Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127400-V nr. 56

27 400 V
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2001

nr. 56
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 maart 2001

Onder verwijzing naar artikel 24 van de Wet van 3 juli 1996, houdende algemene regels over de advisering in zaken van algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk (Kaderwet adviescolleges), heb ik de eer U bij dezen te informeren over mijn standpunt over het advies dat de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV) mij op 22 november 2000 op mijn verzoek heeft uitgebracht inzake een definitie van het misdrijf agressie. Het advies van de CAVV alsmede een kopie van mijn dankbrief aan de voorzitter van de CAVV zijn bijgevoegd.1

Ik kan U mededelen dat ik het advies in grote lijnen overneem. Tegelijkertijd ben ik mij er – met de CAVV – van bewust dat het internationale onderhandelingsproces over een definitie van het misdrijf agressie en – daaraan gekoppeld – over de vraag of, en zo ja welke, rol moet worden toegekend aan de Veiligheidsraad in relatie tot de voorwaarden waaronder het Internationaal Strafhof jurisdictie dient uit te oefenen m.b.t. dit misdrijf, een langdurig proces zal zijn. In het licht van onverwachte wendingen die dit proces kan nemen acht ik het niet verstandig mij reeds in dit stadium op specifieke onderdelen van de genoemde problematiek vast te leggen. Dit geldt ook voor het vraagstuk met betrekking waartoe de CAVV verdeeld is nl. de kwestie van de afweging van het beginsel van de onafhankelijkheid van de strafrechter en van de noodzaak recht te doen aan de functie die de Veiligheidsraad – ingevolge het Handvest – heeft op het punt van vaststelling van agressie door een Staat. Wel meen ik te moeten constateren dat het meerderheids- en het minderheidsstandpunt binnen de CAVV over deze kwestie zeer dicht bij elkaar liggen en dat er eerder sprake is van een nuanceverschil dan van een werkelijk fundamenteel verschil van opvatting binnen de Commissie.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. van Aartsen


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.