﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="nota">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27414-5/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 2000-2001</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.5__2.14" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST49226</ordernr>
    <vergjaar>2000-2001</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>27 414</nummer>
      <naam>Intrekking van de Wet tegemoetkoming studiekosten en vervanging door
de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wet tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten)</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>5</nummer>
      <titel>NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG</titel>
      <datum>Ontvangen 14 november 2000</datum>
      <al>Graag wil ik de leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen danken voor de waardering die zij voor het wetsvoorstel uitspreken.
De verhoging en de uitbreiding van de tegemoetkoming en het eenvoudiger en
toegankelijker maken van de wet vinden brede steun bij de Commissie.</al>
      <tuskop letat="vet">1. ALGEMEEN</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Aansluiting op de WSF 2000</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de PvdA vragen of met de
Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) en straks de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage
en schoolkosten (WTOS) de aansluiting van tegemoetkoming studiekosten op studiefinanciering
naadloos is.</nadruk>
      </al>
      <al>De WTOS en de WSF 2000 zijn wetten die elk betrekking hebben op een specifieke
doelgroep. Zij bevatten verschillende voorzieningen en normbedragen. In deze
wetten zijn maatregelen getroffen zodat de leerling de overstap van WTOS naar
WSF 2000 zonder problemen en hiaten kan maken. Voor leerlingen die van de
WTOS overgaan naar de WSF 2000 is de aansluiting dus naadloos.</al>
      <al>Artikel 2.3 van de WSF 2000 regelt de instroom in het beroepsonderwijs
(bol) en het hoger onderwijs en de afbakening met de Wet tegemoetkoming studiekosten
(WTS) en de kinderbijslag. Vanaf het moment dat de studerende aanspraak heeft
op studiefinanciering bestaat geen aanspraak meer op tegemoetkoming ingevolge
de WTS (en ook niet meer op kinderbijslag). De systematiek van de WTOS wijkt
niet af van die van de WTS, evenmin als de systematiek van de WSF 2000 van
die van de WSF afwijkt. De WTS sloot aan op de Wet op de studiefinanciering
(WSF). Derhalve is nog steeds sprake van dezelfde aansluiting tussen WTOS
en WSF 2000. Samenloop en aansluiting van onderwijssoorten alsmede verrekening
van de onderwijsbijdrage bij instroom uit de WTOS in de loop van het studiejaar
in de WSF 2000 is geregeld in de artikelen 2.20 en 2.21 van de WSF 2000, waarbij
artikel 2.3 van de WTOS en artikel 2.3 van de WSF 2000 over de leeftijd voor
de uitstroom uit de WTOS en de instroom in de WSF 2000 en vice versa bepalend
zijn. </al>
      <tuskop letat="vet">Grenslanden</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de PvdA vragen of deze
aansluiting ook naadloos is voor scholieren/studenten die in Nederland wonen
maar een opleiding over de grens volgen en vice versa.</nadruk>
      </al>
      <al>Aanspraak ingevolge hoofdstuk 3 van de WTOS (vo 18- en bol 18-) bestaat
indien de aanvrager (wettelijke vertegenwoordiger) een nationaliteit van een
EER-land heeft. De nationaliteit van het kind en de woonplaats van de aanvrager
zijn daarbij niet relevant. Dit betekent dat iemand met de nationaliteit van
een EER-land die «over de grens» woont en een kind heeft, ongeacht
diens nationaliteit, dat in Nederland op school gaat, in aanmerking kan komen
voor tegemoetkoming op grond van de WT(O)S. Aanspraak bestaat alleen voor
onderwijs dat in Nederland wordt gevolgd. Immers, de Nederlandse onderwijswetten
hebben voor de werking van de WTOS territoriale werking. Dat betekent dat
een Nederlander die een kind heeft dat «over de grens» een opleiding
volgt, geen aanspraak op tegemoetkoming op grond van de WTOS heeft.</al>
      <tuskop letat="vet">Hardheidsclausule in de LCW</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In welke gevallen kan gebruik worden gemaakt van de
hardheidsclausule in de Les- en cursusgeldwet (LCW), zo vragen de leden van
de fractie van de PvdA. Tevens vragen zij of deze hardheidsclausule in gevallen
van uitzonderlijk hoge kosten voor een opleiding uitkomst kan bieden.</nadruk>
      </al>
      <al>Een hardheidsclausule is bedoeld om uitkomst te bieden in bijzondere gevallen
waarin onverkorte toepassing van de wet een apert onbillijke uitwerking zou
hebben. Niet is aan te geven wanneer van zo'n situatie sprake is. Het gaat
immers om niet in de wet voorziene gevallen, waarbij de kennelijke hardheid
veelal pas in de uitvoeringspraktijk zal blijken. De IB-Groep zal, wanneer
zich een aantal vergelijkbare gevallen voordoet waarin de hardheidsclausule
is toegepast, ter zake een beleidsregel vaststellen. Deze zal openbaar worden
gemaakt. Belanghebbenden die in soortgelijke omstandigheden verkeren, kunnen
zo inschatten of zij met een gerede kans op succes een beroep op de hardheidsclausule
kunnen doen. De reden om in de LCW een hardheidsclausule op te nemen, is erin
gelegen dat het mogelijk moet zijn om in bijzondere gevallen een ruimere vrijstelling
te verlenen dan thans op grond van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeld
2000 (ULCW 2000) mogelijk is. Ook moet in uitzonderlijke gevallen kunnen worden
afgeweken van de harde data die in het ULCW 2000 worden gesteld ten aanzien
van de inschrijving.</al>
      <al>De hardheidsclausule van de LCW is niet bedoeld om een lesgeldplichtige
vrij te stellen van het betalen van lesgeld vanwege het feit dat de overige
opleidingskosten uitzonderlijk hoog zijn. De hardheidsclausule van de WTOS
biedt hier evenmin uitkomst. Zij heeft eenzelfde achtergrond als de hardheidsclausule
van de LCW, namelijk het voorzien in situaties waarin ouders op grond van
de wet niet voor tegemoetkoming in aanmerking zouden komen, maar omwille van
redenen van redelijkheid en billijkheid toch een aanspraak behoren te hebben.
De hardheidsclausule is er niet voor bedoeld om, in individuele gevallen,
het normbedrag aan te passen aan de werkelijke kosten.</al>
      <tuskop letat="vet">Gemeentelijke regelingen</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de PvdA informeren naar
de variëteit aan gemeentelijke regelingen voor tegemoetkoming in de verschillende
schoolkosten.</nadruk>
      </al>
      <al>In 1999 heeft <nadruk type="cur">Regioplan Onderwijs en Arbeidsmarkt BV</nadruk> onderzoek verricht naar gemeentelijke regelingen op het gebied van
tegemoetkoming in de schoolkosten van twaalf- tot achttienjarigen. Bij brief
van 2 november 1999 (kamerstukken II, 1999–2000, 26 346, nr. 12)
heb ik de Kamer hierover geïnformeerd. Uit dit onderzoek
blijkt dat een groeiend aantal gemeenten een regeling kent om ouders tegemoet
te komen in de schoolkosten. In 1999 ging het om 75% van alle gemeenten, tegen
30% in 1997. De regelingen staan open voor huishoudens die aangewezen zijn
op 1 à 1,25 maal het wettelijk minimum inkomen.</al>
      <al>Meestal komen diverse soorten studiekosten voor vergoeding in aanmerking.
In deze regelingen is niet omschreven om welke kostenposten het gaat, of is
een groot aantal kostenposten genoemd. Een kwart van de regelingen heeft uitsluitend
betrekking op specifieke schoolkosten, waarbij het met name gaat om reiskosten
en kosten van excursies. Alleen als ouders van schoolgaande kinderen deze
specifieke kosten maken, kunnen zij in aanmerking komen voor een tegemoetkoming.
Bij tweederde van de regelingen wordt een standaard bedrag toegekend, variërend
van f 100,– tot f 300,– per kind per jaar. De overige
regelingen voorzien in een vergoeding van feitelijk gemaakte kosten, veelal
tot een bepaald maximum.</al>
      <tuskop letat="vet">Kostenstijgingen in het onderwijs</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de regering
de situatie beoordeelt dat in 1999 nog niet alle kostenverhogingen voor de
tweede fase en het vmbo zijn meegeteld, of het mogelijk en wenselijk is de
kostenstijgingen in het voortgezet onderwijs (vo) in de komende jaren te beperken
en zo ja, langs welke weg de regering dit wil bereiken.</nadruk>
      </al>
      <al>In mijn brief van 2 november 1999 (kamerstukken II, 1999–2000, 26 346,
nr. 12) heb ik de Kamer de uitkomsten van het Nibud-onderzoek meegedeeld.
Het onderzoek had betrekking op de kosten verbonden aan het volgen van vo
en bol in het schooljaar 1998–1999. Het studiehuis was toen pas ten
dele geïmplementeerd en het samengaan van vbo en mavo in het vmbo juist
in gang gezet.</al>
      <al>De kostenstijgingen in de bovenbouw van het vo zijn van tijdelijke aard.
Na de invoering van nieuwe methoden, boeken en leermiddelen in verband met
het studiehuis zullen de schoolkosten in deze sector zich stabiliseren. Dit
neemt niet weg dat er in kostenniveau een verschil zal blijven bestaan tussen
bovenbouw en onderbouw. In het wetsvoorstel is hiermee rekening gehouden in
de vorm van een extra tegemoetkoming voor de bovenbouw van het vo.</al>
      <al>Op dit moment wordt onderzoek gedaan naar de schoolkosten in het schooljaar
2000–2001. Na afloop van dit onderzoek zal ik de Kamer van de uitkomsten
van dit onderzoek op de hoogte brengen.</al>
      <al>Overigens is de beheersing van schoolkosten, waaronder de kosten van boeken
en leermiddelen, primair een verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. Op
het niveau van deze kosten kunnen ouders via hun recht van medezeggenschap
invloed uitoefenen. De regering speelt hierin geen leidende rol: zij legt
kerndoelen en examenprogramma's vast, maar laat scholen vrij in de keuze van
de leermiddelen. Ook op de kosten van schoolboeken heeft de overheid geen
directe invloed. Wel dringt zij er bij zowel aanbieders als gebruikers op
aan de kosten van schoolboeken bij hun keuze in overweging te nemen.</al>
      <tuskop letat="vet">Kostendekkendheid en lagere inkomens</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Acht de regering de kostendekkendheid van de WTOS nu
en voor de komende jaren voor de lagere inkomens voldoende gewaarborgd, zo
vragen de leden van de fractie van het CDA.</nadruk>
      </al>
      <al>De in de WTOS opgenomen normbedragen zijn vastgesteld op een gemiddeld
kostendekkend niveau. Uitgangspunt daarbij is dat de noodzakelijke kosten
worden vergoed. De kosten die dat niveau te boven gaan, behoren voor rekening
van de ouders te blijven. Waar het gaat om beheersing van die
extra kosten is primair een taak weggelegd voor schoolbesturen en ouders.</al>
      <al>Het gemiddeld kostendekkend niveau van de normbedragen is geïndiceerd
door de uitkomsten van eerdergenoemd Nibud-onderzoek. Ingevolge artikel 11.1
van dit wetsvoorstel zullen de normbedragen jaarlijks worden geïndexeerd.
Ik zal de ontwikkeling van de schoolkosten daarom blijven volgen.</al>
      <tuskop letat="vet">2. HOOGTE TEGEMOETKOMING SCHOOLKOSTEN</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Differentiatie in de bol</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom een
differentiatie van de kostendekkendheid in de berekening van de vergoeding
in de bol technisch niet uitvoerbaar is, op welke problemen de IB-Groep stuit
en wat er voor nodig is om dit technisch wel uitvoerbaar te maken.</nadruk>
      </al>
      <al>Binnen de bol zijn meer dan 1000 opleidingen op verschillende niveaus
mogelijk. Gestreefd is naar een stelsel dat voor deelnemers aan dit onderwijs
zo flexibel mogelijk is. Ik hecht eraan die flexibiliteit in stand te laten.
Daarnaast wisselt een aanzienlijk percentage van de deelnemers tussentijds
van opleiding. Mede hierom kies ik voor een robuust systeem van normvergoedingen.
Nog afgezien van de technische complicaties acht ik een verfijnde differentiatie
van normbedragen binnen de bol ongewenst.</al>
      <al>Sinds de invoering van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) registreert
de IB-Groep uitsluitend aan welk ROC een bol-deelnemer is ingeschreven en
op welk van de vijf niveaus hij onderwijs volgt. Voor de uitvoering van de
WTS is de opleiding niet relevant en wordt dan ook niet geregistreerd. Indien
niettemin bij de IB-Groep voor elke deelnemer registratie van de specifieke
opleiding gewenst zou zijn, moeten in alle geautomatiseerde toekenningssystemen
voorzieningen worden getroffen. Het opzetten en actueel houden van een dergelijke
registratie brengt grote inspanningen mee, niet alleen voor de IB-Groep maar
ook voor de ROC's, die deze gegevens moeten uitwisselen met de IB-Groep. Deze
gegevensuitwisseling is moeilijk beheersbaar en in de registratie bevinden
zich gegevens die moeilijk controleerbaar zijn. Dit verdraagt zich slecht
met de WEB die beoogt uitvoeringslasten en uitvoeringsbelasting bij ROC's
te reduceren.</al>
      <tuskop letat="vet">Bol en reiskosten</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de PvdA vragen in het kader
van motie 5 op welke manier wat de reiskosten betreft tegemoet wordt gekomen
aan de kostendekkendheid in de bol. Verder vragen deze leden waarom het niet
mogelijk is om op decentraal niveau het grootste gedeelte van de uitvoering
en controle op de reiskosten in de bol plaats te laten vinden. Tevens vragen
zij of hun plan ook f 15 mln zou kosten. Indien bovenstaande niet mogelijk
blijkt, biedt dan volgens de minister de hardheidsclausule van de LCW wellicht
uitkomst voor leerlingen en deelnemers die onvermijdelijk hoge reiskosten
moeten maken, zo vragen deze leden.</nadruk>
      </al>
      <al>Thans onderzoek ik de mogelijkheden voor een reiskostenvoorziening in
de bol. Het gaat hier om een complexe problematiek waarbij de voor- en nadelen
van verschillende voorstellen tegen elkaar moeten worden afgewogen en waarbij
lastige keuzes moeten worden gemaakt. In het onderzoek worden de verschillende
voorstellen voor een reisvoorziening, waaronder de bovenbedoelde maatwerkvergoeding
door de IB-Groep of de instellingen, getoetst aan verschillende randvoorwaarden,
waaronder het beperken van de over- of ondercompensatie, het voorkomen van
armoedeval, de technische uitvoerbaarheid, de fraudebestendigheid en budgettaire
mogelijkheden. Niettemin zal een afzonderlijke vergoeding voor de reiskosten in de WTOS deze wet compliceren, terwijl het streven naar eenvoud
bij de te maken keuzes voor een reisvergoeding een belangrijk criterium blijft.
In de WTOS wordt gewerkt met genormeerde bedragen, hetgeen betekent dat er
wordt geabstraheerd van de feitelijke situatie. Deze overweging is een aandachtspunt
dat meeweegt in het onderzoek naar mogelijke alternatieven voor een reiskostenvergoeding
in de WTOS. Ik verwacht dat de resultaten van mijn onderzoek naar een reiskostenvergoeding
in de WTOS bij de plenaire behandeling beschikbaar zullen zijn.</al>
      <al>Tijdens het notaoverleg in de Tweede Kamer heb ik aangegeven dat de bedoeling
van de motie Mosterd (onderzoek naar een reiskostenvergoeding bij afstanden
van meer dan 15 km) sympathiek is, maar dat de uitvoering ervan op bezwaren
zou kunnen stuiten. Uit intensief overleg met de IB-Groep blijkt dat deze
maatregel voor de bol inderdaad onherroepelijk tot forse uitvoeringsproblemen
bij de IB-Groep leidt.</al>
      <al>In de memorie van toelichting heb ik reeds aangegeven dat een reisvoorziening
in de bol die uitgaat van de werkelijke reisafstand, een uitgebreide registratie
vergt die moeilijk is op te bouwen en te beheren. Uitvoering op decentraal
niveau is wellicht mogelijk, maar leidt tot een verlegging van het probleem
naar de scholen. Uiteraard registreren instellingen gegevens over opleidingen,
locaties en voortgang van de deelnemers. Echter, met name de koppeling van
deze gegevens met de reisafstand en de controle hiervan veroorzaken problemen
in de uitvoering. Dit zijn gegevens die voortdurend wijzigen omdat bijvoorbeeld
opleidingen (tijdelijk) worden verplaatst en locaties worden opgeheven. Met
name in de bol wisselen veel deelnemers tijdens hun studie van opleiding,
hetgeen ook weer tot wijziging van de onderwijslocatie kan leiden.</al>
      <al>Bovendien ontstaat door decentrale uitvoering, naast de administratieve
last, ook een financiële relatie tussen deelnemer en instelling met een
bijbehorende financiële administratie.</al>
      <al>Ten slotte merk ik op dat de IB-Groep in het verleden bij een reisafstand
van meer dan 8 km een reiskostenvergoeding verstrekte. Dit stuitte echter
maatschappelijk op grote weerstand; het aantal bezwaar- en beroepschriften
bij de IB-Groep was zeer groot. Juist om die reden is een dergelijke systematiek
van reiskostenvergoeding in 1996 bij de invoering van de WTS verlaten. Ik
meen dat de scholen van dit soort problemen moet worden gevrijwaard.</al>
      <al>In vergelijking met een vergoedingsystematiek door de IB-Groep zal decentrale
uitvoering geen winst opleveren, aangezien de totale uitvoeringslast niet
aanzienlijk zal verminderen. De administratieve last voor de IB-Groep zal
weliswaar afnemen, maar zal deze last – zoals opgemerkt – tegelijkertijd
overgaan naar de verschillende instellingen. De administratieve winst die
de instellingen hebben geboekt door de invoering van de WEB, gaat hiermee
verloren.</al>
      <al>De f 15 mln die is gemoeid met de uitvoering van de motie Mosterd,
is gebaseerd op het verhogen van de normbedragen in de WTOS met een vast bedrag
van f 250,– voor leerlingen in de bol en het vo met een reisafstand
van meer dan 15 km. Daarbij is nog geen rekening gehouden met de uitvoeringskosten
van deze maatregel. Decentrale uitvoering zal extra kosten met zich meebrengen,
afhankelijk van de hoogte van de reiskostenvergoeding, de wijze van uitvoering
en de eventuele keuze van een afstandgrens. Onder de WTOS zal niet met succes
een beroep op de hardheidsclausule kunnen worden gedaan om een extra tegemoetkoming
te ontvangen wegens hoge reiskosten, evenmin als dit thans onder de WTS het
geval is. </al>
      <tuskop letat="vet">Vrijwillige ouderbijdrage</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van het CDA vragen hoe groot
het aandeel van de vrijwillige ouderbijdrage is – procentueel en absoluut –
in het totaal van de door het Nibud onderzochte schoolkosten (bestaande uit
de vrijwillige ouderbijdrage, de boeken en de overige benodigdheden en de
excursies).</nadruk>
      </al>
      <al>In het schooljaar 1998–1999 bedroeg de (vrijwillige) ouderbijdrage
gemiddeld f 171,– voor het vbo, f 203,– voor het mavo,
f 216,– voor het havo en f 185,– voor het vwo. In relatie
tot de totale schoolkosten was dit respectievelijk 17,1%, 19,5%, 19,3% en
14,9%.</al>
      <tuskop letat="vet">Gemiddelde kostendekkendheid en lagere inkomens</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van het CDA vragen of in geval
van grote verschillen in kostendekkendheid tussen de schoolsoorten bij toepassing
van het begrip gemiddeld kostendekkend voor individuele leerlingen of ouders
ernstige problemen kunnen ontstaan. Daarnaast vragen zij hoe de WTOS kostendekkend
is voor de lagere inkomens, bijvoorbeeld in verband met de reiskosten.</nadruk>
      </al>
      <al>In hoofdstuk 1 heb ik onder het kopje «Kostendekkendheid en lagere
inkomens» reeds aangegeven dat de tegemoetkoming is vastgesteld op een
niveau dat gemiddeld kostendekkend is voor de noodzakelijke kosten. Waar de
gemiddelde kosten per schoolsoort hoger zijn dan in andere schoolsoorten,
bijvoorbeeld de bol in vergelijking met het vo, biedt een hoger normbedrag
uitkomst. Ook wordt het normbedrag met f 150,– verhoogd als de
leerling in de bovenbouw onderwijs volgt.</al>
      <al>Op de reiskosten is hierboven ingegaan onder het kopje «Bol en reiskosten».</al>
      <tuskop letat="vet">Armoedeval en fiscalisering</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van het CDA zijn van oordeel
dat de armoedevallen via fiscalisering zouden moeten worden bestreden.</nadruk>
      </al>
      <al>In de nadere fiscale verkenning, zoals die door het kabinet is aangekondigd,
kunnen de voorstellen van de CDA-fractie betrokken worden in de te maken bredere
analyse over bestrijding van de armoedeval, mede in relatie tot fiscalisering
van inkomensafhankelijke regelingen. het kabinet zal in de aangekondigde «Verkenning
belasting- en premieheffing» concrete maatregelen schetsen in het kader
van de meerjarige aanpak van de armoedeval. Daarbij zullen ook fiscaliseringsvarianten
aan de orde komen. Wel wijs ik op de mogelijkheden die een specifieke regeling
kunnen bieden. Daarbij is het immers mogelijk om specifieke maatregelen te
treffen om de toegankelijkheid van het onderwijs te waarborgen.</al>
      <tuskop letat="vet">Werkelijke kosten in 2001</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van het CDA vragen of de werkelijke
kosten in 2001 overeen zullen stemmen met de kosten die in tabel 2 op blz.
7 van de memorie van toelichting worden voorspeld.</nadruk>
      </al>
      <al>De in tabel 2 genoemde gemiddelde kosten zijn ontleend aan het Nibud-onderzoek
uit 1999. Het gaat hier niet om een voorspelling maar om werkelijke kosten
in het schooljaar 1998–1999. Op basis van deze kosten zijn de normbedragen
vastgesteld. Aangenomen dat de ontwikkeling van schoolkosten gemiddeld gelijke
tred houdt met die van de (overige) consumentenprijzen, zullen deze kosten
in 2001 en volgende jaren licht stijgen. Aangezien ook de normbedragen jaarlijks
zullen worden aangepast aan de hand van h, zal de tegemoetkoming gemiddeld
kostendekkend blijven. </al>
      <tuskop letat="vet">Uitvoering motie Mosterd c.s.</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van het CDA vragen de minister
met een passende oplossing te komen ter uitvoering van de motie Mosterd c.s.
en vragen of de fraudegevoeligheid en de administratieve last van deze maatregel
zo'n probleem is.</nadruk>
      </al>
      <al>Op de motie-Mosterd is ingegaan bij het kopje «Bol en reiskosten»
aan het begin van dit hoofdstuk. Daarnaast is op blz. 7 van de memorie van
toelichting reeds aangegeven dat de last voor de IB-Groep en de ROC's onaanvaardbaar
groot is en niet tot het beoogde resultaat zal leiden.</al>
      <tuskop letat="vet">Vervoerskosten en fiscalisering</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van het CDA vragen waarom,
wanneer de motie Mosterd c.s. moeilijk uitvoerbaar is, de vervoerskostenoplossing
dan niet via een heffingskorting in de inkomstenbelasting wordt gezocht.</nadruk>
      </al>
      <al>Dit is geen oplossing van het probleem van de uitvoerbaarheid. De uitvoeringsproblematiek
bij de vervoerkosten betreft vooral de bepaling van de hoogte van de vergoeding
wanneer deze gebaseerd wordt op individuele gegevens (zoals reisafstand) alsook
de controle van deze gegevens. Deze problematiek verandert niet in een systeem
van een (inkomensafhankelijke) heffingskorting via de inkomstenbelasting;
ook dan zullen dezelfde gegevens opgevraagd en gecontroleerd moeten worden. </al>
      <tuskop letat="vet">Bol 18- en WSF 2000</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Daarnaast stellen de leden van de fractie van het CDA
dat de hele vervoerskostenproblematiek van de bol 18– opgelost zou kunnen
worden door de bol 18– onder te brengen onder de WSF 2000. Zij vragen
waarom de regering dit niet heeft gedaan.</nadruk>
      </al>
      <al>Voor het onderbrengen van de bol-deelnemers jonger dan 18 jaar in de WSF
2000 zijn de kosten erg hoog, omdat zij dan aanspraak krijgen op een gift
in de vorm van een basisbeurs met OV-studentenkaart, een aanvullende beurs
alsmede een rentedragende lening. De uitgaven voor de WSF 2000 zouden daardoor
toenemen met ongeveer f 750 mln. Daar tegenover zou een kostenbesparing
in de WTOS staan van ca. f 170 mln. Het onderbrengen van de bol 18–
in de WSF 2000 zou per saldo dus ongeveer f 580 mln kosten. Daarnaast
is er voor deelnemers die onder de WSF 2000 vallen geen aanspraak op kinderbijslag.
Dit zou voor de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
een besparing opleveren. Het onderbrengen van de bol-deelnemers jonger dan
18 jaar in de WSF 2000 heeft dus zodanig verstrekkende gevolgen, dat deze
keuze niet gemaakt kan worden zonder dat de studiefinanciering voor deelnemers
in de bol in zijn geheel wordt heroverwogen.</al>
      <tuskop letat="vet">Boekenfondsen</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van D66 vragen of inzicht kan
worden gegeven in de mate waarin de kosten voor de tweede fase omlaag gaan
wanneer gebruik wordt gemaakt van boekenfondsen.</nadruk>
      </al>
      <al>Blijkens het Nibud-onderzoek uit 1999 maakt 76% van de ouders van kinderen
op het vo gebruik van een boekenfonds. In de onder- en bovenbouw van het vo
tezamen bedragen de kosten voor schoolboeken bij een boekenfonds gemiddeld
f 395,– per jaar en zonder een boekenfonds gemiddeld f 536,–
per jaar. Voor de tweede fase havo en vwo bedragen de gemiddelde kosten bedragen
respectievelijk f 301,– en f 454,– per jaar. Hiervoor
ontbreken vergelijkbare cijfers voor gevallen waarin geen gebruik wordt gemaakt
van een boekenfonds. Het is daarom niet mogelijk over het verschil tussen
beide een exacte berekening uit te voeren. </al>
      <tuskop letat="vet">Bol op gemeentelijke niveau; onderwijsnummer</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van D66 willen dat voor de
problematiek omtrent de differentiatie in de bol en de reiskostenproblematiek
in de bol algemeen geldende oplossingen gevonden worden, die leerlingen niet
afhankelijk maken van het beleid van een individuele gemeente. Deze leden
vragen of het in te voeren onderwijsnummer op termijn wellicht uitkomst kan
bieden voor deze problemen.</nadruk>
      </al>
      <al>Over de differentiatie in de bol ben ik hierboven ingegaan onder het kopje
«Differentiatie in de bol». Daarin is aangegeven dat, gezien de
variatie in de bol-opleidingen, is gekozen voor een robuust systeem van normvergoedingen;
een verfijning van normbedragen voor de bol is ongewenst. Het in te voeren
onderwijsnummer zal de technische complicaties omtrent de differentiatie die
de bol met een groot aantal opleidingen op verschillende niveaus met zich
meebrengt, ook niet wegnemen. Hetzelfde geldt voor het onderwijsnummer in
relatie tot de reiskostenproblematiek. Bij een dergelijk systeem zullen gegevens
omtrent opleiding, onderwijslocatie en afstand huis–school gekoppeld
moeten worden aan het onderwijsnummer. De administratieve last en de controle
blijft daarbij bestaan.</al>
      <tuskop letat="vet">Verschil tegemoetkoming en gemiddelde werkelijke kosten</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de SGP vragen hoe na de
verhogingen van de tegemoetkoming bij de bovenbouw van het vwo nog steeds
sprake is van een groot negatief verschil tussen de tegemoetkoming en de gemiddelde
werkelijke kosten. Ook vragen zij of hier sprake is van een structureel groot
verschil en zo ja, waarom niet een specifieke verhoging van de tegemoetkoming
voor de bovenbouw van het vwo is voorgesteld.</nadruk>
      </al>
      <al>Het verschil in kosten tussen onder- en bovenbouw is vooral toe te schrijven
aan twee factoren: de aanschaf van meer boeken en leermiddelen in verband
met de invoering van het studiehuis, en deelname aan schoolactiviteiten, waaronder
buitenlandse reizen en excursies. Een differentiatie in normbedragen tussen
onder- en bovenbouw is daarom gerechtvaardigd. De kosten van deelname aan
schoolactiviteiten in de bovenbouw zijn in het vwo hoger dan die in de bovenbouw
van het havo. Deze kosten hangen samen met keuzes van ouders en schoolbesturen
en lenen zich bij uitstek voor beheersing op schoolniveau. Mede hierom acht
ik een nader onderscheid in normbedragen tussen vwo en havo ongewenst.</al>
      <tuskop letat="vet">Overzicht van verschillende regelingen inzake tegemoetkoming</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Voorts vragen deze leden naar een zo helder en uitgebreid
mogelijk overzicht van de verschillende regelingen die zich bij leerlingen
in één klas kunnen voordoen. Tevens vragen zij hoe de regering
de soms aanzienlijke verschillen in tegemoetkoming beoordeelt.</nadruk>
      </al>
      <al>In één klas kunnen vo-scholieren 18– en 18+ zitten.
Voor deze scholieren gelden onderscheidenlijk de hoofdstukken 3 en 4 van de
WTOS.</al>
      <al>In één klas kunnen bol-deelnemers 18– en 18+ zitten.
Voor deze deelnemers gelden onderscheidenlijk hoofdstuk 3 van de WTOS en hoofdstuk
4 van de WSF 2000.</al>
      <al>Deze bedragen zijn afgerond, naar de maatstaf van 2000 en op jaarbasis
weergegeven. De kinderbijslag wordt voor 18+ vervangen door een basistoelage
of basisbeurs. </al>
      <tuskop letat="vet">Aanspraken voor vo-scholieren 18– en 18+ en bol-deelnemers
18– en 18+ </tuskop>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="4" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="37.5mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="25mm"></colspec>
          <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="25mm"></colspec>
          <colspec colname="c4" colnum="4" colwidth="25mm"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1" valign="top">onderbouw vo</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1" valign="top">18–</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1" valign="top">18+ thuiswonend</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1" valign="top">18+ uitwonend </entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">tegemoetkoming WTOS (inkomensafhankelijk)</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 084,–</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 084,–</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 084,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">kinderbijslag/basistoelage (inkomensonafhankelijk)</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">kinderbijslag</entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">basistoelage:f 2 180,–</entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">basistoelage: f 5 083,– </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <nadruk type="vet">bovenbouw vo</nadruk>
              </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <nadruk type="vet">18–</nadruk>
              </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <nadruk type="vet">18+ thuiswonend</nadruk>
              </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <nadruk type="vet">18+ uitwonend</nadruk>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">tegemoetkoming WTOS (inkomensafhankelijk)</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 234,–</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 234,–</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 234,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">kinderbijslag/basistoelage
(inkomensonafhankelijk)</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">kinderbijslag</entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">basistoelage: f 2 180,–</entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">basistoelage: f 5 083,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <nadruk type="vet">bol</nadruk>
              </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <nadruk type="vet">18–</nadruk>
              </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <nadruk type="vet">18+ thuiswonend</nadruk>
              </entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">
                <nadruk type="vet">18+ uitwonend</nadruk>
              </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">tegemoetkoming WTOS (inkomensafhankelijk)</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 572,–</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">–</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">studiefinanciering WSF 2000 (inkomensonafhankelijk)</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">–</entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">basisbeurs: f 1 305,–</entry>
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">basisbeurs:f 4 905,– </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">kinderbijslag (inkomensonafhankelijk)</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">neen</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">neen</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">OV-studentenkaart (inkomensonafhankelijk)</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">neen</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">ja </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">aanvullende beurs/lening (inkomensafhankelijk)</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">neen</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">ja</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
              <entry morerows="0" rotate="0"></entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry align="left" morerows="0" rotate="0" valign="top">basislening (inkomensonafhankelijk)</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">neen</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">ja</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">ja</entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <tuskop letat="vet">Uitvoeringsproblemen</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de SGP vragen waarom de
regering niet heeft gezocht naar alternatieven voor de uitvoeringsproblemen
van de reiskostenvergoeding, wat de geconstateerde uitvoeringsproblemen inhouden
en wat de consequenties hiervan in de praktijk zullen zijn. Zij vragen voorts
of instellingen geen gegevens registreren over zaken als: welke leerling voor
welke opleiding is ingeschreven, waar onderwijs wordt gevolgd en over welke
periode binnen het schooljaar.</nadruk>
      </al>
      <al>Op deze vragen is ingegaan aan het begin van hoofdstuk 2 onder de kopjes
«Differentiatie in de bol» en «Bol en reiskosten».</al>
      <tuskop letat="vet">Reiskosten in voortgezet onderwijs</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De regering geeft aan dat de groep leerlingen die reist
om vo te volgen beperkt is tot 10% van het totaal. Wat verstaat de regering
in dit verband precies onder reizen, zo vragen de leden van de fractie van
de SGP. Tevens vragen zij of de relatief geringe omvang van de bedoelde groep
een reden is om geen regeling voor deze doelgroep te treffen. Bovendien vragen
zij of zich daaronder veel leerlingen bevinden voor wie grote bedragen aan
reiskosten worden uitgegeven.</nadruk>
      </al>
      <al>Onder reizen wordt verstaan het reizen per openbaar vervoer en per auto.
Een afzonderlijke reiskostencomponent voor leerlingen in het vo acht ik niet
noodzakelijk vanwege de brede spreiding van de onderwijsinstellingen waar
dit onderwijs wordt verzorgd. Dit blijkt ook uit het reisgedrag van leerlingen
in het vo. Uit het Nibud-onderzoek uit 1999 blijkt dat bijna 90% van de leerlingen
in het vo met de fiets of lopend naar school gaat. Slechts 10% van de leerlingen
reist met het openbaar vervoer naar school en maakt daardoor reiskosten. Voor
deze groep leerlingen bedragen de reiskosten gemiddeld f 80,– per
maand. </al>
      <al>Van deze 10% reist minder dan de helft verder dan 15 km. De reiskosten
in het vo worden dus gemaakt door een beperkte groep leerlingen. Voor deze
leerlingen is vaak ook een instelling in de naaste omgeving aanwezig. Desondanks
kiezen de ouders van deze leerlingen op grond van bepaalde motieven voor een
andere onderwijsinstelling die verder van huis ligt. De financiële consequenties
van die individuele keuzes behoren door betrokkenen zelf te worden gedragen.
Ik ben daarom niet voornemens over te gaan tot herinvoering van een aparte
reiskostencomponent voor het vo.</al>
      <tuskop letat="vet">Richtingbegrip en reiskosten in voortgezet onderwijs</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de SGP vragen welke rol
het richtingbegrip speelt bij de opmerking dat leerlingen in het vo in veel
gevallen ook dichter bij huis onderwijs kunnen volgen. Zij vragen wat dat
in dezen betekent voor de taak van de overheid.</nadruk>
      </al>
      <al>De tegemoetkoming is volstrekt normatief. Bij mijn besluit om niet te
voorzien in een afzonderlijke reiskostenvergoeding voor het vo, heeft het
richtingbegrip geen enkele rol gespeeld. Dit besluit staat los van elk argument
dat men zou kunnen hebben om te kiezen voor een andere dan de dichtstbijgelegen
locatie waar onderwijs wordt aangeboden.</al>
      <tuskop letat="vet">Alternatief van de SGP</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de SGP vragen de mogelijkheid
te overdenken om de reiskosten op te nemen in de tegemoetkoming en tegelijkertijd
de uitvoeringsproblemen beperkt te houden. Zij vragen een reactie op hun suggestie
om de tegemoetkoming toe te passen op de afstand tot de meest dichtstbijzijnde
plaats waar de gewenste vorm van onderwijs van de gewenste richting wordt
aangeboden. Als daarbij verschillende locaties betrokken zijn, kan er met
een gewogen gemiddelde afstand worden gerekend. De onderwijsinstelling zou
hiervoor een verklaring kunnen afgeven.</nadruk>
      </al>
      <al>Op deze vragen is ingegaan aan het begin van hoofdstuk 2 onder de kopjes
«Differentiatie in de bol» en «Bol en reiskosten».</al>
      <tuskop letat="vet">Uitvoering bij voortgezet onderwijs</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fracties van GPV en RPF zijn van mening
dat de factoren die een uitvoering van een regeling voor de tegemoetkoming
in de reiskosten in de bol in de weg zouden staan, voor het vo niet opgaan.
Deze leden willen weten waarom desondanks de IB-Groep voor het vo niet tot
het uitvoeren van genoemde regeling in staat is.</nadruk>
      </al>
      <al>Hierboven heb ik reeds aangegeven dat ik een reiskostenvoorziening voor
het vo niet noodzakelijk vind. De situatie in het vo is inderdaad minder complex
dan in de bol. De factoren die een regeling voor een tegemoetkoming in de
bol in de weg staan, gelden evenwel ook voor het vo. Voor het vo is het eveneens
noodzakelijk om schoolsoort en locaties te registreren om te bepalen wat de
huis–schoolafstand is. Ook hier geldt dat een voorziening die uitgaat
van de werkelijke reisafstand, een uitgebreide registratie vergt die moeilijk
is op te bouwen en te beheren. Bovendien zal ook hier ter voorkoming van misbruik
en oneigenlijk gebruik een controlesystematiek moeten worden opgezet. De vo-scholen
zullen dus hier gegevens moeten verstrekken, bijvoorbeeld over de locatie
waar en de periode waarin daar onderwijs wordt gevolgd.</al>
      <al>Voor het antwoord op de vraag naar de reiskostencomponent voor studerenden
in het vo verwijs ik naar hoofdstuk 2 onder het kopje «Reiskosten in
voortgezet onderwijs». </al>
      <tuskop letat="vet">Vrijheid van onderwijs en reiskosten</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fracties van GPV en RPF vragen of de
minister onderkent dat de keuze voor een school van de eigen richting voor
sommige groepen ouders tot zodanige extra kosten leidt, dat zij deze extra
kosten niet zelf kunnen opbrengen en dat het schoolbezoek dan alleen mogelijk
is met forse financiële ondersteuning door derden. Zij vragen of bekend
is dat op die manier via plaatselijke en landelijke acties jaarlijks enkele
miljoenen guldens worden opgebracht. Zij vragen of dit geen aanwijzing vormt
dat de vrijheid van onderwijs voor bepaalde groepen ouders op forse reële
belemmeringen stuit.</nadruk>
      </al>
      <al>Zoals reeds opgemerkt, beoogt de WTOS een tegemoetkoming te bieden in
de gemiddelde noodzakelijke kosten die ouders moeten maken om hun kind onderwijs
te kunnen laten volgen. Uiteraard kunnen ouders ervoor kiezen hun kind om
welke reden dan ook onderwijs te laten volgen aan een bepaalde school die
mogelijk verder van huis gelegen is. Voor de eventuele meerkosten van die
keuze zullen zij zelf een oplossing moeten vinden. Particuliere initiatieven
kunnen ouders hierbij ondersteunen. Het gegeven voorbeeld illustreert dit.
Een geldelijke ondersteuning van de overheid hiervoor acht ik niet in de rede
liggen.</al>
      <tuskop letat="vet">3. BREKEN VAN DE HARDE INKOMENSGRENS (GLIJDENDE SCHAAL)</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Telkinderensystematiek</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de VVD vragen of de telkinderensystematiek
in de WTOS en de WSF 2000 gecombineerd worden toegepast. Wat is het effect
wanneer er bijvoorbeeld één kind een tegemoetkoming volgens
de WTOS en één kind een aanvullende beurs volgens de WSF 2000
ontvangt. Is er dan sprake van een afbouw van 2 maal 26%. Of geldt ook dan
dat de totale afbouw nooit meer is dan 26%. Is het juist dat schema 2 de afbouw
aangeeft per kind.</nadruk>
      </al>
      <al>De WTOS en de WSF 2000 kennen beide een telkinderensystematiek, maar deze
zijn gebaseerd op een verschillende invulling van de begrippen ouder en huishouden.
Deze verschillende invulling heeft te maken met het volgende.</al>
      <al>In de WSF 2000 vormt de zelfstandige, meerderjarige student het uitgangspunt.
Hij heeft altijd aanspraak op een basisbeurs en een OV-studentenkaart. Daarnaast
kan hij een aanvullende beurs aanvragen. De hoogte hiervan is afhankelijk
van de veronderstelde ouderlijke bijdrage aan de studerende. Hiervoor wordt
gekeken naar het inkomen van de natuurlijke ouders.</al>
      <al>In de WTOS vormt het huishouden waarvan het kind deel uit maakt het uitgangspunt.
Tot het grensinkomen van het huishouden (dat niet per definitie hoeft te worden
gevormd door de natuurlijke ouders van het kind) wordt aan de TOS-ouder(s)
een gemiddeld kostendekkende vergoeding verstrekt voor de onderwijsbijdrage
en de onderwijskosten om het besteedbaar inkomen van het huishouden op peil
te houden. De veronderstelling hierbij is dat de verantwoordelijkheid voor
de zorg en het onderhoud van het (minderjarige) kind volledig of grotendeels
door de ouder(s) wordt gedragen waar het kind in huis woont. Ook bij andere
regelingen zoals de kinderbijslag geldt eenzelfde principe.</al>
      <al>Bij het vaststellen van de draagkracht van de aanvrager wordt in de WTOS
rekening gehouden met alle tot het huishouden van de aanvrager behorende kinderen
die onder het bereik van de WTOS vallen. Vanaf het grensinkomen wordt het
kortingpercentage gedeeld door het aantal WTOS-kinderen binnen het huishouden,
waardoor het totale bedrag aan tegemoetkoming aan het huishouden nooit verder
wordt gekort dan met 26 cent per meerverdiende gulden. Kinderen
die zelf studiefinanciering ontvangen, blijven buiten beschouwing.</al>
      <al>In de WSF 2000 wordt bij de vaststelling van de aanvullende beurs van
een studerende wel rekening gehouden met de kinderen van beide natuurlijke
ouders, voorzover die kinderen vo of bol volgen maar nog geen studiefinanciering
ontvangen. Voor elk van deze kinderen wordt bij beide natuurlijke ouders een
vast bedrag (f 800,– ingevolge artikel 3.9, vijfde lid, onderdeel
b, van de WSF 2000) in mindering gebracht op hun veronderstelde bijdrage in
de kosten van de (WSF-2000)studerende. Dit geschiedt ongeacht of de ouder
voor deze kinderen een WTOS-toekenning ontvangt en ongeacht of deze kinderen
deel uitmaken van het huishouden van de desbetreffende ouder. Met andere woorden,
in de draagkracht van beide ouders worden de kosten die zij moeten maken voor
hun kinderen in het vo of in de bol 18– normatief verrekend. Aansluitend
gaat dan nog de telkinderensystematiek gelden voor het aantal kinderen dat
aanspraak heeft op WSF 2000. De veronderstelde ouderlijke bijdrage van de
beide natuurlijke ouders wordt verdeeld over de kinderen.</al>
      <al>De telkinderensystematiek uit de WTOS en de WSF 2000 kunnen voor de glijdende
schaal dus niet gecombineerd worden toegepast vanwege de verschillende uitgangspunten
tussen de WTOS en de WSF 2000. Dit laat onverlet dat er rekening mee wordt
gehouden dat ouders altijd de zorg dragen voor het minderjarige kind in hun
huishouden en dat dit consequenties heeft voor de bijdrage die zij kunnen
verstrekken aan hun kind dat studeert en WSF 2000 geniet.</al>
      <tuskop letat="vet">Percentage glijdende schaal en uitvoering door IB-Groep</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van het CDA hadden voor de
glijdende schaal liever een lager percentage gezien dan 26. Zij denken dan
aan een percentage van 10. Verder stellen deze leden dat voorkomen had kunnen
en moeten worden dat de WTOS pas kan ingaan per 1 augustus 2001 omdat de IB-Groep
nog niet zover is.</nadruk>
      </al>
      <al>Bij het regeerakkoord 1998 zijn extra middelen (f 250 mln) voor de
WTS beschikbaar gesteld om de WTS aan te passen aan stijgende prijzen van
de schoolkosten en om de armoedeval zoveel mogelijk te beperken (uitbreiding
WTS tot inkomens van ca. f 60 000,–). Met de WTS eerste fase
en de WTOS heb ik beoogd aan deze doelstelling van het regeerakkoord te voldoen
door de normbedragen voor de tegemoetkoming schoolkosten te verhogen tot gemiddeld
kostendekkend niveau, de inkomensgrens voor de tegemoetkoming schoolkosten
te verhogen naar f 52 023,– (schooljaar 1999–2000) en
een glijdende inkomensschaal en een telkinderensystematiek in te voeren. Gezien
mijn keuze voor de genoemde combinatie van maatregelen was een kortingspercentage
van 26% voor de glijdende schaal het hoogst haalbare gezien de extra middelen
die mij voor de WTOS ter beschikking staan.</al>
      <al>Het voorstel van de leden van de fractie van het CDA om een kortingspercentage
van 10% te hanteren in plaats van 26% zou structureel ongeveer f 150
mln extra kosten. Indien ik deze keuze zou hebben overgenomen, was de verhoging
van de normbedragen voor de tegemoetkoming schoolkosten tot een gemiddeld
kostendekkend niveau en de verhoging van de inkomensgrens voor de tegemoetkoming
schoolkosten naar f 52 023,(schooljaar 1999–2000) niet mogelijk
geweest.</al>
      <al>De WTOS is het sluitstuk van een gefaseerde wijziging van de WTS. Tot
die fasering is besloten omdat de voorgestelde glijdende inkomensschaal en
de telkinderensystematiek pas in 2001 kan worden ingevoerd. Dat de IB-Groep
de vereiste systeemaanpassingen niet eerder zal hebben gerealiseerd, hangt
onder meer samen met het feit dat het systeemontwikkelingstraject zwaar is
en parallel loopt aan het beleidsontwikkelingstraject. </al>
      <tuskop letat="vet">Aanvullende dekking voor uitvoering motie Mosterd c.s.</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Op blz. 10 van de memorie van toelichting wordt gezegd
dat bij uitvoering van de motie Mosterd c.s. het kortingspercentage zou moeten
stijgen met 4%. De leden van de fractie van het CDA vinden dit argument niet
juist omdat er aanvullende dekking mogelijk moet zijn.</nadruk>
      </al>
      <al>Het budgettaire kader voor de verbeteringen in de WTS is in het regeerakkoord
gegeven. De uitwerking van de verbeteringen moest vervolgens worden vormgegeven.
Daarom sluit de maatvoering van de verschillende verbeteringen aan op dat
budgettaire kader.</al>
      <tuskop letat="vet">4. LESGELD</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Indexering</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de PvdA vragen of met het
voorstel om het lesgeld te indexeren ook een eind gemaakt wordt aan de lesgeldproblematiek
waarbij automatisch de lesgelden stijgen. Daarnaast vragen deze leden of een
vergelijkend overzicht gegeven kan worden over hoe de afgelopen 10 jaar het
verloop is geweest van de herijking en tussentijdse indexering van het lesgeld
en hoe dit verloop zou zijn geweest wanneer 10 jaar geleden overgegaan was
op indexering op basis van de consumentenprijs.</nadruk>
      </al>
      <al>Het wetsvoorstel maakt een eind aan de systematiek van driejaarlijkse
herijking van het lesgeld, die schoksgewijze en grillige verhogingen van het
lesgeld veroorzaakte. Voortaan wordt het lesgeld jaarlijks geïndexeerd
op basis van de algemene prijsontwikkeling van de consumentenprijs (reeks
werknemersgezinnen met een laag inkomen).</al>
      <al>Onderstaande tabel geeft een vergelijkend overzicht over hoe de afgelopen
10 jaar het verloop is geweest van de herijking en tussentijdse indexering
van het lesgeld en hoe dit verloop zou zijn geweest indien vanaf schooljaar
1987–1988 was geïndexeerd op basis van de consumentenprijs.</al>
      <tuskop letat="vet">Ontwikkeling lesgeld sinds invoering LCW en ontwikkeling
lesgeld bij indexering met de consumentenprijsindex </tuskop>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="5" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="20mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="30mm"></colspec>
          <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="20.8333333333333mm"></colspec>
          <colspec colname="c4" colnum="4" colwidth="20.8333333333333mm"></colspec>
          <colspec colname="c5" colnum="5" colwidth="20.8333333333333mm"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1" valign="top">schooljaar</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1" valign="top">herijking of
indexering</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1" valign="top">lesgeld- bedrag </entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1" valign="top">consu- menten-prijsindex</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1" valign="top">lesgeldbedrag bij indexering</entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1987–1988</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">(eerste vaststelling)</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 030,–</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top"></entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 030,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1988–1989</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">indexering
niet toegepast</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 030,–</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">1,1%</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 041,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1989–1990</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">indexering niet toegepast</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 030,–</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">1,0%</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 052,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1990–1991</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">herijking</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 133,–</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">3,1%</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 084,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1991–1992</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">indexering</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 163,–</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">3,0%</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 117,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1992–1993</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">indexering</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 198,–</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">2,9%</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 149,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1993–1994</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">herijking</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 349,–</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">2,8%</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 182,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1994–1995</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">indexering</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 385,–</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">2,8%</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 214,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1995–1996</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">indexering
niet toegepast</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 385,–</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">1,8%</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 236,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1996–1997</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">herijking</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 497,–</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">2,0%</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 261,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1997–1998</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">indexering</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 507,–</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">2,0%</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 285,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1998–1999</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">indexering niet toegepast</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 507,–</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">1,9%</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 310,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">1999–2000</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">herijking</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 775,–</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">1,9%</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 335,–</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">2000–2001</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0" valign="top">indexering</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 822,–</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">2,8%</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" valign="top">f 1 372,–</entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <tuskop letat="vet">Hardheidsclausule</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan
verzekeren dat de voorgestelde hardheidsclausule in de LCW voor schrijnende
gevallen ook daadwerkelijk toegepast zal worden.</nadruk>
      </al>
      <al>Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik naar hoofdstuk 1 onder het
kopje «Hardheidsclausule in de LCW». De IB-Groep heeft ruime ervaring
met de toepassing van hardheidsclausules. Aan een juiste toepassing hoeft
niet te worden getwijfeld.</al>
      <tuskop letat="vet">Saldo onderwijskosten voor ouders</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van D66 vragen wat de diverse
categorieën ouders nu per saldo meer of minder moeten betalen aan het
onderwijs van hun kinderen: de tegemoetkoming voor de schoolkosten gaat voor
de meeste ouders omhoog, het lesgeld echter ook.</nadruk>
      </al>
      <al>De tegemoetkoming bestaat uit twee componenten: een tegemoetkoming in
de schoolkosten en een tegemoetkoming in het lesgeld. Lesgeld wordt tot aan
het grensinkomen van f 53 324,– volledig vergoed. Een stijging
van het lesgeld heeft dus altijd eenzelfde stijging van de tegemoetkoming
in het lesgeld tot gevolg. Als het belastbaar inkomen hoger is dan het grensinkomen,
nemen zowel de vergoeding van het lesgeld als die van de schoolkosten evenredig
af. In de toekenningsbeschikking van de IB-Groep zal het bedrag van beide
vergoedingen afzonderlijk worden aangegeven.</al>
      <tuskop letat="vet">Lesgeldpercentage</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Volgens de leden van de fractie van D66 zou het automatische
mechanisme dat het lesgeld 20% van de kosten per leerling bedraagt, van de
baan moeten. Zij vragen of dit mechanisme in dit wetsvoorstel vervalt.</nadruk>
      </al>
      <al>In dit hoofdstuk is hierboven onder het kopje «Indexering»
aangegeven dat driejaarlijks aanpassing aan de hand van de kosten van het
onderwijs, en in de twee tussenliggende jaren inflatiecorrectie, is losgelaten.</al>
      <tuskop letat="vet">5. LEERLINGEN IN (DEELTIJD-)MAVO/HAVO/VWO (WTS 18+)</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Bekostiging via bijzondere bijstand</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de PvdA, CDA, D66, GPV
en RPF vragen hoe is gegarandeerd dat gemeenten daadwerkelijk de bijzondere
bijstand aanwenden voor leerlingen 18+ die (deeltijd) mavo/havo/vwo volgen,
hoe toekomstige wijzigingen in de WTOS door kunnen werken in deze bijzondere
bijstand, hoe de voorlichting aan deze leerlingen geschiedt en vragen om een
toelichting op aantallen en hoogte van de bijdrage.</nadruk>
      </al>
      <tuskop letat="cur">Overheveling van tegemoetkoming (WTS) naar bijzondere
bijstand (gemeente)</tuskop>
      <al>Gemeenten vervullen een centrale rol in de (volwassenen)educatie. Zij
bepalen op basis van de locale en regionale situatie de behoefte aan educatie,
zowel naar omvang als naar inhoud. De bekostiging van de educatie, waaronder
ook het vavo, loopt via de gemeenten. Gemeenten sluiten locale arrangementen
en contracten met ROC's over de uitvoering van deze programma's voor bepaalde
doelgroepen.</al>
      <al>De overheveling van het budget voor de tegemoetkoming in de studiekosten
en de onderwijsbijdragen naar de bijzondere bijstand sluit aan bij deze systematiek.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal de gemeenten verzoeken
de bijzondere bijstand voor deze doelgroep aan te wenden. Op decentraal niveau
heeft de gemeente zowel de bevoegdheid als de verantwoordelijkheid
voor het aanbod aan educatie en de toegankelijkheid ervan voor de individuele
deelnemer. Op gemeentelijk niveau kan ook het maatwerk worden geleverd bij
de ondersteuning in de studiekosten van deelnemers in een financieel zwakkere
positie. De bijzondere bijstand maakt dit soort ondersteuning beter mogelijk
dan een generieke landelijke regeling.</al>
      <al>Omdat de tegemoetkoming voor deze doelgroep aan de gemeente is overgedragen,
valt dit niet langer onder de verantwoordelijkheid van de centrale overheid.
De vragen hierover kan ik dus niet alle beantwoorden.</al>
      <tuskop letat="cur">Aanwending bijzondere bijstand</tuskop>
      <al>Garanties over het daadwerkelijk aanwenden van de bijzondere bijstand
voor vavo-deelnemers kan ik niet geven. Gemeenten bepalen het aanbod aan educatie
en de bekostiging ervan. Daarnaast hebben zij beleidsvrijheid, zowel naar
vaststelling van de doelgroep als voor het bepalen van de omvang van de tegemoetkoming
in de kosten aan de deelnemers. De gemeente kan maatwerk leveren, afgestemd
op de individuele situatie van een deelnemer en de feitelijk gemaakte kosten.
In de regel investeren gemeenten met name in zwakkere doelgroepen en mensen
zonder startkwalificatie.</al>
      <tuskop letat="cur">Voorlichting</tuskop>
      <al>Zoals aangegeven, zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
de VNG verzoeken haar leden te wijzen op de overheveling van deze middelen
en op de mogelijkheid om middelen uit de bijzondere bijstand aan te wenden
voor de educatie. In mijn algemene voorlichting aan burgers en onderwijsinstellingen
zal ik op deze mogelijkheid wijzen. Daarnaast kunnen ook ROC's die met de
gemeenten educatiecontracten sluiten, de betrokken deelnemers op de hoogte
stellen van de voorziening.</al>
      <tuskop letat="cur">Omvang doelgroep</tuskop>
      <al>Het aantal rechthebbenden dat onder de huidige landelijke regeling een
tegemoetkoming ontvangt, is zeer gering en neemt af. Waren er in 1998 nog
4515 WTS-gerechtigden, in 2000 bedroeg hun aantal 1906. Deelnemers die momenteel
aanspraak hebben op een tegemoetkoming, zullen – bij wijze van overgangsrecht –
de keuze hebben tussen continuering op basis van de WTOS en de gemeentelijke
voorziening. Van hen hoeft dus niemand erop achteruit te gaan.</al>
      <al>Het is mogelijk dat een deel van de huidige doelgroep niet langer in aanmerking
zal komen voor een WTOS-vergoeding. Te denken valt aan personen zonder eigen
inkomen maar van wie de partner een aanzienlijk inkomen geniet. Omdat hier
sprake is van onbedoeld gebruik van de WTS, wordt in hoofdstuk 5 van de WTOS
een ander inkomensbegrip gehanteerd, namelijk het gezamenlijk inkomen van
de aanvrager en diens partner (zie artikel 2.23, eerste lid, onderdeel c).</al>
      <tuskop letat="vet">Overleg met VNG</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de VVD stellen de volgende
vragen inzake het overleg met de VNG: kan worden aangegeven hoe het overleg
met de VNG vordert; is al duidelijk of de gemeentelijke regelingen voor tegemoetkoming
in de schoolkosten worden afgebouwd; wordt er meer rekening gehouden met werkelijk
gemaakte kosten; wat is de positie van de VNG; kan de VNG instemmen met de
ideeën hierover van de minister.</nadruk>
      </al>
      <al>In de afgelopen periode zijn door het kabinet verschillende maatregelen
voorgesteld om de nadelige effecten van inkomensafhankelijke regelingen zo
veel mogelijk te reduceren of op te heffen. Daarbij gaat het enerzijds om het reduceren van de armoedeval, anderzijds om het voorkomen van
cumulatie van regelingen die de armoedevaleffecten veroorzaken.</al>
      <al>Op 20 april 2000 is het WHIR-rapport «De armoedeval, analyse en
oplossingen» (kamerstukken II 1999–2000, 26 800 XV, nr. 72),
waarin onder andere de WTS en de gemeentelijke regelingen worden geanalyseerd,
aan de Kamer gezonden. In de kabinetsreactie op dit rapport is aangegeven
dat het wenselijk is dat medeoverheden, zoals de gemeenten, in hun beleidsafweging
nadrukkelijk het effect van cumulatie van verschillende ondersteunende regelingen
op de armoedeval meewegen. Uitgangspunt daarbij is dat het Rijk verantwoordelijk
is voor de generieke ondersteuning en de gemeenten zorg dragen voor individueel
maatwerk.</al>
      <al>De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het voortouw genomen
voor het overleg met de VNG en gemeenten om hierover in een breed kader tot
goede afspraken te komen. Onlangs is een brede intentieverklaring met de VNG
getekend. De aanwending van de bijzondere bijstand maakt hiervan deel uit.</al>
      <al>De bijzondere bijstand vormt het sluitstuk van inkomensafhankelijke regelingen.
Dit sluit aan bij de mijns inziens wenselijke inzet vanuit de bijzondere bijstand
in gemeenten. Een bijdrage in de schoolkosten door een gemeente zal een aanvulling
zijn op de generieke, gemiddelde kostendekkende vergoeding in de WTOS, indien
deze normvergoeding in een individuele situatie niet toereikend mocht blijken
te zijn.</al>
      <tuskop letat="vet">Lesminuten</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de VVD vragen wat wordt
bedoeld met lesminuten. Zij vragen of het hierbij om studiepunten gaat, hoe
de vertaalslag eruit ziet van lesminuten naar tegemoetkoming, en of deze bijvoorbeeld
lineair is of dat er een basisdeel en een variabel deel is.</nadruk>
      </al>
      <al>Voor het deeltijd-vavo wordt geen lesgeld maar cursusgeld geheven. De
hoogte van dat cursusgeld is afhankelijk van de intensiteit waarmee men onderwijs
volgt. Deze intensiteit wordt uitgedrukt in lesminuten, omdat lesuren in het
deeltijd-vavo in duur afwijken van die in het dagonderwijs. Een lesuur in
het vavo duurt 45 minuten. Analoog aan deze rekenwijze wordt in de WTS de
vergoeding bepaald voor het cursusgeld en voor de tegemoetkoming in de studiekosten.
Dit gaat niet volledig lineair: er is een indeling gemaakt in drie intensiteitscategorieën
en bijbehorende vergoedingen. Er is geen verband te leggen met studiepunten.</al>
      <tuskop letat="vet">6. LERARENOPLEIDINGEN EN PEILJAARVERLEGGING</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Partnerinkomen</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de PvdA zijn van oordeel
dat niet naar het gezamenlijk inkomen moet worden gekeken, maar uitsluitend
naar dat van de studerende. Zij merken op dat deze maatregel niet zal bijdragen
aan het terugdringen van het lerarentekort. Daarnaast hebben zij meer ten
principale moeite met het voorstel om het partnerinkomen mee te laten tellen
bij de tegemoetkoming studiekosten; een student moet in staat zijn op eigen
gelegenheid en op eigen kosten een studie te volgen.</nadruk>
      </al>
      <al>Indien het inkomen van de partner van de studerende als bedoeld in hoofdstuk
5 buiten beschouwing zou blijven, zou dit ertoe leiden dat een tegemoetkoming
wordt verstrekt aan studerenden met een belastbaar gezinsinkomen dat elders
in de wet toereikend wordt geacht om de kosten van het onderwijs redelijkerwijs
te dragen. Ik acht dat ongewenst. </al>
      <tuskop letat="vet">Telkinderensystematiek</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de PvdA vragen in hoeverre
een student aan een lerarenopleiding die een tegemoetkoming studiekosten ontvangt,
meetelt in de telkinderensystematiek voor zijn ouders.</nadruk>
      </al>
      <al>Een student aan een lerarenopleiding telt niet mee in de telkinderensystematiek.
Deze systematiek is geregeld in artikel 2.26. In het eerste lid, tweede volzin,
van dat artikel is aangegeven wat een telkind is: een leerling voor wie aanspraak
op tegemoetkoming bestaat op grond van de hoofdstukken 3 of 4. De student
aan een lerarenopleiding valt hier buiten omdat hij aanspraak heeft op een
tegemoetkoming ingevolge hoofdstuk 5. Zijn ouders zullen immers geen onderhoudsplicht
jegens hem meer hebben. Het betreft hier een student die zijn aanspraak op
studiefinanciering op grond van de WSF 2000 al heeft verbruikt. Daarnaast
valt onder het begrip leerling niet de student (artikel 1.1).</al>
      <tuskop letat="vet">Aantal studenten in lerarenopleiding</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van het CDA vragen of de regering
kan aangeven hoeveel studenten op dit moment gebruik gemaakt hebben van de
WTS voor studenten aan lerarenopleidingen.</nadruk>
      </al>
      <al>In het studiejaar 1999–2000 hebben ca. 3000 studenten gebruik gemaakt
van de WTS voor studenten aan lerarenopleidingen in een tekortvak. Als gevolg
van de uitbreiding van het aantal tekortvakken in het studiejaar 2000–2001
zal het aantal studenten waarschijnlijk stijgen naar ca. 3400 studenten.</al>
      <tuskop letat="vet">Vervroegen uitbreiding lerarenopleidingen</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van D66 vragen of er een mogelijkheid
is de uitbreiding van de regeling inzake de tegemoetkoming voor de lerarenopleidingen
te vervroegen en zo ja, wat dat zou kosten.</nadruk>
      </al>
      <al>Bij invoering van de WTOS per 1 augustus 2001 zal de tegemoetkoming WTS
18+van toepassing zijn op alle lerarenopleidingen. Om eerder tegemoet te komen
aan de stijgende vraag naar docenten heb ik per schooljaar 2000–2001
de lijst met tekortvakken reeds uitgebreid met de vakken waarin volgens de
huidige inzichten de grootste tekorten heersen.</al>
      <al>Het vervroegd volledig openstellen van de WTS voor alle lerarenopleidingen
per schooljaar 2000–2001 heeft niet de hoogste prioriteit, omdat deze
uitbreiding met name betrekking heeft op de vakken waarin geen tekort bestaat
(o.a. geschiedenis en lichamelijke opvoeding). Een dergelijke uitbreiding
zou ca. f 3 mln kosten.</al>
      <tuskop letat="vet">Peiljaar</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van D66 vragen of in verband
met het aanleveren van de gegevens door de belastingdienst, het peiljaar op
termijn naar het jaar t-1 kan worden verlegd. Zij vragen of een onderwijsnummer
hierbij van pas kan komen.</nadruk>
      </al>
      <al>De gegevensuitlevering met de belastingdienst is nu zodanig dat het mogelijk
is om de peildatum te vervroegen van t-3 naar t-2. Voor een adequate uitvoering
van de wet is het wel gewenst dat kan worden uitgegaan van een vastgesteld
belastbaar inkomen. De belastingdienst kan het belastbaar inkomen pas vaststellen
in de tweede helft van het jaar volgend op het belastingjaar. Daardoor zijn
de gegevens over het belastingjaar t-1 niet eerder dan in de tweede helft
van het kalenderjaar t beschikbaar. Voor de bepaling van de tegemoetkoming
voor jaar t, en het schooljaar t / t+1 is dit echter niet tijdig genoeg. De
tegemoetkoming voor hoofdstuk 4 van de WTOS (VO18+) wordt immers al voorafgaand
aan jaar t bepaald, en de tegemoetkoming voor de hoofdstukken 3 en 5 in de
eerste helft van jaar t. Hieruit volgt dat vanwege het moment
van het vaststellen van het belastbaar inkomen door de belastingdienst het
niet mogelijk is de peildatum te vervroegen naar t-1. Het gebruik van het
onderwijsnummer, zoals gesuggereerd door de leden van de fractie van D66,
staat hier los van.</al>
      <tuskop letat="vet">7. BERICHTENVERKEER</tuskop>
      <tuskop letat="vet">E-mail</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van de PvdA vragen of e-mail
wel een rechtsgeldig communicatiemiddel is om mutaties door te geven; worden
documenten die een student per e-mail heeft ontvangen als rechtsgeldig beschouwd.</nadruk>
      </al>
      <al>Op dit moment staat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) er nog aan in
de weg dat een aanvraag om een beschikking per e-mail wordt gedaan en dat
de IB-Groep op deze wijze een beschikking neemt. Immers, die wet kent de eis
van schriftelijkheid en ondertekening. Er is een wetsvoorstel in voorbereiding
waarin de Awb zodanig wordt gewijzigd dat communicatie tussen overheid en
burgers via e-mail vergemakkelijkt.</al>
      <tuskop letat="vet">8. FINANCIËLE GEVOLGEN</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Verhoging tegemoetkoming lesgeld</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De inkomensgrens voor het verkrijgen van een tegemoetkoming
in het lesgeld is opgetrokken naar f 55 938,– (f 57 301,–
in 2000–2001). De leden van de fractie van de PvdA vragen of de minister
kan aangeven hoeveel deze maatregel heeft gekost.</nadruk>
      </al>
      <al>Om ouders boven de inkomensgrens eerder tegemoet te komen, is de inkomensgrens
voor (uitsluitend) een lesgeldvergoeding met ingang van schooljaar 1999–2000
verhoogd naar f 55 938,– (f 57 301,– in 2000–2001).
Ouders in dit inkomenssegment ontvangen een volledige vergoeding van het lesgeld.
Bij een inkomensgrens van ca. f 56 000,– gaan deze ouders
er niet op achteruit als de glijdende schaal in schooljaar 2001–2002
wordt geïmplementeerd. Door het verhogen van de inkomensgrens krijgen
per schooljaar ca. 15 000 leerlingen alsnog een lesgeldvergoeding. Bij
de Voorjaarsnota 2000 en de behandeling van de eerste suppletoire begroting
2000 zijn voor de schooljaren 1999–2000 en 2000–2001 incidentele
middelen beschikbaar gekomen (f 102 mln). Hiervan is f 54 mln ter
dekking van de verhoging van de inkomensgrens voor een lesgeldvergoeding (per
schooljaar f 27 mln). De overige f 48 mln zijn ter dekking van de
incidentele meeruitgaven van de verhoging van de normbedragen voor de tegemoetkoming
schoolkosten met f 100,–.</al>
      <tuskop letat="vet">Verhouding wel/niet lesgeldplichtig</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">Kan uit tabel 4 de conclusie worden getrokken dat de
verhouding tussen het aantal WTS-gerechtigden dat niet lesgeldplichtig is
en het aantal WTS-gerechtigden dat wel lesgeldplichtig is, ongeveer 1:1 is,
terwijl de regering eerst uitging van een verhouding 1:2 en vervolgens, als
antwoord op vragen van de leden van de fractie van het CDA aangaf dat zij
het met hen van mening was dat die verhouding in de toekomst meer naar 2:1
zou gaan. De leden vragen of de financiële uitkomsten door veranderingen
in deze verhouding ook zijn gewijzigd. Deze leden willen bij het bekend zijn
van de eerste gebruikcijfers, dus januari 2002, worden geïnformeerd over
de verhoudingscijfers in de praktijk.</nadruk>
      </al>
      <al>Vóór de invoering van de WTS eerste fase was 40% van de
WTS-gerechtigden <nadruk type="cur">niet</nadruk> lesgeldplichtig, en 60% <nadruk type="cur">wel</nadruk> lesgeldplichtig. Hierover heb ik de heer Mosterd geïnformeerd
bij brief van 27 april 1999. Daarbij is aangegeven dat deze verhouding
is gebaseerd op de situatie in de WTS voor invoering van de eerste fase. Daarbij
heb ik voor een verhouding gekozen die de risico's beperkt; er is conservatief
gerekend.</al>
      <al>Bij invoering van de WTS eerste fase is de inkomensgrens voor een tegemoetkoming
in de overige studiekosten verhoogd van f 40 000,– naar f 52 000,–.
Hierdoor is het aantal gerechtigden voor overige studiekosten in de eerste
fase sterk uitgebreid, waardoor het aantal lesgeldvergoedingen relatief is
afgenomen: tweederde van de WTS-gerechtigden is <nadruk type="cur">niet</nadruk>
lesgeldplichtig, eenderde is <nadruk type="cur">wel</nadruk> lesgeldplichtig.
Deze verhouding valt af te lezen uit tabel 4. Het gaat dan om de aantallen
van vóór de WTOS.</al>
      <al>Na invoering van de WTOS zal driekwart van de WTS-gerechtigden <nadruk type="cur">niet</nadruk> lesgeldplichtig, en een kwart <nadruk type="cur">wel</nadruk> lesgeldplichtig zijn. In tabel 4 zijn dit de aantallen WTOS.</al>
      <al>Na invoering van de WTOS zal moeten worden bezien hoe de WTOS heeft uitgewerkt
in de praktijk. Bij het bekend worden van de eerste gebruikscijfers zal ik
de Kamer hierover informeren.</al>
      <tuskop letat="vet">Gespreide betaling</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De leden van de fractie van het CDA denken dat het
nuttig en nodig is de mogelijkheden voor gespreide betaling te verruimen.</nadruk>
      </al>
      <al>De mogelijkheid van gespreide betaling is ingevoerd in het schooljaar
1998–1999. Het huidige betalingsgedrag van de lesgeldtermijnen geeft
aan dat de gespreide betalingssystematiek een succes is. 50% van degenen die
feitelijk lesgeld betalen (dus niet de lesgeldplichtigen die een tegemoetkoming
voor het lesgeld ontvingen), maakt gebruik van de gespreide betaling. Bij
invoering was een percentage van 60% verondersteld. Deze veronderstelling
was gebaseerd op ervaringsgegevens rond gespreide betaling van het collegegeld
in het hoger onderwijs. Er zijn geen aanwijzingen dat er behoefte is aan meer
termijnen. Daarnaast leidt verdere spreiding van het aantal betalingtermijnen
zowel uitvoerings- als begrotingstechnisch tot extra kosten. Ik zie daarom
geen reden het aantal betalingstermijnen uit te breiden.</al>
      <tuskop letat="vet">9. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tuskop>
      <tuskop letat="vet">Artikel 11.1</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">De toelichting op artikel 11.1, eerste lid, stelt dat
de AMvB waarover in dit lid gesproken wordt, bedoeld is om een wijziging in
de aanduiding van de index te vergemakkelijken. Het systeem van indexering
zal niet worden gewijzigd. Uit de tekst van het eerste lid valt evenwel niet
anders te concluderen dan dat de indexering wel kan worden gewijzigd. De leden
van de fracties van GPV en RPF vragen of de wettekst en toelichting niet meer
met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht.</nadruk>
      </al>
      <al>Naar mijn oordeel sluiten tekst en toelichting op elkaar aan: de tekst
van artikel 11.1, eerste lid, maakt het mogelijk dat de indexeringssystematiek
wordt gewijzigd. In de toelichting op die bepaling is evenwel aangegeven dat
dit niet zal worden gedaan. Daarbij wijs ik op het overeenkomstige artikel
11.1 van de WSF 2000 en op de uitwerking daarvan in artikel 17 van het Besluit
studiefinanciering 2000. De reden van delegatie aan een algemene maatregel
van bestuur is niet dat de regering de vrijheid heeft om zonder tussenkomst
van het parlement de indexeringsmethode te wijzigen, maar dat de naam van
een index niet in de wet hoeft te worden genoemd. De praktijk leert namelijk
dat deze benamingen regelmatig door het CBS worden gewijzigd. Recent is dat
gebeurd met het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie dat is vervangen
door het prijsindexcijfer van de consumentenprijs. </al>
      <tuskop letat="vet">Artikel 11.2</tuskop>
      <al>
        <nadruk type="cur">In de toelichting op artikel 11.2 wordt gemeld dat
de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op de WTS/WTOS. De leden
van de fractie van de PvdA vragen of de minister uiteen kan zetten waarom
deze inkomensafhankelijke regeling volgens hem als inkomensvoorziening dient
te worden aangemerkt.</nadruk>
      </al>
      <al>De basistoelage (artikel 4.2, onderdeel a) maakt een substantieel deel
uit van de tegemoetkoming in de studiekosten. Deze inkomensonafhankelijke
toelage is vergelijkbaar met de basisbeurs (WSF 2000) en de kinderbijslag.
Volgens de memorie van toelichting op de Awb derde tranche moeten de studiefinanciering,
algemene sociale uitkeringen en individuele huursubsidie worden aangemerkt
als een (aanvullende) inkomensvoorziening. De bestedingsrichting van deze
toelagen of uitkeringen staat, anders dan bij subsidies, immers niet vast.
Deze toelagen of uitkeringen vallen dus buiten het subsidiebegrip van artikel
4:21 van de Awb. Ook de tegemoetkoming in de schoolkosten zal niet worden
verstrekt ter verrichting van een bepaalde activiteit, maar om te voorzien
in de kosten van bestaan, zodat evenmin sprake is van subsidie (kamerstukken
II 1993–94, 23 700, nr. 3, blz. 34).</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,</functie>
        <naam>L. M. L. H. A. Hermans</naam>
      </ondtek>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>