Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2000-2001
Kamerstuk 27400-XIII nr. 2

Gepubliceerd op 2 oktober 2000



27 400 XIII
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2001

nr. 2
MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

A.Artikelsgewijze toelichting bij het wetsvoorstel2
 Wetsartikelen 1 en 2 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)2
 Wetsartikel 4 (agentschapsbegrotingen)2
 Wetsartikel 5 (interne reserve binnen de Rijksbegroting)2
   
B.Algemene toelichting bij de begroting4
 Inhoudsopgave4
   
C.Toelichting per begrotingsartikel57
 Inleiding57
1.Uitgaven en verplichtingen64
2.Ontvangsten202
   
D.Toelichting bij de agentschapsbegrotingen223
1.Senter223
2.EVD234
   
E.Bijlagen bij de begroting250
Bijlage 1Personeelsgegevens250
Bijlage 2Wetgeving255
Bijlage 3Moties en toezeggingen257
Bijlage 4Circulaires281
Bijlage 5Aanbevelingen Nationale Ombudsman282
Bijlage 6Overzicht financiële stimulansen EZ283
Bijlage 7Evaluaties301
Bijlage 8Overzicht economische en functionele classificaties320
Bijlage 9Voorlichtingsbijlage324
Bijlage 10Convenantenbijlage325
Bijlage 11Voortgangsrapportage energiebesparing326
Bijlage 12Overzicht technologie-relevante uitgaven331
Bijlage 13Werkprogramma 2001 Algemene Energie Raad340
Bijlage 14Voortgangsrapportage Industriebrief342
Bijlage 15Lijst van afkortingen354
Bijlage 16Trefwoordenregister357

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 en 2 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingen die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begroting van het Ministerie van Economische Zaken voor het jaar 2001 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2001. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2001.

Met de vaststelling van deze wetsartikelen wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van de uitgaven en de ontvangsten voor het jaar 2001 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in de onderdelen B en C van deze memorie van toelichting.

Wetsartikel 4 (agentschapsbegrotingen)

Met de vaststelling van dit wetsartikel wordt de in de begrotingsstaten opgenomen begroting van baten en lasten en van kapitaaluitgaven en ontvangsten van de agentschappen Senter en EVD voor het jaar 2001 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in onderdeel D van deze memorie van toelichting.

Wetsartikel 5

Met deze specifieke bepaling ten behoeve van de begroting van Economische Zaken wordt vooruitgelopen op een wijziging van de Comptabiliteitswet die thans wordt voorbereid. Die wijziging behelst de mogelijkheid tot het vormen van een interne reserve binnen de Rijksbegroting. Deze reserve wordt aangehouden binnen 's Rijks schatkist. Ten behoeve van de Garantiefaciliteit Opkomende Markten, de SENO-faciliteit en de Garantiefaciliteit herverzekering Inpres 8 (artikelen 07.03) wordt zo'n reserve gevormd, waaruit eventuele toekomstige betalingen uit hoofde van verstrekte garanties kunnen worden gefinancierd. Op deze manier kan op een doelmatige en bestuurlijk transparante wijze zorggedragen worden voor de beschikbaarheid van voldoende budgettaire middelen in het (nog onzekere toekomstige) jaar dat op een garantie moet worden getrokken.

Bij de onderhavige garantieregelingen gaat de wet van de grote aantallen niet op, zodat het trekken op een garantie van jaar op jaar aanzienlijke uitgavenfluctuaties kan opleveren, die niet zonder aanzienlijke budgettaire problemen binnen de begroting van EZ kunnen worden opgevangen. Om dergelijke fluctuaties op te vangen, zijn in het verleden achtergestelde leningen verstrekt aan een (externe) stichting die de Garantiefaciliteit Opkomende Markten en de SENO-faciliteit uitvoert. Uit hoofde van het budgetrecht en de doelmatigheid zijn tegen de inschakeling van een stichting bezwaren aan te voeren.

Door gebruik te maken van de interne reserveringsmogelijkheid wordt de doelmatigheid bevorderd; de gereserveerde middelen blijven immers

langer in de schatkist en leiden dus tot lagere rentekosten. Inmiddels zijn de achtergestelde leningen terugontvangen van de stichting en toegevoegd aan de interne reserve.

Ook de bestuurlijke transparantie is met de nieuwe faciliteit gediend. Zowel voor de vulling van de reserve als voor de daaruit te verrichten betalingen aan derden geldt namelijk de volledige ministeriële verantwoordelijkheid. Daarom behoren de vulling van de reserve en de betalingen ten laste van de reserve idealiter via de begroting van EZ tot stand te komen. Vanuit autorisatie-oogpunt heeft de begrotingswetgever daarmee zowel zicht op de vulling van de reserve ten laste van de begroting van EZ, als de eventueel in latere jaren te verrichten betalingen op het moment dat op de garantie moet worden getrokken.

De Minister van Economische Zaken,

A. Jorritsma-Lebbink

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

B. ALGEMENE TOELICHTING BIJ DE BEGROTING

INHOUDSOPGAVE

Hoofdstuk 1Naar een ondernemende kenniseconomie5
   
Hoofdstuk 2Vitale markten en een ondernemende samenleving14
   
Hoofdstuk 3Internationalisering van markten en spelregels24
   
Hoofdstuk 4Een uitmuntend klimaat voor innovatie en menselijk kapitaal32
   
Hoofdstuk 5Een excellent fysiek vestigingsklimaat43
   
Hoofdstuk 6Duurzame energievoorziening47
   
Hoofdstuk 7Beheer en Bestuur53

HOOFDSTUK 1 NAAR EEN ONDERNEMENDE KENNISECONOMIE

1.1 Voorop lopen met structureel economisch hervormingsbeleid

De Nederlandse economie presteert voorbeeldig. Voor de komende jaren zijn de economische vooruitzichten gunstig: in 2000 een voorspelde groei van het BBP van 4,5% en voor 2001 een van 4%. Als deze voorspellingen bewaarheid worden, dan breekt Nederland – met zes aaneengesloten jaren met een groei van 3% of meer – een record. Sinds 1921 kwam het één keer eerder voor dat de hoogconjunctuur meer dan vijf jaar aanhield, namelijk van 1967–1974.

We mogen ons niet laten verblinden door de goede economische prestaties. De huidige, positieve, economische vooruitzichten vormen een uitstekende uitvalsbasis voor de verdere vernieuwing van de economische structuur. Zowel in een periode van hoog- als van laagconjunctuur blijft het werken aan een flexibele economische structuur van groot belang.

Ook voor de lidstaten van de Europese Unie is de economische groei in Europa geen reden om achterover te leunen. Integendeel. De bijzondere Europese Raad in Lissabon van maart 2000 sprak de ambitie uit Europa om te vormen tot de meest dynamische en competitieve regio ter wereld. Dit hoge ambitieniveau is inspirerend en sluit goed aan bij de missie van Economische Zaken (EZ): het bevorderen van economische groei en werkgelegenheid.

De laatste jaren groeit de Nederlandse economie harder dan het Europese gemiddelde. Ook bij het invoeren van structurele economische hervormingen presteert Nederland bovengemiddeld. Binnen de Europese Unie zal Nederland voor zichzelf de lat nog wat hoger blijven leggen. We zullen onszelf spiegelen aan economieën die topprestaties leveren; zowel binnen als buiten de Europese Unie.

Nederland heeft belang bij het doorvoeren van structurele hervormingen in de hele Europese Unie. Als gevolg van de europeanisering van het monetaire en financiële beleid krijgt het begrotingsbeleid van de andere lidstaten zijn weerslag op Nederland. Nederland heeft belang bij de verdere uitbouw van de interne markt: het wegnemen van barrières die ontstaan door (nieuwe) nationale regelgeving is dan ook belangrijk. Daarnaast wijst de OESO erop dat de EU tegen de grenzen van haar productiecapaciteit dreigt aan te lopen. Dit illustreert eens te meer de noodzaak om structurele hervormingen in de Europese Unie door te voeren, om op die manier de potentiële economische groei te vergroten.

Het beleid waarmee we de structuur van onze economie vernieuwen heeft internationaal erkenning gekregen. De gezaghebbende Economic Intelligence Unit van The Economist publiceerde in mei 2000 de nieuwe ranglijst voor het vestigingsklimaat. Nederland neemt een eerste plaats in. Toch blijft er een aantal zwakheden in de Nederlandse economie1. Zwakke plekken die zich laten vertalen in vragen die – willen we toonaangevend blijven – op korte termijn én heel concreet beantwoord moeten worden. Zullen wij er bijvoorbeeld in slagen de krapte op de arbeidsmarkt weg te werken? Hoe verhogen we de arbeidsparticipatie en beperken we het aantal mensen onder de 65 jaar – nu ongeveer 1,8 miljoen – dat een uitkering ontvangt wegens werkloosheid, bijstand, ziekte of arbeidsongeschiktheid? Slagen wij erin een succesvolle transitie naar een kenniseconomie te bewerkstelligen? Slagen wij erin het opleidingsniveau van de beroepsbevolking naar een hoger peil te brengen?

De EU doet in het kader van de «broad economic policy guidelines» een aantal heldere aanbevelingen voor het Nederlandse economische beleid. De aanbevelingen richten zich op de verdere liberalisering en privatisering van netwerkbedrijven, de stimulering van private R&D, de ontwikkeling van risicokapitaal en het toesnijden van het belasting- en premiestelsel op een activerend arbeidsmarktbeleid onder andere door negatieve prikkels in het systeem van belastingen en sociale regelingen die arbeidsparticipatie afremmen weg te nemen. In een periode waarin we de economische wind in de rug hebben, moeten deze uitdagingen – het verder doorvoeren van hervormingen in de structuur van onze economie – voortvarend kunnen worden aangepakt.

1.2 De transitie naar een ondernemende kenniseconomie

Met een daadkrachtige aanpak van de gesignaleerde uitdagingen kunnen we met het economische hervormingsbeleid een belangrijke sprong maken. Tegelijkertijd plaatst de economie in de 21ste eeuw ons voor trends en ontwikkelingen die nieuwe vragen opwerpen en nieuwe antwoorden vereisen. Boven op de inzet koploper in het economisch hervormingsbeleid te worden én te blijven, komt het streven de economie verder ontvankelijk te maken voor de dynamiek van de economie in de 21ste eeuw.

Moderne Informatie- en Communicatietechnologie (ICT)

Centraal in verkenningen over de betekenis en reikwijdte van de economie van de 21ste eeuw staan de ingrijpende veranderingen die moderne Informatie- en Communicatietechnologie (ICT) aanbrengen in samenleving en economie.

De transformerende kracht van moderne ICT komt naast – en wordt versterkt door – een drietal reeds bekende trends: internationalisering, individualisering en demografische ontwikkelingen als vergrijzing. Internationalisering heeft grote invloed op het economisch handelen. Het gebruik van ICT versnelt het proces van grensoverschrijdende concurrentie. De wereld van bedrijven, burgers en overheden wordt groter; het aantal kansen én bedreigingen eveneens. Individualisering beïnvloedt de inrichting van de samenleving. Mensen zien mogelijkheden om hun sociale omgeving af te stemmen op de eigen wensen. Dit proces stelt nieuwe eisen aan bedrijfsleven én overheid. Demografische ontwikkelingen als een vergrijzende en een cultureel steeds diversere bevolking, doen daar nog eens een schepje bovenop.

De expansieve ontwikkeling van ICT brengt trends als internationalisering en individualisering in een stroomversnelling. Bovendien stimuleert ICT de kennisdynamiek. ICT maakt het mogelijk informatie snel en goedkoop op te slaan, uit te wisselen, te bewerken, te reproduceren, te combineren en opnieuw te gebruiken. Informatie kan zich razendsnel verspreiden in de samenleving en rond de wereld. Maar net zo snel als informatie zich nu verspreidt, kan informatie haar waarde verliezen. Nieuwe informatie en kennis versnellen het verouderingsproces van bestaande inzichten. ICT of, anders gezegd, informatisering, wakkert de kennisdynamiek aan, trekt sporen in het economisch proces en kan bijdragen aan economische groei.

Nu is het eerder voorgekomen dat technologische ontwikkelingen een belangrijke en krachtige impuls geven aan de economie. Toch is het een interessante vraag of de huidige ICT-innovaties net zo belangrijk of nog veel betekenisvoller zijn dan de doorbraaktechnologieën uit het verleden. Over een aantal decennia kunnen we die vraag, terugkijkend, in een wetenschappelijke verhandeling beantwoorden.

Voor nu kunnen we niet anders dan rekening houden met de nieuwe ontwikkelingen en voorbereid zijn op de uitdagingen waarvoor ICT-ontwikkelingen burgers, bedrijven en overheden plaatst. Dat betekent dat we de «economie van de 21ste eeuw» – met haar wereldwijde, dynamische en kennisintensieve karakter – de ruimte moeten geven. Beleid moet er daarom op gericht zijn het aanpassingsvermogen van de economie verder te versterken, nieuw ondernemerschap plaats te geven en de productiefactor «kennis» zo effectief mogelijk in te zetten.

1.3 Beleidsagenda voor een ondernemende kenniseconomie

De ambitie om de meest welvarende en competitieve regio van de wereld te worden, de groei van de laatste jaren vast te houden, en de eigen en Europese economie ontvankelijk te maken voor nieuwe trends en ontwikkelingen, dicteert de beleidsagenda van EZ. Die beleidsagenda moet verwezenlijkt worden tegen de achtergrond van belangrijke ontwikkelingen als informatisering, internationalisering, individualisering en demografische veranderingen.

Lissabon vertaald

Tijdens de Europese Raad in Lissabon hebben de Europese regeringsleiders onder meer erkend dat het vernieuwingsvermogen van de EU achterblijft, zeker in vergelijking met de ontwikkelingen in de Amerikaanse ICT-sector. De ambitie de meest concurrerende en welvarende regio te worden, roept uiteraard de vraag op welke beleidsagenda daarbij hoort. In de Unie is gekozen voor het versnellen van de overgang naar een op kennis gebaseerde economie. Er ligt een serieus pakket maatregelen om het concurrentievermogen en het innovatieklimaat van Europa drastisch te verbeteren.

In het zogenoemde «Lissabon document» heeft het kabinet een agenda neergelegd met een uitwerking van de gevolgen van de besluitvorming van de Europese Raad in Lissabon voor de economische beleidsagenda van het kabinet. In de volgende paragrafen komen de consequenties voor EZ-beleid op hoofdlijnen aan de orde. Overigens is de speciale voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad onder andere over de kenniseconomie, geen eenmalige actie. Periodiek zullen op de voorjaarsbijeenkomsten van de Europese Raad, en bij de andere vakraden, de ambities en genomen en nieuwe maatregelen tegen het licht worden gehouden. De eerstvolgende is in het voorjaar van 2001 in Stockholm.

Doelstellingen EZ beleid

Je voordeel doen met moderne ICT is in eerste instantie een zaak van burgers en ondernemers. Maar de ICT-revolutie geeft ook een impuls aan de Europese en nationale economische beleidsagenda's en daagt de overheid uit ICT in de publieke sector optimaal te gebruiken. Een flexibele economie kan vernieuwingen snel opnemen en verwerken. Dat vereist een verdere verinnerlijking van de ICT-revolutie in de economie en de definitieve omslag naar een door kennis gedreven economie.

Het wegwerken van het achterblijvende vernieuwingsvermogen van Nederland is een belangrijke EZ-beleidsdoelstelling. Het gaat hier niet alleen om een al dan niet snelle invoering van ICT en digitalisering van de economie. Het achterblijvend vernieuwingsvermogen raakt aan onze kennissystemen. Bijvoorbeeld aan de vraag of er op het gebied van scholing en onderzoek voldoende aansluiting is bij de markt. EZ moet zich beijveren om het potentieel aan kennis en menselijk kapitaal zo effectief mogelijk in te zetten. Wat betreft de werking van markten geldt dat gezonde concurrentie innovatie en vernieuwing in de hand werkt. Het scheppen van optimale condities voor een goed functioneren van markten is dan ook een andere doelstelling van het beleid.

Samenvattend is het belangrijk dat de productiefactoren zo efficiënt mogelijk ontwikkeld en benut kunnen worden Om de beleidsuitdagingen te categoriseren, lijkt het dan ook zinvol de randvoorwaarden rond de benutting van de verschillende productiefactoren, kennis, kapitaal, arbeid en ruimte in kaart te brengen. Ook ligt het voor de hand, analoog aan het concept van total factor productivity, na te gaan hoe de overheid zelf haar publieke taak slimmer, efficiënter en doeltreffender kan organiseren. Langs deze weg de beleidsuitdagingen categoriserend, komen we tot de volgende beleidsthema's

• Een uitmuntend klimaat voor innovatie en menselijk kapitaal (1.4)

• Vitale markten en een ondernemende samenleving (1.5)

• Een excellent fysiek vestigingsklimaat (1.6)

1.4 Een uitmuntend klimaat voor innovatie en menselijk kapitaal

Randvoorwaarden

Voor de kenniseconomie is een efficiënt en grootscheeps gebruik van de ICT-infrastructuur een eerste voorwaarde. Het gaat er om in Nederland én in Europa een klimaat te scheppen waarin elektronische handel en internet tot volle wasdom kunnen komen. Om het ICT-potentieel van Nederland en de andere lidstaten volledig te benutten moeten randvoorwaarden in de sfeer van veiligheid, privacy en harmonisatie van technische standaarden verder verbeterd worden.

Met het actieplan «e-Europa» en het actieplan «Concurreren met ICT-competenties» zijn in Europees en nationaal verband additionele maatregelen genomen voor het verbeteren van de toegang, het gebruik en de uitbreiding van de ICT-infrastructuur, en de daarvoor benodigde kennis en vaardigheden bij burgers en bedrijven.

Voor m-commerce moeten de nieuwe mogelijkheden die de derde generatie mobiele telefonie (UMTS) bieden ten volle worden benut. Uiteraard onderschrijft Nederland de doelstelling van de Europese Raad eind 2001 de telecommunicatiemarkten volledig te integreren en te liberaliseren.

Een excellent innovatieklimaat

Om het vernieuwingsvermogen te vergroten stimuleert EZ bedrijven om te investeren in R&D en om innovatieve samenwerkingsverbanden aan te gaan met andere bedrijven en instellingen. Een aandachtspunt is en blijft het verbeteren van de aansluiting van het onderzoek in de publieke kennisinstellingen op de behoeften van het Nederlandse bedrijfsleven.

De grotere kennisdynamiek leidt er niet alleen toe dat kennis sneller wordt ontwikkeld, verworven en toegepast, maar ook dat kennis sneller veroudert; wordt ingehaald door nieuwe ontwikkelingen. Nederland moet dan ook beter gebruik maken van de mondiale kennisvoorraad en -productie. Daarom is het van groot belang ruimte te bieden aan kennisinnovatie en bij voortduring aandacht te schenken aan de absorptie en diffusie van kennis.

Een uitmuntend innovatieklimaat vereist extra investeringen in de komende jaren. In de eerste plaats om de opbouw en het gebruik van kennis te stimuleren. De komende 10 jaar wordt ruim NLG 1 miljard additioneel geïnvesteerd om de innovatiekracht van Nederland verder te versterken.

Menselijk kapitaal

De kenniseconomie is nadrukkelijk niet alleen een zaak van technologische ontwikkeling. Integendeel, de snelheid van technologische ontwikkelingen is afhankelijk van de kwaliteit en de beschikbaarheid van menselijk kapitaal. In Nederland is er tegelijk een overschot en een krapte op de arbeidsmarkt. Het onbenutte arbeidspotentieel biedt aanzienlijke kansen om de krapte te lenigen. Bovendien zijn er mogelijkheden de tekortkomingen van de arbeidsmarkt te ondervangen. Zie voor een verdere uitwerking van de beleidsvoornemens voor verbetering van het innovatieklimaat en het gebruik van menselijk kapitaal hoofdstuk 4.

1.5 Vitale markten en een ondernemende samenleving

Het optimaliseren van de werking van de arbeidsmarkt raakt ook aan het streven naar meer welvaart en welzijn. Op basis van gelijkwaardige kansen moeten burgers zelf keuzes kunnen maken, en zelf richting en invulling kunnen geven aan hun leven. De overheid moet burgers daartoe in staat stellen en – even belangrijk – maatschappelijke en institutionele barrières die dit streven in de weg staan, opruimen. Gedacht moet worden aan institutionele versperringen tussen uitkering en werk, tussen werknemerschap en ondernemerschap, tussen leren en werken, tussen werken in verschillende sectoren en tussen arbeid en zorg.

In een ondernemende samenleving met een hoge kennisdynamiek, kunnen instituties die in het verleden de economische activiteiten in goede banen leidde, nu wel degelijk barrières zijn. Het stimuleren van marktwerking en het inschakelen van de private sector bij publieke taken is geen beleidsdoel op zich. Het antwoord op deze ontwikkelingen ligt niet in een overheid die zélf steeds meer kennis verzamelt en gebruikt. Maar in een overheid die kennis mobiliseert en kanaliseert en geëmancipeerde burgers in de gelegenheid stelt zelf kennis aan te wenden. Voor een optimale wisselwerking tussen overheid en burgers dient de overheid overigens ook haar eigen kennisniveau voortdurend op peil te houden. Marktwerking betekent dan ook een herpositionering van het overheidsoptreden. De overheid ruimt barrières op en schept ruimte voor dynamiek. Dit alles om de burger keuzevrijheid, ondernemersvrijheid en ontplooiingsvrijheid te geven.

Het kabinet streeft naar een vergroting van de flexibiliteit en het vernieuwingsvermogen van de economie. Het voorkomen van onnodige bureaucratie, door bijvoorbeeld een verschuiving van specifieke naar meer algemene regelgeving en door verlaging van de administratieve lasten, blijft daarom een belangrijk onderdeel van het beleid. Maar ook de hervorming van de inkomstenbelasting en de daaruit voortvloeiende lastenverlichting verbeteren de werking van de arbeidsmarkt, het vestigingsklimaat en verruimen de mogelijkheden voor ondernemerschap.

In het licht van de economische dynamiek is het steeds de vraag of de overheid nog over passende instituties beschikt. In de kenniseconomie treedt een verschuiving op van tastbare, naar niet-tastbare, immateriële investeringen. De moderne kenniseconomie genereert ook nieuwe vormen van ondernemerschap. Aangezien immateriële investeringen en kennis aan belang winnen in de moderne kenniseconomie, wordt ondernemen risicovoller, omdat dit type investeringen minder tastbaar is en minder zekerheden vooraf kent. Deze ontwikkelingen vereisen een ondernemingsklimaat dat rekening houdt met en bevorderlijk is voor nieuwe, risicovolle bedrijvigheid.

De Europese context is daarbij steeds meer bepalend. Door de belemmeringen voor diensten weg te nemen, bestaande regels voor de interne markt te verbeteren (zoals de mededingingswetgeving en regels voor aanbesteden en staatssteun) en de liberalisering van netwerksectoren te versnellen, komt een vervolmaking van de interne markt dichterbij (zie hoofdstukken 2 en 3).

Als het gaat om het waarborgen van het publiek belang dan moet de overheid haar verantwoordelijkheid nemen. Niet met een monopolie op publieke goederen, maar met het scheppen en bewaken van omstandigheden waaronder het publieke belang wordt behartigd.

De introductie van concurrentie is pas dan aan de orde nadat de rechtszekerheid, rechtmatigheid en bescherming van zwakke groepen in de samenleving zijn vastgesteld en voldoende worden bewaakt. Zo is de liberalisering van markten in Nederland en overigens in de hele Unie, gepaard gegaan met een krachtigere toepassing van de mededingingswetgeving. Het heeft ook geleid tot een intensieve en noodzakelijke discussie over de rol en de taken van de overheid; over de vraag hoe de overheid maatschappelijke doelstellingen moet vormgeven en de burger zo goed mogelijk kan bedienen. Zie voor een verdere uitwerking van de beleidsvoornemens hoofdstuk 2.

1.6 Een excellent fysiek vestigingsklimaat

De vraag naar ruimte voor bedrijventerreinen zal niet afnemen door de ontwikkeling naar een kenniseconomie met de nadruk op ICT-toepassingen en diensten. Integendeel, naar verwachting is jaarlijks circa 1000 ha. extra nodig. Het kabinet moet kansen benutten om ruimte te creëren voor werk, wonen, mobiliteit en natuur. De vijfde nota ruimtelijke ordening zal hiervoor de kaders scheppen.

Het streven van EZ naar een duurzame ontwikkeling komt mede tot uitdrukking in het duurzame energiebeleid, dat zowel een nationale als een internationale component kent. De overheid heeft hier een aantal duidelijke taken variërend van een nieuwe verhoging van de regulerende energiebelasting, het formuleren van een markt voor duurzame energie, en het investeren in onderzoek. Een belangrijk onderdeel van beleid is de CO2-klimaatproblematiek, door de uitvoering van de uitvoeringsnota's klimaatbeleid 1 en 2. In 2002 wordt het klimaatbeleid geëvalueerd. Zie ook de hoofdstukken 5 en 6.

In het investeringsprogramma voor de ruimtelijke economische structuurversterking (Kamerstukken II, 1889/99, 25 017, nr. 11) is afgesproken dat het kabinet aan het einde van de regeringsperiode opnieuw een visie opstelt voor een lange-termijn investeringsstrategie. Op basis van een inventarisatie en analyse van knelpunten en uitdagingen zal nog door dit kabinet een vernieuwde investeringsstrategie worden opgesteld. Na een beoordeling van de voorstellen door de planbureaus zullen in overleg met ministeries en regio's consistente en integrale investeringspakketten worden samengesteld. Momenteel worden hiertoe de voorbereidingen getroffen, waarvoor de coördinatie in handen van EZ ligt. Een volgend kabinet kan hierover, ook in relatie tot andere maatschappelijke prioriteiten, definitieve besluiten nemen.

1.7 Nieuwe horizon voor de beleidsagenda

EZ voert beleid voor het ontwikkelen en benutten van talent en het op een duurzame manier inpassen van de economische ontwikkeling. Dat beleid is nooit «af». In het algemene deel van deze memorie van toelichting worden de nieuwe accenten in de EZ-beleidsagenda besproken. Maar voor een goed, structureel hervormingsbeleid reikt de horizon verder dan een begrotingsjaar of kabinetsperiode.

Naast het voortdurend aanpassen en vernieuwen van beleidsinstrumenten, wil EZ systematisch vooruitblikken naar de 21ste eeuw. Om te anticiperen op mogelijke, toekomstige veranderingen is het belangrijk het brede samenspel van ontwikkelingen als internationalisering, individualisering en informatisering te analyseren en de beleidsvragen die hieruit voortkomen te formuleren.

Op basis van een discussiestuk dat de Tweede Kamer in het najaar toekomt en de resultaten van een aantal werkgroepen, wordt in het voorjaar van 2001 een grote conferentie georganiseerd over economisch beleid en de mondiale, dynamische kenniseconomie.

1.8 Intensiveringen en nieuwe punten voor structureel hervormingsbeleid

Financieel totaaloverzicht intensiveringen in mln. NLG
Impuls2000–20052006–2010 (verpl.)2000 t/m 2010
1. ICT238238
2. Kennisontwikkeling is de basis!222294416
3. Kennis naar bedrijven262123374
4. Arbeid en Onderwijs133133
Totaal8543071 161

Stroomlijning

Met de stroomlijning van het EZ instrumentarium wordt beoogd de toegankelijkheid voor de gebruikers te verbeteren. Dat gebeurt enerzijds door het samenvoegen of integreren van een aantal verschillende regelingen terwijl ook de wijze waarop bijvoorbeeld subsidieaanvragen kunnen worden gedaan moet worden vergemakkelijkt.

Inmiddels zijn een aantal projecten gestart om daaraan invulling te geven, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de kennisdiffusie, kredietregelingen, het samenwerkingsinstrumentarium, het buitenlandinstrumentarium of de energieprogramma's. Ook wordt gewerkt aan de modernisering van de uitvoering. EZ is immers aan zichzelf als «ICT-ministerie» verplicht zo optimaal mogelijk gebruik te maken van zaken als het elektronisch aanbesteden, subsidieverlening via internet, maatwerk of het verstrekken van de meest up-to-date informatie.

Bij de verschillende relevante hoofdstukken is kort nader op ingegaan op de stand van zaken.

 
EZ beleid in 2001: voorbeelden van nieuw beleid voor structurele hervorming
Vitale marktenen een ondernemende samenleving(zie hoofdstuk 2)– Afronding ingezette stroomlijning instrumentarium – Versnelling liberalisering netwerksectoren (telecommunicatie, gas, elektriciteit etc.) – Verlaging administratieve lasten – Stimulering risicokapitaal – MDW-proces: nieuwe onderwerpen – herziening faillisementswet – kabinetsstandpunt SER-advies MVO
  
Internationalisering van markten en spelregels (zie hoofdstuk 3)– Vervolmaking en uitbreiding van de Europese markt – Na Seattle en verder – Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen – Stroomlijning buitenland instrumentarium – Economische versterking postennet
  
Een uitmuntend klimaat voor innovatie en menselijk kapitaal (zie hoofdstuk 4)– Digitale delta: waaronder: – Juridisch kader elektronische toepassingen – Uitwerking e-Europe – Overheid on line/ICT in publieke sector. – Benutting publieke kennispotentieel – Creatie van één Europese onderzoeksruimte – Vormgeving 6e kaderprogramma – Stimulans technostarters – Intensiveringen (zie tabel) – Afronding ingezette stroomlijning
  
Een excellent fysiek vestigingsklimaat(zie hoofdstuk 5)– Bedrijventerreinen, Vijno, TIPP, duurzame bedrijventerreinen – Milieu en economie: NMP4 – Economie in de regio: convenant, GSB, EU-structuurfondsen
  
Duurzame energievoorziening(zie hoofdstuk 6)– Stroomlijning – Strategische visies – Cop6 – Derde tranche REB – Maatregelen voor duurzaam – NLG 60 mln extra voor toepassing duurzame energie particulieren – Internaliseren energiebesparen

HOOFDSTUK 2 VITALE MARKTEN EN ONDERNEMENDE SAMENLEVING

2.1 Vitale markten

De ambitie om de meest welvarende en concurrerende regio in de Europese Unie te worden, kan niet gerealiseerd worden als het bevorderen van concurrentie niet boven aan de beleidsagenda blijft staan. Er is al veel bereikt, maar desondanks bestaat ook de komende jaren nog steeds de noodzaak van een stevig marktwerkingsbeleid, ook in Europees perspectief: het werken aan de interne markt zal nooit echt af zijn.

Door de introductie van de euro komen de verschillen in het economisch beleid van de lidstaten en de daaruit voortvloeiende problemen voor het functioneren van de interne markt scherper aan het daglicht. In de Cardiff-procedure moet blijvend aandacht worden besteed aan de vorderingen van de lidstaten op het gebied van de werking van product- en kapitaalmarkten. De Europese Raad van Stockholm in maart 2001 zal op basis hiervan weer verdere beleidsconclusies moeten trekken.

Naast de vervolmaking van de interne markt in Europa en meer in het algemeen de internationalisering is er nóg een aantal redenen om het marktwerkingsbeleid stevig op de agenda te houden. Technologische ontwikkelingen, een hogere kapitaalmobiliteit en individualisering hebben de afgelopen decennia de zienswijze over de taakopvatting en het functioneren van de overheid in relatie tot de markt geleidelijk veranderd.

Concurrentie is, anders dan de discussie rondom dit onderwerp soms doet geloven, geen doel op zich. Het is een middel dat zorgt voor meer innovatie, meer productiviteit in bedrijfsprocessen, meer werkgelegenheid, meer keuzevrijheid voor burgers en meer vrijheid voor ondernemerschap. Het marktwerkingsbeleid wordt niet gedreven door theoretische blauwdrukken, maar is pragmatisch van aard. De introductie van marktwerking is maatwerk, waar ruimte is voor sectorale verschillen.

Meer marktwerking betekent echter niet automatisch minder overheid. Het is geen wedstrijd tussen markt en overheid. De overheid krijgt een andere en sterkere rol.

Anders, omdat de overheid bepaalde goederen niet meer zelf produceert en omdat publiek eigendom via aandeelhouderschap onvoldoende sturingsmogelijkheden met zich meebrengt en bovendien tot een dubbele petten probleem leidt. Publieke belangen kunnen beter gediend worden door heldere regels en een strikt toezicht.

De juiste uitvoering van deze nieuwe kerntaken vragen om een sterkere overheid. Met het definiëren en vervolgens bewaken van de publieke belangen die in het geding zijn, laat de overheid de markt als het ware voor zich werken.

In de telecom- en energiesector zijn inmiddels de eerste vruchten geplukt van de liberalisering (meerdere aanbieders, lagere prijzen etc.). In de kabinetsnota «Publieke belangen en marktordening» (Kamerstukken II, 1999–2000, 27 018, nr. 1) zijn de ervaringen vertaald in een aantal uitgangspunten voor de liberalisering en privatisering in netwerksectoren. Die uitgangspunten worden gebruikt bij het doen van voorstellen voor de (her)ordening van netwerksectoren. De notitie over de kabelsector (Kamerstukken II, 1999/2000, 27 088, nr. 2) en de brief over een nieuwe relatie tussen de Staat en de Nederlandse Spoorwegen (Kamerstukken II, 1999/2000, 18 986, nr. 48) vormen hiervan voorbeelden.

Sinds het verschijnen van de nota «Publieke belangen en marktordening» zijn er verschillende adviezen aan de regering verschenen die een soortgelijk analysekader hanteren: het WRR-rapport «Het borgen van publiek belang», het jaarverslag van de Raad van State en het advies «Meer markt, andere overheid» van de Raad voor Verkeer en Waterstaat. Gemeenschappelijk daarin is het idee dat eerst publieke belangen moeten worden vastgesteld en pas daarna de marktordening kan worden vormgegeven. Of in de terminologie van het WRR-rapport: er is een verschil tussen de vraag «wat» een overheid wil bereiken (bijvoorbeeld goed openbaar vervoer, schoon water) en «hoe» zij dat wil bereiken (hoe kan de realisatie van het publieke belang het best worden verdeeld over de overheids- en de marktsector).

Voortbouwend op deze adviezen en ervaringen uit het verleden zal de overheid de komende jaren nieuwe kennis en expertise moeten ontwikkelen om de andere en sterkere rol te vervullen. Er staan diverse met het parlement afgesproken evaluaties van wetgeving op dit gebied op het programma. Zo wordt de Nederlandse Mededingingswet geëvalueerd in 2001.

Van belang is dat de markt voor «utilities» (gas, water, elektriciteit, telecom) sterk in beweging is. De bedrijven in deze sectoren ontwikkelen uiteenlopende combinaties van diensten. Voor de ontplooiingsmogelijkheden en het behoud van de dynamiek in deze sectoren – mogelijk in de richting van multi-utilities – is het dan ook essentieel dat er zoveel mogelijk uniformiteit in regelgeving tussen deze sectoren wordt gecreëerd. Bij de aanstaande evaluaties zal dit een aandachtspunt zijn.

Wat de ordening van netwerksectoren betreft gaat het om de evaluaties van de Elektriciteitswet, de Gaswet, de Wet personenvervoer en de telecommunicatiewetgeving. De evaluatiecriteria voor deze wetgeving zullen onder andere aan de nota «Publieke belangen en Marktordening» worden ontleend.

Markt en bedrijf

Bij het waarborgen van publieke belangen is de rol van de mededingingstoezichthouder cruciaal. Het mededingingsbeleid beoogt via een krachtige, algemeen werkende Mededingingswet en een stevige uitvoering door de NMa zorg te dragen voor het bewaken van algemene of bijzondere normen waaraan marktpartijen zijn gebonden. De regeringsleiders hebben op de Lissabon-top de lidstaten opgeroepen om hun inspanningen voort te zetten om de mededinging te bevorderen. Een voortdurend onderhoud en bewaking (van de uitvoering) is nodig.

Waar het publieke belang om regels vraagt, moet de eventuele belemmerende werking van deze regels tot een minimum worden beperkt. Daarom wordt de Vestigingswet uiterlijk per 1 januari 2006 ingetrokken. In aanloop daartoe zal EZ per 1 januari 2001 het Vestigingsbesluit, waarin de eisen staan vermeld, wijzigen. Alleen die aspecten die betrekking hebben op gezondheid, veiligheid en milieu blijven gehandhaafd. Tegelijkertijd inventariseert EZ of de eisen die op deze aspecten betrekking hebben reeds voldoende in andere, specifieke, wetgeving worden gewaarborgd. De betreffende ministeries zullen die wetgeving aanpassen indien dit niet het geval blijkt te zijn.

Grensoverschrijdende belemmeringen van handel in diensten en goederen kunnen bedrijven voorleggen aan de nationale klachtenloketten. EZ geeft daarbij invulling aan het Nederlandse «Contact Point for Business». Aan de totstandkoming en het functioneren van een beoogd EU-netwerk van dit soort loketten wordt in 2001 de nodige aandacht besteed. In concreto wordt gewerkt aan een gedragscode voor deze loketten. Hiermee wordt bevorderd dat bedrijven waar dan ook in de EU op een enigszins vergelijkbare wijze worden geholpen. Ook is het de bedoeling dat de loketten gaan werken met databases waarin zij de ingekomen klachten opslaan en categoriseren. Ook op die manier wordt informatie verzameld over het functioneren van (het wettelijke kader van) markten en wordt een bijdrage geleverd aan de strategie voor het verder verbeteren van de interne markt. Samen met de Commissie en enkele lidstaten vervult EZ hierbij namens Nederland een voortrekkersrol.

Op het gebied van kapitaalstromen kan nog een aantal verbeteringen worden doorgevoerd, ofschoon de kapitaalmarkt in het kader van de interne markt is geliberaliseerd. Er zijn richtlijnen en voorstellen voorzien om de kapitaalmarkt transparanter te maken, bijvoorbeeld voor prospectussen en boekhoudregels.

Krachtens de nieuwe wet op de Kamers van Koophandel, die op 1 januari 1998 in werking trad dient EZ uiterlijk eind 2001 aan de Tweede Kamer verslag te doen van de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk. Bij deze evaluatie moet in verband met de motie-Remkes (Kamerstukken II, 1996/1997, 25 029 nr. 27) onder andere ook de vraag naar de wenselijkheid van de publiekrechtelijke status van de Kamers aan de orde worden gesteld.

Markt en burger

De Europese Commissie heeft een aantal voorstellen gedaan, waardoor de keuzevrijheid van burgers groter wordt. Dit geldt bij uitstek voor de regelgeving voor elektronische handel via internet. Voor de financiële diensten heeft de Europese Commissie een actieplan opgesteld om te komen tot betere regelgeving, waarbij een Europese richtlijn is voorzien rond 2005. Ook wat betreft de liberalisering van de postdiensten, het vervoer en het luchtruim zal Nederland er, in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van Lissabon, bij de Commissie op aandringen snel met voorstellen te komen. EZ acht het van groot belang dat daadwerkelijke vooruitgang kan worden gemeld op het moment dat de Commissie haar verslag uitbrengt aan de Europese Raad onder Zweeds voorzitterschap in 2001, over de voortgang van liberalisering van gas, elektriciteit, water, postdiensten en vervoer.

De burger speelt als consument een centrale rol op markten. Het consumentenbeleid richt zich in algemene zin op het functioneren van de markt vanuit het perspectief van de consument als eindgebruiker en als actor in het economisch proces. Knelpunten hebben aanleiding gegeven tot overheidsoptreden op Europees en nationaal niveau, in de vorm van randvoorwaarden, door het stimuleren van zelfregulering, of door regelgevend optreden. Het consumentenbeleid kan niet stil staan. De consument is een kritische en actieve marktdeelnemer in een veranderende omgeving, op nieuwe geliberaliseerde markten en op door ICT vernieuwde markten. De staatssecretaris van Economische Zaken stuurt in 2001 een beleidsnota naar de Tweede Kamer, waarin hij zijn visie zal geven op het moderne consumentenbeleid.

Markt en overheid

De andere en sterkere rol voor de overheid heeft ook consequenties voor de overheid in de rol van ondernemer. Op basis van de ervaringen met het Cohen-kader, de implementatie van de «Aanwijzingen voor de Rijksdienst» en het advies van de SER, wordt momenteel gewerkt aan de wet Markt & Overheid. De inwerkingtreding wordt voorzien per 1 juli 2002.

Doel van wet Markt & Overheid is:

• het bevorderen van een afgewogen en heldere besluitvorming bij het verrichten van marktactiviteiten door overheden, of bij oprichting van overheidsbedrijven door het stellen van toetredingsregels;

• het creëren van een gelijker speelveld op de markt tussen het bedrijfsleven en overheden of ondernemingen met een band met de overheid in de vorm van het stellen van gedragsregels en handhaving daarvan;

• het laten meewegen van de belangen van potentieel gedupeerde ondernemers bij besluitvorming over marktactiviteiten en daarmee hun beroepsmogelijkheid versterken;

Overheden die inkopen en aanbesteden moeten Europese regels in acht nemen. Deze verplichting dwingt overheden op een transparante, objectieve en eerlijke wijze producten en diensten op de markt te verwerven. Bovendien toont zowel onderzoek als ervaring keer op keer aan dat het in concurrentie aanbesteden de overheden kosten bespaart.

De Europese Raad verzoekt de lidstaten om de recente voorstellen voor de modernisering van overheidsopdrachten (vereenvoudiging en lagere administratieve lasten) tijdig te implementeren (inwerkingtreding in 2002) en maatregelen te nemen om in 2003 alle nationale aanbestedingen «on line» te laten plaatsvinden. Aan beide verzoeken wordt voldaan met het Actieplan «Professioneel inkopen en aanbesteden» (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 966 nr. 1). Onder de gezamenlijk noemer «Professioneel inkopen en aanbesteden» richten de acties zich op naleving van de Europese aanbestedingsregels en op meer elektronisch en innovatief aanbesteden (zie ook bijlage 14).

De Stuurgroep Professioneel Inkopen en Aanbesteden en een kleine interdepartementale projectorganisatie gaan het Actieplan uitvoeren. Daarvoor is NLG 25 miljoen gereserveerd in de periode 2000–2002.

2.2 Liberalisering van de energiemarkt en versnelde liberalisering

EZ geeft inhoud aan het besluit van de Europese Raad van Lissabon om de liberalisering te bespoedigen in sectoren als bijvoorbeeld gas en elektriciteit. De hoofdlijnen voor de liberalisering van de energiemarkt zijn door de Gaswet en de Elektriciteitswet vastgesteld. Uitgangspunt is het realiseren van keuzevrijheid voor afnemers van groene stroom in 2001; voor de afnemers van gas en elektriciteit uit de middengroep op 1 januari 2002 en voor klein-verbruikers per 1 januari 2004, of zoveel eerder in 2003 als dit haalbaar blijkt. Voorafgaand aan deze laatste stap vindt een evaluatie van de situatie op de energiemarkt plaats. In overleg met het Parlement zal vervolgens worden bepaald wanneer de energiemarkt volledig vrij wordt.

Om de (versnelde) opening van de elektriciteitsmarkt en gasmarkt goed te laten verlopen is in juni 2000 een breed samengesteld platform in het leven geroepen om oplossingen te vinden voor technische en organisatorische vraagstukken en deze in te voeren. Ook het vraagstuk van de consumentenbescherming staat op de agenda van dit platform. De Tweede Kamer zal tweemaal per jaar worden geïnformeerd over de voortgang.

Markt voor groencertificaten

In het Energierapport (Kamerstukken II, 1999–2000, 26 898, nrs. 1–2) is de uitwerking aangekondigd van een vrijwillig systeem van groencertificaten per 2001. Zo'n systeem zou mogelijk bij kunnen dragen aan het creëren van een transparante en goed werkende vrije markt voor duurzame energie. Een groencertificaat zou de afnemer de garantie moeten bieden dat de gekochte energie uit duurzame bronnen is opgewekt. Streven is op korte termijn duidelijkheid te hebben over de mogelijkheden en wenselijkheid van een dergelijk systeem.

Toezicht in overgangssituatie

Als kamer van de NMa krijgt de Dienst uitvoering en Toezicht Energie (DTe) nu ook toezicht- en controletaken op het gebied van gas toegewezen. In de overgangsperiode, wanneer nog niet alle afnemers vrij zijn zal de nadruk van het toezicht liggen op een juiste uitvoering en naleving van de Elektriciteitswet en de Gaswet. Met het oog op de tarieven voor 2001 zullen er voor het eerst efficiencykortingen aan elektriciteitsbedrijven worden opgelegd. Dit zal een positieve bijdrage leveren aan de wens dat de voordelen van de liberalisering door middel van tariefsverlaging bij alle verbruikers terechtkomen.

Gelijk speelveld

Het onderzoek naar het gelijk speelveld op de Europese energiemarkt is gereed. Ten opzichte van andere Europese lidstaten scoort Nederland goed wat betreft de liberalisering van de elektriciteitsmarkt. Wat betreft de gasmarkt krijgt Nederland een onvoldoende. Met het aannemen van de Gaswet door de Staten-Generaal zet Nederland ook daar een belangrijke stap naar een geliberaliseerde markt. Wat betreft het tempo en de wijze van implementatie van liberalisering laat het rapport grote verschillen zien tussen de EU-lidstaten. Verdere harmonisatie en versnelling van het liberalisatieproces op Europees niveau zijn noodzakelijk. Europa zit dan ook niet stil. Over het slechten van belemmeringen voor grensoverschrijdende handel vindt meerdere malen per jaar overleg plaats tussen marktpartijen, toezichthouders en overheden in Florence (elektriciteit) en Madrid (gas). De Commissie zal in het najaar van 2000 een mededeling uitbrengen over versnelling van de liberalisering van de energiemarkt. Het kabinet zet er op in dat begin 2001 daadwerkelijk concrete voorstellen worden voorgelegd aan de Europese Raad van Stockholm

Privatisering

Om aan de zorgen van de Tweede Kamer over privatisering van regionale energiebedrijven tegemoet te komen, zijn in een brief aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 1999/2000, 25 097, nr. 37) nadere voorwaarden gesteld met betrekking tot de instemming van de Minister van Economische Zaken met privatiseringsverzoeken. Crux van de brief is dat het vervreemden van aandelen buiten de kring van de bestaande aandeelhouders wordt toegestaan, indien binnen het energiebedrijf het netbedrijf onafhankelijk is gepositioneerd en het toezicht op de naleving van de Gas- en Elektriciteitswet adequaat is. De onafhankelijke positionering van het netbedrijf is in beleidsregels nader uitgewerkt. Bij vervreemding voor 1 januari 2003 moet de zeggenschap over het netbeheer in publieke handen blijven.

Niet-marktconforme kosten

Het voorstel van de Overgangswet elektriciteitsproductiesector – gebaseerd op het advies van de commissie herstructurering elektriciteitsproductiesector (Commissie Herkströter) – stelt de verdelingsregeling vast en regelt de financiële compensatie voor bepaalde onderdelen van de niet-marktconforme kosten. Het wetsvoorstel regelt verder een aanscherping van de onafhankelijkheidseisen aan en de verwerving van een aandelenbelang in de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Bij inwerkingtreding van deze wet in 2001 valt de bestaande Overeenkomst van Samenwerking onder de werking van de mededingingswet.

Precario

Tijdens de behandeling van de Elektriciteitswet is aan de orde gekomen of Precario kan worden afgeschaft analoog aan de telecomsector. Na rijp beraad, met inbegrip van extern onderzoek en overleg met betrokkenen, is de conclusie getrokken dat dit niet het geval kan zijn. De kosten van het verleggen van elektriciteitskabels en gas- en warmteleidingen zijn vele malen hoger dan bij telecomkabels. Verleggingskosten kunnen de kosten van Precario aanzienlijk overstijgen. «Liggen om niet, verleggen om niet» analoog aan de telecomsector is derhalve geen optie.

Overheid en een geliberaliseerde energiemarkt

Ook in een geliberaliseerde markt vraagt een aantal taken een belangrijke rol van de overheid, zoals het oliecrisisbeleid, het bewaken van het mijnbouwklimaat, of het beleid voor een duurzame energievoorziening (zie hoofdstuk 6).

Bij het vernieuwen van het oliecrisisbeleid neemt EZ als uitgangspunt het advies van de Algemene Energieraad (oktober 1998). In het voorjaar van 2000 heeft de Tweede Kamer een brief ontvangen (Kamerstukken II, 1999/2000, 23 531, nr. 3) met voorstellen voor de herziening.

Uitgangspunt is dat in oliecrisistijden de allocatie van de schaarser geworden olieproducten beter kan verlopen via het marktmechanisme dan via rantsoeneringssystemen. Het voorstel van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001 is aan het parlement aangeboden (Kamerstukken II, 1999/2000, 27 170, nrs. 1–2). Voor de invulling van onze internationale verplichtingen is één van de belangrijkste uitgangspunten om meer gebruik te maken van de bij het bedrijfsleven aanwezige olievoorraden. Inwerkingtreding van de nieuwe wet is voorzien per 1 april 2001.

Ter verbetering van het Nederlandse mijnbouwklimaat is in mei 2000 aangekondigd de financiële voorwaarden aan vergunningen voor de opsporing en winning van koolwaterstoffen op het Nederlandse deel van het continentaal plat met ruim 100 miljoen gulden per jaar te verruimen1. Op termijn wordt een positief resultaat voor de Nederlandse gasreserveontwikkeling verwacht.

2.3 Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW)

Het MDW-proces levert al zeven jaar een belangrijke bijdrage aan het beleid van structurele hervorming en aan het vergroten van de economische dynamiek in Nederland. MDW strekt zich uit van zuivere marktsectoren, zoals bijvoorbeeld de makelaars of advocatuur, naar institutionele vernieuwingen in traditionele (semi-) publieke sectoren zoals volkshuisvesting, gezondheidszorg of onderwijs. Stelselmatig lichten MDW-werkgroepen bepaalde onderwerpen door en doen aanbevelingen voor vernieuwing. Naast het doorlichten van bestaande wet- en regelgeving en de status quo op bepaalde terreinen wordt in het kader van het MDW-proces ook aandacht besteed aan de aanwas van nieuwe wet- en regelgeving. De effecten op betrokken bedrijven, het milieu en het handhavingsapparaat worden nauwkeurig in beeld gebracht. Deze gegevens kunnen een rol spelen bij de keuzes die worden gemaakt ten aanzien van deze wet- en regelgeving.

In 2000 heeft de MDW werkgroep Woningbouwcorporaties de publieke taak van de woningbouwcorporaties opnieuw bekeken. De aanbevelingen van deze werkgroep hebben een belangrijke rol gespeeld bij de Nota Wonen die in mei 2000 is verschenen.

In hetzelfde jaar heeft de MDW werkgroep Geneesmiddelen in het kader van een brede heroverweging van de geneesmiddelenmarkt, een fors deregulerings- en instrumenteringsprogramma voorgesteld om de rol van zorgverzekeraars in de geneesmiddelenmarkt te versterken.

In september 2000 starten acht nieuwe projecten. De werkgroepen zullen in de loop van 2001 met hun aanbevelingen komen. In het najaar van 2001 start vervolgens de vierde tranche MDW-projecten van deze kabinetsperiode.

Evenals de voorgaande MDW-II projecten passen de acht nieuwe projecten binnen drie thema's van het Regeerakkoord: bevordering van de kwaliteit van de publieke dienstverlening, bevordering van de kwaliteit van de wetgeving en bevordering van economische dynamiek en vernieuwing. In september 2000 gaan van start:

– Toetredingsbelemmeringen medische beroepen

– Vouchers en persoonsgebonden budgetten

– Doelmatigheid van de scholingsmarkt

– Servicegerichte overheid

– Plantaardig uitgangsmateriaal (Zaaizaad- en plantgoedwet)

– Stroomlijning activiteiten toezichthouders en inspectiediensten

– Particuliere dienstverlening

– Buisleidingconcessies

Naast het starten en afronden van projecten wordt het MDW proces zélf ook voortdurend aangepast, met name op de punten klantgerichtheid, betrokkenheid van het veld, transparantie en snelheid. Ook in 2001 wordt een analyse van de kosten en baten van de diverse MDW-projecten en een MDW-jaarbericht gepresenteerd waarin beschreven staat wat MDW in gang heeft gezet in die bepaalde periode.

De implementatie van projecten blijft een van de voortdurende aandachtspunten van het MDW-proces. Het kabinet streeft ernaar de MDW-I projecten nog deze kabinetsperiode te implementeren. Eind 2001 zullen naar verwachting 31 van de 36 MDW-I projecten zijn geïmplementeerd. Tien daarvan zullen in het jaar 2001 op de rol staan. Uiteraard zullen in 2001 ook 16 MDW-II projecten zich bevinden in een implementatietraject.

Vanaf 2001 wordt een andere structuur voor de benzinemarkt langs de snelweg geïntroduceerd als resultaat van het akkoord met de benzinebranche over een alternatieve route voor de MDW-aanpak Benzinemarkt. Hierbij leveren de grootste partijen tot en met 2003 vijftig locaties in en worden alle benzinevergunningen in een veilingschema geplaatst. Daarbij zullen langs de snelweg onbemande stations met een beperkt brandstoffenassortiment worden toegestaan. Ter vergroting van de markttransparantie zullen langs de snelwegen ook informatieborden met benzineprijzen verschijnen. Met dit alles zullen meer partijen een reële kans op toegang tot dit deel van de benzinemarkt krijgen, terwijl de consument van de verhevigde concurrentie kan profiteren. Voor de benzinemarkt buiten de snelweg stimuleert het kabinet een soortgelijke aanpak.

2.4 Nieuw en vernieuwend ondernemerschap

Tijdens de Europese Raad van Lissabon is geconcludeerd dat het concurrentievermogen en de dynamiek van bedrijven direct afhangt van het regelgevend klimaat: voor het Midden- en kleinbedrijf (MKB) moet Europees en nationaal bijzondere aandacht worden besteed aan de gevolgen van voorgestelde regelingen en de kosten van naleving, alsmede de wisselwerking met financiële markten, onderwijs- en opleidingsinstellingen, adviescentra en technologische markten. Dit kan door middel van benchmarking, een meerjarenprogramma of het opstellen van een Europees handvest. De conclusies van Lissabon onderstrepen aldus het Nederlandse beleid voor het scheppen van een goed (techno) startersklimaat.

Tijdens de Europese Raad van Feira werd het handvest MKB aangenomen. In het Europees Handvest voor kleine bedrijven wordt nog eens extra de nadruk gevestigd op het feit dat kleine bedrijven moeten worden beschouwd als de drijvende kracht achter de innovatie, de werkgelegenheid en de sociale en lokale integratie in Europa. In het Handvest wordt een aantal actielijnen genoemd die zijn gericht op kleine bedrijven. Ook hier wordt bijzondere aandacht gevraagd voor het belang van onderwijs en ondernemerschap, betere wet- en regelgeving en vermindering van administratieve lasten. Zowel de conclusies van de Europese Raden van Lissabon en Feira als de actielijnen van het Handvest onderstrepen aldus het Nederlands beleid voor een goed ondernemersklimaat (zie ook 3.1).

De activiteiten van de Commissie Slechte hebben een belangrijke impuls gegeven aan het Kabinetsbeleid om de administratieve lasten structureel te verlagen. Inmiddels is de infrastructuur om de reductie tot stand te brengen gereed. Deze bestaat uit drie kernactiviteiten: het onafhankelijke externe orgaan Adviescollege Toetsing Administratieve Lasten (ACTAL), een actieprogramma per ministerie gericht op bestaande regelgeving, en het ontwikkelen van een ICT-groeimodel.

Om de meest concurrerende regio te worden is een ondernemende samenleving onontbeerlijk. Zonder nieuwe ondernemers geen vernieuwende economie! Het in de gelijknamige nota (Kamerstukken II, 1998/1999, 26 736, nr. 1) neergezette beleid moet dus met kracht worden voortgezet.

Bevordering van het ondernemerschap in Nederland is gediend met meer aandacht hiervoor in het onderwijs. De commissie Ondernemerschap en Onderwijs1 maakt op basis van pilotprojecten, best-practices en expertmeetings de eerste winst- en knelpunten zichtbaar. De eerste expertmeetings zijn gestart in de zomer 2000 en worden de rest van het jaar 2000 voortgezet. De commissie komt in het najaar van 2000 met voorstellen voor financiële ondersteuning van grote en kleine projecten.

EZ zal begin 2001 voor het hoger technisch onderwijs een bundel samenstellen met «best-practices» van initiatieven op het terrein van technostarters waarmee de onderwijsinstellingen het ondernemerschap kunnen stimuleren.

Snelle groeiers verdienen specifieke aandacht. De snelst groeiende bedrijven in Nederland hebben circa de helft van de bruto banencreatie voor hun rekening genomen. Zij prikkelen de concurrentie en dagen uit tot vernieuwing. Hun eigenschappen laten dat zien:

• ze besteden aan ontwikkeling van nieuwe producten bijna 40% meer dan langzame groeiers;

• ze lopen voorop in het gebruik van nieuwe technieken;

• ze investeren fors in menselijk kapitaal;

• ze besteden 70% meer tijd aan personeelsopleidingen dan minder snelle groeiers.

Snelle groeiers hebben een belangrijke aanjaagfunctie voor de vernieuwende economie. Een snelle groeier word je niet zomaar, daarom stimuleert EZ coaching en netwerkvorming (GrowthPlus en VNO-NCW). Snelgroeiende ondernemingen kunnen hierdoor gebruik maken van de ervaringen en kennis van andere snelle groeiers. Ook wordt het Syntens-programma «Maak Kennis Met» meer gericht op snelle groeiers. Tot slot bestaat het voornemen om voor snelle groeiers «masterclasses» te organiseren.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Ondernemers besteden steeds meer aandacht aan de maatschappelijk consequenties van hun bedrijfsvoering. In aansluiting op de kernactiviteiten van hun onderneming onderhouden bedrijven contacten met maatschappelijke organisaties en voeren concrete projecten uit op dit gebied. Het kabinet acht het noodzakelijk dat er meer inzicht komt in de betekenis en de rollen van overheden en bedrijven op het gebied van «maatschappelijk ondernemen». Daarom is aan de SER gevraagd hierover advies uit te brengen. EZ zal een coördinerende rol vervullen bij de voorbereiding van het kabinetsstandpunt over dit advies. Internationaal zijn de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen over maatschappelijk verantwoord ondernemen van juni 2000 van betekenis (zie 3.2).

Etnisch en vrouwelijk ondernemerschap

Op het terrein van etnisch en vrouwelijk ondernemerschap is nogal wat in gang gezet. Bij het thema etnisch ondernemerschap is gekozen voor een lokale maatwerkaanpak, waarbij steden het voortouw hebben. De steden werken hun meerjarige ontwikkelingsprogramma's in het kader van het grotestedenbeleid uit tot actieplannen, nemen de uitvoering ter hand en monitoren zelf hun resultaten. Daarnaast zal met de steden overleg plaatsvinden of het etnisch ondernemerschap als element kan worden toegevoegd aan de EZ-benchmark over gemeentelijk ondernemersklimaat, zodat op termijn beleidsresultaten kunnen worden gemeten. De integratiemonitor, een breder onderzoek, volgt met name de stijging of daling van het aantal etnische ondernemers. De uitkomsten van deze monitor zullen met ingang van 2000 tweejaarlijks aan de Tweede Kamer worden gerapporteerd. Over lopende acties in het kader van het etnisch ondernemerschap wordt de Tweede Kamer, mede in verband met toezeggingen van de Staatssecretaris van Economische Zaken terzake, afzonderlijk geïnformeerd. De brief zal onder andere ingaan op de evaluatie van het MOTOR-project en de stand van zaken van het overleg met de grote steden over het hanteren van meetbare beleidsdoelstellingen. Onderzoek1 wijst uit dat het goed gaat met vrouwelijk ondernemerschap in Nederland. Het aantal vrouwelijke starters groeit gestaag. Het is van belang dat die trend doorzet. Momenteel worden twee onderzoeken uitgevoerd: een ondernemerschapsmonitor met vragen op het terrein van vrouwelijk ondernemerschap, en in het kader van het starterscohort een vergelijkend onderzoek naar mannelijke en vrouwelijke snelle groeiers. Verder zal er dit najaar een congres voor vrouwelijke ondernemers worden gehouden.

HOOFDSTUK 3 INTERNATIONALISERING VAN MARKTEN EN SPELREGELS

3.1 Vervolmaken en uitbreiden van de Europese interne markt

Vervolmaken van de interne markt

De Europese interne markt begunstigt duurzame economische groei en werkgelegenheid. Er is echter nog veel te doen om de interne markt beter te laten functioneren. Een goed functionerende interne markt draagt bij aan de verdere versterking van het concurrentievermogen van de EU in de wereldeconomie. Belemmeringen die een dynamisch ondernemingsklimaat in de weg staan, moeten zoveel mogelijk weggewerkt worden. De Europese Commissie heeft goede concrete voorstellen gedaan, zoals beschreven in paragraaf 2.1. Bij de voorbereiding van de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad van Stockholm in maart 2001 is het van belang op dit terrein voortgang te boeken.

Belangrijk zijn structurele economische hervormingen van de markten voor goederen, diensten en kapitaal. De jaarlijkse analyse van de verslagen van de lidstaten en van de Europese Commissie over het functioneren van deze markten (het zogenoemde «Cardiff-proces») levert nuttige informatie op over terreinen waar verbeteringen nodig zijn. De micro-economische monitoring van de interne markt brengt belemmeringen voor het creëren van een dynamischer ondernemingsklimaat in kaart. Op deze manier zijn de Commissie en de lidstaten in staat hun strategie voor het vervolmaken van de interne markt concreet inhoud te geven.

Voor een consistente benadering van het economisch structuurbeleid, gericht op innovatie en groei, als nieuwe fase van de verdere vervolmaking van de interne markt, is samenvoeging van de Raad Interne Markt en de Industrieraad tot een «Competitiveness Council» onverminderd actueel. Nu deze samenvoeging tot op heden niet haalbaar is gebleken, is het zaak deze in 2001 bij de evaluatie van het EU-stelsel van Raden opnieuw aan de orde te stellen.

Bij de verdere uitwerking en beoordeling van het omvangrijke wettelijke en administratieve kader van de interne markt ligt een steeds zwaarder accent op effectbeoordeling van nieuwe wetgeving, alternatieven voor regelgeving, uitwisseling van nationale «best practices» en de verbetering van de interactie met burgers en bedrijven. EZ steunt de Commissie in haar streven het SLIM (Simplification Legislation Internal Market)-proces te verbeteren. Met SLIM worden bestaande EU-regels doorgelicht en getoetst op mogelijkheden voor vereenvoudiging. EZ hecht groot belang aan de bespreking van een nieuwe tranche vereenvoudigingsvoorstellen in 2001.

Directe feed back uit de markt krijgen de Commissie en de lidstaten via de nationale klachtenloketten waar bedrijven belemmeringen kunnen voorleggen die zij hebben ontmoet op de interne markt. EZ herbergt het Nederlandse «Contact Point for Business». Aan het EU-netwerk van dit soort loketten zal in 2001 de nodige aandacht worden besteed, onder meer via een Europese gedragscode. Oogmerk is dat bedrijven overal in de EU op een enigszins vergelijkbare wijze worden geholpen. Samen met de Commissie en enkele lidstaten vervult EZ hierbij namens Nederland een voortrekkersrol.

Terugkoppeling uit de markt maakt duidelijk of en welke wetgevingsinitiatieven noodzakelijk zijn. EZ is van mening dat in de komende tijd prioriteit moet worden gegeven aan onderzoek ten aanzien van wetgeving met betrekking tot de informatiemaatschappij, diensten in het algemeen, overheidsopdrachten (zie ook hoofdstuk 2) en het Gemeenschapsoctrooi.

Belangrijk aandachtspunt blijft het wegwerken van technische handelsbelemmeringen. Daarvoor is echter lang niet altijd nieuwe wetgeving nodig. Belangrijk daarvoor is de inspanningsverplichting die op de lidstaten rust om de wederzijdse erkenning van elkaars nationale producteisen te verbeteren. Op initiatief van EZ zal de bekendheid met dit beginsel in Nederland worden vergroot. Hiertoe zal door alle betrokken partijen (zowel de diverse ministeries en de onder hen ressorterende uitvoeringsorganisaties als belangenorganisaties van het bedrijfsleven) prominent aandacht moeten worden geschonken aan dit beginsel.

Het Single Market Scoreboard van de Commissie, waarmee de stand van zaken bij de marktintegratie wordt weergegeven, moet anno 2001 niet alleen kwantitatieve gegevens bevatten over bijvoorbeeld het aantal omgezette EU-richtlijnen per lidstaat. Het Scoreboard moet ook kwalitatieve informatie gaan bevatten, bijvoorbeeld over de prijsconvergentie in de EU. EZ zal plannen van de Commissie in deze richting ondersteunen, met name als het gaat om de uitbouw van het Scoreboard als instrument van peer pressure.

Uitbreiding

De interne markt is de economische spil van de Europese integratie. De toekomstige uitbreiding van de EU mag het functioneren van de interne markt niet hinderen. Met het oog op de uitbreiding staat de Unie voor de opgave interne hervormingen door te voeren en besluitvormingsprocedures te stroomlijnen. De Europese Raad in Nice in december 2000 moet daarover besluiten nemen.

Het tempo van uitbreiding wordt bepaald door de voortgang die kandidaat-lidstaten boeken met het overnemen en implementeren van het EU-acquis. Een goede monitoring van de gerealiseerde voortgang is dan ook noodzakelijk. De thans in ontwikkeling zijnde scoreboards van de Commissie moeten een objectieve weergave van de vorderingen in de kandidaat-lidstaten geven en zullen een belangrijke rol bij de monitoring spelen. In het najaar van 2000 komt de Europese Commissie met de Progress Reports met daarin de nieuwste gegevens op basis waarvan meer duidelijkheid kan worden verkregen over de stand van voorbereidingen voor toetreding in de kandidaat-lidstaten. De regering hoopt dat dit najaar aan de hand van de nieuwe voortgangsrapportages van de Commissie, een goed totaaloverzicht bestaat van de werkelijke stand van zaken in de kandidaat-lidstaten, zodat het opstellen van een kalender of tijdpad voor het verdere verloop van de onderhandelingen mogelijk zal zijn. De voortgang hierbij zal overigens wel nauwgezet gemonitord moeten worden met behulp van de genoemde monitoringinstrumenten. In bepaalde gevallen kunnen onder voorwaarden overgangsperioden worden overwogen.

Naast een versnelling en uitbreiding is nu ook een begin gemaakt met een verdieping van het onderhandelingsproces. Dat wil zeggen dat er meer inhoud gebracht wordt in de onderhandelingshoofdstukken. In het onderhandelingsproces legt EZ nadruk op de zwaartepunten van het interne-marktacquis. Omdat juist op die punten problemen te verwachten zijn, is het beperken van het risico van het niet goed functioneren van de interne markt richtinggevend voor het beleid van EZ. Dit houdt in dat EZ een snelle, maar haalbare, toetreding stimuleert, en tegelijkertijd een gelijk speelveld voor het Nederlandse bedrijfsleven waarborgt en de fragmentatie van de interne markt, onder andere door grenscontroles, tot een minimum beperkt. Ook de kandidaat-lidstaten hebben hier belang bij. EZ stelt zich op het standpunt dat toetreding de goede werking van de interne markt van de huidige 15 lidstaten, niet negatief mag beïnvloeden.

Met het oog op een soepele toetreding zijn onderlinge samenwerking en wederzijds vertrouwen essentieel. De «pre-accessie»-steun aan toetreders speelt daarbij een bijzondere rol. Bij de assistentie aan kandidaat-lidstaten levert EZ een bijdrage aan de pre-accessie instrumenten van de EU: PHARE, PHARE twinning en TAIEX. Daarnaast verleent EZ bilaterale steun met het PSO Pre-accessie Programma. Dit programma richt zich op het versterken van de (economische) instituties in betrokken landen. Bij het proces van overname en implementatie van het acquis lopen kandidaat-lidstaten tegen beleidsmatige en organisatorische problemen aan. In het eigen land is niet altijd een oplossing voor handen. In de PSO-projecten wordt daarom onder meer (Nederlandse) ambtelijke expertise ter beschikking gesteld. Het programma draagt ook bij aan de intensivering van de bilaterale relaties; belangrijk vanwege de toekomstige alliantievorming binnen een uitgebreide Unie.

3.2 Uitbreiden en versterken van het multilaterale handels- en investeringssysteem

De Nederlandse economie heeft baat bij een open handelsstelsel dat gebaseerd is op multilaterale spelregels. Het kabinet blijft zich dan ook inzetten voor de verdere afbraak van handelsbarrières en voor meer marktwerking in het internationale economische verkeer.

Tegelijkertijd is het kabinet zich ervan bewust dat er burgers zijn die vraagtekens plaatsen bij het proces van voortschrijdende economische liberalisering en globalisering. Bijvoorbeeld omdat men soms de WTO en andere instellingen verantwoordelijk houdt voor negatieve aspecten die in verband worden gebracht met het proces van economische globalisering, zoals milieuschade, uitbuiting van arbeid, dierenleed, schade aan de volksgezondheid en een groeiende welvaartskloof tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden. De kritiek op economische liberalisering en op de internationale instellingen is vaak niet gegrond. De oorzaken van de geconstateerde problemen liggen vaak elders.

Een verdere, evenwichtige liberalisering binnen een adequaat kader van internationale spelregels kan juist een bijdrage leveren aan het oplossen van genoemde problemen. Een betere en intensievere communicatie met betrokkenen over de synergie-effecten is een eerste vereiste. EZ overlegt regelmatig met maatschappelijke organisaties en zal deze contacten verder uitbouwen.

Om tegemoet te komen aan reële zorgen van betrokken partijen en burgers is het ontzenuwen van misverstanden niet genoeg. Het wereldhandelsstelsel moet op een aantal punten verbeterd worden. Concreet zet het kabinet zich in voor meer marktopening en meer technische hulp voor ontwikkelingslanden en voor WTO-regels die voldoende evenwichtig zijn en rekening houden met de bijzondere behoeften en beperkte mogelijkheden van de armste WTO-leden. Om te voorkomen dat internationaal overeengekomen milieudoelstellingen worden gefrustreerd, wordt ook ingezet op het verduidelijken van de verhouding tussen WTO-regels en internationale afspraken op het gebied van milieu. Het is ook van belang om in de internationale rechtsorde het begrip«voorzorgsbeginsel» te verduidelijken.

Op het institutionele vlak gaat het met name om aanpassingen binnen de WTO die ook de armste landen in staat stellen om adequaat deel te nemen aan de besluitvorming. Het kabinet vindt ook dat de WTO transparanter moet worden voor parlementen en maatschappelijke organisaties.

Ook in UNCTAD- en OESO-verband spant Nederland zich verder in om verbeteringen te bewerkstelligen. In de UNCTAD bestaat overeenstemming over het belang van de bijdrage van internationale investeringen aan duurzame ontwikkeling. Het debat over de vraag hoe dit effect te maximaliseren en de mogelijke negatieve neveneffecten te minimaliseren, duurt voort. Het kabinet wil de relatie tussen de bevordering van investeringen en de bescherming van het milieu, mensenrechten en arbeidsomstandigheden bespreekbaar maken. Bij de gesprekken hierover in de UNCTAD zijn ook maatschappelijke organisaties betrokken. Het kabinet meent daarom dat de UNCTAD een belangrijke rol speelt bij het opbouwen van consensus over de grondslagen van mogelijke toekomstige WTO-afspraken over buitenlandse investeringen.

De OESO heeft in juni 2000 de Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen grondig herzien. De Richtlijnen geven aan wat overheden van OESO-lidstaten, en van andere landen die de Richtlijnen onderschrijven, verwachten van het internationaal investerende bedrijfsleven. Het kabinet heeft zich sterk gemaakt voor de aanscherping van de Richtlijnen omdat zij wil bevorderen dat internationaal opererende bedrijven op maatschappelijk verantwoorde wijze te werk gaan. De Richtlijnen zijn onder andere versterkt op het gebied van de rechten van werknemers, de mensenrechten, de zorg voor het milieu, het bestrijden van omkoping en het openbaar maken van informatie over de activiteiten van bedrijven.

Het komt er nu op aan de Richtlijnen daadwerkelijk – en wereldwijd – toegepast te krijgen. De OESO voert een actieve voorlichtingscampagne en ziet toe op de naleving van de verplichtingen. Het nationale contactpunt voor multinationale ondernemingen krijgt een belangrijke rol bij het toezicht op naleving op nationaal niveau. In het contactpunt wordt nauw samengewerkt met het bedrijfsleven, de vakbeweging en andere maatschappelijke organisaties. Daarnaast zal de staatssecretaris van Economische Zaken zich samen met het VNO-NCW, dat bereid is zichtbaar steun te blijven geven aan de richtlijnen, inspannen om de herziene richtlijnen bekend te maken onder publiek en bedrijfsleven (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 485, nr. 9).

3.3 Nederlandse bedrijven op buitenlandse markten

Ook in 2001 is de bevordering van de aanwezigheid van het Nederlandse bedrijfsleven in het buitenland een prioriteit. Bijzondere aandacht gaat uit naar een aantal opkomende markten in Azië, Latijns-Amerika, Midden- en Oost-Europa en Afrika. EZ streeft ernaar belemmeringen die het bedrijfsleven ondervindt bij het betreden van deze markten, weg te nemen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van economische- en handelsmissies, diplomatieke contacten en het financieel instrumentarium.

De EZ-bewindspersonen zullen in 2001 een aantal handelsmissies leiden naar voor Nederland prioritaire markten. Het gaat daarbij om nabije markten, de landen in Midden- en Oost-Europa die kandidaat zijn voor toetreding tot de EU, zoals Polen en Hongarije, de grote opkomende markten, zoals Indonesië, Brazilië en China en de landen die zich op het snijvlak van ontwikkelingsland en opkomende markt bevinden, zoals Ghana.

Extra aandacht zal worden gegeven aan de positie van het MKB op nabije, ontwikkelde markten. De staatssecretaris van EZ heeft in 2001 speciaal voor – en in nauw overleg met – het MKB een aantal handelsmissies gepland naar deze markten. Deze reizen staan specifiek in het teken van economisch veelbelovende regio's. De hoofdstad wordt bijvoorbeeld niet altijd bezocht.

Het Programma Starters op Buitenlandse markten (PSB 2000) wordt geïntensiveerd en zal in 2001 geëvalueerd worden. Naar aanleiding van de evaluatie zal bezien worden of dit goed lopende programma, dat zeer duidelijk in een behoefte van het MKB voorziet, nog verder verbeterd en aangescherpt kan worden.

Stroomlijning financieel buitenlandinstrumentarium

Zoals meer uitgebreid in de notitie «Economie en Ontwikkeling» is aan-gegeven zal in 2001 de stroomlijning van het bedrijfsleveninstrumentarium van EZ en OS en van de uitvoering daarvan verder worden vormgegeven. De stroomlijning beoogt de functionaliteit en de toegankelijkheid van het instrumentarium te verbeteren. Het eindperspectief kan als volgt worden samengevat.

1. Senter

Het instrumentarium gericht op het scheppen van voorwaarden voor transacties, is ondergebracht bij het agentschap Senter. Het samenwerkingsinstrumentarium bestaat uit het Programma Economische Samenwerkingsprojecten (PESP) van EZ, het Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO) van EZ en het Programma Samenwerking Opkomende Markten van OS. Het PSOM heeft een proeftijd van 5 jaar (tot 2002). Het domein van PSOM strekt zich uit tot de bedrijfslevenlijst van OS. PSOM zal binnen dit domein geleidelijk worden uitgebreid. Op dit moment is het programma aan 12 landen aangeboden. In de evaluatie, voorzien eind 2001/begin 2002, zal onder meer worden bezien of het programma bij Senter zal worden gecontinueerd. Het PSOM zal in 2001 worden geïntegreerd met het Programma Samenwerking Indonesië. Het budget van PSI zal hiertoe worden overgeheveld naar de begroting van Buitenlandse Zaken.

2. FMO

De instrumenten gericht op de directe financiële onderstuning worden ondergebracht bij FMO, met uitzondering van het door Senter uitgevoerde BSE. Het betreft reguliere bedrijfsvoering van de FMO-leningen en participaties voor commerciële activiteiten in ontwikkelingslanden, verstrekt op basis van additionaliteit aan de markt-, de speciale programma's Seed Capital en Kleinbedrijffinanciering, het NIMF, een Matchingfonds voor Nederlandse investeringen in ontwikkelingslanden en de door de FMO dochter NIO uitgevoerde POPM-regeling (Particuliere Ontwikkelings Participatie Maatschappijen). In dit verband zal het ORET/Milev programma, dat lokale investeringen steunt die niet commercieel haalbaar zijn en waarvoor Nederlandse goederen, werken of diensten worden ingezet, vanaf 2001 aan deze organisatie worden uitbesteed. Ook wordt bezien of het door NIB Capital uitgevoerde IFOM van EZ op termijn aan de FMO kan worden uitbesteed.

3. NCM

Het instrumentarium van EZ gericht op de verzekering van exportkredieten in opkomende markten en ontwikkelingslanden (SENO/GOM) is reeds ondergebracht bij de NCM, waar ook de rguliere exportkrediet- en investeringsverzekering (Rhi) zijn ondergebracht.

Dit perspectief voor het bedrijfsleveninstrumentarium schept duidelijkheid voor het bedrijfsleven actief in ontwikkelingslanden en opkomende markten en heeft consequenties voor de uitvoering. Met deze onderverdeling binnen het instrumentarium en de uitvoering ontstaat een transparante taakverdeling tussen het agentschap Senter en de NV FMO. Beide organisaties zullen in toenemende mate samenwerken en gebruikmaken van de respectievelijke expertise en meerwaarde in het zakendoen in- en met het buitenland. Feitelijk ontstaan zo drie loketten, met elk hun eigen specialiteit en karakter.

Het eindperspectief van het EZ-instrumentarium kan als volgt worden samengevat.

Verdere verbetering van het samenwerkingsinstrumentarium

Het EZ-samenwerkingsinstrumentarium (PSO) zal – aangevuld door het PSOM – gericht blijven op opkomende markten. Op basis van de in 2000 af te ronden evaluatie van het Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO) én de tienjarige ervaring met projecthulp zal het programmatisch karakter van het programma verder worden versterkt. De Tweede Kamer wordt hierover binnenkort nader geïnformeerd.

In het kader van de Nederlandse steun aan het Stabiliteitspact zal ook met het PSO een extra inspanning voor Zuid-Oost Europa worden geleverd. Dit betekent dat uit de non-ODA middelen binnen het begrotingsartikelonderdeel PSO Roemenië, Bulgarije en Kroatië extra worden bedeeld. Binnen de begroting van ontwikkelingssamenwerking zijn gelden gealloceerd voor PSO-projecten in Bosnië, Macedonië, Moldavië, Montenegro en Albanië.

Eén geïntegreerd haalbaarheidsinstrument voor export en investeringen

De huidige regeling Investeringsbevordering en Technische Assistentie Oost-Europa (IBTA-OE) wordt rond de jaarwisseling beëindigd. In verband hiermee zal de functie van het Programma Economische Samenwerkingsprojecten (PESP) als geïntegreerd haalbaarheidsinstrument voor export en investeringen, mede op basis van de onlangs afgeronde PESP-evaluatie, verder worden versterkt. Streven is op dit punt tevens een integratie tot stand te brengen met het IBTA-programma voor ontwikkelingslanden van Ontwikkelingssamenwerking.

Modernisering van de Investeringsfaciliteit Opkomende Markten (IFOM)

De huidige Investeringsfaciliteit Opkomende Markten (achtergestelde leningen) vormt de kern van het investeringsinstrumentarium van EZ. De IFOM wordt in de komende periode gemoderniseerd en waar mogelijk op afzienbare termijn uitgebreid met een participatiecomponent. De technische assistentie bij investeringstransacties, die thans nog via het huidige IBTA-programma wordt gefaciliteerd, zal in gemoderniseerde vorm bij de IFOM aansluiten. Ook op dit terrein is het streven een integratie tot stand te brengen met OS-instrumenten.

Exportfinanciering: aanpassing rentesteun

Rentesteun voor export van kapitaalgoederen kan plaatsvinden via het Matchingfonds en de Renteoverbruggingsfaciliteit, onderdeel van het Besluit subsidies exportfinancieringsarrangementen (BSE). Naar aanleiding van de in 2000 afgeronde evaluatie van deze instrumenten wordt beoogd het rentesteun-instrumentarium te wijzigen. Het instrumentarium zal structureel bestaan uit (een deel van) het bestaande Matchingfonds voor het pareren van buitenlandse overheidssteun in uitzonderlijke situaties. Aanvullend wordt bezien in hoeverre de reguliere rentesteun van andere landen kan worden gecompenseerd.

Het instrumentarium kent ook een tijdelijke component. Het betreft de steun voor de export van zeeschepen die met ingang van medio 2000 beschikbaar is zolang de Europese Regelgeving productiesteun voor scheepsbouw toestaat, vooralsnog tot 2001.

Exportkredietverzekering opkomende markten (SENO-GOM)

De SENO-faciliteit, voorheen alleen gericht op Oost-Europa, is in maart 2000 uitgebreid tot opkomende markten. Het is nu mogelijk om deze kredietverzekering ook op Indonesië aan te bieden. Hiermee wordt invulling gegeven aan de MoU inzake intensivering van de economische samenwerking die begin 2000 tussen Nederland en Indonesië is ondertekend.

In mei 2000 is de evaluatie van de SENO-faciliteit afgerond. De beleidsvoornemens die uit deze evaluatie voortkomen zullen aan de Tweede Kamer worden gezonden.

De GOM, die eind 1997 in het leven is geroepen voor de kredietverzekering van ORET/MILIEV projecten, wordt in de tweede helft van 2000 onderworpen aan een korte interne evaluatie. Uit de ruim tweejarige ervaring blijkt bijvoorbeeld dat de aansluiting met ORET/MILIEV geoptimaliseerd kan worden door een verhoging van de transactielimiet. Deze is dan ook inmiddels verhoogd van NLG 10 mln. naar NLG 20 mln.

Marktinformatie en Promotie

Per 1 januari 2001 zet de EVD het verstrekken van marktinformatie en het uitvoeren van promotieactiviteiten voor handelsbevordering voort als agentschap. In artikel 4 is de begroting van baten en lasten en van kapitaaluitgaven en ontvangsten van het agentschap EVD opgenomen.

Verbetering van het functioneren van de buitenlandse posten

De economische activiteiten van het postennet in het buitenland zijn onderworpen aan een benchmarkonderzoek. De aanbevelingen zijn opgenomen in de brief van de minister van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris van Economische Zaken aan de Tweede Kamer van 14 maart 2000. De beleidsaanbevelingen worden momenteel uitgewerkt. Als eerste worden de beleidsvoornemens die betrekking hebben op de relatie met het bedrijfsleven nader vorm gegeven. Bekeken wordt waar, vanuit een economisch belang, vertegenwoordigingen noodzakelijk zijn en hoe de verschillende niveaus dienstenpakketten van de posten eruit moeten zien.

De bevindingen over de economische werkzaamheden van de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland worden ingebracht in het «beleidskader postennetwerk» van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit beleidskader dient als richtlijn voor de invulling van het postennet als geheel. In 2001 moeten op basis hiervan verbeteringen en wijzigingen in de inrichting van het postennet doorgevoerd worden. In 2001 worden tevens de overige beleidsvoornemens uit de benchmark economische werkzaamheden uitgewerkt. Het gaat hier onder andere om het verbeteren van de training, werving en ondersteuning van medewerkers op de posten, het opzetten van consultatiemechanismen met het bedrijfsleven en de beleidsmatige aansturing van de posten. Ook wordt in het eerste kwartaal van 2001 in een brief aan de Tweede Kamer een integrale presentatie gegeven van het exportbeleid.

HOOFDSTUK 4 EEN UITMUNTEND KLIMAAT VOOR INNOVATIE EN MENSELIJK KAPITAAL

4.1 Inleiding

Het kabinet zal de komende jaren stevig investeren in het innovatievermogen van de Nederlandse economie met als doel een uitmuntend klimaat te creëren voor innovatie en menselijk kapitaal. Zodoende kunnen we de ambitie waarmaken om tot de meest dynamische en concurrerende gebieden van de wereld te behoren. Het achterblijvend innovatievermogen van de Nederlandse economie is al enige tijd punt van zorg. Nederlandse bedrijven vernieuwen minder dan hun buitenlandse concurrenten. Recente studies bevestigen dit beeld.1 In de Industriebrief (Kamerstukken II, 1998/99, 26 628, nr. 1) van vorig jaar stelde het kabinet een beleidsagenda op om deze situatie te verbeteren. In aansluiting op de agenda uit de Industriebrief zijn zeven operationele doelstellingen geformuleerd.

De beleidsagenda uit de industriebrief omvat de volgende lijnen:

1. Mobilisatie van het publieke kennispotentieel;

2. Verbeteren van het klimaat voor technostarters;

3. Versterking van het innovatieve clusterbeleid;

4. Wegnemen knelpunten arbeid;

5. Fiscale prikkels voor een stimulerend kennisklimaat;

6. Terugdringing administratieve lasten;

7. Stroomlijning en modernisering van het EZ-instrumentarium.

In De Digitale Delta (Kamerstukken II, 1998/99, 26 643, nr. 1) is de samenhang van het ICT-beleid van de overheid geschetst en heeft het kabinet aangegeven op welke manier zij de ICT-basis van de Nederlandse economie wil versterken.

Deze doelstellingen en de beoogde (geïntensiveerde) activiteiten sluiten aan bij de beleidsagenda die op de Europese Top in Lissabon is vastgesteld. Tijdens de Europese Top in Lissabon is het belang van innovatie erkend en zijn afspraken gemaakt over te ondernemen acties.

Concreet wil het kabinet in de periode tot en met 2010 in totaal meer dan f 1 miljard extra investeren op de volgende gebieden:

1. ICT;

2. Kennisontwikkeling;

3. Kennistoepassing;

4. Arbeid en Onderwijs.

Deze gebieden versterken elkaar. Innovatie begint bij kennisontwikkeling. Nieuwe kennis wordt ontwikkeld door bedrijven en publieke kennisinstellingen. Voor innovatie is het belangrijk dat de kennis die door publieke instellingen ontwikkeld wordt, aansluit op de behoeften van het bedrijfsleven, zodat ontwikkelde kennis efficiënt en effectief kan worden toegepast. Technostarters en kennisdiffusie zijn daarvoor van groot belang. Vooral het verspreiden van kennis naar bedrijven die zèlf geen kennis ontwikkelen, de zogenoemde technologievolgende bedrijven, is daarbij van belang. Bovendien is de beschikbaarheid en inzetbaarheid van gekwalificeerde arbeidskrachten van invloed op het al dan niet totstandkomen van innovaties. Het huidige tekort aan gekwalificeerd personeel vraagt dan ook veel aandacht van het kabinet. Ten slotte wordt het vermogen tot innoveren over de hele breedte beïnvloed door ICT. Zowel de ontwikkeling als verspreiding van nieuwe kennis verandert door ICT, evenals de opleiding en training van personeel.

Investeren in innovatievermogen betekent dus investeren in kennisontwikkeling, kennistoepassing, de arbeidsmarkt en in ICT. En dat is wat het kabinet wil gaan doen.

Omdat de meeste intensiveringen doorwerken naar de jaren na 2002 wanneer de begrotingen volgens het VBTB gedachtegoed worden ingericht, worden de voorgenomen beleidsintensiveringen al zoveel mogelijk volgens het VBTB stramien gepresenteerd. Per actielijn zal ingegaan worden op doelstelling, activiteiten en budget.

Onderstaande tabel bevat een overzicht van de intensiveringen. Het kabinet verwacht dat hiermee, in aanvulling op het reeds in gang gezette beleid, de komende jaren een forse stap wordt gezet richting een economie die nog hoogwaardiger, innovatiever en kennisintensiever is.

Financieel totaaloverzicht Kennis & Innovatie-impuls

 
Actielijnverplichtingen* (x NLG 1 mln.)2000 t/m 20052006 t/m 2010totaal
1.Concurreren met ICT-competenties** (Digitale Delta)238,0 238,0
 – Baanbrekende applicatieprojecten.148,0  
 – Fundamenteel vraaggericht onderzoek30,0  
 – Halfgeleidertechnologie Medea II60,0  
     
2.Vraaggestuurd en innovatiegericht fundamenteel-strategisch onderzoek166,7138,9305,6
     
3.Investeren in kennisontwikkeling (IOP's)55,055,0110,0
     
4.Kennisoverdracht MKB161,5112,6274,1
 – Bedrijfsgericht kennisoverdracht instrumentarium56,456,4112,8
 – Branchegericht kennisoverdracht instrumentarium46,246,292,3
 – Syntens12,010,022,0
 – Innovatienet (website)7,0 7,0
 – Implementatie Ondernemerschapsnota25,0 25,0
 – ICT-campagne15,0 15,0
     
5.Technostartersclusters100,0 10 0,0
     
6.Investeren in Arbeid & Onderwijs133,0 133,0
 – ICT Taskforce42,0 42,0
 – Scholingsimpuls62,8 62,8
 – Arbeidsrader20,4 20,4
 – Employability (Investors in People)7,8 7,8
Totaal 854,2306,51 160,7

* In de inleiding van de Artikelsgewijze Toelichting is een overzicht in kasbedragen opgenomen.

** Ook de ICT-Taskforce (zie Actielijn 6) behoort tot «Concurreren met ICT-competenties».

4.2 ICT

Versterken van de ICT-kennisbasis: Concurreren met ICT-competenties

Op dit moment neemt Nederland de zevende positie in op de Information Society Index (Information Society Index, IDC, april 1999). Die positie moet de komende jaren verbeterd worden. Met het versterken van de ICT-kennisbasis richt het kabinet zich op de verbetering van deze positie in de komende jaren. De wijze waarop wordt omgegaan met ICT is van groot belang voor het innovatievermogen van Nederland.

Om de ICT-kennisbasis te versterken heeft het kabinet het actieplan «Concurreren met ICT-competenties» opgesteld (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 643, nr. 4). Doel is de opbouw en toepassing van ICT-kennis te bevorderen, het tekort aan ICT-deskundigen weg te nemen en de inzet van ICT-deskundigen te stimuleren.

Het actieplan kent drie hoofdlijnen:

1. Baanbrekende ICT-applicatieprojecten door clusters van ICT-bedrijven; hoogwaardige gebruikers en kennisinstituten in belangrijke toepassingsgebieden;

2. Een impuls voor strategische kennisopbouw en -overdracht op het gebied van ICT en halfgeleidertechnologie (MEDEA II);

3. Uitvoering van projecten gericht op een goed werkende ICT-arbeidsmarkt en een optimale inzet van beschikbare menskracht (zie paragraaf 4.5).

In de periode 2001–2004 wordt hiervoor in totaal NLG 238 miljoen uitgetrokken.

Het actieplan «Concurreren met ICT-competenties» is een uitwerking van de pijler «Kennis en Innovatie» uit de nota De Digitale Delta. In het najaar van 2000 wordt de voortgangsnota van De Digitale Delta naar de Tweede Kamer gezonden. Rond dezelfde tijd worden de resultaten van de in de nota aangekondigde ICT-toets gepresenteerd. De ICT-toets geeft een integraal beeld van de ICT-positie van Nederland ten opzichte van andere landen.

Europese ontwikkelingen

De Europese Raad heeft in juni 2000 (Kamerstukken II, 1999/2000, 21 501–20, nr. 128) het e-Europe Actieplan (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 643, nr. 4.) bekrachtigd. Deze Europese variant van de «De Digitale Delta» bevat een scala aan initiatieven en activiteiten om «een informatiemaatschappij voor iedereen» binnen bereik te brengen. Het plan bestaat uit de volgende punten:

• Goedkoper, sneller en veilig internet;

• Investeren in de vaardigheden van mensen, inclusief scholieren, werkenden en werkzoekenden;

• Stimuleren van Internetgebruik, inclusief e-commerce en toegang tot overheidsinformatie en -diensten.

Het kabinet onderschrijft deze punten. De uitbouw van internet is van enorm belang voor de daadwerkelijke totstandkoming van één Europese onderzoeksruimte. Met GigaPort wordt daar binnen Nederland een belangrijke bijdrage aan geleverd. De ontwikkeling van de zogenoemde (super-)Grid-technologie, de gecombineerde inzet van (super)computers, stelt onderzoekers in staat van afstand nog grotere hoeveelheden data te bewerken. Dit bevordert de R&D-samenwerking.

Het tweede punt sluit goed aan bij initiatieven als: «Onderwijs Online», de introductie van fiscale scholingsfaciliteiten en de realisatie van de plannen van de Commissie Risseeuw. Ook de «Digitale Trapveldjes» passen in deze hoofdlijn.

Het derde punt verheugt het kabinet met name vanwege de urgentie die e-Europe toekent aan het totstandbrengen van een regelgevend kader voor e-commerce en de betekenis van zelfregulering en co-regulering daarbij. Dit sluit goed aan bij de benadering die Nederland daar zelf al eerder voor gekozen heeft, bijvoorbeeld met het bevorderen van een breed gedragen gedragscode voor e-commerce. Dat geldt ook voor het belang dat eEurope hecht aan bewustwording en informatievoorziening voor het MKB (zie ook paragraaf 4.4) en elektronische aanbestedingen van de overheid.

Op dit moment beziet het kabinet of de inspanningen die reeds worden verricht in het kader van onder andere het Nationaal Actieprogramma Elektronische Snelwegen, GigaPort en het Actieplan Onderwijs Online voldoende zijn om de doelstellingen van e-Europe te realiseren.

4.3 Kennisontwikkeling

De basis voor innovatie ligt in kennisontwikkeling. Doel van het kabinetsbeleid gericht op kennisontwikkeling is dat kennisinstellingen een belangrijkere rol in kennisproductie krijgen, en dat de synergievoordelen van de ontwikkeling van toegepaste en fundamentele kennis worden geoptimaliseerd. De aansluiting tussen toegepast en fundamenteel onderzoek die voor deze optimalisatie benodigd is, komt met name tot stand in het innovatiegerichte strategisch-fundamentele onderzoek.

Innovatiegerichte kennisontwikkeling wordt gedaan door bedrijven en kennisinstellingen. In Nederland vindt de kennisontwikkeling voor een relatief groot deel plaats in de publieke kennisinfrastructuur. De innovatiekracht van Nederland wordt dan ook voor een belangrijk deel bepaald door de samenwerking tussen bedrijven en de publieke kennisinstellingen.

De investeringen van bedrijven in de ontwikkeling van nieuwe kennis zijn sinds 1992 structureel toegenomen, zij het dat in 1998 sprake is van een relatief beperkte stijging. Bedrijven richten zich vooral op de ontwikkeling van kennis die direct toepasbaar is in nieuwe producten en processen. De private investeringen in fundamenteel onderzoek lopen, waarschijnlijk onder druk van toenemende concurrentie, al jaren terug. Hierdoor dreigt op termijn de aansluiting tussen het toegepast onderzoek en het wetenschappelijk fundamenteel onderzoek dat in de publieke kennisinfrastructuur wordt verricht, te verslechteren. Dat is ernstig, omdat juist die aansluiting van groot belang is, zowel voor het fundamenteel onderzoek als voor het toegepast onderzoek.

Nieuwe impuls

Om die aansluiting te verbeteren komt het kabinet met een extra financiële impuls voor innovatiegericht, fundamenteel onderzoek voor de komende tien jaar. De impuls is ook een antwoord op de Europese ambities. De vormgeving van de impuls bestaat uit de volgende activiteiten op het gebied van:

1. nauwe samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven, en

2. de wetenschapsgebieden die van strategisch belang zijn voor de Nederlandse economie. De gebieden zijn geselecteerd met behulp van de TechnologieRadar.

Voor de komende tien jaar hebben de intensiveringen een totale omvang van NLG 416 miljoen. Concreet bestaat de impuls uit de volgende activiteiten:

Meer vraaggestuurd en innovatiegericht fundamenteel lange termijn onderzoek.

Zoals aangegeven is het voor het realiseren van de synergievoordelen van groot belang dat de samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen, met name op het snijvlak van toegepast en fundamenteel onderzoek, verbeterd wordt. De middelen zullen vooral worden ingezet voor stimulering van het innovatiegerichte strategisch-fundamentele onderzoek, investeringen in onderzoeksfaciliteiten en investeringen in onderzoeksnetwerken of samenwerkingsorganisaties. Naast het brede veld van ICT waaronder embedded software zijn de volgende velden geïdentificeerd: Genomics en Bio-informatica, microsysteemtechnologie / nanotechnologie, katalyse, combinatoriële chemie, fotovoltaïsche zonne-energie en elektromagnetische vermogenstechniek (EMVT). Bij alle projecten gaat het om precompetitief innovatiegericht onderzoek. De beschikbare middelen bedragen NLG 306 miljoen tot en met 2010. Binnen dit budget zullen lopende het traject nieuwe innovatierelevante onderzoeksgebieden worden geïdentificeerd en gestimuleerd.

Meer kennisontwikkeling via de Innovatiegerichte Onderzoekprogramma's (IOP).

Uit beleidsevaluatie is gebleken dat het IOP een effectief en efficiënt instrument is voor de koppeling van publiek onderzoek aan strategische kennisbehoefte bij het innovatiegerichte bedrijfsleven.1 Met het huidige budget en tenderritme kan ongeveer één nieuw IOP-programma per jaar worden gestart met een omvang van ongeveer NLG 20 miljoen over 8 jaar. Voor belangrijke multidisciplinaire onderzoeksvelden is daarmee niet voldoende kritische massa te bereiken. Om op perspectiefvolle onderzoeksterreinen IOP's van voldoende omvang te kunnen starten, zal het budget voor een periode van 10 jaar worden opgehoogd met NLG 11 miljoen per jaar tot NLG 30 miljoen per jaar.

Het IOP-budget wordt ingezet voor zowel kennisontwikkeling (met name promotieprojecten als onderdeel van een samenhangend onderzoekprogramma) als kennisdiffusie. Uitgaande van een momenteel gemiddelde omvang van IOP-projecten van NLG 0,5 miljoen zullen hiermee jaarlijks dus vijftig, in plaats van dertig, vierjarige onderzoeksprojecten kunnen worden gestart.

Een goed voorbeeld is de huidige voorbereiding van een IOP op het gebied van Genomics en Bio-informatica. Dit IOP maakt een integraal onderdeel uit van een strategisch actieprogramma op het gebied van Life Sciences en sluit aan op het actieplan ter bevordering van starters op dit gebied.

Europese kennisinfrastructuur

Ook voor Europa geldt dat een belangrijk deel van het onderzoek wordt verricht binnen de publieke kennisinfrastructuur. Deze infrastructuur is nog sterk nationaal georiënteerd en georganiseerd. Door fragmentatie en gebrek aan transparantie en mobiliteit kunnen lidstaten de vruchten van publiek onderzoek nog altijd moeilijk plukken.

De Europese Commissie, daarin ondersteund door de Europese Raad, streeft daarom naar één Europese onderzoeksruimte. Acties omvatten onder andere het in kaart brengen van «excellence» in Europa en het «benchmarken» van nationaal R&D-beleid. De Europese Raad in Lissabon voegde daar nog het koppelen van nationale en gezamenlijke onderzoekprogramma's via netwerken, en klimaatverbetering voor private onderzoeksinstellingen en technostarters aan toe.

Conform het eigen beleid heeft Nederland vooral aandacht gevraagd voor de rol van bedrijven (inclusief het MKB) en de toepasbaarheid van gesubsidieerd onderzoek. De plannen van de Europese Commissie (ontwikkeld door commissaris Busquin) schenken hier te weinig aandacht aan en zijn sterk gericht op de problemen in de academische wereld (Kamerstukken II, 1999/2000, 21 501–13, nr. 58).

Een vergelijkbare Europese verbrokkeling doet zich nog steeds voor ten aanzien van kennisbescherming. Om de Europese onderzoeksinspanningen van bedrijven en instellingen beter te beschermen heeft de Europese Raad te Lissabon besloten om ultimo 2001 te komen tot een verordening voor een Gemeenschapsoctrooi, inclusief een octrooi voor gebruiksmodellen. Hiermee wordt het mogelijk om met één aanvraag een octrooi te verwerven voor de gehele EU. In het hele gebied gelden dan dezelfde rechtsregels1.

Hierdoor zal de aanvraagprocedure naar verwachting eenvoudiger, sneller en goedkoper kunnen plaatsvinden. Een spoedige totstandkoming is daarom van groot belang.

Stroomlijning van het instrumentarium

Met bedrijfsgerichte stimuleringsregelingen bevordert EZ rechtstreeks de R&D van het bedrijfsleven. Zoals aangekondigd in de Industriebrief wordt het subsidie-instrumentarium gestroomlijnd en gemoderniseerd. De beoogde inwerkingtreding van de nieuwe instrumenten is 1 mei 2001. De stroomlijningsoperatie beoogt tegelijkertijd de transparantie en toegankelijkheid te verbeteren, bijvoorbeeld door het samenvoegen van subsidieregelingen en door de introductie van elektronisch aanvragen en het ontwikkelen van een elektronisch zoeksysteem (zie bijlage 14). In dit kader wordt bijvoorbeeld nagegaan of de definities en criteria van de verschillende regelingen al optimaal op elkaar aansluiten

In de eerste plaats wordt in dit kader een nieuwe subsidieregeling voor technologische ontwikkelingsprojecten ontwikkeld. De regeling is in zekere zin de opvolger van drie kredietregelingen, te weten de TOK, de MPO en Kredo die tot doel hadden risicodragend kapitaal ter beschikking te stellen aan ontwikkelingsprojecten. In de tweede plaats worden de samenwerkingsinstrumenten BTS, BIT en SM geïntegreerd in een nieuw samenwerkingsinstrument. Er wordt bekeken of ook de EET kan worden opgenomen in het nieuwe instrument. In bijlage 14, actielijn 7, wordt de stroomlijningsoperatie voor het technologie-instrumentarium nader toegelicht.

De financiële ondersteuning van R&D-inspanningen van bedrijven en kennis-infrastructuur wordt gecompleteerd met instrumenten die de publiek-private samenwerking bevorderen, bijvoorbeeld de nieuwe technology-roadmaps en clustermonitoren, de invoering van co-financiering in de kennisinfrastructuur, en de activering van het octrooibeleid van universiteiten. Zie verder de bijlage 14 over voortgang van de Industriebrief .

4.4 Kennistoepassing door bedrijven

Kennis moet niet alleen ontwikkeld worden, het moet ook worden toegepast. Het kabinet wil de toepassing van nieuwe kennis bevorderen door het verbeteren van het klimaat voor technostarters en door de diffusie van nieuwe kennis te stimuleren. In lijn met de doelstellingen van de nota «De ondernemende samenleving» worden projecten opgezet op het terrein van de thema's onderwijs/arbeidsmarkt, bedrijfsopvolging en bedrijfsbeëindiging, vrouwelijk ondernemerschap en maatschappelijk ondernemen.

Zo zal de commissie Onderwijs en Ondernemerschap onderzoek doen en pilotprojecten starten om te bevorderen dat het ondernemerschap als een meer vanzelfsprekende optie wordt gezien dan thans het geval is. Verder zal door middel van analyses en projecten aandacht worden besteed aan de ontwikkeling van het vrouwelijk ondernemerschap en zullen initiatieven in de sfeer van netwerkvorming, coaching en scholing op gang komen om problemen op het terrein van de bedrijfsovergang tijdig te onderkennen.

Het proces van implementatie van de nota is inmiddels goed op gang gekomen, voor de uitvoering wordt NLG 15 miljoen uitgetrokken. De nota krijgt weerklank in het bedrijfsleven en in sectoren die voor de implementatie van belang zijn zoals het onderwijs.

4.4.1 Verbetering van het klimaat van technostarters

Nieuwe hightech bedrijven zijn belangrijk voor de innovatiekracht van Nederland. Maar het starten van een hightech onderneming gaat niet zonder problemen. Om de ambitie voor een uitmuntend klimaat voor technostarters kracht bij te zetten, wordt in de periode 2000–2003 NLG 100 miljoen uitgetrokken voor het organiseren en ontwikkelen van de technostarters- en venture capitalmarkt op vier technologiegebieden. Het doel is om samen met private partijen vier technostartersclusters op te zetten.

Voorbeelden van mogelijke technologiegebieden zijn milieutechnologie, nieuwe materialen, elektromagnetische vermogenstechnologie, nanotechnologie, het automotive cluster en medische technologie. Concrete suggesties moeten uit de markt komen. De keuze is afhankelijk van draagvlak in de markt en het economisch potentieel van de technostarters. De overheidsbijdrage is bedoeld voor het opzetten van de infrastructuur, zoals de inrichting van incubators en netwerkvorming. Private partijen hebben het voortouw bij de financiering van de fondsen en de financiële ondersteuning van individuele technostarters.

Om de private financiering van technostarters te stimuleren, is de Tante Agaath-regeling zodanig aangepast, dat deze meer rekening houdt met de specifieke behoeften van technostarters (zie verder bijlage 14). Daarnaast zijn door het kabinet middelen uitgetrokken om het gebruik van de WBSO door kleine bedrijven en technostarters te vergroten.

Voor het ICT- en Life-Science cluster zijn reeds totaal-oplossingen ontwikkeld en geïmplementeerd. Twinning en het Actieplan Life Sciences leveren een geïntegreerde aanpak van de knelpunten, waarbij de verschillende elementen, zoals onderdak, financiering, coaching en netwerken, elkaar versterken.

Starters in andere technologievelden hebben ook behoefte aan een dergelijke aanpak. Dit is de belangrijkste missie van «Dreamstart, platform voor technostarters» dat op 12 mei 2000 is opgericht. Dreamstart verenigt partijen die technostarters stimuleren, verbindt en versterkt bestaande initiatieven en jaagt nieuwe activiteiten aan door:

• het verschaffen van informatie, het toegankelijk maken van bestaande en opkomende initiatieven;

• het stimuleren van bewustwording bij bedrijven, publieke kennisinfrastructuur en (potentiële) technostarters;

• netwerk- en communityvorming op specifieke technologiegebieden.

4.4.2. Kennisdiffusie

Om de nieuwe, vaak met publieke middelen ontwikkelde kennis sneller door te laten dringen tot de gevestigde en startende ondernemers staat de bevordering van kennisoverdracht hoog op de beleidsagenda. Nederland speelt hier in het huidige beleid al vol op in en geeft voorts verdere impulsen om nieuwe en bestaande kennis sneller naar bedrijven te laten vloeien. Bedrijven moeten snel en efficiënt over de benodigde kennis kunnen beschikken om innovaties tot stand te brengen. Op dit punt kent de Nederlandse economie – net als veel andere EU-lidstaten – een zwakke schakel. Ook de Europese Commissie roept in de mededeling «Challenges for Enterprise Policy in the Knowledge-driven Economy» van april 2000 de lidstaten op om de toegang van bedrijven tot nieuwe technologieën te faciliëren.

Om de verspreiding van kennis te bevorderen doet het kabinet het volgende:

• stroomlijning van de kennisoverdrachtsregelingen;

• professionalisering van Syntens;

• beter gebruik van ICT.

Stroomlijning van de kennisoverdrachtregelingen

Per 1 mei 2001 worden vijf bestaande regelingen voor kennisoverdracht samengevoegd tot twee nieuwe regelingen. De eerste regeling is bedoeld voor intermediaire organisaties, zoals branche-organisaties, die veel contacten onderhouden met het MKB. Met deze regeling worden deze organisaties gestimuleerd om activiteiten te organiseren waarmee kennis naar het MKB kan worden overgedragen.

Het tweede instrument richt zich direct op bedrijven. Met de nieuwe regeling kunnen MKB-bedrijven hulp krijgen bij het schrijven van een strategisch plan en het uitwerken van een innovatieplan door een hogeropgeleide. Verder kunnen bedrijven met de regeling financiële steun krijgen bij het uitvoeren van haalbaarheidsstudies. Het budget voor de nieuwe kennisoverdrachtregeling wordt uitgebreid met NLG 20,4 miljoen per jaar.

Verdere professionalisering Syntens

Ter voorbereiding op de evaluatie van Syntens eind 2001 is eind 1999 gestart met een nulmeting. In het kader van deze nulmeting zijn kengetallen ontwikkeld om inzicht te krijgen in de doelmatigheid en doeltreffendheid van de Syntens-activiteiten. De resultaten van de nulmeting stelt Syntens in staat om zijn rol als belangrijke intermediair bij kennisoverdracht naar het MKB verder te professionaliseren. In het kader van deze professionaliseringsslag wordt in de periode tot 2010 in totaal NLG 22 miljoen extra uitgetrokken. Voorts zullen de resultaten van de nulmeting gebruikt worden om de huidige voornamelijk inputgericht subsidierelatie meer outputgericht te maken.

ICT en kennisdiffusie

Om met name MKB-bedrijven makkelijker en sneller toegang te geven tot kennis zet Syntens de geavanceerde website Innovatienet op. Deze site bundelt kennis en biedt een platform voor interactie tussen aanbieders en vragers van kennis. Een belangrijk onderdeel is de mogelijkheid om rond specifieke thema's en vraagstukken «virtual community's» op te zetten. De overheidsbijdrage van NLG 7 miljoen over de periode 2000–2001 richt zich op de initiële fase. De NLG 15 miljoen voor de in april 2000 gelanceerde ICT-campagne «Nederland gaat digitaal», inclusief bijbehorende back-office, valt eveneens onder deze intensivering. Deze campagne richt zich primair op het MKB.

In algemene zin zal verder het op publieke kennisinstellingen gerichte onderzoeksinstrumentarium, met name de door EZ gesubsidieerde Onderzoekscholen, IOP, Technologiestichting STW, Technologische Topinstituten en ICES/KIS, worden bezien op de verspreiding van de resultaten van onderzoek naar bedrijven. Daarbij zal tevens aan de hand van bestaande literatuur worden nagegaan hoe het informatiezoekgedrag van bedrijven met betrekking tot technologie er uitziet.

Doel hiervan is te bepalen welke aanpassingen in 2001 moeten plaatsvinden om de verspreiding van onderzoeksresultaten, met het oog op het gebruik door bedrijven, te optimaliseren.

4.5 Arbeid en Onderwijs

In de kenniseconomie is menselijk kapitaal de belangrijkste bron van product- en procesvernieuwing. De OESO en het Centraal Bureau voor de Statistiek1 (CBS) constateren dan ook dat het tekort aan kenniswerkers één van de meest serieuze bedreigingen vormt voor de Nederlandseeconomie.

Om de doelstelling van een beter werkende arbeidsmarkt te kunnen bereiken zijn er tal van mogelijkheden. Daartoe behoort het financieel aantrekkelijker maken van werken, bijvoorbeeld door het omzetten van de VUT in pre-pensioenregelingen. Ook moet opnieuw energie worden gestoken in de reïntegratie van mensen die gebruik maken van de WAO. Ook de lage participatie van etnische groepen en van vrouwen biedt mogelijkheden. Vrouwen zijn nog steeds niet goed vertegenwoordigd op de arbeidsmarkt. Dit komt vrouwen zelf en de Nederlandse economie niet ten goede. EZ streeft daarom naar een betere benutting van de economische potenties van vrouwen. Vrouwen moeten in dezelfde mate als mannen kunnen profiteren van het EZ-beleid. Dit beleid is generiek van aard en vrouwen vormen in het algemeen geen aparte doelgroep voor EZ. Bij nadere beschouwing blijkt dat bijvoorbeeld de hoge economische groei resulteert in een relatief grote toename van arbeidsparticipatie van vrouwen. Op een aantal specifieke onderdelen van het beleid (ICT, ondernemerschap) worden wel bijzondere acties voor vrouwen in gang gezet.

Naast bestaand beleid op dit terrein ontplooit EZ bepaalde activiteiten om tekorten in bepaalde sectoren op te heffen. Het budget hiervoor heeft een totale omvang van NLG 133 miljoen:

• Voor specifieke beroepsgroepen met structurele tekorten worden jaarlijks, tot 2004, drie benchmarks uitgevoerd, de Arbeidsradars, om effectief en in de juiste sectoren te investeren (NLG 20 miljoen). Selectie van beroepsgroepen voor 2001 vindt in het najaar van 2000 plaats.

• De minister van EZ vraagt speciale aandacht voor de tekorten in de ICT-beroepen vanwege de sleutelpositie die ICT als «enabling technology» inneemt in de kenniseconomie. In de periode 2000–2004 zal een aantal projecten worden gestart om deze tekorten tegen te gaan. Het betreft ideeën van de Task Force Risseeuw, bijvoorbeeld de «ICT Netwerkacademie» en «ICT in niet-ICT-opleidingen». In totaal is hiervoor vanuit de EZ-begroting een bedrag van NLG 42 miljoen gereserveerd en NLG 10 miljoen vanuit het nationaal actieprogramma elektronische snelwegen (NAP).

• Voor een soepele samenwerking tussen aanbieders van scholing en onderwijs en het bedrijfsleven zullen ook specifieke koploper-initiatieven rond andere beroepsgroepen moeten worden gefaciliteerd. Belangrijk criterium daarbij is dat deze initiatieven een hoge voorbeeldwaarde hebben voor andere beroepsgroepen. Concreet gaat het in 2001 om het faciliteren van activiteiten voortkomend uit de Task Force Beroepsonderwijs (NLG 2 miljoen).

• De investeringen in employability-advies aan MKB, de totstandkoming van een kenniscentrum op het terrein van de erkenning van verworven competenties (EVC) èn het keurmerk Investors in People zullen de branches en individuele ondernemers aanzetten tot een modern Human Resources Development (HRD)-beleid. In 2001 wordt een Kenniscentrum op het terrein van EVC opgezet en zullen employability-adviseurs MKB-bedrijven adviseren over het belang van instrumenten voor een goed personeelsbeleid. Een aparte organisatie promoot de invoering van het keurmerk Investors in People (NLG 8 miljoen in totaal tot en met 2004).

• Ten slotte bevat het intensiveringspakket een extra investering in de ontwikkeling van maatwerk-curricula voor werkende mensen met een startkwalificatie die willen doorstromen naar beroepsgroepen waar structurele tekorten bestaan («Scholingsimpuls», NLG 60 miljoen). Scholingstrajecten moeten vooral gefinancierd worden door sociale partners en zoveel mogelijk bedrijven en instellingen bedienen. Het gaat EZ hierbij met name om inzet van educatieve technologie, erkenning van verworven competenties en modulaire leervormen die toegesneden zijn op de praktijk en zo min mogelijk verletkosten meebrengen voor de onderneming.

Het probleem ligt niet alleen in het oplopende tekort aan hoger opgeleiden1. De verwachting is dat tegelijkertijd het overschot aan lager opgeleiden en daarmee de polarisatie tussen kansrijke en kansarme segmenten binnen de beroepsbevolking toeneemt. De Europese Raad van Lissabon erkent dat bovenstaande problemen in de gehele Unie bestaan en heeft er op aangedrongen dat alle lidstaten maatregelen treffen.

De sociale partners zijn primair zelf verantwoordelijk voor het oplossen van knelpunten op de arbeidsmarkt. Sociale partners moeten inzetten op investeringen in een verbetering van de kwaliteit van de arbeid en een modernisering van het HRD-beleid in ondernemingen. Om in te blijven spelen op technologische vernieuwingen moeten ook werkgevers zorg (blijven) dragen voor verdere opleiding en ontwikkeling van de werknemers. Het is daarnaast van fundamenteel belang om behalve aan opleiding en instroom ook voldoende aandacht te schenken aan doorstroom van medewerkers. Immers op die manier hou je «trek in de schoorsteen», doorstroom van werkenden op mbo-niveau naar hbo-niveau schept weer ruimte voor nieuwe mbo-ers. Op die manier kan tevens een maatschappelijke tweedeling tussen (hoger opgeleide) kansrijken en (lager opgeleide) kansarmen worden tegengegaan. Bovendien vormt een passende participatie in het arbeidsproces de meest effectieve weg om armoede en sociale uitsluiting te voorkomen. Verder zou meer gebruik moeten worden gemaakt van het reservoir van niet-traditionele arbeidskrachten.

De overheid helpt sociale partners door marktimperfecties weg te nemen en investeringen uit te lokken voor een modern personeels- en scholingsbeleid. Eén en ander is beschreven in de nota «In Goede Banen» (Kamerstukken II, 1999/2000, 22 060, nr. 1) en in de voortgangsrapportage aan de TK inzake activiteiten op het gebied van arbeid en onderwijs (brief van 17 april 2000).

Voor het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en voor het bevorderen van investeringen in de beroepsbevolking zelf, worden de volgende activiteiten ontplooid:

• De komende jaren stimuleert EZ samen met OC&W de bevordering van extra instroom in de bèta- en technische vakken via de Stichting AXIS. Een mid-term-review van de activiteiten van de stichting zal nog in het jaar 2000 worden afgerond.

• Eén van de door het kabinet onderschreven voorstellen uit het MDW-traject Voortijdig schoolverlaten is dat jongeren in plaats van via een beroepsopleiding volledig bij een werkgever een diploma (startkwalificatie) kunnen halen. Dit wordt in het kader van EVC nader uitgewerkt.

• Er gaat in september 2000 een nieuw MDW-traject van start dat is gericht op het functioneren van de onderwijs- en scholingsmarkt. De conclusies uit dit traject worden verwacht rond april 2001 en kunnen repercussies hebben voor de hierboven beschreven initiatieven.

• In overleg met het Ministerie van Financiën is een onderzoek uitgezet naar de eerste resultaten van de scholingsaftrek voor bedrijven. EZ participeert inhoudelijk en financieel in concrete pilot-projecten waarin wordt geëxperimenteerd met alternatieve bekostigingswijzen van onderwijs en scholing.

• Ten slotte zullen in 2000 en 2001 enkele onderzoeken worden verricht rond de wijze waarop op lange termijn onderwijs en arbeidsmarkt kunnen bijdragen aan duurzame economische groei.

HOOFDSTUK 5 EEN EXCELLENT FYSIEK VESTIGINGSKLIMAAT

Zoals reeds eerder aangegeven is Nederland door de Economic Intelligence Unit van The Economist bovenaan geplaatst op de ranglijst voor het vestigingsklimaat. Dat is uiteraard mooi, maar slechts een voorspelling, we staan er nog niet. Uitgaande van de demografische ontwikkelingen groeit het aantal inwoners dat ruimte nodig heeft om te wonen, te werken, te recreëren en zich te verplaatsen. Voldoende ruimte voor verkeer- en vervoersstromen, voldoende ruimte voor het ontplooien van economische activiteit en een schone omgeving zijn factoren die nu al van essentieel belang zijn om een goede positie te behouden. In de toekomst zullen deze nog belangrijker worden in de relatief steeds kleiner wordende wereld. In de Nota en het actieplan Ruimtelijk Economisch Beleid is op hoofdlijnen aangegeven op welke wijze daaraan vanuit de ruimtelijk economische invalshoek invulling zou moeten worden gegeven. Binnenkort zal door middel van het Nationaal Verkeer- en Vervoersplan en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening het beleid op deze respectievelijke onderwerpen worden weergegeven.

Het ruimtelijk economisch beleid zoals verwoord in de Nota en het Actieplan Ruimtelijk Economisch Beleid gaat uit van twee pijlers. Enerzijds de dynamiek in de ruimtelijk economische netwerken en anderzijds het samen werken aan de economie in de «regio».

Dynamiek in ruimtelijk economische netwerken

Voor het verkrijgen en behouden van een excellent vestigingsklimaat is het van groot belang dat er wordt voldaan aan de bovengenoemde eisen ten aanzien van bereikbaarheid, ruimte voor economische activiteit en een schone omgeving. Ondanks ontwikkelingen in de ICT en de groei van de dienstensector leidt de economie van de 21ste eeuw naar verwachting niet tot een verminderde behoefte aan ruimte voor bedrijven of een vermindering van verkeer- en vervoersstromen. Integendeel, er zal sprake zijn van groei en om die te accommoderen zal er meer behoefte ontstaan aan maatwerk. De verwachte behoefte aan bedrijventerreinen bijvoorbeeld, bedraagt jaarlijks ongeveer 1000 ha. Deze nieuwe terreinen zullen zoveel mogelijk in en rond knooppunten van vervoerssystemen zoals steden, worden gesitueerd. Voor een deel kan dat via herstructurering worden gerealiseerd. Maar alleen herstructurering zal onvoldoende blijken om de ruimtebehoefte in te vullen. Het is dan ook van groot belang om op innovatieve wijzen met de ruimte om te gaan. Ondanks moderne technieken voor communicatie zullen mensen zich willen blijven verplaatsen en zullen goederen van a naar b worden getransporteerd. Innovatieve toepassingen kunnen stromen efficiënter laten verlopen, maar transport blijft een evident onderdeel van de economische structuur.

De Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening zal onder andere ingaan op de wijze waarop aan de behoefte aan bedrijventerreinen voldaan kan worden en op de veranderende wensen ten aanzien van de verdeling van de ruimte. De nota schetst de kaders van het ruimtelijk beleid waarbij het van belang is dat er voldoende ruimte is voor:

• het creëren van nieuwe bedrijventerreinen, herstructureren van oude bedrijventerreinen en meervoudig ruimtegebruik. Elke regio moet voldoende ruimte kunnen bieden voor de economische ruimtevraag;

• de wensen van burgers om te wonen en werken waar zij dat verkiezen, ook in en rond de steden;

• lokaal en regionaal bepaald maatwerk om in te kunnen spelen op maatschappelijke dynamiek en marktprikkels.

TIPP en Duurzame bedrijventerreinen

De opvolger van de StiREA, de TIPP (Tender Investeringsprogramma's Provincies) zal waarschijnlijk nog dit najaar in werking treden. Deze regeling stimuleert en ondersteunt provincies en gemeenten bij de ontwikkeling en revitalisering van bedrijventerreinen. Conform het amendement Hindriks/Van Walsem is bij de eerste suppletore begroting 1999 NLG 100 miljoen toegevoegd aan het budget voor de TIPP. Bij de modernisering van bedrijventerreinen zijn er goede kansen voor een dubbelslag: een verhoogde kwaliteit van het terrein leidt tot versterking van de vestigingsplaats en verbetering van het milieu. Voor het stimuleringsprogramma Duurzame Bedrijventerreinen wordt voor de jaren 2001 en 2002 jaarlijks NLG 5 miljoen extra beschikbaar gesteld.

Milieu en economie

Een goed milieu en een goed milieubeleid kan voor bedrijven een positieve vestigingsplaatsfactor zijn. Een gezonde omgeving en schone productiefactoren worden veelal positief gewaardeerd. Het milieubeleid van de laatste jaren werpt vruchten af. Productieprocessen worden schoner en voor de meeste milieuthema's is er ontkoppeling tussen de economische groei en de effecten op het milieu. De kosten voor het milieubeleid groeien echter jaarlijks en bedroegen in 1999 NLG 21 miljard1. Het is dan ook van belang om het milieubeleid op zo'n manier vorm te geven dat de kosten op de meest efficiënte wijze gedragen worden en zo weinig mogelijk ingrijpen in de economische processen. In het komende Vierde Nationale Milieubeleidsplan wordt de verhouding tussen kosten en baten van een instrument bepalend voor de instrumentkeuze en de prioriteitsstelling.

Lange tijd stond het instrument «vergunningen» centraal in het milieubeleid met de lokale overheid als dominante partij. De huidige aanpak met convenanten en bedrijfsmilieuplannen stelt bedrijven in de gelegenheid zélf integrale en betaalbare oplossingen te kiezen. Ook de vergroening van het belastingstelsel geeft bedrijven en burgers financiële prikkels om gedrag aan te passen. In de nabije toekomst kan het milieubeleid, bijvoorbeeld door emissiehandel, de rol van de marktpartijen vergroten en de rol van de overheid beperken tot het bepalen van de spelregels. Verhandelbaarheid van emissies leidt bijvoorbeeld tot minder bestuurlijke bemoeienis van de overheid en tot meer armslag voor de bedrijven. Daarom is het van belang dat Nederland inzet op verhandelbare «milieurechten».

Voor de bestrijding van NOx (verzuring) wordt binnenkort het systeem van verhandelbare emissierechten afgerond. Een kostenbesparing van 50% komt hiermee binnen handbereik. Ook voor andere milieuthema's lijkt verhandelbaarheid een haalbare optie. Het gaat hierbij niet alleen om nationale initiatieven maar ook om vernieuwing van beleidsinstrumenten in internationaal verband. Nederland heeft het Groenboek van de Commissie om tot een emissiehandel in CO2 te komen dan ook positief ontvangen (COM(00)87, d.d. 8 maart 2000).

Samen werken aan economie in de regio

Benutten economische potenties van regio's; convenant samenwerking

Een excellent vestigingsklimaat wordt steeds meer op regionaal niveau bepaald door een veelheid van factoren waaronder het beleid van provincies en gemeenten. Provincies en gemeenten worden daarom gestimuleerd het regionale vestigingsklimaat verder te versterken. In het kader van het convenant «samenwerking in de Regio» pakken EZ, IPO, VNG en het ministerie van Verkeer en Waterstaat naast de bedrijventerreinenproblematiek (inclusief multimodale bereikbaarheid), nu ook zaken aan als aanbesteding en innovatie. Het convenant is in december 1999 gestart en bevat de mogelijkheid om jaarlijks nieuwe onderwerpen te agenderen. Op die manier kan men goed inspelen op de beleidsdynamiek voor de regio's.

EU-structuurfondsen

Als de Europese Commissie de ontwikkelingsprogramma's EPD's (Enig Programmerings Documenten) goedkeurt, kan worden begonnen met de implementatie van de Nederlandse component van het Europese Regionale Beleid in de periode 2000 t/m 2006. De uitvoering is in handen van de regio's en de steden zelf. Tot eind 2000 werken de ministeries van Economische Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij nog aan de afbakening van de verantwoordelijkheden binnen doelstelling 1 en 2 en Interreg voor grensoverschrijdende programma's. De toedeling van verantwoordelijkheden voor de uitvoering van programma's wordt schriftelijk vastgelegd in een convenant van EZ en LNV met de provincies en BZK en de steden. EZ levert bij doelstelling 1 en de uitfasering van doelstelling 2 alsmede bij Interreg een forse bijdrage in de vorm van co-financiering tot totaal NLG 153,5 miljoen.

Grotestedenbeleid (GSB)

De programma's voor de economische pijler in de G25 uit de GSB-convenanten 2000–2003/2004 verkeren volop in de uitvoeringsfase. Voor EZ speelt er een aantal belangrijke aanvullende activiteiten in de sfeer van monitoring, voorbereiding van de mid-termreview 2002 en kennisopbouw en -uitwisseling. De benchmark Gemeentelijk Ondernemingsklimaat is één van de centrale GSB-indicatoren. Voor eind 2001 staat een herhalingsmeting gepland die in directe samenhang met andere indicatoren uit de economische, fysieke en sociale pijlers wordt uitgevoerd.

Regiocontracten

Met twee regio's, Zuid en Oost, zijn door verschillende ministeries (waaronder EZ) voorbereidingen getroffen om nog in het vierde kwartaal van 2000 te komen tot Raamovereenkomsten, de eerste fase van het proces naar Regioconvenanten. Hierin worden voornamelijk intenties en procedure-afspraken vastgelegd.

De eigenlijke Regioconvenanten moeten in het eerste jaar van de nieuwe kabinetsperiode (2002) vorm krijgen. Dan zal ook pas duidelijk zijn welke besluiten het nieuwe kabinet heeft genomen over eventuele nieuwe investeringspakketten (zie ook paragraaf 1.6) en welke regionale vertaling daaraan gegeven is.

Het kabinet heeft afgelopen zomer een procedure vastgesteld ter voorbereiding op de raamovereenkomsten. Dit houdt ondermeer in dat de regio's hun investeringswensen die gerelateerd moeten zijn aan de grote (rijks)nota's, vóór 31 oktober as. bij de vakdepartementen moeten indienen.

HOOFDSTUK 6 DUURZAME ENERGIEVOORZIENING

6.1 Ontwikkelingen op hoofdlijnen

In de omgeving van het energiebeleid voltrekken zich sterke en snelle veranderingen. Belangrijke ontwikkelingen zijn de liberalisering en privatisering in de energiewereld en de groeiende aandacht voor milieuproblemen, met name de CO2-problematiek. In combinatie met de snelle ICT-ontwikkelingen, ontstaan nieuwe mogelijkheden voor goedkopere en efficiëntere vormen van dienstverlening in de energiemarkt.

Door de verscherpte concurrentie op de energiemarkt ontstaat een grotere variatie aan producten en aanbieders. Verzekeringsmaatschappijen of supermarkten kunnen besluiten om onderhoud en levering van energie in hun pakket op te nemen. Ook kunnen multi-utilities ontstaan. De verscherpte concurrentie stelt ook hogere eisen aan de klantgerichtheid. De vraag naar energie wordt – zij het gefaseerd – geliberaliseerd. Hierdoor ontstaat geleidelijk aan een situatie waarin er meer aanbieders komen en er meer vrije vragers zijn naar energie.

Aan de vraagzijde zijn er andere ontwikkelingen. In sommige marktsegmenten wordt prijs een minder belangrijke factor en winnen factoren als de geboden kwaliteit, dienstverlening, gemak, en nieuwe inkoopcombinaties aan belang. Ook hier speelt ICT een rol bij het ontstaan van nieuwe aanbodvormen.

Als gevolg van deze ontwikkelingen zal de overheid zich meer gaan richten op de vraagzijde, dat wil zeggen op de energieverbruikers zelf. Financiële stimuli, convenanten en regelgeving zijn de meest aangewezen middelen. Dat betekent niet dat het beleid gericht op het aanbod kan verdwijnen. Op een aantal punten blijft aanvullend beleid nodig, zoals voor locatieontwikkeling van windenergie en stimulering van nieuwe technologie. Onderzocht wordt hoe de veranderingen in de beleidsaccenten doorwerken op de door Novem uit te voeren programma's en activiteiten. De uitkomsten van het onderzoek worden meegenomen in de programmacyclus 2001.

De geschetste veranderingen en ontwikkelingen vereisen een adequate beleidsreactie; het energiebeleid moet mee met de tijd (zie ook het Energierapport, Kamerstukken II, 1999–2000, 26 898, nrs. 1–2). De doelstelling van het energiebeleid is de realisatie van een duurzame en efficiënte energievoorziening. Hoofdpunten in het moderne energiebeleid zijn:

• Voorzieningszekerheid is geen accuut punt van zorg; de markt kan dat aan. Een punt van aandacht blijft daarbij de groeiende importafhankelijkheid.

• Liberalisering zal zo veel mogelijk worden versneld. Als eerste stap wordt het vrijmaken van de markt voor groene energie voorzien. Een onderdeel hiervan zou een systeem van groencertificaten kunnen zijn.

• Fiscale maatregelen om energiebesparing en duurzame energie te bevorderen.

Maar, rekening houdend met alle veranderingen, zijn nieuwe strategische visies voor het energiebeleid nodig.

Strategische visies

Op dit moment wordt voor energie een aantal visies ontwikkeld. De energievoorziening op de lange termijn, ruwweg tot 2050, is daar één van. Deze visie staat in het teken van mondiale ontwikkelingen, maar gaat ook concreet in op de rol van het Nederlandse aardgas in de ontwikkeling naar een meer duurzame energiehuishouding. In het najaar zal een beleidsrespons op deze lange termijnvisie worden geformuleerd. Medio 2001 zal ook een visie met bijbehorende strategie voor het publieke energieonderzoek worden gepresenteerd waarin onder andere schoon fossiel aandacht zal krijgen.

In een interne markt is voorzieningszekerheid ook een Europees vraagstuk. Eind dit jaar zal de Europese Commissie hierover een mededeling publiceren. Alle energiedragers, mogelijke problemen voor de voorzieningszekerheid van fysieke levering (interconnecties), prijsstabiliteit en de eventuele gevolgen van de uitbreiding van de EU voor de energievoorziening, komen aan de orde.

Klimaat invloeden op het energiebeleid

In de Uitvoeringsnota's Klimaatbeleid (UK I en II) is het kader voor de aanpak van de broeikasgassenproblematiek geschetst. Nederland heeft ten aanzien hiervan een reductiedoelstelling van 6% ten opzichte van 1990. Volgens het GC-scenario komt dat overeen met 50 miljoen ton CO2. In de UK I (Kamerstukken II, 1998/99, 26 603, nrs. 1–2) is aangegeven dat de helft van deze reductiedoelstelling in de periode 2008–2012 met behulp van binnenlandse maatregelen ingevuld zal worden. In het Actieplan Energiebesparing zijn deze binnenlandse maatregelen op energiegebied uitgewerkt.

Uit een op 30 juni 2000 door VROM en EZ georganiseerde bijeenkomst met vertegenwoordigers van betrokkenen en deskundigen, blijkt het beeld voor de uitvoering van de meeste binnenlandse activiteiten positief. Zo laat het zich aanzien dat de producenten van kolengestookte elektriciteitscentrales in Nederland per jaar een bijdrage aan de CO2-reductie van 6 miljoen ton zullen gaan leveren. Afgezet tegen de 25 miljoen ton reductie die met behulp van maatregelen in het binnenland is dat zeker geen geringe bijdrage. De principeovereenkomst wordt in de zomer van 2000 uitgewerkt.

Op 20 maart 2000 is de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid deel II naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 603, nrs. 28–29). Daarin is het beleid ten aanzien van Joint Implementation (JI), Clean Development Mechanism (CDM) en Emissions Trading (ET) uiteengezet. Nederland zal de andere 25 miljoen ton reductie met behulp van deze mechanismen in het buitenland kunnen realiseren.

De ervaring met het proefprojectenprogramma JI heeft geleid tot de «Emission Reduction Unit Procurement Tender» (ERUPT). Hiermee worden Emission Reduction Units (ERU's) gekocht in andere landen met een Kyoto klimaatdoelstelling. Afhankelijk van de ervaring met de eerste tender volgen nieuwe tenders. Nederland loopt hiermee voorop. Er is dan ook veel internationale belangstelling voor deze aanpak.

De Nederlandse overheid participeert in het Prototype Carbon Fund van de Wereldbank en is gekozen tot voorzitter van het «Participants Committee». Samen met vijf andere landen en vijftien multinationals ontwikkelt dit Committee projecten, spoort barrières op en doet voorstellen om deze te slechten. Dit levert kennis op over JI en CDM en biedt tegelijkertijd de mogelijkheid draagvlak voor de Nederlandse JI-aanpak te creëren. In EU-verband wordt meegewerkt aan de ontwikkeling van Emission Trading.

In 2002 is het eerste ijkmoment t.a.v. de genoemde mechanismen gepland. De binnenlandse maatregelen, de kosten en de emissie-ontwikkeling evenals de buitenlandse instrumenten JI, CDM en ET worden dan geëvalueerd. Eventuele aanpassingen van het beleid, bijvoorbeeld het inzetten van maatregelen uit het reservepakket, zijn dan aan de orde. Bovendien zal dan meer bekend zijn over de kosten van de aankoop van CO2-credits en de resultaten van de internationale klimaatconferentie in november 2000 (CoP 6).

Milieusteunkader

Deze zomer heeft de Europese Commissie een concept milieusteunkader gepresenteerd. Het steunkader moet richting geven aan de toelaatbaarheid van milieu- en energiesteun. Dit nieuwe kader gaat waarschijnlijk per 1 januari 2001 in. Nederland heeft er bij de Europese Commissie op aangedrongen zo veel mogelijk ruimte te scheppen voor duurzame stimulering van energiebesparing en duurzame energie.

Regulerende energiebelasting (REB)

In het belastingplan 2001 wordt de derde en laatste tranche ingevuld van de in het Regeerakkoord afgesproken verhoging van de REB tarieven. Verhoging van de tarieven betekent een directe stimulans voor het aanbrengen van energiebesparing zoals de aankoop van energiezuinige apparaten. Ook duurzame energieopties «achter de meter» zoals zonneboilers, warmtepompen, energieopslag, gebouwgebonden pv-installaties en de vraag naar groene energie, worden gestimuleerd met de tariefverhoging.

Bij het onderzoek naar de verdere vergroening van het fiscale stelsel neemt de toekomst van de REB een prominente plaats in. Het CPB bekijkt de effecten van een verbreding van de REB naar grootverbruikers. Halverwege 2001 worden de uitkomsten gerapporteerd aan de Tweede Kamer.

6.2 Verbetering energie-efficiency

Internalisering energiebesparing

Vanaf het begrotingsjaar 2001 wordt een gedeelte van de EZ-begroting voor energiebesparing inclusief bijbehorende beleids- en monitorverantwoordelijkheid, overgeheveld naar de ministeries van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV). De achterliggende gedachte is dat deze ministeries een grotere beleidsintegratie kunnen bewerkstelligen bij de ontvangende partijen. Bovendien is de interactie van deze ministeries met de doelgroep intensiever, waardoor het bereik groter is.

6.2.1 Instrumenten

Convenanten: benchmarking

Sinds de totstandkoming van het convenant Benchmarking Energie-efficiency in juli 1999, zijn er 118 inrichtingen toegetreden. Samen zijn zij goed voor circa 80% van het energiegebruik van de potentiële benchmarkbedrijven in de industrie. De bedrijven bepalen momenteel de wereldtop waaraan zij zich zullen spiegelen en stellen energie-efficiencyplannen op om de top te bereiken. Het Verificatiebureau benchmarking toetst de uitkomsten. De eerste plannen zullen naar verwachting nog in 2000 worden ingediend bij het bevoegd gezag.

Convenanten: Meer Jaren Afspraken (MJA's)

Bij de nieuwe MJA's is de verdere verbetering van de proces-efficiency opnieuw een centraal thema. Waar mogelijk worden nieuwe thema's in deze MJA's opgenomen, zoals energiezuinig productontwerp, dematerialisatie, efficiency in transport en logistiek, duurzame bedrijventerreinen en duurzame energie. De deelname-eisen aan de nieuwe MJA's bestaan uit een goedgekeurd energiebesparingsplan en de toezegging in 2002 een goedgekeurd energiezorgsysteem operationeel te hebben. Naar verwachting zullen dit najaar de eerste nieuwe MJA's afgesloten kunnen worden.

WarmteKrachtKoppeling (WKK)

Vanwege veranderingen in de energiemarkt staat de ontwikkeling van WKK onder druk. Er zijn aanvullende stimuleringsmaatregelen nodig die zowel gericht zijn op het behoud van bestaande WKK-installaties als op het stimuleren van de bouw van nieuwe WKK. Aangezien er nog steeds rendabele toepassingsgebieden voor WKK zijn, is het belangrijk de juiste doelgroepen te bereiken met de maatregelen. Momenteel wordt gewerkt aan een evenwichtig pakket van maatregelen waarbij een verhoging van de EIA, de omvorming van de BSB en de zogenoemde afdrachtskorting WBM, worden bezien. Hiervoor is additioneel een bedrag van NLG 140 miljoen per jaar beschikbaar. De huidige REB-vrijstelling voor elektriciteit zoals die binnen de inrichting van de warmtekracht- exploitant wordt gebruikt, blijft ook in 2001 gehandhaafd. Daarnaast gaat DTe na of de kostenvoordelen die de inzet van WKK met zich meebrengen, ook via de tarieven aan WKK worden doorgegeven. Ook de tariefopbouw wordt kritisch beschouwd.

Stroomlijning

In 1999 was er sprake van dertig energieprogramma's ingevolge het Besluit subsidies energieprogramma's (BSE). In 2000 is die veelheid teruggebracht tot drie programma's (met daarbinnen deelprogramma's):

1. Energiebesparing in industriële en agrarische bedrijven en algemene energieconversie,

2. Energiebesparing in de gebouwde omgeving en ruimtelijke aspecten en

3. Duurzame energie.

In 2001 zal een verdere stroomlijning binnen deze drie programma's plaatsvinden door ze generieker van karakter te maken. Subsidiëring van energiebesparingprojecten op het gebied van verkeer en vervoer, woning- en utiliteitsbouw en in de primaire agrarische sector vindt niet langer plaats op basis van de BSE, maar binnen de subsidiestelsels van de verantwoordelijke ministeries. Dit is het gevolg van de internalisatie van het energiebesparingsbeleid, de overheveling van taken op het gebied van energiebesparing naar andere ministeries. Ook dit komt de stroomlijning ten goede.

Sinds 1999 zijn er stappen gezet om de toegankelijkheid van het BSE-instrument te vergroten. Het betrof onder andere een meer klantgerichte opvang en doorverwijzing van ondernemers en een betere inrichting van internetsites. De effecten van deze wijzigingen worden gemonitord zodat bijsturing kan plaatsvinden.

6.3 Verhoging aandeel duurzame energie

Het bevorderen van duurzame energie is en blijft een belangrijk beleidsonderwerp. Om het voor 2020 geplande aandeel duurzame energie te behalen is een aanzienlijke verhoging van het aandeel duurzame energie nodig. Om die verhoging te realiseren wordt aan de vraag- en de aanbod-zijde een actief beleid gevoerd

Versterking vraag naar duurzame energie

Om de vraag naar duurzame energie te bevorderen worden de volgende beleidsvoornemens gerealiseerd.

1. De geplande derde tranche in de verhoging van de regulerende energiebelasting (REB) geeft een belangrijke impuls aan de vraag naar duurzame energie. Door de verhoogde REB wordt fossiele energie duurder ten opzichte van duurzame energie dat een nihiltarief van de REB kent. Dit heeft een krachtig, positief effect op de concurrentiepositie van duurzame energie.

2. Het kabinet heeft besloten om met ingang van 2001 circa NLG 60 miljoen extra beschikbaar te stellen voor de toepassing van duurzame energie bij particulieren. Bij de uitwerking wordt primair gedacht aan de bevordering van het gebruik van zon-pv, maar ook andere maatregelen zullen in beschouwing worden genomen zoals zonneboilers, warmtepompen en daglichtvoorzieningen. Deze impuls zou vorm kunnen krijgen door de EnergiePremieRegeling uit te breiden naar duurzame energie. VROM en EZ zijn momenteel gezamenlijk bezig dit uit te werken.

3. De recente wijziging van de Elektriciteitswet biedt de mogelijkheid de markt voor groene stroom versneld te liberaliseren. Naar verwachting leidt dit tot een toename van de vraag naar groene stroom.

Onderzoek heeft uitgewezen dat er een grote potentiële vraag bestaat naar duurzame energie en dat klanten (huishoudens, bedrijven en instellingen) bereid blijken meer te betalen voor groene stroom. Deze autonome ontwikkeling heeft een positief effect op de vraag naar duurzame energie. En leidt tot een toename in de omzet van groene stroom van de energiedistributiebedrijven.

In het kader van het Milieu Actie Plan (MAP) namen de energiedistributiebedrijven de resultaatsverplichting op zich in 2000 3,2% van hun elektriciteitsomzet te dekken met opwekking uit duurzame bronnen. Begin 2001 wordt bezien of dit resultaat daadwerkelijk behaald is.

Versterking aanbod van duurzame energie

De vraag naar duurzame energie neemt toe. Natuurlijk moet er dan voldoende aanbod zijn. Het aanbod wordt langs drie pijlers versterkt:

1. De prijs-prestatieverhouding wordt verbeterd door uitvoering van ECN en Novem programma's.

2. De regeling Groen Beleggen is zodanig aangepast dat investeerders in duurzame energie profiteren van een verlaagd rentepercentage. Ook fiscale instrumenten als EIA, Vamil en de REB dragen bij aan het aantrekkelijk maken van investeringen in duurzame energie-opties. Dit is van wezenlijk belang voor het bevorderen van marktpenetratie.

3. In 2001 wordt de campagne «Duurzame Energie Vanzelfsprekend» voortgezet. Deze succesvolle campagne draagt bij aan de kennis over en belangstelling voor duurzame energie. Hetzelfde geldt voor het Projectbureau Duurzame Energie. In 2001 wordt bezien of, en zo ja, in welke vorm de PDE-activiteiten voortgezet worden.

De recente afspraken over CO2-emissiereductie met de eigenaren van kolencentrales vormen een impuls voor de inzet van biomassa in de Nederlandse energievoorziening. Met de reductie van 6 mln. CO2 draagt de sector zeer substantieel aan bij het beperken van de nationale CO2-emissies. Hiermee wordt een kwart van de binnenlandse doelstelling zoals geformuleerd in UKI gehaald. Het onlangs tot stand gekomen akkoord op hoofdlijnen tussen de elektriciteitssector en de overheid voorziet onder andere in een essentiële vergroting van de inzet van biomassa. Als gevolg daarvan zal, in de periode tot 2010, het aandeel duurzame energie verdubbelen ten opzichte van de inzet in 1999 tot circa 70 PJ. Het aandeel biomassa in de doelstelling voor duurzaam voor 2010 wordt via dit akkoord vrijwel volledig ingevuld. Nog in 2000 zullen nieuwe emissie-eisen voor biomassaverwerking worden vastgesteld. De bestaande onduidelijkheden worden dan weggenomen. Het niveau van de eisen zal zodanig zijn dat de inzet van biomassa voor energie-opwekking niet in het gedrang komt.

Er zijn voldoende technisch mogelijke landlocaties aanwezig om de doelstelling van 1500 MW in 2010 te realiseren. Bestuurlijke knelpunten vormen de voornaamste oorzaak voor het achterblijven van de daadwerkelijke realisatie van grootschalige duurzame energie-opties met name bij windturbines. Uit het Inter Provinciaal Overleg blijkt dat alle provincies bereid zijn om in 2000 een nieuwe bestuursovereenkomst plaatsingsproblematiek windenergie te sluiten met de rijksoverheid. Voor de plaatsing van windturbines op zee wordt in interdepartementaal verband gewerkt aan het juridisch kader voor windenergie-winning op het continentaal plat. De planologische procedure voor het near shore-windpark mondt binnenkort uit in een kabinetsbesluit over de definitieve locatie.

HOOFDSTUK 7 BEHEER EN BESTUUR

Financieel beleid en beheer

«Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording»

De VBTB-begroting is binnen EZ inmiddels een bekend fenomeen. Een belangrijk doel, te weten het EZ-breed agenderen van het gedachtegoed van de regeringsnota «Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording», is daarmee bereikt. Er is de afgelopen tijd veel geïnvesteerd in VBTB. De voorbeeldbegroting van EZ, waar in september 2000 over gesproken is tussen de Tweede Kamer en EZ, is daar een resultaat van. Na het opleveren van de voorbeeldbegroting in mei 2000 is de aandacht verschoven naar de daadwerkelijke voorbereiding van de implementatie. Daarvoor resteert betrekkelijk weinig tijd, omdat de begrotingsvoorbereiding 2002 reeds eind 2000 start. Belangrijke activiteiten zijn in dat kader het uitwerken van de gegevensverzamelingen die noodzakelijk zijn voor een adequate oplevering van prestatie-indicatoren en de aanpassing van geautomatiseerde systemen, zoals de begrotingsadministratie van EZ. De Tweede Kamer zal eind 2000 in een tweede vervolgrapportage VBTB nader geïnformeerd worden over de stand van zaken van het implementatieproces.

Financieel beheer

Het toezicht op de rechtmatigheid van uitgaven geeft sinds enige jaren een bevredigend beeld. De Algemene Rekenkamer stelt in haar rechtmatigheidsonderzoek over 1999 vast dat het financieel beheer bij EZ een positieve ontwikkeling vertoont. Dit ondanks de extra inspanningen die de operatie VBTB vergt van de organisatie. Uiteraard zijn op onderdelen verbeteringen mogelijk. Deze verbeterpunten worden door EZ aangepakt.

In 1998 is besloten om, voor een geselecteerd aantal dossiers, de ex ante-toetsing op rechtmatigheid van een financieel dossier te decentraliseren. Deze ex ante-toetsing komt in voorkomende gevallen bij de financiële stafbureaus van Directoraten-Generaal te liggen, waarbij de centrale directie Financieel-economische Zaken (FEZ) ex post-toezicht uitvoert. Deze verschuiving wordt gefaseerd doorgevoerd. Daar waar de noodzakelijke randvoorwaarden aanwezig zijn, vindt verdere decentralisatie plaats.

Misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O)

Medio dit jaar heeft EZ besloten tot diverse maatregelen die moeten leiden tot een verbetering van het beleid ter voorkoming van M&O. Deze maatregelen bestaan uit:

• Het in één centraal document vastleggen van het M&O-beleid van EZ;

• Een expliciete toetsing op M&O-aspecten aan de hand van een checklist bij de opzet en aanpassing van regelingen;

• Het bepalen van één meldingsdefinitie voor subsidies (zowel voor nationale als EU-subsidies);

• Het instellen van een centraal meldpunt M&O binnen het ministerie. Dit meldpunt behoort tevens een expertisefunctie te hebben ten einde een uniforme interpretatie van regelgeving te bevorderen.

Deze maatregelen zullen zo veel mogelijk reeds in 2000 worden geïmplementeerd.

De planning en control cyclus

De bestaande werkplancyclus bestrijkt reeds enige jaren de gehele organisatie van EZ en heeft zijn waarde voor de bedrijfsvoering van het ministerie ruimschoots bewezen. Medio 2000 is besloten tot een vernieuwing van de werkplancyclus die zal aanvangen met de cyclus 2001. Een vernieuwend element is de meer thematische benadering. De onderdelen van het ministerie worden enerzijds uitgenodigd aan te geven welke bijdrage zij kunnen leveren aan bepaalde gezichtsbepalende EZ-brede thema's en worden anderzijds uitgedaagd thema's aan te dragen die in hun visie voor EZ gezichtsbepalend kunnen zijn. Mede op basis van inbreng van de organisatieonderdelen wordt voor EZ een concernagenda, alsmede een samenvattend EZ-werkplan opgesteld. Uiteraard zullen de beleidsmatige elementen van de concernagenda gekoppeld worden aan de «beleidsagenda» die EZ met ingang van 2002 in de VBTB-begroting zal presenteren. De werkplancyclus en de begrotingscyclus worden daarmee hechter verbonden dan tot nu toe het geval was.

Budgetteringsafspraak

Gezien de waarde van de budgetteringsafspraak voor de doelmatigheid van het begrotingsoverleg wordt genoemde afspraak tussen de Ministeries van Financiën en EZ voortgezet. De reikwijdte van de budgetteringsafspraak is vermeld in de inleiding van de artikelsgewijze toelichting.

Personeel, organisatie en informatiemanagement

EZ wordt geconfronteerd met een aantal turbulente maatschappelijke ontwikkelingen:

• De arbeidsmarkt verandert van een aanbodmarkt in een vraagmarkt. De nieuwe medewerker wenst individuele keuzes te maken als het gaat om werken, leren en zorgen.

• De informatie- en communicatietechnologie ontwikkelt nieuwe (toepassings)mogelijkheden. EZ vindt dat zij, als ministerie dat ICT beleid uitdraagt in Nederland, bij de benutting hiervan voorop moet lopen.

• De politiek-bestuurlijke context wordt complexer. Beleidsproblemen overstijgen de afzonderlijke maatschappelijke sectoren en ministeries, de overheid krijgt steeds meer een regierol in de beleidsvorming.

Om adequaat op deze ontwikkelingen in te spelen moet een integraal personeel-, organisatie- en informatiemanagementbeleid primair gericht zijn op een flexibilisering van de gehele organisatie, op speelruimte voor de vrije inzet van mensen en kennis binnen het ministerie.

In dat kader luidt de missie van EZ op het terrein van personeel, organisatie en informatiemanagement:

«zorgdragen voor een flexibele organisatie door het inzetten op de juiste plaats en tijd van medewerkers met de juiste kennis.»

Dat betekent:

«een flexibele organisatie...»:

Om steeds complexere problemen op te kunnen lossen zal EZ in staat moeten zijn om medewerkers naar behoefte te kunnen inzetten. Daarom wordt ernaar gestreefd om over de grenzen van de eigen directie – of zelfs het eigen ministerie – heen samen te werken. Werken in projectverband is daartoe een middel; projectmatig werken wordt volgend jaar elektronisch ondersteund.

«...van de inzet van mensen...»:

Voor een effectieve en flexibele inzet van medewerkers is het noodzakelijk dat bekend is welke kwaliteiten op welke plaats in de organisatie nodig zijn («vraag») en dat bekend is welke kwaliteiten in huis aanwezig zijn («aanbod»). Op die manier wordt het mogelijk om op aanwezige en gewenste kwaliteiten van medewerkers te sturen: competentiemanagement. Wanneer ook de bij de medewerkers aanwezige en gewenste competenties of talenten in beeld worden gebracht, wordt het mogelijk om gerichte persoonlijke ontwikkelingstrajecten uit te zetten: employability management.

Via het intranet is hiermee reeds een start gemaakt. Het komende jaar zal dit systeem in grote delen van het ministerie worden uitgerold.

Serieuze aandacht voor persoonlijke ontwikkeling maakt EZ bovendien een aantrekkelijke werkgever, zowel voor huidige als potentiële medewerkers (instroom).

«...en van kennis»:

Het snel beschikbaar krijgen en optimaal benutten van kennis en informatie wordt steeds meer een cruciale succesfactor, zowel naar binnen als naar buiten. Goed kennismanagement is daarbij essentieel. Binnen EZ worden inmiddels expertsystemen opgezet met informatie over kennis, werkervaring en opleiding. Ook is kortgeleden gestart met het digitaliseren van poststromen en archieven. Doel daarvan is het ondersteunen van bedrijfsmatiger werken door zowel documenten als de informatie in de documenten beter op te slaan, te verspreiden, toegankelijker te maken, sneller beschikbaar te stellen en te herbewerken.

Kennis, informatie en communicatiekanalen worden ook voor derden toegankelijk en interactief gemaakt (EZ-winkel op internet). Zoals eerder aangegeven zal Senter dit najaar de eerste elektronische WBSO-aanvraag in behandeling nemen, terwijl eveneens dit najaar een proefwebsite wordt geopend met een elektronisch zoeksysteem voor (vooralsnog EZ)-regelingen1. Het Bureau I.E. biedt via Internet toegang tot een drietal octrooizoeksystemen en is bezig met een pilot voor o.a. het elektronisch indienen van octrooiaanvragen.

EZ heeft het professioneel inkopen en aanbesteden bij de overheid op de agenda gezet, en heeft zichzelf daarmee verplicht op dit gebied een voortrekkersrol te spelen. Er zal veel moeten gebeuren, maar een eerste begin is gemaakt. Zo worden de Europese aanbestedingen gepubliceerd op de EZ-internetsite en zal, zodra mogelijk, ook een start worden gemaakt met het elektronisch aanbesteden van projecten onder de Europese aanbestedingsgrens. De ambitie van het kabinet om uiterlijk in 2002 25% van de publieke dienstverlening via elektronische weg af te handelen2 heeft ook flinke consequenties voor EZ. Vanuit de voorbeeldfunctie van EZ op ICT-gebied hoort EZ hierbij voorop te lopen. Uiteraard dient voor een adequate elektronische dienstverlening de organisatie voldoende te zijn toegerust. De komende twee jaar zal EZ hard aan de slag gaan om haar voorbeeldfunctie waar te maken en de organisatie optimaal toe te snijden op het e-government tijdperk.

Arbeidsmarkt

Om de positie van EZ op de arbeidsmarkt te verstevigen wordt gewerkt aan de uitbreiding van het pakket secundaire arbeidsvoorwaarden, waaronder het bieden van buitenschoolse opvang voor 4–12-jarigen. Het personeelsbestand van EZ (exclusief CBS) bestond op 31-12-1999 voor 37% uit vrouwen. Het aanbod van managementtalent heeft in de promovabelenronde van 1999 geleid tot 9 promovabele kandidaten, waarvan 7 vrouwen (tegenover 1998: 9 promovabele kandidaten, waarvan 2 vrouwen). Momenteel wordt een nieuw MD-beleid ontwikkeld dat vooral gericht is op ontwikkelingstrajecten en waarin aanbevelingen worden verwerkt uit een onderzoek naar belemmeringen die vrouwelijk managementtalent ondervinden bij het doorgroeien binnen EZ. Bovendien zijn er in het afgelopen jaar twee vrouwelijke directeuren en een plaatsvervangend directeur benoemd.

C. TOELICHTING PER BEGROTINGSARTIKEL

INLEIDING

Deze inleiding schetst in hoofdlijnen de samenstelling van de ontwerpbegroting 2001 van EZ (paragraaf 1) en de meest omvangrijke mutaties op de EZ-begroting, inclusief de intensiveringen waartoe het kabinet dit voorjaar heeft besloten (paragraaf 2). Paragraaf 3 gaat nader in op de intensiveringen die samenhangen met het Lissabon-pakket op het gebied van kennis en innovatie. In paragraaf 4 zijn specificaties opgenomen van de EZ-uitgaven die vallen onder de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) en het Grote Steden Beleid (GSB). Ook is een specificatie opgenomen van de budgetteringsafspraak die bestaat tussen het Ministerie van Financiën en EZ (paragraaf 5) en wordt inzicht gegeven in het instrumentarium dat gericht is op het MKB (paragraaf 6). Tot slot gaat paragraaf 7 in op de in de artikelsgewijze toelichting gehanteerde begrotingspresentatie.

1. Begrotingstotalen en samenstelling op hoofdlijnen

Onderstaande grafiek geeft inzicht in de omvang van de EZ-meerjarenbegroting en de verdeling daarvan over apparaatsuitgaven, reguliere beleidsuitgaven, niet-reguliere beleidsuitgaven1, HGIS-uitgaven en de in het voorjaar van 2000 in het kabinet afgesproken intensiveringen2.

Kasuitgaven EZ in 2000, 2001 en 2005 (mln)kst-27400-XIII-2-1.gif

2. Majeure mutaties ontwerp-begroting 2001

Onderstaande tabellen bevatten de belangrijkste mutaties ten opzichte van de ontwerpbegroting 2000, inclusief de in het voorjaar van 2000 afgesproken intensiveringen op de EZ-begroting. Voor een toelichting op de afzonderlijke posten wordt verwezen naar het desbetreffende artikel. Een deel van de in deze tabel opgenomen mutaties is reeds toegelicht in de eerste suppletore begroting 2000. De HGIS-mutaties worden eveneens afzonderlijk gepresenteerd in paragraaf 4.

Majeure mutaties
Uitgaven (x NLG 1 mln)200020012002200320042005
Stand MN 20003 683,13 687,13 696,93 671,83 658,6 
ECD naar Financiën (01.01)– 40,6– 40,0– 38,6– 38,4– 38,3 
Europese statistieken CBS (01.01) 10,010,010,010,0 
Marktwerking en adm.lasten (01.01/01.15/05.21)7,212,312,512,512,5 
Toevoeging loon- en prijsbijstelling (01.03/01.04)52,057,362,465,766,8  
Toevoeging kennis & innovatie (zie paragraaf 3)17,056,285,6121,1124,9  
Innovatief aanbesteden (02.02)8,59,57,0    
Temporisatie EET en Gigaport (02.02/02.13)15,53,01,0    
Generale kasschuif (02.03/02.08/09.03)119,3– 44,9– 26,1– 41,7– 5,1 
Van Defensie voor JSF (02.08)13,013,013,04,5  
Regeling experimentele faciliteiten (02.12) 15,010,0   
Van Defensie voor KSG (03.07)12,5      
Nedcar (03.08)206,9     
Bedrijventerreinen (04.10) 10,015,025,025,0 
Rijkswerf Den Helder (04.11) 18,712,022,3   
HGIS (zie paragraaf 4)39,250,220,28,512,0  
WIR (08.01)15,0– 30,0– 15,0– 7,0– 2,0 
Internalisering energiebeleid (09.01) – 11,1– 21,3– 28,2– 33,0  
EINP (09.01)3,08,510,010,010,0 
CO2-reductie (09.07)32,0      
Desaldering COVA (09.21) – 25,8– 22,6– 22,6– 22,6 
Compensatie eindejaarsmarge (diverse artikelen)– 20,5     
Uitgaven u.h.v. specifieke ontvangsten (diverse artikelen)55,318,4– 10,212,229,3  
Overig (diverse artikelen)2,910,94,30,47,8 
Stand MN 20014 221,43 828,33 826,23 825,93 855,83 789,7
 
Ontvangsten x NLG 1 mln200020012002200320042005
Stand MN 20003 726,43 506,43 015,83 022,52 947,8 
Temporisatie Fes-bijdrage EET/Gigaport (02.05)15,53,01,0    
Bijdrage Fes kennis & innovatie (02.05) 50,050,050,050,0  
Bijdrage Fes bedrijventerreinen (02.05) 10,015,025,025,0 
Bijdrage Fes regeling exp.faciliteiten (02.05) 15,010,0   
Wegvallen dividend Hoogovens (03.01)– 16,1– 16,1– 16,1– 16,1– 16,1 
Nedcar (03.03)224,7      
Grondopbrengst Beek (04.03) – 30,0     
Holland Casino's, generaal deel (05.12)– 9,0– 3,5 7,517,5  
HGIS (zie paragraaf 4)4,9– 1,2– 1,2– 1,2– 1,2  
WIR (08.01)– 5,0– 4,0– 1,0    
Aardgasbaten (09.01)936,01 462,01 638,01 170,0877,0 
Desaldering COVA (09.21) – 25,8– 22,6– 22,6– 22,6 
Specifieke ontvangsten t.b.v. uitgaven (diverse artikelen)55,318,4– 10,212,229,3  
Overig (diverse artikelen)– 1,20,9– 1,8– 4,9– 1,0 
Stand MN 20014 931,64 985,24 676,94 242,43 905,63 929,7

3. Intensiveringen Lissabon-pakket op het gebied van kennis en innovatie

Bij de begrotingsvoorbereiding 2001 heeft het kabinet besloten tot diverse intensiveringen op de EZ-begroting in het kader van het Lissabon-pakket op het gebied van kennis en innovatie. Voor een nadere inhoudelijke toelichting op die intensiveringen wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van het algemeen deel van de Memorie van Toelichting bij deze begroting. In onderstaande tabel worden de bijbehorende kasbedragen gepresenteerd.

 
Kasbedragen x NLG100020002001200220032004
1. Vraaggestuurd en innovatiefgericht fundamenteel-strategisch onderzoek1 5005 50010 50017 75025 000
      
2. Investeren in kennisontwikkeling (IOP's) 5523 1355 7707 860
      
3. Concurreren met ICT-competenties 25 40032 80040 20047 600
Baanbrekende applicatieprojecten 7 40014 80019 20026 600
Fundamenteel vraaggericht onderzoek 3 0003 0006 0006 000
Halfgeleidertechnologie Medea II 15 00015 00015 00015 000
      
4. Kennisoverdracht MKB13 25025 75024 75027 00027 000
Bedrijfsgerichte kennisoverdracht instrumentarium 5 50011 00011 00011 000
Branchegerichte kennisoverdracht instrumentarium 2 2506 7509 0009 000
Syntens 2 0002 0002 0002 000
Innovatienet (website)3 5003 500   
Implementatie Ondernemerschapsnota2 2505 0005 0005 0005 000
ICT-campagne7 5007 500   
      
5. Technostartersclusters2 0005 00020 00030 00020 000
      
6. Investeren in Arbeid & Onderwijs3 3759 54014 94018 12022 440
Totaal kennis en innovatie20 12571 712106 125138 840149 900

De dekking van deze intensiveringen vindt plaats uit de middelen die hiervoor bij besluitvorming in het voorjaar van 2000 door het kabinet ter beschikking zijn gesteld en uit een bijdrage van het Fonds Economische Structuurversterking (Fes). Het resterende deel van de dekking is gevonden via een prioritaire toewijzing van prijsbijstelling aan deze intensiveringen. Onderstaande tabel geeft hiervan een overzicht.

 
Kasbedragen x NLG100020002001200220032004
Besluitvorming in het voorjaar van 200017 0006 20035 6007 1 10074 900
Bijdrage van het Fes 50 00050 00050 00050 000
Prioritering prijsbijstelling3 12515 51220 52517 74025 000
Totaal dekking kennis en innovatie20 12571 712106 125138 840149 900

4. Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) en Grote Steden Beleid (GSB)

Sinds 1997 valt een deel van de EZ-begroting onder de HGIS en daarmee onder het aparte budgettaire regime voor de HGIS. Onderstaand overzicht bevat de HGIS-relevante posten in de EZ-begroting.

Meerjarenramingen HGIS
(Kasbedragen x NLG 1 mln)200020012002200320042005
Uitgaven      
01.01–050 Ambtelijk personeel TWA3,9724,0454,0934,0934,0934,093
01.01–111 Materieel voorlichting DG BEB0,051     
01.01–550/560/570 Apparaatskosten EVD19,908      
01.55–040 Bijdrage DG BEB aan Senter17,43417,39717,39717,39717,39717,397
02.02–760 Specifieke bedrijfsgerichte technologie stimulering0,8010,8910,9040,8671,4001,400
02.03–011 BIT / opkomende markten6,9969,2359,2548,8708,8708,870
04.11–040 Toeristisch beleid, WTO0,3500,3550,3590,3590,3590,359
07.01 Internationale organisaties15,55017,23015,94915,94915,94915,949
07.02 Bevordering buitenlandse economische betrekkingen41,80147,17151,62553,82852,73553,175
07.03 Stimulering exportactiviteiten213,611219,653168,119125,561115,241117,111
07.04 EVD29,02646,18845,88145,88145,88145,881
07.05 Afwikkeling Economische hulp Oost-Europa tot 2000122,21372,89745,50031,00015,0005,000
07.07 Economische samenwerking en kennisoverdracht15,85054,09491,504108,830120,710128,400
09.07 Joint -Implementation4,00018,78051,28082,54086,040105,434
Totaal HGIS-uitgaven491,563507,936501,865495,175483,675503,069
Ontvangsten      
07.01 BEB9,0004,0004,0004,0004,0004,000
07.02 EVD2,223  
Totaal HGIS-ontvangsten11,2234,0004,0004,0004,0004,000

Het HGIS-relevante deel van de EZ-begroting is ten opzichte van de ontwerpbegroting 2000 gewijzigd door enkele omvangrijke mutaties. De grote mutaties betreffen de toedeling van de eindejaarsmarge 1999, het toevoegen aan de EZ-begroting van middelen voor de Garantiefaciliteit Opkomende Markten (GOM) en het Programma Starters op Buitenlandse markten (PSB) uit de intensiveringsruimte HGIS en het aanpassen van de kasraming voor Joint Implementation (JI). Onderstaand overzicht geeft het geheel van mutaties:

Mutaties HGIS-relevante middelen ten opzichte van ontwerpbegroting 2000
(Kasbedragen x NLG 1 mln)200020012002200320042005
Uitgaven      
Stand MN 2000452,364457,700481,699486,699471,699 
Meerontvangsten4,9211,0001,0001,0001,000 
Loon- en prijsbijstelling uit intensiveringsruimte2,1582,1592,1592,1592,159 
Verhoging GOM uit intensiveringsruimte50,00050,000    
Verhoging PSB uit intensiveringsruimte3,1205,520    
Eindejaarsmarge 1999  17,950    
Verlaging uitgavenraming EVD met ontvangstenraming EVD – 2,223– 2,223– 2,223– 2,223 
Aanpassing kasraming Joint Implementation– 21,000– 6,2201,2807,54011,040 
Stand HGIS-uitgaven MN 2001491,563507,936501,865495,175483,675503,069
Ontvangsten      
Stand MN 20006,3025,2235,2235,2235,223  
Incidentele terugontvangst subsidietoezegging Indonesië3,921      
Structurele verhoging ontvangsten gemengde kredieten1,0001,0001,0001,0001,000 
Afboeking ontvangsten EVD ivm. Agentschapsvorming – 2,223– 2,223– 2,223– 2,223 
Stand HGIS-ontvangsten MN 200111,2234,0004,0004,0004,0004,000

Op de EZ-begroting worden de uitgaven voor GSB geraamd op artikel 04.10 Investeringen in stedelijke en regionale economische ontwikkeling. Het budget van EZ binnen GSB wordt ingezet onder de noemer stadseconomie. Voor de convenantsperiode 1999–2003/4 wordt door EZ een totaal bedrag van NLG 252 mln voor fysieke stadseconomie beschikbaar gesteld. Dit budget wordt via de ISV-wet ingezet. Voor de niet-fysieke stadseconomie wordt voor de periode 1999–2003 een totaal bedrag van NLG 111 mln ingezet. Door de toevoeging van de vijf aanleungemeenten (G5) is bij eerste suppletore begroting 2000 het stadseconomie-budget incidenteel opgehoogd met in totaal NLG 6,1 mln (NLG 3,6 mln fysiek en NLG 2,5 niet-fysiek). Gezien het karakter van de niet-fysieke projecten (kortlopend) en mede op verzoek van de steden zelf, heeft EZ het kasritme van dit deel van het GSB-budget versneld (beschikbare middelen na 2004 naar voren gehaald).

Meerjarenramingen GSB
(Kasbedragen x NLG 1 mln)200020012002200320042005
Stand MN 200018,228,944,367,572,5  
Verhoging tbv G5 (aanleungemeenten)1,31,81,21,8   
Actualisatie kasritme3,91,37,710,119,9 
Stand GSB-uitgaven MN 200123,331,953,179,492,488,4

5. Budgetteringsafspraak

Voor het grootste deel van de EZ-begroting bestaat tussen het Ministerie van EZ en het Ministerie van Financiën een budgetteringsafspraak. Daarmee wordt beoogd het doelmatig beheer te stimuleren en het overleg tussen vakdepartementen te vereenvoudigen. Voor de artikelen die vallen onder de HGIS geldt een afwijkend regime. Alle niet-HGIS artikelen vallen onder de budgetteringsafspraak, met uitzondering van de volgende artikelen:

Uitgaven

• 02.13 Projecten gefinancierd uit het Fes

• 03.08 Nedcar

• 08.01 Investeringsbijdragen en toeslagen WIR

• 09.21 COVA

• 09.22 Uitkering aan houder certificaten EBN B.V.

Ontvangsten

• 02.05 Ontvangsten uit het Fes

• 03.03 Ontvangsten uit bijdragen aan de industrie (voorzover het dividendontvangsten betreft)

• 04.03 Diverse ontvangsten regionaal beleid (voorzover het dividendontvangsten betreft)

• 05.12 Opbrengst casino's

• 08.01 Ontvangsten WIR

• 09.01 Aardgasbaten

• 09.02 Uitkeringen EBN B.V.

• 09.03 COVA

• 09.04 Dividend UCN N.V.

6. Overzicht MKB-instrumenten:

Onderstaand is een overzicht opgenomen van EZ-instrumenten die primair gericht zijn op het MKB. Voor een nadere toelichting op de afzonderlijke instrumenten wordt verwezen naar de bijlage bij deze begroting inzake financiële stimulansen van EZ (bijlage 6).

EZ-regelingen MKB
 Verplichtingen 2001 (x NLG 1 mln)Artikel(sub)
• Referentieprojecten milieu4,002.02 710
• Twinning*02.02 745
• Haalbaarheidsprojecten MKB47,602.02 810
• Syntens68,702.05 030
• Subsidieregeling Kennisdragers in het MKB (KIM)7,002.12 070
• Economisch Instituut MKB (EIM)8,405.02 010
• Projecten MKB en ondernemerschap (PMO)10,805.02 520
• Borgstellingsregelingen1 000,705.03
• Bedrijfsbeëindigingshulp (gesloten voor nieuwe toetreders)10,805.05
• Subsidieregeling startende exporteurs (PSB)16,007.02 130

* Evaluatie van het Twinning-netwerk wordt uitgevoerd. De resultaten van de evaluatie zullen worden gemeld aan de Tweede Kamer. Besluitvorming over Twinning zal later plaatsvinden.

Voor een overzicht van fiscale regelingen die openstaan voor het MKB, wordt verwezen naar bijlage 4 van de Miljoenennota 2001 over belastinguitgaven. Onderstaand wordt een overzicht gegeven van de relevante maatregelen die zijn ingevoerd in het kader van het Ondernemerspakket 21e eeuw. Voor een inhoudelijke toelichting op hoofdlijnen wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van het algemeen deel van de Memorie van Toelichting bij deze begroting.

Ingevoerd in het kader van het Ondernemerspakket 21e eeuw

• Verlaging Vpb-tarief naar 30% over winst tot NLG 50 000  
• Schrappen ombuiging WBSO en investeringsaftrek  
• Omvorming vervangingsreserve in herinvesteringsreserve  
• Fiscale begeleiding herstructurering land- en tuinbouw  
• Verruiming doorschuifregeling  
• Verruiming investeringsaftrek  
• Regeling terugkeer uit de BV  
• Verlaging kapitaalsbelasting naar 0,55% 
• Vereenvoudiging procedure afdrachtvermindering S&O 
• Betalingsregeling inzake stakingswinst ondernemerswoning  
• Teruggaafregeling paarse dieselolie  
• Aanpassing WBSO: inflatiecorrectie schijven en extra verhoging, verhoging percentage (techno)starters 
• Invoering regeling durfkapitaal 

7. Begrotingspresentatie

Getracht is het overzicht van het EZ-instrumentarium en het inzicht in de samenhang te verbeteren door in de artikelsgewijze toelichting – daar waar dienstig – aan het begin van de (hoofd)beleidsterreinen een figuur op te nemen waarin het desbetreffende instrumentarium op samenhangende wijze wordt gepresenteerd. In de figuren, die veelal de vorm van een matrix hebben, wordt het instrumentarium zoveel mogelijk geclusterd naar relevante categorieën en onderdelen. Vanwege de verschillen tussen de beleidsterreinen en de instrumenten zijn uiteraard ook de figuren verschillend van opzet.

Voorts zijn vanwege de compactheid en leesbaarheid van de begroting alleen de grotere en/of belangrijke mutaties toegelicht. Concreet is bij de toelichting van mutaties de volgende richtlijn gehanteerd:

• Verplichtingen- en ontvangstenmutaties die beleidsmatig relevant zijn of die groter zijn dan f 0,5 mln worden separaat gepresenteerd in de specificatietabel bij de artikelen en zo nodig nog nader toegelicht, waarbij mutaties groter dan f 2,5 mln in ieder geval nader worden toegelicht.

• De overige verplichtingen- en ontvangstenmutaties worden geclusterd gepresenteerd en alleen nader toegelicht wanneer het saldo van het cluster groter is dan f 2,5 mln.

1. UITGAVEN EN VERPLICHTINGEN

01.00 ALGEMEEN

Op dit hoofdbeleidsterrein zijn de apparaatsuitgaven van EZ, enkele parkeerartikelen, de uitgaven voor het Europees Octrooibureau, Adviescolleges en de bijdrage aan het agentschap Senter geraamd.

01.01 Apparaatsuitgaven EZ

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de apparaatsuitgaven geraamd van het kernministerie en de buitendiensten. Tot het kernministerie worden gerekend de algemene leiding, de diensten voor de beleidsontwikkeling en -uitvoering en de ondersteunende diensten. Ten behoeve van het inzicht in de apparaatsuitgaven wordt per dienstonderdeel van EZ (kernministerie en buitendiensten) het apparaatsbudget in beeld gebracht. Het apparaatsbudget is daarbij verdeeld over de onderdelen «ambtelijk personeel», «overig personeel» en «materieel».

Kengetallen kernministerie en buitendiensten

Hierna worden drie tabellen met kengetallen gepresenteerd. De eerste tabel geeft inzicht in de opbouw van de totale personele raming voor EZ en de tweede tabel in de verdeling van de personele en materiële budgetten over de dienstonderdelen van het kernministerie en de buitendiensten (zie ook bijlage 1 voor het aantal begrotingsplaatsen per organisatie-eenheid). In de derde tabel wordt een uitsplitsing van het automatiseringsbudget van het kernministerie gepresenteerd. In de vierde tabel zijn tenslotte de huisvestingskengetallen opgenomen. Ook wordt ingegaan op de invoering van de Euro. In de aansluitende toelichting wordt ingegaan op de afzonderlijke dienstonderdelen die geraamd zijn op artikel 01.01. Daar waar mogelijk en zinvol zijn kengetallen toegevoegd.

Opbouw van de personele raming voor geheel EZ*
(Bedragen x NLG1000)1999200020012002200320042005
Gemiddelde bezetting in fte's4 185,7       
Gemiddelde gerealiseerde prijs per fte103,544       
Gemiddelde begrotingssterkte in fte's 4 110,73 971,83 917,23 867,23 867,23 867,2
Gemiddelde geraamde prijs per fte 107,682108,583106,100105,364105,182105,928

* Het verschil van de totalen in deze tabel met de totalen in de bijlage 1 (personeel) wordt veroorzaakt doordat in deze tabel de begrotingssterkte van de agentschappen Senter (224,5 fte) en, met ingang van 2001, EVD (128,1 fte) niet zijn opgenomen.

Verdeling van budgetten personeel en materieel en de totale apparaatsuitgaven van de EZ-onderdelen.

 
Kernministerie en buiten-Budget personeel 2) Budget materieel 2) Totaal apparaatsuitgaven
diensten (bedragen x NLG 1 mln)199920002001199920002001199920002001
Algemene leiding 1)2,32,62,41,11,31,33,43,83,7
Beleidsontwikkeling en uitvoering:         
– Industrie en diensten29,532,332,116,420,318,545,952,550,7
– Economische structuur26,227,627,014,014,518,140,242,245,0
– Energie14,815,615,68,58,18,423,323, 723,9
– Buitenlandse economische betrekkingen (incl. herijking)17,918,818,510,39,69,928,228,428,4
Ondersteuning:         
– Algemene economische politiek4,25,15,12,12,32,46,37,47,5
– Voorlichting5,95,45,35,06,75,810,91 2,011,1
– Interne zaken13,313,212,48,311,011,521,624,124,0
– Financieel economische zaken5,76,16,12,52,93,18,29,09,2
– Financiering en deelnemingen3,43,83,81,41,71,84,85,55,6
– Accountantsdienst 3)3,94,24,11,11,41,35,05,55,4
– Personeel, organisatie en informatie15,014,313,05,86,56,920,820,819,9
– Juridische zaken4,34,34,33,02,52,67,36,86,9
Buitendiensten:         
– ECD 4)16,70,30,38,70,00,025,40,30,3
– CPB19,019,919,95,75,65,524,725,425,4
– Bureau IE16,916,916,911,611,311,028,528,227,9
– SodM6,85,85,91,71,81,88,57,67,7
– CBS235,2239,0244,180,971,674,0316,1310,7318,1
– EVD14,313,20,05,86,60,020,119,80,0
– NMa (incl. DTe)15,215,815,69,98,19,025,123,924,6
Overig:         
– Overige personeelsuitgaven 5)33,426,930,5   33,426,930,5
– Reorganisatie CBS16,011,0    16,011,0 
– Overige materiële uitgaven 5) 4,611,87,04,611,46,6  
Totaal503,8507,1493,9208,5205,3199,9712,2712,4693,8

1) Inclusief Minister en Staatssecretaris. 2) De personele en materiële uitgaven zijn geraamd op artikel 01.01. Als gevolg van de verdeling van de artikelsubs Materieel Kernministerie, Automatisering en Voorlichting over de budgetten van de dienstonderdelen, wijken de materiële budgetten per artikelsub (geraamd bij «De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen») af van de in deze tabel geraamde materiële budgetten. 3) Exclusief externe accountants. 4) ECD per 1-9-1999 formeel over naar het Ministerie van Financiën. 5) Betreft de budgetten die niet specifiek toehoren aan een dienstonderdeel.

Toelichting op de tabel

De lagere raming in 2001 ten opzichte van 2000 wordt met name verklaard door de apparaatsuitgaven van de EVD. De omvorming van de EVD tot agentschap leidt ertoe dat de financiering niet langer vanuit dit artikel plaatsvindt maar uit artikel 07.04 (Economische voorlichting en exportpromotie).

Automatisering kerndepartement (01.01–100)*
(Bedragen x NLG1000)Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
1. Exploitatie (in guldens)8 64512 97413 444
2. Nieuwe ontwikkelingen (in guldens)12 27013 8509 900
3. Exploitatie (als %)41%48%58%
4. Nieuwe ontwikkelingen (als %)59%52%42%

* Bij de beheersing van het automatiseringsbudget voor het kerndepartement wordt een onderscheid gemaakt tussen uitgaven ten behoeve van exploitatie en uitgaven ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen. Alle uitgaven voor onderhoud en vervanging van apparatuur worden geclassificeerd als exploitatie. De overige uitgaven betreffen nieuwe ontwikkelingen.

Toelichting op de tabel

De stijging in 2000 is het gevolg van de activiteiten die voortvloeien uit de interne ICT-strategie, gericht op ondersteuning van het streven naar grotere flexibiliteit, mobiliteit en samenwerking. Daarnaast leiden ook de optimalisering van de bedrijfsvoeringsprocessen en de professionalisering van het ICT-beheer tot hogere uitgaven.

Huisvesting

Met ingang van 1999 heeft elk ministerie in het kader van de Stelselwijziging Rijkshuisvesting een budget voor huisvesting gekregen. Onderstaand is een kengetal opgenomen waarin de huur en overige huisvestingsuitgaven per fte zijn opgenomen. Het kengetal betreft het gehele ministerie (exclusief de agentschappen Senter en, vanaf 2001, de EVD).

 
huisvestingskengetal199920002001
huisvestingsuitgaven per fte13 16313 56113 453

Euro

Reeds begin 1999 is de Projectgroep Invoering Euro opgezet om de invoering van de Euro binnen het departement verder te begeleiden. Na het actualiseren van het draaiboek voor de invoering, zijn verschillende activiteiten opgestart. Een eerste audit op het project en de projectorganisatie, in de tweede helft van 1999, was aanleiding om begin 2000 de projectorganisatie te versterken, onder meer door het project op managementniveau beter in te bedden in de organisatie. Omdat relatief veel uitvoerende werkzaamheden in de tweede helft van 2000 plaatsvinden, is het draaiboek in de eerste helft van het jaar verder gedetailleerd in de vorm van plannen van aanpak per organisatieonderdeel. In 2001 zal het zwaartepunt van de activiteiten liggen bij het testen van aanpassingen aan geautomatiseerde systemen, het aanpassen van interne procedures en instructies en het intensiveren van de interne voorlichting.

Onderstaand wordt nader ingegaan op de verschillende diensten van EZ.

Bureau voor de Industriële Eigendom (Bureau I.E.); formatie 167,3 fte en budget NLG 27,9 mln

Het Bureau I.E. is belast met de uitvoering van de Rijksoctrooiwet. Uit deze taak vloeien de twee hoofdactiviteiten van het Bureau voort, te weten:

• beschermen: het verlenen van octrooien conform de Rijksoctrooiwet (oude en nieuwe wet) en het bijhouden van een openbaar register van geldende octrooien;

• verspreiden: het actief verspreiden van octrooi-informatie.

Daarnaast is de directeur van het Bureau I.E. belast met de vertegenwoordiging van de Staat der Nederlanden in internationale organisaties die bij internationale verdragen op het gebied van de intellectuele eigendom zijn opgericht. Deze zijn het Benelux Merkenbureau, de World Intellectual Property Organization (WIPO), het Europees Octrooibureau (EOB) en het Europees Merkenbureau.

Onderstaande tabellen geven een overzicht van de producten die door het Bureau I.E. worden voortgebracht, de daaraan verbonden kostprijzen en de daarbij gehanteerde kwaliteitscriteria.

Kengetallen Bureau I.E.
Producten aantal kosten per product (x NLG1000)*
 1999200020011999**20002001
1. Onderzoeken stand der techniek2 1492 2002 1503 6062 9202 982
2. Verleende octrooien en certificaten15 75516 12016 200426411405
3. Wettelijke adviezen15202028 13320 80020 600
4. Instandgehouden octrooirechten128 962129 000131 000393837
5. Instandhouden bibliotheek en collectie***n.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.
6. Documentenleveranties1 336 0001 400 0001 250 000222
7. Inzet met betrekking tot kennisverspreiding octrooisysteem22 00021 90021 900187187185

* De kosten per product bevatten zowel de apparaatskosten (art. 01.01) als de kosten voor adviezen EOB (art. 01.12) en de beschikbare middelen voor de uitvoering van het doelgroepenbeleid (art. 02.12).

** Voor de verdeling van de kosten 1999 is de procentuele verdeling 2000 gehanteerd.

*** Met het instandhouden van de bibliotheekcollectie zijn (nog) geen kosten per eenheid berekend. De totale daarmee gepaard gaande kosten zijn NLG 8,24 mln, NLG 8,165 mln en NLG 8,112 mln voor de jaren 1999, 2000 en 2001.

Toelichting op de tabel

De daling van de kosten voor onderzoeken stand der techniek wordt voor het grootste deel veroorzaakt door met ingang van 2000 gedane restituties voor door het EOB verrichte onderzoeken waaraan een Nederlands onderzoek vooraf is gegaan. Voor een ander deel wordt deze veroorzaakt door een verlaging van de doorberekende prijs per Europees nieuwheidsonderzoek met NLG 300.

 
ProductPrestatie indicatorNorm
1. Onderzoeken naar stand der techniekAfhandelingtermijn verzoeken m.b.t. premier depot aanvragen Afhandelingtermijn verzoeken mbt aanvragen met voorrangsdatumBinnen 9 maanden na indiening van premier depot aanvraag Binnen 6 maanden na indiening in NL van eerder in buitenland ingediende aanvragen
   
2. Verleende octrooien en certificatenInschrijvingstermijnBinnen 18 mnd na eerste indieningsdatum
   
3. Wettelijke adviezenOordeel kwaliteit advies100% van geënquêteerde gebruikers tevreden over de uitgebrachte adviezen
   
4. Registreren en beheren octrooirechtenRegistratietermijn octrooiaanvragen Registratietermijn overige documenten Onjuiste registratiesRegistratie ≤ 5 werkdagen na ontvangst 90% binnen 24 uur geregistreerd ≤ 1% foute registraties ontvangen documenten
   
5. Instandhouden bibliotheek collectieBeschikbaarheid nieuwe collectie80 % van ontvangen materiaal binnen 2 weken beschikbaar in leeszaal
   
6. Leveren van octrooidocumentenLevertijd documenten (eigen collectie)Verzending binnen 2 dagen na bestelling
   
7. Verspreiden van kennis van octrooisysteemRealisatie activiteiten100% realisatie van de activiteiten t.o.v. overeengekomen inzet

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); formatie 2 150 fte en budget NLG 318,1 mln

Het CBS is op grond van het koninklijk besluit van 9 januari 1899 (Stb. 1899, 43), laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 januari 1967 (Stb. 1967, 89), belast met het verzamelen, bewerken en publiceren van alle statistische opgaven, die voor de praktijk of de wetenschap nuttig worden geacht.

Voor een toelichting op het werken in opdracht wordt verwezen naar ontvangstenartikel 01.31 Ontvangsten Centraal Bureau voor de Statistiek.

In 1999 is een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar de bedrijfsvoering van het CBS verricht. De verwachting is dat het eindrapport (samen met het Kabinetsstandpunt) in de tweede helft van dit jaar aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

Op 1 april 1999 heeft de Minister van EZ maatregelen gepresenteerd ter verbetering van de effectiviteit en efficiency van het CBS (Kamerstukken II 1998/99, 24 465, nr. 1). Eind 1999 zijn de eindrapporten voor de reorganisatie CBS 1999–2003 gereed gekomen. De organisatie van het CBS zal in de komende jaren heringericht worden, waarbij als doel gesteld is, dat het bureau moderner, efficiënter en slagvaardiger wordt. De uiteindelijke efficiencywinst zal met ingang van 2003 resulteren in een structurele bezuiniging van NLG 25 mln. Voor de reorganisatie is door het CBS een plan op hoofdlijnen gemaakt. Aan de uitwerking wordt op dit moment nog gewerkt. Het plan behoeft nog instemming van de ondernemingsraad. De totale, niet structurele, kosten van de reorganisatie bedragen naar schatting NLG 95 mln.

In mei 2000 is het Sociaal Plan Reorganisatie CBS gereed gekomen. Dit plan heeft inmiddels geleid tot de voorgenomen vrijwillige uittreding van circa 200 medewerkers (164 fte). Naar verwachting zal dit aantal in 2001 nog verder toenemen. Tegenover deze vrijwillige uittreding staat het streven 100 (fte) nieuwe medewerkers aan te trekken die de noodzakelijke «upgrading» en vernieuwing van het statistische proces mede vorm moeten gaan geven. Naar verwachting zullen 400 fte's het CBS verlaten zodat de formatie per saldo 300 fte's lager zal zijn.

Bij de materiële uitgaven zijn eveneens efficiencywinsten te verwachten, waarbij een besparing op de huisvestingskosten en het niet betalen voor statistisch grondmateriaal de belangrijkste zijn.

Omdat het op dit moment nog niet mogelijk is om aan te geven wat de uiteindelijke consequenties van de reorganisatie zijn voor de kengetallen, is ervoor gekozen om de kengetallen voor 2000 en 2001 nog af te stemmen op de oude organisatie. Wel is rekening gehouden met een afname van het aantal fte's in 2000 en 2001.

Kengetallen CBS
Uitgaven per statistisch thema (x NLG1000)*realisatie 1999raming 2000raming 2001
1 mensen en hun activiteiten   
– apparaatsuitgaven40 62641 19743 675
– aantal fte's336311315
2 bedrijfsleven   
– apparaatsuitgaven49 93750 60251 731
– aantal fte's413382378
3 quartaire sector   
– apparaatsuitgaven16 32316 55816 397
– aantal fte's135125121
4 economie   
– apparaatsuitgaven35 42735 89938 930
– aantal fte's293271280
5 milieu   
– apparaatsuitgaven5 8045 8295 779
– aantal fte's484442
6 regionale statistieken   
– apparaatsuitgaven3 5063 5774 270
– aantal fte's292730
7 algemeen   
– apparaatsuitgaven35 06435 50136 578
– aantal fte's238268267
8 niet statistische onderwerpen   
– apparaatsuitgaven97 21498 29097 578
– aantal fte's804742717
9 Totaal   
– apparaatsuitgaven**283 901287 453294 938
– aantal fte's2 2962 1702 150

* betreft saldo van uitgaven en ontvangsten per statistisch thema.

** inclusief uitgaven en ontvangsten voor het CBS die op de centrale budgetten geboekt worden.

Centraal Planbureau (CPB); formatie 138,6 fte en budget van NLG 25,4 mln

De taak van het CPB is het maken van onafhankelijke analyses en prognoses die wetenschappelijk verantwoord en up-to-date zijn en die relevant zijn voor het beleid van de regering, het parlement en andere maatschappelijke organisaties, zoals politieke partijen en bedrijfsleven. Voor aanvullende projecten is, naast de reguliere formatie, 17 fte geraamd. Tegenover deze personele uitgaven staan inkomsten. De ontvangsten van het CPB worden op het ontvangstenartikel 01.21 Ontvangsten Centraal Planbureau geraamd.

Kengetallen CPB
AandachtsgebiedPrestatie indicatorNorm
1. Goede beoordeling van de kwaliteit van het CPB Evalueren kwalitatief functioneren CPB door visitatiecommissieElke 5 á 6 jaar onderzoek door (internationale) visitatiecommissie
   
2. Goede beoordeling in evaluaties van projecten en prognoses (Interne) beoordeling kwaliteit van onderzoek Monitoren en evalueren trefzekerheid van prognoses (Externe) beoordeling van projecten en modellen Kwaliteit van wetenschappelijke publicaties100% monitoren en evalueren met behulp van projectplannen en voortgangsrapportages In één of meer kaders van het CEP 2001 aandacht besteden aan de trefzekerheid van één of meer variabelen Uitvoeren van één peer review in 2001 Verder uitbouwen van CPB netwerk; in 2001 publiceren van 18 discussionpapers; per kwartaal voor ten minste 2 «articles» uit CPB report een referee report
   
3. Inspelen op wensen en doelstellingen van de klanten Anticiperen op de kwaliteitseisen die andere afnemers dan «de wetenschap» stellen aan CPB-producten Toegankelijkheid van CPB-rapportenImplementeren van de conclusies van het in 2000 gehouden onderzoek Monitoren bezoeken externe web-site
   
4. Verbeteren van de kwaliteit van de werkomgeving Kennisopbouw en -uitwisselingIn 2001 organiseert het CPB tweewekelijkse seminars, 2 internationale en 10 nationale workshops
Kengetallen CPB
(x NLG1000)realisatie 1999raming 2000raming 2001
1 aantal Centraal Economisch Plan111
– apparaatskosten1 6151 3031 551
– aantal fte's9,58,09,5
2 aantal Macro-Economische Verkenning111
– apparaatskosten935815816
– aantal fte's5,55,05,0
3 aantal CPB report444
– apparaatskosten425325408
– aantal fte's2,52,02,5
4 aantal onderzoeksprojecten353540
(waarvan resulterend in onderzoeksmemo) – 13– 9– 18
– apparaatskosten5 8157 9008 000
– aantal fte's34,248,549,0
5 aantal aanvullende projecten181212
– apparaatskosten3 1192 8452 765
– aantal fte's16,817,017,0
6 aantal externe notities (advisering)595060
– apparaatskosten1 1909771 306
– aantal fte's7,06,08,0
7 ondersteuning en overig niet toegelichte activiteiten:   
* aantal werkdocumenten898
* aantal interne notities67120120
* aantal bijzondere publicaties533
– apparaatskosten11 57711 25510  547
– aantal fte's68,169,164,6
totaal   
– apparaatsuitgaven24 67625 42025 393
– aantal fte's143,6155,6155,6

Toelichting op de tabel

De stijging van de apparaatskosten in 2000 van het aantal onderzoeksprojecten (nr. 4) wordt veroorzaakt door de vervulling van openstaande vacatures.

Staatstoezicht op de Mijnen (SodM); formatie 46 fte en budget NLG 7,7 mln

SodM houdt toezicht op de naleving van wettelijke regelingen, die van toepassing zijn op het opsporen en het winnen van delfstoffen. Het gaat daarbij vooral om gas, aardolie en zout in Nederland en het Nederlandse deel van het continentale plat. De taak van de dienst richt zich voornamelijk op de terreinen veiligheid, gezondheid en milieu, alsmede op de bescherming van delfstoffen en het voorkomen van schade of hinder. De dienst voert zijn taken uit krachtens het Mijnreglement 1964, het Groevenreglement 1947, het Mijnreglement Continentaal plat en een aantal andere wetten. De werkzaamheden van SodM zijn ondergebracht in de kerntaken handhaving en advisering. De kerntaken handhaving en advisering zijn onderverdeeld in de hieronder aangegeven bedrijfsprocessen.

Kengetallen SodM
(x NLG1000)realisatie 1999raming 2000raming 2001
kerntaak handhaving   
1 voorlichting   
– apparaatsuitgaven135316317
– aantal fte's0,71,91,9
2 afgegeven beschikkingen   
– apparaatsuitgaven308183167
– aantal fte's1,61,11,0
3 monitoren   
– apparaatsuitgaven501299283
– aantal fte's2,61,81,7
4 verifiëren   
– apparaatsuitgaven1 8871 6451 600
– aantal fte's9,89,99,6
5 auditen   
– apparaatsuitgaven250432417
– aantal fte's1,32,62,5
6 onderzoeken   
– apparaatsuitgaven308481483
– aantal fte's1,62,92,9
kerntaak advisering   
7 juridische advisering   
– apparaatsuitgaven404399416
– aantal fte's2,12,42,5
8 bestuurlijke advisering   
– apparaatsuitgaven558299317
– aantal fte's2,91,81,9
9 totaal kerntaak handhaving   
– apparaatsuitgaven3 3893 3573 267
– aantal fte's17,620,219,6
10 totaal kerntaak advisering   
– apparaatsuitgaven963698733
– aantal fte's5,02,44,4
11 ondersteuning en overige niet toegelichte activiteiten   
– apparaatsuitgaven4 1593 5983 666
– aantal fte's21,621,622,0
totaal   
– apparaatsuitgaven8 5107 6447 666
– aantal fte's44,246,046,0

Toelichting op de tabel

In verband met een reorganisatie zijn de kengetallen zoals die waren opgenomen in de ontwerpbegroting 2000 niet langer bruikbaar voor en van toepassing op de huidige situatie. Voor deze begroting is daarom gekozen voor een nieuw kengetallenoverzicht dat aansluit bij de huidige organisatie en werkwijzen van SodM. De realisatie 1999 verschilt in een aantal gevallen van de raming 2000. Oorzaak hiervan is een andere werkwijze in verband met de reorganisatie.

Nederlandse mededingingsautoriteit (NMa); formatie 121,1 fte en budget NLG 24,6 mln

De NMa, opgericht per 1 januari 1998, houdt toezicht op naleving van de Mededingingswet (Stb. 1997, 242) en de Elektriciteitswet 1998 (Stb. 1998, 427). De Mededingingswet verbiedt concurrentiebeperkende afspraken en misbruik van economische machtspositie. Daartoe moeten onder andere concentraties van ondernemingen met een gezamenlijke omzet boven een bepaalde grens worden getoetst.

Er is gekozen voor administratiefrechtelijke handhaving door een aparte uitvoeringsorganisatie met een adequate sanctiebevoegdheid.

De taken van de NMa uit hoofde van de Mededingingswet zijn:

• het nemen van beslissingen op aanvragen om ontheffing van het kartelverbod;

• het opsporen en sanctioneren van overtredingen van de Mededingingswet;

• het behandelen van klachten over (vermeende) overtredingen van de Mededingingswet;

• het toetsen van voorgenomen concentraties en vervolgens het toestaan dan wel verbieden ervan; het behandelen van bezwaar- en beroepszaken.

De Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet (DTe, formatie 15 fte en budget NLG 4,8 mln) maakt onderdeel uit van de NMa. De DTe oefent toezicht uit op de tarieven waartegen en technische voorwaarden waaronder van de elektriciteitsnetwerken gebruik kan worden gemaakt. Daarnaast wordt toezicht gehouden op de leveringsvoorwaarden waaronder elektriciteit wordt geleverd aan afnemers die geen keuzevrijheid hebben ten aanzien van hun leverancier. Voorts beoordeelt de DTe de netcapaciteit en wordt de vergunningverlening voorbereid.

De apparaatsuitgaven van de DTe worden in de begroting afzonderlijk van de NMa geraamd omdat 60% van de apparaatsuitgaven van DTe wordt gedekt door middel van een bijdrageregeling ex artikel 65 van de Elektriciteitswet 1998. Deze ontvangsten worden geraamd op het ontvangstenartikel 01.01 Diverse ontvangsten.

Kengetallen NMa
Aantallenrealisatie 1999raming 2000raming 2001
1a (reguliere) ontheffingsverzoeken kartelverbod16150100
1b ontheffingsverzoeken kartelverbod in het kader van de overgangsregelingn.v.t.n.v.t. n.v.t.
2 (ex officio) onderzoeken naar kartels5820
3 ingediende klachten92250300
4 gemelde concentratievoornemens158150180
5 vergunningsaanvragen ten behoeve van een concentratie655
6 sanctiebeschikkingen113020
7 bezwaarzaken54100115
8 beroepszaken174745
9 aanvragen tot lasten onder dwangsom61010
10 ondersteunen en adviseren EU162050

Toelichting op de tabel

Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste activiteiten van de NMa voortvloeiende uit de Mededingingswet. In 1998 en 1999 is veel tijd besteed aan het grote aantal ontheffingsverzoeken in het kader van de overgangsregeling. Nu deze verzoeken grotendeels zijn weggewerkt, zal de aandacht verschuiven naar het intensiveren van eigen onderzoek naar kartels. Vanuit de EU neemt de vraag naar ondersteuning en advies door de NMa steeds meer toe. De verwachting is dat deze trend zich sterk door zal zetten.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  701 860699 861694 559677 859683 208 
1e suppl. wet 2000  – 28 393– 38 244– 39 778– 39 580– 39 480 
Mutatie  38 89132 168– 1 3908 5167 363 
Ontwerp-begr. 200118 596712 217712 358693 785653 391646 795651 091645 866
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10008 438323 190323 254314 826296 496293 503295 452293 081
Waarvan te betalen18 339706 155712 358693 785653 391646 795651 091645 866
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  703 270700 802693 576678 324682 434 
1e suppl. wet 2000  – 27 956– 38 131– 39 778– 39 580– 39 480 
Mutatie  41 68135 5341 3668 9007 816 
Ontwerp-begr. 2001 698 069716 995698 205655 164647 644650 770645 647
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 316 770325 358316 832297 300293 888295 307292 982
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Centraal personeelsbudget 19 57114 88616 330 14 20618 23317 716 11 11.0
020 Personeel buitenland 4 6334 6784 678 4 6334 6784 678 12 11.3
030 Wachtgeld 4 1154 8344 726 4 1154 8344 726 11 11.0
040 Inhuur AD 667510510 882596510 12 11.0
050 Ambt. pers. TWA 3 4643 9724 045 3 4643 9724 045 11 11.0
100 Mat.kernm.automatisering 20 91526 82423 343 20 76023 18323 926 12 11.0
110 Mat.kernm.voorlichting 9 15312 44912 224 7 59413 98413 452 12 11.0
111 Mat.voorlichting DG BEB 297   45451  12 11.0
120 Mat.AD algemene uitgaven 553588578 553588578 12 11.0
130 Mat.externe opdrachtg. 3 6346 1711 779 3 2536 8012 301 12 11.0
140 Mat.AEP en SG 7931 9461 096 8631 0471 797 12 11.0
150 Materieel TWA 201   201   12 11.0
200 Ambt. pers. kernm. 134 143149 925146 616 134 143149 925146 616 11 11.0
210 Overig pers. kernm. 13 0224 2493 249 12 1115 0403 249 12 11.0
220 Materieel kernministerie 48 64148 71855 447 45 85148 71855 447 12 11.0
221 Materieel huisvesting  3 6344 125  3 6344 125 12 01.34
250 Ambt. pers. ECD 15 719324324 15 719324324 11 11.0
260 Overig pers. ECD 1 025   1 025   12 11.0
270 Materieel ECD 8 715   8 715   12 11.7
350 Ambt. pers. CPB 18 04018 96018 987 18 04018 96018 987 11 11.0
360 Overig pers. CPB 957902902 957902902 12 11.0
370 Materieel CPB 5 7295 5595 504 5 6795 5595 504 12 01.32
400 Ambt. pers. BIE 14 48516 43216 444 14 48516 43216 444 11 11.0
410 Overig pers. BIE 2 414461461 2 414461461 12 11.0
420 Materieel BIE 11 55511 28411 011 11 61011 28411 011 12 11.1
450 Ambt. pers. SodM 5 9105 6855 729 5 9105 6855 729 11 11.0
460 Overig pers. SodM 913145145 913145145 12 11.0
470 Materieel SodM 1 6871 8141 792 1 7201 8141 792 12 09.1
500 Ambt. pers. CBS 223 669224 171228 842 223 669224 171228 842 11 11.0
510 Overig pers. CBS 11 52914 83515 298 11 52914 83515 298 12 11.0
520 Materieel CBS 80 89771 64773 998 80 89771 64773 998 12 01.32
530 Reorganisatie CBS  16 00011 000  16 00011 000 01 01.32
550 Ambt. pers. EVD 12 09512 930  12 09512 930  11 11.0
560 Overig pers. EVD 2 188282  2 188282  12 11.0
570 Materieel EVD 5 7976 567  5 6686 696  12 11.0
650 Ambt. pers. NMa 8 11512 20612 230 8 11512 20612 230 11 11.0
660 Overig pers. NMa 5 4491 540940 3 8351 540940 12 11.0
670 Materieel NMa 6 5655 2636 623 5 5376 9846 623 12 11.7
700 Ambt. pers. DTE 1 2292 0162 392 1 2292 0162 392 11 11.0
710 Overig pers. DTE 4094242 28916242 12 11.0
720 Materieel DTE 3 3242 8752 375 2 7483 6422 375 12 11.7
999 Parkeerpost  – 2 966   – 2 966  01 11.9
Totaal art 0101 712 217712 358693 785 698 069716 995698 205    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1: Reorganisatie CBS13 5005 000– 12 000– 6 000– 5 000
2: Europese statistieken CBS 10 00010 00010 00010 000
3 Automatisering9 9705 1002 1041 9502 060
4: Loon-/prijsbijstelling5 8956 1996 0745 9926 047
5: Herhuisvesting4 45012 0006 67010 10010 360
6: ICT-campagne4 0004 000   
7: Werken in opdracht CPB 2 765   
8: Gaswet 1 5001 5001 5001 500
9: ACTAL 1 0341 034690 
10: Agentschap EVD – 19 687– 19 602– 19 602– 19 602
11: Diverse beleidsmatig niet-relevante mutaties1 0764 2572 8303 8861 998
Totaal38 89132 168– 1 3908 5167 363

ad 1:

De uitstroom van medewerkers bij het CBS als gevolg van de reorganisatie vindt eerder plaats dan geraamd. Hiervoor is een versnelling van uitgaven voor flankerend beleid aangebracht.

ad 2:

Vanwege de sterk toenemende vraag naar Europese statistieken wordt het budget voor het CBS verhoogd.

ad 3:

Betreft hogere uitgaven voor implementatie van de interne ICT-strategie, gericht op de ICT-ondersteuning van een grotere flexibiliteit, mobiliteit en samenwerking binnen EZ. Daarnaast leiden ook de optimalisering van de bedrijfsvoeringsprocessen en de professionalisering van het ICT-beheer tot hogere uitgaven.

ad 4:

Betreft loonbijstelling en prijsbijstelling voor de apparaatsuitgaven.

ad 5:

Benodigde middelen voor de uitvoering van het projectplan «herhuisvesting». Dit project is erop gericht EZ zoveel mogelijk geconcentreerd rond de Bezuidenhoutseweg te huisvesten.

ad 6:

Middelen voor de 2-jarige ICT-campagne «Nederland gaat digitaal». Deze campagne maakt deel uit van het Lissabon-pakket op het gebied van kennis en innovatie. Voor een nadere toelichting en een totaal overzicht van dit kennis/innovatie pakket wordt verwezen naar hoofdstuk vier van het algemene deel van de Memorie van Toelichting.

ad 7:

Hogere uitgaven en ontvangsten bij het CPB in verband met werken in opdracht.

ad 8:

Benodigde middelen voor de uitvoering van de Gaswet (Kamerstukken II, 1999/00, 26 463, nr. 210c). Deze middelen worden ingezet voor het uitvoeren van onderzoek door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) en uitbreiding van de NMa-formatie.

ad 9:

Toegevoegde middelen voor het personele budget van het Adviescollege Terugdringing Administratieve Lasten (ACTAL). Dit is een onafhankelijk rijksbreed adviescollege voor de toetsing van voorgenomen regelgeving op de gevolgen daarvan voor de administratieve lasten. Betreft de meerjarige doorwerking van de in de eerste suppletore begroting 2000 opgenomen mutatie voor het jaar 2000.

ad 10:

Als gevolg van de agentschapsstatus van de EVD per 1–1-2001 zijn de apparaatsuitgaven overgeheveld naar artikel 07.04. DG BEB, de opdrachtgever van de EVD, zal vanaf dit artikel de apparaatsuitgaven in de vorm van een opdrachtsom aan de EVD ter beschikking stellen.

01.03 Loonbijstelling

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  1 4982 0112 8913 306132 
1e suppl. wet 2000  27 20928 06728 36628 16728 547 
Mutatie  – 14 050– 15 869– 16 457– 16 871– 16 705 
Ontwerp-begr. 2001  14 65714 20914 80014 60211 97412 014
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000  6 6516 4486 7166 6265 4345 452

Economische code: 01 Functionele code 11.9

De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(x NLG1000)20002001200220032004
1: Toedeling loonbijstelling:      
01.01 Apparaatsuitgaven EZ– 4 036– 4 327– 4 186– 4 104– 4 097
01.06 Post-actief personeel– 26– 21– 20– 18– 17
01.55 Senter– 292– 1 726– 1 735– 1 757– 1 733
02.05 Syntens– 1 286– 1 273– 1 263– 1 253– 1 253
02.06 NNI– 50– 62– 62– 62– 62
02.06 Marin– 134– 134– 134– 134– 134
02.06 TNO– 1 683– 1 674– 1 664– 1 664– 1 664
02.06 NMI– 32– 40– 40– 40– 40
02.06 Wl Hydrolics– – 21– 33– 61– 89
02.12 STW– – 54– 267– 538– 810
02.12 Topinstituten– – 1 253– 1 474– 1 474– 1 474
04.01 ROM's– 261– 327– 327– 327– 327
04.11 NBT– 664– 647– 637– 629– 622
05.02 EIM– 265– 248– 247– 247– 247
05.22 NMI– 607– 674– 670– 670– 670
09.05 ECN– 1 446– 1 479– 1 475– 1 474– 1 474
09.06 NITG-TNO– 887– 883– 878– 878– 878
2: Overboeking naar BZK i.v.m. CAO 2000– 2 381– 1 026– 1 345– 1 541– 1 114
Totaal– 14 050– 15 869– 16 457– 16 871– 16 705

ad 1:

De mutatie betreft de verdeling van loonbijstelling over diverse artikelen.

De resterende middelen op dit artikel betreffen de nog te verdelen uitgaven voor de afgesloten CAO 2000 en de te reserveren middelen voor nog af te sluiten toekomstige CAO's.

01.04 Prijsbijstelling

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  10 58912 58413 26512 9946 997 
1e suppl. wet 2000  22 32929 25134 04837 52238 258 
Mutatie  – 27 485– 23 418– 28 724– 29 388– 37 863 
Ontwerp-begr. 2001  5 43318 41718 58921 1287 39210 023
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000  2 4658 3578 4359 5873 3544 548

Economische code: 01 Functionele code 11.9

De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(* NLG1000)20002001200220032004
1: Toedeling prijsbijstelling:      
01.01 Apparaatsuitgaven EZ– 1 007– 1 019– 1 035– 1 035– 1 097
01.15 Raad Wetenschap en Techniek– – 25– 25– 25– 25
01.55 Senter– 44– 257– 257– 258– 257
02.05 Syntens– 655– 648– 643– 638– 638
02.06 NNI– 9– 11– 10– 10– 10
02.06 Marin– 23– 23– 23– 23– 23
02.06 Oeso– 1– 1– 1– 1– 1
02.06 TNO– 257– 257– 257– 257– 257
02.06 NMI– 6– 7– 7– 7– 7
02.06 WL Hydrolics– – 3– 5– 10– 15
02.07 Ruimtevaart– 3 140– 2 357– 2 432– 2 448– 2 403
02.12 STW– – 10– 44– 92– 138
02.12 Topinstituten– – 213– 250– 250– 250
03.04 CBIN– 125– 242– 290– 293– 293
04.01 ROM's– 42– 54– 54– 54– 54
04.08 Langman– 175– 625– 1 483– 2 460– 3 354
04.11 NBT– 507– 494– 487– 481– 475
05.02 EIM– 34– 32– 31– 31– 31
05.22 NMI– 206– 228– 227– 227– 227
09.05 ECN– 491– 502– 500– 500– 500
09.06 NITG-TNO– 138– 138– 138– 138– 138
2: Lissabon-pakket kennis en innovatie– 3 125– 15 512– 20 525– 17 740– 25 000
3: KSG– 17 500     
4: Overige inzet binnen EZ-begroting– – 760– – 2 410– 2 670
Totaal– 27 485– 23 418– 28 724– 29 388– 37 863

ad 1:

Betreft de verdeling van prijsbijstelling over diverse artikelen.

ad 2:

Dekking voor een deel van de intensiveringen binnen de EZ-begroting die betrekking hebben op het Lissabon-pakket op het gebied van kennis en innovatie.

ad 3:

Een deel van de middelen die voor KSG nodig zijn, wordt uit de prijsbijstelling gedekt. Zie ook artikel 03.07 Bijdrage KSG.

ad 4:

Betreft inzet van middelen binnen het geheel van de EZ-begroting.

01.05 Onvoorzien

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  749749749749749 
Mutatie  1 7511 7511 7511 7511 751 
Ontwerp-begr. 2001  2 5002 5002 5002 5002 5002 500
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000  1 1341 1341 1341 1341 1341 134

Economische code: 01 Functionele code 11.9

01.06 Uitgaven post-actief personeel

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd ten behoeve van personeel dat niet langer voor EZ actief is, waarbij het voornamelijk gaat om wachtgelden. Sinds 1997 worden, als gevolg van de gewijzigde interne toerekeningssystematiek, tevens uitgaven voor post-actief personeel geraamd op artikel 01.01 Apparaatsuitgaven EZ. Op artikel 01.06 blijven alleen de uitgaven geraamd, die samenhangen met de post-actieven conform de oude systematiek. Het gevolg is dat de raming voor post-actieven op artikel 01.06 op de lange termijn zal dalen en dat de raming op 01.01 geleidelijk zal stijgen. Onderstaande tabel geeft een indicatie van de ontwikkeling van het aantal wachtgelders en de uitgaven die daarmee gemoeid zijn.

Ramingskengetallen wachtgeld
 Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
1. Wachtgeld (uitgaven x NLG1000)*13 75412 91111 319
2. Aantal wachtgelders ultimo van het jaar252215177
3. Rekenkundig gemiddeld uitgekeerd bedrag**54,57960,05163,949

* Betreft totaal van 0106–020 en 0101–030 incl. apparaatsuitgaven USZO.

** De feitelijk gemiddelde uitkering zal van dit bedrag afwijken omdat onder 1 de totale uitgaven zijn opgenomen en onder 2 het aantal wachtgelders per ultimo van elk jaar.

Toelichting op de tabel

De oploop van het (rekenkundig) gemiddeld uitgekeerd bedrag hangt samen met de introductie van de regeling Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU) en de FPU-aanvullingsovereenkomst inzake premiebetaling Ouderdomspensioen/ Nabestaandenpensioen (OP/NP). Deze regeling kent andere aanspraken en garanties dan de VUT-regeling, onder andere ten aanzien van uitkeringshoogte, pensioenopbouw en het Besluit Tegemoetkoming Ziektekosten Rijkspersoneel (BTZR). Omdat aan de wachtgelders die het gevolg zijn van de Grote Efficiency Operatie (1991/92) de garantie is gegeven dat deze na het wachtgeld met VUT kunnen, wordt het verschil tussen de flexibele pensionering en de VUT-regeling vanuit dit artikel aangevuld.

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  10 3528 5727 5636 5645 864 
Mutatie  – 27421201817 
Ontwerp-begr. 2001 9 64010 0788 5937 5836 5825 8815 880
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 4 3744 5733 8993 4412 9872 6692 668

Economische code: 11 Functionele code 11.0

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1: Overheveling naar artikel 01.01–030– 300    
2: Loonbijstelling2621201817
Totaal– 27421201817

01.08 Nog te verdelen bedragen

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000   – 32 0008 00012 000  
Mutatie   32 000– 8 000– 12 000  
Ontwerp-begr. 2001  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000  

Economische code: 01 Functionele code 11.9

De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Invulling generale taakstelling begroting 2000 40 000    
2. Inzet binnen EZ-begroting – 8 000– 8 000– 12 000 
Totaal 32 000– 8 000– 12 000 

ad 1:

Betreft de invulling van een generale taakstelling die op dit artikel is geparkeerd bij begrotingsvoorbereiding 2000. De invulling vindt plaats met de middelen die vrijkomen door beëindiging van de Industriefaculiteit (zie ontvangstartikel 02.04 Diverse ontvangsten technologiebeleid).

ad 2:

De middelen die bij begrotingsvoorbereiding 2000 op dit artikel zijn geparkeerd als gevolg van wijzigingen in het reorganisatieplan voor het CBS, zijn in de begrotingsvoorbereiding 2001 ingezet binnen het geheel van de EZ-begroting.

01.12 Europees Octrooibureau

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven aan het Europees Octrooibureau (EOB) geraamd. Nederland neemt op grond van het verdrag van München (1973) deel in het Europees Octrooiverdrag. Dit verdrag voorziet in een octrooiverleningsprocedure waarbij de verleende octrooien geldig zijn binnen de bij het verdrag aangesloten landen.

Bijdrage pensioenen EOB; budget NLG 2,0 mln

Gepensioneerde medewerkers van het EOB hebben recht op teruggave van een deel van de in hun vestigingsland op hun pensioenen geheven belastingen. Teveel geheven belastingen worden door het EOB aan haar voormalige werknemers terugbetaald en later met het betreffende land verrekend (tax-adjustments). Het Ministerie van Financiën (de Belastingdienst) voert controle uit op de te verrekenen tax-adjustments.

Adviezen door het EOB; budget NLG 5,3 mln

Volgens internationale verdragen is het Bureau I.E. verplicht om internationale nieuwheidsonderzoeken uit te besteden aan het Europees Octrooibureau. Daarnaast kan het Bureau, onder meer als gevolg van gebrek aan specifieke kennis op bepaalde technologiegebieden, ook genoodzaakt zijn een deel van de nationale aanvragen aan het EOB uit te besteden. De totale jaarlijkse uitgaven voor door het EOB te verrichten nieuwheidsonderzoeken staan in nauw verband met exogene factoren als tariefstelling en productiecapaciteit van het EOB. De uitgaven over 1999 en de verwachte ontwikkeling voor de jaren 2000 en 2001 zijn in de onderstaande tabel gespecificeerd.

Ramingskengetallen EOB
 Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
1. Budget (verplichtingen x NLG1000)6 6115 3005 300
2. Aantal nieuwheidsonderzoeken1 8751 8001 800
3. Tarief per onderzoek3 5262 9442 944

Toelichting op de tabel

In de ramingen is rekening gehouden met een verlaging van de door het EOB in rekening gebrachte prijs voor Europese nieuwheidsonderzoeken en met de met ingang van 2000 gedane restituties voor door het EOB verrichte onderzoeken waaraan een Nederlands onderzoek is voorafgegaan.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  7 3097 3097 3097 3097 309 
Ontwerp-begr. 2001 8 7157 3097 3097 3097 3097 3097 309
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 3 9553 3173 3173 3173 3173 3173 317
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Bijdragen pensioenen EOB 2 10420092009 2 10420092009 43G 11.1
020 Adviezen door EOB 6 6115 3005 300 6 6115 3005 300 12 11.1
Totaal art 0112 8 7157 3097 309 8 7157 3097 309    

01.15 Adviescolleges

a) De grondslag van het artikel

Sinds 1998 worden de uitgaven voor adviescolleges (als bedoeld in de Kaderwet adviescolleges, niet zijnde een adviescollege als bedoeld in artikel 3 of 6 van die wet) op een apart artikel geraamd. Op de EZ-begroting gaat het hierbij om de Algemene Energie Raad (AER), de Adviesraad voor Wetenschap en Techniek (AWT), de Raad van Deskundigen voor de Nationale Standaarden, Adviescollege Toetsing Administratieve Lasten (ACTAL) en het EZ-personeel van de adviescolleges.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  1 7851 7921 7921 7921 792 
1e suppl. wet 2000  1 355   
Mutatie  251 3401 34092525 
Ontwerp-begr. 20011 3231 5663 1653 1323 1322 7171 8171 789
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10006007111 4361 4211 4211 233825812
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  1 7731 7851 7921 7923 044 
1e suppl. wet 2000  1 355  
Mutatie  1741 3401 340925– 1 227 
Ontwerp-begr. 2001 1 4823 3023 1253 1322 7171 8171 789
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 6731 4981 4181 4211 233825812
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 AER 192198198 192198198 12 09.0
020 Raad Wetensch. en techn. 1 3281 2701 277 1 2681 3611 270 31 11.7
030 Raad desk. Nat. Stand. 465252 229852 12 11.4
035 ACTAL  1 3551 315  1 3551 315 12 11.1
040 Pers. adviescoll.  290290  290290 11 11.0
Totaal art 0115 1 5663 1653 132 1 4823 3023 125    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Materieel budget ACTAL 1 3151 315900  
2. Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties2525252525
Totaal251 3401 34092525

ad 1:

Betreft een toevoeging voor het materiële budget van het Adviescollege Terugdringing Administratieve Lasten (ACTAL), een onafhankelijk adviescollege voor de toetsing van voorgenomen regelgeving op de gevolgen voor administratieve lasten.

01.55 Bijdrage aan het agentschap Senter

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel wordt de bijdrage van EZ aan het agentschap Senter geraamd. Zie het onderdeel «Toelichting bij de agentschapsbegroting» voor een nadere toelichting op het agentschap Senter. De raming op artikel 01.55 voor 2000 wijkt af van de door Senter geraamde bijdrage, omdat in laatstgenoemde raming nog geen rekening is gehouden met aanvullende EZ-opdrachten die gedurende het uitvoeringsjaar worden verstrekt. Na 2000 wordt bij Senter uitgegaan van een voorzichtige groei in de opdrachten van EZ. Daarnaast houdt Senter rekening met een stijging van de tarieven als gevolg van loon- en prijsontwikkelingen. EZ houdt geen rekening met deze tariefstijging.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  57 16357 07057 14457 01657 016 
1e suppl. wet 2000  16 05517 40617 40617 40617 406 
Mutatie  2 8263 3192 2222 1972 197 
Ontwerp-begr. 200142 58274 70476 04477 79576 77276 61976 61976 688
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100019 32333 89934 50735 30234 83834 76834 76834 799
Waarvan te betalen42 43169 88376 04477 79576 77276 61976 61976 688
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  57 75257 15359 92457 03757 016 
1e suppl. wet 2000  16 43517 40617 40617 40617 406 
Mutatie  7892 6163 1992 2222 197 
Ontwerp-begr. 2001 69 51874 97677 17580 52976 66576 61976 713
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 31 54634 02335 02036 54234 78934 76834 811

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Bijdr. DG I&D aan Senter 38 16740 77240 644 37 55337 83840 756 03 11.3
020 Bijdrage DG ES aan Senter 6 1083 7764 643 5 4785 6053 911 03 11.3
030 Bijdrage DG E aan Senter 16 58114 09915 111 12 09414 09915 111 03 11.3
040 Bijdrage DG BEB aan Senter 13 84817 39717 397 14 39317 43417 397 03 11.3
Totaal art 0155 74 70476 04477 795 69 51874 97677 175    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Loon- en prijsbijstelling2 1862 1992 2222 1972 197
2. Van 02.12 voor uitvoeringskosten IOP/T&S5001 000    
3. Overige beleidsmatige niet-relevante mutaties140120  
Totaal2 8263 3192 2222 1972 197

01.61 Personeel en materieel EZ, exclusief CBS

a) De grondslag van het artikel

Met ingang van de begroting 1997 zijn de apparaatsuitgaven geraamd op artikel 01.01 Apparaatsuitgaven EZ. Op dit artikel worden nog slechts betalingen op in het verleden aangegane verplichtingen geraamd.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  65  
Mutatie  110  
Ontwerp-begr. 2001 265175  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 12079  

Economische code: 12 Functionele code: 11.1

02.00 INDUSTRIEEL EN ALGEMEEN TECHNOLOGIEBELEID

Matrix van de technologiestimuleringsregelingen.

 
 GeneriekNLG mln Milieu technologie NLG mln ICTNLG mln Lucht- & Ruimtevaart clusterNLG*mln
FundamenteelSamenw.Instr.d)131,9 EET130 Micro Elektr.  CVOa)
en IndustrieelWBSOa)704,0    stimulering81,0 NRT8,0
OnderzoekIOP29,9    Giga-portb)43,0 ESA-proj.b)86,3
 TNO/TTI/GTI118,4    Actieplan CICa)57,0   
 STW37,9    (Techn. Deel)    
            
Préconcur-TOK/TOP80,2    KREDO8,0 CVOb)32,0
rentieelWBSOa)       JSGb)35,0
 Codema15,6         
            
KennisdiffusieSyntens68,7 First mover15,0 Elektronische    
 Kennisoverdr.  Referentie-  snelweg55,8   
 Regelingene)54,5 proj. mil. tech.4,0 Twinningc)22,5   
 TWA0,9 Schoner       
 Technostarters20,0 Produceren       
 Back office           
 ICT-campagne3,5         

a) Enkele subsidieregelingen hebben betrekking op meerdere onderzoeksfasen. Omdat het budget niet goed is uit te splitsen naar één bepaalde fase is het budget bij één onderdeel aangegeven.

b) De hier genoemde budgetten betreffen kasbedragen omdat een vergelijking op verplichtingenbasis een onevenwichtig beeld geeft. De overige bedragen betreffen verplichtingenbudgetten.

c) Betreft het geraamde kasbedrag voor 2001. Evaluatie van het Twinning netwerk wordt uitgevoerd. De resultaten van de evaluatie zullen worden gemeld aan de Tweede Kamer. Besluitvorming over Twinning zal later plaatsvinden.

d) Het betreft het Samenwerkingsinstrument (NLG 30,4 mln) na 1 mei 2001, de regelingen BTS (NLG 70 mln), SMO (NLG 3 mln), BIT-Eureka (NLG 12 mln) en Geïndustrialiseerde landen (NLG 7 mln) tot 1 mei 2001 en BIT-Opkomende Markten (NLG 9,5 mln) voor geheel 2001.

e) Het betreft de bedrijfs- en branchegerichte regelingen voor kennisoverdracht na 1 mei 2001 (NLG 40 mln), de KIM (NLG 4 mln), de HMKB (NLG 7,5 mln) en de regeling kennisoverdracht- en kennisverzamelingprojecten (NLG 3 mln) tot 1 mei 2001.

De bovenstaande matrix is een schematische weergave van het technologie-instrumentarium. De rijen hebben betrekking op de verschillende stadia van het R&D-onderzoek waarop de instrumenten gericht zijn. In de kolommen zijn de verschillende regelingen per beleidsthema opgenomen.

De verschillende stadia van onderzoek zijn:

1. Fundamenteel en industrieel onderzoek; dit is onderzoek dat niet direct gericht is op een commerciële toepassing.

2. Pré-concurrentiële ontwikkeling; deze ontwikkeling vindt vóór de marktintroductie plaats en heeft tot doel ontwikkelde technieken geschikt te maken voor de markt.

3. Kennisdiffusie; dit is van belang om te zorgen dat van bestaande kennis zoveel mogelijk geprofiteerd kan worden. Deze fase start – over het algemeen – rond de marktintroductie. Vandaar dat marktintroductie-instrumenten en starters-initiatieven hierbij zijn opgenomen.

Het subsidie-instrumentarium voor technologiebeleid heeft in principe een generiek karakter. Er worden bij drie beleidsthema's extra of aanvullende accenten gelegd op specifieke technologiegebieden en thema's.

Milieutechnologie

De overheid streeft ernaar om economische groei en verbetering van het milieu hand in hand te laten gaan. Technologische ontwikkelingen als hulpmiddel om de ontkoppeling tussen milieudruk en economische groei te realiseren, zijn daarom meer dan gewenst. Aangezien het bedrijfsleven uit de ontwikkeling en toepassing van milieutechnologie minder voordelen haalt dan de maatschappij, zal de overheid de marktpartijen moeten compenseren/om deze toch over te halen aandacht te schenken aan het milieurendement. De nadruk van het beleid ligt met de EET-regeling op technologische doorbraken op middellange en lange termijn.

ICT

De ICT-sector is één van de snelst groeiende sectoren van de Nederlandse economie. Om deze groei te behouden is een aantal speciale regelingen in het leven geroepen. Daarnaast is de toepassing van ICT van groot belang voor de groei in andere sectoren van de economie. De positie van Nederland op de ranglijst van intensiteit van gebruik van ICT staat onder druk. Voor het behouden en verbeteren van de positie is het Actieplan Concurreren met ICT Competenties opgesteld dat in 2001 van start gaat. Het plan behelst zowel fundamenteel onderzoek als doorbraakprojecten in de toepassing van ICT en de beschikbaarheid van voldoende ICT-kennis bij de beroepsbevolking. Ook de verdere ontwikkeling van toepassingen op de elektronische snelweg blijft met het nationaal actieplan de aandacht houden. Daarnaast wordt ook in 2001 de deelname van toonaangevende Nederlandse bedrijven aan internationale onderzoek op het gebied van micro-elektronica gestimuleerd.

Lucht- en ruimtevaart

De betrokkenheid van de overheid bij het luchtvaartcluster is gebaseerd op de risico's in deze sector, de lange terugverdientijden van de investeringen (15 à 20 jaar) en de ondersteuning die instituten en bedrijven in andere landen ontvangen. De overheid is nauw betrokken bij het ruimtevaartcluster vanwege de enorme kosten die eraan verbonden zijn. Daarnaast is de overheid ook de grootste afnemer van en belanghebbende bij vernieuwende ruimtevaarttoepassingen (bijvoorbeeld aardobservatie).

Stroomlijning

In de nota «Ruimte voor Industriële Vernieuwing» (Kamerstuk II 1998/99, 26 628-XIII, nr. 1) is aangekondigd dat o.a. het technologie-instrumentarium zal worden gestroomlijnd. Hierdoor ontstaan vier nieuwe regelingen:

• één voor Technische Ontwikkelingsprojecten (TOP) in plaats van de TOK, KREDO en MPO;

• één voor technologische Samenwerking in plaats van de BTS, SMO, BIT Eureka en BIT Geïndustrialiseerde landen. Er wordt bekeken of ook de EET kan worden opgenomen in het nieuwe instrument.

• twee voor Kennisoverdracht; een branche -en een bedrijfsgericht instrument in plaats van HMKB, het TNO-MKB initiatief, KIM, SBT en de kennisoverdrachtregeling in het kader van Pionier! Alleen de milieuregelingen blijven apart bestaan. De V&D en EMA in het kader van het programma Schoner Produceren lopen tot en met 2002. Zie voor een verdere toelichting op de stroomlijning hoofdstuk 4 van de Memorie van Toelichting.

02.01 Onderzoek en voorlichting ten behoeve van technologiebeleid

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Betreft uitsluitend de financiële afwikkeling van verplichtingen die tot en met 1999 zijn aangegaan.

b) De cijfers

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  131     
Mutatie  269     
Ontwerp-begr. 2001 166400     
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 75182     

Economische code: 12 Functionele code: 11.0

02.02 Specifieke bedrijfsgerichte technologiestimulering

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid Programma Schoner Produceren

Het programma Schoner Produceren heeft tot doel middelgrote en kleine ondernemingen te activeren tot het op economische verantwoorde wijze verminderen van de milieubelasting. Met het programmaonderdeel Voorlichting en Doorlichting worden intermediaire organisaties gesteund die projecten uitvoeren om het MKB bewust te maken van rendabele milieumaatregelen, bijvoorbeeld op het gebied van milieutechnologie, milieugerichte productontwikkeling, energie-efficiency, bedrijfsinterne milieuzorg en preventie van afval en emissies. Indien een bedrijf zich laat adviseren over energie- en/of milieuefficiency, kan een deel van de externe advieskosten worden vergoed uit het programmaonderdeel Energie-efficiency en Milieu-advies. In het uitvoeringsjaar worden de budgetten vanuit artikel 09.01 Energiebesparingstechnologie en vanuit de begroting van het Ministerie van VROM aan artikel 02.02 toegevoegd (naar verwachting NLG 6,0 mln).

Milieu referentie projecten; budget NLG 4,0 mln

Voor het MKB bestaat de regeling referentieprojecten milieutechnologie (Stcrt. 1998, 15). De regeling heeft als doel middelgrote en kleine producenten van milieutechnologie te steunen bij het plaatsen van nieuwe milieutechnologie bij een eerste afnemer. Hiertoe wordt het verkrijgen van een referentie voor nieuwe producten of diensten op basis van milieutechnologie gesubsidieerd. Een referentie kan worden verkregen door het laten uitvoeren van een meetprogramma of door het demonstreren van een eerste praktijktoepassing.

First-Mover faciliteit; budget NLG 15,0 mln

Het Kabinet heeft in de nota Milieu & Economie de introductie van een First Mover faciliteit aangekondigd. De faciliteit heeft als doel de marktintroductie van nieuwe milieutechnologie te bevorderen door financiële risico's voor de eerste afnemer te verminderen. Via een aanbestedingsprocedure is marktpartijen gevraagd voorstellen te doen voor de vormgeving van een First Mover faciliteit. De aanbesteding is medio juni gesloten. Een externe klankbordgroep zal de ingediende voorstellen beoordelen. Besluitvorming vindt binnenkort plaats. De Tweede Kamer zal hierover nader worden geïnformeerd.

Bevordering Maritiem Onderzoek; budget NLG 3,0 mln

Het besluit Subsidies Maritiem Onderzoek (SMO) (Stb. 1997, 555) beoogt een vergroting van de onderzoeksinspanning in de maritieme sector en nauwere samenwerking tussen het maritieme bedrijfsleven en maritieme kennisinfrastructuur. Per 1 mei 2001 zal het instrument opgaan in het generieke samenwerkingsinstrument.

99–13 Instrument: Subsidie ter bevordering van Maritiem Onderzoek

Beknopt resultaat: Het Nederlands Instituut voor Maritiem onderzoek (NIM) en de SMO-regeling zijn er slechts in beperkte mate in geslaagd de doelgroep te bereiken. Het NIM is in onvoldoende mate een intermediair voor het totale cluster. De SMO heeft een positief effect gehad op samenwerking en uitwisseling in de sector en tot innovaties geleid die de deelnemers als strategisch beschouwen. Resultaat is dat het NIM wordt opgeheven en de SMO in het kader van de stroomlijningsoperatie opgaat in het samenwerkingsinstrument.

Technostarterscluster; budget NLG 20,0 mln

Aan de doelen en aanpak om via een integrale aanpak het klimaat voor technostarters te verbeteren volgens het voorbeeld van Twinning en Life Sciences wordt in het algemene deel van de Memorie van Toelichting aandacht besteed (hoofdstuk vier).

Actieplan Life Science; budget NLG 20,0 mln

In vervolg op het Actieplan Life Sciences (Kamerstukken II 1998/1999, 25 518, nr.17) zijn de Tweede Kamer en de Eerste Kamer op 9 februari jl. geïnformeerd over de implementatie van dit actieplan. In het actieplan wordt aangegeven dat Nederland een sterke kennispositie heeft op het terrein van life sciences. Deze kennispositie wordt echter onvoldoende te gelde gemaakt door middel van commerciële activiteiten. Het actieplan beoogt de realisatie van vijftien startende life sciences bedrijven per jaar. In het Algemeen Overleg van 5 april jl. is de Tweede Kamer akkoord gegaan met de in bovengenoemde brief aangekondigde aanpak (Kamerstukken II 1999/2000, 25 518, nr. 20 en 21).

De stand van zaken rond de implementatie van de actielijnen is nu als volgt:

• BioPartner Nederland (het platform Life Sciences) is formeel opgericht. Inmiddels is met de eerste activiteiten van het uitvoeringsplan begonnen;

• De Zaaikapitaalregeling voor het stimuleren van onderzoekers om ondernemer te worden is gereed. Voorstellen kunnen worden ingediend bij NWO;

• De oproep in de Staatscourant van eind februari 2000 heeft reeds enkele incubatorvoorstellen opgeleverd, die worden beoordeeld door een adviescommissie. Tot het eind van 2000 kunnen voorstellen worden ingediend;

• Het apparatenfonds voor starters is operationeel.

• De Europese aanbesteding voor het startfonds life sciences is afgesloten. De opdrachtgunning wordt in het derde kwartaal van 2000 verwacht.

Eind 2001 kan een eerste tussenstand worden opgemaakt van de resultaten van de verschillende actielijnen.

Flankerend beleid; budget NLG 3,4 mln

Om de effectiviteit van het bedrijfsgerichte R&D-instrumentarium te vergroten, is een samenstel van flankerende activiteiten opgezet. Deze activiteiten richten zich met name op bewustwording. Thema's zijn:

• milieu en economie; versterking van het bewustzijn bij het MKB dat deze aspecten in de bedrijfsvoering gecombineerd kunnen worden;

• samenwerking tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven en kennisinstellingen. De doelgroep is het technologiegenererende bedrijfsleven;

• belang van technologische vernieuwing door het technologievolgend bedrijfsleven. Hierbij wordt specifiek aandacht besteed aan het MKB;

• belang van niet technologische aspecten van innovatie, zoals bijvoorbeeld strategievorming en organisatievernieuwing.

Naast bovenstaande budgetten voor Technostarters, Life Sciences en Flankerend beleid wordt op dit artikelonderdeel (02.02–740) eveneens NLG 3,5 mln geraamd voor de ICT-campagne (onderdeel back-office) en NLG 3 mln voor de subsidieregeling kennisoverdracht- en kennisverzamelingprojecten (Pionier! voor de periode tot 1 mei 2001).

Elektronische snelwegen; budget NLG 58,8 mln

In de nota De Digitale Delta (Kamerstukken 1998/99, 26 643, nr. 1) heeft het kabinet de ambitie uitgesproken dat Nederland tot de Europese kopgroep op de elektronische snelweg moet behoren. Ook is in de nota verwoord welke activiteiten ondernomen moeten worden om deze ambitie te verwezenlijken. Concreet komt het er op neer dat alle vijf de pijlers van de Nederlandse ICT-basis op orde moeten zijn. Het Elektronische Snelwegen budget wordt dan ook op evenwichtige wijze aan de verschillende actielijnen toegedeeld. Over de exacte toedeling van het budget 2001 vindt eind 2000 besluitvorming plaats in de stuurgroep Nationaal AktieProgramma Elektronische Snelwegen (NAP).

Infralijn en beleidsonderbouwend onderzoek; budget NLG 45,5 mln

De infralijngelden worden ingezet voor projecten op het grensvlak van bedrijfsmatige technologietoepassing en technisch-wetenschappelijke infrastructuur. Uit dit budget worden ook externe evaluatie- en beleidsonderzoeken gefinancierd. Twee belangrijke beleidsintensiveringen die op dit artikel zijn geraamd betreffen de impuls voor het fundamentele onderzoek dat moet leiden tot toekomstige ICT-vernieuwingen (NLG 15,0 mln, onderdeel van het actieplan Concurreren met ICT-competenties) en het actieplan Professioneel Inkopen en Aanbesteden (NLG 9,5 mln).

Op 3 december 1999 is het actieplan PIA aan de Tweede Kamer aangeboden, waar het brede steun kreeg. Het actieplan is gericht op een zodanige verandering in de aanbestedingspraktijk bij de rijksoverheid, dat daardoor innovatieve aanbiedingen worden uitgelokt. Tevens behoren het voldoen aan de Europese aanbestedingsrichtlijnen en het in 2002 elektronisch publiceren van alle Europese aanbestedingen tot de doelstellingen. Voor de uitvoering van het plan wordt een bureau opgericht. Het budget voor 2001 is bedoeld voor het uitvoeren van activiteiten op de vijf «percelen» van het actieplan: analyse, gezamenlijk inkopen, verhoging professionaliteit, Europees aanbesteden en elektronisch aanbesteden. Het perceel Europees aanbesteden moet in 2001 worden afgerond.

Economie, Ecologie en Technologie (EET); budget NLG 130,0 mln

Het Besluit subsidies Economie, Ecologie en Technologie (Stb. 1997, 13) biedt een financiële bijdrage aan initiatieven van bedrijven en kennisinstellingen voor het integreren van economie, ecologie en technologie. Doel van de regeling is het realiseren van doorbraken die op een termijn van 5 tot 10 à 20 jaar leiden tot aanmerkelijke positieve gevolgen voor de Nederlandse economie, de kennispositie van Nederland en nationale of mondiale ecologische vraagstukken.

De middelen die voor het programma zijn geraamd fluctueren per jaar sterk. Dit wordt veroorzaakt doordat de EET-tenderperioden een cyclus van acht maanden kennen. In het ene jaar valt derhalve de afwikkeling van twee tenders, in het daaropvolgende jaar van één. In 2001 worden door Novem de aanvragen van twee tenders gehonoreerd.

Kengetallen Economie, Ecologie en Technologie (EET)
(Bedragen in verplichtingen x NLG 1 mln)Artikel(-sub)Realisatie1999Raming**2000Raming2001
Ramingskengetallen    
1. Aantal aanvragen (=gehonoreerde subsidieaanvragen) 452450
2. Gemiddelde gehonoreerde toekenning per aanvraag 1,5562,6742,520
3. Toegelicht begrotingsbedrag (= subsidie)02.02–75470,00064,174126,000
Doelmatigheidskengetallen    
1. Aantal prestaties (= behandelde aanvragen) 172120210
2. Kosten per prestatie (x NLG1000) 3,7975,5205,714
3. Aantal prestaties (= dossiers in beheer) 889095
4. Kosten per prestatie (x NLG1000) 5,9527,6398,421
5. Overige uitvoeringskosten 1,8641,9762,000
6. Toegelicht begrotingsbedrag (= uitvoeringskosten prog.bureau EET)02.02–7543,326*3,3264,000
7. Uitvoerend personeel in fte (= progr.bureau EET) 12,31416
Kwaliteitskengetallen    
Aantal ingediende bezwaarschriften 345
Aantal afgehandelde bezwaarschriften 244
Waarvan (gedeeltelijk) gehonoreerd 111

* In 1999 is de opdracht voor 2000 verstrekt (NLG 3,326 mln).

** De ramingen van het EET programma in 2000 en 2001 zijn aangepast aan de 8-maands tendercyclus van het programma. Dit betekent afwisselend twee tenders of één tender per jaar. Het subsidiebudget wijkt daarom af van het bedrag waarmee oorspronkelijk de ramingskengetallen voor 2000 zijn opgesteld.

Technisch Wetenschappelijke Attaché's (TWA's); budget NLG 0,9 mln

De TWA's vormen een schakel in het ontsluiten van buitenlandse technologische kennis voor Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheden. Het blad Technieuws (ook op de website onder www.technieuws.org) verschijnt tien keer per jaar. Hierin zijn uitgebreide artikelen over technologische onderwerpen en kort nieuws van de TWA-posten opgenomen. Er zijn TWA-posten in de VS, Japan, Duitsland, Frankrijk, Italië en Singapore. In 2001 is onder andere een evaluatie van de TWA-post in Parijs voorzien. Met het beschikbare budget worden de materiële uitgaven van de TWA-posten gefinancierd, zoals bureaukosten, abonnementen en inhuur van lokale krachten.

BTS/Samenwerkingsinstrument; budget NLG 137,4 mln

Het Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologische samenwerking (BTS, Stb. 1996, 638) richt zich zowel op samenwerking op R&D-gebied tussen bedrijven en kennisinstellingen als op samenwerking tussen bedrijven onderling. Het gaat hierbij om grote, middelgrote en kleine bedrijven. Het instrument heeft een generiek karakter.

Kengetallen Samenwerkingsinstrument
(Bedragen in verplichtingen x NLG 1 mln)ArtikelRealisatieRamingRaming*
 (-sub)199920002001
Ramingskengetallen    
1. Aantal aanvragen (=gehonoreerde subsidieaanvragen) 10980105
2. Gemiddelde gehonoreerde toekenning per aanvraag 1,1291,3501,166
3. Toegelicht begrotingsbedrag (= subsidie) 123,041107,973122,393
Doelmatigheidskengetallen    
1. Aantal prestaties (= behandelde aanvragen) 193170240
2. Kosten per prestatie (x NLG1000) 6,8216,6307,500
3. Aantal prestaties (= dossiers in beheer) 300330450
4. Kosten per prestatie (x NLG1000) 3,2123,0913,777
5. Overige uitvoeringskosten 2,3553,1033,500
6. Toegelicht begrotingsbedrag (= uitvoeringkosten Senter)01.55–0104,6355,2507,000
7. Uitvoerend personeel in fte (= Senter) 192028
Kwaliteitskengetallen    
Aantal ingediende bezwaarschriften 41315
Aantal afgehandelde bezwaarschriften 51312
waarvan (gedeeltelijk) gehonoreerd 225

* Voor 2001 gaat het om het nieuwe Samenwerkingsinstrument in combinatie met de afhandeling van BTS, BIT en SMO. De onzekerheidsmarge in de raming is hierdoor groter. De ramingskengetallen (en het budget) voor 2001 zijn opgebouwd uit het bedrag voor het Samenwerkingsinstrument na 1 mei 2001 (NLG 30,4 mln op 02.02–800) en de bedragen voor BTS (NLG 70 mln op 02.02–800), SMO (NLG 3 mln, op 02.02–730), BIT-Eureka (NLG 12 mln op 02.03–010) en Geïndustrialiseerde landen (NLG 7 mln op 02.03–013) tot 1 mei 2001.

Het is overigens niet uit te sluiten dat goede R&D-projecten door hun inhoud en omvang niet zullen passen in het op samenwerking gerichte instrumentarium. In die (uitzonderlijke) gevallen kan EZ er toe overgaan binnen haar begroting ruimte te vinden voor dergelijke projecten. Elk voornemen tot ondersteuning van een dergelijk project, wordt vooraf aan de Kamer voorgelegd.

De BTS- en de BIT-regeling zijn in mei 2000 geëvalueerd. De regelingen BTS-, SMO, BIT-Eureka en BIT-Geïndustrialiseerde landen gaan in het kader van de stroomlijning op in het nieuwe Samenwerkingsinstrument. Het streven is dat het nieuwe instrument per 1 mei 2001 de bestaande regelingen zal vervangen.

99–12 Instrument: Bedrijfsgerichts Technologische Samenwerking (BTS) en Bedrijfsgerichte Internationale Technologie programma's (BIT)

Beknopt resultaat: De beoordelingscriteria zijn duidelijk en aanvragers kunnen zich erin vinden. Een korte doorlooptijd wordt positief gewaardeerd. Aanvragers hebben wel meer behoefte aan feedback over de beoordelingen. Er is een verband tussen deelname aan de BTS regeling en R&D intensiteit van bedrijven. Bedrijven die meerdere malen van de BTS gebruik maken, kenmerken zich als «spinnen in het web» van belangrijke kennisclusters. BIT deelnemers zeggen meer R&D capaciteit in te zetten door de regeling. Deelname aan de BTS heeft een positieve invloed op de ontwikkeling van de uitgaven aan R&D samenwerking. Bij de BIT gaat het vaker dan bij de BTS om nieuwe samenwerkingsverbanden. De BTS en de BIT bereiken de beoogde doelgroep: innovatieve ondernemingen. Ruim de helft van de projecten heeft al tot innovaties geleid. De innovaties worden relatief vaak geoctrooieerd en scoren hoog op de mondiale meetlat. De evaluatie-uitslag is posi-tief en rechtvaardigt continuering van de ondersteuning van samenwerkingsprojecten. De aanbevelingen liggen met name op het gebied van communicatie met de aanvragers.

Behalve de NLG 100,4 mln voor de BTS wordt op dit artikelonderdeel (02.02–800) eveneens NLG 37 mln geraamd voor het actieplan Concurreren met ICT-competenties. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar hoofdstuk vier van het algemeen deel van de Memorie van Toelichting.

Kennisoverdrachtinstrumenten; budget NLG 47,6 mln

In 2001 komen in het kader van de stroomlijningsoperatie twee kennisoverdrachtsinstrumenten in plaats van vijf bestaande instrumenten. Het doel is het versterken van het vernieuwend vermogen van het MKB door actieve verspreiding van en bemiddeling in praktisch toepasbare kennis over innovatie. Deze doelstelling wordt ingevuld door:

1. het versterken van het organiserend vermogen van intermediaire organisaties;

2. het versterken van de strategische informatievoorziening;

3. het stimuleren van kennisoverdracht.

De instrumenten beogen projecten te stimuleren die direct kennisoverdracht naar middelgrote en kleine ondernemingen realiseren. De twee nieuwe instrumenten gaan per 1 mei 2001 van start. Tot die tijd wordt een deel van de begrote middelen ingezet voor de bestaande instrumenten.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  393 055408 000403 672406 763370 938 
1e suppl. wet 2000  13 613– 292– 292– 292– 292 
Mutatie  – 21 691147 650159 172237 236118 708 
Ontwerp-begr. 2001917 092321 670384 977555 358562 552643 707489 354452 354
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000416 158145 967174 695252 010255 275292 102222 059205 269
Waarvan te betalen873 505312 282356 238497 928515 164590 245444 570410 345
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  360 313394 051376 737377 274367 376 
1e suppl. wet 2000  – 2 5833 326– 6 961– 3 8929 034 
Mutatie  – 25 3126 78763 27458 826109 186 
Ontwerp-begr. 2001 292 984332 418404 164433 050432 208485 596528 093
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 132 950150 845183 402196 510196 127220 354239 638
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
570 Overige aktiviteiten     80076  31 11.31
600 Stim. Strat. Samenwerking     18 22225 40031 469 31 11.31
620 Voorber. techno. prod. 14 32733 89763 283 31 15540 69935 838 62D 11.3
710 Milieu/PBTS 11 9165 0004 000 31 65218 12717 281 31 11.31
715 First movers  15 00015 000  2 7756 244 31 11.3
720 IOP 35   9 2185 2343 882 31 11.31
730 Maritiem Onderzoek 6 5996 5133 000 5 0726 7296 060 31 11.31
740 Flankerend beleid 9 51342 27349 941 13 56623 24428 394 31 11.31
745 Elektronische Snelweg 62 76764 86558 800 52 94852 50062 060 31 11.3
750 Infralijn & Bel.Onderz. 4 51826 50045 486 14 15418 14728 923 31 11.31
754 EET-programma 73 32667 500130 000 37 54747 67866 762 47D 11.1
760 TWA 619881902 568801891 12 11.31
780 Informatietechnologie     8 8271 600700 31 11.31
800 BTS* 123 041107 973137 393 54 41176 25094 504 31 11.3
810 Kennisdiffusie MKB** 12 50912 50047 553 10 82410 26720 741 31 11.3
811 TNO/MKB-initiatief 2 5002 075  3 8852 341415 31 11.3
914 Stimuleringsprogr.      500  31 11.31
920 Biotechnologie     13550  31 11.31
Totaal art 0202 321 670384 977555 358 292 984332 418404 164    

* De verplichtingenruimte voor de BTS in 2001 wijkt af van de kengetallen en het bedrag vermeld in de technologiestimuleringsregelingen-matrix. De opbouw van de verplichtingenruimte is als volgt: het BTS-instrument tot 1 mei 2001 (NLG 70,0 mln), het Samenwerkingsinstrument na 1 mei 2001 (NLG 30,4 mln) en de raming voor de Grootschalige applicatieprojecten uit het aktieplan Concurreren met ICT-competenties (NLG 37,0 mln).

** De verplichtingenruimte voor Kennisdiffusie MKB wijkt af van het bedrag voor de kennisoverdrachtregelingen vermeld in de technologiestimuleringsregelingen-matrix. De opbouw van de verplichtingenruimte is als volgt: kennisoverdrachtinstrument na 1 mei 2001 (NLG 40 mln) en het HMKB tot 1 mei 2001 (NLG 7,6 mln).

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Actieplan concurreren met ICT-competenties 52 00037 00052 00037 000
2. Technostartersclusters5 00020 00050 00025 000 
3. Kennisoverdrachtsinstrumentarium MKB 20 51320 51320 51320 513
4. Backoffice ICT-campagne3 5003 500   
5. Herschikking EET-budget– 49 79717 162– 13 98778 528 
6. Overheveling van BIT en DGE naar Samenwerkingsinstr.16 2167 10825 17325 17325 173
7. Overheveling KREDO-middelen naar NAP 10 80022 50027 00027 000
8. Overheveling van KIM en SBT naar Kennisinstrument 7 79611 6949 7439 743
9. Actieplan Innovatief aanbesteden 9 5007 000   
10. Overheveling naar V&W: voorfase ITM– 2 350     
11. Overloop budget van 1999 naar 2000 SMO2 100     
12. Overloop Budget 1999 Flankerend Beleid naar 20001 500    
13. Overloop Budget 1999 Schoner Produceren naar 20001 000     
14. Overheveling naar 02.06 Subsidies industriële ontw.– 513– 513– 513– 513– 513
15. Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties1 653– 216– 208– 208– 208
Totaal– 21 691147 650159 172237 236118 708

ad 1.

Deze intensivering betreft het actieplan «Concurreren met ICT-competenties». Hierbij gaat het om de opzet van baanbrekende applicatie- en onderzoeksprojecten door clusters van ICT-bedrijven, hoogwaardige gebruikers en kennisinstituten.

ad 2.

Het ontstaan van nieuwe bedrijven rond toepassingen van hoogwaardige technologieën is een zeer belangrijke factor in de innovatiekracht van de economie. Deze intensivering betreft het voor starters opzetten van faciliteiten voor vier clusters van technologiegebieden. Per gebied is circa NLG 25,0 mln noodzakelijk voor implementatiekosten, vormgeven en invoeren van het concept en huisvesting.

ad 3.

Deze mutatie betreft een intensivering van het kennisoverdrachtinstrumentarium voor het MKB. Hierbij gaat het om het vernieuwen en intensiveren van het instrumentarium voor de innovatiekracht van het MKB. Doel is om de achterstand op innovatiegebied van het Nederlandse MKB in te lopen.

ad 4.

Betreft een grootschalige voorlichtingscampagne specifiek gericht op het MKB van in totaal NLG 15,0 mln. Het doel is het MKB aan te zetten tot het gebruik van ICT. De overige kosten van de campagne (NLG 8,0 mln) komen ten laste van artikel 01.01 Apparaatskosten.

Bovenstaande mutaties 1 tot en met 4 maken deel uit van het Lissabon-pakket op het gebied van kennis en innovatie. Voor een nadere toelichting en een totaal overzicht van dit kennis/innovatie pakket wordt verwezen naar hoofdstuk vier van het algemene deel van de Memorie van Toelichting.

ad 5.

De begrotingsbedragen worden in lijn gebracht met de tendersystematiek van EET van één tender per acht maanden. Dit betekent afwisselend twee tenders of één tender per jaar.

ad 6.

In het kader van de stroomlijningsexercitie worden de budgetten van BIT/Eureka en BIT/geïndustrialiseerde landen (zie artikel 02.03 Internationale en algemene technologiestimulering) met ingang van 1 mei 2001 overgeheveld naar de BTS.

Daarnaast bestaat deze mutatie uit een bijdrage van artikel 09.01 Energiebesparingstechnologie aan de eerste tender van 2000 voor de BTS.

ad 7.

De KREDO-regeling stopt per 1 januari 2001. De middelen zijn oorspronkelijk beschikbaar gesteld vanuit het budget voor het Nationaal Actieprogramma Elektronische Snelwegen (NAP). In overleg met de stuurgroep NAP, worden de middelen voor een volgende doelstelling in dit kader ingezet (zie ook artikel 02.09 Speur- en ontwikkelingswerk).

ad 8.

Betreft de stroomlijning van het kennisoverdrachtsinstrumentarium. De KIM- en SBT-budgetten worden met ingang van 1 mei 2001 overgeheveld.

ad 9.

Voor het actieplan innovatief Professioneel Inkopen en Aanbesteden (PIA) worden extra middelen toegevoegd. Het actieplan is gericht op een zodanige verandering in de aanbestedingspraktijk bij de Rijksoverheid, dat daardoor innovatieve aanbiedingen worden uitgelokt. Het betreft in totaal NLG 25 mln, waarvan NLG 8,5 mln reeds in de eerste suppletore begroting 2000 is opgenomen.

02.03 Internationale en algemene technologiestimulering

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Doelstelling is het continueren en verder stimuleren van de Nederlandse inbreng in programmatische en projectmatige internationale samenwerkingsverbanden tussen bedrijven. Ook worden nationale projecten ondersteund, indien deze een internationale uitstraling hebben.

BIT; budget NLG 28,5 mln

Medio 1997 is het Besluit subsidies bedrijfsgerichte internationale technologieprogramma's (BIT) in werking getreden (Stb. 1997, nr. 331). Door middel van dit instrument wordt technologische samenwerking gestimuleerd met bedrijven en kennisinstellingen over de landsgrenzen heen. Tot en met 2000 maken drie programma's deel uit van de BIT. BIT-Eureka en BIT-Geïndustrialiseerde landen zullen per 1 mei 2001 opgaan in het nieuwe Samenwerkingsinstrument. De budgetten in 2001 voor de periode tot 1 mei 2001 bedragen respectievelijk NLG 12,0 en 7,0 mln. Het derde programmaonderdeel is de BIT-Opkomende Markten, waarmee de internationale technologische samenwerking wordt gestimuleerd met (in 2001) Indonesië, India, Zuid-Afrika en China. Het budget voor de BIT-Opkomende Markten maakt onderdeel uit van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (NLG 9,5 mln) en blijft buiten het Samenwerkingsinstrument.

Voor de BIT zijn geen aparte ramingskengetallen opgenomen. De BIT-Eureka en Geïndustrialiseerde landen gaan per 1 mei 2001 op in het nieuwe samenwerkingsinstrument (artikel 02.02). In de eerste 4 maanden van 2001 lopen deze BIT-regelingen en BTS nog apart. Kengetallen voor 4 maanden kennen een hoge mate van onzekerheid en hebben weinig informatiewaarde. Daarom zijn er gecombineerde kengetallen gemaakt met het nieuwe samenwerkingsinstrument voor geheel 2001 (artikel 02.02 Specifieke Bedrijfsgerichte Technologiestimulering).

Micro-elektronica stimulering; budget NLG 81,0 mln

Het Eureka-programma MEDEA, een internationaal research programma op het gebied van de halfgeleidertechnologie, wordt in het jaar 2000 afgerond. Een nieuw initiatief MEDEA+ heeft in juni 2000 het Eureka label verkregen. Een looptijd van acht jaar (2001–2008) is voorzien. De deelnemende Europese landen zullen echter na vier jaar op basis van evaluatie van de resultaten besluiten over verdere ondersteuning van het programma. Het programma concentreert zich op micro-elektronica onderzoek ten behoeve van toepassingen in de Informatiemaatschappij, zoals mobiele communicatie, digitale technieken en lithografische technologieën voor de ontwikkeling van nieuwe generaties chips.

Het Eureka programma ITEA is in 1999 van start gegaan. Dit internationale programma richt zich met name op embedded software. Hiervoor wordt aan Philips een bijdrage in de onderzoekskosten verleend. Het DG Mededinging van de Europese Commissie heeft de Nederlandse steun aan Philips voor dit programma inmiddels goedgekeurd.

Tevens wordt een aantal strategische samenwerkingsprojecten tussen Philips en de Nederlandse kennisinfrastructuur en andere bedrijven ondersteund. Het betreft onder andere projecten op het terrein van medische beeldsystemen voor diagnostiek en micro mechanica. De Tweede Kamer wordt jaarlijks separaat geïnformeerd over de technologiebijdrage aan Philips.

Evaluatie 99–34 Instrument: Micro electronica stimulering/Advanced Digital Television Technologies (ADTT) Beknopt resultaat:

• Philips Nederland heeft de gebudgetteerde bijdrage aan de projecten geleverd en de beoogde eindresultaten gehaald.

• Op het gebied van non-broadcasttoepassingen is van wezenlijke stap voorwaarts gezet, waarmee de ontwikkeling van digitale televisie een belangrijke vooruitgang heeft geboekt.

• De basis is gelegd voor belangrijke ontwikkelingen en producten zoals elektronische filmcamera's, productiesystemen voor digitale films en geavanceerde non-broadcast toepassingen. Met name op het gebied van de traditionele 16 mm film worden kansrijke producten verwacht.

• De filmindustrie is moeilijk over te halen nieuwe technologieën te gebruiken, mede vanwege grote investeringen in bestaande systemen.

• Zonder subsidie was het niet mogelijk geweest deze resultaten te behalen.

Gebruik: De resultaten worden gebruikt bij de vormgeving van nieuwe grote Eureka projecten.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  116 109117 109117 109117 109117 109 
1e suppl. Wet 2000  22 000– 14 000– 8 000   
Mutatie  – 446 606– 12 394– 12 394– 12 394 
Ontwerp-begr. 2001130 769126 099138 065109 71596 715104 715104 71589 715
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100059 34057 22162 65149 78643 88747 51847 51840 711
Waarvan te betalen122 276122 999133 591106 79596 085104 085104 08589 085
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  102 417108 560113 567111 188112 370 
1e suppl. wet 2000  36 838– 12 341– 18 452– 10 365– 1 500 
Mutatie  8 89722 59517 45311 540173 
Ontwerp-begr. 2001 137 349148 152118 814112 568112 363111 04398 587
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 62 32667 22853 91551 08150 98850 38944 737
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 BIT/Eureka 19 63218 00012 000 14 9739 8029 995 62D 11.31
011 BIT/Opkomende markten 7 2108 5009 500 3 8436 9969 235 62D 11.31
013 BIT/Geïndustrialiseerde landen 7 8679 3507 000 3 2858 1398 380 43D 11.3
014 Eureka-secretariaat 356215215 356215215 43G 11.3
020 Micro-electronica stim. 91 034102 00081 000 114 892123 00090 989 62D 11.31
Totaal art 0203 126 099138 065109 715 137 349148 152118 814    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Overheveling naar 02.02–800: van BIT naar BTS – 8 394– 27 394– 27 394– 27 394
2. Actieplan concurreren met ICT-competenties 15 00015 00015 00015 000
3. Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties– 44    
Totaal– 446 606– 12 394– 12 394– 12 394

ad 1.

In het kader van de stroomlijningsoperatie wordt met ingang van 1 mei 2001 het budget van de BIT overgeheveld naar de BTS (zie ook artikel 02.02 Specifieke bedrijfsgerichte technologiestimulering). Aangezien er tot 1 mei 2001 nog middelen nodig zijn wordt niet het gehele budget overgeheveld.

ad 2.

Deze intensivering betreft het actieplan «Concurreren met ICTcompetenties». Hierbij gaat het om de opzet van baanbrekende applicatie- en onderzoeksprojecten door clusters van ICT-bedrijven, hoogwaardige gebruikers en kennisinstituten. Deze mutatie maakt deel uit van het Lissabon-pakket op het gebied van kennis en innovatie. Voor een nadere toelichting en een totaal overzicht van dit kennis/innovatie pakket wordt verwezen naar hoofdstuk vier van het algemene deel van de Memorie van Toelichting.

02.04 Overheidsaanschaffingen en bevordering bedrijfsgerichte samenwerking

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel wordt het budget voor de Codema-regeling geraamd. Doel van de Codema-regeling is het bevorderen van de deelname door het Nederlandse bedrijfsleven aan onderzoek en ontwikkeling op het gebied van defensiematerieel. De regeling wordt in 2000 geëvalueerd om te bezien of deze nog altijd aan de doelstelling voldoet. De evaluatie zal naar verwachting eind 2000 zijn afgerond.

De regeling voorziet in de ondersteuning van R&D-inspanningen voor militaire toepassingen. Hierbij zijn bedrijven betrokken als: SP Aerospace and Vehicle Systems, Hollandse Signaalapparaten inclusief haar verschillende dochterondernemingen, Origin, Cap-Gemini, RDM, Philips Crypto, Fokker Aerostructures, Fokker SP en instituten als TNO-DO en het NLR. De regeling richt zich met name op materieel-ontwikkelingsprojecten en onderzoeksprogramma's, waaronder het internationale samenwerkingsprogramma EUCLID en Eurofinder.

De Codema-regeling wordt samen met het Ministerie van Defensie uitgevoerd. EZ en Defensie dragen in principe ieder voor de helft bij aan het budget. In het verlengde van deze regeling wordt de Nederlandse deelname aan buitenlandse defensiebeurzen gestimuleerd. Op ad hoc basis draagt EZ bij in de kosten van deze beurzen. Incidenteel kunnen op dit artikel ook eerste toepassingen van innovatieve producten via de overheidsmarkt worden gestimuleerd.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  15 60015 60015 60015 60015 600 
Ontwerp-begr. 200155 12719 08615 60015 60015 60015 60015 60015 600
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100025 0168 6617 0797 0797 0797 0797 0797 079
Waarvan te betalen49 00317 54514 04014 04014 04014 04014 04014 040
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  17 27417 10515 54515 26814 525 
Mutatie  – 1 531– 2 120203– 1552 201 
Ontwerp-begr. 2001 24 74215 74314 98515 74815 11316 72614 728
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 11 2277 1446 8007 1466 8587 5906 683
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 O en O collectiviteiten 308   5 4222 108600 43D 11.01
020 Overheidsaanschaffingen 18 77815 60015 600 19 32013 63514 385 52 11.0
Totaal art 0204 19 08615 60015 600 24 74215 74314 985    

02.05 Syntens

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel wordt de EZ-bijdrage aan Syntens, het innovatienetwerk voor ondernemers, geraamd. Door het actief bemiddelen in praktisch toepasbare kennis, met het accent op technologie en bedrijfsvoering, wil Syntens het vernieuwend vermogen van het MKB versterken. Met Syntens beschikt het MKB over een adviesnetwerk met capaciteit voor alle sectoren en het gehele scala van bedrijfsvoeringsaspecten.

Syntens heeft vijftien regionale vestigingen. Activiteiten van het netwerk bestaan uit:

• het stimuleren en ondersteunen van vernieuwingsprocessen die leiden tot succesvolle innovaties door doelgroep- en themagerichte (collectieve) voorlichting en door landelijke en regionale projecten. Middelen zijn het aanbieden van praktisch toepasbare kennis en het makelen en schakelen tussen kennisleveranciers en het MKB;

• het stimuleren van regionale, nationale en internationale samenwerkingsverbanden gericht op vergroting van het vernieuwend vermogen van het MKB;

• het opereren als vraagbaak voor ondernemers passend binnen de missie;

• het informeren van overheden over relevante ontwikkelingen binnen het MKB.

Ter voorbereiding op de evaluatie van Syntens in 2001 is eind 1999 een nulmeting gedaan. In het kader van deze nulmeting zijn kengetallen ontwikkeld om inzicht te krijgen in de doelmatigheid en doeltreffendheid van de Syntens-activiteiten.

00–23 Instrument: Nulmeting Syntens

Beknopt resultaat:

• dankzij Syntens (voor)ziet 54% van de Syntens-klanten concrete verbeteringen in de bedrijfsvoering en heeft 14% nieuwe ideeën opgedaan;

• Syntens werkt (op adviseursniveau) vooral samen met onderwijsinstellingen, met name in de regio's waar de plaatsing van stagiairs van hogescholen, ROC's en universiteiten bij bedrijven sterk wordt gestimuleerd;

• bijna de helft van de klanten heeft vijf of meer keer contact gehad met Syntens;

• klanten van Syntens geven de dienstverlening bij de totaalbeoordeling een rapportcijfer zeven; hun omzet is over de periode 1998–1999 gemiddeld gegroeid met 35% en die van de niet-klanten met 15%; ze behaalden in 1999 meer omzet uit nieuwe producten en/of diensten die in de afgelopen drie jaar op de markt zijn gebracht dan niet Syntens-klanten: 21% versus 14% van de omzet;

• afnemers van de Syntens-klanten beoordelen de toename van de innovativiteit van hun toeleveranciers positiever dan de afnemers van de niet-Syntens-klanten;

• de antennefunctie is nauwelijks aanwezig.

Gebruik: Op basis van resultaten van de nulmeting worden streefwaarden bepaald voor de door Syntens te behalen resultaten in de meting aan het einde van de subsidiabele periode. Hiermee bouwt Syntens de professionaliseringsslag verder uit. In het kader van deze professionalisering wordt het beschikbare Syntens-budget voor activiteiten richting het MKB structureel met NLG 2 mln per jaar verhoogd.

Enkele kengetallen die onder andere uit de nulmeting voortvloeien, zijn de volgende nog in te vullen verhoudingsgetallen:

• verhouding adviseurs/overig personeel

• aantal adviezen per adviseur

• gemiddeld aantal uren per advies

• verhouding directe uren/totaal aantal uren

• verhouding indirecte/totaal aantal uren

• verhouding improductieve/totaal aantal uren

indicatoren Syntens-klanten

• aandeel klanten dat octrooi aanvraagt

• aandeel nieuwe klanten

• aandeel nieuwe producten/aantal adviezen

• aandeel klanten met nieuwe ideeën

• aandeel klanten met concrete verbetering in bedrijfsvoering

• aandeel dat gebruik heeft gemaakt van nationale innovatie- en technologiesubsidies

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  65 45164 76664 26663 76663 766 
1e suppl. wet 2000  66 224     
Mutatie  5 8623 9063 8913 8913 891 
Ontwerp-begr. 2001 72 846137 53768 67268 15767 65767 65767 657
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 33 05662 41231 16230 92830 70130 70130 701
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  66 22465 45164 76664 26663 766 
Mutatie  1 9413 9213 9063 8913 891 
Ontwerp-begr. 2001 72 84668 16569 37268 67268 15767 65767 657
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 33 05630 93231 48031 16230 92830 70130 701

Economische code: 12 Functionele code: 11.3

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1 000)20002001200220032004
1. Ondersteuning professionalisering Syntens2 0002 0002 0002 0002 000
2. Loon- en prijsbijstelling3 8621 9061 8911 8911 891
Totaal5 8623 9063 8913 8913 891

ad 1.

Binnen de kennis en innovatie-impuls komen middelen beschikbaar voor ondersteuning van het professionaliseringsproces binnen Syntens. Deze mutatie maakt deel uit van het Lissabon-pakket op het gebied van kennis en innovatie. Voor een nadere toelichting en een totaaloverzicht van dit kennis- en innovatiepakket wordt verwezen naar hoofdstuk vier van het algemeen deel van de Memorie van Toelichting.

ad 2.

Het verplichtingenbedrag van loon- en prijsbijstelling voor 2000 betreft de subsidiejaren 2000 en 2001. De bedragen na 2000 zijn steeds de subsidiebedragen voor het jaar daarop.

02.06 Subsidies in het belang van de industriële ontwikkeling

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op het gebied van technologie verrichten diverse instituten strategisch onderzoek. Op dit artikel worden de bijdragen geraamd, die ter versterking van de technologische kennisinfrastructuur aan deze instituten (onder meer NLR, MARIN, WL en TNO) worden verstrekt.

De bijdrage aan deze organisaties verstrekt EZ in de vorm van doel- en missiesubsidies. Onder het laatste wordt een bijdrage in de exploitatie verstaan. Waar mogelijk is deze laatste vorm in de afgelopen jaren afgebouwd en omgezet in bijdragen die gerelateerd zijn aan concrete activiteiten op het gebied van industrie/technologie.

Gegevens gefinancierde instituten*
 soort financiering(project of basis)aandeel Rijk in omzetwaarvan EZ-deel
Nederlands Normalisatie Instituutproject5,2%5,2%
Maritiem Research Instituut Nederlandmengvorm20%12%
Raad voor de Accreditatieproject3,6%3,6%
TNO doels. hfdst. VIIImengvorm32,8%19,3%
Stichting Nederland Distributielandbasis39%18%
Instituut Nederlandse Kwaliteitproject19,9%12,7%
NLR hoofdstuk XIImengvorm26%6%
Stichting Koning Willem Ibasis100,0%100,0%
MARINbasis100,0%40,0%
MIC/TUDbasis100,0%50,0%
Stichting Bos en Houtbasis73,0%47,9%

* De gegevens (behalve de soort financiering) hebben betrekking op 1999.

De bijdrage aan TNO is gebaseerd op de TNO-wet (Stb. 1985, 762) van 19 december 1985 (regeling van de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek TNO). Bij de overige organisaties is veelal sprake van het goedkeuren van de jaarlijkse (projecten)begroting van het instituut.

Evaluatie 99–15 Instrument: TNO Beknopt resultaat: De regeling wordt zowel door bedrijven als door TNO als positief ervaren. Verbeteringen moeten worden gezocht in het verder aansluiten bij de belevingswereld van het bedrijfsleven en het verder verbeteren van de kwaliteit van de projecten, waardoor deze in nog sterkere mate leiden tot kennisvernieuwing bij TNO. Aanbevolen wordt door te gaan met de omslag richting marktgericht opereren en het accent nog meer te leggen bij strategisch onderzoek. Verdere aanbevelingen zijn om een bredere bekendheid te geven aan de regeling, de voorwaarden enigszins aan te passen en meer aan gegevensverzameling te doen met betrekking tot de verschillende projecten.

Gebruik: TNO volgt de follow-up van de aanbevelingen door de instituten op de voet.

De financiële verantwoordelijkheid van de overheid voor de GTI's is erkend in het Kabinetsstandpunt dat is gevolgd op het advies van de Adviesraad Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) dat medio 1999 is uitgebracht. De GTI's bereiden hun nieuwe strategische plannen voor volgens het model dat in genoemd Kabinetsstandpunt is neergelegd. Op basis hiervan verstrekken EZ (MARIN) en de andere penvoerende departementen basis/missiesubsidie en doelsubsidie. Onderzoek gefinancierd met doelsubsidie gaat in toenemende mate gepaard met cofinanciering door bedrijven.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  73 40073 05572 47372 77273 873 
Mutatie  17 9522 8022 8012 8462 884 
Ontwerp-begr. 200168 03393 15491 35275 85775 27475 61876 75776 757
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100030 87242 27141 45434 42234 15834 31434 83134 831
Waarvan te betalen68 03393 15291 11975 62475 04175 28376 33876 338
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  73 98872 36371 72271 44871 548 
Mutatie  17 8132 3171 7652 0752 802 
Ontwerp-begr. 2001 98 08691 80174 68073 48773 52374 35074 802
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 44 50941 65733 88833 34733 36333 73933 944
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 NEHEM     400   31 11.3
025 NIM 926600400 803846400 31 11.31
027 MIC/TUD 400100  400100  43Z 11.3
110 NNI 2 1142 1812 175 1 5263 0292 176 31 11.3
120 Marin 13 55914 7184 718 13 55914 7184 718 31 11.31
220 Oeso hoofdstuk V 555959 555959 43G 11.3
330 NEA     113   12 12.0
415 Raad voor de Accreditatie 400400400 720480400 43Z 11.3
420 TNO doelsubs. hfdst.VIII 57 41059 29657 113 55 87557 58357 356 31 11.3
500 Nederland Distributieland 1 0001 0001 000 1 0001 0001 000 31 11.3
510 INK 575575575 575575575 31 11.31
515 NMI 2 8001 8951 889 3 9202 7811 890 43Z 11.3
520 Stichting Bos en Hout 490   37660498 12 11.31
620 NLR hoofdstuk XII 10 2757 2754 275 10 2757 4754 525 31 11.31
810 Stichting Koning Willem I 150150150 137150150 31 11.3
840 WL Hydrolics 3 0003 1033 103 2 850150718 31 11.31
860 STW     5 5022 251615 43Z 11.31
Totaal art 0206 93 15491 35275 857 98 08691 80174 680    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Additionele bijdrage MARIN10 000    
2. Loon- en prijsbijstelling4 2522 3022 3012 3462 384
3. Co-financiering NLR3 000     
4. Van 02.02–750 voor NMI500500500500500
5. Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties200    
Totaal17 9522 8022 8012 8462 884

ad 1.

Betreft het verstrekken van een renteloze lening aan MARIN (zie brief van 26 mei 2000 aan de Vaste Commissie voor Economische Zaken).

ad 2.

Betreft loon- en prijsbijstelling voor de diverse instituten. Zie voor een nadere toelichting de artikelen 01.03 en 01.04 Loon- en prijsbijstelling.

ad 3.

Bestemd voor deelname aan het 5e EU Kaderprogramma. Het betreft een uitwerking van het advies van de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) over de zogenaamde Grote Technologie Instituten (GTI's) voor het invoeren van doelfinanciering voor de publieke kennisinstellingen met co-financiering door het bedrijfsleven.

02.07 Internationale ruimtevaartprogramma's

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de uitgaven aan internationale ruimtevaartprogramma's geraamd. Het gaat grotendeels om programma's van het Europese Ruimte Agentschap (ESA). Daarnaast worden enkele nationale en bilaterale programma's via het NIVR gesubsidieerd, bijvoorbeeld het Nederlands-Finse ozonmeetinstrument OMI.

Het ruimtevaartbeleid wordt periodiek bijgesteld tijdens internationale ministerconferenties. In mei 1999 heeft een dergelijke conferentie plaats gevonden, waarin een groot aantal ESA-programma's is vastgesteld. De Nederlandse inzet tijdens deze ESA ministerconferentie is beschreven in een geannoteerde agenda (Kamerstukken II 1998/99, 24 446, nr.6) en de notitie «Ruimtevaart in het nieuwe millennium» (Kamerstukken II 1998/9, 24 446, nr.7). Een verslag van de conferentie is aan de Tweede Kamer toegezonden (Kamerstukken II 1998/99, 24 446, nr. 9). In 2001 zal weer een internationale ministerconferentie plaats vinden waarin over verschillende ESA-programma's zal worden besloten. Ter voorbereiding daarop wordt in 2000 een evaluatie van het ruimtevaartbeleid uitgevoerd.

Naast EZ verstrekken ook de Ministers van OC&W, LNV en V&W bijdragen aan de programma's van ESA. Tegenover de rijksbijdragen staan ESA-opdrachten aan de Nederlandse industrie en uitgaven van ESA via ESTEC in Nederland (jaarlijks circa NLG 500 mln).

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  66 037125 41176 36260 63760 637 
Mutatie  48 3402 3572 4322 4482 403 
Ontwerp-begr. 2001259 963125 578114 377127 76878 79463 08563 04063 040
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000117 96656 98551 90257 97935 75528 62728 60628 606
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  125 61594 26797 26197 91296 139 
Mutatie  6 989– 7 9721 7488 16035 098 
Ontwerp-begr. 2001 142 935132 60486 29599 009106 072131 23777 478
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 64 86160 17339 15944 92848 13359 55335 158
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Deeln. int. ruimtevaart 16 54716 54116 541 16 54716 54116 541 43G 11.31
015 Telecommunicatie 23 2032 10015 000 8 3947 8866 700 43G 11.31
018 Ruimtetransport 26 78974 75637 427 74 22770 05637 627 43G 11.31
020 Basistechnologie 28812 000 1 1481 14394 43G 11.31
040 Aardobservatie 21 1414 880500 26 08220 88010 091 43G 11.31
050 Ruimtestation/platform 37 61016 10046 300 16 53716 09815 242 43G 11.31
Totaal art 0207 125 578114 377127 768 142 935132 60486 295    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Doorschuiven budget uit 199945 200    
2. Prijsbijstelling3 1402 3572 4322 4482 403
Totaal48 3402 3572 4322 4482 403

ad 1.

De definitieve besluitvorming over enkele ruimtevaartprojecten, waaronder het VEGA-project (kleine lanceerders), is vertraagd tot 2000. Het beschikbare budget van NLG 45,2 mln wordt daarom doorgeschoven van 1999 naar 2000.

ad 2.

Betreft loon- en prijsbijstelling voor de diverse instituten, ten laste van de artikelen 01.03 en 01.04 Loon- en prijsbijstelling.

02.08 Bevordering van de vliegtuig industrie en ruimtevaart

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op basis van het regeringsstandpunt over de herstructurering en stimulering van het Nederlandse luchtvaartcluster (Kamerstukken II 1997/98, 25 820, nr. 1) zijn randvoorwaarden geschapen voor de industrie en de kennisinfrastructuur om te participeren in grote internationale wikkelingsprogramma's. Het Kabinet heeft in dat kader bij de Voorjaarsnota 1998 middelen beschikbaar gesteld om het Nederlandse luchtvaartcluster in staat te stellen zich voor te bereiden op en te participeren in de meest kansrijke internationale vliegtuigontwikkelingsprogramma's, met name de A3XX van Airbus. Het budget wordt op basis van het op 18 april 2000 gepubliceerde Besluit subsidies civiele vliegtuigontwikkeling (Stbld. 2000, 206) toegekend aan de diverse projecten.

Verwacht wordt dat in de tweede helft van 2000 door Airbus een besluit wordt genomen over de «Authority to Offer» voor de A3XX. Dat besluit kan gevolgen hebben voor het tempo waarin deze middelen tot besteding worden gebracht. De op de begroting beschikbare middelen alsmede het NIVR Revolving Fund vormen de financieringsbronnen voor de genoemde programma's.

In het kader van de JSF regeling is in de afgelopen jaren NLG 200 mln aan subsidie toegekend. In 2001 wordt een groot deel van deze projecten afgerond.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  60 00060 00060 00067 00067 000 
1e suppl. wet 2000  24 640– 16 000– 16 000– 23 000– 20 000 
Amendement  – 5 640     
Mutatie  5 640     
Ontwerp-begr. 2001 180 25484 64044 00044 00044 00047 00052 500
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 81 79638 40819 96619 96619 96621 32823 823
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  60 00060 00060 00067 00067 000 
1e suppl. wet 2000  52 740– 3 300– 8 700– 19 500– 22 100 
Amendement  – 5 640     
Mutatie  5 640     
Ontwerp-begr. 2001 60 254112 74056 70051 30047 50044 90051 300
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 27 34251 15925 72923 27921 55520 37523 279
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Bureaukosten NIVR 2549 6404 000 2549 6404 000 31 11.31
020 Ruimtevaart programma's NRT  8 0008 000  8 0008 000 31 11.31
030 Militair 180 00020 000  60 00075 00035 000 31 11.31
040 Civiel  47 00032 000  20 1009 700 31 11.31
Totaal art 0208 180 25484 64044 000 60 254112 74056 700    

Voor een toelichting omtrent de verwerking van het amendement Hindriks cs. (Kamerstukken II 1999/2000, 27 109, nr. 4) wordt verwezen naar artikel 02.12 Technologische infrastructuur.

02.09 Speur- en ontwikkelingswerk

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Per 1 mei 2001 worden de drie bestaande regelingen TOK: Besluit technische ontwikkelingskredieten (Stb. 1996,611), KREDO: besluit Kredieten elektronische dienstverlening (STb, 1997, 554) en MPO: Kredietregeling milieugerichte productontwikkeling (Stcrt. 1997, 240) vervangen door de regeling Technische Ontwikkelings Projecten (TOP).

Besluit technische ontwikkelingskredieten (TOP); budget NLG 80,2 mln

De nieuwe regeling komt voort uit de stroomlijning en modernisering van het EZ-instrumentarium, zoals aangekondigd in de brief «Ruimte voor industriële vernieuwing. Agenda voor het industrie- en dienstenbeleid», aangeboden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij brief van 21 juni 1999 (Kamerstukken II 1999/2000, 26 628, nr. 1). Daarnaast is de regeling aangepast aan de meest recente voorschriften van de Europese Commissie omtrent staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling. Bovendien is rekening gehouden met de evaluatie van de TOK die in de eerste helft van 2000 is uitgevoerd. Het streven is dat de regeling per 1 mei 2001 wordt ingevoerd. Indien vertragingen in het regelgevende traject er toe leiden dat deze datum niet gehaald kan worden, dan blijft de TOK-regeling tot die tijd gehandhaafd.

Het doel van de TOP-regeling is het stimuleren van ontwikkelingsprojecten waaraan substantiële technische en financiële risico's zijn verbonden en waarvoor de bedrijven voor hun financiering onvoldoende terecht kunnen op de kapitaalmarkt. Het vormt het sluitstuk van het instrumentarium dat zich richt op het stimuleren van de verschillende fasen van onderzoek en ontwikkeling.

De belangrijkste kenmerken van de TOP-regeling zijn de volgende:

• De regeling heeft een generiek karakter en staat in beginsel open voor alle ondernemingen. Er is geen beperking ten aanzien van bedrijfsomvang, bedrijfstak of project-thema's. Ook samenwerkingsverbanden kunnen een aanvraag indienen.

• In tegenstelling tot de drie ingetrokken kredietregelingen is er geen sprake meer van een rentedragend krediet van 40%. Het onderhavige besluit gaat uit van een subsidie van 25%, die terugbetaald moet worden als het ontwikkelingsproject tot omzet leidt. Deze wijziging is mede ingegeven door aanvullende voorwaarden die de Europese Commissie stelt bij het verlenen van kredieten. Voor het MKB wordt het subsidiepercentage verhoogd tot 35%.

• Het maximale subsidiebedrag per project bedraagt 11 mln NLG. Hierdoor zal het niet meer voorkomen dat individuele projecten gemeld moeten worden bij de Europese Commissie. De minimale projectomvang bedraagt 220 000 NLG (100 000 EURO).

• Voor het MKB is naast de verhoging van het subsidiepercentage tot 35% een voorstudiefaciliteit opgenomen.

Kengetallen Technische ontwikkelingskredieten (TOK)
(Bedragen in verplichtingen x NLG 1,0 mln)artikel(-sub)Realisatie 1999Raming 2000Raming* 2001
Ramingskengetallen    
1. Aantal (= gehonoreerde aanvragen TOK-groot) 32nvt
2. Bedrag per eenheid (= kredietaanvraag TOK-groot) 14,20021,450nvt
3. Aantal (= gehonoreerde aanvragen TOK-klein) 575560
4. Bedrag per eenheid (= kredietaanvraag TOK-klein) 0,6900,9451,336
5. Toegelicht begrotingsbedrag (= verstrekt krediet)02.09–11081,91694,97180,169
Doelmatigheidskengetallen    
1. Aantal prestaties (= behandelde projecten) 132130120
2. Kosten per prestatie (x NLG1000) 7,3259,0659,000
3. Aantal prestaties (= dossiers) 539560600
4. Kosten per prestatie (x NLG1000) 2,5432,0562,100
5. Overige uitvoeringskosten 1,3051,6941,250
6. Toegelicht begrotingsbedrag (= uitvoeringskosten Senter)01.55–0103,6434,0253,590
7. Uitvoerend personeel in fte (= Senter) 17,618,020,0
Kwaliteitskengetallen    
Aantal ingediende bezwaarschriften 131110
Aantal afgehandelde bezwaarschriften 141110
Waarvan (gedeeltelijk) gehonoreerd 321

* Voor 2001 gaat het om het nieuwe instrument Technologische Ontwikkelingsprojecten (TOP) en de afwikkeling TOK. De onzekerheidsmarge in de raming is hierdoor groter.

00–03 Instrument: Technisch Ontwikkelingskrediet.

Beknopt resultaat: TOK-projecten zijn voor veel bedrijven belangrijk voor het uitbouwen van hun innovatievermogen en zijn vaak van groot belang voor de toekomst en/of continuïteit van het bedrijf. Met name bedrijven die niet over voldoende eigen middelen beschikken om het beoogde ontwikkelingsproject te financieren maken gebruik van de TOK. Circa 85% van de bedrijven die een TOK krijgt heeft minder dan 100 werknemers in dienst. De uitvoering van de TOK-regeling wordt als positief ervaren. Aanbevelingen liggen onder andere op het gebied van duidelijke communicatie en facilitering van sommige groepen aanvragers. Hoofdaanbeveling is het voortzetten van de TOK. Bij een eventuele wijziging in de financiële ondersteuning van de TOK wordt een simpele en eenduidige aanpak aanbevolen die aansluit bij de belevingswereld van de ondernemers.

Besluit Kredieten Elektronische Diensten Ontwikkeling (KREDO); budget NLG 8,0 mln

De KREDO-regeling is een invulling van het Actieprogramma Elektronische Snelwegen. De regeling sluit per 1 januari 2001. De voor 2001 begrote middelen zijn bestemd voor de projecten die in de laatste tender van 2000 zijn ingediend. Om deze reden zijn er dit jaar geen ramingskengetallen meer voor deze regeling opgenomen. In overleg met de Stuurgroep Nationaal Actieplan Elektronisch Snelwegen worden de middelen voor een volgende doelstelling in dit kader ingezet.

Kredietregeling milieugerichte productontwikkeling (MPO);

Dit instrument gaat in 2001 op in de nieuwe TOP-regeling.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  99 971100 026105 026120 143120 143 
1e suppl. wet 2000  20 000     
Mutatie   – 11 857– 24 857– 29 857– 29 857 
Ontwerp-begr. 2001217 117103 197119 97188 16980 16990 28690 28690 286
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100098 52346 82954 44040 00936 37940 97040 97040 970
Waarvan te betalen214 518100 869107 97579 86772 79582 03082 03082 030
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  96 63595 40790 50285 41796 822 
1e suppl. wet 2000  – 4 2503 500– 11 50010 7966 195 
Mutatie  – 827– 10 9799 175– 20 234– 5 095 
Ontwerp-begr. 2001 130 36691 55887 928 88 17775 97997 92299 401
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 59 15841 54739 90040 01334 47844 43545 106
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
110 Ontwikkelingskredieten 81 91694 97180 169 117 00473 00071 200 72D 11.31
120 Diensten Ontwik. Krediet 19 87220 0008 000 10 52816 90014 770 72D 11.31
130 TOK-MPO 1 4095 000  2 8341 6581 958 72D 11.31
Totaal art 0209 103 197119 97188 169 130 36691 55887 928    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Overheveling naar 02.02–745: van KREDO naar NAP – 12 000– 25 000– 30 000– 30 000
2. Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties 143143143143
Totaal – 11 857– 24 857– 29 857– 29 857

ad 1.

De KREDO-regeling stopt per 1 januari 2001. De middelen zijn oorspronkelijk beschikbaar gesteld vanuit het budget voor het Nationaal Actieprogramma Elektronische Snelwegen (NAP). In overleg met de stuurgroep NAP, worden de middelen voor een volgende doelstelling in dit kader ingezet (zie ook 02.02 Specifieke bedrijfsgerichte technologiestimulering).

02.12 Technologische infrastructuur

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden gelden geraamd voor Technologische vernieuwing, Onderzoek en voorlichting voor het technologiebeleid, de Stichting Technische Wetenschappen (STW), Innovatiegerichte Onderzoek Programma's (IOP's), Technologische Topinstituten (TTi's) en het programma Technologie en Samenleving.

Technologische vernieuwing, budget NLG 106,3 mln

De Stichting AXIS heeft als doel de vraag naar en het aanbod van bèta- en technisch opgeleiden beter op elkaar te laten aansluiten. Om dit te realiseren wil AXIS voor de komende jaren drie rollen vervullen: projectparticipant, netwerkorganisator en kenniscentrum. Als projectparticipant neemt AXIS deel in projecten die op korte of langere termijn het tekort aan technici verminderen. Als netwerkorganisator brengt AXIS de partijen in het veld, zoals werkgevers, onderwijsinstellingen en intermediaire organisaties bij elkaar. De rol van kenniscentrum voorziet in het overdragen van de ervaringen uit de projecten waarin AXIS zelf participeert, maar ook andere succesvolle projecten uit heden en verleden.

Voor projecten en exploitatie ontvangt AXIS van zowel EZ als OCW NLG 20 mln voor een periode van vier jaar (gezamenlijk NLG 40 mln). LNV draagt NLG 1,6 mln bij en SZW NLG 0,75 mln. Marktpartijen dienen tenminste een gelijk bedrag aan cofinanciering voor de projecten bij te dragen. Totaal zal dus ruim NLG 80 mln in de oplossing van genoemde problematiek worden geïnvesteerd.

Dit jaar worden de lopende projecten geëvalueerd. AXIS is tevens betrokken bij activiteiten die worden opgestart in het kader van de ICT Taskforce.

99–35 Instrument: Vrouw en techniek

Resultaat: Uit de evaluatie blijkt dat de doelstellingen van het beleid zijn gehaald.

Aanbevelingen:

• Laat projecten gericht op verschillende doelgroepen veel meer samenwerken en betrek de doelgroep bij de ontwikkeling van het project;

• Een integrale benadering gericht op vrouwen en mannen werkt beter dan vrouwen apart;

• Indien een project na subsidie gecontinueerd moet worden, zijn daar vaak andere mensen voor nodig dan de personen die het gesubsidieerde traject trokken;

• Deelprojecten dienen een doelstelling te krijgen die is afgeleid van de centrale doelstelling;

• Publiciteit binnen een geheel van deelprojecten dient deels centraal geregeld te worden en niet aan de deelprojecten overgelaten te worden;

• Het totale bedrag voor de uitvoering van het actieplan hoort gerelateerd te zijn aan de omvang van het probleem.

Gebruik: De uitkomsten van de evaluatie zijn onder de aandacht van stichting AXIS gebracht.

Naar aanleiding van de evaluatie van de Stichting WeTeN is de nota Wetenschap- en Techniekcommunicatie («Boeiend, Betrouwbaar en Belangrijk», Kamerstukken II 1999/2000, 26 658 nr. 12)) opgesteld. In de nota wordt het beleid voor publiekscommunicatie over wetenschap en techniek uiteengezet en een aantal nieuwe accenten in het beleid aangegeven: meer wetenschap en techniek in de massamedia, meer aandacht voor jongeren en een thematische aanpak van de communicatie. Een belangrijke rol in de uitvoering van dit beleid speelt de Stichting WeTeN, dat een functie als expertisecentrum vervult.

99–10 Instrument: Stichting WeTeN

Beknopt resultaat: De Stichting WeTeN is nodig binnen het beleid gericht op Wetenschaps- en Techniekcommunicatie. De huidige werkwijze kan verbeterd worden door een heldere en strategische aansturing vanuit de overheid. Het zelf organiseren van publieksactiviteiten door WeTeN kan beperkt worden. De functie van expertisecentrum moet de grootste prioriteit hebben. Ook moet er meer aandacht komen voor effectonderzoek over eigen activiteiten van WeTeN en de functie van beleidsadvisering richting overheid.

Naast het reeds beschikbare bedrag van NLG 7 mln, trekken de Ministeries van OCW, EZ en LNV over een periode van 4 jaar een extra bedrag van NLG 12 miljoen uit. Van dit extra bedrag neemt EZ 3 miljoen voor haar rekening.

Om de uitvoering van andere ICES-KIS-projecten te faciliteren, kan onder de regeling «Experimentele faciliteiten» geïnvesteerd worden in unieke onderzoeksapparatuur bij nader geselecteerde kennisinstellingen, die deel uitmaken van de Nederlandse publieke kennisinfrastructuur. De kennis die bij instellingen wordt ontwikkeld, is vaak niet toegespitst op of vertaald voor bedrijven. Bovendien zijn er grote investeringen nodig voor kennisontwikkeling voor bedrijven. Door deze faciliteiten mede te financieren wil de overheid de samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven op dit terrein verbeteren. Het is de bedoeling dat de faciliteiten voor 50% uit genoemde regeling en voor 50% door de instellingen zelf worden gefinancierd. Het budget voor 2001 bedraagt NLG 27,8 mln.

Onderzoek en voorlichting voor het technologiebeleid, budget NLG 5,0 mln

Betreft diverse onderzoeken en voorlichtingsprojecten in het kader van het technologiebeleid.

00–18 Instrument: Technologieradar

Rapport aan Tweede Kamer gezonden: nee.

Resultaat: De workshops zijn niet effectief geweest. Daarnaast is de inspanning niet efficiënt geweest. De doelstelling van de workshops was niet eenduidig, waardoor de workshops qua inhoud niet vergelijkbaar zijn. Workshops zijn niet de meest geschikte manier om te makelen en te schakelen.

Aanbevelingen: Activiteiten moeten meer vanuit het integrale kader met een heldere doelstelling ingestoken worden. Dit is geen reden om niet meer met Workshops te werken, integendeel. EZ moet zich bij dit soort workshops wel als deelnemende partij zien. Maak heldere afspraken en trek heldere conclusies na afloop van de workshops.

Gebruik: Intern, ter verbetering van het technologiebeleid.

Stichting Technische Wetenschappen (STW), budget NLG 37,9 mln

STW stimuleert als tweede-geldstroomorganisatie kwalitatief hoogstaand technisch-wetenschappelijk onderzoek dat uitzicht biedt op maatschappelijke toepassing. Ondanks de beperking van de verhoging van het budget door NWO, heeft STW geen tijdelijke aanvraag- of honoreringsstop ingesteld, maar vraagt bij grotere projecten een hogere bijdrage van potentiële gebruikers. Een ander gevolg van genoemde beperking is dat het percentage gehonoreerde projecten zal teruglopen. Eind 2000 start in overleg met NWO de voorbereiding van de evaluatie van STW die in 2001 zal worden uitgevoerd.

Innovatiegerichte Onderzoek Programma's (IOP), budget NLG 29,9 mln

Het IOP-instrument versterkt de Nederlandse kennisinfrastructuur en richt de onderzoeksinspanningen van universiteiten en onderzoeksinstellingen op de innovatiebehoefte van het Nederlandse bedrijfsleven. Het gaat hierbij om fundamenteel-strategische (preconcurrentiële) kennisontwikkeling, netwerkvorming tussen kennisinstellingen en bedrijven, zwaartepuntvorming en taakverdeling binnen de kennisinfrastructuur en kennisoverdracht op economisch relevante onderzoeksvelden. Door bewust te streven naar verankering van kennisnetwerken blijven deze netwerken ook na afloop van de tijdelijke IOP-impuls intact.

In 1999 is het IOP-instrument geëvalueerd. Hiervan is vorig jaar reeds verslag gedaan. Mede op grond van deze evaluatie is in 2000 besloten het IOP-budget te verhogen tot NLG 30 mln. In 1999 is het IOP Opto-Elektronica geëvalueerd. Daarnaast is een voorstudie gestart naar een IOP op het gebied van Genomics en aanverwante platformtechnologieën. Ook is besloten een voorstudie te verrichten op het gebied van Elektromagnetische vermogenstechniek. Het IOP Precisietechnologie is in 1999 van start gegaan. Eind 2000 zullen de eindevaluaties van de IOP's Industriële Eiwitten en Milieutechnologie/Zware Metalen worden gestart.

Evaluatie 00–07 IOP Opto-Elektronica

Beknopt resultaat: Het IOP Opto-Elektronica is in 1990 gestart en heeft het Nederlandse onderzoek vanuit een relatieve achterstand teruggebracht bij de koplopers op dit onderzoeksgebied. Dit IOP onderscheidt zich vooral op het gebied van de kennisontwikkeling. De onderzoekschool COBRA bij de TUEindhoven is in 1998 tot één van de zes Nederlandse toponderzoekscholen gekozen. De kennisoverdracht is in dit IOP pas laat op gang gekomen.

 
Doelmatigheidskengetallen IOPArt.(-sub)Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
1. Behandelde aanvragen (in aantallen) 4210095
2. Kosten per prestatie (x NLG1000) 30,924,524,5
3. Aantal projecten in beheer (in aantallen) 257305305
4. Kosten per prestatie (x NLG1000) 2,0102,7052,705
5. Toegelicht begrotingsbedrag (uitvoeringskosten Senter) (x NLG 1 mln)01.55–0203,23,33,2
6. Uitvoerend personeel in fte (= Senter) 15,813,614,2

Toelichting: de realisatiecijfers voor 1999 vallen laag uit doordat in de vier gehouden onderzoektenders minder globale projectvoorstellen en subsidieaanvragen dan gewoonlijk zijn binnengekomen. Voor 2000 en 2001 is de raming weer hoger in verband met de verwachte start van het IOP Genomics.

Technologische Topinstituten (TTi's), budget NLG 49,2 mln

Doel van het instrument is het bevorderen van het innovatievermogen en de concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven. Daartoe verrichten de TTi's fundamenteel-strategisch onderzoek op enkele voor Nederland van bijzonder belang zijnde onderzoeksgebieden, met name metaaltechnologie, telematica, voedselwetenschappen en polymeren.

De monitoring van de TTi's wijst uit dat zij de startfase redelijk goed hebben afgelegd. Concrete onderzoeksresultaten zullen naar verwachting zichtbaar worden bij de tussenevaluatie die in 2001 wordt uitgevoerd.

Enkele TTi's willen mede vanwege uitbreiding van het aantal deelnemende bedrijven het onderzoek en het daarvoor benodigde budget verder verhogen. Bezien wordt in hoeverre EZ hieraan in de medefinanciering van het basisprogramma van de TTi's tegemoet kan komen.

Technologie en Samenleving, budget NLG 3,5 mln

In het programma Technologie en Samenleving worden interdepartementale projecten uitgevoerd die als doel hebben technologie in te zetten voor de oplossing van maatschappelijke vraagstukken. EZ beoogt hiermee:

• maatschappelijke problemen te gebruiken voor het op gang brengen van een «technology pull»-proces

• de publieke sector te stimuleren andersoortige, mogelijk meer effectieve en efficiëntere, oplossingen te kiezen;

• marktimperfecties op te lossen en daarmee de kansen van het bedrijfsleven te vergroten op (semi-publieke) markten;

• technologiebeleid te integreren in het beleid van andere ministeries.

Het programma richt zich op dit moment op de deelprogramma's Criminaliteitspreventie, Leren in de werkomgeving, Preventie Arbeidsuitval, (Re)integratie van mensen met een arbeidshandicap en Sociale Integratie.

Per thema is, tezamen met bijdragen van andere departementen, circa NLG 1 tot NLG 1,5 mln per jaar beschikbaar. Elk thema heeft in principe een looptijd van drie jaar.

99–36 Instrument: Subsidieregeling technologie en samenleving

Resultaat: Hoewel de effecten van het programma per deelprogramma verschillen (er is sprake van zowel succesvol als minder succesvol verlopen deelprogramma's), zijn in grote lijnen de volgende effecten te schetsen. De T&S-formule draagt vooral bij aan het tot stand brengen van netwerken en relaties tussen partijen die elkaar nog niet kenden. Ook het interventie-effect, het in contact brengen van andere departementale beleidsterreinen met het technologieaspect is zichtbaar. De organisatie, de procedures en het proces rond het programma verlopen goed.

Gebruik: De evaluatie heeft geleid tot enige kleine aanpassingen in de organisatie. Ook zijn de wegingscriteria voor projecten heroverwogen. Hierdoor is de mogelijkheid van monitoren van onder meer de lange termijn bedrijfseconomische effecten verbeterd.

Kennisdragers in het MKB (KIM), budget NLG 7,0 mln

De Subsidieregeling KIM heeft als doel MKB-bedrijven (maximaal 100 werknemers, waarvan maximaal twee hoger opgeleiden), die de eerste stap naar kennisontwikkeling en kennistoepassing nog moeten maken, een stimulans te bieden. De regeling geeft deze bedrijven de mogelijkheid om met een loonkostensubsidie van NLG 20 000 en met deskundige begeleiding een jaar lang een hoger opgeleide (HBO/WO) aan een innovatieproject te laten werken. Syntens voert de subsidieregeling uit en begeleidt de bedrijven.

Kengetallen KIM
(Bedragen x NLG1000)Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Ramingskengetallen   
1. Ontvangen aanvragen (aantallen)326350200
2. Toegewezen aanvragen (aantallen)350325190
3. Loonkostensubsidie per KIM'er202020
4. Toegelicht begrotingsbedrag11 74611 0097 046
Doelmatigheidskengetallen   
1. KIM'ers in dienst van MKB getreden (%)757575
2. Kosten van begeleiding/advies3 1053 0002000
3. Overige uitvoeringskosten1 6421 5001 250
Doeltreffendheidskengetallen   
Continuering innovatie na beëindiging KIM-project (%) 757575

De Subsidieregeling loopt naar verwachting tot 1 mei 2001. Daarna gaat de regeling op in de Bedrijfsgerichte kennisoverdrachtregeling (werktitel).

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  143 434140 908139 835142 268142 134 
1e suppl. wet 2000  4 1006 4003 7002 400  
Amendement  20 000     
Mutatie  43 59091 54359 77956 78956 784 
Ontwerp-begr. 2001224 087138 670211 124238 851203 314201 457198 918173 918
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000101 68662 92695 804108 38692 26091 41790 26578 921
Waarvan te betalen208 616131 163204 924232 047200 157192 510196 212170 812
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  108 314126 587140 520147 161140 370 
1e suppl. wet 2000  3 162– 1 314– 2 698593 546 
Amendement  20 000     
Mutatie  – 3 67739 86143 33135 84457 737 
Ontwerp-begr. 2001 92 950127 799165 134181 153183 064201 653200 183
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 42 17957 99374 93582 20483 07191 50690 839
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 technologische vernieuwing 14 11686 747106 313 21 11624 72154 978 31 11.7
020 onderzoek technologie beleid 3 8237 5454 974 5 0853 8614 182 12 11.0
030 STW 35 83337 45337 890 12 89226 02131 745 31 11.31
040 IOP's 19 02118 93029 930 5 12413 59117 120 31 11.31
050 Topinstituten 44 82943 96649 224 36 51242 83043 966 31 11.31
060 Technologie & Samenleving 7 3023 4743 474 3 3395 7354 320 31 11.7
070 KIM 11 74611 0097 046 8 87310 6407 823 31 11.4
080 BCT 2 0002 000  94001 000 31 11.4
Totaal art 0212 138 670211 124238 851 92 950127 799165 134    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1 000)20002001200220032004
1. Extra budget innovatiegericht fundamenteel onderzoek27 77827 77827 77827 77827 778
2. Arbeid en Onderwijs25 00029 00029 00025 00025 000
3. Verhoging budget IOP's 11 00011 00011 00011 000
4. Innovatienet7 000     
5. Regeling Experimentele faciliteiten 27 778    
6. Amendement Hindriks naar OC&W– 20 000    
7. Naar 02.02 voor bedrijfsgerichte kennisoverdracht – 8 000– 12000– 10 000– 10 000
8. Loon- en prijsbijstelling2 7142 9873 0013 0113 006
9. Extra budget Stichting WeTeN1 0001 0001 000   
10. Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties98    
Totaal43 59091 54359 77956 78956 784

ad 1.

Deze intensivering betreft middelen voor vraaggestuurde en innovatiegerichte fundamenteel-strategische onderzoeksprojecten. Het gaat hier met name om stimulering van innovatiegericht onderzoek, investeringen in onderzoeksfaciliteiten en in onderzoeksnetwerken op het gebied van Genomics/Bio-informatica (NLG 100 mln), Microsysteem/nano-technologie (NLG 100 mln), Katalyse (NLG 10 mln) en Elektromagnetische vermogenstechniek (NLG 10 mln).

ad 2.

Betreft extra middelen in de jaren 2000 t/m 2005 om kwalitatieve knelpunten op de arbeidsmarkt weg te nemen. Het geld wordt ingezet voor de Scholingsimpuls (NLG 62,8 mln), de ICT Task-Force (NLG 42 mln), Arbeidsradars (NLG 20,4 mln) en het Investors-in-People-project (NLG 7,8 mln).

ad 3.

Betreft extra middelen voor nieuwe investeringen binnen de IOP's gericht op kennisontwikkeling, netwerkvorming en verankering van beide.

ad 4.

Betreft extra middelen voor het opzetten door Syntens van een geavanceerde website Innovatienet, die een platform biedt voor interactie tussen aanbieders en vragers van kennis. De overheidsbijdrage is bedoeld voor de initiële fase.

De vier bovenstaande mutaties maken deel uit van het Lissabon-pakket op het gebied van kennis en innovatie. Voor een nadere toelichting en een totaaloverzicht van dit kennis- en innovatiepakket wordt verwezen naar hoofdstuk vier van het algemeen deel van de Memorie van Toelichting.

ad 5.

Uit het Fonds economische structuurversterking is in het kader van de investeringsimpuls 1998 NLG 27,8 mln ontvangen voor de regeling «Experimentele faciliteiten». Deze regeling is bedoeld om de uitvoering van ander ICES-KIS-projecten te faciliteren, door investeringen te financieren in unieke onderzoeksapparatuur bij nader geselecteerde kennisinstellingen (zie ook ontvangstenartikel 02.05).

ad 6.

Het amendement Hindriks c.s. (Kamerstukken II 1999/2000, 27 109, nr. 4) houdt in dat voor de uitrusting van technische afdelingen van vmbo-scholen in het jaar 2000 NLG 20 mln extra ter beschikking wordt gesteld.

Dekking van de extra uitgaven was voorzien middels een verlaging van de verplichtingen en uitgaven van artikel 02.08 Bevordering van de vliegtuigindustrie en ruimtevaart (NLG 5,64 mln) en artikel 02.13 Projecten gefinancierd uit het Fonds economische structuurversterking (NLG 14,36 mln). De Tweede Kamer is met een brief over de uitvoering van dit amendement geïnformeerd (Kamerstukken II 1999/2000, 27 109, nr. 6). Inmiddels heeft het kabinet besloten om het amendement op de begroting van OC&W te verwerken, gedekt uit de algemene middelen. De bij eerste suppletore begroting verwerkte verhoging van NLG 20 mln op dit artikel wordt daarom, inclusief bijbehorende dekking, teruggedraaid.

ad 7.

In het kader van de stroomlijning van het EZ-instrumentarium gericht op kennisoverdracht naar het MKB, worden de budgetten voor de KIM en de BCT overgeheveld naar het nieuwe instrument voor de bedrijfsgerichte kennisoverdracht (zie artikel 02.02).

ad 8.

Betreft loon- en prijsbijstelling voor de Technologische Topinstituten (NLG 1,7 mln) en de Stichting Technische Wetenschappen (NLG 1,3 mln).

02.13 Projecten gefinancierd uit het Fonds economische structuurversterking

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In het kader van de versterking van de ruimtelijke economische structuur zijn in het Regeerakkoord middelen uit het Fonds economische structuurversterking (Fes) ter beschikking gesteld voor Gigaport ( Kamerstukken II 1998/99, 25 017, nr. 11 en nr. 17). Binnen dit project worden technologieën ontwikkeld die snelheid, betrouwbaarheid en beveiliging van het Internet zullen verbeteren. Het project is opgezet onder regie van de Ministeries van EZ, OC&W en V&W.

De doelstellingen van GigaPort zijn onderverdeeld naar drie ambitieniveaus

1. ontwerpen, bouwen en onderhouden van een breedbandnetwerk ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling in het algemeen en gebruik door universiteiten, hoge scholen en publiek gefinancierde onderzoeksinstituten in het bijzonder (GigaNet);

2. stimuleren van kennisontwikkeling- en diffusie in Nederland (GigaWorks);

3. versterken van de concurrentiepositie en economische ontwikkeling van Nederland (GigaPort als geheel).

De mate van meetbaarheid van de doelstellingen varieert per niveau. Voor het relatief best meetbare niveau (GigaNet) geldt de volgende doelstelling: «Het per ultimo 2002 geoperationaliseerd hebben van een nieuw nationaal onderzoeksnetwerk met een snelheid van 80 Gbit/s in het hoofdaansluitnet (de «Backbone»).» Voor de doelstellingen (op alle drie de niveau's) geldt dat afspraken gemaakt zijn over periodieke monitoring van doelbereik. In de begrotingsstukken kan op basis hiervan gerapporteerd worden over de voortgang van het project.

Naast GigaPort zijn de afgelopen jaren nog drie projecten gefinancierd uit het Fes: NOBIS (Nederlands onderzoeksprogramma Biologische In-situ Sanering), HPCN (High Performance Computing en Networking) en investeringen in de onderzoeksfaciliteiten van het MARIN. De bijdragen aan deze projecten worden in 2000 afgerond.

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000        
Amendement  – 14 360     
Mutatie  14 360     
Ontwerp-begr. 200145 025142 000      
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100020 43164 437      
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  38 00039 00040 000   
1e suppl. wet 2000  11 6203 0001 000   
Amendement  – 14 360     
Mutatie  14 360     
Ontwerp-begr. 2001 54 40549 62042 00041 000   
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 24 68822 51719 05918 605   

Economische code: 31 Functionele code: 11.9

Voor een toelichting omtrent de verwerking van het amendement Hindriks cs. (Kamerstukken II 1999/2000, 27 109, nr. 4) wordt verwezen naar artikel 02.12 Technologische infrastructuur.

03.00 INDUSTRIE- EN DIENSTENBELEID

Het voornaamste bestanddeel van dit hoofdbeleidsterrein is het financiële instrumentarium ten dienste van het industriebeleid, voor zover dit niet primair technologisch is georiënteerd.

03.03 Versterking economische structuur

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn middelen geraamd voor de financiering van studies, alsmede voor de voorbereiding en uitvoering van het industrie- en dienstenbeleid. Het gaat hierbij met name om projecten waarbij brancheorganisaties en groepen van bedrijven samen met EZ onderzoek doen om te bezien hoe kan worden ingespeeld op de geboden kansen en hoe voorziene knelpunten kunnen worden weggenomen. Concreet gaat het daarbij om onderwerpen als kennisoverdracht, voorlichting van de marktpartijen, externe advisering en het uitdragen van onderzoeksresultaten. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om een incidentele bijdrage te geven voor aanloopfinanciering van instituten. Subsidieverstrekking aan individuele bedrijven ten laste van dit artikel is nadrukkelijk uitgesloten. Op dit artikel worden ook de uitgaven voor crisisbeheersing en de beheerskosten van de Nationale Investeringsbank (NIB) geraamd.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  7 4947 4677 4678 5788 578 
Mutatie  3 200  
Ontwerp-begr. 200121 8907 21710 6947 4677 4678 5788 5788 578
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10009 9333 2754 8533 3883 3883 8933 8933 893
Waarvan te betalen14 8244 2139 6506 7436 7437 7437 9097 909
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  11 2588 0706 5517 1438 178 
Mutatie  – 2141 209236288  
Ontwerp-begr. 2001 8 90811 0449 2796 7877 4318 1788 414
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 4 0425 0124 2113 0803 3723 7113 818
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Vernieuwingsprogramma's 7 06010 4427 242 6 6835 6307 174 31 11.3
040 T&U via Senter     1 270190  31 11.3
060 Stim.Comm.Dienst.sector      33  43Z 11.4
100 Beheerskosten  5225  5225 12 11.7
200 Crisisbeheersing 157200200 79278200 31 11.3
964 Bevorder. structuurverst.     8764 8611 880 62D 11.3
Totaal art 0303 7 21710 6947 467 8 90811 0449 279    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
Doorgeschoven budget 1999 Vernieuwingsprogramma's3 200  
Totaal3 200    

In verband met vertraging van de oprichting van de stichting Dreamstart is een bedrag van NLG 3,2 mln doorgeschoven naar 2000. Per mei 2000 is Dreamstart van start gegaan.

03.04 Industriële promotie

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn gelden geraamd voor de promotie van Nederland als investeringsland door het Commissariaat voor Buitenlandse Investeringen in Nederland (CBIN). Voor het promoten van Nederland als vestigingsland maakt het CBIN gebruik van PR-campagnes, direct-mail acties, bedrijfsbezoeken en dergelijke. In toenemende mate wordt zowel intern als extern gebruik gemaakt van digitale informatievoorziening en de daaraan ten grondslag liggende opbouw van kennis. Er zijn posten in de Verenigde Staten (New York, Chicago, San Mateo, Austin en Boston), Europa (Londen), Japan (Tokio en Osaka), Hong Kong, Korea (Seoel), Taiwan (Taipei) en Singapore. De effectiviteit van dit laatste kantoor is in 2000 onderwerp van evaluatie. Daarnaast zal worden bezien of opening van een kantoor elders in de wereld/Azië opportuun is.

Enkele gegevens met betrekking tot de bestaande posten
Artikelonderdeelaantal postenaantal fteverplichtingengem. per post
 in 1999(incl. lokaal)199920002001in 2001
Adviezen werkz. derdennvtnvt1 1772 3452 362nvt
Europa14,01 5551 8001 8001 800
USA520,08 9577 3207 3201 464
Japan (incl. Hong Kong)310,01 2562 0472 047682
Korea13,0207307307307
Taiwan13,0654654654654
Singapore12,0249431431431
Totaal1242,014 05514 90414 9211 204

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  14 62814 62814 62814 62814 628 
Mutatie  276293293293293 
Ontwerp-begr. 20013 67014 05514 90414 92114 92114 92114 92114 921
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10001 6656 3786 7636 7716 7716 7716 7716 771
Waarvan te betalen2 35512 74314 90414 92114 92114 92114 92114 921
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  14 50614 62814 62814 62814 628 
Mutatie  – 568– 580290293293 
Ontwerp-begr. 2001 11 93013 93814 04814 91814 92114 92114 921
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 5 4146 3256 3756 7696 7716 7716 771
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Adviezen werkzaamh. derden 1 1772 3452 362 7821 0801 849 12 11.3
020 Werving Europa 1 5551 8001 800 1 1751 1861 440 12 11.3
030 Werving USA 8 9577 3207 320 8 2058 4707 320 12 11.3
040 Werving Japan 1 2562 0472 047 8851 9372 047 12 11.3
060 Werving Korea 207307307 145222307 12 11.3
070 Werving Taiwan 654654654 654654654 12 11.3
080 Werving Singapore 249431431 84389431 12 11.3
Totaal art 0304 14 05514 90414 921 11 93013 93814 048    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
Prijsbijstelling276293293293293
Totaal276293293293293

03.05 Steun Scheepsbouw

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op 1 januari 1999 is de scheepsbouwsteun verordening van het Europese steunkader in werking getreden. Hierin is onder meer geregeld dat in 1999 en 2000 voor het laatst ordersteun mag worden toegezegd, in het laatste jaar ook voor schepen die tot en met 2003 worden afgebouwd. Op dit artikel is de uitfinanciering geraamd van de tot en met 2000 aangegane verplichtingen uit hoofde van het Besluit subsidie zeescheepsnieuwbouw (Stbl. 1994, 437).

99–18 Instrument: Besluit Subsidies Zeescheepsnieuwbouw

Het effectieve subsidiepercentage voor ordersteun aan de zeescheepsnieuwbouw is in Nederland met 2,8% beduidend lager dan in de meeste andere Europese landen (6–9%). Ondanks dit beperkte percentage is het doel, continuïteit in de sector, bereikt. Een indicatie van het belang van de steun voor de sector is dat de orde van grootte van het bedrijfsresultaat van de sector als geheel overeenkomt met de omvang van de ordersteun. Het aantal bedrijven dat een negatief bedrijfsresultaat zou behalen, zou zonder de regeling beduidend hoger zijn. Daar staat tegenover dat een aanzienlijk deel van het budget terechtkomt bij bedrijven met gezonde financiële resultaten. Voor de Nederlandse werven, die primair concurreren met Europese werven en die waarschijnlijk – mede dankzij de beperkte steunpercentages – relatief efficiënt produceren, is de afschaffing van ordersteun in Europa de beste beleidsoptie.

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  130 000  
Ontwerp-begr. 200127 86671 164130 000  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100012 64532 29358 991  
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  72 14050 00026 00010 000  
Mutatie  – 1 0121 3006562 500  
Ontwerp-begr. 2001 67 44671 12851 30026 65612 500  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 30 60632 27623 27912 0965 672  
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Steun scheepsbouwindustr. 71 164130 000  67 42368 62848 800 31 11.3
030 NESEC      2 5002 500 31 11.3
909 rente-overbr. scheepsbouw     23   31 11.3
Totaal art 0305 71 164130 000  67 44671 12851 300    

03.07 Bijdrage aan KSG

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In 2000 is er, mede op basis van onderzoeken naar de waarde van KSG, een akkoord bereikt met een scheepswerf die KSG overneemt en is de raming van de bijdrage hierop aangepast. Naast het Ministerie van Economische Zaken dragen ook het Ministerie van Defensie en de provincie Zeeland bij aan de voor de overname benodigde bijdrage. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd (Kamerstukken II 1999/2000, 26 800 XIII, nr. 56).

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  
Mutatie  70 000  
Ontwerp-begr. 2001  70 000  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000  31 765  

Economische code: 63D Functionele code: 11.3

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Afhandeling KSG52 500     
2. Bijdrage Ministerie van Defensie12 500     
3. Bijdrage Zeeland5 000  
Totaal70 000    

ad 1.

Resultaat van het bereiken van een definitief akkoord omtrent de afhandeling van de KSG-problematiek. De hiervoor benodigde middelen zijn binnen het geheel van de EZ-begroting gevonden. De belangrijkste elementen van de dekking betreffen NLG 30 mln ontvangsten uit de Fokker-boedel (zie ontvangstenartikel 02.04.) en NLG 17,5 mln uit de prijsbijstelling (zie artikel 01.04).

ad 2.

Deze mutatie betreft het saldo van twee overhevelingen. Enerzijds betreft het een overboeking van EZ naar het Ministerie van Defensie van NLG 10,0 mln in verband met de in 1998 verstrekte achtergestelde lening aan KSG. Anderzijds is er sprake van een overheveling van NLG 22,5 mln van het Ministerie van Defensie naar EZ om ook de Defensiebijdrage aan KSG via de EZ-begroting te laten lopen.

ad 3.

Bijdrage van de provincie Zeeland aan KSG (zie ook ontvangstenartikel 03.03 Ontvangsten uit bijdragen aan de industrie).

03.08 Bijdrage auto-ontwikkeling NedCar B.V.

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Na de verkoop van de laatste aandelen van de Staat in 1999 en het vaststellen van het resultaat van de Volvo-400 serie zijn de mogelijk te verwachten betalingen tussen de Staat en NedCar BV in de begroting voor 2000 opgenomen.

In 1999 is een principeafspraak gemaakt tussen NedCar, Volvo en de Staat om de wederzijdse verplichtingen tegen elkaar weg te strepen. Voordat deze afspraken echter gerealiseerd konden worden is Volvo (50% eigenaar NedCar) overgenomen door Ford en zijn later de aandelen NedCar door Volvo verkocht aan Mitsubishi. De voor 1999 voorziene realisatie van de afspraken is derhalve uitgesteld tot 2000. Medio 2000 is het nog niet zeker of de afspraken in het lopende jaar ten uitvoer komen; het is niet uitgesloten dat de afspraken pas in 2001 definitief geëffectueerd worden. Per saldo heeft dit, naar verwachting, geen voor- of nadelig financieel effect voor de Staat. Onderstaand zijn de huidige relaties samengevat weergegeven.

De verplichting van NedCar aan de Staat is het saldo van de renteloze lening van NLG 700,0 mln. aan NedCar en

• De aandelenopbrengst 1999 van NLG 220,0 mln;

• De terugbetalingen door NedCar van de renteloze lening (met ingang van 1999);

• De vordering van NedCar op basis van het vastgestelde verlies op de Volvo 400-serie;

• Een discount bij het wederzijds wegstrepen in verband met het renteloze karakter van de lening en een bedrag voor overname van de hieronder (punt 2) genoemde lening.

Bij het vaststellen van het Volvo-400-resultaat zijn tevens twee vorderingen van NedCar op Volvo overgedragen aan de Staat (70%) en Volvo (30%). Dit betreft:

1. toekomstige spare parts inkomsten tot en met 2016. Het aandeel van de Staat ad 70% wordt geschat op NLG 223,0 mln;

2. een renteloze lening ad NLG 14,6 mln (met een contante waarde van NLG 12,0 mln). Deze wordt door Volvo in negen jaarlijkse termijnen van NLG 1,4 mln voldaan aan de Staat.

In vorige begrotingen is steeds de garantie aan de Stichting NedCar Project Financiering opgenomen. Deze garantie was bestemd ter financiering van de renteloze lening ad NLG 700 mln, voor zover deze niet gefinancierd kon worden uit:

• het revolving fund (royalties op eerdere modellen);

• de aandelenopbrengst 1991 ad NLG 241,7 mln.

Onder deze garantie ad NLG 85,0 mln is ultimo 1999 NLG 55,2 mln geleend bij de BNG ten behoeve van bovengenoemde financieringskosten.

Garantietabel NedCar
(Bedragen x NLG1000)1999200020012002200320042005
garantieplafond85 00085 00085 00085 00085 00000
uitst.risico 1 jan52 92255 15357 58043 95733 54700
te vervallen gar.00– 16 100– 12 300– 34 38500
te verlenen garanties2 2312 4272 4771 89083900
uitst. risico 31 dec55 15357 58043 97533 547000

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  
1e Suppl. wet 2000  9 410  
Ontwerp-begr. 200185 000501 0909 410  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100038 571227 3854 270  
Waarvan te betalen60 700501 0909 410     
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000   16 10012 30032 300  
1e Suppl. wet 2000  206 940  
Ontwerp-begr. 2001 303 560206 94016 10012 30032 300  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 137 75093 9057 3065 58114 657  

Economische code: 31 Functionele code: 11.3

03.09 Garantieregeling Particuliere Participatiemaatschappijen 1981

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel vinden alleen nog betalingen plaats voortvloeiende uit verleende garanties uit hoofde van het Besluit Garantieregeling Particuliere Participatiemaatschappijen (PPM) (Stb. 1994, 318). De regeling is met

ingang van 1996 beëindigd. Het verwachte verloop van de nog uitstaande garanties is in onderstaande tabel weergegeven.

Garantietabel PPM
(Bedragen x NLG1000)1999200020012002200320042005
uitst.risico 1 jan25 10614 6727 6722 672000
te vervallen garanties– 10 434– 7 000– 5 000– 2 672000
te verlenen garanties0000000
uitst. risico 31 dec14 6727 6722 6720000

b) De cijfers

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  1 6001 450700400  
Mutatie  2003501 2501 5501 500 
Ontwerp-begr. 2001 1 4511 80018001 9501 9501 500 
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 658817817885885681 

Economische code: 63D Functionele code: 11.4

03.12 Bijdrage aan de Industriefaciliteit

De grondslag van het artikel, het te voeren beleid en de cijfers

In 1993 is door de Staat het initiatief genomen tot de oprichting van de Industriefaciliteit, in samenwerking met banken, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen. Zie Kamerstukken II 1993/94, 23 474, nrs. 85 en 1 voor nadere informatie omtrent dit instrument. In de onderstaande tabel is de stand van de uitstaande garantieverplichting weergegeven. In de ramingen zijn geen nieuwe garantieverplichtingen of uitgaven voorzien. EZ heeft het voornemen de Industriefaciliteit te beëindigen. Onderhandelingen met de betrokken partijen zijn gestart.

Garantietabel Industriefaciliteit
(Bedragen x NLG1000)19992000200120022003
garantieplafond150 000150 000150 000150 000150 000
uitstaand risico 1 jan150 000150 000150 000150 000150 000
te vervallen garanties00000
te verlenen garanties00000
uitstaand risico 31 dec150 000150 000150 000150 000150 000

04.00 RUIMTELIJK ECONOMISCH BELEID kst-27400-XIII-2-2.gif

1 Betreft een bijdrage van Ruimtelijk-Economisch Beleid aan het programma Duurzame Bedrijventerreinen dat wordt uitgevoerd in het kader van het Energiebeleid (artikel 09.01).

2 Voor periode 1999–2003/4 wordt NLG 362 mln gecommitteerd van het gereserveerde RA-budget van in totaal NLG 720 mln (1999–2010).

In bovenstaand schema zijn alle instrumenten van het Ruimtelijk-Economisch Beleid bijeengebracht en gerangschikt naar de kenmerken «doelgroep» en «financieringswijze». Doelgroep geeft aan waar de te besteden middelen terechtkomen. Financieringswijze heeft betrekking op de manier waarop de middelen worden besteed: in de vorm van een programma, waarbij een intermediaire instantie (bijvoorbeeld SNN) de gelden uiteindelijk verdeelt of in de vorm van projecten waarbij het Ministerie van EZ zelf een directe relatie heeft met de begunstigde. Een uitleg van de verschillende instrumenten is opgenomen bij de verschillende sub-artikelen in het vervolg van deze artikelsgewijze toelichting.

In de Nota Ruimtelijk Economisch Beleid, Dynamiek in Netwerken (Kamerstukken II 1998/99, 26 570) worden de hoofdlijnen voor het ruimtelijk economisch beleid voor de periode 2000 tot en met 2006 uiteengezet.

De belangrijkste onderdelen zijn:

• de IPR (zowel de centrale als de decentrale) is aangepast naar werkingsgebied, premiepercentage en subsidiabele investeringscomponenten;

• het ISP werd vervangen door het Ruimtelijk-Economisch Ontwikkelingsprogramma Noord-Nederland (REONN) «Kompas voor het Noorden», waarin ook de decentrale IPR werd opgenomen;

• een aantal aanzienlijke wijzigingen in de structuur en regionale verdeling van de Europese Structuurfondsen, met belangrijke consequenties voor de cofinanciering vanuit EZ;

• de ontwikkeling van een nieuwe beleidslijn voor de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM's);

• de StiREA-regeling, die van kracht was van 1996 tot en met 1999, is vervangen door de nieuwe Tender Investeringsprogramma's Provincies (TIPP);

• de ontwikkeling van een Stadseconomiebudget dat voor een aanzienlijk deel via de EZ-begroting wordt gevoed;

• een bundeling van toeristische organisaties in 2000. Het betreft samenvoeging van NBT, AVN en (zo mogelijk) ANVV tot één Toeristisch huis. De financieringswijze wordt aangepast.

Bij de betreffende artikelen wordt nader en concreet ingegaan op de onderdelen van de genoemde nota.

04.01 Bijdragen ten behoeve van regionale ontwikkelingsmaatschappijen en overige

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Het doel van de vijf regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM's) is het versterken van de economische structuur door in samenwerking met het bedrijfsleven, nieuwe en vernieuwende economische activiteiten in hun regio tot stand te brengen. De bijdrage van EZ bestaat uit:

• een bijdrage in de apparaatskosten van de ROM's;

• uitgaven uit hoofde van het nieuwe regime van de financieringsbedrijven, te weten deelname van de Staat in het aandelenvermogen van de ROM's.

De modaliteiten van de bijdragen inzake het oude en het nieuwe regime van het financieringsbedrijf liggen vast in de contracten die de Staat met de individuele ROM's heeft afgesloten.

Wat betreft het nieuwe regime gaat het om volstorting van het destijds overeengekomen aandelenkapitaal bij de BOM (nog te storten NLG 10,3 mln), de NOM (nog te storten NLG 34,7 mln) en het LIOF (nog te storten NLG 23,8 mln). Het hangt van de liquiditeitsbehoefte van deze ROM's af of volstorting van dit kapitaal snel of pas met enige vertraging plaats zal vinden.

In 1998 liep het beleidskader van de ROM's af, zoals dat in 1993 per brief aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 93/94, 21 571, nr. 9) is verwoord. De uit dit kader volgende beleidslijn hield in dat de ROM's meer een instrument van en voor de provincie moesten worden. Hierdoor is in de periode 1993–1998 de rijksbijdrage aan de ROM's aanzienlijk teruggebracht. In 1999 en 2000 is het beleidskader voor wat betreft de apparaatskostenvergoeding verlengd en de rijksbijdrage gehandhaafd op het niveau van 1998.

Inhoudelijke en beleidsmatige ontwikkelingen vragen thans om een vernieuwing van de beleidslijn. In de Nota Ruimtelijk Economisch Beleid (Kamerstukken II 98/99, 26 570) is hiervan reeds melding gemaakt. De nota schetst de positie van de ROM's in het regionale beleid en geeft aan dat de ROM's een belangrijke rol vervullen bij de versterking van de economische structuur in hun regio. Tegen deze achtergrond is in de NREB aangekondigd om in nauw overleg met de betrokken provincies de rol van de ROM's bij de versterking van de regionaal-economische structuur te bezien en het beleid ten aanzien van de ROM's te vernieuwen.

De vernieuwde beleidslijn die geldt voor de periode 2001–2004 komt neer op:

• een betere afstemming tussen het beleid van EZ en de activiteiten van de ROM's;

• een verdere verzakelijking van de aansturing van de ROM's;

• een betere samenwerking tussen de ROM's en Syntens.

Over de precieze invulling van de herziene beleidslijn zal de Kamer nader geïnformeerd worden.

In 2004 zal evaluatie van de vernieuwde beleidslijn plaats vinden.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  11 12811 12811 12811 12811 128 
Mutatie  381381381381381 
Ontwerp-begr. 200171 04215 42411 50911 50911 50911 50911 50911 509
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100032 2376 9995 2235 2235 2235 2235 2235 223
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  11 14711 12811 12811 12811 128 
Mutatie  1 040381381381381 
Ontwerp-begr. 2001 13 21012 18711 50911 50911 50911 50911 509
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 5 9945 5305 2235 2235 2235 2235 223
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 nom apparaatskosten 7 1964 8574 857 6 6965 3484 857 31 11.3
110 liof apparaatskosten 2 8582 7492 749 2 8182 7702 749 31 11.3
210 oom apparaatskosten 1 6071 6621 662 1 6071 6511 662 31 11.3
310 gom apparaatskosten 871901901 6971 068901 31 11.3
410 bom apparaatskosten 1 2961 3401 340 1 2961 3311 340 31 11.3
610 medewerk overige instituten 96   9619  43Z 11.3
750 gom fin. bedr. oud 1 500       63D 11.3
Totaal art 0401 15 42411 50911 509 13 21012 18711 509    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1 000)20002001200220032004
Loon- en prijsbijstelling381381381381381
Totaal381381381381381

04.04 Voorwaardenscheppend beleid

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De uitgaven geraamd op dit artikel zijn bestemd voor de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit het tot en met 1988 gevoerde infrastructuurbeleid.

b) De cijfers

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  3 248  
1e suppl. wet 2000  – 1  
Mutatie  – 2 947  
Ontwerp-begr. 2001 5 896300  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 2 675136  

Economische code: 62G Functionele code: 11.0

04.05 Structuurversterkende projecten in het kader van de BRT-compensatie

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De verplichtingenruimte in 2001 is bestemd voor de verlenging van de start- en landingsbaan op vliegveld Eelde. Het is het laatste structuurversterkende project ter compensatie van het afschaffen van de Bijzondere Regionale Toeslag (BRT) in de WIR in 1984. Daarnaast zijn nog betalingen voorzien in verband met diverse in het verleden aangegane toezeggingen.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  
Mutatie   14 035  
Ontwerp-begr. 200169 443  14 035  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100031 512  6 369  
Waarvan te betalen17 434  14 035    
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  5 5085 5085 9455 508  
1e suppl. wet 2000  – 3 508   3 508 
Mutatie  2 0002 0002 0002 000  
Ontwerp-begr. 2001 1 0004 0007 5087 9457 5083 508 
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 4541 8153 4073 6053 4071 592 

Economische code: 62C Functionele code: 11.0

c) De toelichting bij de cijfers

Het budget voor dit project de start- en landingsbaan Eelde wordt vanuit 1999 doorgeschoven naar de begroting voor het jaar 2001, omdat wordt verwacht dat de besluitvorming dan kan worden afgerond.

04.08 Bevordering investeringen voor regionale structuurversterking

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De gelden op dit artikel dienen ter versterking van de economische structuur en ter stimulering van investeringen in regio's die in aanmerking komen voor regionale steun. De centrale regeling (de IPR) wordt uitgevoerd door EZ en het Ruimtelijk-Economisch Ontwikkelingsprogramma Noord-Nederland (REONN) door het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN).

IPR-centraal, budget NLG 45,1 mln

Uitvoering van het centrale deel van de Investeringspremieregeling (IPR) geschiedt op basis van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten (Stb. 1998, nr 550). De goedkeuring van de Europese Commissie is van kracht tot en met 2006.

De centrale IPR in het Noorden is primair gericht op vestigingsprojecten en slechts zeer selectief van toepassing op omvangrijke uitbreidingsprojecten. Bovendien beperkt de centrale IPR zich tot vijf kernzones in het Noorden. Het werkingsgebied betreft kernzones binnen de provincies Groningen, Friesland en Drenthe, waaraan toegevoegd zijn de gemeenten Hardenberg en Steenwijk in Overijssel en een aantal gemeenten in Twente en Zuidelijk Limburg voor majeure vestigingsprojecten met subsidiabele investeringen (groter dan NLG 30 mln).

Kengetallen IPR-centraal
(Bedragen in verplichtingen x NLG 1 mln)Artikel (-sub)Realisatie 1999Raming 2000 (bij 1e suppl)Raming 2001
Ramingskengetallen    
1. Toegezegde subsidies (in aantallen) 20109
2. Gemiddeld bedrag per toezegging 4,43,55,0
3. Toegezegde subsidies04.08–01089,334,945,1
Doeltreffendheidskengetallen    
1. Te realiseren arbeidsplaatsen (in aantallen) 2 4981 1151 020
2. Premie per arbeidsplaats 0,0360,0310,044
3. Investeringen 1 174436553
4. Premiepercentage (in %) (subsidie/investeringen)7,68,08,2

REONN, budget NLG 126,0 mln

Het Ruimtelijk-Economisch Ontwikkelingsprogramma Noord-Nederland, getiteld Kompas voor het Noorden, heeft als doel om via economische structuurversterking het economische faseverschil tussen het Noorden en de rest van Nederland zoveel mogelijk weg te werken. Versterking van de economische groei in samenhang met behoud en versterking van de natuurlijke, landschappelijke en milieuwaarden, is hierbij het belangrijkste beleidsinstrument.

Voor de economische situatie in het Noorden – en het aangeven van het economische faseverschil – zijn door EZ en het SNN een negen indicatoren ontwikkeld, variërend van werkloosheid tot innovativiteit. De uitvoering loopt via drie deelprogramma's:

• ontwikkeling van economische kernzones en versterking van de marktsector

• ontwikkeling van de stedelijke centra

• ontwikkeling van het landelijk gebied

Verwachte effecten van het programma:
totale investeringen (x NLG 1 miljoen)19 700
(waarvan uitgelokte investeringen bedrijfsleven12 400)
tijdelijke werkgelegenheid (mensjaren)62 000
permanente werkgelegenheidtussen 13 300 en 22 700

De EZ-subsidie voor het Kompas is bestemd voor maatregelen en activiteiten die zich richten op (het scheppen van voorwaarden voor) een versterking van de ruimtelijk-economische structuur. De EZ-subsidie wordt daarom voor het grootste deel ingezet voor het deelprogramma economische kernzones. De twee overige deelprogramma's ontvangen een beperktere EZ-subsidie.

Een basisbeschikking stelt het kader vast voor de jaarlijks beschikkingen tot subsidieverlening. EZ stelt via een jaarlijkse beschikking aan het SNN op basis van een aantal subsidieverplichtingen de financieringsmiddelen beschikbaar.

In een jaarlijks Bestuurlijk Overleg tussen EZ en het SNN wordt het jaarprogramma van het SNN besproken. Zonodig worden de jaartranches aangepast, waarna subsidieverlening zal plaatsvinden. Het maximale subsidiebedrag van EZ, de som van de beschikkingen tot subsidieverlening over de jaren 2000 tot en met 2006, bedraagt NLG 1179,0 mln (prijspeil 1998).

De positie van EZ bij de beoordeling van projecten wordt geregeld in een op te stellen reglement van de Projectbeoordelingscommissie (PBC). Daarnaast zal EZ zitting hebben in het Comité van Toezicht van het D-2 programma conform de Verordening (EG) Europese Structuurfondsen nr. 1260/1999.

In 2003 vindt een tussentijdse evaluatie van de uitvoering en de gerealiseerde beleidsprestaties plaats.

EFRO-cofinanciering, budget NLG 24,3 mln

Betreft middelen voor de cofinanciering van programma's en projecten die door de Europese Unie worden ondersteund uit het Europees Fonds Regionale Ontwikkeling (EFRO).

Vanaf 2000 loopt de nieuwe beleidsperiode van de Structuurfondsen. Hierover is in maart 1999 overeenstemming bereikt tijdens de Europese Top te Berlijn. In de nieuwe periode zijn drie doelstellingen van kracht:

doelstelling 1 bevordering van de ontwikkeling en de structurele aanpassing van de regio's met een ontwikkelingsachterstand;

doelstelling 2 ondersteuning van de economische en sociale omschakeling van de in structurele moeilijkheden verkerende zones;

doelstelling 3 ondersteuning van de aanpassing en de modernisering van het beleid en de systemen op het gebied van onderwijs, opleiding en werkgelegenheid.

Het EFRO is van toepassing in doelstelling 1 en 2 regio's. In de nieuwe periode zal doelstelling 2 in het Noorden, de reconstructiegebieden en enkele steden van toepassing zijn.

De regio's hebben Enige ProgrammeringsDocumenten (EPD's) ingediend. De Europese Commissie onderhandelt met de lidstaat en de regio's over de concrete invulling.

De voormalige doelstelling 1, doelstelling 2 en doelstelling 5b-gebieden die niet onder de hierboven genoemde gebieden vallen, zullen in aanmerking komen voor uitfaseringssteun. Daarnaast zullen in de periode 2000–2006 in het kader van de Structuurfondsen vier Communautaire Initiatieven worden uitgevoerd. Voor EZ is daarbij de voortzetting van het Communautaire Initiatief Interreg gericht op de grensoverschrijdende samenwerking van belang.

De cofinancieringsbijdragen van EZ aan de regio's vinden plaats krachtens het in voorbereiding zijnde Besluit Cofinanciering EFRO-programma's 2000–2006. De cofinanciering van het programma in het Noorden zal vanaf 2000 plaatsvinden via het Ruimtelijk-Economisch Ontwikkelingsprogramma Noord-Nederland (REONN).

Stand van zaken rond de verschillende programma's/EPD's:

November 1999: indiening van het uitfaseringsprogramma van de provincie Flevoland (doelstelling 1).

April 2000: indiening van de doelstelling 2 programma's bij de Europese Commissie: * Noorden (verantwoordelijk is EZ), * negen steden (verantwoordelijk is BZK), * twee programma's,Oost-Nederland resp. Zuid-Nederland, waarin opgenomen de landelijke gebieden en de uitfaseringsprogramma's voor de gebieden die in de voorgaande periode (1994–1999) in aanmerking kwamen voor doelstelling 2 of 5b en zich nu niet langer kwalificeren. De verantwoordelijkheid wordt verdeeld tussen LNV en EZ.

Juni 2000: goedkeuring van het EPD van Flevoland.

Sept. 2000: start onderhandelingen met de Europese Commissie over de inhoud van de ingediende doelstelling 2 EPD's.

Najaar 2000: verwachte goedkeuring doelstelling 2 EPD's

Voor de afwikkeling van de tot en met 1999 aangegane verplichtingen voor de EFRO-cofinanciering wordt verwezen naar artikelsub 04.09 610.

Evaluatie 00–11 Instrument: Europese programma's

Beknopt resultaat: Het resultaat van de evaluatie varieert per Enig Programmerings Document (EPD). Aanbevelingen die voor meer dan één EPD gelden zijn:

• Aandacht voor de relatie tussen het betreffende EPD en Doelstelling 3. Een logische aanbeveling, aangezien de EPD's voor D2 in de komende periode geen ESF-component meer zullen bevatten en de regio's de arbeidsmarktgerichte maatregelen via D3 moeten zien te realiseren.

• Nadere operationalisering en kwantificering van de doelstellingen. Ook dit is een logische aanbeveling, aangezien de EPD's in tegenstelling tot de vorige beleidsperiode beknopter zijn en na de goedkeuring door de Commissie zullen worden uitgewerkt in de vorm van een Programmacomplement.

• Nadere aandacht voor de voorziene uitvoeringsstructuur.

Verder is in diverse EPD's een accentverschuiving te zien, bijvoorbeeld van kennisinfrastructuur naar kennisoverdracht respectievelijk van bedrijfsgericht naar infrastructuur. Dit zijn ontwikkelingen die aansluiten bij de leerervaringen uit de vorige programmaperiode.

Gebruik: De evaluatie wordt door de provincie en de EU-Commissie gebruikt. De aanbeve-lingen komen de komende tijd aan de orde in de onderhandelingen over de EPD's.

Evaluatie 99–41 Instrument: MKB-initiatief

Beknopt resultaat:

• De structuur van het MKB-initiatief is afdoende met een beoordelende stuurgroep en een toezichthoudend Comité.

• In belangrijke mate ontbraken co-financieringsmiddelen uit de regio's.

• Er waren veel afwijzingen door het ontbreken van kwalitatief goede projectvoorstellen.

Aanbevolen wordt de doelstellingen op maatregelniveau meer te verbinden met de centrale doelstelling van het programma.

Gebruik: De aanbevelingen zijn door EZ, het Comité van Toezicht en de stuurgroep gebruikt om verbeteringen in de programmaorganisatie door te voeren.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  193 871194 774195 159195 205195 205 
1e suppl. wet 2000  – 10 000  
Mutatie  37 716625– 22 828– 21 8703 354 
Ontwerp-begr. 2001417 919139 660221 587195 399172 331173 335198 559198 559
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000189 64363 375100 55288 66878 20078 65690 10290 102
Waarvan te betalen269 955137 221214 605189 374166 108167 107194 638194 638
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005 
Ontwerp-begr. 2000  101 572125 424145 217175 297208 707 
1e suppl. wet 2000  – 7 200– 8 000400– 800  
Mutatie  21 2558 98116 653– 3 863– 26 211 
Ontwerp-begr. 2001 90 742115 627126 405162 270170 634182 496186 360
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 41 17752 46957 36073 63577 43082 81384 566
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 IPR centraal deel 89 30434 91445 130 40 21942 35046 590 62D 11.3
020 REONN 50 356126 761125 977 50 52358 29758 764 62D 11.3
070 EFRO-cofinanciering  59 91224 292  14 98021 051 62D 11.0
Totaal art 0408 139 660221 587195 399 90 742115 627126 405    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1 000)20002001200220032004
1. Verschuiving verplichtingenruimte cofinanciering48 641 – 24 311– 24 330 
2. Naar 04.11 voor Rijkswerf Den Helder– 13 000    
3. Overloop ISP 19991 900    
4. Prijsbijstelling REONN1756251 4832 4603 354
Totaal37 716625– 22 828– 21 8703 354

ad 1.

Nadat de Europese Commissie de Nederlandse programma's voor de verschillende doelstellingen heeft goedgekeurd, wordt in 2000 in één keer NLG 60 mln aan cofinanciering voor de gehele periode (2000–2006) vastgelegd. Daartoe wordt nu in totaal NLG 48,6 mln verplichtingenruimte uit 2002 en 2003 aan de begroting voor 2000 toegevoegd.

ad 2.

Betreft compensatie voor herstructurering van de Rijkswerf Den Helder (zie artikel 04.11).

04.09 Regio-programma's

Op dit artikel staan uitgaven geraamd die het gevolg zijn van de tot en met 1999 aangegane verplichtingen (zie artikel 04.08 Bevordering investeringen voor regionale structuurversterking).

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  
1e suppl. wet 2000  172 200  
Ontwerp-begr. 2001275 63274 142172 200  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000125 07633 64478 141  
Waarvan te betalen251 79172 792172 200     
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  87 69896 69949 54258 92631 600 
1e suppl. wet 2000  25 671– 19 20044 703– 8 10017 557 
Mutatie  – 11 18135 693– 12 48112 972– 35 957 
Ontwerp-begr. 2001 95 041102 188113 19281 76463 79813 20027 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 43 12846 37151 36437 10328 9505 99012 252
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 isp-regulier 46 192   73 52661 94545 621 62D 11.0
520 oost.mijnstreek Z-Limburg 12172 200  1 61212 02051 000 62D 11.0
610 efro – cofinanciering 27 938   17 86815 71716 067 62D 11.0
908 herin.en gap oost-isp     650   62D 11.0
910 regio-gelden     167   62D 11.0
911 subs. pnl regulier     1 21812 506504 62D 11.0
Totaal art 0409 74 142172 200  95 041102 188113 192    

c) De toelichting bij de cijfers

Nu de projectplannen voor de aanleg van het bedrijventerrein en de infrastructuur bij Born concrete vormen aan gaan nemen, is in de begroting de raming van de kasuitfinanciering van de betreffende verplichting aangepast.

04.10 Investeren in stedelijke en regionale economische ontwikkeling

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De bedrijfslocatiemonitor (BLM) voorziet in de berekening van de toekomstige behoefte aan werklocaties in de verschillende regio's in Nederland. De BLM dient als grondslag voor het te voeren beleid op het gebied van bedrijventerreinen en wordt om de twee jaar geactualiseerd. In de BLM is geïdentificeerd dat in de periode 1998–2010 bij een gemiddelde groei van 2,75% in totaal een tekort zal ontstaan van 1 820 ha. Bij een groei van 3,25% loopt dit op tot 3 440 ha. EZ beoogt deze tekorten te voorkomen door:

• het realiseren van een gedifferentieerd en flexibel ruimtelijk ordeningsbeleid gericht op het accommoderen van ruimte voor economische activiteit, en

• het bevorderen dat lagere overheden tijdig kwantitatief en kwalitatief voldoende ruimte voor economische activiteiten op de juiste plek realiseren.

Daarvoor zet EZ een samenstel van de volgende instrumenten in:

• Met ingang van 2000 kunnen provincies een beroep doen op de Tender Investeringsprogramma's Provincies (TIPP). Deze nieuwe regeling loopt tot en met 2003. Voor deze regeling is jaarlijks NLG 50 mln beschikbaar.

• In het regeerakkoord is aangekondigd dat met de GSB-steden convenanten worden afgesloten voor de periode 2000–2003/4. Voor de eerste convenantsperiode (2000–2003/4) stelt EZ een totaal bedrag van NLG 363 mln beschikbaar voor stadseconomie.

Tender Investeringsprogramma's Provincies (TIPP), budget NLG 50,2 mln

De TIPP is gericht op het stimuleren en ondersteunen van provincies en gemeenten bij de verbetering van het regionale investeringsklimaat. Naast de ontwikkeling en herstructurering van bedrijventerreinen, besteedt de regeling ook aandacht aan multimodale ontsluiting, segmentering, beheer, milieuprestaties en het huisvesten van arbeidsextensieve en meer milieuhinderlijke bedrijvigheid. De TIPP-aanvragen gaan vergezeld van een regionale visie op de verbetering van het economische vestigingsklimaat. In relatie met andere relevante economische thema's zoals arbeidsmarkt, scholing en technologie, gaat deze visie in op het oplossen en het voorkomen van provinciaal fysieke knelpunten. De provincies stellen, in samenwerking met de gemeenten en het bedrijfsleven, deze visie op. Naast een goed doordachte bovenlokale bedrijventerreinenvisie, stimuleert de TIPP hiermee de samenwerking tussen gemeenten, provincies en het bedrijfsleven. De bijdrage van de provincies moet minimaal 15% van de EZ-bijdrage zijn.

Het doel van deze regeling is het ondersteunen van 60 projecten (die onderdeel uitmaken van investeringsprogramma's) in vier jaar. Naar verwachting zal van het beschikbare budget tweederde terecht komen bij herstructureringsprojecten.

Omdat het grootste deel van de TIPP bij herstructureringsprojecten terecht zal komen, is EZ voornemens om de hiervoor extra beschikbare NLG 100 mln (amendement Hindriks-Van Walsem, Kamerstukken II 1999/2000, 26 800 XIII, nr. 27) via de TIPP in te zetten. Met het oog op de voorgestane stroomlijning van het subsidie-instrumentarium, ligt aansluiting bij de TIPP meer voor de hand dan het ontwikkelen van een nieuw instrument. Bij de uitvoering van de TIPP zal getracht worden de extra NLG 100 mln zoveel mogelijk in te zetten voor herstructureringsprojecten in de grote steden.

Duurzame bedrijventerreinen; budget NLG 5,0 mln

In 1999 is voor een periode van vier jaar het stimuleringsprogramma duurzame bedrijventerreinen van start gegaan. Bedrijven uit verschillende sectoren die samen op een locatie gevestigd zijn, kunnen onderzoeken hoe zij elkaar kunnen versterken op economisch en milieugebied. Zo kunnen bijvoorbeeld de afvalstoffen van het ene bedrijf geschikt zijn als grondstof voor een ander bedrijf. Er werden totaal 90 subsidie-aanvragen ingediend.

Bij de modernisering van bedrijventerreinen zijn er goede mogelijkheden voor het maken van een dubbelslag: een hogere kwaliteit van het terrein leidt tot versterking van de vestigingsplaats en verbetering van het milieu. Voor het stimuleringsprogramma duurzame bedrijventerreinen wordt voor de jaren 2001 en 2002 jaarlijks NLG 5 mln extra beschikbaar gesteld. Daarmee verwacht EZ dat, afgezien van het gestelde doel van 100 projecten – met een mix van deelaspecten – in de periode tot 2003 circa 30 additionele projecten zullen worden gerealiseerd.

Onderzoek en evaluatie, budget NLG 8,6 mln

Het gaat hier om inventariserende, beleidsonderbouwende en evaluerende onderzoeken op het gebied van ruimtelijken regionaal-economische ontwikkelingen, bedrijventerreinen, het ruimtelijk ordenings- en milieubeleid en het toeristisch beleid. De evaluaties hebben betrekking op bestaand beleid, op zowel nationaal als Europees niveau. Op dit artikel zijn ook opgenomen de bijdragen van EZ in de onderzoekskosten van het Project Mainport Rotterdam (PMR) en het project Ontwikkeling Nationale Luchthaven (ONL).

Stadseconomie en Grote stedenbeleid

Binnen de pijler «Werk en economie» van het GSB stelt EZ samen met het Ministerie van VROM de middelen voor fysieke stadseconomie beschikbaar. Dit is een apart prestatieveld binnen het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV). De EZ-bijdrage bedraagt NLG 252 mln voor de ISV-convenantsperiode tot en met 2004. Daarnaast stelt EZ NLG 111 mln beschikbaar voor niet-fysieke stadseconomie binnen de pijler «werk en economie» van het GSB. Op basis van goedgekeurde stedelijke ontwikkelingsprogramma's zijn in december 1999 de convenanten met de 25 GSB-steden en met 30 ISV-gemeenten getekend. Voor de 5 aanleungemeenten (G5) is door EZ een extra budget van in totaal NLG 6,1 mln beschikbaar gesteld (NLG 3,6 mln fysiek en NLG 2,5 mln niet-fysiek). Er is overleg gaande met de steden over de door hen ingediende meetbare prestaties per 2004 op grond van de nulmeting van de EZ-benchmark Gemeentelijk Ondernemingsklimaat.

Fysieke stadseconomie

Het onderdeel fysieke economie is ondergebracht in het Innovatiebudget Stedelijke Vernieuwing en is bestemd voor de GSB-steden. Aan de steden is gevraagd in hun ontwikkelingsprogramma's aandacht te besteden aan de volgende gebieden:

• het stimuleren van functiemenging wonen/werken door het behouden en creëren van geschikte bedrijfsruimte in woongebieden;

• het ontwikkelen van bedrijfsruimte ten behoeve van startende ondernemers, bijvoorbeeld bedrijfsverzamelgebouwen;

• het revitaliseren van verouderde en ontwikkelen van nieuwe bedrijventerreinen;

• het stimuleren van de voor die gemeenten kansrijke sectoren en clusters (netwerken van bedrijven en kennisinstellingen);

• het verbeteren van de bereikbaarheid van economische functies, met name het verbeteren van de ontsluiting van bedrijfsruimten of -terreinen op het lokale wegennet.

Niet-fysieke stadseconomie

Het beleid ten aanzien van niet-fysieke economie is gericht op organisatorische en «zachte» componenten van economische structuurversterking in de GSB-steden. Aan de steden is gevraagd in hun ontwikkelingsprogramma aandacht te besteden aan de volgende twee aandachtsgebieden: ondernemerschap en kansrijke sectoren en clusters. Het stimuleren van ondernemerschap kent verschillende aspecten, zoals het zorgen voor een «level playing field» voor starters, het vereenvoudigen van gemeentelijke regelgeving en de verbetering van gemeentelijke dienstverlening aan ondernemers. Daarnaast is aan de steden gevraagd de eigen economische potenties te vertalen naar kansrijke sectoren en clusters en daarvoor specifiek beleid te ontwikkelen.

De GSB-steden hebben in hun Meerjarig OntwikkelingsProgramma (MOP) aandacht besteed aan de wijze waarop zij zowel de fysieke als de niet-fysieke voorwaarden voor economische activiteiten willen realiseren. Iedere stad heeft een MOP ontwikkeld die aansluit bij de lokale economische situatie. Ook hebben de steden zelf bepaald welke meetbare resultaten zij aan het eind van de convenantsperiode bereikt willen hebben. De doelstellingscijfers zijn per GSB-stad geformuleerd. Steden zijn zelf verantwoordelijk voor het opzetten van een eigen kwaliteitszorgsysteem waarmee zij aan het eind van de convenantsperiode kunnen aantonen welke doelstellingen wel en welke niet zijn gerealiseerd. Een volledige verantwoording per stad zal aan het eind van de convenantsperiode plaats vinden in relatie tot de eigen specifieke stedelijke doelstellingen.

Om op landelijk niveau ook gedurende de convenantsperiode zicht te houden op de voortgang in de steden is zowel een centrale GSB-monitor in ontwikkeling als een ISV-monitor (met als onderdeel de fysieke economie). Daarnaast kent EZ voor het niet-fysieke gedeelte de Benchmark Gemeentelijk Ondernemingsklimaat. Deze drie monitors bevatten indicatoren waarmee iedere twee jaar een meting voor alle steden wordt uitgevoerd. Daar waar mogelijk en zinvol worden de indicatoren uit de eigen stedelijke kwaliteitszorgsystemen en de landelijke monitors gelijk getrokken.

Bij de opstelling van de VBTB-begroting zal in overleg met BZK bezien worden in hoeverre het mogelijk en zinvol is om concrete indicatoren en streefgegevens op te nemen.

Schematische relatie Grote Stedenbeleid en Stadseconomiebudget (middelen tot en met 2010 x NLG 1 mln)kst-27400-XIII-2-3.gif

1 Binnen de drie GSB-pijlers wordt het EZ-budget binnen de pijler «Economie en werkgelegenheid» samen met een deel van het VROM-budget voor de Fysieke pijler ingezet voor stadseconomie. De sociale pijler omvat overwegend het budget van SZW en VWS.

2 EZ heeft zich verplicht om bovenop de genoemde bedragen nog tenminste NLG 100 miljoen van de opvolger van de Stirea-regeling (TIPP) te laten neerslaan in de G25 tot en met 2010.

3 Het ISV (VROM) omvat de fysieke pijler plus het fysieke economie budget van EZ.

4 Voorts zal economie nog meedoen in de tenderregeling van innovatiebudget ISV

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  63 00559 00556 00556 00556 005 
Amendement bedrijventerreinen  100 000  
1e suppl. wet 2000  367 823  
Mutatie  – 2714 7884 729  
Ontwerp-begr. 2001218 00480 308530 55763 79360 73456 00556 00581 005
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100098 92636 442240 75628 94827 56025 41425 41436 758
Waarvan te betalen217 53079 690528 81060 11560 05955 31656 00581 005
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  101 228105 097108 959126 895137 534 
Amendement bedrijventerreinen  25 00025 00025 00025 000  
1e suppl. wet 2000  – 30 084– 23 664– 29 267– 13 5521 220 
Mutatie  – 35 067– 21 16217 67832 09342 384 
Ontwerp-begr. 2001 74 27961 07785 271122 370170 436181 138197 016
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 33 70627 71638 69455 52977 34082 19789 402
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 TIPP 75 00051 44655 223 69 30434 73136 645 62D 11.1
015 Impuls bedrijventerreinen  100 000    10 000 62D 11.1
020 Onderzoek REB 5 30810 5118 570 4 9753 0016 705 12 11.41
030 Fysieke stadseconomie  255 336   12 60421 835 62D 11.1
040 Niet-fysieke stadseconomie  113 264   10 74110 086 62D 11.1
Totaal art 0410 80 308530 55763 793 74 27961 07785 271    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1 000)20002001200220032004
1. Intensivering duurzame bedrijfsterreinen 5 0005 000  
2. Overige beleidsmatig niet-relevante mutatie– 271– 212– 271  
Totaal– 2714 7884 729  

ad 1.

Gezien het hoge aantal aanvragen wordt de bijdrage voor onderzoek naar en ontwikkeling van duurzame bedrijventerreinen verhoogd.

De uitgavenmutatie betreft een actualisatie van de uitgavenraming op in het verleden aangegane verplichtingen en het toevoegen van kasmiddelen uit het Fes voor de impuls voor de herstructurering bedrijventerreinen (amendement Hindriks/VanWalsem, Kamerstukken II 26 800 XIII, nr. 27).

04.11 Toeristisch beleid

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Centraal in het toeristisch beleid staat de versterking van de concurrentiekracht van Nederland als aantrekkelijk toerisme- en recreatieland.

Het beleid concentreert zich op:

• een verdere professionalisering en bundeling van kennis en expertise in de sector (via krachtenbundeling van de hieronder vermelde toeristische spitsorganisaties in één «Toeristisch Huis»)

• het scheppen van gunstige randvoorwaarden voor de toeristische bedrijvigheid, vooral via een verdergaande integratie van toerisme-aspecten in andere relevante beleidsterreinen.

Het toeristisch beleid is vastgelegd in de nota Werken aan Concurrentiekracht (Kamerstukken II 1995/96 24 750, nr. 1), in de brief over het Actieplan Zee van Cultuur (Kamerstukken II 1997/98 24 750, nr. 4) en in de gezamenlijke EZ/LNV-brief over toerisme en recreatie (Kamerstukken II 1998/99 26 419, nr. 1).

Toeristische organisaties, budget NLG 47,1 mln

Het «Toeristisch Huis» (Toerisme Recreatie Nederland) is per 1 juli 2000 van start gegaan. Hierin werken vooralsnog drie toeristische organisaties samen, die voorheen apart een bijdrage vanuit EZ ontvingen. Allereerst is dat de Algemene Vereniging van VVV's (ANVV), de koepel van de ruim 300 VVV's in Nederland. Haar doelstelling is de behartiging van VVV-belangen, het doelmatig functioneren van het VVV-wezen en het bevorderen van onderlinge samenwerking.

Daarnaast participeert het Nederlands Bureau voor Toerisme (NBT) in TRN. Het NBT richt zich op een gebundelde presentatie van het Nederlandse toeristische product in het buitenland. En tenslotte de Stichting Toerisme en Recreatie AVN, een gezamenlijk initiatief van ANVV, ANWB en het Nederlands Bureau voor Toerisme. Het wil toerisme en recreatie in Nederland bevorderen.

In verband met de vorming van TRN zal het beleid van de fusiepartners worden gebundeld tot een integraal nieuw Strategisch Marketingplan vanaf 2001 voor zowel inkomend als binnenlands toerisme.

Kerntaken van TRN zijn:

• algemene Holland-promotie in het buitenland;

• innovatie- en vernieuwingstaken, waaronder markten productontwikkeling en onderzoek;

• promotionele diensten aan het bedrijfsleven.

Concrete doelstellingen voor het inkomend toerisme in 2005 zijn:

• Verhoging van de promotiemultiplier (indicator voor de effektiviteit van de buitenlandse promotie-inspanningen) van 1:38 in 1998 tot 1:42 in 2005;

• Stijging van 3% per jaar van de bestedingen in Nederland uit inkomend toerisme;

• Aantal extra toeristische banen van 40 000 in 2005;

• Tenminste 20% stijging per jaar van het aantal bezoekers aan de internetsite Holland.com (1998: 1 miljoen bezoekers);

• Productversterking, onder meer via toename van het aantal toeristische samenwerkingsprojecten.

De bijdrage van EZ wordt gegeven in de vorm van een exploitatiebijdrage. Voor het TRN worden thans nieuwe kengetallen ontwikkeld, die vanaf 2001 worden ingevoerd. Mede gezien het samengaan van de drie toeristische organisaties, is het nu niet goed mogelijk om kengetallen voor het jaar 2001 op te nemen.

Enkele gegevens over de NBT-begroting en de EZ-bijdrage daaraan
(Bedragen in verplichtingen x NLG 1 mln)Artikel (-sub)Realisatie 1999Raming 2000
Totale begroting NBT 74,171,8
– waarvan overheadkosten (algemene beheerskosten)27,727,0
– waarvan totale activiteitenkosten 46,544,8
– Overheadkosten als % van de totale begroting 37,337,6
– Bijdrage van EZ (excl. een bijdrage aan AVN van NLG 1,7 mln)05.12 02041,640,5
– Bijdrage van bedrijfsleven 34,131,3

Het Nederlandse CongresBureau (NCB) is als zelfstandige organisatie belast met de promotie van Nederland als congresbestemming. Ook verleent het NCB diensten aan potentiële organisatoren van congressen. Het streven is ook het NCB zo snel mogelijk op te nemen in de nieuwe organisatie Toerisme Recreatie Nederland.

99–04 Instrument: Toeristische Instituten (Nationaal bureau voor Toerisme NBT)

Beknopt resultaat:

• de doelstellingen van het NBT-Strategisch Marketing Plan 1996–1999 (SMP) zijn ruimschoots gerealiseerd;

• het NBT scoort redelijk positief qua waardering bij stakeholders en in internationale benchmark;

• de formele subsidievoorwaarden EZ zijn overwegend financieel van aard; aan deze voorwaarden wordt voldaan; de huidige subsidievoorwaarden hebben een weinig sturend karakter: er worden geen expliciete relaties gelegd tussen activiteiten en doelstellingen uit het SMP.

• recentelijk is een aantal nieuwe plannings- en effectmetingsmethoden bij het NBT doorgevoerd.

Gebruik: De evaluatie is gebruikt bij de vormgeving van de aansturingsrelatie EZ-Toeristisch Huis.

World Tourism Organization (WTO), budget NLG 0,4 mln

Nederland betaalt als lid van de WTO jaarlijks contributie die door EZ wordt voldaan.

Toeristische dienstverlening en informatievoorziening, budget NLG 2,0 mln

Deze gelden worden gebruikt voor incidentele aanjaagacties of projecten c.q. activiteiten die uit een oogpunt van rijksbeleid van belang zijn.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  49 35848 26947 67847 17846 678 
1e suppl. wet 2000  5 000  
Mutatie  70 7711 1411 1241 1101 097 
Ontwerp-begr. 2001 50 085125 12949 41048 80248 28847 77547 775
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 22 72856 78122 42122 14521 91221 67921 679
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  50 11848 87548 30847 73146 678 
1e suppl. wet 2000  – 250500250250500 
Mutatie  7 83523 38115 45625 1642 397 
Ontwerp-begr. 2001 49 19657 70372 75664 01473 14549 57547 875
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 22 32426 18433 01529 04733 19222 49621 725
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Div. toerist. org. 5 7724 7754 775 5 7724 7754 775 31 11.6
020 N.B.T. 43 32643 40442 280 42 96243 76842 280 31 11.6
040 W.T.O. 363350355 363350355 31 11.6
210 Toer. dienstverl./infovz. 62476 6002 000 998 81025 346 62D 11.6
Totaal art 0411 50 085125 12949 410 49 19657 70372 756    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1 000)20002001200220032004
1. Herstructurering Rijkswerf Den Helder68 000    
2. Participatie in kunst & cultuur1 600    
3. Loon en prijsbijstelling NBT1 1711 1411 1241 1101 097
Totaal70 7711 1411 1241 1101 097

ad 1.

Betreft een bijdrage aan de herstructurering van de Rijkswerf Den Helder. Hiervoor wordt NLG 40,5 mln ten laste van de algemene middelen gebracht en NLG 12,5 mln van Defensie naar Economische Zaken overgeheveld. De dekking van de overige NLG 15 mln is gevonden binnen artikel 04.08 (NLG 13 mln) en het geheel van de EZ-begroting (NLG 2 mln).

05.00 ONDERNEMERSCHAP EN MARKTWERKING

Op dit hoofdbeleidsterrein worden de gelden geraamd voor het MKB en de ondersteuning van het marktwerkingsbeleid.

Ondernemerschap zorgt voor flexibiliteit en vernieuwing en fungeert als banenmotor van de economie. In de nota «De ondernemende samenleving: meer kansen, minder belemmeringen voor ondernemerschap» (Kamerstukken II 1998/99, 26 736, nr. 1) is aangekondigd dat het beleid ter stimulering van ondernemerschap zich richt op:

• een goed werkende markt, waarin starters een eerlijke kans krijgen;

• effectieve regelgeving, tegen minimale belasting van de ondernemer;

• een productief economisch klimaat op het gebied van fiscaliteit, onderwijs, regionaal en lokaal beleid.

05.01 Voorlichting en advisering MKB

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel vindt met ingang van 1999 uitsluitend uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen plaats.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  2 0541 404500  
Mutatie  181– 154– 500  
Ontwerp-begr. 2001 3 0102 2351 250  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 1 3661 014567  
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 Econ. Funct.
010 imk-netwerk  120  43D 11.1
130 proj.markt&ondernemerschap 582215  12 11.4
140 branche centra techn. 2 4281 9001 250 31 11.4
Totaal art 0501 3 0102 2351 250    

05.02 Onderzoek en projecten Ondernemerschap en MKB

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel staan de middelen geraamd voor het onderzoek voor en de kennisoverdracht naar het MKB. Het onderzoeksdeel van de middelen is bedoeld voor kennisvermeerdering ten dienste van het ondernemerschaps- en MKB-beleid. In dit kader wordt het programmaonderzoek MKB en Ondernemerschap van het EIM gefinancierd en worden opdrachten voor beleidsgericht onderzoek verstrekt. Het projectdeel is gericht op de uitvoering van de nota «De Ondernemende Samenleving» (Kamerstukken II 1998/99, 26 736).

EIM, budget NLG 8,4 mln

EZ subsidieert het programmaonderzoek MKB en ondernemerschap van het EIM. Deze subsidie is bestemd voor het verzamelen, bijhouden en bewerken van basisinformatie over het MKB en het toegankelijk maken van deze basisinformatie. Vanaf 1 januari 2001 zullen nieuwe subsidiecriteria operationeel zijn. Deze nieuwe subsidiecriteria zijn opgesteld naar aanleiding van de evaluatie van het programmaonderzoek MKB en Ondernemerschap.

Beleidsonderbouwend onderzoek, budget NLG 1,1 mln

Uit deze begrotingspost worden onderzoeken bekostigd die voorzien in de informatiebehoefte vanuit het beleidsveld Ondernemerschap en MKB. Het betreft zowel verkennend en onderbouwend onderzoek, als beleidsevaluaties.

00–17 Instrument: MOTOR

Resultaat: Gemiddeld genomen evalueren de drie MOTOR-partijen de eigen werkzaamheden positief. Ontwikkelde producten: cursus interculturele communicatie en vaardigheden voor baliemedewerkers van Kamers van Koophandel, opleiding Algemene Ondernemers Vaardigheden gericht op allochtoon ondernemerschap, Infomap «Ondernemer worden in Nederland», overzicht van organisaties, projecten en initiatieven op het gebied van allochtoon ondernemerschap, draaiboek informatiemarkten allochtoon ondernemerschap.

Aanbevelingen:

A. aan organisaties die zich bezig houden met allochtoon ondernemerschap: veel investeren in gedegen ondersteuning en begeleiding voor en na de start, meer denken vanuit potenties allochtoon ondernemerschap dan vanuit achterstandsituatie, bij opzetten instrumenten meer gebruik maken van kennis en expertise allochtone ondernemers, ondersteuning van eigen netwerken van allochtone ondernemers door brancheorganisaties;

B. aan allochtone ondernemers: meer investeren in voorbereiding(smogelijkheden) op ondernemerschap;

C. aan de overheid: regie leggen bij ministerie van EZ waarbij deelgebieden worden uitgevoerd onder auspiciën van BZK (minderheden-/grotestedenbeleid) en SZW (arbeidsmarkt), grotere betrokkenheid van (lokale) overheden bij projecten, volledige realisatie van de één-loketfunctie.

MDW-onderzoek, budget NLG 0,7 mln

In het kader van de operatie Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit wordt elk jaar een aantal (5 à 10) projecten uitgevoerd. In september 2000 gaan 8 projecten van start, die in april 2001 worden afgerond. In het voorjaar van 2001 zal de oriëntatiefase voor de in september 2001 te starten tranche plaatsvinden. Tevens worden de kosten en baten van enkele reeds geïmplementeerde MDW projecten in beeld gebracht. Voor de financiering van (bijdragen van EZ aan) incidentele onderzoeken die worden uitgevoerd in het kader van MDW projecten en het in beeld brengen van de kosten en baten van enkele MDW projecten, is voor 2001 een verplichtingenbedrag van NLG 0,7 mln geraamd.

Projecten MKB en Ondernemerschap (PMO), budget NLG 10,8 mln

De nota «De Ondernemende Samenleving» schetst de beleidslijnen om het ondernemerschap in Nederland te stimuleren: wegnemen van belemmeringen en scheppen van kansen voor succesvol ondernemerschap. Open en toegankelijke markten, goede regelgeving en publieke dienstverlening en een productief economisch klimaat staan hierbij centraal. Snelgroeiende ondernemingen en technostarters vervullen in deze een speciale rol.

Op het betreffende onderdeel zijn budgetten geraamd voor projecten uit de nota «De Ondernemende Samenleving»: vrouwelijk ondernemerschap, onderwijs en ondernemerschap en snelle groeiers. In het kader van het beleid inzake vrouwelijk ondernemerschap wordt bijvoorbeeld een congres over vrouwelijk ondernemerschap voorbereid. In het kader van het thema onderwijs en ondernemerschap wordt een regeling gemaakt om voorbeeldprojecten te subsidiëren. In het kader van het snelle groeiersbeleid wordt het programma «Maak Kennis Met ...» financieel ondersteund, dat daartoe meer op snel groeiende bedrijven wordt gericht.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  14 86115 50515 31512 66112 661 
Mutatie  5 5495 5305 2785 2785 278 
Ontwerp-begr. 20018 38415 38020 41021 03520 59317 93917 93917 939
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10003 8046 9799 2629 5459 3458 1408 1408 140
Waarvan te betalen7 29712 60020 16920 71020 26817 57617 90117 401
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  13 28112 96914 03414 11113 314 
Mutatie  2 7705 5125 2605 2785 278 
Ontwerp-begr. 2001 15 81516 05118 48119 29419 38918 59217 057
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 7 1777 2848 3868 7558 7988 4377 740
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 EIM 8 9828 9908 432 9 3009 0978 432 31 11.11
020 beleidsonderzoek omkb 9701 2001 100 1 064901972 12 11.41
210 ondernemers onderwijs     3 085201  31 11.4
230 ondernemersonderw.&-schol     1 609751  31 11.4
240 MDW-onderzoek 1 220700700 7371 064700 12 11.41
250 PMO 4 2089 52010 803 204 0378 377 12 11.4
Totaal art 0502 15 38020 41021 035 15 81516 05118 481    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1 000)20002001200220032004
1. Implementatie ondernemersschapsnota5 0005 0005 0005 0005 000
2. Loon- en prijsbijstelling EIM299280278278278
3. Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties250250  
Totaal5 5495 5305 2785 2785 278

ad 1.

Betreft extra middelen voor de implementatie van de nota «De ondernemende samenleving» (Kamerstukken, 1998/1999, 26 736). Deze mutatie maakt deel uit van het Lissabon-pakket op het gebied van kennis en innovatie. Voor een nadere toelichting en een totaaloverzicht van dit kennis- en innovatiepakket wordt verwezen naar hoofdstuk vier van het algemeen deel van de Memorie van Toelichting.

05.03 Borgstellingsregelingen

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn gelden geraamd voor het Besluit Borgstelling MKB-kredieten 1997 (BBMKB) en haar voorgangers, het Besluit Borgstelling waterschadekredieten 1994 en het Besluit Borgstelling waterschadekredieten 1995. Het Besluit Borgstelling MKB-kredieten 1997 is gericht op het wegnemen van belemmeringen die (kleinere en middelgrote) ondernemingen ondervinden bij de toegang tot de kapitaalmarkt.

Vanwege het Amsterdams akkoord inzake groei- en werkgelegenheid heeft de Europese Commissie budget beschikbaar gesteld aan het European Investment Fund (EIF) voor verbetering van de financieringsvoorwaarden van het MKB. Het EIF financiert de verhoging van garantieplafond voor de kredieten (exclusief bodemsanering) van NLG 850 mln naar NLG1000 mln per jaar in de jaren 1999 tot en met 2001.

Kengetallen BBMKB
(Bedragen in verplichtingen x NLG 1 mln)artikel (-sub)Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Ramingskengetallen    
1. Nieuwe kredietmeldingen (in aantallen) 4 0334 8004 100
2. Gemiddeld bedrag per krediet 0,2370,2100,245
3. Verstrekte kredieten05.03–0109551 0001 000
4. Uitstaand garantieobligo 2 5523 2103 251
Doelmatigheidskengetallen    
1. Meldingen en wijzigingen (in aantallen) 7 6168 0007 800
2. Controles verliesdeclaraties (in aantallen)524550500
3. Controles schuldregelingen (in aantallen)*424400450
4. Buiteninvorderingstellingen (in aantallen)590700700
5. Beheersposten (in aantallen) 254300250
6. Toegelicht begrotingsbedrag (uitvoering Kernministerie)**01.01–0102,0882,3732,373
7. Uitvoerend personeel in fte (= Kernministerie) 13,614,814,8
KWALITEITSKENGETALLEN    
8. Bedrag gehonoreerde vs. Ingediende verliesdecl. (%) 94,697,595,0

* Afwijkend van de kengetallen bij de financiële verantwoording over 1999 betreft dit de opgave van het aantal dossiers. Gemiddeld bestaat uit een dossier uit twee schuldregelingen.

** De uitvoeringskosten betreffen de kosten van de controle door het Kernministerie. De bank voert de regeling uit en krijgt in de regel als bijdrage in de incassokosten een percentage (20%) bij het afsluiten van een schuldregeling. De ontvangsten als gevolg van de schuldregeling komen binnen op ontvangstenartikel 05.01–010.

Garantietabel BBMKB
(Bedragen x NLG 1 mln)1999200020012002200320042005
uitstaand risico per 1 januari2 5932 5523 2103 2513 2743 2813 280
te vervallen garanties– 996– 342– 959– 827– 843– 851– 886
verleende of te verlenen garanties9551 0001 000850850850850
uitstaand risico per 31december2 5523 2103 2513 2743 2813 2803 244

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  1 000 6501 000 650850 650850 650850 650 
Ontwerp-begr. 20012 467 002955 4681 000 6501 000 650850 650850 650850 650850 650
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10001 119 477433 572454 075454 075386 008386 008386 008386 008
Waarvan te betalen2231 88245 90047 50050 00055 00055 00055 000

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  45 90047 50050 00055 00055 000 
Ontwerp-begr. 2001 31 90445 90047 50050 00055 00055 00055 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 14 47720 82921 55522 68924 95824 95824 958

Economische code: 63D Functionele code: 11.4

05.05 Bedrijfsbeëindigingshulp

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Met de inwerkingtreding van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) per 1 juli 1987, is de regeling Bedrijfsbeëindigingshulp (BBH) gesloten voor nieuwe toetreders. Derhalve is sprake van bestandsafbouw, waardoor de raming een trendmatige daling vertoont.

Ramingskengetallen BBH
Bedragen in verplichtingenArtikel(-sub)Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
1. Uitkeringsgerechtigden (in aantallen) 2 6002 0661 723
2. Gemiddelde uitkering per jaar (x f 1 000,–) 5,3886,0186 261
3. Totaal bedrag uitkeringen (x f 1 mln.*)05.0514,14512,43010,788

* excl. uitvoeringskosten (Senter) die met ingang van 1-5-1999 op artikel-sub 01.55 020 worden verantwoord.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  13 33012 18311 67310 87910 079 
Mutatie  – 900– 1 395  
Ontwerp-begr. 200121614 14512 43010 78811 67310 87910 0799 279
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000986 4195 6404 8955 2974 9374 5744 211

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  13 33012 18311 67310 87910 079 
Mutatie  – 800– 1 395  
Ontwerp-begr. 2001 14 04512 53010 78811 67310 87910 0799 279
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 6 3735 6864 8955 2974 9374 5744 211

Economische code: 43D Functionele code: 06.2

05.12 Afwikkeling toeristisch beleid tot 1999

Op dit artikel staan uitgaven geraamd die het gevolg zijn van de tot en met 1998 aangegane verplichtingen in het kader van het toeristisch beleid tot 1999 (zie artikel 04.11 Toeristisch beleid voor het beleid met ingang van 1999).

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  5 7651 165113  
Mutatie  – 1001 900– 113  
Ontwerp-begr. 2001 8 3795 6653 065  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 3 8022 5711 391  
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 Econ. Funct.
010 ANVV 239   31 11.6
020 NBT 641   31 11.6
210 toer.dienstverlening en inform.voorz. 7 0865 6653 065 62D 11.6
904 stimulering congressector 413   43Z 11.6
Totaal art 0512 8 3795 6653 065    

05.21 Marktwerking

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Het marktwerkingsbeleid bevordert vanuit vier invalshoeken gelijkwaardige uitgangsposities voor de verschillende marktpartijen:

– de marktpositie en het marktgedrag van individuele ondernemingen en van groepen ondernemingen, alsmede de verhoudingen tussen de ondernemingen;

– de positie van (groepen) afnemers, zowel bedrijven als consumenten;

– de verhouding tussen producenten en afnemers;

– de verhouding tussen bedrijfsleven en de overheid als marktpartij.

Het marktwerkingsbeleid bestaat in hoofdzaak uit mededingingsbeleid en ordeningsbeleid. Mededingingsbeleid betreft ook het beleid gericht op de bestrijding van ongewenste inbreuken op de concurrentie door kartels, fusies en door misbruik van economische machtspositie (de uitvoering van het mededingingsbeleid is in de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) ondergebracht). In dit kader wordt ook bekeken welke spelregels voor het marktoptreden van de overheid zelf nodig zijn. Ordeningsbeleid (waaronder aanbestedingsbeleid en consumentenbeleid) is een zodanige structurering van markten, dat zowel aanbieders als vragers op die markten worden uitgedaagd tot scherpe prijsstelling en tot voortdurende aanpassing en vernieuwing. Consumenten en zakelijke afnemers dienen door die structurering maximale keuzevrijheid te hebben in transparante en overzichtelijk geordende markten.

De bijdragen worden onder meer benut om onderzoek te doen naar mogelijke maatschappelijke kosten van te beperkte competitie en naar mogelijke marktordeningsmodellen. In incidentele gevallen wordt het budget benut om consumentenorganisaties in staat te stellen te onderhandelen met brancheorganisaties.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  5 3015 8886 0386 0386 038 
1e suppl. wet 2000  5 190  
Mutatie   9 95110 15110 91012 500 
Ontwerp-begr. 20013 6937 77010 49115 83916 18916 94818 53818 538
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10001 6763 5264 7617 1877 3467 6918 4128 412
Waarvan te betalen3 6937 77010 21115 53715 88716 64618 53817 913
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  4 9365 2385 5805 7085 891 
1e suppl. wet 2000  5 190  
Mutatie  – 67411 67111 21911 04512 500 
Ontwerp-begr. 2001 6 1439 45216 90916 79916 75318 39114 310
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 2 7884 2897 6737 6237 6028 3456 494
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
310 marktwerking 6698 38113 312 5117 79112 987 31 11.4
410 onderzoek 7 1012 1102 527 5 6321 6613 922 12 11.4
Totaal art 0521 7 77010 49115 839 6 1439 45216 909    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1 000)20002001200220032004
1. Terugdringen administratieve lasten 4 3514 5515 3106 900
2. Handhaven Markt & Overheid 5 6005 6005 6005 600
Totaal 9 95110 15110 91012 500

ad 1.

Om binnen de overheid de administratieve lasten van wet- en regelgeving in beeld te brengen en naar minder belastende alternatieven te zoeken, wordt jaarlijks NLG 6,9 mln voor de uitvoering van de aanbevelingen van de Commissie De Slechte beschikbaar gesteld. Het deel van dit budget dat in 2001 t/m 2003 bestemd is voor het AdviesCollege Terugdringing Administratieve Lasten (ACTAL), is geraamd op de uitgavenartikelen 01.01 (personeel budget) en 01.15 (materieel budget)

ad 2.

Om de gedrags- en toetredingsregels voor het marktoptreden van overheden en overheidsorganisaties, die in 2000 wettelijk worden verankerd, afdwingbaar te maken voor belanghebbenden, is voor toezichtwerkzaamheden NLG 5,6 mln per jaar aan de EZ-begroting toegevoegd.

05.22 Bijdrage Nederlands Meetinstituut

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de middelen geraamd voor de uitvoering van een aantal taken en activiteiten die voortvloeien uit de IJkwet, de Wet op de kansspelen en de Waarborgwet. Daarnaast is er een budget geraamd voor de deelname aan internationale organisaties.

Bijdrage Nederlands Meetinstituut, budget NLG 29,4 mln

Dit begrotingsonderdeel bevat de ramingen voor de financiering van de hoofdzakelijk door het NMi uit te voeren werkzaamheden. In het kader van de IJkwet betreft dit het beheer en de verwezenlijking van de nationale standaarden, de daarbij behorende metrologische infrastructuur, het toezicht op meetmiddelen en ondersteuning aan EZ op wettelijk en internationaal terrein. Uit hoofde van de Wet op de kansspelen wordt toezicht gehouden op speelautomaten. In basisovereenkomsten met het NMi inzake speelautomaten, meetmiddelen, standaardenbeheer, wetgeving en vertegenwoordiging zijn deze werkzaamheden vastgelegd. Het NMi is de ijkinstelling, met dien verstande dat het toezichtswerk uitsluitend door Verispect B.V. wordt verricht en accreditering- en keuringswerk alleen door NMi Certin B.V. NMi Van Swinden Laboratorium B.V. is belast met het beheer of verwezenlijking van de standaarden.

Een gering deel van het budget is gereserveerd voor een nieuwe taak, voortvloeiend uit de voorgestelde wijziging van de Waarborgwet 1986, waarin het toezicht op de naleving van deze wet gescheiden wordt van het waarborgen van edel metalen werken. Verispect B.V. zal in plaats van de waarborginstelling met het toezicht worden belast conform het toezicht op de meetmiddelen en de speelautomaten.

Doelmatigheidskengetallen NMi
(Bedragen in verplichtingen x NLG 1 mln)Artikel (-sub)Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
1. Standaardenbeheer    
– Gemiddelde beheers- en ontwikkelingskosten per standaard 1,6061,677**
– Gemiddelde afschrijving per standaard 0,4020,387**
2. Toezicht speelautomaten    
a) Controle exploitanten    
– Controlekosten per exploitant (x NLG1000)0,4740,488**
– Controles per jaar per exploitant (in aantallen)111
b) Controle speelautomaten    
– Controlekosten per speelautomaat (x NLG1000) 0,1470,151**
– Controles per kansspelautomaat per jaar (in aantallen) 0,330,330,33
– Controles per behendigheidsautomaten per jaar (in aantallen) 0,200,200,20
c) Administratieve werkzaamheden 0,3740,372**
3. Controle meetmiddelen    
a) Controle meetmiddelen consumentensfeer   
– Prijsvariatie controle per meetmiddel (in glds)51–15853–154**
– Controles per meetmiddel per jaar (in aantallen)0,330,250,25
b) Controle meetmiddelen industriële sfeer   
– Prijsvariatie controle per meetmiddel (in glds)142–1641188–1168**
– Controles per meetmiddel per jaar (in aantallen)0,250,200,20
4. Assistentie wetgeving en overige uitgaven05.22–0101,7801,818**
Uitvoerend personeel in fte (= Kernministerie) 1,61,61,6
Totalen toegelichte begrotingsbedragen    
– Bijdrage EZ aan NMi*05.22–01027,41929,54029,437
– Beheerskosten kerndepartement01.01–0100,2800,295**

* De bijdrage EZ verschilt van het totaal verplichtingenbedrag op artikelsub 05.22.010, omdat de kengetallen van het NMi exclusief de bijdragen van EZ aan Missie Certin en Missie Internationale Betrekkingen zijn.

** Deze bedragen waren ten tijde van het opstellen van de ontwerpbegroting nog in discussie tussen EZ en NMi.

Internationale bijdragen, budget NLG 0,5 mln

Op dit onderdeel worden de contributies betaald aan de Meterconventie en de Organisation Internationale de Métrologie Légale (OIML). De Meterconventie beoogt het bevorderen van het gebruik van internationaal erkende meeteenheden en standaarden daarvoor. De OIML bevordert internationale samenwerking op het gebied van wettelijke metrologische regelgeving.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  29 14629 04628 93728 93728 937 
Mutatie  914926897897897 
Ontwerp-begr. 20015 28627 96230 06029 97229 83429 83429 83429 834
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10002 39912 68913 64113 60113 53813 53813 53813 538
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  29 94729 55528 94728 93728 937 
Mutatie  1 6792 6541 512897897 
Ontwerp-begr. 2001 25 91531 62632 20930 45929 83429 83429 834
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 11 76014 35114 61613 82213 53813 53813 538
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Bijdrage NMi 27 41929 54029 437 25 36531 10131 672 12 11.4
020 Uitvoeringskosten IJkwet 7   1452 62G 11.3
110 Internationale bijdragen 536520535 536520535 43G 11.4
Totaal art 0522 27 96230 06029 972 25 91531 62632 209    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1 000)20002001200220032004
1. Loon- en prijsbijstelling NMi904901897897897
2. Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties1025  
Totaal914926897897897

07.00 BUITENLANDSE ECONOMISCHE BETREKKINGEN EN EXPORTBEVORDERING

Het op het bedrijfsleven gerichte instrumentarium kan in twee categorieën worden ingedeeld: export en investeringen. Met het instrumentarium wordt beoogd het bedrijfsleven in de verschillende fases (samenwerking, haalbaarheid, financiering en verzekering) te ondersteunen. Hierbij vindt afstemming plaats met instrumenten op de begrotingen van onder andere de Ministeries van Buitenlandse Zaken (hoofdstuk V) en Financiën (hoofdstuk IXB). Het overige instrumentarium omvat bijdragen aan Internationale organisaties en middelen voor evaluatie en beleidsondersteuning.

Het einddoel van de stroomlijning van het EZ-buitenlandinstrumentarium is in onderstaand overzicht samengevat.

 
 SamenwerkingHaalbaarheidFinancieringVerzekering
ExportPSO(M)PESPBSESEN/GOM
  PSB[ORET][EKV]
InvesteringenPSO(M)PESPIFOM[Rhi]

• De instrumenten ORET, EKV en Rhi staan niet op de EZ-begroting, maar maken wel onderdeel uit van het gezamenlijke buitenlandinstrumentarium.

• Onder Samenwerking wordt met relevantie voor zowel export – als investeringsbevordering ook begrepen de advies- en trainingsprogramma's PUM, De Baak en Beurzen cum stage.

07.01 Internationale organisaties

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de contributies aan de Benelux, de WTO en grondstoffen- en overige internationale organisaties geraamd.

Benelux; budget NLG 6,1 mln

In het verdrag van Amsterdam zijn de modaliteiten voor het onderbrengen van Schengen in de Europese Unie vastgesteld. De juridische en fysieke ontvlechting van het Schengen-secretariaat dat bij de Benelux Economische Unie was ondergebracht, is inmiddels gerealiseerd.

World Trade Organisatie (WTO); budget NLG 6,9 mln

De hoogte van de Nederlandse bijdrage is afhankelijk van de hoogte van de WTO-begroting, het aandeel van Nederland in de buitenlandse handel in intellectueel eigendom, goederen en diensten tussen de WTO-verdragspartijen (over de drie laatst beschikbare jaren) en de omrekenkoers van de Zwitserse frank naar de Nederlandse gulden.

Grondstoffen- en overige Internationale organisaties; budget NLG 2,9 mln

Het betreft de bijdragen aan een tiental internationale grondstoffenorganisaties, het Zeerecht verdrag, het Energie handvest (ECT), het OESO Centre for Coöperation with Non-Members (OESO-CCNM), de Organisation Mondiale de la Propriété Intellectuelle/World Intellectual Property Organisation (OMPI/WIPO) en het Wassenaar Arrangement.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  16 06616 09616 11516 11516 115 
1e suppl. wet 2000  381– 169– 169– 169– 169 
Mutatie  4033333 
Ontwerp-begr. 2001 13 57816 85015 93015 94915 94915 94915 949
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 6 1617 6467 2297 2377 2377 2377 237
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  16 06616 09616 11516 11516 115 
1e suppl. wet 2000  – 9191 131– 169– 169– 169 
Mutatie  4033333 
Ontwerp-begr. 2001 13 57815 55017 23015 94915 94915 94915 949
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 6 1617 0567 8197 2377 2377 2377 237
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 BENELUX 5 6205 5606 136 5 6205 5606 136 43G 01.43
020 GATT/WTO 6 0015 8386 923 6 0015 8386 923 43G 11.1
030 Grondstoffen & andere internationale organisaties 9392 8522 871 9392 8522 871 43G 11.1
040 OMPI 777   777   43G 11.1
060 Bijdrage uitvoering Energiehandvest 241   241   43G 11.1
070 Vrijwillige bijdrage internationale organisaties  2 600   1 3001 300 31 11.1
Totaal art 0701 13 57816 85015 930 13 57815 55017 230    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Uitdeling prijsbijstelling403403403403403
2. Overig beleidsmatig niet-relevante mutaties – 400– 400– 400– 400
Totaal4033333

07.02 Bevordering van de buitenlandse economische betrekkingen

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De geraamde middelen hebben betrekking op diverse programma's, bijdragen en onderzoeksbudgetten. Deze zijn gericht op investeringen en de bevordering van economische betrekkingen, onder meer door het stimuleren van economische samenwerking.

Programma Economische Samenwerking Projecten (PESP 1999); budget NLG 21,0 mln

Doel van het PESP 1999 (Stcrt 1999, 36) is de export door het Nederlandse bedrijfsleven naar andere dan hoog geïndustrialiseerde landen te bevorderen met activiteiten gericht op bilaterale economische samenwerking met deze landen. Het PESP 1999 richt zich uitsluitend op activiteiten in de voorfase van een project, waarbij opdrachten aan Nederlandse bedrijven worden verleend. Senter voert het programma uit. Volgens de begin 2000 afgeronde externe evaluatie functioneert het PESP goed. Om deze reden wordt het budget met ingang van 2000 structureel opgehoogd tot NLG 21 mln.

Evaluatie 98–11 Instrument Programma Economische Samenwerking Projecten

Beknopt resultaat: De faciliteit neemt een duidelijke plaats in het instrumentarium in en is goed bekend bij het bedrijfsleven. De belangstelling voor het PESP, ook bij het MKB, vertoont een stijgende tendens. Azië en de MOE-landen zijn belangrijke bestemmingen. De afgeronde haalbaarheidsstudies genereerden 360 miljoen aan export en hebben tot 75 miljoen aan investeringen geleid. Een belangrijke aanbeveling is om voor het PESP meer en bredere beleidsdoelstellingen te formuleren dan alleen de directe spin-off effecten in termen van export en te trachten deze doelstellingen ook zoveel mogelijk te operationaliseren.

Gebruik: Bezien wordt op welke wijze andere doelstellingen van het PESP kunnen worden geformuleerd en gemonitord. Hierbij wordt gedacht aan indirecte spin-off, investeringen en bilaterale samenwerkingseffecten.

Evaluatie en beleidsondersteuning; budget NLG 2,0 mln

Met ingang van 2000 zijn Beleidsonderbouwende en Economische Samenwerkingsactiviteiten (BSA) en Evaluatie en Beleidsondersteuning Midden- en Oost-Europa (EMOE) geïntegreerd in het onderdeel Evaluatie en beleidsondersteuning (EBO). Ten laste van dit onderdeel worden activiteiten gefinancierd op het terrein van onderzoek en advisering ten behoeve van de beleidsvorming op het gebied van de buitenlandse economische betrekkingen, alsmede diverse activiteiten ter stimulering en ondersteuning van internationale economische samenwerking.

Investeringsfaciliteit Opkomende Markten (IFOM); budget NLG 10,0 mln

Het werkingsgebied van de Investeringsfaciliteit richt zich met ingang van 1999 op het Nederlandse MKB dat wil investeren in zowel landen in Midden- en Oost-Europa als andere «opkomende markten», waaronder China, Egypte, India, Indonesië en Zuid-Afrika. Met deze faciliteit die sinds 1992 van kracht is en in 1999 is uitgebreid met de opkomende markten, wordt beoogd de commerciële risico's voor Nederlandse investeerders te verminderen. De Staat stelt zich borg voor achtergestelde leningen aan ondernemingen die in de genoemde landen investeren tot een maximum van NLG 5 mln. Bij eerste suppletore begroting 2000 (Kamerstukken II, 1999–2000, 27 109, nr. 2 blz. 16) is de verhouding tussen reservering en borgstellingsruimte vergroot van 1:1 naar 1:2. De uitvoering van de faciliteit ligt bij de Nationale Investeringsbank (NIB).

Startende exporteurs (PSB 2000); budget NLG 16,0 mln

De grondslag voor het Programma Starters op Buitenlandse markten 2000 (PSB 2000) is de gepubliceerde regeling (Stcrt. 2000, 94). Deze regeling is ontstaan door de samenvoeging medio 2000 van het PSB 1999 (Programma Starters op Buitenlandse markten 1999) en de SEM (Subsidieregeling Exportmedewerker Midden- en kleinbedrijf).

Doel van het PSB 2000 is de drempel voor kleine bedrijven met weinig of geen exportervaring naar buitenlandse markten te verlagen. In het kader van het PSB 2000 kunnen bedrijven samen met een exportconsulent van de Kamer van Koophandel of van een branchevereniging een exportstrategie opstellen. Vervolgens kunnen ze gratis begeleiding en een financiële bijdrage tot 50% van de werkelijke kosten krijgen voor zes verschillende activiteiten die logisch uit de exportstrategie voortvloeien. De bijdragen gelden voor marktverkenning, bezoekprogramma, exportcursus, beursdeelname en presentatiemateriaal en een loonkostensubsidie om een hoger opgeleide exportmedewerker een jaar lang aan de opstelling en/of uitvoering van een concreet exportplan te laten werken. Voor 2001 wordt als streefgetal uitgegaan van 850 exportstrategieën. De regeling wordt door de EVD (beoordeling exportstrategieën, aansturing exportconsulenten) en Senter (uitbetaling subsidies) uitgevoerd. Het PSB 2000 wordt in 2001 geëvalueerd.

Investeringsbevordering en Technische Assistentie (IBTA); budget NLG 21,0 mln

De Kamer is per brief van 20 april 2000 (Kamerstukken II 1999–2000, 23 125, nr. 19) geïnformeerd dat, gelet op de wens te komen tot een verdere stroomlijning van het EZ-buitenlandinstrumentarium én de lopende discussie over het transactieloket, de huidige IBTA-regeling (Stcrt. 1998, 130; Stcrt. 1999, 42) rond de jaarwisseling zal worden beëindigd. Naar verwachting zal er na de zomer 2000 meer duidelijkheid ontstaan over de vorm waarin deze ondersteuning in de toekomst zal worden voortgezet. De Kamer zal hier nader over worden geïnformeerd.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  60 28160 28160 28159 58160 281 
1e suppl. wet 2000  – 701– 781– 3811919 
Mutatie  13 00010 500100400– 300 
Ontwerp-begr. 200133 36640 52872 58070 00060 00060 00060 00060 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100015 14118 39132 93531 76527 22727 22727 22727 227
Waarvan te betalen29 26134 86263 93060 50052 50052 50052 50052 500
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  35 29044 26352 11852 15353 617 
1e suppl. wet 2000  3 391– 2 725– 6 901– 2 078– 1 237 
Mutatie  3 1205 6336 4083 753355 
Ontwerp-begr. 2001 22 11341 80147 17151 62553 82852 73553 175
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 10 03418 96821 40523 42624 42623 93024 130
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
020 PESP 18 95521 00021 000 10 30813 81115 050 43G 11.1
030 Beleidsonderbouwende activiteiten     303   12 11.1
050 Evaluatie & beleidsondersteuning 3 61020002000 2 0872 1412 859 12 11.1
060 Beurzenprogramma Indonesië 2 5882000  1 5702 1121 317 43G 11.1
110 Programma Samenwerking Indonesië 6 5667 500  5 6924 3626 000 43G 11.4
120 Investeringsfaciliteit OM  11 08010 000  11 08010 000 63D 11.4
130 Startende exporteurs 89419 00016 000 4005 3758 737 43D 11.1
140 WTO-trustfund 2 428    1 500928 31 11.1
150 Programma Starters Buitenland 5 487   1 7531 4201 080 31 11.1
160 Investeringsbevordering & technische assistentie  10 00021 000   1 200 62G 11.1
Totaal art 0702 40 52872 58070 000 22 11341 80147 171    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Toevoeging PSB13 00010 000   
2. Overig beleidsmatig niet-relevante mutaties 500100400– 300
Totaal13 00010 500100400– 300

ad 1

Met ingang van 2000 zijn de regelingen PSB en SEM samengevoegd. Vanwege het succes van deze regelingen in 1999 en het naar verwachting structureel hogere beroep op deze regelingen wordt het bedrag met NLG 13 mln respectievelijk NLG 10 mln verhoogd tot NLG 19 mln in 2000 en NLG 16 mln in 2001.

In 2002 is onder andere sprake van een kasmutatie van NLG 7,95 mln. Dit betreft het doorschuiven van ruimte die in 1999 onbesteed bleef (eindejaarsmarge). Het bedrag van NLG 7,95 mln wordt gebruikt voor financiering van de kasgevolgen van de PSB/SEM-toevoeging. De totale eindejaarsmarge bedraagt NLG 17,95 mln. Het resterende gedeelte is aan artikel 07.03 Stimulering exportactiviteiten toegevoegd.

07.03 Stimulering exportactiviteiten

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Met de instrumenten op dit artikel wordt beoogd die exporttransacties te faciliteren waarbij sprake is van concurrentieverstoring door buitenlandse overheidssteun aan buitenlandse concurrenten bij exporttransacties. Daarnaast worden exporttransacties naar Midden en Oost-Europa en opkomende markten gefaciliteerd door het aanbieden van een herverzekeringsmogelijkheid voor transacties waarvoor geen reguliere exportkredietverzekering mogelijk is.

Besluit Subsidies Exportfinancieringsarrangementen (BSE); budget NLG 160,0 mln

Het BSE (Stb. 1997, 615) beoogt exporteurs van goederen te ondersteunen door het aanbieden van financieringsfaciliteiten. Het doel hiervan is deze exporteurs geen concurrentie-achterstand te laten oplopen ten opzichte van buitenlandse concurrenten die van hun overheden vergelijkbare faciliteiten ontvangen. Het BSE is in 1999 geëvalueerd. De Kamer is daar middels een brief van 31 januari 2000 (Kamerstukken II 1999–2000, 26 800 XIII, nr. 44) over geïnformeerd (zie ook de evaluatiebijlage). Naar aanleiding van deze evaluatie zijn twee beleidsconclusies getrokken:

• het creëren van een tijdelijke exportregeling voor de scheepsbouw (EFZ).

• het onderzoeken in hoeverre de reguliere rentesteun van andere landen kan worden gecompenseerd (het onderzoek is nog niet afgerond).

Het BSE bestaat thans uit vier regelingen:

• Exportfinancieringsarrangement lichte matching (MFL, Stcrt. 1997, 245; Stcrt 1998, 249; Stcrt 2000, 105) dat rentesubsidie geeft op matchingbasis als de concurrent gebruik kan maken van een door een buitenlandse overheid gepubliceerde faciliteit;

• Exportfinancieringsarrangement zware matching (MFZ, Stcrt. 1997, 245; Stcrt 1998, 249; Stcrt 2000, 105) geeft eveneens rentesubsidie op matchingbasis als is aangetoond dat sprake is van buitenlandse overheidsgesteunde concurrentie;

• Exportfinancieringsarrangement rente-overbruggingsfaciliteit (ROF; Stcrt. 1997, 245; Stcrt 1998, 249; Stcrt 2000, 105), waarmee zonder bewijslast van buitenlandse overheidsgesteunde concurrentie, rentesubsidie kan worden gegeven tot de in OESO-verband afgesproken minimum rente (Commercial Interest Reference Rate);

• Exportfinancieringsarrangement zeescheepsnieuwbouw (EFZ; Stcrt 2000, 103). De Tweede Kamer is via een brief van 1 mei 2000 (Kamerstukken II, 1999–2000, 26 800 XIII, nr. 53) hierover geïnformeerd. Met deze regeling kan, zonder bewijs van buitenlandse overheidsgesteunde concurrentie, aan de exporteur een subsidie van maximaal 3,5% van het orderbedrag worden verleend. Met ingang van juni 2000 is de scheepsbouw daarom uitgesloten van het Exportfinancieringsarrangement lichte matching en de rente-overbruggingsfaciliteit. Deze regeling is tijdelijk van karakter en loopt vooralsnog tot en met 31 december 2000. Als internationale (EU) besluitvorming over de scheepsbouwsteun daartoe aanleiding geeft, kan de regeling verlengd worden in 2001.

Tenslotte is op dit onderdeel de uitfinanciering van de tot en met 1999 aangegane verplichtingen uit hoofde van het Exportfinancieringsarrangement Indonesië (EFI; Stcrt.1997, 245; Stcrt 1998, 249) opgenomen. Nieuwe verplichtingen worden niet meer aangegaan. Ook uit hoofde van de garantie herverzekering Inpres-8 zullen geen nieuwe verplichtingen meer worden aangegaan.

Voor het BSE is uitgangspunt dat slechts 50% van de toegezegde rentesubsidies daadwerkelijk behoeft te worden uitbetaald. De uitvoering is in handen van Senter.

Kengetallen Besluit Subsidies Exportfinancieringsarrangementen (BSE)*
(Bedragen in verplichtingen x NLG 1 mln)artikel (-sub)Realisatie 1999Raming 2000***Raming 2001***
Ramingskengetallen    
1. Aantallen (= gehonoreerde aanvragen) 193030
2. Bedrag per eenheid (= aanvraag) 4,2112,6672,667
3. Toegelicht begrotingsbedrag (= subsidie)**07.03–01080,00080,00080,000
Doelmatigheidskengetallen    
1. Aantal prestaties (= behandelde aanvragen) 406868
2. Kosten per prestatie 0,01110,00840,0084
3. Aantal prestaties (= dossiers in beheer) 485858
4. Kosten per prestatie 0,0090,00730,0073
5. Toegelicht begrotingsbedrag (= uitvoeringskosten Senter)01.55–0400,8620,9940,994
6. Uitvoerend personeel in fte (= Senter) 4,604,954,95

* Exclusief exportfinancieringsarrangement Indonesië, inclusief exportfinancieringsarrangement zeescheepsnieuwbouw.

** Betreft geraamd kasbeslag in de jaren na het aangaan van de verplichting.

*** Door inwerking treden van de EFZ is de verwachting dat in 2000 meer aanvragen gehonoreerd kunnen worden. Doordat meer aanvragen gehonoreerd worden, stijgt het aantal behandelde aanvragen en dossiers in beheer. Vanwege de hierboven aangegeven wijzigingen kunnen de kengetallen voor 2001 slechts met een groot voorbehoud worden opgenomen. Vooralsnog word er vanuit gegaan dat de EFZ niet doorloopt in 2001. Op basis van het lopende onderzoek naar de mogelijkheid van compensatie van reguliere rentesteun van andere landen is het uitgangspunt dat de kengetallen niet afwijken van de kengetallen voor 2000.

Exportkredietverzekering Opkomende Markten (SENO/GOM); budget NLG 310,0 mln

Onder dit onderdeel zijn twee instrumenten opgenomen. De SENO-faciliteit beoogt de export te bevorderen van Nederlandse kapitaalgoederen naar markten in Midden- en Oost-Europa en andere opkomende markten (i.c. Indonesië), waarop geen reguliere exportkredietverzekering mogelijk is. Om de export van met name kapitaalgoederen naar deze landen toch mogelijk te maken, kunnen deze transacties worden herverzekerd onder de SENO-faciliteit. De aansluiting tussen de Garantiefaciliteit Opkomende Markten (GOM) en het ORET/MILIEV programma van Ontwikkelingssamenwerking (Ontwikkelingsrelevante Exporttransacties/Programma Milieu en Economische Verzelfstandiging) wordt geoptimaliseerd door verhoging van de transactielimiet.

De SENO- en GOM-faciliteit worden uitgevoerd door een 100% dochteronderneming van de Nederlandsche Credietverzekering Maatschappij (NCM) te Amsterdam, in samenwerking met en beheerd door de Stichting Economische Samenwerking Nederland-Opkomende markten (SENO). SENO treedt op als herverzekeraar voor de NCM-dochter. De budgettaire risico's zijn door middel van een interne reserve afgedekt. De hoogte van de benodigde reserve wordt jaarlijks in overeenstemming met de Minister van Financiën bepaald. Basis hierbij vormt de actuele omvang van de reserve en de toegestane verhouding tussen de reserve en de herverzekeringsruimte (SENO 1:3 en GOM 1:1). De wijziging naar 1:3 is in de begroting 2000 verwerkt. De omvang van de reserve was ultimo 1999 NLG 410 mln (328 mln SENO en 82 mln GOM). Hiertegenover stond op dat moment een obligo van ruim NLG 488 mln (SENO NLG 412 mln/GOM NLG 76 mln).

Hieronder zijn enkele indicatoren voor de SENO en de GOM voor 2000 en 2001 weergegeven.

(verplichtingen x NLG 1 mln)
 SENO GOM 
20012000200120002001
Schatting toename obligo*6060100125
Schatting exportvolume5151114142
Verwachte schadebetalingen**55

* De geschatte toename van het obligo (goedkeuringen, dekkingstoezeggingen en polissen) betreft goedgekeurde nieuwe aanvragen. De toename van het obligo voor SENO is mogelijk binnen de toegestane verhouding van 1:3 tussen de reserve en de herverzekeringsruimte. Vanwege de verhouding van 1:1 is voor de GOM een storting in de interne reserve benodigd van NLG 125 mln. Benodigde verplichtingenruimte voor SENO en GOM samen is daarmee NLG 60 mln (toename obligo SENO) + NLG 100 mln (toename obligo GOM) + NLG 100 mln (storting interne reserve GOM) = NLG 260 mln voor 2000 en NLG 60 mln (toename obligo SENO) + NLG 125 mln (toename obligo GOM) + NLG 125 mln (storting interne reserve GOM) = NLG 310 mln voor 2001.

** De schadebetalingen vinden alleen plaats op afgegeven polissen.

Evaluatie 98–6 SENO

Beknopt resultaat: de doelstelling van het instrument, bevordering van de Nederlandse kapitaalgoederenexport naar Oost Europa, wordt behaald; verzekering is hiervoor een geschikt middel. De landen- en sectorspreiding is relatief beperkt. De SENO-faciliteit is voldoende bekend bij de doelgroep, echter MKB maakt beperkt gebruik van de faciliteit. Bepaalde voorwaarden van de faciliteit worden door delen van doelgroep als te strikt ervaren. De uitvoering van SENO en NCM is in het algemeen doeltreffend en de uitvoeringskosten staan in redelijke verhouding tot de geleverde diensten; de schadeontwikkeling is bescheiden. De doorlooptijden van de aanvragen zijn acceptabel.

Gebruik: De beleidsreactie moet nog worden opgesteld.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  205 000205 000205 000205 000205 000 
1e suppl. wet 2000  131 420165 000  
Mutatie  100 000100 00020 000  
Ontwerp-begr. 2001419 858685 701436 420470 000225 000205 000205 000205 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000190 523311 158198 039213 277102 10193 02593 02593 025
Waarvan te betalen202 858266 055191 420210 000125 000115 000115 000115 000
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  146 888133 522128 142123 096120 000 
1e suppl. wet 2000  16 72334 17827 0475 3935 221 
Mutatie  50 00051 95312 930– 2 928– 9 980 
Ontwerp-begr. 2001 197 037213 611219 653168 119125 561115 241117 111
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 89 41196 93299 67476 28956 97752 29453 143
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 BSE 111 839160 000160 000 50 34553 61549 525 31 11.3
020 Levering kapitaalgoederen Argentinië     500   31 11.3
030 Exportfinancieringsarrangement Indonesië 125 00015 000  8 19353 57640 128 31 11.3
040 Garantie herverzekering Inpres 8 273 434   38 499   63D 11.0
050 Garantie exportkredietverzekering Ethiopië         63D 11.0
060 Exportkredietverzekering OM 175 428261 420310 000 99 500106 420130 000 72G 11.1
Totaal art 0703 685 701436 420470 000 197 037213 611219 653    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Toevoeging GOM100 000100 000   
2. Verwerking eindejaarsmarge tbv. GOM  20 000  
Totaal100 000100 00020 000  

ad 1

In verband met het verwachte verhoogde beroep op de Garantiefaciliteit Opkomende Markten (GOM) wordt de verplichtingenraming in 2000 en 2001 opgehoogd met NLG 50 mln voor het aangaan van dekkingstoezeggingen. Op grond van de afspraken bij dit instrument worden bovendien de aangegane verplichtingen volledig afgedekt door middel van een storting in de interne reserve waarvoor een verhoging van zowel verplichtingen- als kasraming met NLG 50 mln nodig is.

ad 2

Betreft de uitdeling van een deel van de bij slotwet 1999 geconstateerde onderschrijding van de uitgavenbegroting 1999 (eindejaarsmarge). De toevoeging van de eindejaarsmarge wordt gebruikt om de verplichtingenraming voor het aangaan van dekkingstoezeggingen voor de GOM met NLG 10 mln te verhogen in verband met het verwachte verhoogde beroep. Daarnaast vindt als gevolg hiervan een storting in de interne reserve plaats van eveneens NLG 10 mln (kas en verplichtingen).

07.04 Bijdrage aan het agentschap EVD

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel wordt de bijdrage aan de EVD (NLG 50,481 mln) geraamd. Die bijdrage is gebaseerd op de jaarlijkse opdrachten aan het agentschap EVD en bevat thans zowel de programma- als de apparaatskosten van het agentschap EVD. De raming op dit artikel wijkt af van de door de EVD geraamde baten in wetsartikel 4. Het verschil tussen beide ramingen wordt voornamelijk veroorzaakt door de instrumentele uitgaven voor Promotionele projecten posten (PPP) en Stichting tot bevordering van de uitvoer (SBU) die niet zijn opgenomen in wetsartikel 4 en wel in dit artikel (ten bedrage van NLG 5,940 mln).

Het EVD-instrumentarium is gericht op versterking en vergemakkelijking van de buitenlandse handel en investeringen van het Nederlandse bedrijfsleven. De opdracht aan de EVD is opgebouwd uit een achttal deelprogramma's. De verbijzondering van de opdracht naar de verschillende deelprogramma's is opgenomen in de toelichting op de agentschapsbegroting (onderdeel D voor de EVD in de Memorie van Toelichting). De begroting van baten en lasten van het agentschap EVD is eveneens daarin opgenomen.

De kerntaak is het actief informeren van Nederlandse bedrijven over buitenlandse markten en het ondersteunen van deze bedrijven bij het selecteren en bewerken van die markten. Daartoe onderhoudt de EVD met behulp van de nieuwste technische mogelijkheden een nationale informatie-infrastructuur ten aanzien van buitenlandse markten. De directe relaties met de posten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken spelen hierbij een belangrijke rol. Deze posten hebben een onmisbare inbreng in de voorbereiding en de uitvoering van een groot deel van de activiteiten van de EVD.

Bovendien ondersteunen de posten ter plekke zelfstandig activiteiten van Nederlandse bedrijven. De EVD voorziet de posten van informatie en instrumenten. De EVD vervult daarbij een spilfunctie: hij schakelt zowel tussen het binnenlandnetwerk (waaronder exportconsulenten van de Kamers van Koophandel, de brancheorganisaties) en het buitenlandnetwerk alsook binnen die netwerken.

Kengetallen EVD
(Bedragen in verplichtingen x NLG 1 mln)Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Deelprogramma 2: Informatie   
Beleidsuitgaven3 8485 055  
Bijdrage cf agentschapsfinanciering  18 965
Ontvangsten derden  1 175
Aantal fte's757581
Informatieverzoeken35 00035 00035 000
Internetsite (unieke gebruikers per dag)5007001 000
Oplage publicaties76 70575 00075 000
    
Deelprogramma 3: Publiciteit buitenland   
Beleidsuitgaven1 3981 790  
Bijdrage cf agentschapsfinanciering  2 360
Aantal fte's557
Internetsites (pageviews per dag)5 5006 5007 500
Oplage publicaties520 000520 000520 000
    
Deelprogramma 4: Voorlichting en Promotie   
Beleidsuitgaven8 96911 800  
Bijdrage cf agentschapsfinanciering  15 865
Ontvangsten derden  1 525
Aantal fte's252529
Aantal projecten136140140
Aantal deelnemers3 4983 5003 600
Aantal branches/thema's454040
    
Deelprogramma 6 Prioriteitslanden/Steunpunten   
Beleidsuitgaven375825 
Bijdrage cf agentschapsfinanciering  1 570
Aantal fte's488
    
Deelprogramma 7 Promotionele projecten posten   
Beleidsuitgaven2 5004 000 
Bijdrage cf agentschapsfinanciering  4 000
Aantal fte's112
    
Doelprogramma 1/5/8: Handelsbemiddeling KvK/PSB/SBU Beleidsuitgaven    
Bijdrage cf agentschapsfinanciering  5 680
    
Niet met activiteiten toegelicht begrotingsbedrag  2 041

Bij de kengetallen wordt in plaats van de bedragen voor beleidsuitgaven aangegeven wat de omvang van de bijdrage is aan de EVD voor de betrokken deelprogramma's in 2001. In die bijdrage is niet meer uitsluitend het beleidsbudget opgenomen, maar worden door de omvorming van de EVD tot een agentschap met ingang van 2001 ook de personele en materiële kosten verantwoord. In de voorliggende jaren werden die geraamd op artikel 01.01 550/560/570. Toelichting deelprogramma 2:

Informatieverzoeken: Het aantal informatieverzoeken in 1999 is in de realisatie hoger dan 35 000. In die hogere telling zijn echter doorverwijzingen binnen de EVD geteld als twee informatieverzoeken. In de toekomst wordt die dubbeltelling eruit gehaald, waardoor er geen reden is het geraamde aantal bij te stellen.

Unieke bezoekers aan de internetsite: De trend is stijgend, zij het minder snel dan aanvankelijk was geraamd. Voor de begroting 1999 werd reeds een bezoekersaantal van 900 per dag geraamd. Nochtans wordt de stijgende trend in de ramingen vastgehouden. Er zijn geen aanwijzingen dat de trend zal ombuigen.

Oplage publicaties: De realisatie van de oplage van de publicaties is hoger dan geraamd door de oplage van de brochure Internationaal Ondernemen. De oplage hiervan in 1999 was 15 000 exemplaren. Voor 2000 wordt een oplage van 20 000 verwacht. De totale raming voor 2001 is gebaseerd op een ongewijzigd publicatiebeleid en bedraagt 75 000. Momenteel wordt onderzoek gedaan naar de informatiebehoefte en het mediagebruik van de bedrijven uit het EVD KlantenInformatie-Systeem en de lezers van het blad Buitenlandse Markten. Doel van het onderzoek is een herziening dan wel bijstelling van het publicatiepakket van de EVD per 1 januari 2001. Dit kan leiden tot een bijstelling van de raming voor 2001.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  27 88127 88127 88127 88127 881 
1e suppl. wet 2000  4 7734 7734 7734 7734 773 
Mutatie  75517 82717 74217 74217 742 
Ontwerp-begr. 20013 47527 17033 40950 48150 39650 39650 39650 396
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10001 57712 32915 16022 90722 86922 86922 86922 869
Waarvan te betalen3 21324 19428 50245 96645 88145 88145 88145 881
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  27 88127 88127 88127 88127 881 
1e suppl. wet 2000  399– 125– 125– 125– 125 
Mutatie  74618 43218 12518 12518 125 
Ontwerp-begr. 2001 24 10729 02646 18845 88145 88145 88145 881
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 10 93913 17120 95920 82020 82020 82020 820
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Versterking posten/Voorl.ichting & Promotie 10 61833 40930 794 9 39827 72626 501 12 11.0
015 Apparaatsgelden   19 687   19 687 11 11.0
020/120 Promotie 14 650   12 6581 300  31 11.1
030 Informatie 1 411   1 560   12 11.1
040 Beleidsontwikkeling, PR 491   491   52 11.1
Totaal art 0704 27 17033 40950 481 24 10729 02646 188    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Van artikel 01.01 Apparaatsgelden EVD 19 68719 60219 60219 602
2. Desaldering met ontvangsten 07.02 – 2 615– 2 615– 2 615– 2 615
3. Uitdeling prijsbijstelling696696696696696
4. Overige beleidsmatige niet-relevante mutatie5959595959
Totaal75517 82717 74217 74217 742

ad 1

Betreft een overheveling van artikel 01.01 Personeel en materieel EVD. Als gevolg van de agentschapsstatus van de EVD met ingang van 2001 geeft het DG BEB één opdracht aan de EVD. Hierin zijn zowel de beleids- als de apparaatsgelden opgenomen. Om deze reden worden de apparaatsgelden met ingang van 2001 overgeheveld naar dit artikel.

ad 2

Ook verdwijnt vanwege de agentschapssituatie de huidige ontvangstenraming van de EVD op artikel 07.02 Ontvangsten EVD. Deze worden met ingang van 2001 verdisconteerd in de opdracht en dus in mindering gebracht op artikel 07.04, zodat op het artikel de netto-bijdrage aan het agentschap EVD is geraamd. De verplichtingenmutatie is groter dan de kasmutatie en de ontvangstenmutatie (NLG 2,223 mln), aangezien op dit artikel wordt verwacht dat 15% van de aangegane verplichtingen niet tot uitgaven leidt.

07.05 Afwikkeling Economische hulp Oost-Europa tot 2000

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn tot en met 1999 de financiële middelen van EZ ten behoeve van de economische hulp aan Middenen Oost-Europa samengebracht. Op dit artikel wordt alleen nog de uitfinanciering van oude verplichtingen op Economische hulp aan Midden- en Oost-Europa verantwoord.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2001404 909934 713  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000183 740424 154  
Waarvan te betalen271 708500 468      
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  145 14597 13860 01919 7513 000 
1e suppl. wet 2000  – 22 932– 24 241– 14 51911 24912000 
Ontwerp-begr. 2001 480 566122 21372 89745 50031 00015 0005 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 218 07155 45833 07920 64714 0676 8072 269
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Programma Samenwerking Oost-Europa 125 770   84 19391 50053 000 31 11.1
020 SENO-faciliteit 746 937   334 494   72G 11.1
030 TRHIO (Herverzekering Investeringen) 5 959       62G 11.1
040 IBTA 17 733   13 83114 00012000 62G 11.1
050 Investeringsfaciliteit M.O.E. 23 375   23 387   63D 11.1
060 GOS Programma     42   31 11.1
110 Multilaterale projecten     10 0697 0006 500 31 11.1
111 OESO CCET/NIS 514   514   11 11.7
120 Trustfunds 6 007   4 8332 400  31 11.1
140 Programma Uitzending Managers NMCP 6 089   5 9226 0131 218 31 11.1
150 Evaluatie en beleidsondersteuning 1 795   1 164750  31 11.1
160 Managementtraining 534   2 117550179 31 11.1
Totaal art 0705 934 713   480 566122 21372 897    

07.07 Economische samenwerking en kennisoverdracht

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn de financiële middelen van EZ ten behoeve van economische samenwerking en kennisoverdracht samengebracht.

Programma Samenwerking Opkomende markten (PSO); budget NLG 131,0 mln

Binnen dit artikel zijn thans het Programma Samenwerking Midden- en Oost-Europa en co-financiering multilaterale projecthulp voor Midden- en Oost-Europa samengevoegd. De reikwijdte van het artikel beperkt zich niet meer tot Midden- en Oost-Europa maar strekt zich ook uit naar andere opkomende markten.

De nauwe inhoudelijke aansluiting met het Programma Samenwerking Opkomende Markten (PSOM) dat onder verantwoordelijkheid van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking valt, blijft gehandhaafd om op deze wijze voor het Nederlandse bedrijfsleven zo veel mogelijk een eenduidig instrument te realiseren. De uitvoering van het PSO en het PSOM ligt bij Senter. Doel is demonstratieprojecten te ontwikkelen gericht op private sectorontwikkeling in opkomende markten. Verder wordt ernaar gestreefd de economische samenwerking met Nederland te bevorderen door middel van investeringen en duurzame exportrelaties. Het initiatief voor projectvoorstellen ligt meestal bij Nederlandse bedrijven. Projectvoorstellen worden ontwikkeld binnen de door middel van Memoranda of Understanding (MoU's) door Nederland en de ontvangende landen overeengekomen prioritaire sectoren en regio's. Daarnaast worden projecten ontwikkeld, gericht op de toetreding tot de Europese Unie (pre-accessie). Deze projecten richten zich op het versterken van economisch gerelateerde departementen en instituten en de implementatie van Europese regelgeving in de kandidaatlidstaten. Tenslotte is het mogelijk multilaterale projecten te financieren. Deze laatste projecten sluiten aan bij de doelstellingen van het PSO en worden beschouwd als een onderdeel van een geïntegreerde Nederlandse inspanning in de ontvangende landen.

Doelmatigheidskengetallen Programma Samenwerking Oost-Europa (incl. Multilaterale projecten)*
(Bedragen in verplichtingen x NLG 1 mln)Artikel (-sub)Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
1. Aantal prestaties (= behandelde projectaanvragen) 166205210
2. Kosten per prestatie 0,0170,0140,014
3. Aantal prestaties (= dossiers) 373380400
4. Kosten per prestatie 0,0180,0220,022
5. Toegelicht begrotingsbedrag (= uitvoeringskosten Senter)01.55–0409,72411,411,8
6. Uitvoerend personeel in fte (= Senter) 44,047,550,0

* De realisatie van 1999 wijkt af van de cijfers in de financiële verantwoording 1999 daar ook de cijfers voor Multilaterale projecten zijn verwerkt in de kengetallen.

Managementassistentie; budget NLG 7,5 mln

Op het onderdeel Managementassistentie worden geraamd het Programma uitzending managers NMCP/EE (PUM), cursussen De Baak Managementcentrum en het Beurzen cum Stage programma Rusland. Het PUM-programma wordt uitgevoerd door de Stichting PUM van het VNO/NCW. De Stichting zendt gepensioneerde en vervroegd uitgetreden managers voor tijdelijke advisering naar bedrijven en non-profit organisaties in Midden- en Oost-Europa. Tevens organiseert de Stichting individuele trainingen voor managers afkomstig uit de geadviseerde bedrijven. De bijdrage bestaat sinds 1992 uit een jaarlijkse doelsubsidie. In het jaar 2001 wordt het PUM geëvalueerd.

De Baak Managementcentrum voert in opdracht van EZ het opleidingsprogramma «From Planned Economy to Dynamic Management» voor jonge managers in Oost-Europese landen uit.

In het kader van het Beurzen cum Stage programma Rusland kunnen Russische managers een beknopte managementcursus doorlopen in combinatie met een stage in een Nederlands bedrijf.

Trustfunds; budget NLG 8,0 mln

Er zijn drie EZ-trustfunds voor Midden- en Oost-Europa: bij de Wereldbank, bij de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) en bij de International Finance Corporation (IFC). Met deze gelden worden Nederlandse consultants ingeschakeld bij de voorbereiding van nieuwe of de rehabilitatie van bestaande projecten, die door deze instellingen kunnen worden gefinancierd.

Evaluatie 99–11 Multilaterale projecten en Trustfunds

Beknopt resultaat: De faciliteiten lijken te hebben bijgedragen aan de doelstelling ten aanzien van het ondersteunen van het transitieproces van planeconomie naar markteconomie van MOE-landen. De middelen zijn veelal additioneel ingezet. De instrumenten hebben met name bijgedragen aan versterking van de positie van Nederlandse consultants in Midden- en Oost-Europa. Door de aanbestedingsregels van de IFI's kon de betrokkenheid van de Nederlandse ondernemingen bij de vervolgfase slechts in een gering aantal gevallen worden gerealiseerd. De onderzochte co-financieringsprojecten waren slechts gedeeltelijk succesvol: ze waren relevant voor het transitieproces, maar de uitvoering werd bemoeilijkt door het hoge ambitieniveau en het gebrek aan enthousiasme bij de counterparts. Bij de twee doelstellingen van de multilaterale hulp adviseert de evaluator één doelstelling (transitie bevorderen of positionering van het Nederlandse bedrijfsleven) primair te laten zijn. De besluitvormingsprocedure kan worden versneld. Ook kan worden overwogen een raamwerk overeenkomst te sluiten met de IFI's met daarin opgenomen landenen sectorspecificaties.

Gebruik: De resultaten van de evaluatie worden in samenhang met de PSO-evaluatie en de stroomlijningsexcercitie meegenomen bij het formuleren van de beleidsreactie. De Kamer zal hierover nader worden geïnformeerd.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  157 500157 500157 500157 500157 500 
1e suppl. wet 2000  – 10 000– 11 500– 11 500– 11 500– 11 500 
Mutatie   500500500500 
Ontwerp-begr. 2001  147 500146 500146 500146 500146 500146 500
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000  66 93366 47966 47966 47966 47966 479
Waarvan te betalen  134 500133 400133 400133 400133 400133 400
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  16 42573 825107 450133 150136 000 
1e suppl. wet 2000  – 575– 17 843– 14 958– 23 895– 25 315 
Mutatie   – 1 888– 988– 42510 025 
Ontwerp-begr. 2001  15 85054 09491 504108 830120 710128 400
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000  7 19224 54741 52349 38554 77658 265
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Programma Samenwerking Opkomende Markten  130 000131 000  5 85040 094 31 11.1
020 Managementtraining en assistentie  7 5007 500   6 000 31 11.1
030 Trustfunds  10 0008 000  10 0008 000 31 11.1
Totaal art 0707  147 500146 500  15 85054 094    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
Overig beleidsmatig niet-relevante mutaties 500500500500
Totaal 500500500500

08.00 WET INVESTERINGSREKENING

08.01 Investeringsbijdragen en -toeslagen

a) De grondslag van het artikel

Eind 1994 is het Fonds Investeringsrekening opgeheven. Sinds 1 januari 1995 worden de uitgaven en ontvangsten uit hoofde van de Wet Investeringsrekening (WIR) geraamd op de EZ-begroting.

De WIR is al geruime tijd geleden afgeschaft. De laatste mogelijkheid om nog resterende WIR-claims te effectueren was het belastingjaar 1999. Mede daardoor zijn de WIR-uitgaven met ingang van 2000 nog slechts beperkt van omvang. Het WIR-dossier kan echter pas worden gesloten als alle aanslagen waarin WIR-verrekeningen zijn begrepen zijn afgehandeld. In het geval van verrekening met de Vennootschapsbelasting kan dat nog tot circa 2006 duren.

De WIR wordt uitgevoerd door de Belastingdienst. Omdat de desbetreffende uitgaven en ontvangsten op de EZ-begroting worden geraamd en verantwoord, dienen verrekende bedragen steeds ten laste c.q. ten gunste van de EZ-begroting te worden gebracht. In geval van resulterende over- of onderschrijdingen en bij tussentijdse aanpassingen van de ramingen wordt de EZ-begroting op grond van de daarover gemaakte afspraken ten laste of ten gunste van de algemene middelen aangepast. De huidige wijze van verantwoording van WIR-registraties heeft dan ook een groot aantal louter boekhoudkundige transacties tot gevolg.

Gezien het aflopende karakter van de regeling, de ontbrekende beleidsmatige relevantie, het beperkte budgettaire belang en de extra werkzaamheden die met de verantwoording van WIR-registraties op de EZ-begroting gepaard gaan, zal de WIR met ingang van 1 januari 2001 niet meer via afzonderlijke begrotingsposten op de EZ-begroting worden verantwoord. Net als andere belastinguitgaven zal de WIR worden verantwoord in bijlage 4 van de Miljoenennota.

De gewijzigde verantwoording van de WIR-registraties heeft geen gevolgen voor de uitvoering van de WIR. De verrekening van uitgaven en ontvangsten uit hoofde van de WIR zal door de Belastingdienst worden gecontinueerd tot alle resterende WIR-claims volledig zijn afgehandeld.

b) De cijfers

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 80 00030 00015 0007 0002 000 
1e suppl. wet 2000 15 000     
Mutatie  – 30 000– 15 000– 7 000– 2 000 
Ontwerp-begr. 2001185 90795 000     
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100084 36143 109     

Economische code: 62D Functionele code: 11.1

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1 000)20002001200220032004
1. Actualisatie raming  5 000 – 1 000
2. Overheveling naar hoofdstuk IX B – 30 000– 20 000– 7 000– 1 000
Totaal – 30 000– 15 000– 7 000– 2 000

ad 1.

Betreft aanpassing van de raming aan het actuele beeld.

ad 2.

Betreft de overgang van de bedragen voor 2001 en volgende jaren naar de belastinguitgaven.

09.00 ENERGIEBELEID

Matrix energie-beleidsinstrumentarium kst-27400-XIII-2-4.gif

Toelichting

De bovenstaande matrix is een schematische weergave van het energie-instrumentarium. Verticaal staan de doelgroepen van het beleid: sectoren die of bij de energievoorziening betrokken zijn (kennisinstellingen, nutsector) of die energie verbruiken (industrie, consumenten). Horizontaal in de matrix staat fasen in de levenscyclus van een technologie of product en aspecten in de bedrijfsvoering waarop de instrumenten met name gericht zijn.

Naast het instrumentarium dat in de EZ-begroting is opgenomen maakt het energiebeleid ook gebruik van regelingen die onder de beleidsverantwoordelijkheid van het ministerie van Financiën vallen. Dat betreft de regeling energiepremies en de fiscale regelingen Regulerende EnergieBelasting (REB), EnergieInvesteringsAftrek (EIA), Willekeurige Afschrijving Milieu-investeringen (VAMIL) en groen beleggen.

Het blok «BSE+» betreft de programma's die grotendeels door Novem en in mindere mate door Senter worden uitgevoerd. Binnen die programma's worden subsidies verstrekt, waarvoor het «Besluit subsidies energieprogramma's» (BSE) de juridische grondslag vormt. Naast subsidies verstrekt Novem ook opdrachten (de «+» in het schema).

Het BSE+ voor 2001 kent de volgende specificatie (in NLG mln):

09.01Lange termijn onderzoek besparingstechnologie 13,6  
 Programma-activiteiten industrie 84,3  
 Programma's woningbouw en diensten 8,0  
 Programma's verkeer en vervoer 8,3 
    
09.02Programma's zon-thermisch 13,4*
 Programma's zon-photovoltaïsch 93,2*
 Programma's windenergie 33,2*
 Programma's EWAB 51,0*
 Programma's warmtepompen 8,6 
 Overige 3,0 
 Totaal316,6 

* Voor deze onderdelen zijn in 2001 meerjarige toezeggingen voorzien.

In dit overzicht zijn de kosten van uitvoering door Novem meegenomen (omdat deze verantwoord worden op hetzelfde artikelsub als het betreffende programma). De kosten van uitvoering door Senter zijn daarentegen niet meegenomen, omdat deze verantwoord worden onder artikel 01.55.

09.01 Energiebesparingtechnologie

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In de Derde Energienota (Kamerstukken II 1995/96, 24 525, nr. 2) is als doelstelling van het energiebesparingsbeleid een verbetering van de energie-efficiency met één derde in de periode 1995–2020 genoemd. De Energiebesparingnota van april 1998 (EZ-98–175) heeft de mogelijkheden van een intensivering van het energiebesparingsbeleid voor de periode tot en met 2010 verkend. Voor de periode tot 2002 zijn deze mogelijkheden concreet ingevuld in het Actieprogramma energiebesparing 1999–2002. Met de uitvoering van het actieprogramma wordt beoogd de jaarlijkse energie-efficiencyverbetering uiteindelijk op circa 2% te brengen. Over de jaren 1990 tot en met 1997 was dit 1,4%.

Op dit begrotingsartikel wordt een deel van de energiebesparingsmaatregelen verantwoord. Het grootste deel van de op dit artikel geraamde verplichtingenruimte wordt besteed in het kader van programmaovereenkomsten met Novem. Deze programma's zijn gebaseerd op een AMvB, het Besluit subsidies energieprogramma's (Stb. 1994, 225).

Zoals in het Actieprogramma energiebesparing is aangegeven wordt een nieuw monitoringsysteem ontwikkeld om de effecten van het energiebesparingsbeleid op maatregelenniveau vast te stellen. In de overgang naar het nieuwe systeem zijn geen nieuwe gegevens beschikbaar.

Met ingang van het begrotingsjaar 2001 wordt een gedeelte van het energiebesparingsbeleid op de EZ-begroting, inclusief bijbehorende beleids- en monitorverantwoordelijkheid, overgeheveld naar de ministeries van VROM en LNV. Deze ministeries kunnen een grotere beleidsintegratie tot stand brengen bij de ontvangende partijen. Bovendien is de interactie van deze ministeries met de doelgroep intensiever, waardoor het bereik groter is. Dit wordt hierna op het desbetreffende onderdeel nader toegelicht.

Lange-termijn onderzoek besparingstechnologie; budget NLG 13,6 mln

Het Novem-programma NECST (Nieuwe Energie Conversie Systemen en Technologieën) komt ten laste van dit onderdeel. NECST richt zich op de ontwikkeling van nieuwe technologieën voor energieopwekking en verkent mogelijke toekomstige ontwikkelingen van het energievoorzieningsysteem. Voorts wordt vanuit dit onderdeel ander onderzoek gestimuleerd dat nodig is vanwege liberalisering van de energiesector, opkomen van nieuwe R&D thema's en versterking van de lange termijn focus van het energieonderzoek. Het gaat hierbij onder meer om onderzoeksprogramma's en -projecten van aan de energiesector gelieerde kennisinstellingen en ontwikkelingstrajecten die niet in bestaande regelingen of programma's passen.

Programma-activiteiten industrie; budget NLG 84,3 mln

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de volgende programma-activiteiten gericht op energiebesparing in de industrie:

• activiteiten industriesectoren, waarbij de huidige MJA's en het totstandkomen van nieuwe, tweede generatie MJA's worden begeleid en die energiebesparing bij het industriële MKB stimuleren;

• stimulansen duurzame bedrijventerreinen, gericht op de totstandkoming van duurzame bedrijventerreinen;

In het kader van de stroomlijning van het subsidie-instrumentarium worden enkele programma's industriële energiebesparing gebundeld. Het betreft:

• het tenderprogramma «Netto» (voorheen «News»). Dit programma is gericht op stimulering van technieken voor energie conversie en is momenteel in uitvoering bij Senter.

• het tenderprogramma «Tendem» (voorheen «Tieb»). Dit Novem-programma is gericht op stimulering van demonstratie- en marktintroductieprojecten.

• Het programma «Spirit» (voorheen «Mint»). Dit Novem programma is gericht op stimulering van de ontwikkeling en toepassing van nieuwe energiebesparingstechnieken in de industrie.

Als gevolg van de internalisatie van het energiebesparingsbeleid (de overheveling van taken op het gebied van energiebesparing naar andere ministeries) zal het ministerie van LNV met ingang van 2001 verantwoordelijk worden voor het specifieke energiebesparingsbeleid in de voedings- en genotmiddelenindustrie (MJA's). Ten laste van dit onderdeel komen nog wel de uitgaven van in het verleden afgesloten opdrachten.

Daarnaast komen onder meer ten laste van dit onderdeel de kosten van het Verificatiebureau Benchmarking, dat als onafhankelijke instantie een aantal in het convenant Benchmarken omschreven specifieke taken verricht.

Subsidieregeling Energie-efficiency- en Milieuadviezen Schoner Produceren; budget NLG 2,6 mln

De regeling Energie-efficiency- en Milieuadviezen maakt deel uit van het door EZ en VROM geïnitieerde programma Schoner Produceren. Binnen deze regeling kan het midden- en kleinbedrijf subsidie krijgen voor adviezen over maatregelen ter verbetering van de energie-efficiency en vermindering van de milieubelasting.

Nieuwe energie-efficiënte transformatie, transmissie en opslag (NETTO)

Het demonstratie- en marktintroductieprogramma NETTO stimuleert de toepassing van energie-efficiënte transformatie-, transmissie- en opslagtechnieken. Ten laste van dit onderdeel komen de uitgaven op in het verleden aangegane verplichtingen. Senter voert het programma uit.

Programma's woningbouw en diensten; budget NLG 8,0 mln

Ten laste van dit onderdeel komt onder meer het programma Apparaten, alsmede de uitgaven aan in het verleden afgesloten programma's ter stimulering van energiebesparing in de gebouwde omgeving.

Subsidiëring van energiebesparingprojecten in deze sector vindt met ingang van 2001 niet langer plaats op basis van de BSE, maar binnen de subsidiestelsels van het verantwoordelijke ministerie, in casu VROM. Dit is het gevolg van de internalisatie van het energiebesparingsbeleid (de overheveling van taken op het gebied van energiebesparing naar andere ministeries).

Programma's verkeer en vervoer; budget NLG 8,3 mln

De programma's voor verkeer en vervoer zijn de Novemprogramma's «Energiebesparing in Transport» (EBIT) en «Rationeel energieverbruik in verkeer en vervoer» (REV). EBIT richt zich op het verminderen van de vraag naar transport van personen en goederen, met name door middel van meerjarenafspraken en ruimtelijke ordening. In REV is gericht op voertuig- en brandstoftechnologie.

Programma's agrarische sector

Ten laste van dit onderdeel komen de uitgaven aan in het verleden afgesloten programma's ter stimulering van energiebesparing in de agrarische sector.

Subsidiëring van energiebesparingprojecten in de agrarische sector vindt met ingang van 2001 niet langer plaats op basis van de BSE, maar binnen de subsidiestelsels van het verantwoordelijke ministerie, in casu LNV. Dit is het gevolg van de internalisatie van het energiebesparingsbeleid (de overheveling van taken op het gebied van energiebesparing naar andere ministeries).

Non-profit-regeling ; budget NLG 47,8 mln

Omdat de regeling voor de energie-investeringsaftrek (EIA) een fiscale regeling is, kan de non-profitsector geen gebruik maken van deze regeling. Om dit nadeel op te heffen is de Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (EINP) in het leven geroepen. Ook deze regeling stimuleert energiebesparing en inzet van duurzame energie en sluit zoveel mogelijk aan bij de EIA. De hoogte van de subsidie is afgestemd op het netto voordeel dat een ondernemer heeft bij gebruik van de EIA. Senter voert beide regelingen uit.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  159 099196 347195 947201 647201 647 
1e suppl. wet 2000  17 000     
Mutatie  – 3 989– 31 755– 21 755– 22 955– 22 955 
Ontwerp-begr. 2001288 446375 745172 110164 592174 192178 692178 692178 692
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000130 891170 50678 10074 68979 04581 08781 08781 087
Waarvan te betalen284 340372 433165 740157 716165 622172 123173 063173 062
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 219 491217 768242 754219 072207 041 
1e suppl. wet 2000 – 5 686– 100– 1 460– 9001 520 
Mutatie – 24 904– 6 975– 28 376168– 18 093 
Ontwerp-begr. 2001148 404188 901210 693212 918218 340190 468174 850
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100067 34385 72095 60896 61899 07886 43179 343

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
030 LT onderzoek besp. techn. 35 62017 81013 590 18 71121 85718 352 43Z 09.01
110 Programma's industrie 132 48756 42472 943 51 79260 96573 476 62D 09.0
120 Tenders energiebesparing     3 2505 6325 372 62D 09.0
130 Stimulering E&M-adviezen  2 6002 600 2 9348461 688 43Z 09.0
140 NEWS 3019 33311 333 3 4096 8489 958 62D 09.0
150 Nieuwe technieken     42   62D 09.0
210 Progr. woningb.& diensten 149 96911 6718 004 42 09241 91541 491 62D 09.0
230 Prog. verkeer en vervoer 4 5058 3208 345 9 46610 44910 943 62D 09.0
240 Prog. agrarische sector 17 1438 175  5 23210 8967 446 62D 09.0
250 Non-profit reg. E-invest. 35 99147 77747 777 11 47629 49341 967 62D 09.1
Totaal art 0901 375 745172 110164 592 148 404188 901210 693    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Internalisering gebouwde omgeving naar VROM – 32 092– 22 092– 22 092– 22 092
2. Energie Investeringsregeling Non-Profit11 11111 11111 11111 11111 111
3. Internalisering agrarische sector naar LNV – 6 920– 6 920– 8 120– 8 120
4. Internalisering voedings- en genotmidd. naar LNV – 3 754– 3 754– 3 754– 3 754
5. Naar 02.02–800 BTS– 15 000    
6. Naar 01.01 ECD voor werkzaamheden WET– 100– 100– 100– 100– 100
Totaal– 3 989– 31 755– 21 755– 22 955– 22 955

ad 1:

Het betreft de overheveling (budgettair en beleidsinhoudelijk) naar VROM van het energiebesparingsbeleid voor de gebouwde omgeving. Het gaat om diverse programma's zoals Loreen, Optimale EnergieInfrastructuur (OEI), Woningbouw, en Lange termijn gebouwde omgeving (LTGO).

ad 2:

Vanwege een toegenomen beroep op de Energie Investeringsaftrek Non-Profit (EINP) wordt het budget verhoogd.

ad 3:

Het betreft de overheveling (budgettair en beleidsinhoudelijk) naar LNV van het energiebesparingsbeleid voor de primaire landbouw. Het gaat om het Novem-programma Agrarische Sector.

ad 4:

Het betreft de overheveling (budgettair en beleidsinhoudelijk) naar LNV van het energiebesparingsbeleid voor de voedings- en genotmiddelensectoren (MJA's).

ad 5:

Gelet op de hoge kwaliteit van de projecten en het hoge aandeel energie-projecten bij de BTS-regeling wordt voorgesteld budget over te hevelen naar artikel 02.02 Specifieke bedrijfsgerichte technologiestimulering.

09.02 Duurzame energie

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Doelstelling van het beleid ter bevordering van duurzame energie is een aandeel van 10% duurzame energie in 2020 (als tussendoelstelling is een aandeel van 5% in 2010 geformuleerd in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (Kamerstukken II 1998/99, 26 603, nr. 2)). Het beleid is met name gebaseerd op de Derde Energienota (Kamerstukken II 1995/96, 24 525, nr. 2) en het Actieprogramma Duurzame energie in opmars (Kamerstukken II 1996/97, 25 276, nr. 1). Voor het bereiken van de doelstelling worden velerlei maatregelen genomen. Een deel hiervan valt onder dit begrotingsartikel.

De volgende tabel geeft een overzicht van de realisatie van duurzame energie in de jaren 1990 tot en met 1999:

Realisatie (1990–1999) duurzame energie (bijdrage in PJ*) en doelstelling 2000
 1990199519981999
Waterkracht0,70,70,90,7
Windenergie0,52,65,35,3
Zon-PV00,010,030,05
Zon-thermisch0,10,20,30,4
Warmtepompenp.m.0,10,20,2
Warmte/koude opslag0,010,10,30,5
Energie uit afval en biomassa17,518,726,428,1
– Energie uit afval6,45,611,512,1
– Energie uit biomassa11,113,114,916,0
Totaal19223335
Aandeel van totale energievoorziening0,7%0,8%1,1%1,2%
Aandeel elektriciteit  2,2% 

* Vermeden primaire energie (PJ) door duurzame energie berekend conform de methodiek van het Protocol Monitoring Duurzame Energie en volgens de in de Voortgangsrapportage Duurzame Energie herziene definitie. De herziene definitie leidt tot een nieuwe rekenwijze en tot verschillen met de cijfers in de begroting 2000. Met name het verschil op het onderdeel «Energie uit afval en biomassa» springt in het oog.

Toelichting:

Door een aanpassing van de definitie van duurzame energie in 1999 zijn de doelstellingen voor de jaren 2000, 2010 en 2020 nog niet in PJ's uit te drukken. Deze cijfers zijn pas volgend jaar beschikbaar. Wel zijn er relatieve doelstellingen te noemen: voor 2000 een aandeel duurzame energie in de totale energievoorziening van 3%, voor 2010 van 5% en voor 2020 van 10%.

Het grootste deel van de op dit artikel geraamde verplichtingenruimte wordt besteed in het kader van programmaovereenkomsten met Novem. Deze programma's zijn gebaseerd op een AMvB, het Besluit subsidies energieprogramma's (Stb. 1994, 225).

Programma's zon-thermisch; budget NLG 13,4 mln

De programma's zon-thermisch zijn voor de korte termijn gericht op de totstandkoming van een zonneboiler met een zodanig lage prijs dat deze in grote getale wordt gekocht en geplaatst zonder de stimulans van een subsidie. Daartoe is in 1999 een nieuwe meerjarenafspraak tussen EZ, VROM, de zonneboilerfabrikanten, Novem, EnergieNed, Holland Solar, Stichting Promo Zonneboiler, VNI en een aantal energiedistributiebedrijven getekend. Voor de ondersteuning van de meerjarenafspraak is tevens een bijdrage aan onderzoek en ontwikkeling voorzien. Zoals aangegeven in het Actieprogramma Duurzame energie in opmars zijn de inspanningen voor de middellange termijn gericht op het bereiken van een bijdrage van 5 PetaJoule (PJ) zon-thermisch in het jaar 2007.

Programma's zon-photovoltaïsch; budget NLG 93,2 mln

De programma's zon-photovoltaïsch richten zich op de ondersteuning van de directe omzetting van zonlicht in elektriciteit (zon-photovoltaïsch: zon-pv). Deze technologie zal op de langere termijn een belangrijke bron van duurzame energie worden. De toekomstige grootschalige introductie van zon-pv in Nederland vereist een forse onderzoeks- en ontwikkelingsinspanning, in samenspraak met de industrie. Hiertoe is tussen de meest betrokken partijen (overheid, industrie, bouwwereld, ECN, milieu-organisaties en energiebedrijven) een convenant gesloten. Ter ondersteuning van deze technologie voert Novem het programma zon-pv uit. De doelstelling voor het jaar 2000 van het pv-convenant is dat tenminste 3000 woningen en gebouwen in een belangrijk deel van hun electriciteitsbehoefte voorzien door zonnestroom. Deze doelstelling is inmiddels gehaald. Momenteel wordt onderhandeld over een nieuw pv-convenant met een aanzienlijk hogere doelstelling. Parallel aan de op Nederland gerichte toepassingen, stemt een groot aantal partijen in een strategieplatform zijn exportgerichte activiteiten op elkaar af.

Programma's wind; budget NLG 33,2 mln

Het programma Toepassing Windenergie in Nederland (TWIN) versterkt het onderzoeks- en ontwikkelingswerk voor windenergie. Dat richt zich enerzijds op demonstraties van nieuwe concepten en prototypen, anderzijds op onderzoek naar near- en off-shore toepassingen. De planologische inpassing van windturbines blijft de nodige inspanningen vragen. Verder komen de uitvoeringskosten van Novem, ter afwikkeling van tot en met 1995 toegezegde subsidies voor investeringen in windturbines, alsmede de uitvoeringskosten van het EINP-winddeel ten laste van dit onderdeel.

Medio 2000 was circa 440 MW windenergievermogen geplaatst. De beoogde 1000 MW zal waarschijnlijk rond 2003 gehaald worden.

Programma EnergieWinning uit Afval en Biomassa (EWAB); budget NLG 51,0 mln

Het EWAB-programma ondersteunt onderzoeks- en ontwikkelingswerk, haalbaarheidsstudies en demonstratieprojecten gericht op de stimulering en verbetering van (mee)verbranding en vergassing van afval en biomassa voor elektriciteitsopwekking en andere vormen van nuttig toepasbare energie. In 1999 is met Novem een Meerjarenprogramma voor de periode 1999–2002 afgesloten. Parallel daaraan is eveneens een programmaovereenkomst met een looptijd van twee jaar afgesloten.

Het programma kent een drietal hoofdlijnen:

1. Beschikbaarheid van brandstoffen, waarbij ernaar gestreefd wordt het aanbod van biomassa te vergroten en waarbij het accent ligt op demonstraties.

2 Brandstofconversie: centraal staan hier de verdere ontwikkeling en kostenreductie van technieken die biomassa omzetten in finale energiedragers.

3. Marktintroductie: doel is hier om via marktbeïnvloeding een versnelling te realiseren van de inzet van biomassa.

De bijdrage van biomassa aan de duurzame energiedoelstelling bedroeg in 1999 circa 28 PJ, dit betekent ongeveer 80% van de totaal opgewekte hoeveelheid duurzame energie in 1999.

Warmtepompen; budget NLG 8,6 mln

Op dit onderdeel worden de middelen geraamd voor onderzoek, ontwikkeling, demonstratie en introductie van warmtepompen en warmtepompboilers. Doel is, om op grotere schaal de introductie van warmtepompen en warmtepompboilers op de markt mogelijk te maken. Voor een deel van de hierop gerichte activiteiten is in 2000 een tweejarig programma opgestart.

Evaluatie 98–5 Instrument: Novemprogramma Warmtevoorziening

Beknopt resultaat:

• In drie van de vier hoofdlijnen worden de doelstellingen bereikt. Omdat de groei ontoereikend lijkt ontstaat in komende jaren echter een achterstand;

• Operationele doelen op jaarbasis ontbreken. Uit de beperkte groei, het ontbreken van doelen op jaarbasis en de onvrede van marktpartijen over keuze en uitvoering van activiteiten wordt geconcludeerd dat doelstellingen op programmaniveau slechts zeer beperkt zijn gehaald.

• Meer en betere samenwerking met marktpartijen had tot beter resultaten geleid. Communicatie met marktpartijen is het grootste gemis van het programma geweest.

• Een breed, zelfstandig programma voor warmtepompen (eigen gezicht) verdient de voorkeur; dit gekoppeld aan een intensieve wisselwerking met andere programma's (NECST, LTS, LTGO).

• Het budget was afgelopen jaren relatief laag.

Gebruik: De evaluatieresultaten zijn betrokken bij het opstellen van een meerjarenprogramma Warmtepompen. Vóór het opstellen is aandacht geschonken aan het consulteren van marktpartijen. Voor warmtepompen in de woningbouw is samenwerking met marktpartijen gezocht door het sluiten van een convenant (12 april 2000) met daarin naast doelstellingen voor techniek en marktintroductie een doelstelling voor demonstratieprojecten.

Stimulering zonneboilers

Voor stimulering van zonneboilers en andere actieve zonthermische systemen is voor 2001 geen verplichtingenbudget gereserveerd. Dit is in lijn met het voornemen om de Subsidieregeling Actieve zonthermische systemen 1998 per 2001 te beëindigen, zoals afgesproken met de partijen in het convenant zonneboilers. Bezien wordt of er in de komende jaren voor zonneboilers een stimuleringsbehoefte zal zijn en – zo ja – hoe eventuele stimulering vormgegeven kan worden.

Non-profit-regeling windenergie; budget NLG 7,5 mln

Particuliere ondernemers zijnde geen NV of BV (met name agrariërs, een belangrijke doelgroep voor de ontwikkeling van windenergie) kunnen bij investeringen in windturbines geen gebruik maken van de VAMIL-regeling (Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving milieu-investeringen) en/of de EIA-regeling (Energie-investeringsaftrekregeling voor de profit sector). Voor de genoemde doelgroep is met ingang van 1997 de Non-profit-regeling windenergie in het leven geroepen. De faciliteit is een onderdeel van de Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (EINP) en wordt uitgevoerd door Novem.

Projectbureau duurzame energie en overige uitgaven; budget NLG 5,0 mln

Ten laste van dit onderdeel komt de EZ-bijdrage aan het projectbureau Duurzame Energie (PDE). Voorts worden hier ook geraamd kosten van de Novem programma's Duurzame Energie en Programma-ontwikkeling en Internationale Zaken, alsmede van overige activiteiten die bijdragen aan de realisering van doelstellingen van het Actieprogramma Duurzame energie in opmars.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  38 469131 286131 286133 202133 202 
1e suppl. wet 2000  – 1 000     
Mutatie  13 22080 626– 96 186– 780– 780 
Ontwerp-begr. 2001163 271209 40250 689211 91235 100132 422132 422132 422
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100074 08995 02223 00296 16115 92860 09060 09060 090
Waarvan te betalen163 271209 12550 049211 62034 350131 672131 672131 672

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  93 587124 692140 034142 340138 316 
1e suppl. wet 2000  – 1 000     
Mutatie  2 989– 3 963– 3 6102 740654 
Ontwerp-begr. 2001 60 68895 576120 729136 424145 080138 970138 389
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 27 53943 37054 78461 90765 83463 06262 798

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
110 Zon-thermisch 6 8856 50013 416 5 5858 6529 078 43Z 09.01
120 Zon photovoltaisch 92 548 93 176 16 02932 19546 126 43Z 09.01
130 Windenergie 31 428 33 226 13 71520 67620 423 43Z 09.01
140 Biomassa en afval 49 174 50 994 11 07316 60719 998 43D 09.01
150 Warmtepompen 9 00520 6008 600 6 8965 6558 614 62D 09.0
210 Stimulering zonneboilers 4 5368 000  2 9494 0874 302 62D 09.0
220 E-Inv. Wind non profit  7 5007 500  2 0763 857 62D 09.1
310 Proj. Duurzame Energie 15 8268 0895 000 4 4415 6288 331 43Z 09.0
Totaal art 0902 209 40250 689211 912 60 68895 576120 729    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Verschuiving voor meerjarencommiteringen Novem 95 406– 95 406   
2. Verschuiving voor meerjarencommiteringen Novem14 000– 14 000   
3. Overhevelingen binnen het artikel
4. Naar 09.05 voor windonderzoek ECN– 780– 780– 780– 780– 780
Totaal13 22080 626– 96 186– 780– 780

ad 1:

Er wordt verplichtingenruimte naar voren gehaald uit het jaar 2002 om reeds in 2001 voor de Novem-programma's zon-photovoltaïsch, zon-thermisch, windenergie en energiewinning uit afval en biomassa (EWAB) een tweejarige verplichting aan te kunnen gaan.

ad 2:

Er wordt verplichtingenruimte naar voren gehaald uit het jaar 2001 om reeds in 2000 het Novem-programma warmtepompen voor twee jaar (2000 en 2001) te kunnen commiteren.

ad 3:

In het kader van de duurzame energie-impuls wordt structureel NLG 16 mln extra besteed aan warmtepompen en -toepassingen. Als gevolg hiervan wordt de raming voor het Projectbureau Duurzame Energie en overige kosten met NLG 7 mln verlaagd en worden de ramingen voor zon-photovoltaïsch en voor EWAB beiden met NLG 4,5 mln verlaagd.

09.03 Energievoorzieningsonderzoek

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de activiteiten op het gebied van energievoorzieningonderzoek geraamd.

Hoge Flux Reactor (HFR)

Op dit onderdeel wordt de Nederlandse bijdrage geraamd aan het aanvullende Euratomprogramma voor de exploitatie van de Hoge Flux Reactor te Petten. Het programma draagt via ontwikkeling van nucleaire geneeskunde bij aan de bescherming van de volksgezondheid en via onderzoek bij aan het veilig gebruik van kernenergie. Daarbij gaat het in concreto onder meer om de behandeling van nucleair afval, de brandstofvoorziening van bestaande en nieuwe reactoren en materialen voor nucleaire en niet-nucleaire toepassingen. In 2000 is de Nederlandse bijdrage voor een nieuwe periode van vier jaar (2000 tot en met 2003) toegezegd voor een totaalbedrag van NLG 75 mln.

Evaluatie 99–31 Instrument: Hoge Flux Reactor (HFR)

Beknopt resultaat:

• de HFR heeft een positief economisch effect voor Nederland;

• de HFR maakt het ECN/NRG mogelijk een goede invulling te geven aan haar taken en de productie van isotopen heeft de financiële exploitatie vergemakkelijkt en tevens de basis gevormd voor aanzienlijke activiteiten van bedrijven voor medische isotopen die toepassing vinden in geheel Europa;

• de HFR is hiermee samen met het project waarin een nieuwe wijze van bestraling van specifieke tumoren wordt ontwikkeld (BNCT) een onmisbare schakel voor onderzoek en nucleaire geneeskunde.

Gebruik: Nederland heeft na onderhandeling met de Europese Commissie, waarbij afspraken zijn gemaakt over de aspecten uit de aanbevelingen, vervolgens besloten aan het Aanvullend Onderzoekprogramma 2000–2004 evenals in de vorige periode 75 mln gulden bij te dragen.

Nieuwe elektriciteitstechnologieën; budget NLG 1,4 mln

De gelden die op dit onderdeel geraamd worden, zijn met name bedoeld voor het stimuleren van onderzoek, ontwikkeling en praktijktoepassingen van relevante electriciteitstechnologieën. Het gaat daarbij onder meer om zaken als systeemintegratie en elektromagnetische vermogenstechnieken.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  76 4001 4001 4001 40072 900 
1e suppl. wet 2000  4 200     
Mutatie  – 93     
Ontwerp-begr. 200124 73872480 5071 4001 4001 40072 9001 400
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100011 22632936 53263563563533 081635
Waarvan te betalen23 91172480 5071 4001 4001 40072 9001 400
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  18 92322 20922 18921 95620 472 
1e suppl. wet 2000  59 755– 17 906– 17 906– 17 906– 3 162 
Mutatie  – 1 419– 1 743– 1 828– 1 682– 910 
Ontwerp-begr. 2001 20 08077 2592 5602 4552 36816 40019  720
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 9 11235 0591 1621 1141 0757 4428  949
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
110 Hoge Flux Reactor 65175 000  16 52975 000  43G 09.11
120 Programma's kernenergie 69   3 018964364 12 09.01
130 Nwe electriciteitstechno. 45 5071 400 5331 2952 196 62D 09.1
Totaal art 0903 72480 5071 400 20 08077 2592 560    

09.04 Beleidsondersteuning en overige uitgaven

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden diverse uitgaven voor beleidsondersteuning en de bedragen aan de mijnindustrie geraamd.

Beleidsondersteuning en overige uitgaven; budget NLG 8,9 mln

De voornaamste uitgaven betreffen de kosten van uitvoering van zowel beleidsstudies op het gebied van energie als evaluaties. Daarnaast zijn op dit onderdeel gelden geraamd voor de controle op de naleving van het Benzinebesluit, de bijdrage aan de normalisatiewerkzaamheden op gasgebied van het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI), enkele bijdragen aan internationale organisaties en incidentele uitgaven voor onder meer exportbevordering op energiegebied. Tenslotte worden uitgaven geraamd voor de Mijnraad en de Technische Commissie Bodembeweging (TCBB), zoals vacatiegelden en vergoedingen voor reis- en verblijfkosten van de leden, alsmede vergaderkosten.

Bijdragen aan de mijnindustrie; budget NLG 0,2 mln

De bijdragen aan de mijnindustrie betreffen oude verplichtingen die voortvloeien uit het beheer van de gelden van de drie mijnschade-stichtingen.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  9 1139 1139 1139 1139 113 
Mutatie  50     
Ontwerp-begr. 200112 2908 7609 1639 1139 1139 1139 1139 113
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10005 5773 9754 1584 1354 1354 1354 1354 135
Waarvan te betalen12 2908 7609 1639 1139 1139 1139 1139 113
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  9 60911 61510 0689 1139 113 
1e suppl. wet 2000  25     
Mutatie  1 894– 272– 676323  
Ontwerp-begr. 2001 7 38711 52811 3439 3929 4369 1139 113
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 3 3525 2315 1474 2624 2824 1354 135
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Beleidsondersteuning 8 7608 9638 913 7 38711 31511 143 1 2 09.0
110 Bijdrage mijnindustrie  200200  213200 43D 09.1
Totaal art 0904 8 7609 1639 113 7 38711 52811 343    

09.05 Energieonderzoek Centrum Nederland

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Naar aanleiding van de Nota Kennis in Beweging (Kamerstukken II 1994/95, 24 229, nr. 1) zijn per 1 januari 1997 een nieuwe aansturing en een nieuwe missie van ECN gerealiseerd. Voor zowel de Basisals de ENGINE-financiering is een meerjarenprogramma geformuleerd. In het Samenwerkingsfinancieringsprogramma komt de versterkte interactie tussen vraag en aanbod van kennis tot uiting. Op dit moment wordt er een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de nieuwe aansturing.

Basis- en ENGINE-financiering; budget NLG 33,6 mln

De basis- en ENGINE-financiering stelt ECN in staat onderzoek te verrichten, kennis en kunde op het gebied van duurzame energie, fossiele brandstoffen, nucleaire energie en energie-efficiency te ontwikkelen en beleidsstudies te doen.

Het ENGINE-programma richt zich op langere termijn energieonderzoek ter bevordering van een toekomstig duurzame energiehuishouding en wordt jaarlijks extern beoordeeld door de Programma Advies Raad (PAR). Binnen het Basisprogramma kan ECN naar eigen inzicht activiteiten gericht op kennisopbouw en onderzoek ontplooien. Daarmee kan het instituut zijn positie in de onderzoekswereld versterken.

Samenwerkingsfinanciering; budget NLG 31,9 mln

Het Samenwerkingsprogramma omvat de volgende werkgebieden: duurzame energie, brandstoffen conversie en milieu, nucleaire energie, energie-efficiency en beleidsstudies.

In de projecten werkt ECN samen met het bedrijfsleven en andere relevante partijen, die via cofinanciering ook een financiële bijdrage leveren. Externe beoordelingscommissies (EBC's) beoordelen jaarlijks de verschillende werkgebieden. Voor het Samenwerkingsprogramma is een «Target 2000» voor de mate van cofinanciering gesteld, waarin wordt beoogd dat vanaf het jaar 2000 het aandeel cofinanciering voor het gehele programma gemiddeld 50% bedraagt.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  62 90662 70862 51262 51262 512 
Mutatie  2 7662 7612 7542 7542 754 
Ontwerp-begr. 20011 43562 86565 67265 46965 26665 26665 26665 266
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100065128 52729 80129 70929 61629 61629 61629 616
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  62 91262 71262 51762 51262 512 
Mutatie  4 1622 7612 7552 7542 754 
Ontwerp-begr. 2001 61 31567 07465 47365 27265 26665 26665 266
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 27 82430 43729 71029 61929 61629  61629 616
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Basis- en ENGINEfinanc. 31 84633 65433 550 31 84633 65433 550 43Z 09.01
020 Samenwerkingsfinanciering 31 01932 01831 919 29 46933 42031 923 43Z 09.01
Totaal art 0905 62 86565 67265 469 61 31567 07465 473    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Loon- en prijsbijstelling ECN1 9861 9811 9741 9741 974
2. Van 09.02 voor windonderzoek ECN780780780780780
Totaal2 7662 7612 7542 7542 754

09.06 Doelfinanciering NITG-TNO

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn de middelen voor het Doelfinancieringsprogramma EZ-DGE Geo-onderzoek geraamd. Deze middelen zijn bestemd voor het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen, een onderdeel van de organisatie TNO (NITG-TNO). Het NITG-TNO is in 1997 ontstaan uit samenvoeging van de Rijksgeologische Dienst en het TNO-instituut Grondwater en Geo-Energie (TNO-GG).

Het Doelfinancieringsprogramma richt zich op de instandhouding en verdere ontwikkeling van geowetenschappelijke en daarmee verband houdende technologische kennis. Ook wordt specifiek onderzoek gedaan op beleidsterreinen waarvoor EZ beleidsverantwoordelijkheid draagt.

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 29 50529 38229 25929 25929 259 
Mutatie 1 0251 0211 0161 0161 016 
Ontwerp-begr. 200131 78830 53030 40330 27530 27530 27530 275
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100014 42513 85413 79613 73813 73813  73813 738

Economische code: 31 Functionele code: 11.2

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
Loon- en prijsbijstelling NITG-TNO1 0251 0211 0161 0161 016
Totaal1 0251 0211 0161 0161 016

09.07 CO2-reductie

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In het Nationaal MilieubeleidsPlan-2 is het streven naar een daling met 3% van de CO2-emissies in de periode 1990 tot 2000 vastgelegd. Uit de milieubalans 1990–1995 van het RIVM bleek echter, dat de CO2-emissies nog altijd een stijging vertoonden. Het kabinet heeft daarop besloten tot aanvullende maatregelen in de vorm van een «CO2-reductieplan».

Inmiddels heeft Nederland in het protocol van Kyoto een emissiereductie op zich genomen van 6% voor de periode 2008–2012. Dit komt neer op een reductie van CO2-uitstoot met 250 Mton over de gehele periode (50 Mton per jaar). De helft daarvan wordt nationaal ingevuld (energiebesparing en/of de inzet van duurzame energie en/of schone fossiele brandstoffen) met behulp van het CO2-reductieplan, de andere helft wordt internationaal ingevuld met projecten in het kader van Joint Implementation (JI).

CO2-reductieplan door EZ

Het CO2-reductieplan betreft een samenwerking van de ministeries LNV, VROM, V&W en EZ. Voor dit plan is naar de huidige stand van zaken in totaal NLG 950 mln beschikbaar gesteld via de aanvullende post «Nader te bepalen» op de rijksbegroting. Dit is NLG 50 mln minder dan het bedrag waarvan vorig jaar melding is gemaakt. Deze NLG 50 mln is inmiddels bestemd voor andere broeikasgassen dan uitsluitend CO2. De beschikbare gelden worden – voor wat betreft het EZ-aandeel van het plan – op basis van de voorziene budgettaire behoefte overgeheveld naar de EZ-begroting.

Op dit onderdeel worden de kosten van projecten in het kader van het EZ-aandeel CO2-reductieplan verantwoord. Inmiddels is in totaal circa NLG 330 mln overgeheveld naar de EZ-begroting.

Het EZ-aandeel van het CO2-reductieplan bestaat uit projecten die op basis van een subsidieregeling zijn geselecteerd en enkele losse projecten, waaronder het «wind near shore»-project.

De uitvoering van het EZ- en het VROM-deel van het CO2-reductieplan is in handen van het projectbureau CO2-reductieplan, een samenwerkingsverband tussen Senter en Novem.

Joint Implementation; budget NLG 73,7 mln

Op dit onderdeel worden de middelen geraamd die worden ingezet voor de invulling van de internationale component van de Nederlandse Kyoto-doelstelling. Die invulling richt zich op het (helpen) realiseren van CO2-reductie in de zogenaamde Annex I landen, met name de Midden- en Oosteuropese landen. Het doel is daarmee rechten op reductie te verwerven die goedkoper zijn dan binnenlandse reductie. Over de uitwerking van de instrumenten en de te hanteren regels vindt internationaal overleg plaats. Naar verwachting zal meer duidelijkheid ontstaan tijdens de zesde «Conference of Parties» in het najaar van 2000.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  52 63273 68578 94778 94778 947 
Mutatie  – 17 116 42 10552 42142 105 
Ontwerp-begr. 200119 119303 39135 51673 685121 052131  368121 05278 947
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10008 676137 67316 11633 43754 93159  61254 93135 825
Waarvan te betalen19 11932 77725 20070 000115 000124 800115 00075 000
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 25 00025 00050 00075 00075 000 
1e suppl. wet 2000 32000     
Mutatie – 21 000– 6 2201 2807 54011 040 
Ontwerp-begr. 200119 89636 00018 78051 28082 54086 040105 434
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10009 02816 3368 52223 27037 45539 04347 844
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 CO2-reduktieplan door EZ 303 3919 000  19 89632 000  62D 07.35
020 Joint Implementation  26 51673 685  4 00018 780 62D 07.35
Totaal art 0907 303 39135 51673 685 19 89636 00018 780    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Doorschuiven verplichtingenruimte uit 199926 516     
2. Temporisatie uitvoering Joint Implementation– 52 632 42 10552 42142 105
3. Van aanvullende post voor CO2-reductieplan9 000    
Totaal– 17 166 42 10552 42142 105

ad 1:

De verplichtingenraming 2000 wordt met NLG 26,5 mln verhoogd. Het grootste gedeelte, NLG 22 mln ($10 mln), is benodigd voor deelname aan het Prototype Carbon Fund van de Wereldbank.

ad 2:

De Nederlandse Kyoto-doelstelling voor CO2-reductie wordt voor de helft via buitenlandse maatregelen gerealiseerd, onder meer via Joint Implementation (JI). Implementatie van kosteneffectieve maatregelen heeft een zekere aanloop nodig. Dit geldt overigens niet alleen voor Nederland. Internationaal gezien loopt Nederland voorop als het gaat om opzet van en inspanning voor JI-maatregelen. De aanloop noopt tot temporisering van het verplichtingen- en kasbudget voor JI. De raming van de verplichtingen is aangepast op grond van nieuwe inschattingen van het tempo van de daadwerkelijke uitvoering. Niet gebruikte verplichtingenruimte van voorgaande jaren schuift door naar latere jaren. Tevens zijn de bijbehorende kaseffecten verwerkt.

ad 3:

De verplichtingen- en kasruimte voor het CO2-beleid wordt afhankelijk van de budgettaire behoefte aan de EZ-begroting toegevoegd. Dit gebeurt uit de aanvullende post «Nader te bepalen» op de Rijksbegroting. Voor 2000 wordt nu NLG 9 mln verplichtingenruimte opgevraagd. Zodra inzicht in de kaseffecten bestaat, wordt eveneens kasruimte opgevraagd.

09.12 Garanties energiebeleid

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn de garanties op het gebied van het energiebeleid geraamd, alsmede de eventuele uitgaven die daarmee samenhangen. De diverse garanties worden hieronder nader toegelicht.

Leningen en exploitatiekosten Nederlandse Pijpleidingmaatschappij B.V.; garantieplafond NLG 32,5 mln

De Nederlandse Pijpleidingmaatschappij B.V. (NPM) is opgericht in verband met de aanleg van een pijpleiding tussen het gebied van de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal. De pijpleiding wordt sinds 1982 niet meer gebruikt. Het Rijk (in casu EZ) en de gemeente Amsterdam betalen elk 50% van de uitgaven die sindsdien gemoeid zijn met rente- en aflossingsverplichtingen van leningen en met de exploitatiekosten.

Garantietabel NPM
(Bedragen x NLG1000)1999200020012002200320042005
Garantieplafond32 50032 50032 50032 50032 50032 50032 500
uitstaand risico per 1 januari433272800800800800800
te vervallen garanties– 650       
verleende of te verlenen garanties489528     
uitstaand risico per 31 december272800800800800800800

Leningen Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten (COVA); garantieplafond NLG 1 600,0 mln

De Wet voorraadvorming aardolieprodukten (Stb. 1986, 675) regelt onder meer de nationale voorraadplicht zoals die in internationaal verband geldt. Een gedeelte wordt opgelegd aan voornamelijk de raffinaderijen en de importerende oliehandel en het merendeel aan de Stichting Centraal

Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten (COVA). De omvang van de door COVA aan te houden olievoorraden is voor het laatst vastgesteld op 1 april 1995 (Stcrt. 1995, 77). De exploitatiekosten COVA komen ten laste van artikel 09.21 Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten. De leningen ter financiering van de olievoorraden zijn verstrekt onder staatsgarantie. Er worden geen uitgaven op deze garantie voorzien.

Garantietabel COVA
(Bedragen x NLG1000)1999200020012002200320042005
Garantieplafond1 600 0001 600 0001 600 0001 600 0001 600 0001 600 0001 600 000
uitstaand risico per 1 januari1 285 0001 285 0001 285 0001 285 0001 285 0001 285 0001 285 000
te vervallen garanties        
verleende of te verlenen garanties  
uitstaand risico per 31 december1 285 0001 285 0001 285 0001 285 0001 285 0001 285 0001 285 000

Exploitatiegarantie stadsverwarmingsproject; garantieplafond NLG 22,1 mln

Betreft uitgaven in verband met de aardgasprijsgarantie voor het stadsverwarmingsproject Duiven-Westervoort.

Garantietabel stadsverwarming
(Bedragen x NLG1000)1999200020012002200320042005
uitstaand risico per 1 januari22 10422 10415 80414 00413 30412 60411 904
te vervallen garanties – 6 300– 1 800– 700– 700– 700– 700
uitstaand risico per 31 december22 10415 80414 00413 30412 60411 90411 204

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  
Mutatie  
Ontwerp-begr. 20011 622 538489      
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000736 276222      
Waarvan te betalen20 328489      
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000  5 3355 3355 199   
Mutatie  – 1 063– 351015 294  
Ontwerp-begr. 2001 6514 2725 3005 3005 294  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000 2951 9392 4052 4052 402  
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
010 Leningen NMP 489   651272  63D 09.2
020 Leningen COVA         63D 09.1
140 Garanties stadsverwarming      4 0005 300 63D 09.0
Totaal art 0912 489   6514 2725 300    

c) De toelichting bij de cijfers

De mutatie betreft een actualisatie van verwachte kasuitgaven op verplichtingen die in of voor 1998 zijn aangegaan.

DOORSLUISPOSTEN

09.21 Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de betalingen aan de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) geraamd ter financiering van de exploitatiekosten voor het aanhouden van een noodvoorraad aardolieproducten. Als dekking hiervoor worden voorraadheffingen op aardolieproducten geïnd door het Ministerie van Financiën. Een en ander geschiedt krachtens de Wet Voorraadvorming Aardolieproducten (Stb. 1986, 675).

De raming van deze voorraadheffing is opgenomen bij ontvangstenartikel 09.03 Ontvangsten COVA. Bij dat artikel zijn ook de ramingskengetallen ten aanzien van COVA opgenomen.

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 141 230170 100170 100170 100170 100 
Mutatie  – 25 800– 22 600– 22 600– 22 600 
Ontwerp-begr. 2001136 746141 230144 300147 500147 500147 500147 500
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100062 05364 08765 48066 93366 93366 93366 933

Economische code: 43D Functionele code: 09.1

c) De toelichting bij de cijfers

Omdat zowel het heffingsplichtigvolume als het heffingsbedrag wijzigen, wordt de afdracht van de voorraadheffing aan het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) bijgesteld. De nadere onderbouwing van de raming is opgenomen bij het ontvangstenartikel 09.03 Ontvangsten voorraadheffing in verband met de financiering Stichting COVA.

09.22 Uitkering aan houder certificaten Energiebeheer Nederland B.V.

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de afdrachten door EZ aan N.V. DSM geraamd van dividend van Energiebeheer Nederland B.V. (EBN). N.V. DSM is houder van de certificaten van de EBN-aandelen. Het dividend ontvangt EZ van EBN (zie ontvangstenartikel 09.02).

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 142000140 000137 000137 000138 000 
Mutatie 3 0008 0008 0005 0003 000 
Ontwerp-begr. 2001131 472145 000148 000145 000142000141 000141 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100059 65965 79867 15965 79864 43763 98363 983

Economische code: 27 Functionele code: 09.1

c) De toelichting bij de cijfers

De mutatie betreft het doorsluizen van de verhoogde dividenduitkering EBN naar DSM N.V. Zie tevens ontvangstenartikel 09.02 Uitkering van Energiebeheer Nederland B.V.

AFWIKKELING ENERGIEBELEID TOT 1996

Bij de artikelen 09.31 tot en met 09.35 worden uitgaven geraamd ter afwikkeling van verplichtingen die tot en met 1995 zijn aangegaan. Omdat geen nieuwe verplichtingen geraamd worden is per artikel alleen de aansluitingstabel voor de uitgavenraming vermeld.

09.32 Toepassing energiebesparingtechnologie en duurzame energie

De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 39 59126 13513 7774 67915 040 
Mutatie – 16 041– 7 640– 9 027– 500– 13 040 
Ontwerp-begr. 200155 63523 55018 4954 7504 1792 000 
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100025 24610 6878 3932 1551 896908 
De verdeling naar onderdelen van de uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Uitgaven  Codering
  199920002001 Econ. Funct.
111 Industrie 14 3846 0233 266 62D 09.0
112 Gebouwde omgeving en verv 3 7872 7112 195 62D 09.0
113 Tenderreg. e-besp proj 13 7818 6718 635 62D 09.0
422 Energiebesparingsadviezen 13531  43Z 09.0
426 Invest.in windturbines 5 8026 0464 399 62D 09.2
427 Overige duurzame energie 17 74668  62D 09.0
Totaal art 0932 55 63523 55018 495    

De uitgavenmutatie is het gevolg van een actualisatie van de uitgaven op in het verleden aangegane verplichtingen op diverse onderdelen van dit artikel.

09.33 Onderzoek en ontwikkelingswerk op energiegebied

De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 10 2844 6471 500   
Mutatie – 6661 3301 0281 500  
Ontwerp-begr. 20019 0079 6185 9772 5281 500  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10004 0874 3642 7121 147681  
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 Econ. Funct.
020 Ond. actiniden & r-afval     148   12 07.35
110 Beleidsstudies     3072  12 09.0
210 Ontwikkeling kolenbeleid     637953400 62D 09.1
510 Ond e-besp-tech & duurz e     8 1928 5935 577 43Z 09.01
Totaal art 0933     9 0079 6185 977    

09.35 Investeringssubsidies energiebesparing

De cijfers

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 429     
Mutatie – 429     
Ontwerp-begr. 20011 129      
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000512      

Economische code: 62D Functionele code: 09.0

09.36 Compensatie kernenergie centrale Borssele

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel is de tegemoetkoming geraamd in de kosten (NLG 70 mln) die het verkorten van de bedrijfslengte van de kerncentrale Borssele met zich meebrengt. De Tweede Kamer heeft in 1994 de wens uitgesproken de bedrijfsduur zoals vermeld in het Elektriciteitsplan (1995–2004) te verkorten van 2007 naar 2004.

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19981999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000        
Ontwerp-begr. 200170 000       
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100031 765       
Waarvan te betalen70 000       
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000     70 000 
Ontwerp-begr. 2001     70 000 
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000     31 765 

Economische code: 43D Functionele code: 09.2

2. ONTVANGSTEN

01.00 ALGEMEEN

01.01 Diverse ontvangsten

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel is een raming opgenomen van de ontvangsten die samenhangen met de personeelsuitgaven, zoals restituties van reiskosten en inhoudingen voor pensioenen. Daarnaast worden ontvangsten geraamd uit hoofde van de bijdrageregeling ex artikel 65 van de Elektriciteitswet 1998, alsmede overige ontvangsten die niet onder een specifiek artikel vallen.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 9 1289 0289 0289 0289 028 
Mutatie 2000 100200200200200 
Ontwerp-begr. 20018 8749 2289 2289 2289 2289 2289228
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10004 0274 1874 1874 1874 1874 1874 187
De verdeling naar onderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
  199920002001 Econ. Funct.
010 Div.ontvangsten personeel 5 7665 7505 750 16 11.0
030 Ontvangsten PC-privé 998400400 16 11.0
040 Materieel ministerie 694   16 11.0
400 Commiss.verg./vakatiegeld 243400400 12 11.0
430 Ov.ontv.(buiten)diensten 620738738 12 11.0
500 Ontvangsten NMa 2   47Z 11.1
550 Ontvangsten DTe 5511 9401 940 47Z 11.1
Totaal art 0101 8 8749 2289 228    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Ontvangsten x NLG1000)20002001200220032004
PC-financiering (aflossing leningen)100200200200200
Totaal100200200200200

01.11 Ontvangsten Bureau voor de Industriële Eigendom

a) De grondslag van het artikel

De ontvangsten van het Bureau voor de Industriële Eigendom bestaan, naast enkele incidentele baten, hoofdzakelijk uit ontvangsten krachtens de Rijksoctrooiwet 1910 (gewijzigd Stb. 1995, 52). De hoogte van de verschuldigde taksbedragen is vastgelegd in het Octrooireglement.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 50 07752 07755 07756 07756 077 
Mutatie – 77– 77– 77– 77– 77 
Ontwerp-begr. 200149 93950 00052 00055 00056 00056 00056 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100022 66122 68923 59724 95825 41225 41225 412
De verdeling naar onderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
  199920002001 Econ. Funct.
010 Ontv.Octr.R.+Bur.Warenmerken 48 93150 00052 000 36 11.1
020 Div.ontv.Bur.Ind.Eigendom 1 008   16 11.1
Totaal art 0111 49 93950 00052 000    

01.21 Ontvangsten Centraal Planbureau

a) De grondslag van het artikel

De ontvangsten van het CPB bestaan voor het grootste deel uit ontvangsten vanwege werken in opdracht (andere onderdelen van de Staat). Daarnaast heeft het CPB nog ontvangsten van kleinere omvang uit onder andere de verkoop van publicaties. De tarieven welke in rekening worden gebracht, zijn, afhankelijk van de opdrachtgever, gebaseerd op:

• de Tarieven Handleiding van het Ministerie van Financiën;

• de Algemene Regeling van Tarieven en Voorwaarden van het Ministerie van BuZa;

• Tarieven van de Europese Commissie.

Door het hanteren van bovengenoemde tarieven worden de kosten van het werken in opdracht geacht gedekt te zijn. Ingeval sprake is van substantiële extra kosten ten behoeve van onderzoek door derden (aanschaf databestanden en dergelijke) worden deze apart in rekening gebracht.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 2 83095959595 
1e suppl. wet 2000 30  
Mutatie  2 765  
Ontwerp-begr. 20012 9812 8602 86095959595
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10001 3531 2981 29843434343

Economische code: 16 Functionele code: 01.32

c) De toelichting bij de cijfers

Betreft hogere ontvangsten (en uitgaven, zie uitgavenartikel 01.01 Apparaatsuitgaven EZ) in verband met werken in opdracht door het CPB.

01.31 Ontvangsten Centraal Bureau voor de Statistiek

a) De grondslag van het artikel

De ontvangsten van het CBS bestaan voor het grootste deel uit ontvangsten vanwege werken in opdracht (andere onderdelen van de Staat en derden) en de verkoop van publicaties. Daarnaast is er sprake van diverse ontvangsten, welke voornamelijk incidenteel en/of van kleine omvang zijn. Voor wat betreft het werken in opdracht hanteert het CBS sinds april 1996 de Tarieven Handleiding van het Ministerie van Financiën als basis. Publicaties zijn een bijproduct van de activiteiten van het CBS. Verkoop vindt daarom plaats tegen marginale kosten (repro- en distributiekosten).

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 23 20023 20023 20023 20023 200 
Ontwerp-begr. 200132 19623 20023 20023 20023 20023 2002 3200
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100014 61010 52810 52810 52810 52810 52810 528

Economische code: 16 Functionele code: 01.32

02.00 INDUSTRIEEL EN ALGEMEEN TECHNOLOGIEBELEID

02.02 Ontvangsten technische ontwikkelingskredieten

a) De grondslag van het artikel

De hier geraamde ontvangsten bestaan uit betalingen van rente en aflossingen op in het verleden verstrekte Technische ontwikkelingskredieten (uitgavenartikel 02.09 Speur- en ontwikkelingswerk). De ontvangsten zijn afhankelijk van het succes van het ontwikkelingsproject, het succes van de commercialisatie en de algemene economische ontwikkelingen.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 90 00085 00085 00080 00080 000 
Amendement 25 00025 00025 00025 000  
1e suppl. wet 2000 – 25 000– 25 000– 25 000– 25 000  
Mutatie – 10 000– 5 000– 5 000  
Ontwerp-begr. 2001121 57680 00080 00080 00080 00080 00080 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100055 16936 30236 30236 30236 30236 30236 302

Economische code: 77D Functionele code: 11.3

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Ontvangsten x NLG1000)20002001200220032004
Aanpassing ontvangstenraming– 10 000– 5 000– 5 000  
Totaal– 10 000– 5 000– 5 000  

Actuele informatie geeft aan dat de in de ontwerpbegroting 2000 geraamde ontvangsten zich naar verwachting niet zullen realiseren. Daarom wordt de ontvangstenraming neerwaarts aangepast.

02.04 Diverse ontvangsten technologiebeleid

a) De grondslag van het artikel

Op deze post worden de bijdragen van het Ministerie van OC&W aan het EET-programma geraamd. Zie hiervoor ook de toelichting bij het uitgavenartikel 02.02 Specifieke bedrijfsgerichte technologiestimulering. Daarnaast worden de overige (incidentele) ontvangsten van dit hoofdbeleidsterrein op dit artikel geraamd.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 27 00026 62527 00026 00026 000 
Mutatie 23 06736 955– 1004 7067 660 
Ontwerp-begr. 200139 38750 06763 58026 90030 70633 66026 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100017 87322 71928 85112 20713 93415 27411 798
De verdeling naar onderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
  199920002001 Econ. Funct.
010 Div. Ontv. Technologiebel. 24 17733 50043 500 31 11.3
020 Ontvangsten EET-gelden 15 21016 56720 080 47D 11.1
Totaal art 0204 39 38750 06763 580    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Ontvangsten x NLG1000)20002001200220032004
1. Beeindiging Industriefaciliteit 40 000   
2. Ontvangsten Fokker-boedel30 000    
3. Aanpassing ontvangstenraming– 6 933– 3 045– 1004 7067 660
Totaal23 06736 955– 1004 7067 660

ad 1.

Betreft een ontvangst van de Staat naar aanleiding van de voorgenomen beëindiging van de Industriefaciliteit. De onderhandelingen hierover zijn gestart.

ad 2.

Ontvangst uit de Fokker-boedel na het faillissement van de N.V. Fokker.

ad 3.

Door de aanpassing van de uitgavenraming van EET, moet ook de ontvangstenraming voor de bijdrage van OC&W worden aangepast (gemiddeld 35% van de uitgavenraming).

02.05 Ontvangsten uit het Fonds economische structuurversterking

a) De grondslag van het artikel

De uitgaven die EZ ten behoeve van Fes-projecten verricht, worden periodiek verrekend met het Fes. De hiermee gemoeide ontvangsten worden op dit artikel geraamd. Thans worden ontvangsten ten behoeve van Giga-port (uitgavenartikel 02.13), de regeling EET (uitgavenartikel 02.02) en de intensiveringen in het kader van Kennis & Innovatie (Zie hoofdstuk 4 van het algemene deel van de Memorie van Toelichting) op dit artikel begroot.

De ontvangsten van de projecten HPCN, NOBIS en MARIN worden in 2000 afgesloten.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 49 00050 00053 000  
1e suppl. wet 2000 16 6213 0001 000  
Mutatie  75 00075 00075 00075 000 
Ontwerp-begr. 200154 40465 621128 000129 00075 00075 00065 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100024 68729 77858 08458 53834 03434 03429 496

Economische code: 08 Functionele code: 04.9

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Ontvangsten x NLG1000)20002001200220032004
1. Fes bijdrage Kennis & Innovatie 50 00050 00050 00050 000
2. Voor regeling Experimentele faciliteiten 15 00010 000   
3. Fes bijdrage bedrijventerrein 10 00015 00025 00025 000
Totaal 75 00075 00075 00075 000

ad 1.

Betreft de bijdrage uit het FES voor het Lissabon-pakket op het gebied van kennis en innovatie. Voor een nadere toelichting en een totaaloverzicht van dit kennis/innovatie pakket wordt verwezen naar hoofdstuk vier van het algemene deel van de Memorie van Toelichting.

ad 2.

Om de uitvoering van andere ICES-KIS-projecten te faciliteren, wordt de regeling «Experimentele faciliteiten» opgezet. Met de bijdrage uit het Fes worden investeringen gefinancierd in unieke onderzoeksapparatuur bij nader geselecteerde kennisinstellingen, die deel uitmaken van de Nederlandse publieke kennisinfrastructuur (zie ook uitgavenartikel 02.12 waar de hiermee samenhangende verplichtingen worden toegelicht).

ad 3.

In de vastgestelde begroting 2000 is het amendement Hindriks/Van Walsem (Kamerstukken II 1999–2000, 26 800 XIII, nr. 27) verwerkt. Dit amendement beoogt met een financiële impuls van NLG 100 mln de herstructurering van bedrijventerreinen in de grote steden te stimuleren. De dekking van de kasuitgaven (in het amendement geraamd op jaarlijks NLG 25 mln in de periode 2000 tot en met 2003) zou moeten geschieden uit een overeenkomstige verhoging van de TOK-ontvangsten (op ontvangstenartikel 02.02). Inmiddels is duidelijk geworden dat de hogere TOK-ontvangsten zich naar alle waarschijnlijkheid niet zullen voordoen. Om de impuls toch te kunnen uitvoeren, heeft het kabinet besloten de uitgaven te financieren uit het Fes. De in het Fes gereserveerde bedragen zullen aan de EZ-begroting worden toegevoegd in die jaren waarin de kasuitgaven naar verwachting zullen plaatsvinden.

03.00 INDUSTRIE- EN DIENSTENBELEID

03.03 Ontvangsten uit bijdragen aan de industrie

a) De grondslag van het artikel

Hier worden geraamd winstafdrachten en terugbetalingen door bedrijven op grond van het industriebeleid.

De meeste ontvangsten vloeien voort uit het NedCar dossier. Het betreft de terugbetaling van de renteloze lening van NLG 700 mln, de geraamde opbrengst uit de verkoop van reserveonderdelen en de terugbetaling van de overgenomen lening aan Volvo. Zie tevens de toelichting bij het uitgaven-artikel 03.08.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 33 70028 700103 553265 300156 700 
1e suppl. wet 2000 224 700  
Mutatie 5 000  
Ontwerp-begr. 200184 034263 40028 700103 553265 300156 70022 400
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100038 133119 52613 02346 990120 38871 10710 165

Economische code: 77D Functionele code: 11.3

c) De toelichting bij de cijfers

Betreft de bijdrage van de provincie Zeeland aan KSG. Zie hiervoor ook uitgavenartikel 03.07 Bijdrage aan KSG.

04.00 RUIMTELIJK ECONOMISCH BELEID

04.03 Diverse ontvangsten ruimtelijk economisch beleid

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden diverse incidentele ontvangsten geraamd, zoals verrekeningen van eventueel teveel verstrekte voorschotten en dividenduitkeringen ROM's.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 24 50052 00017 00027 9912 000 
1e suppl. Wet 2000 45 000– 20 000– 15 000– 10 000  
Mutatie 2000  – 30 000  
Ontwerp-begr. 200120 12169 5002 0002 00017 9912 0002 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10009 13131 5389089088 164908908

Economische code: 62C Functionele code: 11.3

c) De toelichting bij de cijfers

De meeropbrengst van de verkoop van de gronden bij het Maastricht Aachen Airport, zoals voorzien bij begroting 2000, wordt, gezien de uiteindelijke bestemming van de gronden, niet gerealiseerd.

05.00 ONDERNEMERSCHAP EN MARKTWERKING

05.01 Ontvangsten uit borgstellingsregelingen

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden ontvangsten uit hoofde van de Kredietregelingen Midden- en Kleinbedrijf (KMKB 1976 en 1985), de Regeling Borgstelling MKB-kredieten (RBMKB 1988) en het Besluit Borgstelling MKB kredieten (BBMKB) geraamd (zie ook toelichting artikel 05.03 Borgstellingsregelingen).

Terugbetaling verliesdeclaraties; NLG 8,8 mln

Op dit onderdeel worden de terugbetalingen op verliesdeclaraties geraamd. De banken zijn verplicht, indien zij een verlies bij EZ hebben gedeclareerd, pogingen in het werk te stellen de vordering van de Staat op de betreffende onderneming/ondernemer te incasseren. De inkomsten betreffen zowel deze opbrengsten als terugstortingen op afgewezen verliesdeclaraties.

Rente BBMKB; NLG 0,2 mln

De raming bestaat uit rente die per saldo wordt ontvangen op de bij de banken aangehouden rekeningen voor verliesdeclaraties.

Provisie verstrekte kredieten; NLG 22,2 mln

Op dit onderdeel worden de provisies geraamd die de banken afdragen over de bij hen uitstaande kredieten, verleend onder de KMKB 1976 en 1985, de RBMKB 1988 en het BBMKB.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 33 80031 20027 45027 45027 450 
Ontwerp-begr. 200134 74633 80031 20027 45027 45027 45027 450
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100015 76715 33814 15812 45612 45612 45612 456
De verdeling naar onderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
  199920002001 Econ. Funct.
010 terugbet. verliesdeclaraties 8 0888 6008 800 63D 11.4
030 rente kmkb 217200200 26 11.4
040 provisie verstrekt krediet 26 44125 00022 200 16 11.4
Totaal art 0501 34 74633 80031 200    

05.12 Opbrengst van casino's

a) De grondslag van het artikel

Het beleid voor de casino's is vastgelegd in de Wet op de Kansspelen (Stb. 1964, 0483) en de daaruit voortvloeiende Beschikking casinospelen 1996 (Stcrt. 1997, 144). De casino's zijn gehouden te functioneren onder zorgvuldig geformuleerde randvoorwaarden. Op de naleving van de gestelde voorschriften wordt toegezien door het College van toezicht op de kansspelen.

Zoals reeds in de begroting 1999 is opgenomen, is er met Holland Casino's een afspraak gemaakt over een gefaseerde verhoging van het eigen vermogen. De verhoging van het eigen vermogen komt ten laste van de ontvangsten in de EZ-begroting. In de ontvangstenramingen is hiermee reeds rekening gehouden.

Ontvangstenartikel 05.12 Opbrengst van casino's
Bedragen x f 1 mln. Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
1. Aantal bezoeken alle casino's (x 1 000)5 0745 3005 700
2. Gemiddelde opbrengst per bezoek*0,0270,0320,034
3a. Totale opbrengst EZ**128,7153,0174,0
3b. Versterking E.V. 9,616,016,0
4. Aantal casino's***101112

* gerelateerd aan netto-bedrijfsresultaat per kalenderjaar;

** a. opbrengst na inhouding ter versterking van het eigen vermogen; de ontvangen bijdragen kunnen afwijken van het netto-bedrijfsresultaat, omdat de afdracht van het 4e kwartaal pas in het volgend kalenderjaar ontvangen wordt;

*** nieuwe vestigingen voorzien in Utrecht (2000) en Enschede (2001).

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 171 000181 000201 000211 000211 000 
1e suppl. wet 2000 – 18 000– 7 000 15 00035 000 
Ontwerp-begr. 2001128 700153 000174 000201 000226 000246 000246 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100058 40269 42878 95891 210102 554111 630111 630

Economische code: 27 Functionele code: 08.3

05.13 Opbrengst afgifte exploitatievergunningen speelautomaten

Op dit artikel worden ontvangsten geraamd die afkomstig zijn van het Nederlands Meetinstituut B.V. (NMi) uit hoofde van titel Va (Speelautomaten) van de Wet op de Kansspelen. De ontvangsten zijn bedoeld ter dekking van de kosten verbonden aan de afgifte van vergunningen en de controle van speelautomaten.

Ontvangstenartikel 05.13 Opbrengst afgifte exploitatievergunningen speelautomaten
 Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
1. Merktekens kansspelautomaten (in aantallen)7 8557 1007 100
2. Tarief kansspelautomaten (x f 1 000,–)0,2900,2900,290
3. Merktekens casino-automaten (in aantallen)1 1021 0001 000
4. Tarief casino-automaten (x f 1 000,–)0,2900,2900,290
5. Merktekens behendigheidsautomaten (in aantallen)3 0045 0005 000
6. Tarief behendigheidsautomaten (x f 1 000,–)0,0250,0250,025
7. Verlening exploitatie vergunningen (in aantallen)691800800
8. Tarief exploitatie vergunningen (x f 1 000,–)1,0001,0001,000
9. Nieuwe exploitatie vergunningen (in aantallen)574040
10. Tarief nieuwe exploitatie vergunningen (x f 1 000,-)5,0005,0005,000
11. Totale opbrengst (x f 1 mln)3,7*3,53,5

* in 1999 ontvangen f 6,5 mln.: f 3,7 mln. (1/1/1999 t/m 30/11/1999) en f 2,8 mln (1998);

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 3 5003 5003 5003 5003 500 
Ontwerp-begr. 20016 5113 5003 5003 5003 5003 5003 500
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10002 9551 5881 5881 5881 5881 5881 588

Economische code: 36 Functionele code: 08.3

05.15 Ontvangsten Nederlands Meetinstituut

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel zijn de rente en aflossing van leningen geraamd.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 2 4502 3522 2542 1562 058 
Ontwerp-begr. 20012 0842 4502 3522 2542 1562 0582 058
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10009461 1121 0671 023978934934
De verdeling naar onderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
  199920002001 Econ. Funct.
010 rente ontvangsten nmi 588490392 26 11.4
020 aflossing van leningen 1 2601 2601 260 77D 11.4
030 dividend nmi 236700700 27 11.4
Totaal art 0515 2 0842 4502 352    

05.21 Diverse ontvangsten Ondernemerschap en Marktwerking

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 3 0003 0003 0003 0003 000 
Ontwerp-begr. 20014173 0003 0003 0003 0003 0003 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10001891 3611 3611 3611 3611 3611 361

Economische code: 16 Functionele code: 11.4

07.00 BUITENLANDSE ECONOMISCHE BETREKKINGEN EN EXPORTBEVORDERING

07.01 Ontvangsten BEB

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de ontvangsten van het DG BEB geraamd. Het gaat daarbij voornamelijk om rente- en premie-ontvangsten op kredieten en garantstellingen.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 4 0793 0003 0003 0003 000 
1e suppl. wet 2000 4 9211 0001 0001 0001 000 
Ontwerp-begr. 2001414 7019 0004 0004 0004 0004 0004 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000188 1834 0841 8151 8151 8151 8151 815
De verdeling naar onderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
  199920002001 Econ. Funct.
010 Ontvangsten gemengde kredieten 1 4171 5001 500 26 11.3
030 Overige ontvangsten BEB 6 3265 0002 500 47G 11.1
040 Ontvangsten uit garanties 406 8012 500  47G 11.1
050 Ontvangsten PSB 157   47G 11.1
Totaal art 0701 414 7019 0004 000    

07.02 Ontvangsten EVD

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 2 2232 2232 2232 2232 223 
Mutatie 2000  – 2 223– 2 223– 2 223– 2 223 
Ontwerp-begr. 20012 8752 223  
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10001 3051 009  

Economische code: 16 Functionele code: 11.1

Specificatie mutatie
(Ontvangsten x NLG 1 000)20002001200220032004
Desaldering met 07.04 – 2 223– 2 223– 2 223– 2 223
Totaal – 2 223– 2 223– 2 223– 2 223

In verband met de vorming van het agentschap EVD met ingang van 1 januari 2001 worden de geraamde ontvangsten in mindering gebracht op de uitgavenraming (zie uitgavenartikel 07.04).

08.00 WET INVESTERINGSREKENING

08.01 Ontvangsten WIR

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de ontvangsten uit hoofde van de Wet Investeringsrekening (WIR) geraamd. Dit betreft zogenaamde «desinvesteringsbetalingen». Deze zijn verschuldigd wanneer investeringsgoederen, waarvoor eerder WIR-premie is ontvangen, binnen de daarvoor gestelde termijn (in de meeste gevallen acht jaar) worden «vervreemd».

Met ingang van 1 januari 2001 zal de verantwoording van de uitgaven en ontvangsten uit hoofde van de WIR plaatsvinden op hoofdstuk IX B (Financiën). In de toelichting bij het uitgavenartikel 08.01 Investeringsbijdragen en -toeslagen is deze wijziging toegelicht. Op deze plaats wordt dan ook volstaan met een verwijzing naar die passages.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 19992000 20012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 10 0004 0001 000  
1e suppl. wet 2000 – 5 000  
Mutatie  – 4 000– 1 000  
Ontwerp-begr. 200131 0015 000    
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100014 0682 269    

Economische code: 62D Functionele code 06.09

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1 000)20002001200220032004
1. Actualisatie raming – 1 000   
2. Overheveling naar hoofdstuk IX B – 3 000– 1 000  
Totaal – 4 000– 1 000  

ad 1.

Betreft aanpassing van de raming aan het actuele beeld.

ad 2.

Betreft de overgang van de bedragen voor 2001 en volgende jaren naar de belastinguitgaven (zie uitgavenartikel 08.01 Investeringsbijdragen en -toeslagen).

09.01 Inkomsten uit aardgas

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de aardgasbaten (exclusief vennootschapsbelasting) geraamd. De raming is afhankelijk van de (prijs)ontwikkelingen op de olie- en valutamarkt, alsmede van mogelijke variaties in de gasafzet. Tevens worden op dit artikel de «common area»-baten verantwoord (onder de posten aardgasbaten via EBN en opbrengsten Mijnwetgeving).

Aardgasbaten MOR Groningen; NLG 2 800 mln

Op dit onderdeel zijn de inkomsten geraamd uit hoofde van de MeerOpbrengstRegeling (MOR) Groningen.

Aardgasbaten via EBN; NLG 2 750 mln

Op dit onderdeel zijn de bijzondere winstafdrachten geraamd van Energie Beheer Nederland B.V. (EBN). Het betreft afdrachten uit hoofde van de deelnemingen van EBN in de olie- en gaswinning.

Opbrengsten Mijnwetgeving; NLG 1 330 mln

Op dit onderdeel zijn de inkomsten geraamd uit hoofde van de Mijnwetgeving en uit hoofde van bepalingen in verleende concessies en vergunningen voor de opsporing en winning van delfstoffen (exclusief zout) op Nederlands territoir, alsmede het Nederlands Continentaal Plat. Deze inkomsten zijn afhankelijk van de olieprijzen, de dollarkoers, de winningkosten en het productievolume. De huidige raming is inclusief de gevolgen van de recente verbetering van het mijnbouwklimaat (Kamerstukken 1999/2000, 26 219, nr. 11).

Dividend Gasunie via EBN; NLG 12 mln

EBN neemt voor 40% deel in het aandelenkapitaal van de N.V. Nederlandse Gasunie. Ingevolge de overeenkomst betreffende het beheer van EBN draagt EBN 15/40-deel van de ontvangen dividenden van de N.V. Nederlandse Gasunie aan de Staat af. Aangezien de dividenduitkering van de N.V. Nederlandse Gasunie is gefixeerd op NLG 80 mln per jaar, resulteert een uitkering door EBN B.V. van NLG 12 mln.

Dividend Gasunie; NLG 8 mln

Dit onderdeel omvat de inkomsten die worden verkregen uit hoofde van het aandelenbezit (10%) van de Staat in de N.V. Nederlandse Gasunie. De gefixeerde dividenduitkering van NLG 80 mln per jaar resulteert in een uitkering aan de Staat van NLG 8 mln per jaar.

Bijdrage aan het Fes; NLG 2 864 mln

Het Fonds economische structuurversterking (Fes) krijgt 41,5% van de totale gasbaten exclusief vennootschapsbelasting. Dit deel van de gasbaten is bij artikel 09.01 zichtbaar gemaakt op het onderdeel 060, Bijdrage aan het Fes.

Kengetallen aardgasraming
 200020012002200320042005
Prijsgegevens      
Dollarkoers2,302,202,052,052,052,05
Olieprijs in dollar per vat26,524,017,517,517,517,5
Hoeveelheidgegevens (mln m3)      
Afzet binnenland37,940,239,640,241,542,5
Afzet export40,440,241,242,643,643,9
 78,380,480,982,785,186,3
       
Ontvangsten aardgasbaten (mld hfl) Niet belastingmiddelen      
– EZ-begroting3,5684,0363,6853,1002,8663,042
– FES2,5322,8642,6152,2002,0342,158
Vennootschapsbelasting2,8003,6003,6002,7002,6002,600
 8,90010,5009,9008,0007,5007,800

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999 2000200120022003 20042005
Ontwerp-begr. 2000 2 836 0002 574 0002 047 0001 930 0001 989 000 
1e suppl. wet 2000 644 000760 000351 000176 000175 000 
Mutatie 2000 292 000702 0001 287 000994 000702 000 
Ontwerp-begr. 20012 773 6613 772 0004 036 0003 685 0003 100 0002 866 0003 042000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10001 258 6321 711 8861 831 4571 672 1801 406 7191 300 5341 380 399
De verdeling naar onderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
  199920002001 Econ. Funct.
010 Aardgasbaten MOR Groning. 1 772 9492 650 0002 800 000 29 09.1
020 Aardgasbaten via EBN BV 1 721 4222 400 0002 750 000 29 09.1
030 Opbrengsten mijnwetgeving  1 234 0001 330 000 29 09.1
031 Winstaandeel 727 940   29 09.1
032 Cijns 201 142   29 09.1
033 Oppervlakte rechten 45 609   29 09.1
034 Verkenningsvergunningen 21   29 09.1
040 Dividend Gasunie via EBN 12 00012 00012 000 27 09.1
050 Dividend Gasunie 8 0008 0008 000 27 09.1
060 Bijdrage aan het FES – 1 715 422– 2 532 000– 2 864 000 29 09.1
Totaal art 0901 2 773 6613 7720004 036 000    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x NLG1000)20002001200220032004
1. Aardgasbaten MOR Groningen150 000500 000900 000600 000500 000
2. Aardgasbaten via EBN200 000650 000900 000700 000500 000
3. Opbrengst Mijnwetgeving150 00050 000400 000400 000200 000
4. Bijdrage aan Fes– 208 000– 498 000– 913 000– 706 000– 498 000
Totaal292 000702 0001 287 000994 000702 000

ad 1 t/m 4: De wijzigingen van de reguliere aardgasbatenraming vloeit voort uit aanpassingen in de koers van de dollar, de olieprijs en de afzet (zie tabel met kengetallen). Van deze aardgasbaten wordt 41,5% uitgekeerd aan het Fonds economische structuurversterking. In deze bedragen zijn de wijzigingen in kader van de verandering van de Mijnbouwwetgeving meegenomen (zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 219, nr. 11).

09.02 Uitkering van Energiebeheer Nederland B.V.

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de dividenden geraamd die Energie Beheer Nederland B.V. (EBN) uitkeert aan de Staat ten behoeve van de N.V. DSM, certificaathouder van de aandelen EBN. De hierop volgende uitkering aan N.V. DSM is verantwoord onder uitgavenartikel 09.22 Uitkering aan houder certificaten Energiebeheer Nederland B.V.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 142 000140 000137 000137 000138 000 
Mutatie 2000 3 0008 0008 0005 0003 000 
Ontwerp-begr. 2001131 472145 000148 000145 000142 000141 000141 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100059 65965 79867 15965 79864 43763 98363 983

Economische code: 27 Functionele code: 09.1

c) De toelichting bij de cijfers

Vanwege de koppeling van de gas- en olieprijzen neemt bij een stijging van de olieprijzen de winst van EBN B.V. toe. Als gevolg hiervan wordt de raming van het uit te keren dividend verhoogd.

09.03 Ontvangsten voorraadheffing in verband met financiering Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de ontvangsten geraamd uit de voorraadheffing die dient ter dekking van de exploitatiekosten van de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (uitgavenartikel 09.21). Deze heffing berust op de Wet voorraadvorming aardolieproducten (Stb. 1986, 675).

Ramingskengetallen ontvangsten COVA
 200020012002200320042005
Heffingsplichtig volume126131134134134134
Tarief1,10/1,351,101,101,101,101,10
Raming (x NLG 1 mln)141,2144,3147,5147,5147,5147,5

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 141 230170 100170 100170 100170 100 
Mutatie 2000  – 25 800– 22 600– 22 600– 22 600 
Ontwerp-begr. 2001136 745141 230144 300147 500147 500147 500147 500
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100062 05264 08765 48066 93366 93366 93366 933

Economische code: 36 Functionele code: 09.1

c) De toelichting bij de cijfers

Doordat in de raming voor de jaren 2001 en later het tarief daalt van 1,35 cent per 1000 liter naar 1,10 cent per 1000 liter, daalt de ontvangstenraming. De uitgaven van deze doorsluispost zijn verantwoord op artikel 09.21.

09.04 Dividend Ultra-Centrifuge Nederland N.V.

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel wordt het dividend geraamd dat wordt ontvangen uit het aandelenbezit van 98,8% van de Staat in Ultra-Centrifuge Nederland N.V. (UCN). De Staat bezit 185 518 stuks aandelen met een nominale waarde van NLG 870 per aandeel.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 45 00045 00025 00025 00025 000 
1e suppl. wet 2000 – 8 800  
Ontwerp-begr. 200136 23036 20045 00025 00025 00025 00025 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR100016 44016 42720 42011 34511 34511 34511 345

Economische code: 27 Functionele code: 09.1

09.05 Ontvangsten zoutwinning

a) De grondslag van het artikel

Betreft de afdrachten van AKZO aan de Staat op grond van de overeenkomst van 13 juli 1918 (laatstelijk gewijzigd per machtiging bij wet van 7 juli 1988, Stb. 372), behorende bij de mijnbouwconcessies voor de winning van zout.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 3 0003 0003 0003 0003 000 
Ontwerp-begr. 20013 3893 0003 0003 0003 0003 0003 000
Ontwerp-begr. 2001 in EUR10001 5381 3611 3611 3611 3611 3611 361

Economische code: 29 Functionele code: 11.2

09.06 Diverse ontvangsten Energie

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de overige ontvangsten in het kader van het energiebeleid geraamd.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1999200020012002200320042005
Ontwerp-begr. 2000 1 2501 2501 2501 2501 250 
Ontwerp-begr. 20011 3611 2501 2501 2501 2501 2501 250
Ontwerp-begr. 2001 in EUR1000618567567567567567567

Economische code: 16 Functionele code: 09.0

D. TOELICHTING BIJ DE AGENTSCHAPSBEGROTINGEN

1. Betreft een toelichting bij de begroting van baten en lasten van het agentschap Senter

Missie

Senter is een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken dat overheidsbeleid uitvoert op het terrein van technologie, energie, milieu, export en internationale samenwerking. Doelstelling bij deze missie is het duurzaam versterken van de positie van bedrijfsleven en kennisinstellingen in ons land.

Strategie en doelstellingen op hoofdlijnen

Om de positie van het bedrijfsleven en de kennisinstellingen in ons land duurzaam te versterken, heeft Senter de volgende vier strategische (middellangetermijn)doelstellingen geformuleerd vanuit het perspectief van de bedrijven en kennisinstellingen, de opdrachtgevers, de eigenaar (Economische Zaken) en de interne organisatie:

1. Het verbeteren van de dienstverlening aan de doelgroep;

2. Het kunnen inspelen op de wensen en doelstellingen van de opdrachtgevers;

3. Het kunnen inspelen op de wensen en doelstellingen van de eigenaar;

4. Het verbeteren van de interne kwaliteit van de primaire processen.

Aan deze doelstellingen heeft Senter een aantal Kritieke Succes Factoren (KSF'en) gekoppeld, zoals klanttevredenheid, voorspelbaarheid, lage uitvoeringskosten, kwaliteit van de uitvoering en deskundig personeel.

De KSF'en (en dus de doelstellingen) worden getoetst aan de hand van meetbare prestatie-indicatoren. Voorbeelden hiervan zijn de doorlooptijden van declaraties, de slaagkans van aanvragen, de tariefontwikkeling, het gemeten foutenpercentage en de opleidingskosten als percentage van de loonkosten.

Producten en diensten

Senter verzorgt voor diverse ministeries en de EU de uitvoering van stimuleringsregelingen en -programma's, zoals subsidie-, krediet- en fiscale regelingen. De uitvoering van een regeling/programma kan bestaan uit juridische vormgeving, communicatie, inhoudelijke beoordeling van subsidie- en kredietaanvragen, administratie, financiën en controle. Als ondernemer kan men bij Senter terecht met verzoeken om een bedrijf of kennisinstelling in binnen- of buitenland te zoeken om mee samen te werken bij de realisatie van innovatieve projecten.

Daarnaast kan Senter haar opdrachtgevers adviseren over de wijze waarop zij hun beleidsdoelen kunnen vertalen in regelingen/programma's. Senter maakt hen wegwijs, adviseert en geeft hen inzicht in de mogelijkheden van financiële ondersteuning bij de realisatie van innovatieve projecten.

Doelgroepen van het overheidsbeleid dat Senter uitvoert, zijn Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen.

RECENTE ONTWIKKELINGEN

Vergroting participatie MKB

De overheid acht het van groot belang dat het MKB meer gebruik maakt van haar stimuleringsprogramma's en -regelingen. Senter streeft naar een grotere bekendheid bij het MKB. Met voor het MKB belangrijke intermediaire organisaties zijn daartoe structurele samenwerkingsverbanden opgezet en worden gezamenlijke voorlichtingsactiviteiten uitgevoerd. Hiertoe behoren MKB Nederland, accountants, Kamers van Koophandel en brancheorganisaties, zoals FME-CWM. Via andere communicatiemiddelen, zoals digitalisering en voorlichting, streeft Senter naar een verhoging van de participatie van het MKB.

Naamsbekendheid via digitale snelweg

Senter blijft initiatieven ontplooien om haar naamsbekendheid en de tevredenheid bij zowel opdrachtgevers als gebruikers van de regelingen te vergroten. Een belangrijk instrument in dit kader vormt de introductie van het elektronisch indienen van aanvragen, waarmee in 2000 een aanvang wordt gemaakt bij de WBSO. In 2001 en 2002 zal dit verder worden uitgebreid voor de andere regelingen die Senter uitvoert. Daarnaast werkt Senter continu aan de verbetering van de functionaliteit van haar website Senterwijzer.

Elektronisering en gevolgen

Senter streeft naar een zo integraal mogelijke elektronische afhandeling van een aanvraag. Naast het elektronisch indienen, betekent dit dat de aanvraag elektronisch wordt beoordeeld en uiteindelijk elektronisch wordt beschikt (goedkeuring of afkeuring).

Naast investeringen in ICT-technologie, leidt dit tot een verandering in de werkprocessen van de Senter-medewerkers.

Verbreding informatieverlening

Om de dienstverlening te vergroten, streeft Senter naar een verdere integratie van de informatieverlening op het gebied van subsidies, kredieten en samenwerkingsprogramma's op nationaal- en internationaal gebied. Ook indien deze door andere organisaties worden uitgevoerd.

Zo zal intensief samengewerkt gaan worden met FMO (Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden). Intern heeft Senter deze informatieverlening geconcentreerd in een Kenniscentrum.

Strategische samenwerking

Strategische samenwerking is van nut om opdrachtgevers beter van dienst te kunnen zijn en markten te bereiken die alleen niet bereikt zouden kunnen worden. Senter zet de instrumentgerichte samenwerking met andere organisaties ook in de toekomst voort en intensiveert deze zo nodig. Senter werkt reeds samen met andere (uitvoerings)organisaties als NOVEM, de Belastingdienst, Syntens, EVD, NWO, Nuffic en KEMA.

Het aangaan van nieuwe samenwerkingsverbanden hangt sterk af van de wensen van de opdrachtgevers, de toegevoegde waarde die de samenwerkingspartners ten opzichte van elkaar hebben, en overwegingen van (politieke) opportuniteit.

Effectmeting

In de maatschappelijke en politieke discussie wordt steeds meer waarde gehecht aan een goede meting van de effecten van (stimulerings-) regelingen in relatie tot van tevoren vastgelegde doelstellingen. Deze informatie, die gericht is op «outcome», geeft inzicht in het bereiken van de beoogde (maatschappelijke) doelstellingen.

Rijksbreed wordt aan deze wensen invulling gegeven door het project «van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording» (VBTB). Ook Senter is via deelname aan de EZ-projectgroep hierbij betrokken.

Daarnaast is het projectteam Beleidsinteractie binnen Senter bezig met de informatie-uitwisseling tussen Senter en haar opdrachtgevers. Beleidsinteractie is primair gericht op het beantwoorden van vragen van beleidsmakers over de opzet, uitvoering en doelmatigheid van hun regelingen en programma's. Ook monitoring en effectmeting van regelingen is één van haar kerntaken.

Huisvesting

In 1999 is het besluit genomen om te verhuizen naar een nieuw kantoorgebouw voor de Haagse vestiging waar gewerkt gaat worden met een modern, flexibel en gedifferentieerd kantoorconcept.

De komende jaren staan in het teken van de voorbereiding van deze verhuizing, die naar verwachting gaat plaatsvinden in 2002.

Als gevolg van de forse groei in de afgelopen jaren loopt de huisvesting van de Zwolse vestiging tegen capaciteitsproblemen aan. Inmiddels is een plan opgezet om deze op te lossen.

DOELMATIGHEID

De doelmatigheid van Senter blijkt primair uit de ontwikkeling van de tarieven en de ontwikkeling van de uitvoeringskosten in relatie tot de volumina per opdracht. Dat laatste is voor de opdrachtgevers van Senter een belangrijk criterium om opdrachten al dan niet aan Senter te gunnen.

Senter heeft als doelstelling geformuleerd een trendmatige verlaging van de reële uitvoeringskosten (gecorrigeerd voor inflatie).

In tabel 1 is de ontwikkeling van de tarieven in de periode 1995–2000 zichtbaar. Hierbij is de nominale stijging van het tarief gecorrigeerd voor effecten die niet als verbetering van de efficiency gezien kunnen worden (wijzingen van de tariefcalculatie en de invoering van de 36-urige werkweek in 1997):

Tabel 1 Ontwikkeling tarieven
JaarTariefInflatie*Reëel
1995– 1.6%2.0%– 3.6%
19960.0%2.0%– 2.0%
19971.2%2.2%– 1.0%
19980.0%2.0%– 2.0%
1999– 2.3%2.2%– 4.5%
2000– 0.8%2.3%– 3.1%

* cijfers CBS consumentenprijsindex alle huishoudens en verwachte inflatie 2000 volgens CPB.

Tot en met 2000 is elk jaar sprake van een reële tariefdaling. Hiermee heeft Senter ruimschoots voldaan aan de doelstelling om de afgelopen jaren de reële uitvoeringskosten trendmatig te verlagen.

Het CPB verwacht voor 2001 een stijging van de lonen en de inflatie die hoger is dan de afgelopen jaren. In 2001 versnelt de inflatie eenmalig tot 3,25% omdat de indirecte belastingen (BTW) dan worden verhoogd in het kader van de belastingherziening. Omdat Senter relatief veel personeel inhuurt heeft de verhoging van de BTW tevens effect op de hoogte van de loonkosten. Naast deze externe effecten heeft Senter te maken met de invloed van de vaste periodieke verhogingen als gevolg van het relatief jonge personeelsbestand (nog niet in einde van de schaal). Daarnaast zullen naar verwachting de huisvestingskosten de komende jaren stijgen als gevolg van de verhuizing naar een nieuw pand voor de Haagse vestiging.

Ondanks deze kostprijsverhogende effecten streeft Senter naar een gematigde tariefontwikkeling voor de komende jaren. Door middel van besparingen op de loon- en materiële kosten wil Senter dit doel bereiken.

BEGROTING VAN BATEN EN LASTEN

Algemeen

Senter hanteert als algemeen uitgangspunt dat de baten in enig jaar minimaal de lasten in dat jaar moeten dekken. Uitgaande van het voor het jaar 2001 geraamde omzetvolume (zie tabel 2) is het totaal aan baten voor het jaar 2001 geprognosticeerd op NLG 84,7 mln. Zekerheid over de in de toekomst te behalen baten is er overigens niet. Kenmerkend voor Senter is de flexibele en bedrijfsmatige aanpak waarmee bij een wisselend opdrachtenvolume de baten en lasten redelijk in evenwicht kunnen worden gehouden.

Tabel 2 Meerjarenbegroting (x NLG1000)
 1999 realisatie2000 ontwerp-begroting2000 geactuali-seerd20012001 EURO2002200320042005Codering econ. funct.
Baten           
omzet moederdepartement65 66965 33765 10067 50030 63071 60075 60079 80084 6004311.0
omzet overige departementen11 71611 48714 60015 3006 94316 40017 40018 60019 9004311.0
omzet overige opdrachtgevers2 4511 0311 8001 4006351 4001 5001 6001 8004311.0
Rentebaten6773003504502044003503003002613.1
overige baten473          
Totaal baten80 98678 15581 85084 65038 41289 80094 850100 300106 600  
            
Lasten           
Apparaatskosten           
personeel58 65058 69462 70067 90030 81271 90076 90082 20088 0001101.1
materieel12 20513 08913 60014 6006 62517 60016 40016 90017 4001201.1
Rentelasten 100       2113.1
Afschrijvingskosten materieel2 9692 2732 3002 4001 0891 8001 2007007001513.5
dotaties aan voorzieningen2 7081 5911 0001 0004541 0001 0001 0001 0000301.1
Onttrekking aan voorzieningen– 2 177 – 700– 1 600726-– 2 900– 900– 900– 800  
Buitengewone lasten  250        
Totaal lasten74 35575 74779 15084 30038 25489 40094 60099 900106 300  
Saldo van baten en lasten6 6312 4082 700350159400250400300  

Omzet

De omzet wordt enerzijds beïnvloed door de tariefontwikkeling en anderzijds door de verwachte volume groei bij de opdrachtgevers. De nagestreefde gematigde tariefontwikkeling is hiervoor reeds toegelicht.

Voor wat betreft de verwachte volume groei voor het jaar 2001 en volgende jaren is sprake van een aantal onzekerheden. De effecten van de stroomlijning van het subsidie-instrumentarium van EZ en andere departementen zullen vanaf 2001 duidelijk zichtbaar worden. Daarnaast wordt nagedacht over de stroomlijning van de organisaties, die bij de uitvoering van de subsidie-instrumenten zijn betrokken. Gezien deze ontwikkelingen zal Senter de komende jaren naar verwachting een minder sterke omzetgroei doormaken als in de afgelopen jaren.

Senter hanteert een jaarlijkse gemiddelde groeidoelstelling van 3 à 5% (in volume, na correctie tariefontwikkeling). Omdat bij EZ de mogelijkheden tot uitbesteding naar uitvoeringsorganisaties in omvang zullen afnemen, wordt bij EZ voor de komende jaren een stijging van de omzet verwacht van gemiddeld ten hoogste 3%.

Bij de overige departementen en de overige opdrachtgevers (EU) wordt een gemiddelde stijging verwacht van 4%.

Als gevolg van het rapport van de commissie Cohen worden, c.q. zijn de opdrachten voor derden beëindigd. Om te kunnen voldoen aan de groei doelstelling dient dit omzetverlies te worden gecompenseerd via andere opdrachtgevers.

Onder de overige opdrachtgevers zijn de opdrachten opgenomen die Senter uitvoert voor de Europese Unie. Senter ziet beperkte groeikansen bij deze opdrachtgever omdat de Europese Unie meer behoefte lijkt te krijgen aan het verbeteren van de contacten met het bedrijfsleven en kennisinstellingen in de lidstaten. De EU zal daartoe mede een beroep doen op lokale agenten. Senter wil zich hiertoe nadrukkelijk in de markt zetten met als doel haar service aan het bedrijfsleven en de kennisinstellingen te verbreden.

Omdat de Europese Unie haar opdrachten veelal tot slechts 50% financiert, dient wel bij andere nationale opdrachtgevers de resterende financiering te worden gezocht.

De rentebaten laten vanaf 2001 een dalende ontwikkeling zien. Dit is het gevolg van een daling van het saldo aan liquide middelen bij de Rijkshoofdboekhouding met de volgende oorzaken:

• Als gevolg van de regeling «Vermogensvoorschriften Agentschappen 2000» worden de reserves van Senter gemaximeerd op 5% van de gemiddelde omzet van de afgelopen drie jaar. Op grond van de jaarrekening 1999 dient hierdoor een bedrag van NLG 1,9 mln te worden afgedragen.

• In 2000 zal de resultaatuitkering aan EZ inzake 1998 en 1999 van in totaal NLG 4,7 mln plaatsvinden;

In verband met de voorgenomen verhuizing naar een ander kantoorgebouw voor de Haagse vestigingen zullen in 2002 forse investeringen plaatsvinden, die gefinancierd worden vanuit de hiervoor gevormde egalisatierekening.

Lasten

Als gevolg van fluctuaties in de opdrachtenportefeuille wordt van Senter een flexibele personeelsinzet verwacht. Ten behoeve van deze flexibiliteit wordt een deel van het personeelsbestand extern ingehuurd. De verhouding tussen ambtelijk en niet-ambtelijk personeel is de resultante van de voortdurende afweging tussen een steeds wisselend werkaanbod enerzijds en de meerkosten van externe inhuur anderzijds.

In de hiervoor gepresenteerde meerjarenraming is een efficiencydoelstelling verwerkt op zowel de personeelskosten als de materiële kosten, die tot uitdrukking komt in gematigde tarieven.

De hoogte van de personeelskosten wordt bepaald door prijs- en volumeontwikkelingen. De prijsontwikkelingen zijn het gevolg van de CAO-verhoging, de reguliere beloningsronde en het eenmalige effect in 2001 van de verhoging van de BTW voor inhuur. In totaal is sprake van een verwachte prijsstijging van 5,65%.

De volumeontwikkeling komt tot uitdrukking in een toename van het personeelsbestand als gevolg van een groei van de omzet. Bij zowel de prijs- als volumeontwikkelingen is sprake van een korting voor efficiency. Deze efficiencydoelstelling moet gerealiseerd worden via een productiviteitsstijging en een reductie van de (duurdere) inhuurkrachten tot de gewenste verhouding tussen ambtelijk en niet-ambtelijk personeel. Voor 2001 wordt een efficiency nagestreefd van 2%.

Daarnaast komt de efficiencydoelstelling tot uiting in de taakstelling dat de hoeveelheid indirecte medewerkers (staf) maximaal met 25% van de volumegroei van de zogenaamde directe medewerkers mag toenemen.

Bij de materiële kosten is de efficiencydoelstelling gesteld op 2% in 2001. Vanaf 2002 is de efficiencydoelstelling gelijk aan de inflatie (verwacht 2% vanaf 2002). Naast kostenbesparingen dient deze efficiency bereikt te worden door het benutten van schaalvoordelen. De geplande verhuizing in 2002 zal voor Senter leiden tot een relatief flinke toename van de huisvestingskosten. Hoewel het gebruik aan m2 afneemt, zal de prijs per m2 stijgen.

De afschrijvingskosten laten een dalende tendens zien. De afschrijvingskosten van de geplande investeringen ten behoeve van de nieuwe huisvesting maken geen onderdeel uit van deze afschrijvingskosten, omdat de financiering daarvan plaatsvindt vanuit de hiervoor gevormde egalisatierekening.

Naast de egalisatierekening is sprake van een reeds gevormde voorziening herhuisvesting. Hieruit worden de uitgaven voor de nieuwe huisvesting gefinancierd die niet als investeringen zijn aan te merken. In de begroting zijn in 2001 en 2002 deze geplande uitgaven opgenomen onder de materiële kosten, terwijl de onttrekking uit de voorziening herhuisvesting is opgenomen onder de post «onttrekking voorzieningen».

De dotatie aan voorzieningen is enerzijds bedoeld ter financiering van wachtgelduitgaven en kosten van vervanging van langdurig zieke medewerkers en anderzijds voor voorziening onderhanden werk, automatisering en overige voorzieningen. De dotaties en de daarmee corresponderende onttrekkingen hebben een beperkte invloed op het resultaat.

Saldo van baten en lasten

Senter streeft naar een gematigd positief exploitatiesaldo. Het resultaat van baten en lasten in de meerjarenbegroting laat zien dat Senter te maken heeft met smalle marges. De komende jaren zal het resultaat onder druk blijven staan als gevolg van de na te streven gematigde tariefontwikkeling in combinatie met door inflatie en verwachte CAO ontwikkelingen stijgende kosten.

KASSTROOMOVERZICHT

Tabel 3 Kasstroomoverzicht (x NLG 1 000)
 1999 realisatie2000 ontwerp-begroting2000 geactuali-seerd20012001 EURO2002200320042005Codering econ. funct.
Baten           
Rekening Courant RHB 1 januari31 75730 57929 84019 8809 02121 43010 18013 43011 830  
Totaal operationele kasstroom– 6081 925– 1 7804 9502 246– 10 5504 150– 9001 900  
totaal investeringen– 1 309– 1 640– 3 500– 700– 318– 500– 700– 700– 7005201.1
totaal boekwaarde desinvesteringen  
Totaal investeringskasstroom– 1 309– 1 640– 3 500– 700– 318– 500– 700– 700– 700  
eenmalige uitkering aan moederdepartement– 2 342– 4 680– 2 700– 1 225– 200– 2000– 1006301.1
eenmalige storting door het moederdepartement0–-–-–-–-  
aflossing op leningen– 1 3700000008201.1
beroep op leenfaciliteit3 982008701.1
Totaal financieringskasstroom0270– 4 680– 2 700– 1 225– 200– 2000– 100  
Rekening Courant RHB 31 december29 84031 13419 88021 4309 72510 18013 43011 83012 930  

Toelichting op het kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de in het verslagjaar gerealiseerde liquiditeitsontwikkeling. Het kasstroomoverzicht is opgesteld volgens de indirecte methode. Dit houdt in dat voor de weergave van kasstromen het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening wordt gecorrigeerd voor posten die in het boekjaar niet tot ontvangsten en/of uitgaven hebben geleid.

De liquiditeitsontwikkeling in het jaar 2000 is geactualiseerd naar aanleiding van de eerste suppletore begroting 2000. Hierin is aangegeven dat geen «conversie lening» nodig is en dat vooralsnog geen gebruik wordt gemaakt van de leenfaciliteit voor nieuwe investeringen.

In vergelijking tot de eerste suppletore begroting 2000 is de operationele kasstroom aangepast vanwege een verwachte verlaging van de kortlopende schulden. Daarnaast is de investeringskasstroom aangepast aan het verhoogde niveau van investeringen in 2000.

De eenmalige uitkering aan het moederdepartement in 2000 betreft de nog te betalen uitkering uit de resultaatsbestemming 1998 (NLG 2,5 mln) en 1999 (NLG 2,2 mln).

De eenmalige uitkeringen aan het moederdepartement vanaf 2001 betreffen de teruggaven van het resultaat als gevolg van de maximering van de exploitatiereserve op 5% van de gemiddelde omzet over drie jaar. Vanaf 2002 zijn deze teruggaven beperkt van omvang gezien het verwachte lagere saldo van baten en lasten in die jaren.

De operationele kasstroom in 2002 daalt fors als gevolg van de geplande investeringen in verband met de voorgenomen verhuizing naar een ander kantoorgebouw van de Haagse vestiging. Deze investeringen worden gefinancierd vanuit de hiervoor in 1999 gevormde egalisatierekening.

Voor een gedeelte van het saldo op de rekening-courant zal vanaf medio 2000 een deposito worden afgesloten, waardoor een hogere rentebate kan worden gerealiseerd.

MATERIËLE VASTE ACTIVA

De specificatie van de verwachte afschrijvingen en investeringen en daarmee van het verloop van de boekwaarde van de materiële vaste activa in het jaar 2001 is als volgt:

Tabel 4 Materiële vaste activa (x NLG 1 000)
 Boekwaarde1 januari 2001(des)inves-teringenAfschrij-vingenBoekwaarde 31 decem-ber 2001
Automatisering3 121500– 1 7041 917
Meubilair885100– 365620
Overige795100– 378517
Totaal4 801700– 2 4473 054

De materiële vaste activa worden gewaardeerd op verkrijgingsprijs, dan wel op lagere economische bedrijfswaarde onder aftrek van lineaire afschrijvingen. De afschrijvingstermijn is gelijk aan de geschatte economische levensduur van de betreffende activa. Voor automatiseringsgoederen (hardware) is deze drie jaar en voor de overige materiële vaste activa is deze vijf jaar.

In het jaar van investeren wordt met ingang van de maand van ingebruikname afgeschreven.

In bovenstaande tabel zijn niet de investeringen opgenomen die het gevolg zijn van de geplande verhuizing naar een nieuw pand voor de Haagse vestiging. Daarnaast zijn de investeringen in 2000 relatief hoog vanwege de benodigde ICT voorzieningen voor het project elektronisch aanvragen, beoordelen en beschikken. Rekening houdend met deze twee factoren wordt vanaf 2001 een gematigde ontwikkeling van de investeringen voorzien. Het lagere investeringsniveau leidt daardoor tot lagere afschrijvingslasten.

KENGETALLEN

Tabel 5 Gemiddelde personeelsbezetting in fte's (ambtelijk en inhuur)
 Raming 2001Geactualiseerde begroting 2000Ontwerp-begroting 2000Realisatie 1999
 fte's%fte's%fte's%fte's%
Ambtelijk30862%27659%28063%25355%
Inhuur via BDG/TAD19138%19341%16237%20545%
Totaal Ambtenaar en Inhuur499100%469100%442100%458100%
Overig58 60 54 65 
Totaal556 529 496 523 

Senter streeft naar een flexibele bedrijfsvoering om eventuele schommelingen in de omvang van de opdrachtenportefeuille goed te kunnen opvangen. Gezien dit streven leent Senter een deel van het personeelsbestand extern in. In dit kader krijgen nieuwe medewerkers bij Senter een aanstelling als inleenkracht. Gezien de groei in de afgelopen jaren is de nagestreefde verhouding tussen ambtenaren en inhuur (A/I) niet gerealiseerd. Uit het oogpunt van kostenbesparing wordt voor de komende jaren een verhouding nagestreefd van 65/35. Rekening houdend met de huidige A/I verhouding levert dit voor 2001 een streefwaarde van 62/38 op.

Tabel 6 Omzet per fte (x NLG 1 000)
 Raming 2001Geactualiseerde begroting 2000Ontwerp-begrotingRealisatie 1999
 omzetomzetomzetomzetomzetomzetomzetomzet
  per fte per fte per fte per fte
Totaal84 20015181 50015477 85515779 836153

Het kengetal omzet per fte wordt in de zakelijke dienstverlening veel gebruikt en maakt daardoor vergelijking met andere uitvoeringsorganisaties mogelijk. De omzet per fte wordt beïnvloed door de ontwikkeling in de tarieven, de verwachte volumegroei in de omzet en de nagestreefde ontwikkeling in productiviteit en doelmatigheid. Omdat voor 2001 een gematigde tariefontwikkeling wordt nagestreefd blijft de groei van de omzet achter, terwijl het aantal fte's sterker groeit. De omzet per fte daalt daardoor.

Tabel 7 Loonkosten per fte (x NLG 1 000)
 Raming 2001Geactualiseerde begroting 2000Ontwerp-begroting 2000Realisatie 1999
 LoonkostenLoonkostenLoonkostenLoonkostenLoonkostenLoonkostenLoonkostenLoonkosten
  per fte per fte per fte per fte
Ambtelijk personeel33 40010930 00010930 27010825 991103
Ingeleend personeel32 60013131 20012326 77812431 290116
Totaal66 00011961 20011657 04811557 281110
Overige personeelskosten1 900 1 500 1 646 1 369 
Totaal personeelskosten67 90012262 70011958 69411858 650112
Opleidingskosten als Percentage loonkosten2.0% 2.0% 2.0% 1.8% 

Als gevolg van autonome kostenontwikkelingen (CAO e.d.) stijgen de loonkosten in 2001 met gemiddeld 5,65%. Door middel van efficiencymaatregelen (zie paragraaf lasten) wil Senter deze groei beperken. Ten opzichte van de geactualiseerde begroting 2000 levert dit in 2001 een verwachte stijging van de loonkosten per fte op van circa 3,0%.

Senter stelt hoge eisen aan de kwaliteit van haar medewerkers. Om hen aan de eisen van de organisatie te laten voldoen en om organisatiedoelstellingen te realiseren, is het scholen van medewerkers belangrijk. Vandaar dat Senter zich als doel heeft gesteld om 2% van de loonkostensom te besteden aan opleidingen.

Tabel 8 Materiële kosten* per fte (x NLG 1 000)
 Raming 2001Geactualiseerde begroting 2000Ontwerp-begroting 2000Realisatie 1999
 Materiële kostenMateriële kosten per fteMateriële kosten per fteMateriële kostenMateriële kosten per fteMateriële kostenMateriële kostenMateriële kosten per fte
Totaal17 0003115 9003015 3623115 17429

* exclusief dotaties en onttrekkingen voorzieningen.

Waar het kengetal omzet per fte vooral de doelmatigheidsontwikkeling in personele zin weergeeft, geeft het kengetal materiële kosten per fte met name de doelmatigheidsontwikkeling in de materiële kosten weer. In deze tabel zijn onder de materiële kosten ook begrepen de afschrijvingskosten. Ondanks de in 2001 relatief hoge inflatie, laten de materiële kosten per fte in 2001 een geringe stijging zien ten opzichte van de geactualiseerde begroting 2000. De verwachte inflatie zal gecompenseerd moeten worden door de effecten van de te treffen kostenbesparingen en de benutting van schaaleffecten.

Tabel 9 Toegevoegde waarde per fte (x NLG 1 000)
 Raming 2001Geactualiseerde begroting 2000Ontwerp-begroting 2000Realisatie 1999
 ToegevoegdeToegevoegdeToegevoegdeToegevoegdeToegevoegdeToegevoegdeToegevoegdeToegevoegde
 waardewaarde per ftewaardewaarde per ftewaardewaarde per ftewaardewaarde per fte
Totaal67 20012165 60012462 49312664 662124

De toegevoegde waarde wordt berekend door de omzet te verminderen met de materiële kosten en de afschrijvingskosten. Hierbij wordt geabstraheerd van de dotaties en onttrekkingen aan de voorzieningen. De toegevoegde waarde is het bedrag dat beschikbaar is voor de belanghebbenden van de organisatie, in casu het beschikbare bedrag voor de beloning van de geleverde prestaties. Hiermee wordt het belonen van medewerkers voor verrichte arbeid en van de eigenaar voor het verstrekte vermogen bedoeld. Het geeft inzicht in de waarde die het personeel door de uitvoering van de activiteiten toevoegt aan de organisatie. De toegevoegde waarde per fte geeft een eerste indicatie van de doelmatigheid van het agentschap (voor inflatiecorrectie en nog zonder het meewegen van de ontwikkeling in de personele kosten).

De verwachte geringe daling van de toegevoegde waarde per fte in 2001 ten opzichte van de andere jaren wordt veroorzaakt door de lagere groei van de omzet als gevolg van de gematigde tariefontwikkeling, terwijl de personele kosten in verhouding meer groeien.

Tabel 10 Doelmatigheid (x NLG 1 000)
 Raming 2001Geact. begr. 2000Realisatie 1999Realisatie 1