﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28115-3/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2001-2002</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.6.1__3.2" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST58856</ordernr>
    <vergjaar>2001-2002</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>28 115</nummer>
      <naam>Stimulering midden- en kleinbedrijf en ondernemerschap</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>3</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>22 januari 2002</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hierbij zend ik u, mede namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en de staatssecretarissen van EZ en Financiën, mijn reactie op uw verzoek
van 6 december 2001, over het rapport van de Algemene Rekenkamer <nadruk type="cur">Stimulering midden- en kleinbedrijf en ondernemerschap</nadruk> (kamerstuk
28 115, nrs 1–2). In dit rapport wordt een oordeel gegeven over
de beleidsmaatregelen uit de nota's <nadruk type="cur">Werk Door Ondernemen</nadruk> (hierna nota WDO)(kamerstuk 24 243, nr. 1) en <nadruk type="cur">De Ondernemende Samenleving</nadruk> (hierna nota DOS)(kamerstuk 26 736,
nrs. 1–2), die respectievelijk in 1995 door de ministers van EZ en SZW
en de staatssecretarissen van EZ en Financiën en in 1999 door de staatssecretaris
van EZ aan de Tweede Kamer zijn aangeboden. In de brief die ik op 24 oktober
2001 naar de Algemene Rekenkamer heb gestuurd, heb ik een reactie gegeven
op de aanbevelingen, weergegeven in hoofdstuk 5 en bijlage 1 van het rapport.
In het navolgende zal ik mijn standpunt nader toelichten.</al>
      <tuskop letat="vet">Ondernemerschapsbeleid</tuskop>
      <al>Alvorens in te gaan op de bevindingen uit het rapport wil ik het belang
benadrukken dat ondernemerschap heeft voor de economie. Dat dit zowel nationaal
als internationaal breed wordt onderschreven blijkt uit diverse studies<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref>. Ondernemerschap wordt hierin niet alleen beschouwd als
een essentiële schakel tussen kennis en markt en daarmee als een motor
voor vernieuwing, maar draagt eveneens bij aan individuele ontplooiing en
banencreatie. Het Nederlandse ondernemerschapsbeleid is er in de eerste plaats
op gericht een omgeving te creëren waarin ondernemers optimaal kunnen
opereren. Een onderdeel hiervan wordt gevormd door aandacht te besteden aan
de mentaliteit en de vaardigheden die bij een ondernemende samenleving passen;
onder meer door het hanteren van een zogenaamde«bottom-up-benadering»
worden diverse partijen gefaciliteerd een ondernemende houding aan te nemen.
In internationaal verband wordt met waardering melding gemaakt van deze benadering<voetref refid="v1.2" nr="2"></voetref>. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik acht het logisch en passend dat de Algemene Rekenkamer het beleid op
dit terrein aan een onderzoek onderwerpt. De Algemene Rekenkamer geeft zich
echter naar mijn mening onvoldoende rekenschap van het feit dat het toegenomen
belang gepaard is gegaan met een verschuiving van het beleid dat de overheid
de afgelopen jaren heeft gevoerd, namelijk van klassiek beleid gericht op
het MKB naar het moderne ondernemerschapsbeleid. Terwijl het klassieke MKB-beleid
zich kenmerkte door de beschermende rol van de overheid ten aanzien van de
ondernemer, tot uiting komend in de gehanteerde beleidsmaatregelen, heeft
het ondernemerschapsbeleid geleidelijk een meer generiek karakter gekregen
en richt het zich op het wegnemen van knelpunten en het bevorderen van een
goed ondernemingsklimaat. Het feit dat de Algemene Rekenkamer voorbijgaat
aan deze ontwikkeling leidt tot een aantal onevenwichtigheden in het rapport.</al>
      <tuskop letat="vet">Risico van «stapeling» van beleid</tuskop>
      <al>Zo heeft de Algemene Rekenkamer vastgesteld dat de bewindspersonen van
EZ zich bij de voorbereiding van nieuw ondernemerschapsbeleid niet expliciet
rekenschap hebben gegeven van de resultaten van eerder beleid. Deze constatering
is gebaseerd op het feit dat in de nota DOS uit 1999 niet wordt gerefereerd
aan de nota WDO uit 1995. Dit heeft volgens de Algemene Rekenkamer tot gevolg
dat er een risico bestaat van «stapeling» van beleid. Door het
verkrijgen van inzicht in de omvang en de samenhang van alle beleidsmaatregelen
gericht op stimulering van MKB en ondernemerschap zou een dergelijke «stapeling»
kunnen worden vermeden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals ik in mijn brief aan de Algemene Rekenkamer van 24 oktober 2001
heb aangegeven, bestaan er belangrijke verschillen tussen de nota's WDO en
DOS die samenhangen met de genoemde verschuiving van het beleid. Deze verschillen
betreffen zowel het doel dat met de nota's werd nagestreefd (met WDO het verzilveren
van werkgelegenheidspotenties en met DOS het creëren van een ondernemende
samenleving) als de doelgroepen die met de nota's worden bereikt. De rol die
ten aanzien van de geformuleerde beleidsmaatregelen aan de overheid wordt
toegedicht verschilt eveneens. De reden dat er in de nota DOS niet wordt gerefereerd
aan de nota WDO is dan ook gelegen in het feit dat beide nota's niet logischerwijs
op elkaar aansluiten. Met beleidsinitiatieven waarbij dit wél het geval
is wordt in de nota DOS daarentegen wel een relatie gelegd (de beleidsnota's <nadruk type="cur">De Digitale Delta</nadruk>, <nadruk type="cur">Ruimte voor Industriële
Vernieuwing</nadruk> en <nadruk type="cur">Ruimtelijk Economisch Beleid</nadruk>)<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref>. Naar mijn mening kan dan ook niet worden geconstateerd
dat het kabinet zich in de nota DOS onvoldoende rekenschap heeft gegeven van
de resultaten van eerder beleid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In haar rapport wijst de Algemene Rekenkamer voorts op de noodzaak inzicht
te verkrijgen in de omvang en samenhang van <nadruk type="cur">alle</nadruk>beleidsmaatregelen
gericht op stimulering van MKB en ondernemerschap. Om een aantal redenen zal
een vergelijking van alle regelingen die betrekking hebben op het MKB en ondernemerschap
niet het inzicht teweeg brengen dat door de Algemene Rekenkamer wordt verlangd.</al>
      <al>In de eerste plaats lijkt aan deze aanbeveling de veronderstelling ten
grondslag te liggen dat het MKB een homogeen geheel is.</al>
      <al>Dit is niet het geval: de afgelopen jaren is de diversiteit binnen het
MKB dusdanig toegenomen dat een vergelijking van maatregelen niet de informatie
zal opleveren waaruit een dergelijke samenhang kan worden afgeleid<voetref refid="v2.2" nr="2"></voetref>. Mede daardoor zal ook hier sprake zijn van een grote
diversiteit in doelen, doelgroepen, de rol van de overheid etc., terwijl de
verschuiving in het beleid in dit verband eveneens van grote invloed is. Daarnaast
zou een vergelijking van alle maatregelen een dermate omvangrijk overzicht
opleveren (het aantal ondernemingen dat behoort tot het MKB omvat 99% van het totaal aantal ondernemingen in Nederland en beleidsmaatregelen
worden uitgevaardigd door diverse overheden, afhankelijk van het doel dat
met de maatregelen wordt beoogd) dat betwijfeld moet worden of deze vergelijking
het inzicht verschaft dat door de Algemene Rekenkamer wordt verlangd<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref>. Overigens ben ik mij terdege bewust van de omvang van
het instrumentarium van de overheid. Niet voor niets wordt in hoofdstuk 3
van de nota DOS een aantal initiatieven aangekondigd om de instrumenten te
stroomlijnen en de inzichtelijkheid en de toegankelijkheid van het instrumentarium
te vergroten. In dit verband wijs ik bijvoorbeeld op de recente stroomlijningsoperatie
van EZ-regelingen. Meer informatie over deze initiatieven is te vinden in
de tweede voortgangsrapportage over de Industriebrief<voetref refid="v3.2" nr="2"></voetref>.</al>
      <tuskop letat="vet">Onderbouwing nota DOS</tuskop>
      <al>De Algemene Rekenkamer doet voorts een aantal aanbevelingen met betrekking
tot de onderbouwing van de nagestreefde doelen en instrumenten van bestaand
en nieuw beleid. In mijn brief aan de Algemene Rekenkamer d.d. 24 oktober
2001 ben ik reeds ingegaan op de VBTB-systematiek, in samenhang waarmee in
de toekomst reeds bij de ontwikkeling van beleidsmaatregelen waar mogelijk
aandacht zal worden besteed aan het koppelen van doelen, beoogde effecten
en kosten van beleidsmaatregelen. De EZ-begroting voor het jaar 2002 is voor
het eerst op de nieuwe leest van de VBTB-systematiek geschoeid, waarbij via
groeiparagrafen zichtbaar is gemaakt waar perspectief voor verbetering bestaat.
Voor meer informatie betreffende de opzet van de VBTB verwijs ik naar de kabinetsnota <nadruk type="cur">Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording<voetref refid="v3.3" nr="3"></voetref>.</nadruk> In de opvatting van de Algemene Rekenkamer draagt een kosten/baten
analyse waarin de uitvoeringslasten voor de overheid, de administratieve lasten
voor ondernemers en mogelijk ongewenste neveneffecten worden afgewogen tegen
de verwachte prestaties en effecten van het beleid, bij aan een goede onderbouwing
van beleid. Ofschoon ik een voorstander ben van een effectieve en efficiënte
inzet van beleidsmaatregelen, waaraan een kosten/baten analyse een bijdrage
kan leveren, kan dit instrument minder goed worden toegepast met betrekking
tot het ondernemerschapsbeleid, aangezien zoals hiervoor aangegeven de effecten
van dit beleid moeilijk te kwantificeren zijn. Daar waar aan de batenkant
de posten zich voornamelijk kwalitatief laten aanduiden (in kosten/baten-termen
de zogenaamde «imponderabilia») en niet op bevredigende wijze
in geld zijn uit te drukken, is toepassing van het instrument kosten/baten
analyse minder effectief.</al>
      <tuskop letat="vet">Veronderstelde causaliteit beleidsmaatregelen en effecten</tuskop>
      <al>Het belang dat de Algemene Rekenkamer hecht aan het verwerven van bruikbare
informatie over de resultaten van beleidsmaatregelen en het leggen van een
relatie tussen de beoogde (maatschappelijke) effecten en het gevoerde beleid,
kan ik ten volle onderschrijven. Zoals ik eerder heb opgemerkt wordt in het
kader van de VBTB aandacht besteed aan de verantwoording van maatregelen op
basis van relevante beleidsinformatie. Daarnaast wordt de voortgang van het
ondernemerschapsbeleid zowel kwalitatief als kwantitatief op de voet gevolgd
in de door EZ uitgebrachte <nadruk type="cur">Ondernemerschapsmonitor.</nadruk>In
deze monitor, die vier keer per jaar verschijnt en die voortvloeit uit de
nota DOS, wordt bovendien aandacht besteed aan actuele ontwikkelingen op het
gebied van ondernemerschap, zoals maatschappelijk verantwoord ondernemen en
het belang van aandacht voor ondernemerschap in het onderwijs. Het verschijnen
van de Ondernemerschapsmonitor heeft herhaaldelijk aanleiding gevormd om met
de Tweede Kamer van gedachten te wisselen over (de effecten van) het ondernemerschapsbeleid<voetref refid="v3.4" nr="4"></voetref>. Voorts heeft de staatssecretaris van EZ op 18
december 2001 een voortgangsrapportage van de nota DOS aan de Tweede Kamer
gestuurd, waarin nader wordt ingegaan op de stand van zaken van de in de nota
DOS aangekondigde beleidsmaatregelen<voetref refid="v4.1" nr="1"></voetref>. Aan de
aanbeveling van de Algemene Rekenkamer betreffende het systematisch volgen
van de prestaties en effecten van het beleid wordt mijns inziens dan ook reeds
uitvoering gegeven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit de aard van het ondernemerschapsbeleid volgt dat het lastig is een
directe causale relatie aan te geven tussen de beleidsmaatregelen en de effecten
van het beleid, aangezien dit beleid zoals hiervoor beschreven voor een belangrijk
deel is gericht op het totstandkomen van een verandering in attitude ten opzichte
van ondernemerschap. Daarnaast wordt het effect van het beleid voor een groot
deel beïnvloed door diverse economische ontwikkelingen (zoals bijvoorbeeld
de conjunctuur van de afgelopen jaren). Desalniettemin is er een aantal indicatoren
waaruit kan worden afgeleid dat beleidsmaatregelen wel degelijk een positief
effect hebben op het ondernemerschap in Nederland. In de voortgangsrapportage
van de nota DOS wordt uitgebreid op deze indicatoren ingegaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast geeft de Algemene Rekenkamer een andere invulling op de vraag
wat dient te worden aangemerkt als het doel van de nota DOS. In de in het
rapport van de Algemene Rekenkamer geschetste doelenboom worden flexibiliteit
en vernieuwing, werkgelegenheid, individuele ontplooiing en emancipatie en
integratie benoemd tot <nadruk type="cur">einddoel</nadruk> van het ondernemerschapsbeleid,
terwijl de bijdrage van ondernemerschap aan maatschappelijke vragen en knelpunten
wordt beschouwd als een gewenst neveneffect. Dit brengt de Algemene Rekenkamer
onder meer tot de constatering dat het kabinet alternatieve maatregelen om
deze einddoelen te bereiken niet heeft afgewogen tegen het middel ondernemerschap.
Met deze toetsing gaat de Algemene Rekenkamer echter voorbij aan het doel
dat het kabinet met de nota DOS heeft nagestreefd: «een ondernemende
samenleving door het wegnemen van belemmeringen en het scheppen van meer kansen
voor ondernemerschap is de doelstelling van het kabinetsbeleid»<voetref refid="v4.2" nr="2"></voetref>. De in het bovenstaande genoemde maatschappelijke ontwikkelingen
die een positief neveneffect vormen van ondernemerschap zijn in de nota enkel
genoemd om het belang van ondernemerschap voor de maatschappij aan te geven.
Zij vormen echter geen einddoel op grond waarvan zal moeten worden vastgesteld
of de in de nota DOS aangekondigde beleidsmaatregelen effectief zijn gebleken,
zoals in het rapport wordt verondersteld. De onderbouwing van de constatering
dat het door het ontbreken van een adequate onderbouwing van de doelen onzeker
is of in de toekomst kan worden vastgesteld in welke mate het beleid heeft
bijgedragen tot de gewenste maatschappelijke effecten, schiet dan ook tekort.</al>
      <tuskop letat="vet">Nota Werk door Ondernemen</tuskop>
      <al>De conclusie van de Algemene Rekenkamer dat er nog maar weinig bekend
is over de resultaten van de maatregelen uit de nota WDO wordt onvoldoende
gerechtvaardigd door de uitkomsten van het onderzoek<voetref refid="v4.3" nr="3"></voetref>. Zoals in dit onderzoek werd vastgesteld zijn slechts twee van de
voorgenomen maatregelen uit de nota om plausibele redenen niet uitgevoerd.
Bovendien heeft er van de maatregelen, voor zover hierin bij de totstandkoming
van de maatregelen uit de nota WDO is voorzien, een evaluatie plaatsgevonden.
Aan de aanbeveling die de Algemene Rekenkamer aan deze conclusie verbindt,
namelijk om een relatie te leggen tussen de waargenomen maatschappelijke effecten
en het ingezette beleid, geeft EZ reeds uitvoering, zoals hiervoor uiteengezet.
Overigens kan uit het enkele feit dat de beleidsmaatregelen niet voldoen aan
álle door de Algemene Rekenkamer gestelde criteria (bijlage 5 van het
rapport) mijns inziens niet worden afgeleid dat het onduidelijk
is of het beleid heeft bijgedragen aan de doelstelling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals ik in mijn brief van 24 oktober 2001 heb aangegeven beschouw ik
de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer betreffende de onderbouwing van
doelen en beleidsmaatregelen als zeer waardevol. Voor zover mogelijk zal ik
deze maatregelen ter harte nemen. Wel betreur ik het dat de Algemene Rekenkamer
in haar onderzoek voorbij gaat aan het specifieke karakter van het ondernemerschapsbeleid.
Het feit dat dit beleid zich niet laat vangen in een <nadruk type="cur">kwantitatieve</nadruk> modelbenadering rechtvaardigt mijns inziens niet de conclusie dat
het beleid <nadruk type="cur">kwalitatief</nadruk> slecht wordt beoordeeld.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Economische Zaken,</functie>
        <naam>A. Jorritsma-Lebbink</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>Bijv. OESO (2000), Science, Technology and Industry Outlook, Drivers of
growth: information technology, innovation and entrepreneurship, Parijs</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.2" nr="2">
    <al>Bijv. Stevenson, L., Lundstrom, A. (2001), Patterns and trends in Entrepreneurship/SME
Policy and practice in ten economies, Stockholm</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>EZ (1999), De Digitale Delta, Den Haag / EZ (1999), Ruimte voor industriële
vernieuwing, Agenda voor het industrie- en dienstenbeleid, Den Haag / EZ (1999),
Ruimtelijk Economisch Beleid, Den Haag</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v2.2" nr="2">
    <al>EZ (2001), Ondernemerschapsmonitor voorjaar, Den Haag</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>EIM (2000), Kleinschalig ondernemen 2000, Zoetermeer</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v3.2" nr="2">
    <al>EZ (2001), Tweede voortgangsrapportage over de Industriebrief, Den Haag</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v3.3" nr="3">
    <al>Deze nota is op 27 mei 2001 door het kabinet aan de Staten-Generaal aangeboden</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v3.4" nr="4">
    <al>Zie bijv. TK 2000–2001, 27 400 XIII</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.1" nr="1">
    <al>EZ (2001), Voortgangsrapportage De Ondernemende Samenleving, Den Haag</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.2" nr="2">
    <al>EZ (1999), De Ondernemende Samenleving, Den Haag, pp. 8 en 19</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.3" nr="3">
    <al>In het onderzoek wordt bovendien voorbijgegaan aan de positieve ontvangst
van de nota door de directe belanghebbenden.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>