﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="comm">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27559-30/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2001-2002</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.6.1__3.2" markup="1xa"></versie>
    <ordernr>KST62815</ordernr>
    <vergjaar>2001-2002</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>27 559</nummer>
      <naam>Nota Mensen, wensen, wonen</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>30</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING
EN MILIEUBEHEER</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag, <datum>12 juli 2002</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hierbij doe ik u het eindrapport van de door mij ingestelde commissie <nadruk type="cur">Kosten en kostendragers van transformatie van wijken</nadruk> toekomen<voetref refid="v1.1" nr="1"></voetref>. In november 2001 heb ik u een kopie van het instellingsbesluit
van deze commissie, die is ingesteld naar aanleiding van afspraken in het <nadruk type="cur">Nationaal Akkoord Wonen 2001–2005</nadruk> doen toekomen.</al>
      <al>In voorliggende brief geef ik mijn reactie op het eindrapport van de commissie
in een wat bredere context: de financiering van de stedelijke vernieuwing
de komende jaren. Voorliggende brief is reeds aangekondigd in en sluit aan
op de brief <nadruk type="cur">«Mensen, Wensen, Wonen»: de implementatie</nadruk>, die ik op 21 februari 2002 naar u gestuurd heb<voetref refid="v1.2" nr="2"></voetref>.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Kort samengevat is mijn reactie als volgt. De afgelopen maanden heeft
de burger met kracht aandacht gevraagd voor de aanpak van knelpunten in onze
samenleving, met name in de steden. Deze ontwikkeling onderschrijft naar mijn
mening de urgentie van het stedelijke vernieuwingsbeleid: de aanpak van wijken
met (te verwachten) problemen én het maken van een kwaliteitsslag om
midden- en hogere inkomens vast te houden in de steden. Voor de aanpak van
wijken met (te verwachten) problemen is tot 2010 geld gereserveerd door het
Rijk. Dit geld blijft in beginsel onverkort hard nodig. Een belangrijk onderdeel
van de stedelijke vernieuwing is de transformatie van wijken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De commissie <nadruk type="cur">Kosten en kostendragers van transformatie
van wijken</nadruk> heeft de opdracht gekregen de transformatieopgave (vasthouden
van midden- en hogere inkomens) uit de nota <nadruk type="cur">Mensen, Wensen,
Wonen</nadruk> door te rekenen. Deze commissie heeft becijferd dat in theorie
de transformatieopgave een positief saldo kent. Voorwaarde daartoe is dat
in voldoende mate verevening van gelden tussen locaties en partijen plaatsvindt.
De mogelijkheden om verevening verder te stimuleren, worden door mij momenteel
verkend. In 2003, bij het maken van de verstedelijkingsafspraken, moet het
beeld hierover duidelijk zijn. </al>
      <tuskop letat="vet">Beleidsopgave stedelijke vernieuwing</tuskop>
      <al>Alvorens in te gaan op de financiële kanten van de stedelijke vernieuwing,
hecht ik eraan de beleidsopgave kort de revue te laten passeren.</al>
      <al>In de jaren zeventig is besloten om te starten met het integraal aanpakken
van verpauperde, vooroorlogse wijken. Wijken met veel woningen die in slechte
bouwkundige staat verkeerden. Uitgangspunt bij het aanpakken van deze wijken
was dat zowel de woningen als de woonomgeving aangepakt moesten worden.</al>
      <al>Begin jaren negentig is in de nota Beleid voor Stadsvernieuwing in de
toekomst (Belstato) nog eens vastgelegd dat de stadsvernieuwing (het inhalen
van achterstanden) een eindige opgave is. In de loop van de jaren negentig
ontstond hierbij het besef dat – om te voorkomen dat nieuwe stadsvernieuwingswijken
zouden ontstaan – een preventieve herstructureringsoperatie van start
zou moeten gaan. Daar zou de nadruk moeten liggen op de aanpak van naoorlogse
wijken met een eenzijdig woningbestand. Ook hier gaat het, net als bij de
stadsvernieuwing, om een integrale opgave die zowel de woningen als de woonomgeving
betreft.</al>
      <al>De opgaven met betrekking tot het afronden van de stadsvernieuwing en
het starten van de herstructurering zijn neergelegd in de nota Stedelijke
Vernieuwing die in 1997 is verschenen. Bij de kabinetsformatie in 1998 is
het in de nota Stedelijke Vernieuwing geraamde en tevens beschikbare budget
(8,35 miljard gulden<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref> voor het tijdvak 1996–2010)
aangevuld met 2,25 miljard gulden voor stedelijke vernieuwing. Met deze gelden
zouden ongeveer 210 probleemwijken integraal kunnen worden aangepakt.</al>
      <al>De genoemde gelden worden – tezamen met rijksbijdragen voor zaken
als bodemsanering, groen in en om de stad, bedrijvigheid in de wijk –
voorzover het de budgetten vanaf 2000 betreft aan gemeenten ter beschikking
gesteld via het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) in de periode
2000 tot en met 2009, een van de drie pijlers van het GSB. Dit gebeurt in
twee tranches: voor het tijdvak 2000 t/m 2004 en voor het tijdvak 2005 t/m
2009. Het ISV behelst de vergaande ontkokering van budgetten en verantwoordingsstructuren,
met als kern meerjarige visies en programma's van gemeenten. Visies die 10
jaar betreffen en programma's die 5 jaar betreffen. De steden – naast
de 30 rechtstreekse gemeenten ook 111 niet-rechtstreekse programmagemeenten
en de overige (project)gemeenten – kunnen zo optimaal inspelen op lokale
omstandigheden, waarbij een belangrijke procesvoorwaarde is dat de burger
betrokken wordt bij het opstellen van het meerjaren ontwikkelingsprogramma.
Het ISV is de afgelopen maanden in diverse notities<voetref refid="v2.2" nr="2"></voetref>
genoemd als sturingssystematiek die navolging verdient en verder uitgebouwd
zou moeten worden. In 2000 zijn – voor de 30 rechtstreekse gemeenten
(G30) onder de vlag van het grotestedenbeleid (GSB) – aan 141 gemeenten
ISV-gelden toegekend voor de periode tot en met 2004 op basis van de gemeentelijke
meerjaren ontwikkelingsprogramma's.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de nota <nadruk type="cur">Mensen, Wensen, Wonen (2000)</nadruk> wordt
geconstateerd dat midden- en hogere inkomens uit de stad wegtrekken naar omliggende
gemeenten, onder meer omdat er onvoldoende aanbod is van woonmilieus waar
zij zich willen vestigen. Dit zorgt ervoor dat de bevolkingssamenstelling
in de stad eenzijdig wordt, waardoor het sociale en financiële draagvlak
smal wordt. Om dit tegen te gaan, is volgens de nota een belangrijke kwaliteitsslag
nodig: wijken die weinig aantrekkingskracht hebben, zouden moeten worden omgevormd
(getransformeerd) tot aantrekkelijke wijken. Onder andere moet het overschot
van onaantrekkelijke buitencentrum wijken getransformeerd worden naar groene
of centrumstedelijke woonmilieus. Naast ingrepen in de openbare ruimte en
voorzieningen is daarvoor sloop, samenvoeging en nieuwbouw van woningen nodig. </al>
      <al>De extra transformatieambitie heb ik het afgelopen jaar met 20 regio's
besproken. In deze gesprekken heb ik, mede namens diverse andere bewindspersonen,
intentie-afspraken gemaakt met provincies, kaderwetgebieden en steden over
het ambitieniveau op het terrein van onder meer de transformatieopgave. Deze
intentie-afspraken heb ik u doen toekomen op 18 maart jongstleden. Onderdeel
van de afspraken is dat in 2003 gekomen wordt tot definitieve afspraken over
de verstedelijking tot 2010 waaronder de extra ambitie uit de nota <nadruk type="cur">Mensen, Wensen, Wonen</nadruk>.</al>
      <al>In deze intentie-afspraken heb ik onder andere afgesproken dat daarmee
in 2003 de beleidsmatige herijking van de in 1997/1998 gemaakte VINAC-uitvoeringsafspraken
wordt afgerond. Bij deze herijking gaat het er om dat nieuwe beleidsinzichten
verwerkt worden in de regionale opgave. De vier belangrijkste beleidsaspecten
inzake wonen zijn: versterkte inzet op stedelijke transformatie, vergroting
van het aandeel particulier opdrachtgeverschap, vergroting van het eigen woningbezit
(in het bijzonder voor huishoudens met lage inkomens) en versterking van de
sociale pijler. In mijn brief van 21 februari jongstleden heb ik u daarover
uitvoerig geïnformeerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ik constateer dat de beleidsopgaven – het aanpakken van wijken met
grote leefbaarheidproblemen en het maken van een kwaliteitsslag om midden-
en hogere inkomens voor de stad te behouden – onverminderd noodzakelijk
zijn. Wel moeten de oorspronkelijke ambities op een aantal aspecten worden
bijgesteld. Hier ben ik reeds uitvoerig op ingegaan in mijn eerdergenoemde
brief aan u d.d. 21 februari jongstleden.</al>
      <tuskop letat="vet">Financiële aspecten van de beleidsopgave</tuskop>
      <al>De stadsvernieuwing was een relatief dure opgave, omdat rijksgelden werden
toegekend voor zowel het aanpakken van de woningen als het aanpakken van de
woonomgeving. Bij de herstructureringsopgave veranderden de uitgangspunten
ten aanzien van de inzet van rijksgelden. De rijksmiddelen moeten zich bij
de herstructurering met name richten op de (her)inrichting van de openbare
ruimte bij de stedelijke vernieuwing. Dit laatste omdat woningcorporaties
en andere private partijen in staat worden geacht de woningen aan te pakken
zonder overheidsbijdragen. Daarnaast spoort deze benadering met de verantwoordelijkheidsverdeling:
beheer en inrichting van openbare ruimte is primair een gemeentetaak, terwijl
de bouw en beheer van woningen tot de primaire verantwoordelijkheid van de
woningcorporaties, andere verhuurders, projectontwikkelaars en eigen woningbezitters
behoren.</al>
      <al>Inclusief de intensivering die bij de kabinetsformatie in 1998 heeft plaatsgevonden,
is er voor de periode 2000 t/m 2009 via het Investeringsbudget Stedelijke
Vernieuwing (ISV) circa 6 miljard gulden beschikbaar voor herstructurering
en het afronden van de stadsvernieuwingsopgave. Deze gelden richten zich niet
op het <nadruk type="cur">beheer</nadruk> van de openbare ruimte, wat ten
principale een primaire gemeentetaak is. Het rijksgeld ondersteunt de gemeentelijke
taken op het terrein van de <nadruk type="cur">(her)inrichting van openbare
ruimte.</nadruk></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Met betrekking tot de transformatieopgave zoals die in de nota<nadruk type="cur">Mensen, Wensen, Wonen</nadruk> is vastgelegd gelden de volgende
financiële uitgangspunten. De aanname in de nota is dat – door
zoveel mogelijk gebruik te maken van de beschikbare potenties van de wijken –
de opgave met weinig overheidsmiddelen kan worden gefinancierd. Feitelijk
wordt uitgegaan van een één-saldo-benadering voor de totale
transformatieopgave: de kosten en opbrengsten van alle betrokken partijen
op het terrein van zowel de woningen als een deel van de openbare ruimte worden
als één geheel benaderd. Het uitgangspunt hierbij is dat alleen
bij een grootschalige aanpak burgers en instellingen bereid zijn om geld te
investeren in een kwaliteitsslag. Er wordt in deze nota –
gezien dit uitgangspunt van grootschalige aanpak – geen rijksbijdrage
voor de transformatieopgave voorzien, anders dan voor sociaal flankerende
maatregelen.</al>
      <tuskop letat="vet">De commissie Kosten en kostendragers van transformatie
van wijken</tuskop>
      <al>Op 16 november 2001 heb ik op grond van het <nadruk type="cur">Nationaal
Akkoord Wonen 2001–2005</nadruk> de commissie <nadruk type="cur">Kosten
en kostendragers van transformatie van wijken</nadruk> ingesteld – met
als voorzitter de voormalige president van de Algemene Rekenkamer mr. H.E.
Koning – met de opdracht de aan de nota <nadruk type="cur">Mensen, Wensen,
Wonen</nadruk> ten grondslag liggende financiële raming ten aanzien van
de transformatieopgave van wijken (vasthouden van midden- en hogere inkomens)
te bezien en aanbevelingen te doen over de kostendragers. De commissie heeft
de uitgangspunten van de nota <nadruk type="cur">Mensen, Wensen, Wonen</nadruk>
gehanteerd, zowel ten aanzien van de omvang van de opgave, als ten aanzien
van de ramingsystematiek. De commissie heeft dus niet gekeken naar de opgave
van de nota <nadruk type="cur">Stedelijke vernieuwing</nadruk>(aanpak van
probleemwijken).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De commissie onderschrijft in bijgaand eindrapport de aanname die, zoals
hiervoor geschetst, gold bij de totstandkoming van de nota <nadruk type="cur">Mensen, Wensen, Wonen</nadruk>: de transformatieopgave kent als geheel een
positief saldo. Het rekensaldo 2002 bedraagt circa 17 miljard gulden. Met
andere woorden: als álle kosten en opbrengsten van álle onderdelen
van de transformatieopgave van álle actoren (zoals gemeenten, woningcorporaties,
projectontwikkelaars) worden gesaldeerd, is er een positief saldo van circa
17 miljard gulden. De commissie plaatst echter wel een aantal belangrijke
kanttekeningen en doet twee aanbevelingen.</al>
      <al>De belangrijkste kanttekeningen zijn:</al>
      <al>1. het belang van de verkoop van huurwoningen: indien de verkoopambitie
van de nota Mensen, Wensen, Wonen niet gehaald wordt, maar de huidige trend
(landelijk 13 000 woningen per jaar) zich voortzet, dan dalen de opbrengsten
met circa 18 miljard gulden. Het positieve saldo slaat dan dus om naar een
negatief saldo.</al>
      <al>2. afhankelijkheid van de markt: elk procent verandering in de koopprijzen
van woningen betekent een verandering in het saldo van circa 2,2 miljard gulden.
In feite geeft de commissie hiermee aan dat elke raming een momentopname is.
Aan de opbrengstenkant zijn de koopprijzen van woningen een belangrijke variabele,
al is er in ieder geval een forse groei in de laatste jaren. Aan de kostenkant
betreft dit de nu sterk stijgende bouwkosten.</al>
      <al>3. niet alle relevante kosten zijn opgenomen in de ramingen: er is bijvoorbeeld
in de ramingen geen rekening gehouden met geld voor milieu (bodemsanering,
geluid, luchtkwaliteit), ruimte maken (overkluizen) en economische aspecten.
Daarnaast is de (her)inrichting van de openbare ruimte alleen opgenomen in
de ramingen bij die delen van de transformatie die nieuwbouw en of sloop/
nieuwbouw betreffen. Ook de kosten van het renoveren van woningen zijn niet
in de ramingen opgenomen.</al>
      <al>4. het is geen landelijke opgave met één kas: de landelijke
transformatieopgave bestaat in de praktijk uit honderden deelopgaven, die
elk hun eigen financiële plaatje kennen. Er zijn wijken die met een positief
saldo getransformeerd kunnen worden, maar ook wijken waar het saldo van de
opgave negatief is. Er is geen waarborg dat de «winsten» van de
wijken met een positief saldo naar de wijken met het negatieve saldo vloeien.
Immers, dit is gelet op het instrumentarium en de veelheid aan betrokken partijen
moeilijk afdwingbaar. Hierdoor ontstaat het gevaar dat alleen de transformatie
van wijken met een positief saldo ter hand zal worden genomen. De transformatie
van bestaande wijken in grote steden kennen bijna overal een negatief
saldo. De positieve saldi zijn vooral gelegen in het transformeren van onbebouwd
gebied naar woonwijk.</al>
      <al>5. de winsten en verliezen worden door verschillende partijen gedragen:
met name de projectontwikkelaars, maar soms ook de woningcorporaties kunnen
hun deelname aan de transformatieopgave beloond zien met een winst. De partij
die verlies moet nemen, is met name de overheid, in de praktijk de gemeenten.
Via grondexploitatie en onderhandelingen kan niet altijd voldoende «winst»
worden afgeroomd van projectontwikkelaars en soms ook corporaties om de (her)inrichting
van de openbare ruimte te financieren.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De commissie doet de volgende aanbevelingen:</al>
      <al>1. aangezien niet alle kosten van de transformatieopgave in de ramingen
verwerkt zijn, beveelt de commissie aan het financiële beeld verder te
verbreden. Deze aanbeveling betreft in ieder geval de kosten van verbetering
van de woonomgeving rond bestaande woningen, die nu grotendeels ten laste
komen van de gemeenten. Het inmiddels verschenen rapport Stedelijke Investeringsopgave
2003–2014 van het OTB te Delft kan hier, naar het oordeel van de commissie,
wellicht een rol in vervullen. Dit rapport geeft inzicht in de raming van
de investeringsbehoefte van de dertig grote steden voor de periode 2003–2010
met een doorkijk tot 2015.</al>
      <al>2. aangezien de constateringen ten aanzien van de landelijke transformatieopgave
niet betekenen dat de deelopgaven financieel gezien daadwerkelijk gerealiseerd
worden, beveelt de commissie aan nader te bezien aan welke voorwaarden voldaan
moet worden om de aanpak daadwerkelijk tot stand te brengen. Hierbij spelen
in ieder geval de volgende elementen een rol:</al>
      <al>• kunnen door aanscherping van bepaalde vormen van verevening deelopgaven
met een negatief saldo verder voorkomen worden dan nu het geval is? Hierbij
zouden de volgende vormen bezien moeten worden: gebiedsgerichte exploitaties,
vereveningsvormen binnen de sociale huursector, stimulering tot samenwerking
tussen en met marktpartijen alsmede versterking van de mogelijkheden om tot
verevening te komen op bovenplans of bovenlokaal niveau.</al>
      <al>• de rol van overheidsinvesteringen als noodzakelijke impuls om de
omvangrijke particuliere investeringen te genereren (multiplier). </al>
      <tuskop letat="vet">Reactie op conclusies en aanbevelingen van de commissie</tuskop>
      <al>Ik heb met waardering kennisgenomen van het advies van de commissie en
onderschrijf de door de commissie gemaakte kanttekeningen. De waarschuwing
dat wellicht alleen de winstgevende delen van de transformatieopgave worden
uitgevoerd acht ik ernstig. Immers: voor de vitaliteit van de (grote) steden
is de transformatie van bestaande wijken van groot belang, terwijl het winstgevende
deel van de transformatie juist voor een groot deel gelegen is in het omvormen
van onbebouwd gebied naar woonwijken. Bij dit alles speelt mee dat de (her)inrichting
van de openbare ruimte volgens de nota <nadruk type="cur">Mensen, Wensen,
Wonen</nadruk> kwalitatief hoogwaardig moet gebeuren Het is voor mij klip
en klaar dat het Rijk een medeverantwoordelijkheid heeft om ervoor te zorgen
dat de gehele opgave wordt uitgevoerd. Dit kan – zo duidt de commissie –
op twee manieren gebeuren: ofwel door verevening tussen wijken en/of tussen
partijen minder vrijblijvend dan nu het geval is tot stand te laten komen,
ofwel door als Rijk financieel bij te dragen aan onrendabele binnenstedelijke
transformatie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mijn reactie ten aanzien van de aanbevelingen van de commissie is de volgende. </al>
      <al>De commissie geeft terecht aan dat verbreding van het financiële
beeld nodig is. Hiermee kan de (wijze van) kostendekking beter worden overzien.
Zoals eerder is aangegeven, is hierbij verevening essentieel.</al>
      <al>In de aanloop naar de definitieve verstedelijkingsafspraken in 2003 worden
daarom de mogelijkheden om verevening tussen locaties en tussen partijen verder
te stimuleren, actief verkend. Voorbeelden van vereveningsmogelijkheden zijn
de wijkontwikkelingsmaatschappijen bij het stimuleren van samenwerkingsconstructies
tussen partijen en de hierboven en in mijn brief aan u van 21 februari jl.
reeds genoemde inzet van corporatiegelden. Dit is in lijn met de intentie-afspraken
die ik gemaakt heb en u op 18 maart jongstleden heb doen toekomen. Het is
daarbij ook cruciaal dat de gemeenten vooraf overleg plegen met met name de
woningcorporaties en afspraken vastleggen. Bij deze benadering wil ik overigens
nog wel een belangrijke kanttekening plaatsen. Mede op instigatie van uw Kamer
probeer ik voluit medeoverheden en andere partijen te bewegen de beleidsopgaven
met tempo ter hand te nemen. Hier is immers alle reden voor.</al>
      <al>De financiële mogelijkheden van corporaties brengt mij op de kanttekening
van de commissie ten aanzien van de verkoop van huurwoningen. Mijns inziens
terecht wordt het grote financiële belang hiervan – dat het in
eerste instantie lijkt te hebben – door de commissie genuanceerd. Bij
het hanteren van een andere systematiek van ramen door corporaties, die meer
toekomstgericht is en meer inspeelt op waarschijnlijke inkomsten, kunnen corporaties
ook zonder het behalen van het verkoopambitieniveau van de nota <nadruk type="cur">Mensen, Wensen, Wonen</nadruk> voldoende geld genereren uit de opgave. Door
meer realistische aannames kunnen corporaties dus uitstekend de hen toevallende
financiële taak op zich nemen, ook zonder de hoge verkoopcijfers. Ik
voeg daaraan toe dat het vermogen van de corporaties dusdanig groot is dat
financiële bijdragen om onrendabele delen van de woningopgave op te pakken
sowieso geen probleem mogen vormen. Overigens betekenen deze kanttekeningen
niet dat de verkoop van huurwoningen niet van groot belang is uit het oogpunt
van de manifeste vraag naar goedkope en middeldure koopwoningen en de keuzevrijheid
van burgers. Om voldoende aanbod te creëren, blijft de verkoop van huurwoningen
in grote aantallen van groot belang.</al>
      <tuskop letat="vet">Vergelijking met de praktijk</tuskop>
      <al>De afgelopen maanden heb ik in een gespreksronde met een aantal steden
de praktijkaanpak van enkele wijken laten vergelijken met de eerder genoemde
uitgangspunten van de nota <nadruk type="cur">Mensen, Wensen, Wonen ten aanzien
van de transformatieopgave. Deze ronde levert het volgende beeld op.</nadruk></al>
      <al>
        <nadruk type="cur">Ten eerste blijkt in de gemeentelijke praktijk de transformatieopgave
anders ingevuld te worden dan in het kader van de nota Mensen, Wensen, Wonen</nadruk> is gebeurd. Dit zorgt ervoor dat meer woningen voor lagere inkomens
worden gebouwd dan in het rijksbeleid is voorzien. Aangezien dit meer geld
kost dan het oplevert – terwijl bij de bouw van woningen voor middenen
hogere inkomens de kosten en opbrengsten ongeveer gelijk zijn – betekent
dit een wijziging in het saldo waar vanuit het rijksbeleid van wordt uitgegaan:
de tekorten nemen substantieel toe. Hoewel ik er begrip voor heb dat gemeentelijke
bestuurders de vermelde keuze maken, vind ik dit niet de juiste koers. Uitgangspunt
zou moeten zijn dat grosso modo de bestaande voorraad meer dan afdoende is
om de lagere inkomens te huisvesten, terwijl de nieuwbouw zich moet richten
op de midden- en hogere inkomensgroepen. Dit vooral vanuit het oogpunt dat
juist de midden- en hogere inkomens voor de stad behouden moeten blijven.
Door voor deze groepen te bouwen, wordt de doorstroming binnen de voorraad
bevorderd en komen ook voldoende woningen beschikbaar voor de
lagere inkomens. Bij de uitwerking van de intentie-afspraken zal ik hier sterk
op aandringen.</al>
      <al>Ten tweede blijkt dat er in de gemeentelijke praktijk nogal eens sprake
is van moeizame onderhandelingen tussen gemeente enerzijds en corporaties
alsmede projectontwikkelaars anderzijds. Dit aspect sluit aan bij het eerder
in deze brief genoemde vereveningsproblemen tussen partijen. Kortweg gezegd,
komt het erop neer dat het voor de gemeentelijke overheid lastig is om genoemde
partijen te bewegen snel de opgave op te pakken en tegelijkertijd maximale
financiële bijdragen van die partijen te genereren. Dit onderschrijft
de noodzaak om de vereveningsproblematiek nadrukkelijk onder de loep te nemen.</al>
      <al>Ten derde is het opvallend dat elke wijk specifieke omstandigheden blijkt
te hebben die meerkosten met zich meebrengen op het terrein van milieu en/of
ruimte. Hierbij valt te denken aan geluidsoverlast van en luchtverontreiniging
door doorgaande wegen, een weg die een wijk doorsnijdt en daarmee de potenties
van de wijk belemmeren alsmede veiligheidszones rond gevaarlijke bedrijven.
Al eerder heb ik aangegeven dat ten behoeve van de verstedelijkingsafspraken
in 2003 de (onrendabele) kosten van de transformatieopgave zullen worden bezien.</al>
      <al>Ten vierde gaat juist bij grootschalige aanpak van wijken de kost uit
voor de baat Juist in de eerste periode van een grootschalige aanpak van een
wijk moeten veel kosten worden gemaakt. De ontwikkeling van de opbrengst(potenties)
is juist tegenovergesteld: deze is aan het begin klein, maar loopt langzaam
op naarmate er meer vertrouwen in de wijk ontstaat. Omdat het rekening houden
met opbrengstverwachtingen over enige jaren risico's in zich draagt, zijn
partijen weinig geneigd de te verwachten baten op de langere termijn reeds
aan het begin van de aanpak mee te nemen in de ramingen en zijn daardoor ook
minder geneigd om meer te investeren Het bieden van een samenhangend pakket
van (tijdelijke) fiscale faciliteiten kan een gunstige uitwerking hebben op
de investeringsbereidheid. Dit is een van de voorstellen die nader onderzocht
worden naar aanleiding van de brief van 18 februari 2002 aan de Tweede Kamer
(2001–2002, 24 036, nr. 247) over marktwerking, deregulering en
wetgevingskwaliteit. In deze brief was aangekondigd dat het kabinet een onderzoek
zal doen naar het geheel aan belemmeringen van en maatregelen voor het stimuleren
van de herstructurering in aandachtswijken.</al>
      <tuskop letat="vet">Conclusie</tuskop>
      <al>De opgaven van de nota <nadruk type="cur">Stedelijke vernieuwing</nadruk>
en de nota <nadruk type="cur">Mensen, Wensen, Wonen</nadruk> zijn nog steeds
actueel. Er is niets veranderd aan de noodzaak om de reeds geraamde gelden
voor de opgave van de nota <nadruk type="cur">Stedelijke Vernieuwing</nadruk>
in het tijdvak 2005 tot en met 2009, en dus voor de aanpak van verpauperde
wijken, te blijven inzetten. In 2003 zal in de dan te maken verstedelijkingsafspraken
moeten blijken welk deel van de transformatieopgave, de kwaliteitssprong om
midden- en hogere inkomens in de stad te houden, vóór 2010 kan
worden opgepakt, mede in het licht van de mogelijkheden voor verevening. In
mijn brief van 21 februari jongstleden ben ik hier reeds uitgebreid op ingegaan.
In 2003 zal dus ook blijken of een deel van de transformatieopgave blijft
liggen voor de periode na 2010. Indien dit het geval blijkt te zijn, zal het
realiseren van de opgave noodgedwongen in een langere periode vorm moeten
krijgen. Belangrijk hierbij is de constatering van de commissie dat het realiseren
van de opgave voor beduidende belastinginkomsten zorgt. Als de transformatieopgave
wordt gerealiseerd, kan het Rijk alleen al aan BTW-inkomsten circa 37 miljard
gulden tegemoet zien. Daarnaast int het Rijk uiteraard ook vennootschapsbelasting
en overdrachtsbelasting.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De komende periode zal ik de stedelijke vernieuwingsopgave met gemeenten,
corporaties en marktpartijen blijven bespreken aan de hand van
de concrete aanpak van wijken. Niet om gemeentelijke verantwoordelijkheden
over te nemen, maar wel om de volgende twee redenen. Ten eerste om niet alleen
rekening te houden met woonwensen op de kortere termijn, maar ook rekening
te houden met frictie tussen vraag en aanbod op de langere termijn. Ten tweede
om te stimuleren dat zoveel mogelijk privaat geld als financieringsbron voor
de opgave zal dienen.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,</functie>
        <naam>J. W. Remkes</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v1.1" nr="1">
    <al>27 559, nr. 29.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v1.2" nr="2">
    <al>Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>Net als in het eindrapport van de commissie Kosten en kostendragers van
transformatie van wijken worden bedragen in guldens genoemd.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v2.2" nr="2">
    <al>Dit gebeurt onder andere in de recente adviezen van de VROM-raad, de Raad
voor het Openbaar Bestuur/ Raad voor Financiële Verhoudingen en de Raad
voor Maatschappelijke Ontwikkeling over de toekomst van het GSB (2001).</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>