangeschreven landen heeft geantwoord. De algemene reactie
is dat homoadoptie door een homoseksueel paar niet mogelijk is; indien adoptie
door een homoseksueel paar in Nederland wettelijk mogelijk wordt gemaakt,
heeft dat geen invloed op huidige samenwerking met Nederland. Elf landen,
waaronder China, hebben ondanks een rappel niet geantwoord. Recente informatie
uit Zweden heeft opgeleverd dat aldaar momenteel drie homoparen een (equivalent
van een) beginseltoestemming hebben, maar dat er geen land van herkomst is
dat hen wil helpen. Uit deze informatie komt ook naar voren dat er tot nu
toe geen landen van herkomst bekend zijn die als gevolg van de openstelling
van interlandelijke adoptie voor homoparen, minder kinderen naar Zweden laten
komen. Vertegenwoordigers van de centrale autoriteit van Zweden zijn in november
2004 nog in Peking geweest en hebben met de autoriteiten aldaar expliciet
over homoadoptie gesproken. Het aantal kinderen dat uit China ter fine van
adoptie naar Zweden is gekomen, is ondertussen in 2004 omhoog gegaan. Het
lijkt er dus op dat het openstellen van homoadoptie geen invloed heeft op
de samenwerking met China.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik heb toegezegd dat tot wijziging van de Wobka wordt overgegaan als er
tenminste één land is waaruit homoparen kunnen adopteren. Die
voorwaarde is tot heden niet in vervulling gegaan. Dat betekent dat openstelling
van de Wobka slechts het blij maken met de spreekwoordelijke dode mus zou
zijn, omdat feitelijk geen adoptie door een homopaar mogelijk wordt. Dat acht
ik onwenselijk. Bovendien is van een aantal landen nog geen antwoord ontvangen;
openstelling blijft ten aanzien van die landen een risico. Om deze redenen
laat ik de Wobka op dit punt vooralsnog ongewijzigd. Ik ben uiteraard bereid
de wet aan te passen als de attitude in de landen van herkomst mocht veranderen.
De ontwikkelingen zal ik blijven volgen.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Justitie,</functie>
        <naam>J. P. H. Donner </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>Dit is conform de aanbeveling gedaan tijdens de vergadering van de Speciale
Commissie van de Haagse Conferentie inzake de praktische uitvoering van het
Haags adoptieverdrag 1993, gehouden op 28 november tot 1 december
2000, om de uitgangspunten en waarborgen van het verdrag ook toe te passen
in de verhouding met niet-verdragslanden.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>