Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2000-2001
Kamerstuk 27700 nr. 23

Gepubliceerd op 16 mei 2001



27 700
Financiële verantwoordingen over het jaar 2000

nr. 23
FINANCIËLE VERANTWOORDING VAN HET MINISTERIE VAN DEFENSIE (X) OVER HET JAAR 2000

Deze financiële verantwoording van het ministerie bestaat uit:

– de rekening van verplichtingen, uitgaven en ontvangsten, voorzien van een toelichting;

– de op deze rekening aansluitende saldibalans per 31 december 2000, voorzien van een toelichting.

De financiële verantwoordingen van de agentschappen

– Defensie Telematica Organisatie en

– Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen

bestaan uit:

– de rekening van baten en lasten, voorzien van een toelichting;

– de rekening van kapitaaluitgaven en -ontvangsten, voorzien van een toelichting en

– de balans per 31 december 2000, voorzien van een toelichting.

Den Haag, 16 mei 2001

De Minister van Defensie,

F. H. G. de Grave

Staat behorende bij de financiële verantwoording over het jaar 2000 Rekening 2000 Ministerie van Defensie (X) Onderdeel uitgaven en verplichtingen

   (1) (2)(3) = (2) – (1)
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begroting Realisatie1Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
   Verplich-tingenUitgavenVerplich-tingenUitgaven Verplich-tingenUitgavenVerplich-tingenUitgavenVerplich-tingenUitgavenVerplich-tingenUitgaven
   NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000 NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000
  TOTAAL  14 240 5126 462 063   14 830 7066 729 881  590 194267 818
                
01 Algemeen  855 357388 144   798 340362 271  – 57 017– 25 873
 20Personeel en materieel282 438128 165288 552130 939 378 783171 884377 457171 28396 34543 71988 90540 343
 21Subsidies en bijdragen131 77459 796131 77459 796 132 08659 938135 52161  4973121423 7471 700
 22Geheime uitgaven1 1004991 100499 1 1004991 1004990000
 23Internationale verplichtingen143 31865 035152 61569 254 138 31662 765153 34169 583– 5 002– 2 270726329
 24Garanties0000 00000000
 25Milieumaatregelen7 8603 5677 8603 567 2 0399255 2202  369– 5 821– 2 641– 2 640– 1 198
 26Technologie-ontwikkeling31 15214 13644 99420 417 23 19010 52331 76414 414– 7 962– 3 613– 13 230– 6 004
 27Loonbijstelling80 56536 55980 56536 559 0000– 80 565– 36 559– 80 565– 36 559
 28Prijsbijstelling50 00022 68950 00022 689 0000– 50 000– 22 689– 50 000– 22 689
 29Overige departementale uitgaven97 39444 19597 89744 424 90 91841 25793 93742 627– 6 476– 2 939– 3 960– 1 797
                
02 Pensioenen en uitkeringen  1 747 162792 828   1 798 363816 062  51 20123 234
 01Wachtgelden burgerpersoneel en inactiviteitswedden militair personeel0000 00000000
 02Militaire pensioenen en uitkeringen1 747 162792 8281 747 162792 828 1 797 592815 7121 798 363816 06250 43022 88451 20123 234
                
03 Koninklijke Marine  2 940 1781 334 195   3 072 3831 394 187  132 20559 992
 20Personeel en materieel2 032 924922 5012 041 231926 270 2 241 6001 017 1942 166 565983 144208 67694 693125 33456 874
 21Subsidies en bijdragen483219483219 4832194832190000
 22Investeringen groot materieel en infrastructuur1 145 164519 653898 464407 705 2 092 139949 371905 335410 823946 975429 7196 8713 118
                
04 Koninklijke Landmacht  4 597 3932 086 206   4 659 3512 114 321  61 95828  115
 20Personeel en materieel3 504 0651 590 0753 589 5971 628 888 3 892 2721 766 2363 750 3601 701 839388 207176 161160 76372 951
 21Subsidies en bijdragen1 8338321 833832 1 5837181 908866– 250– 1137534
 22Investeringen groot materieel en infrastructuur2 233 5521 013 5421 005 963456 486 844 840383 372907 083411 616– 1 388 712– 630 170– 98 880– 44 870
                
05 Koninklijke Luchtmacht  2 313 0191 049 602   2 554 9541 159 388  241 935109 785
 20Personeel en materieel1 978 198897 6671 923 093872 662 2 096 145951 1892 079 537943 653117 94753 522156 44470 991
 22Investeringen groot materieel en infrastructuur1 086 661493 105389 926176 941 274 457124 543475 417215 735– 812 204– 368 56285 49138 794
                
06 Koninklijke Marechaussee  503 357228 413   551 563250 288  48 20621 875
 20Personeel en materieel465 886211 410464 911210 967 515 292233 829509 385231 14949 40622 41944 47420 181
 22Investeringen groot materieel en infrastructuur38 05217 26738 44617 446 46 57821 13642 17819 1408 5263 8693 7321 694
                
08 Multi-service projecten en activiteiten  813 245369 034   866 630393 260  53 38524 225
 01Luchtmobiele brigade85 20138 663361 501164 042 45 61620 700345 098156 599– 39 585– 17 963– 16 403– 7 443
 02Vredesoperaties355 207161 186355 207161 186 404 405183 511422 973191 93749 19822 32567 76630 751
 04Overige uitgaven Internationale Samenwerking96 53743 80796 53743 807 98 80544 83698 55944 7242 2681 0292 022918
 05Efficiencybesparing/kwaliteitsverbetering0000 00000000
 06EVDB-fonds0000 00000000
                
09 Defensie Interservice Commando  470 801213 640   529 122240 105  58 32126 465
 02Personeel en materieel447 184202 923447 184202 923 498 827226 358498 790226 34151 64323 43551 60623 418
 03Investeringen groot materieel en infrastructuur19 1538 69123 61710 717 32 54314 76730 33213 76413 3906 0766 7153 047

1 De gerealiseerde bedragen zijn steeds afgerond naar boven (op NLG1000, resp. EUR1000).

Mij bekend,

De Minister van Defensie,

Staat behorende bij de financiële verantwoording over het jaar 2000 Rekening 2000 Ministerie van Defensie (X) Onderdeel ontvangsten

   (1)(2)(3) = (2) – (1)
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
   OntvangstenOntvangstenOntvangsten
   NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000
  TOTAAL727 742330 235870 936395 214143 19464 979
         
01 Algemeen318 085144 341351 304159 41533 21915 074
 20Verrekenbare ontvangsten37 48517 01074 75333 92137 26816 911
 21Niet-verrekenbare ontvangsten280 600127 331276 551125 493– 4 049– 1 837
         
02 Pensioenen en uitkeringen4 1001 86013 8816 2999 7814 438
 01Verrekenbare ontvangsten1 50068112 9085 85711 4085 177
 02Niet- verrekenbare ontvangsten2 6001 180973442– 1 627– 738
         
03 Koninklijke Marine120 21154 549101 68646 143– 18 525– 8 406
 20Verrekenbare ontvangsten118 11153 59693 79542 562– 24 316– 11 034
 21Niet-verrekenbare ontvangsten2 1009537 8913 5815 7912 628
         
04 Koninklijke Landmacht121 64155 198154 11169 93332 47014 734
 20Verrekenbare ontvangsten114 25151 845139 82963 45225 57811 607
 21Niet-verrekenbare ontvangsten7 3903 35314 2826 4816 8923 127
         
05 Koninklijke Luchtmacht97 90044 425159 50872 38261 60827 956
 20Verrekenbare ontvangsten90 20040 931137 63862 45747 43821 526
 21Niet-verrekenbare ontvangsten7 7003 49421 8709 92414 1706 430
         
06 Koninklijke Marechaussee10 1104 58811 5515 2421 441654
 20Verrekenbare ontvangsten9 5104 31510 4694 751959435
 21Niet-verrekenbare ontvangsten6002721 082491482219
         
08 Multi-service projecten en activiteiten12 0005 44525 06711 37513 0675 930
 01Ontvangsten Luchtmobiele brigade001868418684
 02Ontvangsten naar aanleiding van Vredesoperaties3 6001 63415 2516 92111 6515 287
 03Overige ontvangsten Internationale Samenwerking8 4003 8129 6304 3701 230558
         
09 Defensie Interservice Commando43 69519 82853 82824 42610 1334 598
 02Verrekenbare ontvangsten43 69519 82852 61123 8748 9164 046
 03Niet-verrekenbare ontvangsten001 2175521 217552

Mij bekend,

De Minister van Defensie

Staat behorende bij de financiële verantwoording over het jaar 2000 Rekening 2000 Ministerie van Defensie (X) Onderdeel agentschappen

   (1)(2)(3) = (2) – (1)
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatie1Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
   NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000
01 Agentschap Defensie Telematica Organisatie      
  Totale baten447 800203 203460 800209 10213 0005 899
  Totale lasten443 000201 025468 600212 64125 60011 617
  Saldo van baten en lasten4 8002 178– 7 800– 3 539– 12 600– 5 718
         
  Totale kapitaalontvangsten252 700114 670239 300108 590– 13 400– 6 081
  Totale kapitaaluitgaven286 200129 872306 400139 03820 2009 166
         
02 Agentschap Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen      
  Totale baten153 70069 746178 19980 86424 49911 119
  Totale lasten153 70069 746182 18582 67328 48512 928
  Saldo van baten en lasten00– 3 986– 1 809– 3 986– 1 809
         
  Totale kapitaalontvangsten62 10028 18069 60831 5877 5083 407
  Totale kapitaaluitgaven67 50030 63071 34332 3743 8431 744

1 De gerealiseerde bedragen zijn steeds afgerond naar boven (op NLG1000, resp. EUR1000).

Mij bekend,

De Minister van Defensie

INHOUDSOPGAVE VAN DE FINANCIËLE VERANTWOORDING 2000Blz.:
   
Algemene toelichting
1.Inleiding7 
2.Leeswijzer7
 a. Versnelling7
 b. Norm bij het verklaren van verschillen7
 c. Verwijzing naar suppletore begrotingen8
3.Beleidsprioriteiten:8
 a. Gevechtskracht/overhead8
 b. Vredesoperaties8
 c. Defense Capabilities Initiative8
4.Aanbevelingen Werkgroep Financiële Verantwoordingen9
 a. Werving en selectie9
 b. Investeringscyclus12
 c. Brandstof en energiegebruik13
5.Het totale realisatiebeeld13
6.Bedrijfsvoering14
 a. Het Veranderingsproces14
 b. Beleid Bedrijfsvoering Defensie15
 c. Informatievoorziening15
 d. Prestatieindicatoren en kengetallen16
 e. Evaluaties en audits16
 f. Personeelsbeleid16
 g. Financieel beheer17
 h. Rechtmatigheidsonderzoek 1999 van de Algemene Rekenkamer18
 i. Financiële informatiesystemen19
7.Millennium19
8.Invoering Euro20
9.Misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O)21
10.Actieplan professioneel inkopen en uitbesteden22
11.Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording22
   
Artikelsgewijze toelichting
   
Verplichtingen en uitgaven
– Beleidsterrein Algemeen24
– Beleidsterrein Pensioenen en uitkeringen38
– Beleidsterrein Koninklijke Marine38
– Beleidsterrein Koninklijke Landmacht57
– Beleidsterrein Koninklijke Luchtmacht71
– Beleidsterrein Koninklijke Marechaussee84
– Beleidsterrein Multiservice projecten en activiteiten91
– Beleidsterrein Defensie Interservice Commando96
   
   
Ontvangsten 
– Beleidsterrein Algemeen108
– Beleidsterrein Pensioenen en uitkeringen109
– Beleidsterrein Koninklijke Marine110
– Beleidsterrein Koninklijke Landmacht112
– Beleidsterrein Koninklijke Luchtmacht113
– Beleidsterrein Koninklijke Marechaussee114
– Beleidsterrein Multiservice projecten en activiteiten115
– Beleidsterrein Defensie Interservice Commando116
   
Agentschappen
– Defensie Telematica Organisatie117
– Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen131
   
   
– Saldibalans per 31 december 200000147
   
   
Bijlagen 
– Pilot mededeling over de bedrijfsvoering160
– De wijze en de mate van inzet bij de crisisbeheersings-, vredes- en humanitaire (CVH) operaties165
– Investeringscyclus177
– Overzicht Brandstof- en energiegebruik181
– Nederlandse Navo-rapportage met een overzicht van de Nederlandse bijdrage aan het Defence Capabilities Initiative (DCI) in 2000182
– Overzicht afgeronde onderzoeken198
– Ramingskengetallen201
– Lijst met afkortingen219

1. Inleiding

Met deze financiële verantwoording wordt verantwoording afgelegd over de besteding van de begrotingsgelden in 2000. In totaal gaat het om een bedrag van f 14,8 miljard aan uitgaven, f 15,6 miljard aan verplichtingen en f 0,9 miljard aan ontvangsten. De financiële verantwoording van Defensie is opgebouwd uit twee delen: de rekening met een algemene en een artikelsgewijze toelichting inclusief de verantwoording van de agentschappen en de saldibalans met een toelichting.

In deze algemene toelichting wordt, na de leeswijzer, samenvattend en in hoofdlijnen ingegaan op de beleidsprioriteiten gevechtskracht/overhead en vredesoperaties, het realisatie-beeld, een aantal bedrijfsvoeringsaspecten en voorts, naast het actieplan «Professioneel inkopen en uitbesteden», andere thema's die, conform het voorstel van de werkgroep «Financiële verantwoordingen», in 1999 en in 2000 aandacht hebben gekregen.

In de artikelsgewijze toelichting worden de realisatiecijfers vergeleken met de begrotingsramingen. Dit gebeurt op het niveau van beleidsterrein, begrotingsartikel en begrotingsressort. Vervolgens volgen de rekeningcijfers van de agentschappen. De financiële verantwoording sluit af met een achttal bijlagen: een bijdrage «Pilot mededeling over de Bedrijfsvoering», een nadere toelichting bij de wijze en de mate van inzet bij de CVH-operaties, een cijfermatig overzicht met betrekking tot de Investeringscyclus groot materieel, de overzichten brandstof- en energiegebruik, Defence Capabilities Initiative (DCI), afgeronde onderzoeken (audits), geraamde en gerealiseerde ramingskengetallen en tenslotte een afkortingenlijst.

2. Leeswijzer

a. Versnelling

Aansluitend op de vorig jaar voor het eerst gerealiseerde indieningstermijn van 15 maart van de verantwoording en de slotwet over het vorige dienstjaar, is ook over het jaar 2000 voldaan aan deze indieningstermijn.

b. Norm bij het verklaren van verschillen

Voor het toelichten van verschillen tussen begroting en realisatie op het niveau van de artikelonderdelen zijn de volgende normen gehanteerd:

Norm bij het verklaren van verschillen

Voor begrotingsbedragenVerschillen
tot f 25 miljoen> 20% en minimaal f 1 miljoen
vanaf f 25 miljoen> f 5 miljoen

De normkeuze houdt in dat alleen verschillen die de aangegeven (absolute of relatieve) omvang te boven gaan worden toegelicht. Om redenen van beleidsrelevantie zijn in enkele gevallen ook kleinere verschillen toegelicht.

c. Verwijzingen naar suppletore begrotingen 2000

Tijdens de uitvoering van de begroting 2000 is de Tweede Kamer al over het merendeel van de mutaties geïnformeerd door middel van een tweetal suppletore begrotingen. Voor een meer uitvoerige toelichting op het betrokken deel van de gerealiseerde verschillen wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij deze begrotingen:

– eerste suppletore begrotingswijziging (samenhangende met de Voorjaarsnota): Wet van 14 september 2000, Stb. 398;

– tweede suppletore begrotingswijziging (samenhangende met de Najaarsnota): Wet van 1 februari 2001, Stb. 119.

3. Beleidsprioriteiten (Motie Melkert/Werkgroep Van Zijl)

a. Gevechtskracht/overhead

Zoals eerder aangegeven wordt de gevechtskracht vertaald naar «doelstellingen van operationele gereedheid». In de ontwerpbegroting 2000 (Kamerstukken II, 1999–2000, 26 800 X, nr. 1–2) is daartoe een eerste aanzet op ressortniveau gegeven. In deze verantwoording over het jaar 2000 is voor het eerst de realisatie van deze doelstellingen bij de betrokken ressorts opgenomen. Daar wordt tevens ingegaan op de gerealiseerde inzetbaarheid van de eenheden. Gebleken is dat de gekozen systematiek van de gereedheidsmatrices zich niet echt leent om de realisatie van de operationele inzetbaarheid op goede wijze weer te geven. Momenteel wordt gewerkt aan de verbetering van deze systematiek.

b. Vredesoperaties

Ten laste van het artikel 08.02 worden de uitgaven ten behoeve van vredesoperaties verantwoord. Deze uitgaven betreffen het Nederlandse aandeel (1,62% voor 2000) in de kosten van VN-operaties (contributies) en de additionele uitgaven die het gevolg zijn van de deelname van de Nederlandse krijgsmacht aan vredesoperaties.

Bij de opstelling van de ontwerpbegroting 2000 is rekening gehouden met geïntensiveerde Nederlandse inzet op de Balkan. De totale voorziening voor additionele uitgaven ten behoeve van vredesoperaties en de VN-contributies bedroeg op dat moment f 355,2 miljoen. Door hogere verrekenbare ontvangsten en noodzakelijke toevoegingen uit het HGIS-budget voor met name de verhoging van de VN-contributies door toename van het aantal VN-operaties en de vergrote personele inzet ten aanzien van de deelname aan SFOR, werd het niveau van de voorzieningen voor vredesoperaties in 2000 bij tweede suppletoor op een totaal van f 417,0 miljoen gebracht. Uiteindelijk is totaal f 423,0 miljoen uitgegeven.

In de bijlage «De wijze en de mate van inzet bij de crisisbeheersings-, vredes- en humanitaire (CVH) operaties», wordt nader ingegaan op de diverse operaties. Tussentijdse evaluaties van lopende operaties worden op 16 mei separaat aangeboden.

c. Defense Capabilities Initiative

Nederland hecht belang aan het Defence Capabilities Initiative (DCI). De regeringsleiders van de Navo namen dit initiatief tijdens de Top vanWashington in april 1999 omdat de Navo-strijdkrachten in de veranderende veiligheidssituatie doeltreffend moeten kunnen blijven optreden. Het DCI bevat in totaal 58 doelstellingen die de Navo-lidstaten komende jaren moeten uitvoeren ter verbetering van het voortzettingsvermogen, de inzetbaarheid, de mobiliteit, de effectiviteit, het overlevingsvermogen en de interoperabiliteit van hun eenheden. Binnen de Navo ziet de High Level Steering Group toe op de uitvoering van deze maatregelen.

Zoals toegezegd tijdens het algemeen overleg over de financiële verantwoording 1999 gaat de verantwoording over het begrotingsjaar 2000 nader in op het DCI-initiatief. Een overzicht van de Nederlandse bijdrage daaraan is in bijlage 5 opgenomen. De DCI-doelstellingen hebben tevens belangrijk richting gegeven aan de in de Defensienota 2000 opgenomen maatregelen.

4. Aanbevelingen Werkgroep Financiële verantwoordingen

a. Werving en selectie

De personeelsvoorziening van Defensie beoogt nadrukkelijk een integrale benadering van alle aspecten van in-, door- en uitstroom. Het gaat hierbij zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin om de vulling en bezetting van functies. Met de brieven van 30 mei 2000 (TK 1999–2000, 26 900, nr. 27) en 31 oktober 2000 (TK 2000–2001, 26 900, nr. 32) is het parlement geïnformeerd over de knelpunten bij de realisatie van de Defensienota 2000 en de maatregelen die zijn genomen om de personeelsvoorziening te verbeteren.

Meer specifiek is het parlement geïnformeerd over de wervings- en vullingsproblematiek in relatie tot het ambitieniveau (TK 1999–2000, 27 400, nr 7 alsmede een presentatie daarover voor de VCD op 30 november 2000). Hierbij is voorgesteld dit onderwerp in het vervolg niet meer separaat, maar als onderdeel van de financiële verantwoording nader te adresseren en te analyseren.

In het kader van de verbetermaatregelen is een «Integrale Monitor Personeelsvoorziening Defensie» ontwikkeld, waarvan de belangrijkste ken- en stuurgetallen onderstaand worden aangegeven voor de vier delen: monitor arbeidsmarkt, monitor werving en selectie, monitor instroom en doorstroom en monitor uitstroom.

De omvang van de doelgroep voor een aanstelling als militair (17–27 jarigen) is ongeveer 2,4 miljoen. Hiervan zijn volgens onderzoek naar verwachting ruim 1,4 miljoen jongeren beschikbaar. Belangstellingsonderzoek heeft uitgewezen dat desgevraagd ongeveer 10% van deze jongeren belangstelling heeft voor een baan als militair. Voorts is een aanzienlijk deel van de jongeren nog onbekend met de mogelijkheden om aangesteld te worden als militair.

In 2000 hebben bijna 65 000 personen in de doelgroep een informatiepakket aangevraagd. Hiervan hebben uiteindelijk 16 600 personen gesolliciteerd voor een baan als militair, waarbij zij die opteren voor de NATRES dan wel een oriëntatiejaar bij een van de krijgsmachtdelen, buiten beschouwing worden gelaten. Uiteindelijk hebben hiervan ongeveer 5900 kandidaten het selectietraject met goed gevolg doorlopen. De uitval gedurende het selectietraject is ongeveer gelijk aan de uitval in 1999.

Bij benadering wordt de uitval van ongeveer 10 700 kandidaten tijdens het selectietraject als volgt veroorzaakt.

administratieve voorselectie:11%
uitval bij psychologisch onderzoek:27%
uitval bij geneeskundig onderzoek:21%
veiligheidsonderzoek:vrijwel nihil
terugtrekkers gedurende het selectieproces:19%
nog toe te rekenen «restpost»:22% ( incl. 15% luchtvarenden)

Gedurende het jaar 2000 is ongeveer 5% van het aanstellingsresultaat gerealiseerd door kandidaten in het selectieproces alsnog aan te stellen bij een ander krijgsmachtdeel dan hun eerste voorkeur (de zogenaamde «watervallers»).

Om het aandeel terugtrekkers te verlagen is de periode tussen aanmelding en keuring reeds teruggebracht van 11 tot ongeveer 4 weken. Tevens zijn voor dit jaar additionele maatregelen genomen om de binding na de keuring met de toekomstige werkgever te verbeteren. Dit zogenaamde opkomstverloop bedroeg in 2000 ongeveer 5%.

De aanstellingskosten per geselecteerde kandidaat bedragen in 2000 ongeveer f 17 000,–.

Het aanstellingsresultaat in 2000 was in totaal 6653 militairen. Daarvan zijn 5609 kandidaten van buiten Defensie aangesteld; 1044 militairen zijn intern doorgestroomd. Deze interne doorstroom bestaat uit BBT-ers die een BOT-contract hebben getekend, en uit militairen die zijn ingestroomd vanuit een ander krijgsmachtdeel.

Bij de instroom wordt onderscheid gemaakt tussen aanstellingsbehoefte en aanstellingsopdracht (AO). Deze begrippen behoeven toelichting. De aanstellingsbehoefte is een op een bepaald moment aanwezige behoefte aan nieuwe militairen. Mede op basis van de aanstellingsbehoefte wordt een aanstellingsopdracht verstrekt om een bepaald aanstellingsresultaat te realiseren. Het verschil tussen behoefte en opdracht wordt onder andere bepaald door het opkomstverloop, het niet-regulier (waaronder opleidings-) verloop en de situatie op de arbeidsmarkt. Dit betekent dat de aanstellingsopdracht de facto lager kan liggen dan de aanstellingsbehoefte. In onderstaande tabel is aangegeven welke aanstellingsbehoefte bestond, welke aanstellingsopdracht is gegeven en welke aanstellingsresultaten in 2000 zijn gerealiseerd.

Tevens worden de effecten voor 2001 weergegeven.

Aanstellingsbehoefte, -opdracht en -resultaat (intern en extern).

 Behoefte 2000Opdracht 2000Resultaat 2000Resultaat/OpdrachtBijgestelde AO 2001
 BOTBBTBOTBBTBOTBBTBOTBBTBOTBBT
KM2191 5282191 5283161 117144%73%3241 823
KL5134 4315004 1943003 30460%79%3774 200
KLu1401 4281501 117176706117%63%3131 210
KMAR9262992722100634109%88%330758
Totaal9648 0169617 5618925 76193%76%1 3447 991

Als laatste onderdeel van het personeels-logistieke proces wordt bij de externe uitstroom onderscheid gemaakt tussen reguliere en niet-reguliere uitstroom. De reguliere uitstroom voor BOT en BBT bedroegen in 2000 respectievelijk 877 en 3070 terwijl de niet-reguliere uitstroom respectievelijk 1122 en 1932 was. De totale uitstroom bedroeg derhalve 7001.

Uitstroom

 BOTBBT
 RegulierNiet-RegulierRegulierNiet-Regulier
KM252350575432
KL2614891 9771 103
KLu316172372285
KMAR48111146112
Totaal8771 1223 0701 932

Vergelijking van de externe instroom met de uitstroom leert dat de werkelijke sterkte is gedaald ten opzichte van 1999. Deze daling wordt vooral veroorzaakt door een daling van het BOT-bestand. Het opleidingsverloop is een bijzondere vorm van het niet-reguliere verloop. Door de gehanteerde nieuwe definitie kunnen kleine verschillen optreden ten opzichte van het verleden.

Het opleidingsverloop BBT (als percentage van de instroom in die opleidingen) bedroeg in 2000 bij de KM ongeveer 20%, bij de KL 28%, bij de KLu 9% en bij de KMAR 17%. Het beleid is er op gericht om het opleidingsverloop in 2004 terug te brengen tot maximaal 10%.

Een en ander heeft voor de ontwikkeling van de personele sterkte de navolgende consequenties:

  2000 2001
  MTBSBSWSMTBSBS
KMBP4 0934 1814 2414 0934 170
 BOT8 1288 1287 8927 3687 318
 BBT4 4154 4314 1474 9524 811
KLBP8 7629 0648 9708 7358 890
 BOT10 76310 92710 77010 66410 747
 BBT14 73212 18911 24214 87512 352
KLuBP1 7011 6981 6891 6691 669
 BOT7 7507 7677 4647 2877 320
 BBT3 5353 5353 3514 3134 313
KMARBP254254273312312
 BOT3 3043 2973 0303 1023 095
 BBT1 9171 9171 8982 1382 138
COBP9639849739771 009
 BOT608608513589590
 BBT2626202626
DICO (excl.BP1 2241 2401 2551 1961 203
Agenstschap-BOT9221 008946909994
pen)BBT461377341501417
Totaal 73 55871 63169 01573 70671 374

MTBS = Maximaal Toegestane Begrotingssterkte

BS = Begrotingssterkte

WS = Werkelijke sterkte

Doelmatigheidsindicatoren wervings- en selectieproces

De door de werkgroep gevraagde informatie over de doelmatigheid van het wervings- en selectieproces is onderstaand weergegeven. Met ingang van de begroting 2002 zal deze informatie ook in de ontwerpbegroting worden opgenomen.

DoelmatigheidsindicatorenPrognose
 199920002001
Kostprijs initiële selectie2 5942 6782 610
Kostprijs bijzondere selectie1 1689891 231
Kostprijs werving12 68914 34117 493
Kostprijs aanstelling15 28317 01920 102
Watervallen (%)* 44
Doorlooptijd selectie (weken)** 104
Bezettingsgraad initiële en bijzondere selecties (%)*** 

* na 1 september 1999 werden alle sollicitatieformulieren in het RIOS DWS systeem ingevoerd. Hierdoor kunnen pas vanaf 2000 gegevens worden gegenereerd.

** Tot oktober 2000 was de gemiddelde doorlooptijd 10 weken, over het laatste kwartaal zijn nog geen gegevens beschikbaar.

*** Gegevens nog niet voorhanden, daar de definities nog niet zijn bepaald.

b. Investeringscyclus

In bijlage 3 is in het kader van de «investeringscyclus» een overzicht opgenomen, waarin de ontwikkeling in de lengte van de operationele levensduur van groot materieel is aangegeven. Bij dit overzicht worden de volgende kanttekeningen gemaakt.

Alleen die hoofdwapensystemen zijn in beschouwing genomen, welke thans in operationeel gebruik zijn en daadwerkelijk voor militaire operaties zijn ingezet. Bij «aantal in gebruik» is niet het oorspronkelijk aantal aangeschafte wapensystemen vermeld, maar het aantal wapen-systemen waarover momenteel wordt beschikt.

Zowel de oorspronkelijk geplande als de naar huidig inzicht voorziene levensduur zijn vermeld. Daar sommige wapensystemen meer dan 25 jaar geleden zijn aangeschaft, kon niet altijd worden achterhaald wat de oorspronkelijk beoogde levensduur was. De jaartallen in de kolom «Uitfasering huidig schema» dienen als indicatief te worden beschouwd voor die wapensystemen welke nog geruime tijd in gebruik blijven.

In het overzicht is opgenomen bij welke vredesoperaties het wapensysteem is/wordt ingezet en welke effecten en gevolgen dit heeft voor de levensduur, investerings- of exploitatiekosten.

Kosten vredesoperaties. Inzet van groot materieel voor vredesoperaties leidt tot additionele materiële exploitatiekosten in verband met verbruik van brandstof, verbruiksartikelen, munitie en kosten voor gebruiksgereed maken, onderhoud en herstel van materieel. De additionele exploitatiekosten welke aantoonbaar verband houden met deelname aan vredesoperaties, worden ten laste van Begrotingsartikel 08.02 (Vredesoperaties) gebracht. Voor enkele wapensystemen zijn investeringen gepleegd, welke verband hielden met de inzet voor een vredesoperatie. Een voorbeeld hiervan is de uitrusting van 3 PC-3 Orion vliegtuigen met zelfbeschermingsmiddelen ten behoeve van de operaties boven Kosovo. In principe komen deze investeringskosten ten laste van de reguliere begrotingsartikelen. Indien aanpassingen nodig zijn in verband met bijzondere klimatologische omstandigheden, terreinomstandigheden of dreigingen dan komen investeringen in aanmerking voor boeking op artikel 08.02.

Levensduur en vredesoperaties. Geconstateerd is dat inzet van materieel tijdens vredesoperaties relatief intensief is en daardoor een grotere slijtage vertoont dan voorzien. Het slijtageprobleem geldt met name voor rollend en vliegend materieel. Gevolg is een toename van onderhoud en een toenemend gebruik van reservematerieel. Niet of niet tijdig uitvoeren van noodzakelijk onderhoud kan leiden tot een verkorting van de levensduur. Of en in welke mate sprake is van grotere slijtage dan voorzien, is van vele factoren afhankelijk. Belangrijke factoren zijn de aard en duur van de operatie en de omstandigheden in het inzetgebied (klimaat, infrastructuur). De exacte gevolgen van de inzet van materieel bij vredesoperaties voor onderhoud en/of levensduur zijn evenwel moeilijk vast te stellen en niet in geld of tijd te kwantificeren.

Over de levensduur wordt verder opgemerkt dat inzet tijdens vredesoperaties tot nieuwe operationele, logistieke en technische inzichten kan leiden. Om hieraan binnen de planmatig voorziene levensduur tegemoet te komen zijn veelal aanvullende investerings- en exploitatie-uitgaven benodigd. Indien deze uitgaven niet zouden worden gemaakt, zou op operationele en/of technische gronden vervanging van het betreffende materieel moeten worden vervroegd.

c. Brandstof- en energieverbruik

De door de Werkgroep Financiële Verantwoording gevraagde informatie met betrekking tot energie- en brandstofgebruik is opgenomen in bijlage 4. Overigens wordt in dit kader gewezen op het medio dit jaar uit te brengen Milieu Jaarverslag 2000.

5. Het totale realisatiebeeld

In de onderstaande tabel, naar beleidsterreinen ingedeeld, is de realisatie 2000 (inclusief HGIS) afgezet tegen de geautoriseerde begroting 2000. Voor een goed vergelijk zijn ook de realisatiecijfers van 1998 en 1999 opgenomen:

Uitgaven (bedragen x f 1000,–)Realisatie 1998Realisatie 1999 Autorisatie-begroting 2000Realisatie 2000Verschil tussen autorisatie-begroting 2000 en realisatie 2000
  (1)(2)(3)(4)(5)=(3)-(4)
      AbsoluutRelatief
01Algemeen681 871760 355855 357798 340– 57 017– 6,7%
02Pensioenen en uitkeringen1 690 2901 809 4711 747 1621 798 36351 2012,9%
03Koninklijke Marine2 783 3613 046 0812 940 1783 072 383132 2054,5%
04Koninklijke Landmacht4 313 0394 738 7824 597 3934 659 35161 9581,3%
05Koninklijke Luchtmacht2 933 1122 697 3952 313 0192 554 954241 93510,5%
06Koninklijke Marechaussee475 247512 602503 357551 56348 2069,6%
08Multi-service projecten en activiteiten623 641932 031813 245866 63053 3856,6%
09Defensie Interservice Commando488 029498 434470 801529 12258 32112,4%
Totaal13 988 59014 995 15114 240 51214 830 706590 1944,1%

Ten opzichte van de autorisatiebegroting 2000 is per saldo f 590,2 miljoen aan het Defensiebudget toegevoegd. Dit is opgebouwd uit een aantal verhogingen: f 386,5 miljoen voor loon- en prijsbijstelling, f 200 miljoen ten behoeve van het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB), f 118 miljoen met betrekking tot hogere (met de uitgaven verrekenbare) ontvangsten, f 120 miljoen samenhangend met de Voorjaarsnota, f 75 miljoen in verband met de dollar-problematiek en f 20 miljoen voor het verkoopgereedmaken van delen van de Rijkswerf en een aantal fregatten. Daarnaast is het budget voor vredesoperaties verhoogd met f 41 miljoen.

Hier tegenover staan diverse budgetverlagingen. De belangrijkste betreffen de overheveling naar het ministerie van Economische Zaken in verband met de overname van de Koninklijke Schelde Groep door Damen (f 22,5 miljoen), het doorschuiven van f 107,6 miljoen voor EVDB naar 2001, de doorboeking van de gelden voor loonbijstelling en arbeidsvoorwaarden (f 276,243 miljoen), doordat eerst in de loop van 2001 het arbeidsvoorwaardenakkoord voor 2000 is afgesloten en een resterend bedrag aan eindejaarsmarge van f 26,741 miljoen.

Naast de hiervoor aangegeven meer- en minderuitgaven op het totale Defensieniveau zijn budgetten tussen de beleidsterreinen herschikt die een neutraal effect hebben op de hoogte van het Defensiebudget en die vooral verband houden met onderlinge dienstverleningen, overhevelingen van functies en kasgeldaanpassingen van diverse groot materieelprojecten waarbij noodzakelijke meeruitgaven op projecten worden gecompenseerd door (autonome) projectonderschrijdingen.

Een verdere toelichting op de verschillen tussen de autorisatie en de realisatie op begrotingsartikel-, ressort- en/of artikelonderdeelsniveau, is in de artikelsgewijze toelichting opgenomen.

6. Bedrijfsvoering

a. Het veranderingsproces

Het veranderingsproces bij Defensie is een van de veranderdoelstellingen voor het functioneren van de defensieorganisatie in de Defensienota 2000 die in 2003 afgerond moet zijn (zie Financiële verantwoording 1999). In het najaar van 2000 is een tussenstand opgemaakt van de voortgang van het veranderingsproces. Hieruit blijkt dat de desbetreffende maatregelen over het algemeen zijn geïmplementeerd. Het is thans van belang deze te borgen in de organisatie, zodat een transparant en doelgericht functioneren verzekerd is. Een centrale rol hierbij spelen de door de bevelhebbers, de plaatsvervangend secretaris-generaal en commandant Dico periodiek in te dienen toprapportages, die dienen als intern sturingsinstrument. In 2001 zal de hieraan ten grondslag liggende systematiek, vanuit een oogpunt van management control, worden geëvalueerd en waar nodig verbeterd. Daarnaast is het van belang dat het gedachtengoed van het veranderingsproces doorzakt in de werkwijze van de organisatie. Hierbij speelt de interne communicatie een belangrijke rol. Instrumenteel hierbij is, onder andere, de introductie van het nieuwe logo en de voortgang bij de inrichting van het intranet. In het kader van de verbetering van het bestuur is besloten tot het samenbrengen van de ICT-beleidsdeskundigen op het kerndepartement binnen één directie. Hierdoor kan doelmatiger gebruik worden gemaakt van deze schaarse categorie aan personeel, maar bovendien verbetert het de mogelijkheden tot regie op het terrein van de geautomatiseerde informatievoorziening. Het is ook nadrukkelijk bedoeld als een eerste stap om te komen tot een verbeterde, Defensiebrede inzet van dit personeel.

b. Beleid Bedrijfsvoering Defensie (BBD 2000)

De bedrijfsvoering bij Defensie is gebaseerd op het «staand beleid», zoals dat is neergelegd in het raamwerk Beleid Bedrijfsvoering 2000 (BBD-2000). Dit bedrijfsvoeringsbeleid, dat vanaf 1998 wordt ingevoerd aan de hand van 9 implementatiedoelstellingen, is inmiddels in grote mate in de organisatie en werkwijze ingebed. In deze financiële verantwoording komt dit ondermeer tot uitdrukking in de passages die handelen over «doelstellingen operationele gereedheid», het veranderingsproces, informatievoorziening, prestatie-indicatoren, evaluaties en audits.

«Staand beleid» wil niet zeggen statisch beleid. Het bedrijfsvoeringsbeleid wordt immers voortdurend aangepast aan nieuwe inzichten en gewijzigde omstandigheden. Zo heeft het VBTB project, waarin bij punt 11 nader wordt ingegaan, uiteraard grote effecten op het huidige beleid. Andere aspecten als competitieve dienstverlening en toprapportages zullen in het bedrijfsvoeringsbeleid moeten worden verankerd. Dit is een voortdurende activiteit. De aspecten die de komende tijd extra aandacht krijgen zijn toezicht, kwaliteitszorg, de relatie tussen het bedrijfsvoeringsbeleid en de informatievoorziening en de samenhang met het veranderingsproces en het project VBTB.

c. Informatievoorziening

De belangrijkste activiteiten in 2000 op het gebied van de geautomatiseerde informatie-voorziening waren:

a. Het instrument programmamanagement is nader vormgegeven ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van de informatievoorziening en de vergroting van de doelmatigheid. De organisatorische toerusting zal worden versterkt door het ICT-beleidspersoneel van het kerndepartement onder te brengen in één directie.

b. De standaardisering van de ICT-infrastructuur door middel van het defensiebreed invoeren van het LAN2000.

c. De verbetering van de samenhang tussen de plannen van de functionele gebieden (personeel, materieel, operatiën en financiën) op het terrein van de informatievoorziening.

d. Prestatieindicatoren en kengetallen

Gericht op de implementatie van het volledige systeem van doelstellingen en kengetallen in de begroting 2003, zijn in 2000 de reeds ontwikkelde doelstellingen en kengetallen in de bedrijfsvoering van Defensie ingebed. Als eerste is hiertoe de voorbeeldbegroting 2000 opgesteld, waarmee een eerste aanzet is gegeven tot de invulling van het VBTB-gedachtengoed. In deze voorbeeldbegroting zijn naast de financiële middelen ook algemene en geoperationaliseerde doelstellingen opgenomen. Op basis van de bemerkingen van de Kamer, de Algemene Rekenkamer en het ministerie van Financiën op de voorbeeldbegroting, zal het systeem van doelstellingen en kengetallen verder worden vervolmaakt.

Ten tweede is gedurende 2000 ervaring opgedaan met het systeem van gereedheidsmatrices van de drie grootste krijgsmachtdelen. Hieruit is gebleken dat het systeem zonder meer bijdraagt aan de gewenste transparantie over de stand van zaken bij de krijgsmacht. Op enkele punten behoeft het ontwikkelde systeem van gereedheidsmatrices echter nog verbetering, waarmee de transparantie, de aansluiting met het ambitie-niveau en de werking van het systeem als sturing- en verantwoordingsinstrument worden verbeterd.

Voor de vier grootste Dico-ressorts zijn doelmatigheidskengetallen ontwikkeld, welke reeds in de begroting 2001 zijn benoemd. In de begroting 2002 zullen deze kengetallen met bijbehorende streefwaarden worden gepresenteerd.

e. Evaluaties en audits

De resultaten van de in 2000 uitgevoerde bedrijfsvoeringsaudits en beleidsevaluaties, op zowel centraal als decentraal niveau, zijn gebruikt bij het opstellen en onderbouwen van de mededeling over de bedrijfsvoering. De bijdrage van de auditfunctie aan de mededeling over de bedrijfsvoering vergroot de toevoegde waarde van de auditfunctie voor het management bij het beheersen en verbeteren van de bedrijfsvoering. De uitgevoerde bedrijfsvoeringsaudits en beleidsevaluaties maakten onderdeel uit van het Auditplan Defensie 2000 dat is gebaseerd op de uitgevoerde risico-analyse 2000. De gehanteerde risico-benadering stelt Defensie in staat om de aanwezige auditcapaciteit in te zetten op de voor Defensie meest risicovolle bedrijfsvoerings- en beleidsprocessen. Het beheersen van risico's heeft binnen Defensie de volle aandacht en het gebruik van risico-analyse wordt voor een toenemend aantal onderwerpen ingevoerd. Daarnaast is auditcapaciteit ingezet voor het uitvoeren van audits op verzoek. In 2000 is grote vooruitgang geboekt bij het verder verhogen van de kwaliteit van de auditfunctie bij Defensie doordat een veertigtal auditors de Post-HBO-opleiding Operational Auditing succesvol heeft afgerond.

f. Personeelsbeleid

a. Voortgang herstructurering

De vernieuwing van het personeelsbeleid voortvloeiend uit de Defensienota ondervindt de remmende werking van de arbeidsmarkt krapte. Zo blijft de werving van BBT-ers achter bij de behoefte en wordt terughoudend opgetreden met de stimulering van de uitstroom van BOT-ers. Daarnaast blijkt ook de animo voor een BOT-contract groter dan die voor een BBT-contract.

b. Arbeidsvoorwaarden

In 2000 is Defensie er niet in geslaagd met de vertegenwoordigers van de Centrales van Overheidspersoneel overeenstemming te bereiken over een arbeidsvoorwaardenakkoord 2000–2001. De onderhandelingen werden gevoerd over de volgende drie hoofdpunten, de hoogte van de salarismaatregel, de flexibilisering van de arbeidsduur en de verhoging van de ontslagleeftijd voor militair personeel. Het laatste onderwerp bleek bij herhaling het breekpunt. Het in de begroting 2000 hiervoor geraamde bedrag is in zijn geheel meegenomen naar 2001. In februari 2001 is uiteindelijk het akkoord tot stand gekomen.

g. Financieel beheer

a. Betalingsverkeer

Met het oog op beperking van de behandelingskosten, is het terugdringen van het contante betalingsverkeer in onder meer bedrijfsrestaurants een belangrijke doelstelling van Defensie. Ook fraudepreventie is gebaat bij deze ontwikkeling. In 2000 is bij de Koninklijke Landmacht een pilotproject uitgevoerd met elektronisch betalen (pinnen en chippen) waarvan de resultaten dermate bemoedigend zijn dat ook de andere beleidsterreinen vervolgens stappen in deze richting hebben gezet. De aanstaande introductie van de Euro is een reden temeer om, met name ter beperking van problemen in de duale chartale periode (januari 2002), het contante betalingsverkeer waar mogelijk te vervangen door elektronisch betalen. Waar dit het geval is wordt ook gezorgd voor een oplaadpunt. Sinds 1 december 1999 treedt de RABO-Bank International op als huisbankier. De ervaringen over het jaar 2000 met deze nieuwe relatie worden in het voorjaar van 2001 geëvalueerd.

b. Verbeterplannen financieel beheer

De verbeterplannen financieel beheer van de beleidsterreinen spitsen zich toe op 32 benoemde topprioriteiten. Deze worden op het hoogste niveau op afdoening gevolgd en gestuurd. Voor het jaar 2000 is een Jaarplan Topprioriteiten Financieel Beheer vastgesteld. De samenwerking met de departementale accountantsdienst (DEFAC) en de Algemene Rekenkamer (AR) is geïntensiveerd waar het de toetsing betreft van de voortgang, de kwaliteit en de toereikendheid van de verbeteractiviteiten. Met de AR, het ministerie van Financiën en de Koninklijke Luchtmacht zijn afspraken gemaakt over de verbetermaatregelen van de Koninklijke Luchtmacht, die verband houden met een bezwaaronderzoek van de AR naar de kwaliteit van het financieel beheer bij de Koninklijke Luchtmacht. Maandelijks komen de genoemde partijen onder voorzitterschap van de Directeur Financieel-Economische Zaken (DFEZ) bijeen om de voortgang te bespreken.

De bevelhebbers, de commandant Defensie Interservice Commando (DICO) en de Plaatsvervangend secretaris-generaal (PSG) als lijnchef voor de Centrale Organisatie (CO), hebben in de toprapportages aandacht besteed aan de voortgang van de topprioriteiten financieel beheer en materieelbeheer. Met de toprapportages hebben de lijnmanagers tevens de integrale verbeterplannen financieel beheer gepresenteerd, waarin niet alleen de verbeteracties met betrekking tot de topprioriteiten zijn opgenomen, maar waarin alle acties voor alle beheersproblemen zijn gespecificeerd. De AR is in het bezit van deze integrale verbeterplannen. De topprioriteiten financieel beheer en de appreciaties daarbij van de lijnmanagers zijn getoetst aan de volgende criteria:

– zijn de belangrijkste beheersproblemen, zoals geconstateerd door de AR en «in eigen huis», met de prioriteiten ondervangen?

– zijn er actiedragers benoemd en zijn de maatregelen voorzien van een realistisch tijdpad?

– is duidelijk gemaakt hoe de interne bewaking en meetbaarheid van de acties is vormgegeven? Hierbij dienen vooraf meetpunten/ijkpunten te worden geïdentificeerd waaraan de concrete voortgang wordt getoetst;

– wordt er sinds begin 2000 stelselmatig concrete voortgang geboekt zodanig dat de topprioriteiten op afzienbare termijn op orde zijn?

De verbeterpunten zoals die in het verleden zijn onderkend bij materieelbeheer, maken deel uit van het reeds lopende verbeterplan financieel beheer. Daarnaast hebben in 2000 bij alle beleidsterreinen risico-analyses plaatsgevonden als onderdeel van de uitvoering van het Besluit materieelbeheer bij Defensie. In 2000 is voortgang geboekt bij de belangrijkste verbeterpunten. Defensie ziet zich overigens momenteel geplaatst voor problemen met de vulling van de organisatie met voldoende en ervaren personeel, ook in het financiële functiegebied. Maatregelen zijn genomen om de mismatch tussen opleidingscapaciteit en vraag van de beleidsterreinen te verkleinen, ondermeer door de inhuur van externen. Hoewel inhuur in bepaalde gevallen kan helpen bij het bereiken van korte termijnoplossingen, kan het een structurele borging onzeker maken. Dit vereist een zorgvuldige inbedding van verbeterde procedures in de bestaande bevelsstructuren alsmede een betrouwbaar informatiesysteem. De lijnmanagers zijn hiermee belast.

h. Rechtmatigheidsonderzoek 1999 van de Algemene Rekenkamer(Kamerstukken II 1999–2000, 27 153, nrs. 1–2)

De AR heeft ten aanzien van de financiële verantwoording van het ministerie van Defensie over 1999 vastgesteld dat deze een deugdelijke weergave is van de uitkomsten van het financieel beheer en dat deze is opgesteld volgens de voorschriften. Voorts stelde zij vast dat de financiële verantwoordingen van de agentschappen Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (DGW&T) en de Defensie Telematica Organisatie (DTO) aan de eisen voldeden.

Ondanks een lichte vooruitgang in 1999 ten opzichte van het voorgaande jaar constateerde de AR dat er nog sprake was van Defensiebrede tekortkomingen in het financieel beheer. De meeste problemen deden zich voor in het financieel beheer bij de Koninklijke Luchtmacht en de Koninklijke Marechaussee. Ten aanzien van het door de Koninklijke Luchtmacht opgestelde verbeterplan constateerde de AR dat het bijbehorende tijdpad niet in alle gevallen werd gehaald en dat de luchtmachttop vanuit haar verantwoordelijkheid niet echt betrokken was geweest bij de voortgang van de uitvoering van dit plan waardoor er te weinig voortgang werd geboekt. Vanwege de bestaande tekortkomingen besloot de AR een bezwaaronderzoek bij de Koninklijke Luchtmacht in te stellen. Ten tijde van het opstellen van deze verantwoording was het resultaat van dit onderzoek nog niet bekend.

Omdat de Koninklijke Marechaussee bezig was met de implementatie van een volledig nieuwe opzet van de organisatie en de eerste resultaten daarvan reeds zichtbaar waren, heeft de AR hier geen bezwaaronderzoek ingesteld.

Bij de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen, de Koninklijke Landmacht en het Defensie Interservice Commando onderzocht de AR of de situatie verbeterd was na de bezwaar-onderzoeken in 1997 en 1998. Bij alle drie de onderdelen bleek het financieel beheer zodanig verbeterd dat er geen reden werd gezien om bezwaar te maken. De Rekenkamer gaf aan de ontwikkelingen bij de Koninklijke Landmacht te zullen blijven volgen.

i. Financiële informatiesystemen

Om aan de structurele informatiebehoefte, welke voldoet aan de eisen die onder andere de Kamer er aan stelt, in de toekomst betrouwbaar, veilig en tijdig te kunnen voldoen, dient binnen Defensie het concept van geïntegreerde bestuurlijke informatievoorziening te worden geïmplementeerd.

Dit impliceert een Defensiebrede integratie van de bestuurlijke informatiesystemen op het gebied van operatiën, personeel en organisatie, gezondheid en welzijn, materieel en logistiek, opleidingen, economie en financiën, documentaire informatievoorziening en beveiliging. Momenteel wordt een eerste aanzet gegeven om terzake een defensiebreed informatieplan op te stellen en een marsroute uit te zetten om de gewenste situatie van defensiebrede ICT-standaardisering te bereiken.

Tot de gewenste situatie is bereikt, blijft de huidige (functionele) geïntegreerde verplichtingen, kas, en kostenadministratie hét instrument om onder andere rekening en verantwoording af te leggen.

7. Millennium

Medio 1998 heeft het Kabinet gekozen voor een procesgerichte benadering van de aanpak van het millenniumprobleem, waarbij de cruciale maatschappelijke diensten, crisisbeheersingsoperaties en overige belangrijke activiteiten en processen binnen Defensie de hoogste prioriteit hebben gekregen. Defensie heeft met behulp van het beschikbare analyse- en testinstrumentarium de hierbij betrokken systemen doorgelicht. Daaruit is gebleken dat een groot aantal millenniumgerelateerde problemen moesten worden verholpen en systemen millenniumbestendig moesten worden gemaakt. Dit is gebeurd. Ondanks het systematisch inventariseren, analyseren en eventueel repareren cq. vervangen van soft- en hardware en het aansluitend testen van de gekozen oplossing, kon niet met volledige zekerheid worden gegarandeerd of daadwerkelijk op 1 januari 2000 alle vitale maatschappelijke processen, produkten en diensten zouden functioneren. Daarom zijn aanvullende (nood-)maatregelen getroffen.

Na de jaarovergang kon worden teruggekeken op een betrekkelijk rustige millenniumwisseling. Defensie heeft haar reguliere taken, zoals tijdens iedere jaarwisseling, uit kunnen voeren. Er hebben zich defensiebreed geen verstoringen van enige betekenis voorgedaan. Door het uitvoeren van uitgebreide testen, direct na de jaarwisseling, is ook zeer snel duidelijk geworden dat de taken van Defensie uitgevoerd konden worden. De continuïteit van de taakuitvoering van Defensie is derhalve niet in het geding geweest. Bij incidentele verstoringen, die overigens niet van enige betekenis waren, zijn de daartoe geschreven noodplannen direct en zonder enige problemen in werking getreden. Van de ingezette continuïteitsplannen is maximaal 24 uur gebruik gemaakt.

De raming in 1998 (opgenomen in de begroting 1999) bedroeg f 635 miljoen. Bij deze oorspronkelijke raming moest worden uitgegaan van een worstcase scenario. Naar aanleiding van de uitgevoerde analyses en de efficiënte aanpak konden de verwachte uitgaven teruggebracht worden tot f 547 miljoen (opgenomen in de financiële verantwoording 1999). De verhoging die is opgetreden bij de CO wordt voornamelijk verklaard doordat binnen de CO nog geen volledig inzicht in de complexiteit van de millenniumproblematiek bij de inlichtingendienst bestond.

Uiteindelijk zal het totaal aan uitgaven f 526,9 miljoen bedragen. Dit houdt een daling in van 17% ten opzichte van de oorspronkelijke raming. Dit beeld is bij de gehele Rijksoverheid waar te nemen (18%).

De verdeling is als volgt:

Uitgaven (x f 1000,–)Begroting 1999Verantwoording 1999Verantwoording 2000Verschil tussen verantwoording 1999 en verantwoording 2000
    AbsoluutRelatief
Concernkosten37 00032 10032 5004001,2%
Centrale Organisatie22 50028 00029 7001 7006,1%
Koninklijke Marine81 50062 40062 000– 400– 0,6%
Koninklijke Landmacht268 100250 100238 100– 12 000– 4,8%
Koninklijke Luchtmacht131 00082 50077 100– 5 400– 6,5%
Koninklijke Marechaussee19 60025 20025 3001000,4%
Defensie Interservice Commando (inclusief agentschappen)75 30066 70062 200– 4 500– 6,7%
Totaal635 000547 000526 900– 20 100– 3,7%

8. Invoering Euro

De invoering van de Euro geschiedt conform het in 1999 vastgestelde Draaiboek Euro Ministerie van Defensie, opgesteld door de Projectgroep Euro Defensie. Dit draaiboek ondersteunt de coördinatie van aanpassingen in de door het ministerie van Financiën gedefinieerde aandachtsgebieden te weten automatisering, juridische zaken (wet- en regelgeving), administratie en organisatie, treasury en voorlichting.

Defensie heeft gekozen voor een centrale regie vanuit het functiegebied Directoraat-Generaal Economie en Financiën en een decentrale uitvoering door de CO, de krijgsmachtdelen en het Defensie Interservice Commando.

Met de afronding van de fase «voorbereiden» (planning- en analysefase) per 1 juli 2000 is overeenkomstig de interne planning met het daadwerkelijk aanpassen en testen («realisatie» en «testen») van de informatiesystemen begonnen.

Het merendeel van de uitgaven betreft de inhuur van specifieke kwaliteit voor de beoordeling van het europroject, onder andere uitgevoerde audits, ondersteuning door ingehuurde expertise voor de beleidsterreinen om de uitvoering te begeleiden, aanpassingen in geautomatiseerde systemen door met name de Defensie Telematica Organisatie, een workshop voor automatiseringsdeskundigen binnen Defensie en een symposium voor het hogere Defensie-management.

EURORAMINGEN EN REALISATIE DOOR HET MINISTERIE VAN DEFENSIE

Bedragen x f 1000,–

 Raming*Realisatie
1. Personele en materiële uitgaven3 0102 782
2. Wet- en regelgeving700
3. Automatisering8 1924 567
4. Voorlichting7447
5. Overige kosten70213
Totaal11 4167 609

* conform raming Draaiboek Euro Defensie

Algemene toelichting 1.

Het betreft hier uitgaven voor inhuur van ondersteunende capaciteit ten behoeve van het europroject-management bij de beleidsterreinen, alsmede voor door externen uitgevoerde audits.

Algemene toelichting 2.

De wijziging van wetgeving waarvoor Defensie verantwoordelijk is brengt geen extra uitgaven met zich mee. Inventarisatie van interne regelgeving geeft aan dat aanpassing van de regelgeving wel extra drukkosten tot gevolg zal hebben. In 2000 zijn hiervoor echter geen uitgaven gedaan.

Algemene toelichting 3.

De uitgaven hebben voornamelijk betrekking op de inhuur van automatiseringsdeskundigen van de Defensie Telematica Organisatie voor het aanpassen van geautomatiseerde systemen en het opzetten van handboeken.

Algemene toelichting 4.

Defensie heeft een voorlichtingsplan opgesteld ten behoeve van de invoering van de euro. De uitgaven hebben betrekking op voorlichting aan het personeel, zoals brochures, intranetsites, een workshop voor automatiseringsdeskundigen en een symposium voor het hogere management.

Algemene toelichting 5.

Het betreft hier met name verrekeningen met het ministerie van Binnenlandse Zaken in verband met voor Defensie gedane uitgaven ten behoeve van euro-aanpassingen.

9. Misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O)

Er is sprake van gevoeligheid voor misbruik en oneigenlijk gebruik indien de aanspraak op een uitkering of subsidie afhankelijk is van gegevens die door een derde of andere belanghebbenden zelf moeten worden verstrekt. Het beleid ter voorkoming van m&o is een onderdeel van het bij Defensie gevoerde financieel beheer. Evaluatie vindt periodiek plaats.

Een eenvormige aanpak ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik is in de loop van het jaar 2000 uitgewerkt en vastgelegd in een daartoe strekkende aanwijzing Secretaris-Generaal. Deze aanwijzing zal in 2001 in werking treden.

10. Actieplan professioneel inkopen en aanbesteden

Eind 1999 is het actieplan «Professioneel inkopen en aanbesteden» (PIA) aangeboden aan de Tweede Kamer. Het ministerie van Economische Zaken is het coördinerende ministerie voor dit actieplan.

Binnen het ministerie van Defensie zijn ook in 2000 activiteiten verricht die gerelateerd zijn aan PIA.

Analyse van de inkoopportefeuille op kernactiviteiten en mogelijkheden tot verdergaande uitbesteding worden per project afgewogen binnen het reguliere verwervingsproces. Voorts is in 2000 nadere invulling gegeven aan Competitieve Dienstverlening (CDV); voor elk project wordt bezien of uitbesteding aan private partijen een alternatief is.

Inventarisatie van inkoop/aanbestedingen heeft plaatsgevonden in het (jaarlijks op te stellen) jaaroverzicht materieelbeleid over het jaar 2000.

Gezien de vertraging van het PIA-project kunnen voor de rijksoverheid als geheel over het jaar 2000 nog geen concrete zaken worden genoemd.

11. Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording (VBTB)

Door de Projectgroep Beleidsmatige Inrichting Defensiebegroting is een voorbeeldbegroting op basis van de door de Minister van Financiën geformuleerde uitgangspunten VBTB opgesteld. Met deze voorbeeldbegroting is door de politieke en ambtelijke leiding van het departement ingestemd. Door de zorg van de Minister van Financiën is deze voorbeeldbegroting, tezamen met die van de andere departementen aan de Kamer aangeboden.

Uitgangspunt bij de opgestelde voorbeeldbegroting was de gedachte dat Defensie, op basis van de grondwettelijke taak, een instrumentarium ter beschikking dient te stellen (de krijgsmacht, welke in voorbereiding op en tijdens operationele inzet een onlosmakelijke eenheid vormt) waarmee de ambities zoals verwoord in het regeerakkoord en de Defensienota onvoorwaardelijk kunnen worden uitgevoerd. De algemene doelstellingen: bescherming bondgenootschappelijk en eigen grondgebied, deelname aan internationele taken ter handhaving van de internationale rechtsorde en hulp aan civiele overheden, werden voor zover van toepassing als afzonderlijke beleidsartikelen, naast het artikel Beschikbaarheid krijgsmacht opgenomen.

Mede ter voorbereiding op de eerste daadwerkelijke VBTB-begroting is een projectbureau bestaande uit zes formatieplaatsen geformeerd, welke, onder regie van de Directeur Financieel Economische Zaken, gebruik makend van bestaande overlegstructuren en een defensiebrede adviesgroep, de activiteiten om te komen tot een volwaardig product ter hand heeft genomen. Met name wordt in deze projectgroep koppeling van doelstellingen – activiteiten – middelen (de bekende WWW-vragen), de informatiekundige gevolgen van de invoering van VBTB, de impact en reikwijdte van de mededeling bedrijfsvoering alsmede de sturing met bijbehorende beheersinstrumenten uitgewerkt.

Inmiddels heeft meerdere malen overleg met de Kamer plaatsgevonden over de gepresenteerde voorbeeldbegroting. Een eerste overleg heeft geleid tot uitsplitsing van de internationale doelstelling in de elementen Vredesoperaties en Internationale samenwerking (bijdrage aan de Navo). Daarnaast zijn diverse technische opmerkingen gemaakt van de zijde van de Kamer welke zullen worden meegenomen in de uiteindelijk te presenteren begroting.

Vooruitlopende op de invoer van de beleidsmatige begrotingen, waarbij een rol is weggelegd voor de Mededeling Bedrijfsvoering, werkt Defensie aan een «Pilot Mededeling over de bedrijfsvoering». In bijlage I is het eerste resultaat, met een zeer voorlopig karakter, van deze Pilot opgenomen.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING VERPLICHTINGEN EN UITGAVEN

01. Beleidsterrein Algemeen

Algemeen

Beleidsdoelstelling Centrale organisatie.

De Centrale organisatie (CO) omvat het Kerndepartement (KD) en de Militaire Inlichtingendienst (MID). Als beleidsdoelstelling ten aanzien van het financieel beheer bij de CO zijn een adequate inrichting, beschrijving en werking van de financiële functie geformuleerd.

Bedrijfsvoering

In 2000 waren voor de CO op financieel gebied de volgende topprioriteiten gedefinieerd:

– verplichtingenbeheer;

– interne controle;

– implementatie en werking besturingsmodel CO;

– verificatie en betaalbaar stellen facturen;

– implementatie materieelbeheer.

De opzet, het bestaan en deels ook de werking van de vele verbetermaatregelen uit de topprioriteiten financieel beheer zijn over het algemeen gerealiseerd. Wel blijft onverminderde aandacht nodig van het lijnmanagement voor het borgen van de kwaliteit van de vele verbeteracties.

Door prioriteitstelling, als gevolg van een tekort aan personele capaciteit, werd de uitvoering van alle in 2000 geplande audits verschoven naar ultimo 2000. De audit naar de contractvorming met USZO is inmiddels afgerond en de audit naar de beheersing van automatiseringscontracten bevindt zich in de afrondende fase. De definitieve afronding van deze audit vindt naar verwachting in de loop van 2001 plaats.

Implementatie van het BBD2000 bij de CO ligt op schema. Voor de komende periode zal in lijn met de planning worden gewerkt aan de invoering van bedrijfsvoeringsbudgetten en kosteninzicht. Omdat in de begeleidingsgroep BBD2000 is besloten de implementatie van beide te koppelen aan de invoering van de VBTB-begroting komt derhalve de realisatie uit op medio 2002.

Binnen de CO is gestart met de vervanging van het huidige (STIP-)netwerk door de LAN2000-standaard. Conform de planning is de afronding van dit project voorzien eind 2001. Voor de vervanging van de bestaande informatiesystemen wordt gewacht op de Defensiebrede beschouwing van de bedrijfsprocessen waarvan de resultaten naar verwachting medio 2001 beschikbaar zijn.

De uitvoering van de Euro-aanpassing binnen de CO verloopt volgens planning. Aanpassing van een aantal CO-systemen (GVKKA en NSK) is reeds uitgevoerd. De uitgaven voor de Defensiebrede (Euro)coördinatie zullen voor de resterende periode naar verwachting binnen het budget, zoals geraamd in het Draaiboek Euro Defensie, blijven.

De mijlpaal VIR'94 (Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksoverheid) Defensie schrijft voor dat 50% van de informatiesystemen met ingang van 1 januari 2001 voorzien moet zijn van een vastgesteld Informatiebeveiligingsplan. De CO voldeed reeds per 1 oktober 2000 aan deze norm. Voor de CO is een conceptplan BeveiligingsBewustzijn uitgewerkt. In 2001 zal dit leiden tot een project Bevordering BeveiligingsBewustzijn, als onderdeel van de visie «Integrale Beveiliging Centrale organisatie».

In 2000 is bij de CO een modern arbobeleid ontwikkeld. Een deel daarvan is reeds in 2000 gerealiseerd. Een begin is gemaakt met de Risico-Inventarisatie en Evaluaties (RIE). Hierbij worden verkenningen en metingen uitgevoerd en de bedreigingen voor de veiligheid, gezondheid en het welzijn gekwalificeerd en gekwantificeerd. Naar aanleiding hiervan worden plannen van aanpak opgesteld.

Er is binnen een aantal directies voorlichting gegeven over beeldschermergonomie. De periodieke managementkeuringen zijn eveneens in 2000 uitgevoerd.

Financieel beheer

Beheersmaatregelen.

In 1998 is gestart met de uitvoering van het verbeterplan financieel beheer voor de CO.

De voortgangsbesprekingen met de budgethouders met betrekking tot de realisatie van de opgenomen plannen en het «planning en control»-overleg met vertegenwoordigers van de beschikkende functionarissen zijn als uitvloeisel van het Besturingsmodel CO geïntensiveerd.

Teneinde het financieel beheer proces op een hoger niveau te brengen en te houden wordt de geboekte voortgang bij de afhandeling van door de defensie accountantsdienst (DEFAC) geconstateerde tekortkomingen in het beheer stringent bewaakt. De controller brengt puntsgewijs periodiek verslag uit aan de plaatsvervangend secretaris-generaal, het directoraat-generaal economie en financiën en aan de DEFAC.

Personeelsbeheer

Beleidsdoelstelling CO

Voor de periode 1996 tot en met 2000 is voor de CO een reductie van 25% vastgelegd op alle beleids- en beleidsondersteunende vte'n bij de CO en de Haagse staven. In totaal zullen uiteindelijk 102,5 vte'n zijn gereduceerd. In 2000 is voor 19 vte'n uitstel van de reductie met twee jaar verleend.

Materieelbeheer

Beleidsdoelstelling CO

Het materieelbeheer bij de CO vindt plaats bij de Directie Facilitaire Zaken (DFZ) en de Militaire Inlichtingen Dienst (MID). Als beleidsdoelstelling ten aanzien van het materieelbeheer bij de CO is geformuleerd: Het zeker stellen dat het materieel in de juiste hoeveelheden en de juiste conditie voor de uitvoering van de taken van de CO beschikbaar is.

Beheersmaatregelen

In 2000 is het implementatietraject materieelbeheer bij de CO uitgevoerd. Hierbij is, naar aanleiding van de in 1999 uitgevoerde risico-analyse op het materieelbeheer, invulling gegeven aan de opgestelde verbeterplannen.

Met name bij de MID is een forse inspanning gepleegd welke heeft geresulteerd in het vastleggen van procedures, taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden.

Voor de DFZ betrof dit het verder optimaliseren van de geldende procedures.

In 2001 zullen de beheersmaatregelen verder worden uitgewerkt in de vorm van het ook bij de MID uitvoeren van voorraadtellingen en het opzetten van een adequate toetsingsstructuur in de vorm van interne controles en audits naar de opzet en werking van de geldende procedures.

Realisatie

De totaal geraamde en gerealiseerde uitgaven van het beleidsterrein Algemeen voor het jaar 2000 zijn als volgt te specificeren:

Uitgaven (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
01.20 Personeel en materieel:    
– Kerndepartement192 586271 55978 97341%
– Militaire Inlichtingen Dienst87 80697 4059 59911%
– Wachtgelden en inactiviteitswedden8 1608 4933334%
Totaal Personeel en materieel288 552377 45788 90531%
01.21 Subsidies en bijdragen131 774135 5213 7473%
01.22 Geheime uitgaven1 1001 10000%
01.23 Internationale verplichtingen152 615153 3417260%
01.24 Garanties000
01.25 Milieumaatregelen7 8605 220– 2 640– 34%
01.26 Technologie-ontwikkeling44 99431 764– 13 230– 29%
01.27 Loonbijstelling80 5650– 80 565
01.28 Prijsbijstelling50 0000– 50 000
01.29 Overige departementale uitgaven97 89793 937– 3 960– 4%
Totaal uitgaven Algemeen855 357798 340– 57 017– 7%

Toelichting

De verschillen worden naar oorzaak bij de realisatiecijfers van de uitgavenbegrotingsartikelen toegelicht.

01.20 Personeel en materieel

In dit artikel zijn de verplichtingen en uitgaven opgenomen die nodig zijn voor het functioneren van de ressorts Kerndepartement en Militaire Inlichtingendienst (MID).

Deze ressorts zijn opgebouwd uit de volgende artikelonderdelen:

– ambtelijk burgerpersoneel, waarin begrepen de loonkosten en overige tot het loon te rekenen kosten van de bewindslieden en het burgerpersoneel;

– militair personeel;

– overige personele uitgaven;

– materiële uitgaven.

Daarnaast zijn bedragen voor wachtgelden voor het burger- en militair personeel en het aandeel in de uitvoeringskosten USZO op het artikelonderdeel 01.20.09 geraamd en verantwoord.

Het budgettaire beslag dat is gemoeid met de uitbesteding van werkzaamheden bedraagt f 54,391 miljoen. Dit is voornamelijk gebruikt voor de inhuur van organisatie-, informatie- en advieswerkzaamheden en met name voor de bestrijding van de gevolgen van het millenniumprobleem. Hiermee was in 2000 een bedrag van f 14,8 miljoen gemoeid.

Omschrijving (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
01.20 Personeel en materieel        
– Kerndepartement186 965269 45282 48744%192 586271 55978 97341%
– Militaire Inlichtingen Dienst87 313100 83813 52515%87 80697 4059 59911%
– Wachtgelden en inactiviteitswedden8 1608 4933334%8 1608 4933334%
Totaal282 438378 78396 34534%288 552377 45788 90531%

De toelichting op de verschillen worden hieronder per ressort en artikelonderdeel weergegeven.

Het ressort Kerndepartement (KD)

Het ressort Kerndepartement bestaat naast de algemene leiding (minister, staatssecretaris, secretaris-generaal en plaatsvervangend secretaris-generaal, inclusief enkele onder hem ressorterende diensten) uit de Defensiestaf, de directoraten-generaal Personeel, Materieel en Economie en Financiën alsmede de zelfstandige directies Juridische zaken, Algemene beleidszaken, Voorlichting en de Defensie accountantsdienst. Voorts is nog een aantal bijzondere organisatie-eenheden toegevoegd, zoals de staf Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht (IGK) en Defensiepersoneel werkzaam bij de permanente vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Noord-Atlantische Verdrags Organisatie (Navo) en de West-Europese Unie (Weu).

Omschrijving (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
01.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel70 83267 366– 3 466– 5%70 83267 369– 3 463– 5%
01.20.02 Militair personeel27 48226 153– 1 329– 5%27 48226 153– 1 329– 5%
01.20.03 Overige personele uitgaven19 61423 0803 46618%19 61420 0424282%
01.20.04 Materiële uitgaven (incl. stalling efficiency besparing)69 037152 85383 816121%74 658157 99583 337112%
Totaal186 965269 45282 48744%192 586271 55978 97341%

Toelichting per artikelonderdeel

01.20.04 Materiële uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de materiële uitgaven verantwoord. Het betreft hier uitgaven voor onder meer kleine bedrijfsmatige investeringen, huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, zaken van operationele aard, inventarisgoederen en klein materieel, data- en telecommunicatie, voertuigen en de inhuur van O-, I- en A-deskundigheid.

Bij de uitgaven voor O-, I- en A-deskundigheid is sprake van een stijging met 77 176 uren en f 19,5 miljoen, welke voornamelijk wordt veroorzaakt door noodzakelijke inhuur op formatieplaatsen, projectmatige inhuur ten behoeve van millennium/euro en begeleiding van ICT-investeringsprojecten.

Met name de uitgaven voor informatiesystemen blijven stijgen. Dit leidt tot groei van de exploitatie-uitgaven. De afgelopen jaren zijn ook veel vervangingsinvesteringen uitgesteld in verband met het millennium. In 2000 heeft dit een stijgende investeringsuitgaaf tot gevolg zoals door de invoering van LAN 2000 op het Plein.

De overschrijdingen op alle onderdelen zijn in belangrijke mate terug te voeren op beleidsbeslissingen die in voorgaande jaren zijn genomen ten aanzien van de Militaire Inlichtingen Dienst en Informatie, Communicatie en Technologie (ICT). Het kerndepartement heeft uitgaven gedaan voor huisvesting (onder overige persoonsgebonden materiële uitgaven) en er heeft inhuur plaatsgevonden voor de verbetering van de archivering, verbetering van de bedrijfsvoering en reorganisatie van de MID. Bovendien vindt ten behoeve van ontwikkeling van defensiebrede ICT op brede schaal inhuur plaats. Tevens zijn in dit kader investeringen noodzakelijk, waarmee eerder nog geen rekening was gehouden. Vervolgens is budget toegevoegd ten behoeve van de toetreding tot het materieelagentschap «Organisme Conjoint de Coopération en Matière d'Armement (OCCAR), de renovatie van gebouw 32 op het Van Alkemadelaancomplex en het onderzoek naar de werkdruk in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet. Tenslotte heeft realisatie plaatsgevonden ten behoeve van het Berichten Distributie Systeem (Berdis).

Het ressort Militaire Inlichtingen Dienst (MID)

De MID voert zijn werkzaamheden uit op basis van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV).

De uitgaven voor de bedrijfsvoering van de MID zijn verantwoord onder artikel 01.20 Personeel en materieel op de onderstaande artikelonderdelen. Daarnaast is voor de MID een aanvullend bedrag van f 1,1 miljoen geraamd op het artikel 01.22 Geheime uitgaven.

Omschrijving (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
01.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel32 67131 726– 945– 3%32 67131 726– 945– 3%
01.20.06 Militair personeel37 07829 450– 7 628– 21%37 07829 450– 7 628– 21%
01.20.07 Overige personele uitgaven6 2936 29410%6 2935 511– 782– 12%
01.20.08 Materiële uitgaven11 27133 36822 097196%11 76430 71818 954161%
Totaal87 313100 83813 52515%87 80697 4059  59911%

Toelichting per artikelonderdeel

01.20.06 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van de MID verantwoord.

De daling van de uitgaven met f 7,628 miljoen is toe te schrijven aan een forse onderschrijding van de sterkte van de MID. Dit houdt verband met het feit dat terughoudendheid is betracht bij de vulling in verband met de in het najaar van 1999 genomen reorganisatiebesluiten. Tevens is, aan de hand van de feitelijke verdeling van de bezetting over burgers en militairen, besloten een deel van de militaire functies tijdelijk om te zetten in burgerfuncties.

01.20.08 Materiële uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de materiële uitgaven verantwoord. Het betreft hier uitgaven voor onder meer kleine bedrijfsmatige investeringen, huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, zaken van operationele aard, inventarisgoederen en klein materieel, data- en telecommunicatie en voertuigen.

De meeruitgaven van de overige kleine bedrijfsmatige investeringen zijn veroorzaakt doordat ten tijde van de opstelling van de begroting 2000 nog geen compleet beeld beschikbaar was van de door de MID te verrichten investeringen om de bedrijfsvoering op een noodzakelijk peil te behouden. Gedurende het jaar 2000 is daarover wel duidelijkheid ontstaan. Het betreft onder andere uitgaven voor projecten betreffende de stabilisering van de informatievoorziening en het archiefbeheer. De meeruitgaven voor de inhuur van O-, I- en A-deskundigheid zijn veroorzaakt door in het najaar van 1999 genomen reorganisatiebesluiten.

Artikelonderdeel 01.20.09 Wachtgelden en inactiviteitswedden

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor de burgerambtenaren van het KD en de MID. Separaat zijn in bijlage 5 de uitgaven voor wachtgelden in verband met het Sociaal Beleidskader (SBK) en de Uitstroom Bevorderende Maatregel Ouderen (UBMO) gepresenteerd.

Het beleid blijft er op gericht de instroom in de wachtgeldregelingen zoveel mogelijk te beperken door middel van een actieve herplaatsingsinspanning en het gebruik van SBK-instrumenten waaronder om-, her- en bijscholing. Sinds 1996 omvat dit artikelonderdeel ook de uitgaven die betrekking hebben op de uitvoeringskosten van de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO).

Toelichting op de verschillen

De verplichtingen en uitgaven zijn hoger als gevolg van een andere instroom in de regelingen dan was voorzien; tevens zijn de uitkeringen aangepast aan het vigerende loonpeil. Daarnaast zijn extra uitgaven verricht in verband met de voorbereidingen door de USZO in verband met de invoer van de Euro.

Uitgaven Sociaal Beleidskader (SBK)

De uitgaven hebben betrekking op het burgerpersoneel van het KD en de MID. De verantwoording van de uitgaven vindt, met uitzondering van de wachtgelden, plaats ten laste van de desbetreffende artikelonderdelen ambtelijk burgerpersoneel en overige personele uitgaven. De uitgaven van de wachtgelden worden geraamd en verantwoord ten laste van dit artikelonderdeel 01.20.09.

01.21 Subsidies en bijdragen

Ten laste van dit artikel zijn de uitgaven geraamd en verantwoord voor:

– subsidies aan verschillende instellingen;

– bijdragen aan andere ministeries, ten behoeve van verenigingen, stichtingen en comités.

Subsidies worden verleend aan instellingen die voor Defensie een zeker nut hebben en mede afhankelijk zijn van financiële hulp van Defensie.

Artikelonderdelen (bedragen x f 1 000,–)Uitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil
I. Subsidies:    
– het Comité international de médicine et de pharmacie militaires43– 1– 25%
– de Koninklijke vereniging ter beoefening van de krijgswetenschap ten behoeve van de buitengewone leerstoel militair recht aan de Universiteit van Amsterdam en het tijdschrift de «Militaire Spectator»54921– 528– 96%
– Veteranenplatform30030662%
– Defensie Vrouwennetwerk101000%
– Atlantic Exchange program150– 15– 100%
– Stichting Dienstverlening Veteranen10 92210 962400%
– Stichting Maatschappij en Krijgmacht515525102%
– Stichting Homosexualiteit en Krijgsmacht555500%
– Nederlandse Reservisten Federatie Krijgsmacht10010000%
– Stichting Koepelorganisatie militaire tehuizen1 9471 986392%
– Stichting Protestants Interkerkelijk Thuisfront505000%
– Stichting Nationaal Katholiek Thuisfront252500%
Totaal subsidies14 49214 043– 449– 3%
Artikelonderdelen (bedragen x f 1 000,–)Uitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil
II Bijdragen aan:    
– ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII):    
* in de doelfinanciering TNO-DO101 682105 1303 4483%
* Stichting bijzondere scholen voor onderwijs op algemene grondslag8 2009 10090011%
– ministerie van Buitenlandse Zaken (V):    
* Nationaal Bureau voor Verbindingsbeveiliging4 1243 975– 149– 4%
* Stichting Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen «Clingendael»1 7581 75800%
* Internationaal Comité van het Rode Kruis707000%
* Stichting Atlantische Commissie29829800%
– ministerie van Verkeer en Waterstaat (XII):    
* bijdrage aan het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium1 0001 00000%
– ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI):    
* bijdrage ten behoeve van het Informatie- en Coördinatie-orgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen (ICODO)150147– 3– 2%
Totaal bijdragen117 282121 4784 1964%
Totaal subsidies en bijdragen131 774135 5213 7473%

Toelichting per artikelonderdeel

Bij geringe verschillen tussen de uitgaven en de verplichtingen op dit artikel wordt volstaan met een toelichting op de uitgavenmutaties. De meeruitgaven van per saldo f 3,7 miljoen zijn het gevolg van onderstaande oorzaken.

In de eerste plaats betreft het een verhoging van de bijdrage aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, inzake de Stichting bijzondere scholen voor onderwijs op algemene grondslag (STOAG) van f 0,900 miljoen.

Ook is verwerkt de uitdeling van de loon- en prijsbijstelling ten behoeve van de Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) van f 3,335 miljoen, die is opgenomen onder de doelfinanciering TNO/DO en via het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen wordt verstrekt.

Een overheveling van f 0,512 miljoen naar artikel 01.29 Overige departementale uitgaven in verband met de overheveling van de subsidies de Militaire Spectator en het Atlantic Exchange Program. Het betreft hier zaken die niet onder subsidies behoren te vallen, doch uit een overeenkomst voortvloeien, zoals het toezenden van de Militaire Spectator.

Voorts is sprake van een nadere bijstelling van een aantal subsidies en bijdragen.

01.22 Geheime uitgaven

Overeenkomstig artikel 19 van de Comptabiliteitswet 1976 en de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften, is dit artikel bij Defensie aangewezen als het artikel waarop de geheime uitgaven zijn verantwoord.

Artikelonderdelen (bedragen x f 1 000,–)Verplichtingen en uitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
Geheime uitgaven1 1001 10000%

Toelichting per artikelonderdeel

De geheime uitgaven die worden verantwoord door de MID, worden gecontroleerd door de President van de Algemene Rekenkamer en een daartoe aangewezen accountant van de departementale accountantsdienst. Het beleid is erop gericht de onder dit artikel verantwoorde uitgaven tot het strikt noodzakelijke te beperken.

01.23 Internationale verplichtingen

Nederland hecht grote waarde aan het lidmaatschap van de Navo en de samenhang die op politiek-militair gebied hieruit voortvloeit. De gemeenschappelijk gefinancierde Navo-programma's, waaraan Nederland deelneemt, leveren hiervoor een belangrijke bijdrage. Het betreft hier met name het Navo Veiligheids Investeringsprogramma, de bijdrage aan de Militaire Begroting van de Navo en de investeringen en exploitatie van het Airborne Early Warning en Control System (AWACS).

Omschrijving (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
Navo Veiligheids Investeringsprojecten in Nederland31 76220 315– 11 447– 36%31 76222 742– 9 020– 28%
Bijdrage aan Navo Veiligheids Investeringsprogramma64 35665 3409842%64 35665 3409842%
Investeringen AWACS01 7771 7779 29715 0005 70361%
Exploitatie AWACS14 80016 9472 14715%14 80016 9472 14715%
Bijdrage aan de militaire begroting van de Navo28 10029 8701 7706%28 10029 2451 1454%
Overige bijdragen4 3004 067– 233– 5%4 3004 067– 233– 5%
Totaal143 318138 316– 5 002– 3%152 615153 3417260%

Toelichting per artikelonderdeel

Navo Veiligheids Investeringsprojecten in Nederland

De lagere realisatie van de verplichtingen en uitgaven is voornamelijk veroorzaakt door vertraging van de ver-/nieuwbouw van het Nato Command Control and Communication Agency (– f 2,4 miljoen), vertraging in de uitvoer van een aantal pijpleidingprojecten waaronder Klaphek/Markelo (– f 2,8 miljoen) en het buiten gebruik stellen van de locatie Veluwe (– f 1,5 miljoen).

Investeringen AWACS

In 2000 is reeds een deel van de bijdrage voor 2001 betaald hetgeen de hogere realisatie voor een deel heeft veroorzaakt. Het andere deel is veroorzaakt door de hogere dollarkoers.

01.24 Garanties

De in de begroting 2000 opgenomen garanties zijn reeds in voorgaande jaren aangegaan en hebben in 2000 niet geleid tot uitgaven. Bij de toelichting op de Saldibalans is een garantiebijlage opgenomen.

01.25 Milieumaatregelen

In dit artikel zijn de uitgaven opgenomen voor aan milieumaatregelen gerelateerd wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast zijn hier ook contributies aan milieu-organisaties en de inhuur van externe deskundigen op milieugebied verantwoord.

Voor wetenschappelijk onderzoek op milieugebied wordt met ingang van 1998 jaarlijks een bedrag van f 2,9 miljoen geraamd. Naast het reeds voorziene onderzoek naar oppervlaktewater- en luchtverontreiniging zijn ook onderzoeken naar overige vormen van milieubelasting onder dit artikel gebracht.

Artikelonderdelen (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
Milieumaatregelen7 8602 039– 5 821– 74%7 8605 220– 2 640– 34%

Toelichting per artikelonderdeel

De onderrealisatie van de verplichtingen en de uitgaven op dit artikel is met name teweeggebracht door het saldo van de mutaties gedaan om het asbest uit de patrouillepaden op de vliegbasis Volkel te verwijderen, een grotere onderzoeksbehoefte naar chemische milieubelasting op Defensieterreinen en door het overhevelen van budget naar andere beleidsterreinen in verband met uitgaven voor nieuw milieubeleid.

01.26 Technologie-ontwikkeling

Ten laste van dit artikel zijn de uitgaven geraamd voor de ontwikkeling en toepassing van (technologische) kennis ten behoeve van Defensie. Deze activiteiten worden – vaak in internationaal verband – uitgevoerd door Nederlandse bedrijven, (onderzoeks)instellingen en universiteiten. Incidenteel wordt uit dit artikel ook bijgedragen aan een materieelontwikkelingsproject voor een krijgsmachtdeel, indien de ontwikkeling van nieuwe technologische kennis een belangrijk deel van een dergelijk project uitmaakt. Het ministerie van Economische Zaken neemt financieel deel aan technologie- en materieelontwikkelingsprojecten indien hierdoor de internationale concurrentie-positie van de Nederlandse industrie wordt verbeterd. Het overleg aangaande de financiële bijdrage van Economische Zaken vindt plaats in de Commissie Ontwikkeling Defensiematerieel (CODEMA).

Artikelonderdelen (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
Bijdrage ruimtevaartprogramma3 2000– 3 200– 100%3 2000– 3 200– 100%
Ontwikkeling defensie-technologie24 95221 653– 3 299– 13%38 79429 605– 9 189– 24%
Woo CO3 0001 537– 1 463– 49%3 0002 159– 841– 28%
Totaal31 15223 190– 7 962– 26%44 99431 764– 13 230– 29%

Toelichting per artikelonderdeel

Bij de bijdrage ruimtevaartprogramma wordt de mutatie veroorzaakt, doordat als gevolg van de Defensienota de bijdrage aan het NRT-programma door Defensie is stopgezet.

De mutatie op Ontwikkeling defensie-technologie bestaat hoofdzakelijk uit:

– de bijdrage van Defensie aan het ministerie van Economische Zaken in de financiering van de luchtvaartcluster (– f 13,0 miljoen);

– overheveling naar artikel Personeel en Materieel van gestalde gelden voor de ontwikkeling van informatievoorzieningsbeleid (f 3,7 miljoen);

– overhevelingen van andere beleidsterreinen voor de projecten VPN-Guard (f 1,4 miljoen) en Humanitair Ontmijnen (HOM 2000/f 2,0 miljoen);

– overheveling uit artikel Personeel en Materieel ten behoeve van het project DDI (f 0,7 miljoen);

– toevoeging van de prijsbijstelling (f 0,6 miljoen);

– een incidentele ophoging (f 2,8 miljoen) om de taakstellende structurele omvang van dit artikelonderdeel, na verwerking van de mutaties, constant te houden.

Artikel 01.27 Loonbijstelling

Via dit artikel worden de ontvangen bedragen voor de loonbijstelling over de beleidsterreinen verdeeld.

Artikelonderdelen (bedragen x f 1 000,–)Verplichtingen en uitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
Loonbijstelling80 5650– 80 5650%

Toelichting

Aan het bedrag van de ontwerpbegroting 2000, waarin de gelden voor nieuw P-beleid zijn opgenomen, is bij eerste suppletore begroting 2000 f 271,1 miljoen toegevoegd. Dit betreft met name de loonbijstellingstranche 2000 (f 254,5 miljoen) en de uit de Voorjaarsnotabesluitvormig voortvloeiende budgettoevoeging van f 10 miljoen ter oplossing van arbeidsvoorwaardelijke problemen op het gebied van mobiliteit, kinderopvang, voorschakelprojecten en het TRIP-project.

Aangezien in 2000 geen arbeidsvoorwaardencontract bereikt is, zijn de loonbijstellingsgelden 2000 voor het Defensiepersoneel niet tot uitdeling gekomen. Bij de slotwet 2000 is het op dit artikel voorkomende bedrag dat bestemd is voor de arbeidsvoorwaarden 2000 (f 276,2 miljoen) vrijgevallen. Dit bedrag is inclusief de uit artikel 01.28 overgehevelde f 50 miljoen voor nieuw P-beleid. In 2001 zal dit totaalbedrag aan het Defensiebudget worden toegevoegd. Wel heeft uitdeling plaatsgevonden van het deel dat voor het personeel van TNO bestemd was en het restant van de loonbijstelling 1999 voor het jaar 2000 (f 67,8 miljoen) en latere jaren.

De verdeling over de beleidsterreinen van de loonbijstelling 1999 voor 2000 is als volgt (x f 1000):

BeleidsterreinOmschrijvingBedragen
 Artikel totaal
01 Algemeen 
 20Personeel en materieel7 949
 21Subsidies en bijdragen2 700
    
02 Pensioenen en uitkeringen 
 02Militaire pensioenen en uitkeringen34 073
    
03 Koninklijke marine 
 20Personeel en materieel6 674
    
04 Koninklijke landmacht 
 20Personeel en materieel11 181
    
05 Koninklijke luchtmacht 
 20Personeel en materieel5 030
    
06 Koninklijke marechaussee 
 20Personeel en materieel1 784
    
09 Defensie Interservice Commando 
 02Personeel en materieel Dico1 158
  Totaal70 549

Artikel 01.28 Prijsbijstelling

Via dit artikel worden de ontvangen bedragen voor de prijsbijstelling over de beleidsterreinen verdeeld.

Artikelonderdelen (bedragen x f 1 000,–)Verplichtingen en uitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
Prijsbijstelling50 0000– 50 0000%

Toelichting

Bij de eerste suppletore begroting 2000 is f 166,7 miljoen aan de Defensiebegroting toegevoegd. Dit betreft het voorlopig op dit artikel boeken van de prijsbijstelling 2000 (f 128,5 miljoen), de hogere verrekenbare ontvangsten die samenhangen met de vermogensconversie van de agentschappen (f 33,9 miljoen) en tenslotte de vergoeding voor de invoeringskosten van de nieuwe begrotingssystematiek VBTB (f 4,3 miljoen).

Met de tweede suppletore begroting 2000 wordt het saldo op nihil gebracht door de prijsbijstelling over de daartoe in aanmerking komende artikelen te verdelen, het overhevelen van de gelden voor nieuw P-beleid uit de Defensienota (– f 50 miljoen) naar het artikel Loonbijstelling en voorts door de herschikking van budgetten tussen de beleidsterreinen over dit artikel te laten lopen (– f 26 miljoen). Zie hiertoe ook de tweede suppletore begroting 2000.

Verdeling over de beleidsterreinen van de toegekende prijsbijstellingsbedragen voor 2000

BeleidsterreinOmschrijvingBedragen
 Artikel totaal
01 Algemeen 
 20Personeel en materieel4 201
 21Subsidies en bijdragen635
 23Internationale verplichtingen858
 25Milieumaatregelen135
 26Technologie-ontwikkeling550
 29Overige departementale uitgaven35
    
03 Koninklijke marine 
 20Personeel en materieel5 369
 22Investeringen groot materieel en infrastructuur26 689
    
04 Koninklijke landmacht 
 20Personeel en materieel22 821
 22Investeringen groot materieel en infrastructuur21 874
    
05 Koninklijke luchtmacht 
 20Personeel en materieel24 526
 22Investeringen groot materieel en infrastructuur0
    
06 Koninklijke marechaussee 
 20Personeel en materieel2 472
 22Investeringen groot materieel en infrastructuur0
    
08 Multi-service projecten en activiteiten 
 01Luchtmobiele brigade12 176
 04Overige uitgaven Internationale Samenwerking1 217
    
09 Defensie Interservice Commando 
 02Personeel en materieel4 928
 03Investeringen groot materieel en infrastructuur0
  Totaal128 486

01.29 Overige interdepartementale uitgaven

Ten laste van dit artikel zijn de uitgaven verantwoord die bij de CO ten behoeve van het gehele ministerie van Defensie doet. Het betreft uitgaven voor:

– voorlichting;

– schadevergoedingen;

– samenwerkingsprogramma's met de Midden- en Oost-Europese landen waaronder uitgaven voor wapenbeheersing;

– overige uitgaven, zoals drukwerk en publicatiekosten, de uitgaven in het kader van de wettelijke bepalingen omtrent telecommunicatie en frequentiebeheer en de gecompenseerde rentebedragen in het kader van de vermogensconversie agentschappen;

– uitgaven met betrekking tot infrastructuur/bouwactiviteiten, die betrekking hebben op kosten van renovaties en onderhoud van de defensiegebouwen in gebruik bij TNO/DO;

– uitgaven met betrekking tot de Ziektekostenvoorziening Defensiepersoneel (ZVD-regeling).

Artikelonderdelen (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
01.29.01 Voorlichting5 6654 284– 1 381– 24%5 7367 2231 48726%
01.29.02 Schadevergoedingen12 8907 651– 5 239– 41%12 8907 767– 5 123– 40%
01.29.03 Samenwerkingsprogramma's3 0624 8421 78058%3 7445 2221 47839%
01.29.04 Overige uitgaven20 36811 570– 8 798– 43%20 36811 151– 9 217– 45%
01.29.05 Infrastructuur1 551932– 619– 40%1 301935– 3 66– 28%
01.29.06 ZVD-regeling53 85861 6397 78114%53 85861 6397 78114%
Totaal97 39490 918– 6 476– 7%97 89793 937– 3 960– 4%

Toelichting per artikelonderdeel

De lagere realisatie op dit artikel van per saldo f 3,960 miljoen heeft de volgende oorzaken:

Voorlichting

De voorlichtingsuitgaven vallen met name hoger uit als gevolg van de ontwikkeling van een nieuw logo voor het ministerie van Defensie.

Schadevergoedingen

Het feitelijke schadeverloop heeft geleid tot minder claims.

Samenwerkingsprogramma's

De meeruitgaven hebben betrekking op langlopende Oost-Europese samenwerkingsprojecten.

Overige uitgaven

De verlaging van de post overige uitgaven houdt voornamelijk verband met de overheveling naar de beleidsterreinen van de gestalde gelden ten behoeve van rentecompensatie (– f 10,3 miljoen).

Infrastructuur

In verband met de plannen tot verzakelijking TNO, is het onderhoud van gebouwen die in gebruik zijn bij TNO tot een minimum beperkt. In dit stadium leidt dit tot minder uitgaven.

ZVD-regeling

De verhoging van het budget met betrekking tot deze regeling wordt enerzijds verklaard door de afrekening met USZO over 1999 (f 4,500 miljoen) eerst in 2000 heeft plaatsgevonden. Anderzijds is er sprake van een trager dan verwachte uitfasering van mensen die aanspraak maken op de Uitkeringswet Gewezen Militairen (UKW) uit het ZVD-bestand, hetgeen leidt tot een hoger aantal aanspraken dan begroot.

02. Beleidsterrein Pensioenen en uitkeringen

02.02 Militaire pensioenen en uitkeringen

De pensioenvoorzieningen en uitkeringen voor militair personeel zijn grotendeels in eigen beheer bij Defensie. Dit betreft met name de diensttijdpensioenen. De uitkeringen in verband met de Uitkeringswet gewezen militairen (UKW), de invaliditeitspensioenen en arbeidsongeschiktheid (IP/AO) zijn in handen van de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO). Voor pensioenen ten behoeve van weduwen en wezen van militair personeel is het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds uitvoeringsorgaan, maar niet voor de nabestaandenpensioenen die verband houden met overlijden als gevolg van een dienstongeval. Deze komen ten laste van het artikelonderdeel militaire diensttijdpensioenen. De leeftijdsopbouw van het bestand gewezen militair personeel is niet altijd evenwichtig. Dit werkt door in de uitgaven voor pensioenen en uitkeringen. Daarnaast worden op dit artikel ook de uitgaven geraamd die betrekking hebben op uitkeringen in het kader van het veteranenbeleid.

Artikelonderdelen (bedragen x f 1 000,–)Uitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
Militaire nabestaandenpensioenen63 80362 894– 909– 1%
Militaire diensttijdpensioenen635 069658 92623 8574%
Kapitaaldekking nominale bijdrage57 70358 1003971%
Militaire invaliditeitspensioenen181 791195 34413 5537%
Uitkeringswet gewezen militairen756 974774 05717 0832%
Sociale zorg14 00011 963– 2 037– 15%
Overige uitkeringen15 00015 5205203%
Reserve-overdracht16 80015 037– 1 763– 10%
Veteranenbeleid6 0226 5225008%
Totaal1 747 1621 798 36351 2013%

Toelichting per artikelonderdeel

De uitgavenbegroting voor het beleidsterrein Pensioenen en uitkeringen bedroeg f 1747,2 miljoen ten tijde van de ontwerpbegroting 2000, terwijl de rekening over 2000 uitkomt op f 1798,4 miljoen. De afwijking van f 51,2 miljoen is het grotendeels het gevolg van mutaties met een technisch karakter.

Het P en U-budget is in relatief beperkte mate aangepast (+ f 17,1 miljoen) wegens volume mutaties UKW. Daarnaast zijn in 2000 de militaire ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioenen geïndexeerd met een percentage van 2,85% op jaarbasis (+ f 26 miljoen). Daarnaast is f 3,2 miljoen aan reguliere voorschotbetalingen aan USZO gedaan. Het resterende verschil van f 4,9 miljoen is het saldo van diverse kleinere aanpassingen bij diverse artikelonderdelen van dit artikel.

03. Beleidsterrein Koninklijke Marine

Algemeen

Het begrotingsjaar 2000 wordt gekenmerkt als een jaar waarin de Koninklijke Marine is geconfronteerd met een groot aantal tegenvallers.Met name de hoge koers van de dollar, het Britse pond en de Antilliaanse gulden en de hoge brandstofprijzen hebben geleid tot een overrealisatie. Daarnaast is in 2000 de naheffing door de fiscus, over de in het verleden teveel teruggevorderde BTW, voldaan.

Bedrijfsvoering

In het voorjaar van 2000 is een eerste aanzet afgerond van een nieuwe begroting, die conform de eisen van VBTB inzicht geeft in de beleidsdoelstellingen van de Koninklijke Marine. Deze aanzet vormde de basis voor de VBTB-voorbeeldbegroting, die eveneens in het voorjaar van 2000 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Mede om inhoud te geven aan de omvorming van de huidige input-/instrumentgerichte begrotingen tot beleidsgeoriënteerde begrotingen is in 2000 de structuur van de convenanten en convenantrapportages van de operationele resultaatverantwoordelijke eenheden (RVE) gemoderniseerd. Daarbij is aansluiting gezocht bij de managementrapportages bestemd voor de politieke leiding van Defensie. De nieuwe structuur van het convenant bevat heldere afspraken over doelen en middelen tussen de BDZ en de commandant van de RVE. Voorts is in 2000 in projectverband verder gewerkt aan de voorbereiding van de eerste echte beleidsgeoriënteerde begroting, die voor 2002, welke in 2001 aan het Parlement zal worden aangeboden.

Het «Verbeterplan KM» vormde de basis voor de activiteiten en maatregelen die moeten leiden tot een kwaliteitsverbetering van het (financieel) beheer. Vanuit dit Verbeterplan zijn voor het jaar 2000 een drietal onderwerpen geselecteerd die in het kader van de «verbetering financieel beheer Defensie» als topprioriteit werden aangemerkt. Het betrof de onderwerpen verbijzonderde interne controle, administratieve organisatie en materieel beheer. Met veel inspanning zijn deze topprioriteiten vrijwel volgens planning uitgevoerd.

De uitvoering en realisatie van de bestaande verbeterplannen en top- prioriteiten heeft een groot beslag gelegd op de personele capaciteit binnen het FEZ-gebied. Er bestond een spanning tussen de ambities en de beschikbare personele capaciteit (zowel in kwalitatieve als in kwantitatieve zin).

De Koninklijke Marine is binnen Defensie als proefnemer aangewezen voor invoering van kostenbudgettering van de voorraadonttrekking, zodat de financiële omvang hiervan inzichtelijk wordt. Eind 2000 heeft bij 35% van de Marine-onderdelen de invoering gestalte gekregen. De verwachting is dat deze systematiek eind 2001 in de gehele Koninklijke Marine zal zijn geïmplementeerd.

Het jaar 2000 stond daarnaast in het teken van het verder verbeteren van de inrichting van de processen voor de informatievoorziening (IV). Dit leidde onder andere tot het IV-beleid Koninklijke Marine met als primair doel het richting geven aan de ontwikkeling van de IV door middel van algemene beleidsuitspraken en het stellen van prioriteiten bij de IV.

Het IV-beleid werd direct toegepast op de nieuwe managementcyclus voor de IV. Het resultaat hiervan is het BBDIV (Beleids- en Behoeftestellingdocument voor de Informatievoorziening). Het BBDIV heeft als doel het creëren van een «marktplaats» waar gebruikers, beheerders en aanbieders van informatie, informatiesystemen en informatieprocedures bij elkaar komen als basis voor een optimale invulling van de IV-behoefte. Het BBDIV zorgt er tevens voor dat de Koninklijke Marine op de juiste wijze kan participeren in het defensiebrede IV Programma Management, dat moet leiden tot een defensiebrede afstemming en invulling van IV-behoeften.

Voor de risico-analyse ten behoeve van het auditjaarplan 2002 is dit jaar een aangepaste systematiek gevolgd. Nadrukkelijker dan in voorgaande jaren het geval was, is de relatie gelegd met het procesmodel Koninklijke Marine. Op basis van de risico-analyse zijn, in overleg met de RVE'n en de Haagse directies, auditopdrachten tot stand gekomen. Op deze wijze wordt aansluiting gevonden met de ontwikkelingen in het kader van VBTB.

Personeelsbeleid

Voor het jaar 2000 was voor het burgerpersoneel een sterkte geraamd van 4 181 vte'n. Bij het opstellen van de ontwerpbegroting 2001 is deze sterkte opgehoogd met 58 vte'n vanwege het achterblijven van de personele reducties. Uiteindelijk is met een sterkte van 4 241 een overschrijding gerealiseerd van 60 vte'n.

Voor militair personeel was een sterkte geraamd van 12 560 vte'n (exclusief Antarumil), onderverdeeld in 8 129 voor onbepaalde tijd (OT) en 4 431 voor bepaalde tijd (BT). Bij het opstellen van de ontwerpbegroting 2001 is de sterkte verlaagd met 413 vte'n (179 OT en 234 BT) vanwege de hoge uitstroom en achterblijvende werving.

Gedurende het jaar 2000 is de wervingsbehoefte verhoogd vanwege achterblijvende wervingsresultaten in 1999. Deze verhoogde wervingsbehoefte is voor 73% gerealiseerd. Knelpunten in de werving zijn officieren van de technische en elektrotechnische dienst, onderofficieren van de wapentechnische dienst en matrozen van de operationele dienst operatiën.

Het opkomstverloop is in 2000 gereduceerd. Diverse maatregelen hebben geresulteerd in een afname van het verloop van aanstelbare kandidaten voordat zij daadwerkelijk opkwamen. Tevens zijn diverse maatregelen genomen om het opleidingsverloop en het ontslag tijdens de proeftijd terug te dringen.

Uiteindelijk is over het jaar 2000 een sterkte gerealiseerd van 12 039 (7 892 OT en 4 147 BT) militairen (exclusief Antarumil).

Realisatie

De totaal geraamde en gerealiseerde uitgaven van het beleidsterrein Koninklijke Marine voor het jaar 2000 zijn als volgt te specificeren:

Uitgaven (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
03.20 Personeel en materieel    
– Commandant der Zeemacht in Nederland (CZMNED)724 627719 948– 4 679– 1%
– Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied (CZMCARIB)110 303134 96924 66622%
– Commandant van het Korps Mariniers (CKMARNS)216 930219 7232 7931%
– Ondersteunende eenheden531 814567 01235 1987%
– Admiraliteit418 093495 69377 60019%
– Wachtgelden en inactiviteitswedden39 46429 220– 10 244– 26%
Totaal Personeel en materieel2 041 2312 166 565125 3346%
03.21 Subsidies en bijdragen48348300%
03.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur898 464905 3356 8711%
Totaal uitgaven Koninklijke marine2 940 1783 072 383132 2054%

Toelichting op de verschillen

Het verschil bij Personeel en materieel wordt, per saldo, voornamelijk verklaard door loon- en prijsbijstellingen, een verlaging van de begrotingssterkte en de herschikking van personeel tussen de ressorts, de gestegen koersen van de dollar, het pond en de Antilliaanse gulden en de hoge brandstofprijzen. Daarnaast is in 2000 de naheffing door de fiscus, over de in het verleden teveel teruggevorderde BTW, voldaan.

Het hoger uitvallen van de realisatie van de investeringen is met name het gevolg van een budgetverhoging vanwege de bodemsanering van de Oude Rijkswerf, vooruitlopend op de overdracht aan de gemeente Den Helder.

03.20 Personeel en materieel

De uitgaven binnen dit artikel zijn bij de Koninklijke Marine verdeeld over vijf ressorts: Commandant der Zeemacht in Nederland, Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied, Commandant van het Korps Mariniers, Ondersteunende eenheden en Admiraliteit. Ook de uitgaven voor wachtgelden en inactiviteitswedden worden op dit artikel geraamd en verantwoord.

Het ressort Commandant der Zeemacht in Nederland (CZMNED)

Het ressort Commandant der Zeemacht in Nederland (CZMNED) bestaat uit de Groep Escorte Schepen, de Groep Maritieme Helikopters, de Groep Maritieme Patrouille Vliegtuigen, de Onderzeedienst, de Mijnendienst en de Overige eenheden van CZMNED, zoals het Maritiem Operatiecentrum Nederland, het commandement, kazernes en walinrichtingen.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
03.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel70 63273 1292 4974%70 63273 1292 4974%
03.20.02 Militair personeel508 928474 953– 33 975– 7%508 928474 953– 33 975– 7%
03.20.03 Overige personele uitgaven42 26857 62015 35236%42 26851 8619  59323%
03.20.04 Materiële uitgaven99 512139 30939 79740%102 799120 00517 20617%
Totaal721 340745 01123 6713%724 627719 948– 4 679– 1%

Operationele doelstellingen

De operationele doelstellingen van het ressort CZMNED geven een overzicht van de inzetbaarheid van de eenheden van dit ressort. Uit het overzicht blijkt hoeveel eenheden (hoeveelheden) beschikbaar zijn binnen hoeveel dagen (reactietijd). Uitgangspunt daarbij is dat binnen de aangegeven reactietijd steeds de hoogste gereedheid te leveren is (kwaliteit). De realisatie van de doelstellingen is afgezet tegen de planning in de ontwerpbegroting.

 BegrootRealisatie
Gereedheidstermijndirect inzetbaarop korte termijn inzetbaarop lange termijn inzetbaardirect inzetbaarop korte termijn inzetbaarop lange termijn inzetbaar
Type eenheid      
Fregatten4824812
Bevoorradingsschepen 2  2 
Amfibisch transportschip 1  1 
Onderzeeboten2121121
Mijnenbestrijdingsvaartuigen5645634
Hydrografische vaartuigen 2  2 
Maritieme patrouillevliegtuigen262262

1 Bij de fregatten staat de operationele gereedheid onder druk door personele tekorten bij operationele en technische dienstgroepen. Door personele tekorten en materiële problemen bij de Groep Maritieme Helikopters zijn niet alle fregatten uitgerust met een boordhelikopter.

2 In de laatste maanden van het jaar waren de onderzeeboten niet inzetbaar door problemen met de binnenboord-afsluiters van het diesel afvoergassysteem. Inmiddels zijn deze problemen verholpen en varen de onderzeeboten weer.

3 Van de schepen van de Mijnendienst kunnen alleen de direct inzetbare eenheden voldoen aan de gestelde normen voor operationele gereedheid. Oorzaak hiervan zijn de structurele personeelstekorten bij deze groep.

In de uitvoering van de operationele doelstellingen voldoet een eenheid aan alle normen indien de geëiste personele gereedheid, materiële gereedheid en operationele geoefendheid worden gehaald. In de tabel is aangegeven op welke termijn eenheden inzetbaar zijn waarbij door middel van bovenstaande voetnoten de beperkingen in de uitvoering worden aangegeven.

Activiteitentoelichting

Het ressort CZMNED heeft als hoofdactiviteiten ontplooid, het inzetbaar maken en houden van de operationele eenheden van de vloot en het inzetten van die operationele eenheden.

Conform het gestelde in de begroting is dit in 2000 gebeurd door de permanente deelname met elk een fregat aan de Standing Naval Forces Atlantic (STANAVFORLANT) en Mediterranean (STANAVFORMED), de permanente deelname met een mijnenjager aan de Mine Counter Measure Force North (MCMFORNORTH), de standaard inzet aan vaardagen en vlieguren ten behoeve van de Kustwacht Nederland en de deelname aan grotere oefeningen, en de inzet van een vlootverband voor vlagvertoon in Zuidoost-Azië, onder andere ter ondersteuning van de herdenking van 400 jaar Japans-Nederlandse betrekkingen.

Daarnaast zijn eenheden ingezet in de Maritime Interdiction Force (MIF) in de Arabische Golf en als bijdrage aan de KFOR verificatiemissie boven Kosovo. Hr.Ms. Rotterdam is ingezet ter ondersteuning van de ontplooiing van de eenheden die zijn uitgezonden in het kader van de United Nations Mission in Ethiopia/Eritrea (UNMEE).

Het uitvoeren van de primaire taken wordt in onderstaande tabel met procesindicatoren weergegeven.

 meeteenhedenraming 2000realisatie 2000
Groep escorteschepenvaardagen1 5711 543
Onderzeedienstvaardagen480339
Mijnendienstvaardagen1 4401 240
Groep maritieme patrouillevliegtuigenvlieguren3 2753 106
Groep maritieme helikoptersvlieguren5 8504 147

De onderrealisatie van vaardagen bij de onderzeedienst is het gevolg van de materiële problemen met de binnenboord afsluiters (BIBO).

Vooruitlopend op de uitdienststelling van drie mijnenbestrijdingsvaartuigen in 2001 zijn met deze vaartuigen minder vaardagen gerealiseerd als gevolg van de personele capaciteit.

De onderrealisatie van vlieguren helikopters is een gevolg van de materiële problemen met de rotorkoppen en de personele tekorten bij het onderhoudspersoneel voor boordvliegtuigploegen.

Toelichting per artikelonderdeel

03.20.02 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort CZMNED.

Als gevolg van een hogere uitstroom dan planmatig was voorzien en door de achterblijvende wervingsresultaten zijn zowel de gerealiseerde sterkte als de bijbehorende uitgaven lager dan oorspronkelijk geraamd.

03.20.03 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de activiteitsplanning. De uitgaven hebben onder meer betrekking op kleding en uitrusting, voeding, reizen, onderwijs en opleidingen en de inhuur van tijdelijk personeel.

De stijging van de uitgaven en verplichtingen wordt voor het grootste deel veroorzaakt door de vacatureproblematiek binnen dit ressort. Hierdoor is meer tijdelijk personeel ingehuurd dan aanvankelijk was geraamd. Hiervoor is in de loop van 2000 budget toegevoegd.

03.20.04 Materiële uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de materiële uitgaven. Het betreft hier uitgaven voor onder meer huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, zaken van operationele aard, inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, onderhoud van gebouwen en terreinen en bevoorrading.

De hogere realisatie wordt met name veroorzaakt doordat gedurende het jaar uitvoering is gegeven aan de nog resterende decentralisatie van taken en bevoegdheden en de daaraan verbonden overheveling van budgetten, voor onder andere informatiesystemen. Tevens is in verband met de overspannen bouwmarkt de raming voor met name groot onderhoud naar boven bijgesteld en is de eskaderreis naar het Verre Oosten door onder meer de hoge koers van de dollar en de hoge prijs voor havenbezoeken duurder uitgevallen dan vooraf geraamd.

Aanpassingen van contracten voor onderhoud van gebouwen en terreinen en onderhoud en instandhouding van Lynx-helikopters en P-3C Orion maritieme patrouillevliegtuigen hebben geleid tot een stijging van de verplichtingen. Daarnaast hebben service level agreements (SLA's), afgesloten met de Defensie Telematica Organisatie voor de jaren 2000 en 2001, geleid tot hogere realisatie van de verplichtingen dan geraamd.

Het ressort Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied (CZMCARIB)

Het ressort Commandant der Zeemacht in het Caribisch Gebied (CZMCARIB) bestaat uit het commandement der zeemacht in het Caribisch Gebied, de marinebasis Parera, de marinekazerne Suffisant, het vliegveld HATO-militair te Curaçao, de marinierskazerne Savaneta op Aruba, twee infanteriecompagnieën mariniers met ondersteuningspeloton, de Antilliaanse en Arubaanse militie, het transportschip Hr.Ms. Pelikaan en de radiostations in het Caribisch gebied.

Daarnaast beschikt CZMCARIB over het stationsschip met boordhelikopter en drie P-3C Orion maritieme patrouillevliegtuigen van het ressort CZMNED. Gedurende het jaar is het 336 squadron van de Koninklijke Luchtmacht met de daartoe behorende twee F27-M vliegtuigen uitgefaseerd en is een derde P-3C aan CZMCARIB toegevoegd. Verder worden twee civiele helikopters ingezet voor de helikoptervliegopleiding (HVO) en voor de Kustwacht.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
03.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel6 0697 2091 14019%6 0697 2091 14019%
03.20.06 Militair personeel76 43688 58512 14916%76 43688 58512 14916%
03.20.07 Overige personele uitgaven11 04622 93211 886108%11 04614 8333 78734%
03.20.08 Materiële uitgaven16 75223 3106 55839%16 75224 3427 59045%
Totaal110 303142 03631 73329%110 303134 96924 66622%

Operationele doelstellingen

De operationele doelstellingen van het ressort CZMCARIB geven een overzicht van de inzetbaarheid van de eenheden van dit ressort. Uit hetoverzicht blijkt hoeveel eenheden (hoeveelheid) beschikbaar zijn binnen hoeveel dagen (reactietijd). Uitgangspunt daarbij is dat binnen de aangegeven reactietijd steeds de hoogste gereedheid te leveren is (kwaliteit). De realisatie van de doelstellingen is afgezet tegen de planning in de ontwerpbegroting.

 BegrootRealisatie
Gereedheidstermijndirect inzetbaarop korte termijn inzetbaarop lange termijn inzetbaardirect inzetbaarop korte termijn inzetbaarop lange termijn inzetbaar
Type eenheid
Fregatten1  1  
Ondersteuningsvaartuig 1  1 
Maritieme patrouillevliegtuigen3  3  
Marinierspelotons met gevechtsondersteuning24 24 
Marinierspelotons Antilliaanse militie 2  2 
Marinierspelotons Arubaanse militie 1  1 

Activiteitentoelichting

De Koninklijke Marine is belast met de verdediging van de Nederlandse Antillen en Aruba. De Defensie-inspanningen zijn er op gericht, naast de verdediging van het grondgebied van het Koninkrijk, een bijdrage te leveren aan de Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba. Om hieraan uitvoering te geven omvatten de hoofdactiviteiten die CZMCARIB ontplooit, het inzetbaar houden en het inzetten van de ter beschikking gestelde operationele eenheden.

Het uitvoeren van de primaire taken wordt in onderstaande tabel met procesindicatoren weergegeven.

 meeteenhedenraming 2000realisatie 2000
Schepenvaardagen254247
Groep maritieme patrouillevliegtuigen (P-3C)vlieguren1 9252 047
F27M (tot medio 2000)vlieguren600628,5
Lynx-helikoptervlieguren525441
Marinierspelotonsmanoefendagen16 00014 821
Antmil/Arumilmanoefendagen3 6852 463

De overrealisatie vlieguren heeft te maken met de opleiding van waarnemers die, na het uitfaseren van de F27M, wordt uitgevoerd met de P-3C Orion. Voor de komende jaren wordt naar een alternatief gezocht.

Inzet van helikopterbemanningen voor UNMEE heeft ertoe geleid dat met name in het laatste kwartaal minder vlieguren in het Caribisch gebied zijn gemaakt.

Een belangrijke inspanning van de defensie-eenheden van CZMCARIB was ook dit jaar weer het leveren van een structurele bijdrage aan de operaties van de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba. De inzet van deze eenheden resulteerde in een aantal grote drugsvangsten, naast de onderschepping van verdovende middelen door eigen eenheden van de Kustwacht. In totaal is in het jaar 2000 ruim 13 000 kilo drugs opgebracht.

De operationele oefenactiviteiten stonden gedurende het afgelopen jaar voor een groot deel in het licht van amfibische oefeningen en oefeningen ter versterking van de territoriale integriteit van de Nederlandse Antillen en Aruba. Deze oefeningen werden uitgevoerd in een breed internationaal kader.

Medio 2000 is het vliegtuigsquadron 336 van de Koninklijke Luchtmacht conform de Defensienota opgeheven. De taak van dit squadron is volledig overgenomen door P-3C Orions van de Koninklijke Marine en ingebed in een gereorganiseerde HATO-militair organisatie. In de praktijk blijkt dat de P-3C's de taken van het 336 squadron volledig kunnen uitvoeren.

De voorbereidingen op het orkaanseizoen zijn goed verlopen. De gezaghebbers van de bovenwinden zijn nogmaals geïnformeerd over de mogelijkheden van militaire bijstand. Het orkaanseizoen bleef beperkt tot één passage (Debby), waarbij middelen en eenheden naar de bovenwindse eilanden zijn gestuurd. Tevens is zowel steun als militaire bijstand geleverd aan het Openbaar Ministerie van de Nederlandse Antillen. Hierbij zijn transporten van gedetineerden uitgevoerd en werden arrestatieteams ingevlogen.

Toelichting per artikelonderdeel

03.20.06 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort CZMCARIB.

Het verschil tussen begroting en realisatie wordt in belangrijke mate veroorzaakt door een koerscorrectie van de Antilliaanse gulden in de berekeningssystematiek van de buitenlandtoelage. In het budget is geraamd met een koers van 1,23. De werkelijke uitbetaling vond plaats tegen een gemiddelde koers van 1,35.

03.20.07 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de activiteitenplanning. De uitgaven hebben onder meer betrekking op kleding, voeding, reizen, verplaatsen, onderwijs en opleidingen, inhuur van tijdelijk personeel en voorziening woonruimte.

De afwijkende stand voor wat betreft de verplichtingen wordt hoofdzakelijk veroorzaakt doordat in 2000 een meerjarig contract is afgesloten voor de verhuisdiensten van Defensiepersoneel naar de Nederlandse Antillen en Aruba.

Met name als gevolg van de gestegen koersen van de lokale valuta zijn de uitgaven voor onder meer voeding sterk gestegen.

03.20.08 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden materiële uitgaven geraamd. Het betreft hier onder meer de uitgaven kleine bedrijfsmatige investeringen, huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, data- en telecommunicatie, inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, het onderhoud van gebouwen en terreinen en tot slot brandstoffen, olie, smeermiddelen en bedrijfsstoffen.

Naast de gestegen koersen en brandstofprijzen wordt het verschil onder meer veroorzaakt door verdere decentralisatie van taken en bevoegdheden en de daaraan verbonden overheveling van budgetten. Het betreft hier met name de uitgaven voor de exploitatie van de informatievoorziening. Voor de twee F-27M vliegtuigen van het 336 squadron die zijn afgestoten, is in de eerste helft van het jaar incidenteel onderhoud noodzakelijk gebleken, om de luchtwaardigheid te waarborgen.

Het ressort Commandant van het Korps Mariniers (CKMARNS)

Het ressort Commandant van het Korps Mariniers (CKMARNS) bestaat uit het hoofdkwartier van het Korps mariniers en de Groep Operationele Eenheden Mariniers (GOEM), waarin de operationele eenheden zijn ondergebracht. In vredestijd bestaat de GOEM uit het 1e en het 2e mariniersbataljon, het gevechtssteunbataljon, het logistieke bataljon, het amfibisch ondersteuningsbataljon en de Bijzondere Bijstandseenheid (BBE). Verder de marinierskazernes te Doorn, Rotterdam en Texel, het mariniersopleidingscentrum, de marinierskapel en de mobilisabele eenheden.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
03.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel2 8622 768– 94– 3%2 8622 768– 94– 3%
03.20.10 Militair personeel169 292168 832– 4600%169 292168 832– 4600%
03.20.11 Overige personele uitgaven16 19520 2894 09425%16 19519 9053 71023%
03.20.12 Materiële uitgaven28 58132 8154 23415%28 58128 218– 363– 1%
Totaal216 930224 7047 7744%216 930219 7232 7931%

Operationele doelstellingen

De operationele doelstellingen van het ressort CKMARNS geven een overzicht van de inzetbaarheid van de eenheden van dit ressort. Uit het overzicht blijkt hoeveel eenheden (hoeveelheden) beschikbaar zijn binnen hoeveel dagen (reactietijd). Uitgangspunt daarbij is dat binnen de aangegeven reactietijd steeds de hoogste gereedheid te leveren is (kwaliteit). De realisatie van de doelstellingen is afgezet tegen de planning in de ontwerpbegroting.

 BegrootRealisatie
Gereedheidstermijndirect inzetbaarop korte termijn inzetbaarop lange termijn inzetbaardirect inzetbaarop korte termijn inzetbaarop lange termijn inzetbaar
Type eenheid
Mariniersbataljon met gevechts- en logistieke ondersteuning121121
Bijzondere Bijstandseenheid (BBE)1  1  

Activiteitentoelichting

Het ressort Commandant van het Korps Mariniers heeft als hoofdactiviteiten het inzetbaar maken en houden van de operationele eenheden en het uitvoeren van de opgedragen inzet.

In het jaar 2000 is deelgenomen aan een aantal grote oefeningen, waaronder de oefening «Dynamic Response», waarbij de mogelijke inzet als strategische reserve voor SFOR realistisch werd beoefend. Begin december zijn eenheden van het Korps Mariniers, ondersteund door vlootpersoneel en personeel van andere krijgsmachtdelen, uitgezonden in het kader van de United Nations Mission in Ethiopia and Eritrea (UNMEE).

Het uitvoeren van de primaire taken wordt in onderstaande tabel met procesindicatoren weergegeven.

 meeteenhedenraming 2000realisatie 2000
Operationele marinierseenhedenmanoefendagen155 000129 634

De onderrealisatie van manoefendagen van CKMARNS is het gevolg van een lagere bezettingsgraad van de eenheden en de inzet in UNMEE.

Toelichting per artikelonderdeel

03.20.11 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de activiteitenplanning. De uitgaven hebben onder meer betrekking op kleding en uitrusting, voeding, reizen en onderwijs.

Het verschil wordt met name veroorzaakt doordat als gevolg van vacatures bij ondersteunende logistieke diensten tijdelijk personeel is ingehuurd.

Het reiskostenbudget voor de Marinierskapel is verhoogd om tijdens de eskaderreis naar Japan een muzikale «acte de presence» te geven.

Het ressort Ondersteunende eenheden

Het ressort Ondersteunende eenheden bestaat uit het Marinebedrijf, het Centrum voor Automatisering van Wapen- en Commando Systemen en opleidingseenheden van de Koninklijke marine (OKM). Het Marinebedrijf bestaat uit de Rijkswerf, het SEWACO-bedrijf en het Marine Elektronisch en Optisch Bedrijf Oegstgeest (MEOB-O). De verhuizing van MEOB-O naar Den Helder en de fysieke integratie tot één marinebedrijf is in verband met de vertraging bij de nieuwbouw verschoven naar 2001. De integratie zal naar verwachting in het jaar 2001 worden afgerond.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
03.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel193 612199 4675 8553%193 612199 4675 8553%
03.20.14 Militair personeel135 540137 9642 4242%135 540137 9642 4242%
03.20.15 Overige personele uitgaven38 29662 36124 06563%38 29650 50712 21132%
03.20.16 Materiële uitgaven161 866191 93230 06619%164 366179 07414 7089%
Totaal529 314591 72462 41012%531 814567 01235 1987%

Activiteitentoelichting

De activiteiten van het ressort Ondersteunende Eenheden zijn er op gericht voorwaarden te scheppen zodat de eenheden van de Koninklijke Marine in materieel en in personeel opzicht kunnen voldoen aan de vereiste operationele doelstellingen.

Toelichting per artikelonderdeel

03.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort Ondersteunende eenheden.

De hogere realisatie betreft zowel een gemiddeld hogere begrotingssterkte als de loonbijstelling over 1999 die is toegevoegd.

03.20.15 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De uitgaven hebben betrekking op zowel burger- als militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de activiteitenplanning. De uitgaven hebben onder meer betrekking op kleding en uitrusting, voeding, reizen, verplaatsen, onderwijs en opleiding, representatie en inhuur van tijdelijk personeel.

De hogere realisatie is met name te verklaren uit de extra uitgaven op basis van verdere decentralisatie van budgetten en bijbehorende bevoegdheden naar het OKM. De formatie van de OKM is dit jaar formeel geïmplementeerd.

Bij het marinebedrijf is door aanpassingen in het vaar- en onderhoudsplan meer tijdelijk personeel ingehuurd dan in de ramingen was opgenomen.

03.20.16 Materiële uitgaven

Ten laste van dit artikel komen de materiële uitgaven. Dit zijn onder meer de uitgaven voor kleine bedrijfsmatige investeringen, huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, data- en telecommunicatie, inventarisgoederen en klein materieel, herbevoorrading, onderhoud en herstel van materieel, gebouwen en terreinen, milieu en inhuur van O-, I- en A-deskundigen.

De hogere realisatie is te verklaren door de extra uitgaven vanwege verdere decentralisatie van budgetten en bijbehorende bevoegdheden, met name voor de exploitatie van de informatievoorziening. Daarnaast zijn de budgetten voor het onderhoud aan gebouwen en terreinen verhoogd als gevolg van de situatie op de bouwmarkt en hebben renovaties van de trafostations ten behoeve van het energiedistributienet tot hogere uitgaven geleid.

Daarnaast hebben service level agreements (SLA's), afgesloten met de Defensie Telematica Organisatie voor de jaren 2000 en 2001, geleid tot hogere realisatie van de verplichtingen dan geraamd.

Prestatie-indicatoren

Benoemd onderhoudBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Aantal meerjaarlijks onderhoud (MJO's)43– 1
Aantal tussentijds onderhoud (TTO's)671
Incidenteel onderhoudBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Aantal reparatie-orders10 90011 141241
Engineering (x aantal uren)Begroting 2000Realisatie 2000Verschil
Marinebedrijf143 585241 62798 042
Opleidingen (in aantallen)Begroting 2000Realisatie 2000Verschil
Initiële opleidingen1 3001 276– 24
Loopbaanopleidingen700696– 4
Functie-opleiding17 00016 340– 660
Totaal opleidingen19 00018 312– 688
Publicaties (in aantallen)Begroting 2000Realisatie 2000Verschil
KIM8141– 40

De uren engineering betreffen het ontwerpen en ontwikkelen van kleine verbeteringen voortgekomen uit materieelgebruik; tevens valt het configuratiebeheer hieronder. De overrealisatie wordt veroorzaakt door actualisering van de registratie en bijstelling van de engineering-activiteiten.

Het ressort Admiraliteit

Het ressort Admiraliteit bestaat uit de Marinestaf, de Directie Materieel, de Directie Personeel en de Directie Economisch Beheer en hun bijzondere organisatie eenheden (Hydrografie, Sociaal Medische Dienst en Audiovisuele Dienst).

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
03.20.17 Ambtelijk burgerpersoneel62 55763 5369792%62 55763 5369792%
03.20.18 Militair personeel102 626119 29416 66816%102 626119 29416 66816%
03.20.19 Overige personele uitgaven45 95858 73212 77428%44 45850 9736  51515%
03.20.20 Materiële uitgaven204 432267 34362 91131%208 452261 89053 43826%
Totaal415 573508 90593 33222%418 093495 69377 60019%

Activiteitentoelichting

De activiteiten van het ressort Admiraliteit omvatten:

– het voeren van het operationele beleid van de Koninklijke Marine;

– het doen functioneren van de militaire eenheden en inrichtingen voorzover die onder de Admiraliteit zijn gesteld, in onderlinge samenhang en elk afzonderlijk ter uitvoering van de opgedragen taken in vredestijd en in geval van oorlogsvoorbereiding;

– het voeren van een personeelsbeleid en het onderhouden van een personeel-logistiek proces, dat er op gericht is de organisatie, te allen tijde en in alle omstandigheden te doen beschikken over de gewenste hoeveelheid voor zijn taak berekend en gemotiveerd personeel;

– het voeren van een materieelsbeleid gericht op de materieel-logistieke processen;

– het bevorderen en bewaken van de doelmatigheid door het vormgeven aan het uitvoeren van het financieel-economisch beleid en het toetsen van de rechtmatigheid van de bestedingen;

– het voeren van een bedrijfsvoerings- en automatiseringsbeleid.

Toelichting per artikelonderdeel

03.20.18 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten met betrekking tot het militair personeel van het ressort Admiraliteit.

De uitgaven voor toelagen voor personeel geplaatst in het buitenland (onderwijskosten, toelage buitenland) zijn gestegen, als gevolg van de koersstijgingen.

Een wijziging in de boekingssystematiek, de betalingen en voorschotten in het salarisysteem voor militairen die in het buitenland worden geplaatst worden separaat in de realisatie meegenomen, heeft geleid tot hogere uitgaven voor deze categorie militair personeel. Het betreft hier uitgaven ten behoeve van de aanloopkosten in verband met de plaatsing en de tegemoetkoming in de onderwijskosten van gezinsleden.

03.20.19 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de personele uitgaven anders dan salarissen. De uitgaven hebben betrekking op zowel burger- als militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de activiteitenplanning. De uitgaven hebben onder meer betrekking op kleding en uitrusting, voeding, reizen, verplaatsen,representatie, geneeskundige verzorging, overige personele zaken, persoonsgebonden toelagen en uitkeringen, vliegopleidingen en inhuur van tijdelijk personeel.

In het jaar 2000 is een verdere invulling gegeven aan de overheveling van budgetten naar decentrale ressorts in het kader van het Verbeterd Economisch Beheer (VEB), hetgeen meer inzicht geeft. Het betreft hier voornamelijk budgetten voor opleidingen en reiskosten. Deze verlaging wordt gecompenseerd doordat dit jaar uitgaven zijn gedaan voor employee benefits, waarbij marinepersoneel in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de aanschafkosten van een computer of voor de verstrekking van een fiets.

03.20.20 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel worden de materiële uitgaven verantwoord. Dit zijn onder meer de uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, geneeskundig materiaal, bevoorrading, munitie, data- en telecommunicatie, inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van materieel, gebouwen en terreinen, zaken van operationele aard, inhuur van O-, I- en A-deskundigen, BTW, invoerrechten en accijnzen, milieu, brandstoffen en olie en smeermiddelen.

Het netto verschil tussen raming en realisatie heeft een aantal oorzaken. In 2000 is de navordering van de in het verleden door de Koninklijke Marine teveel teruggevorderde BTW aan de fiscus voldaan. Tevens hebben de stijging van de dollarkoers en de gestegen brandstofprijzen tot een hogere realisatie geleid.

Verdere invulling is gegeven aan de overheveling van budgetten naar decentrale ressorts in het kader van het Verbeterd Economisch Beheer (VEB). Het betreft hier exploitatiebudgetten van de informatievoorziening.

Met ingang van het uitvoeringsjaar 2000 heeft, als gevolg van een aanpassing van het IV-beleid, een herschikking plaatsgevonden, waardoor de vervanging van hardware op de werkplek wordt aangemerkt als investeringsuitgaven. De uitgaven voor informatievoorziening die nog wel onder exploitatie worden verantwoord zijn gestegen in verband met aanpassing van de tarieven door de Defensie Telematica Organisatie (DTO). Daarnaast hebben service level agreements (SLA's), afgesloten met de DTO voor de jaren 2000 en 2001, geleid tot hogere realisatie van de verplichtingen dan geraamd.

In de begroting 2000 is de taakstelling boeteclausule compensatiebeleid tijdelijk gestald binnen dit artikelonderdeel. Met het opstellen van de ontwerpbegroting 2001 is deze taakstelling overgeheveld naar het investeringsbudget van de Koninklijke Marine.

Artikelonderdeel 03.20.21 Wachtgelden en inactiviteitswedden

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor het burger- en militair personeel van de Koninklijke Marine. Naast het reguliere wachtgeld worden op dit artikelonderdeel ook de uitgaven voor wachtgelden en uitstroom-bevorderende maatregelen geraamd en verantwoord die uit het Sociaal Beleidskader (SBK) voortvloeien.

De realisatie is f 10,244 miljoen lager dan het in de begroting geraamde bedrag van f 39,464 miljoen. Met name door een lagere instroom bij zowel de wachtgelden voor SBK/UBMO burgerpersoneel als het werkloosheidsbesluit voor BBT-militairen doet zich deze onderschrijding voor. De krapte op de arbeidsmarkt versterkt dit proces.

03.21 Subsidies en bijdragen

Ten laste van dit artikel zijn de uitgaven geraamd en verantwoord voor subsidies en bijdragen. Deze worden verleend aan instanties die activiteiten uitvoeren die het belang van de Koninklijke Marine direct of indirect dienen. De doelstellingen van deze instanties zijn uiteengezet in bijlage 6 (de subsidiebijlage) van de ontwerpbegroting 2000.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
03.21.01 Koninklijke marine jachtclub11711700%11711700%
03.21.02 Marine Watersportvereniging717100%717100%
03.21.03 Marine Sanatoriumfonds5500%5500%
03.21.04 Koninklijke Vereniging Marine Officieren757500%757500%
03.21.05 Zeekadetkorps Nederland505000%505000%
03.21.06 Stichting Militaire Tehuizen Overzee151500%151500%
03.21.07 Bijdrage aan het ministerie van Economische Zaken (XIII) ten behoeve van het Nederlands Instituut voor Maritieme Ontwikkeling (NIM)15015000%15015000%
Totaal48348300%48348300%

03.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd voor investeringen in groot materieel en infrastructuur.

Het beleid is gericht op verbetering van het bestaande materieel, opheffing van tekortkomingen en vervanging van verouderd materieel door modern, hoogwaardig materieel. De nadruk ligt op investeringen ten behoeve van luchtverdediging, mijnenbestrijding, onderzeebootbestrijding in kustwateren en vergroting van de strategische mobiliteit bij inzet voor crisisbeheersingsoperaties.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
Schepen533 500233 032– 300 468– 56%559 891546 798– 13 093– 2%
Vliegtuigen329 6001 573 6701 244 070377%45 74744 996– 751– 2%
Elektronisch materieel28 30053 15024 85088%37 43743 3335 89616%
Munitie100 60036 341– 64 259– 64%48 52047 440– 1 080– 2%
Overig groot materieel50 56499 01948 45596%103 859117 31613 45713%
Infrastructuur102 60096 927– 5 673– 6%103 010105 4522 4422%
Totaal1 145 1642 092 139946 97583%898 464905 3356 8711%

Artikelonderdeel schepen

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven gedaan voor investeringen in het varend materieel van de Koninklijke marine. Het betreft de projecten: fregatten van De Zeven Provinciën-klasse (LCF), het Project Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit (PAM), het Landing Platform Dock (LPD), de onderzeeboten van de Walrus-klasse en de Landing Craft Utilities (LCU).

Het achterblijven van de verplichtingen op dit artikelonderdeel is met name het gevolg van de herfasering van het project PAM.

Project fregatten van De Zeven Provinciën-klasse (LCF-fregatten)

De verplichtingen van dit project zijn per saldo hoger uitgevallen dan geraamd. Dit vindt met name zijn oorzaak in vertraging in de verwerving van computeruitrusting en daarmee samenhangende diensten ten behoeve van het Combat Direction System (CDS) en de verwerving van de APAR-mastmodules (beide waren gepland in 1999), alsmede door actualisering van de aanschaf van boordreservedelen en diverse communicatie- en informatieverwerkende systemen.

De uitgaven van dit project zijn per saldo hoger dan geraamd, hetgeen met name veroorzaakt wordt door de reeds genoemde actualisering van de aanschaf van boordreservedelen en diverse communicatie- en informatieverwerkende systemen.

Project Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit (PAM)

Het Project Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit betreft het samenvoegen van de eerdere projecten «Vervanging mijnenbestrijdingscapaciteit Dokkum-klasse» en «Capability Upkeep Program Alkmaar-klasse».

De verplichtingen zijn nagenoeg geheel niet gerealiseerd als gevolg van de budgettaire herfasering bij de Koninklijke Marine. Omdat de afronding van de verwervingsvoorbereiding is doorgeschoven naar 2001 bleef ook de realisatie van de uitgaven achter op de ontwerpbegroting.

Project Hydrografische Opnemingsvaartuigen (HOV).

De verplichtingen zijn nagenoeg geheel verschoven naar 2001 als gevolg van een onderzoek naar competitieve dienstverlening met betrekking tot de hydrografische opnemingscapaciteit. Als gevolg hiervan bleef ook de realisatie van de uitgaven achter op de ontwerpbegroting.

Artikelonderdeel vliegtuigen

Op dit artikel worden de uitgaven gedaan voor het vliegend materieel van de Koninklijke Marine. Het betreft hier voornamelijk de vervanging van de Lynx-helikopters door de NH-90 en het Capability Upkeep Program (CUP) van de P-3C Orion maritieme patrouille vliegtuigen.

De verplichtingen van dit artikelonderdeel zijn hoger uitgevallen door het afsluiten van de contracten voor de productie van de NH-90 en de uitvoering van de CUP Orion.

Project NH-90

Het project NH-90 betreft de ontwikkeling, de productie en de ingebruikname van twintig helikopters ter vervanging van de Lynx-helikopters. Het productiecontract voor de helikopters is in 2000 ondertekend (was gepland in 1999); hierdoor zijn de verplichtingen aanmerkelijk hoger uitgevallen dan was geraamd en zijn de uitgaven achtergebleven op de ontwerpbegroting.

Project CUP Orion

Het CUP Orion project betreft een modernisering van de sensor-, wapen- en commandosystemen voor de maritieme patrouillevliegtuigen. De FMS-case (LOA-overeenkomst) hiertoe is in 2000 gesloten. Conform de Defensienota is het budget aangepast om de vliegtuigen, door verwerving van de APS 137B(V)5 radar, beter geschikt te maken voor grondwaarneming en om drie vliegtuigen voor de kustwachttaken uit te rusten met satellietcommunicatie. Deze aanpassing, de fiscale aspecten van de LOA en de koers van de termijndollars hebben een overschrijding van de verplichtingen veroorzaakt. De uitgaven zijn als gevolg van het betaalschema bij bovengenoemde LOA hoger uitgevallen.

Artikelonderdeel Elektronisch materieel

Op dit artikel worden de uitgaven gedaan voor het elektronisch materieel van de Koninklijke Marine, voor zover die niet in een projectbudget onder een ander artikelonderdeel zijn opgenomen. Het betreft met name het project Local Area Missile System (LAMS), het project satellietcommunicatie voor militair gebruik (MILSATCOM), de vervanging van verbindingsapparatuur voor de mariniers en het project Theatre Ballistic Missile Defence (TBMD).

Project Local Area Missile System (LAMS)

Het project LAMS is een ontwikkelproject met een viertal onderdelen. Met name de in 1999 opgelopen vertraging bij het onderdeel lange afstand infrarood zoek- en volgsysteem Sirius alsmede de doorstart van dit onderdeel in 2000 hebben geleid tot overschrijdingen bij de verplichtingen en uitgaven.

Project MILSATCOM

Dit project voorziet in de krijgsmachtbrede behoefte aan satellietcommunicatiecapaciteit voor militair gebruik. De Koninklijke Marine verzorgt het single service management. Het project bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het inhuren van civiele en militaire ruimtecapaciteit en het realiseren van het grootste deel van de grondcomponent. Dit deel van het project bevindt zich in de verwervingsvoorbereidingsfase. Deel twee bestaat uit de realisatie van een militaire ruimtecapaciteit en het resterende deel van de grondcomponent. Dit deel bevindt zich in de studiefase. De voorziene verplichtingen en uitgaven zijn goeddeels conform de begroting gerealiseerd.

Theatre Ballistic Missile Defence (TBMD)

Het project TBMD voorziet in een verdediging tegen tactische ballistische raketten en is aangekondigd in de Defensienota. De mogelijkheden worden onderzocht om de fregatten van De Zeven Provinciën-klasse uit te rusten met de benodigde hardware en software voor TBMD. In 2000 is de conceptvalidatiestudie gestart met als doel het aantonen en valideren van het TBMD-concept aan boord van het LCF. De hiertoe benodigde verplichtingen zijn nagenoeg gerealiseerd. Het zwaartepunt van de uitgaven voor deze studie is licht naar achteren geschoven.

Artikelonderdeel munitie

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de aanschaf van kapitale munitie zoals onder andere Standard-Missiles (SM), NATO Sea Sparrow Missiles (NSSM), Evolved Sea Sparrow Missiles (ESSM), Harpoon-missiles en torpedo's. Tevens wordt rekening gehouden met de aanschaf van conventionele munitie, zoals die voor de klein kaliber wapens en de Oto Melara-kanons, voor zover deze munitie als aanvulling op de oorlogsvoorraden wordt verworven.

Binnen dit artikelonderdeel hebben herfaseringen geleid tot verschuivingen van de verplichtingen en uitgaven van de projecten Evolved Sea Sparrow Missiles (ESSM) en munitie voor Medium Calibre Guns naar latere jaren.

Artikelonderdeel overig groot materieel

Dit artikelonderdeel betreft projecten die naar hun aard niet in één van de andere artikelonderdelen van het groot materieel kunnen worden ondergebracht, waaronder automatisering van de bestuurlijke informatie systemen en projecten die over het algemeen niet groter zijn dan f 5 miljoen.

De per saldo hogere realisatie van de verplichtingen en de uitgaven ten opzichte van de ontwerpbegroting is met name veroorzaakt door de Technische centrale trainer M-fregatten, diverse automatiseringsprojecten, het project Vorming Eén Marinebedrijf en een aantal kleinere projecten.

Project Vorming Eén Marinebedrijf

Het Marinebedrijf bestaat uit de Rijkswerf, het SEWACO-bedrijf en het MEOB-Oegstgeest. De verplichtingen zijn licht onderschreden door het reeds in 1999 aanbesteden van elektronische installaties (was gepland in 2000). Voor wat betreft de uitgaven is de in 1999 opgelopen achterstand bij de realisatie van bouwtermijnen deels ingelopen.

Herdefiniëring IV-beleid

De vervanging van hardware op de werkplek wordt met ingang van het uitvoeringsjaar 2000 tot de investeringen gerekend. Bij de ontwerpbegroting waren deze geraamd in de exploitatie van het ressort Admiraliteit.

Artikelonderdeel Infrastructuur

Op dit artikel wordt het (nieuw-)bouwprogramma voor gebouwen, werken en terreinen voor de Koninklijke Marine geraamd.

Het budget voor dit artikelonderdeel is vooruitlopend op de overdracht aan de gemeente Den Helder, verhoogd vanwege de bodemsanering van de Oude Rijkswerf,

In 2000 heeft onder andere aanbesteding plaatsgevonden van het uit 1999 doorgeschoven project nieuwbouw legering officieren op de Marinekazerne Willemsoord te Den Helder. Ook de marktwerking en nieuwe regelgeving op het gebied van ARBO en milieu heeft tot toename van de verplichtingen geleid. De uiteindelijk per saldo lagere realisatie van de overige verplichtingen wordt met name veroorzaakt door vertraging bij de aanbesteding van de bouw van het dienstencomplex op de Marinekazerne Amsterdam, de nieuwbouw ten behoeve van de legering van officieren op de Alexanderkazerne (in samenwerking met de Koninklijke Landmacht) en herfasering van het budget ten behoeve van de nieuwbouw voor de onderhoudsdienst op Marinevliegkamp De Kooy.

04. Beleidsterrein Koninklijke Landmacht

Algemeen

Bedrijfsvoering

Het jaar 2000 heeft vooral in het teken gestaan van uitzendingen ten behoeve van diverse vredesoperaties, de start met het implementeren van de Defensienota, het ontwikkelen van nieuw personeelsbeleid en extra wervingsinspanningen teneinde de tegenvallende wervingsresultaten te verbeteren en het voortzetten van verbeteringen op het gebied van planning en control. De voor 2000 geplande nieuwe parate pantserinfanterie- en genie-eenheden zijn opgericht en de geplande opheffing van tankbataljons is uitgevoerd, de overige geplande reorganisaties bij de ressorts NATCO en 1(GE/NL)Legerkorps zijn grotendeels doorgevoerd, de CIMIC-organisatie is in oprichting, er ligt een plan voor nieuw personeelsbeleid (FLEX-P), er zijn verhoogde wervingsinspanningen geweest, maatregelen zijn geïmplementeerd om het opleidingsverloop terug te dringen en er zijn verbeteringen doorgevoerd op het gebied van planning en control. Van de doelstellingen voor BBD2000 worden de onderwerpen budgettering en kosteninzicht afgestemd op de nieuwe ontwikkelingen in het kader van VBTB en Enterprised Resource Planning (ERP). Het bereiken van de beoogde doelstellingen in het kader van de Topprioriteiten Financieel Beheer, LAN 2000 en VIR zijn deels vertraagd naar 2001.

De kasgeldrealisatie is in 2000 beheerst verlopen. Het exploitatiebudget van de begroting 2000 is door diverse mutaties verhoogd met f 143 miljoen. Het budget is evenwel met f 29 miljoen overschreden, met name door het niet ontvangen van de compensatie voor POMSS. Deze overschrijding is uiteindelijk nog met f 10 miljoen deels gecompenseerd uit hogere ontvangsten. Op de salarissen is een overschot van f 50 miljoen ontstaan door met name de tegenvallende vulling met BBT-personeel. Dit overschot is geheel gebruikt voor extra inhuur, met name ten behoeve van IT- en FEZ-personeel en bewakingspersoneel bij NATCO en IT-personeel ten behoeve van de CIS-beheersorganisatie van 1(GE/NL) Legerkorps. De overige stijgingen van de uitgaven zijn uit de budgetverhogingen gefinancierd.

Personeelsbeleid

De gerealiseerde instroom van nieuw BBT-personeel over geheel 2000 bedraagt 3304, terwijl de doelstelling 4194 vte'n was. De KMA-opleiding met extern geworven aspirant-officieren is goed gevuld. Meer moeite kost het om BBT-officieren en onderofficieren te laten doorstromen.

De begrotingssterkte van militair personeel laat een onderrealisatie zien voor zowel BOT- als BBT-personeel. Dit is niet alleen het gevolg van een tegenvallend wervingsresultaat bij de categorie BBT-militairen, maar ook een gevolg van de hoge uitstroom van zowel BBT- als BOT-personeel.

Bij de BBT-militairen vindt de hoge uitstroom plaats tijdens de Algemene Militaire Opleiding (AMO) en blijft het aantal gerealiseerde contractverlengingen achter bij de verwachtingen. Het verloop van BOT-militairen en van burgerpersoneel is vooral het gevolg van de aantrekkingskracht van de arbeidsmarkt, waarbij met name de arbeidsvoorwaarden een belangrijke rol spelen. Genoemd verloop vindt vooral plaats bij die functies, waaraan de Koninklijke Landmacht een grote behoefte heeft (zoals bij IT en FEZ). Hierdoor is inhuur nog steeds een noodzakelijk instrument om de bedrijfsvoering niet te verstoren.

Grote materieelprojecten

Het investeringsbudget van de begroting 2000 is met name vanwege maatregelen in het kader van de Defensienota met f 110 miljoen verlaagd. Het budget is uiteindelijk met f 12 miljoen overschreden door een betaling van een deel van het RPV-project en de aankoop van de Jagersborgh. Er stond een grote spanning op het budget 2000, vanwege de grote onzekerheden met betrekking tot projecten als MRAT, LVB, GTK en RPV. Deze projecten zijn, behoudens een deel RPV, uiteindelijk ook niet gerealiseerd.

De realisatie van de meerjarige verplichtingen voor groot materieel is in 2000 ver achtergebleven bij de begroting (31%). Belangrijke oorzaak is de vertraging in de besluitvorming rondom de projecten MRAT, LVB en GTK.

Realisatie

De totaal geraamde en gerealiseerde uitgaven van het beleidsterrein Koninklijke Landmacht voor het jaar 2000 zijn als volgt te specificeren:

Uitgaven (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
04.20 Personeel en materieel    
– 1 (GE/NL) Legerkorps1 016 684977 426– 39 258– 4%
– Nationaal Commando (NATCO)1 391 2431 472 56781 3246%
– Commando Opleidingen (COKL)439 839419 233– 20 606– 5%
– Overige eenheden Bevelhebber der Landstrijdkrachten (BLS)494 035590 46496 42920%
– Landmachtstaf (LAS)159 086203 68044 59428%
– Wachtgelden en inactiviteitsgelden88 71086 990– 1 720– 2%
Totaal Personeel en materieel3 589 5973 750 360160 7634%
04.21 Subsidies en bijdragen1 8331 908754%
04.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur1 005 963907 083– 98 880– 10%
Totaal uitgaven Koninklijke landmacht4 597 3934 659 35161 9581%

Toelichting op de verschillen

De verschillen worden naar oorzaak bij de realisatiecijfers van de uitgavenbegrotingsartikelen toegelicht.

04.20 Personeel en materieel

De uitgaven binnen dit artikel zijn bij de Koninklijke Landmacht verdeeld over vijf ressorts: 1 (GE/NL) Legerkorps, Nationaal Commando, Commando Opleidingen Koninklijke Landmacht, Overige eenheden Bevelhebber der Landstrijdkrachten en de Landmachtstaf. Ook de uitgaven voor wachtgelden en inactiviteitswedden worden op dit artikel geraamd en verantwoord.

Het ressort 1 (GE/NL) Legerkorps

Dit ressort betreft het Nederlandse deel van 1 (GE/NL) Legerkorps. Dit Nederlandse deel bestaat uit 1 (NL) Divisie «7 December», 11 Luchtmobiele brigade en het Nederlandse deel van de binationale legerkorpstroepen (Command Support Brigade).

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
04.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel13 56013 8783182%13 56013 8783182%
04.20.02 Militair personeel886 560840 729– 45 831– 5%886 560840 729– 45 831– 5%
04.20.03 Overige personele uitgaven43 35465 95622 60252%43 35464 20820 85448%
04.20.04 Materiële uitgaven73 21050 099– 23 111– 32%73 21058 611– 14 599– 20%
Totaal1 016 684970 662– 46 022– 5%1 016 684977 426– 39 258– 4%

Operationele doelstellingen

Op grond van het in de Defensienota vastgelegde ambitieniveau is in de begroting 2000 een matrix operationele gereedheid gepresenteerd. Inmiddels is gebleken dat de gekozen opzet van deze matrix niet voldoet. Momenteel wordt gewerkt aan een gewijzigde opzet hiervan teneinde de operationele gereedheid beter in beeld te kunnen brengen, niet alleen voor wat betreft de planning doch ook voor wat betreft de realisatie.

In 2000 was de Koninklijke Landmacht, ondanks de vullingsproblematiek, in staat aan haar ambitieniveau en haar operationele doelstellingen te voldoen, waardoor ook alle geplande uitzendingen met succes konden worden gerealiseerd.

 meeteenhedenraming 2000realisatie 2000
Inzetmanjaren2 0001 900
Oefenenmanweken124 000104 000

Activiteitentoelichting

Ten aanzien van de operationele inzet in 2000 is, naast een beperkte deelname aan zogenaamde «kleine missies», door de Koninklijke Landmacht met succes deelgenomen aan uitzendingen in het kader van UNFICYP, SFOR, KFOR en UNMEE. De deelname aan KFOR is in 2000 beëindigd. De bijdrage aan SFOR was uiteindelijk lager dan geraamd terwijl daarnaast de bijdrage aan UNMEE niet in de raming was opgenomen. Voor het komende jaar is beëindiging van deelname aan UNMEE, UNFICYP en verkleining van de bijdrage aan SFOR en de ECMM missie voorzien. De voorbereidingen voor de rotaties SFOR zijn in volle gang en worden, ondanks de werkdruk en achterblijvende vulling met BBT-personeel, met steun van andere operationele eenheden op een professionele wijze uitgevoerd.

Als gevolg van de personele ondervulling en wijzigingen in het oefenprogramma van het 1(GE/NL) Legerkorps, onder andere het niet doorgaan van grote oefeningen in Hongarije en Duitsland, is de realisatie van oefeningen lager uitgevallen dan begroot.

Toelichting per artikelonderdeel

04.20.02 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort 1 (GE/NL) Legerkorps verantwoord.

De daling van de uitgaven is het gevolg van de aanpassing van de begrotingssterkte door een stijging van het beroepspersoneel onbepaalde tijd (BOT) en de verdere daling van het beroepspersoneel bepaalde tijd (BBT). De stijging van het BOT-personeel komt doordat bij vredesoperaties het ressort 1(GE/NL)Legerkorps wordt belast en niet bij de organieke eenheid waar betrokkene in onderhoud was gesteld. De daling bij het BBT-personeel is het gevolg van tegenvallende wervingsresultaten en een grotere uitstroom dan verwacht.

04.20.03 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de personele uitgaven anders dan salarissen verantwoord. De uitgaven zijn in sterke mate afhankelijk van de burger- en de militaire personeelssterkte en de gerealiseerde activiteiten en hebben onder meer betrekking op reizen, onderwijs en opleidingen en de inhuur van tijdelijk personeel.

De stijging van uitgaven en verplichtingen bij de overige personele uitgaven is het gevolg van het nieuwe verplaatsingskostenbesluit als uitvloeisel van het arbeidsvoorwaardenakkoord, waardoor de financiële tegemoetkoming voor het dagelijks woon-/werkverkeer is gestegen. Daarnaast stijgen de uitgaven voor inhuur door met name de vulling van de CIS-beheersorganisatie met inhuurkrachten door onvoldoende beschikbaarheid van militair personeel met een IT-opleiding.

04.20.04 Materiële uitgaven

Ten laste van dit onderdeel zijn de materiële exploitatie-uitgaven van het Legerkorps verantwoord. Dit betreffen voornamelijk de kosten verband houdende met oefeningen en inhuur van oefenterreinen, de inhuur van O-, I- en A-deskundigen en overige materiële uitgaven zoals binationale uitgaven, uitgaven internationale staven, zelfstandige aanschaf en uitbesteding. De uitgaven van de gehele Koninklijke Landmacht voor huisvesting, inventarisgoederen en klein materiaal, onderhoud gebouwen en terreinen, data- en telecommunicatie worden bij het ressort NATCO geraamd en verantwoord.

De neerwaartse bijstelling bij de verplichtingen en uitgaven wordt grotendeels veroorzaakt doordat de oefening van de 43 Gemechaniseerde Brigade in Hongarije is komen te vervallen. De 13 Gemechaniseerde Brigade is in plaats van Frankrijk naar Hongarije gegaan. Daarnaast is minder gebruik gemaakt van het oefenterrein Hammelburg in Duitsland en is goedkoper ingehuurd. Daarnaast is de neerwaartse bijstelling veroorzaakt door de niet-tijdige facturering van de huur van een oefenterrein in Frankrijk (f 2,4 miljoen), waardoor betaling in 2001 moet plaatsvinden.

Het ressort Nationaal Commando (NATCO)

Het ondersteunend ressort Nationaal Commando ( NATCO ) is ingericht op basis van resultaat verantwoordelijke eenheden. De organisatie bestaat uit de volgende eenheden: de Staf, de vijf Regionaal Militair Commando's (RMC), het Nederlands Armed Forces Support Agency Germany (NASAG), het Landelijk Bevoorradingsbedrijf KL, het Nationaal Verzorgingscommando, het Hoger Onderhoudsbedrijf KL, de Arbodienst KL, het Explosieven Opruimingscommando KL, de Prepositioned Organizational Material Sites (POMS) en het Koninklijk Tehuis voor Oud-militairen en Museum Bronbeek (KTOMM).

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
04.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel474 359461 684– 12 675– 3%474 359461 684– 12 675– 3%
04.20.06 Militair personeel212 539213 9701 4311%212 539213 9701 4311%
04.20.07 Overige personele uitgaven173 148218 72345 57526%160 381204 39244 01127%
04.20.08 Materiële uitgaven549 868660 861110 99320%543 964592 52148 5579%
Totaal1 409 9141 555 238145 32410%1 391 2431 472 56781 3246%

Activiteitentoelichting en prestatie-indicatoren

In het contractjaar 2000 zijn diverse reorganisatieprojecten afgerond dan wel voortgezet:

– RMC's zijn gereorganiseerd in 5 RMC's: er zijn 15 garnizoenen opgeheven en 26 lokale facilitaire diensten opgericht;

– het Nationaal Verzorgings Commando (NVC) en de Regionale Geneeskundige Diensten (RGD) zijn per 1 januari 2001 overgedragen aan het 1(GE/NL)Legerkorps;

– de ARBO-Dienst KL is overgedragen aan de DPO. Het grootste deel van de telematica-organisatie is overgedragen aan Dico/DTO;

– het KTOMM Bronbeek is per 1-1-2001 overgedragen aan het Dico;

– de reorganisatie van NASAG, de NATRES en de ressortstaf wordt in 2001 nog voortgezet.

De dienstverlening van NATCO heeft zich gericht op de volgende activiteiten:

– facilitaire diensten: geneeskundige verzorging, klein onderhoud infrastructuur, integrale veiligheidszorg, telematica, voedings- en kantinediensten;

– operationele diensten: alle steunverleningen;

– specifieke diensten: ouderenzorg, arbozorg, gedetineerdenzorg, explosievenopruiming;

– logistieke diensten: onderhoud, bevoorrading, beheer en opleg.

Ten opzichte van de begroting is de volgende capaciteitsinzet gerealiseerd:

 meeteenhedenraming 2000realisatie 2000
Facilitaire dienstenmanuren5 730 0003 589 515
Operationele dienstenmanuren100 00073 430
Specifieke dienstenmanuren430 000414 124
Logistieke dienstenmanuren2 840 0003 150 521

De activiteiten in het kader van de facilitaire dienstverlening zijn voor ongeveer 70% van de planning uitgekomen (exclusief inhuur en overwerk). Dit is een gevolg van de toegenomen uitstroom van het hierbij betrokken personeel. De overrealisatie bij de logistieke diensten is een gevolg van extra bevoorradingsactiviteiten in het kader van vredesoperaties, waaronder UNMEE.

Toelichting per artikelonderdeel

04.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort NATCO verantwoord.

De onderrealisatie wordt veroorzaakt doordat de uitstroom van personeel groter was dan de instroom met nieuw personeel. De uitstroom van knelpuntcategorieën (met name IT en FEZ/bedrijfsvoering) bleken vanwege de krappe arbeidsmarkt niet of nauwelijks extern te werven.

04.20.07 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de personele uitgaven anders dan salarissen verantwoord. De uitgaven hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de gerealiseerde activiteiten en hebben onder meer betrekking op reizen, verplaatsen, onderwijs en opleidingen, inhuur van tijdelijk personeel en de uitgaven voor kleding en voeding voor de gehele Koninklijke Landmacht.

De stijging van de overige persoonsgebonden personele uitgaven is voornamelijk het gevolg van het gewijzigde verplaatsingskostenbesluit met een verruimde regeling voor dagelijks heen en weer reizen en een hoger dan verwachte inhuur met betrekking tot bewakingspersoneel en personeel op automatiserings-, financiële- en bedrijfsvoeringsfuncties. Daarnaast zijn de verrekeningen met betrekking tot verstrekte kleding hoger geweest ( met name in het kader van de VN-operaties).

04.20.08 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel zijn de materiële uitgaven verantwoord voor de gehele Koninklijke Landmacht. Het betreft hier onder meer de uitgaven voor kleine bedrijfsmatige investeringen, huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, data- en telecommunicatie, inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, munitie, klein onderhoud van gebouwen en terreinen en brandstoffen, olie, smeermiddelen en bedrijfsstoffen.

De stijging in de uitgaven is voornamelijk het gevolg van het extra aanvullen van reservedelen als gevolg van achterstanden in de voorraden en een hoger verbruik (ongeveer f 35 miljoen), hogere uitgaven dan gepland voor de huisvesting vanwege gestegen energieprijzen en milieuheffingen (f 7,5 miljoen) en meer uitgaven voor klein onderhoud infrastructuur, met name spoedeisend herstel (f 10 miljoen).

De stijging in de verplichtingen betreft met name de versnelling van de munitiebestellingen, versnelde bestellingen van reservedelen teneinde de achterstanden in de gewenste voorraad-niveau's weg te werken en prijsstijgingen van brandstoffen als gevolg van de hogere olieprijzen en de gestegen dollarkoers.

Het ressort Commando Opleidingen Koninklijke Landmacht (COKL)

Het ressort Commando Opleidingen Koninklijke landmacht (COKL) bestaat uit twaalf resultaatverantwoordelijke eenheden. Dit betreft naast de Staf negen opleidingscentra – Manoeuvre, Vuursteun, Genie, Logistiek, Rijden, Ede, Initiële Opleidingen, de Koninklijke Militaire School en het Instituut voor Leiderschap, Media en Opleidingskunde – en twee bijzondere organisatie-eenheden: de Begeleidings Organisatie Civiel Onderwijs en de Lichamelijke Oefening en Sportorganisatie.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
04.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel61 71165 0283 3175%61 71165 0283 3175%
04.20.10 Militair personeel309 241282 926– 26 315– 9%309 241282 926– 26 315– 9%
04.20.11 Overige personele uitgaven44 04044 9959552%44 04043 424– 616– 1%
04.20.12 Materiële uitgaven24 84728 2563 40914%24 84727 8553 00812%
Totaal439 839421 205– 18 634– 4%439 839419 233– 20 606– 5%

Activiteitentoelichting en prestatie-indicatoren

De missie van het COKL is het opleiden alsmede het op andere wijze ter beschikking stellen van kennis en trainingen ten behoeve van het personeel van de Koninklijke Landmacht en eventueel andere krijgsmachtdelen, tot volle tevredenheid van leerlingen en «commandanten» en tegen de laagst haalbare kosten. De realisatie van deze missie heeft gedurende 2000 continu onder druk gestaan door onder andere een hoog opleidingsverloop en kwantitatieve en kwalitatieve tekorten in met name instructeursfuncties. In 2000 zijn concrete maatregelen ontwikkeld (onder andere verbetering van de kwaliteit van instructeurs, waarvan de resultaten eerst in 2001 zichtbaar zullen zijn) en deels geïmplementeerd om deze knelpunten op te lossen.

In 2000 zijn de volgende aantallen gerealiseerd:

 meeteenhedenraming 2000realisatie 2000
Primaire producten:   
Initiële opleidingsproductenopleidingsplaatsen16 1657 684
Vervolgopleidingsproductenopleidingsplaatsen41 74030 663
Trainingsproducten*aantal mandagen31 2184 500
LO/Sport opleidingen en trainingmanuren216 943176 597
Secundaire producten:   
Kennisproducten*aantal manuren46162 975
Steunverleningmandagenn.v.t5 875
Maatschappelijke meerwaardeaantal1 9441 435

* tijdens het jaar is om redenen van bedrijfsvoering besloten om de meeteenheden van deze producten te wijzigen, waardoor de gekwantificeerde raming en realisatie niet één-op-één zijn te vergelijken.

Initiële opleidingsproducten

Als gevolg van het hoge opleidingsverloop, de lage wervingsresultaten en de problematische vulling van de instructiecapaciteit is het gerealiseerde aantal opleidingsplaatsen in 2000 lager dan verwacht.

Vervolgopleidingsproducten

Doordat op te leiden personeel niet gemist kon worden of werd uitgezonden konden niet alle geplande opleidingen in de eerste helft van 2000 worden gerealiseerd. In november 2000 is er een afstemmingsoverleg ingevoerd met de overige ressorts dat er toe moet leiden dat de planning en realisatie beter op elkaar aansluiten.

Trainingsproducten

Door gebrek aan beschikbaar personeel voor trainingsondersteuning is de realisatie van de trainingsproducten lager dan verwacht.

Toelichting per artikelonderdeel

04.20.10 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort COKL verantwoord.

Op dit artikel is minder gerealiseerd als gevolg van achterblijvende wervingsresultaten en een hoger dan gepland opleidingsverloop. Met name het lagere aantal BOT-leerlingen en het grote aantal vacatures binnen de instructeursfuncties zijn de oorzaak van de lagere realisatie.

04.20.12 Materiële uitgaven

Ten laste van dit onderdeel zijn uitgaven zoals commandantenvoorzieningen, bureauzaken, informatiesystemen en inhuur O-, I- en A-deskundigen verantwoord. Alle uitgaven van de Koninklijke Landmacht voor huisvesting, inventarisgoederen en klein materiaal, onderhoud gebouwen en terreinen, data en telecommunicatie zijn bij het ressort NATCO verantwoord.

Op dit artikel is meer gerealiseerd door met name een stijging van inhuur van O-, I- en A-deskundigen als gevolg van de oprichting van de IV-organisatie COKL, welke zich richt op de hoofdtaken die aan het functioneel beheer van haar eigen ICT-middelen zijn gerelateerd. Tijdelijke aanvullingen en specifieke expertise worden in de IV-organisatie van het COKL ingebracht op basis van externe inhuur.

Het ressort Overige eenheden Bevelhebber der Landstrijdkrachten (OVBLS)

Het ressort Overige eenheden BLS bestaat uit de Koninklijke Militaire Academie (KMA), de Topografische Dienst Nederland (TDN), de Centrale Dienst Personeel en Organisatie (CDPO) en de Directie Materieel Koninklijke Landmacht (DMKL). Daarnaast zijn er nog enkele kleine organisatie-elementen ondergebracht bij dit ressort zoals het personeel van de Koninklijke Landmacht bij de Navo-staven.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
04.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel110 316126 66516 34915%110 316126 66516 34915%
04.20.14 Militair personeel167 444174 1876 7434%167 444174 1876 7434%
04.20.15 Overige personele uitgaven58 07986 97728 89850%56 30587 97331  66856%
04.20.16 Materiële uitgaven53 993257 729203 736377%159 970201 63941 66926%
Totaal389 832645 558255 72666%494 035590 46496 42920%

Toelichting per artikelonderdeel

04.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort Overige eenheden BLS (OVBLS) verantwoord.

De overgang van het POMS-personeel van de Amerikanen naar de Koninklijke Landmacht heeft een stijging veroorzaakt in de begrotingssterkte en in de salarisuitgaven.

04.20.14 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort OVBLS verantwoord.

Enerzijds stijgen de uitgaven van het BOT-personeel doordat meer personeel van het onderdeel BLS Interne Staven en Overige Eenheden (BISO) in de organisatie aanwezig is dan gepland. Dit personeel is als gevolg van buitenlandtoelagen en hogere rangwaarderingen duurder dan de overige functionarissen binnen OVBLS. Ook ontvangen de cadetten bij de KMA in tegenstelling tot in de oorspronkelijke begroting thans beroepswedde in plaats van «zakgeld-vergoeding». Daarnaast is sprake van een daling van de middensom van het BBT-personeel (jonger personeel en gemiddeld lager in rang dan geraamd).

04.20.15 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de personele uitgaven anders dan salarissen verantwoord. Deze uitgaven hebben betrekking op zowel burger- als militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de gerealiseerde activiteiten en betreffen onder meer reizen, verplaatsen, opleidingen en inhuur van tijdelijk personeel.

Door veranderingen in de rechtspositie zijn de uitgaven voor de verplaatsingskosten toegenomen. Voorts heeft de komst van het POMS-personeel tot extra uitgaven geleid uit de voorzieningen van het SBK. Hierdoor stijgen de gemiddelde persoonsgebonden personele uitgaven per vte. Dit effect is sterker dan de daling als gevolg van de terugloop van het totale personeelsbestand van de Koninklijke Landmacht, waardoor per saldo sprake is van een stijging van de voornoemde uitgaven.

De stijging van de overige personele uitgaven en verplichtingen is met name toe te schrijven aan de uitvoering van het (KL-brede) programma «employée benefits» (PC/fiets-privé-project), dat niet in de begroting 2000 was voorzien.

04.20.16 Materiële uitgaven

Ten laste van dit onderdeel zijn de materiële uitgaven van dit ressort verantwoord en betreffen ondermeer grotere onderhoudsprojecten onder de Directie Materieel (Sensor-, wapen-, commando- en communicatiesystemen en wiel- en rupsvoertuigen) en de inhuur van O-, I- en A-deskundigen. Alle uitgaven van de Koninklijke Landmacht voor huisvesting, inventarisgoederen en klein materiaal, onderhoud gebouwen en terreinen, data en telecommunicatie zijn bij het ressort NATCO geraamd en verantwoord.

De stijging van de verplichtingen en uitgaven voor materiële exploitatie is met name veroorzaakt door de volgende bijstellingen:

Inventarisgoederen en Klein Materieel

De stijging van de verplichtingen wordt voornamelijk veroorzaakt door het reeds dit jaar afsluiten van het contract voor 2001 met het Nederlands Inkoop Centrum. Dit contract is van belang voor de decentrale verwervingsfunctie binnen de Koninklijke Landmacht.

Informatiesystemen

Door het eerder afsluiten van het onderhoudscontract Duelsimulatoren Geïnstrumenteerd Oefenterrein (DS/IOT), dat oorspronkelijk was gepland in 2002, zijnde het jaar van instroming, is sprake van een forse stijging van de verplichtingen. Het bleek doelmatiger te zijn om deze bestelorder tegelijk met de aanschaffing (investeringen) te plaatsen en bovendien op de gehele levensduur van 15 jaar te betrekken.

Daarnaast is er een verschuiving van de uitgaven voor de «smartcard» van NATCO naar CDPO (beheer door en betalingen aan DTO).

Projectmatig onderhoud

De stijging van de uitgaven betreft met name niet geraamde modificatieprogramma's aan wielvoertuigen, die in het kader van gewijzigde arbo- en milieuwetgeving aan onder meer het brandstof-distributiemiddel (BDM), de oplegger met werkruimte (OMW) en de mobiele drinkwaterinstallatie (MDI), dienen te worden doorgevoerd.

Door een extra behoefte aan de inzet voor vredesoperaties is aan meer YPR-voertuigen dan oorspronkelijk geraamd achterstallig onderhoud gepleegd.

Omdat naar verwachting het in 2002 geplande beperkt hoger echelons onderhoud (BHEO) aan de Multiple Launched Rocket System (MLRS, gekoppeld aan het verbeteringsprogramma ten laste van de investeringen) zal vertragen, is een hogere behoefte aan regulier onderhoud in de komende jaren ontstaan dan voorzien.

De verklaring voor het restant van de stijging van de verplichtingen valt samen met die van de uitgaven

Het ressort Landmachtstaf (LAS)

Tot het ressort Landmachtstaf worden de volgende eenheden gerekend: de Beleidsstaf, waaronder de Directeur Beleid en Planning, de Directeur Control en de Directeur Personeel, de Operationele Staf BLS en een ondersteunend element met daarin het kabinet van de BLS en een stafgroep met een aantal kleine eenheden. De Landmachtstaf ondersteunt de bevelhebber bij de aansturing van de Koninklijke Landmacht en schept de beleidsmatige voorwaarden om de eenheden en/of het individuele (reserve)personeel van de Koninklijke Landmacht gereed te hebben en beschikbaar te stellen voor alle taken in het gehele crisisbeheersingsspectrum.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
04.20.17 Ambtelijk burgerpersoneel26 42228 6862 2649%26 42228 6862 2649%
04.20.18 Militair personeel30 81233 5172 7059%30 81233 5172 7059%
04.20.19 Overige personele uitgaven4 87012 2267 356151%4 87012 3427 472153%
04.20.20 Materiële uitgaven96 982139 62742 64544%96 982129 13532 15333%
Totaal159 086214 05654 97035%159 086203 68044 59428%

Toelichting per artikelonderdeel

04.20.19 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de personele uitgaven anders dan salarissen verantwoord. Deze uitgaven betreffen zowel burger- als militair personeel, zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de gerealiseerde activiteiten en hebben onder meer betrekking op reizen en verplaatsen, opleidingen en inhuur van tijdelijk personeel.

De stijging van de overige personele uitgaven is het gevolg van het geheel onder het ressort LAS zichtbaar maken van de uitgaven voor het Koninklijk Nederlands Leger- en Wapenmuseum (KNLWM). In de begroting 2000 waren deze uitgaven nog geraamd bij de ressorts OVBLS en NATCO.

04.20.20 Materiële uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn materiële uitgaven van het ressort LAS verantwoord. Deze uitgaven betreffen onder meer het inhuren van O-, I- en A-deskundigen, bureauzaken, informatiesystemen en overige materiële zaken. Daarnaast zijn de KL-brede uitgaven voor groot onderhoud en beheerskosten van de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen ten laste van dit artikelonderdeel verantwoord. Alle uitgaven van de Koninklijke Landmacht voor huisvesting, inventarisgoederen en klein materiaal, onderhoud gebouwen en terreinen, data- en telecommunicatie zijn bij het ressort NATCO verantwoord.

De bijstelling van de verplichtingen en uitgaven is vrijwel geheel toe te schrijven aan het groot onderhoud aan gebouwen. Sinds 1999 is een inhaalslag ingezet in verband met achterstallig onderhoud aan infrastructuur.

Artikelonderdeel 04.20.21 Wachtgelden en inactiviteitswedden

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor het burger- en militair personeel van de Koninklijke Landmacht. Naast het reguliere wachtgeld worden op dit artikelonderdeel ook de uitgaven voor wachtgelden en uitstroom-bevorderende maatregelen geraamd en verantwoord die uit het Sociaal Beleidskader (SBK) voortvloeien.

De realisatie is f 1,720 miljoen lager dan geraamd. Met name door een lagere instroom bij zowel de wachtgelden voor SKB/UBMO militair personeel als het werkloosheidsbesluit voor BBT-militairen doet zich deze onderschrijding voor. De krapte op de arbeidsmarkt versterkt dit proces. Hier tegenover staan hogere door USZO in rekening gebrachte uitvoeringskosten.

04.21 Subsidies en bijdragen

Ten laste van dit artikel zijn de uitgaven voor subsidies aan de stichtingen Koninklijk Nederlands Leger- en Wapenmuseum en Jeugdwerk Duitsland verantwoord.

De doelstellingen van deze instanties zijn uiteengezet in bijlage 6 (de subsidiebijlage) van de begroting 2000.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
Stichting Jeugdwerk Duitsland2500– 250– 100%2503257530%
Stichting KNLW «Generaal Hoefer»1 5831 58301 5831 5830
Totaal1 8331 583– 250– 100%1 8331 9087530%

Toelichting per artikelonderdeel

Doordat de verplichting met betrekking tot het Jeugdwerk Duitsland reeds in 1999 in plaats van zoals gepland in 2000 is aangegaan, is er een verschil met de raming ontstaan. Voor de uitgaven heeft dit geen consequenties.

04.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur

Ten laste van dit artikel zijn de uitgaven voor investeringen in groot materieel en infrastructuur verantwoord.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
Automatisering80 990123 50042 51052%74 220140 53066 31089%
Logistiek336 43084 670– 251 760– 75%100 400122 44822 04822%
Commandovoering, verbindingen en gevechtsinlichtingen128 30082 258– 46 042– 36%160 71097 353– 63 357– 39%
Elektronisch materieel11 50025 00013 500117%16 7606 520– 10 240– 61%
Nucleair, biologisch en chemisch materieel (NBC)18 90011 300– 7 600– 40%14 2401 020– 13 220– 93%
Luchtverdediging19 00013 800– 5 200– 27%69 32070 0907701%
Manoeuvre1 118 750203 450– 915 300– 82%263 603180 615– 82 988– 31%
Vuursteun81 0009 530– 71 470– 88%27 49021 605– 5 885– 21%
Gevechtssteun43 00017 550– 25 450– 59%28 59015 710– 12 880– 45%
Infrastructuur395 682273 782– 121 900– 31%250 630251 1925620%
Totaal2 233 552844 840– 1 388 712– 62%1 005 963907 083– 98 880– 10%

Artikelonderdeel automatisering

De stijging van de aangegane verplichtingen en van de uitgaven is het gevolg van in 1999 niet gerealiseerde behoeften voor het project LAN 2000 en extra verplichtingen voor licenties en ontwikkelingskosten, alsmede diverse kleinschalige projecten die in 2000 terugkomen. Het project V-kaart is door hard- en softwareproblemen vertraagd naar 2001 en deels vervallen als gevolg van het niet in serieproductie gaan van versie-2 van de ontwikkelde kaart.

Artikelonderdeel logistiek

De uitgaven stijgen per saldo met name door mutaties op diverse kleinere projecten en door nieuwe behoeftes ten behoeve van crisisbeheersingsoperaties.

De daling van de aangegane verplichtingen ontstaat doordat projecten verschoven zijn naar latere jaren, als gevolg van vertraging in de behoeftestelling/studiefase (aggregaten projecten, GNK onder NBC, vervanging tenten/airco en vervanging vrachtauto gewondentransport) en verwervings voorbereiding (projecten uitbreiding waterzuiveringsinstallatie en vervanging motorrijwielen).

Het project munitieverbrandingscapaciteit is in overleg met het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer geschrapt. Indien nader onderzoek met betrekking tot regelgeving daartoe aanleiding geeft zal de behoefte te zijner tijd wederom in de plannen worden opgenomen.

Artikelonderdeel commandovoering, verbindingen en gevechtsinlichtingen

De uitgavendaling vindt zijn oorzaak hoofdzakelijk in het feit dat er in 1999 meer is geleverd en betaald voor het project Combat Net Radio (CNR). Daarnaast is een deel van het project Remotely Piloted Vehicle (RPV) en vervanging Enkelzijband Apparatuur vertraagd naar 2001 omdat niet alle leveringen in 2000 konden worden gerealiseerd.

Het project «Midlife upgrade Zodiac» is in het kader van de studie command and control komen te vervallen. Hiervoor zijn in latere jaren andere investeringen voorzien. In 1999 werd de realisatie van het Geïntegreerd Staf-Informatiesysteem (ISIS) voorzien, door vertraging in de verwervingsfase is een deel van dit project overgekomen naar 2000.

Ten behoeve van het project RPV zijn extra verplichtingen opgenomen voor uitgaven welke zijn ontstaan naar aanleiding van technische aanpassingen.

Artikelonderdeel elektronisch materieel

De verhoging van de aangegane verplichtingen hangt voornamelijk samen met het versneld realiseren van het project KWS Hornisse (gevechtswaardeverbetering). De uitgavendaling wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door vertraging in de besluitvorming over de voortzetting van het project EOV fase 2 in Duitsland.

Artikelonderdeel nucleair, biologisch en chemisch materieel

Bij dit onderdeel is vertraging opgetreden door herziening van de functionele eisen met betrekking tot de vervanging van gasverkenningsuitrusting en Cie-noodontsmetting. Deze projecten zijn doorgeschoven naar 2001. Daartegenover is de vervanging van ontsmettingsapparatuur die overgekomen is uit 1999 wel in 2000 gerealiseerd. Een en ander vindt ook z'n weerslag in de daling van de uitgaven.

Artikelonderdeel luchtverdediging

De daling van de verplichtingenomvang wordt met name veroorzaakt door vertraging in de behoeftestelling bij het project studie luchtverdediging.

De stijging van de uitgaven wordt voornamelijk veroorzaakt door mutaties op diverse kleinere projecten en doordat voor het project GWI PRTL minder leveringen en betalingen hebben plaatsgevonden in 1999 waardoor deze in 2000 zijn gerealiseerd.

Artikelonderdeel manoeuvre

De uitgaven dalen hoofdzakelijk doordat met name voor de projecten licht verkennings- en bewakingsvoertuig (LVB) en antitank middelbare dracht (MRAT) vertraging in de verwervingfase is opgetreden. Daarnaast is met betrekking tot de deelname in het project Vervanging Pantservoertuigen (ontwikkeling) de besluitvorming in 2000 niet afgerond.

De verlaging van de verplichtingen voor manoeuvre is voornamelijk ontstaan door vertraging bij het project SRAT (short range antitank) en gevechtsveld controle radar, omdat meer tijd nodig is geweest bij de evaluatie van alternatieven. Verder is bij het project Tactical air control party vertraging bij de behoeftestelling opgetreden en zijn de projecten antitank middelbare dracht (MRAT), tactische indoor simulatie en het project vervanging pantservoertuigen (ontwikkeling) in verband met eerder genoemde vertragingen doorgeschoven naar 2001. Het project vervanging mitrailleur .50 inch komt versneld over uit 2001 gelet op de relatie met het gerealiseerde project vervanging MAG. De onderdelen verlengde schietbuis en LKE-munitie uit het project verbetering Leopard 2 zijn door vertraging in de verwervingsfase niet gerealiseerd in 2000 en verschoven naar 2001.

Het project Combat Identification is vooralsnog komen te vervallen, aangezien de te ontwikkelen NATO-standaard niet op korte termijn te verwachten is.

Artikelonderdeel vuursteun

Er vindt in dit onderdeel een verlaging van verplichtingen en uitgaven plaats doordat de projecten grondgebonden doelopsporingsmiddelen en VUIST-2 door vertraging in de verwervingsvoorbereidingsfase zijn verschoven naar 2001.

Artikelonderdeel gevechtssteun

De projecten gevechtsdekkingen en grondboorinstallaties zijn door herziening van de eisen respectievelijk door vertraging in de verwervingsvoorbereiding doorgeschoven naar 2001. Daarnaast is het project mijnenveegsysteem door vertraging in de studiefase verschoven naar 2001. Dit heeft eveneens een verlaging van de uitgaven tot gevolg.

Artikelonderdeel infrastructuur

De mutatie bij de verplichtingen is voornamelijk veroorzaakt door actualisering van het bouwprogramma 2000 en vertraging van het project Strijpse Kampen door het niet tijdig beschikbaar komen van de bouwgronden en vertraging bij het project Integrale veiligheidszorg door met name de vele organisatorische veranderingen bij de Koninklijke Landmacht.

05. Beleidsterrein Koninklijke Luchtmacht

Algemeen

Bedrijfsvoering

De reorganisatie van de topstructuur past binnen het concept van verdere decentralisatie van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden (TVB). De Mandaatregeling is daarop herzien en aan de Secretaris-Generaal aangeboden. Gebleken is dat de invulling van het begrip «integrale verantwoordelijkheid» voor meerdere uitleg vatbaar is en soms tot verwarring leidt. Daarom wordt onderzocht of met een gewijzigde beheersingssystematiek aan deze verantwoordelijkheid meer inhoud kan worden gegeven. Daaraan gekoppeld is het aspect van integrale bedrijfsvoeringsbudgetten en een verhoging van het kosteninzicht.

Op het gebied van besturing en beheersing is de planning en controlcyclus (PCC) binnen de Koninklijke Luchtmacht op alle niveaus ingebed. De rapportages in deze cyclus richten zich momenteel vooral op het afleggen van verantwoording en bevatten nog te weinig stuurinformatie. Hoewel daaraan nog de nodige aandacht moet worden besteed, dragen de ontwikkelde doelstellingen en kengetallen, overigens een integraal deel van de PCC, bij aan de transparantie van doelstellingen en doelrealisatie. Het opstellen van gedetailleerde plandocumenten en controlrapportages vraagt veel capaciteit en tijd van managers. In het kader van «sturen op hoofdlijnen» wordt naar een doelmatiger manier van werken gezocht.

Als uitvloeisel van decentralisatie en ter controle van de rechtmatigheid is in 2000 een auditstructuur geïntroduceerd en verankerd in de auditkalender. Het Audithandboek Koninklijke Luchtmacht wordt opgesteld zij het dat de ontwikkeling enigszins is vertraagd. Door clustering en integratie van financial audits, operational audits en andere vormen van audits (zoals vliegveiligheid en ARBO) wordt getracht de belasting van de RVE'n te reduceren.

Het door de Algemene Rekenkamer uitgebrachte Rapport bij de Financiële Verantwoording 1999 heeft geleid tot nog meer aandacht voor de administratieve organisatie op materieel en personeel gebied en nadrukkelijk op financieel gebied, inbegrepen de beheersaspecten daarvan. Om het proces van continue verbetering te ondersteunen is binnen de Koninklijke Luchtmacht de door het Instituut Nederlandse Kwaliteitszorg ontwikkelde methodiek (INK-model) geïntroduceerd, waarbij positiebepalingen de basis vormen voor (meerjarige) verbeterplannen. Deze maken onderdeel uit van controlrapportages en zijn geborgd in de organisatie. Een eerste INK-audit op RVE-niveau heeft inmiddels plaatsgevonden.

De bestuurlijke integratie van het Depot Mechanisch Vliegtuigmaterieel en Straalmotoren (DMVS) en het Depot Elektronisch Materieel (DELM) tot het Logistiek Centrum Koninklijke Luchtmacht (LCKLu) is in 2000 afgerond. Wel is er enige vertraging in de overdracht van beheerstaken van de Directie Materieel Koninklijke Luchtmacht (DMKLu) naar het LCKLu. Personele tekorten binnen de nieuw gevormde Divisie Wapensysteem Ondersteuning (DWO) zijn hier debet aan. Tevens zijn in 2000 de scholen van de Koninklijke Luchtmacht samengevoegd tot de Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KMSL) op de vliegbasis Woensdrecht.

Materieel/logistiek beleid

Project Vervanging F-16

Het jaar 2000 is gebruikt om met ondersteuning van TNO en het NLR een gedegen kandidatenevaluatie uit te voeren. Ook is in dat jaar een basisdocument aangeboden conform de Procedureregeling Grote Projecten en daarover heeft op 23 november jl. een Algemeen Overleg met de vaste commisie plaatsgevonden. In 2000 zijn ook participatievoorstellen ontvangen van de Europese vliegtuigfabrikanten. Samen met het Amerikaanse participatievoorstel ten aanzien van de EMD-fase van de JFS worden ook de Europese participatievoorstellen in beschouwing genomen. Het besluit ten aanzien van Nederlandse deelname in de EMD-fase van de JSF zal naar verwachting in 2001 moeten worden genomen.

Project Midlife Update F-16

De productiefase van het Midlife Update programma omvat de modernisering van de F-16 jachtvliegtuigen. Als gevolg van de motie Van den Doel, het aanhouden van 108 operationele F-16's, zijn de gereserveerde fondsen voor het MLU-F16 programma bijgesteld. In lijn hiermee is tevens de betalingsreeks voor de productie en inbouw aangepast. In aansluiting hierop is het project Laserdoelaanstralingsapparatuur (Kamerstuk 24 400, nr. 6) gekoppeld aan het project Midlife Update. Beide projecten zullen in 2003 worden afgerond.

Personeelsbeleid

De met de Defensienota voorgeschreven reductie van het personeelsbestand dient voor 2003 geëffectueerd te zijn. Toegewerkt dient te worden naar een personele omvang van 12 699, waarvan 7340 BOT-militairen, 3693 BBT-militairen en 1666 burgermedewerkers. Inmiddels is de realisatie van het aantal militairen lager dan het met de Defensienota beoogde niveau, wat met name wordt veroorzaakt door tegenvallende wervingsresultaten.

Financieel beleid

Tijdens de begrotingsuitvoering 2000 is voor beleidsintensiveringen f 212,1 miljoen aan het budget van de Koninklijke Luchtmacht toegevoegd. Hiermee zijn de Defensienotamaatregelen verwerkt.

Op grond van voortschrijdende inzichten zijn enkele investeringsprojecten zowel in omvang bijgesteld als in de tijd aangepast, waardoor betalingsschema's zijn gewijzigd. Daarnaast zijn de personele exploitatie-uitgaven op basis van gewijzigde regelgeving en activiteiten aangepast en de materiële exploitatie-uitgaven voor met name vliegtuigonderhoud verhoogd.

Realisatie

De totaal geraamde en gerealiseerde uitgaven van het beleidsterrein Koninklijke Luchtmacht voor het jaar 2000 zijn als volgt te specificeren:

Uitgaven (x f 1000,–)

 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
05.20 Personeel en materieel    
– Commando Tactische Luchtstrijdkrachten (CTL)854 767904 24949 4826%
– Decentrale Ondersteunende Eenheden (DOE)273 924372 54998 62536%
– Hoofdkwartier Koninklijke Luchtmacht (HKKLu)770 398777 9607 5621%
– Wachtgelden en inactiviteitsgelden24 00424 7797753%
Totaal Personeel en materieel1 923 0932 079 537156 4448%
05.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur389 926475 41785 49122%
Totaal uitgaven Koninklijke Luchtmacht2 313 0192 554 954241 93510%

Toelichting op de verschillen

De verschillen worden naar oorzaak bij de realisatiecijfers van de uitgavenbegrotingsartikelen toegelicht.

05.20 Personeel en materieel

Binnen dit artikel worden de uitgaven van drie ressorts geraamd en verantwoord: Tactische Luchtmacht, Decentrale Ondersteunende Eenheden en Hoofdkwartier Koninklijke Luchtmacht. Per ressort worden vier vaste artikelonderdelen gepresenteerd: ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel, overige personele uitgaven en materiële uitgaven. De uitgaven voor wachtgelden en inactiviteitswedden worden eveneens op dit artikel verantwoord.

De begroting van het artikel Personeel en materieel is met een overschrijding van f 156,4 miljoen gerealiseerd. Dit komt overeen met een afwijking van 8% en wordt ondermeer veroorzaakt door de loon- en prijsaanpassingen (+ f 24,3 miljoen), de aanpassing van de salarisuitgaven als gevolg van een lagere personeelssterkte (– f 19,5 miljoen) en hogere uitgaven voor de personele en materiële uitgaven (onder andere vliegopleidingen en vliegtuigonderhoud f 151,7 miljoen). De stijging in de uitgaven wordt in algemene termen mede veroorzaakt door de gestegen dollarkoers en brandstofprijs. Daarnaast zijn door de vervroegde kassluiting in 1999 veel facturen (ongeveer f 40 miljoen) pas in 2000 betaald en bood de extra realisatie op verrekenbare ontvangsten in 2000 de mogelijkheid de voorraad uitgavenfacturen rechtmatig te betalen in december. Dit alles leidt tot hogere uitgaven, ondanks de lagere realisatie van de activiteiten. De verschillen worden verder naar oorzaak toegelicht bij de realisatiecijfers van de uitgaven per ressort.

Als gevolg van de reorganisatie topstructuur en decentralisatie van beheerstaken hebben verschuivingen van aantallen personeel en daarbij behorende budgetten plaatsgevonden. Bij deze herschikking is een verbeterd inzicht ontstaan in de opbouw en samenstelling van de werkelijke aantallen personeel per ressort. Op grond hiervan zijn in 2000 zowel de ramingen van de personeelsaantallen als de middensommen gewijzigd. Daarnaast zijn vanwege de decentralisatie van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden budgetten overgeheveld naar de ressorts, waaronder budgetten voor vliegopleidingen.

Het ressort Tactische Luchtmacht (TL)

Het ressort TL bestaat uit de clusters Staf TL, Jachtvliegtuigen, Tactische Helikopter Groep (THG), Grond-Lucht Geleide Wapens (GLGW), Luchttransport, Air Operations Control Station (AOCS) en overige eenheden TL. Daarnaast valt een aantal kleinere eenheden rechtstreeks onder de TL, zoals de Luchtmacht Meteorologische Groep (LMG) en de Luchtmacht CIS Groep (LCG).

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
05.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel32 20938 5276 31820%32 20938 5276 31820%
05.20.02 Militair personeel643 690570 217– 73 473– 11%643 690570 217– 73 473– 11%
05.20.03 Overige personele uitgaven57 905156 27798 372170%57 905133 88575 980131%
05.20.04 Materiële uitgaven120 963176 49755 53446%120 963161 62040 65734%
Totaal854 767941 51886 75110%854 767904 24949 4826%

Operationele doelstellingen

Doelstellingen operationele gereedheid ressort Tactische Luchtmacht*

 BegrootRealisatie
Gereedheidstermijndirect inzetbaarop korte termijn inzetbaarop lange termijn inzetbaardirect inzetbaarop korte termijn inzetbaarop lange termijn inzetbaar
Type eenheid  
Air Operations Control Station**1  1  
Squadron jachtvliegtuigen51 51 
Triad squadron22 22 
Squadron Lutra tankervliegtuigen1  1  
Squadron Gevechtshelikopters 2  2 
Squadron***** Transporthelikopters 2  2 
Squadron Light Utility helikopters 1***1*** 1***0****

* Voor nationale taken zijn alle eenheden van het ressort Tactische Luchtmacht op korte termijn beschikbaar

** inclusief radar post noord

*** betreft 12 helikopters

**** vanwege uitfasering in de loop van 2000

***** squadron in opbouw; gereed medio 2003

Toelichting

De doelstellingen ten aanzien van de operationele gereedheid van het ressort Tactische Luchtmacht zijn in 2000 volledig gerealiseerd. Dit neemt niet weg dat zich bij een aantal wapensystemen knelpunten hebben voorgedaan ten aanzien van de inzetbaarheid. Deze knelpunten, die hieronder worden toegelicht, hebben echter niet geleid tot het niet kunnen voldoen aan de operationele gereedheidseisen.

Jachtvliegtuigen

De inzetbaarheid heeft gedurende 2000 hinder ondervonden van de uitvoering van de verschillende modificatieprogramma's. Daarnaast was de beheersing van de reparatie-doorlooptijden van enkele reservedelen bij de industrie niet optimaal. Ten aanzien van dit punt zijn inmiddels maatregelen genomen. Tot slot bleef de voorraad precisiewapens nog enige tijd beneden het vereiste niveau als gevolg van de recente operaties op de Balkan. Ondanks deze punten kon aan alle inzetverplichtingen worden voldaan.

Helikopters

De inzetbaarheid van de verschillende helikoptertypes heeft hinder ondervonden van een gebrek aan reservedelen en een tekort aan technisch personeel. De aanvulling van de voorraad reservedelen is in volle gang waarbij tevens het onderhoudsconcept van de Cougar wordt herzien waardoor werkzaamheden kunnen worden gecombineerd. Door geïntensiveerde werving en uitstroombeperkende maatregelen wordt getracht de vullingsgraad te verbeteren. De geringe inzetbaarheid heeft niet geleid tot het niet kunnen voldoen aan de gereedheidseisen doch wel tot een beperking van de oefenmogelijkheden met de 11e Luchtmobiele Brigade.

Overige

Ten aanzien van de overige (wapen) systemen zijn geen bijzonderheden met betrekking tot de operationele gereedheid te noemen.

Activiteitentoelichting

De activiteiten van het ressort TL zijn gericht op het inzetgereed houden en op daadwerkelijk inzetten van operationele eenheden. Ten behoeve van deze activiteiten wordt veelvuldig geoefend, zowel in nationaal als in internationaal verband. Daarnaast worden regelmatig oefeningen in groter verband gehouden. De operationele eenheden worden ingezet ten behoeve van Crisisbeheersings-, Vredes- en Humanitaire (CVH) operaties. De activiteiten kunnen worden uitgedrukt in vlieguren en manoefendagen, die als volgt zijn geraamd en gerealiseerd.

OmschrijvingmeeteenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
F-16 JachtvliegtuigenVlieguren24 40019 756– 4 644– 19%
Tactische Helikopter GroepVlieguren19 23510 594– 8 641– 45%
LuchttransportVlieguren9 5007 011– 2 489– 26%
Groep Geleide WapensManoefendagen20 36015 307– 5 053– 25%

De in de ontwerpbegroting 2000 opgenomen vlieguren betreffen het maximaal toelaatbare, logistiek verantwoorde aantal vlieguren.

De achterblijvende realisatie van het vliegprogramma voor F-16 jachtvliegtuigen, luchttransport en helikopters wordt met name veroorzaakt door onvoldoende inzetbare vliegtuigen en helikopters, hetgeen is ontstaan door een tekort aan reservedelen en een tekort aan vliegend en technisch personeel. In het kader van de (Hoofdlijnennotitie) herstructurering van de Koninklijke Luchtmacht is het cluster OLVD opgeheven. Door genoemde herstructurering heeft er een verdere verdeling plaatsgevonden voor het cluster Gebruikersonderhoud. De in de ontwerpbegroting 2000 voor deze clusters opgenomen prestatie-indicatoren worden daardoor niet meer separaat gevolgd.

De inzetbaarheid van de Groep Geleide Wapens staat onder druk vanwege verschillende modificatieprogramma's en een beperkte onderhoudscapaciteit. Daarnaast is om financiële redenen in het begin van het jaar een aantal oefeningen geannuleerd, waardoor het begrote aantal manoefendagen niet volledig is gerealiseerd. Dit geldt overigens ook voor de andere clusters.

Toelichting per artikelonderdeel

05.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het ressort TL verantwoord.

De meeruitgaven zijn een gevolg van de verhoging van het aantal vte'n burgerpersoneel door de eerder genoemde technische herschikkingen per ressort naar aanleiding van de doorgevoerde reorganisaties. Daarnaast is de verandering van het gemiddeld salaris (gewijzigde opbouw van leeftijd en schalen) en de uitgedeelde loonbijstelling 1999 eveneens van invloed.

05.20.02 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort TL verantwoord.

De minderuitgaven zijn een gevolg van de verlaging van het aantal vte'n militair personeel door de eerder genoemde technische herschikkingen per ressort naar aanleiding van de doorgevoerde reorganisaties. Tevens is de verandering van het gemiddeld salaris (gewijzigde opbouw van leeftijd en schalen) en de uitgedeelde loonbijstelling 1999 van invloed. Daarnaast zijn uitgaven voor salarissen neerwaarts bijgesteld naar aanleiding van een lagere personeelssterkte ingevolge achterblijvende wervingsresultaten in de categorieën BOT en BBT.

05.20.03 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de personele uitgaven anders dan salarissen van het ressort TL verantwoord. Deze hebben zowel betrekking op burgerpersoneel als op militair personeel. De uitgaven betreffen ondermeer kleding, voeding, reizen, (vlieg)opleidingen en geneeskundige verzorging. De overige personele uitgaven zijn grotendeels afhankelijk van de personele sterkte en de uitgevoerde activiteiten.

De meeruitgaven zijn een gevolg van:

– extra inhuur van tijdelijk personeel vanwege de ontstane vacatures in de verschillende functiegroepen;

– extra uitgaven voor kleding (aanschaffingen in het kader van veiligheid, ARBO en milieu);

– uitgaven voor vliegopleidingen die in de ontwerpbegroting geraamd waren bij het ressort HKKLu.

De bovengenoemde oorzaken hebben tevens geleid tot de overschrijding van het geraamde verplichtingenbudget.

05.20.04 Materiële uitgaven

Op dit artikelonderdeel zijn onder meer de uitgaven verantwoord voor huisvesting, telecommunicatie, het onderhoud van infrastructuur en (wapen)systemen en de inhuur van O-, I- en A-deskundigheid door het ressort TL.

De meeruitgaven zijn het gevolg van een groot aantal oorzaken. Gezien de personele tekorten op het gebied van O-, I- en A-deskundigheid, de transitie-opleidingen voor personeel werkzaam aan communicatie- en informatiesystemen en het omvangrijke programma IV-projecten diende extra personeel te worden ingehuurd. In lijn met de verdere decentralisatie van taken en bevoegdheden zijn uitgaven voor huisvesting, inventarisgoederen, bureauzaken, informatiesystemen en voertuigbrandstoffen verricht, welke in de ontwerpbegroting waren geraamd bij het ressort HKKLu. Voorts betreft het noodzakelijke betalingen (inclusief koerscorrectie) voor trainingsfaciliteiten op Goose Bay en het zeker stellen van trainingsfaciliteiten ACMI (vliegrange boven de Noordzee). Daarnaast is het nodig gebleken diverse uitgestelde onderhoudsprojecten alsnog uit te voeren. Hierdoor zijn de uitgaven voor de uitvoering van het onderhoud van infrastructuur gestegen. Tenslotte werden uitgaven gedaan voor de instandhouding van voorraden (gereedschappen en keukenmachines) en de aanschaf van mobiele containers.

De genoemde oorzaken bij de (hogere) uitgaven vormen de oorzaak van de overschrijding van het verplichtingenniveau.

Het ressort Decentrale Ondersteunende Eenheden (DOE)

Het ressort DOE bestaat in de begroting 2000 uit het Depot Mechanisch Vliegtuigmaterieel en Straalmotoren (DMVS), het Depot Elektronisch Materieel (DELM), de Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO), de Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KMSL) en een aantal overige kleine organisatie-eenheden.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
05.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel49 34347 842– 1 501– 3%49 34347 842– 1 501– 3%
05.20.06 Militair personeel151 623213 55161 92841%151 623213 55161 92841%
05.20.07 Overige personele uitgaven18 30843 28924 981136%18 30842 19623 888130%
05.20.08 Materiële uitgaven54 650122 02967 379123%54 65068 96014 31026%
Totaal273 924426 711152 78756%273 924372 54998 62536%

Activiteitentoelichting

De activiteiten van het ressort DOE binnen het materieel-logistieke functiegebied omvatten het innoveren, instandhouden en verbeteren van de (wapen)systemen en het beschikbaar stellen van de materiële middelen die nodig zijn om de (wapen)systemen in gebruiksgerede staat te brengen en te houden. De opleidingsactiviteiten van het ressort DOE omvatten het geven van initiële en bijscholingsopleidingen om nieuw en zittend personeel voor inzet gereed te maken en te houden. De realisatie van de activiteiten van het ressort DOE in 2000 zijn in de volgende twee tabellen weergegeven.

Omschrijving (aantal uren x 1000)Begroting 2000Realisatie 2000Verschil
DMVS/Logistieke Divisie Woensdrecht (LDW)   
– Planmatig/preventief aantal uren onderhoud/modificatie219194– 25
– Aantal uren incidenteel/correctief onderhoud193116– 77
Totaal aantal uren412310– 102
DELM/Logitieke Divisie Rhenen (LDR):  0
– Planmatig/preventief aantal uren onderhoud/modificatie15017020
– Aantal uren incidenteel/correctief onderhoud11785– 32
Totaal aantal uren267255– 12
Engineering/Divisie Wapensysteem Ondersteuning (DWO):   
– Aantal uren engineering213142– 71
Totaal aantal uren892707– 185

De achterblijvende realisatie van het preventief en correctief onderhoud door het ressort DOE (LCKLu) wordt met name veroorzaakt door een groot aantal vacatures van technisch personeel. Hierdoor is een achterstand ontstaan in de uitvoering van het geplande onderhoud van diverse projecten. Als gevolg van de integratie van de depots wordt het aantal geplande uren voor engineering nu bij het DWO verantwoord. De achterblijvende realisatie voor engineering wordt eveneens veroorzaakt door de hierboven vermelde problematiek.

De opleidingsactiviteiten van het ressort DOE omvatten het geven van initiële en bijscholingsopleidingen om nieuw en huidig personeel geschikt te maken en te houden om te functioneren bij de Koninklijke Luchtmacht.

Omschrijving (aantal cursisten)Begroot 2000Realisatie 2000Verschil
algemene militaire- en kaderopleidingen852637– 215
initiële functie-opleidingen717577– 140
loopbaanopleidingen328310– 18
overige opleidingen3 2003 23232
Totaal5 0974 756– 341

De daadwerkelijke opkomst en daarmee het aantal af te leveren cursisten is achtergebleven ten opzichte van de oorspronkelijke raming. Dit is voornamelijk het gevolg van achterblijvende wervingsresultaten.

Toelichting per artikelonderdeel

05.20.06 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort DOE verantwoord.

De overrealisatie is het gevolg van de wijziging van het aantal vte'n militair personeel door de eerder genoemde technische herschikkingen per ressort naar aanleiding van de doorgevoerde reorganisaties. Daarnaast is de verandering van het gemiddeld salaris (gewijzigde opbouw van leeftijd en schalen) en een achterblijvende werving voor de categorie BBT en de uitgedeelde loonbijstelling 1999 van invloed geweest op het verloop van de uiteindelijke realisatie.

05.20.07 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de personele uitgaven anders dan salarissen verantwoord. De uitgaven hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de gerealiseerde activiteiten en hebben onder meer betrekking op kleding, voeding, reizen, verplaatsen, opleidingen, inhuur van tijdelijk personeel en geneeskundige verzorging.

Extra uitgaven zijn benodigd geweest voor inhuur van tijdelijk personeel vanwege de ontstane vacatures in de categorie technisch personeel, het uitvoeren van een aantal projecten, achterblijvende werving, alsmede het opvangen van piekbelastingen. Daarnaast zijn de uitgaven voor persoonsgebonden uitgaven toegenomen als gevolg van de verhoging van het personeelsbestand. Als gevolg van kleine wijzigingen in de behoefte voor kleding en voeding zijn eveneens extra uitgaven verricht. Voorts zijn als gevolg van gewijzigde regelgeving met betrekking tot vergoeding van verplaatsingskosten (reisbesluit woon-/werkverkeer) en het opnemen van noodzakelijke opleidingen voor luchtverkeersleiders, praktische vliegerselectie en brandweer die niet in de oorspronkelijke begroting waren voorzien extra uitgaven verricht.

De boven genoemde oorzaken zijn tevens de reden van de overschrijding van het geraamde verplichtingenniveau.

05.20.08 Materiële uitgaven

Op dit artikelonderdeel zijn ondermeer de uitgaven voor huisvesting, telecommunicatie, munitie, het onderhoud van infrastructuur en (wapen)systemen en de inhuur van O-, I- en A-deskundigheid door het ressort DOE verantwoord.

Gebleken is dat door de personele tekorten op het gebied van O-, I- en A-deskundigheid, als gevolg van de bestuurlijke integratie van de depots en de samenvoeging van de scholen, meer inhuur benodigd was. De uitgaven voor overige persoonsgebonden uitgaven zijn op grond van kleine wijzigingen in de behoefte opwaarts bijgesteld. Daarnaast waren extra fondsen benodigd voor de uitvoering van het onderhoud (infra) en het onderhoud voor overige systemen, installaties en materieel terwijl een verdere decentralisatie van taken die betrekking heeft op het uit te voeren onderhoud aan jachtvliegtuigen, eveneens een rol speelde.

De hogere realisatie van het verplichtingenniveau is met name het gevolg van de verdere decentralisatie (van HKKLu naar TL) van budgetten voor het uitvoeren van het onderhoud aan vliegtuigen.

Het ressort Hoofdkwartier Koninklijke Luchtmacht (HKKLu)

Het ressort HKKLu bestaat uit de Staf van de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, de Directie Personeel KLu (DPKLu), de Directie Materieel KLu (DMKLu), de Directie Control KLu (DCKLu) en het Korps Luchtmachtstaven (KLS).

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
05.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel42 75039 546– 3 204– 7%42 75039 534– 3 216– 8%
05.20.10 Militair personeel85 07875 460– 9 618– 11%85 07875 467– 9 611– 11%
05.20.11 Overige personele uitgaven86 43633 290– 53 146– 61%153 21694 219– 58 997– 39%
05.20.12 Materiële uitgaven611 239554 632– 56 607– 9%489 354568 74079 38616%
Totaal825 503702 928– 122 575– 15%770 398777 9607 5621%

Activiteitentoelichting

Het ressort HKKLu formuleert het operationele, personele, materiële en financiële beleid van de Koninklijke Luchtmacht en ondersteunt de eenheden van de Koninklijke Luchtmacht bij de uitvoering daarvan. De inhet oog springende activiteiten in 2000 betreffen het nieuw geformuleerde bedrijfsvoeringsbeleid en de reorganisatie van de Topstructuur Koninklijke Luchtmacht.

Toelichting per artikelonderdeel

05.20.10 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het ressort HKKLu verantwoord.

De onderrealisatie is per saldo het gevolg van de wijziging van het aantal vte'n militair personeel door de eerder genoemde technische herschikkingen per ressort naar aanleiding van de doorgevoerde reorganisaties. Daartegenover is de verandering van het gemiddeld salaris (gewijzigde opbouw van leeftijd en schalen) en een licht achterblijvende werving voor de categorie BBT en de uitdeling van de loonbijstelling 1999, van invloed geweest op het verloop van de uiteindelijke realisatie.

05.20.11 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de personele uitgaven anders dan salarissen verantwoord. De ramingen hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de gerealiseerde activiteiten en hebben onder meer betrekking op kleding, voeding, reizen, opleidingen en geneeskundige verzorging.

De extra uitgaven voor inhuur van tijdelijk personeel zijn noodzakelijk vanwege de ontstane vacatures in de diverse functiegroepen. Voor kleding en uitrusting zijn in 2000 extra uitgaven gedaan als gevolg van de invulling van eerder uitgestelde aanschaffingen. De uitgaven voor voeding zijn in lijn met de personeelssterkte aangepast.

De eerder genoemde overheveling van budget ten behoeve van vliegopleidingen naar het ressort TL veroorzaakt een onderrealisatie. Daarnaast zijn diverse budgetten van uiteenlopende aard eveneens overgeheveld naar de andere ressorts waardoor de uitgaven bij de andere ressorts zijn verantwoord. Tevens waren de uitgaven voor Employee Benefits als gevolg van vertraging in de besluitvorming niet in de begroting voorzien maar waarvoor wel in het laatste kwartaal uitgaven zijn gerealiseerd. Tenslotte waren er extra uitgaven die betrekking hebben op verplaatsingskosten naar aanleiding van gewijzigde regelgeving (reisbesluit woon-werkverkeer).

De wijzigingen op het verplichtingenniveau wordt verklaard door de overheveling van budgetten voor vliegopleidingen naar het ressort TL en de gestelde mutaties bij de uitgaven.

05.20.12 Materiële uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de materiële uitgaven verantwoord. Deze hebben betrekking op huisvesting, telecommunicatie, munitie, het onderhoud van infrastructuur en (wapen)systemen en de inhuur van O-, I- en A-deskundigheid door het ressort HKKLu.

De behoefte aan inhuur op het gebied van O-, I- en A-deskundigheid was vooral gebaseerd op de gevolgen van de herstructurering die betrekking heeft op het ressort HKKLu. De lagere uitgaven zijn met name het gevolg van de verdere decentralisatie van budgetten naar de andere ressorts. Nadere prioriteitsstelling heeft geleid tot een zodanig activiteitenniveau dat het noodzakelijk was om de uitgaven voor huisvesting, inventarisgoederen, bureauzaken en overige materiële zaken opwaarts bij te stellen. Tevens is uit onderzoek gebleken dat nog openstaande facturen uit 1999 en 2000 ten behoeve van DTO, alsnog in 2000 betaald dienden te worden. Dit onderzoek had eveneens betrekking op het project LAN 2000. Voor beide waren in de oorspronkelijke begroting, hangende de discussie, nog geen bedragen geraamd.

Een verdere verhoging heeft met name betrekking op bijstelling in de behoefte (reservedelen) en verschuiving van betalingen in de tijd voor het uitvoeren van het noodzakelijke onderhoud aan jachtvliegtuigen, transportvliegtuigen en helikopters. De effecten van de hogere dollarkoers zijn de oorzaak van de hogere realisatie ten behoeve van het vliegtuigonderhoud.

De lagere realisatie van het verplichtingenniveau is met name het gevolg van de verdere decentralisatie (van HKKLu naar TL) van budgetten voor het uitvoeren van het onderhoud aan vliegtuigen.

Artikelonderdeel 05.20.13 Wachtgelden en inactiviteitswedden

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor het burger- en militair personeel van de Koninklijke Luchtmacht. Naast het reguliere wachtgeld worden op dit artikelonderdeel ook de uitgaven voor wachtgelden en uitstroombevorderende maatregelen geraamd en verantwoord die uit het sociaal beleidskader (SBK) voortvloeien.

Sociaal Beleidskader

Het Sociaal beleidskader is verlengd tot en met 2004. Het gevolg hiervan is dat er meer burgers gebruik maken van deze regeling, waardoor de realisatie hoger is uitgevallen. Voor militair personeel geldt dat meer ouderen voor een wachtgeldregeling in aanmerking komen, waardoor eveneens de uitgaven hoger zijn uitgevallen. Personeelsverloop en wervingsresultaten resulteren in het niet aanwezig zijn van functies die boven de organieke sterkte (overtolligheid) zijn geplaatst. Hierdoor heeft er in 2000 geen realisatie plaatsgevonden.

05.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd en verantwoord voor investeringen in groot materieel en infrastructuur. Het beleid is er op gericht te streven naar verbetering van het bestaande materieel en het opheffen van tekortkomingen, zowel kwantitatief als kwalitatief en vervanging van verouderd materieel. Onderstaand wordt per artikelonderdeel inzicht gegeven in de belangrijkste wijzigingen:

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
Vliegtuigmaterieel (incl. F-16)36 27041 9845 71416%71 418113 85842 44059%
Vervoermiddelen74 32510 426– 63 899– 86%19 88612 926– 6 960– 35%
Elektrisch en elektronisch materieel371 86658 671– 313 195– 84%94 954127 77032 81635%
Bewapeningsmaterieel307 94636 715– 271 231– 88%18 42643 60825 182137%
Springstoffen en munitie133 400– 15 468– 148 868– 112%4096 4786 0691 484%
Overig materieel13 55523 1819 62671%11 99214 2402 24819%
Infrastructuur149 299118 948– 30 351– 20%172 841156 537– 16 304– 9%
Totaal1 086 661274 457– 812 204– 75%389 926475 41785 49122%

Vliegtuigmaterieel (inclusief F-16)

Als gevolg van de uitvoering van de Defensienota en de motie Van der Doel (aanhouden van 108 operationele F-16's) zijn de gereserveerde fondsen voor het project MLU-F-16 en het inbouwprogramma F-16 bijgesteld. Op grond hiervan zijn de hiervoor geplande fondsen aangepast, waardoor de uitgaven- en verplichtingenramingen zijn gewijzigd. Vanaf 1999 is een aanvang gemaakt met het voorzien van enkele transporthelikopters met de noodzakelijke zelfbeschermingsmaatregelen. Dit heeft geleid tot een verhoging van de uitgaven in het jaar 2000. Een verschuiving van het betalingsmoment voor het project Laserdoelaanstraling Pods heeft eveneens geleid tot een verhoging van de uitgaven. In de behoefte aan simulatie-capaciteit voor de transporthelikopter wordt om doelmatigheidsreden thans voorzien door inhuur; hierdoor is dit investeringsproject komen te vervallen, waardoor het uitgaven- en verplichtingenbudget verlaagd is.

Vervoermiddelen

De geplande uitgaven voor vervoermiddelen betroffen de aanschaf en bedrijfsmatige vervangingen van voertuigen naar aanleiding van het voertuigenplan. Financiële problematiek en daaraan gerelateerde besluitvorming over prioriteitsstelling heeft geleid tot vertraging in het opstarten van de geplande behoefte. Dit heeft geleid tot herfasering van budgetten waardoor met name de verplichtingen voor een groot deel niet konden worden gerealiseerd.

Elektrisch en elektronisch materieel

De verhoging op dit artikelonderdeel wordt voor een groot deel veroorzaakt door het project Millennium. Doordat een aantal deelprojecten in tijd is verschoven is het zwaartepunt van de uiteindelijke betalingen in 2000 gevallen. Daarnaast is een aantal projecten (onder andere DEEC, KLUIM en Helios bedrijfsvoeringssysteem) op grond van behoefte en gewijzigde bedragen bijgesteld. Hierdoor zijn de uitgaven per saldo hoger uitgevallen. De verlaging van het verplichtingenbudget heeft met name betrekking op een tweetal projecten. Voor het project Vervanging Orpheus luchtverkenningssysteem geldt dat de bedrijfsmatige vervanging van dit verouderde systeem en de daarbij behorende grondstations op basis van offertes is herzien. Hierdoor is dit project vertraagd. Het project Vervanging naderingsapparatuur SAPP betreft de vervanging van de huidige verouderde rondzoekradars van de vliegbases, die zorgdragen voor de zogenaamde Sector Approach van vliegtuigen. Een gewijzigde prioriteitsstelling heeft geleid tot herfasering van de verplichtingen naar een later moment.

Bewapeningsmaterieel

De hogere uitgaven voor het project Stinger is het gevolg van het feit dat bij de modificatie aan de resterende missiles een actualisering heeft plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot een verschuiving van de beschikbare fondsen uit 2001 naar 2000. Voor het project Patriot PDB-5 waren betalingen gepland in 2001 naar aanleiding van vertraging in het PAC-III programma. Nu blijkt dat op grond van de uitvoering van de contracten, betalingen in 2000 noodzakelijk waren. Deze twee projecten vormen dan ook de oorzaak van de hogere uitgaven. Het PAC-III programma, waarmee het Patriotsysteem wordt verbeterd en aangevuld met PAC-III raketten en extra lanceerinrichtingen, is vertraagd vanwege prijsontwikkelingen en technische problemen. Hierdoor worden de verplichtingen pas in 2001 aangegaan.

Springstoffen en munitie

Aanvankelijk was de verwachting dat er vertraging zou optreden in de levering van Maverick trainers (testsets wapens), waardoor fondsen zijn doorgeschoven naar 2001. Op grond van gewijzigde inzichten (tijdige aflevering) zijn de fondsen zowel voor het aangaan van verplichtingen als uitgaven anders gefaseerd. Hierdoor zijn de uitgaven hoger uitgevallen.

Als gevolg van de eisen die momenteel aan de lucht-grond bewapening wordt gesteld is het noodzakelijk dat wapens worden verworven die met grote precisie, onder uiteenlopende omstandigheden, kunnen worden ingezet. Op grond hiervan zijn de fondsen voor het aangaan van verplichtingen bijgesteld en verschoven in de tijd. Daarnaast heeft een negatieve bijstelling op lopende contracten, die betrekking hebben op de aanschaf van missiles (AMRAAM), geleid tot de lagere verplichtingenrealisatie op dit artikelonderdeel.

Overig materieel

De uitgaven op dit artikelonderdeel worden bepaald door de vervanging van werkplaats- en gronduitrustingen die een bedrijfsmatig karakter hebben. Aanpassingen en verbeteringen ingegeven door ARBO- en Milieuwetgeving hebben geleid tot bijstelling in de behoefte, waardoor de uitgaven en verplichtingen zijn bijgesteld.

Infrastructuur

De behoefte aan nieuwbouw wordt met name bepaald door de herstructureringsmaatregelen binnen de Koninklijke Luchtmacht, hetgeen heeft geleid tot een nadere prioriteitsstelling binnen het bouwprogramma. Herfaseringen en meer/minder behoeften leiden tot bijstellingen van de uitgaven en de verplichtingen.

06. Beleidsterrein Koninklijke Marechaussee

Algemeen

In 2000 is in het kader van de besluitvorming rond de Voorjaarsnota ongeveer f 40,0 miljoen aan het budget van de Koninklijke Marechausseetoegevoegd. Dit was ondermeer benodigd om de sterk groeiende exploitatie-uitgaven van de huisvesting en het beheer van ICT-middelen af te kunnen dekken (middensommenproblematiek). Een deel van deze f 40,0 miljoen was bestemd om de groeiende vullingsachterstand van BBT-ers in te lopen. Om de wervings- en opleidingscapaciteit te vergroten is in 2000 een tweede opleidingscentrum op de Frederik Hendrikkazerne te Vught ingericht en is extra instructeurscapaciteit gegenereerd. In 2000 is eveneens een aanvang gemaakt met de versterking van de de stafcapaciteit. Voor de uitwerking van het «Beleidsplan KMAR 2000» is externe beleids- en O-, I- en A-deskundigheid ingehuurd.

Bedrijfsvoering

BBKMar 2000

In het kader van het project Beleid en Bedrijfsvoering Koninklijke Marechaussee (BBKMar2000) is in 2000 een proef gehouden met bedrijfsvoering op basis van operationele doelstellingen. In 2001 vindt een uitbreiding van doelstellingen op andere functiegebieden plaats om te komen tot een integrale bedrijfsvoering.

Beleidsplan Kmar 2000

Sturing

In het kader van het beleidsplan is een aanmerkelijk aantal activiteiten uitgevoerd. Op dit moment wordt gewerkt aan het opstellen van een managementinformatiemodel. Dit model zal in het jaar 2001 worden gepresenteerd.

Verzelfstandiging

In het kader van het beleidsplan Koninklijke Marechaussee is het rapport «Gezag en beheer» en het rapport «Externe sturing» opgesteld. Deze rapporten regelen de relaties met de externe gezagsdragers. Tevens vindt onderzoek naar de financiële consequenties van de verzelfstandiging plaats.

Reorganisatie staven

In het kader van het beleidsplan KMar 2000 is ook het project «Reorganisatie staven» van start gegaan. De opdracht is onderzoek te doen naar de omvang, structuur en werkwijze van de Staf Koninklijke Marechaussee en de districtsstaven en te komen met voorstellen ter verbetering. In 2001 wordt dit onderzoek afgerond.

Personeel

De uitkomsten van de volgende aspecten «personeelsvoorzieningsbeleid», «opleidingsbeleid» en «loopbaan- en carrièrebeleid» bevinden zich in de evaluerende fase. Na afronding van de evaluaties zal in 2001 het definitieve beleid worden geformuleerd.

Vulling

In 2000 is een inventariserend onderzoek gehouden naar de mogelijke instrumenten die kunnen worden aangewend om de kloof tussen de feitelijke en gewenste personeelssterkte op korte termijn te kunnen dichten. De uitvoering van de aanbevelingen is in handen van de bestaande organisatie gelegd.

Audits

In 2000 is een Interne Controle (IC) jaarplan alsmede een Auditjaarplan opgesteld. Het IC jaarplan is uitgevoerd maar het auditplan heeft enige vertraging opgelopen.

Blauwdruk ICT

In 2000 is een inventarisatie afgerond naar de knelpunten in het beheer van ICT binnen de Koninklijke Marechaussee. Er is een visie ontwikkeld met betrekking tot de inrichting van de gewenste ICT-beheersorganisatie alsmede de structuur van het operationele ICT-dienstverleningsproces

Personeelsbeleid

De verhoging van de gerealiseerde personele sterkte bij het burgerpersoneel ligt voor een deel aan de in de Defensienota 2000 toegekende versterking van de stafcapaciteit.

De lage gerealiseerde sterkte van BOT-personeel is veroorzaakt door een hogere niet-reguliere uitstroom dan aanvankelijk gedacht. De hoge niet-reguliere uitstroom is toe te schrijven aan de grote spanning op de arbeidsmarkt en met name de aantrekkingskracht van de politie. In het «Deelplan KMar 2002–2016» is de sterkte voor de jaren 2001, 2002 en 2003 dan ook met in totaal 353 vte'n naar beneden bijgesteld.

De begrotingssterkte voor BBT-ers is op 19 vte'n na gerealiseerd. Hiervoor was een intensivering van de opleidingsinspanning noodzakelijk.

Communicatie

In 2000 was de deelname van de Koninklijke Marechaussee in de proefregio van het communicatieproject C-2000 voorzien. C-2000 wordt gezien als de opvolger van het Landelijk Mobilofoonnet (ILM). Vertragingen van het deelproject Startregio (Schiphol) en het aanbestedingstraject van het radiobediensysteem hebben in 2000 geleid tot het doorschuiven van het merendeel van het benodigde projectbudget naar 2001.

Infrastructuur

In 2000 is gestart met het voorbereiden van de herhuisvesting van het OCKMAR te Apeldoorn en de nieuwbouw van de staf van het district Noord-Holland/Utrecht. Tevens is het contract ondertekend voor de realisatie van een interimvoorziening voor de accommodatie van de legering op het complex Badhoevedorp.

In een ruilovereenkomst tussen de gemeente Coevorden, de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Marechaussee is grond ter beschikking gekomen voor bouw voor de nieuwe MTV-brigade in de gemeente Coevorden. De aanbesteding is doorgeschoven naar 2001.

Financieel beheer

Aan verbetering van het financieel beheer bij de Koninklijke Marechaussee is in het afgelopen jaar veel aandacht besteed. Naast de reguliere verbeterplannen, is door middel van het aanmerken van een aantal topprioriteiten getracht de kwaliteit van het financieel beheer te verbeteren.

Ook de samenwerking met de DEFAC is geïntensiveerd waar het de toetsing betreft van de kwaliteit en de toereikendheid van de verbeterplannen.

Om de kwaliteit van het financieel beheer te waarborgen is het belangrijk dat de personele capaciteit op de FEZ-functies gehandhaafd blijft.

In dit kader is het van belang vast te stellen dat het onderzoek naar de bezetting van de FEZ-groepen en een eventuele clustering van de betaalfunctie in een vergevorderd stadium verkeert. In het jaar 2001 wordt het resultaat geïmplementeerd.

De personele bezetting van het financieel beheer binnen staf Koninklijke Marechaussee wordt uitgebreid. Het opleidingsplan voor het FEZ-personeel van de Koninklijke Marechaussee is gereed. In het jaar 2001 wordt met de inhaalslag aangevangen. Uiteindelijk dient het structureren van de FEZ-opleidingen te leiden tot een kwaliteitsverbetering van het FEZ-personeel.

Realisatie

De totaal geraamde en gerealiseerde uitgaven en verplichtingen van het beleidsterrein Koninklijke Marechaussee voor het jaar 2000 zijn als volgt te specificeren:

Omschrijving (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
06.20 Personeel en materieel:        
06.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel17 72220 8343 11218%17 72220 8343 11218%
06.20.02 Militair personeel352 747345 088– 7 659– 2%352 747346 240– 6 507– 2%
06.20.03 Overige personele uitgaven43 03750 8267 78918%43 03752 1659 12821%
06.20.04 Materiële uitgaven51 44397 37645 93389%50 46888 97938 51176%
06.20.05 Wachtgelden en inactiviteitswedden9371 16723025%9371 16723025%
Totaal Personeel en materieel465 886515 29249 40611%464 911509 38544 47410%
06.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur38 05246 5788 52622%38 44642 1783 73210%
Totaal uitgaven Koninklijke Marechaussee503 938561 87057 93211%503 357551 56348 20610%

Toelichting op de verschillen

De verschillen worden naar oorzaak bij de realisatiecijfers van de uitgavenbegrotingsartikelen toegelicht.

06.20 Personeel en materieel

De bedrijfsvoeringsuitgaven van de Koninklijke Marechaussee worden in vijf vaste artikelonderdelen gepresenteerd: ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel, overige personele uitgaven, materiële uitgaven en wachtgelden en inactiviteitswedden.

Activiteitentoelichting

In opvolging van het Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) zijn in 2000 in het project Beleid en Bedrijfsvoering Koninklijke Marechaussee 2000 (BBKMAR 2000) de aanbevelingen naar de sturing en bedrijfsvoering van de Koninklijke Marechaussee uitgewerkt. Eind 2000 is het project afgerond, zodat de begrotingsvoorbereiding voor 2002 met behulp van deze nieuwe systematiek kan worden uitgevoerd. Het doel hiervan is te komen tot een meer op output-gerichte sturing op basis van gemaakte afspraken over te behalen resultaten per taakveld.

De Koninklijke Marechaussee verricht diverse activiteiten binnen een drietal taakgebieden:

– militaire politietaken;

– civiele politietaken;

– algemene ondersteuning.

Het militaire taakgebied bestaat uit de volgende hoofdactiviteiten:

– de politietaak krijgsmacht, onder andere de opsporing van strafbare feiten, ordehandhaving, vredesoperaties, het begeleiden van militaire transporten en de controle op het vervoer van gevaarlijke stoffen;

– de beveiliging van militaire objecten.

Het civiele taakgebied bestaat uit de volgende hoofdactiviteiten:

– beveiliging Koninklijk Huis;

– grensbewaking;

– mobiel toezicht vreemdelingen;

– politie- en veiligheidstaak burgerluchtvaartterreinen;

– bestrijding grensoverschrijdende criminaliteit;

– beveiliging transporten van De Nederlandsche Bank N.V.

Bij het ondersteunend taakgebied kunnen de volgende activiteiten worden onderscheiden:

– stafondersteuning;

– executieve ondersteuning, waaronder:

– bijzondere beveilingen;

– verkeersbeveiliging;

– recherche-onderzoeken;

– ere-escorten.

Toelichting per artikelonderdeel

06.20.01Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de uitgaven voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van het beleidsterrein Koninklijke Marechaussee.

De uitgaven voor het burgerpersoneel zijn ten opzichte van de ontwerpbegroting 2000 gestegen met f 3,112 miljoen. Deze hoge realisatie is met name een gevolg van een aanpassing van de begrotingssterkte met 19 vte'n van het actief personeel. De oorzaak hiervoor ligt voor een groot deel in de versterking van de stafcapaciteit. Tevens is in 2000 meer uitgegeven voor overwerk en de aanstellings- en bindingspremies. Net als bij het militair personeel doet de grote spanning op de arbeidsmarkt ook hier zijn invloed gelden.

06.20.02 Militair personeel

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de uitgaven verantwoord voor salarissen, overwerk, toelagen, alsmede het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het militair personeel van het beleidsterrein Koninklijke Marechaussee.

Door wijziging van de regelgeving voor het verkrijgen van een voorschot op de aanstellingspremie van maximaal één jaar, zijn de uitgaven voor BBT-personeel met f 10,6 miljoen toegenomen. Dit heeft ook een stijging van de middensom voor BBT-personeel tot gevolg. Desondanks zijn op dit artikel toch minder uitgaven gerealiseerd dan geraamd, doordat de totale gerealiseerde personele sterkte met 286 vte'n lager is dan de geraamde begrotingssterkte.

06.20.03 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de personele uitgaven anders dan salarissen verantwoord. Deze hebben betrekking op burger- en militair personeel, zijn in sterke mate afhankelijk van de personeelssterkte en de gerealiseerde activiteiten en hebben onder meer betrekking op kleding en uitrusting, voeding, reizen, onderwijs en opleidingen en de inhuur van tijdelijk personeel.

De toename van de verplichtingen en uitgaven voor de overige personele uitgaven met f 7,789 respectievelijk f 10,280 miljoen is met name een gevolg van de hogere uitgaven voor verplaatsingskosten. Ten aanzien van verplaatsingskosten is de regelgeving zodanig gewijzigd dat personeel met onregelmatige diensten in aanmerking komt voor een hogere vergoeding woon-werkverkeer. Dit komt doordat het woongebied is aangepast van 25 naar 81 kilometer. Met name op de luchthaven Schiphol heeft dit grote financiële gevolgen gehad.

De stijging van het verplichtingenbudget ten opzichte van de raming is het gevolg van de mutaties zoals genoemd bij de uitgaven.

06.20.04 Materiële uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de materiële uitgaven verantwoord. Het betreft hier uitgaven voor onder meer huisvesting, bureauzaken, informatiesystemen, zaken van operationele aard, inventarisgoederen en klein materieel, onderhoud en herstel van het materieel, onderhoud van gebouwen en terreinen en bevoorrading.

De verplichtingen en de uitgaven voor de materiële uitgaven zijn ten opzichte van de begroting 2000 respectievelijk met f 45,933 en f 38,511 miljoen overschreden. Als voornaamste oorzaken hiervoor kunnen worden genoemd:

– de hogere uitgaven (f 6,6 miljoen) en verplichtingen (f 12,5 miljoen) voor huisvesting als gevolg van de groei die de Koninklijke Marechaussee de laatste jaren doormaakt. Hierdoor zijn in 2000 voorbereidingen getroffen om door het ontstane ruimtegebrek op de Koningin Beatrix-kazerne voor de staf van het district Zuid-Holland/Zeeland uit te wijken naar een nieuwe locatie. De brigade Rotterdam is verhuisd naar een pand in de gemeente Ridderkerk. Hiervoor zijn meerjarige huurcontracten afgesloten;

– hogere uitgaven en verplichtingen voor het groot en klein onderhoud (f 2,4 miljoen);

– de hogere uitgaven (f 10,9 miljoen) en verplichtingen (f 12,2 miljoen) voor het gebruik van noodzakelijke informatie- en communicatietechnologie als gevolg van de landelijke invoer van de ICT-standaard (Local Area Netwerk (LAN2000)) en het gebruik van BPS en Podacs Nafnet vanwege het uitvoeren van politietaken;

– de hogere uitgaven (f 9,8 miljoen) en verplichtingen (f 11,5 miljoen) voor de inhuur van O-, I- en A-personeel. De stijging van deze uitgaven is voor een groot deel toe te schrijven aan de uitvoering van het «Beleidsplan KMAR 2000», het project «Beleid en Bedrijfsvoering KMAR2000» en de overloop van verplichtingen in het kader van het millennium-project;

– hogere uitgaven en verplichtingen voor het onderhoud en het herstel van voertuigen als gevolg van de toename van het voertuigenbestand en de inhuur van voertuigen voor met name rechercheteams vanwege de toenemende vraag naar voertuigcapaciteit.

Artikelonderdeel 06.20.05 Wachtgelden en inactiviteitswedden

De op dit artikelonderdeel verantwoorde uitgaven hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor het burger- en militair personeel van de Koninklijke Marechaussee.

De per saldo hogere uitgaven van f 0,230 miljoen ten opzichte van de begroting 2000 zijn voornamelijk veroorzaakt door de hogere vergoedingen in het kader van de uitvoeringskosten USZO.

06.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur

Ten laste van dit artikel zijn de uitgaven verantwoord die voor het grootste deel bestemd zijn voor het te vervangen materieel. Voorts zijn automatiseringsmiddelen ten laste van dit artikel aangeschaft en verantwoord.

De uitgaven en de verplichtingen op dit artikel investeringen groot materieel en infrastructuur zijn ten opzichte van de begroting 2000 per saldo met respectievelijk f 3,732 miljoen en met f 8,526 miljoen overschreden. De belangrijkste oorzaken hiervoor zijn:

– de vertraging in het aanbestedingstraject van het radiobediensysteem in het deelproject Startregio Schiphol van het Communicatieproject 2000 (C-2000) en het uitstel van de aanbesteding van de randapparatuur (– f 2,6 miljoen);

– de hogere uitgaven voor automatiseringsmiddelen als gevolg van de overloop van verplichtingen uit 1999 met betrekking tot het oplossen van de millenniumproblematiek (f 3,1 miljoen);

– vertraging in het besluitvormingstraject van de vervanging van het voor oorlogstaken bestemde bewapeningsmaterieel (– f 1,3 miljoen);

– de intensivering van de wervings- en opleidingsinspanning om in 2000 en 2001 270 BBT-beveiligers versneld op te kunnen leiden. Hiervoor is op de Frederik Hendrikkazerne te Vught semi-permante huisvesting gerealiseerd (+ f 8,5 miljoen);

– de per saldo hogere verplichtingen voor het onderdeel infrastructuur (f 4,1 miljoen) door de aanbesteding van het contract van de interim-legeringsfaciliteiten te Badhoevedorp van f 8,4 miljoen. De aanbesteding van de nieuwbouw voor de brigade Coevorden is doorgeschoven naar 2001.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
Vervoermiddelen en vaartuigen8 2009 3241 12414%8 2008 256561%
Elektrisch en elektronisch materieel5 3002 173– 3 127– 59%6 2002 408– 3 792– 61%
Automatiseringsmiddelen5 5123 866– 1 646– 30%5 0068 0993 09362%
Bewapeningsmaterieel1 40066– 1 334– 95%1 40095– 1 305– 93%
Telefooninstallaties1 100532– 568– 52%1 2001 214141%
Overig groot materieel1 37211 72610 354755%1 37210 2438 871647%
Infrastructuur15 16818 8913 72325%15 06811 863– 3 205– 21%
Totaal38 05246 5788 52622%38 44642 1783 73210%

08. Beleidsterrein Multi-service projecten en activiteiten

08.01 Luchtmobiele brigade

De specifiek voor de oprichting van de luchtmobiele brigade benodigde investeringen worden op dit artikel verantwoord.

Omschrijving (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
Bewapende helikopter71 13244 483– 26 649– 37%300 559311 51910 9604%
Transporthelikopter11 56998– 11 471– 99%40 41115 557– 24 854– 62%
Luchtmobiel speciaal voertuig0263263 4 2113 840– 371– 9%
Overige specifieke materieelprojecten2 5000– 2 500– 100%9 1850– 9 185– 100%
Infrastructuur luchtcomponent0772772 7 13514 1827 04799%
Totaal85 20145 616– 39 585– 46%361 501345 098– 16 403– 5%

Toelichting op de verschillen

Bewapende helikopter

De invoering van het hoofdcontract van de Apache loopt volgens plan. De aanvullende investeringen laten fluctuaties zien. Daar de USARMY pas in 2004 begint met de ontwikkeling van het zelfbeschermingssysteem voor de Apache, worden de geplande betalingen van de periode 2002 tot en met 2004 verschoven naar de jaren 2004 tot en met 2006. In verband met de technische doorontwikkeling van de AH-64 D zullen de voorziene external tanks internal tanks worden. In afwachting van deze ontwikkeling worden de fondsen doorgeschoven van 2001 naar 2002 en 2003.

Transporthelikopter

Door het verschuiven van behoeftestellingen (met name transportmiddelen, test- and support equipment en spares) naar 2002 en 2003 en onvoldoende capaciteit bij de behoeftestellers (in verband met prioriteiten bij inzet in Bosnië en Albanië), blijft de realisatiestand van zowel de verplichtingen als de uitgaven achter bij de begroting.

Luchtmobiel speciaal voertuig (LSV)

Inmiddels zijn 180 voertuigen afgeleverd en in gebruik. Met de instroom van 28 extra LSV'n gewondentransport, die in 2000 bij het Hoger Onderhoudsbedrijf KL zijn voorzien van de gewondentransport-opbouw, is dit deelproject afgerond. Een kleine restbetaling vindt nog plaats in 2001.

Overige specifieke materieelprojecten

Deze post heeft betrekking op speciaal voor de luchtmobiele genie bestemd materieel. Met name de speciale munitie (mijndoorbraaksystemen) voor de genie, laat een vertraging zien in zowel de verplichtingen als de uitgaven. Begrote verplichtingen uit 1999 en 2000 en begrote uitgaven uit 2000 schuiven door naar 2001. Voor het DRAagbaar MIjn DOorbraaksysteem Licht (DRAMIDOL) wordt begin 2001 de bestelling geplaatst. Daarnaast zal in 2001, in de vorm van een FMS-case, in de VS de productie starten van het DRAagbaar MIjn DOorbraaksysteem Zwaar (DRAMIDOZ). Bij een positieve beproeving zal de Luchtmobiele brigade eind 2001 de beschikking hebben over deze systemen. Verplichtingen en uitgaven worden in 2001 gerealiseerd.

Infrastructuur luchtcomponent

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op infrastructurele aanpassingen voor de luchtcomponent van de Luchtmobiele brigade en de Tactische Helikoptergroep van de Koninklijke Luchtmacht in Soesterberg en Gilze-Rijen. Deze uitgaven, die door niet tijdige gunning van contracten uit 1999 en eerdere jaren zijn overgekomen, zijn nu afgerond.

08.02 Vredesoperaties

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven ten behoeve van vredesoperaties verantwoord. De uitgaven betreffen het verplichte Nederlandse aandeel (contributies) in de kosten van VN-operaties (voor het jaar 2000 1,62%) en de additionele uitgaven die het gevolg zijn van de deelneming van de Nederlandse krijgsmacht aan vredesoperaties.

De additionele uitgaven hebben betrekking op:

– personele exploitatie, waaronder toelagen en reis- en verblijfkosten;

– materiële exploitatie, waaronder brandstofverbruik, verbruiksartikelen, verbruik van munitie, gebruiksgereedmaken en onderhoud en herstel van materieel.

Vanwege de onzekerheid met betrekking tot de mate van inzet van defensiemiddelen zijn bij de opstelling van de ontwerpbegroting 2000 de uitgaven geraamd voor een beperkt aantal vredesoperaties. De totale voorziening voor additionele uitgaven ten behoeve van vredesoperaties en VN-contributies bedroeg op dat moment f 355,2 miljoen. Met name de hogere Nederlandse bijdragen aan de VN van f 42,6 miljoen, heeft geleid tot een realisatie van de uitgaven voor Vredesoperaties van f 423 miljoen.

Onderverdeling naar contributies en vredesoperaties (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
VN-contributies31 00072 91341 913135%31 00073 64742 647138%
Sfor136 000145 5239 5237%136 000153 89317 89313%
Kfor133 000106 196– 26 804– 20%133 000114 196– 18 804– 14%
UNFICYP7 0006 682– 318– 5%7 0006 682– 318– 5%
F-16's Amendola 26 66426 664  27 39327 393 
Overige operaties48 20746 427– 1 780– 4%48 20747 162– 1 045– 2%
Totaal355 207404 40549 19814%355 207422 97367 76619%

Ten tijde van de eerste suppletore begroting is het beschikbare budget verder over de dan lopende operaties verdeeld. Teneinde tot een vergelijking per operatie te kunnen komen, worden in onderstaande tabel de cijfers van de eerste suppletore begroting 2000 gepresenteerd naast de realisatiegegevens over 2000.

Soort uitgave (bedragen x f 1000,–)1e suppletore wet 2000realisatie 2000
VN-contributies30 00073 647
F-16's Amendola29 20027 407
Mechbat SFOR163 100148 527
Overige uitgaven SFOR5 2005 366
ECMM900839
UNIPTF900901
Humanitaire vluchten OS900156
Noodhulporganisaties600351
Shirbrig300133
MAPE500671
UNFICYP6 8006 682
Multinational Interception Force (MIF)3 5002 506
Kosovo Force (KFOR)127 600114 196
UN Mission Ethiopië/Eritrea (UNMEE), inclusief Apaches-helikopters Djibouti 34 984
Navo Peace Support Operations (PSO) 4 572
Overige operaties2 1002 035
Totaal371 600422 973

Toelichting op de belangrijkste verschillen in de uitgaven voor VN-contributies en vredesoperaties

VN-contributies

Het aantal door de VN geleide vredesoperaties is in 2000 aanzienlijk gestegen. Dit heeft significante financiële implicaties. Met name de kostbare operaties in Oost-Timor en Sierra Leone hebben hun weerslag op het VN-budget voor vredesoperaties. De Nederlandse bijdrage in het VN-budget voor vredesoperaties bedraagt in 2000 1,62% en vindt derhalve zijn financiële weerslag in de gerealiseerde f 73,6 miljoen.

Mechbat SFOR

Oorzaak van de onderschrijding van het budget is een ombuiging in het loop van het jaar. Personeel werd hetzij in kleinere aantallen hetzij later in het jaar ingezet.

Humanitaire vluchten OS

Op verzoek van Ontwikkelingssamenwerking (OS) zet Defensie vliegtuigen in ten behoeve van humanitaire hulpacties. De door OS vergoede kosten worden op het begrotingsartikel 08.02 «Ontvangsten naar aanleiding van vredesoperaties» verantwoord. Het aantal vluchten is in 2000 achtergebleven bij de raming.

Noodhulporganisaties

Door minder oefeningen en minder daadwerkelijke inzet zijn minder uitgaven noodzakelijk gebleken dan geraamd.

Multinational Interception Force (MIF)

Na beëindiging van de deelname van een Nederlands fregat aan deze operatie in de Arabische Golf is het betrokken fregat geïntegreerd in het NL-eskader dat een bezoek heeft gebracht aan Japan. Vanwege dit feit is een belangrijk deel van de gemaakte vaardagen niet toegerekend aan vredesoperaties.

Kosovo Force (KFOR)

Medio 2000 is de deelname van Nederlandse militaire eenheden in KFOR beëindigd. De terugtrekking van de Nederlandse eenheden uit KFOR is voortvarend verlopen. Hierdoor valt de realisatie van de additionele uitgaven lager uit dan initieel geraamd.

UN Mission Ethiopië / Eritrea (UNMEE)

In oktober 2000 is politiek besloten met Nederlandse militaire middelen te participeren in UNMEE. Per de tweede suppletore begroting 2000 werden additionele uitgaven voorzien van f 20 miljoen. De realisatie ligt beduidend hoger voornamelijk veroorzaakt door hogere uitgaven voor transport.

Navo Peace Support Operations (PSO)

De Navo heeft per 2000 besloten de uitgaven, die voortvloeien uit door de Navo geleide vredesoperaties separaat te administreren. Het Nederlands aandeel in deze gemeenschappelijke Navo-uitgaven in 2000 is vastgesteld op ruim f 4 miljoen. In voorgaande jaren maakten deze uitgaven integraal onderdeel uit van en waren geraamd en verantwoord op het artikel Internationale verplichtingen van beleidsterrein Algemeen.

Aansluitend op de toezegging in de brief aan de Tweede Kamer van 31 januari 2000, is ter verduidelijking van de spreiding in de uitgaven binnen de operaties, hiervolgend een tabel opgenomen waarin de uitgaven per operatie en daarbinnen per kostensoort worden gepresenteerd.

Operatie/kostensoortF-16's AmendolaSFORUNMEEUNFICYPMIFKFOROverigTotaal
Toelagen4 12960 3764 7375 2451 30238 1581 373115 320
Kleding15 1451 406157 2 346709 125
Voeding1 1316 9321 60242437 06033517 145
Personele voorbereiding 291 515  32 1 576
Materiële voorbereiding 9411  679 784
Brandstof3 1377 17469534483 89028015 627
Transport8211 78710 054894 17 78412840 729
Materieel13 31515 72811 7305045815 57421057 065
Huisvesting2 31915 82438521 14 81731833 684
Telecommunicatie90919 9467729 8 5831429 558
Opleiding62 18713956 2162622 866
Overig2 3648 6712 6321852555 0576 68225  846
Totaal27 393153 89334 9836 6822 506114 1969 672349 325

Toelichting bij de tabel

– de bedragen zijn in duizenden guldens;

– de uitgaven voor VN-contributies zijn niet opgenomen.

08.04 Overige uitgaven Internationale Samenwerking

Ten laste van het artikel 08.04 zijn de uitgaven verantwoord die betrekking hebben op attachés en de kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba. De uitgaven ten behoeve van de attachés vallen onder het HGIS-regiem. De uitgaven van de kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba vallen per januari 2000 onder de reguliere Defensiebegroting.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
08.04.01 Attachés41 50244 2822 7807%41 50244 2882 7867%
08.04.02 Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba55 03554 523– 512– 1%55 03554 271– 764– 1%
Totaal96 53798 8052 2686%96 53798 5592 0222%

Toelichting op de verschillen

Attachés

De meeruitgaven worden voornamelijk veroorzaakt door loon- en prijsstijgingen. Daarnaast is ten gunste van het ontvangstenartikel 08.03 een bedrag van f 0,9 miljoen verantwoord vanwege inhoudingen op salarissen van attachés. De hiermee samenhangende uitgaven drukken nog op dit artikel.

08.06 EVDB-fonds

Op het artikel 08.06 is ten tijde van de tweede suppletore begroting 2000 een bedrag toegevoegd voor het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid. Aangezien met de andere Europese landen nog nadere afspraken moeten worden gemaakt omtrent de concrete invulling met projecten, hebben in 2000 nog geen uitgaven plaatsgevonden. Middels herschikkingen met de andere beleidsterreinen en via de eindejaarsmarge zijn deze gelden meegenomen naar 2001.

09. Beleidsterrein Defensie Interservice Commando

Algemeen

Het Defensie Interservice Commando (Dico) is er ook in 2000 in geslaagd haar doelstelling, het op een doelmatige wijze ondersteunen van de krijgsmachtdelen en de Centrale organisatie, voor een belangrijk deel te realiseren. Hierbij is rekening gehouden met:

– naar boven bijgestelde behoeften van de krijgsmachtdelen en met daaraan gekoppelde budgetten;

– de extra uitgaven als gevolg van het Defensiebrede informatievoorzieningsproject LAN-2000;

– de knelpunten genoemd onder de paragraaf «Bedrijfsvoering».

Samenstelling en ontwikkelingen Dico

Per 1 januari 2000 is het Bureau Vorderingen, Inhoudingen en Kortingen (VIK) vanuit de Centrale organisatie aan het Dico overgedragen. VIK is niet als aparte resultaat verantwoordelijke eenheid (RVE) binnen het Dico opgenomen, doch is ondergebracht binnen de Staf Dico.

Begin 2000 is de oprichting van de bijzondere organisatie-eenheid Veteraneninstituut voor Defensiepersoneel geformaliseerd. Deze eenheid is bij de Maatschappelijke Dienst Defensie (MDD) ondergebracht.

In 2000 zijn zodanige voorbereidingen getroffen dat het Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en Museum Bronbeek (KTOMM) per 1 januari 2001 als zelfstandige eenheid van de Koninklijke Landmacht naar Dico is overgedragen.

Naar het zich nu laat aanzien zullen de taken met het personeel van de Dienst Militaire Pensioenen (DMP) eerst per 1 juni 2001 overgaan naar het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.

Over de mogelijke overname van de in de ontwerpbegroting 2000 genoemde secretariaten valt te melden dat de Stichting Burgerpersoneelsfonds en de personeelsvereniging Meer Vriendschap Onderling beide rechtspersonen zijn, waardoor zij niet binnen de doelstellingen van het Dico vallen en daarom niet zullen worden toegevoegd aan het Dico.

Voortgang herstructurering

Vrijwel alle diensten en bedrijven van het Dico hebben de fase van de initiële herstructurering na opname in het Dico achter de rug. Alleen het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf is nog doende zich te reorganiseren in het kader van de doelmatigheidsoperatie. Deze reorganisatie wordt volgens schema voortgezet en zal in 2001 worden afgerond.

Doelmatigheidskengetallen (voorhoedeproject)

In de loop van 2000 is het Voorhoedeproject afgerond en zijn de doelmatigheidskengetallen gedefinieerd en bij de betrokken eenheden bekendgesteld. In overleg met deze eenheden wordt nadere invulling gegeven aan het toekennen van streefwaarden aan de kengetallen. In de begroting 2001 zijn voor de ressorts DVVO, DWS, MGFB en IDL doelmatigheidskengetallen benoemd. In de begroting 2002 zullen deze nader worden ingevuld.

Bedrijfsvoering

Als uitgangspunt bij de appreciatie over de bedrijfsvoering is de volgende definitie gehanteerd:

«Het conform de planning- en controlcyclus uitvoeren van primaire en ondersteunende processen gericht op de realisatie van de aan de missie van Dico afgeleide beleidsdoelstelling: het ondersteunen van de organisatie-eenheden van Defensie.

Het uitvoeren van de processen heeft betrekking op het geheel van activiteiten en de aanwending daartoe van financiële, personele, materiële en informatiemiddelen in het kader van de beleids- en begrotingsprocessen van Dico».

In de uitvoering zijn de volgende punten van aandacht naar voren gekomen:

– de diverse optimaliseringsactiviteiten, waarbij toch de continuïteit van de dienstverlening aan de klanten is gewaarborgd, vergen veel inspanning van de beide agentschappen en de Staf Dico;

– DWS kan, mede door de situatie op de arbeidsmarkt, niet volledig voldoen aan de aanstellingsopdracht;

– door de concurrentie op de arbeidsmarkt dient eveneens aandacht te worden besteed aan het behoud van kwalitatief goed personeel;

– bij MGFB zijn inzake 10 van de 15 te vormen medische teams contracten met ziekenhuizen aangegaan. Een aantal civiele personeelsleden moet nog worden opgeleid voor militaire vaardigheden. De ziekenhuizen hebben 2 jaar de tijd om de teams met gekwalificeerd personeel volledig te vullen;

– er dient nog nader invulling te worden gegeven aan de benoemde doelmatigheidskengetallen. Bovendien dient te worden beoordeeld of deze ook de juiste kengetallen zijn.

Realisatie

De totaal begrote en gerealiseerde uitgaven van het beleidsterrein Dico voor het jaar 2000 zijn als volgt te specificeren:

Omschrijving (bedragen x f 1 000,–)Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
09.02 Personeel en materieel    
– Staf Dico7 98234 19726 215328%
– Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie (DVVO)115 345121 9846 6396%
– Defensie Werving en Selectie (DWS)110 396117 5017 1056%
– Instituut Defensie Leergangen (IDL)19 23718 783– 454– 2%
– Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf (MGFB)113 367122 6359 2688%
– Overige interservice diensten70 16874 2724 1046%
– Wachtgelden en inactiviteitswedden10 6899 418– 1 271– 12%
Totaal Personeel en materieel447 184498 79051 60612%
09.03 Investeringen groot materieel en infrastructuur23 61730 3326 71528%
Totale uitgaven Defensie Interservice Commando470 801529 12258 32112%

Toelichting op de verschillen

De verschillen worden naar oorzaak bij de realisatiecijfers van de uitgavenbegrotingsartikelen toegelicht. Deze betreffen zowel de verplichtingen- als de uitgavenmutaties.

Artikel 09.02 Personeel en materieel

Ten laste van dit artikel zijn de verplichtingen en uitgaven verantwoord die betrekking hebben op de bedrijfsvoering van de tot het Dico behorende diensten en bedrijven. Hieronder vallen salarissen, andere personele en materiële uitgaven, alsmede kleine bedrijfsmatige investeringen, automatisering, telecommunicatie en activiteitgebonden uitgaven voor inhuur transportcapaciteit, werving en geneeskundige verzorging.

Het ressort Staf Dico

De Staf Dico ondersteunt de Commandant Dico bij de aansturing van de onder het Dico ressorterende eenheden. Ook verzorgt de Staf ondersteuning op het gebied van personeels- en financieel beheer voor Dico-eenheden die deze taken om doelmatigheidsredenen niet zelf uitvoeren.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)Uitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
09.02.01 Ambtelijk burgerpersoneel3 2275 0541 82757%
09.02.02 Militair personeel2 5601 967– 593– 23%
09.02.03 Overige personele uitgaven2 6254 4981 87371%
09.02.04 Materiële uitgaven3 32022 67819 358583%
Stalling efficiencybesparing– 3 750   
Totaal7 98234 19722 465281%

Toelichting per artikelonderdeel

09.02.01 Ambtelijk burgerpersoneel

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de uitgaven voor salarissen, over-werk, toelagen en het aandeel in de sociale lasten betrekking hebbende op het burgerpersoneel van de Staf Dico verantwoord.

De stijging is enerzijds het gevolg van het vullen van vacatures gedurende het begrotingsjaar 2000 en anderzijds door de overdracht van het Bureau Vorderingen, Inhoudingen en Kortingen (VIK) vanuit de Centrale organisatie.

09.02.03 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de personele uitgaven anders dan salarissen verantwoord. Deze hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de activiteitenplanning. De uitgaven hebben betrekking op voeding, reizen, inhuur tijdelijk personeel, onderwijs en opleidingen.

De stijging is met name het gevolg van de realisatie van het project Employée benefits (f 1,9 miljoen) dat ten tijde van de opstelling van de begroting 2000 onder het artikelonderdeel Materiële uitgaven was geraamd.

09.02.04 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel zijn de materiële uitgaven verantwoord anders dan personele uitgaven. Het betreft hier uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, automatisering, onderhoud en herstel en inhuur van O-, I- en A-deskundigheid. Tevens worden aanloopkosten voor nieuwe diensten die zijn opgenomen in het Dico, ten laste van dit budget verantwoord.

De verhoging van de uitgaven is met name het gevolg van de exploitatie-uitgaven voor het project LAN-2000 (ongeveer f 18 miljoen). Daarnaast is de f 3,75 miljoen, die als stalling uit de Hoofdlijnennotitie in afwachting van concrete, efficiency besparende maatregelen bij dit ressort was opgenomen, ingevuld en tegengeboekt. Voorts betreft de verhoging het voor het gehele beleidsterrein Dico doen van uitgaven op het gebied van arbeidsomstandigheden, milieu, beveiliging, invoering Euro en de smart-card.

Het ressort Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie

De taak van de Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie (DVVO) is het op ieder gewenst moment voorbereiden en (doen) leveren van vervoers- en verkeersdiensten voor het gehele ministerie van Defensie. De DVVO verzorgt alle niet-operationele verkeers- en vervoersdiensten, voor zover deze betrekking hebben op de algemene verdedigingstaak en op taken in het kader van crisisbeheersings-, vredes- en humanitaire operaties (cvh-operaties).

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)Uitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
09.02.05 Ambtelijk burgerpersoneel16 26815 861– 407– 3%
09.02.06 Militair personeel30 76628 794– 1 972– 6%
09.02.07 Overige personele uitgaven5 2836 5211 23823%
09.02.08 Materiële uitgaven63 02870 8087 78012%
Totaal115 345121 9846 6396%

Toelichting per artikelonderdeel

09.02.07 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de personele uitgaven anders dan salarissen verantwoord. Deze hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de activiteitenplanning. De uitgaven hebben betrekking op voeding, reizen, inhuur tijdelijk personeel, onderwijs en opleidingen.

De stijging is met name het gevolg van hogere verplaatsingskosten en dienstreizen als gevolg van de gewijzigde arbeidsvoorwaarden (CAO-1999). Daarnaast is vanwege de vacatures op sleutelfuncties bij de Staf DVVO meer gebruik gemaakt van inhuur.

09.02.08 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel zijn de materiële uitgaven verantwoord anders dan personele uitgaven. Het betreft hier uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, automatisering, onderhoud en herstel aan voertuigen en gebouwen, inhuur van O-, I- en A-deskundigheid en overige zaken van operationele aard.

De stijging is met name het gevolg van meeruitgaven als gevolg van hogere brandstofkosten en meer inhuur van vervoerscapaciteit dan oorspronkelijk was begroot.

Het aantal vervoersaanvragen voor met name het personenvervoer is toegenomen. Doordat personeel niet meer vervoerd mag worden in vier-tonners in verband met het ontbreken van een rolbeugel (ARBO-maatregel), wordt veel gebruik gemaakt van dienstpersonenauto's (dpau's) waaronder combi's. De ingehuurde combi's zijn naar verhouding duur in gebruik.

Activiteiten en prestatiegegevens

De onderstaande realisatiecijfers zijn exclusief de realisatiecijfers voor vredesoperaties. Deze worden op artikel 08.02 Vredesoperaties verantwoord.

OmschrijvingBegroting 2000Bijgestelde begroting 2000Realisatie 2000Verschil
 (1)(2)(3)(4)
WEGVERVOER    
diepladervervoer (dagen)25 6076 5206 003– 517
lijndienstvervoer (pallets)247 180188 625200 27711 652
munitievervoer (dagen)3 2801 2172 3041 087
containervervoer (dagen)2 3002 7142 78571
overig goederenvervoer (pallets)65 26359 451101 62942 178
personenvervoer met chauffeur (uren)10 51389 032144 33655 304
personenvervoer zonder chauffeur (dagen)90 56796 207120 61024 403
busvervoer (dagen)10 67416 89417 643749
steunverlening opleidingen viertonners (dagen)6 7453 381893– 2 488
LUCHTVERVOER    
goederenvervoer (tonvlieguren)6 8744 9563 091– 1 865
personenvervoer (personenvlieguren)144 01492 19989 050– 3 149
SPOORVERVOER    
goederenvervoer (tonkilometers)92 395 26631 121 00043 820 69012 699 690
ZEEVERVOER    
goederenvervoer (lanemetervaardagen)176 527145 73554 884– 90 851
ferryvervoer (personenovertochten)2 3564 5163 566– 950
ferryvervoer (voertuigovertochten)4731 1461 614468

Toelichting

De in begroting 2000 opgenomen cijfers, kolom (1), zijn gebaseerd op een inschatting van DVVO, die in het bedrijfsplan van november 1998 (basis voor de ontwerpbegroting 2000) zijn opgenomen. In kolom (2) is de inschatting bijgesteld naar aanleiding van de ontvangen behoeftestellingen van de krijgsmachtdelen en de Centrale organisatie. Deze bijstelling geschiedde eind 1999. De realisatiecijfers, kolom (3) zijn afgezet tegen de in kolom (2) genoemde bijstellingen.

De vraag naar verkeers- en vervoersdiensten is naast de normale vredesbehoefte in belangrijke mate afhankelijk van de deelname door de krijgsmachtdelen aan cvh-operaties.

Door de deelname aan UNMEE en KFOR worden oefenprogramma's gewijzigd, waardoor de realisatie van de vredesbehoefteplanning uit de pas loopt.

Door een ARBO-maatregel naar aanleiding van een ongeval met een viertonner is het verboden om zonder rolbeugel personeel te vervoeren in viertonnners. In de plaats daarvan is meer gebruik gemaakt van andere vormen van personenvervoer. In de loop van 2001 zal de rolbeugel worden aangebracht.

De afspraken met de krijgsmachtdelen voor de inzet van middelen uit de virtuele pool zijn niet hard. In 2000 kon minder van deze pool gebruik worden gemaakt. In 2001 zal worden getracht om met de Koninklijke Landmacht een convenant af te sluiten.

Door de installatie van boordcomputers, waardoor beter inzicht wordt verkregen in bezetting en beladingsgraad, kan met ingang van de begroting voor het jaar 2003 een beter gefundeerd oordeel worden gegeven over de benodigde eigen capaciteit. Het voertuigenplan zal dan worden aangepast, hetgeen kan leiden tot nieuwe aankopen en/of het afstoten van boventallig of overtollig materiaal.

Het ressort Defensie Werving en Selectie

Het ressort Defensie Werving en Selectie (DWS) is als interservice eenheid belast met de werving en selectie van het door de krijgsmachtdelen en de Centrale organisatie benodigde burger- en militair personeel. Door DWS wordt personeel geworven, geselecteerd en voorgedragen voor aanstelling op functies binnen de krijgsmacht en de Centrale organisatie.

In de paragraaf aanbevelingen Werkgroep Financiële Verantwoordingen is reeds uitgebreid ingegaan op kwantitatieve gegevens betreffende het wervings- en selectieproces. Derhalve beperkt dit deel van de verantwoording zich tot de financiële aspecten van het ressort Defensie Werving en Selectie.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)Uitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
09.02.09 Ambtelijk burgerpersoneel13 39613 7333373%
09.02.10 Militair personeel20 45319 021– 1 432– 7%
09.02.11 Overige personele uitgaven2 4213 03461325%
09.02.12 Materiële uitgaven74 12681 7137 58710%
Totaal110 396117 5017 1056%

Toelichting per artikelonderdeel

09.02.12 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel zijn de materiële uitgaven verantwoord anders dan personele uitgaven. Het betreft hier uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, automatisering, onderhoud en herstel aan voertuigen en gebouwen, inhuur van O-, I- en A-deskundigheid en overige zaken van operationele aard.

De hogere uitgaven op dit artikelonderdeel ten opzichte van de ontwerpbegroting houden met name verband met de wervingsactiviteiten (f 6,2 miljoen). De krapte op de arbeidsmarkt maakt het noodzakelijk meer activiteiten te ontplooien om het aantal aan te stellen kandidaten te realiseren. De behoeftestellende beleidsterreinen hebben additionele budgetten beschikbaar gesteld.

Ressort Instituut Defensie Leergangen

Het Instituut Defensie Leergangen (IDL) is het geïntegreerde opleidingscentrum voor loopbaanopleidingen en militaire aspectcursussen ten behoeve van Defensie-managers en staffunctionarissen bestemd voor midden-, hoger- en topniveau. Tevens worden internationale opleidingen voor officieren uit Midden- en Oost-Europa verzorgd.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)Uitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
09.02.13 Ambtelijk burgerpersoneel3 3613 5822217%
09.02.14 Militair personeel5 8855 198– 687– 12%
09.02.15 Overige personele uitgaven5 4222 508– 2 914– 54%
09.02.16 Materiële uitgaven4 5697 4952 92664%
Totaal19 23718 783– 454– 2%

Toelichting per artikelonderdeel

09.02.15 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de personele uitgaven anders dan salarissen verantwoord. Deze hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de activiteitenplanning. De uitgaven hebben betrekking op voeding, reizen, inhuur tijdelijk personeel, onderwijs en opleidingen.

De verlaging is het gevolg van het feit dat evenals bij de andere eenheden de programma-uitgaven (in dit geval onderwijs gerelateerde uitgaven) op het artikelonderdeel Materiële uitgaven zijn verantwoord.

09.02.16 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel zijn de materiële uitgaven verantwoord anders dan personele uitgaven. Het betreft hier uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, automatisering, onderhoud en herstel aan voertuigen en gebouwen, inhuur van O-, I- en A-deskundigheid en overige zaken van operationele aard.

De stijging is met name het gevolg van het feit dat de programma-uitgaven (in dit geval onderwijs gerelateerde uitgaven) op dit artikelonderdeel zijn verantwoord en voorheen op het artikelonderdeel Personele uitgaven.

Activiteiten en overige prestatiegegevens

Omschrijving (aantal in cursistweken)Begroting 2000Realisatie 2000Verschil
Opleidingen Koninklijke Marine1 3431 241– 102
Opleidingen Koninklijke Landmacht2 1842 016– 168
Opleidingen Koninklijke Luchtmacht1 8881 371– 517
Interservice opleidingen1 9341 251– 683

Toelichting

De onderbezetting op de diverse opleidingen op het IDL wordt veroorzaakt door het feit dat de krijgsmachtdelen onvoldoende cursisten aanbieden. De krijgsmachtdelen worden geconfronteerd met onder andere vacatures en uitzendingen, waardoor tot op de dag van de start van de cursus nog kandidaat-cursisten uit de opleidingen worden teruggetrokken.

Ter illustratie hieronder de realisatiecijfers van de afgelopen drie jaar:

 totaal aantal cursistweken (begroting)realisatie absoluutrealisatie relatief
19987 5334 83064%
19997 3336 11183%
20007 3495 87980%

Het ressort Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf

Het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf (MGFB) levert en ondersteunt de gezondheidszorg wanneer het optreden van de Nederlandse krijgsmacht dit vereist. Daarnaast bevordert het MGFB de samenhang in de militaire gezondheidszorg.

Om de medisch specialistische capaciteit beter af te kunnen stemmen op het tegelijkertijd kunnen ondersteunen van vier vredesoperaties zijn tot en met januari 2001 tien contracten afgesloten met relatieziekenhuizen. Momenteel worden met vier ziekenhuizen nog onderhandelingen gevoerd. Uit de overige belangstellenden zal nog één ziekenhuis worden geselecteerd, waarmee het totaal uiteindelijk op de gewenste vijftien komt.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)Uitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
09.02.17 Ambtelijk burgerpersoneel30 23629 037– 1 199– 4%
09.02.18 Militair personeel37 68936 537– 1 152– 3%
09.02.19 Overige personele uitgaven10 31710 5292122%
09.02.20 Materiële uitgaven35 12546 53211 40732%
Totaal113 367122 6359 2688%

Toelichting op de verschillen

09.02.20 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel zijn de materiële uitgaven verantwoord anders dan personele uitgaven. Het betreft hier uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, automatisering, onderhoud en herstel aan voertuigen en gebouwen, inhuur van O-, I- en A-deskundigheid en overige zaken van operationele aard.

De stijging is met name veroorzaakt door noodzakelijk gebleken eerdere aanvulling van voorraden geneeskundig materieel (f 2 miljoen), verrekening retourgoederen met de krijgsmachtdelen (f 6 miljoen) en de voortzetting van het uitbesteden van opleidingen (f 3,5 miljoen).

Omschrijvingaantal begroot 2000aantal geraliseerd 2000prijs/ehd 2000 (x f 1,–)totaal begroot 2000 (x f 1000,–)totaal gerealiseerd 2000 (x f 1000,–)
MRC     
revalidatie behandeluren43 00043 8282008 6008 766
verpleegdagen24 50023 9911804 9004 318
1e consulten1 0001 280130130166
orthopedische instrumentmakerij3 6003 6384171 5001 517
      
CMH     
1e consulten polikliniek19 24015 756751 4431 182
opnamen1 7061 314498464
verpleegdagen9 2107 9458006 9086 356
dagopnamen7531 059400282424
verrichtingen polikliniek17 00011 53445765519
verrichtingen OK3 0003 0451 1583 4743 526
verrichtingen fysiotherapie11 60010 10932371323
consulten diëtiek2 9002 00055160110
functie-onderzoeken15 70014 4002554 0043 672

Het ressort Overige Interservice Diensten

De verplichtingen en uitgaven van de organisatie-eenheden Dienst Militaire Pensioenen (DMP), Defensie Archieven, Registratie- en Informatiecentrum (DARIC), Bureau Internationale Militaire Sport (BIMS), Dienst Personeels- en Salarisadministratie (PSA), Dienst Materieel Codificatiecentrum (DMC), Diensten Geestelijke Verzorging (DGV) en Maatschappelijke Dienst Defensie (MDD) zijn in de hierna volgende toelichting op het cluster «Overige Interservice Diensten (OID)» betrokken.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)Uitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
09.02.21 Ambtelijk burgerpersoneel28 65028 329– 321– 1%
09.02.22 Militair personeel24 21024 3161060%
09.02.23 Overige personele uitgaven4 3355 5601 22528%
09.02.24 Materiële uitgaven12 97316 0673 09424%
Totaal70 16874 2724 1046%

Toelichting per artikelonderdeel

09.02.23 Overige personele uitgaven

Ten laste van dit artikelonderdeel zijn de personele uitgaven anders dan salarissen verantwoord. Deze hebben betrekking op burger- en militair personeel en zijn in sterke mate afhankelijk van zowel de personeelssterkte als de activiteitenplanning. De uitgaven hebben betrekking op voeding, reizen, inhuur tijdelijk personeel, onderwijs en opleidingen.

De per saldo stijging van de uitgaven is met name het gevolg van hogere verplaatsingskosten en inhuur van tijdelijk personeel.

09.02.24 Materiële uitgaven

Onder dit artikelonderdeel zijn de materiële uitgaven verantwoord anders dan personele uitgaven. Het betreft hier uitgaven voor huisvesting, bureauzaken, automatisering, onderhoud en herstel aan voertuigen en gebouwen, inhuur van O-, I- en A-deskundigheid en overige zaken van operationele aard.

De per saldo stijging van de uitgaven is met name het gevolg van de in het loop van het jaar aan de MDD toegevoegde Veteraneninstituut en de uitbreiding met de Bedrijfsmaatschappelijk Werk (BMW)-nazorgfuncties.

Activiteiten en prestatie-indicatoren

DMC

Het DMC voert codificatiewerkzaamheden uit in het kader van de functie van Nationaal Codificatie Bureau en stelt codificatie-informatie beschikbaar aan rechthebbenden. Tevens beheert het DMC het Defensie Materieel Codificatie Informatiesysteem (DEMCIS).

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie Verschil
DMC   
– aantal codificatie-aanvragen2 0002 196196
– aantal artikelen in onderhoud40 00039 242– 758

PSA

De Dienst PSA verzorgt de salarisbetalingen aan het burgerpersoneel van Defensie en voorziet in personeels- en financiële informatie.

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie Verschil
PSA   
– aantal individuele arbeidsrelaties (IAR's)24 50025 8161 316
– aantal deelnemers spaarloonregeling Defensie (militairen)33 50033 945445
– aantal deelnemers spaarloonregeling Defensie (burgers)13 50012 550– 950

DMP

De DMP is belast met het uitvoeren van wetten en regelingen voor nabestaanden- en ouderdomspensioenen van militairen en met het uitvoeren van waarde-overdrachten en -overnames.

Bij het van kracht worden van de Kaderwet Militaire Pensioenen zal de DMP overgedragen worden aan het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). Deze wet is op 12 december 2000 door de Eerste Kamer goedgekeurd. De formele overgang van DMP wordt momenteel voorzien op 1 juni 2001.

OmschrijvingBegroting 2000RealisatieVerschil
DMP   
– ouderdomspensioenen (overgangers en uitgesteld)25 00024 739– 261
– aantal nabestaandenpensioenen4 4004 118– 282
– aantal waarde-overdrachten en -overnames1 5001 609109

DARIC

Het DARIC verzorgt de centrale documentaire informatievoorziening en voert de algemene secretarie alsmede de postregistratie van het ministerie.

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie Verschil
DARIC   
– aantal telefonische en schriftelijke informatieverstrekkingen60 00058 710– 1 290
– aantal strekkende meters in beheer40 00034 8585 142
– aantal strekkende meters vernietigd1 3001 484184
– aantal strekkende meters ontvangen600977377

BIMS

Het BIMS zorgt voor de organisatie van internationale militaire sporttoernooien en uitzending van militaire équipes. Tevens coördineert het de militaire sport op nationaal niveau. Daarnaast wordt gezorgd voor stimulering van (top)sportbeoefening en (individuele) begeleiding van topsporters binnen de Defensie-organisatie.

Het jaar 2000 werd wederom gekenmerkt door een groot aantal trainings- en wedstrijdactiviteiten van de Nationale Militaire Sportéquipes. Centraal stond de organisatie van het Militaire Wereldkampioenschap Judo in november 2000 in Den Helder. Dit kampioenschap is buitengewoon succesvol verlopen.

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie Verschil
BIMS   
– deelname en organisatie internationale sporttoernooien in Nederland104– 6
– deelname aan internationale sporttoernooien in het buitenland5041– 9
– deelname aan wereldkampioenschappen in verschillende takken van sport15183

DGV

De diensten Geestelijke Verzorging (DGV) zijn voortdurend beschikbaar om, mede in het kader van het streven van het ministerie van Defensie naar hoogwaardige personeelszorg, vanuit de verschillende godsdienstige en levensbeschouwelijke achtergronden, begeleiding en zorg te leveren bij ethische vragen en (geestelijke) nood.

MDD

De Maatschappelijke Dienst Defensie (MDD) staat voor hulp en dienstverlening aan burger- en militair personeel, het thuisfront en veteranen. Dit bedrijfsmaatschappelijk werk is gericht op het welbevinden van deze groepen binnen de context van de Defensie-organisatie. De MDD draagt daardoor bij aan de motivatie en inzetbaarheid van het personeel.

In 2000 is het bij het Veteraneninstituut werkzame Defensiepersoneel ondergebracht bij de MDD.

Vanwege de veranderende internationale taakstelling worden militairen frequenter uitgezonden voor humanitaire hulpverlening en crisisbeheersingsoperaties. De daaraan verbonden gewijzigde taakuitvoering van de bedrijfsmaatschappelijk werker vereist een hoge inzet. Op jaarbasis nemen acht BMW'ers deel aan vredesoperaties (inclusief de voorbereiding en opleiding). Dit heeft geleid tot een hoge arbeidsbelasting met name door deelname aan uitzendingen.

De MDD is in totaal met acht BMW-ers betrokken geweest bij de directe opvang en nazorg tengevolge van de vuurwerkramp in mei 2000 te Enschede.

Artikelonderdeel 09.02.25 Wachtgelden en inactiviteitswedden

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor het burgerpersoneel van het Dico. Naast het reguliere wachtgeld wordt in dit artikelonderdeel ook ingegaan op de uitgaven voor wachtgelden en uitstroombevorderende maatregelen die voor het Dico uit het Sociaal Beleidskader voortvloeien.

De realisatie is afgerond f 1,3 miljoen lager uitgevallen dan de raming in de begroting 2000. Dit komt met name door de lagere, door de USZO in rekening gebrachte, uitvoeringskosten.

09.03 Investeringen groot materieel en infrastructuur

Ten laste van dit artikel worden de verplichtingen en uitgaven verantwoord geraamd voor investeringen in groot materieel en infrastructuur die niet onder het begrotingsartikel 09.02 Personeel en materieel worden geraamd en verantwoord. Het beleid is gericht op het vervangen van verouderd materieel door modern, voor de bedrijfsvoering geschikt materieel.

Artikelonderdeel (bedragen x f 1 000,–)VerplichtingenUitgaven
 Begroting 2000Realisatie 2000Verschil Begroting 2000Realisatie 2000Verschil 
09.03.01 Groot materieel7 34120 35213 011177%7 33217 0939 761133%
09.03.02 Infrastructuur11 81212 1913793%16 28513 239– 3 046– 19%
Totaal19 15332 54313 39070%23 61730 3326 71528%

Toelichting per artikelonderdeel

09.03.01 Groot materieel

De stijging is met name het gevolg van de realisatie van het LAN2000 (f 2,8 miljoen), bekabeling van het CMH in het kader van het LAN2000 (f 1,2 miljoen), het materieelbeheersingssysteem «Warehouse management information system» ten behoeve van het Medisch Geneeskundig Logistiek Centrum (MGLC) (f 1,7 miljoen), de aanschaf van een digitaal archiefsysteem voor het MGFB (f 0,8 miljoen) en de aanschaf van een telefooncentrale voor het IDL (f 0,9 miljoen). Tevens zijn, naast het voertuigenvervangingsplan van DVVO, ook alle voertuigen van de overige eenheden op dit artikel verantwoord, die voorheen op de materiële uitgaven waren geraamd.

Daarnaast zijn in 2000 verplichtingen aangegaan teneinde leveringen in 2001 veilig te stellen.

09.03.02 Infrastructuur

De verlaging is met name het gevolg van een vertraging in de realisatie van de infrastructuurprojecten OCMGD (– f 0,9 miljoen), DVVC Zuid (– f 0,9 miljoen) en diverse kleinere projecten.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING ONTVANGSTEN

01. Beleidsterrein Algemeen

01.20 Verrekenbare ontvangsten

De op dit artikel verantwoorde bedragen hebben betrekking op ontvangsten die gerelateerd zijn aan de personele en materiële uitgaven op artikel 01.20, de overige departementale uitgaven op artikel 01.29 en de ontvangsten die voortvloeien uit internationale verplichtingen in verband met Navo-infrastructuur op artikel 01.23 van de uitgavenbegroting.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
01.20 Verrekenbare ontvangsten:    
01.20.01 Personele ontvangsten1 0361 55451850%
01.20.02 Materiële en specifieke ontvangsten4 64935 76631 117669%
01.20.03 Ontvangsten uit internationale verplichtingen i.v.m. Navo-infrastructuur31 80037 4335 63318%
Totaal artikel Verrekenbare ontvangsten37 48574 75337 26899%

Toelichting op de verschillen

De meerontvangsten van f 37,268 miljoen betreft het saldo van een aantal mutaties.

Bij de personele ontvangsten is sprake van een bijstelling van + f 0,5 miljoen wegens meerontvangsten betreffende salarissen burgerpersoneel en onderwijs en opleidingen.

De reden van de hogere materiële- en specifieke ontvangsten is met name te verklaren door de uitkering van het agentschap DTO aan het moederdepartement vanwege het feit dat per 1 januari 2000 maximaal 5 procent van de gemiddelde omzet van de afgelopen drie jaar als vermogen door de agentschappen mag worden aangehouden. Het meerdere is nu terugontvangen.

De ontvangsten uit hoofde van de met de Navo verrekenbare uitgaven vallen f 5,6 miljoen hoger uit dan geraamd. Oorzaak is met name het vervroegd met de Navo verrekenen van voorgefinancierde projecten (+ f 13,5 miljoen) en het neerwaarts bijstellen van door de Navo te verstrekken vooruitbetalingen door het dalend aantal Nederlandse projecten (– f 8,9 miljoen).

01.21 Niet-verrekenbare ontvangsten

Ten gunste van dit artikel zijn de ontvangsten verantwoord die niet verrekenbaar zijn met het uitgavenniveau.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
01.21 Niet verrekenbare ontvangsten:    
01.21.02 Overige ontvangsten280 600276 551– 4 049– 1%
Totaal Niet-verrekenbare ontvangsten280 600276 551– 4 049– 1%

02. Beleidsterrein Pensioenen en uitkeringen

02.01 Verrekenbare ontvangsten

De op dit artikel verantwoorde bedragen hebben betrekking op ontvangsten die gerelateerd zijn aan de uitgavenbegroting van pensioenen en uitkeringen.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
02.01 Verrekenbare ontvangsten1 50012 90811 408761%

Toelichting op de verschillen

De hogere realisatie van de ontvangsten op dit artikel ten opzichte van de ontwerpbegroting is voornamelijk het gevolg van een ontvangst van het ABP als compensatie voor de millenniumuitkering aan gepensioneerde militairen van 100 Euro (+ f 10,5 miljoen). Het betreft ruim 48 000 personen.

02.02 Niet-verrekenbare ontvangsten

Ten gunste van dit artikel zijn de ontvangsten verantwoord die niet verrekenbaar zijn met het uitgavenniveau.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
02.02 Niet-verrekenbare ontvangsten:    
02.02.02 Restitutie teveel genoten uitkeringen2 600973– 1 627– 63%
Totaal artikel Niet-verrekenbare ontvangsten2 600973– 1 627– 63%

Toelichting op de verschillen

De lagere realisatie van de ontvangsten op dit artikel ten opzichte van de ontwerpbegroting met f 1,627 miljoen is voornamelijk het gevolg van intensivering van het debiteurenbeheer. Doordat invordering plaatsvindt in het jaar waarin de uitgaaf is gedaan, mogen deze ontvangsten volgens de regelgeving zoals opgenomen in de Comptabiliteitswet, ten gunste van de verrekenbare ontvangsten worden geboekt.

03. Beleidsterrein Koninklijke Marine

03.20 Verrekenbare ontvangsten

Ten gunste van dit artikel zijn de ontvangsten geraamd en verantwoord die in het bijzonder betrekking hebben op verhaalde salaris- en ziektekosten bij ongevallen en het uitlenen van personeel, inhoudingen wegens het verstrekken van kleding, voeding, huisvesting en dergelijke. Daarnaast betreft het artikel de ontvangsten van BTW en accijnzen, de verkoop van zeekaarten, berichten aan zeevarenden, zeemansgidsen en dergelijke, de ontvangsten uit dienstverlening en ontvangsten betreffende verrekeningen met Navo-partners voor gezamenlijke projecten. Op dit artikel worden de ontvangsten gesplitst in enerzijds personele ontvangsten en anderzijds in materiële en specifieke ontvangsten.

Deze ontvangsten zijn in het bijzonder te relateren aan de geraamde personele en materiële uitgaven van het artikel 03.20 Personeel en materieel.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
03.20 Verrekenbare ontvangsten:    
03.20.01 Personele ontvangsten25 75231 4485 69622%
03.20.02 Materiële en specifieke ontvangsten92 35962 347– 30 012– 32%
Totaal artikel Verrekenbare ontvangsten118 11193 795– 24 316– 21%

Toelichting op de verschillen

03.20.01 Personele ontvangsten

De per saldo hogere realisatie wordt met name veroorzaakt door een wijziging in de boekingssystematiek met betrekking tot de verrekening van voorschotten onderwijskosten voor militair personeel geplaatst in het buitenland. Tevens heeft een inhaalslag plaatsgevonden van in het voorgaande jaar niet door de zorgverzekeraar voldane declaraties voor geneeskundige verzorging. Daarnaast was de ontvangst in het kader van de wet vermindering afdracht loonheffing met betrekking tot scholing niet in de raming opgenomen.

03.20.02 Materiële en specifieke ontvangsten

De lagere ontvangst is het gevolg van de uitkomsten van de in 1999 uitgevoerde controle naar het terugvorderen van omzetbelasting bij magazijnsverstrekkingen. Hierbij bleek in het verleden teveel omzetbelasting te zijn teruggevorderd.

03.21 Niet-verrekenbare ontvangsten

Ten gunste van dit artikel zijn de ontvangsten verantwoord die niet verrekenbaar zijn met het uitgavenniveau. Dergelijke ontvangsten hebben in het bijzonder betrekking op:

– krijgstuchtelijke boetes;

– boetes wegens te late levering en nalatigheid;

– ontvangen royalties;

– rente-ontvangsten;

– overige ontvangsten.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
03.21 Niet-verrekenbare ontvangsten2 1007 8915 791276%

Toelichting op de verschillen

De hogere realisatie van dit artikel wordt voornamelijk veroorzaakt door een hogere renteboeking op de in de Verenigde Staten aan te houden trust-account voor het NATO Seasparrow project dan was voorzien. Daarnaast is éénmalig heffingsrente ontvangen. Deze ontvangst is gerelateerd aan het uitgevoerde onderzoek naar de in het verleden teveel teruggevorderde BTW. Hierbij bleek in bepaalde jaren ook teveel BTW te zijn afgedragen.

04. Beleidsterrein Koninklijke Landmacht

04.20 Verrekenbare ontvangsten

Ten gunste van dit artikel zijn de ontvangsten verantwoord die met name betrekking hebben op verhaalde salaris- en ziektekosten bij ongevallen, inhoudingen wegens het verstrekken van kleding, voeding, huisvesting en verhuur van woningen. Daarnaast betreft het artikel de ontvangsten van terugvordering van BTW, de verkoop van topografische kaarten en drukwerk en de ontvangsten uit dienstverlening.

Deze ontvangsten zijn te relateren aan de geraamde personele en materiële uitgaven van het artikel 04.20 Personeel en materieel.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
04.20 Verrekenbare ontvangsten:    
04.20.01 Personele ontvangsten82 20092 32610 12612%
04.20.02 Materiële en specifieke ontvangsten32 05147 50315 45248%
Totaal artikel Verrekenbare ontvangsten114 251139 82925 57822%

Toelichting op de verschillen:

04.20.01 Personele ontvangsten

De ontvangsten op dit artikelonderdeel zijn in belangrijke mate afhankelijk van de personeelssterkte en van de activiteiten. Het betreft onder meer ontvangsten voor het verstrekken van kleding en voeding, huren en geneeskundige verzorging.

De bijstelling van de ontvangsten is voornamelijk het gevolg geweest van een verrekening met het beleidsterrein Dico in het kader van geneeskundige diensten. Daarnaast is voor voeding en salarissen meer verrekend. De inhouding voor huisvesting is daarentegen gedaald door aanpassing van de eigen bijdrage.

04.20.02 Materiële en specifieke ontvangsten

De bijstelling van de materiële ontvangsten betreft voornamelijk een terugontvangst van BTW voor munitieverbruik in het buitenland. Deze ontvangst was oorspronkelijk voor 1999 voorzien maar is door vertraging bij de afhandeling van de claim verschoven naar 2000.

04.21 Niet-verrekenbare ontvangsten

Op dit artikel worden ontvangsten verantwoord die geen directe relatie hebben met de uitgaven. Het betreft hier onder meer boetes in verband met te late leveringen, rente van voorschotten en afrekeningen welke betrekking hebben op vorige dienstjaren. Deze ontvangsten worden op basis van het realisatieverloop van de afgelopen jaren geraamd.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
04.21 Niet-verrekenbare ontvangsten7 39014 2826 89293%

De stijging van de niet-verrekenbare ontvangsten is met name het gevolg van het terugstorten van de rente-opbrengsten inzake uitstaande voorschotten voor het Stinger Post-project.

05. Beleidsterrein Koninklijke Luchtmacht

05.20 Verrekenbare ontvangsten

Ten gunste van dit artikel zijn de ontvangsten verantwoord die in het bijzonder betrekking hebben op personele, materiële en specifieke ontvangsten. Deze ontvangsten zijn in het bijzonder te relateren aan de geraamde personele en materiële uitgaven van het uitgavenartikel 05.20 Personeel en materieel.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
05.20 Verrekenbare ontvangsten:    
05.20.01 Personele ontvangsten25 10025 8857853%
05.20.02 Materiële en specifieke ontvangsten65 100111 75346 65372%
Totaal artikel Verrekenbare ontvangsten90 200137 63847 43853%

Toelichting op de verschillen

Deze verhoging van f 47,438 miljoen is voornamelijk het gevolg van een zogenaamde case closures en wijzigingen van FMS-cases die betrekking hebben op eerder afgesloten LOA's voor opleidingen en de aanschaf van reservedelen. Tevens zijn de ontvangsten inzake accijnzen op vliegtuigbrandstoffen hoger uitgevallen, zowel naar aanleiding van verhoging van het budget voor de aanschaf van vliegtuigbrandstof als door ontvangsten uit voorgaand jaar. Daarnaast waren de vorderingen die betrekking hebben op het tweede en derde kwartaal 2000 in 2000 gerealiseerd in plaats van 2001.

05.21 Niet-verrekenbare ontvangsten

Ten gunste van dit artikel zijn de ontvangsten verantwoord die niet-verrekenbaar zijn met het uitgavenniveau. Het betreffen krijgstuchtelijke geldboetes, boetes voor te late levering en nalatigheid en rente van voorschotten. Rente-ontvangsten ontstaan door rente op het account bij de Colorado National bank te Denver, USA, waarop de betalingen met betrekking tot het F-16 project worden gestort en door rente-onvangsten vanuit het «NATO Maintenance and Supply Agency» (NAMSA), voortkomende uit voorschotbetalingen die op rentedragende rekeningen uitstaan.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
05.21 Niet-verrekenbare ontvangsten7 70021 87014 170184%

Het verschil tussen de begrote en gerealiseerde niet-verrekenbare ontvangsten vindt een oorzaak in de toename van het aantal deelnemende landen binnen het MLU F-16 programma. Hierdoor worden de reeds betaalde ontwikkelingskosten inzake dit project door de nieuwe verdeelsleutel per land lager. Het verschil wordt nu teruggestort.

06 Beleidsterrein Koninklijke Marechaussee

06.20 Verrekenbare ontvangsten

Ten gunste van dit artikel zijn de ontvangsten verantwoord die verrekenbaar zijn met het uitgavenniveau en hebben in het bijzonder betrekking op verhaalde salaris- en ziektekosten bij ongevallen, inhoudingen wegens het verstrekken van kleding, voeding en huisvesting en dergelijke en verrekeningen met derden in verband met dienstverlening.

Deze ontvangsten zijn in het bijzonder te relateren aan de geraamde personele en materiële uitgaven van het uitgavenartikel 06.20 Personeel en materieel.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
06.20 Verrekenbare ontvangsten:    
06.20.01 Personele ontvangsten3 7623 564– 198– 5%
06.20.02 Materiële en specifieke ontvangsten5 7486 9051 15720%
Totaal artikel Verrekenbare ontvangsten9 51010 46995910%

De per saldo hogere verrekenbare ontvangsten van f 0,959 miljoen zijn met name een gevolg van het overdragen van het beheer en eigendom van het portofoonnetwerk op Schiphol aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in het kader van de Startregio C-2000. Hiervoor is een vergoeding ontvangen die onderdeel uitmaakt van de financiering van de investeringen ten behoeve van de Startregio 2000 op de luchthaven Schiphol. Daarnaast is een vergoeding verkregen ter compensatie van de meeruitgaven voor de fundering van de Koningin Beatrix Kazerne.

06.21 Niet-verrekenbare ontvangsten

Ten gunste van dit artikel worden de ontvangsten geraamd en verantwoord die niet-verrekenbaar zijn met het uitgavenniveau. Het betreft onder andere ontvangsten in het kader van verstrekte reisdocumenten, krijgstuchtelijke geldboetes, boetes en rente.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
06.21 Niet-verrekenbare ontvangsten6001 08248280%

Toelichting op verschillen

De hogere ontvangsten op dit artikel van f 0,482 miljoen ten opzichte van de begroting 2000 zijn voornamelijk het gevolg van achtergebleven en gevonden gelden op de luchthaven Schiphol en een incidenteel grote creditnota van een leverancier over voorgaande jaren.

08. Beleidsterrein Multi-service projecten en activiteiten

08.01 Ontvangsten luchtmobiele brigade

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
08.01.01 Ontvangsten Luchtmobiele brigade0186186

Toelichting op de verschillen

De gerealiseerde ontvangsten zijn het gevolg van opgelegde boetes in verband met te late leveringen op de Chinook- en Cougarhoofdcontracten.

08.02 Ontvangsten naar aanleiding van vredesoperaties

Op dit artikel worden met name de vergoedingen van de Verenigde Naties (VN) voor de Nederlandse deelname aan VN-vredesoperaties verantwoord. De hoogte van de vergoedingen is afhankelijk van de mate waarin Nederland aan deze VN-operaties deelneemt. Een verschuiving van Nederlandse inzet in vredesoperaties van VN-operaties naar door Navo geleide operaties valt te constateren. Voor deelname aan niet-VN-operaties worden geen vergoedingen voor inzet van Defensiemiddelen ontvangen. Daarnaast speelt de financiële positie van de Verenigde Naties een belangrijke rol in het tijdstip van uit te keren bedragen.

Naast de VN-vergoedingen worden de kosten van door Defensie uitgevoerde humanitaire vluchten ten behoeve van Ontwikkelingssamenwerking via dit artikel verrekend.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
08.02 Ontvangsten naar aanleiding van vredesoperaties3 60015 25111 651324%

Toelichting op de verschillen

De afwijkingen ten opzichte van de ontwerpbegroting zijn ontstaan door de van de VN ontvangen vergoedingen voor de Nederlandse deelname aan vredesoperaties. Vorig jaar zijn, als gevolg van de financiële situatie van de VN, de ontvangsten achtergebleven.

08.03 Overige ontvangsten Internationale Samenwerking

Op dit artikel worden de ontvangsten verantwoord die samenhangen met de Homogene Groep Internationale Samenwerking, anders dan uit hoofde van deelname aan vredesoperaties en humanitaire vluchten ten behoeve van Ontwikkelingssamenwerking, alsmede met de Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
08.03 Overige ontvangsten Internationale Samenwerking8 4009 6301 23015%

Toelichting op verschillen

Het grootste deel van de ontvangst (f 8,8 miljoen) betreft de bijdrage van de Nederlandse Antillen en Aruba in de uitgaven voor de kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba. Daarnaast is door inhouding c.q. verrekening van personele vergoedingen ten aanzien van attachés f 0,9 miljoen als ontvangst op dit artikel verantwoord.

09. Beleidsterrein Defensie Interservice Commando (Dico)

09.02 Verrekenbare ontvangsten

Ten gunste van dit artikel zijn de ontvangsten verantwoord die in het bijzonder betrekking hebben op geneeskundige verzorging, verhuur van wagons aan de Nederlandse Spoorwegen en verhuur van faciliteiten door het Instituut Defensie Leergangen.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
09.02 Verrekenbare ontvangsten:    
09.02.01 Personele ontvangsten41 67047 2115 54113%
09.02.02 Materiële en specifieke ontvangsten2 0255 4003 375167%
Totaal artikel Verrekenbare ontvangsten43 69552 6118 91620%

Toelichting op verschillen

09.02.01 Personele ontvangsten

De stijging is met name een gevolg van het versneld inhalen van de ontstane achterstanden bij het innen van vorderingen bij het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf.

09.02.02 Materiële en specifieke ontvangsten

De stijging van de materiële en specifieke ontvangsten is met name een gevolg van een hogere dan geraamde inruilopbrengst voor auto's, een niet geraamde ontvangst vanwege de bijdrage door DVVO aan een VN-transport en een aantal relatief kleine ontvangsten bij de andere ressorts.

09.03 Niet-verrekenbare ontvangsten

Ten gunste van dit artikel zijn de ontvangsten verantwoord die niet verrekenbaar zijn met het uitgavenniveau.

Ontvangsten (x f 1000,–)

OmschrijvingBegroting 2000Realisatie 2000Verschil 
09.03 Niet-verrekenbare ontvangsten01 2171 217100%

Toelichting op verschillen

Deze ontvangsten hebben betrekking op diverse uitgaven die in voorgaande jaren zijn gedaan.

Agentschappen

Defensie Telematica Organisatie

De Defensie Telematica Organisatie (DTO) is het facilitaire informatie- en communicatie technologie (ICT)-bedrijf van het ministerie van Defensie. De DTO is per 1 september 1997 opgericht en heeft per 1 januari 1998 de status van agentschap.

De producten en diensten die DTO aanbiedt zijn in een vijftal productgroepen ondergebracht. Het betreft:

Advies/Ontwikkeling

De productgroep advies/ontwikkeling betreft enerzijds de levering van advies met betrekking tot specificatie, ontwikkeling, verwerving, invoering, beheer, exploitatie, mogelijkheden en toepassing van ICT-middelen, -systemen en -infrastructuren. Anderzijds bevat deze productgroep de feitelijke ontwikkeling, integratie en modificatie van ICT-infrastructuren, -systemen, -applicaties en gegevensbanken op nagenoeg alle soorten platforms.

Beheer/exploitatie

De productgroep beheer/exploitatie bevat het uitvoeren van het technisch, functioneel en applicatiebeheer van de eigen ICT-infrastructuur en -systemen. Tevens wordt, op basis van te maken afspraken, het technisch beheer en exploitatie van ICT-infrastructuren en -systemen van afnemers uitgevoerd.

Elektronisch transportnetwerk

De productgroep elektronisch transportnetwerk bevat de communicatiefaciliteiten voor spraak, data en video, evenals de toegang tot externe netwerken.

Generieke diensten

De productgroep generieke diensten bevat de diensten en applicaties voor algemeen gebruik die op of via de telematica-infrastructuur geleverd kunnen worden, zoals kantoorautomatisering, «electronic mail» en informatiegidsen.

Overige producten en diensten

Naast voornoemde producten en diensten levert DTO producten en diensten in de sfeer van opleiding, installatie en verhuur/verkoop van telematicamiddelen. Deze producten en diensten worden niet zelfstandig doch uitsluitend in relatie met de in de overige productgroepen opgenomen producten en diensten geleverd.

De hoofdvestiging van DTO bevindt zich in Den Haag. Daarnaast zijn er DTO-vestigingen in Soesterberg, Den Helder, Maasland, Gouda, Oegstgeest en Rijswijk (ZH). Verder bevindt zich in Woensdrecht een uitwijkcentrum.

Het ministerie van Defensie is de markt van DTO. Binnen grenzen vast te stellen door de voorzitter van de Bestuursraad DTO kan DTO, onder bepaalde voorwaarden, ook producten en diensten leveren aan afnemers binnen de Rijksoverheid («tweeden») en de Navo.

De missie van DTO luidt:

«De Defensie Telematica Organisatie draagt als agentschap van Defensie zorg voor een doeltreffende en doelmatige dienstverlening op het gebied van Informatie en Communicatie Technologie aan de krijgsmacht, zowel in vredestijd, crisis- en oorlogsomstandigheden, als tijdens crisisbeheersingsoperaties».

I. GRONDSLAGEN VOOR WAARDERING EN RESULTAATBEPALING

Grondslagen voor de waardering

Algemeen

De activa en passiva zijn, voorzover niet anders vermeld, gewaardeerd tegen nominale waarde inclusief BTW. Een nadere toelichting op de algemene waarderingsgrondslagen wordt hieronder gegeven.

Immateriële vaste activa

Immateriële vaste activa bestaan uit gekochte software en licenties voor het gebruik van software. Deze activa worden geactiveerd voor zover de aanschafwaarde groter is dan f 25 000,–, inclusief BTW.

Materiële vaste activa

Deze activa zijn gewaardeerd tegen de aanschafwaarde, verminderd met de lineaire afschrijvingen. Er geldt een activeringsgrens voor vaste activa van f 10 000,–, inclusief BTW.

Voorraden

De voorraden zijn gewaardeerd tegen de kostprijs of de eventueel lagere verwachte netto opbrengstwaarde.

Vorderingen

De vorderingen zijn gewaardeerd tegen nominale waarde. De voorziening voor het risico van oninbaarheid is gesaldeerd.

Overige activa en passiva

De overige activa en passiva zijn gewaardeerd tegen nominale waarde.

Voorzieningen

De voorzieningen zijn gevormd voor specifieke verplichtingen en risico's die uitgaan boven het algemene risico dat aan het ondernemen als agentschap verbonden is.

Grondslagen voor de bepaling van het resultaat

Algemeen

De resultaten zijn berekend op basis van historische kostprijzen, waarbij de baten en lasten zijn toegerekend aan de periode waarop zij betrekking hebben (matching-principle). Transacties in vreemde valuta zijn omgerekend in Nederlandse guldens op basis van administratiekoersen. Deze koersen worden gehanteerd bij betalingen via het ministerie van Financiën en worden periodiek door dit ministerie vastgesteld.

Buitengewone baten en lasten

De buitengewone baten en lasten zijn baten en lasten die niet voortvloeien uit de normale bedrijfsuitoefening.

Afschrijvingsmethode en -termijnen

Alle afschrijvingen vinden lineair plaats en worden berekend op basis van de aanschafwaarde.

De afschrijvingstermijnen zijn:

immateriële vaste activa– software/licenties 5 jaar
materiële vaste activa– terreinen10 jaar
 – gebouwen en glasvezel30 jaar
 – machines en installaties 8 jaar
 – kantoorinventaris 5 jaar
 – transportmiddelen 4 jaar
 – PC's en printers 3 jaar
 – overige computerapparatuur 3–10 jaar

Onder de categorie terreinen vallen naast grond ook werken. Op grond wordt niet afgeschreven terwijl op werken wel wordt afgeschreven. Om deze reden is bij terreinen – in tegenstelling tot wat daarover is vastgelegd in de handleiding agentschappen – een afschrijvingstermijn vermeld.

Agentschap Defensie Telematica Organisatie (DTO)

Baten-lastenoverzicht 2000: confrontatie oorspronkelijke begroting met de realisatie

 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk Vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
 NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000
Baten      
Opbrengst moederdepartement430 500195 352436 800198 2116 3002 859
Opbrengst overige departementen8 4003 8128 3003 766– 100– 45
Opbrengst derden000000
Rentebaten000000
Buitengewone baten8 9004 03915 7007 1246 8003 086
Exploitatie-bijdrage000000
Totaal baten447 800203 203460 800209 10213 0005 899
       
Lasten      
Apparaatskosten      
– Personele kosten196 00088 941260 000117 98364 00029 042
– Materiële kosten202 80092 027150 20068 158– 52 600– 23 869
Rentelasten9 5004 31111 0004 9921 500681
Afschrijvingskosten      
– Materieel30 60013 88627 80012 615– 2 800– 1 271
– Immaterieel2 9001 3165 5002 4962 6001 180
Dotaties voorzieningen1 2005451 20054500
Buitengewone lasten0012 9005 85412 9005 854
Totaal lasten443 000201 025468 600212 64125 60011 617
       
Saldo van baten en lasten4 8002 178– 7 800– 3 539– 12 600– 5 718

TOELICHTING OP DE REKENING VAN BATEN EN LASTEN

ALGEMEEN

Ten opzichte van de ontwerpbegroting is de realisatie van baten en lasten hoger. De oorzaak voor de hogere realisatie van de baten is gelegen in het verwerken van de rentecompensatie in de tarieven en in het laten vrijvallen van in eerdere jaren getroffen balansvoorzieningen (bijzondere baten). De lasten zijn toegenomen door hogere apparaatskosten en door de vorming en herziening van balansvoorzieningen (bijzondere lasten). DTO heeft geen winstoogmerk, maar streeft in principe naar kostendekkendheid. Er was voor de ontwerpbegroting uitgegaan van een risicomarge van slechts 1% (= resultaat f 4,8 miljoen). Het resultaat is uitgekomen op – f 7,8 miljoen. Dit is voor een belangrijk deel het gevolg van kosten die niet volledig konden worden verhaald op de klant. Een voorbeeld hiervan is het project LAN2000, waarbij DTO voor een bedrag van ruim f 5 miljoen voor eigen rekening heeft genomen. Daarnaast bleek er voor een belangrijk deel van de software-ontwikkelstraten geen opbrengsten te zijn.

KENGETALLEN

In de begroting DTO 2000 zijn, aanvullend op de begroting van baten en lasten, onderstaand enkele kengetallen opgenomen.

Kengetallen Agentschap Defensie Telematica Organisatie

 OntwerpbegrotingRealisatie
 20002000
Omzet per werknemer (x f 1000,–)286252
Resultaatmarge1,1%0,1%

Omzet per werknemer: Onder omzet per werknemer wordt verstaan de gefactureerde omzet per medewerker (inclusief ingehuurd personeel). De realisatie is lager dan gepland, mede als gevolg van een verschuiving naar arbeidsintensieve diensten.

Resultaatmarge: De resultaatmarge is het saldo van baten en lasten, exclusief buitengewone baten en lasten en rentebaten en -lasten, ten opzichte van de omzet. Aangezien bij opstelling van de ontwerpbegroting werd uitgegaan van een bescheiden positief resultaat en het gerealiseerde resultaat om eerder genoemde redenen negatief is uitgekomen, is uiteraard ook sprake van een mindere resultaatmarge dan bij ontwerpbegroting was verwacht.

BATEN

Omzet (opbrengsten Moederdepartement en Overige departementen)

De realisatie van het totaal der baten ad f 460,8 miljoen is f 13,0 miljoen hoger uitgekomen dan het niveau van de ontwerpbegroting (f 447,8 miljoen). De belangrijkste baten worden gevormd door de opbrengsten Moederdepartement en Overige departementen ad f 445,1 miljoen, begroot was f 438,9 miljoen. De hogere realisatie is het gevolg van een overheveling van buitengewone baten (begroting) naar opbrengsten (realisatie). Voor de ontwerpbegroting was uitgegaan van het als een bijzonder baat tonen van de door het ministerie van Defensie te compenseren rente over de vermogensconversielening. In de realisatie echter maakt deze rente van f 8,9 miljoen deel uit van de reguliere omzet. Er is uiteindelijk voor gekozen de te verhalen rentekosten vreemd vermogen te integreren in de DTO-tarieven. Deze andere verantwoording van de rente daar gelaten is de gerealiseerde omzet nauwelijks afwijkend van de begrote omzet. Zie ook onder «bijzondere baten». In 2000 zijn de tarieven nominaal met 2% verlaagd ten opzichte van 1999, ondanks de generieke prijs- en loonstijgingen van circa 3% in 2000.

Buitengewone baten

Voor de ontwerpbegroting was rekening gehouden met het buiten de tarieven houden van de door DTO in verband met de vermogensconversielening verschuldigde rente. Deze rente was dan ook niet in de omzet meegenomen, maar zou separaat worden gecompenseerd. Daarom was gekozen dit als buitengewone baat te tonen. In de voor 2000 vastgestelde tarieven is echter, in overleg met de betrokkenen, er voor gekozen deze rentepost wel in de tarieven mee te nemen. In de realisatie is onder buitengewone baten in verband met deze rente vermogensconversie slechts verantwoord f 1,8 miljoen. Dit is de niet in de tarieven en dus opbrengsten verwerkte rente als gevolg van een door het ministerie van Financiën achteraf hoger vastgestelde rentepercentage. Deze additioneel door DTO verschuldigde rente, is door het ministerie van Defensie gecompenseerd.

De overige gerealiseerde buitengewone baten van f 13,9 miljoen betreffen, op een klein resultaat op afstoot van vaste activa (f 0,16 miljoen) na, de volgende ten gunste van het resultaat vrijgevallen balansvoorzieningen:

• Millenniumkosten DTO-objecten: f 1,0 miljoen. De voorziening was bedoeld om mogelijke naijlende kosten van het millenniumbestendig maken van eigen DTO-systemen te dekken. De voorziening behoefde echter in 2000 nauwelijks te worden aangesproken.

• Millennium-garantiecertificaten: f 4,1 miljoen. Er is in 2000 geen beroep gedaan op in het kader van Millenniumwerkzaamheden afgegeven garantiecertificaten.

• Reorganisatievoorziening: f 2,6 miljoen. Deze voorziening was gecreëerd om bijzondere kosten die voortkwamen uit de oprichting en vorming van DTO te dekken. De betreffende reorganisatie is medio 1999 doorgevoerd. Inmiddels is besloten DTO verder te optimaliseren. Voor dit project Streamline is besloten een nieuwe voorziening te treffen.

• Project Do it!: f 3,9 miljoen. Deze voorziening was getroffen voor onvoorziene kosten aangaande de overname van de telematica-activiteiten van de Koninklijke Landmacht in 2000 én 2001. Er is voor gekozen het resterende bedrag van deze voorziening vrij te laten vallen en voor het jaar 2001 opnieuw vast te stellen.

• Overige voorzieningen: f 2,2 miljoen. Het betreft de voorzieningen Euro, Sociaal Plan (Berdis), en Huisvesting. Voor Euro en Sociaal Plan Berdis is ter dekking van de kosten in 2001 een nieuwe voorziening gedoteerd.

LASTEN

Personeel

De realisatie van de personele lasten is uitgekomen op f 260,0 miljoen, hetgeen f 64,0 miljoen hoger is dan gepland. De kosten voor het eigen DTO-personeel zijn lager uitgekomen dan gepland vanwege de lagere dan geplande bezetting. Het deel van de personele kosten betreffende inhuur is daarentegen substantieel hoger dan begroot. De vraag naar DTO-producten en diensten neemt van jaar tot jaar toe. Het is al jaren problematisch om de personele sterkte in lijn met deze groei te laten toenemen. De krapte op de arbeidsmarkt die de laatste jaren in het algemeen geldt, doet zich nog sterker voor ten aanzien van ICT- en hoog gekwalificeerde personeel. De gemiddelde bezetting in 2000 ten opzichte van de raming is als volgt:

Personeel Agentschap Defensie Telematica Organisatie (in volledige tijdsequivalenten (VTE'n))

 Ontwerpbegroting 2000Realisatie Gemiddeld 2000
– Militairen163144
– Burgers1 2841 208
Totaal DTO-medewerkers1 4471 352
– Inhuur154411
Totaal aantal VTE'n1 6011 763
Gemiddelde kosten per VTE (x f 1000,–)  
– DTO-medewerkers106108
– Inhuur280300

Materieel

Deze post omvat alle (exploitatie)lasten van DTO.

Materiële kosten (bedragen x f 1000,–)Realisatie 2000
Directe kosten69 508
Huisvestingskosten10 911
Kantoorkosten5 890
Verkoopkosten1 763
Algemene kosten83
Kosten hard- en software62 005
Totale materiële kosten150 160

De gerealiseerde materiële kosten bedragen f 150,2 miljoen en zijn f 52,6 miljoen lager uitgekomen dan de geplande materiële kosten volgens de ontwerpbegroting (f 202,8 miljoen). Voor de begroting was rekening gehouden met het reeds in 2000 overkomen van de Krijgsmacht Telematica Organisaties (KTO's). De overkomst is later gesteld op 1 januari 2001. Ook was de kostensamenstelling gerelateerd aan de LAN2000-omzet ten tijde van de opstelling van de begroting anders ingeschat. De betreffende personele kosten blijken hoger te zijn (inhuur !), de materiële kosten lager.

Rentelasten

Eén van de consequenties van de vermogensconversie per 1 januari 2000 is dat DTO over het vreemd vermogen rente verschuldigd is. In de ontwerpbegroting waren de rentelasten geschat op f 9,5 miljoen. De realisatie is per saldo hoger. Enerzijds viel het bedrag van de vermogensconversielening anders uit dan ten tijde van de ontwerpbegroting was gedacht (verlagend effect). Anderzijds is het uiteindelijk verschuldigde rentepercentage hoger bepaald. Aangezien DTO in 2000 met een gemiddeld negatief saldo rekening-courant is geconfronteerd, moest ook hiervoor een rentelast van f 0,3 miljoen worden ingeboekt. Er was in dit kader rekening gehouden met noch rentebaten, noch rentelasten.

Afschrijvingen

De gerealiseerde afschrijvingen wijken slechts marginaal af van de geplande afschrijvingen. Onderstaand een overzicht van de afschrijvingen per afschrijvingscategorie.

AFSCHRIJVINGEN (bedragen x f 1 000,–)Realisatie 2000
Licenties5 527
Gebouwen en terreinen2 121
Machines en installaties2 149
Comp.- en netwerkapp. & -infrastructuur22 375
Overige bedrijfsmiddelen1 159
Totale afschrijvingen33 331

Dotaties aan voorzieningen

Op jaarbasis heeft een reguliere dotatie van f 1,2 miljoen plaatsgevonden ten behoeve van de assurantievoorziening.

De dotaties die niet het bedrijfsresultaat beïnvloeden zijn verantwoord onder de buitengewone lasten (hieronder).

Buitengewone lasten

De buitengewone lasten bedragen f 12,9 miljoen. In de paragraaf buitengewone baten is aangegeven dat de buitengewone lasten in belangrijke mate wegvallen tegen vrijgevallen baten. In de eerste suppletore begroting was deze post niet geraamd. De buitengewone lasten betreffen de volgende dotaties ter dekking van toekomstige uitgaven die niet vallen onder de normale bedrijfsvoering.

• Overname telematica activiteiten van de Koninklijke Landmacht (project Do it!): f 4,0 miljoen. Deze voorziening is bedoeld ter dekking van een deel van de inpassingskosten die volgen uit de integratie van de telematicagroepen van de Koninklijke Landmacht (KTO's) binnen DTO per 1 januari 2001. Het betreft ondermeer een deel van de opleidingskosten van het meegekomen personeel.

• Reorganisatievoorziening: f 2,5 miljoen. Deze voorziening dient ter dekking van kosten uit het project Streamline, het optimalisatieplan van DTO voor 2001, waarvoor in het bedrijfsplan 2001 geen budgetten zijn opgenomen. Het betreft de kosten van intern en extern capaciteitsbeslag en begeleidende kosten als huisvesting- en PR-kosten.

• Sociaal Plan: f 0,8 miljoen. Het betreft de geschatte kosten in 2001 en 2002 van het Sociaal Beleidskader als gevolg van de overname van de Berdis/Lotex-organisaties voor gecodeerd berichtenverkeer van de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Luchtmacht in 2000.

• Euro: f 1,1 miljoen. Het betreft de kosten die DTO naar verwachting in 2001 moet maken om de eigen systemen en overige apparatuur op de Euro voor te bereiden.

• Software-ontwikkelstraten: f 4,5 miljoen. DTO zal in 2001 het aantal software-ontwikkelstraten dat wordt gebruikt voor de bouw en het onderhoud van klantsystemen terugbrengen met het oog op doorvoeren van een structurele kostenreductie. Hiermee gaan evenwel afstotingskosten gepaard doordat een deel van de activiteiten moet worden herbelegd.

Agentschap Defensie Telematica Organisatie (DTO) Kasstroomoverzicht 2000: confrontatie ontwerpbegroting met de realisatie

 (1)(2)(3)=(2)–(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begroting 2000Realisatie 2000Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
 NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000
Liquide middelen 1 januari 200038 20017 33497 10044 06258 90026 728
1a. Saldo van baten en lasten4 8002 178– 7 800– 3 539– 12 600– 5 718
1b. Gecorrigeerd voor afschrijvingen33 50015 20233 30015 111– 200– 91
1c. Gecorrigeerd voor mutaties voorzieningen300136– 10 500– 4 765– 10 800– 4 901
1d. Gecorrigeerd voor mutaties in het werkkapitaal00– 16 700– 7 578– 16 700– 7 578
–1. Kasstroom uit operationele activiteiten38 60017 516– 1 700– 771– 40 300– 18 287
       
2a. Investeringen: uitgaven onroerende zaken– 5 000– 2 269– 1 100– 4993 9001 770
2b. Investeringen: uitgaven overige kapitaalgoederen– 24 200– 10 981– 26 500– 12 025– 2 300– 1 044
2c. Gecorrigeerd voor desinvesteringen00– 100– 45– 100– 45
–2. Kasstroom uit investeringsactiviteiten– 29 200– 13 250– 27 700– 12 5701 500681
       
3a. Uitkering aan moederdepartement– 223 500– 101 420– 248 300– 112 674– 24 800– 11 254
3b. Storting door het moederdepartement000000
3c. Aflossingen op leningen– 33 500– 15 202– 30 400– 13 7953 1001 407
3d. Beroep op leenfaciliteit252 700114 670239 300108 590– 13 400– 6 081
–3. Netto kasstroom uit financieringsactiviteiten– 4 300– 1 951– 39 400– 17 879– 35 100– 15 928
       
Mutatie liquide middelen5 1002 314– 68 800– 31 220– 73 900– 33 534
       
Liquide middelen 31 december 200043 30019 64928 30012 842– 15 000– 6 807

III. TOELICHTING OP HET KASSTROOMOVERZICHT

Saldo van baten en lasten

Het gerealiseerde saldo van baten en lasten wijkt – f 12,6 miljoen af van het begrote niveau. Dit kon voor een deel niet worden voorzien doordat in de onderhandelingen met de klantorganisaties in 2000 over de voortzetting van het project LAN2000 is afgesproken dat bepaalde kosten voor het project LAN2000 niet in rekening zouden worden gebracht. Daarbij heeft DTO f 5,5 miljoen voor eigen rekening genomen. Daarnaast bleek tegenover een belangrijk deel van de software-ontwikkelstraten geen opbrengst te staan. Dit leidt tot een f 4,5 miljoen lager resultaat dan geraamd. Tenslotte is er sprake van een minderomzet van f 2,7 miljoen die niet gecompenseerd is door in gelijke mate lagere dan geraamde kosten.

Mutaties voorzieningen

De mutatie ten opzichte van de begroting bedraagt – f 10,8 miljoen. Hierin zijn, naast de reguliere dotatie ten behoeve van de assurantievoorziening, de diverse dotaties aan (nieuwe) voorzieningen en ook de (gedeeltelijke) vrijval van bepaalde voorzieningen meegenomen. Zie ook de toelichting bij «Dotaties aan voorzieningen» en bij «Buitengewone lasten» van hoofdstuk «II. Toelichting op de rekening van baten en lasten». Een specificatie van de voorzieningen is opgenomen onder hoofdstuk «IV. Toelichting op de balans». Ten tijde van opstelling van de raming was geen inschatting te maken van de (mate van) onttrekking, vrijval en vorming van deze voorzieningen.

Mutaties uit werkkapitaal

In de begroting waren geen mutaties voorzien. Als gevolg van het in 2000 in gang gezette Verbeterplan Financieel Beheer DTO is evenwel een negatieve mutatie van f 16,7 miljoen in het werkkapitaal opgetreden. Het verbeterplan heeft geleid tot afname van de crediteuren en overlopende activa, hetgeen slechts gedeeltelijk werd gecompenseerd door een daling van de debiteuren.

Kasstroom uit investeringsactiviteiten

De investeringsuitgaven zijn f 1,5 miljoen lager dan begroot was. Met name de gerealiseerde investeringen in gebouwen, structurele verbouwingen en immateriële vaste activa zijn lager uitgekomen. De niet gerealiseerde infrastructurele investeringen zijn grotendeels doorgeschoven naar het planjaar 2001.

Kasstroom uit financieringsactiviteiten

Als gevolg van de vermogensconversie is er begroot en gerealiseerd sprake van omvangrijke kasstromen. De post Uitkering aan Moederdepartement bestaat uit de waarde van de vaste activa per ultimo 1999, zijnde het bedrag van de vermogensconversielening, én de afroming van de liquide middelen als gevolg van de 5%-norm die geldt voor het Eigen Vermogen. De post Aflossingen van Leningen betreft de eerste aflossing van de vermogensconversielening in 2000.

Het Beroep op Leenfaciliteit tenslotte betreft de vermogensconversielening bij het ministerie van Financiën en de lening voor de investeringen in 2000. De lagere realisatie Beroep op Leenfaciliteit is uiteraard met name het gevolg van de lagere investeringsrealisatie.

De balans van agentschap Defensie Telematica Organisatie (DTO) per 31 december 2000

OmschrijvingBalans 31-dec-00Balans 01-jan-00
 NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000
ACTIVA    
Immateriële activa14 0456 37313 3036 037
Materiële activa    
– grond en gebouwen36 38016 50937 35616 951
– installaties en inventarissen5 8932 6745 8152 639
– overige materiële vaste activa152 40269 157157 85671 632
Voorraden34 27215 55224 84411 274
Debiteuren82 05037 23395 98143 554
Overlopende activa20 0379 09226 24911 911
Liquide middelen28 33412 85797 10444 064
Totaal activa373 413169 447458 508208 062
     
PASSIVA    
Agentschapsvermogen    
– Agentschapskapitaal21 2259 63121 2259 631
– Bestemmingsreserves0000
– verplichte reserves0000
– saldo exploitatie boekjaar– 7 770– 3 52600
Subtotaal Agentschapsvermogen13 4556 10621 2259 631
     
Aflossings- en rentedragend vermogen208 95994 821214 33097 259
Voorzieningen27 71212 57538 24217 353
Kort vreemd vermogen    
– Verplichting aan moederdepartement0033 94515 404
– Crediteuren44 59020 23467 54030 648
– Overlopende passiva78 69735 71183 22637 766
Totaal passiva373 413169 447458 508208 062

1 Balansstanden 1999 ná de vermogensconversie

IV. TOELICHTING OP DE BALANS

Toelichting op de balans DTO 2000

IMMATERIELE ACTIVA (bedragen x f 1 000,–)Licenties
Aanschafwaarde t/m 1 januari 200025 624
Investeringen 20006 363
Desinvesteringen 2000– 94
Aanschafwaarde t/m 31 december 200031 893
  
Afschrijvingen t/m 1 januari 200012 321
Afschrijvingen 20005 527
Afschrijvingen t/m 31 december 200017 848
  
Boekwaarde per 31 december 200014 045
MATERIËLE ACTIVA (bedragen x f 1 000,–)Gebouwen en terreinenMachines en installatiesComp.-, netwerk./infraOverige bedrijfsmidd.Totaal mat. vaste activa
Aanschafwaarde t/m 1 januari 200053 00321 148237 7928 141320 084
Investeringen 20001 1452 22716 1241 76521 261
Desinvesteringen 2000000191191
Aanschafwaarde t/m 31 december 200054 14823 375253 91610 097341 536
      
Afschrijvingen t/m 1 januari 200015 64715 33383 3194 758119 057
Afschrijvingen 20002 1212 14922 3751 15927 804
Afschrijvingen t/m 31 december 200017 76817 482105 6945 917146 861
Boekwaarde per 31 december 200036 3805 893148 2224 180194 675

Vaste activa

De afschrijvingen op de vaste activa worden berekend op basis van de aanschafwaarde. Voor de afschrijvingspercentages zie onder «Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling».

Voorraden

De balanspost Voorraden bestaat per 31 december 2000 uit magazijnvoorraden (f 2,2 miljoen) en Onderhanden Werk van f 32,0 miljoen (1999: f 23,2 miljoen).

Debiteuren

De afname (ten opzichte van 1999) is het gevolg van de lagere omzet in 2000, hetgeen op zich weer een direct gevolg is van het millenniumwerk dat cumuleerde in 1999. Hoewel de stand van f 81,9 miljoen gelijk is aan ongeveer twee maanden omzet en in die zin niet uitzonderlijk hoog is, dient er op gewezen te worden dat deze stand eerst in december werd bereikt. De overige maanden is er sprake van een (aanzienlijk) hogere debiteurenpositie.

Liquide middelen

Deze post betreft met name de rekening-courant bij het ministerie van Financiën. Een belangrijke oorzaak voor de lagere stand per ultimo 2000 is gelegen in de «afroming» van de liquide middelen samenhangend met de beperking van het Eigen Vermogen (zie ook hieronder) en de toename van het werkkapitaal (met name door een daling van crediteuren en overlopende passiva). Ook het negatieve resultaat heeft een verlagend effect gehad op de hoogte van de liquide middelen (ruim f 12 miljoen).

Agentschapsvermogen/Aflossings- en rentedragend vermogen

Het agentschapsvermogen is weergegeven overeenkomstig de Handleiding Agentschappen.

In de Miljoenennota 2000 is de wijziging van de financiering van agentschappen beschreven. Deze wijziging is vastgelegd in de regeling «Vermogensvoorschriften Agentschappen 2000». De financiering van DTO is gewijzigd op basis van de vastgestelde jaarrekening 1999.

DTO heeft per 1 januari 2000 alsnog de boekwaarde (per 31 december 1999) van de vaste activa afgerekend met het ministerie van Defensie. Voor dit doel heeft DTO een vermogensconversielening afgesloten bij het ministerie van Financiën. Het aflossingsschema is gebaseerd op de afschrijvingen van betreffende vaste activa. In het Balansoverzicht maken deze lening en afschrijving deel uit van de post Aflossings- en rentedragend vermogen.

Overzicht vermogensontwikkeling 1998–2000

  199819992000 begroot12000 realisatie
  NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000
Eigen vermogen per 1/1a264 773120 149268 937122 03821 2259 63121 2259 631
– saldo van baten en lastenb4 1641 8905632554 8112 183– 7 770– 3 526
– directe mutaties in het EV         
– uitkering aan moederdepart.c00000000
– exploitatiebijdrage door moederdepartementd00000000
– overige mutatiese00000000
Eigen vermogen per 31/12a+b+c +d+e268 937122 038269 500122 29426 03611 81513  4556 106

1 Standen 2000 ná vermogensconversie

Eigen en vreemd vermogen (op lange termijn)

(bedragen x f 1000,–)Balans 31-dec-00Balans1 01-jan-00
Eigen Vermogen  
– Agentschapskapitaal21 22521 225
– winst lopend boekjaar– 7 770n.v.t.
Totaal Eigen Vermogen13 45521 225
   
Vreemd Vermogen (lange termijn)  
– Vermogensconversielening183 959214 330
– Investeringslening25 0000
Totaal Vreemd Vermogen (lange termijn)208 959214 330
   
Schuld aan moederdepartement (Saldo Eigen en Vreemd Vermogen versus EV (1999 oud)033 945
   
Totaal Eigen en Vreemd vermogen (lange termijn)222 414269 500

1 Balansstanden 2000 ná de vermogensconversie

Saldo exploitatie boekjaar

Het Saldo exploitatie boekjaar is verantwoord onder de post Agentschapsvermogen.

Voorzieningen

(bedragen x f 1000,–)Balans 01-01-00Onttrekking 2000Vrijval 2000Dotaties 2000Balans 31-12-2000
Voorziening:     
– Millennium-kosten DTO-objecten1 000– 45– 95500
– Millennium-garantie-certificaten4 100– 5– 4 09500
– Garantie-aanspraken8 9000008 900
– Assurantie-fonds eigen risico4 742001 2005 942
– Reorganisatie3 000– 373– 2 6272 5002 500
– DO-IT12 000– 8 120– 3 8804 0004 000
– Huisvesting2000– 1 270– 73000
– Sociaal Plan Berdis1 500– 275– 1 225750750
– Euro1 000– 793– 2071 1201 120
– Ontwikkelstraten0004 5004 500
Totaal der voorzieningen38 242– 10 881– 13 71914 07027 712

Langlopende voorzieningen zijn gevormd in het kader van de garantie-aanspraken en assurantie eigen risico en herstructurering. De herstructureringsvoorziening heeft betrekking op de invulling van de verdere integratie van de DTO-organisatie, waarvan de verdere implementatie van een integraal bedrijfsinformatiesysteem deel uitmaakt. De voorziening millennium DTO is ter dekking van de kosten die gemaakt moesten worden om de computersystemen jaar2000-bestendig te maken. Als gevolg van de uitloop van bepaalde werkzaamheden in het kader hiervan (zgn. naijleffect) resteerde voor het jaar 2000 een voorziening van f 1 miljoen. De voorzieningen DO-IT, Huisvesting en Sociaal Plan Berdis waren bedoeld voor de kosten van in 2000/2001 door te voeren nieuwe integraties. Verder is een voorziening gevormd ter dekking van kosten voortvloeiend uit het aanpassen van de systemen in verband met de overgang op de Euro. Tenslotte is een nieuwe voorziening gevormd voor reorganisatie van ontwikkelstraten. Ontwikkelstraten worden gebruikt voor de bouw en het beheer van informatiesystemen. Zie ook onder «Buitengewone baten» (vrijval voorzieningen) en onder «Buitengewone lasten» (dotaties aan voorzieningen).

Verplichtingen moederdepartement

Agentschappen is het toegestaan vanaf 2000 een exploitatiereserve te hebben van maximaal 5% van de gemiddelde omzet, berekend over de drie afgelopen jaren. Bij DTO is dit laatste voor 2000 overigens gesteld op basis van de twee afgelopen jaren, immers DTO opereert pas vanaf 1998 als agentschap. Het saldo dat resteerde nadat het totale Eigen Vermogen ultimo 1999 vóór vermogensconversie is verminderd met het gemaximaliseerde, per 2000 geldende, Agentschapskapitaal en met de waarde van het vreemd vermogen op lange termijn per 1 januari 2000 is in 2000 overgemaakt aan het moederdepartement (f 33,9 miljoen).

Crediteuren

De stand Crediteuren is afgenomen vergeleken met 1999.

Overlopende Passiva

Het grootste deel van de overlopende passiva bestaat uit Nog te betalen salarissen, Nog te betalen kosten (onderhoud HW/SW) en de zogenaamde Termijnfacturering. Er is geen grote mutatie ten opzichte van de stand eind 1999.

Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (DGW&T)

De Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen is een agentschap van het ministerie van Defensie.

Het agentschap DGW&T behartigt alle vastgoedbelangen en -verplichtingen ten behoeve van de beleidsterreinen en levert daarvoor een compleet en samenhangend producten- en dienstenpakket dat bestaat uit:

A. Vastgoedbeheer

* Algemeen en technisch beheer

* Groot onderhoud

* Klein onderhoud

* Kleine aanpassingen (commandantenvoorzieningen)

* Storingsdienst

* Milieu-advies

B. Ingenieursdiensten

* Onderzoek & Advies

* Nieuwbouw

– voorbereiding en begeleiding van de uitvoering

* Bodemsanering

– begeleiding vooronderzoeken voor het bodemsaneringsprogramma

– voorbereiding en begeleiding van de uitvoering

* Geluidsisolatie

– begeleiding van de uitbesteding

C. Beleidsvoorbereiding Specialistisch Onderzoek & Advies

* Beleidsvoorbereiding

* Specialistisch onderzoek & advies

* Belangenbehartiging

* Advies aan departements- en politieke leiding

D. Out of Area optreden

* Ondersteuning

* Toezicht houden

Het agentschap DGW&T bestaat uit zes regionale directies in Nederland en één directie in Duitsland. Hierboven staat de Centrale Directie DGW&T.

De door het agentschap DGW&T opgestelde bedrijfsmissie luidt dan ook:

«Wij willen als vastgoedbeheerder voor Defensie de deskundige adviseur en intermediair zijn die de ruimtelijke belangen van de klanten zeker stelt en hun onroerend goed effectief en op maatschappelijk verantwoorde wijze inricht en beheert. Wij willen de klanten altijd en overal bijstaan in hun zorg voor de beschikbaarheid en bruikbaarheid van het vastgoed. Wij doen dit op een wijze die voor de Defensie-organisatie als geheel zo efficiënt mogelijk is en aan de klanten een zo hoog mogelijke kwaliteit biedt»

I. GRONDSLAGEN VOOR WAARDERING EN RESULTAATSBEPALING

Grondslagen voor de waardering

De activa en passiva zijn, voorzover niet anders vermeld, gewaardeerd tegen nominale waarde inclusief BTW. Hieronder wordt nadere toelichting gegeven op de algemene waarderingsgrondslagen.

Immateriële vaste activa

Immateriële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs.

Materiële vaste activa

Materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs verminderd met afschrijvingen. Afschrijvingen worden berekend volgens de lineaire methode op basis van verwachte levensduur, waarbij rekening gehouden wordt met eventuele restwaarde. De activeringsgrens bedraagt f 1000,– inclusief BTW.

Voorraden

Het karakter van de dienstverlening van de DGW&T is zodanig dat geen voorraden worden aangehouden, anders dan onderhanden werk. Het onderhanden werk wordt gewaardeerd op basis van directe uren maal kostprijs, vermeerderd met uitbestedingskosten of lagere opbrengstwaarde. De kostprijzen per uur zijn gebaseerd op directe salariskosten, uitgaande van de normale bezetting op jaarbasis.

Debiteuren

De waardering van de post «debiteuren» vindt plaats tegen nominale waarde, rekening houdend met vermoedelijke oninbaarheid van een gedeelte hiervan.

Overige activa en passiva

De waardering van de overige activa en passiva vindt plaats op basis van nominale waarde.

Voorzieningen

De voorzieningen zijn gevormd voor specifieke verplichtingen en risico's die uitgaan boven het algemene risico dat aan het ondernemerschap als agentschap is verbonden of ter egalisatie van kosten.

Grondslagen voor de bepaling van het resultaat

Algemeen

De DGW&T hanteert voor haar resultaatsbepaling de methode van variabele kostencalculatie.

Opbrengsten

De diensten in het Vastgoedbeheer worden gefactureerd op basis van aan het begin van het jaar vooraf overeengekomen vaste maandtermijnen.

De grondslag voor de diensten in het kader van Algemeen en Technisch Beheer wordt gevormd door de waarde van het vastgoed van de beleidsterreinen. Het honorarium dat de DGW&T voor de genoemde diensten ontvangt, is hiervan een overeengekomen promillage.

De grondslag voor de opbrengst van de diensten Klein Onderhoud, Groot Onderhoud en Commandantenvoorzieningen wordt gevormd door het financieel volume van de in het verslagjaar aan de beleidsterreinen aangeboden gecertificeerde programmafacturen. Het honorarium voor DGW&T is hiervan een bepaald overeengekomen percentage.

De Storingsdienst wordt verrekend op basis van het aantal uren vermenigvuldigd met een vast tarief.

De dienst Milieuadvies wordt gefactureerd op basis van een overeengekomen percentage van geraamde projectkosten.

De omzet uit Ingenieursdiensten wordt genomen na verkregen goedkeuring voor geleverde diensten van de betreffende krijgsmachtdelen. Zolang een fase niet is afgerond, vormt deze een onderdeel van de post onderhanden werk. Met de Koninklijke Luchtmacht is een nieuwbouwprogramma overeengekomen dat in 12 maandelijkse termijnen wordt gefactureerd met een eindafrekening na verloop van het jaar. De hieruit voortvloeiende omzet wordt genomen bij gunning en bij oplevering van het werk.

De diensten samenhangend met Beleidsvoorbereiding, Specialistisch Onderzoek en Advies worden uitgevoerd op basis van een regiecontract, doorgaans met een maximale richtprijs.

In het kader van de dienst Out of Area optreden levert de DGW&T ondersteuning en toezicht bij het optreden van de krijgsmacht in met name voormalig Joegoslavië. Facturatie vindt plaats op basis van het product van het bestede aantal uren en het overeengekomen tarief.

Directe kosten

De directe kosten bestaan uitsluitend uit met de gefactureerde omzet samenhangende productieve uren, vermenigvuldigd met het kostprijstarief en vermeerderd met de kosten samenhangend met de uitbesteding van werkzaamheden; deze vormen tezamen de variabele kosten. Het kostprijstarief is gebaseerd op de directe salariskosten en een normale uurbezetting op jaarbasis.

Indirecte kosten

Alle overige kosten worden gerekend tot de indirecte kosten.

Afschrijvingsmethode en -termijnen

De DGW&T past in haar administratie de lineaire afschrijvingsmethode tot een restwaarde toe.

Agentschap Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (DGW&T)

Baten-lastenoverzicht 2000: confrontatie oorspronkelijke begroting met de realisatie

 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
 NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000
Baten      
Opbrengst moederdepartement150 50068 293172 70278 36922 20210 076
Opbrengst overige departementen2009132114612155
Opbrengst derden9004081 881854981446
Netto-omzet151 60068 792174 90479 36923 30410 577
Mutatie onderhanden werk00– 231– 105– 231– 105
Som der bedrijfsopbrengsten151 60068 792174 67379 26423 07310 472
Rentebaten001838318383
Bijzondere baten2 1009533 3001 4971 200544
Buitengewone baten0043204320
Exploitatie-bijdrage000000
Totaal baten153 70069 745178 19980 86424 49911 119
       
Lasten      
Apparaatskosten      
• Personele kosten123 70056 133144 90265 75421 2029 621
• Materiële kosten20 2009 16621 0589 556858390
Rentelasten2 2009982 6221 190422192
Afschrijvingskosten      
• Materieel5 9002 6775 6442 561– 256– 116
• Immaterieel000000
Dotaties voorzieningen1 6007264 1691 8922 5691 166
Bijzondere lasten003 6941 6763 6941 676
Buitengewone lasten100459644– 4– 1
Totaal lasten153 70069 745182 18582 67328 48512 928
       
Saldo van baten en lasten00– 3 986– 1 809– 3 986– 1 809

II. TOELICHTING OP DE REKENING VAN BATEN EN LASTEN

ALGEMEEN

In 2000 zijn door het agentschap DGW&T producten en diensten verleend op het gebied van vastgoedbeheer, ingenieursdiensten, beleidsvoorbereiding en specialistische onderzoeken en adviezen (BSOA) en out of area optreden. De afwijkingen tussen de in de begroting geraamde en de gerealiseerde omzet 2000 worden in deze toelichting op de rekening van baten en lasten verklaard. Het resultaat over 2000 is f 4 miljoen lager dan begroot. De belangrijkste oorzaak daarvan is dat de DGW&T ten laste van 2000 aan de bestaande voorziening wachtgelduitkeringen heeft gedoteerd. Deze dotatie was noodzakelijk in verband met de ingeschatte wachtgeldlasten uit hoofde van de reorganisatie zoals die gedurende de komende periode zullen ontstaan.

KENGETALLEN

In de begroting 2000 van het agentschap DGW&T zijn, in lijn met het statuut DGW&T, drie kengetallen opgenomen die niet direct gerelateerd kunnen worden aan de begroting van baten en lasten. In onderstaand schema zijn de ramings- en realisatiegegevens opgenomen.

 Begroting 2000Realisatie 2000Realisatie 1999
Productiviteit x f 1000,– (som der bedrijfsopbrengsten/directe medewerker)151174163
Flexibiliteit (incl. uitbestedingsequivalent)19%23%25%
Verhouding indirect/totaal26%27%27%

Productiviteit

Het kengetal voor de productiviteit is het quotiënt van de som der bedrijfsopbrengsten en het aantal directe medewerkers uitgedrukt in vte'n.

De som der bedrijfsopbrengsten bestaat uit de gefactureerde omzet, vermeerderd met de mutatie van het onderhanden werk per ultimo 2000. Het aantal directe medewerkers wordt gevormd door het aantal vaste directe medewerkers, inhuurkrachten, tijdelijke medewerkers en het zogenaamde uitbestedingsequivalent. De berekening is gebaseerd op de som der bedrijfsopbrengsten (f 174,673 miljoen) over het verslagjaar 2000, en het aantal directe medewerkers uitgedrukt in vte'n (1004), gemiddeld over 2000.

Het kengetal laat een stijgende productiviteit zien die ten dele het gevolg is van geïndexeerde en gestegen tarieven in 2000 ten opzichte van het moment waarop de begroting 2000 is samengesteld. Dat effect op de productiviteit bedraagt ongeveer f 0,008 miljoen Daarnaast is de productiviteit autonoom gestegen door een nog verdere effectieve inzet van direct personeel. Ten opzichte van de realisatie 1999 is sprake van een productiviteitsstijging van ongeveer 3%.

Flexibiliteit

Het kengetal van de flexibiliteit is gedefinieerd als het quotiënt van het aantal inhuurkrachten, uitzendkrachten, tijdelijke contractanten, het uitbestedingsequivalent en het totaal aantal directe medewerkers. De hogere flexibiliteit dan begroot heeft met name te maken met de gestegen omzet, waardoor het aantrekken van extra capaciteit noodzakelijk bleek. Die capaciteit wordt met name op flexibele basis aangetrokken.

Verhouding indirect/totaal personeel

Dit kengetal geeft de verhouding weer van het aantal indirecte medewerkers ten opzichte van het totaal personeel, beide uitgedrukt in vte'n, gemiddeld over 2000. Het percentage indirect/totaal is over 2000 in lijn met de realisatie over 1999 en licht hoger dan de in de begroting 2000 werd voorzien.

BATEN

Opbrengsten moederdepartement

Tijdens het opstellen van de begroting is als uitgangspunt verwerkt dat als gevolg van de neerwaartse beweging van de infrastructuurbudgetten van de krijgsmacht de opbrengst zou dalen. Dat uitgangspunt is nog steeds juist, alleen zal het tempo waarmee de daling zich voltrekt, lager liggen dan ten tijde van het opstellen van de begroting 2000 ingeschat. Voorts is in de tarieven rekening gehouden met de rentekosten uit hoofde van de bij de vermogensconversie ontstane lening (zie ook bijzondere baten).

Als gevolg van deze effecten is de opbrengst 2000 hoger geworden dan verwacht.

De opbrengst uit Out of Area optreden bedraagt ongeveer 3,130 miljoen (1999 f 1,7 miljoen). DGW&T levert hiermee binnen haar vermogen een materiële bijdrage aan vredesoperaties.

De verdeling van de opbrengst moederdepartement ( 172,7 miljoen) naar beleidsterrein cq belangrijkste productcategorieën is als volgt:

(in procenten)VastgoeddienstenIngenieursdienstenOverige dienst-verleningOut of Area optredenTotaal
 Real.Begr.Real.Begr.Real.Begr.Real.Begr.Real.Begr.
Koninklijke Marine885500001313
Koninklijke Landmacht3232151501204948
Koninklijke Luchtmacht19197800002627
Koninklijke Marechaussee2111000032
Dico2 1 000030
Overige klanten24222400610
Totaal656431312520100100

Opbrengsten derden

De DGW&T vraagt aan aannemers een vergoeding voor geleverde bestekken. Dat heeft in 2000 geresulteerd in een omzet van f 0,762 miljoen (1999 f 0,899 miljoen). Daarnaast is voor een bedrag van f 1,119 miljoen werk verricht voor derden zoals de Centrale Opvang Asielzoekers (COA) en werkzaamheden in Budel, gefactureerd aan de Duitse overheid.

Mutatie onderhanden werk

In de begroting werd deze post als nihil verondersteld. Het onderhanden werk omvat het nog niet gefactureerde deel van de op projecten geboekte kosten. Het onderhanden werk wordt gewaardeerd tegen directe kosten.

Rentebaten

De rentebaten bedragen f 0,183 miljoen. Het betreft de van het ministerie van Financiën ontvangen rente op de rekening-courant.

Bijzondere baten

De bijzondere baten bedragen f 3,3 miljoen. Deze bevatten de opbrengsten, voortvloeiend uit de normale bedrijfsuitoefening uit voorgaande boekjaren, voortkomend uit de eindafrekening van vastgoeddiensten. Deze zijn, na afsluiting van het voorgaande boekjaar, in overleg met de beleidsterreinen vastgesteld. Hierop is tevens de rentecompensatie (ad f 0,6 miljoen) welke van het ministerie van Financiën is ontvangen, begroot en verantwoord. Deze compensatie is ontvangen omdat het rentepercentage van de vermogensconversielening is verhoogd van 4 % (waarmee in de tarieven en de omzet rekening was gehouden) naar 5%. De oorspronkelijke raming van f 2,1 miljoen betrof de volledige rentecompensatie. Die is inmiddels in de tarieven opgenomen (zie opbrengst moederdepartement).

Buitengewone baten

De buitengewone baten in 2000 ad f 0,043 miljoen bestaan uit WAO-ontvangsten uit voorgaande jaren.

LASTEN

Personeel

De realisatie van de bezetting in 2000 ten opzichte van geraamd luidt als volgt:

 Begroting 2000 (vte'n)Realisatie per 31-12-2000 (vte'n)
Bezetting militair personeel7047
   
Bezetting Burgerpersoneel1 007985
   
Overige categorieën  
– Tijdelijk contract.*212255
– Herplaatsers/personeel BDOS30
   
Totaal1 2921 287
   
Gem. kosten per vte (x f 1 000,–)  
   
– Ambtenaren8992
– Inhuurkrachten128155

* tijdelijke ambtenaren, inhuurkrachten en uitzendkrachten

De personele lasten bedroegen in 2000 f 144,9 miljoen. Deze bestonden uit f 134,3 miljoen aan «vast, tijdelijk en ingehuurd personeel» en voor f 10,6 miljoen uit de component uitbesteding; het betreft hier uitbesteed werk.

Ten opzichte van de begroting 2000 is er een toename geweest van de kosten voor «vast, tijdelijk en ingehuurd personeel» van circa f 16,7 miljoen en van de kosten voor uitbesteding van circa f 4,5 miljoen De stijging in de uitbestedingskosten en «vast, tijdelijk en ingehuurd personeel» is een gevolg van de toename van de werklast en van het verloop van het vaste personeel.

Materieel

De materiële lasten bedroegen in 2000 f 21,1 miljoen en omvatten alle lopende exploitatielasten van de DGW&T. Enkele hoofdcomponenten daarin zijn huisvesting (f 5,0 miljoen), transport (f 1,7 miljoen) en automatisering (f 4,9 miljoen). De stijging ten opzichte van de begroting bedraagt f 0,9 miljoen en wordt vrijwel volledig veroorzaakt door de niet voorziene bijdrage die de DGW&T heeft geleverd aan de ontwikkelingskosten van LAN2000.

Rentelasten

De rentelasten bedroegen voor 2000 f 2,622 miljoen waarvan f 2,585 miljoen uit de conversielening. De overige rentelasten ten bedrage van f 0,037 miljoen zijn veroorzaakt doordat de DGW&T tijdelijk «rood» stond op de rekening-courant.

Afschrijvingen

Ten opzichte van de begroting hebben zich in de afschrijvingskosten geen materiële wijzigingen voorgedaan.

De afschrijvingen bedragen totaal f 5,644 miljoen en zijn als volgt te specificeren:

Bedragen x f 1 000,–

 20001999
Grond & Gebouwen 930 912
* Automatiseringsmiddelen3 021 3 532 
* Transportmiddelen1 166 876 
Inventaris & Installaties 4 187 4 408
     
Overige bedrijfsmiddelen 527 586
Totaal van de afschrijvingen 5 644 5 906

Dotaties aan voorzieningen

De post dotaties aan voorzieningen kan als volgt worden gespecificeerd:

(bedragen x f 1000,–)

 2000
Netto dotatie dubieuze debiteuren22
Dotatie voorzieningen4 504
Af: Vrijval voorzieningen357
TOTAAL4 169

Voor de verdere specificatie wordt verwezen naar de toelichting bij de balans.

Bijzondere lasten

Dit zijn lasten die voortvloeien uit normale bedrijfsuitoefening uit voorgaande boekjaren. Onder deze post zijn voornamelijk verantwoord de door de DGW&T met de beleidsterreinen verrekende bedragen. Dit zijn hoofdzakelijk correcties op honoraria van in 1999 geleverde diensten.

Buitengewone lasten

Onder de post buitengewone lasten zijn de kosten verantwoord die niet voortvloeien uit de normale bedrijfsuitoefening van de DGW&T.

Bestemming saldo van baten en lasten

Het saldo van baten en lasten zal overeenkomstig de besluitvorming in de bestuursraad van het agentschap DGW&T ten laste van het agentschapsvermogen worden gebracht.

Opbouw van het kasstroomoverzicht voor het agentschap Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (bedragen x f 1 000 000,–)

  (1)(2)(3) = (2) – (1)
 OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
  NLGEURNLGEURNLGEUR
 Liquide middelen 1 januari7,93,65,22,4– 2,7– 1,2
        
1.Kasstroom uit operationele activiteiten5,92,73,41,6– 2,5– 1,1
 Totaal Investeringen– 5,2– 2,4– 6,3– 2,9– 1,1– 0,5
 Totaal boekwaarde desinvesteringen0,50,24,72,14,21,9
        
2Kasstroom uit investeringsactiviteiten– 4,7– 2,2– 1,6– 0,83,11,4
 Eénmalige uitkering aan moederdepartement– 56,4– 25,6– 54,8– 24,91,60,7
 Eénmalige storting door moederdepartement0,00,00,00,00,00,0
 Aflossing op leningen– 5,9– 2,7– 10,2– 4,6– 4,3– 1,9
 Beroep op leenfaciliteit61,628,064,929,53,31,5
        
3Netto kasstroom uit financieringsactiviteiten– 0,7– 0,3– 0,10,00,60,3
        
 Liquide middelen 31 december8,43,86,93,1– 1,5– 0,6

III. TOELICHTING OP HET KASSTROOMOVERZICHT

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom is lager dan bij de begroting werd verwacht. De belangrijkste oorzaak daarvan is het lager dan verwachte bedrijfsresultaat. Dat is toegelicht bij de staat van baten en lasten. Daarnaast heeft de dotatie aan de voorziening wachtgelduitkeringen een belangrijke positieve rol gespeeld. Tenslotte is de operationele kasstroom negatief beïnvloed door het gestegen werkkapitaal. De debiteurenstand per ultimo 2000 was relatief hoog te noemen en heeft de stijging van het werkkapitaal met name beïnvloed.

Kasstroom uit investeringsactiviteiten

De kasstroom uit investeringsactiviteiten is met name beïnvloed door een lager investeringsvolume èn door de overdracht van het pand «de Jagersborg» in Roermond aan de Koninklijke Landmacht. De overdracht van dat pand betekent voor de DGW&T een desinvestering ten bedrage van de boekwaarde op het moment van overdracht. Die desinvestering is hier verantwoord.

Kasstroom uit financieringsactiviteiten

Een belangrijke mutatie ten opzichte van de begroting is de post «aflossingen». Daaronder is verantwoord de aflossing van de resterende lening op het pand «de Jagersborg». Het bedrag van de aflossing is gelijk aan de boekwaarde op het moment van de overdracht (de desinvestering; zie boven).

Een andere mutatie in de kasstroom uit financieringsactiviteiten is het hogere beroep op de leenfaciliteit. Hiervan is f 3,6 miljoen in depot gestort ten behoeve van de aankoop van een bouwterrein.

De balans van agentschap Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (DGWT) per 31 december 2000

OmschrijvingBalans 31-dec-00Balans 01-jan-00
 NLG1000EUR1000NLG1000EUR1000
ACTIVA        
Immateriële vaste activa 0 0 0 0
         
Materiële vaste activa        
* Grond en gebouwen36 447 16 538 41 501 18 833 
* Automatiseringsmiddelen5 897 2 676 7 295 3 310 
* Transportmiddelen6 663 3 024 4 289 1 946 
* Overige1 804 819 1 712 777 
  50 811 23 057 54 797 24 866
         
Vlottende activa        
* Onderhanden werk14 307 6 492 14 538 6 597 
* Debiteuren32 652 14 817 28 413 12 893 
* Overlopende activa5 194 2 357 6 756 3 066 
* Liquide middelen6 936 3 147 5 242 2 379 
  59 089 26 813 54 949 24 935
         
TOTAAL ACTIVA 109 900 49 870 109 746 49 801
         
PASSIVA        
         
Agentschapsvermogen        
* Exploitatiereserve1 415 642 1 415 642 
* Verplichte reserve0 0 0 0 
* Onverdeeld resultaat– 3 986 – 1 809 0 0 
  – 2 571 – 1 167 1 415 642
         
Aflossings- en rentedragend vermogen        
* Lening moederdepartement10 000 4 538 10 000 4 538 
* Leningen bij het ministerie van Financiën54 728 24 834 54 797 24 866 
  64 728 29 372 64 797 29 404
         
Voorzieningen 8 484 3 850 4 964 2 253
         
Kort vreemd vermogen        
* Crediteuren6 290 2 854 8 201 3 721 
* Overlopende passiva32 969 14 961 30 369 13 781 
  39 259 17 815 38 570 17 502
         
TOTAAL PASSIVA 109 900 49 870 109 746 49 801

Toelichting bij de balans

Activa

Immateriële vaste activa

Niet van toepassing voor DGW&T.

Materiële vaste activa

Materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs verminderd met afschrijvingen. Afschrijvingen worden berekend volgens de lineaire methode op basis van verwachte levensduur, waarbij rekening gehouden wordt met eventuele restwaarde. De activeringsgrens bedraagt f 1000,– inclusief BTW.

De volgende afschrijvingstermijnen worden gehanteerd:

Gebouwen 50 jaar

Houten opslagloodsen 25 jaar

Verhardingen 25 jaar

Inventaris 10 jaar

Transportmiddelen 4 à 6 jaar

Automatiseringsmiddelen 5 jaar

Overige activa 5 jaar

Op terreinen wordt niet afgeschreven.

VERLOOPSTAAT MATERIËLE VASTE ACTIVA

(bedragen x f 1000,–)Grond en gebouwenautomatiseringsmiddelenTransportmiddelen Overige mater. vaste activa Totaal
Boekwaarde 01-01-0041 5017 2954 2891 71254 797
Investeringen 200001 6264 1146376 377
Boekwaarde verkopen4 1243574184 719
Afschrijvingen 20009303 0211 1665275 644
Boekwaarde 31-12-0036 4475 8976 6631 80450 811

GROND EN GEBOUWEN

Waardering van de gebouwen en verhardingen heeft plaatsgevonden op basis van uitgevoerde taxaties door beëdigde taxateurs, waarbij de herbouwwaarde is vastgesteld. Deze – actuele – herbouwwaarde is door middel van indexering aan de hand van bouwkostenindexcijfers herleid tot waarden op basis van historische kostprijzen in het stichtingsjaar van elk van de gebouwen.

De waardering van de terreinen heeft plaatsgevonden tegen de verkoopwaarde op 1 januari 1996, gelet op het feit dat de historische uitgaafprijzen in veel gevallen niet te achterhalen zijn.

AUTOMATISERINGSMIDDELEN

De post «automatiseringsmiddelen» bestaat uit de hardware en randapparatuur van de computers welke bij de DGW&T in gebruik zijn, alsmede uit de standaard bijgeleverde (besturings) software. Activering van aangeschafte en ontwikkelde software ten behoeve van de dienstverlening van de DGW&T vindt niet plaats.

TRANSPORTMIDDELEN

De post transportmiddelen bestaat uit dienstpersonenauto's, servicewagens en terreinwagens.

OVERIGE MATERIËLE VASTE ACTIVA

De post «overige materiële vaste activa» bestaat uit de categorieën: communicatiemiddelen, inventaris en ondersteunende middelen.

Vlottende activa

ONDERHANDEN WERK

Het onderhanden werk omvat de lopende projecten binnen de productgroep Ingenieursdiensten. Het onderhanden werk wordt gewaardeerd tegen directe kosten tot een maximum van de te verwachten opbrengsten per betreffende fase. Het onderhanden werk heeft in 2000 per saldo nauwelijks wijziging ondergaan.

DEBITEUREN

De post «debiteuren» wordt gewaardeerd tegen nominale waarde, rekening houdend met vermoedelijke oninbaarheid. Voor 2000 is het bedrag van de vermoedelijke oninbaarheid vastgesteld op f 1,305 miljoen. In 2000 is f 0,022 miljoen aan deze voorziening gedoteerd.

OVERLOPENDE ACTIVA

De post overlopende activa omvat de volgende posten:

(bedragen x f 1000,–)31 december 20001 januari 2000
Vooruitbetaalde bedragen741419
Nog te ontvangen bedragen4 3626 259
Te ontvangen goederen/diensten9178
Totaal5 1946 756

Nog te ontvangen bedragen.

De post «Nog te ontvangen bedragen» bevat een bedrag van f 1,4 miljoen opbrengst uit meerwerk IVZ waarover nog overleg met de Koninklijke Landmacht plaatsvindt.

LIQUIDE MIDDELEN

De post liquide middelen omvat de volgende posten:

(bedragen x f 1000,–)31 december 20001 januari 2000
Gelden in rekening courant bij ministerie van Financiën3 5725 987
Gelden te verrekenen met departement– 252– 765
Kruisposten04
Depot3 6000
Gelden in kas1616
Totaal6 9365 242

Gelden in depot:

Het bedrag betreft een bij een notaris in depot gestorte som ten behoeve van aankoop bouwterrein te Zwolle voor een nieuwe kantoorlocatie van de toekomstige regionale directie Noord.

Passiva

Agentschapsvermogen

De post «agentschapsvermogen» geeft in totaliteit het saldo weer van de bezittingen en schulden van de DGW&T. Het agentschapsvermogen zoals dat na de vermogensconversie resteerde bedroeg per 1 januari 2000 f 1,415 miljoen. Dat bedrag staat als exploitatiereserve op de balans. De DGW&T kent geen verplichte reserves.

Overzicht vermogensontwikkeling Agentschap DGWT 1996–2000

(bedragen x f 1000,–)19961997199819992000 begroot2000 Realisatie
 NLGEURNLGEURNLGEURNLGEURNLGEURNLGEUR
Eigen vermogen per 1/148 31421 92455 51425 19153 99324 50155 21025 0531 4156421 415642
             
* saldo van baten en lasten7 2003 267– 1 521– 6901 2175521 00245500– 3 986– 1 809
* directe mutaties in het eigen vermogen            
– uitkering aan moederdepartement000000000000
– exploitatiebijdrage door moederdepartement000000000000
– overige mutaties000000000000
Eigen vermogen per 31/1255 51425 19153 99324 50155 21025 05356 21225 5081 415642– 2 571– 1 167

Toelichting:

Als gevolg van het negatieve bedrijfsresultaat over het jaar 2000 is het agentschapsvermogen gedaald tot – f 2,571 miljoen. Verwacht wordt dat binnen een tijdsbestek van twee jaar het vermogen positief zal zijn als resultaat van de reorganisatie binnen DGW&T en de verhoging van de tarieven.

Aflossings- en rentedragend vermogen

Specificatie van de balanspost «Leningen bij ministerie van Financiën»(bedragen x f 1 000,–):

1. Lening in verband met conversie van het agentschapsvermogen:  
(oorspronkelijke hoofdsom) 54 797
(looptijd 50 jaar, rente 5%)  
Aflossing6 046 
Extra aflossing4 123 
Schuldrest 44 628
   
De extra aflossing houdt verband met de overdracht van een object van de DGW&T aan de Koninklijke Landmacht per 1 april 2000.  
   
2. Opgenomen lening i.v.m. investeringen 2000 = oorspronkelijke hoofdsom = schuldrest 10 100
(looptijd varieert van 5 tot 50 jaar)  
(rente 5,5% voor langlopend, resp. 5,27% en 5,46% voor overige looptijden).  
Totaal 54 728

Voorzieningen

Deze post bestaat uit de volgende voorzieningen:

(bedragen x f 1000,–)Stand 01-01-2000Dotatie 2000Onttrekking 2000Vrijval 2000Stand 31-12-2000
Groot onderhoud1 314154271357840
Garantieverplichtingen7502503560644
Contractrisico's500000500
Millennium problematiek00000
Wachtgelduitkeringen2 0004 000006 000
Assurantie eigen risico40010000500
Totaal4 9644 5046273578 484

VOORZIENING «GROOT ONDERHOUD»

Deze voorzieningen worden gevormd ter egalisatie van kosten voor het planmatig onderhoud aan gebouwen in economisch eigendom. De jaarlijkse mutaties zijn gebaseerd op een onderhoudsplan.

VOORZIENING «GARANTIEVERPLICHTINGEN»

De voorziening «Garantieverplichtingen» betreft een voorziening ter dekking van aansprakelijkheidsrisico's met inbegrip van beroepsaansprakelijkheid. Krachtens de RVOI is de DGW&T in bepaalde gevallen aansprakelijk te stellen tot de hoogte van het honorarium.

VOORZIENING «CONTRACTRISICO'S»

De voorziening «contractrisico's» wordt opgenomen ter dekking van risico's die de DGW&T loopt in situaties waarbij de DGW&T contracten afsluit ten behoeve van derden. Voor dergelijke risico's heeft de DGW&T geen verzekering afgesloten.

Dotaties aan de voorziening vonden in voorgaande jaren plaats op basis van een bepaald percentage van de omzet. Gelet op het feit dat tot nu toe niet sprake was van enige onttrekkingen, wordt de omvang van deze voorziening per 31 december 2000 toereikend geacht.

VOORZIENING «WACHTGELDUITKERINGEN»

De voorziening voor wachtgelduitkeringen dient ter dekking van de verplichtingen voortvloeiend uit wachtgeldaanspraken van voormalige medewerkers.(Buitengewone) lasten, zoals kosten wachtgeld, VUT en herplaatsers, die zijn ontstaan vanaf 1998 en voortvloeien uit maatregelen genomen na de totstandkoming van het agentschap, komen voor rekening van de DGW&T. De dotatie in 2000 is noodzakelijk om de verwachte wachtgelduitkeringen als gevolg van de huidige reorganisatie te kunnen financieren.

VOORZIENING «ASSURANTIE EIGEN RISICO»

De voorziening «Assurantie eigen risico» wordt opgenomen ter dekking van risico's die de DGW&T loopt in situaties waarbij de DGW&T geen verzekering heeft afgesloten, zoals de opstallen. Dotaties aan de voorziening vinden binnen de DGW&T centraal plaats op basis van de geschatte premies.

Kort vreemd vermogen

OVERLOPENDE PASSIVA

De post «overlopende passiva» omvat de volgende posten:

(bedragen x f 1000,–)31 december 20001 januari 2000
– met betrekking tot huidig boekjaar te betalen bedragen15 77912 560
– te betalen vakantiegelden4 0634 099
– te betalen gelden in het kader van interim uitkering ziektekosten1 2001 200
– te betalen bindingspremies2727
– diverse betalingen onderweg01
– vooruit ontvangen bedragen104124
– overlopende termijnen*11 96312 752
– verschillenrekening**– 167– 394
TOTAAL32 96930 369

* Het saldo van de rekeningen «termijnen ingenieursdiensten» en «gerealiseerde omzet termijnen ingenieursdiensten» is gelijk aan het bedrag dat door de DGW&T aan de krijgsmachtdelen als voorschot op de omzet uit ingenieursdiensten is gefactureerd en waarover nog geen opleveringsverklaring cq. eindafrekening van de zijde van de krijgsmachtdelen is ontvangen.

** Het bedrag bestaat voornamelijk uit vorderingen uit hoofde van ten onrechte doorbelaste kosten.

SALDIBALANS PER 31 DECEMBER 2000

De saldibalans van het ministerie van Defensie per 31 december 2000:

 NLG1000EUR1000
DEBET  
1. Uitgaven ten laste van de begroting14 830 6946 729 876
3. Liquide middelen83 65437 961
4. Rekening-courant RHB00
5. Uitgaven buiten begrotingsverband118 52053 782
7. Openstaande rechten00
8. Extra-comptabele vorderingen277 584125 962
9. a. Tegenrekening extra-comptabele schulden00
10. Voorschotten4 476 7142 031 444
11.a. Tegenrekening garantieverplichtingen00
12.a. Tegenrekening openstaande verplichtingen6 845 0603 106 153
13. Deelnemingen13 3336 050
Totaal debet26 645 55912 091 228
CREDIT  
2. NOntvangsten ten gunste van de begroting870 936395 214
4.a. Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding13 918 3256 315 861
6. Ontvangsten buiten begrotingsverband243 607110 544
7.a. Tegenrekening openstaande rechten00
8.a. Tegenrekening extra-comptabele vordering277 584125 962
9. Extra-comptabele schulden00
10.a. Tegenrekening voorschotten4 476 7142 031 444
11. Garantieverplichtingen00
12. Openstaande verplichtingen6 845 0603 106 153
13.a. Tegenrekening deelnemingen13 3336 050
Totaal credit26 645 55912 091 228

Toelichting behorende bij de saldibalans van het ministerie van Defensie per 31 december 2000 (alle bedragen x 1000 tenzij anders vermeld).

ad 3. Liquide middelen.

Het saldo op de saldibalans bedraagt f 83 654 (EUR 37 961) en bestaat uit de volgende saldi:

Kasbeheerdersf 77 383
Concernrekeningenf 49
Valutarekeningenf 6 222
Totaalf 83 654

De verdeling is als volgt:

Kasf 30 064
Bankf 53 590
Totaalf 83 654

ad 5. Uitgaven buiten begrotingsverband (Derdenrekeningen vordering).

Het saldo op de saldibalans bedraagt f 118 520 (EUR 53 782).

Als criterium voor de toelichting naar grootte van vorderingen geldt een grensbedrag van > f 5,0 miljoen.

Hieronder volgt, voor zover van toepassing, per beleidsterrein een specificatie.

Beleidsterrein Koninklijke Landmacht

Een bedrag van f 24,0 miljoen betreft een vordering op BSB Schinnen/254th inzake verrekening van salarissen. De ontvangst van dit bedrag wordt in het eerste kwartaal van 2001 verwacht.

Een bedrag van f 40,9 miljoen betreft drie vorderingen op POMS (inzake verrekening salarissen en exploitatiekosten). Bij de Amerikanen is achterstand ontstaan in instemming en afdoening van afrekeningen over de periode augustus t/m november 2000. Een ontvangst van f 22,5 miljoen wordt in het tweede kwartaal van 2001 verwacht, terwijl f 18,4 miljoen inmiddels in januari 2001 is ontvangen.

Een bedrag van f 5,1 miljoen te ontvangen van SHAPE betreft het Navo-projekt Mobile War Headquarters. Langdurige onenigheid met de Navo over de afrekening en beschikbaarheid van fondsen lijkt tot een einde te komen. Naar verwachting wordt het bedrag in 2001 ontvangen.

Beleidsterrein Koninklijke Luchtmacht

Een bedrag van f 9,0 miljoen betreft uitgaven voor de rechtszaak «Lockerbie». Verrekening zal in 2001 met het Ministerie van Justitie plaatsvinden.

Uitgaven buiten begrotingsverband gedaan in 1999 of eerder welke in 2000 nog niet werden terugontvangen

Beleidsterrein Algemeen

Het betreft hier een viertal vorderingen voor een totaalbedrag van f 0,05 miljoen. De redenen waarom ontvangst van deze vorderingen nog niet heeft plaatsgevonden zijn enerzijds een trage afhandeling bij diverse instanties en anderzijds het ontbreken van een externe accountantsverklaring die inmiddels in 2001 ontvangen is. De verwachting is dat in 2001 de vorderingen daadwerkelijk ontvangen zullen worden.

Beleidsterrein Koninklijke Marine

Een bedrag van f 0,1 miljoen te ontvangen van DAF Trucks BV inzake een hydraulische laadkraan. Het bedrijf is failliet, doch de KM staat op de lijst van concurrente crediteuren. De vordering is in behandeling bij DJZ. Wanneer afdoening plaatsvindt is niet bekend.

Een bedrag van f 0,3 miljoen te ontvangen van de Marine Onderofficieren Club (MOOC) te Den Helder vanwege renovatiewerkzaamheden. Jaarlijks wordt f 0,08 miljoen afgelost, waarvan de laatste termijn op 31 december 2005 vervalt.

Een vordering van f 0,4 miljoen op de Nederlandse Antillen (bureau militaire zaken Curaçao). Het betreft een bijdrage in het bouwkundig onderhoud bij het detachement Suffisant over 1996. De vordering is ingesteld in juni 1997. In 2001 wordt nadere besluitvorming verwacht.

Een vordering van f 0,3 miljoen op de Nederlandse Antillen (bureau militaire zaken Curaçao). Het betreft een bijdrage in het bouwkundig onderhoud bij het detachement Suffisant over 1997. De vordering is ingesteld in januari 1998. In 2001 wordt nadere besluitvorming verwacht.

Voorts staan van 1991 tot en met 1999 nog zevenënvijftig (57) relatief kleine vorderingen uit op de Amerikaanse marine en de Commandant Mine Counter Measure Force North (MCMFORNORTH) in het Verenigd Koninkrijk die voornamelijk betrekking hebben op kosten voor havenbezoeken, levering van brandstoffen en medische kosten. De totaalwaarde van deze vorderingen bedraagt f 0,15 miljoen.

Beleidsterrein Koninklijke Landmacht

De eerder vermelde vordering van f 5,1 miljoen op SHAPE staat al van vóór 1999 open.

Een bedrag van f 5,1 miljoen te ontvangen van BSB Schinnen/254th. Dit betreft voor f 0,5 miljoen salariskosten waarbij een diplomatiek conflict met de Amerikanen is ontstaan over het functioneren van een aantal werknemers. Daarnaast is er een achterstand in de afdoening van de verrekeningen over de maanden juli t/m december 2000. Verwacht wordt dat de achterstand medio 2001 is afgedaan.

Een bedrag van f 2,3 miljoen te ontvangen van de Belastingdienst betreffende teveel aangegeven en betaalde BTW buiten de EU. Afdoening wordt in 2001 verwacht.

Een bedrag van f 0,8 miljoen te ontvangen van de Belastingdienst betreffende teveel aangegeven en betaalde BTW buiten de EU. Dit is het restant van een vordering van f 3,1 miljoen waarvanf 2,3 miljoen reeds in 2000 is ontvangen. Afdoening van dit restant wordt in 2001 verwacht.

Een tweetal vorderingen voor een totaalbedrag van f 1,3 miljoen op POMS. Het gaat hier om verrekeningen met betrekking tot het «fiscal year 1999» die recent zijn afgestemd en waarvan ontvangst op korte termijn in 2001 verwacht wordt.

Een bedrag van f 1,2 miljoen betreft een vordering inzake geheime uitgaven op het ministerie van Algemene Zaken.

Beleidsterrein Koninklijke Luchtmacht

Een bedrag van f 0,85 miljoen betreft een vordering uit 1998 op de gemeente Eindhoven inzake grondverzet op de vliegbasis Eindhoven. De partijen verschillen van inzicht omtrent de hoogte van het bedrag. Naar verwachting zal in 2001 de ontvangst plaatsvinden.

Uitgaven buiten begrotingsverband met een negatief saldo. Hieronder volgt, voor zover van toepassing, per beleidsterrein een specificatie.

Beleidsterrein Koninklijke Landmacht

Een negatief saldo van f 0,248 miljoen betreft een in december 2000 ten onrechte teruggestorte betaling door de Duitse strijdkrachten in Budel. In het eerste kwartaal van 2001 zal terug betaald worden.

Een negatief saldo van f 0,045 miljoen betreft twee ontvangsten van de Amerikaanse overheid die nog verrekend moeten worden met de POMS organisatie.

Een negatief saldo van f 0,293 miljoen betreft de 1% vergoeding die Nederland ontvangt inzake verrichte werkzaamheden voor POMS. Dit bedrag wordt naar de middelenbegroting geboekt na de daadwerkelijke ontvangst van de vordering.

Een negatief saldo van f 0,043 miljoen betreft de ontvangst van huren van woningen in Budel. In afwachting van de uitslag van een rechtszaak is (door-)betaling van de huur opgeschort.

Een negatief saldo van f 0,015 miljoen betreft USZO gelden die ontvangen zijn voor eventuele aanpassingen van de werkplek voor reïntegrerend personeel.

ad 6. Ontvangsten buiten begrotingsverband (Derdenrekeningen schuld).

Het saldo op de saldibalans bedraagt f 243 607 (EUR 110 544).

Dit bedrag bestaat voornamelijk uit af te dragen loonheffing en sociale lasten. Een klein bedrag (> f 0,01 miljoen) staat als waarborgsom geregistreerd van schietverenigingen die gebruik maken van de schietterreinen van de Koninklijke Landmacht.

Daarnaast is in bovenstaand saldo een bedrag opgenomen van f 1456 zijnde het per 31-12-2000 beschikbare saldo voor de invulling van pseudo-waivers. Het mutatie-overzicht van deze pseudo-waivers over 2000 is als volgt:

Saldo Pseudo-waivers per 1-1-2000: f 3 307
Betalingen 2000 t.b.v. projecten:  
Aerodynamic and Acoustic Testing of Model Rotors (AATMR)f 707 
Tip Vortex Cavitation KLf 314 
Tip Vortex Cavitation Kluf 22 
Dynamisch gedrag van composiet scheepsconstructies (DYCOSS)f 809 
Totaal betalingen in 2000 f 1 852
Saldo pseudo-waivers per 31-12-2000 f 1 455

ad 7. Openstaande rechten.

Het saldo op de saldibalans bedraagt f 0 (EUR 0). Voor zover aanwezig zijn deze posten opgenomen onder het bedrag van extra-comptabele vorderingen. Er wordt hiervoor geen aparte administratie gevoerd.

ad 8. Extra comptabele vorderingen.

Het saldo op de saldibalans bedraagt f 277 584 (EUR 125 962).

Opgave van vorderingen per 31 december 2000:

Aard van de vorderingBedrag
Vorderingen op de Verenigde Natiesf 119 699
Vorderingen NSK Marinef 11 672
Vorderingen NSK Landmachtf 8 441
Vorderingen NSK Luchtmachtf 4 969
Vorderingen NSK Marechausseef 764
Pensioenenf 2 726
Schadeverhaalf 4 162
Aanrijdingen/aanvaringenf 1 095
KM diversenf 49 380
Materiële aanschaffingen KLf 33 065
Materiële aanschaffingen KLuf 16 976
Salarissen SHAPE/54th ASG & MTMC Europef 2 961
Infrastructuur KLf 66 749
Overige gemeenschappelijke zakenf 3 536
Dico CMH/MRCf 7 850
Diversenf 2 869
Sub-totaalf 336 914
Af: openstaand op rekeningen buiten begrotingsverband, zg. derdenrekeningenf 59 330
Balanssaldo extra-comptabele vorderingenf 277 584

Opmerkingen:

Bij het beleidsterrein Algemeen zijn, voornamelijk op grond van het ontbreken van verhaalsmogelijkheden en mede op advies van de Directie Juridische Zaken (DJZ), vijf vorderingen met een totaalwaarde van f 100 definitief buiten invordering gesteld. Twee vorderingen omvatten bijna 92% van dit bedrag. Daarnaast zijn drie vorderingen met een totaalwaarde van f 0,07 kwijtgescholden.

Bij het beleidsterrein Koninklijke Marine werden in 2000 zeven vorderingen met een totaal-waarde van f 0,2 voorlopig buiten invordering gesteld omdat ze vermoedelijk oninbaar zijn.

Voor twee vorderingen met een totaalwaarde van f 21 heeft dit plaatsgevonden op advies van DJZ. Deze vorderingen hebben betrekking op de levering van brandstoffen aan Joegoslavië en Bosnië/Herzegovina.

Een vordering met een bedrag kleiner dan f 0,01 is definitief buiten invordering gesteld.

Bij het beleidsterrein Koninklijke Landmacht werden in 2000 éénhonderdachtenzestig (168) vorderingen definitief buiten invordering gesteld voor een totaal bedrag van f 162. Het merendeel (honderddrieënveertig vorderingen) met een totaal waarde van f 148 had betrekking op vorderingen op militair personeel. Deze vorderingen zijn om uiteenlopende redenen vervallen verklaard. Acht vorderingen met een totaal waarde van f 0,07 hadden betrekking op gemaakte afspraken bij een faillisement en het ontbreekt aan verdere verhaalsmogelijkheden. De resterende zeventien vorderingen met een totaalwaarde van kleiner dan f 0,01 betreffen relatief kleine bedragen die na diverse rappelleringen zonder resultaat niet meer ontvangen zullen worden en waarvan een deel reeds is kwijtgescholden.

Als criterium voor de toelichting naar grootte van vorderingen geldt een grensbedrag van > f 5,0 miljoen. Hieronder volgt voor zover van toepassing per beleidsterrein een specificatie.

Beleidsterrein Koninklijke Landmacht

Een vordering op POMS van f 20,3 miljoen betreft de afkoopsom die overeengekomen is met de Amerikanen inzake de sluiting van de POMS sites in Nederland. De ontvangst wordt verwacht in 2001.

Beleidsterrein Multi-service projecten en activiteiten (Musp)

Het betreft hier twee vorderingen uit 1995 en 1998 op de VN met een waarde van resp. f 13,4 en f 92,2 miljoen. De ontvangstdatum van de gelden blijft onduidelijk en is mede afhankelijk van de liquiditeit van de VN.

Een vordering op de Raad van ministers van de Nederlandse Antillen van f 8,5 miljoen voor het aandeel in de exploitatiekosten van de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba over 1998, is ingesteld in 1998. Gelet op de liquiditeitspositie van de Raad van ministers van de Nederlandse Antillen wordt verwacht dat de afwikkeling van deze vordering vertraging zal ondervinden.

Een vordering op de Raad van ministers van de Nederlandse Antillen van f 10,8 miljoen voor het aandeel in de investeringen en exploitatiekosten van de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba over 1999, is ingesteld in 1999. Gelet op de liquiditeitspositie van de Raad van ministers van de Nederlandse Antillen wordt verwacht dat de afwikkeling van deze vordering vertraging zal ondervinden.

Een vordering op de Directeur van Financiën van Aruba van f 6,4 miljoen voor het aandeel in de exploitatie- en investeringsuitgaven over 2000 van de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba, is ingesteld in 2000. Ontvangst wordt verwacht in 2001.

Verdeling vorderingen naar ouderdom

De verdeling van de extra-comptabele vorderingen naar ouderdom is hieronder in een grafiek weergegeven.

Ouderdom vorderingen in f  miljoen ultimo 2000kst-27700-23-1.gif

Totaal f 277,6 miljoen

Vorderingen groter dan f 0,1 miljoen die zijn ingesteld vóór 1999.Hieronder volgt per beleidsterrein een specificatie.

Beleidsterrein Algemeen

Een vordering van f 0,24 miljoen op de Koninklijke Nederlandse militaire bond «Pro Rege» waarvan nog f 0,18 miljoen resteert. Het betreft hier een lening die is afgesloten in april 1991 door de KL. Vanaf 1997 wordt in jaarlijkse termijnen van f 30 000,00 afgelost, waardoor in 2006 de lening volledig is afbetaald.

Een vordering uit 1992 van f 1,6 miljoen op het failliet verklaarde bedrijf Compleet BV. De landsadvocaat moet met nadere informatie komen inzake afboeking of een laatste verhaalmogelijkheid op de bestuurders.

Een vordering uit 1994 op de firma Verhoeven & zn c.q. van den Bogaard van f 0,2 miljoen. In september 2000 is vonnis gewezen, doch de wederpartij is in hoger beroep gegaan.

Een vordering uit 1997 op Simon Engineering van f 1,3 miljoen (£ 0,4 miljoen). Een procedure tegen de Lloyds Bank omtrent betaling van de bankgarantie heeft geen resultaat gehad. Inmiddels wordt een verhaalsmogelijkheid op Simon Engineering onderzocht.

Een vordering uit 1997 op Centraal Beheer van f 0,1 miljoen. De wederpartij eist van Defensie een medische onderbouwing.

Een vordering uit 1997 op een natuurlijk persoon van f 0,5 miljoen. Inmiddels heeft beslaglegging via het G.A.K. plaatsgevonden.

Een vordering uit 1998 op Arbeidsmarkt en Scholing Defensie (ASD) van f 0,3 miljoen. De rechtszaak loopt nog via de landsadvocaat.

Een vordering uit 1998 op Unipol Assicurazioni van f 0,1 miljoen. De wederpartij eist van Defensie een medische onderbouwing. De afdeling Claims van de DJZ zal zich over deze zaak nader beraden.

Beleidsterrein Koninklijke Marine

Een vordering van f 0,1 miljoen op de Amerikaanse Marine. Het betreft de levering van scheepsbrandstof F-76. De vordering is ingesteld in 1992. De Amerikaanse ambassade heeft dit in onderzoek. Wanneer daadwerkelijke ontvangst plaatsvindt is niet bekend.

Een vordering van f 0,6 miljoen op Duitsland ingesteld in november 1984. Het betreft een restant van een vordering van f 2,1 miljoen. Duitsland ging niet accoord met het restantbedrag. De Marine zal nagaan of het bedrag bij de Navo te claimen is. Daadwerkelijke ontvangst is onzeker.

Twee vorderingen van totaal f 0,8 miljoen op de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) betreffende de opleiding aan het KIM van VAE-officieren. De vorderingen zijn ingesteld in augustus 1998. Volgens de VAE zijn de vorderingen betaald. Aan de ambassade van de VAE in Bonn is verzocht om nader onderzoek te plegen.

Een vordering van f 0,2 miljoen op de Amerikaanse Marine betreffende de levering van scheepsbrandstof F-76. De vordering is ingesteld in mei 1997. De Amerikaanse ambassade heeft dit in onderzoek. Wanneer daadwerkelijke ontvangst plaatsvindt is niet bekend.

Een vordering van f 0,1 miljoen op de Amerikaanse Marine betreffende de levering van brandstof F-35. De vordering is ingesteld in juli 1997. De Amerikaanse ambassade heeft dit in onderzoek. Wanneer daadwerkelijke ontvangst plaatsvindt is niet bekend.

Beleidsterrein Koninklijke Landmacht

Een vordering op een natuurlijk persoon van f 0,15 miljoen inzake teruggaaf van opleidingskosten is ingesteld in 1997 en in behandeling bij DJZ. Ontvangst wordt in 2001 verwacht.

Een vordering op een natuurlijk persoon van f 0,2 miljoen inzake teruggaaf van opleidingskosten is ingesteld in 1996 en in behandeling bij DJZ. Ontvangst wordt in 2001 verwacht.

Een al langer lopende vordering op de Duitse overheid is in 1999 definitief vastgesteld op een waarde van f 1,1 miljoen. Volgens het betreffende «Bauamt» is het bedrag verrekend met andere projecten, dit blijkt echter niet uit de gegevens van de Landmacht. In 2001 wordt nader overleg gevoerd met de Duitse overheid.

Een vordering op Siemens van f 1,75 miljoen inzake boete voor te late levering van SST/PVT systemen. Deze vordering wordt verrekend met het verrichten van onderhoud aan de betreffende systemen gedurende een aantal jaren. Dit onderhoud is echter nog niet aangevangen.

Een vordering op een natuurlijk persoon van f 0,71 miljoen die dit bedrag tot aan zijn pensioen met f 1 500,00 per maand gaat voldoen. Indien betrokkene volledig heeft voldaan aan deze betalingsverplichting, zal een resterend bedrag van f 0,24 miljoen in november 2026 buiten invordering gesteld worden.

Beleidsterrein Koninklijke Luchtmacht

Een vordering op de Amerikaanse Marine van f 0,273 miljoen, ingesteld in 1995. De vordering is aan DJZ overgedragen.

Beleidsterrein Multi-service projecten en activiteiten (Musp)

Naast de eerder genoemde posten groter dan f 5,0 miljoen, staan nog zeven vorderingen op de VN open met een totaalwaarde van f 11,8 miljoen. Een aantal vorderingen zijn door de VN gekenmerkt als «certified», de ontvangst van de gelden blijft echter onduidelijk.

Een vordering van f 2,8 miljoen op de Raad van ministers van Curaçao betreffende het aandeel in de exploitatiekosten van de Kustwacht Nederlandse Antillen. De vordering is ingesteld in oktober 1997. Gelet op de liquiditeitspositie van de Raad van ministers van de Nederlandse Antillen wordt verwacht dat de afwikkeling van deze vordering vertraging zal ondervinden.

ad 9. Extra-comptabele schulden.

Het saldo op de saldibalans bedraagt f 0 (EUR 0).

ad 10. Voorschotten.

Het saldo op de saldibalans bedraagt f 4 476 714 (EUR 2 031 444). De voorschotten zijn gewaardeerd tegen de in het jaar van verstrekking geldende plankoers. Voorschotten waarbij voor de verstrekking termijnvaluta is aangewend, zijn gewaardeerd tegen de betreffende termijnkoers.

Voorschotten naar ouderdom:

De verdeling van de voorschotten naar ouderdom is vermeld in onderstaande tabel.

(bedragen x f 1,0 miljoen)

Jaar van ontstaanAlgemeenP&uKMKLKLuMuspOverigenTotaal
≤19963,70,0126,978,0343,16,80,0558,5
19972,40,090,529,556,84,60,0183,8
19983,60,0129,116,6360,514,60,5524,9
199910,40,5243,969,4472,2139,90,6936,9
2000120,41 045,2323,1166,3332,1270,814,72 272,6
Totaal140,51 045,7913,5359,81 564,7436,715,84 476,7

De post Overigen bestaat uit de beleidsterreinen Dico (f 10,9 miljoen), KMar (f 4,9 miljoen).

Ten opzichte van de stand t/m 31-12-1999 is een bedrag verrekend van f 2 218,9 miljoen. In 2000 zijn voorschotten verstrekt voor totaal f 2 432,7 miljoen waarvan in 2000 reeds werd verrekend f 160,1 miljoen. De totale mutatie in de voorschottenstand ten opzichte van 1999 komt daardoor uit op + f 53,7 miljoen.

Als criterium voor de toelichting naar grootte van voorschotten geldt een grensbedrag van > f 50,0 miljoen.

Hieronder volgt voor zover van toepassing per beleidsterrein een specificatie.

USZO-voorschotten.

De declaraties van de USZO met betrekking tot de post-actieven zijn voor een bedrag van f 1 199,1 miljoen als voorschot betaald en in de financiële verantwoording 2000 als extra-comptabele voorschotten over de beleidsterreinen verdeeld en wel als volgt:

Beleidsterrein Alg. f 7,3 miljoen

Beleidsterrein P&U f 1 045,2 miljoen

Beleidsterrein KM f 28,2 miljoen

Beleidsterrein KL f 84,3 miljoen

Beleidsterrein KLu f 24,1 miljoen

Beleidsterrein KMar f 1,1 miljoen

Beleidsterrein Dico f 8,9 miljoen

Beleidsterrein Algemeen

De declaraties met betrekking tot de ziektekosten verzekering die betaald zijn aan de Dienst Ziektekostenvoorziening Defensie (ZVD) en de Stichting Ziektekosten Verzekering Krijgsmacht (SZVK) zijn in de saldibalans verwerkt als extra-comptabele voorschotten voor een totaal bedrag van resp. f 61,6 miljoen en f 15,0 miljoen. De definitieve vaststelling van het te verrekenen bedrag zal plaatsvinden in 2001.

Beleidsterrein Koninklijke Marine

De volgende voorschotten > f 50,0 miljoen staan open bij de KM:

– f 94,3 miljoen inzake het Vertical Launch System Mark 41;

– f 121,4 miljoen inzake de NATO Seasparrow (NSPO);

– f 66,6 miljoen inzake het Combat Direction System voor de LCF;

– f 234,6 miljoen inzake de APAR radarsystemen voor de LCF;

– f 70,8 miljoen inzake het Smart-L 3D radarsysteem.

Leveringen en derhalve verrekening van bovenstaande voorschotten is conform de schema's die opgenomen zijn in de contracten.

Beleidsterrein Koninklijke Landmacht

Een voorschot van f 84,0 miljoen staat open ten behoeve van RPV systemen. Leverancier is de firma Sagem in Frankrijk. Leveringen en verrekeningen vinden plaats tot en met 2001.

Beleidsterrein Koninklijke Luchtmacht

Een voorschot van f 380,6 miljoen staat open ten behoeve van de Midlife Update (MLU) Productiefase F-16 (case NE-D-NMP). Dit bestaat voor het grootste gedeelte uit progress payments, die door de USAF aan leveranciers zijn verstrekt plus administratieve kosten. Verrekening zal in de komende jaren plaatsvinden.

Een voorschot van f 158,3 miljoen staat open ten behoeve van follow-on support F-16. Progress payments worden hiervan door de USAF aan leveranciers verstrekt. Verrekening vindt regelmatig plaats.

Een voorschot van f 163,5 miljoen staat open ten behoeve van de follow-on buy F-16. De verwachting is dat dit voorschot in overleg met de Defensie Accountantsdienst en de Algemene Rekenkamer in 2001 verrekend zal worden.

Een voorschot van f 51,2 miljoen staat open ten behoeve van de vliegopleidingen. Verrekening vindt regelmatig plaats.

Beleidsterrein Multi-service projecten en activiteiten

Een openstaand voorschot van f 393,6 miljoen, verstrekt aan MD Douglas via FMS-procedure ten behoeve van de aanschaf van Apache helikopters. Leveringen en derhalve verrekening van het voorschot vindt plaats tot en met 2002, conform het oorspronkelijk leverschema.

ad 11. Garantieverplichtingen.

Het saldo op de saldibalans bedraagt f 0 (EUR 0).

Voor de garantieverplichtingen wordt geen separate administratie gevoerd. Aanwezige garantieverplichtingen worden opgenomen onder de balanspost openstaande verplichtingen.

ad 12. Openstaande verplichtingen.

Het saldo op de saldibalans bedraagt f 6 845 060 (EUR 3 106 153). De met termijncontracten afgedekte verplichtingen zijn opgenomen tegen de betreffende termijnkoers.

De niet op termijn afgedekte US$-verplichtingen zijn gewaardeerd tegen de door het ministerie van Financiën voor 2000 voorgeschreven koers van f 1,95.

Bij de nieuw aangegane verplichtingen is uitgegaan van de methode van het opnemen in de rekening van zowel de positieve als negatieve bijstellingen op oude verplichtingen. Daar waar nieuw aangegaan negatief zou uitlopen is deze stand op nihil gesteld waardoor voor die artikelen wel een negatieve bijstelling is opgenomen.

Verplichtingen 1/1/2000f 6 024 860
Aangegane verplichtingen in verslagjaarf 16 461 440
Sub-totaalf 22 486 300
Tot betaling gekomen in verslagjaarf 15 640 055
Negatieve bijstellingen van aangegane verplichtingen uit eerdere begrotingsjarenf 1 185
Sub-totaalf 15 641 240
Openstaande verplichtingen per 31/12/2000f 6 845 060

Als bijlage is gevoegd een blad met de opbouw van de garantieverplichtingen.

Als criterium voor de toelichting naar grootte van openstaande verplichtingen geldt een grensbedrag van > f 100,0 miljoen. Hieronder volgt voor zover van toepassing per beleidsterrein een specificatie.

Beleidsterrein Koninklijke Marine

Een verplichting van f 543,8 miljoen inzake het Bouwmeestercontract voor Luchtverdedigings- en Commandofregatten (LCF). De overeenkomst is gesloten met de Koninklijke Schelde Groep. Dit project eindigt in 2005. Te leveren zijn vier schepen LCF.

Een verplichting van f 1 107,6 miljoen inzake het opstarten van de produktielijn en de verwerving van twintig NH-90 helicopters. De leverancier is NATO-NAHEMA en de levering vindt plaats van 2007 t/m 2012.

Een verplichting van f 392,5 miljoen inzake het Capability Upkeep Program (CUP) van de P3-C Orion maritieme patrouillevliegtuigen. De overeenkomst is via de FMS-procedure met de Amerikaanse overheid gesloten. De levering vindt plaats van 2004 t/m 2008.

Een verplichting van f 122,4 miljoen inzake de aanschaf van vier Active Phased Array Radars (APAR), ten behoeve van de in aanbouw zijnde LCF'en. De leverancier is Thales (voormalig Hollandse Signaalapparaten) en de levering vindt plaats gelijktijdig met de levering van de vier LCF'en, de laatste in 2005.

Beleidsterrein Koninklijke Luchtmacht

Het gaat hier om één openstaande verplichting voor een bedrag van f 239,9 miljoen met betrekking tot follow-on support F-16 (FMS case NE-D-QBK). Dit betreft reserve onderdelen waarvan leveringen zullen plaatsvinden tot 2008.

Beleidsterrein Multi-service projecten en activiteiten

Een drietal openstaande verplichtingen hebben betrekking op de aanschaf van de Apache gevechtshelikopters (inclusief een tweede amendment en bijkomende kosten, leverancier MD Douglas via FMS-procedure) voor een totaal bedrag van f 517,5 miljoen. De leveringen geschieden tot en met 2002.

ad 13. Deelnemingen.

Het saldo op de saldibalans bedraagt f 13 333 (EUR 6 050).

Naam van de onderneming: Eurometaal N.V.

Wijze van deelneming: Aandelen.

Het ministerie van Defensie is in het bezit van 33 1/3% van de aandelen. De waarde bedraagt, uitgedrukt in de oorspronkelijke aankoopprijs, 33 1/3% van f 40,0 miljoen = f 13,3 miljoen. In 2001 wordt gestart met het gefaseerd afstoten van het aandelenpakket.

Specificatie Garantieverklaringen per 31 december 2000 (RDB 5.8) bedragen x 1000

Begr. ArtikelBasis voor het aangaan van garantieverplichtingenAard van de verbintenisGegarandeerd bedragVerleende garantiesLooptijdOpenstaande garantie verplichtingen per 31-12-1999Mutatie garantie verplichtingenOpenstaande garantie verplichtingen per 31-12-2000
U 124Begrotingswet dd. 28 december 1960 Staatsbladnummer 566Leningen ter stimulering van de woningbouw met een looptijd van ten hoogste 40 jaarNiet nader geregeldGarantie aan de «Vereniging Pensioen Risico» te Amsterdam voor de betaling van rente en aflossing door de woningstichting «Ons Belang» te Amersfoort in verband met een geldlening van f 1 100 ingevolge een overeenkomst van 31 augustus 1961t/m 2001f 116– f 57f 59
U 124Derde wijzigings-overeenkomst op de Raamovereenkomstbetreffende Eurometaal N.V. d.d. 19 maart 1990Borgstelling in verband met aan te gane geldleningen, 1/3 deel van maximaal f 6 000. Onder aantekening dat in geval het maximumbedrag van f 6 000 niet voldoende mocht blijken, betrokken partijen over een eventuele verhoging van dit bedrag nader met elkaar in overleg zullen tredenf 2000Borgstelling ten behoeve van Eurometaal N.V. voor de door genoemde vennootschap op te nemen geldleningen ter verdere financiering van de vennootschapDoorlopendf 2 000f 0f 2 000
U 124Overeenkomst met de Vereniging Verbond van VerzekeraarsRegeling van de verhouding tussen Defensie en de Vereniging met als doel om de belemmeringen die Defensie-ambtenaren in het maatschappelijk verkeer ondervinden als gevolg van uitsluitingsclausules bij levensverzekeringen, gekoppeld aan de financiering van een woning, weg te nemenNiet nader geregeld onbepaaldP.M.P.M.P.M.
        f 2 059

BIJLAGE 1 Pilot Mededeling over de bedrijfsvoering

Algemeen

In de regeringsnota «Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording» is aangegeven dat in het departementale jaarverslag nieuwe stijl (vanaf 2002) in een afzonderlijke paragraaf wordt ingegaan op de bedrijfsvoering van een ministerie. In deze bedrijfsvoeringsparagraaf dient onderscheid te worden aangebracht in reguliere bedrijfsvoeringsthema's (zoals rechtmatige begrotingsuitvoering, beleidsevaluaties, informatievoorziening en administratieve organisatie) en specifieke bedrijfsvoeringsthema's (invoering Euro).

Omtrent de reguliere thema's dient in de bedrijfsvoeringsparagraaf door middel van een mededeling over de bedrijfsvoering door de Minister inzicht te worden verstrekt in de kwaliteit van het management control systeem en de mate waarin de beleidsdoelstellingen worden gerealiseerd. De mededeling betreft een uitzonderingsrapportage, waarin de Minister ingaat op de opmerkelijke aspecten van de bedrijfsvoering en deze aan de Staten-Generaal meldt. Bij tekortkomingen zal de Minister tevens aangeven welke activiteiten worden uitgevoerd teneinde de geconstateerde tekortkomingen weg te nemen.

Rijksbreed wordt gestreefd naar een referentiekader waarin kwaliteitseisen voor de mededeling over de bedrijfsvoering nader zijn uitgewerkt. De ontwikkeling van het rijksbrede referentiekader wordt ondersteund door een vijftal pilots, die zijn gericht op het opdoen van ervaringen met uiteenlopende aspecten van de mededeling bedrijfsvoering en de daaraan ten grondslag liggende onderwerpen. Elke pilot heeft een eigen focus. Een van de pilots vindt plaats bij het ministerie van Defensie en wordt uitgevoerd door een hiertoe ingestelde Werkgroep Mededeling Bedrijfsvoering in samenwerking met het projectbureau VBTB.

Stand van zaken Pilot

De doelstelling van de bij het ministerie van Defensie uit te voeren pilot is het opdoen van ervaring met het afgeven en onderbouwen van de mededeling over de bedrijfsvoering. Belangrijke onderwerpen die hierbij aan de orde worden gesteld betreffen de scope en reikwijdte van de mededeling, de wijze van totstandkoming van de mededeling bedrijfsvoering intern het ministerie, de bijzonderheden (zowel verbeterpunten als getroffen en te treffen maatregelen) die in de mededeling bedrijfsvoering moeten worden opgenomen en de onderbouwing van de mededeling.

In het opgestelde plan van aanpak voor deze pilot wordt deze doelstelling zowel praktisch als theoretisch benaderd. Het theoretische deel is gericht op het verkrijgen van eenduidige definities en afkadering. De praktische benadering houdt in dat door de PSG, Bevelhebbers en C-Dico, binnen de bestaande Toprapportagestructuur, een appreciatie over de bedrijfsvoering is opgesteld. Daarnaast hebben de CDS en de Directeuren-Generaal een appreciatie over defensiebrede processen opgesteld. Op basis van de ontvangen toprapportages en appreciaties, de voortgang van de implementatie Beleid Bedrijfsvoering Defensie 2000, de bevindingen tijdens werkbezoeken van de Minister, de uitkomsten van de Defensiebrede audits en de door de Defensie Accountantsdienst uitgevoerde onderzoeken is de mogelijke inhoud en reikwijdte van een mededeling over de bedrijfsvoering bepaald zoals die in het jaarverslag nieuwe stijl kan worden opgenomen.

De uitkomsten van de pilot worden verwerkt in de samenvattende rapportage die, tezamen met de relevante ontwikkelingen op het gebied van bedrijfsvoering, als uitgangspunt dient voor de opstelling van een rijksbreed referentiekader voor de mededeling over de bedrijfsvoering. Dit referentiekader dient als basis voor de ministeries om zich voor te bereiden op de eerste mededeling over de bedrijfsvoering in het jaarverslag 2002. Binnen de pilot wordt tevens aandacht besteed aan het formuleren van tussendoelen voor de verantwoording 2001.

Eerste uitkomsten pilot

Met in achtneming van de tot op heden gevoerde gedachtenvorming is ten behoeve van de pilot het begrip bedrijfsvoering bij het ministerie van Defensie gedefinieerd als:

het geheel van activiteiten binnen de Defensie-organisatie inzake de aanwending van financiële, materiële, personele en informatiemiddelen gericht op het ontwikkelen en bereiken van beleidsdoelstellingen, alsmede de daarop betrekking hebbende sturing, beheersing, toezicht en verantwoording.

Deze definitie bepaalt de uiteindelijke reikwijdte van de mededeling over de bedrijfsvoering in het jaarverslag 2002. Om dit te bereiken is binnen Defensie een ontwikkeltraject gestart. In de verantwoording 2000 is de mededeling (door middel van een opsomming) duidelijk afgebakend tot die aspecten waarover voldoende informatie beschikbaar is en derhalve onder de reikwijdte van de mededeling kunnen worden geplaatst. Bij het opstellen van de mededeling in de verantwoording 2001 zal de uiteindelijke reikwijdte worden gehanteerd, waarbij die onderdelen van de bedrijfsvoering waarvoor nog onvoldoende informatie ter onderbouwing beschikbaar is, expliciet worden uitgesloten. In het jaarverslag 2002 zal de volledige reikwijdte van de mededeling over de bedrijfsvoering moeten zijn bereikt. Dit betekent dat naast het afgeven van de mededeling nog slechts op die zaken zal worden ingegaan waar dit noodzakelijk is gezien het niet «in control» zijn.

Teneinde een indruk te krijgen van huidige mogelijkheden om een mededeling over de bedrijfsvoering op te stellen is hieronder een voorbeeldtekst uitgewerkt. Deze mededeling over de bedrijfsvoering 2000 moet worden gezien als een eerste stap op weg naar een volwaardige mededeling over de bedrijfsvoering zoals deze in het jaarverslag 2002 moet worden opgenomen. Op dit moment ontbreekt een normenkader voor het opstellen, onderbouwen en beoordelen van een mededeling over de bedrijfsvoering. In interdepartementaal verband wordt de ontwikkeling van dit normenkader vormgegeven waarbij wordt gestreefd naar, waar mogelijk en zinvol, rijksbrede normen. De onderstaande mededeling dient tegen de achtergrond van dit ontwikkeltraject te worden bezien.

Voorbeeldtekst: Mededeling over de bedrijfsvoering 2000

Reikwijdte

De mededeling over de bedrijfsvoering 2000 omvat de volgende onderwerpen: doelbereiking, planning en control, bedrijfsvoeringsbeleid, arbeidsvoorwaarden, ARBO, personele vulling van de krijgsmacht, financieel beheer en materieel beheer alsmede de daartoe gevoerde administraties. Deze onderwerpen worden onderstaand toegelicht.

Onderbouwing

De mededeling over de bedrijfsvoering is gebaseerd op de managementrapportages1 van mijn (P)SG, Directeuren Generaal, CDS, Bevelhebbers en C-Dico, waarin zij een appreciatie over de bedrijfsvoering geven. Daarnaast zijn de bevindingen tijdens werkbezoeken, van Defensiebrede audits en van de onderzoeken van de Defensie Accountantsdienst als onderbouwing gebruikt.

Mededeling over de bedrijfsvoering 2000

In het begrotingsjaar 2000 zijn de Defensiedoelstellingen grotendeels behaald en is op voldoende wijze invulling gegeven aan de resultaatgerichte bedrijfsvoering en governance gedachte zoals beschreven in het Beleid Bedrijfsvoering Defensie 2000. In het begrotingsjaar 2000 is in samenhang aandacht besteed en invulling gegeven aan de governance «vier-eenheid» besturen, beheersen, verantwoorden en toezichthouden. Op basis daarvan stel ik vast dat de bedrijfsvoering bij defensie in voldoende mate in control is en door een verdere versterking van het management controlsysteem in de komende jaren verder kan worden verbeterd.

Hieronder worden de elementen van de bedrijfsvoering, die onder de reikwijdte van de mededeling vallen, nader toegelicht.

Doelbereiking

In 2000 werd door een groot aantal Nederlandse militairen en operationele eenheden deelgenomen aan crisisbeheersings- en vredesoperaties. Hiermee werd zichtbaar en met succes invulling gegeven aan de taak van de Nederlandse krijgsmacht om bij te dragen aan vrede en veiligheid. Hoewel wellicht minder zichtbaar hebben Nederlandse operationele eenheden deelgenomen aan diverse grote en kleinere NAVO-oefeningen in het kader van de voorbereiding op de andere hoofdtaak, de verdediging van het grondgebied in bondgenootschappelijk verband. De vereiste inzetbaarheid van deze operationele eenheden is in de vorm van doelstellingen nader uitgewerkt ten behoeve van externe en interne sturing, beheersing, toezicht en verantwoording. Het hiertoe ontwikkelde systeem van gereedheidsmatrices waarover in de Toprapportages wordt gerapporteerd, zal verder worden verbeterd waarmee de transparantie, de aansluiting met het ambitieniveau en de werking van het systeem als sturings- en verantwoordingsinstrument worden verbeterd. De betrouwbaarheid van het systeem zal periodiek door middel van audits worden getoetst.

Planning en Control

Het planning en controlproces bij Defensie is dusdanig opgezet dat tijdig informatie beschikbaar is voor het afwegen van beleidsalternatieven, hun consequenties voor de uitvoering en daaraan verbonden uitgaven alsmede de verantwoording over de realisatie van beleidsdoelstellingen. Ook dit jaar zijn hierdoor tijdig afwegingen in het kader van de interne en externe begrotingscyclus gemaakt. De bij de totstandkoming van de verantwoording 2000 geconstateerde knelpunten worden in samenhang met de voorbereiding op het jaarverslag nieuwe stijl opgelost.

De Minister wordt door middel van toprapportages door de Defensieonderdelen op de hoogte gehouden van de voortgang in de uitvoering. Dit in aanvulling op de informatieuitwisseling in het Politiek Beraad. De ervaringen met het instrument toprapportage leiden doorlopend tot verbetering van het planning en control proces. Hierbij is verdere verbetering van de kwaliteit van de aangeleverde informatie een belangrijk aandachtspunt. Bij de monitoring en toetsing van de bedrijfsvoering wordt zowel centraal als decentraal in toenemende mate gebruik gemaakt van kengetallen, prestatie-indicatoren en audits.

Implementatie BBD 2000

Met de implementatie van het Beleid Bedrijfsvoering Defensie wordt invulling gegeven aan de uitgangspunten sturen op hoofdlijnen, integraal management, productafspraken, periodieke toetsing alsmede een open en transparante verantwoording aan het hogere lijnmanagement. Deze positieve ontwikkeling zal in de komende jaren verder worden uitgebouwd en aandacht zal worden besteed aan het versterken van het management controlsysteem door een groter gebruik van INK, audits en kengetallen.

Arbeidsvoorwaarden

Met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2000 is een arbeidsvoorwaardenakkoord tot stand gekomen. Hierin zijn tal van maatregelen opgenomen die de arbeidsvoorwaarden en overige aspecten van het personeelsbeleid bij de tijd houden en de ongewenste uitstroom van Defensiepersoneel tegengaat. Het proces van arbeidsvoorwaardenvorming kent voldoende terugkoppelingsmomenten over de bereikte resultaten. De eerste resultaten zijn in het najaar 2001 te verwachten. Verbeteringen zijn mogelijk in de sfeer van communicatie over geldende of nieuwe arbeidsvoorwaarden door een meer centrale aanpak en ondersteuning met moderne communicatietechnieken.

ARBO

Defensie heeft in het jaar 2000 een ARBO-beleidskader tot stand gebracht dat richtinggevend is voor het te voeren arbobeleid. Incidenten op het gebied van ARBO worden met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behandeld. Voor 2001 zullen ARBO-convenanten tot stand worden gebracht die zien op het terugdringen van de fysieke belasting.

Vulling van de krijgsmacht

De personeelsvoorziening verliep in 2000 niet naar wens. Naast tegenvallende wervingsresultaten was er sprake van een te hoog tussentijds verloop bij het zittende personeel. Er zijn tal van maatregelen getroffen om de bezetting van de krijgsmacht te verbeteren. De resultaten van deze verbetermaatregelen worden nauwkeurig gemonitord zodat tijdige bijsturing mogelijk is.

Materieel beheer

Bij Defensie is in 2000, op basis van in het Besluit Materieel beheer en de SG-aanwijzing, een start gemaakt met het uitvoeren van materieelbeheer op basis van risico-analyse. Hiermee is een belangrijke stap voorwaarts gezet in de richting van een goed materieel beheer bij Defensie. De uitgevoerde risico-analyses vormen de basis bij het bepalen van de noodzakelijke beheersmaatregelen. Periodiek zullen zowel de risico-analyses als de bijbehorende maatregelen worden geëvalueerd en bijgesteld. Op deze wijze zal het materieelbeheer zich blijven verbeteren. Het voornaamste punt van zorg is de implementatie van het nieuwe materieelbeheer in combinatie met de hiervoor beschikbare capaciteit. Gelet op de nog te implementeren verbetermaatregelen en controleresultaten was voor het jaar 2000 nog geen sprake van een in alle opzichten ordelijk materieelbeheer. Daarom zal in 2001 extra aandacht worden besteed aan de monitoring en toetsing van de voortgang van de verbetermaatregelen en borging van de getroffen maatregelen met behulp van de Toprapportages, een Defensiebrede audit en de interkrijgsmachtelijke werkgroep Materieel Beheer.

Financieel beheer

In de loop van het jaar heeft zich een verbetering van het financieel beheer afgetekend. Defensiebreed voldeed het financieel beheer over 2000 aan de minimaal te stellen eisen en was er sprake van een ordelijk financieel beheer.

Doordat verbetermaatregelen gedurende het jaar zijn gerealiseerd worden de beoogde effecten hiervan echter pas in 2001 zichtbaar. De uitvoering van de verbetermaatregelen zoals deze in het verbeterplan financieel beheer zijn opgenomen heeft ook in 2001 mijn nadrukkelijke aandacht, om te voorkomen dat de kwaliteit van het financieel beheer weer terugvalt. Met name de kwaliteit van de getroffen maatregelen alsmede de borging van een toereikend financieel beheer in de defensie-organisatie staat in 2001 centraal. De verbetering van het financieel beheer van de defensie-onderdelen wordt gerealiseerd aan de hand van opgestelde verbeterplannen Financieel beheer en de benoemde Topprioriteiten. Deze worden op centraal niveau op afdoening gevolgd en gestuurd. De toetsing van de voortgang, de kwaliteit en de toereikendheid van de verbeteractiviteiten is, door de Defensie-onderdelen, in samenwerking met de DEFAC en de Algemene Rekenkamer, geïntensiveerd.

BIJLAGE 2 de wijze en de mate van inzet bij de crisisbeheersings-, vredes- en humanitaire (cvh) operaties

In het onderstaande wordt een nadere uiteenzetting gegeven van de wijze en mate van inzet van militaire middelen bij de verschillende operaties.

De SFOR-operatie

De uitbreiding van de bijdrage aan het hoofdkwartier van SFOR te Serajewo is geformaliseerd. Nederland draagt met 55 militairen aan het hoofdkwartier bij, waarbij in november 2000 de functie van Assistent Chief of Staff Joint Militairy Affairs (ACOS JMA) voor de periode van één jaar door Nederland gevuld zal worden (brigade-generaal). Ook de vergrote bijdrage aan de Combined Joint Special Operations Task Force is gerealiseerd.

Het multinationale hoofdkwartier van de MND-SW te Banja Luka is in juli geëvalueerd. Algemeen kan gesteld worden dat het hoofdkwartier naar tevredenheid functioneert. De evaluatie heeft geleid tot een aantal kleine aanpassingen in de organisatie. Derhalve draagt Nederland met ingang van begin november 2000 zeven militairen extra bij aan het hoofdkwartier. Inmiddels is het Contingentscommando verhuisd van Busovaca naar Banja Luka.

Met de plaatsing van het Britse verbindingssysteem bij MND-SW heeft de Nederlandse verbindingseenheid de taak van het Britse verbindingspersoneel overgenomen. De Nederlandse Verbindingsondersteuningscompagnie heeft inmiddels haar uiteindelijke omvang bereikt. Deze zal binnenkort worden geëvalueerd.

Het Nederlandse bataljon in MND-SW opereert momenteel vanaf de lokaties Busovaca, Bugojno en Novi Travnik. De op de locatie Sisava gelegerde eenheden zijn ondergebracht op de basis Bugojno. Het tot 1 (NL) Mechbat behorende mortierpeloton 120mm, dat in Duitsland (vredeslokatie) op 7 dagen notice to move staat, is in september twee weken ontplooid geweest in Bosnië, ten einde zich met het mogelijke inzetgebied bekend te maken.

Ingezette middelen en uitgevoerde taken

Nederland heeft aan deze operatie deelgenomen met de volgende middelen:

EenheidOrganieke Personele sterkteInzet Groot Materieel
Gemechaniseerd bataljon (inclusief logistiek, genie)61018 Leopard A5-tanks, 50 YPR-rupsvoertuigen en 205 overige voertuigen
Nationaal Support Element306265 voertuigen
Verbindingsondersteu- ningscompagnie10532 voertuigen
Helikopterdetachement12535 Cougar helikopters 54 voertuigen
Contingentscommando36423 voertuigen
KMAR189 voertuigen
EOV detachement128 voertuigen
JCO (KCT en Kmarns)264 voertuigen
Geneeskundig detachement Sipovo12 
Personeel HQ MND(SW) en SFOR 129 
Staf/Wacht peloton HQ MND(SW)30Op roulatiebasis
KCT en Korps Mariniers10Op 7 dagen Notice to Move (NTM)
Tactische reserve t.b.v. mechbat: mortierpeloton30Op 7 dagen Notice To Move (NTM)
Strategische reserve: Infanterie bataljon500Patria, MB, 81 mm mortieren

1 niet inbegrepen 30 Bulgaarse militairen

2 niet inbegrepen 26 Roemeense militairen

3 niet inbegrepen 25 Roemeense militairen

4 niet inbegrepen 2 Bulgaarse en 2 Roemeense militairen

EenheidActiviteiten
Gemechaniseerd bataljon (inclusief logistiek, genie)1289 uitgevoerde patrouilles conform operatie-order mechbat: 29 inspecties (weaponsites en kantonnementen) Diverse projecten: 47 projecten in 2000 afgerond (waarvan 13 in rapportageperiode) Er lopen nog 10 projecten Onschadelijk gemaakte munitie en explosieven: soort aantalmijnen 756 art.granaten 913gew. Granaten 705 handgranaten 9245
  
Nationaal Support ElementLogistieke ondersteuning van alle Nederlandse eenheden
  
Verbindingsondersteunings-compagnieHandhaven van de verbindingen t.b.v. MND(SW)
  
HelikopterdetachementHelikoptersteun t.b.v. MND(SW) en inzet IRT-helikopter
  
ContingentscommandoDagelijkse informatievoorziening ten behoeve van de CDS
  
KMARPolitiedienst t.b.v. de NL-militairen
  
EOV detachementInterceptie en plaatsbepaling berichtenverkeer op continubasis binnen MND(SW)
  
Joint Commissioned ObserversInformatievoorziening ten behoeve van C-SFOR
  
Geneeskundig detachement SipovoGeneeskundige ondersteuning t.b.v. MND(SW)
  
Personeel MND(SW) en SFOR-hoofdkwartierenOndersteuning van de staven
  
KCT detachement en personeel Korps mariniersUitvoeren speciale operaties t.b.v. C-CJSOTF
  
Tactische reserve t.b.v. mechbat: mortierpelotonAanvullende vuursteun op 7 dagen NTM in Nederland
  
Strategische reserve: luchtmobielbataljonAanvullende capaciteit t.b.v. COM-SFOR

BOSNIA AND KOSOVO AIR COMPONENT

De Bosnia-Kosovo Air Component voorziet in ondersteuning van de operaties «Joint Forge» (SFOR) en «Joint Guardian» (KFOR). Vanaf de vliegbasis Amendola (Italië) opereert de Koninklijke Luchtmacht in samenwerking met de Belgische Luchtmacht als Deployable Air Task Force (DATF).

In december 2000 heeft de NAVO besloten het aantal direct beschikbare vliegtuigen van de Bosnia-Kosovo Air Component van 41 te reduceren tot 22. Met name de normalisering van het gebruik van het luchtruim boven Bosnië lag aan het besluit ten grondslag. Voor de DATF heeft dit tot gevolg dat het aantal gestationeerde vliegtuigen te Amendola wordt verminderd van 8 naar 4. België en Nederland zijn overeengekomen deze 4 toestellen bij toerbeurt beschikbaar te stellen. De Nederlandse F-16's zijn inmiddels teruggekeerd naar Nederland en zullen op 15 april weer naar Amendola terugkeren. Indien de 4 Nederlandse F-16's niet zijn ingezet staan ze in Nederland op een notice-to-move van 96 uur. Ook indien er geen sprake is van een daadwerkelijke inzet van de Nederlandse F-16's vanaf Amendola, is een klein logistiek element (circa 10 militairen) van de Koninklijke Luchtmacht op de vliegbasis Amendola aanwezig. Bij inzet van het Nederlandse F-16 detachement wordt het aantal uitgebreid tot circa 50 militairen.

Aanvullend op de DATF staan in Nederland vliegtuigen gereed voor medische evacuatie, transporttaken en air-to-air refuelling. Deze vliegtuigen kunnen binnen 24 uur worden ingezet. Daarnaast staan 3 F-16's in de luchtverkenningstaak op 48 uur notice-to-move in Nederland en op 96 uur notice-to-employ in het operatiegebied. Naast de 4 F-16's van de DATF staan nog 2 F-16's op 96 uur notice-to-move voor een «air to ground» taak. Voor verkenningsmissies boven Bosnië en Kosovo stelt Nederland periodiek, met een maximum van 100 uur op jaarbasis, een P-3C Orion ter beschikking. Aan het inzetgereed houden van de vliegtuigen in Nederland (inclusief de 4 F-16's van het DATF-detachement) zijn circa 125 militairen verbonden.

KOSOVO FORCE (KFOR)

Als gevolg van het Kabinetsbesluit (26 november 1999) is besloten de Nederlandse bijdrage aan KFOR per juli 2000 te beëindigen. De Nederlandse bijdrage aan KFOR is gefaseerd afgebouwd waarbij, na Transfer of Authority, de eenheden nog gedurende enige tijd in het operatiegebied verbleven om zich voor te bereiden op hun terugkeer naar Nederland.

De Afdeling Veldartillerie zorgde voor orde en rust in het eigen gebied van verantwoordelijkheid. Het Helikopterdetachement werd ingezet ten behoeve van personenvervoer en luchtverkenningstaken.

Het Geniehulpbataljon heeft een groot aantal kleine humanitaire projecten uitgevoerd alsmede het zogenaamde houten noodwoningen project. Bij dit project werden in eigen beheer pre-fab noodwoningen vervaardigd die op lokatie in elkaar werden gezet.

 einde KFOR werkzaamhedenterugkeer NL
Afdeling veldartillerie1 mei1 juni
Helikopterdetachement1 junimedio juni
Geniehulpbataljon1 junimedio juli
Contingentscommando/NSE medio aug

Redeployment ondersteuning

Ter ondersteuning van de redeployment van de Nederlandse eenheden was het Contingentscommando van begin mei tot begin augustus versterkt met een redeployment ondersteunings detachement, dat eerst vanuit Kosovo en later vanuit Macedonië de terugkeer van de Nederlandse eenheden begeleidde. Het redeployment ondersteunings detachement bestond uit 20 militairen

Milieu

Alle voertuigen (rups en wiel) zijn via Thessaloniki met zeetransport naar Nederland vervoerd. De voertuigen zijn onderweg in Strumica (Macedonië) gereinigd van asbest en dierlijke ziektekiemen, met medewerking van een Duitse eenheid.

Na terugkomst in Nederland zijn alle voertuigen en containers ondergebracht op een complex in Coevorden om eventuele rest-besmetting vast te stellen. De gemeten waarden bleven onder de Nederlandse normen.

Verkoop

Nederlandse KFOR compounds en infrastructuur/onroerende goederen zijn verkocht danwel overgedragen aan andere eenheden en instanties. Een deel van de opbrengst is rechtstreeks ten bate van vredesoperaties-artikel 0802 gebracht, waardoor het uitgavenplafond voor uitgaven vredesoperaties wordt verhoogd.

Strategische Reserve

De «doublehatting» van Nederlandse bijdrage aan de Strategic Reserve Force (SRF) voor zowel KFOR als SFOR is, als gevolg van de Nederlandse terugtrekking uit KFOR, per 1 augustus 2000 beëindigd. De SRF is thans nog alleen voor SFOR beschikbaar gesteld.

Ingezette middelen

Nederland heeft deelgenomen aan de operaties in Macedonië/Kosovo met de volgende middelen :

EenheidPersonele inzetInzet Groot Materieel
Afdeling Veldartillerie (incl. mortieropsporingsradarbatterij)53410 houwitsers, 86 wielvoertuigen, 2 Leopardbergingtanks, 23 YPR rupsvoertuigen, 5 M577 rupsvoertuigen
   
Geniehulpbataljon (incl. een gemechaniseerde compagnie infanterie)820 1 Leopard genietank, 27 YPR rupsvoertuigen, 294 wielvoertuigen, 1 bergingstank, 1 M577
   
Helikopterdetachement823 BO 105 (+ 1 reserve)
   
Contingentscommando (incl. KMar)3123 wielvoertuigen
   
Nationaal Support Element24090 voertuigen
   
Personeel t.b.v. HQ KFOR71 
Personeel t.b.v. GE Brigadestaf16 
   
2 ploegen KCT201 ploeg op 24 uur NTM in Nederland1 ploeg op 7 dgn. NTM in Nederland
Strategische reserve:  
– mariniersbataljon*808YPR-rupsvoertuigen, BV-rupsvoertuigen,
– Field Dressing Station*9981 mm mortieren

* Deze elementen t.b.v. de strategische reserve zijn ook als strategische reserve beschikbaar gesteld voor SFOR

Door de verschillende eenheden uitgevoerde activiteiten:

EenheidActiviteiten
Afdeling Veldartillerie (incl. mortier-opsporingsradarbatterij)leveren van gebiedsbeveiliging voor het gebied van verantwoordelijkheid (Orahovac, Suva Reka en omgeving)
  
GeniehulpbataljonNGO'sopvoeren van materialen en goederen t.b.v. NGO's noodvoorzieningen aanbrengen bij woningen en scholen herstel van waterleidingen en riolering zuivering van waterputten geven van lessen mine-awareness aan personeel van NGO's wegen visueel controleren op mijnen en overige munitie explosieven opruimen weg herstel bouw prefab noodwoningen
  
Helikopterdetachement302 operationele vluchten (312,9 uren) transportsteun
  
Contingentscommandodagelijkse informatievoorziening ten behoeve van het ministerie van Defensie
  
National Support Elementondersteuning van het NL-personeel in Macedonië/Kosovo
  
Personeel t.b.v. HQ (KFOR en GE-Brigadestafondersteuning van de operatie
  
Alle eenhedenonderbrengen, verzorgen, informeren en transporteren van ca. 600 bezoekers (vanaf 1 jan '99)
  
2 ploegen KCTforce protection t.b.v. NL-eenheden; op 24 uur NTM in Nederland
  
Strategische reserve: – mariniersbataljon – Field Dressing Stationaanvullende capaciteit t.b.v. KFOR

UNITED NATIONS MISSION IN ETHIOPIA AND ERITREA (UNMEE)

Met de aanname door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van de Resoluties 1312 en 1320 op resp. 31 juli jl. en 15 september jl. werd de weg vrijgemaakt voor de inzet van UNMEE. Deze resoluties verschaffen op basis van Hoofdstuk VI van het VN-Handvest het mandaat voor de ontplooiing van een internationale vredesmacht (UNMEE), bestaande uit maximaal 4200 militairen.

De vredesmacht is opgebouwd uit de volgende onderdelen:

– een UNMEE-Force hoofdkwartier

– drie infanteriebataljons

– 220 militaire waarnemers (UNMO's)

– een mobiele reservecompagnie (Force mobile reserve)

– twee genie-ontmijningscompagnieën en een genieconstructie compagnie

– een hoofdkwartiercompagnie

– een rol 2 veldhospitaal

– een luchttransporteenheid.

UNMEE is een zogenoemde «Monitoring mission», welke door middel van waarnemers en de daadwerkelijke fysieke aanwezigheid van militairen op de grond toeziet op de uitvoering van de wapenstilstand, waarvan het akkoord is ondertekend op 18 juli jl. Dit akkoord voorziet in de vorming van een gedemilitariseerde bufferzone, de «Temporary Security Zone» (TSZ) langs de ongeveer 1000 km lange grens tussen Ethiopië en Eritrea. In deze 25 km brede TSZ zal UNMEE haar troepen ontplooien ter voorkoming van de hervatting van de vijandelijkheden tussen beide landen, met als doel de omzetting van het wapenstilstandsakkoord in een omvattend vredesakkoord.

Het mandaat van UNMEE bevat de volgende onderdelen:

– het monitoren van het staakt-het-vuren;

– het ondersteunen bij het verzekeren van de naleving van de veiligheidsafspraken van de beide landen (technisch advies);

– het monitoren en verifiëren van de terugtrekking van de Ethiopische troepen tot de lijn van 6 mei 1998;

– het monitoren van de Ethiopische posities na terugtrekking;

– het gelijktijdig monitoren van de posities van het Eritrese leger, dat zich dient terug te trekken tot 25 kilometer afstand van de Ethiopische troepen;

– het monitoren van de bufferzone ter naleving van het staakt-het-vuren;

– het voorzitten van het Military Coordination Committee (MCC) dat door de VN en de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) is opgericht;

– het coördineren en assisteren van humanitaire mijnenruimactiviteiten in de bufferzone en aansluitende gebieden;

– het coördineren van de activiteiten van de missie met humanitaire activiteiten van de VN of andere organisaties in de bufferzone.

De Nederlandse eenheid is eind december ontplooid in de Centrale Sector. Een Canadese compagnie is geïntegreerd in de Nederlandse eenheid en samen vormen zij het Nederlands/Canadees bataljon (NECBAT).

De vredesbesprekingen onder leiding van de UNMEE Force Commander verliepen aanvankelijk moeizaam. Met name de definitieve vaststelling van de TSZ bleek een struikelblok. Omdat nog niet alle eenheden van UNMEE zijn ontplooid (het Keniaanse bataljon in Sector Oost en de Indiase Force Reserve) kon met Eritrea en Ethiopië (nog) geen overeenstemming worden bereikt over de terugtrekking van de troepen van beide partijen buiten het gebied dat de TSZ moet gaan vormen.

Een punt van zorg is de openstelling van een directe «high altitude» luchtverbinding tussen Eritrea en Ethiopië. Met uitzondering van een éénmalig gebruik, is deze luchtcorridor nog niet opengesteld. Struikelblok tussen beide landen vormt de route waarlangs de corridor moet lopen.

Ingezette middelen

In de periode vanaf medio december 2000 heeft Nederland deelgenomen aan de operaties in UNMEE met de onderstaande middelen1:

EenheidOrganieke Personele sterkteInzet Groot Materieel
Hr. Ms. Rotterdam210 
   
NECBAT Stafcompagnie10616 jeeps, 6 vrachtwagen-trailer combinaties t.b.v. vervoer en opslag, mobiele keuken, sanitaire combinaties,
KMAR Detachement10+ 8 tijdens deployment/redeployment9 jeeps
   
Contingentscommando298 jeeps
   
Verkennings Peloton226 jeeps
   
KM Genie Peloton268 jeeps, diverse vrachtwagens.
   
A-Coy1536 Patria's, 17 jeeps, 9 vrachtwagens, generatoren, organieke bewapening.
   
B-Coy1536 Patria's, 17 jeeps, 9 vrachtwagens, generatoren, organieke bewapening.
   
C-Coy1536 Patria's, 17 jeeps, 9 vrachtwagen, generatoren, organieke bewapening.
   
H-Coy1 (lso)(Canadees materieel)
   
LogBase1833 Patria's, 22 jeeps, 34 vrachtwagens, 7 forklifts, mobiele keuken en sanitaire voertuigen
   
Field Dressing Station453 jeeps, ambulance
   
Helikopterdetachement15016 jeeps, 1 Crashtender, generatoren, ca. 20 diverse vrachtauto's t.b.v. transport en opslag, mobiele keuken en sanitaire voertuigen.
   
Genie-eenheid (KL)714 YKZ's (kiepauto), 4 universele bouwmachines met aanhangwagen, 4 YTH's met broshuis (trekker met oplegger), 2 YAZ's (tankauto), 2 constructiesets.

1 Het ten behoeve van een mogelijke extractie-operatie in te zetten Apache-helikopterdetachement (130 militairen en 4 Apache-helikopters) is niet in het overzicht opgenomen.

EenheidActiviteiten
Hr. Ms. RotterdamTransporteren van materieel naar SPOD Massawa, aldaar logistiek platform en ondersteuning konvooitransporten, medische ondersteuning in de AOR, verzorgen retourtransport van geniematerieel naar NL.
  
NECBAT StafcompagnieHoofdkwartiertaken voor NECBAT.
  
KMAR detachementPolitiediensten t.b.v. de NL-militairen.
  
ContingentscommandoDagelijkse informatievoorziening ten behoeve van de CDS.
  
Verkennings PelotonRoute- en gebiedsverkenningen t.b.v. NECBAT.
  
KM Genie PelotonOndersteuning opbouw compounds.
  
A-CoyInrichten en beheren check-point; bij toerbeurten QRF taken uitvoeren.
  
B-CoyInstandhouding grensposten en uitvoeren dag- en nachtpatroulles.
  
C-CoyDoor dagelijkse voet- en gemotoriseerde patrouilles wordt de AOR geobserveerd, bij toerbeurten QRF taken uitvoeren.
  
H-CoyInitieel werd deze locatie door personeel van de B-coy bemand; deze locatie wordt door de Canadese eenheid bemand.
  
LogBaseOntvangst en doorvoer van al het naar het missiegebied ingebracht materieel. Ondersteuning instandhoudings-activiteiten.
  
Field Dressing StationUitvoeren van Role 2 + medische ondersteuning voor het NECBAT en, op verzoek van FC UNMEE, voor alle militairen in UNMEE. Medio februari wordt het Jordaanse veldhospitaal operationeel inzetbaar, waarna de medische ondersteuning in principe wordt beperkt tot het NECBAT.
  
HelikopterdetachementUitvoeren van medevac en ondersteunende vluchten. (uitgevoerd 5 medevac en 177 ondersteunende vluchten; 225 vlieguren); in rapportageperiode 1300 pax vervoerd en 85 000 kg cargo.
  
Genie-eenheid (KL)Verzetten grondwerk en inrichting compounds. De KL genie-eenheid is per 26 januari naar NL teruggekeerd.

OVERZICHT UNFICYP (UNITED NATIONS PEACE-KEEPING FORCE IN CYPRUS)

UNFICYP ziet sedert 1974 toe op de handhaving van de overeengekomen bufferzone tussen de Griekse en Turkse partijen in het conflict. Het mandaat van de Verenigde Naties is wederom met een half jaar verlengd tot 15 juni 2001. Nederland draagt bij met 100 militairen aan het Britse contingent in sector 2 van de Bufferzone, de Mobile Force Reserve (MFR), de Force MP en staf UNFICYP. De Nederlandse bijdrage, samen met een onder bevel gestelde UK peloton, is geconcentreerd in sector 2-west. In dit eigen vak van verantwoordelijkheid in de Britse sector leveren de Nederlandse militairen hun bijdrage aan het welslagen van de missie en dragen bij aan het voorkomen van een hervatting van de vijandelijkheden tussen die beide gemeenschappen. De Nederlandse bijdrage aan UNFICYP loopt tot juni 2001. De Nederlandse eenheid zal worden afgelost door een Engelse eenheid.

Ingezette middelen

De Nederlandse bijdrage bestaat uit een detachement van 97 militairen van de Koninklijke Landmacht en 3 militairen van de Koninklijke Marechaussee alsmede één functionaris in het hoofdkwartier van UNFICYP.

EenheidActiviteiten (24-uurs dienst)
«Bengal»-peloton en «Falcon»-pelotonbeveiligen bufferzone (cease fire line) – posten op waarnemingstoren, – patrouillegang, – optreden als «snelle-reactie eenheid»
«MFR»-peloton– bewaking/beveiliging op de UNPA – uitvoeren van patrouilleversterkingsopdrachten – evt. optreden als crowd control unit

OVERIGE OPERATIES

UNIPTF (United Nations Police Task Force).

Het UNIPTF-personeel, waaronder 55 Nederlandse marechaussees, heeft tot taak het observeren, inspecteren, begeleiden en rapporteren over alle activiteiten op het gebied van wetshandhaving, alsmede het observeren, adviseren en trainen van Bosnisch politiepersoneel.

UNTSO (United Nations Truce Supervision Organisation).

In deze missie houden militaire waarnemers toezicht op de bestandslijnen tussen Israël en haar buurlanden. Ten behoeve van UNTSO leveren de Koninklijke Landmacht, de Koninklijke Luchtmacht en de Koninklijke Marine in totaal 11 militaire waarnemers en één staffunctionaris in Libanon. Sinds het vertrek van de Israëlische strijdkrachten uit Zuid-Libanon is het in dit gebied relatief rustig gebleven en kunnen de waarnemers (waaronder 3 Nederlanders) hun werk naar behoren uitvoeren. Mede als gevolg van de UNTSO presentie is de situatie op de Golanhoogte nog steeds rustig en kunnen de waarnemers (waaronder 8 Nederlanders) ook hier hun werk naar behoren doen.

In de periode medio oktober–medio november zijn 4 gezinnen van UNTSO-waarnemers tijdelijk naar Nederland gerepatrieerd als gevolg van de veiligheidssituatie in Israël. De Verenigde Naties had deze veiligheidsmaatregel genomen als reactie op de onrusten in het land. De situatie in Israël heeft zich gestabiliseerd met uitzondering van de Gazastrook, de Westbank en Oost-Jeruzalem.

MAPE (Multinational Advisory Police Element).

De taak van het MAPE is het opzetten en toezien op de wederopbouw van het politie-apparaat in Albanië. De Koninklijke Marechaussee draagt aan deze operatie bij met personeel (9 personen) dat adviseert en instructie geeft. De training van het lagere politiekader door MAPE instructeurs (w.o. de NL instructeurs) lijkt succesvol te zijn verlopen. MAPE wil nu de aandacht meer gaan richten op het adviseren van het hogere kader in de diverse directoraten. Dit impliceert dat er behoefte kan ontstaan aan hoger gekwalificeerd personeel.

ECMM (European Community Monitor Mission).

Deze waarnemersmissie richt zich onder meer op overleg met lokale civiele, kerkelijke en militaire autoriteiten over gevangenenruil, uitwisseling van gesneuvelde militairen, gezinsherenigingen, voedseldistributie, terugkeer vluchtelingen, ontheemden en evacués en herhuisvesting. Het missiegebied van de ECMM strekt zich naast Bosnië-Herzegowina uit over de Federale Republiek Joegoslavië, Kosovo, Kroatië, Montenegro en Albanië. Gezien de ontwikkelingen op de Balkan is besloten meer de aandacht te gaan richten op Kosovo, de Federale Republiek Joegoslavië, Montenegro en Albanië, in plaats van op Kroatië en Bosnië. De door de ECCM-monitors verzamelde informatie wordt niet alleen aan de hoofdsteden van de EU, maar ook aan andere internationale organisaties die in die regio werkzaam zijn, bekend gesteld. Vanaf 010699 zenden alle krijgsmachtdelen militairen uit. Nederland neemt deel met 8 militairen. Als gevolg van een verdere reductie van de ECMM zal Nederland vanaf januari 2001 nog met slechts 4 monitors deelnemen aan de ECMM. Naar verwachting zal ook het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1 of 2 functionarissen aan de ECMM laten deelnemen.

OVSE (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa).

A. Nederland is in Moldavië vertegenwoordigd met één officier als waarnemer. Deze militair van de Koninklijke Landmacht maakt deel uit van een (kleine) OVSE-missie, die helpt bemiddelen in het conflict tussen de Republiek Moldavië en Trans-Dnjestrië en toeziet in de terugtrekking van het Russische militaire materieel uit Moldavië en Trans-Dnjestrië. In de missie wordt slechts geringe voortuitgang geboekt. Feit is dat de vijandelijkheden niet zijn hervat en de Russen nog steeds in overleg zijn met Moldavië en Trans-Dnjestrië over terugtrekking. Het eerste transport van Russisch materiaal heeft plaatsgevonden en er vindt overleg plaats over vervolg transporten.

B. Twee Nederlandse militairen worden in Albanië ingezet als waarnemer aan de grens tussen Albanië en Kosovo en in een logistieke functie op het hoofdkwartier in Tirana. Alle krijgsmachtdelen dragen – bij toerbeurt – bij aan deze missie. De missie adviseert de Albanese autoriteiten over humanitaire, economische en politieke zaken en veiligheidsaangelegenheden en coördinereert daarnaast tussen de verschillende internationale organisaties.

CMAC (Cambodian Mine Action Centre)

Sinds 1992 heeft in Cambodja Nederlands defensiepersoneel lokaal personeel geadviseerd op het gebied van het ruimen van mijnen en explosieven. Met name de laatste jaren concentreerden deze adviezen zich op het gebied van Explosive Ordnance Disposal (EOD). Er ontstond echter bij de lokale organisatie meer behoefte aan algemeen management advies in plaats van technisch advies. In combinatie met de vrij geïsoleerde werk- en leefomstandigheden van het Nederlands personeel is besloten de Nederlandse bijdrage aan deze missie per 1 oktober 2000 te beëindigen. Hiermee is een eind gekomen aan 8 jaar Nederlandse presentie, waarin veel en goed werk is verricht onder meer op het gebied van terugkeer van vluchtelingen en ontmijning.

FEDMAC (Federation Mine Action Center)

Sinds 1 september 1998 draagt Nederland bij met één Technical Advisor (KL) in de staf van het Federation MAC in Sarajevo. Sinds een recente reorganisatie brengt de Nederlandse militair rechtstreeks advies uit aan de (Bosnische) directeur van het Federation MAC. De advisering betreft operationele, orgranisatorische en bedrijfsvoeringsaangelegenheden.

UNMIBH (UN Mission in Bosnia and Herzegovina).

In het kader van de implementatie van het «Dayton Peace Agreement» participeert Nederland met één militair in UNMIBH. Vooruitlopend op een mogelijke beëindiging van de aanwezigheid van de Verenigde Naties in Bosnië is door de Verenigde Naties aangegeven dat er geen noodzaak is de Nederlander (van het Korps Mariniers) in juni af te lossen.

UNMIK (United Nations Mission in Kosovo).

Als onderdeel van UNMIK is de United Nations International Police (UNIP) belast met het opzetten van een politiemacht in Kosovo. Een kolonel van de Koninklijke Marechaussee heeft hierin tot juli geparticipeerd.

MIF (Multinational Interception Force).

Een multinationaal vlootverband opereert in de Arabische Golf met als taak het toezien op de naleving van de VN-sancties tegen Irak. Nederland draagt sinds 1996 jaarlijks gedurende enkele weken bij aan de MIF met een fregat en een maritiem patrouille vliegtuig P-3C Orion

Ingezette personele middelen

Hieronder volgt een overzicht van de personele middelen t.b.v. de kleinere operaties. Gezien de – relatief – geringe uitgaven behorende bij deze operaties, zijn deze niet verbijzonderd. Bij de onderstaande operaties is geen sprake van de inzet van groot materieel.

OperatiePersonele bijdrage
UNIPTF55
UNTSO11
MAPE9
ECMM18
OVSE3
FEDMAC1
CMAC3
UNMIK1
MIF175

BIJLAGE 3 Investeringscyclus

KmdMaterieelAantal in gebruikInvoeringUitfasering oorspronkelijkUitfasering huidig schemaInzetEffecten/gevolgen/bijzonderheden
KMGW-fregat1197620012002VN-embargo ServiëGeen
KML-fregat2198620112011Golfoorlog MIF VN-embargo ServiëGeen
KMS-fregat31981–19832006–20082003–2005Golfoorlog MIF VN-embargo Servië KosovoUitfasering vervroegd op grond van aangekondigde inkrimping in Defensienota 2000
KMM-fregat81991–19952016–20202016–2020MIF VN-embargo Servië KosovoGeen
KMLynx helikopter211976–19802001–20052007–2012Golfoorlog MIF VN-embargo Servië Kosovo UNMEEDe Lynx zal vanaf 2007 door de NH-90 worden vervangen. Door latere invoering van de NH-90 is de uitfasering van de Lynx vertraagd. Hierdoor zullen de exploitatiekosten van de Lynx toenemen.
KMBevoorradingsschepen 2    In 2001 zal de Zuiderkruis een levens-
 – Zuiderkruis – Amsterdam 1975 19952000 20202011 2020Golfoorlog VN-embargo Serviëverlengend onderhoudsprogramma ondergaan waarmee de huidige geplande uitfaseringsdatum van 2011 kan worden bereikt.
KMAmfibische schepen1199820232023Kosovo UNMEEGeen
KMOnderzeeboten41992–19942017–20192017–2019KosovoGeen
KMMijnenbestrijdingsvaartuigen151983–19892008–20142020 3 x 2000–2002Golfoorlog KosovoMet de uitvoer van het PAM wordt de levensduur tot tenminste 2020 verlengd.
KMMaritieme Patrouille Vliegtuigen131981–19842015+2015+ 3 x 2001–2003MIF VN-embargo Servië KosovoTen behoeve van de Kosovo operaties zijn drie vliegtuigen van zelfbeschermingsmiddelen voorzien. Met de uitvoer van het CUP wordt de operationele levensduur tot tenminste 2020 zekergesteld.
KLYPR1 5051977–1980 1983–19852007–20252007–2025UNPROFOR SFOR KFORIntensief gebruik van uitgezonden materieel leidt tot verhoogde slijtage, mede door slechte lokale infrastructuur. Hogere investerings- en exploitatiekosten i.v.m. modificaties en onderhoud aan uitgezonden materieel. Door capaciteitstekort is achterstand in onderhoud ontstaan.
KLLeopard II1801982–19882010–20142010–2014SFORGeen (materieel wordt weinig verplaatst). Met KWS programma is de operationele levensduur tot tenminste 2010 zekergesteld.
KLLeopard II bergingstank251992–199320252025KFOR SFORGeen
KLM109126196819902004–2013KFORGeen (materieel wordt weinig verplaatst). Materieel wordt vervangen door nieuwe vuurmond (PzH2000) i.v.m. bereiken einde levensduur.
KLMB290GD4 5701995–19982010–20132008–2013UNPROFOR SFOR KFOR IFOR EFOR UNMEEIntensief gebruik van het uitgezonden materieel leidt tot verhoogde slijtage en uitval, mede door slechte lokale infrastructuur. Gevolg is hogere exploitatiekosten en toename van total-losses.
KLY-44424 9251988–19932009–20122009–2012UNPROFOR SFOR KFOR IFOR EFOR UNMEEIntensief gebruik van het uitgezonden materieel leidt tot verhoogde slijtage en uitval, mede door slechte lokale infrastructuur. Gevolg is hogere exploitatiekosten, toename van total-losses en toenemend gebruik van reservematerieel.
KLY-23001 7001984–19872004–20072010–2013UNPROFOR SFOR KFOR IFOR EFOR UNMEEIntensief gebruik van het uitgezonden materieel leidt tot verhoogde slijtage en uitval, mede door slechte lokale infrastructuur. Gevolg is hogere exploitatiekosten, toename van total-losses en toenemend gebruik van reservematerieel. Het materieel loopt tegen de einde van haar levensduur en is met grote moeite rijdend te houden. De mogelijkheid wordt onderzocht om voor vredesgebruik binnen Nederland voorlopig voertuigen te huren.
KLY-33002551992–199420152015SFOR KFOR IFOR EFOR UNMEEIntensief gebruik van het uitgezonden materieel leidt tot verhoogde slijtage, mede door slechte lokale infrastructuur. Gevolg is hogere exploitatiekosten (mede door noodzaak omwisseling i.v.m. jaarlijkse kraankeuring) en toenemend gebruik van reservematerieel.
KLMB-TROPCO43199220022006SFOR KFORIntensief gebruik van het uitgezonden materieel leidt tot verhoogde slijtage, mede door slechte lokale infrastructuur. Gevolg is hogere exploitatiekosten en toenemend gebruik van reservematerieel. In het kader van het project TROPCO wordt de optie van levensduurverlenging overwogen.
KLFM-90009 50019952010–20162010–2016SFOR KFOR UNMEEGeen
KLuF-161381979–19922010–2025 (vastgesteld bij D-fase MLU)2010–2025Deny Flight Deliberate Force Allied ForceVerhoogd gebruik leidt tot versnelde onderhoudsbehoefte. Gevolg is hogere exploitatieuitgaven.
KLuAH-64D Apache181998–20022018+2025+DjiboutiKlimatologische en terreinomstandigheden buiten Nederland leiden vaak tot grotere slijtage. Gevolg is hogere exploitatiekosten. Door kleine investeringen (b.v. coating van de rotorbladen) zijn hogere exploitatiekosten soms te beperken. Levering van 12 resterende helikopters vindt nog plaats.
KLuCH-47D Chinook131995–19992019+2019+IFOR SFOR KFOR UNMEEIntensiever gebruik leidt tot verhoogde slijtage. Gevolg is hogere exploitatiekosten.
KLuAS532U2 Cougar171996–19972017+2017+SFORIntensiever gebruik, onder langdurige vaak extreme omstandigheden, en het ontbreken van infrastructuur leiden tot verhoogde slijtage. Gevolg is hogere exploitatiekosten.
KLuBo-105CB(4) Bolkow151975Onbekend2004VN-monitoring IFOR SFOR KFORIntensiever gebruik en daardoor grotere slijtage dan in Nederland. Extra modificaties noodzakelijk. Gevolg is hogere investerings- en exploitatiekosten.
KLuAll-III Alouette41963Onbekend2004Tunesië Irak Turkije VN-monitoring Cambodja IFORGrotere slijtage a.g.v. klimatologische en terreinomstandigheden buiten Nederland.
KLuKDC-102199420152020–2025IFOR KFOR UNMEE SFORBeperkte aanvullende investeringen uitgevoerd i.v.m. vredesoperaties.
KLuC130H-30 Hercules2199320132020–2025Alle operatiesGeen
KLuF-60U Fokker4199620212020–2025Alle operatiesGeen
KLuF-50 Fokker2199620212020–2025Alle operatiesGeen
KLuPatriot4198520202025GolfoorlogTijdelijk intensiever gebruik waardoor hoger verbruik reservedelen en hogere onderhoudskosten.
KLuHawk PIP-III8196320042005GolfoorlogTijdelijk intensiever gebruik waardoor hoger verbruik reservedelen en hogere onderhoudskosten.
KM KLVN-voertuig901998–19992008+2014UNMEESpecifiek aangeschaft voor vredesoperaties. Nog te beperkte ervaring om gevolgen van inzet voor levensduur te kunnen beoordelen.

BIJLAGE 4 Overzicht brandstof- en energiegebruik

In onderstaande tabel is een, ongeverifieerd en onbewerkt, overzicht opgenomen van het energie- en brandstofgebruik over het jaar 2000. In het dit jaar te verschijnen Defensie Milieujaarverslag worden de complete en geverifieerde gegevens gepresenteerd. Een bijstelling van de gegevens is hierdoor mogelijk.

 
energiedragereenheidhoeveelheid
  COKMKLKluKmarDICOtotaal
ElektriciteitkWh15 131 51299 393 093121 242 26343 446 8264 931 86913 983 696298 129 259
Huisbrandolieliter 1 647 6262 532 8603 656 194285 002 8 121 682
Aardgasm33 032 5418 443 14146 576 5264 588 1252 519 4323 146 96968 306 734
HBO1liter55 000     55 000
Propaanliter  387 908582 360  970 268
         
Benzineliter103 654 168 37982 526638 300 992 859
Dieselliter353 359 2 443 6161 790 8621 447 300525 4936 560 630
Kerosineliter  21 762 52633 045 147  54 807 673
LPGliter    43 000 43 000
Scheepsbrandstofliter  68 100   68 100

BIJLAGE 5 Nederlandse Navo-rapportage met een overzicht van de Nederlandse bijdrage aan het Defence Capabilities Initiative (DCI) in 2000

Defence Capabilities Initiative (DCI)

AI:Action Item
DM:Deployability and Mobility
SL:Sustainability and Logistics
EE:Effective Engagement
SF:Survivability of Forces and Infrastructure
CC:NATO Consultation, Command and Control
DCIAI DescriptionNL Statement
DM1NATO nations will continue to review and should where necessary improve arrangements, including legal aspects, for military use of commercial rail, sea and airlift assets, as well as specialised air and sea port reception handling equipment and material.The Netherlands underlines the importance of strategic lift assets. Emergency legislation was changed two years ago in order to meet new requirements. It gives the Government sufficient tools to obtain commercial assets at short notice, also in a peacetime environment. National arrangements with commercial carriers are subject of further study. An operational link of the Allied Deployment And Movement System (ADAMS) has been established between MoDNL and HQ SHAPE. The national ADAMS policy has been implemented and is in accordance with NATO policy. The Netherlands uses military flat wagons with the capacity to transport all types of vehicles currently in use within the Netherlands' armed forces across Europe. Arrangements have also been made with the Netherlands Railway Company to have ambulance trains available. Arrangements with Dutch airline companies to make commercial airlift capacity available for medevac are under consideration. The RNLAF is able to load/unload its own transport aircraft (on-board loading system), and will decide to contribute to the International Airlift Control Element (IALCE) on a case-by-case basis. The Netherlands possesses a vast range of specialised air and sea port equipment. In view of size and required (static) infrastructure most of this equipment is not transportable nor usable in likely SPODS/APODS. The LPD and AOR have a limited capability for loading/offloading equipment through a shipborne crane. Therefore it is suggested, under the MJLC concept, that a further detailed appreciation should be made of required assets and possibilities for acquiring these assets.
DM2 The Alliance and nations should further develop arrangements for cooperative or shared use of sea and airlift in order to use these limited resources as efficiently and effectively as possible. Arrangements for cooperative or shared use of sealift and airlift assets exist (e.g. airlift MoUs with several nations) or are under development (e.g. MoU with UK for sealift), and for each operation ad hoc arrangements for shared/cooperative use are explored during NATO-led movement planning and deconfliction meetings. The Netherlands has Air Transport MoUs with Norway, Belgium, the UK, Germany and Ukraine. Also, the Netherlands is in negotiation with France on the establishment of an Air transport MoU. In addition, the Netherlands is participating in the European Air Group (EAG) Technical Arrangement (TA) on Reciprocal Air Transport including Air-to-Air Refuelling (AAR), which covers all EAG countries (France, Italy, Spain, the UK, Belgium, Germany and the Netherlands). Furthermore, the European Air Transport Cell (EATC) – as proposed by France and Germany – is supported in principle. France and the Netherlands have proposed that the European partners reflect on the maritime capabilities for strategic mobility required for the projection of forces.
DM3 NATO nations should improve their sea and airlift capabilities including through specialised deployable transport and reception capabilities in order to meet the deployment requirements of their forces and of NATO multinational headquarters. The RNLN operates 2 AORs, 1 LPD and plans to procure a second LPD. This provides strategic and tactical amphibious lift capacity for a reinforced battalion. In addition, the LPD can be used in a transport role. The second LPD will increase the tactical and strategic amphibious capacity and transport capability. Both AORs provide a limited strategic transport capability, not differing from what other nations can provide. With the LPD and AOR the transport and reception facilities are part of the design. The AORs require a jetty but can unload most equipment carried with own cranes. The LPDs carry landing craft. Therefore no port facilities are required and the own capabilities allow unloading with own means. The RNLN possesses no specialised deployable port facilities. Furthermore, the Netherlands possesses a vast range of specialised air and sea port equipment. In view of size and required (static) infrastructure most of this equipment is not transportable nor usable in likely SPODS/APODS. Therefore it is suggested, under the MJLC concept, that a further detailed appreciation should be made of required assets and possibilities for acquiring these assets. Recently enhanced strategic air transport consists of two KDC-10 (also for AAR), two C-130–30H, two F50 and four F60 aircraft. Furthermore, the Defence Staff is currently studying further strategic transport requirements.
DM4 NATO nations should enhance transportability of equipment by paying increased attention to standardised transportability design criteria. The NATO standardised transportable design criteria are always taken into consideration and financial consequences and possibilities permitting, implemented. The use of containers, containerisation and the implementation of ADAMS are a result of this policy.
DM5 The Alliance and nations should explore the feasibility of options for acquiring multinationally owned or leased sea and airlift assets for rapidly deploying forces. The Netherlands, together with NATO nations, NATO HQ and the NATO Civil Emergency Planning (CEP), Movement and Transportation Boards are exploring the feasibility of options for NATO to acquire and manage strategic lift assets. A centralised NATO «clearing house» on a voluntary basis to coordinate and to obtain civil assets on the commercial market, is supported by the Netherlands as a first step. The Netherlands supports the need for an outside contractor for further analysis. Besides this, the Netherlands encourages the German initiative to establish a European strategic airlift cell and has, together with France, proposed that the European partners reflect on the maritime capabilities for strategic mobility required for the projection of forces. Furthermore, the Defence Staff is currently studying further strategic transport requirements. Focus of interest for the Netherlands.
SL1 NATO nations should, in accordance with the agreed principle of collective responsibility for logistics, put in place measures or enablers to enhance cooperation and multinationality in logistics. The principal aim of the logistics policy is to support all armed forces during their continuous peacetime and crisis tasks. In general, operations will always be conducted in a multinational and joint environment, for which the various MC documents provide the guiding principles and policies upon which the logistic support of the armed forces is based. Currently, the Defence Staff is conducting the study «Operational logistic concept 2006», in which new logistic concepts are developed which cover, amongst others, the possibilities for involving the industry for supply, storage and maintenance in general terms. The Netherlands embraces the Multinational Joint Logistic Centre (MJLC) Concept. In addition, the Netherlands, together with Germany, is increasing the logistic cooperation as an element of the overall cooperation between both armies and forces within 1(GE/NL)Corps through implementation of the «deeper integration programme». The Netherlands strongly supports the LSM AHWG «NCCL», which provides the conceptual framework for cooperation in logistics within NATO. Focus of interest for the Netherlands.
SL2 The Alliance should immediately determine the resource and manpower implications of the Multinational Joint Logistic Centre concept (MJLC) which is essential to the Combined Joint Task Force (CJTF) concept, with a view to beginning the implementation of the MJLC concept by the end of 1999. The Netherlands embraces the Multinational Joint Logistic Centre (MJLC) Concept and supports the development of the concept and related doctrine.
SL3 The Alliance should examine, by mid 2000, the requirement for and the feasibility of establishing dedicated, multinational, military logistic formations. This examination should be incorporated within the ongoing development of the MJLC doctrine in general and the related concept of «Multinational Integrated Logistic Units» (MILUs) or «Theatre Logistic Units» (TLUs).
SL4 The Alliance should install the Logistics Functional Area Sub-System (LOGFASS) as the logistic component of the Alliance's Command and Control Information System in all NATO commands, including the headquarters of deployable forces, as soon as possible, complementing national systems An operational link of the Allied Deployment And Movement System (ADAMS) has been established between MoDNL and HQ SHAPE. The national ADAMS policy has been implemented and is in accordance with NATO policy. The Netherlands notes, however, that LOGFASS implementation may be affected by the results of the newly created AHWG «LOGIS (Logistics Information System Architecture)». The AHWG LOGIS will presumably show a top-down approach, where LOGFASS is basically a bottom-up development.
SL5a NATO nations should enhance interoperability through increased standardisation of materiel and procedures and the implementation of common standards. The Netherlands is a strong advocate of standardisation and supports this by active participation in the Military Agency for Standardisation (MAS) and by tailoring all units within the armed forces to its standards. In order to facilitate Article V operations, an agreement with GE has been made concerning medical treatment, evacuation and supplies for all units allocated to 1(GE/NL)Corps.
SL5b NATO nations should enhance medical interoperability through increased standardisation of medical support and medical evacuation, while taking all necessary measures to ensure a high quality of care. The Netherlands is a strong advocate of standardisation and supports this by active participation in the Military Agency for Standardisation (MAS) and by tailoring all units within the armed forces to its standards. For the various peace support operations in the Balkan AoO, ad-hoc multinational agreements with BE, CZ, GE and the UK have been made concerning medical treatment, evacuation and medical supplies. This has evolved in the establishment of a «Multinational Integrated Medical Unit (MIMU)» role 3 facility in Sipovo, the project of which has been submitted as a Nation Centred Activity under the umbrella of Concept Development and Experimentation. In order to facilitate Article V operations, an agreement with GE has been made concerning medical treatment, evacuation and supplies for all units allocated to 1(GE/NL)Corps. The new Light Utility Helicopters, which will be procured in the current planning period, will have a dedicated medevac capability. The medical facilities on board both LPDs in its PCRS role comply with the NATO Medical Standardisation Requirements to act as an echelon 2 medical facility.
SL6 The Alliance should study and develop arrangements for third party logistic support to NATO forces. The Netherlands supports this principle and is participating in the relevant NATO Working Groups. Furthermore, the Netherlands is currently conducting a study called «Operational logistic concept 2006». In this study, amongst other subjects, cooperation with and employment of civil companies in support of operational logistics for both peacetime employment as well as the support of the armed forces during the conduct of Crisis Response Operations is being considered. (See also SL1).
SL7 The Alliance and nations should attach high priority to logistics support capability requirements, including shore-based facilities, to sustain NATO forces effectively. The currently ongoing study «Operational logistic concept 2006» addresses this issue.
SL8 The NMAs and nations should examine the force structure requirements necessary to sustain a range of different, long-running operations, some of which may occur concurrently across the full spectrum of Alliance missions, with a view to ameliorating any shortfalls. This should be part of the discussion on the NATO Force Structure Review. After this review, this item can be completed. In order to sustain long-running (crisis response) operations, the Netherlands' armed forces are being restructured. This restructuring is characterised by a threefold structure, thereby facilitating mission preparation, mission execution and recuperation, and will be fully implemented in 2004. Logistic forces and assets have followed this reorganisation and thus meet the requirement to sustain long-running operations.
SL9In order to further enhance efficient use of logistic resources, the Alliance should improve its structures and procedures for cooperative logistics planning and management and enhance coordination between the relevant planning disciplines. The Netherlands is participating in the relevant NATO Working Groups.
SL10 The Alliance and nations should examine, and put in place or expand where appropriate, arrangements for cooperative acquisition and management of certain logistics stocks. Cooperative acquisition is considered as a matter of policy as an option for all major investment programmes. Efficiency of stock management is pursued through bi- and multinational (EG NAMSO) arrangements. In addition, through the mechanisms of multinational and joint funding as instigated through the discussions based on the IS document within the High Level Steering Group, the Netherlands is investigating which specific, high value stocks are worthwhile for cooperative acquisition and management. In order to further stimulate work on this subject, the Netherlands has submitted a non-paper on Virtual Stock Management and Warehousing in the High Level Steering Group. With this paper as a primary guideline, together with the European F-16 Participating Air Forces (EPAF), discussions have been started to research the possibilities for multinational procurement, storage, maintenance and even possible use of Precision Guided Munitions. In this regard, the Netherlands supports the UK proposal to address this issue in a broader sense. Focus of interest for the Netherlands.
SL11 NATO nations should examine, initiate decisions, and put in place where appropriate, shared industrial based contracts in order to provide a standby capacity for certain special items critical to sustainment. In order to guarantee the fuel supply of the armed forces in crisis situations, a standing agreement with oil companies exists in the Netherlands, should normal supply be hampered. The currently ongoing study «Operational logistic concept 2006» covers this issue by researching the possibilities to involve the industry for storage and maintenance of these items. (See also SL1). Awaiting the SC list of mission critical items, the Netherlands has already put in place numerous industrial based contracts for various types of equipment such as PGMs and propulsion systems for large surface combatants. In addition, the possibility for multinational procurement, storage, maintenance and even possible use of Precision Guided Munitions (SL10 and EE3) also covers this issue.
SL12 NATO nations should identify readiness and training requirements for units and/or personnel to enable them to be rotated in operations of long duration, bearing in mind that the balance of different military tasks to be performed may change during the currency of an operation. Measures are being implemented to meet the readiness and training requirements as described in MC 55/4, in order to align national standards to this document. The ongoing reorganisation of the Armed Forces in a threefold structure also facilitates these requirements. Furthermore, when deployed on any mission, the minimum training requirement of the unit and military personnel equals that for the full range of missions, thereby guaranteeing that the unit has the capability to shift focus during a Crisis Response Operation if the situation so requires.
SL13 The Alliance and nations should give priority to increasing the proportion of forces, especially logistics and other support units, that are available for the full range of Alliance missions. As a matter of principle, all Dutch forces are trained and equipped to fulfil all missions throughout the entire spectrum. In order to sustain long running (crisis response) operations, the Netherlands' armed forces are being restructured. This restructuring is characterised by a threefold structure, thereby facilitating mission preparation, mission execution and recuperation. Logistic forces and assets follow this reorganisation and thus will meet the requirement to sustain long-running operations.
SL14 The Alliance should develop and implement an integrated interoperable logistic information system architecture as part of the consultation, command and control process, which is also interoperable with national information systems, to facilitate the coordinated assessment, planning and management of logistic resources, including the continuous tracking of critical assets for NATO commands, agencies and nations. The Netherlands supports this principle and is participating in the relevant NATO Working Groups.
EE1NATO nations should pursue, and accelerate where this is feasible, their efforts to field capabilities needed to address the risks and potential threats posed by the proliferation of weapons of mass destruction and their means of delivery. MCCIS and LOCE/BICES are currently available for collection and dissemination of NBC-related data. All three Services have acquired or will acquire new warning systems to be used for NBC analysis. The incorporation of a lower-tier ATBM capability in the new Air Defence and Command Frigates is under investigation. Funds have been allocated in order to implement this possible capability in the 2010 – 2015 timeframe. All major units of the RNLN are equipped with a nuclear warning system. HNLMS Rotterdam and the Marine Corps units are equipped with a chemical detection system which will also be incorporated in all major units. The PDB-5/SD-5 upgrade of the PATRIOT missile systems, together with the delivery of PAC-3 missiles and additional launchers will give the RNLAF a full lower layer defence capability against TBMs. Focus of interest for the Netherlands.
EE2 The Alliance should complete work to ensure that NATO has a sufficient range of capabilities for the full spectrum of crisis response operations, including: – work on a policy for the development and use of non-lethal weapons technology in accordance with national and international law; – adapting weapons technologies for use in operations that have a particular emphasis on the requirement to minimise collateral damage. Currently, a national study is ongoing for a policy on the use of non-lethal weapons. Currently, all Services are in the process of studying and actually upgrading weapon systems with a focus on minimising collateral damage, such as the development and modification of the «dumb» Mk 82 & 84 bombs with a GPS guidance device.
EE3 The Alliance should encourage the continued development and acquisition by nations, on a cooperative basis where appropriate, of sufficient quantities of all-weather precision guided munitions to permit all Allies to contribute to operations where such munitions are required. The Netherlands considers this issue to be of high importance and has therefore started discussions with the other European F-16 Participating Air Forces (EPAF: BE, DA, NL, NO) to investigate the possibilities for mutual procurement, storage, maintenance and use of Precision Guided Munitions, possibly through the mechanism of «Virtual Warehousing». The Netherlands has submitted a non-paper on Virtual Stock Management and Warehousing in order to facilitate these discussions. The RNLA plans to acquire Sensor Fused Munition (SFM) and Fibre Optic Guided Weapons (FOGW), both could be seen as ground delivered PGM. The RNLN is currently investigating the possibilities of equipping naval forces with a (medium range) Land Attack capability with this kind of ammunition. Focus of interest for the Netherlands.
EE4 More NATO nations should provide capabilities for suppression of enemy air defences and support jamming, particularly in the field of electronic counter-measures. These capabilities are considered to have an impact on resources which goes beyond the national budget. The Netherlands supports this requirement in principle, but is of the opinion that these capabilities should be acquired through multinational or joint funding mechanisms as instigated in the High Level Steering Group. Procurement of these types of system is not foreseen for the RNLAF for the coming planning period.
EE5 In order to strengthen Alliance capability in the field of combat identification, NATO nations should investigate and agree upon a suitable interoperable interim solution to the provision of an Alliance Combat Identification capability. The RNLA has started a Soldier Modernisation Programme. One of the projects is CIDDS, Combat Identification Dismounted Soldier System. The RNLA is planning Combat ID systems from 2004 onwards, also depending on the STANAG on Combat ID, to which the systems will comply. The RNLAF supports the NATO Air Force Armaments Group in the Air-to-Surface Identification Working Group (ASCID WG). Link 16 will be introduced in the RNLAF. Currently IFF Mode 4 is being used. Introduction of mode 5 is under consideration. Technical feasibility of the Joint Combat identification System is being questioned, however. The RNLN is using MCCIS, link 16 and link 22, and IFF mode 4, which facilitate this objective. Furthermore the RNLN is studying the possible impact of the civil Automated Identification System (developed and expected to be prescribed by the IMO). Focus of interest for the Netherlands.
EE6 NATO nations should pursue the development of surveillance and reconnaissance systems, particularly unmanned and stand-off systems, capable of rapidly processing and disseminating data and imagery in an interoperable manner with a view to fielding such systems. As part of this work the NATO owned and operated core capability of an Alliance Ground Surveillance system should be defined with priority as well as its financial aspects.The acquisition of long-range drones and UAVs has been anticipated in the army and air force plans, the equipment is expected to enter service beyond 2004. In addition, the Netherlands has procured a short range UAV (Sperwer) and is cooperating with France and Sweden for further development of this system. The RNLN participates in NATO PG 35 (development of maritime shipborne UAV) and is investigating the possibilities for a UAV system on board the Air Defence and Command frigates. An advanced «near-real time» tactical air reconnaissance system to replace the ORPHEUS pod is planned to be procured and introduced into the RNLAF beyond the current planning period. In the future the capability upkeep programme of MPAs will enhance surveillance and reconnaissance capabilities, which can be used to support and conduct both sea and land operations. Affordability of a NATO core ground surveillance capability is of great concern to the Netherlands. A precise estimate of the costs of this capability should be available before the Netherlands decides on participation. In this respect, the Netherlands is currently participating in the WEU satellite centre and is considering participation in the SOSTAR project. Focus of interest for the Netherlands.
EE7 NATO nations should strengthen their multinational exercise programmes in order to improve their ability to act together in a theatre of operations. In 1998, the British and the Netherlands Chiefs of Defence Staff signed an «Exchange of Letters», the main purpose of which was to enhance the interoperability between both armies in the field of Crisis Management Operations. This cooperation considers includes aspects such as harmonisation of doctrine and training programmes. Within 1(GE/NL)Corps, the «deeper integration programme» describes and develops opportunities for closer cooperation in the field of exercises and training. As part of this «deeper integration», units and personnel of both the GE and NL division take part in each other's exercises. The RNLA has a considerable multinational exercise programme with units participating in major NATO exercises (RC-North and MND-(C)) and in PfP-exercises, as well as «own-exercises» with multinational participation. The RNLAF provides an annual (F-16) Fighter Weapons Instructor Course at Leeuwarden AFB, which is open for NATO participation. In order to improve the ability to act together in a theatre of operations, the RNLAF also participates in a Deployable Air Task Force (DATF) with Belgium and Luxembourg, and in the European Air Group (EAG). Furthermore, the RNLAF participates in a trilateral EAD Task Force in Burbach (GE), together with the United States and Germany. The RNLN participates in the Flag Officer Sea Training in Plymouth. The Submarine Command Officers Course at Naval Base Den Helder is open for (non) NATO participation. The same is applicable for the Naval Task Force training programmes. As part of the UK/NL amphibious force and its participation in a number of NATO and multinational exercises, the RNLN actively participates in enhancing mutual understanding of doctrine and tactics with other nations for cooperation in future theatres of operation. Also, as part of a bilateral agreement with the US, the RNLN participates, together with a number of other nations, in US Joint Task Force exercises. These exercises support mutual understanding of procedures, tactics and interoperability. Focus of interest for the Netherlands.
EE8 The Alliance should examine the implications of long-term non-Article 5 operations for interoperability of forces.The results of this examination should be incorporated within the Force Structure Review as NATO is currently conducting it. The lessons learned from the recent operations in the Balkans should also be reflected within this Review.
EE9 NATO nations should support the development and implementation of operational simulation devices in order to enhance interoperability in training and the decision-making process.Within the RNLA, the new KIBOWI 3.1 war gaming facility, which facilitates CAXs up to and including brigade level, is fully operational. For war gaming at corps and divisional level, the RNLA cooperates with the GEA in the use of the KORA-GUPPIS system. The RNLA is also willing to extend the existing cooperation and will participate in the modernisation and upgrading of the GUPPIS Training Centre at Wildflecken in Germany. The RNLAF TMD exercise «Joint Project Optic Windmill (JPOW)» also facilitates this capability. JPOW has also been submitted to SACLANT as a CDE «Nation Centred Activity (NCA)», thereby opening the possibility of further enhancing the lessons learned from this exercise. The RNLN approaches this topic as by-products from studies on future Command & Control and Combat Management Systems and C4I within the maritime (and joint) environment. These studies are being conducted under a RNLN R&D programme with the Netherlands' Organisation for Applied Scientific Research (TNO). Where opportune, information exchange on this topic takes place in the appropriate national joint fora and in the appropriate groups under the NNAG and/or NC3O. Focus of interest for the Netherlands.
EE10 NATO nations should examine and modify if needed, the drawing up of STANAGs, notably speeding up the ratification process. The Netherlands participates actively in the MAS. The ratification process as such facilitates the possibility for adequate ratification, but it is up to the nations to comply in an appropriate manner.
EE11 The Military Committee, in playing its role with regard to the development of Concept Development and Experimentation (CDE), should facilitate information flow about CDE activities led by different nations and facilitate Allied military participation in such activities. The Netherlands has submitted the following projects to SACLANT to be incorporated as «Nation Centred Activities (NCAs)» within the CDE programme: – The development of the Regional Command North Civil-Military Cooperation (CIMIC) Group Headquarters. – Command & Control support based on ATCCIS principles. – The Theatre Missile Defence Exercise «Joint Project Optic Windmill». – The development of Multinational Integrated Medical Units (MIMUs). Focus of interest for the Netherlands.
EE12 The Military Committee should consider the terms of reference and working practices of the Military Agency for Standardisation with a view to accelerate and coordinate effort in the development of policies and doctrine, including those related to non-Article 5 missions and the role of Partners. The Netherlands participates actively in the MAS.
EE13 The Alliance should examine the feasibility of developing an agreed NATO policy on training, evaluation and exercises, including the issues of related funding and the involvement of Partners, in order to better harmonise training effort and so improve operational effectiveness. An improved contribution by the NATO Training Group and the ACE Command and Staff Training Programme should also be considered in this context. The Netherlands participates actively in the NTG, but is in favour of a more joint approach.
EE14 The Alliance should examine the feasibility of applying the Bi-MNC approach to the prioritisation of Standardisation Requirements to other relevant planning disciplines. The Netherlands fully supports the ongoing work by the Strategic Commanders on this issue and deems it of the utmost importance that an integral prioritisation tool, applicable throughout the entire NATO Defence Planning Process, will be developed.
EE15 The High Level Steering Group should develop detailed proposals for Clearing House mechanisms within NATO which would fully involve the NMAs, to facilitate and coordinate information exchange amongst Allies and where appropriate between Ally and Partner nations contributing to multinational forces; such mechanisms could cover the composition and structure of these forces, lessons learned particularly on interoperability, and could focus on facilitating and exchanging information on training and exercises and future plans, including a long-term exercise programme, and issues related to force rotation. The proposals should make provision for full WEU involvement as appropriate. This work should be carried out with the aim of permitting implementation before the end of 1999. Nothing to report (NTR).
EE16 The NMAs should, within the existing exercise structure, take every opportunity to exercise multinational forces within NATO, and, as appropriate, Partner and Allied/Partner formations in order to promote inter alia robust C2 procedures and common doctrine while fully maintaining the value and training capacity of exercises for Allies. Such exercises should where possible invite appropriate multinational HQs that are not assigned to NATO to participate in or observe these exercises. Where WEU operations making use of NATO assets and capabilities are being exercised, this will be done with WEU involvement. A report on such exercises should be presented to Defence Ministers by December 1999. NTR
EE17 The Alliance will consider, by June 1999, how, for the Allies and Partners concerned, the relevant mechanisms of Alliance force planning and PARP can best be applied to multinational formations formed by Allies (consisting only of forces declared to NATO), Partners and between Allies and Partners. NTR
EE18 NATO nations should continue to develop and field, on a cooperative basis where appropriate, day/night, all-weather air weapons systems The F-16 Midlife Update will be completed in 2001. The F-16 MLU programme is a cooperative project with the European Participating Air Forces (EPAF, BE, DK, NL, NO) of the Multi-National Fighter (MNF) countries. In the 1999/2000 timeframe, 20 navigation and targeting pods will be introduced. Due to the Kosovo crisis, three of these pods have been introduced already. An all-weather Air Defence and a night/under the weather, and precision bombing capability will be established by then. All RNLAF helicopters, except for the AL-III are equipped with night-vision devices, which make them fully capable for night operations. The Apache AH-64 is capable and is equipped with the Hellfire missile system. The RNLN will introduce the all-weather capable NH90 helicopter which will have provisions for air-to-surface guided missiles.
EE19 NATO nations should develop, with a view to fielding, interoperable joint Combat Identification systems covering all aspects of the air/land/maritime battlespace. The RNLA participates in the Combat ID WG under the authority of the NAAG (see also FG EG3021). The RNLN is participating in various NATO working groups under the authority of the NNAG. The RNLAF participates in the ASCID WG under the authority of the NAFAG. From a joint perspective NL participates in the Identification Subcommittee and working groups under the NATO C3 Board.
EE20 The Alliance and nations should acquire an airborne ground surveillance system consisting of a minimum essential NATO-owned and operated core capability, which would be supplemented by interoperable national assets as part of a system of systems. The Netherlands supports this requirement in principle, but affordability of a NATO core ground surveillance capability is of great concern to the Netherlands. A precise estimate of the costs of this capability should be available before the Netherlands decides on participation. The Netherlands is considering participation in the SOSTAR project.
EE21 The Alliance should explore the need to improve NATO's early warning capability, in particular through the continued implementation of the Air Command and Control System. The Netherlands fully supports the ACCS concept, but has serious reservations on two aspects of its contents. The proportion «static» versus «deployable» capabilities and the total number of entities do not reflect the current and future security environment, nor does the technical requirement regarding protection (e.g. «hardening»). The Netherlands does, on the other hand, contribute to the NATO DARS programme. Early development of a Maritime-Land-ACCS interface and inclusion of ACCS as part of the Bi-SC AIS Air FAS should be given high priority. Focus of interest for the Netherlands.
EE22 NATO nations should ensure that their forces have the flexibility to address a wide range of missions including conventional battlefield functions as well as specialised capabilities, for example, to promote civil-military cooperation and to support the implementation of civil aspects of peacekeeping and crisis management.In order to increase the availability of combat effective forces, able to conduct all missions in the full spectrum of operations (from Crisis Response to Collective Defence) all active forces have to meet the respective requirements. In order to meet these requirements, all forces are currently given basic training in all battlefield functions, placing emphasis on the specific capabilities if the Crisis Response – or Collective Defence – mission so requires. One of those specific capabilities is for example the Crowd & Riot Control training in preparation for a Crisis Response Operation. The Netherlands has developed a national Defence CIMIC Policy and a CIMIC Policy on the Operational CIMIC Staff Capacity. The nucleus text of these two policies is an integral element of the Defence White Paper 2000. The Netherlands accepts the CIMIC Force Proposals and will provide roughly 50 % of the Framework for this CIMIC Group (CIMIC Group North), one General CIMIC Support Company and some 120 functional specialists. This CIMIC Group, formed by nations from the northern NATO region, should be a multinational CIMIC Group in which the Netherlands will cooperate with Germany and other NATO countries within RC-N. These NATO nations, and especially Germany, will provide the other 50 % personnel in the Peacetime Establishment, the Crisis Establishment and the Emergency Establishment. The Peacetime Establishment of this CIMIC Group will number approximately 20 Dutch personnel and additionally, at least, some 20 personnel from other NATO nations from the northern region. The organisation will include some equipment to support this Peacetime Establishment. It is estimated that the CIMIC Group North will become operational by the end of 2001. Furthermore, the Netherlands has submitted this project to SACLANT to be incorporated as «Nation Centred Activity» within the CDE programme. Finally, the Netherlands will provide CIMIC Staffs to the headquarters of their national brigades and the division. Headquarters 1 (GE/NL) Corps has already been supplemented with a CIMIC Staff. If necessary the Netherlands can also provide CIMIC Staffs to the headquarters of battalions if deployed in a Crisis Response Operation. The CIMIC Staffs will be operational before 2001. Focus of interest for the Netherlands.
SF1 The Alliance should review the vulnerability of its communication and information systems to identify deficiencies in their resistance to interference and unauthorised access and subsequently to identify or develop remedial measures. All operational systems in the Netherlands are subjected to accreditation before being connected to a trusted secure network. A secure network for defence-wide information systems is being introduced using commercial-off-the-shelf and special designed soft- and hardware. Interim solutions, be they procedural or using hardware/software, have been taken to minimise the risks. Similarly a secure Tetra network is being developed for emergency services. In order to keep abreast of new NATO (and foreign) CIS vulnerabilities and to contribute to solutions to counter vulnerabilities the Netherlands participates in the Information Security Subcommittee, the Communications Network Subcommittee and working groups under the NATO C3 Board.
SF2 In accordance with the agreed policy on Extended Integrated Air Defence, the Alliance and NATO nations should explore the scope for further improving their air defence systems with a view to giving them a more effective capability against Theatre Ballistic Missiles and cruise missiles and other air breathing aerial vehicles.The PDB-5/SD-5 upgrade of the PATRIOT missile systems, together with the delivery of PAC-3 missiles and additional launchers, will give the RNLAF a full lower layer defence capability against TBMs and air targets with a small radar cross section within the lower and very low layers i.e. cruise missiles and ATMs. All frigates, AORs and the LPD have a self-defence capability against aircraft and missiles and the incorporation of a lower-tier ATBM capability in the new Air Defence and Command Frigates is being investigated. Funds have already been allocated to implement this capability. Furthermore, the new ADCF as well as the Heemskerck class frigates have an area AD capability. At the moment the Defence Staff is conducting an overarching study on the organisation and capabilities of the Netherlands Short Range Air Defence including integrated Air Defence Command and Control and capabilities, to address the emerging TMD threats in order to enhance the overall Extended Integrated Air Defence. Funds have been allocated for the implementation of the outcome of this study. Focus of interest for the Netherlands.
SF3 Alliance ground-based air defence capabilities, shortfalls and requirements should also be addressed with a view to achieving an overall effective defence. The fielding of new SHORAD systems, including C2 equipment, is planned, albeit that the replacement of old systems will not be executed on a «like for like» basis. The RNLAF takes part in the Extended Air Defence Task Force (EADTF), which was established in 1999 in Burbach (GE), together with Germany and the United States. This EADTF will address ground-based air defence capabilities, shortfalls and requirements including TMD and ABT, including CMs and ATMs. RNLA and RNLAF will establish a Joint Air Defence School and in the future a Joint Air Defence Centre. This concentration of Air Defence is intended to improve the national joint GBAD capabilities. The fielding of new SHORAD systems including a C2 capability is planned. Also interoperability with NATINADS and the TRIADS is planned. The area-AD capabilities of the ADCF may provide a significant coverage of seaports and airports which are located in the vicinity of shorelines.
SF4 NATO nations should complete the development of NBC personal protection equipment that is more operationally effective and have sufficient stocks to equip deployed forces where the threat so requires. In all Services, individual NBC protection gear (respirators and IPE suits) is available, new NBC protective suits are being evaluated. Replacement is planned from 2000 until 2008. Treatment is provided for victims of an attack with chemical agents. A new type has replaced the current type of atropine injectors. The RNLA is examining the improvement of medical treatment of personnel in an NBC environment. Personal decontamination equipment is available for all Services in sufficient quantities. The Netherlands regards the development, storage and use of a vaccine against respiratory anthrax infections as being of high importance, and is therefore participating in both the international working groups which conduct research in this field and is conducting its own national R&D programme at the Netherlands' Organisation for Applied Scientific Research (TNO). However, the effectiveness of these vaccines has not yet been proven in a B/C warfare environment with high doses of anthrax bacillus. Furthermore, the Netherlands' national health regulations comprise, among other things, a list of legally approved medication. The above mentioned vaccine is not included on this list and therefore cannot be stored or used by the Netherlands armed forces. Focus of interest for the Netherlands.
SF5 NATO nations should pursue, on a cooperative basis where appropriate, further work on the development of stand-off detection equipment against chemical and biological agents with a view to possible acquisition and to ensure that appropriate headquarters, base facilities and medical facilities have collective protection against these. The RNLA is testing a rapid alarm and identification detector (RAID) and an electronic precision detector for chemical gases (NEUS). In the RNLAF and RNLN, the upgrading of existing CAM/FAM equipment is planned to start in 2003. Furthermore, the Netherlands is conducting a national R&D programme at the Netherlands' Organisation for Applied Scientific Research (TNO), which covers this issue. Focus of interest for the Netherlands.
SF6 As a part of efforts to protect NATO forces, NATO nations should accelerate research and development of capabilities to improve avoidance of and protection against modern sea mines and torpedoes. Presently the Netherlands develops a staff requirement for the acquisition of a Torpedo test Bed in cooperation with the UK. This test bed should be operational in 2003. Within NG2/SG22, the Netherlands and the UK have offered other NATO nations to participate in this project.
SF7 NATO nations should develop the means to better share their views, experiences and lessons learned in such areas as NBC capabilities and training, and also in the development of the broader concepts regarding force protection, including capabilities to address terrorist action against forces and infrastructure. The Netherlands participates in the relevant NATO Working Groups and is furthermore developing a national, overarching policy on NBC Protection. Within the NATO Special Forces community, the RNLA Commando Corps and specific elements of the RNLMC cooperate with NATO partners in order to improve capabilities for addressing terrorist action against forces and infrastructure, both on national territory and in an operational environment.
SF8The Alliance should work on the development of upper layer capabilities and, should the threat evolve, explore the scope for extending the Extended Integrated Air Defence in depth to the upper layer and/or to the boost phase. NTR
SF9 NATO nations should adopt a modular approach to the provision of air defence assets to allow the tailoring of forces to meet the demands of a wide range of missions. The RNLAF, in cooperation with the RNLA, has already adopted the modular approach to meet the demands of a wide range of missions (F-16 flights instead of squadrons, TRIADS etc.).
CC1 The Alliance will accelerate the deployment of a single foundation, or core capability for ACE and ACLANT command and control information systems. The Netherlands will aim for implementation of or at least interoperability with the Bi-SC AIS. Concerning existing (legacy) systems and systems currently under development, the Netherlands will assist in realising a gateway. RNLAF uses ICC and a nationally developed management information system (OMIS-2). RNLA uses the ATCCIS based ISIS for Brigade level and above and BMS for lower echelons. RNLN uses MCCIS and aims for further (improved) interoperability with the Air and Land environment at the tactical/operational level on widespread datalink (L-11, L16, L22 + appropriate gateways) capabilities.
CC2 NATO nations should give a high priority to the development of interoperability between current generation tactical communications systems. As the Netherlands takes part in several permanent or semi-permanent multinational and/or NATO forces, a wide range of the Netherlands communication systems are used in tactical environments, and improved where needed based on a day to day experience. To test and improve these and other tactical communication systems, the Netherlands participates in international (NATO and multinational) interoperability exercises, focusing on communications systems (such as COMBINED ENDEAVOUR), or exercises which rely heavily on these communications systems (such as Joint Project Optic Windmill TBMD exercise and the Joint Warfare Interoperability Demonstrator). The Netherlands also actively participates in the NATO Interoperability Environment Testing Infrastructure (NIETI) project. The development of new Dutch tactical communication systems always includes the development into gateways of other systems, based on NATO standards or NATO approved civil standards. To encourage the development, use and testing of these standards, the Netherlands actively participates in NATO bodies such as the NATO C3 Board and its substructure. The development and introduction of the «Integrated Staff Information System (ISIS)» within the formation HQs of the RNLA is fully compliant with the guidance provided through the ATCCIS project. The related C2 support centre, which has been submitted as a Nation Centred Activity under the umbrella of CDE, also facilitates this issue. Although maritime tactical communications (ship-ship and ship-air) are already highly interoperable, improvement of voice and data connectivity with amphibious (and land) forces remains necessary. The Netherlands fully supports the development of software programmable digital radios that will enable waveform- and algorithm standardisation, exchange and accessibility and therefore interoperability. Focus of interest for the Netherlands.
CC3 The Alliance should give priority, within NATO commonly funded budgets and programmes, to the acquisition of an initial capability for deployable and augmentation command and control, in support of the full range of CJTF operations (which will become a full capability starting in 2004). The Netherlands participates in the NATO DCM programme and will, amongst others, contribute 60 personnel to one DCM. In addition, the Netherlands has started a feasibility study on an Afloat CJTF HQ on board the second LPD.
CC4 NATO nations and the NMAs will assess the need for a Wide Area Network (WAN), accessible to Allies and Partners to encourage common approaches to developing interoperable communication and information systems. The Netherlands Defence Board on Information Systems supports the initiative to develop a NATO Combined Wide Area Network (CWAN). The Netherlands appreciates the fact that the need for a NATO CWAN increases with the implementation of the implementation of related DCI decisions. Nationally a programme («Programma Management») has been set up to encourage and coordinate information technology development and information management (IT/IM) on a broad scale.
CC5 The Alliance will conduct a review of information security requirements to facilitate the development of interoperable solutions; including appropriate measures to permit secure communications between Allies and Partners in NATO-led PfP operations. The Netherlands participates in NATO security working groups that address this issue. Public Key Infrastructure (PKI) is regarded as being a possible solution to the security issue.
CC6 NATO nations will collectively develop a common view on military requirements for access to the radio frequency spectrum and should ensure this access is protected. The Netherlands recognises the territorial exclusiveness of the radio frequency spectrum. As stated in the DCI action item, there is a need for developing a common view on NATO military requirements, which should be undertaken in the NATO Frequency Management Sub Committee (FMSC). Nationally, the use of the spectrum is the result of close cooperation between military and civil authorities, where the ultimate decision lies with the Ministry of Transport. Military access to the wide radio spectrum within the NL cannot be guaranteed unconditionally, this being the result of a Frequency Management process, weighing the interest of all involved parties as directed by national law. NL will do its utmost to accommodate the military requirements of own and visiting forces. Civil participation in a high-level NATO frequency body is presently the subject of discussion within the NL.
CC7 The Alliance should develop a NATO Consultation, Command and Control System architecture by 2002 to form a basis for an integrated Alliance core capability allowing interoperability with national systems. The Netherlands fully supports the NATO project to establish the core capabilty at an early stage. Furthermore the Netherlands encourages the migration of this core element to BI-SC AIS (CC1). The Netherlands aims for interoperability nationally and within NATO with an emphasis on the core capability. This view is incorporated in the Netherlands IT/IV programme, «Programma Management». Focus of interest for the Netherlands.
CC8 A revised consultation, command and control planning process should be implemented by 2002 in order to provide a framework in which NATO, Allies and Partners can develop interoperable communication and information systems. Within MoDNL, the process for planning, development and procurement of C3I systems is under review. The current procedures are believed to be inadequate as regards the rapid developments in communications and information sytems. The current NATO planning procedures for C3I systems show similar problems and therefore also need revision. The revised process should facilitate a more evolutionary approach towards the development of C3I systems. The revision of this process is considered to be evolutionary, thereby granting the possibilities for an incremental approach towards these developments. In order to facilitate this process, the Netherlands recently submitted a non-paper on coordinating NATO's Defence Planning Disciplines, which gives recommendations for the procedures to be used. Focus of interest for the Netherlands.

BIJLAGE 6 Overzicht afgeronde onderzoeken

Naast de in Kamerstuk II 2000/2001 27 400, nr. 3 vermelde afgeronde onderzoeken werden in 2000 de navolgende onderzoeken afgerond.

beleidsterreinsoort onderzoekonderwerpdoelstellingresultaten
DefensiebreedBedrijfsvoeringsauditVerbetering Procesgang SubsidiesHet ontwikkelen van een doelmatige en rechtmatige procesgang t.a.v. het aanvragen, verstrekken en beheren van subsidiesDe aanbevelingen uit het onderzoeksrapport vormen de basis voor een herziening van de regelgeving.
     
DefensiebreedBeleidsevaluatie ex postBeleid Bedrijfsvoering Defensie 2000Het vaststellen van de doeltreffendheid van de implementatie van het Beleid Bedrijfsvoering Defensie 2000 (BBD 2000). Het bepalen van de mate waarin de implementatiedoelstellingen van het BBD 2000 zijn behaald.Hoewel een belangrijke stap voorwaarts is gemaakt, zijn nog niet alle implementatiedoelstellingen gehaald. De wijze van implementatie is overwegend positief ontvangen.
     
DefensiebreedBedrijfsvoeringsauditReview realisatie topprioriteiten financieel beheerHet verkrijgen van inzicht in de realisatie van de topprioriteiten financieel beheer en het geven van een oordeel over de mate van beheersing van het proces.In 2000 is een dertigtal topprioriteiten financieel beheer aangewezen. Vastgesteld is dat in de loop van 2000 het beheer is verbeterd. In een aantal gevallen is geconstateerd dat de beoogde effecten van de verbetermaatregelen later dan gepland worden bereikt. Op basis van de geleerde lessen wordt een monitorstructuur opgezet als onderdeel het bedrijfsplanmemorandum.
     
KMBedrijfsvoeringsauditBedrijfsvoering MarinierskapelHet creëren van inzicht en het doen van aanbevelingen over de doelmatigheid en doeltreffendheid van de bedrijfsvoering van de Marinierskapel.Aanbevelingen worden geïmplementeerd bij het inrichten van de nieuwe stafstructuur binnen de kapel.
     
KMBedrijfsvoeringsauditTransportvoorziening VGKAZDoen van aanbevelingen ter verbetering van de beheersing van de transportvoorziening VGKAZ.Nieuwe werkinstructies voor de transportgroep worden opgesteld en concrete afspraken met DVVO worden vastgelegd in een convenant.
     
KMBedrijfsvoeringsauditVoorschriftenbeheer binnen de KMHet opzetten van een beheersorganisatie die zorgdraagt voor een actueel en toegankelijk voorschriftenbestand binnen de Koninklijke Marine met gebruikmaking van de mogelijkheden van ICT-middelen.Aanbevelingen zijn gedaan om het voorschriftenbestand te actualiseren en de onderlinge overlap te verkleinen.
     
KMBedrijfsvoeringsauditInspectietaken Hoofd Geneeskundige dienst Zeemacht (GDZ)Inzicht in de doelmatigheid en doeltreffendheid en de positionering van het instrument inspecties van HGDZ en het doen van aanbevelingen tot verbetering.Kwaliteit van zorg is goed. Aanbevelingen zijn gedaan om meer vorm te geven aan een samenhangend kwaliteitssysteem waarbij gespiegeld is aan ISO 9001.
     
KMBedrijfsvoeringsauditCentrale Documentatie Informatievoorziening (CDI)Het onderzoeken van de impact van technologische ontwikkelingen op documentaire informatievoorziening en de bedrijfsvoering van de CDI.Aanbevelingen zijn gedaan om de aspecten rechtmatigheid, betrouwbaarheid en tijdigheid te vergroten. Het management is versterkt.
     
KMBedrijfsvoeringsauditMunitiebeheerVaststelling van logistiekadministratieve procedures van toewijzing en aanwezigheid van munitie. Aanbevelingen zullen worden meegenomen bij de implementatie van het nieuwe munitiebeheersysteem MUNBIS, dat op korte termijn zal worden gerealiseerd.
     
KMBedrijfsvoeringsauditExterne bemiddeling personeelHet evalueren van het gevoerde beleid t.a.v. externe bemiddeling van overtollig personeel. Aanbevelingen worden meegenomen in de herstructurering van de Dienst Externe Bemiddeling, die in gang is gezet.
     
KMBedrijfsvoeringsauditOntspanning, Sport en Ontwikkeling (OS&O) studies voor militair personeel Bepaalde Tijd (BT-personeel)De doelstelling van het onderzoek is vierledig: a) het geven van een oordeel over doeltreffend en doelmatigheid van de studieregeling voor BT-personeel. b) het geven van een oordeel over de passendheid van een open-einde regeling. c) de rol van de Koninklijke Luchtmacht als bevoegd gezag in deze. d) de bewaking van de teruggave van renteloze voorschotten.De resultaten van de audit zullen worden meegenomen bij de reorganisatie van de dienst externe bemiddeling.
     
KMBedrijfsvoeringsauditBehoeftestelling Kustwachtcentrum (KWC)Het definiëren van een heldere structuur waarlangs behoeftestellingen voor het Kustwachtcentrum worden afgehandeld waarbij eveneens duidelijk moet worden hoe het instandhoudingsproces binnen de CZMNED/KWC-organisatie kan worden belegd. Aanbevelingen ter vergroting van de onderlinge samenhang van informatievoorzieningssystemen zullen worden meegenomen bij de verdere inrichting van de informatievoorziening binnen het ressort van CZMNED.
     
KLFinancial auditInvulling, realisatie en verantwoording opgelegde taakstellingOnderzoek naar de wijze waarop de taakstelling in het kader van de Hoofdlijnennotitie/Defensienota in de begroting is verwerkt.Door middel van een tweetal versies van het APB 2000–2004 is een gedetailleerd overzicht beschikbaar van de begroting zonder (versie april 1999) en van de begroting met (versie juli 1999) de opgelegde taakstellingen in het kader van de Defensienota.
     
KLBeleidsevaluatie ex postMilitaire basiseisenHet evalueren van de invoering van de militaire basiseisen.Alhoewel de doelstellingen van het beleid nog steeds valide kunnen worden geacht, zijn ze slechts ten dele bereikt. Het doel van gegarandeerde inzetbaarheid is niet bereikt. Het doel om keuringen te kunnen verwezenlijken wel.
     
KLuBedrijfsvoeringsauditUitvoering verwervingsfunctieHet verkrijgen van inzicht in de wijze waarop de centrale en decentrale verwerving plaatsvindt, alsmede het geven van een oordeel over de effectiviteit en efficiency van de verwervingsfunctie.Dit onderzoek is vervallen in verband met een Defensiebreed onderzoek naar dit onderwerp.
     
KluBedrijfsvoeringsauditProject Lucht Verkeers Beveiligings (LVB) systemenInzicht verkrijgen in de wijze waarop en de mate waarin het project wordt beheerst.Uit het onderzoek is gebleken dat er sprake is van een over het algemeen beheerst project. Voorstellen tot verdere verbetering worden geïmplementeerd.
     
DicoBedrijfsvoeringsauditProgramma Verbetering Beheersprocessen (PVB) DicoHet verkrijgen van informatie voor C-Dico/Controller Dico over de kwaliteit van de opzet, het bestaan en de werking van de administratieve organisatie van de verbeterpunten van het Verbeterplan Dico.Bij dit onderzoek zijn twee fasen onderkend. Fase I heeft geresulteerd in een aanwijzing Dico. Fase II is op reguliere wijze in de bedrijfsvoering en in alle audits verankerd.
     
DicoBedrijfsvoeringsauditAdministratieve organisatie (AO)Het verkrijgen van informatie inzake de kwaliteit van de beschrijving van de processen en de gerelateerde onderhoudsorganisatie.Onderzoek is vervallen. Audits naar de administratieve organisatie worden niet meer afzonderlijk uitgevoerd, omdat de beoordeling van de administratieve organisatie een vast onderdeel is van de bedrijfsvoeringsaudits.
     
DicoBedrijfsvoeringsauditAdministratieve organisatie van het Veteranen InstituutHet verkrijgen van inzicht in de kwaliteit van de administratieve organisatie inzake de financiële processen.Dit onderzoek is vervallen, omdat de belangrijkste aandachtsgebieden buiten het Dico liggen.

BIJLAGE 7 Kengetallen en volumegegevens Algemeen

Ambtelijk burgerpersoneelEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Totaal personeelsaantal waarvan:aantal vte'n1 0151 04025
– actief burgerpersoneelaantal vte'n984973– 11
– gemiddeld salarisx f 1,–104 02597 225– 6 800
– totale uitgavenx f 1000,–98 30494 600– 3 704
– niet-actief burgerpersoneelaantal vte'n31310
– gemiddeld salarisx f 1,–58 03267 6779 645
– totale uitgavenx f 1000,–1 7992 098299
– TRIP1aantal vte'n3936– 3
– gemiddeld salarisx f 1,–87 17966 583– 20 596
– totale uitgavenx f 1000,–3 4002 397– 1 003
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–103 50399 095– 4 408

1 de daling van het gemiddelde salaris van de TRIP-pool wordt veroorzaakt doordat meer MBO-ers dan geraamd deel uit maken van de TRIP-pool. Tevens wordt een drietal militairen die deel uitmaken van de TRIP-pool, ten laste van het eigen krijgsmachtdeel verantwoord.

Militair personeelEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Totaal personeelsaantal waarvan:aantal vte'n634533– 101
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n608513– 95
– gemiddeld salarisx f 1,–103 510105 2751 765
– totale uitgavenx f 1000,–62 93454 006– 8 928
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n2620– 6
– gemiddeld salarisx f 1,–62 53879 85017 312
– totale uitgavenx f 1000,–1 6261 597– 29
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–64 56055 603– 8 957
Overige personele uitgavenEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren22,236,914,7
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 1,–70 90172 5471 647
– totale uitgavenx f 1000,–1 5742 6771 103
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)1 5791 506– 73
– gemiddeld per vtex f 1,–9 4539 398– 55
– totale uitgavenx f 1000,–14 92714 154– 773
– Totaal toegelicht bedragx f 1000,–16 50116 831330
Andere volumegegevens:    
– Representatie bijzondere projectenx f 1000,–1 000329– 671
– Georganiseerd overlegx f 1000,–3 7074 230523
– Raden en commissiesx f 1000,–2 1831 046– 1 137
– Overige personele zakenx f 1000,–2 1162 488372
– TRIPx f 1000,–4000– 400
– Employee benefitsx f 1000,–0629629
Sub-totaalx f 1000,–9 4068 722– 684
Totale uitgavenx f 1000,–25 90725 553– 354
Materiële uitgavenEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
– inhuur O-, I- & A-deskundigheidmensjaren8515873
– gemiddeld per mensjaarx f 1,–344 376344 247– 130
– totale uitgavenx f 1000,–29 27254 39125 119
– overige persoonsgebonden materiële uitgaven1aantal vte'n (bp en mp)1 5791 506– 73
– gemiddeld per vtex f 1,–18 18939 37221 183
– totale uitgavenx f 1000,–28 72059 29430 574
– brandstoffen, oliën en smeermiddelenaantal m3194113– 81
– gemiddeld per m3x f 1,–1 4792 000521
– totale uitgavenx f 1000,–287226– 61
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–58 279113 91155 632
Andere volumegegevens:    
– kleine bedrijfsmatige investeringenx f 1000,–10 38327 47017 087
– informatiesystemen2x f 1000,–18 24242 24324 001
– voertuigenx f 1000,–3921 3921 000
– overige materiële zakenx f 1000,–1 5263 6972 171
– taakstelling /efficiency besparingx f 1000,–– 2 40002 400
Sub-totaal andere volumegegevensx f 1000,–28 14374 80246 659
Totaal materiële uitgavenx f 1000,–86 422188 713102 291

1 met name als gevolg van extra uitgaven in verband met de reorganisatie van de MID zijn de overige persoonsgebonden materiële uitgaven gemiddeld toegenomen.

2 de realisatie van de investeringen ten behoeve van de invoer van LAN2000 veroorzaakt de aanzienlijke meeruitgaven.

OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel    
– aantallen in uitkeringsjarenaantal160146– 14
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–30 27539 5419 266
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–4 8445 773929
Reguliere wachtgelden burgerpersoneel    
– aantal in uitkeringsjarenaantal3316– 17
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–24 51525 5631 048
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–809409– 400
WAO burgerpersoneel3    
– aantal in uitkeringsjarenaantal140– 14
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–41 7860– 41 786
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–5850– 585
Overige wachtgelden burgerpersoneel    
– aantallen in uitkeringsjarenaantal237– 16
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–21 52242 14320 621
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–495295– 200
Totaal toegelicht met ramingskengetallenx f 1 000,–6 7336 477– 256
Bij:    
– overige uitkeringenx f 1 000,–280685405
– uitvoeringskostenx f 1 000,–1 147493– 654
– voorschot USZOx f 1 000,–0838838
Totale uitgaven wachtgelden en inactiviteitsweddenx f 1 000,–8 1608 493333

3 de USZO heeft de WAO-betalingen niet gedeclareerd in het verantwoordingsjaar 2000.

Kengetallen en volumegegevens Pensioenen en Uitkeringen

Verantwoording volumemutaties

Militaire nabestaandenpensioenen

OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Militaire nabestaandenpensioenen:    
– uitkeringsjarenaantal4 3114 129– 182
– bedrag per uitkeringsjaarx f 114 80015 232432
– toegelicht begrotingsbedragx f 100063 80362 894– 909

Militaire diensttijdpensioenen

OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Militaire diensttijdpensioenen:    
– uitkeringsjarenaantal24 68424 72238
– bedrag per uitkeringsjaarx f 125 72826 653925
– toegelicht begrotingsbedragx f 1000635 069658 92623 857
     
Andere volumegegevens:    
-Kapitaaldekking nominale bijdragex f 100057 70358 100397
Sub-totaal:x f 100057 70358 100397
Totaal militaire diensttijdpensioenenx f 1000692 772717 02624 254

Militaire invaliditeitspensioenen

OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Invaliditeitsoensioenen ex-dienstplichtigen < 65 jaar:    
– uitkeringsjarenaantal6 8456 89651
– bedrag per uitkeringsjaarx f 19 82510 780955
– toegelicht begrotingsbedragx f 100067 25474 3417 087
OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Invaliditeitspensioenen beroeps < 65 jaar:    
– uitkeringsjarenaantal89491824
– bedrag per uitkeringsjaarx f 110 52111 8891 368
– toegelicht begrotingsbedragx f 10009 40610 9141 508
OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Invaliditeitspensioenen ex-dienstplichtigen >= 65 jaar    
– uitkeringsjarenaantal5 2075 176– 31
– bedrag per uitkeringsjaarx f 110 95010 914– 36
– toegelicht begrotingsbedragx f 100057 01756 489– 528
OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Invaliditeitspensioenen beroeps >= 65 jaar    
– uitkeringsjarenaantal2 1342 116– 18
– bedrag per uitkeringsjaarx f 114 82014 86242
– toegelicht begrotingsbedragx f 100031 62631 448– 178
OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Arbeidsongeschiktheidspensioenen < 15%    
– aantalllen inuitkeringsjarenaantal2 6072 496– 111
– bedrag per uitkeringsjaarx f 12 3021 904– 398
– toegelicht begrotingsbedragx f 10006 0014 753– 1 248
OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Bovenwettelijke arbeidsongeschiktheid:    
– aantallen in uitkeringsjarenaantal9901 471481
– bedrag per uitkeringsjaarx f 17 3907 578188
– toegelicht begrotingsbedragx f 10007 31611 1473 831
OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Suppletieregeling:    
– aantallen in uitkeringsjarenaantal193385192
– bedrag per uitkeringsjaarx f 116 43016 239– 191
– toegelicht begrotingsbedragx f 10003 1716 2523 081

Uitkeringswet gewezen militairen

OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Uitkeringswet gewezen militairen    
– uitkeringsjarenaantal10 29310 398105
– bedrag per uitkeringsjaarx f 173 54374 443900
– toegelicht begrotingsbedragx f 1000756 974774 05717 083

Overige artikelonderdelen

OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Sociale zorgx f 100014 00011 963– 2 037
Overige uitkeringenx f 100015 00015 520520
Reserve-overdrachtx f 100016 80015 037– 1 763
Veteranenbeleidx f 10006 0226 522500
Sub-totaalx f 100051 82249 042– 2 780
Totaal artikel U02.02x f 10001 747 1621 798 36351 201

Kengetallen en volumegegevens Koninklijke Marine

Ambtelijk burgerpersoneelEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Totaal personeelsaantal waarvan:aantal vte'n4 2784 33860
– actief burgerpersoneelaantal vte'n4 1814 24160
– gemiddeld salarisx f 1,–78 79779 8621 065
– totale uitgavenx f 1000,–329 451338 6959 244
– niet-actief burgerpersoneelaantal vte'n97970
– gemiddeld salarisx f 1,–64 75376 43311 680
– totale uitgavenx f 1000,–6 2817 4141 133
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–335 732346 10910 377
Militair personeelEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Totaal personeelsaantal waarvan:aantal vte'n12 71912 188– 531
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n8 1287 892– 236
– gemiddeld salarisx f 1,–87 28191 0173 737
– totale uitgavenx f 1000,–709 504718 3088 804
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n4 4314 147– 284
– gemiddeld salarisx f 1,–62 59564 0051 410
– totale uitgavenx f 1000,–277 359265 430– 11 929
– Antarumilaantal vte'n159149– 10
– gemiddeld salarisx f 1,–37 47839 5302 052
– totale uitgavenx f 1000,–5 9595 890– 69
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–992 822989 628– 3 194
Overige personele uitgavenEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren383508125
– bedrag per vtex f 1,–73 40374 9151 512
– totale uitgavenx f 1000,–28 12838 0629 934
– overige persoonsgebonden personele uitgaven voor de Admiraliteitaantal vte'n (bp en mp)1 6541 73177
– gemiddeld per vtex f 1,–4 4665 157692
– totale uitgavenx f 1000,–7 3868 9271 541
– overige persoonsgebonden personele uitgaven overige KM-ressortsaantal vte'n(bp en mp)15 08614 547– 539
– gemiddeld per vtex f 1,–5 3656 8611 496
– totale uitgavenx f 1000,–80 93899 80618 868
– overige persoonsgebonden personele uitgaven voor de gehele Koninklijke Marineaantal vte'n (bp en mp)16 74016 278– 462
– gemiddeld per vtex f 1,–2 1392 368229
– totale uitgavenx f 1000,–35 81138 5492 738
– Totaal toegelicht bedragx f 1000,–152 263185 34433 081
Materiële uitgavenEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
– inhuur O-, I- & A-deskundigheidmensjaren330
– gemiddeld per mensjaarx f 1,–219 000240 00021 000
– totale uitgavenx f 1000,–65772063
– overige persoonsgebonden materiële uitgaven voor de KM-ressortsaantal vte'n (bp en mp)15 08614 547– 539
– gemiddeld per vtex f 1,–6 4328 2421 810
– totale uitgavenx f 1000,–97 032119 89322 861
– overige persoonsgebonden materiële uitgaven voor de gehele KMaantal vte'n (bp en mp)16 74016 278– 462
– gemiddeld per vtex f 1,–4 6714 974303
– totale uitgavenx f 1000,–78 19880 9702 772
– brandstoffen, oliën en smeermiddelen    
– gasolie schepenx 1000 m379,174,5– 4,6
– kerosine patrouillevliegtuigenx 1000 m39,59,0– 0,5
– helikopterbrandstofx 1000 m32,21,7– 0,5
– totale uitgavenx f 1000,–29 15338 2549 101
– vliegopleidingenaantal vliegers in opleiding17170,0
– gemiddeld per vlieger in opleidingx f 1,–160 529160 882353
– totale uitgavenx f 1000,–2 7292 7356
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–207 769242 57234 803
Andere volumegegevens:    
– overige materiële uitgavenx f 1000,–313 181373 69160 510
Totaal materiële uitgavenx f 1000,–520 950616 26395 313
OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel    
– aantallen in uitkeringsjarenaantal354257– 97
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–51 45553 1981 743
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–18 21513 672– 4 543
Overige wachtgelden burgerpersoneel    
– aantal in uitkeringsjarenaantal7262– 10
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–24 51525 56310 036
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–2 4632 743280
WAO burgerpersoneel1    
– aantal in uitkeringsjarenaantal420– 42
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–32 0710– 32 071
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–1 3470– 1 347
Overige uitkeringenx f 1 000,–2 2371 902– 256
Wachtgelden SBK/UBMO militair personeel    
– aantallen in uitkeringsjarenaantal2118– 3
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–31 66745 88914 222
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–665826161
Werkloosheidsbesluit BBT-militairen    
– aantal in uitkeringsjarenaantal292103– 189
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–25 02726 7571 730
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–7 3082 756– 4 552
WAO militair personeel1    
– aantal in uitkeringsjarenaantal270– 27
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–49 9260– 49 926
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–1 3480– 1 348
Overige wachtgelden militair personeel    
– aantallen in uitkeringsjarenaantal3827– 11
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–11 02628 88917 863
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–419780361
Totaal toegelicht bedragx f 1 000,–34 00222 679– 11 323
Bij: uitvoeringskostenx f 1 000,–5 4626 5411 079
Totale uitgaven wachtgelden en inactiviteitsweddenx f 1 000,–39 46429 220– 10 244

1 de USZO heeft de WAO-betalingen niet gedeclareerd in het verantwoordingsjaar 2000.

Kengetallen en volumegegevens Koninklijke Landmacht

Ambtelijk burgerpersoneelEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Totaal personeelsaantal waarvan:aantal vte'n9 2789 252– 26
– actief burgerpersoneelaantal vte'n9 0648 970– 94
– gemiddeld salarisx f 1,–74 32375 4381 115
– totale uitgavenx f 1000,–673 663676 6773 014
– niet-actief burgerpersoneelaantal vte'n21428268
– gemiddeld salarisx f 1,–59 36968 3128 943
– totale uitgavenx f 1000,–12 70519 2646 559
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–686 368695 9419 573
Militair personeelEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Totaal personeelsaantal waarvan:aantal vte'n23 11622 012– 1 104
– beroeps onbepaalde tijd *)aantal vte'n10 92710 770– 157
– gemiddeld salarisx f 1,–86 54088 1091 569
– totale uitgavenx f 1000,–945 618948 9323 314
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n12 18911 242– 947
– gemiddeld salarisx f 1,–53 19651 244– 1 951
– totale uitgavenx f 1000,–648 403576 089– 72 314
Uitgaven Nationale reservex f 1000,–12 57520 3097 734
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–1 606 5961 545 330– 61 266

* inclusief zakgeldgenietenden/wedden KMA

Overige personele uitgavenEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren466,31 136,41670,11
– bedrag per vtex f 1,–84 66084 6611
– totale uitgavenx f 1000,–39 47796 21056 733
– kleding en uitrusting t.b.v. militair personeel KL-breedaantal vte'n23 11622 012– 1 104
– gemiddeld per vtex f 1,–1 8481 327– 522
– totale uitgavenx f 1000,–42 72629 206– 13 520
– voeding KL-breedaantal vte'n (bp en mp)32 18030 982– 1 198
– gemiddeld per vtex f 1,–1 9122 022110
– totale uitgavenx f 1000,–61 53062 6331 103
– onderwijs en opleiding t.b.v. BBT-personeelaantal vte'n12 18911 242– 947
– gemiddeld per vtex f 1,–1 6601 659– 1
– totale uitgavenx f 1000,–20 23418 650– 1 584
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n(bp en mp)32 39431 264– 1 130
– gemiddeld per vtex f 1,–3 0824 2641 182
– totale uitgavenx f 1000,–99 849133 32533 476
– overige persoonsgebonden personele uitgaven (KL- breed)aantal vte'n(bp en mp)32 18030 982– 1 198
– gemiddeld per vtex f 1,–1 0681 283214
– totale uitgavenx f 1000,–34 38439 7495 365
– Totaal toegelicht bedragx f 1000,–298 200379 77381 573
– Overige personele uitgavenx f 1000,–10 75032 56721 817
– Totaal toegelicht bedragx f 1000,–308 950412 340103 390
Materiële uitgavenEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
– inhuur O-, I- & A-deskundigheidmensjaren47,2049,893
– gemiddeld uitgaven per uurx f 1,–280 170280 1700
– totale uitgavenx f 1000,–13 21013 979769
– overige persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)32 39531 264– 1 131
– gemiddeld per vtex f 1,–2 6472 488– 159
– totale uitgavenx f 1000,–85 74577 795– 7 950
– huisvesting KL-breedaantal vte'n (bp en mp)32 18030 982– 1 198
– gemiddeld per vtex f 1,–3 3833 751368
– totale uitgavenx f 1000,–108 855116 2147 359
– inventarisgoederen en klein materieel KL-breedaantal vte'n (bp en mp)32 18030 982– 1 198
– gemiddeld per vtex f 1,–2 3552 834479
– totale uitgavenx f 1000,–75 78687 80012 014
– data- en telecommunicatie KL-breedaantal vte'n (bp en mp)32 18030 982– 1 198
– gemiddeld per vtex f 1,–2 2582 30244
– totale uitgavenx f 1000,–72 67571 328– 1 347
– onderhoud van gebouwen en terreinen KL-breedaantal vte'n (bp en mp)32 18030 982– 1 198
– gemiddeld per vtex f 1,–2 6263 8511 224
– totale uitgavenx f 1000,–84 520119 30434 784
– brandstoffen, olie, smeermiddelenx f 1000,–38 86348 7159 852
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–479 654535 13555 481
Overige materiële uitgavenx f 1000,–419 319474 62655 307
Totaal materiële uitgavenx f 1000,–898 9731 009 761110 788
OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel    
– aantallen in uitkeringsjarenaantal508689181
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–31 90242 67110 769
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–16 20629 40013 194
WAO burgerpersoneel1    
– aantal in uitkeringsjarenaantal1210– 121
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–29 0330– 29 033
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–3 5130– 3 513
Overige wachtgelden burgerpersoneel    
– aantal in uitkeringsjarenaantal349278– 71
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–27 82531 1193 294
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–9 7118 651– 1 060
Wachtgelden SBK/UBMO militair personeel    
– aantallen in uitkeringsjarenaantal847802– 45
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–28 22121 738– 6 483
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–23 90317 434– 6 469
Werkloosheidsbesluit BBT personeel    
– aantal in uitkeringsjarenaantal511384– 127
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–28 63018 815– 9 815
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–14 6307 225– 7 405
WAO militairen1    
– aantal in uitkeringsjarenaantal590– 59
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–27 0680– 27 068
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–1 5970– 1 597
Overige wachtgelden militair personeel    
– aantallen in uitkeringsjarenaantal385921
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–27 63219 746– 7 886
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–1 0501 165115
Totaal toegelicht bedragx f 1 000,–70 61063 875– 6 735
Bij: uitvoeringskosten USZOx f 1 000,–18 10023 1155 015
Totale uitgaven wachtgelden en inactiviteitsweddenx f 1 000,–88 71086 990– 1 720

1 Door de USZO zijn de WAO-betalingen niet gedeclareerd in het verantwoordingsjaar 2000.

Kengetallen en volumegegevens Koninklijke Luchtmacht

Ambtelijk burgerpersoneelEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Totaal personeelsaantal waarvan:aantal vte'n1 7341 725– 9
– actief burgerpersoneelaantal vte'n1 6981 689– 9
– gemiddeld salarisx f 1,–72 02173 2921 271
– totale uitgavenx f 1000,–122 292123 7901 498
– niet-actief burgerpersoneelaantal vte'n36360
– gemiddeld salarisx f 1,–55 83358 6942 861
– totale uitgavenx f 1000,–2 0102 113103
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–124 302125 9031 601
Militair personeelEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Totaal personeelsaantal waarvan:aantal vte'n11 30210 815– 487
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n7 7677 464– 303
– gemiddeld salarisx f 1,–84 93286 9992 067
– totale uitgavenx f 1000,–659 668649 361– 10 307
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n3 5353 351– 184
– gemiddeld salarisx f 1,–62 43962 630191
– totale uitgavenx f 1000,–220 723209 874– 10 849
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–880 391859 235– 21 156
Overige personele uitgavenEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren226365139
– bedrag per vtex f 1,–72 47979 8477 368
– totale uitgavenx f 1000,–16 37329 14412 771
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)13 01012 504– 506
– gemiddeld per vtex f 1,–7931 284491
– totale uitgavenx f 1000,–10 31416 0535 739
– kleding en uitrusting t.b.v. vliegersaantal vte'n mp568559– 9
– gemiddeld per vtex f 1,–8 4338 252– 181
– totale uitgavenx f 1000,–4 7904 613– 177
– kleding en uitrusting t.b.v. militair personeelaantal vte'n mp11 30210 815– 487
– gemiddeld per vtex f 1,–1 3402 056716
– totale uitgavenx f 1000,–15 14422 2357 091
– voeding t.b.v. militair personeelaantal vte'n mp11 30210 815– 487
– gemiddeld per vtex f 1,–1 7161 75135
– totale uitgavenx f 1000,–19 38918 935– 454
– vliegopleidingen (initieel)aantal vliegers in opleiding11196– 15
– gemiddeld per vtex f 1,–380 099410 78130 682
– totale uitgavenx f 1000,–42 19139 435– 2 756
– Totaal toegelicht bedragx f 1000,–108 201130 41522 214
– Vliegopleidingen overigex f 1000,–47 30935 345– 11 964
– Overige personele uitgavenx f 1000,–73 919104 54030 621
– Totaal toegelicht bedragx f 1000,–229 429270 30040 871
Materiële uitgavenEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
– inhuur O-, I- & A-deskundigheidmensjaren86,0092,506,50
– gemiddeld uitgaven per uurx f 1,–240 199239 924– 275
– totale uitgavenx f 1000,–20 56122 1931 632
– overige persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)13 01012 504– 506
– gemiddeld per vtex f 1,–8 46514 9006 435
– totale uitgavenx f 1000,–110 132186 31476 182
– vliegtuigbrandstoffenaantal m3145 601128 522– 17 079
– gemiddeld per m3x f 1,–50157574
– totale uitgavenx f 1000,–73 01273 900888
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–203 705282 40778 702
Overige materiële uitgavenx f 1000,–461 262516 91355 651
Totaal materiële uitgavenx f 1000,–664 967799 320134 353
OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel    
– aantallen in uitkeringsjarenaantal136134– 2
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–38 06660 68722 621
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–5 1778 1322 955
Reguliere wachtgelden burgerpersoneel    
– aantal in uitkeringsjarenaantal11972– 47
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–25 37812 625– 12 753
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–3 020909– 2 111
WAO burgerpersoneel1    
– aantal in uitkeringsjarenaantal230– 23
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–30 5650– 30 565
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–7030– 703
Overige wachtgelden burgerpersoneel    
– aantal in uitkeringsjarenaantal61711
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–23 66710 706– 12 961
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–14218240
Wachtgelden SBK/UBMO militair personeel    
– aantallen in uitkeringsjarenaantal7512449
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–46 22751 9275 700
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–3 4676 4392 972
Werkloosheidsbesluit BBT personeel    
– aantal in uitkeringsjarenaantal15887– 71
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–24 2348 529– 15 705
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–3 829742– 3 087
WAO militair personeel1    
– aantal in uitkeringsjarenaantal220– 22
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–49 2730– 49 273
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–1 0840– 1 084
Overige wachtgelden militair personeel    
– aantallen in uitkeringsjarenaantal9645– 51
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–38 40674 24435 838
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–3 6873 341– 346
Totaal toegelicht bedragx f 1 000,–21 10919 745747
Bij: uitvoeringskosten USZOx f 1 000,–2 8955 0340
Totale uitgaven wachtgelden en inactiviteitsweddenx f 1 000,–24 00424 779– 1 721

1 Door de USZO zijn de WAO-betalingen niet gedeclareerd in het verantwoordingsjaar 2000.

Kengetallen en volumegegevens Koninklijke Marechaussee

Ambtelijk burgerpersoneelEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Totaal personeelsaantal waarvan:aantal vte'n25827820
– actief burgerpersoneelaantal vte'n25427319
– gemiddeld salarisx f 1,–68 79575 2786 483
– totale uitgavenx f 1000,–17 47420 5513 077
– niet-actief burgerpersoneelaantal vte'n451
– gemiddeld salarisx f 1,–62 00056 600– 5 400
– totale uitgavenx f 1000,–24828335
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–17 72220 8343 112
Militair personeelEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Totaal personeelsaantal waarvan:aantal vte'n5 2144 928– 286
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n3 2973 030– 267
– gemiddeld salarisx f 1,–79 63981 0141 375
– totale uitgavenx f 1000,–262 569245 473– 17 096
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n1 9171 898– 19
– gemiddeld salarisx f 1,–47 04153 0916 050
– totale uitgavenx f 1000,–90 178100 76710 589
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–352 747346 240– 6 507
Overige personele uitgavenEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren96,487,9– 8,5
– bedrag per vtex f 1,–60 68560 70520
– totale uitgavenx f 1000,–5 8505 336– 514
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)5 4685 201– 267
– gemiddeld per vtex f 1,–6 8019 0042 203
– totale uitgavenx f 1000,–37 18746 8299 642
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–43 03752 1659 128
Materiële uitgavenEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
– inhuur O-, I- & A-deskundigheidmensjaren8,444,035,6
– gemiddeld uitgaven per uurx f 1,–273 810273 955145
– totale uitgavenx f 1000,–2 30012 0549 754
– overige persoonsgebonden materiële uitgavenaantal vte'n (bp en mp)5 4685 201– 267
– gemiddeld per vtex f 1,–6 1129 6943 582
– totale uitgavenx f 1000,–33 42350 41716 994
– brandstoffen, oliën en smeermiddelenaantal m32 5172 129– 388
– gemiddeld per m3x f 1,–1 5002 192692
– totale uitgavenx f 1000,–3 7754 667892
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–39 49867 13827 640
Andere volumegegevens    
– taakstelling efficiencybesparingx f 1000,–– 3 90003 900
– overige materiële uitgavenx f 1000,–14 87021 8416 971
Subtotaalx f 1000,–10 97021 84110 871
Totaal materiële uitgavenx f 1000,–50 46888 97938 511
OmschrijvingEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
WAO burgerpersoneel1    
– aantallen in uitkeringsjarenaantal20– 2
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–43 0000– 43 000
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–860– 86
Overige wachtgelden burgerpersoneel    
– aantal in uitkeringsjarenaantal363
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–43 66755 00011 333
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–131330199
Werkloosheidsbesluit BBT-militairen    
– aantal in uitkeringsjarenaantal21311
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–39 50025 462– 14 038
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–79331252
WAO militair personeel1    
– aantallen in uitkeringsjarenaantal50– 5
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–26 0000– 26 000
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–1300– 130
Overige wachtgelden militair personeel    
– aantal in uitkeringsjarenaantal124– 8
– bedrag per uitkeringsjaarx f 1,–24 66719 500– 5 167
– toegelicht begrotingsbedragx f 1 000,–29678– 218
Totaal toegelicht bedragx f 1 000,–72273917
Bij: uitvoeringskostenx f 1 000,–215428213
Totale uitgaven wachtgelden en inactiviteitsweddenx f 1 000,–9371 167230

1 Door de USZO zijn de WAO-betalingen niet gedeclareerd in het verantwoordingsjaar 2000.

Kengetallen en volumegegevens Defensie Interservice Commando

Ambtelijk burgerpersoneelEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Totaal personeelsaantallen waarvan:aantal vte'n1 2431 29451
– actief burgerpersoneelaantal vte'n1 2401 25515
– gemiddeld salarisx f 1,–76 58673 673– 2 913
– totale uitgavenx f 1000,–94 96792 460– 2 507
– niet-actief burgerpersoneel1aantal vte'n33936
– gemiddeld salarisx f 1,–57 00080 41023 410
– totale uitgavenx f 1000,–1713 1362 965
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–95 13895 596458

1 het aantal mogelijke niet-actieve burgers werd in het verleden zeer conservatief geraamd.

Militair personeelEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
Totaal personeelsaantal waarvan:aantal vte'n1 3851 287– 98
– beroeps onbepaalde tijdaantal vte'n1 008946– 62
– gemiddeld salarisx f 1,–98 20899 008800
– totale uitgavenx f 1000,–98 99493 662– 5 332
– beroeps bepaalde tijdaantal vte'n377341– 36
– gemiddeld salarisx f 1,–59 86565 0185 153
– totale uitgavenx f 1000,–22 56922 171– 398
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–121 563115 833– 5 730
Overige personele uitgavenEenheidBegroting 2000Realisatie 2000Verschil
– inhuur tijdelijk personeelaantal mensjaren318554
– gemiddelde uitgaven per mensjaarx f 1,–132 903113 788– 19 115
– totale uitgavenx f 1000,–4 1209 6725 552
– overige persoonsgebonden personele uitgavenaantal vte'n (bp en mp)2 6282 581– 47
– gemiddeld per vtex f 1,–7 3558 191836
– totale uitgavenx f 1000,–19 33021 1411 811
Totaal toegelicht bedragx f 1000,–23 45030 8137 363
Andere volumegegevens