﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28000-VI-41/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2001-2002</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.6__3.1" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST58116</ordernr>
    <vergjaar>2001-2002</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>28 000 VI</nummer>
      <naam>Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van
het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2002</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>41</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>10 december 2001</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij brief van 22 mei 2001, nr. 5096784/01/PJS zond ik u het rapport «Tussen
recht en ruimte, een eerste evaluatie van de tbs-wetgeving van 1997»
van onderzoekers E. Leuw en N. Mertens toe (WODC, januari 2001).
Ik gaf toen aan u in het najaar nader te berichten omtrent de uitvoering van
de aanbevelingen die in dit rapport worden gegeven. Bij deze voldoe ik aan
deze toezegging. Bij dezelfde brief werd u het rapport Evaluatie Penitentiaire
beginselenwet en Penitentiaire maatregel van het onderzoeksinstituut ITS te
Nijmegen aangeboden. Een reactie op dat rapport zal ik u voor het einde van
dit jaar afzonderlijk toesturen.</al>
      <tuskop letat="vet">1. Algemeen</tuskop>
      <al>In het algemeen kan gesproken worden van een gedegen onderzoek waarin
veel informatie beschikbaar is gekomen over de uitvoering van de wetgeving
die in 1997 op het terrein van de tbs in werking is getreden. Het gaat dan
om de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (verder: Bvt) en
om de wet (van 25 juni 1997) tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht
en het Wetboek van Strafvordering omtrent de terbeschikkingstelling en de
sanctietoepassing van geestelijk gestoorde delinquenten (hierna de wet «Fokkens»
genoemd). Met name ten aanzien van de Bvt en de daaraan gerelateerde lagere
regelgeving wordt een uitgebreid overzicht gegeven van de uitvoering daarvan
in de verschillende tbs-inrichtingen, voor zover de nieuwe regelgeving wijziging
heeft aangebracht. Voor zowel de inrichtingen als bijvoorbeeld de commissies
van toezicht kan het rapport een waardevolle bron van informatie zijn.</al>
      <al>De evaluatie van de Bvt is zeer grondig aangepakt; die van de wet «Fokkens»
is beperkter van opzet. In dat kader kan worden opgemerkt dat alleen de Bvt
in een evaluatiebepaling voorziet. De aspecten van de wet «Fokkens»
die zijn onderzocht zijn betrokken naar aanleiding van daartoe strekkende
vragen vanuit het parlement. Overigens is gebleken dat over de toepassing
van deze laatste wet maar beperkte informatie aanwezig is en de beschikbare
informatie voor een beleidsevaluatie moeilijk toegankelijk is. Op zich is
dat al een belangrijk aandachtspunt. Het rapport van de departementale
werkgroep Intensief reclasseringstoezicht biedt bruikbaar materiaal over de
werking van de voorwaardelijke modaliteiten van de tbs, zodat ook die resultaten
in het vervolgtraject betrokken kunnen worden.<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref></al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het algemeen kan geconcludeerd worden dat de doelen van de wetswijzigingen
behaald zijn. De tbs met voorwaarden wordt meer toegepast dan de oude tbs
met aanwijzingen. Er vinden voorts nagenoeg geen contraire beëindigingen
van de tbs meer plaats. De Bvt en de daaraan gerelateerde regelgeving is werkbaar
voor de praktijk, terwijl de bescherming van de rechtspositie van de ter beschikking
gestelde is versterkt.</al>
      <al>Alhoewel de regelgeving bij de uitvoeringsinstanties bekend is, vloeit
uit het evaluatieonderzoek voort dat er aandacht moet zijn voor verdere voorlichting
over deze regelgeving aan de tbs-inrichtingen en hun partners (zoals reclassering,
commissies van toezicht en openbaar ministerie). Dit kan primair geschieden
door overleg met en tussen die partners en via opleidingen.</al>
      <al>Voorts zal aandacht worden gegeven aan de nadere invulling van de regelgeving
op punten waar dit nodig is. Te denken valt aan de mogelijkheden voor drang-
en dwangmedicatie en het beheer van het eigen geld van verpleegden.</al>
      <al>Verschillende aanbevelingen resulteren in wijziging van de regelgeving
op verschillende niveaus. Hiertoe zullen de nodige werkzaamheden worden aangevangen.
Hieronder wordt op een aantal specifieke onderwerpen van de evaluatie nader
ingegaan.</al>
      <tuskop letat="vet">2. Wet Fokkens</tuskop>
      <tuskop letat="cur">a. Tbs met voorwaarden</tuskop>
      <al>De onderzoekers stellen vast dat het aantal malen dat een tbs met voorwaarden
is opgelegd is toegenomen ten opzichte van de oude tbs met aanwijzingen. In
zoverre heeft de wet het beoogde doel bereikt. Ten aanzien van het functioneren
van de uitvoering van de tbs met voorwaarden worden door de onderzoekers nog
geen duidelijke conclusies getrokken. Door de betrokken uitvoeringsinstanties,
te weten de Dienst Justitiële Inrichtingen en de Stichting Reclassering
Nederland, zijn knelpunten in de uitvoering ervaren. Deze zijn in de werkgroep
Intensief reclasseringstoezicht onlangs geïnventariseerd en van aanbevelingen
voorzien, zoals ik in paragraaf 1 van deze brief reeds aangaf. Deze aanbevelingen
zullen, voorzover zij betrekking hebben op de wet- en regelgeving, worden
meegenomen bij de wijzigingen in de regelgeving die uit de hier besproken
evaluatie van het WODC voortvloeien. Er zal geïnvesteerd moeten worden
in samenwerking en afspraken tussen de verschillende betrokken instanties.
Overigens is de Aanwijzing TBS met voorwaarden van het College van procureurs-generaal
(van 19 september 2000, Stcrt. 2000, 236) een belangrijke stap in dit proces.</al>
      <tuskop letat="cur">b. Voorwaardelijke beëindiging</tuskop>
      <al>Ten aanzien van deze nieuwe vorm van beëindiging van de tbs wordt
door de onderzoekers eveneens geconcludeerd dat de wettelijke regeling het
beoogde effect heeft gehad. Het aantal malen dat de rechter tegen het advies
van de tbs-inrichting de tbs beëindigde (de zgn. contraire beëindigingen)
is aanzienlijk afgenomen. Zoals hiervoor is aangegeven bij de tbs met voorwaarden,
speelt ook bij de voorwaardelijke beëindiging een aantal knelpunten in
de uitvoering, waarnaar genoemde werkgroep onderzoek heeft verricht en tot
aanbevelingen komt. Aangezien de uitvoering van de tbs met voorwaarden en
de voorwaardelijke beëindiging grote gelijkenis vertonen
zullen de verbeteringen op dezelfde terreinen gezocht moeten worden.</al>
      <al>Ten aanzien van de gewenste maximumduur van de voorwaardelijke beëindiging
is u bekend dat inmiddels een wetsvoorstel is voorbereid waarbij de huidige
mamixum duur van 3 jaar wordt verdubbeld tot 6 jaar. Dit wetsvoorstel zal
naar verwachting nog voor het einde van dit jaar aan de Tweede Kamer worden
aangeboden. In dat kader zal ik nader ingaan op de overwegingen bij dit voorstel.</al>
      <tuskop letat="vet">3. Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden</tuskop>
      <tuskop letat="cur">a. Onderscheid verpleging en behandeling</tuskop>
      <al>Een strikt onderscheid tussen verpleging en behandeling is, zoals de onderzoekers
stellen, moeilijk aan te geven doch van belang voor een goede rechtspositie
van de ter beschikking gestelden. De Bvt heeft de rechtspositie van de ter
beschikking gestelden op een aantal terreinen versterkt en heeft in zoverre
zijn doel bereikt. De versterking van de rechtspositie ten aanzien van de
behandeling is nog voor verbetering vatbaar. In de rapporten van de Inspectie
voor de gezondheidszorg van februari 2001<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref> over
het functioneren van de verschillende tbs-inrichtingen, wordt ook opgemerkt
dat verbetering kan worden geboekt ten aanzien van het daadwerkelijk opstellen
van behandelplannen, de bespreking daarvan met de verpleegde en de periodieke
evaluatie. In eerste instantie zal de inspanning hierop gericht zijn. Ik zal
in dat kader bezien op welke wijze kan worden bevorderd dat behandelplannen
daadwerkelijk worden uitgevoerd. In de Bvt zal een regeling worden opgenomen
voor plaatsing in een verblijfsvoorziening.</al>
      <al>Ten aanzien van de drang- en dwangmedicatie en de invulling van het gevaarscriterium
zal ik in samenspraak met de tbs-inrichtingen bezien of nadere protocollen
moeten en kunnen worden ontwikkeld.</al>
      <al>Het voorstel van de onderzoekers om het instituut van de disciplinaire
straf af te schaffen, acht ik prematuur. De evaluatieperiode is daarvoor te
kort. Samen met de tbs-inrichtingen zal nader worden bezien op welke gronden
deze modaliteit niet wordt toegepast.</al>
      <tuskop letat="cur">b. Passantenproblematiek</tuskop>
      <al>Ik deel de conclusie van de onderzoekers dat de situatie met betrekking
tot ter beschikking gestelden die als passant in het gevangeniswezen verblijven
in afwachting van plaatsing in een tbs-inrichting, nog steeds onbevredigend
is. Pre-klinische interventie, waarbij in het huis van bewaring wordt gestart
met de voorbereiding op het verblijf in een tbs-inrichting (door informatieverschaffing,
diagnostiek en het motiveren tot een behandeling), hetgeen de verblijfsduur
in een tbs-inrichting kan bekorten, dient dan ook onverkort gerealiseerd te
worden.</al>
      <al>Het beleid van de Dienst Justitiële Inrichtingen is er op gericht
het aantal passanten te doen laten verminderen. Dit is echter in hoge mate
afhankelijk van de mate waarin de formele capaciteit ook werkelijk benut kan
worden. Door met name personeelstekorten blijft de bruikbare capaciteit tot
op heden achter bij de formele capaciteit. Het beleid zal er dan ook op gericht
zijn deze personeelsproblemen waar mogelijk voortvarend aan te pakken. Ik
verwijs in dit verband naar de nota «Investeren in personele zorg DJI»
welke u bij brief van 5 november jl. (kamerstukken II 2000/01, 24 587,
nr. 71) is toegezonden.</al>
      <al>In 2002 zullen de aanbevelingen van de werkgroep Pre-klinische interventie
(van maart 2001) op landelijke basis worden geïmplementeerd. De mate
waarin de interventies de intramurale behandelduur beïnvloeden, en daarmee
de passantenproblematiek doet verminderen, zijn vooralsnog erg onzeker; deze
zijn immers pas op middellange termijn te bepalen. Hiertoe zal
wetenschappelijk onderzoek worden gestart. Naast de pre-klinische interventie
zal de intramurale behandelduur ook worden verkort door beleid dat erop gericht
is de door- en uitstroom van ter beschikking gestelden uit de tbs-sector te
doen verbeteren. Effecten van dit beleid op de intramurale behandelduur worden
vanaf 2003 verwacht.</al>
      <tuskop letat="cur">c. Commissies van toezicht</tuskop>
      <al>De onderzoekers bevelen aan dat de werkwijzen van de diverse commissies
van toezicht meer geüniformeerd zou moeten worden. Ik zal in ieder geval
alle commissies voorzien van het evaluatierapport alsmede het standpunt van
de regering daarop. Zoals hiervoor al aangeven, biedt het onderzoek een schat
aan informatie. Dat kan op zichzelf reeds bijdragen aan nadere uniformering.
Met de commissie zal worden overlegd of en op welke wijze zij ondersteuning
wensen. Aangezien de commissies onafhankelijk zijn, ligt het niet voor de
hand om beleidslijnen voor te schrijven. De commissies zijn overigens verplicht
een jaarverslag aan mij uit te brengen (artikel 16 Reglement verpleging ter
beschikking gestelden). Indien daartoe aanleiding bestaat zouden eisen kunnen
worden gesteld aan dit jaarverslag.</al>
      <al>De door de onderzoekers geconstateerde toename van het aantal klachten
van verpleegden zie ik tevens als een uiting van de met de Bvt beoogde versterking
van de rechtspositie. De aanbeveling om de schorsingsbevoegdheid te verplaatsen
van de voorzitter van de beroepscommissie naar de voorzitter van de beklagcommissie
is een punt dat breder bezien moet worden. Het klachtrecht in de Bvt is, m.n.
qua procedure, in verregaande mate afgestemd op de Penitentiaire beginselenwet
en de recent in werking getreden Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.</al>
      <tuskop letat="cur">d. Opname van Bopz-patiënten in tbs-inrichtingen</tuskop>
      <al>Uit de evaluatie blijkt een behoefte om in voorkomende gevallen personen
met een rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bijzonder opnemingen in
psychiatrische ziekenhuizen op te kunnen nemen in een tbs-inrichting. Al eerder
waren soortgelijke geluiden vanuit het veld van de forensische psychiatrie
vernomen. Ik ben dan ook voornemens om dit wettelijk te regelen. Een dergelijke
overplaatsing dient met voldoende waarborgen te zijn omkleed en zal alleen
kunnen plaatsvinden in situaties waarin de algemene psychiatrie geen adequate
opvang voor betrokkene kan realiseren. Met de wijziging van de terzake relevante
regelgeving zal een aanvang worden gemaakt.</al>
      <tuskop letat="vet">4. Planning</tuskop>
      <al>Ten slotte geef ik u hier informatie over de planning van het verdere
traject.</al>
      <al>Naast de evaluatie van de tbs-wetgeving zijn er verschillende andere ontwikkelingen
op tbs-gebied gaande die aanleiding zullen of kunnen vormen voor wetswijziging.
Ik noem het rapport van de Commissie Kosto alsmede de rapporten die in het
kader van het verbetertraject TBS zijn verschenen. Terzake van deze rapporten
zal u op korte termijn worden geïnformeerd over het standpunt daarop.
Eerst zal een reactie op het rapport van de Commissie Kosto volgen; een reactie
in het kader van het verbetertraject volgt daarna. Zo mogelijk zullen de wijzigingen
die uit deze trajecten voortvloeien zoveel mogelijk in één wetsvoorstel
gebundeld worden. Nader zal worden bezien in hoeverre wijzigingen van meer
technische aard kunnen worden vervat in een afzonderlijk wetsvoorstel. Een
dergelijk wetsvoorstel zou begin volgend jaar in concept gereed kunnen zijn
en worden voorgelegd aan de gebruikelijke adviesinstanties. Een meer inhoudelijk
georiënteerd wetsvoorstel zal vanzelfsprekend meer voorbereidingstijd
vergen en zal naar verwachting eerst in de loop van 2002 in concept gereed
kunnen zijn.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Justitie,</functie>
        <naam>A. H. Korthals</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>Over de resultaten van deze werkgroep informeerde ik u bij brief van 21
augustus 2001, kamerstukken II 2000/01, 27 834, nr. 4, paragraaf 3.3.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>Aan de Tweede Kamer toegezonden bij brief van 26 februari 2001, kamerstukken
II 2000/01, 24 587, nr. 61.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>