﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27858-K/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kamerstuk>
    <kamerstukkop>
      <tekstregel inhoud="vergaderjaar">Vergaderjaar 2025-2026</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kameraanduiding">Eerste Kamer der Staten-Generaal</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="kamernummer">1</tekstregel>
      <tekstregel inhoud="documenttype">Kamerstukken</tekstregel>
    </kamerstukkop>
    <dossier>
      <dossiernummer>
        <dossiernr>27 858</dossiernr>
      </dossiernummer>
      <titel>Gewasbeschermingsbeleid</titel>
    </dossier>
    <stuk>
      <stuknr>
        <ondernummer kamer="1">K</ondernummer>
      </stuknr>
      <titel>VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG</titel>
      <datumtekst>Vastgesteld <datum isodatum="2026-05-13">13 mei 2026</datum></datumtekst>
      <algemeen>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit<noot id="ID-1247688-d40e74" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Samenstelling:</noot.al><noot.al>Van Aelst-Den Uijl (SP), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Knapen (BBB), Van der Linden (VVD), Van Meenen (D66), Nicolaï (PvdD), Oplaat (BBB) (voorzitter), Perin-Gopie (Volt), Rietkerk (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Straus (VVD), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)</noot.al></noot> heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de <nadruk type="vet">uitkomsten en vervolgstappen van de evaluatie Wet gewasbescherming en biociden (Wgb)</nadruk>. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>De uitgaande brief van 17 maart 2026.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>•</li.nr>
                <al>De antwoordbrief van 12 mei 2026.</al>
              </li>
            </lijst>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,</functie>
            <naam>
              <achternaam>Wolf</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
      <algemeen>
        <kop kopopmaak="vet">
          <titel>BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT</titel>
        </kop>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur</al>
            <al>Den Haag, 17 maart 2026</al>
            <al>De leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de voormalige Minister van LVVN en Staatssecretaris van I&amp;W, van 28 januari 2026<noot id="ID-1247688-d40e120" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken I</nadruk> 2025/26, <extref doc="kst-27858-J" soort="document" status="actief">27 858, J</extref>.</noot.al></noot> over de uitkomsten en vervolgstappen van de evaluatie Wet gewasbescherming en biociden (hierna: Wgb). De leden van de fracties van <nadruk type="vet">GroenLinks-PvdA, BBB, SP, PvdD</nadruk> en <nadruk type="vet">Fractie-Visseren-Hamakers</nadruk> hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen en opmerkingen. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, SP en Fractie-Visseren-Hamakers hebben hun vragen en opmerkingen gezamenlijk geformuleerd.</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, SP en Fractie-Visseren-Hamakers gezamenlijk</tussenkop>
            <al>De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, SP en Fractie-Visseren-Hamakers hebben een aantal vragen naar aanleiding van de evaluatie van de Wgb. Zij plaatsen deze vragen tegen de achtergrond van de ernstige problemen met de waterkwaliteit in Nederland, evenals de toenemende maatschappelijke weerstand tegen milieuvervuiling door landbouwgif. Bovendien blijkt dat bij een derde van de controles overtredingen worden geconstateerd – zelfs wanneer deze controles vooraf zijn aangekondigd. Dit alles wijst op wetgeving die faalt in doelbereik en uitvoering.</al>
            <al>Als de overheid er niet in slaagt om een betere balans te vinden tussen het algemeen belang, zoals gezondheid, schoon drinkwater en bescherming van de natuur en economische belangen van individuele bedrijven in het agrarisch industrieel complex, zullen lokale gemeenschappen meer en meer onder druk komen te staan. Deze leden stellen dat de vergunningverlening in Nederland na 2027 dan grotendeels tot stilstand komt.</al>
            <al>De evaluatie beschrijft dat oplossingen voor tekortkomingen van de Wgb veelal buiten de Wgb zelf gevonden moet worden.<noot id="ID-1247688-d40e149" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 4, 58.</noot.al></noot> Kunt u beschrijven hoe u de coördinatie voor realisatie van deze oplossingen wilt vormgeven? Kunt u aangeven welke aanbevelingen u wilt overnemen en welke termijnen voor realisatie u daarbij hanteert?</al>
            <al-groep>
              <al>Deelt u de opvatting van deze leden dat de doelen van de Kaderrichtlijn Water (hierna: KRW) voor 2027 juridisch bindend zijn en dat Nederland gehouden is tot tijdige realisatie daarvan? Hoe verhoudt de constatering dat Nederland niet op koers ligt zich tot deze verplichting?<noot id="ID-1247688-d40e164" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, hoofdstuk 7.3.</noot.al></noot> In hoeverre acht u de Wgb zelf toereikend om bij te dragen aan het behalen van de KRW-doelen?</al>
              <al>Hoe wordt bij toelating en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden het voorzorgsbeginsel toegepast indien structurele normoverschrijdingen in oppervlaktewater worden gemeten? Worden bij de beoordeling van middelen cumulatieve effecten en stapeling van stoffen voldoende betrokken en hoe wordt dit juridisch geborgd binnen de Wgb-systematiek?</al>
            </al-groep>
            <al>Acht u de huidige handhavingscapaciteit en sanctioneringsmogelijkheden toereikend om vervuild water effectief te beperken? In de evaluatie staat een overzicht van sectoren en controlekans.<noot id="ID-1247688-d40e181" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 17.</noot.al></noot> Waarop baseert u dat één procent controlekans bij land- en tuinbouwbedrijven voldoende is om tot effectieve naleving in de sector te komen? Temeer daar metingen van de waterkwaliteit enorme overschrijdingen laten zien. Zowel in gebruik van verboden middelen als in het gebruik van te veel middelen of middelen op momenten dat het gebruik niet toegestaan is. Dezelfde vraag over distribiteurs van particuliere verkoop, waarbij het controlepercentage blijft hangen op drie procent terwijl bekend is dat verboden middelen tot op de dag van vandaag gewoon in tuincentra te koop zijn.</al>
            <al>Kunt u onderbouwen waarom de huidige handhavingscapaciteit en sanctioneringmogelijkheden toereikend zijn met gegevens over overtredingen en handhavingsresultaten?</al>
            <al>Kunt u aangeven hoeveel (bestuurlijke) boetes zijn uitgedeeld in relatie tot het schenden van de zorgplicht?<noot id="ID-1247688-d40e200" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, hoofdstuk 4.3.2.</noot.al></noot> Kunt u aangeven hoeveel bestuurlijke boetes uiteindelijk in 2024 en 2025 zijn uitgedeeld en hoe hoog die waren?</al>
            <al>Kunt u verklaren hoe het kan dat de waterschappen meer capaciteit willen hebben om sanctionerend op te treden? Naar eigen zeggen omdat ze te lang op de NVWA moeten wachten die door «capaciteitsproblemen» te langzaam over kan gaan tot actie?<noot id="ID-1247688-d40e215" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 16.</noot.al></noot> Welke acties heeft u bij de NVWA uitstaan om dit probleem op te lossen? Wat zegt de NVWA zelf over de uitvoerbaarheid van de NVWA? Vindt zijzelf dat zij voldoende middelen heeft?</al>
            <al>Wanneer kunnen deze leden verwachten dat aanbeveling 1 is afgerond?<noot id="ID-1247688-d40e230" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 4.</noot.al></noot> Welke concrete meetpalen en meetpunten zijn hiervoor door u geformuleerd? Kunnen deze leden geïnformeerd worden over de doelen van verbeterde samenwerking? Zijn ook die meetbaar geformuleerd? En hoe hangen die samen met de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen, die eerder een kritisch rapport heeft geschreven over de capaciteit en kennis die instellingen betreffende vergunningverlening, toezicht en handhaving (hierna; VTH) hebben om het algemeen belang te kunnen beschermen.<noot id="ID-1247688-d40e242" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Adviescommissie Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (commissie-Van Aartsen), <nadruk type="cur">Om de leefomgeving. Omgevingsdiensten als gangmaker voor het bestuur</nadruk>, Den Haag: Rijksoverheid 2021.</noot.al></noot></al>
            <al>In de evaluatie wordt duidelijk dat er op vele vlakken geworsteld wordt met complexiteit. Kunt u aangeven welke mogelijkheden er zijn om complexiteit bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te verminderen op een wijze waardoor zowel de verduurzaming van de landbouw als het verminderen van de complexiteit gediend zijn. Dit zodat verduurzaming aantrekkelijker wordt, omdat het ook minder naleving van regels vereist?</al>
            <al>Gaat u de Europese Commissie om advies vragen over het reclameverbod op verboden middelen? Gaat u ook verkoop van verboden middelen zelf strenger aanpakken? Zo ja, hoe?</al>
            <al>De evaluatie beschrijft hoe de NVWA in 15 onderzoeken naar gebruik van reclame voor verboden middelen de bewijslast niet rond kreeg.<noot id="ID-1247688-d40e263" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 23.</noot.al></noot> Allereerst is het aantal laag omdat het arbeidsintensief is om onderzoek te doen naar het reclameverbod en vervolgens omdat het ingewikkeld is om de bewijslast onder de huidige regelgeving sluitend rond te krijgen, aldus deze leden. Zoals op zoveel plekken, is de online markt echter een groeiende markt. Wat gaat u zelf doen om de verkoop van illegale middelen via onlinekanalen aan banden te leggen? Gaat u de verbodsbepaling zoals door de NVWA voorgesteld, introduceren? Gaat u daarbij de bewijslast, dat het om verkoop van toegelaten middelen gaat, inderdaad verleggen van de NVWA naar de onderneming die de middelen aanprijst? Dit zou immers de menskracht bij de NVWA efficiënter inzetten en tevens de verantwoordelijkheid daar leggen waar hij moet: bij het bedrijf dat middelen op de Nederlandse markt brengt.</al>
            <al>Er wordt beschreven dat het handhaven van het reclameverbod veel menskracht vergt.<noot id="ID-1247688-d40e278" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 25.</noot.al></noot> Hebben de NVWA en ACM (en andere relevante instanties) voldoende middelen om deze regelgeving te handhaven? In aanbeveling vier wordt daarom aanbevolen onderzoek te doen naar de handhaving en hoe dat te verbeteren.<noot id="ID-1247688-d40e290" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 6.</noot.al></noot> Kunt u aangeven hoe u invullinggeeft aan deze aanbeveling? Kunt u tevens aangeven hoe het staat met de opvolging van de verschillende aanbevelingen van de commissie Van Aartsen?<noot id="ID-1247688-d40e302" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Adviescommissie Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (commissieVan Aartsen), <nadruk type="cur">Om de leefomgeving. Omgevingsdiensten als gangmaker voor het bestuur</nadruk>, Den Haag: Rijksoverheid 2021.</noot.al></noot></al>
            <al>
              <nadruk type="cur">«Er zijn aanwijzingen dat de bestuurlijke boete – in combinatie met de lage controlekans (zie hoofdstuk 3) – in beperkte mate bijdraagt aan het bevorderen van naleving van de Wgb.»</nadruk>
              <noot id="ID-1247688-d40e317" type="voet">
                <noot.nr>14</noot.nr>
                <noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 38.</noot.al>
              </noot> Tegelijkertijd wordt bepleit de bestuurlijke boetebedragen te verlagen door ze te harmoniseren met andere bestuurlijke boetes. Bent u het met deze leden eens dat de naleving nog slechter kan worden wanneer de lage pakkans gecombineerd wordt met nog lagere boetebedragen omdat de afschrikwekkende werking nog verder afneemt? Kunt u dan nog wel de doelen van de KRW en de Grondwet, waarin staat dat de zorg van de overheid is gericht op de bescherming van het leefmilieu, naleven? Zo niet, is dit dan een verstandige route?</al>
            <al>Wat gaat u doen met het idee om boetes afhankelijk te maken van bedrijfsgrootte? Dit voorstel zou het probleem oplossen dat bepaalde boetes te laag zijn om voor grotere landbouwbedrijven afschrikwekkend te werken.</al>
            <al>Bent u het met deze leden eens dat de capaciteit van de NVWA geen belemmering kan zijn voor het ontwikkelen van een effectieve boetestructuur? Dat dan de capaciteit van de NVWA uitgebreid moet worden?</al>
            <al>In de evaluatie wordt gesteld dat er verschillende suggesties zijn gedaan voor het algemeen verbindend verklaren van voorschriften. Kan u deze noemen en motiveren waarom hiervan afgezien is?<noot id="ID-1247688-d40e339" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 6.</noot.al></noot></al>
            <al-groep>
              <al>De gewasbeschermingsmonitor en de digitalisering daarvan gebeurt in eigen beheer door de sector.</al>
              <al>Waarom is daarvoor gekozen? Waarom vindt u dit geen overheidstaak?</al>
            </al-groep>
            <al>Welke (vorm-)technische eisen heeft u aan de digitale monitor geëist zodat deze ook ingezet kan worden in het kader van doelsturing en efficiënte controle op de Wgb? Waarin zijn deze eisen vastgelegd?</al>
            <al>Welke inhoudelijk eisen stelt u aan het inzetten van de monitor? Met andere worden: op welke wijze wilt u het instrument progressief inzetten om de sector naar meer duurzaam middelengebruik te brengen? Deze lezen vragen dit omdat in het laatste onderzoek van het PBL (2019) hiernaar, slechts 50% van de bedrijven inzette op andere instrumenten dan middelengebruik.<noot id="ID-1247688-d40e361" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>PBL, Geïntegreerde gewasbescherming nader beschouwd. Tussenevaluatie van de nota «Gezonde Groei, Duurzame Oogst», Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving 2019.</noot.al></noot> Daar is dus nog geen sprake van duurzaam middelengebruik terwijl dat wel verplicht is, aldus deze leden.</al>
            <al>Welke waarborgen zijn door u geëist zodat het gebruik van de monitor daadwerkelijk bijdraagt aan versnelde toepassing van duurzame landbouwpraktijk?</al>
            <al>Hoe wordt daarin geborgd dat het tempo van digitalisering en de openbare toegankelijkheid van de informatie, dat immers belangrijk is voor milieu informatie voor burgers en omwonenden, van voldoende niveau is dat het algemeen belang hiermee gediend kan worden?</al>
            <al>Wat heeft u gedaan met de aanbeveling gedaan om periodiek delen van gebruiksgegevens verplicht te stellen?<noot id="ID-1247688-d40e380" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 6.</noot.al></noot></al>
            <al>Bent u bereid om aanbeveling zes integraal over te nemen en de Eerste Kamer te informeren over een concreet tijdpad, inclusief wet- en beleidstrajecten, waarmee: 1) het gebruik van chemisch-synthetische gewasbeschermingsmiddelen aantoonbaar wordt verminderd, 2) alternatieve, niet-chemische methoden juridisch steviger worden verankerd, 3) toelatingsbesluiten systematisch worden getoetst aan KRW-normen; 4) en een verbod op chemisch-synthetische middelen in beschermde gebieden wordt gerealiseerd? Zo nee, waarom niet?</al>
            <al-groep>
              <al>Tot slot, deze leden lezen op meerdere punten opvallende formuleringen in het rapport, zoals over het vraagstuk of er meer in wet- en regelgeving gevangen moet worden<nadruk type="cur">: «Het Ministerie van LVVN merkt op dat een uitwerking in regels of normen voor geïntegreerde gewasbescherming afbreuk kan doen aan de keuzevrijheid en het vakmanschap van de teler.».</nadruk><noot id="ID-1247688-d40e399" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 21.</noot.al></noot></al>
              <al>Dat roept bij deze leden de vraag op òf, en in hoeverre, het ministerie inhoudelijk heeft meegeschreven aan het rapport van Kwink, en zo ja, op welke wijze dat gebeurd is. Kunt u aangeven welke tekstonderdelen het ministerie aan Kwink gevraagd heeft aan te passen en deze suggesties met ons delen?</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB</tussenkop>
            <al>De fractieleden van de BBB stellen dat de onderzoekers geen algeheel oordeel formuleren over de doeltreffendheid van de Wgb, terwijl in de brief wordt geconcludeerd dat de wet voldoende doeltreffend is en geen aanpassing behoeft. Kunt u toelichten hoe u van deze beperkte evaluatie-opzet toch tot zo’n vergaande conclusie komt, specifiek bezien vanuit de positie van agrarische ondernemers in de praktijk?</al>
            <al>De evaluatie beschrijft dat de verdeling van toezichtgebieden over meerdere toezichthouders (NVWA, ILT, waterschappen, Arbeidsinspectie, IGJ, SodM) leidt tot een complex samenspel en onduidelijkheid voor de sector over wie waarvoor verantwoordelijk is. Kunt u concreet aangeven welke nadelige gevolgen dit momenteel heeft voor boeren (zoals dubbele controles, tegenstrijdige aanwijzingen of extra administratieve lasten) en binnen welke termijn de aangekondigde samenwerkingsafspraken dit merkbaar moeten verminderen?</al>
            <al>U stelt dat inspectiediensten «inmiddels duidelijke afspraken» hebben gemaakt over samenwerking en afbakening van toezichtsgebieden, die op korte termijn in werking treden.<noot id="ID-1247688-d40e424" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken I</nadruk> 2025/26, <extref doc="kst-27858-J" soort="document" status="actief">27 858, J</extref>, p. 2.</noot.al></noot> Kunt u deze afspraken (of een overzicht hiervan) met de Eerste Kamer delen en daarbij ook ingaan op de vraag of wordt toegewerkt naar één herkenbaar aanspreekpunt voor agrarische ondernemers?</al>
            <al>In de evaluatie wordt geïllustreerd dat de NVWA risicogericht toezicht houdt en dat de gerapporteerde nalevingscijfers daarom niet representatief zijn voor álle bedrijven, terwijl de NVWA de cijfers wel «zorgwekkend» noemt en de sector de lage naleving eveneens als probleem ziet.<noot id="ID-1247688-d40e438" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 12.</noot.al></noot> Erkent u dat deze combinatie van risicogericht toezicht en selectieve rapportage het beeld kan versterken dat «de sector» slecht presteert, terwijl veel boeren zich wel aan de regels houden, en is zij bereid voortaan altijd de invloed van de toezichtstrategie expliciet mee te rapporteren?</al>
            <al>Zowel in de evaluatie als in de brief staat dat telers de wet- en regelgeving complex vinden, dat gebrek aan kennis en laag risicobesef een rol spelen en dat de gepercipieerde pakkans laag is, wat leidt tot lage naleving. Kunt u kwantificeren in hoeveel van de overtredingen in de afgelopen jaren sprake was van bewuste calculatie versus onbewuste fouten als gevolg van ingewikkelde of onduidelijke voorschriften?</al>
            <al>De bestuurlijke boete draagt volgens de evaluatie, mede door de lage controlekans, beperkt bij aan de naleving van de Wgb en er zijn signalen dat met name grotere ondernemingen het boeterisico incalculeren, terwijl de standaardboetes voor kleine bedrijven al fors kunnen zijn.<noot id="ID-1247688-d40e456" type="voet"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 17.</noot.al></noot> Waarom kiest u er niet voor om gericht te differentiëren naar bedrijfsgrootte (bijvoorbeeld via een omzetcomponent), zodat familiebedrijven en grondgebonden boeren niet onevenredig zwaar worden geraakt en grote ketenpartijen wél een afschrikkende prikkel ervaren?</al>
            <al>De onderzoekers bevelen aan om de boetemaxima in de Wgb te verlagen naar de corresponderende strafrechtelijke boetemaxima, in lijn met het advies van de Raad van State, en stellen dat dit in de praktijk geen gevolgen heeft omdat de huidige boetes al lager liggen.<noot id="ID-1247688-d40e472" type="voet"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 32, 40.</noot.al></noot> U zegt deze aanbeveling te willen overnemen, maar pas bij een volgende «grote wetswijziging». Waarom wordt een door zowel Raad van State als onderzoekers wenselijk geachte verbetering van rechtsbescherming niet eerder en separaat aan de Tweede en Eerste Kamer voorgelegd?</al>
            <al>In de evaluatie wordt erop gewezen dat een overtreding van de Wgb naast een bestuurlijke boete ook kan leiden tot korting op EU-subsidies, wat door bedrijven als zeer ingrijpend wordt ervaren, terwijl de NVWA bij de boetehoogte geen rekening houdt met deze cumulatie van sancties.<noot id="ID-1247688-d40e487" type="voet"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 37.</noot.al></noot> Acht u deze stapeling proportioneel voor agrarische ondernemers, en bent u bereid in beleid vast te leggen dat bij het bepalen van de boetehoogte rekening wordt gehouden met al opgelegde of te verwachten subsidiekortingen?</al>
            <al>De evaluatie benadrukt dat geïntegreerde gewasbescherming (IPM) belangrijk is voor verduurzaming, maar dat de toepassing door telers beperkt is; wetgeving wordt niet geschikt geacht voor gedetailleerde IPM-voorschriften, en wordt verwezen naar een gewasbeschermingsmonitor en een sectoraal benchmarkingsysteem.<noot id="ID-1247688-d40e502" type="voet"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 4, 51.</noot.al></noot> Hoe waarborgt u dat deze instrumenten niet verzanden in extra administratie voor boeren, maar daadwerkelijk leiden tot praktische, economisch haalbare alternatieven die in Nederlandse teeltsystemen werken?</al>
            <al>Nederland ligt volgens de stukken niet op koers om de KRW-doelen voor 2027 te halen, mede door gewasbeschermingsmiddelen en biociden in oppervlakte- en grondwater.<noot id="ID-1247688-d40e517" type="voet"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>KWINK groep, <nadruk type="cur">Eindrapport Evaluatie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden</nadruk>, Den Haag: KWINK groep 2025, p. 7.</noot.al></noot> Er wordt gewerkt aan een Ctgb-methodiek om toelatingen in overeenstemming te brengen met KRW-normen, inclusief mogelijke herbeoordeling en intrekking bij structurele normoverschrijdingen. De Ctgb-methodiek is de wetenschappelijke beoordelingssystematiek van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: Cgtb). Welke waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat cruciale middelen worden ingetrokken zonder dat bewezen werkzame, betaalbare en in de praktijk beschikbare alternatieven voor boeren aanwezig zijn?</al>
            <al>U geeft aan dat de Wgb zich vooral leent voor generieke, landelijke maatregelen en dat gebiedsgerichte aanpakken vooral via de Omgevingswet moeten worden vormgegeven, mede in het kader van de KRW-impuls.<noot id="ID-1247688-d40e532" type="voet"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken I</nadruk> 2025/26, <extref doc="kst-27858-J" soort="document" status="actief">27 858, J</extref>, p. 4.</noot.al></noot> Hoe wordt gewaarborgd dat gebiedsgerichte maatregelen onder de Omgevingswet: a) aansluiten op de feitelijke lokale water- en bodemsituatie; b) in nauwe samenwerking met boeren tot stand komen; c) niet leiden tot een stapeling van generieke én gebiedsspecifieke verplichtingen voor dezelfde agrarische ondernemer, waardoor de uitvoerbaarheid in het geding komt?</al>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD</tussenkop>
            <al>De fractieleden van de PvdD vragen waarom in de evaluatie van de Wgb niet onderzocht is of het voorzorgsbeginsel daadwerkelijk wordt toegepast bij de toelating en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Bent u bereid dit alsnog te laten doen?</al>
            <al>Kunt u toelichten in hoeverre de huidige uitvoering van de Wgb daadwerkelijk bijdraagt aan het terugdringen van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen, mede in het licht van de doelen uit de EU Farm to Fork-strategie om het pesticidengebruik en -risico in 2030 met 50% te verminderen?</al>
            <al>Deelt u de zorg dat de toelating van gewasbeschermingsmiddelen, onder meer uitgevoerd door het Cgtb, onvoldoende rekening houdt met cumulatieve effecten op biodiversiteit, zoals bijen, andere insecten en bodemleven? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om deze effecten structureel mee te nemen in de beoordeling?</al>
            <al>Hoe beoordeelt u de constatering dat omwonenden van landbouwgebieden nog steeds gezondheidsrisico’s lopen door blootstelling aan bestrijdingsmiddelen? Bent u bereid om in het kader van de Wgb strengere regels te onderzoeken, zoals ruimere spuitvrije zones rond woningen, scholen en natuurgebieden?</al>
            <al>Het Cgtb heeft het omstreden middel Tracer eind december 2025 goedgekeurd voor gebruik door kersentelers bij het bestrijden van de suzuki-fruitvlieg. Dit middel is schadelijk voor bijen en vlinders en spoelt uit in het grondwater. Heeft u inmiddels andere, niet-schadelijke middelen ter beschikking voor kersentelers waarmee zij schade door de suzuki-fruitvlieg kunnen voorkomen (zoals de larven van sluipwespen)? Zo ja, per wanneer kunnen die worden ingezet? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting. Is de NVWA voornemens om kersentelers nogmaals te wijzen op het correcte gebruik van Tracer?</al>
            <al>Voor de evaluatie zijn onder andere gesprekken gevoerd met de waterschappen, departementen, vertegenwoordigers van de bloembollensector en fruittelers en LTO. Waarom is er niet voor gekozen om ook te spreken met gezondheidsexperts, natuur- en milieuorganisaties en dierenbeschermers. Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.</al>
            <al>De leden van de vaste commissie voor LNV zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 14 april 2026.</al>
            <al>Een afschrift van deze brief is gezonden aan de Staatssecretaris van I&amp;W.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>Voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,</functie>
            <naam>
              <voornaam>G.J.</voornaam>
              <achternaam>Oplaat</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
      <algemeen>
        <kop kopopmaak="vet">
          <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR</titel>
        </kop>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal</al>
            <al>Den Haag, 12 mei 2026</al>
            <al>Hierbij geef ik antwoord op de vragen gesteld door de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) over de uitkomsten en vervolgstappen van de evaluatie van de Wet gewasbescherming en biociden (Wgb), op 17 maart 2026 (Kenmerk 180231).</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,</functie>
            <naam>
              <voornaam>S.P.A.</voornaam>
              <achternaam>Erkens</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </algemeen>
      <algemeen>
        <kop kopopmaak="vet">
          <titel>Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, SP en Fractie Visseren-Hamakers gezamenlijk</titel>
        </kop>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al-groep>
              <al>Vraag 1:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De evaluatie beschrijft dat oplossingen voor tekortkomingen van de Wgb veelal buiten de Wgb zelf gevonden moeten worden. Kun u beschrijven hoe u de coördinatie voor realisatie van deze oplossingen wilt vormgeven? Kun u aangeven welke aanbevelingen u wilt overnemen en welke termijnen voor realisatie u daarbij hanteert?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Laat ik vooropstellen dat ik veel belang hecht aan een zorgvuldig en restrictief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Ik neem dan ook vrijwel alle aanbevelingen uit de evaluatie over. Alleen aanbeveling 5 over het verlagen van de hoogte van de bestuurlijk boetes neem ik niet onverkort over, omdat het doel in de praktijk al wordt bereikt. Het concreet doorvoeren van deze aanbevelingen vraagt inzet en commitment van zowel private als publieke partijen. Zoals ook in het coalitieakkoord aangegeven, zullen er nationale bindende convenanten worden afgesloten met verschillende sectoren, teneinde het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen substantieel te reduceren. Ik zal de aanbevelingen zoveel mogelijk meenemen in het convenant traject. Het is mijn ambitie om deze zomer een convenant op hoofdlijnen te kunnen presenteren. De aangescherpte afspraken voor samenwerking tussen de verschillende toezichthouders zijn echter dit voorjaar al in werking getreden<noot id="ID-1247688-d40e612" type="voet"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.ilent.nl/documenten/stoffen-en-producten/biociden/publicaties/samenwerkingsafspraken-inspectiediensten-voor-toezicht-en-handhaving-gewasbeschermingsmiddelen--en-biocidenregelgeving" soort="URL" status="actief">Samenwerkingsafspraken inspectiediensten voor toezicht op en handhaving van de gewasbeschermingsmiddelen- en biocidenregelgeving | Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)</extref></noot.al></noot>.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 2:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Deelt u de opvatting van deze leden dat de doelen van de Kaderrichtlijn Water (hierna: KRW) voor 2027 juridisch bindend zijn en dat Nederland gehouden is tot tijdige realisatie daarvan? Hoe verhoudt de constatering dat Nederland niet op koers ligt zich tot deze verplichting? In hoeverre acht u de Wgb zelf toereikend om bij te dragen aan het behalen van de KRW-doelen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>De doelen voor de Kaderrichtlijn Water in 2027 zijn juridisch bindend. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) is systeemverantwoordelijk hiervoor en werkt vanuit het impulsprogramma KRW in samenwerking met alle andere betrokken overheden aan doelbereik in 2027. Op dit moment voldoet 83% van alle indicatoren (meer dan 100.000 in 745 KRW-waterlichamen). Daarnaast wordt gewerkt aan de onderbouwing van uitzonderingen voor doelen die niet worden gehaald.</al>
              <al>Specifiek voor gewasbeschermingsmiddelen gaat het daarbij om 11 stoffen waarvoor de normen voor de KRW niet worden behaald. KRW-normen zijn deels Europees vastgesteld en worden deels in Nederland verder ingevuld. Deze normen kunnen strenger zijn dan de zogenoemde toelatingsnormen voor gewasbeschermingsmiddelen. Vorige kabinetten zijn een traject gestart om – samen met IenW – te werken aan het voorkomen van overschrijdingen van de KRW-normen door gewasbeschermingsmiddelen. Zo wordt er gezamenlijk gewerkt aan een beoordelingsmethodiek voor middelen met stoffen die structurele overschrijdingen van KRW-normen vertonen, om de toelating van deze middelen af te stemmen op de KRW. Op deze wijze wordt het Ctgb in staat gesteld om tot een herbeoordeling over te gaan. Deze methodiek zal naar verwachting begin 2027 in gebruik worden genomen.</al>
              <al>Overigens worden er door allerlei partijen inspanningen geleverd om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en emissies terug te dringen, zoals in het kader van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030. Ook de af te sluiten convenanten moeten leiden tot een substantiële reductie van het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen. Daarbij moeten we voor de komende planperiode 2028–2033 tot een inzet komen die bindend is richting nul overschrijdingen van de waterkwaliteitsnorm en het voorkomen van nieuwe overschrijdingen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 3:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Hoe wordt bij toelating en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden het voorzorgsbeginsel toegepast indien structurele normoverschrijdingen in oppervlaktewater worden gemeten? Worden bij de beoordeling van middelen cumulatieve effecten en stapeling van stoffen voldoende betrokken en hoe wordt dit juridisch geborgd binnen de Wgb-systematiek?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>De Tweede Kamer is op 11 november 2024 geïnformeerd (Kamerstuk <extref doc="kst-27858-676" soort="document" status="actief">27 858, nr. 676</extref>) over de juridische borging van het voorzorgsbeginsel binnen de toelatingssystematiek van gewasbeschermingsmiddelen en haar werkzame stoffen. Het voorzorgsbeginsel is in de Europese Verordening gewasbeschermingsmiddelen (Verordening (EG) 1107/2009) door de wetgever ingevuld, waarbij stoffen eerst op Europees niveau beoordeeld en mogelijk goedgekeurd worden volgens een Europees vastgesteld toetsingskader, en vervolgens de gewasbeschermingsmiddelen gebaseerd op deze stoffen nationaal beoordeeld en mogelijk toegelaten worden voor specifiek gebruik. Alleen dan kunnen middelen worden toegepast, conform het wettelijk gebruiksvoorschrift. Indien niet is aangetoond dat deze middelen aan de toelatingseisen voor mens, dier en milieu voldoen, mogen deze niet op de markt komen en niet worden toegepast. Wanneer er na toelating toch sprake is van structurele normoverschrijdingen van een werkzame stof in oppervlaktewater, kan het Ctgb waar noodzakelijk op basis van monitoringsgegevens ingrijpen in bestaande toelatingen. Hierbij wordt ook rekening gehouden met stapeling van middelen op basis van dezelfde werkzame stoffen. Voor wat betreft cumulatieve effecten van verschillende stoffen in oppervlaktewater zijn de methodieken nog in ontwikkeling. Beoordelingsmethodieken en modellen worden voortdurend aangepast aan de laatste stand van de wetenschap, en Nederland draagt (bijvoorbeeld via het RIVM) actief bij aan onderzoek hiernaar. De Wgb borgt deze systematiek, het toetsingskader is echter Europees en de Lidstaten en de Europese Commissie zijn hier samen met de autoriteiten EFSA (Europese autoriteit voor voedselveiligheid) en EChA (Europees agentschap voor chemische stoffen) voor verantwoordelijk.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 4:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Acht u de huidige handhavingscapaciteit en sanctioneringsmogelijkheden toereikend om vervuild water effectief te beperken? In de evaluatie staat een overzicht van sectoren en controlekans. Waarop baseert u dat één procent controlekans bij land- en tuinbouwbedrijven voldoende is om tot effectieve naleving in de sector te komen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Het genoemde percentage voor de controlekans zegt iets over de kans dat een toezichthouder op het bedrijf komt, niet iets over de mate waarin bedrijven de wet- en regelgeving naleven. De enge focus op toezicht (repressief en aan het einde van de keten) gaat voorbij aan het feit dat veel andere factoren een rol spelen bij naleving. Voorbeelden hiervan zijn robuuste wet- en regelgeving en training en opleiding (preventief), die een teler in staat stellen om de regels te volgen. De teler is primair verantwoordelijk voor het goed naleven van de regels.</al>
              <al>Toezicht op waterkwaliteit ligt primair bij de waterschappen. De NVWA ziet toe op het juiste gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, wat tevens bijdraagt aan het beschermen van water. NVWA houdt hierbij risicogericht toezicht. Zoals eerder gesteld is een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de verschillende toezichthouders inzake de uitvoering van de Wgb en het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving). Samenwerking met andere toezichthouders kan de gepercipieerde pakkans verhogen. Daarnaast onderzoek ik de mogelijkheden om het sanctie instrumentarium te versterken, om zo effectiever op te kunnen treden tegen overtreders.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 5:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Dezelfde vraag over distribiteurs van particuliere verkoop, waarbij het controlepercentage blijft hangen op drie procent terwijl bekend is dat verboden middelen tot op de dag van vandaag gewoon in tuincentra te koop zijn.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Voor particulier gebruik worden alleen middelen toegelaten waarvoor geen persoonlijke beschermingsmaatregelen nodig zijn. Het betreft een (veel) beperkter pakket aan beschikbare middelen dan voor gebruik in de landbouw en kleinere verpakkingen voor toepassing op een oppervlakte van ten hoogste 500m2. De risico’s zijn daarmee anders. De NVWA voert risicogericht inspecties uit bij tuincentra, maar het toezicht van de NVWA wordt met name ingezet op illegale handel via online platforms. Illegale middelen worden vooral bij online platforms aangetroffen. De NVWA heeft afspraken gemaakt met o.a. Marktplaats en Facebook over het verwijderen van advertenties om de onlinehandel in illegale middelen aan particulieren tegen te gaan.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 6:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Kunt u onderbouwen waarom de huidige handhavingscapaciteit en sanctioneringmogelijkheden toereikend zijn met gegevens over overtredingen en handhavingsresultaten?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Er zijn reeds verschillende acties in gang gezet om de naleving verder te verhogen, zoals ook uiteengezet in de brief naar aanleiding van de evaluatie van de Wgb (Kamerstuk <extref doc="kst-35756-29" soort="document" status="actief">35 756, nr. 29</extref>). Het doel is o.a. het vergroten van het risicobesef en het vergroten van de gepercipieerde pakkans. De NVWA zet hier al meerdere instrumenten voor in, zoals samenwerking met andere toezichthouders, stakeholdergesprekken met sectorpartijen en NGO’s, en handhavingscommunicatie.</al>
              <al>Op dit moment wordt er ook gekeken naar de hoogte van de bestuurlijke boetes die in de Regeling gewasbescherming en biociden (Rgb) gesteld worden. Dit naar aanleiding van de toezegging die voormalig Minister Wiersma gedaan heeft, aangaande het uitsluiten van telers voor eventuele volgende vrijstellingen wegens het niet naleven van toepassingsvoorschriften, zoals gemeld aan de Tweede Kamer in februari 2026 (Kamerstuk <extref doc="kst-27858-741" soort="document" status="actief">27 858, nr. 741</extref>).</al>
              <al>Onderzocht wordt hoe het sanctioneringsinstrumentarium verder kan worden geoptimaliseerd. Dit zal ook een belangrijk onderwerp zijn in de besprekingen over de convenanten, conform het principe «high trust high punishment». Met alleen het vergroten van de handhavingscapaciteit wordt de naleving niet verhoogd. De gehele keten moet hieraan bijdragen, naast diverse overheidspartijen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 7:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Kunt u aangeven hoeveel (bestuurlijke) boetes zijn uitgedeeld in relatie tot het schenden van de zorgplicht?</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Kunt u aangeven hoeveel bestuurlijke boetes uiteindelijk in 2024 en 2025 zijn uitgedeeld en hoe hoog die waren?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Gedurende de periode 2022–2025 zijn 29 bestuurlijke boetes opgelegd wegens overtreding van de zorgplicht, als bedoeld in artikel 2a van de Wgb. Deze boetes zijn opgelegd door zowel waterschappen als door de NVWA.</al>
              <al>In 2024 en 2025 zijn in totaal 273 bestuurlijke boetes opgelegd. Het betreft 57 rapporten opgesteld door de waterschappen en 216 rapporten van de NVWA.</al>
              <al>De opgelegde boetes liepen uiteen van € 113,– tot € 5.737,–.</al>
              <al>Met de NVWA worden de mogelijkheden bekeken voor verhoging van de boetes, o.a. voor bewuste overtredingen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 8:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Kunt u verklaren hoe het kan dat de waterschappen meer capaciteit willen hebben om sanctionerend op te treden? Naar eigen zeggen omdat ze te lang op de NVWA moeten wachten die door «capaciteitsproblemen» te langzaam over kan gaan tot actie? Welke acties heeft u bij de NVWA uitstaan om dit probleem op te lossen? Wat zegt de NVWA zelf over de uitvoerbaarheid van de NVWA? Vindt zijzelf dat zij voldoende middelen heeft?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>In 2025 is er een tijdelijke vermindering van capaciteit geweest bij de NVWA en een toename aan boetevragen vanuit de NVWA-inspectie (niet de waterschappen). Dit heeft tot vertraging in de afhandeling van overtredingen geleid. Inmiddels is de capaciteit bij NVWA uitgebreid door opleiding en inhuur van extra capaciteit.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 9:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Wanneer kunnen deze leden verwachten dat aanbeveling 1 is afgerond? Welke concrete meetpalen en meetpunten zijn hiervoor door u geformuleerd? Kunnen deze leden geïnformeerd worden over de doelen van verbeterde samenwerking? Zijn ook die meetbaar geformuleerd? En hoe hangen die samen met de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen, die eerder een kritisch rapport heeft geschreven over de capaciteit en kennis die instellingen betreffende vergunningverlening, toezicht en handhaving (hierna; VTH) hebben om het algemeen belang te kunnen beschermen.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>De samenwerkingsafspraken inclusief de verantwoordelijkheidsverdeling zoals benoemd in aanbeveling 1 zijn inmiddels ondertekend door de diverse toezichthouders en gepubliceerd<noot id="ID-1247688-d40e726" type="voet"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.ilent.nl/documenten/stoffen-en-producten/biociden/publicaties/samenwerkingsafspraken-inspectiediensten-voor-toezicht-en-handhaving-gewasbeschermingsmiddelen--en-biocidenregelgeving" soort="URL" status="actief">Samenwerkingsafspraken inspectiediensten voor toezicht op en handhaving van de gewasbeschermingsmiddelen- en biocidenregelgeving | Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)</extref></noot.al></noot>.</al>
              <al>Aan de aanbevelingen van de Commissie Van Aartsen is opvolging gegeven in het Interbestuurlijk programma versterking VTH-stelsel milieu (IBP VTH). In de Samenwerkingsafspraken versterking VTH-stelsel, die de afronding en opbrengst van het IBP VTH markeren, zijn afspraken gemaakt over de verdere versterking van het stelsel en implementatie van producten<noot id="ID-1247688-d40e740" type="voet"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al><extref soort="document" doc="stcrt-2025-5488" status="actief">Staatscourant 2025, 5488 | Overheid.nl &gt; Officiële bekendmakingen</extref></noot.al></noot>. Hierin is ook aandacht voor kennisontwikkeling bij omgevingsdiensten. Daarnaast werkt het Ministerie van IenW samen met stakeholders aan robuuste omgevingsdiensten. Dit traject zorgt voor een minimaal kwaliteitsniveau van uitvoering voor alle omgevingsdiensten. Een onderdeel van dit traject behelst het hebben van een opleidingsbudget. Ook dienen omgevingsdiensten te voldoen aan de reeds geldende kwaliteitscriteria, waaronder het hebben van voldoende, goed gekwalificeerd personeel. Op 1 april 2026 dienen alle omgevingsdiensten te voldoen aan de vereisten voor robuustheid; in het najaar ontvangt de Kamer een brief met de resultaten van dit traject.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 10:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">In de evaluatie wordt duidelijk dat er op vele vlakken geworsteld wordt met complexiteit. Kunt u aangeven welke mogelijkheden er zijn om complexiteit bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te verminderen op een wijze waardoor zowel de verduurzaming van de landbouw als het verminderen van de complexiteit gediend zijn. Dit zodat verduurzaming aantrekkelijker wordt, omdat het ook minder naleving van regels vereist?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen stelt het Ctgb, als aangewezen toelatingsautoriteit, toepassingsvoorwaarden op die nodig zijn om onaanvaardbare risico’s voor mens, dier en milieu te voorkomen; deze zijn vastgelegd in het wettelijke gebruiksvoorschrift. De toepassingsvoorwaarden moeten op het etiket van een middel worden vermeld en telers zijn wettelijk verplicht deze te volgen. Bij het opstellen van toepassingsvoorwaarden beoordeelt het Ctgb of deze naleefbaar en handhaafbaar zijn. Hierover overlegt het Ctgb tevens met de NVWA die toezicht moet houden. Mijn streven is om meer gewasbeschermingsmiddelen op de markt te krijgen met een lager risicoprofiel (zoals biocontrol middelen), waarbij veelal ook minder beperkende en minder complexe toepassingsvoorwaarden worden vereist, door dat lagere risicoprofiel. De markttoegang van dergelijke middelen wordt bijvoorbeeld met het recente Omnibus voorstel vanuit de Europese Commissie naar verwachting verbeterd, waarmee een duurzamere teelt mogelijk wordt.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 11:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Gaat u de Europese Commissie om advies vragen over het reclameverbod op verboden middelen? Gaat u ook verkoop van verboden middelen zelf strenger aanpakken? Zo ja, hoe?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Ja, ik ga de Europese Commissie vragen om uitleg over de juiste interpretatie van de Europese wetgeving over het online aanprijzen van middelen met gewasbescherming of biocide claims, en collegiaal toetsen hoe andere Lidstaten dit vraagstuk benaderen. Op basis van deze informatie kan de NVWA bezien hoe de handhaving van dit verbod verder kan worden vormgegeven, en of een aanscherping van het verbod in de Wgb wenselijk en juridisch noodzakelijk is.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 12:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Wat gaat u zelf doen om de verkoop van illegale middelen via onlinekanalen aan banden te leggen? Gaat u de verbodsbepaling zoals door de NVWA voorgesteld, introduceren? Gaat u daarbij de bewijslast, dat het om verkoop van toegelaten middelen gaat, inderdaad verleggen van de NVWA naar de onderneming die de middelen aanprijst?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Zoals aangegeven in antwoord op vraag 11, zal op basis van de ingewonnen informatie worden bezien hoe de handhaving verder kan worden vormgegeven, en wat daarvoor nodig is.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 13:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Hebben de NVWA en ACM (en andere relevante instanties) voldoende middelen om deze regelgeving te handhaven? In aanbeveling vier wordt daarom aanbevolen onderzoek te doen naar de handhaving en hoe dat te verbeteren.» Kunt u aangeven hoe u invulling geeft aan deze aanbeveling? Kunt u tevens aangeven hoe het staat met de opvolging van de verschillende aanbevelingen van de commissie Van Aartsen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Zoals aangegeven in antwoord op eerdere vragen, treden nu afspraken over samenwerking tussen toezichthouders in werking, en is opvolging gegeven aan de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen. Ook is hiervoor aangegeven dat allerlei maatregelen getroffen zijn om de handhaving te verbeteren en zal bekeken worden hoe deze verder kan worden ontwikkeld, bijvoorbeeld voor de aanpak van de verkoop van illegale middelen. Hiermee wordt de handhaving flink aangescherpt, maar er zal aandacht blijven hiervoor.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 14:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Bent u het met deze leden eens dat de naleving nog slechter kan worden wanneer de lage pakkans gecombineerd wordt met nog lagere boetebedragen omdat de afschrikwekkende werking nog verder afneemt?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Het verlagen van de boetemaxima, zoals aanbevolen in de evaluatie, zal niet leiden tot praktische verlaging van de opgelegde sancties. Dit komt door de gelaagde invulling die is vastgelegd in de Wgb, het Besluit gewasbescherming en biociden (Bgb) en de Regeling gewasbescherming en biociden (Rgb). Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 6 verken ik op dit moment de mogelijkheden om de bestuurlijke boetes zoals opgenomen in de Regeling juist te verhogen. Ik zie de risico’s van een lage pakkans en lage boetebedragen en werk dus aan aanscherping op beide fronten.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 15:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Wat gaat u doen met het idee om boetes afhankelijk te maken van bedrijfsgrootte?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Differentiatie van boetes zal ook onderdeel uitmaken van de verkenning die afgelopen februari is aangekondigd. Zie ook het antwoord op vraag 6.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 16:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Bent u het met deze leden eens dat de capaciteit van de NVWA geen belemmering kan zijn voor het ontwikkelen van een effectieve boetestructuur? Dat dan de capaciteit van de NVWA uitgebreid moet worden?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Een efficiënte boetestructuur staat los van de capaciteit van de NVWA. Ik ben bezig om de hoogte van boetes te herzien, zie ook het antwoord op vraag 6. Ik zal de Tweede Kamer hier voor de zomer over informeren.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 17:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">In de evaluatie wordt gesteld dat er verschillende suggesties zijn gedaan voor het algemeen verbindend verklaren van voorschriften. Kan u deze noemen en motiveren waarom hiervan afgezien is?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Volgens het evaluatierapport leek bij de «gesprekspartners» geen urgente behoefte te bestaan om de huidige regeling voor algemeenverbindendverklaring uit te breiden. Wel is gesuggereerd om een registratie van de afzet van biociden te regelen via een algemeenverbindendverklaring in plaats van wetgeving. Op dit moment worden de mogelijkheden en juridische vormgeving van een registratieplicht nog onderzocht. Het is daarom te vroeg om nu reeds te besluiten over de eventuele uitbreiding van de huidige regeling (bladzijden 46 en 53 van het evaluatierapport).</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 18:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De gewasbeschermingsmonitor en de digitalisering daarvan gebeurt in eigen beheer door de sector. Waarom is daarvoor gekozen? Waarom vindt u dit geen overheidstaak?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Tijdens de onderhandelingen over de SUR (Sustainable Use Regulation, Verordening duurzaam gebruik) was er sprake van dat er een Europese verplichting zou komen voor het digitaal registreren van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en het inwinnen van deze gegevens in een centraal register van overheidswege. Toen de Europese Commissie het voorstel voor de SUR introk was er geen zicht meer op een juridische basis voor dit register. Op dat moment heeft de toenmalige Minister van LVVN het traject om te komen tot een digitale gewasbeschermingsmonitor heroverwogen (Kamerstuk <extref doc="kst-27858-671" soort="document" status="actief">27 858, nr. 671</extref>).</al>
              <al>Veel telers registreren hun gebruik reeds digitaal in een zogeheten bedrijfsmanagementsysteem. Daarnaast lopen er op dit moment verschillende (Europese) initiatieven om instrumenten te ontwikkelen waarmee telers hun gebruik digitaal kunnen registreren. De sector ontwikkelt, financieel ondersteund door het Ministerie van LVVN, op dit moment een benchmarktool. Met deze benchmarktool worden telers in staat gesteld hun eigen, digitaal geregistreerde, middelengebruik te vergelijken tussen verschillende jaren en met collega’s. Adviseurs worden op eenzelfde wijze in staat gesteld hun adviezen te vergelijken met die van collega’s. Dit alles heeft als doel bewustwording bij telers te stimuleren en hen daarmee aan te zetten tot het verminderen van het gebruik van chemische gewasbescherming. Doordat de sector dit instrument zelf ontwikkelt verwacht ik dat de bereidheid van telers om gebruik te maken van het instrument groter is dan wanneer ik het zelf laat ontwikkelen, o.a. vanwege zorgen bij telers om de bescherming van hun data. Daarom zie ik mij op dit moment niet genoodzaakt om in te grijpen en te komen met een instrument.</al>
              <al>Op 1 januari 2027 gaat een Europese verplichting tot het digitaal registreren van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in. Deze Europese verplichting tot digitale registratie ziet echter alleen op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, en is niet zo breed ingestoken als de gewasbeschermingsmonitor. In de gewasbeschermingsmonitor wordt van een teler verwacht dat hij de 8 stappen van IPM, Integrated Pest Management, doorloopt en dit ook vastlegt. De eisen die hieraan gesteld worden zijn vastgelegd in artikel 26 en bijlage 3 van het Bgb.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 19:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Welke (vorm-)technische eisen heeft u aan de digitale monitor geëist zodat deze ook ingezet kan worden in het kader van doelsturing en efficiënte controle op de Wgb? Waarin zijn deze eisen vastgelegd?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Zoals in antwoord op vraag 18 gemeld, stel ik op dit moment geen specifieke (vorm)technische eisen aan een digitale monitor.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 20:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Welke inhoudelijk eisen stelt u aan het inzetten van de monitor? Met andere worden: op welke wijze wilt u het instrument progressief inzetten om de sector naar meer duurzaam middelengebruik te brengen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Door het eigen middelengebruik, en de milieu impact daarvan, te vergelijken met collega’s worden telers gestimuleerd om kritisch te reflecteren hierop en duurzamere keuzes te maken. Om de milieu impact van middelen beter inzichtelijk te maken ondersteun ik gelijktijdig de ontwikkeling van de Milieu Indicator Gewasbescherming (MIG) financieel. In een eerder PPS project is een concept hiervoor ontwikkeld dat op dit moment door een consortium van partijen uit de primaire sector en de keten gezamenlijk verder wordt ontwikkeld. Er is veel interesse voor en enthousiasme over de benchmarktool en de MIG bij zowel de sector als de keten. Ik heb daar dan ook hooggespannen verwachtingen van.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 21:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Welke waarborgen zijn door u geëist zodat het gebruik van de monitor daadwerkelijk bijdraagt aan versnelde toepassing van duurzame landbouwpraktijk?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Zoals in antwoord op de vragen 18 en 19 gesteld, heeft de sector dit vraagstuk goed opgepakt en zie ik op dit moment geen aanleiding om in te grijpen. Ik blijf deze ontwikkeling wel aandachtig volgen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 22:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Hoe wordt daarin geborgd dat het tempo van digitalisering en de openbare toegankelijkheid van de informatie, dat immers belangrijk is voor milieu informatie voor burgers en omwonenden, van voldoende niveau is dat het algemeen belang hiermee gediend kan worden?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Op dit moment bestaat er geen verplichting tot het actief openbaar maken van informatie vanuit spuitregisters van individuele telers. Indien de NVWA beschikt over spuitgegevens, die zij verkregen heeft in het kader van haar toezicht en handhavingsrol, zal zij deze openbaar maken indien daartoe een formeel verzoek (Wet open overheid) door een belanghebbende wordt ingediend.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 23:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Wat heeft u gedaan met de aanbeveling om periodiek delen van gebruiksgegevens verplicht te stellen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Dit is niet één van de aanbevelingen uit het rapport, maar slechts een suggestie die is gedaan door de opstellers van het rapport. De toenmalige Minister van LVVN heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de acties die in gang gezet zijn naar aanleiding van het rapport (Kamerstuk <extref doc="kst-35756-29" soort="document" status="actief">35 756, nr. 29</extref>).</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 24:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Bent u bereid om aanbeveling zes integraal over te nemen en de Eerste Kamer te informeren over een concreet tijdpad, inclusief wet- en beleidstrajecten, waarmee: 1) het gebruik van chemisch-synthetische gewasbeschermingsmiddelen aantoonbaar wordt verminderd, 2) alternatieve, niet-chemische methoden juridisch steviger worden verankerd, 3) toelatingsbesluiten systematisch worden getoetst aan KRW-normen; 4) en een verbod op chemisch-synthetische middelen in beschermde gebieden wordt gerealiseerd? Zo nee, waarom niet?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Ja. Zoals ik ook eerder aangaf, zet ik in op nationale convenanten met verschillende sectoren om het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen substantieel te reduceren. Deze moeten al deze zomer op hoofdlijnen worden afgesloten.</al>
              <al>De Europese Richtlijn duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de Wgb schrijven het gebruik van geïntegreerde gewasbescherming reeds voor, en dragen daarmee ook op eerst te kijken naar alternatieven voor chemische methoden.</al>
              <al>Middelen die systematisch overschrijding van de KRW-normen vertonen zullen door het Ctgb worden herbeoordeeld. Hiervoor is een beoordelingsmethodiek in ontwikkeling, evenals een selectiemethodiek. Deze zullen in regelgeving worden opgenomen opdat deze begin 2027 door het Ctgb kunnen worden gebruikt.</al>
              <al>Ook wil ik, samen met de Ministers van LVVN en IenW, bezien welke maatregelen nodig zijn om de waterkwaliteit te borgen in kwetsbare watergebieden en in zones rondom Natura 2000-gebieden. De maatregelen voor Natura 2000-gebieden worden meegenomen in het integrale beleid voor zonering rond deze gebieden, waarbij de verschillende drukfactoren aan de orde zijn. Met de verantwoordelijke medeoverheden zal worden bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn in kwetsbare watergebieden. Dat gesprek zal op korte termijn worden gevoerd.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 25:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Kunt u aangeven welke tekstonderdelen het ministerie aan Kwink gevraagd heeft aan te passen en deze suggesties met ons delen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Het Ministerie van LVVN heeft niet aan Kwink gevraagd om tekstonderdelen aan te passen. Wel is door het ministerie gereageerd op conceptversies van het rapport, zoals hierbij gebruikelijk.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de fractie van de BBB</tussenkop>
            <al-groep>
              <al>Vraag 26:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De fractieleden van de BBB stellen dat de onderzoekers geen algeheel oordeel formuleren over de doeltreffendheid van de Wgb, terwijl in de brief wordt geconcludeerd dat de wet voldoende doeltreffend is en geen aanpassing behoeft. Kunt u toelichten hoe u van deze beperkte evaluatie-opzet toch tot zo’n vergaande conclusie komt, specifiek bezien vanuit de positie van agrarische ondernemers in de praktijk?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>De uitgevoerde evaluatie geeft geen aanleiding tot aanpassing van de Wgb op dit moment. Wel wordt in de brief aangekondigd dat de wet op termijn mogelijk zal worden aangepast, bijvoorbeeld voor wat betreft het online aanprijzen van middelen met claims, afhankelijk van de duiding van de Europese Commissie. Ook bevat het rapport een aantal aanbevelingen, die worden overgenomen. Deze betreffen ook de positie van agrarische ondernemers in de praktijk. De evaluatie geeft echter geen aanleiding om de doeltreffendheid van de wet ten algemene in twijfel te trekken.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 27:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Kunt u concreet aangeven welke nadelige gevolgen dit momenteel heeft voor boeren (zoals dubbele controles, tegenstrijdige aanwijzingen of extra administratieve lasten) en binnen welke termijn de aangekondigde samenwerkingsafspraken dit merkbaar moeten verminderen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>De onderzoekers hebben in de gesprekken met de sector nagevraagd of de huidige rol- en taakverdeling van de toezichthouders knelpunten of problemen oplevert. Dat lijkt niet het geval te zijn. Het evaluatierapport beschrijft dat sectorpartijen aangeven dat de toezichthouders op een zorgvuldige manier omgaan met de complexiteit in de rol- en taakverdeling.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 28:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Kunt u deze afspraken (of een overzicht hiervan) met de Eerste Kamer delen en daarbij ook ingaan op de vraag of wordt toegewerkt naar één herkenbaar aanspreekpunt voor agrarische ondernemers?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Deze afspraken kunt u hier vinden: <extref doc="https://www.ilent.nl/documenten/stoffen-en-producten/biociden/publicaties/samenwerkingsafspraken-inspectiediensten-voor-toezicht-en-handhaving-gewasbeschermingsmiddelen--en-biocidenregelgeving" soort="URL" status="actief">Samenwerkingsafspraken inspectiediensten voor toezicht op en handhaving van de gewasbeschermings<?xpp afbm?>middelen- en biocidenregelgeving | Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)</extref>.</al>
              <al>Vooralsnog zie ik geen aanleiding om toe te werken naar één aanspreekpunt voor agrarische ondernemers. Verschillende toezichthouders hebben een eigen rol en verantwoordelijkheid. Indien er aanleiding toe is, kan dit aan de orde worden gesteld in de besprekingen rond de convenanten.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 29:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Erkent u dat deze combinatie van risicogericht toezicht en selectieve rapportage het beeld kan versterken dat «de sector» slecht presteert, terwijl veel boeren zich wel aan de regels houden, en is zij bereid voortaan altijd de invloed van de toezichtstrategie expliciet mee te rapporteren?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>De NVWA voert zowel risicogericht toezicht uit als aselecte naleefmetingen. Bij risicogericht toezicht kan de focus liggen op een bepaalde teelt, specifieke gebieden zoals grondwaterbeschermingsgebieden of daar waar normoverschrijdingen in het oppervlaktewater zijn gemeten. Vervolgens worden in de groep die voldoet aan de selectiecriteria de bedrijven aselect gekozen. NVWA licht in haar berichtgeving altijd deze aanpak toe.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 30:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Kunt u kwantificeren in hoeveel van de overtredingen in de afgelopen jaren sprake was van bewuste calculatie versus onbewuste fouten als gevolg van ingewikkelde of onduidelijke voorschriften?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Dit is niet te kwantificeren. De teler wordt wel gevraagd naar een verklaring waarom een overtreding is begaan. Er liggen diverse aspecten ten grondslag aan het niet naleven van wet- en regelgeving. Zo is de regelgeving inderdaad complex, kan een adviseur een rol spelen en zijn er economische afwegingen. Primair is de gebruiker (de teler) verantwoordelijk voor een goede naleving. Het beleid van de overheid en de regelgeving moeten zo helder mogelijk zijn, en dat is voor mij de komende jaren een duidelijk punt van aandacht.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 31:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De bestuurlijke boete draagt volgens de evaluatie, mede door de lage controlekans, beperkt bij aan de naleving van de Wgb en er zijn signalen dat met name grotere ondernemingen het boeterisico incalculeren, terwijl de standaardboetes voor kleine bedrijven al fors kunnen zijn. Waarom kiest u er niet voor om gericht te differentiëren naar bedrijfsgrootte (bijvoorbeeld via een omzetcomponent), zodat familiebedrijven en grondgebonden boeren niet onevenredig zwaar worden geraakt en grote ketenpartijen wél een afschrikkende prikkel ervaren?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Ik verken deze mogelijkheid, zie het antwoord op vraag 15.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 32:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De onderzoekers bevelen aan om de boetemaxima in de Wgb te verlagen naar de corresponderende strafrechtelijke boetemaxima, in lijn met het advies van de Raad van State, en stellen dat dit in de praktijk geen gevolgen heeft omdat de huidige boetes al lager liggen. U zegt deze aanbeveling te willen overnemen, maar pas bij een volgende «grote wetswijziging». Waarom wordt een door zowel Raad van State als onderzoekers wenselijk geachte verbetering van rechtsbescherming niet eerder en separaat aan de Tweede en Eerste Kamer voorgelegd?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Zoals de toenmalige Minister van LVVN en Staatssecretaris van IenW hebben aangegeven in de reactie op het evaluatierapport, zijn in de Wgb de maximale boetebedragen opgenomen. Wat dit betekent voor een concrete overtreding is vervolgens verder uitgewerkt in het op de Wgb gebaseerde Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Bgb) en de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Rgb). Bij die uitwerking is rekening gehouden met de ernst van de overtredingen, waarbij ook de strafrechtelijke kwalificatie een rol speelt. Dit heeft geresulteerd in een lijst met concrete overtredingen en bijbehorende boetes, opgenomen in een bijlage bij de Rgb. Gelet ook op het handhavingskader dat de NVWA hanteert, sluiten de opgelegde boetebedragen in de praktijk nu al aan bij de aanbeveling en is de rechtsbescherming voldoende. Gelet hierop en op de capaciteit en tijd die met een wetswijziging zijn gemoeid, zie ik nu dan ook geen noodzaak om een separaat wetstraject te starten.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 33:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">In de evaluatie wordt erop gewezen dat een overtreding van de Wgb naast een bestuurlijke boete ook kan leiden tot korting op EU-subsidies, wat door bedrijven als zeer ingrijpend wordt ervaren, terwijl de NVWA bij de boetehoogte geen rekening houdt met deze cumulatie van sancties. Acht u deze stapeling proportioneel voor agrarische ondernemers, en bent u bereid in beleid vast te leggen dat bij het bepalen van de boetehoogte rekening wordt gehouden met al opgelegde of te verwachten subsidiekortingen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>De bestuurlijke boete en de korting op EU-subsidies staan los van elkaar. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU en ook het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dat de randvoorwaardenkorting geen bestraffende sanctie is. Er is dus geen sprake van dubbele bestraffing. De korting vindt ook alleen plaats als er een subsidieaanvraag is ingediend.</al>
              <al>De randvoorwaardenkorting geeft volgens het CBb ook geen aanleiding om bestuurlijke boetes te matigen, nu er geen sprake is van dubbele bestraffing en de randvoorwaardenkorting een ander doel dient dan de bestuurlijke boete. Hoewel de bestuurlijke boete een bestraffend karakter heeft, dient de randvoorwaardenkorting om het beheer van de middelen van de Europese Unie te beschermen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 34:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De evaluatie benadrukt dat geïntegreerde gewasbescherming (IPM) belangrijk is voor verduurzaming, maar dat de toepassing door telers beperkt is; wetgeving wordt niet geschikt geacht voor gedetailleerde IPM-voorschriften, en wordt verwezen naar een gewasbeschermingsmonitor en een sectoraal benchmarkingsysteem. Hoe waarborgt u dat deze instrumenten niet verzanden in extra administratie voor boeren, maar daadwerkelijk leiden tot praktische, economisch haalbare alternatieven die in Nederlandse teeltsystemen werken?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Zoals aangegeven ondersteun ik de plannen van de sector voor de ontwikkeling van een sectoraal benchmarkingsysteem. Het primaire doel ervan is te zorgen dat telers en adviseurs informatie over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kunnen vergelijken, om zo van elkaar te leren en hun aanpak te optimaliseren. Het zou goed zijn daarbij ook de digitale registratie van niet-chemische maatregelen te betrekken. Ook komen hiermee nog geen niet-chemische alternatieven beschikbaar. Deze laatste twee punten wil ik meenemen in de besprekingen met partijen voor het sluiten van een convenant gewasbeschermingsmiddelen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 35:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Nederland ligt volgens de stukken niet op koers om de KRW-doelen voor 2027 te halen, mede door gewasbeschermingsmiddelen en biociden in oppervlakte- en grondwater. Er wordt gewerkt aan een Ctgb-methodiek om toelatingen in overeenstemming te brengen met KRW-normen, inclusief mogelijke herbeoordeling en intrekking bij structurele normoverschrijdingen. De Ctgb-methodiek is de wetenschappelijke beoordelingssystematiek van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Cgtb). Welke waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat cruciale middelen worden ingetrokken zonder dat bewezen werkzame, betaalbare en in de praktijk beschikbare alternatieven voor boeren aanwezig zijn?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Bij de beoordeling van werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen daarop gebaseerd, wordt gekeken of een stof of middel voldoet aan de veiligheidseisen voor mens, dier en milieu. Dit is de basis van Verordening (EG) 1107/2009 en het voorzorgsprincipe dat hierin wordt toegepast. Landbouwkundige overwegingen spelen hierbij geen rol. Het is dan ook belangrijk dat telers de beschikking hebben over een breed maatregelen- en middelenpakket met bij voorkeur middelen met een zo laag mogelijk risicoprofiel. Daarom sta ik in de basis positief tegenover het recente Omnibusvoorstel van de Europese Commissie om de markttoegang van «biocontrol» middelen te verbeteren. Met de sector wordt verder zoveel mogelijk geanticipeerd op het eventueel wegvallen van landbouwkundig belangrijke middelen, en proactief gekeken naar alternatieven. Wanneer landbouwkundig belangrijke middelen van de markt verdwijnen ga ik met de sector in gesprek hoe alternatieven snel beschikbaar kunnen komen. Indien sprake is van een landbouwkundige noodsituatie heb ik daarnaast de bevoegdheid om een tijdelijke vrijstelling voor een niet toegelaten middel te verlenen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 36:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">U geeft aan dat de Wgb zich vooral leent voor generieke, landelijke maatregelen en dat gebiedsgerichte aanpakken vooral via de Omgevingswet moeten worden vormgegeven, mede in het kader van de KRW-impuls. Hoe wordt gewaarborgd dat gebiedsgerichte maatregelen onder de Omgevingswet: a) aansluiten op de feitelijke lokale water- en bodemsituatie; b) in nauwe samenwerking met boeren tot stand komen; c) niet leiden tot een stapeling van generieke én gebiedsspecifieke verplichtingen voor dezelfde agrarische ondernemer, waardoor de uitvoerbaarheid in het geding komt?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Het KRW-impulsprogramma heeft een afweegkader opgesteld over hoe er in de praktijk kan worden omgegaan met de verantwoordelijkheden en de inzet van instrumenten tussen Rijk en regionale overheden, afhankelijk van de opgave en de situatie. Verder wordt vanuit het Deltaprogramma Agrarisch Waterbeheer al door en met boeren samengewerkt om onder andere de emissies van gewasbeschermingsmiddelen naar het water te reduceren. Het gaat dan om gebiedsspecifieke maatregelen die voor de boeren uitvoerbaar zijn.</al>
            </al-groep>
            <tussenkop kopopmaak="vet">Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD</tussenkop>
            <al-groep>
              <al>Vraag 37:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De fractieleden van de PvdD vragen waarom in de evaluatie van de Wgb niet onderzocht is of het voorzorgsbeginsel daadwerkelijk wordt toegepast bij de toelating en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Bent u bereid dit alsnog te laten doen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord</al>
              <al>De Tweede Kamer is op 11 november 2024 geïnformeerd (Kamerstuk <extref doc="kst-27858-676" soort="document" status="actief">27 858, nr. 676</extref>) over de juridische borging van het voorzorgsbeginsel binnen de toelatingssystematiek van gewasbeschermingsmiddelen en haar werkzame stoffen. De Europese gewasbeschermingsmiddelenverordening (Verordening (EG) nr. 1107/2009) is gestoeld op dit voorzorgbeginsel. Gewasbeschermingsmiddelen en werkzame stoffen kunnen een risico zijn voor mens, dier en milieu. Daarom verbiedt de Verordening de handel in en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, tenzij deze zijn toegelaten. Het Ctgb beoordeelt, als aangewezen toelatingsautoriteit, aanvragen op de wettelijk vastgelegde goedkeurings- of toelatingseisen. Wanneer niet wordt aangetoond dat een middel aan de vereisten voldoet, dan wordt deze niet goedgekeurd of toegelaten.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 38:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Kunt u toelichten in hoeverre de huidige uitvoering van de Wgb daadwerkelijk bijdraagt aan het terugdringen van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen, mede in het licht van de doelen uit de EU Farm to Fork-strategie om het pesticidengebruik en -risico in 2030 met 50% te verminderen?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>De Wgb biedt zonder meer een kader voor toelating en zorgvuldig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dat neemt niet weg dat wetgeving alleen niet genoeg is om de doelen te bereiken. Er is daarnaast behoefte aan afspraken tussen alle betrokken partijen om een substantiële reductie van het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen handen en voeten te geven in de praktijk. Daartoe zullen deze zomer nationale bindende convenanten worden afgesloten met verschillende sectoren.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 39:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Deelt u de zorg dat de toelating van gewasbeschermingsmiddelen, onder meer uitgevoerd door het Cgtb, onvoldoende rekening houdt met cumulatieve effecten op biodiversiteit, zoals bijen, andere insecten en bodemleven? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om deze effecten structureel mee te nemen in de beoordeling?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Ik begrijp goed dat er zorgen zijn over de cumulatieve effecten van gewasbeschermingsmiddelen. Ons huidige toelatingssysteem zorgt voor een hoog beschermingsniveau voor mens, dier en milieu. Tegelijkertijd zet ik mij in om in Europees verband nieuwe beoordelingsmethodieken te ontwikkelen om cumulatie van werkzame stoffen beter te kunnen beoordelen. De Europese voedselveiligheidsautoriteit EFSA heeft inmiddels een initiatief opgezet dat streeft naar een systeemgerichte benadering van de milieurisicobeoordeling, waarbij cumulatieve milieueffecten inzichtelijk worden gemaakt. Nederland ondersteunt EFSA via expertise van Nederlandse kennisinstellingen zoals de WUR en het RIVM.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 40:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Hoe beoordeelt u de constatering dat omwonenden van landbouwgebieden nog steeds gezondheidsrisico’s lopen door blootstelling aan bestrijdingsmiddelen? Bent u bereid om in het kader van de Wgb strengere regels te onderzoeken, zoals ruimere spuitvrije zones rond woningen, scholen en natuurgebieden?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>Ik neem deze problematiek zeer serieus. In het toetsingskader voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen wordt rekening gehouden met mensen die in nabijheid van een agrarisch perceel wonen, en kwetsbare groepen. Desondanks begrijp ik de zorgen over gezondheid, gezien het toetsingskader de huidige stand van de wetenschap hanteert en zich constant blijft ontwikkelen. Ik wil aandacht voor deze zorgen en zal werken aan oplossingen. Deze zullen niet per se op het vlak van de Wgb liggen, maar kunnen ook voortvloeien uit de Omgevingswet of uit convenanten. Ik ga dit met medeoverheden en betrokken partijen onderzoeken. Voorts zal ik deze zomer de eerste resultaten van het onderzoek naar spuitzonering naar buiten brengen.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 41:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Heeft u inmiddels andere, niet-schadelijke middelen ter beschikking voor kersentelers waarmee zij schade door de suzuki-fruitvlieg kunnen voorkomen (zoals de larven van sluipwespen)? Zo ja, per wanneer kunnen die worden ingezet? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting. Is de NVWA voornemens om kersentelers nogmaals te wijzen op het correcte gebruik van Tracer?</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>De sector heeft zich de afgelopen jaren ingespannen om tot een reguliere oplossing voor het knelpunt Suzuki-fruitvlieg te komen. Daarnaast heeft de natuur ook een handje geholpen, zo verscheen er onlangs het nieuws dat een natuurlijke vijand van de Suzuki-fruitvlieg zich in Nederland gevestigd heeft<noot id="ID-1247688-d40e1114" type="voet"><noot.nr>30</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.gld.nl/nieuws/8442000/mogelijk-goed-nieuws-voor-telers-natuurlijke-vijand-suzuki-fruitvlieg-duikt-op" soort="URL" status="actief">Mogelijk goed nieuws voor telers: natuurlijke vijand suzuki-fruitvlieg duikt op - Omroep Gelderland</extref></noot.al></noot>. De WUR werkt hard aan het kweken en in de praktijk uitzetten van een tweede natuurlijke vijand van de Suzuki-fruitvlieg<noot id="ID-1247688-d40e1125" type="voet"><noot.nr>31</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.wur.nl/nl/onderzoek/plant/aziatische-sluipwesp-helpt-fruitteelt-strijd-tegen-suzuki-fruitvlieg" soort="URL" status="actief">Aziatische sluipwesp tegen suzuki-fruitvlieg in Nederlandse fruitteelt | WUR</extref></noot.al></noot>. Hierin wordt ook de samenwerking met marktpartijen gezocht, om de stap naar het commercieel inzetbaar maken van deze sluipwespensoort te zetten.</al>
              <al>Tegelijkertijd zijn er ook stappen gezet op het gebied van toelatingen. Het middel Exirel kent inmiddels een reguliere toelating in de teelten van kers, pruim en druif. Hiermee is er zekerheid voor deze telers omtrent het middelenpakket en zijn ze niet langer afhankelijk van de jaarlijkse besluitvorming over een vrijstelling.</al>
              <al>De NVWA vraagt in verschillende berichtgevingen aandacht voor een goede naleving van wet- en regelgeving bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Daarnaast voert de NVWA het gesprek hierover met sectorvertegenwoordigers. Een gerichte communicatie over het gebruik van het middel Tracer in de teelt van kers staat niet gepland. Dat laat onverlet dat de sector zelf zijn verantwoordelijkheid dient te nemen in het naleven van wet- en regelgeving.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Vraag 42:</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Voor de evaluatie zijn onder andere gesprekken gevoerd met de waterschappen, departementen, vertegenwoordigers van de bloembollensector en fruittelers en LTO. Waarom is er niet voor gekozen om ook te spreken met gezondheidsexperts, natuur- en milieuorganisaties en dierenbeschermers? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting</nadruk>.</al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>Antwoord:</al>
              <al>De betrokken gesprekspartners zijn in overleg met de onderzoekers gekozen. Onder meer is hierbij het uitgangspunt gehanteerd dat deze deskundigheid konden inbrengen voor beantwoording van de onderzoeksvragen van het Ministerie. Dat heeft geleid tot de selectie in bijlage I van het rapport.</al>
            </al-groep>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
      </algemeen>
    </stuk>
  </kamerstuk>
</officiele-publicatie>