﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="slag">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28115-5/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2001-2002</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.6.1__3.2" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST61656</ordernr>
    <vergjaar>2001-2002</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>28 115</nummer>
      <naam>Stimulering midden- en kleinbedrijf en ondernemerschap</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>5</nummer>
      <titel>VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG</titel>
      <datum>Vastgesteld 26 april 2002</datum>
      <al>De vaste commissie voor Economische Zaken<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref>
heeft op 4 april 2002 overleg gevoerd met minister Jorritsma-Lebbink en staatssecretaris
Ybema van Economische Zaken over:</al>
      <al>
        <nadruk type="vet">– de reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer
«Stimulering middenen kleinbedrijf en ondernemerschap» (28 115,
nr. 3);</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="vet">–  de voortgangsrapportage nota «De ondernemende
samenleving» (EZ-01-708);</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="vet">– de ondernemerschapsmonitor herfst 2001 (EZ-02-36);</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="vet">– de ondernemerschapsmonitor voorjaar 2001 (EZ-01-418);</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="vet">– het Jaarbeeld 2001 van het Commissariaat voor
buitenlandse investeringen in Nederland (EZ-02-139);</nadruk>
      </al>
      <al>
        <nadruk type="vet">– de subsidieregeling infrastructuur technostarters
(EZ-02-141).</nadruk>
      </al>
      <al>Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit. </al>
      <tuskop letat="vet">Vragen en opmerkingen uit de commissie</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Hindriks</nadruk> (PvdA) merkt op dat zijn
fractie het ondernemerschap midden- en kleinbedrijf (MKB) zeer belangrijk
vindt en de ruime doelstellingen in de diverse nota's onderschrijft. Het onlangs
uitgebrachte rapport van de Algemene Rekenkamer handelt over de effectiviteit
van de ruim 2 mld euro subsidie per jaar die wordt uitgegeven aan de stimulering
van het MKB. De resultaten van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer zijn
vernietigend en bevestigen de vrees van zijn fractie dat een aantal subsidies
ineffectief is.</al>
      <al>Uit het rapport blijkt dat van 25 van de 28 primair op het MKB gerichte
beleidsmaatregelen die vanaf 1995 door EZ zijn opgesteld, niet kan worden
aangetoond dat zij resultaat hebben gehad, vooral omdat niet duidelijk was
welke doelen ermee beoogd werden. Hij pleit al geruime tijd voor het verstrekken
van subsidies die bijdragen aan een vooraf beoogd doel en waarvan de resultaten
duidelijk te meten zijn. Een dergelijke effectiviteitsmeting zou echter volgens
de minister van EZ niet mogelijk zijn. Hij is er daarom voor dat een aantal
subsidies verdwijnt en vervangen wordt door een aantal primair fiscale regelingen
die vooraf beoogd goed gedrag op basis van resultaat achteraf belonen.</al>
      <al>De Rekenkamer concludeert dat de bewindspersonen van EZ inzichtdienen
te geven in de samenhang van alle beleidsmaatregelen die gericht zijn op stimulering
van ondernemerschap. De Rekenkamer stelt verder dat het aanbeveling verdient
om het lerend vermogen in het beleidsproces bij het ministerie van EZ te versterken
door informatie over de onderbouwing en de resultaten van beleid systematisch
vast te leggen. Dit is ondanks vier jaar werken aan VBTB (Van beleidsbegroting
tot beleidsverantwoording) en vele debatten over dit onderwerp kennelijk nog
steeds niet voldoende doorgedrongen.</al>
      <al>Hij ziet het rapport van de Rekenkamer als een netjes verpakte maar zware
kritiek. De minister ziet het rapport echter als een steun in de rug bij het
verder doorvoeren van verbeteringen. Zij interpreteert het feit dat er van
de 28 maatregelen bij 25 maatregelen onvoldoende gegevens waren om op grond
daarvan de effectiviteit te kunnen vaststellen, in die zin dat van 25 maatregelen
niet kan worden gezegd dat zij niet effectief zijn geweest. Hij is van mening
dat in dat geval het geld beter in de zak van de ondernemers kan blijven.</al>
      <al>De minister beschuldigt de Algemene Rekenkamer van ouderwets specifiek
op het MKB gericht ondernemersbeleid, terwijl er inmiddels sprake zou zijn
van generiek beleid. Hij acht het wegnemen van knelpunten en het bevorderen
van een goed ondernemersklimaat van groot belang bij het ondernemersbeleid
van EZ, maar ook bij een generiek doel moeten de inzet van EZ en de resultaten
van die inzet transparant zijn. De minister zegt niet in staat te zijn inzicht
te verschaffen in de omvang en de samenhang van de beleidsmaatregelen gericht
op het MKB en ondernemerschap, vanwege het feit dat het MKB geen homogeen
geheel is. Hoe kan zij dan over generiek beleid spreken? De diversiteit van
het MKB maakt dat de consultancy subsidiepotten ineffectief zijn. Hij is ervoor
deze subsidies te vervangen door generieke belastingverlaging voor het MKB.
Dit kan gebeuren door de zelfstandigenaftrek te verhogen en de eerste trap
in de vennootschapsbelasting te verlagen.</al>
      <al>Ook in de voortgangsrapportage over de nota «De ondernemende samenleving»
(DOS) is nergens sprake van een effectiviteitsmeting. De minister stelt niettemin
dat het beleid een positieve bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van
het ondernemerschap in onze samenleving. Hij vraagt zich af waaruit dat blijkt.
Blijkt dat soms uit het feit dat Nederland internationaal bovengemiddeld scoort
op het gebied van ondernemerschap en bedrijvendynamiek of uit de gunstige
ontwikkeling van het aantal starters? Het is hem niet duidelijk wat deze ontwikkelingen
met het EZ-beleid op het gebied van subsidies te maken hebben. Hoogstens heeft
het wegnemen van een aantal belemmeringen in de wetgeving hieraan een bijdrage
geleverd.</al>
      <al>Hoewel hij beseft dat niet alles te kwantificeren is en dat niet te kwantificeren
doelen ook nuttig kunnen zijn, vindt hij het voorliggende beleid van EZ in
termen van effectiviteitsmeting erg mager. Omdat het volgens de minister niet
goed mogelijk is om een relatieve effectiviteitsmeting van de subsidies te
verrichten, is hij van mening dat niet-effectieve subsidieregelingen dienen
te worden afgeschaft en dat regelingen waarvan de effectiviteit onduidelijk
blijft, verbeterd dienen te worden. Zijn voorkeur gaat verder uit naar het
verschuiven van het vooraf verstrekken van subsidies naar een fiscale stimulering,
omdat daarmee wellicht eerder een beoogde gedragsverandering wordt bereikt.</al>
      <al>Hij is vol lof over de activiteiten van het CBIN. Het CBIN draagt door
het investeren van enkele tientallen miljoenen euro's bij aan 500 mln euro
buitenlandse investeringen in Nederland, die circa 4000 arbeidsplaatsen opleveren
in vooral hoogtechnologische activiteiten als ICT en life sciences.</al>
      <al>Hij ziet de subsidieregeling infrastructuur technostarters als een goedbedoelde
geldpot waarmee vooral de intermediairs blij zijn. Het is een praatcircuit
tussen universiteiten, hogescholen en de welzijnswerkers van het MKB. Deze
regeling moet de regeling onderwijs en ondernemerschap aanvullen.
Hij is ervoor deze regeling af te schaffen. Hij wijst erop dat het aantal
technostarters in de VS aanzienlijk groter is, terwijl daar geen enkele soortgelijke
regeling bestaat.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Walsem</nadruk> (D66) vindt het rapport
van de Rekenkamer kritisch. Er wordt gesteld dat de resultaten van de maatregelen
die voortvloeien uit de nota Werk door ondernemen uit 1995 (WDO) niet bekend
zijn. Hieruit blijkt hoe noodzakelijk het is de doelen duidelijk te formuleren.
Hieraan wordt in het kader van de VBTB hard gewerkt. Hij is op dat punt optimistisch.</al>
      <al>De minister stelt dat het lastig is om de directe relatie tussen de beleidsmaatregelen
en de effecten aan te geven. Misschien is het een goede suggestie om te kijken
naar het bereik van de regelingen. Wanneer van een subsidieregeling ruim gebruik
wordt gemaakt, is er duidelijk behoefte aan. Ook het MKB is van mening dat
de toegankelijkheid van de regelingen belangrijk is, getuige de suggestie
in de brief van 22 maart jl. om de behoefteverhouding tussen vraag en aanbod
en toegankelijkheid bij de evaluatie van de regelingen mee te nemen. Hoe staat
het overigens met de pilot die is gestart voor het elektronische zoeksysteem
voor subsidieregelingen? Wanneer zal het geheel aan regelingen elektronisch
in kaart zijn gebracht?</al>
      <al>Uit de voortgangsrapportage over DOS blijkt dat het ondernemerschap in
Nederland vanzelfsprekender wordt en het klimaat voor ondernemen in de afgelopen
jaren is verbeterd. Hij vindt het van belang dat wordt voortgegaan op deze
weg. Ook internationaal blijken wij beter te scoren dan in het verleden, ook
op het gebied van vrouwen en minderheden. Hierbij valt de kanttekening te
plaatsen dat de resultaten vanwege het feit dat het momenteel economisch iets
minder gaat, ook iets minder zijn.</al>
      <al>Hij vestigt de aandacht op de effectieve wettelijke regeling voor ondernemers
die in betalingsmoeilijkheden verkeren. In de praktijk blijkt dat grote bedrijven
in toenemende mate de betalingen aan kleine bedrijven opschorten. Hoe staat
het met de uitvoering van de hierover destijds ingediende motie? Hoe staat
het met het streven om de administratieve lasten in drie jaar met 25% te verlagen?
Zijn er al concrete resultaten te melden van de twee jaar geleden opgerichte
Commissie ondernemerschap en onderwijs?</al>
      <al>Uit de ondernemerschapsmonitor blijkt dat het MKB in 2001 opnieuw de grootste
banenmotor van onze economie is geweest. In het overzicht ontbreekt echter
de zeer belangrijke rol die het MKB heeft gespeeld in de werkverschaffing
aan allochtonen. Ook de overheid die nauw bij de totstandkoming van het convenant
tussen het MKB en de vakbond betrokken was, mag hier een stukje van het succes
claimen.</al>
      <al>Het MKB heeft een achterstand in het benutten van bestaande octrooiregelingen.
Een mogelijke verklaring zou de hoogte van de kosten van de aanvragen zijn.
Kan de minister hierop ingaan?</al>
      <al>De export van het MKB loopt achter bij die van het buitenland. Overigens
heeft hij in NRC Handelsblad gezien dat EZ tegenwoordig de dance- en housemuziek
promoot via een subsidieprogramma. Hij zet vraagtekens bij een dergelijke
subsidieverlening.</al>
      <al>Hij blijft het merkwaardig vinden dat bij een faillissement de belastingen
en de bedrijfsverenigingen preferente schuldeisers zijn en de bedrijven worden
achtergesteld. Hij pleit er opnieuw voor om deze preferente positie af te
schaffen.</al>
      <al>Hoe staat het met het benchmarken van het gemeentelijk ondernemersklimaat?
Kan de staatssecretaris hier iets over zeggen?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Voûte-Droste</nadruk> (VVD) is het ermee
eens dat het CBIN een interessante ontwikkeling is. De bedrijven die naar
Nederland komen, zijn vaak innovatief en dragen bij aan een hoogwaardige werkgelegenheid.
Het is verder goed dat de EVD (Economische voorlichtingsdienst) en het CBIN intensief samenwerken. Zij is blij dat in de ondernemerschapsmonitor
en bij de technostarters aandacht wordt besteed aan de innovatie. De Nederlandse
economie loopt internationaal nog steeds 7% achter op dit gebied. Innovatie
is van groot belang voor de Nederlandse concurrentiepositie, zeker gezien
de hoge loonkosten in Nederland.</al>
      <al>Uit de monitor valt via het aantal starters de dynamiek in de economie
af te lezen. Het feit dat er in 1997 40 000 starters waren en in 2001
55 000 is positief. Hieruit blijkt dat de generieke aanpak een goed instrument
is. Ook het verlichten van de administratieve lasten is voor starters zeer
belangrijk. Kan de minister hierop ingaan?</al>
      <al>Tegelijkertijd betekent meer starters dat er ook meer faillissementen
zijn. Uit het exitonderzoek van het EIM (Economisch instituut voor het midden-
en kleinbedrijf) blijkt dat 50% van de ondernemers binnen tien jaar met zijn
bedrijf stopt. Zij sluit zich aan bij de opmerking dat de positie van de preferente
schuldeisers in geval van faillissement nader bekeken moet worden. Hoe denkt
de minister over het doen van een onderzoek hiernaar?</al>
      <al>Ook de export blijkt te zijn gegroeid. Op dit moment daalt het aantal
starters weer enigszins vanwege de teruglopende economie. De ondernemerschapsmonitor
van de herfst 2001 geeft een daling aan van 5%, terwijl er in 2001 3600
bedrijven failliet gingen. Zij acht het in dit verband van belang dat de overheid
het mentorschap voor startende ondernemers blijft stimuleren.</al>
      <al>Er is ook een cultuurverandering nodig in het Nederlandse onderwijsstelsel.
Studenten dienen nadrukkelijker te worden gewezen op de mogelijkheid om ondernemer
te worden. Kan het ministerie van EZ hier met het ministerie van Onderwijs
nog eens naar kijken? Misschien zouden ondernemers wat vaker college moeten
geven op universiteiten en hogescholen.</al>
      <al>Hoewel zij waardering heeft voor het rapport van de Rekenkamer, is zij
het niet eens met de kritiek dat de samenhang ontbreekt tussen de nota WDO
en de nota DOS, wat tot een stapeling in het beleid zou leiden. Een ministerie
dient zich te vernieuwen en te komen met elementen die passen in de moderne
tijd. Zij acht de VBTB-operatie het belangrijkste instrument om de doelen
te bereiken.</al>
      <al>Zij is verder blij dat er nu een generiek beleid is, waardoor ondernemers
bij het ondernemen in aanmerking komen voor lastenverlichting. Zij ondersteunt
zaken als meer flexibiliteit voor het ondernemerschap, het stimuleren van
het gebruik van ICT, ruimte voor innovatie en het terugdringen van de administratieve
lasten.</al>
      <al>Uit het OESO-rapport blijkt dat Nederland de barrières voor innovatieve
ondernemers verder moet slechten. Het zou ontbreken aan ondersteuning in de
startfase, er zou een gebrekkige toegang zijn tot de onderzoeksfaciliteiten
en een beperkte beschikbaarheid van venture capital. De minister heeft de
samenwerking met de universiteiten duidelijk aan de orde gesteld. Het is belangrijk
dat universiteiten en kennisinstellingen hun drempels slechten voor het ondernemerschap.</al>
      <al>Er waren in 1999 1100 technostarters. In de EZ-begroting is de doelstelling
opgenomen om dit aantal met 50% te laten toenemen ook via ICT en life sciences.
De lessons learnt vanuit Twinning dienen bij andere technostarters gebruikt
te worden. Uit onderzoek blijkt duidelijk dat technostarters eerder succes
hebben, wanneer zij begeleiding krijgen van ervaren ondernemers.</al>
      <tuskop letat="vet">Antwoord van de regering</tuskop>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> is verheugd dat ook de PvdA vandaag
de dag positief staat tegenover het ondernemerschap. Hoewel haar indruk is
dat dit in de maatschappij langzamerhand ook het geval is, is er toch nog
heel veel werk te doen. Het ondernemerschap zou ook voor mensen die van een
universiteit, hogeschool of mbo komen, veel meer een optie moeten
worden. Ondernemerschap wordt vanuit de maatschappelijke ontwikkeling steeds
belangrijker. Als innovatie en productiviteitsgroei achterblijven in ons land,
zullen er meer ondernemers nodig zijn. Een belangrijk deel van de productiviteitsgroei
komt van de nieuwste ondernemingen. Als het conjunctureel wat minder gaat
en zeker als er structureel minder groeipotentie is, is extra aandacht voor
het ondernemerschap vereist. De stagnatie in het economische groeivermogen
heeft te maken met een te trage innovatie en een vermindering van het arbeidsaanbod
door vergrijzing. Het thema productiviteitsgroei is daarom uitdrukkelijk op
de agenda gezet. Bij de acties om dit te bereiken moet aan het belang van
ondernemerschap ruim aandacht worden besteed.</al>
      <al>De uitgangssituatie is op dit moment gunstig. Het economische klimaat
in Nederland is relatief aantrekkelijk voor ondernemers. Nederland heeft verhoudingsgewijs
veel ondernemers. Toch is er sprake van belangrijke knelpunten, die moeten
worden weggenomen. De vraag welke bijdrage de overheid kan leveren en in het
verleden heeft geleverd, is de kern van het onderzoek van de Rekenkamer. De
minister is hierover positiever gestemd dan de Rekenkamer. Zij heeft waardering
voor het onderzoek van de Rekenkamer, dat kan helpen om het beleid effectiever
te maken. De nota WDO dateert echter al uit 1995. Er was toen nog geen sprake
van VBTB. Zij is het niet eens met de opvatting van de Rekenkamer dat er sprake
zou zijn van een «stapeling» van beleid. Zij zou eerder willen
spreken van «vernieuwing».</al>
      <al>Hoofdconclusie van de Rekenkamer is dat er veel zorg besteed moet worden
aan het beleidsproces. Er moet een goede probleemanalyse en een kosten-batenanalyse
gemaakt worden, er moeten duidelijk meetbare doelstellingen opgesteld worden
en er moet achteraf geëvalueerd worden. Het ministerie van EZ is de laatste
jaren in toenemende mate op weg om het beleid op die manier vorm te geven.
Er worden een aantal kwaliteitsslagen in de goede richting gemaakt, veelal
in het kader van de VBTB-operatie.</al>
      <al>Overigens gaat het rapport niet alleen in op de subsidieregelingen maar
ook op ander EZ-beleid voor ondernemers. Het feit dat het bij het MKB niet
om bruggen bouwen of wegen aanleggen gaat, maakt dat de effecten van beleid
in kwantitatieve zin moeilijker te meten zijn. Het ondernemerschapsbeleid
is gericht op randvoorwaarden scheppen, knelpunten wegwerken en stimuleren,
maar het stelt zich ook ten doel om mensen op het idee te brengen om ondernemer
te worden. Het tot stand brengen van mentaliteitsveranderingen is voor de
overheid een van de moeilijkste opgaven. Ondernemerschap heeft naast conjuncturele
ook structurele aspecten. Het is lastig om precies vast te stellen wat het
effect is van een subsidieregeling of een aantal subsidieregelingen, of een
combinatie van een subsidieregeling met beleidsmatig handelen, zoals het afschaffen
van de Vestigingswet. Bij de technostarters is het probleem dat er een koppeling
moet worden gelegd tussen de starters en de kennisinstituten.</al>
      <al>Er zal in toenemende mate getracht moeten worden de probleemanalyse zo
goed mogelijk te maken en op basis daarvan het beleid te formuleren. Bij de
regeling voor de technostarters is dit ook gebeurd. Het blijkt dat de Twinning-regeling
niet alleen bij Twinning maar ook daarbuiten veel heeft opgeleverd. Hetzelfde
geldt voor Biopartner. Er wordt met dit type regelingen geprobeerd een bepaald
bewustzijn te kweken en een barrière te doorbreken. Zij wil Nederland
niet vergelijken met de VS, waar een geheel andere mentaliteit ten opzichte
van starten en failliet gaan bestaat en waar venture capital veel makkelijker
te krijgen is.</al>
      <al>Zij ziet niet veel in het voorstel om bepaalde subsidieregelingen te schrappen
en het geld in te zetten voor belastingverlaging voor MKB-ondernemers, omdat
hiermee slechts een zeer klein geldbedrag gegenereerd wordt. Overigens blijkt
altijd weer dat ondernemers in het algemeen voor het afschaffen van subsidieregelingen
zijn, als het maar niet die regelingen zijn waarvan zij zelf gebruik
maken. Zij is ervoor dat subsidies afgeschaft worden als duidelijk blijkt
dat zij geen effect hebben. De aanbevelingen van de Rekenkamer dat er in toenemende
mate onderbouwing nodig is, spreken haar aan. Dat betekent echter niet dat
moet worden opgehouden met ondernemerschapsbeleid. Dit beleid heeft in de
afgelopen jaren effect gehad en zal in de komende jaren ook nodig zijn om
verdere drempels te slechten. Het gaat om de combinatie van het weghalen van
drempels en het zoeken naar marktfalen, wat soms door tijdelijke subsidies
is op te lossen. De technostartersregeling is exact gebaseerd op het wegnemen
van de barrières waar de OESO over spreekt. Als de problemen zijn opgelost,
kan de regeling gestopt worden.</al>
      <al>Bij de indicatoren voor stimulering van het ondernemerschap die worden
opgenomen in de VBTB-begroting gaat het overwegend om effectindicatoren. Zij
geven een beeld van het effect dat met de instrumenten wordt nagestreefd,
met de kanttekening dat ook andere factoren hierop van invloed zijn. Het gaat
daarbij enerzijds om een aantal indicatoren voor het ondernemerschap in algemene
zin en anderzijds om indicatoren voor innovatief ondernemerschap. Bij het
ondernemerschap in algemene zin wordt gekeken naar de dynamiek van het ondernemerschap,
het saldo van starters en stoppers in het MKB-segment. Daarbij is het streven
dat het saldo hoger moet zijn dan bij de belangrijke Europese concurrenten
België Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Naar haar mening is de Nederlandse
regeling voor technostarters een zuiniger en effectiever instrument dan de
Duitse en Belgische. Zij is graag bereid de informatie over de diverse regelingen
aan de Kamer te doen toekomen. Het streven is dat er 50% meer technostarters
komen, terwijl het aandeel snelle groeiers als percentage van het aantal middelgrote
bedrijven op termijn gelijk moet zijn aan het gemiddelde van de benchmarklanden
VS, Verenigd Koninkrijk, België en Duitsland. Zij heeft in de groeiparagraaf
van de begroting aangegeven dat zij zal kijken of de indicatoren van de begroting
voldoende aansluiten bij de geformuleerde beleidsdoelstellingen of dat aanpassingen
nodig zijn.</al>
      <al>Er heeft na het onderzoek dat de Rekenkamer heeft gedaan een verdere stroomlijning
van het instrumentarium plaatsgevonden. Binnenkort zijn de uitkomsten te verwachten
van het IBO-technologiebeleid (Interdepartementaal beleidsonderzoek). Daarbij
wordt ook de evaluatie van de WBSO (Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk)
betrokken. Overigens zal de conclusie van het IBO zeker niet zijn dat het
subsidiegeld naar lastenverlichting moet gaan.</al>
      <al>Het elektronische zoeksysteem wordt deze maand operationeel onder de naam
www.subsidieshop.nl, die ondernemers het meest aansprak. Alle ondernemerssubsidies
van alle ministeries zijn hierin te vinden.</al>
      <al>Wat het verzoek betreft om concrete initiatieven te nemen om het innovatiekennisaanbod
inzichtelijk te maken voor MKB-ondernemers, kan zij melden dat het innovatienet
eerstdaags aanbesteed zal worden.</al>
      <al>Zij is het eens met de opvattingen van de Rekenkamer over de onderbouwing
van DOS, zij het dat de praktijk weerbarstiger is. De Rekenkamer hanteert
een op wetenschappelijke wijze ontwikkeld model van beleidsvorming. Zij ziet
het als haar taak om hier voortdurend nauwer op aan te sluiten, maar 100%
aansluiting zal nooit lukken. Overigens had DOS ook de belangrijke functie
van een wervend document gericht op mentaliteitsverandering.</al>
      <al>De Rekenkamer had ook kritiek op de fiscale aspecten van het subsidiebeleid,
zelfs bij generieke regelingen. Het ging daarbij niet alleen om het ministerie
van EZ, maar ook om de ministeries van Sociale Zaken, Financiën en BZK.
Zij is een groot voorstander van het principe dat fiscale maatregelen primair
gericht dienen te zijn op lastenverlichting. Een lastenverlichting op de inkomstenbelasting
voor ondernemers kan helaas niet plaatsvinden via een gerichte verlaging van
het IB-tarief, omdat ook niet-ondernemers daarvan zouden profiteren. Daarnaast
is lastenverlichting voor startende en jonge bedrijven alleen
te realiseren via een zeer specifieke regeling. Zij wijst er in dit verband
op dat de zelfstandigenaftrek te ver is doorgeschoten. Verhoging van het percentage
van de zelfstandigenaftrek heeft alleen zin als er iets af te trekken valt.
Een aantal fiscale regelingen is gericht op stimulering van ondernemerschap,
werkgelegenheid en economie in het algemeen. Het lastige van het meten van
effecten van fiscale regelingen is dat ze nooit los te koppelen zijn van overige
beleidseffecten of overige andere effecten in de economie. Zij heeft daarom
bij de fiscale regelingen in het DOS niet voor een kwantitatieve onderbouwing
gekozen.</al>
      <al>Zij heeft in het najaar van 2001 ingestemd met de voorstellen van de MDW-werkgroep
(marktwerking, deregulering, wetgeving) over de Faillissementswet. Daarbij
is een voorbehoud van nader onderzoek gemaakt bij de afschaffing van de fiscale
voorrechten. Het onderzoek naar de budgettaire en economische consequenties
daarvan wordt op dit moment verricht door het CPB. Zij hoopt dat de resultaten
binnenkort beschikbaar komen. Zij is ervan overtuigd dat afschaffing van de
fiscale voorrechten positief zal werken voor ondernemingen en een aantal faillissementen
zal voorkomen. In geval het CPB tot een positief resultaat komt, moet rekening
worden gehouden met de consequentie dat dit veel belastinggeld zal kosten.
Zij meldt ter toelichting dat alle MDW-maatregelen aanvankelijk een samenhangend
pakket waren. Het aanvullende kabinetsbesluit over de fiscale maatregelen
zal daarom bepalend zijn voor het traject dat daarna gevolgd kan worden. Overigens
heeft dit besluit niet alleen betrekking op de preferente plaatsing maar ook
op het bodemrecht en andere voorrangsposities, zoals die van het Lisv. De
overheid heeft zich over de positie van de banken al eerder uitgesproken.</al>
      <al>Het is niet de taak van de overheid om zich te bemoeien met het feit dat
grote bedrijven slecht betalen aan kleine bedrijven. In dat geval is de NMa
de aangewezen instantie. Overigens betekent dat niet dat zij het door het
MKB gesignaleerde probleem niet serieus neemt. In dit verband speelt de EG-richtlijn
2000/35 van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand
bij handelstransacties een rol. Volgens deze richtlijn is er vanaf 30
dagen na de factuurdatum een wettelijk recht op rentevergoeding van 7% bovenop
de speelruimte van de Europese Centrale Bank verschuldigd. Daarboven is een
volledige vergoeding van alle gemaakte invorderingskosten voorzien. Het betreffende
wetsvoorstel ligt momenteel bij de Tweede Kamer. Zij zal met MKB Nederland
bekijken in hoeverre dit wetsvoorstel soelaas biedt voor het gesignaleerde
probleem. Zij is ervan op de hoogte dat de rijksoverheid bekend staat als
een buitengewoon slechte betaler. Zij zal hier binnen het kabinet aandacht
voor vragen.</al>
      <al>De ministeries werken hard aan de voortgangsrapportage over de verlichting
van de administratieve lasten. Het doel, een reductie van 25% komt steeds
meer binnen bereik.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">staatssecretaris</nadruk> zet uiteen dat er vanuit
de EVD veel wordt gedaan aan de bevordering van de vele kansrijke exportsectoren
in Nederland. Ons land heeft in de zich sterk ontwikkelende sector dance-house-dj's
internationaal veel te bieden. Hierbij zijn grote commerciële belangen
in het geding. EZ ondersteunt deze sector in overleg met organisaties als
Conamus, maar is niet op de hoogte van ieder concreet project. Het ministerie
zal Conamus om uitleg vragen over het dancefeest in de VS en tevens verzoeken
voortaan betrokken te worden bij de selectie van de projecten waar subsidiegeld
mee gemoeid is.</al>
      <al>De Commissie ondernemerschap en onderwijs die onder leiding staat van
prof. Mulder, functioneert nu ongeveer twee jaar. De onlangs gehouden evaluatie
van de activiteiten tot nu toe is zeer positief. Het beschikbare budget wordt
via de tendermethode weggezet, om op die manier projecten bij allerlei onderwijsinstellingen
te stimuleren. De eerste twee tenders hebben veel goede projecten
opgeleverd. Men is momenteel bezig met het voorbereiden van het wegzetten
van de derde en vierde tender en het uitwerken van een strategieplan.</al>
      <al>Het CBIN heeft ondanks het moeilijke jaar 2001 een zeer mooie prestatie
geleverd. Er is veel energie gestoken in de poging om het Global reporting
initiative in Boston, een instelling die is gelinkt aan de Verenigde Naties,
te laten kiezen voor Nederland als vestigingsland. Het GRI heeft vandaag gemeld
dat het heeft besloten om zich in Amsterdam te gaan vestigen. Dit betekent
een verdere versterking van de MVO-structuur (maatschappelijk verantwoord
ondernemen) in Nederland.</al>
      <al>Het MKB laat op het gebied van het benutten van octrooien inderdaad mogelijkheden
liggen. Er is een tijdje geleden opdracht gegeven aan het Bureau intellectuele
eigendom om via voorlichting actief aandacht te besteden aan de octrooimogelijkheden
voor het MKB.</al>
      <al>Er is inderdaad een benchmark van het gemeentelijk ondernemersklimaat
als onderdeel van het grotestedenbeleid gehouden. Dit werkt stimulerend voor
het lokale economische beleid, dat een zwak element vormt in de gemeentepolitiek.
Er loopt momenteel een herhalingsmeting door het bureau Research voor beleid.
De uitkomsten worden voor de zomer aan de Kamer gestuurd.</al>
      <tuskop letat="vet">Nadere gedachtewisseling</tuskop>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Hindriks</nadruk> (PvdA) feliciteert de staatssecretaris
met het binnenhalen van GRI en de successen van het CBIN.</al>
      <al>Hij is het ermee eens dat de overheid moet doorgaan met beleid gericht
op het stimuleren van ondernemerschap. De successen hier behaald zijn vooral
te danken aan de aanpassing van de regelgeving. Er dient echter op het gebied
van de administratieve lasten nog veel te gebeuren om de wetgeving ondernemersvriendelijker
te maken. Hij pleit opnieuw voor een overheidsorgaan met bevoegdheden op het
gebied van de portefeuille administratieve lasten, waarbij een jaarreductie
zou kunnen worden afgesproken met concrete plannen per ministerie. Ook een
aantal fiscale regelingen heeft bijgedragen aan een gunstig ondernemersklimaat.</al>
      <al>De heer Hindriks blijft de uitspraken van de Rekenkamer op het gebied
van de subsidieregelingen serieus nemen. Hij zegt opnieuw dat hij de subsidies
waarvan niet valt aan te tonen dat zij werken, wil afschaffen. Daarmee wordt
ruimte geschapen om lastenverlichting voor ondernemers mogelijk te maken.
Vervolgens kan worden bekeken of het zinvol is om een zeer beperkt aantal
subsidieregelingen in stand te houden. Hij verzoekt de minister om een overzicht
van alle op dit moment lopende subsidieregelingen. Hij zal vervolgens een
voorstel doen over afschaffing van de subsidieregelingen die volgens hem niet
effectief zijn. Hij zal daarbij gebruikmaken van de resultaten van het rapport
van de Rekenkamer.</al>
      <al>Hij is blij met de opmerkingen van de minister over de Faillissementswet.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De heer <nadruk type="vet">Van Walsem</nadruk> (D66) is blij te horen
dat de preferente positie van fiscus en bedrijfsverenigingen bij faillissementen
onderwerp van onderzoek is geworden door het CPB.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mevrouw <nadruk type="vet">Voûte-Droste</nadruk> (VVD) feliciteert
de staatssecretaris met de komst van het GRI. Zij zegt nogmaals dat de VBTB-operatie
er juist op gericht is dat niet-effectieve subsidieregelingen worden afgeschaft.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De <nadruk type="vet">minister</nadruk> vindt het te gemakkelijk om het
rapport van de Rekenkamer als leidraad te nemen bij het bepalen welke subsidies
afgeschaft dienen te worden. Het onderzoek van de Rekenkamer betreft ook subsidies
van een aantal jaren geleden. Er zijn daarna al weer een aantal slagen gemaakt. </al>
      <al>Er dient te worden voortgegaan op de weg van reductie van de administratieve
lasten. Jaartranches per ministerie zijn alleen interessant met betrekking
tot de ministeries van Financiën en Sociale Zaken. Daarnaast is bij het
ministerie van VWS in de komende jaren grote winst te verwachten door de veranderingen
in het systeem. Overigens moeten alle ministeries gedwongen worden via het
internaliseren van het bewustzijn te werken aan een verlichting van de administratie
lasten. Zij is zeer teleurgesteld over de series amendementen van de Tweede
Kamer die de administratieve lastendruk ook in hoge mate opvoeren. Zij zal
de door de Kamer in het laatste half jaar ingediende amendementen eens op
een rij zetten per wet en met de bedragen die ermee gemoeid zijn.</al>
      <ondtek>
        <functie>De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,</functie>
        <naam>Biesheuvel</naam>
        <functie>De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,</functie>
        <naam>Tielens-Tripels </naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Witteveen-Hevinga
(PvdA), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, Rabbae (GroenLinks), Hessing
(VVD), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (ChristenUnie),
M. B. Vos (GroenLinks), Van Walsem (D66), Hofstra (VVD), Wagenaar (PvdA),
Stroeken (CDA), Van den Akker (CDA), Geluk (VVD), Ravestein (D66), Verburg
(CDA), Blok (VVD), Hindriks (PvdA), Dijsselbloem (PvdA), Bolhuis (PvdA) en
Horn (PvdA).</al>
    <al>Plv. leden: Snijder-Hazelhoff (VVD), Atsma (CDA), Molenaar (PvdA), Klein
Molekamp (VVD), Vendrik (GroenLinks), De Swart (VVD), Van den Berg (SGP),
Poppe (SP), Kuijper (PvdA), Van Middelkoop (ChristenUnie), Van der Steenhoven
(GroenLinks), Schimmel (D66), Van Baalen (VVD), Herrebrugh (PvdA), Van der
Hoeven (CDA), De Haan (CDA), Van Beek (VVD), Bakker (D66), Schreijer-Pierik
(CDA), Udo (VVD), Hamer (PvdA), Koenders (PvdA), Schoenmakers (PvdA), Smits
(PvdA) en Wijn (CDA).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>