﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27801-22/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2002-2003</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.6.1__3.2" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST69484</ordernr>
    <vergjaar>2002-2003</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>27 801</nummer>
      <naam>Vierde Nationaal Milieubeleidsplan</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>22</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN
MILIEUBEHEER</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>10 juli 2003</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
heeft een coördinerende rol op het gebied van de externe veiligheid van
gevaarlijke stoffen, als onderdeel van het integrale veiligheidsbeleid. De
minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is coördinerend
bewindspersoon voor het integrale veiligheidsbeleid.</al>
      <al>In deze brief wil ik, u mede namens mijn collegae van V&amp;W, SZW, EZ
en BZK, informeren over de voortgang in twee prioritaire projecten die van
belang zijn bij de uitwerking van het externe veiligheidsbeleid: Integrale
ketenstudies chloor, ammoniak en LPG («Ketenstudies»), en Knelpunten
infrastructuur gerelateerde investeringsprojecten en externe veiligheid («KIEV»).
Deze projecten moeten in samenhang een antwoord geven op de uitdaging waarvoor
wij gesteld staan om de ambities, op het gebied van externe veiligheid een
aantal grote ruimtelijke programma's waarin het Rijk mede initiatiefnemer
is, met elkaar te verbinden. In deze brief wordt de samenhang tussen beide
projecten geschetst en de noodzaak onderbouwd van een structurele aanpak van
met name de veiligheidsknelpunten die samenhangen met het gebruik en transport
van LPG en ammoniak. Deze brief presenteert de uitkomsten van de analyses
die in beide projecten rond de problematiek gemaakt zijn. Keuzes, over welke
maatregelen waar in de keten of het ruimtelijk beleid gemaakt moeten worden,
komen bij de afronding van de projecten eind 2003 aan de orde.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De Ketenstudies zijn aangekondigd in het NMP4. Het KIEV-project is een
uitvloeisel van het kabinetsstandpunt n.a.v. het Quick scanonderzoek «Gevolgen
beleidsvernieuwing externe veiligheid» (TK 27 801, nr. 16). Tevens
zijn deze projecten kort besproken in de eerste voortgangsrapportage (toegestuurd
op 4 april 2002 (VROM02-536), gevolgd door een aanvulling op 22 juli
2002 VROM02-759) en de tweede voortgangsrapportage (d.d. 7 november 2002
VROM02-1002).</al>
      <tuskop letat="vet">1. Inleiding</tuskop>
      <al>In Nederland is sprake van een grote verwevenheid van risicovolle en kwetsbare
activiteiten. Dit wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van grote zeehavens
en de daarmee verbonden (chemische) industrie met productie, opslag, vervoer
(ook naar de buurlanden) en gebruik van gevaarlijke stoffen. Verder is het
relatief grootschalig gebruik van LPG als autobrandstof in combinatie met
een intensief ruimtegebruik voor wonen, werken en recreëren in de omgeving
van deze gevaarlijke activiteiten een belangrijke factor.</al>
      <al>Het ruimtelijk beleid is bovendien gericht op intensief ruimtegebruik
en concentratie en bundeling van verstedelijking rondom vervoersassen- en
knooppunten, vanwege het openhouden van groene gebieden, mobiliteitsdoelstellingen
en benutting van bestaande voorzieningen. Dat roept nieuwe spanningen op met
het veiligheidsbeleid. Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het zoveel
mogelijk voorkomen van rampen (door bronmaatregelen) en het beperken en beheersbaar
maken van de gevolgen als ze toch optreden (bijvoorbeeld door risicozonering).
Waar ruimtelijke ontwikkelingen tot spanningen leiden met het veiligheidsbeleid
is zorgvuldige afweging geboden tussen de betrokken ruimtelijke, economische
en veiligheidsbelangen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De ambities die hierbij gelden en die zijn vastgelegd in het NMP4, zijn
de volgende:</al>
      <al>1. Burgers krijgen in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau
met betrekking tot gevaarlijke stoffen. Het minimum beschermingsniveau voor
burgers wordt gerealiseerd door het plaatsgebonden risico (PR) (individuele
risico), dat reeds in het NMP1 is vastgelegd, de status van wettelijke grenswaarde
te geven. Het tot nu toe gehanteerde verschil tussen bestaande en nieuwe situaties
(nieuwe risicovolle activiteiten en nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen) zal
uiterlijk in het jaar 2010 moeten zijn opgeheven, behoudens in incidentele
gevallen (bijvoorbeeld wanneer dit leidt tot grote schade aan de nationale
economie, internationale verdragsverplichtingen dit beletten of dit grootschalige
sloop van bestaande bebouwing met zich meebrengt).</al>
      <al>2. Het bestuur en de politiek zullen veel bewuster moeten omgaan met het
accepteren van risico's in relatie tot de omvang van mogelijke rampen en in
relatie tot maatschappelijke kosten en baten van risicovolle activiteiten,
waarbij het beschikbaar zijn van veiliger alternatieven en de mogelijkheden
van rampenbestrijding worden meegenomen. Eind 2003 zal het kabinet uw informeren
over haar standpunt ten aanzien van het omgaan met het groepsrisico (GR).
Tot dat moment wordt gewerkt met een verantwoordingsplicht ten aanzien van
keuzes over de aanvaardbaarheid van het GR.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Indien de huidige productie, opslag, vervoer en gebruik van gevaarlijke
stoffen, alsmede de huidige ruimtelijke plannen als een gegeven worden beschouwd,
zouden de kosten voor het realiseren van de externe veiligheidsambities (door
het amoveren van bestaande woningen en het schrappen van geplande ruimtelijke
ontwikkeling) vele miljarden Euro's kunnen bedragen. Een zodanige inspanning
is geen reële optie. De uitdaging ligt in het vinden van betaalbare en
haalbare oplossingen voor veiligheidsknelpunten, die tevens passen binnen
gewenste ruimtelijke en economische ontwikkelingen. Dit vraagt om zowel de
aanpak van risicobronnen, gerichte aandacht voor veiligheid in de ruimtelijke
ordening en innovatieve en structurele oplossingen op basis van het beschouwen
van totale ketens van productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke
stoffen (systeemoplossingen).</al>
      <tuskop letat="vet">2. Tweesporenaanpak</tuskop>
      <al>Voor het aangaan van deze uitdaging is een tweesporenaanpak ingezet. In
het eerste spoor wordt vanuit een brede invalshoek getracht structurele oplossingen
te vinden voor veiligheidsknelpunten, waarbij een integrale beoordeling van
de effecten van ingrepen in de keten of de omgeving wordt uitgevoerd («Ketenstudies»).
Het gaat hierbij om zowel bestaande als toekomstige veiligheidsknelpunten
ten gevolge van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.</al>
      <al>In het tweede spoor worden voor plannen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen
in een beperkt aantal steden en regio's de problemen locatiespecifiek benaderd
(«KIEV»). Op projectniveau wordt daarbij nauw samengewerkt met
gemeenten en provincies in de vijf Nieuwe Sleutelprojecten (Amsterdam, Rotterdam,
Utrecht, Breda, Arnhem) en projecten langs hoofdinfrastructuur in Amsterdam,
Rotterdam en de Drechtsteden. Uitgangspunt voor de Nieuwe Sleutelprojecten
daarbij is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken overheden
voor het veiligheidsvraagstuk.</al>
      <al>Indien uit KIEV blijkt dat door locatiespecifieke maatregelen de ruimtelijke
(aangepaste) plannen realiseerbaar zijn met in achtneming van de veiligheidsambities,
dan kan het plan verder ontwikkeld en uitgevoerd worden. Indien dit niet het
geval blijkt te zijn, dan moet de besluitvorming over deze projecten wachten
op de uitkomsten van structurele maatregelen uit de Ketenstudies.</al>
      <al>Zowel de Ketenstudies als KIEV worden uitgevoerd door een interdepartementale
projectgroep.</al>
      <tuskop letat="vet">3. Resultaten fase 1 Ketenstudies</tuskop>
      <al>Het project Ketenstudies bestaat uit drie fasen: in fase 1 staat een gedegen
analyse van de ketens en de veiligheidsknelpunten centraal. TNO, Ecorys/NEI
en het Centrum voor Milieukunde hebben dit in beeld gebracht. Tevens is in
fase 1 een leidraad ontwikkeld voor het uitvoeren van een maatschappelijke
kosten-baten analyse door KPMG. Voor een uitgebreide samenvatting van de resultaten
van fase 1, of de onderliggende rapporten verwijs ik u naar de bijlagen.<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref></al>
      <al>In fase 2 wordt een groot aantal oplossingsrichtingen bekeken voor de
gesignaleerde knelpunten en wordt een globale beoordeling van maatschappelijke
kosten en baten van deze oplossingsrichtingen uitgevoerd (kengetallen –
KBA). In fase 3 van het project wordt voor kansrijke oplossingsrichtingen
in detail gekeken naar de uitwerking van instrumenten en maatregelen en de
hiermee samenhangende maatschappelijke kosten en baten. Ook de gegevensbasis
voor de ruimtelijke effecten van maatregelen zal in deze fase worden verbeterd
en gedetailleerd.</al>
      <al>Het project wordt in nauwe samenwerking met de betrokken sectoren en medeoverheden
uitgevoerd.</al>
      <tuskop letat="vet">Chloor</tuskop>
      <al>Uit de analyse van de chloorketen en de hiermee samenhangende veiligheidsproblematiek
is gebleken dat met de uitvoering van de afspraken in het convenant tussen
AKZO-Nobel en de Rijksoverheid (2002) de belangrijkste veiligheidsknelpunten
en aandachtspunten worden weggenomen. Gezien de aard van de stof blijft aandacht
geboden bij de resterende productielocaties alsmede bij de incidentele transporten,
die nog kunnen plaatsvinden.</al>
      <al>Gegeven de productie en het gebruik van chloor in Nederland zijn, na uitvoering
van het convenant, geen aanvullende ingrepen in de keten of de omgeving nodig
om de veiligheidssituatie significant te verbeteren. De chloorketen wordt,
uitgaande van instemming van de Europese Commissie met de gemaakte
afspraken, dan ook niet verder uitgewerkt in het project Ketenstudies.</al>
      <tuskop letat="vet">Ammoniak</tuskop>
      <al>Bij het in beeld brengen van de veiligheidsproblematiek van de ammoniakketen
is de aard en omvang van de knelpunten langs de buiten beschouwing gelaten.
In een eerder stadium zijn afspraken tussen Nederlandse en Vlaamse bestuurders
gemaakt over de aanpak van de veiligheidsproblematiek. In het kader van de
internationale werkgroep Westerschelde ter uitwerking van deze afspraken wordt
een aanvullende risicobeoordeling uitgevoerd waarvan de resultaten in najaar
2003 verwacht worden. Interferentie tussen dit internationale proces en de
Ketenstudies acht ik niet gewenst.</al>
      <al>Uit de analyse van de ammoniakketen en de hiermee samenhangende veiligheidsproblematiek
blijkt dat het weg-, rail- en vaarwegtransport van ammoniak geen knelpunten
opleveren in de sfeer van overschrijdingen van het PR of de oriënterende
waarde van het GR. Dit geldt voor zowel de bestaande als de toekomstige bebouwing.
Daar waar het railtransport door bebouwde gebieden gaat, is wel sprake van
een effectgericht aandachtspunt: ongevallen op deze plaatsen kunnen zeer veel
slachtoffers met zich meebrengen en vergen een buitengewoon beroep op de hulpverlening.
In de Ketenstudies zal worden onderzocht in hoeverre deze risico's verder
zijn terug te dringen of beter beheersbaar te maken. Dit betreft de spoortracés
Geleen–IJmuiden, Geleen–Delfzijl.</al>
      <al>De inschatting is dat de ammoniakstromen tot het jaar 2010 globaal hetzelfde
blijven, maar er wel een toename van bebouwing langs deze spoorlijnen plaatsvindt.
Dit zal niet tot extra PR-knelpunten of extra GR-aandachtspunten leiden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De ammoniakproductielocatie in Sluiskil vormt een extern veiligheidsknelpunt
(overschrijding PR 10<sup>–6</sup>, overschrijding oriënterende
waarde GR), waarvoor in fase 2 oplossingen worden gezocht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Binnen de koelsector is de schatting dat bij circa 170 koelinstallaties
kwetsbare objecten binnen de 10<sup>–6</sup> contour van het PR aanwezig
zijn. In fase 2 worden mogelijkheden voor het oplossen van deze knelpunten
onderzocht.</al>
      <tuskop letat="vet">LPG</tuskop>
      <al>De LPG-keten bestaat uit méér dan de autogasmarkt. LPG is
een verzamelnaam voor C3- en C4-verbindingen die een belangrijke rol spelen
in de chemische industrie en als brandstof voor verwarmingsdoeleinden en motorvoertuigen.
De belangrijkste externe veiligheidsknelpunten die in fase 1 in beeld zijn
gebracht, vallen uiteen in knelpunten die samenhangen met de autogasmarkt
en knelpunten die gerelateerd zijn aan weg- en railtransport.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit een gedetailleerde aanvullende inventarisatie (KPMG, 2003) is gebleken
dat bij circa 500 van de 2100 verkooppunten van LPG als autobrandstof sprake
is van kwetsbare objecten binnen de 10<sup>–6</sup> contour van het
PR.</al>
      <al>Het transport van LPG in tankauto's (25% van de LPG-transportstroom),
ten behoeve van de bevoorrading van de tussendepots en tankstations, levert
een belangrijke bijdrage aan de GR-aandachtspunten die bestaan bij de ring
Amsterdam en Rotterdam. Hier is sprake van aanzienlijke overschrijding van
de oriënterende waarde voor het GR. Het wegtransport van LPG producten
van en naar de petrochemische industrie in Rijnmond en Zuid-Limburg levert,
in combinatie met het wegtransport van LPG voor autogas en ruimteverwarming,
een groot aantal GR-aandachtspunten bij de steden in Noord-Brabant en Limburg
op: hier is sprake van geringe overschrijdingen van de oriënterende waarde.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Rondom het LPG railtransport (circa 15% van de totale LPG-transportstroom)
zijn in de bestaande situatie veel aandachtspunten voor het GR (overschrijding
oriënterende waarde) daar waar spoorlijnen door stedelijk gebied gaan.
Dit is het geval langs Zwijndrecht/Dordrecht, via de Brabantroute en de route
Rotterdam–Gouda–Duivendrecht/Amsterdam ZO–Amersfoort–Oost
Nederland. Deze LPG stromen betreffen voornamelijk exportstromen afkomstig
van de importterminal Vlissingen en van raffinaderijen in het Rijnmondgebied.</al>
      <al>De verwachting is dat de omvang van de transportstromen over deze tracés
min of meer gelijk zal blijven tot het jaar 2010. Als gevolg van het openstellen
van de Betuweroute kan er echter een significante verschuiving van transportstromen
plaatsvinden. Als gevolg van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen zal naar
verwachting het aantal overschrijdingen van de oriënterende waarde van
het GR toenemen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Rondom het vervoer per zee- en binnenvaartschip (30% van de totale LPG-transportstroom)
en per buisleiding (30% van de totale transportstroom) doen zich op basis
van de huidige stromen, autonome ontwikkelingen in de keten en eerste (globale)
inschatting van ruimtelijke ontwikkelingen geen veiligheidsknelpunten voor.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In fase 2 van de Ketenstudies wordt een groot aantal maatregelen voor
het oplossen van de veiligheidsknelpunten onderzocht.</al>
      <tuskop letat="vet">4. Resultaten fase 1 KIEV</tuskop>
      <al>In de eerste fase van KIEV is een goed beeld ontstaan van de mogelijkheden
en onmogelijkheden om door locatiespecifieke aanpassingen de ontwikkeling
van de Nieuwe Sleutelprojecten, de spoorzone Dordrecht en de ontwikkelingsprojecten
langs hoofdinfrastructuur in Amsterdam en Rotterdam vorm te geven. Ook is
inzicht verkregen in het belang van structurele oplossingen voor de realisatie
van deze ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat daarbij om een programma voor
het realiseren van enkele miljoenen m<sup>2</sup> kantoren, tienduizenden
woningen, honderdduizenden m<sup>2</sup> voorzieningen en tienduizenden parkeerplaatsen.
Deze beoogde projecten staan in een aantal gevallen op gespannen voet met
met name het vervoer van brandbare gassen over weg en spoor. In een deel van
de projecten blijken er wel mogelijkheden om binnen de beleidsuitgangspunten
de ruimtelijke programma's te realiseren of is er zicht ontstaan op locatiespecifieke
oplossingen voor knelpunten.</al>
      <al>Besluiten in KIEV-kader over externe veiligheid zullen worden afgestemd
met besluitvorming over geluid- en luchtkwaliteit en het vrijwaringsbeleid
in de daarvoor bestaande kaders</al>
      <tuskop letat="vet">Railtransport</tuskop>
      <al>In de sleutelprojecten Utrecht, Arnhem en Amsterdam bestaan geen externe
veiligheidsknelpunten meer rondom het vervoer van gevaarlijke stoffen over
spoor. Naar verwachting levert dit geen belemmeringen meer op voor gemeentelijke
besluitvorming over de ruimtelijke ontwikkeling.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De voorgenomen ontwikkelingen in Breda, Rotterdam CS, Alexanderknoop,
Parkstad, Medisch Centrum Rotterdam Zuid (MCRZ), Amsterdam Zuid Oost en de
spoorzone in de Drechtsteden staan op gespannen voet met het vervoer van brandbare
gassen, waaronder LPG. Hier wordt verwacht dat de oriënterende waarde
voor het GR zal worden overschreden. Onderzocht wordt in hoeverre
door locatiespecifieke maatregelen (bijvoorbeeld veiligheidsmaatregelen op
het spoor) en aanpassingen aan de plannen (MCRZ) de risico's afdoende kunnen
worden teruggedrongen om deze GR-overschrijding te voorkomen.</al>
      <al>Daarnaast zal in het kader van de Ketenstudie LPG gezocht worden naar
structurele oplossingen. In de Ketenstudies komt ook aan de orde of, en in
welke mate, een verdere verbetering van de veiligheid kan worden bereikt in
situaties waar (d.m.v. locatiespecifieke maatregelen) wel aan de normen kan
worden voldaan.</al>
      <tuskop letat="vet">Wegtransport</tuskop>
      <al>De stedelijke ontwikkelingsplannen in de regio Amsterdam, langs de A10
West en A10 Zuid staan op gespannen voet met het huidige LPG vervoer en de
luchtkwaliteit langs deze wegen. Er ontstaat een grote overschrijding van
de oriënterende waarde van het GR bij ongewijzigde uitvoering van de
plannen. Als locatiespecifieke maatregelen worden omleidingroutes onderzocht.
In het kader van de Ketenstudie LPG wordt bezien in welke mate een verdere
verbetering van de veiligheid kan worden bereikt door structurele maatregelen.
De problemen rondom de luchtkwaliteit worden daar echter niet mee opgelost.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De stedelijke ontwikkelingsplannen in de regio Rotterdam langs de A16
(Kralingse zoom) en de A20 (Alexanderknoop) waarover vervoer van LPG plaatsvindt,
leiden tot overschrijdingen van de grenswaarde voor het PR en de oriënterende
waarde van het GR. Rotterdam zoekt de oplossing hier vooralsnog in zonering
aangezien hier geen omleidingroutes mogelijk zijn. Rotterdam vraagt tevens
om een structurele aanpak in het kader van de Ketenstudie LPG. Het project
Schieveste kampt uitsluitend met een luchtkwaliteitsprobleem.</al>
      <tuskop letat="vet">5. Vervolgtraject</tuskop>
      <al>Binnen KIEV wordt, waar mogelijk, verder in detail gekeken naar de oplossingen
die door locatiespecifieke maatregelen en aanpassing van ruimtelijke plannen
kunnen worden gerealiseerd. Voor een groot deel van de projecten zal dit in
het jaar 2003 tot voorstellen leiden en voor de overige projecten zal dit
in 2004 het geval kunnen zijn. Vanuit KIEV wordt voorts input geleverd aan
de Ketenstudies, de regelgeving voor luchtkwaliteit en de regelgeving voor
vrijwaringzones.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De resultaten van de Ketenstudies worden eind 2003 gerapporteerd. Daarmee
wordt duidelijk welke structurele maatregelen in de ketens (productie, transport,
opslag, gebruik) voor de gesignaleerde knelpunten worden voorgesteld, en wat
daarmee de resterende noodzaak is voor keuzes ten aanzien van ruimtelijke
ambities en externe veiligheid. Hierover wordt u eind 2003 geïnformeerd
zijn.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,</functie>
        <naam>S. M. Dekker</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>