Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127687 nr. 1

27 687
Werkbezoek van een delegatie uit de vaste commissie voor Defensie aan de Nederlandse VN-militairen in Ethiopie, Eritrea, Djibouti en Cyprus

nr. 1
VERSLAG VAN EEN WERKBEZOEK

Vastgesteld 17 april 2001

Een delegatie uit de vaste commissie voor Defensie, bestaande uit de leden Valk (PvdA, delegatieleider), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Dittrich (D66), Van den Doel (VVD), Harrewijn (GroenLinks), Koenders, (PvdA) en Van Middelkoop (ChristenUnie) heeft van 5 tot en met 9 maart 2001 een werkbezoek gebracht aan de Nederlandse VN-militairen in Ethiopië, Eritrea, Djibouti en Cyprus. De delegatie werd tijdens het bezoek be-geleid door de plaatsvervangend Chef Defensiestaf, lt.-generaal Van Baal.

Het voornaamste doel van het werkbezoek was het verkrijgen van informatie over de taken en werkzaamheden van de Nederlandse militairen die onderdeel uitmaken van de vredesmacht van de Verenigde Naties (VN) in het grensgebied van Ethiopië en Eritrea (UNMEE) en van de op Cyprus gelegerde VN-vredesmacht UNFICYP, en voorts van de Nederlandse militairen die in Djibouti zijn gestationeerd. De leden van de delegatie hebben tijdens hun bezoek en de gesprekken met de Nederlandse militairen een goede indruk gekregen van de omstandigheden waaronder deze hun werk verrichten. Daarnaast heeft de delegatie ook gesprekken gevoerd met overheidsfunctionarissen in Addis Abeba, Asmara en Djibouti en met de VN-leiding van de vredesmissies in Ethiopië/Eritrea en op Cyprus om zich op de hoogte laten stellen van de voortgang van de beide vredesoperaties van de VN en van de stand van zaken met betrekking tot het vredesproces tussen Ethiopië en Eritrea. De delegatie is onder de indruk van de inzet en toewijding die de Nederlandse militairen aan de dag leggen bij de uitoefening van hun zware taak.

De delegatie dankt alle gesprekspartners en degenen die haar tijdens het werkbezoek begeleidden. Naast de in het verslag genoemde personen wil de delegatie ook de Nederlandse Defensie-attaché in Eritrea, kolonel Madsen, en de contingentscommandant van de Nederlandse UNMEE-militairen, kolonel Rijken, danken voor hun bijdrage aan het werkbezoek.

De voorzitter van de delegatie,

Valk

De griffier van de delegatie,

De Lange

Inleiding

United Nations Mission in Ethiopia and Eritrea (UNMEE)

Op 18 juni 2000 sloten Ethiopië en Eritrea in Algiers, na bemiddeling van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (OAU), een wapenstilstand waarmee een einde kwam aan de in mei 1998 uitgebroken grensoorlog tussen beide landen. Het aantal slachtoffers van deze oorlog wordt geschat op 100 000. Aanleiding voor de oorlog was een aantal grensconflicten. De oorzaken liggen dieper en hebben te maken met nationale en economische tegenstellingen tussen beide landen en persoonlijke tegenstellingen tussen de leiders, die in de jaren tachtig wel gezamenlijk tegen de dictatuur van Mengistu in Ethiopië streden.

Beide landen verzochten de VN toe te zien op de uitvoering van de wapenstilstand en op de op 12 december 2000 gesloten overeenkomst waarin beide landen zich verbinden de vijandelijkheden permanent te zullen staken. De Veiligheidsraad besloot op 15 september 2000 met resolutie 1320 om hiervoor een monitoring mission op te richten: UNMEE (United Nations Mission in Ethiopia and Eritrea). Deze vredesoperatie is een vredebewarende en niet-afdwingende operatie, dus met instemming van beide partijen.

Nederland levert met ruim 1 100 militairen op dit moment de grootste bijdrage aan UNMEE. De Nederlandse deelname aan UNMEE duurt een half jaar; eind juni/begin juli worden de Nederlandse eenheden afgelost door militairen uit India. Daarnaast levert Nederland ook de Force Commander van UNMEE, generaal-majoor der mariniers Cammaert. Deze is voor een jaar aangesteld.

Het Nederlandse militaire contingent bestaat uit een versterkt infanteriebataljon van het korps mariniers, een helikopterdetachement van de koninklijke luchtmacht (Chinook-transporthelikopters) en logistieke en ondersteunende eenheden van de verschillende krijgsmachtdelen. Een geniedetachement van de Koninklijke landmacht is inmiddels teruggekeerd naar Nederland. Voorts zijn Nederlandse militairen werkzaam bij de staf van het hoofdkwartier van UNMEE en bij het Nederlandse contingentscommando. De Nederlandse militairen zijn, samen met ongeveer 560 Canadese militairen, verantwoordelijk voor de controle en monitoring in de Centrale Sector. Het hoofdkwartier van deze sector is gevestigd bij Adigrat in Ethiopië. Het hoofdkwartier van UNMEE is gevestigd in de Eritrese hoofdstad Asmara.

Bij het vliegveld van Djibouti is een Nederlands Apache Detachement gestationeerd. De vier Apache-helikopters moeten een eventuele evacuatie van de Nederlandse UNMEE-militairen uit Ethiopië/Eritrea ondersteunen. Het detachement van ongeveer 130 militairen staat onder nationaal bevel en maakt geen deel uit van UNMEE.

United Nations Peace-keeping Force in Cyprus (UNFICYP)

Op Cyprus braken in 1963, drie jaar na de onafhankelijkheid van Groot-Brittannië, onlusten uit tussen de Grieks-Cypriotische en de Turks-Cypriotische gemeenschap. Na het sluiten van een wapenstilstand ontstond een bestandslijn, de zogenaamde «Groene Lijn», die het eiland vanaf 1964 de facto opdeelt in een Griek-Cypriotisch en een Turks-Cypriotisch deel. De Veiligheidsraad nam op 4 maart 1964 resolutie 186 aan die voorzag in de oprichting van UNFICYP (United Nations Peace-keeping Force in Cyprus) met als voornaamste taak om een hervatting van de vijandelijkheden te voorkomen. Sindsdien is het mandaat van UNFICYP steeds voor een periode van zes maanden verlengd. Na de staatsgreep van de Grieks-Cypriotische Nationale Garde en de daarop volgende bezetting van het noordelijk deel van het eiland door Turkse troepen in 1974 kreeg UNFICYP als voornaamste taak het toezicht houden op een bufferzone om de strijdende partijen uit elkaar te houden.

Sinds juni 1998 neemt Nederland met een infanteriecompagnie deel aan UNFICYP. De om de zes maanden roterende eenheden zijn afkomstig uit verschillende onderdelen van de koninklijke landmacht. Het Nederlandse contingent (100 manschappen incl. personeel op sectorhoofdkwartier) maakt deel uit van de in de sector 2 (Nicosia en omgeving) gelegerde Britse eenheid, waarbij de Nederlandse compagnie verantwoordelijk is voor sector 2 West. Nederland zal zijn bijdrage aan UNFICYP met ingang van 7 juni 2001 beëindigen.

ADDIS ABEBA (maandag 5 maart 2001)

Briefing door de tijdelijk zaakgelastigde in Ethiopië, dhr. Den Haas

De heer Den Haas geeft een kort overzicht van de geschiedenis van Ethiopië en Eritrea, het ontstaan van het conflict tussen beide landen en de vorig jaar overeengekomen wapenstilstand, waarbij hij de positieve rol van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAU) benadrukt. Vervolgens gaat hij dieper in op de oorzaken van het conflict.

Vanuit Ethiopisch gezichtspunt kunnen geopolitieke verklaringen worden geven (diaspora, toegang tot zee, streven naar regionale hegemonie); economische verklaringen (concurrentie tussen de Ethiopische regio Tigray en Eritrea, wrok bij Ethiopië over «profiteren» door Eritrea van buitenlandse handel van Ethiopië) en historisch-psychologische verklaringen (revanchisme voor Eritrese onafhankelijkheid en historie van de guerrillastrijd). In dit verband wijst de heer Den Haas er op dat de huidige president van Eritrea, Isaias Afewerki, tijdens de strijd tegen het bewind van Mengistu als leider van de Eritrese bevrijdingsbeweging EPLF de «primus inter pares» was onder de leiders van de verschillende verzetsbewegingen, waaronder de bevrijdingsbeweging van Tigray (TPLF) van de huidige premier van Ethiopië, Meles Zenawi.

Voorts speelt bij het conflict ook de imperfecte boedelscheiding bij de vreedzame afscheiding van Eritrea in 1993 een rol. Zo is geen goede regeling getroffen voor het probleem van de nationaliteit van de burgers. Ook werd de loop van een deel van de grens in 1993 niet definitief vastgesteld. Een grensconflict vormde de directe aanleiding voor de openlijke vijandelijkheden in 1998. Overigens leefden beide landen in de eerste jaren na de scheiding in redelijke harmonie met elkaar. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de defensie-uitgaven van Ethiopië tussen 1993 en 1997 sterk daalden.

Wat betreft het buitenlands beleid van de Ethiopische regering noemt de heer Den Haas een aantal factoren die de richting van dit beleid bepalen: streven naar regionale hegemonie; geografisch geïsoleerde positie; rijke orthodoxe religieuze traditie; christendom als dominante religie; «vesting mentaliteit» tegenover de islam; nationale trots; spanningen tussen hooglandbewoners en laaglandbewoners; grote verbondenheid met Israël; spanningen met Egypte en Soedan over benutting van het water van de (Blauwe) Nijl; bureaucratie uit een feodale traditie, versterkt door communistische invloed; wantrouwen ten aanzien van multilaterale organisaties (VN) en «ferenzjis» (buitenlanders). Wat betreft de interne stabiliteit is Ethiopië gevoelig voor het islamitisch fundamentalisme, de etnische verhoudingen en de regionalisering van het land op basis van etnisch federalisme. De federale structuur van het land leidt in toenemende mate tot problemen. De kritiek op de regering over de onafhankelijkheid van Eritrea en de afloop van de oorlog neemt toe, zowel vanuit de oppositie als binnen de regeringspartij EPRDF.

Vervolgens gaat de heer Den Haas in op de bilaterale relatie tussen Nederland en Ethiopië, die hij karakteriseert als slecht. Als redenen hiervoor noemt hij de Nederlandse rol bij de handhaving van het wapenembargo door de Veiligheidsraad en de EU, de bevriezing van de hulp door de EU (mede op initiatief van Nederland) en de oprichting van de groep van landen «vrienden van UNMEE», die door Ethiopië niet op prijs wordt gesteld. Volgens de heer Den Haas hebben de publicaties in de Nederlandse pers een te positief beeld geschetst van de (overigens in tijd beperkte) recente gesprekken van de minister-president, de minister van Defensie en de minister voor Ontwikkelingssamenwerking met de Ethiopische regering.

De stabiliteit in de Hoorn is ook voor Nederland van direct belang. Belangrijke aspecten zijn hierbij de opvang van vluchtelingen uit Somalië, de ontwikkelingsrelatie met Ethiopië en Eritrea, de relatie van de Hoorn met het Midden-Oosten (met name de waterproblematiek) en de Amerikaanse geopolitiek in de Hoorn. Ethiopië heeft een sleutelpositie voor (in)stabiliteit in de Hoorn. Op korte termijn is een succesvol verloop van de UNMEE-operatie van belang voor de stabiliteit in de Hoorn. Op langere termijn wordt de stabiliteit het best gediend door een streven naar verzoening tussen de verschillende landen en partijen, waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor de IGAD (Inter-Governmental Authority on Development, waarin Kenia, Ethiopië, Eritrea, Oeganda, Somalië en Djibouti zitting hebben).

Briefing door de Defensie-attaché in Ethiopië, kolonel Harts

Kolonel Harts gaat in op de recente politiek-militaire ontwikkelingen in het gebied. Op de derde bijeenkomst van de Military Coordination Commission (MCC) in Nairobi (6 februari) werd een politieke overeenkomst bereikt tussen de Eritrese en Ethiopische delegaties over het verloop van de grenzen («boundaries») van de Temporary Security Zone (TSZ), de 25 kilometer brede bufferzone tussen de legers van beide landen. Op 10 februari verklaarde de Force Commander dat UNMEE een geloofwaardige strijdmacht had ontplooid in het operatiegebied. Ethiopië begon op 12 februari met de terugtrekking van haar troepen uit de bufferzone. Op 23 februari maakte de Ethiopische regering formeel bekend dat haar troepen de terugtrekking hadden voltooid. Eritrea begon de terugtrekking van haar troepen op 17 februari, maar heeft de terugtrekking op 26 februari opgeschort. Op de vierde bijeenkomst van de MCC, die op 28 februari plaatsvond in de TSZ, tekende Eritrea bezwaar aan tegen de wijze waarop de politieke kaart, zoals overeengekomen in Nairobi, is «vertaald» naar een militaire kaart.

Vervolgens geeft kolonel Harts een overzicht van de onderwerpen waar de speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal van de VN (SRSG), tevens Head of Mission van UNMEE (de heer Legwaila), over onderhandelt met de beide partijen: de Status of Forces Agreement (SOFA) tussen UNMEE en Ethiopië/Eritrea; de openstelling van een High Altitude Air Access Route (rechtstreekse luchtverbinding tussen Asmara en Addis Abeba), die door Ethiopië wordt tegengehouden; de vrijlating van de krijgsgevangenen (geen uitwisseling, maar vrijlating) die is gestopt door Ethiopië (naar schatting nog 2000 krijgsgevangenen in Ethiopië en 400 in Eritrea); het vrijgeven van informatie over mijnen en mijnenvelden, waarbij met name Eritrea in gebreke blijft; de aanwezigheid van oppositiefracties in de TSZ, die door Ethiopië worden gesteund.

Wat betreft de situatie aan de andere grenzen van Ethiopië noemt kolonel Harts de militaire betrokkenheid van Ethiopië bij de conflicten in Somalië, Soedan en Kenia, wat leidt tot voortdurende onrust aan de grenzen. Ook wijst hij op de toenemende interne problemen in Ethiopië zelf.

De Verenigde Staten hebben goede bilaterale relaties met Ethiopië en zijn zeer actief in het land (opleiden van mijnenruimers, ondersteuning bij de bestrijding van HIV/AIDS). De Amerikaanse regering is voorstander van de door Ethiopië nagestreefde opheffing van het wapenembargo. Frankrijk is weinig zichtbaar in Ethiopië, maar is sterk aanwezig in buurland Djibouti en in Tsjaad. Het Verenigd Koninkrijk heeft beperkte bilaterale contacten. Rusland is goed geïnformeerd over de situatie in Ethiopië. Niet duidelijk is of er nog Russische militaire adviseurs in het land actief zijn. Het wapenembargo wordt ontdoken, vooral door wapenleveranties naar Eritrea (Bulgarije, Israël). Ook Ethiopië ontvangt vermoedelijk nog wapens (via Djibouti). Vermoedens bestaan over leveringen van wapens door Ethiopië aan oppositionele fracties in Eritrea en Somalië.

Briefing door de Force Commander van UNMEE, generaal-majoor Cammaert

Generaal Cammaert gaat wat dieper in op de problemen over de vaststelling van de grenzen van de TSZ. De Force Commander, die tevens voorzitter is van de MCC, en de SRSG hebben het VN-voorstel voor de bufferzone voorgelegd aan beide partijen. De president van Eritrea heeft, voorafgaande aan de MCC-bijeenkomst in Nairobi, expliciet ingestemd met de politieke kaart. Deze politieke kaart moest echter nog vertaald worden in een militaire kaart. Ethiopië heeft in tien dagen bijna 100 000 manschappen teruggetrokken. Eritrea is gestopt vanwege bezwaren tegen de militaire kaart. Op 8 maart zal de Secretaris-Generaal van de VN zijn verslag over de voortgang van UNMEE presenteren aan de Veiligheidsraad, die vervolgens zal besluiten over de verlenging van het mandaat voor UNMEE.

Probleem is dat in de vierde MCC is teruggekomen op de eerder in de MCC gemaakte afspraken. De vluchtelingen keren terug naar hun woonplaatsen in de bufferzone, terwijl de ontmijning nog niet is voltooid. Ook vormen de politietaken een probleem, omdat Eritrea geen civiel gezag heeft gevestigd in de gebieden waaruit Ethiopië zich heeft teruggetrokken. Binnen de Eritrese regering bestaan spanningen over de mate waarin vertrouwen moet worden gesteld in de Boundary Commission, die op basis van verdragen uit de koloniale tijd de definitieve grens tussen beide landen moet vaststellen. Voor het vaststellen van de zuidelijke grens van de TSZ wordt uitgegaan van de situatie op 6 mei 1998, toen de grensoorlog uitbrak. Hiertegen maakt Eritrea bezwaren, omdat van mening wordt verschild over het verloop van een deel van de grenslijn van 6 mei 1998. Beide processen (vaststellen definitieve grens en bepalen van de zuidelijke grens van de TSZ) worden verward. Eritrea ligt nu dwars, maar generaal Cammaert merkt op dat het slecht zou zijn voor het vredesproces als de beschuldigende vinger van de Veiligheidsraad uit zou gaan naar Eritrea. Hij verwacht dat Eritrea uiteindelijk wel toe zal geven.

Ontmoeting met Ethiopische parlementsleden

Aan het gesprek met de delegatie nemen de volgende leden van het Ethiopische parlement deel: Asnake Tadesse, voorzitter van de vaste commissie voor Defensie en Veiligheidszaken en lid van de Amhara National Democratic Movement (ANDM); Haile Kiros, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken en lid van het Tigray People's Liberation Front (TPLF); Kebede Abera, secretaris van de vaste commissie voor Defensie en Veiligheidszaken en lid van de Oromya People's Democratic Organisation (OPDO); Mohammed Abdu, lid van de vaste commissie voor Defensie en Veiligheidszaken en lid van de OPDO; Beyene Petros, lid van de oppositiepartij CAFDE; en Bedru Adem, onafhankelijk parlementslid. Het TPLF van premier Meles Zenawi vormt samen met de ANDM, de OPDO en een twintigtal andere organisaties het regerende Ethiopian People's Democratic Revolutionary Front (EPDRF).

De heer Kiros geeft allereerst enige informatie over het Ethiopische parlement. Het Huis van Volksvertegenwoordigers telt 550 leden, die direct worden gekozen. De vaste commissie voor Defensie en Veiligheidszaken komt twee maal per week bijeen. De commissie bespreekt onder meer de teksten van uit te brengen «proclamaties», die worden voorgelegd aan de plenaire vergadering van het parlement. Na discussie hierover worden deze in stemming gebracht. Om een onderwerp op de agenda van het parlement te kunnen plaatsen zijn de handtekeningen van twintig leden noodzakelijk.

Vervolgens gaat de heer Kiros in op het conflict met Eritrea. Het wapenembargo is niet terecht, omdat Ethiopië het slachtoffer is van agressie. Eritrea heeft geweigerd om het grensconflict voor te leggen aan het Internationale Gerechtshof in Den Haag en is begonnen met het geweld. Het is daarom niet eerlijk om beide landen op dezelfde wijze te behandelen. Deze «gelijke behandeling» door onder meer Nederland is voor Ethiopië moeilijk te accepteren. De soevereine rechten van Ethiopië moeten door de internationale gemeenschap worden aanvaard. Het verzet van Canada en Nederland tegen de opheffing van het wapenembargo is volgens de heer Tadesse onrechtvaardig.

De heer Adem gaat in op de positie van onafhankelijke parlementsleden. Het parlement telt 12 onafhankelijke leden, die volgens hem van de regering voldoende ruimte krijgen om problemen naar voren te brengen.

De heer Petras benadrukt dat Ethiopië vrede nodig heeft en het probleem met Eritrea vreedzaam moet oplossen. De oorlog was onnodig. Hij spreekt tegenover de delegatie zijn dank uit voor de bijdrage van Nederland aan de vredesoperatie. Vervolgens gaat hij in op het verloop van de verkiezingen van mei 2000, waarbij de oppositie volgens hem weinig kansen kreeg zich te uiten. Een aantal oppositiepartijen boycotte de verkiezingen. Ook uit hij kritiek op de mogelijkheid van de oppositie om volwaardig in het parlement te functioneren. Volgens hem telt de oppositie in het parlement slechts 14 leden. Om een onderwerp op de agenda te krijgen zijn echter, zoals ook door de heer Kiros gesteld, de handtekeningen van 20 leden nodig. De heer Petras uit zijn teleurstelling over het feit dat het streven naar een meerpartijenstelsel is mislukt.

Leden van de Nederlandse delegatie geven een uitleg over het Nederlandse wapenexportbeleid en benadrukken het voornaamste criterium, dat geen vergunningen worden afgegeven voor de levering van wapens aan conflictgebieden. Wat betreft het wapenembargo is de Nederlandse positie dat de vrede nog te kwetsbaar is om het embargo op te heffen. Erkend wordt dat de internationale gemeenschap te weinig betrokken is geweest bij het zoeken naar een oplossing tijdens de oorlog. De betrokkenheid is nu echter wel groot, waarbij verwezen wordt naar de deelname aan de vredesoperatie UNMEE.

De heer Kiros benadrukt dat de agressor (in zijn ogen Eritrea) door de internationale gemeenschap ook moet worden behandeld als agressor. Indien de internationale gemeenschap meer druk had uitgeoefend op Eritrea was dit land volgens hem nooit met de oorlog begonnen. De huidige positie van Eritrea betitelt hij als een provocatie van UNMEE. Hij prijst de betrokkenheid van de OAU bij het vredesproces. Ter verklaring van de opstelling van de Ethiopische regering stelt hij tenslotte dat«arme landen ook hun trots hebben».

ASMARA (dinsdag 6 maart 2001)

Briefing door de ambassadeur in Eritrea, mw. Brandt

De ambassadeur informeert de delegatie over de stand van zaken met betrekking tot de vertaling van de kleinschalige politieke kaart in een meer grootschalige operationele (militaire) kaart. De Eritrese regering heeft bezwaren tegen de procedure die de Force Commander heeft gevolgd bij het vertalen van de politieke kaart naar de militaire kaart. De Ethiopische regering had verklaard een vergissing te hebben gemaakt in de kaart die aan UNMEE was overlegd over de terugtrekking van haar troepen. Een gebied dat (ook volgens de VN) altijd onder de jurisdictie van Ethiopische autoriteiten had gestaan, was per abuis toegevoegd aan de centrale sector van de TSZ. Ethiopië had reeds op de derde MCC (6 februari in Nairobi) verklaard dat bij de implementatie van de politieke kaart mogelijk correcties aangebracht zouden moeten worden. Na consultaties met beide partijen heeft de Force Commander vervolgens bij het ontwerpen van de militaire kaart rekening gehouden met het Ethiopische verzoek om aanpassing. Van Eritrese zijde heeft de Force Commander hierover gesproken met de minister van Defensie, echter niet met de Commissioner, de regeringsvertegenwoordiger die verantwoordelijk is voor de samenwerking van Eritrea met UNMEE. De minister van Defensie heeft naderhand verklaard dat hij in het gesprek met de Force Commander niet formeel heeft ingestemd met de hem voorgelegde militaire kaart.

Na de presentatie van de militaire kaart heeft Eritrea formeel bezwaar gemaakt tegen de demarcatie van de TSZ. Ook Eritrea wenst de mogelijkheid te krijgen aanpassingen voor te stellen van de begrenzing van de TSZ. De door de Force Commander gevolgde procedure wordt door de Eritreërs opgevat als «take it or leave it» (slikken of stikken). Volgens de Eritrese regering, die al grote moeite had met het accepteren van de politieke kaart, heeft de VN zich voor het karretje van Ethiopië laten spannen. De SRSG werkt momenteel aan een oplossing voor de gerezen problemen. Inmiddels is Eritrea gestopt met de terugtrekking van haar troepen en het geven van informatie over de ligging van mijnen.

De ambassadeur wijst er op dat Eritrea de «zwarte piet» toegespeeld dreigt te krijgen aangezien Ethiopië haar militairen inmiddels volledig uit de bufferzone heeft teruggetrokken. Een dergelijke positie van Eritrea zou negatieve gevolgen hebben voor het vredesproces. De binnenlands politieke situatie in Eritrea is reeds enigszins problematisch en zal verder verslechteren als Eritrea toe moet geven in het verdere verloop van de onderhandelingen. De tegenstelling tussen hardliners en meer gematigden zou dan kunnen worden aangewakkerd.

Gesprek met de minister van Defensie van Eritrea tevens Chef Defensiestaf, generaal Ephrem Sebhat, en de Eritrese Commissioner for Coordination with UNMEE, Andebrhan W. Giorgis

De minister van Defensie spreekt zijn dank uit voor het bezoek van de Nederlandse delegatie. Hij beschouwt het bezoek als een morele ondersteuning voor de overgang van de logica van de oorlog naar de logica van de vrede. Beide partijen werken goed samen met UNMEE. Wel maakt de minister de kanttekening dat de situatie voor de krijgsgevangenen nog niet goed geregeld is. Hij blijft echter van mening dat deze vredesoperatie kan dienen als voorbeeld voor het hele Afrikaanse continent.

Vervolgens geeft hij aan dat veranderingen in de binnenlandse politiek van Ethiopië van belang zijn voor een mogelijke hervatting van de oorlog. Ter toelichting gaat hij in op de houding ten aanzien van Eritrea van de drie regimes die de afgelopen vijftig jaar in Ethiopië aan de macht zijn geweest: het keizerrijk («goede oude tijd»); de militaire dictatuur («ideologische paranoia in Sovjet-traditie»); «onze neven» die sinds 1993 in Addis Abeba aan de macht zijn en tijdens hun verzetsstrijd door de Eritreërs zijn ondersteund. Dit nieuwe bewind wil echter de andere etnische groepen in Ethiopië domineren. De politiek van etnisch federalisme kan leiden tot het uiteenvallen van Ethiopië. De minister is van mening dat de interne problemen in Ethiopië aan de basis liggen voor de oorlog met Eritrea.

De huidige onenigheid over de demarcatie van de bufferzone beschouwt de minister als een «klein probleem». De politieke leiders van beide landen zijn akkoord gegaan met de in Nairobi overeengekomen politieke kaart van de TSZ. Vervolgens is een misverstand ontstaan tussen de Force Commander en de minister van Defensie. Volgens de minister is de Force Commander bij hem gekomen «met een nieuwe politieke kaart», die verder ging dan een louter operationele kaart. De toewijzing van waterbronnen en weidegebieden moet op de politieke kaart worden aangegeven en niet op de operationele kaart.

De Commissioner, Andebrhan W. Giorgis, die namens de Eritrese regering verantwoordelijk is voor de samenwerking met UNMEE, spreekt zijn dank uit voor de belangrijke bijdrage van minister-president Kok aan de het doorbreken van de patstelling begin februari over de vaststelling van de grenzen van de TSZ. Op de tweede MCC presenteerde Ethiopië een terugtrekkingsplan dat niet aanvaardbaar was voor Eritrea. Dankzij druk van de internationale gemeenschap werd de impasse opgelost tijdens de derde MCC in Nairobi. Eritrea blijft echter bezwaren houden tegen het feit dat voor het vaststellen van de zuidelijke grens van de TSZ wordt uitgegaan van de situatie op 6 mei 1998, toen de grensoorlog uitbrak. Volgens de Commissioner heeft het Ethiopische leger reeds in juni en juli 1997 aanvallen uitgevoerd op Eritrees grondgebied. UNMEE zou daarom moeten nagaan hoe de grenssituatie was vóór 1997. Het huidige voorstel van UNMEE leidt ertoe dat de krachtens de overeenkomst van 12 december 2000 in te stellen Grenscommissie zich zou moeten uitspreken over delen van Eritrees grondgebied die vóór 1998 nooit werden betwist. De door de Force Commander ontworpen operationele kaart van de TSZ leidt ertoe dat de Ethiopische troepen in sommige gebieden naar het noorden zouden mogen oprukken. In dat geval, zo stelt de Commissioner, zullen de Eritrese troepen zich verdedigen.

De Commissioner is van mening dat de Force Commander een procedurefout heeft begaan door de officiële vertegenwoordiger van de Eritrese regering te passeren bij het presenteren van zijn operationele kaart. Uitsluitend de Commissioner is de intermediair tussen UNMEE en de Eritrese regering. Het is niet aanvaardbaar dat op een lager niveau wordt afgeweken van afspraken die tussen regeringsleiders zijn gemaakt. Hij erkent dat momenteel opnieuw sprake is van een patstelling. Op de vraag van de delegatie in hoeverre zijn regering momenteel zoekt naar een oplossing voor deze kwestie, antwoordt de Commissioner dat de andere partij aan zet is, aangezien van Eritrese zijde reeds concessies zijn gedaan. Hij benadrukt dat vertrouwen in elkaars bedoelingen van groot belang is. Ethiopië wil echter een aantal hooggelegen gebieden in het grensgebied gebruiken als uitvalsbasis voor nieuwe aanvallen op Eritrea. Volgens de Commissioner is het uiteindelijke doel van Ethiopië het verjagen van de regering van Eritrea. De minister van Defensie benadrukt dat hij de operationele kaart nooit onder ogen heeft gekregen en hieraan dus ook niet zijn goedkeuring heeft kunnen geven.

Naar aanleiding van de vraag of Eritrea een besluit van de Veiligheidsraad over de bufferzone zal accepteren, stelt de minister van Defensie dat de VN geen andere kaart aan de partijen zal voorleggen, aangezien de politieke kaart in Nairobi is vastgesteld. De Ethiopiërs kunnen niet eisen hierin veranderingen aan te brengen. Volgens de Commissioner is de door de VN voorgelegde politieke kaart in zowel Addis Abeba als Asmara geaccepteerd. De ontmoeting in Nairobi ging alleen over de modaliteiten en het tijdpad om de TSZ vast te stellen. De VN kan nu niet met een «definitieve» kaart komen, waarop amendementen niet meer mogelijk zijn.

De minister van Defensie gaat vervolgens in op de politieke situatie in de regio. Zowel Eritrea als Ethiopië hebben problemen aan de grens met Soedan. Volgens hem zijn deze problemen groter dan het grensprobleem tussen Ethiopië en Eritrea. Voorts vormt Soedan een centrum voor terrorisme. Ethiopië heeft havenfaciliteiten nodig in Eritrea en heeft dus groot belang bij vrede tussen beide landen. Hierover zouden de Ethiopische leiders zich zorgen moeten maken (en ook over de droogte en armoede in hun land) en niet over «een bergje hier of daar».

De Commissioner merkt nog op dat in het betwiste gebied waterbronnen zijn voor gemeenschappen die ten noorden van de zuidelijke grens van de TSZ wonen. Indien de bufferzone op deze wijze wordt gedemarkeerd, zullen deze mensen uit het gebied wegtrekken.

Door de delegatie wordt opgemerkt dat de politieke kaart door zijn kleinschaligheid nooit accuraat genoeg kan zijn om de grenzen van de TSZ vast te stellen. De minister van Defensie antwoordt hierop dat de demarcatie van de TSZ ter plaatse zou moeten geschieden door het raadplegen van de dorpelingen. Alleen zij kunnen aangeven waar vóór 1998 hun waterbronnen lagen en waar hun vee graasde. Volgens de Commissioner bestaan er drie kaarten uit de koloniale tijd waarop duidelijk de grenzen staan aangegeven. De Ethiopiërs bevinden zich voorbij deze koloniale grens, op Eritrees grondgebied.

De leden van de delegatie benadrukken tenslotte het belang dat zij hechten aan een positieve opstelling van Eritrese zijde met betrekking tot de pogingen van de SRSG en de Force Commander om een oplossing te vinden voor het geschil tussen beide partijen over de vaststelling van de bufferzone.

Gesprek met de speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal van de VN (SRSG), tevens Head of Mission van UNMEE, ambassadeur Joseph Legwaila

Ambassadeur Legwaila spreekt allereerst zijn dank uit voor de bijdrage van Europese landen, in het bijzonder ook Nederland, aan deze vredesoperatie in Afrika. Hij geeft hoog op van de uitrusting van de Nederlandse militairen en zou graag zien dat een deel van het Nederlandse materiaal kan worden overgedragen. Het geschil over het vaststellen van de TSZ beschouwt hij als een relatief klein probleem. Ethiopië heeft inmiddels de terugtrekking van haar troepen voltooid, maar Eritrea heeft de terugtrekking stopgezet. Dit probleem moet worden opgelost, zodat het civiel gezag in de bufferzone weer kan worden hersteld. Een andere kwestie is dat de Status of Forces (SOF)-overeenkomst tussen de VN en de beide landen nog niet is getekend. Voornaamste struikelblok is een regeling voor belastingvrijstelling. Overigens moet UNMEE in beide landen grote bedragen neertellen voor het huren van gebouwen en terreinen. Alleen al voor het gebouw in Asmara waarin het hoofdkwartier van UNMEE is gevestigd, moet de VN een huur van 80 000 dollar per maand betalen.

De SRSG spreekt zijn zorg uit over het feit dat Eritrea nog niet alle informatie over mijnenvelden heeft overgedragen aan UNMEE. Deze informatie is noodzakelijk, omdat vluchtelingen reeds terugkeren naar hun woonplaatsen. Hij is ervan overtuigd dat beide landen willen dat de UNMEE-operatie een succes wordt. Op 25 maart zal de grenscommissie worden geïnstalleerd, die de definitieve grens tussen beide landen moest vastleggen. De demarcatie van de bufferzone is problematisch omdat het verloop van de grens op 6 mei 1998, die de zuidelijke grens van de TSZ moet vormen, precies liep. De politieke kaart van de bufferzone is geaccepteerd door Eritrea en Ethiopië. Het laatste land heeft daarbij een voorbehoud gemaakt. De Force Commander heeft dit voorbehoud verwerkt in de operationele kaart. De minister van Defensie van Eritrea is akkoord gegaan met de deze kaart en ook de Ethiopische autoriteiten hebben hiermee ingestemd. Nadat de Eritrese autoriteiten de kaart zagen, accepteerden ze echter de aan Ethiopië gedane concessies niet. Volgens de VN heeft het betwiste gebied altijd onder Ethiopisch gezag gestaan. Het opnemen van dit gebied binnen de TSZ was dus een vergissing, die vervolgens door de VN is gecorrigeerd. Omdat de Force Commander de vaststelling van de operationele kaart als een militaire kwestie beschouwde, heeft hij dit besproken met de minister van Defensie van Eritrea.

Op vragen van delegatieleden over mogelijke verdere stappen van de VN antwoordt de SRSG dat de VN formeel zullen bevestigen dat Ethiopië volledig meewerkt met UNMEE en Eritrea niet. De Secretaris-Generaal van de VN zal in zijn rapport, dat hij binnenkort voorlegt aan de Veiligheidsraad, een negatief oordeel geven over de houding van Eritrea. De SRSG legt er nogmaals de nadruk op dat de zuidelijke grens van de TSZ niet de definitieve grens tussen beide landen wordt. Het gaat slechts om het scheiden van de beide legers, zodat vijandelijkheden worden voorkomen.

Briefing door Nederlandse officieren werkzaam op het hoofdkwartier van UNMEE

Een aantal Nederlands officieren die werkzaam zijn bij de staf van UNMEE, onder wie kolonel Holtel (chef-staf van de UNMO's, tevens Senior Military Liaison Officer), kolonel Brons, majoor Wiegersma, majoor Brouwer en kapitein Pronk, en de politiek adviseur van de SRSG, de heer De Beer, informeren de delegatie over de militaire situatie aan het voormalige front. Eritrese militairen bezetten nog belangrijke posities binnen de TSZ. Wat betreft de zuidelijke grens van de bufferzone wenst Eritrea het vasthouden aan de koloniale grens op basis van verdragen uit 1900, 1902 en 1908, terwijl Ethiopië wil dat wordt gekeken naar welk land het civiel bestuur in betwiste gebieden uitoefende vóór 6 mei 1998. Een groot deel van het betwiste gebied, waaronder de regio Badme, viel vóór 6 mei 1998 onder Ethiopisch civiel gezag. De koloniale grens liep echter op sommige plaatsen ten zuiden van de voorgestelde zuidelijke grens van de TSZ.

Vervolgens geven de stafofficieren een overzicht van de ontplooiing van de UNMEE-eenheden. De bufferzone is verdeeld in drie sectoren: «West» met een Jordaanse eenheid; «Centraal» met het Nederlands-Canadese contingent (NECBAT; Oost met een contingent uit Kenia. De Denen leveren een stafcompagnie en de Italianen Militaire Politie. De Force Reserve compagnie uit India is nog niet volledig aanwezig. Voorts maakt een Italiaans luchtmachtdetachement deel uit van UNMEE en draagt Jordanië zorg voor het veldhospitaal. UNMEE kan gebruik maken van een landcorridor tussen de troepen van Ethiopië en Eritrea. Afspraken over een directe luchtcorridor zijn nog niet gemaakt. Ook de uitwisseling van krijgsgevangenen is nog niet voltooid. Wel keert een aantal vluchtelingen terug naar hun woonplaatsen in de bufferzone. Wat betreft de hulp aan terugkerende vluchtelingen werkt de CIMIC-cel op het hoofdkwartier van UNMEE nauw samen met de NGO's in de regio.

Bezoek aan Nederlandse UNMEE-militairen (woensdag 7 maart 2001)

Op 7 maart brengt de delegatie bezoeken aan de Nederlandse UNMEE-militairen op de locaties bij Adigrat (Ethiopië), Adi Quala (Eritrea), May Mine (Eritrea) en Dekemhare (Eritrea). Aanvankelijk is ook een bezoek voorzien aan de locatie bij Bada (Eritrea). Wanneer in de loop van de dag duidelijk wordt dat de helikopter hier vanwege zandstormen niet kan landen, wordt het bezoek aan Bada vervangen door een bezoek aan May Mine.

Hoofdkwartier NECBAT en Centrale Sector bij Adigrat

De delegatie krijgt in het hoofdkwartier van de Centrale Sector van UNMEE, gelegen in de nabijheid van de Ethiopische stad Adigrat, een briefing die onder leiding staat van de plaatsvervangend commandant van NECBAT, lt.-kolonel der mariniers Swijgman. Voorts nemen aan de briefing deel: majoor Deller, kapitein Schooneman, kapitein Boot, kapitein Tropper, luitenant Den Ridder en luitenant Van Dinteren.

NECBAT is verantwoordelijk voor de Centrale Sector, die ongeveer 250 kilometer breed is. Eenheden van NECBAT bevinden zich op de volgende locaties: Dekemhare (logistieke basis en helikopterdetachement); Adigrat (Sectorhoofdkwartier en Bravo-compagnie); Adi Quala (Alfa-compagnie); May Mine (Charlie-compagnie); Bada (peloton van Bravo-compagnie); Senafe (Canadese Hotel-compagnie). In de Centrale Sector bevonden zich bij de aankomst van de eerste UNMEE-militairen naar schatting 20 000 Eritrese militairen met 60 tanks, en 40 000 Ethiopische militairen met 100 tanks. Ongeveer 20 % van de Eritrese militairen is nog in de bufferzone aanwezig.

Op dit moment gaat er weinig dreiging uit van de beide militaire partijen voor de UNMEE-militairen. Ook de oppositiebewegingen vormen geen bedreiging. Het gevaar van de mijnen is relatief gering, omdat deze niet in het wilde weg zijn gelegd, maar op bepaalde militair-strategische locaties. De Ethiopiërs hebben inmiddels bijna 10 000 mijnen geruimd tijdens hun terugtrekking. Wat betreft ziektes bestaat er een klein risico op malaria. Voorts brengt de deelname aan het verkeer een bepaald risico met zich mee.

De «mission statement» voor de UNMEE-militairen luidt als volgt: «Continiously monitor key and sensitive positions and provide security in de AOR (Area of Responsibility) as directed by Force Commander UNMEE in order to facilitate the determination of a common border between Ethiopia and Eritrea». De taken voor de UNMEE-militairen bestaan uit het monitoren van de terugtrekking van de strijdkrachten van Ethiopië en Eritrea, het monitoren van het bestand in de TSZ en het creëren van een veilige omgeving voor activiteiten van de VN-organisaties. Het doel van de vredesoperatie is de demarcatie van de grens tussen beide landen, het tot stand komen van een veilige omgeving voor humanitaire activiteiten en het leveren van een bijdrage aan vrede en een duurzame ontwikkeling in beide landen.

Het NECBAT telt 990 Nederlandse, 301 Canadese en 10 Franse manschappen. Van hen zijn 105 militairen werkzaam op het Sectorhoofdkwartier in Adigrat. De drie Nederlandse compagnieën (A, B, C) tellen elk 153 manschappen, de H-compagnie telt 209 Canadese en 2 Nederlandse militairen. Voorts bestaat NECBAT uit een Nederlands verkenningspeloton van 22 man, een Canadees verkenningspeloton van 32 man, een Canadees geniepeloton van 26 man, vier EOD-militairen, een Nederlands helikopterdetachement van 150 manschappen, logistieke ondersteuning van 228 Nederlandse militairen (een Field Dressing Station (verbandpost) met 45 manschappen en een Combat Service Support compagnie met 183 manschappen) en logistieke ondersteuning van 58 Canadese militairen. Daarnaast zijn 38 Nederlandse en 38 Canadese militairen werkzaam op het Nederlandse resp. het Canadese contingentscommando in Dekemhare en zijn negen Nederlandse officieren verbonden aan het hoofdkwartier van UNMEE in Asmara.

De inzet van NECBAT is gericht op uit het coördineren van de activiteiten met lokale autoriteiten, UNMO's en NGO's; het bemannen van de corridors; patrouilleren en observeren in de TSZ, het monitoren van de Ethiopische en Eritrese troepen; het beveiligen van konvooien en van VN-organisaties; training van de Quick Reaction Force, van mogelijke medische evacuatie en schietoefeningen. Momenteel houdt NECBAT zich vooral bezig met de verificatie van de terugtrekking van Ethiopische troepen en de herpositionering van de Eritrese troepen (door middel van checkpoints, staande patrouilles en mobiele patrouilles). Het operatieplan is gebaseerd op de inzet van vier compagnieën, twee pelotons op locatie, twee verkenningspelotons en een EOD/ontmijningseenheid. In een later stadium zal de inzet van NECBAT met name zijn gericht op de verificatie van de vastgestelde TSZ en het monitoren van de terugkeer van lokaal bestuur en van de vluchtelingen in de TSZ.

De bevoorrading van de verschillende locaties van het NECBAT vindt plaats over de weg en door de lucht. Bevoorrading over de weg geschiedt op vaste dagen via twee verschillende routes: een route ten behoeve van de A en C compagnie en een andere route ten behoeve van de H en B compagnie. De locaties in Bada en Tsorena worden door de Chinook helikopters bevoorraad. De KDC 10 van de Klu vliegt een maal per week vanuit Eindhoven op Asmara om de Nederlandse eenheden te bevoorraden.

In het kader van de Civiel Militaire Samenwerking (CIMIC) wordt samengewerkt met een aantal Eritrese overheidsorganisaties en NGO's, met de Ethiopische Relief Society of Tigray en met internationale organisaties als het Rode Kruis, het World Food Programme, UNICEF en Artsen zonder Grenzen. De nadruk ligt meer op samenwerking met Eritrese dan met Ethiopische organisaties, omdat de TSZ in Eritrea ligt. De internationale hulp aan Ethiopië is vooral gericht op het zuid-oosten van het land, waar opnieuw hongersnood heerst. De organisatie van CIMIC in de Centrale Sector bestaat uit drie Tactical Support Teams (twee Nederlandse en een Frans). De aandacht gaat vooral uit naar de vluchtelingen en ontheemden (ca. 300 000 in Eritrea en 275 000 in Ethiopië). Inmiddels is ongeveer 80% van hen teruggekeerd, maar zij zijn nog wel afhankelijk van hulp. Voorts zijn activiteiten gericht op de burgers die in kampen zijn geïnterneerd (300 Ethiopiërs in Eritrea en 2 000 Eritreërs in Ethiopië) en de overige burgers uit Ethiopië en Eritrea die nog in hun buurland woonachtig zijn (35 000 in Eritrea en 150 000 in Ethiopië). Ook is er aandacht voor de krijgsgevangen (nog 600 in Eritrea en 2 000 in Ethiopië). De CIMIC-activiteiten binnen de Centrale Sector zijn vooral gericht op de regio Senafe (locatie van de H-compagnie), omdat veel vluchtelingen naar dit gebied terugkeren en de infrastructuur hier veel geleden heeft. De CIMIC-eenheden bieden de internationale organisaties ondersteuning bij het vergaren van informatie en voeren enkele kleinschalige projecten uit in de omgeving van locaties van NECBAT (scholen, kinderspeelplaatsen). Projectvoorstellen worden eerst voorgelegd aan de ambassade.

Tenslotte krijgt de delegatie nog enige informatie over de samenstelling van het Nederlandse personeel en de personeelszorg. Het Nederlandse contingent bestaat uit 818 militairen van de Koninklijke Marine (134 van de vloot en 684 mariniers), 148 van de Koninklijke Luchtmacht, 31 van de Koninklijke Landmacht en 10 van de Koninklijke Marechaussee. Personeelszorg voorafgaande aan de uitzending bestaat onder meer uit informatievoorziening voor de militairen zelf en het thuisfront, een opwerkprogramma en het gereed maken van de uitrusting. Tijdens de uitzending zijn er regelingen voor verlof, mogelijkheden voor postvoorziening (e-mail en GSM op de verschillende compounds) en wordt informatie verstrekt via het Thuisfront Comité (centraal telefoonnummer en speciale website). Personeelszorg na de uitzending betreft onder andere aandacht voor aanpassingsproblemen, mogelijkheden tot verlof, nazorg op basis van het invullen van een vragenlijst, en het organiseren van een reünie. De Communication & Information Systems worden zowel gebruikt voor operationele doeleinden als in het kader van personeelszorg. Tussen het Sectorhoofdkwartier en het hoofdkwartier van UNMEE bestaan satellietverbindingen en HF-verbindingen. Tussen de compagnie-locaties en het Sectorhoofdkwartier bestaan soortgelijke verbindingen. Met Nederland worden mobiele communicatieverbindingen onderhouden.

In zijn afsluiting van de briefing noemt lt.-kolonel Swijgman het verloop van de operatie tot op heden bevredigend. Wel somt hij een aantal uitdagingen op waar NECBAT voor staat: de mijnenvelden, waarover nog niet alle informatie is vrijgegeven; mogelijk optreden van milities tegen collaborateurs; de terugkeer van de vluchtelingen, waarvoor nu nog te weinig opvang bestaat; het herstel en de aanpassing na terugkeer in Nederland van de militairen. Hij is van mening dat er voldoende ondersteuning en een positief draagvlak is voor de Nederlandse deelname aan UNMEE. Het Nederlandse contingent legt een goede basis voor het vervolg van de vredesmissie.

Op vragen van de delegatie over de opvang van vluchtelingen antwoordt lt.-kolonel Swijgman dat dit in de eerste plaats een taak is voor de Eritrese organisaties. Formeel is de Eritrese overheidsinstantie ERREC (Eritrean Relief and Refugee Commission) verantwoordelijk voor de vluchtelingenzorg. Terugkerende lokale bestuurders zullen vervolgens hun taken weer op zich moeten nemen. Het is niet duidelijk wanneer de vluchtelingen die niet in kampen zitten (en dus niet geregistreerd zijn) zullen terugkeren, maar hij verwacht een spoedige terugkeer in verband met de aanstaande zaaiperiode. UNMEE heeft geen mandaat om terugkerende vluchtelingen tegen te houden. Een ander punt van zorg is dat het protocol over het opereren en de toegestane bewapening van de Eritrese militie in de TSZ nog niet is getekend door de Eritrese autoriteiten.

Compagnie-locatie bij Adi Quala

In de compound van de A-compagnie bij het Eritrese stadje Adi Quala krijgt de delegatie een korte briefing door de plaatsvervangend commandant van de A-compagnie, kapitein der mariniers Boersma. De taken van de A-compagnie bestaan vooral uit het uitvoeren van (staande en mobiele) patrouilles, het bemannen van checkpoint Zuid, het trainen van de Quick Reaction Force, begeleiden van konvooien, wachtlopen en CIMIC-activiteiten. In dit kader is een inventarisatie gemaakt van mogelijke projecten, waaruit de CIMIC-cel op het hoofdkwartier van de Centrale Sector een selectie heeft gemaakt. CIMIC-activiteiten zijn van belang voor het winnen van de «hearts and minds» van de lokale bevolking. Belangrijke punten in de Area of Responsibility (AOR) van de compagnie zijn de brug over de grensrivier Merep en het stadje Adi Quala. De Eritrese troepen die nog in het gebied zijn, bevinden zich vooral in de nabijheid van de grote wegen. Soms houden zij patrouilles van UNMEE enige tijd tegen. De contacten met de Eritrese strijdkrachten verlopen via een liaison officier. In het gebied van de A-compagnie zijn nog geen vluchtelingen teruggekeerd. Wel bevinden zich in dit gebied drie kampen voor ontheemden.

Hierna brengt de delegatie een bezoek aan een observatiepost van waaruit men een uitzicht heeft op de voormalige frontlinie («Van Aartsen view»).

Compagnie-locatie bij May Mine

De locatie van de C-compagnie bij het Eritrese plaatsje May Mine is te elfder ure in het programma opgenomen, omdat een bezoek aan de pelotonslocatie bij Bada wegens zandstormen niet mogelijk was. De delegatie wordt ontvangen door de commandant van de C-compagnie, majoor der mariniers Brust. De delegatie krijgt een rondleiding door de compound en een demonstratie van een reddingsoperatie van gewonden na een ongeval op een berg. Vervolgens wordt het plaatsje May Mine bezocht.

Logistieke basis bij Dekemhare

Op de logistieke basis van NECBAT («Camp Groesbeek») bij de Eritrese stad Dekemhare wordt de delegatie ontvangen door de commandant van het National Support Element (NSE), kapitein-luitenant ter zee Marcus. De delegatie krijgt een rondleiding over de basis, waarbij een bezoek wordt gebracht aan het helikopter-detachement en het Field Dressing Station (FDS), de zeer goed geoutilleerde «verbandplaats», waar, als het moet, een open-hartoperatie kan worden uitgevoerd. Zware gevallen worden getransporteerd naar Nederland. Ook zijn afspraken gemaakt met het Franse militaire ziekenhuis in Djibouti.

Het helikopterdetachement telt 150 manschappen van de Koninklijke Luchtmacht, verdeeld over zes secties: personeel; inlichtingen; operatiën (vliegen en bewaken van basis); onderhoud van materiaal en brandstof- en munitievoorziening; verbindingseenheid.

De logistieke eenheid, Combat Service Support (CSS), bestaat onder meer uit een transporteenheid van 97 man (zowel militaire chauffeurs, van KM en KL, als een aantal burgerchauffeurs). Van de belangrijkste goederen is een voorraad voor twee maanden aanwezig op de basis. De VN draagt zorg voor de inkoop van de benodigdheden, wat soms tot enige bureaucratische strubbelingen leidt. Een ander probleem dat wordt gesignaleerd, wordt veroorzaakt doordat de logistieke systemen van de verschillende krijgsmachtdelen niet goed op elkaar aansluiten.

Djibouti (donderdag 8 maart 2001)

Gesprek met de Chef Defensiestaf van de strijdkrachten van Djibouti, generaal Fathi Ahmed Houssein

De Chef Defensiestaf spreekt allereerst zijn dank uit voor het bezoek van de delegatie aan het hoofdkwartier van de strijdkrachten van Djibouti. Hij verklaart dat Nederland kan rekenen op de steun van het leger van Djibouti. Reeds eerder verbleven militairen uit andere landen in Djibouti, zoals de Amerikaanse militairen tijdens het conflict in Somalië. Hoewel de samenwerking met Nederland aanvankelijk niet goed begon, zijn beide landen nu op de goede weg. Met de commandant van de Nederlandse militairen is gesproken over mogelijkheden om oefeningen te houden in het noorden van Djibouti. Afgesproken is op alle wensen van de Nederlanders in te gaan. De Nederlandse militairen worden op dezelfde wijze behandeld als militairen uit Djibouti.

De voorzitter van de delegatie spreekt namens het Nederlandse parlement zijn dank uit voor de steun van Djibouti aan de Nederlandse militairen. Volgens hem verloopt de samenwerking, voor zover hij dat kan beoordelen, op dit moment uitstekend. Hij spreekt de hoop uit dat deze samenwerking ook in de toekomst goed blijft. Vervolgens gaat hij in op de reden voor het bezoek van de delegatie aan de regio. Voornaamste doel is het ontmoeten van de Nederlandse militairen in Eritrea, Ethiopië en Djibouti.

Op de vraag van de voorzitter naar zijn visie op de ontwikkelingen in het conflict tussen Ethiopië en Eritrea antwoordt de Chef Defensiestaf dat de relatie met Eritrea gespannen is geweest, maar nu lijkt te verbeteren. Met Ethiopië heeft Djibouti een relatie van broeders, ook al zijn er soms politieke misverstanden. Zo maakt Djibouti de doorvoer mogelijk van voedsel naar Ethiopië. Hij benadrukt dat door de recent aangetreden president van Djibouti hetzelfde beleid wordt gevoerd als door zijn voorganger. Djibouti heeft altijd op ruimhartige wijze opvang verleend aan vluchtelingen uit landen in de regio. Volgens de Chef Defensiestaf bestaat 35% van de bevolking uit mensen afkomstig uit de buurlanden. Vluchtelingen vestigen zich in Djibouti vanwege de stabiliteit in het land. Terugkeerprogramma's zijn moeilijk uitvoerbaar, omdat de betreffende landen belemmeringen opwerpen. Zo zijn er van de 13 000 vluchtelingen uit Somalië 4 000 teruggekeerd naar hun land.

Bezoek aan het Nederlandse Apache detachement

De delegatie wordt ontvangen door de commandant van het detachement, tevens Senior National Representative, lt.-kolonel Hagemeijer. In een briefing krijgt de delegatie informatie over de werkwijze van het Nederlandse Apache Detachement (NAD). Na afloop van de briefing volgt een rondleiding over de compound en voeren de delegatieleden gesprekken met de militairen van het detachement.

De missie van het NAD behelst ten eerste het in voorkomend geval ondersteunen van de extractie van de Nederlandse UNMEE-militairen uit de bufferzone. Ten tweede bestaat de missie uit het maximaal benutten van de trainingsmogelijkheden in Djibouti. De uitgangspunten van de missie zijn: aanwezigheid in de regio, maar niet in het inzetgebied zelf; maximale training in de regio; twee AH-64D Apaches operationeel, twee AH-64D Apaches in reserve; het detachement heeft geen VN-status, het betreft nationale inzet; het belang van de missie is duidelijk, zowel politiek/maatschappelijk als militair; het gastland verleent maximale ondersteuning, met name wat betreft accommodatie en trainingsmogelijkheden. Het operationele uitgangspunt is dat de Apaches acht uur na het eerste bericht kunnen worden ingezet (2 uur voor gereedstelling, 4 uur vliegen naar inzetgebied, 1 à 2 uur voor bijtanken). Het personeel en materieel wordt door de luchtmacht naar het inzetgebied gevlogen. Inzet vindt eerst plaats na toestemming van de beide betrokken landen en Djibouti. Volgens de commandant van het NAD is het aan de politiek om de omstandigheden voor het verlenen van toestemming te creëren.

Extractie kan plaatsvinden over de grond of door de lucht. Bij extractie over de grond worden de Apaches ingezet voor het verkennen van de routes, het beheersen van de terreindelen en het escorteren en zonodig beschermen van de grondkonvooien. Bij extractie door de lucht worden de Apaches ingezet voor het verkennen en beveiligen van de routes en de landingsgebieden en voor het escorteren en beschermen van de CH-47 transporthelikopters. Bij de plannen voor extractie wordt uitgegaan van een «permissive environment». De toezeggingen van de Amerikanen voor medewerking aan de extractie gelden alleen voor een dergelijke situatie. De Fransen zullen zelf niet deelnemen aan een mogelijke extractie-operatie. Wel zijn met de Fransen afspraken gemaakt over search & rescue operaties bij ongevallen met de Apaches in Djibouti. Ook zijn er afspraken over opvang in het Franse militaire ziekenhuis in Djibouti. Overigens beschikt UNMEE over een eigen evacuatieplan.

Het NAD heeft onbeperkte mogelijkheden gekregen van de autoriteiten van Djibouti (zeven dagen per week) voor het trainen van zowel vliegers als het technisch en ondersteunend personeel ten behoeve van operaties in een woestijnklimaat. Voorts kan onbeperkt getraind worden op operaties onder hete omstandigheden en op grotere hoogtes. Verder wordt aandacht besteed aan het optimaliseren van de procedures voor zelfstandige ontplooiing en voor samenwerking met het Korps Mariniers. Probleem is echter dat de mariniers niet de grens over mogen om deel te nemen aan de oefeningen op het grondgebied van Djibouti Het NAD kan gebruik maken van de sensoren op de Apaches, zowel overdag als 's nachts. De Apaches zijn aangepast voor extra lange inzet door middel van brandstoftanks onder de vleugels. Alleen in uiterste noodzaak zal gebruik worden gemaakt van wapens, waarbij uitsluitend precisiewapens worden gebruikt. De commandant verklaart dat hij graag gezien had dat de Apaches voor het uitvoeren van verkenningstaken waren toegevoegd aan NECBAT.

Het NAD heeft een aantal primeurs: de eerste zelfstandige ontplooiing van een helikopterdetachement; de eerste Nederlandse operatie in Afrika; de eerste operatie in woestijnomstandigheden; de eerste operationele inzet van AH-64 D Apaches wereldwijd. Op 21 februari is de boot met het materiaal en zijn de vier Apaches uit de VS aangekomen; op 23 februari vond de eerste testvlucht plaats en werd een begin gemaakt met de training. De verwachte terugkeerdatum is begin juli 2001. Het detachement telt 130 manschappen uit alle krijgsmachtdelen: 43 in de Protection Force (ten behoeve van de extractie) en 87 in de Supporting Force (blijft in Djibouti tijdens extractie). De «werklocatie» van het NAD is gevestigd op het Djiboutaans militaire gedeelte van het vliegveld Ambouli, waar het NAD beschikt over de helft van een hangaar, een geasfalteerd platform en een terrein voor de compound. Het NAD heeft toestemming voor het gebruik van het vliegveld, het luchtruim en de oefengebieden. Voor eten en slapen zijn de militairen gelegerd in een lokaal hotel, wat de beste en goedkoopste oplossing was. De compound wordt 's nachts bewaakt met behulp van wachthonden. De militairen van het detachement hebben nog geen negatieve ervaringen gehad met criminaliteit of andere veiligheidsproblemen. Wel zal de stijging van de temperatuur vanaf april (tot een maximum van 58 graden in juni) tot aanpassingen van het werkritme moeten leiden.

Wat betreft de huidige stand van zaken verklaart de commandant dat het kamp inmiddels volledig is opgebouwd en drie van vier Apaches inzetbaar zijn. De details van het extractieplan worden momenteel uitgewerkt. Nu al is veel operationele ervaring opgedaan. De samenwerking met de Djiboutanen is optimaal. De beide missies worden door de commandant uitvoerbaar geacht. Het NAD beschikt over uitstekend materieel en gemotiveerd personeel. Volgens de commandant biedt de uitzending een unieke kans om ervaring op te doen.

Cyprus (donderdag 8 maart en vrijdag 9 maart 2001)

De delegatie wordt op het hoofdkwartier van de United Nations Peace-keeping Force in Cyprus (UNFICYP) welkom geheten door de Nederlandse Senior National Representative, tevens contingentscommandant, majoor Buimer, die in het kort een beeld geeft van de Nederlandse bijdrage aan UNFICYP. Sinds december 2000 zijn militairen van 12 Pantserluchtdoel-artillerie batterij, behorend tot de 43e Gemechaniseerde Brigade, aangevuld met personeel van dezelfde brigade, op Cyprus gestationeerd. Dit contingent (UNFICYP 6) vormt de laatste rotatie. Vanaf juni 2001 wordt de Nederlandse bijdrage aan UNFICYP beëindigd. De Nederlandse compagnie maakt onderdeel uit van het Britse tankregiment The Queen's Royal Lancers, dat sinds december 2000 de verantwoording heeft over Sector 2 van UNFICYP. Majoor Buimer karakteriseert de samenwerking met de Britse eenheid als meer dan uitstekend.

Gesprek met de plaatsvervangend speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal van de VN (Deputy SRSG), tevens Chief of Mission van UNFICYP, Zbigniew Wlosowicz

De heer Wlosowicz spreekt allereerst zijn dank uit voor de Nederlandse militaire bijdrage aan UNFICYP. De Nederlandse militairen combineren militaire expertise met, wat hij noemt, een «human dimension»: ze weten hoe ze met de beide gemeenschappen op het eiland om moeten gaan. De Nederlandse militairen genieten dan ook het vertrouwen van beide zijden.

Het hoofd van de missie noemt de vredesoperatie op Cyprus een unieke operatie: enerzijds biedt het eiland een prettige omgeving en heeft het een overzichtelijke omvang, maar anderzijds bestaan er grote tegenstellingen. De huidige problemen bevinden zich op twee niveaus: de situatie op het eiland zelf en de internationale bemiddelingspogingen. De posten van de VN in Noord-Cyprus zijn door de Turks-Cyprioten gesloten. De Turks-Cypriotische leiders eisen dat de VN de zogenaamde «Turkse Republiek in Noord-Cyprus» (TRNC) erkent als partner, die in politiek opzicht gelijkwaardig is aan Grieks-Cyprus. Erkenning van de TRNC door de VN is echter volstrekt onmogelijk. De in december 1999 onder VN-bemiddeling gestarte «proximity talks» tussen beide partijen zijn in december 2000 na vijf gespreksrondes door de Turks-Cyprioten opgeschort, nadat het parlement van de TRNC had geëist dat de bemiddelingspoging uit zou gaan van eenzelfde soevereine status voor beide partijen.

Vervolgens schetst de heer Wlosowicz het toekomstperspectief voor het conflict. Volgens hem ligt de kiem van een toekomstige oplossing niet alleen op het eiland zelf, waarbij hij doelt op de rol van Griekenland en Turkije. De Turks-Cypriotische leiders stellen zich steeds meer rigide op. Zo hebben zij beperkingen opgelegd aan de deelname van Turks-Cypriotische inwoners aan de door de VN ondersteunde bi-nationale activiteiten voor burgers uit beide gemeenschappen. Het hoofd van de missie noemt echter ook een aantal positieve kanten, zoals de langzaam veranderende mentaliteit, met name onder de jongeren op het eiland. In het Noorden is de situatie voor jongeren echter vrij uitzichtloos; velen van hen verlaten het eiland. Hun plaats wordt ingenomen door Turken die afkomstig zijn van het vasteland. Momenteel wonen in het Noorden 104 000 Turks-Cyprioten en 96 000 Turken.

De Grieks-Cypriotische leiders gebruiken de Europese Unie (EU) als brug om het probleem op te lossen. In het Noorden wil men echter niet praten over samenwerking met de EU. Hij is er echter van overtuigd dat de meerderheid van de Turks-Cypriotische bevolking deel wil uitmaken van de EU. Toetreding tot de EU zou de economische situatie in het Noorden meer verbeteren dan in het Zuiden, dat al zeer welvarend is. Het lidmaatschap van de EU zou ook tot stabiliteit op het eiland kunnen leiden en een garantie kunnen vormen voor de veiligheid van minderheden. Het Noorden heeft echter weinig vertrouwen in de positieve effecten voor de Turks-Cyprioten van een toetreding van Cyprus tot de EU. De Turks-Cypriotische leider Denktash heeft verklaard dat de TRNC alleen wil toetreden tot de EU als ook Turkije als lidstaat wordt toegelaten tot de EU. De TRNC wil niet als aparte staat toetreden tot de EU, maar alleen samen met Turkije.

Op een vraag van de delegatie over de relatie tussen de bemiddelingspogingen van de VN en de onderhandelingen met de EU over toetreding stelt de heer Wlosowicz dat beide processen van elkaar gescheiden moeten worden gehouden en ook moeilijk samengevoegd kunnen worden. De Turks-Cypriotische leiders wensen geen rol van de EU in het VN-proces en weigeren een vertegenwoordiger van de EU toe te laten bij de besprekingen in Genève. Hij tekent hierbij echter aan dat de kennis over de EU in het Noorden gering is. Er wordt door de Turks-Cyprioten wel een negatieve koppeling gelegd tussen beide processen. Denktash heeft namelijk verklaard dat de VN het eiland moet verlaten wanneer het Grieks-Cypriotische gedeelte wordt toegelaten tot de EU. De verdeling van het eiland zou dan permanent worden, omdat er dan geen ruimte meer is voor onderhandelingen.

Briefing door de Chef-Staf van UNFICYP, tevens commandant van de Britse VN-troepen (BRITCON), kolonel Brooks

Kolonel Brooks gaat allereerst in op het mandaat voor UNFICYP, gebaseerd op resolutie 186 uit 1964: «To prevent a recurrence of fighting between the Greece Cypriot and Turkish Cypriot communities and to contribute to the maintenance and restoration of law and order and to return to normal conditions». Hij karakteriseert dit mandaat als erg vaag en onduidelijk.

Vervolgens geeft hij een beeld van de bufferzone, het gebied tussen de twee staakt-het-vuren lijnen van beide partijen, waarbinnen de eenheden van UNFICYP zijn gestationeerd: de bufferzone strekt zich van West naar Oost over 180 kilometer uit en is op het breedste punt 7 kilometer breed; op het smalste punt slechts 3,3 meter. Ongeveer 8 000 mensen wonen en werken in de bufferzone. De bufferzone is verdeeld in drie sectoren: sector 1, sector 2 en sector 4. In sector 1 bevinden zich Argentijnse militairen, in sector 4 Oostenrijkse, Sloveense en Hongaarse militairen en sector 2 (rondom Nicosia) valt onder het Brits-Nederlandse contingent. Aan de noordelijke bestandslijn staan 4 500 Turks-Cypriotische en 30 500 Turkse militairen: één soldaat op elke vijf inwoners van het Turks-Cypriotische gedeelte. Aan de zuidelijke bestandslijn bevinden zich 14 500 soldaten van de Grieks-Cypriotische Nationale Garde. Voorts zijn 85 000 reservisten oproepbaar. In het Grieks-Cypriotische gedeelte is de verhouding burgers/soldaten 1 op 44. De meeste commandanten van de Nationale Garde zijn afkomstig uit Griekenland.

UNFICYP telt 1 212 manschappen; 35 civiele politiemensen; 44 burgers in de internationale staf; en 147 personen als lokaal personeel. Dit aantal is volgens kolonel Brooks minimaal noodzakelijk om de taken naar behoren te kunnen uitvoeren. Operationele uitgangspunten zijn: het handhaven van de status quo; onpartijdigheid; integriteit, discipline en professionaliteit; nauwe samenwerking. Hij merkt op dat de Rules of Engagement (RoE's) voor de militairen uit Nederland (en ook uit de andere landen) verschillen van de RoE's voor de Britse militairen. Dit levert echter geen problemen op, omdat UNFICYP niet opereert in een oorlogssituatie.

De voornaamste taken van UNFICYP zijn het toezicht houden op het staakt-het-vuren en het rapporteren van schendingen van de status quo, zowel binnen als buiten de bufferzone. Deze schendingen kunnen bestaan uit het overbemannen van observatieposten (meer militairen stationeren dan afgesproken), het afvuren van wapens of tot ontploffing brengen van explosieven, of het versterken van barricades. Voorts voert UNFICYP ook humanitaire activiteiten uit. Zo is medewerking verleend aan de hervestiging van Grieks-Cyprioten vanuit het Noorden naar het Zuiden en wordt hulp gegeven aan de enkele nog in het Noorden woonachtige Grieks-Cyprioten. Met toestemming van UNFICYP kunnen economische activiteiten worden verricht in de bufferzone. UNFICYP bemiddelt bij de levering van water en elektriciteit. Ook worden bi-communale activiteiten georganiseerd.

Tenslotte gaat kolonel Brooks in op een aantal recente ontwikkelingen. Het mandaat voor UNFICYP is afgelopen december door de Veiligheidsraad weer met een half jaar verlengd. Sindsdien hebben de Turks-Cypriotische autoriteiten beperkingen opgelegd aan UNFICYP in verband met de status van de TRNC. Kolonel Brooks acht het op dit moment niet mogelijk om de frontlinies van de beide partijen op grotere afstand van elkaar te krijgen. Het ontmijnen heeft geen prioriteit: er vallen geen slachtoffers en het is bekend waar de mijnenvelden zijn.

Oostenrijk, Slovenië en Nederland trekken hun troepen binnenkort terug. Britse militairen zullen de Nederlandse militairen vervangen. Het opnieuw integreren van een eenheid uit een ander land in de Britse eenheid zou te moeilijk worden. Kolonel Brooks is positief over de Nederlandse inbreng. Bij de Nederlandse soldaten bestaat groot enthousiasme om de opgedragen taken uit te voeren. Zij hebben de juiste attitude en discipline. Het verschil in discipline tussen Nederlandse en Britse militairen is geen punt van discussie meer. De Nederlandse eenheid was aanvankelijk verspreid, maar kreeg later een eigen deel van de sector. Wel vinden gezamenlijke oefeningen met de Britten plaats.

Ontmoeting met Nederlandse militairen

Op «Ypenburg», het in de bufferzone gelegen hoofdkwartier van sector 2 West en van de Nederlandse compagnie, krijgt de delegatie een korte briefing, die onder leiding staat van de plaatsvervangend commandant van de Nederlandse eenheid, kapitein Van Strien. In de briefing wordt een beeld gegeven van de voornaamste activiteiten die de Nederlandse militairen uitoefenen in het gedeelte van sector 2 waarvoor zij verantwoordelijk zijn (sector 2 West). Van de 100 Nederlandse militairen bevinden zich 62 militairen op de volgende in de bufferzone gelegen locaties: Compagnie hoofdkwartier Ypenburg; Post Bengal (pelotonslocatie met 18 manschappen); Post Falcon (pelotonslocatie met 30 manschappen). Voorts zijn 10 militairen verbonden aan het hoofdkwartier van sector 2 in het Ledra Palace Hotel en maken 25 Nederlanders deel uit van de Mobile Force Reserve (MFR) van UNFICYP, gestationeerd in het hoofdkwartier van UNFICYP. Het detachement van de Koninklijke Marechaussee bestaat uit drie militairen.

Ook gaat kapitein Van Strien nog kort in op het verschil tussen de RoE's voor de Nederlandse militairen en die voor de Britse militairen. De Britten mogen hun wapens gebruiken als «deadly force». De Nederlanders mogen van hun wapens alleen inzetten ter bescherming van de eigen veiligheid (of in opdracht van de commandant van UNFICYP ter bescherming van de uitvoering van de missie).

Na de briefing spreken de leden van de delegatie met een aantal uitgezonden militairen.

Briefing door de commandant van sector 2, tevens commandant van het regiment The Queen's Royal Lancers, lt.-kolonel Everard

Sector 2 heeft een lengte van 38 kilometer en is op zijn smalste punt 3 meter breed; de oppervlakte is 32 km2. In het aan deze sector grenzende gebied zijn aan de Grieks-Cypriotische zijde drie regimenten van de Nationale Garde gestationeerd; aan de Turks-Cypriotische kant zijn twee Turkse regimenten en een «Wolven.»-regiment van Turks-Cyprioten gelegerd (in totaal ca. 3000 manschappen). UNFICYP heeft in sector 2 twee compagnieën gestationeerd: in totaal 328 manschappen (228 Britse en 100 Nederlandse), waarvan 64% bestaat uit gevechtstroepen; de anderen hebben ondersteunende functies. Van deze eenheid zijn 29 Britse en 24 Nederlandse militairen toegevoegd aan de Mobile Force Reserve (MFR), de eenheid die ingezet wordt voor rellenbestrijding en het tegengaan van het illegaal binnendringen in de bufferzone door burgers. De taken voor de UNFICYP-militairen zijn vanaf 1964 vrijwel onveranderd gebleven: het handhaven van de militaire status quo en het handhaven van de balans tussen beide partijen. De eenheid in sector 2 opereert vanuit een aantal patrouillebases en beschikt over zes permanente observatieposten (OP's), vijf observatieposten die alleen overdag worden bezet en 37 tijdelijke observatieposten. Elk peloton is verdeeld in drie secties, die elkaar aflossen (vijf dagen dagdienst, vijf dagen nachtdienst, vijf dagen training).

De VN heeft het exclusieve gezag over de bufferzone, die duidelijk gedemarkeerd is. Dit is echter, volgens overste Everard, de theorie. In de praktijk ligt dit niet altijd zo duidelijk, waardoor regelmatig incidenten voorkomen. De overste spreekt zijn twijfels uit over het niveau van de VN-aanwezigheid. Het aantal militairen dat in de bufferzones patrouilleert is minimaal. Deze situatie heeft geleid tot een discussie of de vredesmissie daarom niet omgezet zou moeten worden in een monitoringmissie. De Cypriotische en de Griekse regering stellen echter prijs op de aanwezigheid van de vredesmacht en betalen ook een deel van de kosten.

Vervolgens plaatst de overste enige kanttekeningen bij de operatie vanuit een militair oogpunt. Er is volgens hem sprake van «mission inertia» vanwege het gebrek aan vooruitgang. Het ontbreekt UNFICYP aan voldoende morele autoriteit. Er zijn twijfels over een rechtvaardige en duurzame oplossing. Daarbij komt dat de uitgezonden militairen praktijkervaring kwijtraken, omdat zij in het kader van de vredesmissie totaal andere taken moeten uitvoeren dan waarvoor zij zijn opgeleid en in dienst zijn. In dit verband verwijst de overste naar de huidige Nederlandse eenheid, die bestaat uit luchtdoelartilleristen. De relatie met de beide partijen verloopt moeizaam. Een gezamenlijke militaire commissie ontbreekt, maar ook andere vormen van overleg door de commandanten van de beide partijen ontbreken. De VN kan slechts afzonderlijk met de commandanten spreken. Voorts heeft UNFICYP te kampen met een chronisch gebrek aan tolken. Een verandering van een vredesmissie naar een waarnemersmissie brengt volgens de overste slechts een gering risico met zich mee. Tenslotte wijst de overste ook op de rol die de media spelen en de wijze waarop, met name van Griekse kant, wordt ingespeeld op de internationale publieke opinie.

Bezoek aan de bufferzone

Onder begeleiding van luitenant Verkuil, die verbonden is aan het hoofdkwartier van sector 2, bezoekt de delegatie een deel van de bufferzone in Nicosia. Op de pelotonslocatie Falcon spreekt de delegatie met de daar gestationeerde Nederlandse militairen. Ook wordt een bezoek gebracht aan het in de bufferzone gelegen voormalige internationale vliegveld van Nicosia, waar de MFR een demonstratie geeft van de wijze waarop wordt opgetreden tegen demonstranten die de bufferzone willen binnendringen.

PROGRAMMA WERKBEZOEK

Maandag 5 maart

– Vertrek van Marinevliegkamp Valkenburg

– Aankomst op vliegveld Addis Abeba. Ontvangst door onder anderen de tijdelijk zaakgelastigde in Ethiopië, dhr. Den Haas, de Defensie-attaché in Ethiopië, kolonel Harts, en de Ambassaderaad in Ethiopië, dhr. Verheul

– Briefing door de tijdelijk zaakgelastigde in Ethiopië, dhr. Den Haas, de Defensie-attaché in Ethiopië, kolonel Harts, en de Force Commander van UNMEE, generaal-majoor Cammaert (Sheraton hotel, Addis Abeba)

– Ontmoeting met Ethiopische parlementsleden (Sheraton hotel)

– Diner met deelname van Ethiopische parlementsleden en medewerkers van de Nederlandse ambassade in Addis Abeba (Sheraton hotel)

Dinsdag 6 maart

– Rondrit door Addis Abeba en bezoek aan het Nationaal Museum van Ethiopië

– Vertrek van vliegveld Addis Abeba

– Aankomst op vliegveld Asmara. Ontvangst door onder anderen de ambassadeur in Eritrea, mw. Brandt, de Defensie-attaché in Eritrea, kolonel Madsen, en de contingentscommandant van de Nederlandse UNMEE-militairen, kolonel Rijken

– Briefing door de ambassadeur in Eritrea, mw. Brandt (Hotel Intercontinental, Asmara)

– Gesprek met de minister van Defensie van Eritrea tevens Chef Defensiestaf, generaal Ephrem Sebhat, en de Eritrese Commissioner for Coordination with UNMEE, Andebrhan W. Giorgis (Ministerie van Defensie van Eritrea)

– Bezoek aan het onlangs in gebruik genomen gebouw van de Nederlandse ambassade in Asmara

– Gesprek met de speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal van de VN (SRSG), tevens Head of Mission van UNMEE, ambassadeur Joseph Legwaila (Hoofdkwartier UNMEE, Asmara)

– Briefing door Nederlandse UNMEE-stafofficieren (Hoofdkwartier UNMEE, Asmara)

– Informele ontmoeting met Nederlandse UNMEE-stafofficieren (Hoofdkwartier UNMEE, Asmara)

– Diner met deelname van enkele Eritrese overheidsfunctionarissen, onder wie de Eritrese Commissioner for Coordination with UNMEE, Andebrhan W. Giorgis (restaurant in Asmara)

Woensdag 7 maart

– Bezoek aan Nederlandse UNMEE-militairen op de locaties bij Adigrat (Ethiopië), Adi Quala (Eritrea), May Mine (Eritrea) en Dekemhare (Eritrea)

Donderdag 8 maart

– Vertrek van vliegveld Asmara

– Aankomst op vliegveld Djibouti. Ontvangst door onder anderen de commandant van het Nederlandse Apache Detachement (NAD), lt.-kolonel Hagemeijer, en de consul van Nederland in Djibouti, dhr. Wyns

– Gesprek met de Chef Defensiestaf van de strijdkrachten van Djibouti, generaal Fathi Ahmed Houssein (hoofdkwartier strijdkrachten van Djibouti)

– Rondrit door de stad Djibouti

– Bezoek aan Nederlands Apache Detachement (vliegveld van Djibouti)

– Vertrek van vliegveld Djibouti

– Aankomst op vliegveld Larnaca (Cyprus). Ontvangst door onder anderen de Nederlandse contingentscommandant, majoor Buimer

– Inspectie van de erewacht op het hoofdkwartier van de United Nations Peace-keeping Force in Cyprus (UNFICYP)

– Gesprek met de plaatsvervangend speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal van de VN (Deputy SRSG), tevens Chief of Mission van UNFICYP, Zbigniew Wlosowicz (Hoofdkwartier UNFICYP)

– Briefing door de Chef-Staf van UNFICYP, tevens commandant van de Britse VN-troepen (BRITCON), kolonel Brooks (Hoofdkwartier UNFICYP)

– Briefing onder leiding van de plaatsvervangend commandant van de Nederlandse UNFICYP-eenheid, kapitein Van Strien («Ypenburg», hoofdkwartier van de Nederlandse compagnie)

– Informele ontmoeting met Nederlandse UNFICYP-militairen («Ypenburg»)

Vrijdag 9 maart

– Briefing door de commandant van sector 2, tevens commandant van het regiment The Queen's Royal Lancers, lt.-kolonel Everard (Hoofdkwartier sector 2)

– Rondleiding door bufferzone

– Bezoek aan pelotonslocatie «Falcon» van Nederlandse UNFICYP-militairen

– Demonstratie door Multinational Force Reserve (MFR) op voormalig vliegveld van Nicosia

– Vertrek van vliegveld Larnaca

– Aankomst op marinevliegkamp Valkenburg