nr. 2
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 25 november 1999
Met de brief van 15 november 1999 kenmerk E/EBD/I/99073506 deed ik u het
Energierapport 1999 toekomen. Daarin komt onder andere de rol van warmtekracht
koppeling (WKK) aan de orde.
Hierbij treft u aan het achtergrondrapport «Toekomst Warmtekrachtkoppeling;
verkenning van de economische aantrekkelijkheid in een geliberaliseerde energiemarkt».1
In dit ECN rapport worden de invloeden beschreven die in een geliberaliseerde
energiemarkt van belang zijn voor de toekomstmogelijkheden van WKK.
De studieresultaten zijn modelberekeningen voor 2010 waarbij noodzakelijkerwijs
een aantal veronderstellingen is gehanteerd.
In deze studie zijn de toekomstmogelijkheden voor WKK verkend bij twee
verschillende scenario's:
• een laag scenario waarbij de marktprijs voor elektriciteit laag
blijft vanwege aanhoudende overcapaciteit in binnen- en buitenland, relatief
hoge marges op de distributie van aardgas, een lage stookolieprijs en een
voor WKK ongunstige situatie m.b.t. de transporttarieven en het ontbreken
van een vergoeding voor decentrale opwekking voor uitgespaarde netverliezen
en infrastructuurkosten.
• Een hoog scenario waarin voor WKK, naast een kWh vergoeding, ook
een kW vergoeding wordt verkregen, een vergoeding voor uitgespaarde netverliezen
en infrastructuur, hogere nettarieven en een hoge stookolieprijs.
Voorts zijn verschillende beheersvormen van een aantal typen WKK bezien,
zijn veronderstellingen gehanteerd ten aanzien van de bedrijfsvoering en is
rekening gehouden met effecten van het Commodity Diensten Systeem voor de
gasprijzen alsmede met de gestegen kosten van investeringen, bediening en
onderhoud van WKK-installaties.
De resultaten laten een betrekkelijk grote spreiding zien: in het gunstigste
geval (maximaal hoog scenario) wordt nog maximaal ca 90% van de energiebesparing
bereikt die in het Global Competition scenario voor 2010 werd voorzien. In
het meest ongunstige geval (minimaal laag scenario) komt de besparing uit
op 52%. Gerelateerd aan het opgesteld WKK vermogen liggen deze cijfers lager.
De berekeningen zijn verkenningen en geen prognoses. De veronderstellingen
zullen periodiek aan de realiteit worden getoetst en geactualiseerd naar de
dan geldende markt- en prijsontwikkelingen. Dit laat onverlet dat de situatie
met betrekking tot WKK momenteel zorgwekkend is. Zowel tijdens het klimaatdebat
op 1 november 1999 als in het Energierapport 1999 heb ik uiteengezet dat er
alle aanleiding is om WKK niet alleen terdege in de gaten te houden, maar
ook het mogelijke te doen ter ondersteuning van WKK. Een pakket van maatregelen
hiertoe is in het Energierapport opgenomen.
Vooralsnog is er sprake van een markt in transitie. Dit is ook relevant
voor wat betreft de bouw van nieuw productievermogen. Het is momenteel niet
duidelijk in welke mate de onevenwichtigheid tussen vraag en aanbod van elektriciteit,
ook op Europees niveau de bouw van nieuw elektriciteitsproductievermogen in
Nederland zal vertragen danwel overbodig zal maken. De ontwikkeling van nieuw
WKK vermogen kan dus niet geïsoleerd worden gezien van de toekomstige
behoefte aan nieuw elektriciteitsproductievermogen ten principale.
Zoals ik tijdens het klimaatdebat op 1 november 1999 heb aangegeven is
het kabinet voornemens om over de resultaten van het klimaatbeleid, waaronder
de rol van WKK daarin, in 2002 de balans op te maken en nader met u te spreken.
De Minister van Economische Zaken,
A. Jorritsma-Lebbink