﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27242-1/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1999-2000</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.4__2.13" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST47352</ordernr>
    <vergjaar>1999-2000</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>27 242</nummer>
      <naam>Grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>1</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag,  <datum>13 juli 2000</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hierbij doe ik u het Kabinetsstandpunt Grensoverschrijdende bestuurlijke
samenwerking toekomen. Het standpunt bevat een geactualiseerde visie van het
kabinet op grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking. Tevens wordt ingegaan
op de toenemende invloed van Europese wet- en regelgeving op de decentrale
overheden. Het kabinet doet een aantal aanbevelingen om de decentrale overheden
te faciliteren bij de doorwerking van de Europese integratie en om de grensoverschrijdende
bestuurlijke samenwerking een impuls te geven.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</functie>
        <naam>G. M. de Vries </naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">GRENSOVERSCHRIJDENDE BESTUURLIJKE SAMENWERKING</tuskop>
      <tuskop letat="vet">HOOFDSTUK 1. INLEIDING</tuskop>
      <tuskop letat="vet">1.1. Aanleiding</tuskop>
      <al>De afgelopen jaren zijn er vele ontwikkelingen geweest die van belang
waren en veelal nog zijn voor de grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking.</al>
      <al>In Europees verband valt te wijzen op de toenemende invloed van de regelgeving
van de Europese Unie op de decentrale overheden (gemeenten, provincies, waterschappen
en pbo's). Steeds vaker en indringender worden zij daarmee geconfronteerd.
Daarnaast is door de Europese Unie voor de komende jaren opnieuw budget beschikbaar
gesteld voor grensoverschrijdende samenwerking. De nieuwe structuurfondsenverordening
voorziet erin dat voor Nederland tot en met 2006 160 mln. Euro beschikbaar
is voor bilaterale grensoverschrijdende samenwerking. Ook de regionalisering
in de Europese Unie vraagt om een nieuwe visie op de grensoverschrijdende
samenwerking. Tenslotte hebben de verschillende Aanvullende Protocollen bij
de European Outline Convention on Transfrontier Co-operation between Territorial
Communities or Authorities (ook wel de Kaderovereenkomst van Madrid genoemd)
in Raad van Europa-verband en het Aanvullend Protocol bij de Benelux-Overeenkomst
inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale samenwerkingsverbanden
of autoriteiten geleid tot nieuwe instrumenten voor de grensoverschrijdende
samenwerking.</al>
      <al>Zes jaar geleden berichtte het kabinet de Kamer over ontwikkelingen op
het vlak van de grensoverschrijdende samenwerking. Deze notitie strekt tot
actualisering van deze eerdere rapportage<voetref refid="v2.1" nr="1"></voetref>.</al>
      <tuskop letat="vet">1.2 Leeswijzer</tuskop>
      <al>In de notitie wordt eerst een analyse geven van de genoemde ontwikkelingen.
Daarbij wordt ingaan op de ontwikkeling binnen de Europese Unie als geheel,
de ontwikkeling in de verschillende lidstaten en tenslotte de ontwikkeling
binnen de instituties van de Europese Unie.</al>
      <al>Hoofdstuk 2 geeft een analyse van de toenemende invloed van Europa op
de decentrale overheden. In dat verband wordt ingegaan op het gemeenschapsrecht,
de regionalisering van Europa, de organisatiegraad van de regio's in Europa
en het kenniscentrum Europa-decentrale overheden.</al>
      <al>Hoofdstuk 3 gaat in op de grensoverschrijdende samenwerking waarbij het
met name gaat om de euregionale samenwerking.</al>
      <al>Hoofdstuk 4 bevat de conclusies en aanbevelingen.</al>
      <tuskop letat="vet">HOOFDSTUK 2. DE ROL VAN DECENTRALE OVERHEDEN IN DE EUROPESE
UNIE EN DE TOENEMENDE INVLOED VAN DIE UNIE OP DE DECENTRALE OVERHEDEN</tuskop>
      <tuskop letat="vet">2.1 Ontwikkeling binnen de Europese Unie</tuskop>
      <al>Als gevolg van de Europese Akte (1987), het Verdrag van Maastricht (1993)
en het Verdrag van Amsterdam (1999) is de Europese Unie uitgegroeid tot de
vierde bestuurslaag van het binnenlands bestuur van de lidstaten. Een bestuurslaag
waar steeds sterker rekening mee gehouden moet worden, ook door de decentrale
overheden. Waarom?</al>
      <al>De Europese Akte is een document waarin politieke samenwerking met economische
samenwerking tezamen is ondergebracht. Per 1 januari 1993 werd
een Europese markt zonder binnengrenzen verwezenlijkt waardoor een vrij verkeer
van goederen, diensten, arbeid en kapitaal is ontstaan.</al>
      <al>In het Verdrag van Maastricht werden de Europese integratie en samenwerking
verder uitgebouwd en geïntensiveerd. De zogenaamde pijlerstructuur werd
geïntroduceerd. De Eerste pijler betreft de economische samenwerking.
De Tweede pijler is het gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid
en de Derde pijler herbergt de samenwerking op het gebied van Justitie en
Binnenlandse Zaken. In dit verdrag werden bovendien bepalingen opgenomen die
de positie van de sub-nationale overheden versterken binnen de Europese Unie.
In de eerste plaats werd het zogenaamde subsidiariteitsbeginsel vastgelegd.
Dit beginsel houdt in dat besluitvorming binnen de EU op een zo «laag»
mogelijk bestuursniveau dient plaats te vinden. Bij ieder beleidsvoorstel
op EU-niveau moet vooraf een «subsidiariteitstoets» plaatsvinden,
waarbij vanuit de lidstaten wordt beoordeeld of het desbetreffende voorstel
op EU-niveau thuishoort dan wel op nationaal of sub-nationaal niveau. In Nederland
is voor deze toets de Beoordelingscommissie Nieuw Commissiebeleid (BNC) ingesteld.
Ten tweede werd in «Maastricht» het structuurbeleid veranderd:
een groter aandeel van EU-gelden werd voortaan aan regionale, sub-nationale
verbanden toegekend. Ten derde kwam er een nieuwe EU-instelling ter vertegenwoordiging
van de lagere overheden, het Comité van de Regio's. In maart 1994 werd
het Comité van de Regio's ingesteld. Het Verdrag van Amsterdam heeft
met name een verschuiving tot stand gebracht van onderwerpen in de verschillende
pijlers. Zo zijn de typisch «vreemdelingenrechtelijke» onderwerpen
van de Derde Pijler overgeheveld naar de Eerste Pijler. Deze overheveling
heeft ertoe geleid dat de Derde Pijler is beperkt tot politiesamenwerking
en strafrechtelijke samenwerking. Daarnaast is het Schengen-acquis overgebracht
naar de Europese Unie<voetref refid="v3.1" nr="1"></voetref>. Ook het Verdrag van Amsterdam
heeft een aantal belangrijke bepalingen voor de sub-nationale overheden opgeleverd.
Zo kan het Europees Parlement adviesaanvragen voorleggen aan het Comité
van de Regio's en zijn verschillende nieuwe beleidsterreinen aangewezen waarover
de Raad of de Europese Commissie verplicht het advies moet inwinnen van het
Comité. Zo moet het Comité worden geraadpleegd als het gaat
om:</al>
      <al>• werkgelegenheid</al>
      <al>• sociale wetgeving</al>
      <al>• gelijke kansen</al>
      <al>• milieu</al>
      <al>• het Europees Sociaal Fonds</al>
      <al>• beroepsopleiding</al>
      <al>• transport</al>
      <al>Tenslotte heeft het Verdrag van Amsterdam een subsidiariteitsprotocol
opgeleverd. Het komt erop neer dat de Unie alleen in actie komt wanneer initiatieven
op gemeenschapsniveau meer effect sorteren dan op lidstaatniveau. Het betreft
met name initiatieven die een transnationaal karakter hebben.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Mede als gevolg van de geschetste ontwikkelingen is de Europese Unie een
bestuurslaag geworden die van groot belang is voor de decentrale overheden.</al>
      <al>Zo kunnen gemeenten en provincies te maken krijgen met zowel de genoemde
verdragen, het zogenaamde primaire gemeenschapsrecht, maar ook met verordeningen
en richtlijnen, het secundaire gemeenschapsrecht. Bekende voorbeelden zijn
de artikelen in het EU-verdrag voor staatssteun (art. 87–89) en de richtlijnen
voor aanbestedingen. In de discussienota «Haal pegels uit die regels»
van het Ministerie van Economische Zaken<voetref refid="v3.2" nr="2"></voetref> is aangegeven
dat de richtlijnen over Europese aanbestedingen onvoldoende worden nageleefd.
Uit onderzoek blijkt dat de mate van naleving bij gemeenten slechts 25% is. </al>
      <al>Daarnaast kunnen de gemeenten en provincies te maken krijgen met de vier
vrijheden, vrijheid van goederen, diensten, verkeer en kapitaal. Wat betreft
het vrij verkeer van goederen kan als voorbeeld genoemd worden een provinciale
verordening op het gebied van afvaltransport die niet in strijd mag zijn met
het verbod van maatregelen van gelijke werking bij uitvoer (art. 29 EG, ex
art. 34). Bij vrij verkeer van personen kan gedacht worden aan het in acht
nemen van het verbod van directe en indirecte discriminatie bij het in dienst
nemen van werknemers en bij de regelgeving voor vestiging. Het vrij verkeer
van diensten kan bijvoorbeeld in het gedrang komen wanneer decentrale overheden
bij aanbesteding de eis stellen dat de aannemer een bepaald percentage langdurig
werklozen uit de regio in dienst neemt.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Decentrale overheden worden voorts geconfronteerd met verboden en verplichtingen
uit verordeningen. Deze werken rechtstreeks en kunnen daarmee via de nationale
rechter worden afgedwongen. Soms worden de decentrale overheden bij de nationale
inkadering van een verordening aangewezen als de autoriteit die (mede) betrokken
is bij de toepassing en handhaving (bv. structuurfondsen), maar ook wanneer
dat niet het geval is kunnen decentrale overheden op grond van hun activiteiten
met verordeningen te maken hebben. Voorbeelden zijn verordeningen op het terrein
van milieu, landbouw, interne markt.</al>
      <al>Behalve deze specifieke voorschriften uit de verordeningen zijn de decentrale
overheden gehouden de algemene eisen uit de jurisprudentie in acht nemen.
Zo blijkt uit de jurisprudentie dat het beginsel van gemeenschapstrouw (art.
10 EG) niet alleen geldt voor de centrale overheid, maar ook van toepassing
is op de decentrale overheden<voetref refid="v4.1" nr="1"></voetref>. Dat betekent dat
ook de decentrale overheden alle algemene of bijzondere maatregelen dienen
te treffen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit het EG-Verdrag of
uit handelingen van de instellingen der Unie voortvloeiende verplichtingen
te verzekeren. Zij dienen zich te onthouden van alle maatregelen welke de
verwezenlijking van de doelstelling van het EG-Verdrag in gevaar brengen.</al>
      <al>Ook richtlijnen zijn voor decentrale overheden van belang. Naast het al
genoemde voorbeeld van de aanbestedingsrichtlijnen kan bijvoorbeeld de Habitatrichtlijn<voetref refid="v4.2" nr="2"></voetref> genoemd worden. Jurisprudentie van het Hof heeft uitgemaakt
dat richtlijnbepalingen onder omstandigheden rechtstreekse werking kunnen
hebben<voetref refid="v4.3" nr="3"></voetref>.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit het voorgaande blijkt dat de decentrale overheden op verschillende
manieren geconfronteerd worden met het gemeenschapsrecht. In de zaak-Konle<voetref refid="v4.4" nr="4"></voetref> heeft het Europese Hof van Justitie bepaald dat decentrale
overheden door particulieren aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schade
die zij lijden als gevolg van schade ten gevolge van schendingen van het EG-recht.
In het rapport «Communautaire verplichtingen van decentrale overheden»<voetref refid="v4.5" nr="5"></voetref> van de Interdepartementale Commissie voor Constitutionele
Zaken en Wetgeving wordt hier ook nader op ingegaan. Het rapport is besproken
in de Raad voor Justitie Bestuur en Veiligheid van 29 september 1999. Daarin
is afgesproken dat het rapport voor advies zou worden voorgelegd aan IPO,
VNG, SER en de Unie van Waterschappen. Inmiddels hebben alle instanties gereageerd.
Het kabinet zal vervolgens een standpunt innemen.</al>
      <al>De Interdepartementale Commissie Europees Recht doet een onderzoek naar
de Europese dimensie van het toezicht. Ook daarin wordt aandacht besteed aan
de toegenomen invloed van de Europese Unie op de decentrale overheden. Het
kabinet komt na de zomer met een standpunt naar aanleiding van beide rapporten. </al>
      <tuskop letat="vet">2.2 Regio als vehikel voor Europees beleid.</tuskop>
      <al>«Regionalisering» is een ontwikkeling die in de voorbije decennia
in belang is toegenomen in de verschillende lidstaten. Ook de Europese Commissie
is zich in de afgelopen jaren meer en meer gaan bezighouden met de sub-nationale
overheden, regio's. Voor de uitvoering van veel van haar beleid baseert de
EU zich op (sociaal-economische) regio's. Vele verordeningen hebben betrekking
op regio's zoals bijvoorbeeld de Verordening (EEG) nr. 4254/88 van de Raad
van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen voor Verordening
(EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling
en meer recentelijk tot stand gekomen de Verordening (EG) nr. 1260/99 van
de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beleid en wetgeving van de EU nopen in toenemende mate tot bestuurlijke
samenwerking binnen en tussen die regio's.</al>
      <al>Grosso modo kunnen drie vormen van regionalisering worden onderscheiden<voetref refid="v5.1" nr="1"></voetref>:</al>
      <tuskop letat="cur">1. Regionalisering zonder dat een regionale bestuurslaag
wordt gecreëerd.</tuskop>
      <al>Deze vorm van regionalisering is zichtbaar in zowel eenheidsstaten als
federale staten en is het meest gebruikelijke proces van regionalisering in
Europa. Bestaande instituten en bestuurslagen worden zodanig georganiseerd
dat zij een regio kunnen zijn. Het meest klassieke voorbeeld is het Verenigd
Koninkrijk.</al>
      <al>Regionalisering in het VK heeft een lange historie die voorvloeit uit
de unificatie van de vier verschillende landen tot één Koninkrijk:
Engeland, Schotland, Wales en Noord-Ierland. De verschillen tussen Engeland,
Schotland, Wales en Noord-Ierland zijn niet alleen van culturele aard, maar
ook bestuurlijk en in het geval van Schotland tevens juridisch. In Groot-Brittannië
wordt gesproken over «devolution», een vorm van bestuur in Schotland,
Wales en Noord-Ierland die aangeeft dat in de genoemde gebieden een mate van
zelfbestuur kan worden uitgeoefend. Door middel van referenda die in september
1997 onder de bevolking in Schotland en Wales werden gehouden, is de situatie
tussen het Verenigd Koninkrijk als geheel en Schotland en Wales als onderdelen
aanmerkelijk veranderd. Voor Schotland werden in het referendum vragen gesteld
naar de wenselijkheid van een eigen Schots parlement en een daaraan gekoppeld
eigen begrotingsrecht. Beide vragen werden door de Schotse bevolking bevestigend
beantwoord, zodat er een eigen parlement is gevormd met een gedeeltelijke
eigen financiële bevoegdheid. Voor Wales leidden de uitslagen van de
referenda ook tot een eigen parlement, maar zonder eigen financiële manoeuvreerruimte.</al>
      <al>In Duitsland wordt onder het proces van regionalisering verstaan het meer
intensief samenwerken van de lokale autoriteiten in de verschillende Länder.
De Länder zien zichzelf als de bestuurslaag die de regionale belangen
behartigt. Toch zijn er regionale autoriteiten geïntroduceerd in Nedersaksen
(zeven regio's) en Noordrijn-Westfalen (regionale samenwerkingsverbanden op
vrijwillige basis).</al>
      <al>Duitsland en het Verenigd Koninkrijk zijn derhalve voorbeelden van landen
waar processen van regionalisering plaatsvinden die niet uitmonden in een
nieuwe bestuurslaag.</al>
      <tuskop letat="cur">2. Regionale decentralisatie</tuskop>
      <al>Met deze vorm van regionalisering wordt bedoeld het creëren of herstructureren van een nieuwe regionale bestuurslaag, zoals in Frankrijk heeft
plaatsgevonden.</al>
      <al>De huidige regio's in Frankrijk zijn ingesteld als gevolg van de noodzaak
van een nationaal beleid voor regionale ruimtelijke ordening. Het zijn derhalve
van origine functionele regio's. In de loop der jaren heeft de centrale overheid
de regio's ruimere bevoegdheden gegeven. Zo zijn zij inmiddels verantwoordelijk
voor regionale natuurparken, infrastructuur van het hoger onderwijs, transport,
toerisme, lokale economische ontwikkeling. Regio's in Frankrijk zijn tegelijkertijd
territoriale gebiedscorporaties en gedeconcentreerde overheidsdiensten<voetref refid="v6.1" nr="1"></voetref>. Franse regio's bezitten echter geen grondwettelijk gegarandeerde
autonome positie.</al>
      <tuskop letat="cur">3. Politieke regionalisering</tuskop>
      <al>Spanje is een goed voorbeeld van politieke regionalisering. De Spaanse
staat is territoriaal onderverdeeld in gemeenten, provincies en autonome gemeenschappen.
De zeventien autonome gemeenschappen kennen politiek zelfbestuur. Autonomie,
zo heeft het Hoge Gerechtshof in Spanje bepaald, is echter geen soevereiniteit;
de Grondwet garandeert de suprematie van de Spaanse staat als het symbool
van eenheid. Er is in Spanje sprake van een hybride systeem voor wat betreft
de bestuurlijke organisatie; het is federaal noch unitair en het kent zowel
zijn basis in de eenheid van de Spaanse natie als in de autonomie van de nationaliteiten
en de regio's. De mate van regionalisme die aan deze regionalisering ten grondslag
heeft gelegen, moet zeker niet worden onderschat. Het is niet overdreven om
te stellen dat de sterk regionalistische stromingen in de oude «nationaliteiten»
(Catalonië, Baskenland, Galicië, Asturië, Andalusië en
Valencia) hebben geleid tot de doorvoering van een regionaal staatsbestel
in Spanje<voetref refid="v6.2" nr="2"></voetref>.</al>
      <al>Ook Italië is een voorbeeld van een lidstaat waar politieke regionalisering
heeft plaatsgevonden. Ook in Italië zijn regio's in de Grondwet verankerd.
De regio's hebben, naast hun autonome taken, gedelegeerde taken van de centrale
overheid opgedragen gekregen.</al>
      <al>Een bijzonder geval is België. Daar heeft een ontwikkeling plaatsgevonden
van een unitaire staat tot een federale staat, die overigens nog steeds niet
teneinde lijkt. België is een federale staat, samengesteld uit gemeenschappen
en gewesten (artikel 1 van de Belgische Grondwet). De bevoegdhedenafbakening
tussen federatie en gewesten (regio's) en de gemeenschappen is zeer ver doorgevoerd.
Er is geen sprake van hiërarchie tussen de federale overheid en de regio's
en gemeenschappen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De geschetste ontwikkelingen geven aan dat het proces van regionalisering
in de Europese Unie vele vormen kent. Wel is sprake van een trend naar krachtiger
vormen van decentraal bestuur.</al>
      <al>In Nederland is sprake van twee regio-begrippen:</al>
      <al>1. sub-provinciaal, dan wel boven-lokaal (binnen de provincies; bijvoorbeeld
de kaderwetgebieden)</al>
      <al>2. sub-nationaal (de zogenaamde landsdelen)</al>
      <al>In beide gevallen gaat het vooral om functionele regionalisering. Daarnaast
kent Nederland ook andere functionele regio's zoals die van de brandweer en
de politie.</al>
      <tuskop letat="vet">2.3. Organisatiegraad van lokale en regionale autoriteiten</tuskop>
      <al>De toenemende invloed van de Europese integratie op de decentrale overheden
heeft er toe geleid dat decentrale overheden toenadering tot elkaar zoeken,
ook over de landsgrenzen heen.</al>
      <al>In de Europese Unie is het belangrijkste adviesorgaan voor de lokale en
regionale autoriteiten het Comité van de Regio's. In het Verdrag van
Maastricht werd het Comité van de Regio's ingesteld. Het is een sterk
op territoriale grondslagen gebaseerd adviesorgaan. Het Comité
geeft gevraagd en ongevraagd advies. Zoals al gesteld is in paragraaf 2.1,
is het verplichte advies bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam
uitgebreid. Wanneer wordt gedifferentieerd naar de aard van het beleidsterrein
waarop advies wordt uitgebracht, blijkt dat het merendeel van de adviezen
een functioneel of sectoraal beleidsterrein betreft<voetref refid="v7.1" nr="1"></voetref>.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naast het Comité van de Regio's bestaan in Europa verschillende
belangenverenigingen voor regio's. In 1913 werd de International Union of
Local Authorities (IULA) opgericht met als doel de bevordering van een democratisch
lokaal bestuur en de uitwisseling van kennis en ervaring daaromtrent. Na de
totstandkoming van de Verenigde Naties en de Europese Economische Gemeenschap
kwam daar de behartiging van de belangen van lokale en regionale overheden
bij die internationale instellingen bij. De hoofdzetel van deze associatie
is in Den Haag.</al>
      <al>Hiernaast ontstond in 1951 de Council of European Municipalities (CEM),
met als politieke doelstelling het geven van steun door lokale politici aan
de bevordering van de Europese gedachte en daadwerkelijke Europese samenwerking
en eenwording.</al>
      <al>In 1990 werd besloten tot een volledige fusie van de twee organisaties,
waarbij dient te worden opgemerkt dat de CEM inmiddels was omgedoopt tot Council
of European Municipalities and Regions (CEMR), teneinde een politiek kader
te kunnen geven voor de opkomende kracht van de Regio's in Europa.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast worden de belangen van de Europese regio's behartigd door de
Assembly of European Regions (AER), de opvolger van de in 1985 opgerichte
Council of European Regions<voetref refid="v7.2" nr="2"></voetref>. De AER telt bijna
driehonderd leden van binnen en buiten de EU. Binnen de EU vertegenwoordigt
de AER 80 tot 85% van de EU-bevolking. Volgens haar statuten is haar primaire
doel het organiseren en versterken van de politieke vertegenwoordiging van
regio's binnen de EU en de Raad van Europa.</al>
      <al>De vertegenwoordiging van de Europese lokale en regionale overheden binnen
de Raad van Europa vindt plaats binnen het in 1957 opgerichte Congress of
Local and Regional Authorities.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Tenslotte zijn er nog de zogenaamde regionale bureaus in Brussel, waarin
de vertegenwoordiging van de regio's van de verschillende lidstaten gevestigd
is. Het aantal van deze bureaus is sinds het midden van de jaren tachtig aanzienlijk
gestegen; 2 in 1985, 15 in 1988, 94 in 1994, 140 in 1995 en inmiddels ruim
150.</al>
      <al>Het Nederlandse Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten hebben sinds 1994 een gezamenlijke vertegenwoordiging in Brussel.</al>
      <al>Op 30 maart jl. vond de opening plaats van het Nederlandse Huis der Provincies
in Brussel. In het Huis zijn de lobbyisten van de provincies georganiseerd
in vier bureaus: Randstad, Noord-, Oost-, en Zuid-Nederland.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De toegenomen betrokkenheid van de Nederlandse decentrale overheden bij
het functioneren van de Europese Unie is toe te juichen. De provincies en
gemeenten ontwikkelen en benutten op deze manier een extra kanaal om namens
hun burgers invloed uit te oefenen en de Europese Unie wint aan bekendheid
en begrip in de lidstaten. Hoe dichter bij de burger het werk van de Europese
Unie zichtbaar wordt, hoe transparanter de Unie wordt. Een vraag is wel welke
gevolgen deze verdichting van contacten tussen lokaal, regionaal en Europees
bestuur heeft voor het functioneren van de rijksoverheid. Het is van belang
de nodige synergie te bewerkstelligen tussen de verschillende bestuurslagen
als het gaat om beleid of wetgeving van de Europese Unie die alle bestuurslagen
raakt. Daarbij moeten ook de uit dit proces mogelijk voortvloeiende
bestuurlijke risico's onder ogen worden gezien. Het toenemende belang van
Europese wetgeving en beleid voor de decentrale overheden kan tot frictie
leiden tussen die overheden en de nationale staat. Het nationale belang kan
een ander belang zijn dan het decentrale belang. Die frictie moet zoveel mogelijk
worden voorkomen. Dat kan door vroegtijdig informatie uit te wisselen. Het
rijk en IPO en VNG hebben hierin een taak. In het kabinetsstandpunt op het
Rob-advies «Wijken of herijken»<voetref refid="v8.1" nr="1"></voetref> heeft
het kabinet een eerste stap gezet om deze taak vorm te geven. Daarin heeft
het kabinet voorgesteld het al enige tijd bestaande overleg tussen het Ministerie
van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
IPO en VNG te formaliseren. Het Europa-overleg rijk-IPO-VNG, zoals het overleg
nu heet, staat onder voorzitterschap van BZK en bespreekt onder meer de agenda
van de commissie Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen. Overigens kunnen
ook andere departementen op ad hoc-basis deelnemen aan dit overleg. Op de
fiches inzake de nieuwe Commissievoorstellen, die ook worden toegezonden aan
de Tweede Kamer en de Nederlandse leden van het Europees Parlement toekomen,
staat aangegeven welke gevolgen een voorstel heeft voor de decentrale overheden.
Op deze wijze kunnen IPO en VNG in een vroeg stadium hun stem laten horen,
en kan het rijk tijdig rekening houden met hun inbreng. Het Europa-overleg
rijk-IPO-VNG is in december vorig jaar van start gegaan.</al>
      <al>Het is nog te vroeg om het effect van dit overleg voor de decentrale overheden
goed in kaart te kunnen brengen. Het kabinet is voornemens dit overleg met
IPO en VNG begin 2002 te evalueren.</al>
      <tuskop letat="vet">2.4 Kenniscentrum Europa-decentrale overheden</tuskop>
      <al>Het formaliseren van het Europa-overleg Rijk-IPO-VNG is een verdere stap
op weg naar het meer betrekken bij en bewust maken van de decentrale overheden
van de gevolgen en mogelijkheden die de Europese Unie hun biedt.</al>
      <al>Gelet op de autonomie van gemeenten en provincies is het de eigen verantwoordelijkheid
van de decentrale overheden om in hun beleid rekening te houden met de gevolgen
van Europese wet- en regelgeving. De complexiteit van het Europese recht en
de snelle ontwikkelingen maken het evenwel moeilijk voor afzonderlijke provincies
en gemeenten om daarvan voldoende en tijdig op de hoogte te zijn. Om gemeenten
en provincies te ondersteunen bij het inbedden van Europees beleid en regelgeving
in het eigen autonome gebied, is het kabinet bereid een kennis/coördinatiecentrum
Europa en decentrale overheden te faciliteren. Gezamenlijk met IPO en VNG
zullen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het
Ministerie van Buitenlandse Zaken de oprichting van het kenniscentrum voorbereiden.
Het voornemen is het centrum van start te laten gaan op 1 januari 2001. Dit
centrum zal gemeenten en provincies informeren over de gevolgen van de Europese
wet- en regelgeving op hun beleidsterreinen. Daarnaast zal het centrum een
rol gaan spelen ten behoeve van gemeenten en provincies in de voorbereidende
fase van het Europese beleid, waarbij gedacht kan worden aan het analyseren
van de gevolgen voor decentrale overheden van voorstellen van de Europese
Commissie en ander voorgenomen Europees beleid. In verband met de verantwoordelijkheden
en de aansprakelijkheid van decentrale overheden conform het Europese recht
is van belang dat deze overheden zich tijdig voorbereiden op de rechtsgevolgen
van besluitvorming door instellingen van de Europese Unie. Tevens zullen die
decentrale overheden door adequate monitoring en analyse van voorgenomen Europese
regelgeving en beleid beter in staat kunnen zijn hun stem te laten horen in
de voorbereiding van Nederlandse standpunten in Raad en Parlement. Hierbij
stelt het kabinet wel als voorwaarde dat de beantwoording van deze
vragen geen vertraging mag opleveren in de nationale besluitvorming zoals
bijvoorbeeld in de Commissie Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC).</al>
      <al>Een belangrijke taak van het kenniscentrum is verder het opbouwen en bundelen
van kennis en expertise, onder meer door het onderhouden van contacten met
andere instituten die raakvlakken hebben met het Europese recht. Om die reden
liggen contacten met het in oprichting zijnde Expertisecentrum Grensoverschrijdende
Samenwerking (ECGS) zeker in de reden. Het ECGS richt zich in hoofdzaak op
de problematiek van ondernemers in de grensstreek en van de grensarbeiders,
waarbij met name de verschillen in de nationale regelgeving aan weerszijden
van de Duits-Nederlandse en Belgisch-Nederlandse grens centraal staan. De
provincie Limburg neemt, in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties, hier het voortouw<voetref refid="v9.1" nr="1"></voetref>. Door
het ECGS zal nauw worden samengewerkt met andere instanties, zoals het fiscale
«Steunpunt Grensstreek» dat de belastingdienst in februari 2000
in het leven heeft geroepen.</al>
      <al>De Minister van Justitie werkt op dit moment onder meer aan een (virtueel)
kenniscentrum Europees recht voor de rechterlijke macht. De vormgeving daarvan
vindt in afstemming met de rechterlijke macht plaats. Gelet op mogelijke raakvlakken
met het kenniscentrum voor decentrale overheden zal de Minister van Justitie
betrokken worden bij de verdere uitwerking van het kenniscentrum voor decentrale
overheden.</al>
      <tuskop letat="vet">HOOFDSTUK 3. GRENSOVERSCHRIJDENDE SAMENWERKING</tuskop>
      <tuskop letat="vet">3.1 Inleiding</tuskop>
      <al>Niet alleen de ontwikkelingen van de Europese Unie hebben bijgedragen
aan groeiende belangstelling voor en deelname aan grensoverschrijdende samenwerking
van decentrale overheden, ook van het buurlandenbeleid van de rijksoverheid
zijn impulsen uitgegaan. Verscheidende departementen bewegen zich actief op
het vlak van de grensoverschrijdende samenwerking. Een overzicht van deze
activiteiten is opgenomen in bijlage A.</al>
      <al>Ook de grensoverschrijdende samenwerking van de lokale en regionale autoriteiten
zelf is de laatste decennia toegenomen. Soms werken zij rechtstreeks samen
met hun buren, dan weer in samenwerkingsverbanden met andere lokale en regionale
autoriteiten, de zogenaamde euregionale samenwerkingsverbanden. Een overzicht
van de instrumenten op grond waarvan dit beleid gestalte krijgt is opgenomen
in bijlage B. In dit hoofdstuk zal met name de bilaterale grensoverschrijdende
samenwerking tussen lokale en regionale autoriteiten aan weerszijden van de
grens worden beschreven.</al>
      <tuskop letat="vet">3.2 Samenwerking in Europa</tuskop>
      <al>Lokale en regionale autoriteiten zijn in de loop der jaren steeds meer
gaan samenwerken met hun «evenknieën» in Europa.</al>
      <al>Uit recent onderzoek van de VNG<voetref refid="v9.2" nr="2"></voetref> blijkt dat
driekwart van alle Nederlandse gemeenten momenteel op enigerlei wijze aan
gemeentelijke internationale samenwerking deelneemt. Dit gebeurt binnen uiteenlopende
verbanden, variërend van niet geformaliseerde vriendschapsbanden en tijdelijke
projecten tot structurele samenwerkingsrelaties gebaseerd op een officiële
overeenkomst of zelfs hele netwerken van gemeenten.</al>
      <al>Ongeveer 170 Nederlandse gemeenten werken samen met een partnergemeente
in een ontwikkelingsland, terwijl meer dan 250 gemeenten samenwerkingsrelaties
onderhouden met gemeenten in Midden- en Oost-Europa. Deze laatstgenoemde contacten
zijn vooral na de val van de Muur ontstaan. Verder zijn er talloze
contacten met partners binnen de Europese Unie en in andere westerse landen.
Zo hebben ruim tweehonderd Nederlandse gemeenten zogenaamde jumelages met
gemeenten in Duitsland en België.</al>
      <al>Er bestaat een grote verscheidenheid zowel in de aard van al deze contacten
als in de landen waar Nederlandse gemeenten samenwerkingspartners hebben.
Vanwege die grote verscheidenheid aan contacten is overdracht van kennis en
ervaringen tussen Nederlandse gemeenten onderling dus niet altijd van toepassing.
In geval van concentraties van contacten met partners in een bepaald land
vinden er overigens wel – al dan niet in VNG-verband – bijeenkomsten
van de Nederlandse gemeenten plaats die contacten hebben in hetzelfde land.
Recentelijk is er bijvoorbeeld een bijeenkomst geweest onder leiding van de
VNG van gemeenten die contacten hebben met Hongaarse gemeenten.</al>
      <al>Gemeentelijke samenwerking met partners in ontwikkelingslanden vindt veelal
plaats in de vorm van overdracht van financiële en materiële middelen.
Het beleidsterrein dat hierbij de meeste aandacht krijgt is het terrein van
onderwijs en scholing, maar ook aan terreinen als gezondheidszorg, agrarische
zaken en algemeen bestuur wordt veel aandacht besteed. De samenwerking met
partners in Midden- en Oost-Europa is vooral gericht op het faciliteren van
contacten van particuliere initiatieven in beide gemeenten. Ook wordt er veel
bestuurlijke en/of technische assistentie verleend, wat met name gebeurt op
het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en scholing. Met partners binnen
de EU en in andere westerse landen wordt vooral samengewerkt op beleidsterreinen
als cultuur, sport en toerisme.</al>
      <al>Wat betreft de aansturing van internationale samenwerking kan in het algemeen
opgemerkt worden dat deze in veel gevallen is ingebed in de gemeentelijke
organisatie. Daar waar dit niet het geval is, maar waar het initiatief van
de samenwerking ligt bij een stichting of particuliere organisatie, blijken
gemeenten als geldschieter vaak toch nog grote invloed te hebben op de samenwerking.</al>
      <al>Gesteld kan worden dat gemeentelijke internationale samenwerking in de
loop der jaren een sterke ontwikkeling heeft doorgemaakt. Op uiteenlopende
beleidsterreinen werken Nederlandse gemeenten tegenwoordig samen met partners
over vrijwel de hele wereld. Bovendien valt er bij de gemeenten een toename
te constateren in zowel aandacht als materiële steun voor internationale
samenwerking. Met name in de gemeenten van boven de 100 000 inwoners
zijn de uitgaven in de afgelopen jaren gestegen, tot meer dan f 100 000,–
per jaar in 1999 (exclusief arbeidskosten) in tweederde van de gevallen. Gemeenten
van een grootte van tussen de 50 000 en 100 000 inwoners geven over
het algemeen f 50 000,– of meer uit, terwijl in de meeste
kleinere gemeenten niet meer dan f 20 000,– wordt besteed
aan internationale samenwerking.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het perspectief van deze notitie wordt een bijzondere categorie gevormd
door gemeentelijke en provinciale samenwerkingsverbanden tussen Nederland
en Duitsland en tussen Nederland en België. Voorbeelden daarvan zijn
de samenwerking tussen de Nederlandse gemeente Kerkrade en de Duitse gemeente
Herzogenrath (het openbaar lichaam Eurode) en de Nederlandse gemeente Baarle-Nassau
en de Belgische gemeente Baarle-Hertog (het gemeenschappelijk orgaan Baarle).
Ook kan hierbij gewezen worden op de euregionale samenwerking die soms formeel
en soms informeel van opzet is. Op de structuur van de Nederlands-Duitse en
Nederlands-Belgische euregio's wordt in paragraaf 3.4 nader ingegaan.</al>
      <tuskop letat="vet">3.3. Euregionale samenwerking</tuskop>
      <al>De Europese Unie kent op dit moment zo'n zeventig verschillende grensoverschrijdende
samenwerkingsverbanden. Ook met landen buiten de Europese Unie bestaan dergelijke
samenwerkingsverbanden. Hoewel in veel gebieden de samenwerking pas in de
jaren tachtig en negentig werkelijk op gang is gekomen, zijn in andere gebieden
al geruime tijd daarvoor grensoverschrijdende activiteiten ontplooid ten behoeve
van de behartiging van gemeenschappelijke belangen. Zo hebben in de jaren
zestig en zeventig bijvoorbeeld talrijke provincies, kantons en andere decentrale
overheden in de Alpenlanden multilaterale samenwerkingsverbanden opgericht
met als doel de bescherming en ontwikkeling van de Alpen<voetref refid="v11.1" nr="1"></voetref>.</al>
      <al>Behalve door een weinig geïnstitutionaliseerde structuur worden deze
en andere soortgelijke verbanden gekenmerkt door hun grootte qua deelnemersaantal
en vooral hun grootte qua gebiedsoppervlakte. Daarnaast zijn in de laatste
decennia tientallen samenwerkingsverbanden ontstaan die minder grote gebieden
beslaan, maar waarbinnen van een veel intensievere en meer omvattende grensoverschrijdende
samenwerking sprake is. Inmiddels werken decentrale overheden in de Europese
Unie samen op een groot aantal terreinen, uiteenlopend van transport en energie
tot toerisme en onderwijs. Dit vindt veelal plaats in structuren die als «euregio»
worden aangeduid, terwijl men ook variaties kan aantreffen als «euroregio»
of «Europaregio». (Hierbij dient te worden opgemerkt dat, hoewel
op zich van toepassing, het gebruik van een dergelijke term in sommige gevallen
achterwege is gelaten, in tegenstelling tot andere verbanden die wel onder
een dergelijke naam werkzaam zijn zonder dat er in feite sprake is van grensoverschrijdende
samenwerking). De meeste van deze euregionale samenwerkingsverbanden treft
men aan langs de grenzen van Duitsland en de omringende buurlanden, maar ook
elders in Europa zijn grensregio's een hechte samenwerking aangegaan. Als
voorbeelden kunnen worden genoemd de Euregio Tirol aan de Italiaans-Oostenrijkse
grens, de Grieks-Bulgaarse Euroregio Nestos/Mesta en de Euroregio Midi-Pyrénées/Languedoc-Roussillon/Cataluña
in het grensgebied van Frankrijk en Spanje. Ook in de landen van Midden- en
Oost-Europa ontstaan steeds meer van dergelijke structuren van grensoverschrijdende
samenwerking.</al>
      <al>Deze euregionale samenwerkingsverbanden vertonen in vele opzichten overeenkomsten,
zoals een permanent karakter en een eigen identiteit naast die van hun leden.
Dit betekent overigens niet dat hiermee een nieuwe bestuurslaag op lokaal
of regionaal niveau is ontstaan. De euregionale samenwerkingsverbanden kennen
vaak wel een eigen besluitvorming en beschikken over eigen administratieve
en financiële middelen en expertise. Daarnaast hebben vrijwel alle euregio's
in de EU een belangrijke rol toegewezen gekregen in de uitvoering van het
INTERREG-programma<voetref refid="v11.2" nr="2"></voetref>.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naast overeenkomsten bestaan er echter ook aanzienlijke verschillen tussen
de euregionale samenwerkingsverbanden. Vooral de verscheidenheid in juridische
status springt in het oog. In sommige gevallen is slechts sprake van een belangengroep
zonder rechtspersoonlijkheid zoals de Duits-Pools-Tsjechische Euroregio Neisse,
in andere gevallen gaat het om privaatrechtelijke verenigingen zoals de Euregio
Saar-Lor-Lux in de voormalige mijnbouwstreek langs de Rijn, welke bovendien
niet alleen een aantal regio's omvat (het Saargebied en Lotharingen) maar
ook het gehele groothertogdom Luxemburg.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het gaat te ver om hier een uitputtende beschrijving te geven van alle
grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden in Europa. De hiervoor aangehaalde
voorbeelden zijn dan ook vooral bedoeld om de langs de Nederlandse
grens ontstane samenwerkingsverbanden in een vergelijkend perspectief te kunnen
plaatsen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Samenvattend kan gesteld worden dat in grote lijnen vier soorten van grensoverschrijdende
samenwerkingsverbanden in Europa te onderscheiden zijn<voetref refid="v12.1" nr="1"></voetref>:</al>
      <al>1. informele grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden (vb. jumelages),</al>
      <al>2. geïnstitutionaliseerde (niet-juridische) samenwerkingsvormen (vb.
EUREGIO),</al>
      <al>3. privaatrechtelijke samenwerkingsverbanden (vb. Euregio Maas-Rijn),</al>
      <al>4. publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden (vb. Euregio Rijn-Waal).</al>
      <tuskop letat="vet">3.4 Euregionale samenwerking Nederland-Duitsland en Nederland-België</tuskop>
      <al>Nederland heeft in de jaren tachtig en negentig met België de Benelux-Overeenkomst
inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale samenwerkingsverbanden
of autoriteiten gesloten, en met Duitsland de Duits-Nederlandse Overeenkomst
inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen
of autoriteiten<voetref refid="v12.2" nr="2"></voetref>. Deze overeenkomsten maken het
mogelijk dat grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden zich publiekrechtelijk
organiseren. De overeenkomsten bieden drie vormen van grensoverschrijdende
samenwerking: de administratieve afspraak, het gemeenschappelijk orgaan en
het openbaar lichaam. De administratieve afspraak is de meest lichte vorm
van samenwerking. Het gemeenschappelijk orgaan is een tussenvorm. Het is een
publiekrechtelijk platform, zonder gelede structuur, voor overleg tussen lokale
overheden aangaande grensoverschrijdende aangelegenheden. Het biedt deze overheden
een vaste overlegstructuur en kan desgewenst worden voorzien van bestuurlijke
bevoegdheid, dit betekent de bevoegdheid om de deelnemende partijen te binden.
Het openbaar lichaam is een publiekrechtelijk orgaan, dat in tegenstelling
tot het gemeenschappelijk orgaan rechtspersoonlijkheid bezit. Dit houdt in
dat het openbaar lichaam zelf middelen kan werven, eigen personeel in dienst
kan nemen, en (althans een openbaar lichaam opgericht op grond van de Benelux-Overeenkomst)
de burgers bindende besluiten kan nemen. Bovendien kunnen op basis van de
Benelux-Overeenkomst bevoegdheden van regelgeving en bestuur worden overgedragen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Nederland kent vanouds zeven zogenaamde euregio's, namelijk de Eems Dollard
Regio (EDR), de EUREGIO, de Euregio Rijn-Waal, de euregio Rijn-Maas-Noord,
de Euregio Maas-Rijn, het Benelux Middengebied en de Euregio Scheldemond.</al>
      <al>Sinds kort kan hieraan de Euregio de Wadden worden toegevoegd, welke in
1999 is opgericht door de Nederlandse, Duitse en Deense Waddeneilanden. Dit
privaatrechtelijke samenwerkingsverband bestaat uit een aantal verenigingen
onder één bestuur die alleen met elkaar in vergadering bij meerderheid
besluiten kunnen nemen. De Euregio de Wadden staat echter nog in de kinderschoenen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast bestaan de Nieuwe Hanze Interregio (provinciaal samenwerkingsverband
tussen de provincies Groningen, Fryslân, Drenthe, Overijssel en de Duitse
Länder Nedersaksen en Bremen), BENEGO (Nederlandse en Belgische grensgemeenten),
Eurode (samenwerkingsverband tussen de gemeenten Kerkrade en Herzogenrath)
en het gemeenschappelijke orgaan Baarle (samenwerkingsverband tussen de gemeenten
Baarle-Hertog en Baarle-Nassau). Tenslotte zijn er nog verschillende stedelijke
netwerken zoals bijvoorbeeld het MHAL (samenwerkingsverband tussen de steden
Maastricht, Heerlen, Hasselt, Aken en Luik). Voor een zo compleet
mogelijk overzicht van de grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden die
Nederland kent, kan verwezen worden naar de databank van de Benelux Economische
Unie<voetref refid="v13.1" nr="1"></voetref> en het Vademecum Belgisch-Nederlandse betrekkingen
van het Ministerie van Buitenlandse Zaken<voetref refid="v13.2" nr="2"></voetref>.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In deze paragraaf wordt kort stilgestaan bij de structuur, organisatie
en doelstellingen van de genoemde Nederlands-Duitse en Nederlands-Belgische
euregionale samenwerkingsverbanden.</al>
      <tuskop letat="cur">EDR</tuskop>
      <al>De in 1977 opgerichte Eems Dollard Regio (EDR) is sinds 1 januari 1998
een Nederlands-Duits grensoverschrijdend openbaar lichaam. De EDR omvat gemeenten,
intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, Kreisen, Kamers van Koophandel
en andere publiekrechtelijke organisaties in het gebied van de provincies
Groningen en Drenthe, de Landkreisen in Ostfriesland, de Kreisfreie Stadt
Emden en de Landkreis Emsland.</al>
      <al>Doelstelling van de EDR is de bevordering van de samenwerking en versterking
van de grensoverschrijdende contacten in dit gebied. De belangrijkste organen
van de EDR zijn het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en het secretariaat.
Elk lid van de EDR is vertegenwoordigd in het Algemeen Bestuur, dat uit zijn
midden weer het Dagelijks Bestuur kiest.</al>
      <tuskop letat="cur">EUREGIO</tuskop>
      <al>In de in 1958 opgerichte EUREGIO werken ruim honderd Duitse en Nederlandse
gemeenten in het grensgebied tussen de rivieren Rijn, IJssel en Ems samen.
Vanuit de drie regionale samenwerkingsverbanden Regio Achterhoek, Regio Twente
en Kommunalgemeinschaft Rhein-Ems wordt gepoogd de grensoverschrijdende integratie
binnen het EUREGIO-gebied te bevorderen en daarmee de economische structuur
van het gebied en de levensstandaard van de inwoners te bevorderen. Het hoogste
orgaan is de EUREGIO-raad, een regionaal parlement waarin Nederlandse en Duitse
lokale politici in grensoverschrijdende fracties samenwerken. Het dagelijks
bestuur wordt gevormd door de EUREGIO-Arbeitsgruppe, welke wordt ondersteund
door het secretariaat. Daarnaast bestaan er verscheidene werkgroepen, waaronder
de op sociaal-cultureel gebied werkzaam zijnde Mozercommissie.</al>
      <tuskop letat="cur">Euregio Rijn-Waal</tuskop>
      <al>In 1978 opgericht als een vrijblijvend orgaan voor grensoverschrijdende
samenwerking heeft de Euregio Rijn-Waal sinds 1993 de rechtsvorm van een Nederlands-Duits
grensoverschrijdend openbaar lichaam. Meer dan vijftig Nederlandse en Duitse
gemeenten<voetref refid="v13.3" nr="3"></voetref>, regionale overheden en instanties
in het grensgebied rond Rijn, Waal en Maas maken er deel van uit. De Euregio
Rijn-Waal heeft zich tot doel gesteld de maatschappelijke integratie in het
gebied te bevorderen door middel van het organiseren van grensoverschrijdende
samenwerking. De euregionale organisatie bestaat uit de Euregioraad, het Dagelijks
Bestuur, het secretariaat en diverse themawerkgroepen.</al>
      <tuskop letat="cur">Euregio Rijn-Maas-Noord</tuskop>
      <al>De in 1978 opgerichte euregio Rijn-Maas-Noord is een vrijwillig samenwerkingsverband
van gemeenten, gewesten, Kreisen en Kamers van Koophandel in het Nederlands-Duitse
grensgebied tussen Rijn en Maas<voetref refid="v13.4" nr="4"></voetref>. De euregio
streeft naar het opheffen van bestaande belemmeringen aan de grens en het
tot elkaar brengen van de inwoners aan weerszijden van die grens.
Aan het hoofd van de organisatie staat de Regioraad, welke is samengesteld
uit vertegenwoordigers van alle deelnemers aan de euregio. De Regiocommissie
draagt zorg voor de voorbereiding en uitvoering van de besluiten van de raad,
waarbij zij wordt ondersteund door het secretariaat. Verder zijn er enkele
werkgroepen die zijn belast met de projectvoorbereiding.</al>
      <tuskop letat="cur">EMR</tuskop>
      <al>De Euregio Maas-Rijn (EMR) is opgericht in 1976. In 1991 kreeg de EMR
een juridische status in de vorm van een stichting volgens Nederlands recht.
De leden van deze stichting zijn de Nederlandse en de Belgische provincie
Limburg, de provincie Luik, de Regio Aachen en de Duitstalige Gemeenschap
in België. Het doel van de stichting is om grensbelemmeringen af te bouwen,
sociaal-economische factoren te verbeteren, contacten tussen de burgers te
stimuleren en samenwerking tussen instellingen en bedrijven in het grensgebied
te bevorderen. Het hoogste besluitvormingsorgaan van de EMR is het Bestuur,
waarin de bestuurders van de verschillende partnerregio's zitting hebben.
Het belangrijkste adviesorgaan is de in 1995 gevormde Euregioraad met afvaardigingen
van politieke, economische en maatschappelijke instanties in het gebied van
de EMR. De dagelijkse administratieve werkzaamheden worden gedaan door het
Bureau van de EMR. Daarnaast bestaan er enkele stuurgroepen voor de coördinatie
van de activiteiten van de Euregio Maas-Rijn op elk afzonderlijk aandachtsgebied.</al>
      <tuskop letat="cur">Benelux Middengebied</tuskop>
      <al>De deelnemende overheden aan de euregio Benelux Middengebied zijn de Nederlandse
provincies Noord-Brabant en Limburg en de Belgische provincies Antwerpen en
Limburg en het arrondissement Leuven. Het Benelux Middengebied is een vrijblijvend
grensoverschrijdend samenwerkingsverband zonder lidmaatschap in formele zin.
Doelstelling is het bevorderen van de regionale economische ontwikkeling en
het versterken van de grensoverschrijdende samenwerking in het gebied.</al>
      <tuskop letat="cur">Euregio Scheldemond</tuskop>
      <al>De Euregio Scheldemond is een interprovinciaal grensoverschrijdend samenwerkingsverband
tussen de provincies Oost- en West-Vlaanderen en de provincie Zeeland. In
1993 kreeg de reeds lang bestaande samenwerking in dit grensgebied de status
van een gemeenschappelijk orgaan. Tegelijkertijd werd de Scheldemondraad opgericht,
waarin de bestuurders van de drie provincies zetelen en vertegenwoordigers
van een aantal gemeenten en enkele andere instanties in het gebied. Naast
het Dagelijks Bestuur en het secretariaat zijn er verder nog verscheidene
vakgroepen die als overlegplatform fungeren voor de verschillende beleidsdomeinen.
In oktober 1999 zijn de statuten van het gemeenschappelijk orgaan geactualiseerd
en hebben ook de gemeenten in het gebied een belangrijke rol gekregen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Al deze samenwerkingsverbanden hebben een eigen historische oorsprong
en achtergrond. Zo zorgden problemen in een gemeenschappelijke industrie (textiel)
voor intensivering van de contacten tussen Gronau en Enschede en leidden die
contacten uiteindelijk tot het samenwerkingsverband EUREGIO. In het noorden
groeiden contacten tussen Kamers van Koophandel en Industrie und Handelskammer
en tussen burgemeesters uit tot het samenwerkingsverband EDR. De komst van
het INTERREG-initiatief in 1990 heeft ertoe geleid dat de samenwerking over
de grens in een stroomversnelling raakte. In korte tijd raakte de hele Nederlands-Duitse en Nederlands-Belgische grens bedekt met grensoverschrijdende
samenwerkingsverbanden. Door de mogelijkheid om subsidies te verwerven werden
ook besturen actief die dit voorheen niet waren, waardoor tussen de verschillende
samenwerkingsverbanden om die gelden concurrentie ontstond. Zo zijn het Benelux
Middengebied en de Euregio Scheldemond ontstaan.</al>
      <al>Aan de Nederlands-Duitse grens was het grensgebied al bedekt met euregio's
op het moment dat Europese middelen beschikbaar kwamen. De provincies, die
niet als lid aan de euregio's deelnamen (in tegenstelling tot de euregionale
samenwerkingsverbanden aan de grens met België), hadden de slag gemist.
Omdat het bij het INTERREG-initiatief gaat om regionale zaken vonden zij zich
de aangewezen overheidsorganen om grensoverschrijdend samen te werken. De
vier noordelijke provincies zochten daarom toenadering tot de Duitse Länder
Nedersaksen en Bremen. Steunend op een gemeenschappelijke cultuur en relatieve
economische achterstand, werd in 1991 de Nieuwe Hanze Interregio opgericht.
Echter het nieuwe samenwerkingsverband kon in tegenstelling tot de gekoesterde
verlangens geen aanspraak maken op INTERREG-gelden.</al>
      <tuskop letat="vet">3.5 Bestuurlijke inbedding</tuskop>
      <al>De Benelux-Overeenkomst en het Anholt-Verdrag maakten het mogelijk dat
de samenwerkingsverbanden zich publiekrechtelijk gingen organiseren. Het verwerven
van een publiekrechtelijke status en het daarmee inluiden van een nieuwe fase,
was een middel om de samenwerking te intensiveren. Voordeel van een publiekrechtelijke
status (zoals die is geregeld in de Benelux-Overeenkomst) ten opzichte van
een privaatrechtelijke status is dat de deelnemers hun eigen wetgevings- en
bestuurstaken kunnen overdragen aan het grensoverschrijdend openbaar lichaam.
Met dit punt hangt samen dat een grensoverschrijdend vertegenwoordigend lichaam
in het leven kan worden geroepen, die de burgers bindende besluiten kan nemen.
Het Anholt-Verdrag maakt ook een publiekrechtelijke status mogelijk, echter
niet zo vergaand als die van de Benelux-Overeenkomst. Een grensoverschrijdend
openbaar lichaam op grond van het Anholt-Verdrag kan niet de burgers bindende
besluiten nemen.</al>
      <al>Verschillende euregio's hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om
een grensoverschrijdend openbaar lichaam te vormen. Zo heeft de Euregio Rijn-Waal
hier gebruik van gemaakt en werd in 1993 een grensoverschrijdend openbaar
lichaam. De Euregio Scheldemond koos de wat lichtere vorm van publiekrechtelijke
samenwerking en werd in 1993 een gemeenschappelijk orgaan. De Euregio Scheldemond
heeft in 1999 haar statuten geactualiseerd zodanig dat ook een gemeentelijke
invloed mogelijk is gemaakt. In 1998 koos ook de EDR voor de constructie van
een grensoverschrijdend openbaar lichaam, de meest vergaande vorm van samenwerking
op basis van de genoemde verdragen.</al>
      <al>Naast de genoemde euregio's hebben ook gemeenten gebruik gemaakt van de
mogelijkheden van de Overeenkomsten. Zo hebben de Nederlandse gemeente Kerkrade
en de Duitse gemeente Herzogenrath gekozen voor een publiekrechtelijk orgaan,
het zogenaamde Eurode. De Nederlandse gemeente Baarle-Nassau en de Belgische
gemeente Baarle-Hertog werken samen in het gemeenschappelijk orgaan Baarle.
Het Nederlands-Belgische gemeentelijke samenwerkingsverband BENEGO is een
grensoverschrijdend openbaar lichaam.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hoewel de Nederlands-Duitse en de Nederlands-Belgische grens nog niet
geheel bedekt zijn met publiekrechtelijke grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden<voetref refid="v15.1" nr="1"></voetref>, valt de laatste jaren toch een toename van het gebruik
van de bestaande instrumenten te constateren. Dit is een positieve ontwikkeling.
Willen euregio's in de toekomst bestaansrecht houden, dan is een hechte en
bestendige bestuurlijke inbedding noodzakelijk. Euregio's zullen
moeten zorgen voor een eigen bestuurlijk en financieel draagvlak in hun regio
willen zij na het eventueel wegvallen van het INTERREG-initiatief nog kunnen
blijven functioneren. Een proces dat vooral van onderop gestalte moet krijgen
en waarbij de rijksoverheid een stimulerende en faciliterende rol speelt.
Een vraag die hierbij van belang is, is of de bestaande instrumenten voldoende
aanknopingspunten bieden voor die bestuurlijke inbedding.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Hoewel van de Nederlands-Duitse grensregio's alleen de Euregio Rijn-Waal
en de EDR gebruik hebben gemaakt van het Anholt-Verdrag, zijn de euregio's
aan de Nederlands-Duitse grens van mening dat het Anholt-Verdrag niet voldoende
ver gaat in de bevoegdheden. Dit zou een reden zijn waarom zij geen gebruik
hebben gemaakt van het Anholt-Verdrag. Concreet gaat het daarbij dan om twee
punten:</al>
      <al>1. Grensoverschrijdende openbare lichamen kunnen geen besluiten nemen
die de burgers binden. De euregio's zouden graag zien dat hun vertegenwoordigend
lichaam ook de burgers bindende besluiten zou kunnen nemen.</al>
      <al>Artikel 24 van de Duitse Grondwet lijkt thans geen formele belemmering
meer voor de aanpassing aan het Anholt-Verdrag op dit punt. De Staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft overleg geopend met de
Duitse autoriteiten over een zodanige aanpassing van het Anholt-Verdrag dat
een grensoverschrijdend openbaar lichaam in het vervolg de burgers bindende
besluiten kan nemen.</al>
      <al>2. Het «fiscale probleem» van de werknemers in dienst van
een dergelijk grensoverschrijdend openbaar lichaam.</al>
      <al>Op grond van het Anholt-Verdrag is het recht van de staat waar de zetel
van het grensoverschrijdend openbaar lichaam is gevestigd van toepassing op
de werknemers in dienst van dat grensoverschrijdend openbaar lichaam. Een
grensoverschrijdend openbaar lichaam met een zetel in Duitsland kan als gevolg
hiervan slechts Duitse werknemers in dienst hebben c.q. nemen. Om ook Nederlandse
ambtenaren in dienst te kunnen nemen, werd ten tijde van het sluiten van het
Anholt-Verdrag afgesproken hiervoor de detacheringsvorm te kiezen. Door de
deelnemers aan het grensoverschrijdend openbaar lichaam kunnen ambtenaren
gedetacheerd worden bij het grensoverschrijdend openbaar lichaam. Zo leveren
bijvoorbeeld de gemeenten Wijchen en Wageningen twee ambtenaren aan het grensoverschrijdend
openbaar lichaam Euregio Rijn-Waal. In 1998 dreigde echter de Duitse fiscus
deze twee ambtenaren aan te slaan voor de loonbelasting omdat zij feitelijk
in Duitsland werkzaam zijn. Nederland heeft aan de bevoegde fiscale autoriteiten
van de Duitse bondsregering voorgesteld om voor gedetacheerde werknemers die
(beoordeeld naar de feiten en omstandigheden van het geval) niet geacht kunnen
worden in materiële zin in dienstbetrekking te zijn van het grensoverschrijdend
openbaar lichaam, op grond van het Nederlands-Duitse belastingverdrag onderling
een regeling te treffen waarbij de belastingheffing over de arbeidsinkomsten
van die medewerkers (die tijdelijk gedetacheerd zijn bij een grensoverschrijdend
openbaar lichaam) over te laten aan het land van waaruit zij gedetacheerd
zijn. Daarbij is als voorwaarde gesteld dat het dienstverband met de uitzendende
instantie materieel in stand is gebleven. Voor het geval over dat –
binnen de context van het Nederlands-Duitse belastingverdrag passende –
voorstel geen overeenstemming kan worden bereikt, is aan het Ministerie van
Financiën in Bonn voorgesteld om op korte termijn besprekingen aan te
vangen over een aanvullend protocol bij dit belastingverdrag.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Beide door de euregio's gesignaleerde knelpunten worden derhalve op dit
moment besproken met de Duitse autoriteiten. </al>
      <tuskop letat="vet">3.6 Rol van de provincies bij grensoverschrijdende samenwerking</tuskop>
      <al>De provincies spelen bij grensoverschrijdende samenwerking in euregionale
samenwerkingsverbanden uiteenlopende rollen. De provincies Limburg, Noord-Brabant
en Zeeland zijn partners en mede-oprichters van de Nederlands-Belgische euregio's.
De provincies Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland participeren niet
formeel in de Nederlandse-Duitse euregio's. Wel zijn zij soms partners in
projecten die door de euregio's worden uitgevoerd in het kader van INTERREG.</al>
      <al>De provincies Groningen, Fryslân, Drenthe, Overijssel werken met
de Duitse Länder Nedersaksen en Bremen wel samen in de Nieuwe Hanze Interregio,
een samenwerkingsverband dat gericht is op versterking van die regio, in aanvulling
op dat wat de EDR en de EUREGIO in dit kader reeds doen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De rol van de provincies in euregionale samenwerkingsverbanden krijgt
een nieuw accent in het kader van het INTERREG-programma<voetref refid="v17.1" nr="1"></voetref>. Zo wordt de provincie Overijssel belast met de besteding van de door
het Ministerie van Economische Zaken beschikbaar gestelde cofinanciering voor
de uitvoering van het programma voor de EUREGIO, de provincie Gelderland voor
het programma van de Euregio Rijn-Waal, de provincie Limburg voor de programma's
van de euregio rijn-maas-noord en Euregio Maas-Rijn, de provincie Noord-Brabant
voor het programma Benelux Middengebied en de provincie Zeeland voor het programma
Scheldemond<voetref refid="v17.2" nr="2"></voetref>.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De nieuwe rol van provincies bij het INTERREG-initiatief op het punt van
de cofinanciering vraagt om een visie van die provincies op de bestuurlijke
aspecten van grensoverschrijdende samenwerking. Zouden de provincies geen
partner moeten zijn bij euregionale samenwerkingsverbanden? Op die manier
wordt er ook een nieuwe bestuurlijke inbedding in de regio gecreëerd.
Of moeten de provincies juist meer afstand nemen gelet op hun financiële
toezicht op de euregio's? Het kabinet zal het IPO uitnodigen de rol van de
provincies in de grensoverschrijdende samenwerking nader te bespreken.</al>
      <tuskop letat="vet">3.7 Bevoegdheidsverdeling tussen de overheidslagen in
Duitsland en België</tuskop>
      <al>Hoewel de laatste jaren in ruime mate mogelijkheden gecreëerd zijn
om al dan niet formeel juridisch over de grenzen heen samen te werken, loopt
de grensoverschrijdende samenwerking niet altijd even soepel. Een belangrijke
oorzaak daarvan is het verschil in bestuurlijke inrichting en in bevoegdheden
van de diverse bestuurslagen in Nederland, Duitsland en België en de
wederzijdse onbekendheid met wie waarvoor verantwoordelijk is.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>– Duitsland<voetref refid="v17.3" nr="3"></voetref></al>
      <al>Conform het <nadruk type="cur">Bundesstaatprinzip</nadruk> is de Bondsrepubliek
verdeeld in een aantal deelstaten, die zijn verenigd in een Bond. De onderlinge
taakverdeling is zodanig dat de staatsbevoegdheden en de uitvoering van de
staatstaken toebehoren aan de deelstaten (Länder), voor zover de Grondwet
geen andere regeling treft of toelaat. De deelstaten hebben het recht wetgeving
tot stand te brengen voor zover de Grondwet dit niet aan de Bond heeft opgedragen.
De wetgeving van de deelstaten is in de praktijk beperkt tot onderwijs, cultuur,
politie en het gemeentewezen, taken die in Nederland zijn opgedragen aan de
nationale overheid. In de uitvoerende macht is er eveneens een verdeling tussen
Bond en deelstaten. De deelstaten kunnen de federale wetgeving in eigen beheer
uitvoeren voor zover de Grondwet het niet anders regelt. In de praktijk tekent
zich echter een tendens af naar een concentratie van wetgeving
op federaal niveau. Daarbij behouden de deelstaten het monopolie op de uitvoering.</al>
      <al>Het beginsel van <nadruk type="cur">kommunale</nadruk> of <nadruk type="cur">gemeindliche Selbstverwaltung</nadruk> heeft tot doel te voorkomen dat gemeenten
slechts uitvoeringsorganen van hogere overheden worden. Gemeenten mogen volgens
de wet plaatselijke aangelegenheden in eigen verantwoordelijkheid regelen.
Toch wordt de autonome sfeer van de Duitse gemeenten als beperkter ervaren
dan die van de Nederlandse. Dit wordt nog versterkt door het feit dat de Duitse
gemeenten weliswaar feitelijk een aparte bestuurslaag vormen, maar in staatsrechtelijke
zin onder het bestuursniveau van de <nadruk type="cur">Länder</nadruk> vallen.
Zo is de inrichting van de gemeentebesturen geregeld in de door de Länder
vast te stellen gemeentewetten. Daarnaast oefenen de <nadruk type="cur">Länder</nadruk> het toezicht uit op de gemeenten en hebben zij het recht van goedkeuring
ten aanzien van de gemeentelijke besluiten. Al met al is het toezicht op de
gemeenten in Duitsland strakker en uitgebreider geregeld dan in Nederland.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naast gemeenten behoren ook de zogenoemde <nadruk type="cur">Kreise</nadruk>
tot de <nadruk type="cur">kommunale Selbstverwaltung. Kreise</nadruk> zijn
samenwerkingsverbanden van gemeenten en worden ingesteld om de bestuurskracht
van kleinere gemeenten te ondersteunen dan wel te ontlasten. Daartoe voeren
zij specifieke taken uit, zoals op het gebied van de ziekenhuizen en het secundair
onderwijs. Verder voeren zij taken uit in opdracht van de deelstaat (<nadruk type="cur">Auftragsverwaltung</nadruk>) en ondersteunen zij de samenwerking
tussen de aangesloten gemeenten. Kreise vervullen dus zowel taken die de draagkracht
van gemeenten te boven gaan (<nadruk type="cur">Selbstverwaltungsangeleigenheiten</nadruk>) als gedeconcentreerde taken van de deelstaat (behalve in Nedersaksen).
Anders dan in de Nederlandse Wgr-gebieden kennen de Kreise een direct gekozen
volksvertegenwoordiging (Kreistag).</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Zoals eerder opgemerkt, voeren Duitse gemeenten hun taken uit enerzijds
in autonomie (<nadruk type="cur">Selbstverwaltung</nadruk>) en anderzijds
in medebewind (<nadruk type="cur">Auftragsverwaltung</nadruk>). Bij dit laatste
gaat het zowel om de uitvoering van bondswetten als landswetten. De uitvoering
van bondswet-taken is toevertrouwd aan de deelstaten, die deze op hun beurt
kunnen delegeren aan de gemeenten. De autonomie wordt beheerst door het beginsel
van <nadruk type="cur">Allzuständigkeit</nadruk> of <nadruk type="cur">Universalität des Wirkungskreises.</nadruk> Dit houdt in dat gemeenten
alle plaatselijke aangelegenheden kunnen regelen die niet door hogere instanties
zijn geregeld. Voor wat betreft de autonome taakuitoefening mag de deelstaat
uitsluitend toezicht houden op de rechtmatigheid. Voor de taakuitoefening
in medebewind mag de deelstaat ook aanwijzingen geven.</al>
      <al>De gemeenten zijn met name verantwoordelijk voor Ruimtelijke Ordening,
Volkshuisvesting en Welzijn (kinderopvang e.d.). Verder dragen ze zorg voor
Verkeer en Vervoer, Cultuur en (school)gebouwen. Terreinen waarvoor ook de
Nederlandse gemeenten zorgdragen. Omdat in Duitsland echter het toezicht scherper
is, beschikken de Duitse gemeenten over minder beleidsvrijheid dan de Nederlandse.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>– België</al>
      <al>De geschiedenis van de huidige staatsinrichting in België begint
in 1970, toen een baanbrekende grondwetsherziening de aanzet gaf tot de vorming
van een federale staat.</al>
      <al>België heeft sedert de laatste grondwetsherziening van 1993 op federaal
niveau de volgende territoriale indeling:</al>
      <al>1. de Vlaamse gemeenschap;</al>
      <al>2. het Vlaamse gewest;</al>
      <al>3. de Franse gemeenschap;</al>
      <al>4. het Waalse gewest;</al>
      <al>5. het Brussels Hoofdstedelijk gewest;</al>
      <al>6. de Duitstalige gemeenschap. </al>
      <al>De gemeenschappen en gewesten kregen in 1993 zelfstandige bevoegdheden
toegewezen. De federale staat, de gewesten en de gemeenschappen zijn in formele
zin elkaars gelijke, maar hebben bevoegdheden op verschillende domeinen. Het
uitgangspunt bij deze staatsinrichting is exclusiviteit<voetref refid="v19.1" nr="1"></voetref>: slechts één van de drie soorten instanties kan over
een bevoegdheid beschikken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Onder deze drie instanties volgen de provincies, waarvan er tien zijn.
De provincie heeft op haar grondgebied de verantwoordelijkheid voor alles
wat van provinciaal belang is. Dat is alles wat niet valt onder het algemeen
belang van de federale staat, de gemeenschappen en de gewesten, of onder het
gemeentelijk belang. Heel België is ingedeeld in provincies. Alleen het
grondgebied van Brussel als hoofdstedelijk gewest valt niet onder de jurisdictie
van een provincie. Het gewest treedt hier in de plaats van de provincie.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De gemeente voert taken uit in autonomie en in medebewind en is algemeen
bevoegd voor alles wat van lokaal belang is: onder meer op het gebied van
openbare werken, sociale bijstand, ordehandhaving, huisvesting en onderwijs.
De omschrijving van de gemeentelijke bevoegdheden is zodanig dat hogere overheden
steeds meer regels zijn gaan stellen op terreinen die eerst aan het lokaal
bestuur waren voorbehouden. In het Belgische staatsbestel hebben vooral de
gewesten steeds meer bevoegdheden aan zich getrokken en regels uitgevaardigd,<voetref refid="v19.2" nr="2"></voetref> waardoor de gemeentelijke taken voor het merendeel medebewindstaken
zijn geworden<voetref refid="v19.3" nr="3"></voetref>. De gemeentelijke autonome taken
bestaan vooral uit de bevoegdheden op het gebied van de politie, het beheer
van de burgerlijke stand en het bijhouden van de bevolkingsregisters. Door
deze ontwikkeling is de beleidsvrijheid van de Nederlandse gemeenten groter
dan die van de Belgische gemeenten. In Nederland kan een gemeente vanuit haar
autonomie bijvoorbeeld beslissen tot de bouw van een schouwburg, bibliotheek
of museum. In België is de beslissing tot de bouw van een schouwburg
niet enkel een beslissing van de betreffende gemeente, ook de gemeenschap
speelt daarin een rol vanwege haar verantwoordelijkheid voor de culturele
aangelegenheden op haar grondgebied.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Uit het voorgaande blijkt dat, als het gaat om grensoverschrijdende samenwerking,
naast de decentrale overheden ook de deelstaten in Duitsland en de gemeenschappen
of de gewesten in België taken en verantwoordelijkheden hebben. Dat maakt
grensoverschrijdende samenwerking tussen decentrale overheden soms gecompliceerd.
Sommige problemen die ontstaan bij grensoverschrijdende samenwerking zijn
dan ook niet alleen op decentraal niveau op te lossen, bijvoorbeeld als het
gaat om de aanleg van grensoverschrijdende bedrijventerreinen. Uit onderzoek
met betrekking tot het grensoverschrijdend bedrijventerrein Aken-Heerlen<voetref refid="v19.4" nr="4"></voetref> bleek dat zowel in Nederland als Duitsland alle overheidsniveaus
nodig waren. De gemeente als het gaat om het opstellen van een bestemmingsplan,
de provincie als het gaat om het aanleggen van de watervoorziening en de nationale
overheid als het gaat om het ruimtelijke ordeningsbeleid. Ook in Duitsland
komen bij de ontwikkeling van een grensoverschrijdend bedrijventerrein alle
overheidsniveaus in beeld: de gemeente, het Regierungsbezirk, de deelstaatregering
en de federale regering in Berlijn.</al>
      <al>De Nederlandse regering bereidt thans met de Duitse autoriteiten een verdrag
voor om grensoverschrijdende bedrijventerreinen mogelijk te maken. Dit verdrag
is mede nodig omdat decentrale overheden in Nederland en Duitsland geconfronteerd
worden met verschillen in nationale regelgeving tussen beide landen, die de
ontwikkeling van grensoverschrijdende bedrijventerreinen in de weg kunnen
staan. Het streven is nog dit jaar een ontwerpverdrag gereed te hebben. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Wat betreft de eerder genoemde problemen als gevolg van de onwetendheid
met elkaars bestuurlijke opbouw, kan als voorbeeld de grensoverschrijdende
brandweer en rampenbestrijding worden genomen. Ten aanzien van die samenwerking
hebben de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport recentelijk een onderzoek<voetref refid="v20.1" nr="1"></voetref> naar de problemen op dit gebied laten uitvoeren. Uit
dat onderzoek blijkt dat de problemen zich met name voordoen in vier categorieën:</al>
      <al>1. Problemen op organisatorisch gebied. De ambtenaren kennen de eigen
organisatie wel, maar zijn niet bekend met de organisatie van de diensten
aan de andere kant van de grens.</al>
      <al>2. Problemen op het gebied van wet- en regelgeving en het gebrek aan kennis
omtrent die regels.</al>
      <al>3. Problemen van technische aard. Bij spoedeisende medische hulpverlening
wordt in Nederland, België en Duitsland gebruik gemaakt van verschillende
communicatiemiddelen en zendfrequenties.</al>
      <al>4. Problemen door cultuurverschillen. Taalbarrières, verschillen
in werkwijze en omgangsvormen, en soms vooringenomenheid staan een vruchtbare
samenwerking niet zelden in de weg.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In kaart is gebracht welke wet- en regelgeving van toepassing is. Ook
werd in dat onderzoek aangegeven dat kennis van elkaars bevoegdheden onder
de maat is. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
is voornemens gezamenlijk met zijn collega's in Duitsland en België een
gids uit te brengen waarin de verschillende verantwoordelijkheden en bevoegdheden
op het gebied van de rampenbestrijding in de drie landen worden vermeld.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op het terrein van de politiesamenwerking komen soortgelijke problemen
voor. Voor de politiediensten is door de grensregio's een aantal jaren geleden
eveneens een dergelijke gids tot stand gebracht. Het kabinet is voornemens
in overleg met de grensregio's deze gids te actualiseren.</al>
      <tuskop letat="vet">3.8 Het Arnhemoverleg</tuskop>
      <al>Het Arnhemoverleg, een overleg tussen de grensregio's, de betrokken decentrale
overheden en de ministeries van Economische Zaken en Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties bestaat sinds de jaren tachtig. Het Arnhemoverleg is de
afgelopen jaren een forum gebleven waarin op ambtelijk niveau informatie en
ervaringen worden uitgewisseld. Pogingen om het Arnhemoverleg op bestuurlijk
niveau te brengen, zoals in het kabinetsstandpunt van 1994<voetref refid="v20.2" nr="2"></voetref> werd beoogd, hebben tot nu toe niet tot resultaat geleid. De oorzaak
is gelegen in het feit dat de euregio's in Nederland verschillend gestructureerd
zijn. In het oosten van het land zijn het vooral gemeentelijke samenwerkingsverbanden,
terwijl bij de euregio's in het zuiden van het land de provincies partners
zijn. Daarbij blijkt ook hier het verschil in niveau van bevoegdheden tussen
Nederland, Duitsland en België, zoals eerder uiteen is gezet.</al>
      <al>Het kabinet zal daarom de deelnemers aan het Arnhemoverleg voorstellen
het overleg te herstructureren en te splitsen in een Nederlands-Duits en een
Nederlands-Belgisch beraad. De werking van het Arnhemoverleg zal gezamenlijk
met de grensregio's in de eerste helft van 2002 worden geëvalueerd. </al>
      <tuskop letat="vet">HOOFDSTUK 4. CONCLUSIES</tuskop>
      <witreg></witreg>
      <al>De Europese Unie speelt een steeds grotere rol in onze samenleving. Naast
de toegenomen betekenis voor de lidstaten werkt de Europese Unie ook door
naar de sub-nationale overheden in de lidstaten. Steeds vaker worden zij geconfronteerd
met wet- en regelgeving van de Europese Unie die – zoals aangegeven –
direct voor hen van belang is. In het kabinetsstandpunt op het Rob-advies
«Wijken of herijken»<voetref refid="v21.1" nr="1"></voetref> heeft het kabinet
daarom besloten het al enige tijd bestaande overleg tussen het Ministerie
van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
IPO en VNG te formaliseren in het Europa-overleg rijk-IPO-VNG. Doel van dit
overleg is de voor de decentrale overheden relevante Europese ontwikkelingen
en voorstellen te bespreken. Het Europa-overleg tussen rijk, IPO en VNG zal
begin 2002 worden geëvalueerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarnaast heeft ook de bilaterale samenwerking een ontwikkeling doorgemaakt.
Naast de bestaande euregionale samenwerkingsverbanden die Nederland kent met
haar buurlanden, zijn de decentrale overheden ook steeds meer zelfstandig
samenwerkingsverbanden aangegaan, niet alleen direct aan de grens maar in
heel Europa.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ten aanzien van die bilaterale grensoverschrijdende samenwerking heeft
het kabinet initiatieven ontplooid om in het bijzonder de aanleg en exploitatie
van grensoverschrijdende bedrijventerreinen te vergemakkelijken<voetref refid="v21.2" nr="2"></voetref>. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en de staatssecretaris van Financiën rapporteren de Kamer halfjaarlijks
over de gemaakte vorderingen. Nederland streeft ernaar nog dit jaar met Duitsland
een verdrag te sluiten over grensoverschrijdende bedrijventerreinen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Ook op het terrein van de grensoverschrijdende brandweer en rampenbestrijding
wordt gewerkt aan hechtere betrekkingen met België en Duitsland. Zo heeft
de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties u op 15
december 1999<voetref refid="v21.3" nr="3"></voetref> een voortgangsbericht inzake de
grensoverschrijdende ongevals- en rampenbestrijding aangeboden. In overleg
met de verantwoordelijke Belgische en Duitse overheden wordt thans onderzocht
hoe knelpunten in de samenwerking kunnen worden weggenomen. Zo wordt onder
andere een Nederlands-Duitse overeenkomst over het gebruik van bijzondere
signalen voorbereid. De totstandkoming van grensoverschrijdende rampenplannen
zal door het rijk worden ondersteund. In samenwerking met de Belgische autoriteiten
zal een inventarisatie worden opgesteld van de taken en verantwoordelijkheden
van brandweer, politie en medische hulpverlening op het terrein van de rampenbestrijding.
Tevens zal de verdeling van bestuurlijke verantwoordelijkheden aan weerszijden
van de grens in kaart worden gebracht. Op korte termijn zal de Kamer de haar
toegezegde notitie over internationale samenwerking op het gebied van de brandweer
en rampenbestrijding ontvangen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Gezamenlijk met de VNG en het IPO richt het kabinet een kenniscentrum
Europa en decentrale overheden op dat gemeenten en provincies zal informeren
over de gevolgen van Europese wet- en regelgeving op hun beleidsterreinen.
Dit kenniscentrum dient op 1 januari 2001 van start te gaan.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>De rol van de provincies bij euregionale samenwerkingsverbanden wordt
de komende maanden gezamenlijk met het IPO en de grensprovincies bezien.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In overleg met het secretariaat van het Arnhemoverleg wordt dit overleg
geherstructureerd waarbij er een splitsing komt op werkniveau in een Nederlands-Duits
overleg en een Nederlands-Belgisch overleg. De werking van het Arnhemoverleg
wordt gezamenlijk met de grensregio's in de eerste helft van 2002 geëvalueerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In de grensoverschrijdende samenwerking met de Belgische gewesten en de
Duitse Länder komen met enige regelmaat knelpunten aan het licht die
oplossingen vergen welke raken aan de bevoegdheden van de Nederlandse centrale
overheid. Tot nu toe vonden contacten tussen de Nederlandse regering met de
gewesten en de Länder op ad hoc basis plaats. Gelet op het toenemend
belang van de grensoverschrijdende samenwerking acht het kabinet een regelmatig
overleg inmiddels aangewezen. Een dergelijk bestuurlijk overleg wordt jaarlijks
beoogd met de Duitse Länder Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen, en de
Belgische gewesten Vlaanderen en Wallonië. Aan Nederlandse zijde zal
het overleg worden gecoördineerd door de staatssecretarissen van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties en Buitenlandse Zaken. Het eerste bestuurlijk
overleg zal deze herfst plaatsvinden met het Land Noordrijn-Westfalen.</al>
      <al>De bestuurlijke overleggen zullen worden aangekondigd bij de nationale
regeringen van Duitsland en België. Zij kunnen op ad hoc basis betrokken
worden bij de overleggen indien zij dat wenselijk achten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet is voornemens de Staten-Generaal over de ontwikkelingen op
het terrein van de grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking opnieuw
te berichten in de zomer van 2002.</al>
      <bijlage>
        <titel>BIJLAGE A Overzicht van de grensoverschrijdende samenwerkingsactiviteiten
per departement</titel>
        <witreg></witreg>
        <al>Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties</al>
        <tuskop letat="vet">1. Bestuurlijke samenwerking</tuskop>
        <tuskop letat="cur">Euregio's</tuskop>
        <al>De grenzen van Nederland met Duitsland en België zijn geheel bedekt
met de zogenaamde euregio's: grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden die
soms op publiekrechtelijke en dan weer op privaatrechtelijke leest geschoeid
zijn. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties staat deze
regio's terzijde bij de uitvoering van de Benelux-Overeenkomst en het Anholt-Verdrag
(zie bilaterale overeenkomsten). Ook wanneer gemeenten of provincies bestuurlijke
relaties willen aangaan met hun buren aan de andere kant van de grens geeft
BZK juridisch advies.</al>
        <tuskop letat="cur">Het Arnhemoverleg</tuskop>
        <al>Het Arnhemoverleg is het periodiek overleg tussen de euregio's, de betrokken
decentrale overheden, BZK en EZ. Het overleg is met name bedoeld om informatie
uit te wisselen tussen de verschillende euregio's over de in te dienen INTERREG-projecten.
Het overleg is niet besluitvormend. Op dit moment wordt door het secretariaat
van het Arnhemoverleg bezien op welke manier het Arnhemoverleg geherstructureerd
kan worden.</al>
        <tuskop letat="cur">Bijzondere Commissie gros Benelux</tuskop>
        <al>Op grond van artikel 6 van de Benelux-Overeenkomst is de Bijzondere Commissie
(BC) voor de grensoverschrijdende samenwerking in het leven geroepen. De BC
bestaat uit door de regeringen van de drie betrokken landen samengestelde
delegaties. De Nederlandse delegatie in de BC bestaat uit vertegenwoordigers
van de meest betrokken ministeries, van de VNG, van het IPO en van de Unie
van Waterschappen. De Nederlandse delegatie staat onder voorzitterschap van
BZK. Het doel van de BC is de grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen
en zich in te zetten voor een juiste toepassing van de Benelux-Overeenkomst.</al>
        <al>Het <nadruk type="cur">Directiecomité grensoverschrijdende samenwerking</nadruk> is een adviesorgaan van de BC. Zitting in het Comité hebben
ambtenaren van de Ministeries van Binnenlandse Zaken van de Vlaamse Gemeenschap,
Wallonië, de federale regering van België, Nederland en Luxemburg.
Van beide overlegorganen voert de Benelux het secretariaat.</al>
        <tuskop letat="cur">Comité directeur sur la démocratie locale
et régionale (CDLR) van de Raad van Europa</tuskop>
        <al>Het CDLR is binnen de Raad van Europa het forum waar vertegenwoordigers
van de regeringen van de lidstaten informatie uitwisselen en op intergouvernementeel
niveau voorstellen doen ter bevordering van de democratie op lokaal en regionaal
niveau. Voor Nederland participeert BZK in dit overleg. Binnen het CDLR worden
aanbevelingen gedaan en handvesten en kaderverdragen voorbereid, o.m. op het
terrein van de grensoverschrijdende samenwerking. Zo is in dit verband tot
stand gekomen het Handvest voor Lokale Autonomie. Bekend in dit verband is
ook het Kaderverdrag van Madrid van 1980 inzake grensoverschrijdende samenwerking
van decentrale overheden en de daarbijbehorende protocollen (voor nadere details,
zie het bijgevoegde overzicht van verdragen en overeenkomsten). </al>
        <al>Binnen het CDLR is één van de <nadruk type="cur">select
committees</nadruk> specifiek belast met de grensoverschrijdende samenwerking
van decentrale overheden. Het CDLR werkt onder verantwoordelijkheid van het
Comité van Ministers van de Raad van Europa.</al>
        <tuskop letat="cur">Grensoverschrijdende bedrijventerreinen</tuskop>
        <al>Op verschillende plaatsen langs de grens met Duitsland ontwikkelen Nederlandse
en Duitse gemeenten gezamenlijk initiatieven om te komen tot grensoverschrijdende
bedrijventerreinen. Door verschillen in regelgeving tussen beide landen blijken
er in de praktijk problemen te zijn voordat een dergelijk terrein geëxploiteerd
kan worden. Daarom bereidt Nederland op dit moment samen met Duitsland de
totstandkoming van een bilateraal verdrag voor grensoverschrijdende bedrijventerreinen
voor. Dit gebeurt in het kader van een tripartiete werkgroep met vertegenwoordigers
van de Bondsrepubliek Duitsland, van Noordrijn-Westfalen en van Nederland
(BZK en BZ). Daarnaast wordt samen met de provincie Limburg een informatiepunt
ontwikkeld waar ondernemers die zich willen vestigen op een grensoverschrijdend
bedrijventerrein langs de Nederlandse oostgrens terecht kunnen voor informatie
omtrent de vestiging.</al>
        <tuskop letat="vet">2. Brandweer en rampenbestrijding</tuskop>
        <tuskop letat="cur">Bilateraal overleg</tuskop>
        <al>BZK heeft contacten gelegd met Duitsland en België, teneinde de knelpunten
die er nog zijn bij een eventuele bijstandsverlening bij het bestrijden van
rampen op basis van de met België en Duitsland gesloten bijstandsovereenkomsten
zoveel mogelijk weg te nemen.</al>
        <tuskop letat="cur">Vlaams-Zuid Nederlandse contactgroep (heeft primair betrekking
op rampenbestrijding)</tuskop>
        <al>Tussen de Zuid Nederlandse en Vlaamse grensprovincies vindt regelmatig
overleg plaats, waarbij ook een vertegenwoordiger van de beide ministeries
aanwezig is (Vlaams-Zuid Nederlandse contactgroep).</al>
        <tuskop letat="vet">3. Politiële samenwerking</tuskop>
        <tuskop letat="cur">Operationeel</tuskop>
        <tuskop letat="cur">Belgisch-Nederlands Politie samenwerkingsverband BNPS</tuskop>
        <al>Betreft een overlegplatform voor politiesamenwerking langs de gehele landsgrens
Zuid-Nederland en Vlaanderen. De deelnemers zijn de korpschefs van de Nederlandse
politieregio's, een vertegenwoordiger van de marechaussee, de districtscommandanten
van de rijkswacht-districten, de commandanten van de gerechtelijke politie
van de grensarrondissementen en per arrondissement een vertegenwoordiger van
de gemeentepolitie.</al>
        <tuskop letat="cur">Gemeenschappelijk orgaan Baarle (GOB)</tuskop>
        <al>In 1998 opgericht in overeenstemming met de Benelux-overeenkomst inzake
grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale samenwerkingsverbanden
of autoriteiten en heeft een eigen statuut.</al>
        <al>Het betreft een formaliseren van de intergemeentelijke samenwerking tussen
Baarle-Hertog en Baarle-Nassau.</al>
        <al>Op 11 juni 1997 is een gezamenlijk Politiesteunpunt opgericht. </al>
        <tuskop letat="cur">Werkgroep politiële samenwerking Baarle</tuskop>
        <al>Het GOB heeft deze stuurgroep ingesteld met het oog op een verdere uitbouw
en mogelijke formalisering van de politiesamenwerking. Inmiddels is een inventarisatie
van knelpunten opgesteld. Aan het overleg neemt ook BZK/Directie Politie/BJZ
deel. Een regeling op verdragsrechtelijke basis wordt voorgestaan.</al>
        <tuskop letat="vet">Ministerie van Economische Zaken</tuskop>
        <tuskop letat="cur">INTERREG-III programma</tuskop>
        <al>In het kader van Agenda 2000 hebben de Regeringsleiders op de Top van
Berlijn eind 1998 besloten dat ook in de periode 2000–2006 het Communautaire
Initiatief INTERREG voortgezet zal worden zowel aan de buitengrenzen als aan
de bestaande binnengrenzen. Dit betekent dat ons land voor de uitvoering van
het grensoverschrijdende INTERREG-III-A programma een bedrag van 160 miljoen
EURO zal ontvangen. Aangezien ook Duitsland en België hiervoor bedragen
beschikbaar krijgen betekent dit dat het budget voor de zeven euregio's de
komende periode zal toenemen van rond 141,6 miljoen EURO tot rond 250 miljoen
EURO.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Het doel blijft de grensregio's te helpen bij de ontwikkeling van structurele
samenwerking en het oplossen van bestaande problemen door het wegvallen van
de binnengrenzen. Het Ministerie van EZ staat ze daarin bij.</al>
        <al>Het INTERREG-III programma wordt opgezet langs dezelfde lijnen als het
huidige programma. Kernpunt is het gezamenlijk grensoverschrijdend uitvoeren
van projecten die betrekking hebben op de volgende thema's:</al>
        <al>a. ruimtelijke structuur</al>
        <al>b. economie, technologie en innovatie</al>
        <al>c. leefmilieu</al>
        <al>d. ontwikkelen van menselijk potentieel</al>
        <al>e. stimuleren van maatschappelijke integratie</al>
        <al>f. onderzoek en programmamanagement</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De Europese Commissie heeft op 11 mei 2000 de definitieve richtlijnen
ten aanzien van de Communautaire Initiatieven waaronder die voor INTERREG
III goedgekeurd. De zeven euregio's tussen Nederland, Duitsland en België
hebben nu zes maanden de tijd een programma op te stellen dat vervolgens gezamenlijk
door de drie lidstaten ter goedkeuring aangeboden zal worden aan de Europese
Commissie.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Het gaat hierbij om de volgende zeven euregio's:</al>
        <al>1. Eems Dollard Regio;</al>
        <al>2. EUREGIO;</al>
        <al>3. Euregio Rijn-Waal;</al>
        <al>4. euregio rijn-maas-noord;</al>
        <al>5. Euregio Maas-Rijn;</al>
        <al>6. Euregio Benelux Middengebied en</al>
        <al>7. Euregio Scheldemond.</al>
        <tuskop letat="vet">Ministerie van Financiën</tuskop>
        <tuskop letat="cur">Grensoverschrijdende bedrijventerreinen</tuskop>
        <al>De fiscale problemen van ondernemers en werknemers die werkzaam zijn aan
de andere zijde van de grens, zijn in kaart gebracht door de Commissie Wöltgens
in haar rapport van 14 november 1998. De aanbevelingen van deze Commissie
liggen op het terrein van de directe belastingen, de indirecte belastingen
en de informatievoorziening c.q. klachtenafhandeling. In het
bijzonder voor grensoverschrijdende bedrijventerreinen zouden in samenwerking
met de Duitse autoriteiten regelingen getroffen moeten worden om de fiscale
problemen die verbonden zijn aan het ondernemen in de grensstreek, weg te
nemen. Voor de uitwerking van de aanbevelingen is inmiddels een Nederlands-Duitse
werkgroep in het leven geroepen. Zowel vertegenwoordigers van de centrale
als van de regionale overheden van Nederland en Duitsland maken deel uit van
deze werkgroep. De werkgroep heeft tot taak te onderzoeken welke problemen
zich voordoen bij het werken en ondernemen op grensoverschrijdende bedrijventerreinen
in de sfeer van de directe belastingen (loon- en inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting)
en de omzetbelasting. Daarnaast zal worden bezien hoe in onderlinge samenwerking
tussen Nederlandse en Duitse instanties verbeteringen kunnen worden bereikt
inzake de informatievoorziening met betrekking tot het werken en ondernemen
over de grens in het algemeen. Op 14 februari 2000 is door de staatssecretaris
van Financiën in Heerlen het Landelijk steunpunt grensoverschrijdende
activiteiten geopend, waar belanghebbenden met vragen en klachten op fiscaal
terrein verbonden aan het werken en ondernemen over de grens terecht kunnen.
Voor de behandeling van vragen op andere terreinen, zoals bijvoorbeeld betreffende
de sociale zekerheid of het ondernemingsrecht vindt met andere instanties
afstemming plaats. Voor nadere informatie wordt verwezen naar de voortgangsrapportage
van de staatssecretaris van Financiën inzake de aanbevelingen uit het
rapport «Ondernemen in de grensstreek»<voetref refid="v26.1" nr="1"></voetref>.</al>
        <tuskop letat="cur">Commissie grensarbeiders</tuskop>
        <al>Op 10 februari 2000 is de Commissie grensarbeiders ingesteld die onder
leiding staat van oud-Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
de heer Linschoten. Deze Commissie waarin de overheid, het bedrijfsleven,
de werknemersorganisaties en de wetenschap zijn vertegenwoordigd, heeft als
taak te adviseren over mogelijke knelpunten waarmee grensarbeiders in de praktijk
kunnen worden geconfronteerd vanwege het feit dat men aan de ene zijde van
de landsgrens woont en aan de andere zijde van die grens werkt. Daarnaast
heeft de Commissie tot taak te adviseren over de wijze van implementatie van
de maatregelen die in het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en België
zijn opgenomen teneinde te voorkomen dat grensarbeiders bij overgang van belastingheffing
over hun arbeidsinkomen van de woonstaat naar belastingheffing in de werkstaat
een inkomensachteruitgang zouden ondervinden.</al>
        <tuskop letat="vet">Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieu</tuskop>
        <tuskop letat="cur">Nederlands-Duitse Commissie voor Ruimtelijke Ordening</tuskop>
        <al>De Nederlands-Duitse Commissie voor de Ruimtelijke Ordening bestaat sinds
1967. Sinds 1977 berust deze commissie op de Overeenkomst tussen het Koninkrijk
der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake samenwerking op het
gebied van Ruimtelijke Ordening.</al>
        <al>De commissie bestaat uit een hoofdcommissie en twee regionale subcommissies
Noord en Zuid, elk met een Vaste Werkgroep. Deze werkgroepen hebben als taken
de voorbereiding van de bijeenkomsten van de subcommissies en de uitvoering
van de afspraken/besluiten in de subcommissies. De Nederlandse delegatie in
de hoofdcommissie bestaat uit vertegenwoordigers van de rijksoverheid. De
hoofdcommissie is overigens als gevolg van de delegatie van de verantwoordelijkheid
voor de ruimtelijke ordening naar de Deelstaten al een aantal jaren niet meer
bijeengekomen. In overleg met de Bondsregering en de Deelstaten wordt naar
een oplossing voor deze situatie gezocht.</al>
        <al>In de subcommissies en werkgroepen zijn centrale en decentrale overheden en belangengroeperingen vertegenwoordigd. Regionaal participeren
ook de Inspecties van de Ruimtelijke Ordening.</al>
        <al>In de commissies vindt informatie en afstemming plaats met betrekking
tot Nederlandse en Duitse bovenlokale ruimtelijke plannen en beleid, met name
ten aanzien van de grensoverschrijdende aspecten van deze plannen en beleid.
Het grensoverschrijdend overleg met betrekking tot lokale plannen dient bij
voorkeur rechtstreeks tussen de betreffende buurgemeenten plaats te vinden.
In de beide subcommissies zijn Grensoverschrijdende Ontwikkelingsperspectieven
voor het grensgebied opgesteld. Voor de subcommissie Noord is dit gevolgd
door een Actieprogramma waaraan op dit moment uitwerking wordt gegeven. Voor
de subcommissie Zuid fungeert het Perspectief als vergelijkingskader.</al>
        <tuskop letat="cur">Bijzondere Commissie voor de Ruimtelijke Ordening van
de Benelux</tuskop>
        <al>Met een beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux
Economische Unie is in 1969 de Bijzondere Commissie voor de Ruimtelijke Ordening
ingesteld. Deze Commissie is belast met de beleidscoördinatie op het
gebied van de ruimtelijke ordening in het Benelux-gebied. In de commissie
vindt overleg plaats over de hoofdlijnen van de ruimtelijke ordening. Daarnaast
wordt geadviseerd over maatregelen en ontwerpplannen zoals planologische kernbeslissingen
in de ontwerpfase en de afstemming van streek- en structuurplannen van de
Benelux-partners. In de commissie werken de overheden van diverse niveaus
in de Benelux-landen samen. Onder de Bijzondere Commissie functioneert een
werkgroep Coördinatie Ruimtelijke Ordening ter voorbereiding van de vergaderingen
van de ministers en van de Bijzondere Commissie en ter uitwerking van de besluiten
uit de Bijzondere Commissie. Daarnaast bestaan de grenscommissies Nederland/Vlaanderen
(VLANED) en Oost voor het direct grensoverschrijdend overleg. In deze grenscommissies
participeert de Inspectie Zuid van de Ruimtelijke Ordening.</al>
        <al>In de Bijzondere Commissie is een Tweede Benelux Structuurschets voorbereid.
Naar verwachting zal deze in het jaar 2000 definitief worden vastgesteld.
Aan deze Schets is een Actieprogramma toegevoegd, waarmee uitvoering gegeven
zal worden aan de beleidsopties uit de Schets. Tevens zal, in de vorm van
een Doorwerkingsnota, regelmatig geëvalueerd worden in welke mate de
beleidsopties uit de Schets een vertaling hebben gekregen in het beleid van
de vijf partners.</al>
        <tuskop letat="cur">Grensoverschrijdende nadere uitwerkingen van de Vierde
Nota over de ruimtelijke ordening (Extra)</tuskop>
        <al>Van de nadere uitwerkingen van de Vierde Nota zijn er tot dusverre drie
grensoverschrijdend, namelijk die voor het gebied Maastricht/Heerlen-Aken-Luik-Hasselt/Gent
(MHAL), die voor de Stedendriehoek Enschede/Hengelo-Münster-Osnabrück,
en die voor de Rijn-Schelde Delta. Bij de totstandkoming van de nadere uitwerkingen
werken de overheden van diverse niveaus in de betrokken landen samen. Wat
de Rijksplanologische Dienst betreft, participeren ook de Inspecties van de
Ruimtelijke Ordening.</al>
        <al>Het langst functioneert de nadere uitwerking van het MHAL-gebied.</al>
        <al>In 1994 is het Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief voor het MHAL-gebied
vastgesteld door de Internationale Stuurgroep MHAL en eind 1994 door de Nederlandse
Ministerraad aanvaard. In de Internationale Stuurgroep waren naast de regeringen
van de betrokken landen ook de provincies en het MHAL-Stedenoverleg vertegenwoordigd.
In het Ontwikkelingsperspectief wordt een visie gegeven op de ruimtelijke
ontwikkelingsmogelijkheden m.b.t. verstedelijking, woon- en werklokaties,
infrastructuur en groene gebieden. Voor de uitvoering van het Ontwikkelingsperspectief
is voor de komende jaren een zestal prioritaire projecten zoals
b.v. de realisatie van een grensoverschrijdend bedrijvenpark Aken-Heerlen
geselecteerd.</al>
        <al>Voor de nadere uitwerking Rijn-Schelde Delta (RSD) functioneert sinds
1998 een projectbureau dat uitwerking geeft aan een gezamenlijk werkprogramma.</al>
        <al>De nadere uitwerking Enschede/Hengelo-Münster-Osnabrück bevindt
zich nog in de ontwikkelingsfase.</al>
        <tuskop letat="cur">Milieu-effectrapportage</tuskop>
        <al>Er zijn afspraken gemaakt met betrekking tot grensoverschrijdende aspecten
van MER's in zowel een Duits-Nederlandse als een Nederlands-Vlaamse werkgroep.
Deze afspraken vinden in de praktijk navolging. In overleg met de provinciale
MER-coördinatoren wordt de uitkomst van de werkgroepen teruggekoppeld.
De werkgroepen zijn tot stand gekomen naar aanleiding van het Vier-Landen-Milieuministeroverleg
van november 1990.</al>
        <tuskop letat="cur">Hoofdinspectie Milieuhygiëne (HIMH)</tuskop>
        <al>Er is een formeel overleg tussen de Hoofdinspectie Milieuhygiëne
en de aanpalende regionale inspecties met AMINAL (Vlaanderen). Dit overleg,
twee maal per jaar, houdt zich bezig met grensoverschrijdende problemen die
de inspecties aangaan en gebiedsgerichte ontwikkelingen. Ook de grensoverschrijdende
aspecten van de mestproblematiek worden besproken. Bij de vergaderingen is
ook een provinciale waarnemer uitgenodigd namens de drie betrokken provincies
(Zeeland, Noord-Brabant, Limburg). In voorbereiding is ook uitwisseling met
Duitsland, Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen.</al>
        <tuskop letat="cur">Hoofdinspectie Milieuhygiëne, Hoofdafdeling Handhaving
(HIMH/HM)</tuskop>
        <al>HIMH/HM is betrokken bij twee projecten waarin het merendeel van de EU-lidstaten
participeert. In beide heeft Nederland een coördinerende rol. In een
samenwerkingsverband inzake de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen
(«TFS-2») wordt de handhaving en controle door de verantwoordelijke
bestuursorganen van de bepalingen van de verordening (EEG) nr. 259/93 gecoördineerd.
Het andere samenwerkingsverband («NONS») houdt zich bezig met
de handhaving en controle van de bepalingen van richtlijn 92/32/EEG. Hier
wordt nagegaan of de voorgeschreven kennisgevingsprocedure voor (nieuwe) stoffen
correct is uitgevoerd en of de verpakking en etikettering conform de regels
zijn.</al>
        <tuskop letat="cur">Milieudelicten</tuskop>
        <al>Bij grensoverschrijdende milieucriminaliteit ontstaan ad hoc diverse contacten
tussen decentrale overheden (waaronder ook de openbare aanklagers), waarbij
ook de afdeling Milieudelicten van de Hoofdinspectie Milieuhygiëne betrokken
is. De afdeling Milieudelicten levert, via Interpol, naar gelang het gewicht
van de zaak met name milieutechnische ondersteuning aan binnen- en buitenlandse
autoriteiten.</al>
        <tuskop letat="cur">Regionale Inspecties Milieuhygiëne (RIMH's)</tuskop>
        <al>Een formeel overleg is het overleg van de werkgroep Schelderegio van de
Subcommissie Laboratoria, Bijzondere Commissie voor de Volksgezondheid, Benelux
Economische Unie. Vanuit Vlaanderen nemen AMINAL, de Vlaamse Milieumaatschappij
en het centrum tegen Lucht- en Waterverontreiniging deel; vanuit Nederland
de provincies Zeeland en Noord-Brabant en de RIMH's Zeeland en
Noord-Brabant. De werkgroep vergadert tweemaal per jaar en heeft als thema
alle grensoverschrijdende milieuproblematiek. Het laatste project bijv. behelsde
een inventarisatie van koolwaterstoffen en het werken met rekenmodellen voor
emissies en inmissies, voor bronnen aan beide zijden van de grens. </al>
        <tuskop letat="cur">Crisismanagement bij kernongevallen</tuskop>
        <al>In het kader van crisismanagement bij kernongevallen is met België
een Memorandum of Understanding afgesloten en is met Duitsland een officieel
overlegorgaan (de Niederländisch-Deutsche Kommission für grensnahe
kerntechnische Einrichtungen) ingesteld. Naast een kader voor crisismanagement
vinden ook preventieve activiteiten zoals gezamenlijke opleidingen en oefeningen
plaats. Bij deze oefeningen zijn ook decentrale overheden betrokken. Memoranda
of Understanding met Noorwegen, Engeland en Frankrijk staan op de rol.</al>
        <tuskop letat="vet">Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij</tuskop>
        <tuskop letat="cur">Trilaterale samenwerking Waddengebied</tuskop>
        <al>In 1978 besloten Denemarken, Duitsland en Nederland op een Regeringsconferentie
om de trilaterale Waddenzee voortaan gezamenlijk te beheren. Iedere drie jaar
werd een Regeringsconferentie gehouden (met ingang van 1997 iedere vier jaar).
Hoofddoelstelling voor de Waddenzee is een zo ongestoord mogelijke ontwikkeling
van de natuur. Deze hoofddoelstelling werd op de Regeringsconferentie van
Leeuwarden (1974) uitgewerkt in een aantal ecologische doelen. Het betreft
doelstellingen voor kwelders, getijdegebieden, stranden en duinen, estuaria,
kustwateren en het landelijk gebied. Ook zijn doelen geformuleerd voor het
water als zodanig, het sediment, de vogels en zeezoogdieren en voor landschap
en cultuur. Tevens werden in Leeuwarden de grenzen van het trilaterale beschermingsgebied
en het trilaterale samenwerkingsgebied vastgesteld. Voor Nederland behoort
het pkb-gebied Waddenzee tot het trilaterale beschermingsgebied. Het Nederlandse
deel van het samenwerkingsgebied begint bij de teen van de vastelandsdijk
en loopt tot de 3-mijls-lijn ten noorden van de eilanden.</al>
        <al>Op de Regeringsconferentie van Stade (1997) is voor elk van de ecologische
doelen aangegeven met welke acties en projecten de drie landen de doelen de
komende jaren verder willen realiseren. Eén en ander is vastgelegd
in de Verklaring van Stade en het daaraan gekoppelde Waddenzee Plan.</al>
        <al>De volgende conferentie vindt plaats in Denemarken in oktober 2001.</al>
        <al>De Nederlandse inbreng voor de Regeringsconferenties wordt gecoördineerd
door de directie Noord van het ministerie van LNV. Hiertoe functioneert een
Nederlands kernteam, waarin vertegenwoordigd zijn de ministeries van LNV,
V&amp;W, VROM, EZ, Defensie en Buitenlandse Zaken alsmede de Stuurgroep Waddenprovincies.</al>
        <tuskop letat="cur">Eems-Dollard</tuskop>
        <al>Het grensgebied tussen Nederland en Duitsland aan de landgrens ligt niet
vast. Daarom is in het Eems-Dollardmilieuprotocol vastgelegd hoe op het gebied
van water- en natuurbeheer zal worden samengewerkt. In 1998 is een gezamenlijk
actieprogramma voor het water- en natuurbeheer vastgesteld onder de titel
«Waterbeheer en natuurbescherming in het Eems-Dollardestuarium (Plan
van aanpak)». Op basis van het Eems-Dollardmilieuprotocol is een subcommissie
G aan de Permanente Grenswateren Commissie toegevoegd (zie ook onder Verkeer
en Waterstaat). In deze subcommissie zitten van Nederlandse zijde vertegenwoordigers
van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (de H.I.D. van Rijkswaterstaat
Noord Nederland), het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (de
Directeur Noord), de Provincie Groningen (Directeur Ruimte en Milieu), de
waterschappen Eemszijlvest en Dollardzijlvest.</al>
        <tuskop letat="cur">Duits-Nederlandse Commissie voor Ruimtelijke Ordening,
Subcommissie Zuid</tuskop>
        <al>Deze grensoverschrijdende commissie richt de afgelopen jaren de aandacht
meer op het uitwisselen van informatie en afstemming van bovenregionale plannen
die voor de partners bij besluitvorming van belang kan zijn. In het overleg
van de subcie. Zuid wordt onder andere gesproken over de grensoverschrijdende
aspecten van de Vijfde Nota RO, het NVVP e.d. Daarnaast bestaat ook aandacht
voor de grensoverschrijdende ruimtelijke aspecten van de Vogelrichtlijn en
de Habitatrichtlijn (zie ook onder Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieu).</al>
        <tuskop letat="cur">Grenspark Maas Swalm Nette</tuskop>
        <al>Dit grensoverschrijdende park is gelegen in Midden Limburg en bestaat
inmiddels ruim twintig jaar. Het Nationaal Park de Meinweg maakt onderdeel
uit van het park. Doelstelling van het grensoverschrijdende park is om de
kwaliteiten van natuur en landschap te vergroten en daarbij ook aandacht te
hebben voor de potenties voor recreatie en toerisme. Binnen de adviescommissie
wordt momenteel gezocht naar een adequate vorm om de uitvoering van de activiteiten
beter te laten verlopen.</al>
        <tuskop letat="cur">Grensoverschrijdende Stuurgroep Gelderse Poort</tuskop>
        <al>Nederlands-Duitse stuurgroep voor de realisatie van het grensoverschrijdend
natuurontwikkelingsproject de Gelderse Poort. LNV geeft een bijdrage aan dit
project vanuit het Strategisch Groenproject de Gelderse Poort (SGR). De Grensoverschrijdende
stuurgroep regelt de afstemming van het beleid en de uitvoering daarvan. LNV
is lid van zowel de projectgroep als van de stuurgroep.</al>
        <tuskop letat="cur">Habitat- en Vogelrichtlijn</tuskop>
        <al>Er vindt overleg plaats over de implementatie van de Vogelrichtlijn en
de Habitatrichtlijn. Er wordt getracht voor een aantal gebieden te komen tot
een grensoverschrijdende aanwijzing. Betrokken zijn van Duitse Zijde de Bezirksregierungen
Münster, Düsseldorf en Köln, Ministerium für Umwelt, Raumordnung
und Landwirtschaft en van Nederlandse zijde de LNV-directies Oost en Zuid.
In de richting van Vlaanderen zal in 2000 ook worden nagegaan of overleg en
afstemming voor de gebieden aan de orde is. Overleg over soorten vindt op
dit moment met NRW (Noordrijn-Westfalen) plaats.</al>
        <tuskop letat="cur">Landbouw</tuskop>
        <al>Met de Afdeling Landbouw van MURL (Duitsland) vindt overleg plaats over
met name grensoverschrijdende veterinaire aspecten. Deze afstemming heeft
inmiddels al geleid tot een adequaat ingrijpen bij het optreden van een calamiteit
(uitbraak Varkenspest in mei 1999 in Wegberg (D)).</al>
        <tuskop letat="cur">Ontwikkeling Drielandenpark</tuskop>
        <al>De Provincie Limburg heeft het voortouw genomen tot het ontwikkelen van
het Drielandenpark in Zuid-Limburg en de aangrenzende gebieden in België
en Duitsland. LNV is betrokken vanuit het perspectief van de nationale
belangen die in het Nederlandse gedeelte spelen op het gebied van natuurbeheer.</al>
        <tuskop letat="cur">Samenwerkingsprotocol Minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij en Minister van Middenstand en Landbouw</tuskop>
        <al>Op 27 oktober 1999 is door de bovengenoemde bewindslieden, teneinde de
samenwerking tussen Nederland en België op het gebied van de landbouw
verder te intensiveren en op een aantal beleidsgebieden uit te breiden, een
Samenwerkingsprotocol ondertekend. Het gaat daarbij met name om het gebruik
van groeibevorderaars (waaronder hormonen) in de dierhouderij, de voedselveiligheid
(in het bijzonder contaminatie met dioxinen), diervoeders, bestrijding van
besmettelijke dierziekten en biotechnologie.</al>
        <al>Ter uitvoering van dit protocol is een, door de Secretarissen-Generaal
van de beide betrokken departementen ondertekend, werkplan opgesteld dat voorziet
in twintig concrete acties ter uitvoering van de overeengekomen thema's van
het protocol i.c.:</al>
        <al>• Bestrijding illegaal gebruik groeibevorderaars en hormonen,</al>
        <al>• Samenwerking op gebied van voedselveiligheid,</al>
        <al>• Samenwerking op gebied van diervoederbeleid,</al>
        <al>• Bestrijding Klassieke Varkenspest,</al>
        <al>• Implementatie nitraatrichtlijn,</al>
        <al>• Biotechnologie.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De implementatie is in overleg tussen de Nederlandse en Belgische betrokken
diensten en instellingen in gang gezet. Ook wordt bezien waar mogelijk in
EU-kaders een gezamenlijke lijn kan worden gevolgd.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Halfjaarlijks vindt er een overleg plaats van beide betrokken Secretarissen
Generaal inzake de voortgang van de uitvoering van het werkplan. Dit sluit
aan bij het reeds bestaande jaarlijks ambtelijk overleg tussen de beide Secretarissen-Generaal
gericht op bilaterale samenwerking op het gebied van de landbouw, het natuurbeheer
en de visserij.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Bezien worden de mogelijkheden om Luxemburg te betrekken in deze samenwerking,
bijvoorbeeld ten aanzien van de implementatie van de nitraatrichtlijn.</al>
        <tuskop letat="cur">Samenwerking Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid
(ID-Lelystad) en het Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agro-chemie</tuskop>
        <al>De samenwerking, sinds 10 april 1997, is gericht op het gebied van dierlijke
productie, zoötechnologie en veterinaire wetenschappen en een gezamenlijke
aanpak op het terrein van:</al>
        <al>• diagnostiek- en vaccinontwikkeling,</al>
        <al>• bestrijdingsaanpak en eradicatie,</al>
        <al>• monitoring van ziekteverwekkers.</al>
        <tuskop letat="cur">Belgisch-Nederlandse Commissie voor Visserij-aangelegenheden</tuskop>
        <al>Regulier bilateraal overleg op ambtelijk niveau, sinds april 1998, inzake
aangelegenheden die op het terrein van de visserij tussen beide landen spelen
of kunnen gaan spelen.</al>
        <al>Met name betreft het :</al>
        <al>• bespreking van alle visserij-aangelegenheden die tussen Nederland
en België spelen en waar mogelijk afstemmen van beider nationaal visserijbeleid,</al>
        <al>• bespreking van aspecten van het Europese visserijbeleid, zowel
wat betreft het beleid als de uitvoering en de controle, en waar
mogelijk samenwerking op deze gebieden.</al>
        <tuskop letat="cur">Bijzondere Commissie van Overleg en Advies voor het grenspark
De Zoom-Kalmthout</tuskop>
        <al>Doelstelling is de voorbereiding van een beheers- en inrichtingsplan ten
behoeve van de inrichting van het grenspark «De Zoom-Kalmthoutse Heide»,
waarin natuurbehoud en natuurontwikkeling van het gebied voor de komende vijf
en twintig jaar wordt gegarandeerd.</al>
        <tuskop letat="vet">Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen</tuskop>
        <tuskop letat="cur">Internationalisering onderwijs</tuskop>
        <al>Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voert sinds 1991
een zeer geprononceerd beleid waar het de samenwerking met grenslanden betreft.
De samenwerking vindt plaats op basis van rechtstreekse samenwerkingsovereenkomsten
tussen betrokken ministers (Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen en
Bremen), waarbij alle sectoren van onderwijs zijn betrokken. Hoofddoelstelling
van het grenslandenbeleid is het realiseren van een open onderwijsruimte in
deze landen waardoor geen belemmeringen meer bestaan als het gaat om de onderwijskeuze
in het hele gebied. Doelstellingen zijn onder meer: het vergroten van mogelijkheden
voor grensoverschrijdende institutionele samenwerking, vergroting van wederzijdse
mobiliteit van staf en studenten en het bevorderen van kennis van de «buurtaal».
Initiatieven vanuit de onderwijsinstellingen worden ondersteund, waarbij het
ministerie met name aandacht besteed aan mogelijke belemmeringen.</al>
        <al>Ook op het terrein van cultuur wordt samenwerking met Vlaanderen en Noordrijn-Westfalen
gestimuleerd.</al>
        <al>Extra middelen zijn beschikbaar gesteld om de samenwerking te stimuleren
in het bijzonder in het programma «grensoverschrijdende Onderwijssamenwerking»,
uitgevoerd door intermediaire organisaties op het gebied van onderwijs. Deze
dienen zorg te dragen voor afstemming met de betrokken decentrale overheden.
Deze laatste spelen een stimulerende rol onder meer door het stimuleren van
onderwijs in de buurtaal in het basisonderwijs, zoals thans door verschillende
gemeenten wordt bevorderd en door de organisatie van conferenties en studiebijeenkomsten
met de betrokken instellingen.</al>
        <al>In 1998 zijn drie regionale platforms voor regionale samenwerking ingesteld,
met financiële ondersteuning vanuit OCenW. Door de Nederlandse betrokkenen
op mbo-, hbo- en op wo-niveau bijeen te roepen kunnen activiteiten op elkaar
worden afgestemd. Verder zijn er inmiddels twee versies van een gezamenlijke
studiegids voor de grenslanden verschenen. In deze beide gidsen komt met name
de institutionele samenwerking tot uitdrukking, wat een belangrijke basis
vormt voor de uitwisseling van studenten en docenten.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>De Ministers in de grenslanden hebben geconstateerd dat de samenwerkingsrelaties
die in het grenslandenbeleid tot stand zijn gekomen doorgaans bilateraal van
karakter zijn. Met de andere grenslanden is afgesproken de multilaterale benadering
in de toekomst met name te richten op transparantie en informatieoverdracht.
Voor het daadwerkelijk wegnemen van drempels in de samenwerking lijkt een
bilaterale aanpak succesvoller. </al>
        <tuskop letat="vet">Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid</tuskop>
        <tuskop letat="cur">Grensoverschrijdende samenwerking tussen diensten voor
de arbeidsvoorziening</tuskop>
        <al>Het zgn. vrij verkeer van werknemers is binnen de EU geregeld middels
Verordening 1612/68. Op basis hiervan zijn de diensten voor de arbeidsvoorzieninggestimuleerd
door de Europese Commissie- een samenwerkingsverband aangegaan: Eures (European
Employment Services). Het Centraal Bestuur Arbeidsvoorziening heeft zich in
1989 uitgesproken voor een volledige samenwerking en tracht sedertdien te
komen tot een praktische optimalisering van de internationale bemiddeling.</al>
        <al>Doelstelling van Eures is het vrij verkeer van werknemers te faciliteren
door het transparant maken van de Europese arbeidsmarkt. Dit wordt onder meer
bereikt door een netwerk van specialistische bemiddelaars: de euroconsulenten.
Dit netwerk breidt zich geleidelijk steeds verder uit: de oorspronkelijk landelijke
organisatie is aangevuld met consulenten uit de regio's, met name de regio's
grenzend aan België en Duitsland, waar van oudsher een grote belangstelling
voor de internationale bemiddeling bestaat. Daarnaast is het netwerk van euroconsulenten
uitgebreid doordat meer staten zijn toegetreden tot de Europese Unie en ook
Noorwegen en IJsland deelnemen aan het vrij verkeer.</al>
        <tuskop letat="vet">Ministerie van Verkeer en Waterstaat</tuskop>
        <tuskop letat="cur">Gezamenlijk Duits-Nederlands vervoerproject «Optimierung
des Güterverkehrs»</tuskop>
        <al>Met deze Duits-Nederlandse aanpak – een novum – wordt getracht
op concrete wijze een grensoverschrijdend beleid tot stand te brengen dat
antwoord geeft op een actuele, hedendaagse situatie waarin modaliteiten niet
langer sectoraal en nationaal opereren maar in een grote, geliberaliseerde
vervoersmarkt deel uitmaken van transportketens die door grote internationale
logistieke operators worden aangestuurd. Hierbij gaat het om het nauw(er)
op elkaar afstemmen van het Duitse en Nederlandse nationale beleid inzake:</al>
        <al>• het mono- en intermodaal vervoer; de herkomst/bestemming van het
vervoer Duitsland-Nederland; de transito van/naar/door Duitsland en Nederland;</al>
        <al>• de milieubelasting door het goederenvervoer;</al>
        <al>• de infrastructuur;</al>
        <al>• nut en noodzaak van gezamenlijk Duits-Nederlands optreden naar
de Europese Commissie.</al>
        <witreg></witreg>
        <al>Tijdens het gesprek tussen Minister Netelenbos en haar voormalig collega
Müntefering op 16 maart 1999 is het belang van dit project onderstreept
en hebben beide Ministers bevestigd dat een gezamenlijke studie moet worden
uitgevoerd. Hieraan wordt momenteel invulling gegeven.</al>
        <tuskop letat="cur">Hoge-Snelheidslijn-Oost</tuskop>
        <al>De komende jaren zullen Nederland en Duitsland overleg voeren over de
grote infrastructuur als de Betuweroute en de Hoge-Snelheidslijn-Oost, het
fiscaal beleid, verkeer en vervoer over de weg, subsidiebeleid voor gecombineerdvervoerprojecten,
infrastructuurheffing voor het spoorvervoer, de liberalisatie en commercialisering
van de spoorwegen.</al>
        <tuskop letat="cur">Binnenvaart</tuskop>
        <al>Ook aan binnenvaart zal de nodige aandacht worden besteed. De binnenvaartmarkt
moet volledig geliberaliseerd zijn tegen 1 januari 2000. Hierdoor verandert
de binnenvaartmarkt aanzienlijk. Het hoofdvaarwegnet wordt verder verbeterd
en bedrijven aan het water worden aangemoedigd om hun goederen per schip te
transporteren. Dit bevordert het intermodaal vervoer dat ook terecht in Duitsland
wordt nagestreefd. Hierbij zal telematica een steeds grotere rol gaan spelen. </al>
        <tuskop letat="cur">Waterbeheer</tuskop>
        <al>Op basis van het Grensverdrag tussen Nederland en Duitsland (Trb. 1960,
68) functioneert de Permanente Nederlands-Duitse Grenswaterencommissie (PGC)
en haar zeven subcommissies. Dit verdrag geldt voor alle grensoverschrijdende
wateren tussen Nederland en Duitsland, met uitzondering van Rijn, Eems en
Dollard. Op basis van dit verdrag komen overeenkomsten inzake het onderhoud
van grensoverschrijdende wateren tot stand tussen de bevoegde beheersautoriteiten
aan weerszijden van de grens. Het afgelopen decennium zijn de volgende onderhoudsovereenkomsten
opgesteld:</al>
        <al>• De bepalingen van de op 5 juni 1989 tot stand gekomen Overeenkomst
tussen polderdistrict Groot Maas en Waal en Deichverband Kleve-Landesgrenze
inzake het onderhoud van de watergang, achtereenvolgens genaamd Bimmensche
Wetering, Zeeländisch Wasserung en Hauptwässerung, zijn op 1 maart
1992 in werking getreden;</al>
        <al>• De bepalingen van de op 25 september 1990 tot stand gekomen Overeenkomst
tussen het Waterschap Roer en Overmaas en de stad Aken inzake het onderhoud
van de Selzerbeek zijn op 1 april 1992 in werking getreden;</al>
        <al>• De bepalingen van de op 25 september 1990 tot stand gekomen Overeenkomsten
tussen het waterschap Roer en Overmaas en het Wasserverband Obere Wurm inzake
het onderhoud van de Anselderbeek, Crombachernbeek en Bleijerheidebeek zijn
op 1 mei 1992 in werking getreden;</al>
        <al>• De op 24 maart 1994 tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Waterschap
Roer en Overmaas en het Duitse Rodebachverband inzake het onderhoud van de
Rode Beek, de Grensgraaf, de vroegere Rigolbach en de Ruisscherbeek is op
30 januari 1995 goedgekeurd;</al>
        <al>• De op 7 december 1993 tot stand gekomen Overeenkomst tussen het
Waterschap Maasterras en het Duitse Wasser- und Bodenverband Baaler Bruch
inzake het onderhoud van de Kendel is op 2 maart 1999 goedgekeurd.</al>
        <al>De jaarlijkse bijeenkomsten van de PGC en haar subcommissies bieden tevens
de gelegenheid tot regelmatig overleg op het terrein van grondwaterbeheer.</al>
        <al>Voor de Eemsmonding is het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding
(Eems-Dollard-verdrag) (Trb. 1960, 69) van kracht. In dit verdrag wordt niet
voorzien in specifieke regelingen op het gebied van water- en natuurbeheer,
m.u.v. bepalingen inzake de jacht en de visserij. Om die reden is op 22 augustus
1996 bij dit Eems-Dollard-verdrag een Aanvullend Protocol tot regeling van
de samenwerking met betrekking tot het waterbeheer en het natuurbeheer in
de Eemsmonding ondertekend. Dit Eems-Dollardmilieuprotocol is in de zomer
van 1998 in werking getreden. De uitvoering van dit milieuprotocol vindt plaats
in een subcommissie van de PGC (zie ook Landbouw, Natuurbeheer en Visserij)
(zie voor de verdragen ook het overzicht van de bilaterale overeenkomsten
grensoverschrijdende samenwerking). </al>
        <tuskop letat="vet">Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport</tuskop>
        <tuskop letat="cur">Internationalisering vergoedingen ziektekosten</tuskop>
        <al>Beleid ten aanzien van ziektekosten in grensstreken: sinds de informele
sociale Raad van Ministers in 1994 in Charleroi het streven heeft vastgelegd
belemmeringen voor grensoverschrijdende zorgverlening weg te nemen, worden
er steeds meer initiatieven voor grensoverschrijdende samenwerking op dit
vlak genomen. In breed EU-verband wordt onderzocht in hoeverre de mogelijkheden
kunnen worden verruimd voor verzekerden om over de grens medische voorzieningen
te krijgen waar die vaak dichterbij verkrijgbaar zijn dan in eigen land.</al>
        <al>In samenhang met dit onderzoek is tussen Nederland en Duitsland een ontwerp-verdragtekst
opgesteld die in de relatie tussen beide landen een grotere vrijheid aan verzekerden
kan bieden om aan weerszijden van de grens zorg in te roepen; een recht dat
grensarbeiders op grond van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 al hebben.</al>
        <al>Daarnaast is het Ministerie van VWS betrokken bij de volgende experimenten:</al>
        <al>• Project Zeeuws-Vlaanderen. Dit betreft een onderzoek naar het over
de grens contracteren van zorg teneinde te bezien tegen welke problemen men
hierbij aanloopt om ervaring op te doen met mogelijke ontwikkelingen ten gevolge
van de arresten Kohll en Decker. Ziekenfonds OZ dient als pilot voor alle
in de regio werkzame ziekenfondsen.</al>
        <al>• Project Gesundheistkarte International. Dit project bestaat uit
een samenwerkingsverband tussen ziekenfonds CZ-verzekeringen (een Nederlands
ziekenfonds) en de AOK (een Duits ziekenfonds). Het is de bedoeling dat verzekerden
van CZ in het buurland medische zorg in kunnen roepen bij door de AOK gecontracteerde
hulpverleners tegen de door de AOK overeengekomen tarieven en andersom. Wat
de tarieven betreft wordt «meegelift» met de tarieven die door
het collega-ziekenfonds in het buurland zijn overeengekomen. Het ligt in de
bedoeling om bij voldoende behoefte zelfstandig buitenlandse zorgaanbieders
te contracteren. De experimenten worden gevolgd door een Begeleidingscommissie
grensoverschrijdende zorg van het College voor Zorgverzekeringen, waarin VWS
participeert. </al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <titel>BIJLAGE B <nadruk type="vet">Overzicht bilaterale overeenkomsten grensoverschrijdende
samenwerking</nadruk></titel>
        <al>• <nadruk type="cur">Benelux-Overeenkomst inzake grensoverschrijdende
samenwerking tussen territoriale samenwerkingsverbanden of autoriteiten (Trb.
1986, 160)</nadruk></al>
        <al>Deze overeenkomst maakt het mogelijk dat Nederlandse en Belgische decentrale
overheden aan weerszijden van de grens op publiekrechtelijke basis met elkaar
samenwerken.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Aanvullend Protocol bij de Benelux-Overeenkomst
inzake grensoverschrijdende samenwerking (Trb. 1998, 261)</nadruk></al>
        <al>Dit Aanvullend Protocol breidt de Benelux-Overeenkomst uit in die zin
dat naast decentrale overheden ook privaatrechtelijke organisaties zoals bijvoorbeeld
Kamers van Koophandel of VVV's deel kunnen nemen aan een publiekrechtelijk
grensoverschrijdend samenwerkingsverband.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Nederlands-Duitse Overeenkomst inzake grensoverschrijdende
samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten (Anholt-Verdrag)
(Trb. 1991, 102)</nadruk></al>
        <al>Deze overeenkomst maakt het mogelijk dat Nederlandse en Duitse decentrale
overheden aan weerszijden van de grens op publiekrechtelijke basis met elkaar
samenwerken.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Vier-Landenverklaring smog</nadruk></al>
        <al>In de Vierlandenverklaring tussen de Benelux-landen en Duitsland, ondertekend
door respectievelijke ministers van Milieu, wordt geregeld dat decentrale
overheden in grensgebieden hun acties bij smog-alarm en de voorlichting aan
de bevolking harmoniseren. Voor ozon («zomersmog») is een en ander
inmiddels op Europees niveau geregeld.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Nederlands-Duitse Commissie voor de Ruimtelijke
Ordening (Trb. 1976, 75)</nadruk></al>
        <al>Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en
de Bondsrepubliek Duitsland inzake de samenwerking op het gebied van de ruimtelijke
ordening.</al>
        <al>Het doel van deze regeling is dat de Regeringen van de Bondsrepubliek
Duitsland en de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden met elkaar overleg
plegen aangaande problemen met ruimtelijke ordening ten einde hun in ruimtelijk
opzicht van belang zijnde plannen en maatregelen, vooral in de grensgebieden
op elkaar af te stemmen.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Overeenkomst tussen Nederland en Noordrijn-Westfalen
inzake de samenwerking van hoge scholen van Nederland met de Fachhochschulen
van Noordrijn-Westfalen (Trb.1992, 179)</nadruk></al>
        <al>Deze overeenkomst maakt het mogelijk de uitwisseling tussen studenten
te bevorderen en te vergemakkelijken.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Overeenkomst tussen Nederland en de deelstaat
Nedersaksen inzake de Vecht en enige zijtakken (Trb. 1974, 62)</nadruk></al>
        <al>Deze overeenkomst regelt het beheer en onderhoud van de Vecht en haar
zijtakken, dijken en overige werken door partijen op hun eigen grondgebied.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Eerste Aanvullend Protocol bij de Kaderovereenkomst
van Madrid (Trb. 1996, 352)</nadruk></al>
        <al>Dit protocol biedt territoriale gemeenschappen en autoriteiten de mogelijkheid publiekrechtelijke overeenkomsten te sluiten over grensoverschrijdende
samenwerking.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Tweede Aanvullend Protocol bij de Kaderovereenkomst
van Madrid (Trb. 1999, 43)</nadruk></al>
        <al>Op grond van dit protocol is het mogelijk publiekrechtelijke overeenkomsten
te sluiten tussen geografisch van elkaar verwijderde gemeenschappen.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Overeenkomst tussen Nederland en België
inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen en ongevallen
(Trb. 1984, 155)</nadruk></al>
        <al>Deze overeenkomst geeft onder meer de procedures aan voor het aanvragen
en uitvoeren van bijstand en bevat bepalingen die de bijstandsverlening faciliteren.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Eerste Aanvullende Overeenkomst tussen Nederland
en België inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van
rampen en ongevallen (Trb. 1990, 42)</nadruk></al>
        <al>In deze overeenkomst worden enkele aspecten van de Nederlands-Belgische
bijstandsovereenkomst nader geregeld, onder meer het op de verschillende bestuursniveaus
uitwisselen van informatie bij een incident.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Overeenkomst tussen Nederland en Duitsland inzake
wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen
daaronder begrepen (Trb. 1988, 95)</nadruk></al>
        <al>Deze overeenkomst geeft onder meer de procedures aan voor het aanvragen
en uitvoeren van bijstand en bevat bepalingen die de bijstandsverlening faciliteren.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Overeenkomst tussen Nederland en Duitsland inzake
de kosten van bijstandsverlening, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de
Overeenkomst van 7 juni 1988 inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het
bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen (Trb. 1996, 100)</nadruk></al>
        <al>Deze overeenkomst behelst enkele beperkingen aan het aan de Nederlands-Duitse
bijstandsovereenkomst ten grondslag liggende beginsel van bijstandsverlening
met gesloten beurzen.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Overeenkomst tussen de Minister van Binnenlandse
Zaken en de Minister van Justitie van Nederland en het Bondsministerie van
Binnenlandse Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland inzake politiële samenwerking
in het grensgebied tussen Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland, ondertekend
op 17 april 1996 in Den Haag</nadruk></al>
        <al>Deze overeenkomst beoogt de politiële samenwerking in het Nederlands-Duitse
grensgebied in overeenstemming met de deelstaten Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen
te versterken. Het gaat daarbij om informatie-uitwisseling, contactpunten,
coördinatie politieoptreden in het grensgebied, aanwijzingen van bevoegde
autoriteiten bij grensoverschrijdende observatie en achtervolging, het dragen
van dienstwapens en overige uitrusting, uitwisseling van opleidings- en oefenactiviteiten.
De basis voor deze Overeenkomst is geweest de Schengen Uitvoeringsovereenkomst,
artikel 39 lid 4.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Memorandum van overeenstemming inzake de samenwerking
op het terrein van politie, justitie en immigratie tussen de ministers van
Justitie van België, Nederland en Luxemburg, de Ministers van Binnenlandse
Zaken van België en Nederland en de Minister van de Force
Publique van Luxemburg, ondertekend op 4 juni 1996 te Senningen</nadruk></al>
        <al>Versterking van de samenwerking op het terrein van politie, justitie en
immigratie door intensiever onderling overleg tussen Benelux-landen. Doel,
structuur en prioriteiten worden aangegeven.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en het Koninkrijk België inzake grensoverschrijdend politie-optreden
ter handhaving van de openbare orde en veiligheid tijdens het Europees Kampioenschap
voetbal voor landenteams in het jaar 2000, Bergen op Zoom, 26 april 1999 (Trb.
1999, 87)</nadruk></al>
        <al>In de structuur van dit Verdrag is rekening gehouden met</al>
        <al>– voorzienbare en onvoorzienbare situaties.</al>
        <al>– verzoek vooraf c.q. mededeling aan bevoegd gezag, zodra optreden
is aangevangen en (eventuele) overdracht van de politie-inzet</al>
        <al>– rol bevoegd gezag</al>
        <al>– bevoegdheden politie</al>
        <al>– dragen wapens en gebruik (noodweer of wettige verdediging)</al>
        <al>– aansprakelijkheid politieoptreden</al>
        <al>– evaluatie met het oog op de toekomst</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Convenant samenwerking Europese Kampioenschappen
Voetbal landenteams in 2000, Den Haag 30 juni 1997 (Stcrt. 31-07-1997, 144)</nadruk></al>
        <al>In dit convenant wordt het voornemen vastgelegd om met het oog op het
welslagen van de Europese kampioenschappen in 2000 voor de duur van de voorbereidingen
van deze kampioenschappen en de periode dat deze kampioenschappen zullen plaatsvinden
op uitvoerend en beleidsmatig niveau samen te werken daar waar overheidsbemoeienis
geboden is. Daarin worden naast de organisatie en de besluitvormingsstructuur
de prioriteiten aangegeven waarop de beleidsontwikkeling zal zijn gericht.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de toepassing van artikel 20 van de
Verordening (EEG) nr. 1408/71 voor gezinsleden van grensarbeiders van 15 februari
1982 (Trb. 1982, 29)</nadruk></al>
        <al>Grensarbeiders hebben op grond van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 standaard
de mogelijkheid om gebruik te maken van zorgvoorzieningen over de grens. Hun
gezinsleden hebben die mogelijkheid ook indien tussen de betrokken lidstaten
terzake een overeenkomst bestaat of, indien een dergelijke overeenkomst niet
bestaat, als de verzekeringsinstelling waarbij men is verzekerd (het bevoegde
orgaan) daartoe voorafgaande toestemming heeft verleend. Nederland en Duitsland
hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan gezinsleden van grensarbeiders
in de staat waar men is verzekerd ook recht hebben op medische zorg, indien
vooraf toestemming wordt gegeven door de verzekeringsinstelling van de woonplaats.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Bilaterale en multilaterale overeenkomsten met
Bremen (23-6-96), Nedersaksen (7-4-97), Noordrijn-Westfalen (25-05-99), Vlaanderen
(GENT 5, 07-02-00; nieuwe overeenkomst is in voorbereiding) en multilateraal
(Münster 20-5-97)</nadruk></al>
        <al>De overeenkomsten hebben onder andere betrekking op het vergroten van
de studentenmobiliteit in de grensregio's, het meenemen van de studiefinanciering
over de grenzen, de toelating van abituriënten uit het voorgezet onderwijs
tot elkaars hoger onderwijs, gezamenlijke kwaliteitszorg, afstemming onderwijsaanbod,
omgang instructietaal, transnationale samenwerking instellingen en het wegnemen
van belemmeringen die leiden tot artificiële mobiliteit, mobiliteitsstromen
als gevolg van verschillen in wet- en regelgeving. </al>
        <al>• <nadruk type="cur">Privaatrechtelijke overeenkomsten in het gemeenschappelijke
verdragsgebied zoals omschreven in het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding,
met Bijlagen en Slotprotocol (Eems-Dollardverdrag) van 8 april 1960</nadruk></al>
        <al>Partijen mogen onder handhaving van wederzijdse rechtsstandpunten ten
aanzien van het verloop van de staatsgrens in de Eemsmonding, in uitvoering
van artikel 48 van het Eems-Dollard verdrag, privaatrechtelijke overeenkomsten
sluiten met betrekking tot de waterstaatszorg zoals omschreven in artikel
20 van het Eems-Dollard verdrag. Deze overeenkomsten mogen echter uitsluitend
betrekking hebben op het treffen van maatregelen inzake:</al>
        <al>1. aansprakelijkheid</al>
        <al>2. opruimen en/of herstel oude toestand, voor zover mogelijk</al>
        <al>3. eenmalige legesheffing</al>
        <al>4. kosten verband houdende met de uitvoering van artikel 20.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Eems-Dollardmilieuprotocol</nadruk></al>
        <al>Voor het grensgebied tussen Nederland en Duitsland waarvoor het Eems-Dollardverdrag
geldt, is in 1996 een Aanvullend protocol op dit verdrag, het Eems-Dollardmilieuprotocol
ondertekend. Dit Eems-Dollardmilieuprotocol is in 1998 geratificeerd.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Verdrag tussen Nederland, België en het
Vlaams Gewest tot herziening van het Reglement ter uitvoering van Artikel
IX van het Tractaat van 19 april 1839 en van hoofdstuk II, afdeling 1 en 2,
van het Tractaat van 5 november 1842, zoals gewijzigd, voor wat betreft het
loodswezen en het gemeenschappelijk toezicht daarop (Scheldereglement; samenwerking
beloodsen zeeschepen)(Trb.1995, 48)</nadruk></al>
        <al>In dit verdrag wordt het, gelet op de ontwikkeling van het scheepvaartverkeer
op de Westerschelde en het kanaal van Gent naar Terneuzen, wenselijk geacht
het Reglement van 20 mei 1843 ter uitvoering van artikel IX van het Tractaat
van 19 april 1839 en van hoofdstuk II, afdeling 1 en 2, van het Tractaat van
5 november 1842, te wijzigen.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Overeenkomst tussen Nederland en België
over het aanleggen van een walradarketen langs de Westerschelde en haar mondingen
(Schelde-radar-verdrag; verkeersbegeleiding zeescheepvaart)(Trb. 1979, 5)</nadruk></al>
        <al>In deze overeenkomst wordt geregeld dat er langs de Westerschelde en haar
mondingen een walradarketen wordt aangelegd teneinde de scheepvaart van de
meest doeltreffende informatie te kunnen voorzien.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Overeenkomst tussen Nederland en Duitsland over
gemeenschappelijke informatie en begeleiding van de scheepvaart in de Eemsmonding
door middel van walradar- en hoogfrequent-radio-installaties (Eems-radar-verdrag)
(Trb. 1981, 2)</nadruk></al>
        <al>Deze overeenkomst heeft tot doel partijen te binden walradar- en hoogfrequent-radio-installaties
in bedrijf te houden om het scheepvaartverkeer in de Eemsmonding door middel
van informatie en begeleiding gemeenschappelijk te beveiligen en vlot af te
wikkelen.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Verdrag tussen Nederland en België betreffende
de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale wetgeving
(29 augustus 1947) zoals nadien gewijzigd met Aanvullend Protocol van 4 november
1957</nadruk></al>
        <al>Doel van het verdrag is de Belgische en Nederlandse stelsels van zorgverzekerden
te coördineren. Het verdrag kent verscheidende uitvoeringsakkoorden,
zoals:</al>
        <al>1. Akkoord tussen de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van Nederland en de Minister van Arbeid, Sociale Voorzorg van België
inzake ziekengeld, moederschaps- en overlijdensverzekering (begrafenisvergoeding),
verzekering voor de geneeskundige verzorging en invaliditeitsverzekering van
4 november 1957.</al>
        <al>2. Akkoord tussen de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van
Nederland met de Minister van Sociale Voorzorg van België inzake de ziekte,
invaliditeits- en werkloosheidsverzekeringen voor zeelieden ter koopvaardij
van 10 april 1965.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Akkoord tussen de Nederlandse Minister van Volksgezondheid
en Milieuhygiëne en de Belgische Minister van Sociale Voorzorg inzake
de verzekeringen voor geneeskundige verzorging (24 dec. 1980, Brussel, Trb.
1981, 84), zoals nadien gewijzigd (Trb. 1994, 161)</nadruk></al>
        <al>Het Akkoord strekt tot uitvoering van een aantal bepalingen van Verordeningen
(EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72. Met name heeft het Akkoord betrekking
op de verlening van medische zorg aan gezinsleden van grensarbeiders ex artikel
20 van de Verordening. Grensarbeiders hebben op grond van de Verordening (EEG)
nr. 1408/71 standaard de mogelijkheid om gebruik te maken van zorgvoorzieningen
over de grens. Hun gezinsleden hebben die mogelijkheid ook indien tussen de
betrokken lidstaten terzake een overeenkomst bestaat of, indien een dergelijke
overeenkomst niet bestaat, als de verzekeringsinstelling waarbij men is verzekerd
(het bevoegde orgaan) daartoe voorafgaande toestemming heeft verleend. Nederland
en België hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan gezinsleden
van grensarbeiders in de staat waar men is verzekerd ook recht hebben op medische
zorg, indien vooraf toestemming wordt gegeven door de verzekeringsinstelling
van de woonplaats.</al>
        <al>Voorts wordt voorzien in regelingen met betrekking tot de wederzijdse
vergoedingen van kosten van verleende medische zorg aan wederzijdse verzekerden.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Akkoord tussen de Nederlandse Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en de Belgische Minister van Sociale Voorzorg inzake
ziekengeld-, moederschaps- en invaliditeitsverzekering (12 augustus 1982,
Brussel)</nadruk></al>
        <al>De verschillende regelingen ter verwezenlijking van de aanspraken op ziekengeld,
moederschapsuitkering en invaliditeitsuitkering die op grond van de betrekkingen
tussen Nederland en België voortvloeien uit Verordening nr. 1408/71 van
de Raad van de Europese Gemeenschappen, dan wel uit het op 29 augustus 1947
in Den Haag gesloten Verdrag tussen Nederland en België over de toepassing
van wederzijdse wetgeving op het punt van sociale verzekering, te ordenen
in één gecoördineerd Akkoord.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Bilateraal verdrag betreffende de uitoefening
van de geneeskunst in de grensgemeenten (28 april 1947, Brussel)</nadruk></al>
        <al>Met dit verdrag wordt het mogelijk gemaakt dat voor de uitoefening van
de geneeskunst en de verloskunst in grensgemeenten wederzijds vergunningen
worden verleend. De vraag op dit moment is of dit verdrag moet worden gehandhaafd
nu specifieke EU-richtlijnen voor artsen en verloskundigen het vrij verkeer
tussen de EU-landen en publiekrechtelijke verzekeringsmaatschappijen waarborgen
waarbij wederzijdse afspraken kunnen worden gemaakt over de bekostiging van
hulp.</al>
        <al>• <nadruk type="cur">Benelux-Overeenkomst «Natuurbehoud en
Landschapsbescherming»</nadruk></al>
        <al>De overeenkomst voorziet in een inventarisatie van waardevolle natuurgebieden
en landschappen in de grensstreken. Op basis van de inventarisatie worden
vervolgens de grensoverschrijdende natuurprojecten in de grensstreek
bepaald. Voorts voorziet de overeenkomst in de instelling van samenwerkingscommissies
voor het beheer en de projectuitvoering van de gebieden. Vormt tezamen met
de Benelux-Overeenkomst «Jacht en Vogels» het juridisch kader
voor Benelux-samenwerking op het terrein van natuureducatie, natuurbescherming
en jacht- en vogelregelgeving.</al>
        <al>In het kader van deze overeenkomst functioneren ook werkgroepen die betrekking
hebben op de invulling van de verschillende grensoverschrijdende gebieden
en themata en van de grensoverschrijdende ecologische structuur.</al>
        <al>Onder deze overeenkomst ressorteert de Vlaams-Nederlandse Coördinatiecommissie
Grensmaas. Doelstelling is samenwerking bij de verwezenlijking van het Grensmaasproject.</al>
      </bijlage>
    </stuk>
  </body>
  <voetnoot id="v2.1" nr="1">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 1993–1994, 23 759, nr. 1.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v3.1" nr="1">
    <al>Zie voor uitgebreidere uitleg Verdrag van Amsterdam onder andere NJB 19
maart 1999 afl. 11 p. 492 e.v.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v3.2" nr="2">
    <al>Ministerie van Economische Zaken, Europees Aanbesteden: Haal pegels uit
die regels!, 1 oktober 1999.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.1" nr="1">
    <al>Zie o.a. zaak 103/88, Constanzo arrest, Jur. 1989, 1839.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.2" nr="2">
    <al>Richtlijn 92/43/EEG van Raad van 21 mei 1992, inzake de instandhouding
van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG nr. L 206/7).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.3" nr="3">
    <al>Constanzo arrest Jur.1989, 1839. Een richtlijn kan rechtstreekse werking
hebben als de in de richtlijn genoemde omzettingstermijn is verlopen en de
omzetting niet of niet-correct heeft plaatsgevonden. De betreffende richtlijn
moet dan wel onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.4" nr="4">
    <al>HvJEG 1 juni 1999, zaak C-302/97, Konle.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v4.5" nr="5">
    <al>Interdepartementale Commissie voor constitutionele aangelegenheden en
wetgevingsbeleid, september 1999.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v5.1" nr="1">
    <al>Regionalisation and its effect on local selfgovernment, Council of Europe,
January 1998.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v6.1" nr="1">
    <al>R.J.P. Schobben (2000), Politieke regio en de Europese Unie, Delft: Eburon
p. 164.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v6.2" nr="2">
    <al>R.J.P. Schobben (2000), Politieke regio en de Europese Unie, Delft: Eburon
p. 176.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v7.1" nr="1">
    <al>R.J.P. Schobben (2000), Politieke regio en de Europese Unie, Delft: Eburon
p. 65.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v7.2" nr="2">
    <al>In 1987 werd de Council of the European Regions voorgezet in de Assembly
of the European Regions.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v8.1" nr="1">
    <al>Wijken of herijken: nationaal bestuur en recht onder Europese invloed,
Raad voor het openbaar bestuur, Den Haag, september 1998. Kabinetsstandpunt
Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 21 109, nr. 101.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v9.1" nr="1">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 670, nr. 1, aanbeveling
4. Zie ook de brief van de staatssecretarissen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en van Financiën over de voortgangsrapportage inzake het kabinetsstandpunt
Grensoverschrijdende projecten (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000,
26 670, nr. 3).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v9.2" nr="2">
    <al>Gemeenten zonder grenzen, VNG, maart 2000.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v11.1" nr="1">
    <al>Bijvoorbeeld ARGE ALP, de «Arbeitsgemeinschaft der Alpenländer»
met Italiaanse, Duitse, Oostenrijkse en Zwitserse overheden als leden. In
navolging hiervan ontstonden ook in andere delen van de Alpen samenwerkingsverbanden,
zoals de «Communauté de Travail des Cantons et des Régions
des Alpes Occidentales» (COTARO) met deelnemers uit Zwitserland, Italië
en Frankrijk.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v11.2" nr="2">
    <al>Institutional aspects of cross-border coopeö ration, AEBR/LACE (1999),
Gronau, p. 8 e.v.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v12.1" nr="1">
    <al>R.J.P. Schobben (2000), Politieke regio en de Europese Unie, Delft: Eburon
p. 121 e.v.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v12.2" nr="2">
    <al>Benelux-Overeenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale
samenwerkingsverbanden of autoriteiten (Trb. 1986,160), Nederlands-Duitse
Overeenkomst tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten (Anholt-Verdrag)
(Trb. 1991, 102).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v13.1" nr="1">
    <al>Grensoverschrijdende samenwerking databank Nederland-Vlaanderen: structuren,
Benelux Economische Unie, september 1999.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v13.2" nr="2">
    <al>Vademecum Belgisch-Nederlandse betrekkingen, Belgisch-Nederlandse conferentie
23/24 september 1999, Ministerie van Buitenlandse Zaken.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v13.3" nr="3">
    <al>Deelnemers zijn onder meer de Nederlandse gemeenten Arnhem en Nijmegen
en de Duitse Stadt Duisburg.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v13.4" nr="4">
    <al>Belangrijke steden in het gebied zijn onder meer de steden Venlo, Roermond
en Mönchengladbach.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v15.1" nr="1">
    <al>De Euregio Maas-Rijn, de euregio Rijn-Maas-Noord, de EUREGIO en het Benelux
Middengebied zijn geen publiekrechtelijke grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v17.1" nr="1">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 21 062, nr. 89.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v17.2" nr="2">
    <al>De cofinanciering voor het programma van de EDR is geregeld in het zogenaamde
Langman-Akkoord met het Noorden. De gelden worden daar verdeeld via het SNN
(Samenwerkingsverband Noord Nederland).</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v17.3" nr="3">
    <al>Rapport van de Staatscommissie dualisme en lokale democratie: Dualisme
en lokale democratie, Alphen aan de Rijn, 2000, Samsom p. 131 e.v.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v19.1" nr="1">
    <al>Alen, A. «Belgium», in: International Encyclopedia of Laws,
Volume 1, Constitutional Law, Kluwer, Den Haag, 1992, 162.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v19.2" nr="2">
    <al>Mast, A. en Dujardin, J. Overzicht van het Belgische administratief recht,
1992, 12e druk, 339.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v19.3" nr="3">
    <al>Delmartino, F. «Local government in Belgium: Decentralising the
state», in: Local government and urban affairs in international perspective,
Hesse, J. Baden-Baden, 1990–1991, 349–350 en Craenen, G. «Het
Koninkrijk België», in: Prakke, L. en Kortmann C.A.J.M. red.),
Het staatsrecht van de landen van de Europese Unie, 1998, 5e druk, 51.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v19.4" nr="4">
    <al>Buck Consultants, Grensoverschrijdende bedrijventerreinen Duitsland/Nederland,
Plan van aanpak, Nijmegen, 1998.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v20.1" nr="1">
    <al>Post en Stal, Grensoverschrijdende spoedeisende medische hulpverlening
in België-Duitsland-Nederland, Its, wetenschap voor beleid en samenleving,
Nijmegen, 2000.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v20.2" nr="2">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 1993–1994, 23 759, nr. 1.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v21.1" nr="1">
    <al>Wijken of herijken: nationaal bestuur en recht onder Europese invloed,
Raad voor het openbaar bestuur, Den Haag, september 1998. Kabinetsstandpunt
Tweede Kamer vergaderjaar 1999–2000, 21 109, nr. 101.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v21.2" nr="2">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 670, nr. 1.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v21.3" nr="3">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 25 387, nr. 10.</al>
  </voetnoot>
  <voetnoot id="v26.1" nr="1">
    <al>Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 26 670, nr. 3.</al>
  </voetnoot>
</kamerwrk>