Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201027859 nr. 32

27 859
Modernisering Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA)

nr. 32
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 januari 2010

Op 2 juli 2009 heb ik over het actieplan kwaliteit GBA overleg gevoerd met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Kamerstuk 27 859, nr. 27). Tijdens het overleg heb ik toegezegd de Kamer te informeren over de voortgang van de maatregelen. In deze voortgangsrapportage rapporteer ik over de invoering van de GBA als basisregistratie, buitengewoon opsporingsambtenaren en de uitkomsten van het onderzoek naar de «opleiding ambtenaar burgerzaken». Over de voortgang van het programma modernisering GBA zal ik uw Kamer separaat informeren.

Invoering GBA als basisregistratie

Bij brief van 10 november 2009 (Kamerstuk 27 859, nr. 28) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek door mijn ministerie, in casu het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR), naar de invoering van de GBA als basisregistratie bij gemeenten en overige afnemers. De invoering van de GBA als basisregistratie betekent dat gemeenten en overige overheidsgebruikers daar waar zij persoonsgegevens gebruiken, verplicht de gegevens uit de GBA moeten gebruiken. Daarbij zijn ze verplicht bij gerede twijfel aan de juistheid van een persoonsgegeven, dit terug te melden aan de basisregistratie. In mijn brief van november jl. heb ik op basis van de uitkomsten van het onderzoek een drietal versnellingsmaatregelen genoemd. Eén van deze maatregelen was een gerichte benadering van gemeenten en afnemers door adviseurs. Deze adviseurs zijn het gesprek met gemeenten en afnemers aangegaan.

Ter afsluiting van deze versnellingsmaatregel hebben de adviseurs een stand van zaken opgemaakt van elke gemeente en afnemer per december 2009. Belangrijkste conclusie uit het onderzoek is dat ruim 65% van de gemeenten klaar of bijna klaar is met de invoering van de GBA als basisregistratie. Bijna 300 gemeenten geven aan dat zij op of net na 1 januari 2010 persoonsgegevens uit het GBA gebruiken en terugmelden ingeval van gerede twijfel aan de juistheid van het gegeven. Wanneer deze cijfers worden vertaald naar het aantal burgers dat profiteert dan blijkt het te gaan om bijna 12 miljoen inwoners van Nederland. Van de overige GBA-gebruikers (niet gemeenten) geeft 54% aan klaar of bijna klaar te zijn met de invoering.

Naar aanleiding van de inspanningen van mijn ministerie en de betrokken partijen, NVVB en VNG zijn er vorderingen gemaakt. Het onderzoek maar ook de aandacht vanuit de verschillende partijen, in de vorm van het bestuurlijke GBA-congres op 17 december jl. en een ledenbrief vanuit de VNG leidde ertoe, dat vrijwel elke gemeente en afnemer bezig is met de invoering van de GBA als basisregistratie. In het kader van het congres van 17 december 2009 kan ik u melden dat ik GBA-afnemers, de colleges van B&W als de gemeenteraden heb aangeschreven. Alle aandacht voor een betrouwbare GBA is relevant, omdat voor het bereiken van betere dienstverlening aan burgers, de invoering van de GBA als basisregistratie een noodzakelijke voorwaarde is. Immers, juist door dit verplichte gebruik, overheidsbreed, van de GBA als basisregistratie, hoeven burgers nog maar eenmaal hun gegevens aan te leveren. Het systeem van terugmelding en het continu onderzoeken van persoonsgegevens die afwijken of waaraan getwijfeld wordt in alle processen en aan alle balies, zorgt ervoor dat duidelijk wordt of de gegevens inderdaad wel juist zijn en overeenstemmen met de feitelijke situatie. Na een terugmelding kan de bronhouder – in casu de afdeling burgerzaken van een gemeente – onderzoek verrichten en, indien nodig, de persoonsgegevens (ambtshalve) wijzigen. Dit proces draagt, zoals gezegd, in de komende tijd bij aan de gewenste kwaliteitsverbetering.

Zoals gezegd hebben veel gemeenten en afnemers de GBA als basisregistratie ingevoerd of staan op het punt deze in te voeren. Ten aanzien van de achterblijvers zal ik in 2010 ondersteuning en voorlichting blijven bieden. De aanpak van de achterblijvers zal in de komende periode wel een meer individueel karakter krijgen. Deze aanpak is mogelijk omdat ik van elke gemeente en afnemer inzicht heb gekregen in de actuele stand van zaken. Dit inzicht is er op basis van kennis uit de ondersteuning zoals deze in de afgelopen tweeënhalf jaar is geboden door het agentschap BPR, maar ook door de inzichten uit de versnellingsmaatregel van de adviseurs. Succesvolle voorbeelden in de regio worden gekoppeld aan gemeenten en afnemers die nog niet zover zijn. Op voorlichtingsbijeenkomsten, bijvoorbeeld e-awarenessbijeenkomsten voor bestuurders, zal het onderwerp blijvend geagendeerd worden, zodat de aandacht voor het nieuwe werken steeds onder de aandacht van die bestuurders blijft.

Een andere belangrijke consequentie van de GBA als basisregistratie is dat burgers niet meer mag worden gevraagd om gegevens die al bekend zijn, uiteraard behalve in geval van twijfel over de juistheid van dat gegeven. Dit legt ook een extra druk op gemeenten en uiteraard alle andere afnemers van de GBA om zich aan de wettelijke verplichting te houden. In de communicatiecampagne voor de burger – die ik in overleg met de VNG en de NVVB voorbereid – zal ik bezien op welke wijze dit aspect vorm kan krijgen. De communicatiecampagne staat, zoals bekend, gepland voor komend najaar.

Huiscontroles en Buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s)

In het AO van 2 juli jl. heb ik u de toezegging gedaan te onderzoeken of een GBA-ambtenaar die huiscontroles uitvoert de BOA-status moet worden verleend (ambtenaar als Buitengewoon Opsporingsambtenaar). Dit in verband met de mogelijkheid van een BOA-ambtenaar om tegen de wil van een bewoner een woning te betreden.

De conclusie van het onderzoek is dat het niet nodig is de GBA-ambtenaar van een BOA-status te voorzien. Uit overleggen met gemeenten blijkt dat het tegen de wil van de bewoner betreden van een woning in de praktijk niet aan de orde is. In de meeste gevallen geeft de bewoner toestemming voor binnentreden of zijn er BOA-ambtenaren van andere diensten (Sociale Dienst bijvoorbeeld) die wel kunnen binnentreden en op die wijze signalen kunnen doorgeven aan de GBA-ambtenaar. Op basis van die signalen of op basis van eigen onderzoek kan een GBA-ambtenaar dan overgaan tot het ambtshalve aanpassen van de GBA aan de feitelijke situatie. Deze wijze van samenwerken tussen gemeentelijke afdelingen en afnemers en vervolgens terugmelden door afdelingen of afnemers bij gerede twijfel is de kern van de invoering van de GBA als basisregistratie. Het tegen de wil kunnen binnentreden is een te zwaar middel gezien het feit dat het om een zeer klein aantal gevallen gaat en op meer proportionele wijze gekomen kan worden tot een correcte bijhouding van de GBA. Daarnaast is van belang dat het niet nodig is om de GBA-ambtenaar tot BOA te maken om een bestuurlijke boete op te kunnen leggen. De bestuurlijke boete wordt ingezet voor een betere handhaving van de wettelijke verplichtingen van burgers om tijdig melding te maken van wijzigingen in hun situatie die van belang zijn voor de bijhouding van hun gegevens. De bestaande strafbedreiging op het niet voldoen aan die wettelijke verplichtingen blijkt in de praktische uitvoering te omslachtig en daarmee minder goed hanteerbaar. Om die reden wordt voorgesteld de bestuurlijke boete in te voeren als eenvoudiger handhavinginstrument. Die boete kan worden opgelegd door het college van B&W of namens het college door daartoe gemandateerde ambtenaren.

Opleiding Ambtenaar burgerzaken

Voor de kwaliteit van de gegevens is ook van belang dat de ambtenaar burgerzaken voldoende kwalificaties bezit. Immers, hoe beter de ambtenaar burgerzaken is opgeleid, hoe beter dat is voor de kwaliteit van de GBA. Afgelopen jaar heeft de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB) onderzoek gedaan naar mogelijkheden om de kwaliteit van de GBA te verhogen door aanpassingen in (het proces van) de opleidingen van de ambtenaren burgerzaken. De NVVB heeft enkele aanbevelingen gedaan.

Ten eerste wijst de NVVB erop dat voortdurende bijscholing deel zal moeten uitmaken van het personeelsbeleid bij Burgerzaken en/of Publiekszaken. Hiertoe zijn voldoende passende opleidingen noodzakelijk, bij voorkeur ook specifiek gericht op ambtenaren burgerzaken. Op dit moment is het echter onoverzichtelijk welke opleidingen er beschikbaar zijn op het terrein van de GBA, Burgerzaken en Publiekszaken. De NVVB stelt in dit kader voor een overzichtelijk aanbod te presenteren. Dit biedt leidinggevenden en medewerkers van gemeenten de mogelijkheid meer eenduidige en effectieve leer- en ontwikkelplannen te volgen.

Ten tweede zijn door de NVVB de opleidingsbehoeften onderzocht. Gebleken is dat er verschil in opleidingsbehoefte bestaat tussen gemeenten. Bepaalde gemeenten hebben vooral behoefte aan opfriscursussen. Andere gemeenten hebben meer behoefte aan groepscompetentie trainingen. In het algemeen blijkt er behoefte aan een systeem met deelcertificaten en aparte modules, praktijkgerichte modules, een permanent Educatie systeem en competentie en vaardigheidstrainingen. Ten derde is gebleken dat certificering de kwaliteit verhoogt, omdat het voor iedere gemeente en voor de betrokken medewerkers een duidelijk kader schept, waarbij het niveau van kennis en vaardigheden wordt geborgd. Een certificaat biedt de medewerker meer kansen en mogelijkheden op het gebied van loopbaan(ontwikkeling). Voor loopbaanstappen en opleidingsmogelijkheden worden competenties gevraagd die gecertificeerde medewerkers aantoonbaar dienen te bezitten.

Ten slotte adviseert de NVVB om het systeem van permanente educatie een verplichtend karakter te geven en daarvoor een wettelijke basis te scheppen.

Ik heb kennis genomen van deze aanbeveling van de NVVB, maar alvorens hierover te besluiten, wil ik nader onderzoek doen naar de implicaties van de door de NVVB voorgestelde wettelijke verplichting. Ik verwacht de uitkomsten van dit onderzoek in de volgende voortgangsrapportage aan uw Kamer te kunnen aanbieden. In de komende periode zal ik samen met NVVB starten met de uitwerking van de eerste drie aanbevelingen.

Tot slot wil ik afsluiten met het volgende. Een betrouwbare GBA is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van tal van betrokken actoren. Ik noem de burger, de colleges van B&W, GBA-gebruikers, de staatssecretaris van BZK en het CBP. De uiteindelijke kwaliteit van de GBA staat of valt onder andere met het aanreiken van de juiste gegevens door de burger zelf, de continue aandacht van bestuursorganen (gemeenten en overige gebruikers) om volgens de principes van de basisregistratie te (blijven) werken, medewerkers aan de balies van burgerzaken, kwaliteitscontroles en moderne voorzieningen. De GBA als ondersteunende registratie van persoonsgegevens staat niet op zichzelf, maar bewijst zijn waarde in de uitvoering van publieke taken of de aanpak van maatschappelijke vraagstukken. Dat betekent wel dat elke bestuurder zicht moet hebben op de taken die hij uitvoert of de doelstellingen die hij wil bereiken. In de uitvoering daarvan blijkt de GBA in de regel een noodzakelijke randvoorwaarde. Een goede dienstverlening aan burgers en bedrijven kan namelijk niet zonder een betrouwbare GBA, maar een betrouwbare GBA betekent niet, althans niet per definitie dat een overheidsinstantie ook dienstverlenend is richting deze burgers en bedrijven.

Een volgende voortgangsrapportage zal ik uw Kamer over zes maanden aanbieden. Dit conform mijn toezegging in het Algemeen Overleg van 2 juli 2009 om uw Kamer halfjaarlijks te rapporteren. In deze volgende rapportage zal ik ingaan op de uitwerking van het nieuwe evaluatie-instrumentarium, de wijze waarop in dat kader de kwaliteit wordt gemeten en bekend wordt gemaakt en de wijze waarop huiscontroles hier onderdeel van uitmaken.

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten