﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<kamerwrk kamer="2" publtype="brif">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26874-1/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>Tweede Kamer der Staten-Generaal</titel>
    <subtitel>2</subtitel>
    <subtitel>Vergaderjaar 1999-2000</subtitel>
  </kop>
  <frontm>
    <versie dtd="0.10" conv="prod1.4__2.12" markup="c11xa"></versie>
    <ordernr>KST41481</ordernr>
    <vergjaar>1999-2000</vergjaar>
    <onderw>
      <nummer>26 874</nummer>
      <naam>Interdepartementale beleidsonderzoeken 1999</naam>
    </onderw>
  </frontm>
  <body>
    <stuk>
      <ltrlabel>Nr. </ltrlabel>
      <nummer>1</nummer>
      <titel>BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN</titel>
      <al>Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Den Haag,  <datum>1 november 1999</datum></al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het kabinet heeft onlangs besloten tot een nieuwe ronde van Interdepartementale
Beleidsonderzoeken (IBO's). In deze brief informeer ik u over deze onderzoeken.
Achtereenvolgens ga ik in op de thema's van deze ronde, de onderwerpselectie
en de verdere procedure.</al>
      <tuskop letat="vet">Thema's</tuskop>
      <al>In de afgelopen jaren is financiële vernieuwing een centraal thema
geweest van de procedure van de interdepartementale beleidsonderzoeken. Ik
constateer dat in brede kring de gedachte veld wint dat de beste waarborg
voor duurzame doelmatigheidsverbeteringen gelegen is in de hervorming van
instituties en de gedragsprikkels die daarin besloten liggen. Het gaat dan
vooral om een meer prestatiegerichte financieringsgrondslag, budgettering
op basis van robuuste (niet manipuleerbare) maatstaven, decentralisatie van
beleid en middelen naar lagere overheden, afstoting en uitbesteding van taken
naar de marktsector en een betrouwbare informatievoorziening over prestaties
en kosten. In de afgelopen jaren zijn vele waardevolle IBO-rapporten op dit
terrein verschenen en zijn vele beleidsinitiatieven genomen om daaraan uitvoering
te geven, maar er kan nog veel meer gebeuren. Het lijkt mij dan ook wenselijk
dat dit thema nog geruime tijd een centraal thema van de IBO-procedure blijft.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Naast het thema financiële vernieuwing, zal ook het thema bedrijfsvoering
van uitvoerende diensten het komend jaar aan de orde komen. In de afgelopen
twee jaar zijn er dertien IBO bedrijfsvoeringsonderzoeken uitgevoerd, waarbij
voorstellen zijn ontwikkeld voor een meer resultaatgerichte bedrijfsvoering.
Deze doorlichting zal het komende jaar nog worden voortgezet bij een tweetal
overheidsorganisaties die nog niet aan de orde zijn geweest, namelijk de Raad
voor de Kinderbescherming en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. </al>
      <witreg></witreg>
      <al>Een ander thema vloeit voort uit het in mei verschenen IBO-rapport «Defensie
in competitie». In het kabinetsstandpunt over dit rapport heeft het
kabinet aangekondigd te zullen bezien of ook andere departementen gebruik
kunnen maken van de in dit rapport ontwikkelde procedure voor Competitieve
Dienstverlening (CDV).</al>
      <al>Het kabinet heeft besloten om eerst meer ervaring op te doen met de CDV-procedure,
alvorens deze ook op andere beleidsterreinen toe te passen. In een IBO Ontwikkeling
instrumentarium Competitieve Dienstverlening (CDV) zal de CDV-procedure nader
worden uitgewerkt in de vorm van een Handboek CDV Defensie. Vervolgens zal
worden bezien in hoeverre het ontwikkelde instrumentarium rijksbreed kan worden
toegepast.</al>
      <tuskop letat="vet">Onderwerpselectie</tuskop>
      <al>In de komende ronde zullen Interdepartementale Beleidsonderzoeken (1999)
worden uitgevoerd naar de volgende onderwerpen : </al>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="2" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="5mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="107.5mm"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">1</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Ziektekostenregeling Politie</entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">2</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Medefinancieringsprogramma (MFP) </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">3</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Ontwikkeling instrumentarium Competitieve Dienstverlening (CDV)</entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">4</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Energiesubsidies </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">5</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Grondbeleid </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">6</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Raad voor de
Kinderbescherming </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">7</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Koppeling milieuvoorwaarden
aan inkomenssteun landbouwproducenten </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">8</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Waarborgfondsen </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">9</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Wet voorzieningen
gehandicapten (Wvg) </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">10</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Verbetering
afwegingsmechanisme infrastructuur </entry>
            </row>
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">11</entry>
              <entry morerows="0" rotate="0">Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)</entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <witreg></witreg>
      <al>De taakopdrachten zijn opgenomen in de bijlage bij deze brief.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor het onderwerp Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
is geen taakopdracht opgenomen. De taakopdracht zal worden vastgesteld na
afronding van het lopende onderzoek van PriceWaterhouseCoopers over de positionering
van het RIVM en nadat het kabinet over de resultaten van dit onderzoek heeft
besloten. Naar verwachting zal dit plaatsvinden voor het einde van dit jaar.
Zodra de taakopdracht is vastgesteld zal ik deze aan u toezenden.</al>
      <tuskop letat="vet">Procedure en tijdschema</tuskop>
      <al>De onderzoeken worden uitgevoerd volgens de standaardprocedure voor de
IBO's als beschreven in de Procedurele richtlijnen voor de Interdepartementale
Beleidsonderzoeken en dienen uiterlijk op 1 juni 2000 te worden voltooid.
Naar verwachting zullen de onderzoeksrapporten tezamen met kabinetsstandpunt
in het najaar van 2000 worden aangeboden aan de Staten-Generaal.</al>
      <ondtek>
        <functie>De Minister van Financiën,</functie>
        <naam>G. Zalm </naam>
      </ondtek>
      <tuskop letat="vet">1. IBO Ziektekostenregeling politie</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Korte omschrijving en budgettair beslag</tuskop>
      <al>In het Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1994 is de ziektekostenregeling
voor de politie vastgelegd. De Dienst Geneeskundige Verzorging Politie (DGVP)
fungeert als een verplichte ziektekostenverzekeraar voor alle werknemers bij
de politie, inclusief postactieven. Het gaat om een publiekrechtelijke verzekeringsvorm
vergelijkbaar met de IZA/IZR bij gemeenten en provincies. Belangrijk kenmerk
van deze verzekeringsvorm is dat het om een gesloten systeem gaat: solidariteit
met de ouderen is binnen het systeem vormgegeven; de hoge risico's, i.c. gepensioneerde
voormalige werknemers blijven in het systeem en er is dus ook geen afdracht
aan MOOZ/WTZ. De regeling gaat in beginsel uit van een kostendekkende premieheffing
gezamenlijk gefinancierd door de deelnemers en door de werkgevers. De uitvoering
van de regeling is uitbesteed aan de particuliere ziektekostenverzekeraar
Anova.</al>
      <tuskop letat="vet">Budgettair beslag (stand Miljoenennota 2000 in mln) </tuskop>
      <table orient="port" rowsep="0" colsep="0" frame="topbot" tabstyle="sdu1">
        <tgroup align="left" charoff="75" cols="6" tgroupstyle="sdu1">
          <colspec colname="c1" colnum="1" colwidth="18.75mm"></colspec>
          <colspec colname="c2" colnum="2" colwidth="18.75mm"></colspec>
          <colspec colname="c3" colnum="3" colwidth="18.75mm"></colspec>
          <colspec colname="c4" colnum="4" colwidth="18.75mm"></colspec>
          <colspec colname="c5" colnum="5" colwidth="18.75mm"></colspec>
          <colspec colname="c6" colnum="6" colwidth="18.75mm"></colspec>
          <thead valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0" rowsep="1"></entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">2000</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">2001</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">2002</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">2003</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0" rowsep="1">2004</entry>
            </row>
          </thead>
          <tbody valign="bottom">
            <row valign="top">
              <entry morerows="0" rotate="0">Premies
plus uitvoeringskosten</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">325</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">338</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">351</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">364</entry>
              <entry align="right" morerows="0" rotate="0">379</entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </table>
      <tuskop letat="cur">Doelstelling onderzoek en onderzoeksvragen</tuskop>
      <al>Het onderzoek zal zich richten op de aard en inhoud van de ziektekostenregeling
politie. Gekeken zal worden in hoeverre de ziektekostenregeling politie zich
qua aanspraken, doelgroepen en premiestelling verhoudt tot hetgeen gangbaar
is in de markt en andere overheidssectoren. Oogmerk is overeenkomsten en verschillen
zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen en te bezien welke aanknopingspunten
er zijn voor versobering van de ziektekostenregeling politie. Daarbij zal
het bijvoorbeeld gaan om pakketvergelijking, deelnemerschap postactieven,
verdeling premies over werkgevers/werknemers, werkgeversdeel postactieven,
deelnemerschap studenten en eigen bijdragen en aanpassingen in de premieheffingssystematiek
in relatie tot de solidariteit van alleenstaanden en tweeverdieners met (hoofd)kostwinners.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>In het Regeerakkoord is een taakstelling opgenomen op de ziektekostenregelingen
overheid. Daarbij wordt erop gewezen dat er naar meer marktconformiteit bij
ziektekostenregelingen zal worden gestreefd door deze regelingen te versoberen.
In budgettaire zin is de taakstelling verwerkt door een korting op de arbeidsvoorwaardenruimte.
Aanpassingen van de ziektekostenregelingen vallen onder het overeenstemmingsvereiste.
Bij de sectoren Rijk, Defensie en Rechterlijke Macht is het gelukt overeenstemming
te bereiken over versoberingen van de ziektekostenregelingen. Bij de sector
Politie zijn nog geen concrete maatregelen getroffen. Met een gedegen en zo
breed mogelijke inventarisatie van de mogelijkheden kan een IBO hiertoe een
aanzet geven.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Bij de uitvoering van het onderzoek (met name de verzameling, bewerking
en analyse/vergelijking van feitelijke gegevens) kan gebruik gemaakt worden
van een extern onderzoeksbureau.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deelnemende departementen:</nadruk> BZK, AZ, EZ, Financiën,
VWS, Defensie. </al>
      <tuskop letat="vet">2. IBO Medefinancieringsprogramma (MFP)</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Korte omschrijving en budgettair beslag</tuskop>
      <al>Het Medefinancieringsprogramma (MFP) is in 1965 ingesteld als een «programma
van ontwikkelingssamenwerking met particuliere organisaties in ontwikkelingslanden.
In het beleidskader van de lopende MFP-overeenkomst staat als algemene doelstelling
«in het kader van de Nederlandse Ontwikkelingssamenwerking een bijdrage
leveren aan structurele armoedebestrijding». Werd hiertoe in 1980 op
projectbasis samengewerkt met vier participerende organisaties (de zgn. Medefinancieringsorganisaties
(MFO's)), sindsdien gebeurt dit op basis van een programmafinancieringsovereenkomst
met als kenmerk de zelfstandige taakuitoefening van MFO's gekoppeld aan een
verantwoording achteraf van beleid en beheer.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Voor het Medefinancieringsprogramma wordt een bedrag van 642,7 miljoen
in de begroting 2000 ter beschikking gesteld. Dit bedrag wordt volgens een
door de MFO's opgestelde en door de minister voor OS gesanctioneerde verdeelsleutel
verdeeld. Bij de verdeling wordt rekening gehouden met het netwerk van contacten
in ontwikkelingslanden, de absorptiecapaciteit van de vier organisaties en
met het draagvlak van de organisaties in de Nederlandse samenleving. Bij de
keuze van samenwerking met particuliere organisaties in de Derde Wereld wordt
niet uitgegaan van godsdienstige of politieke voorkeur.</al>
      <tuskop letat="cur">Doelstelling van het onderzoek en onderzoeksvragen</tuskop>
      <al>Het onderzoek heeft tot doel te beoordelen in hoeverre het MFP als instrument
voor structurele armoedebestrijding een doelmatige en doeltreffende bijdrage
levert aan de uitvoering van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderzoek moet onder meer antwoord geven op de volgende vragen:</al>
      <al>– Wat is de actualiteit van de huidige rol van het MFP in ontwikkelingssamenwerking?
In het kader van structurele armoedebestrijding is versterking van het maatschappelijk
middenveld in de ontwikkelingslanden en samenwerking met de lokale NGO's van
groot belang. De MFO's hebben hierin tot op de dag van vandaag een belangrijke
rol gespeeld. Aanvankelijk verliepen de contacten met lokale NGO's vrijwel
voornamelijk via MFO's. De laatste jaren is hierin verandering gekomen en
wordt ook rechtstreeks via ambassades en via multilaterale organisaties met
lokale NGO's gewerkt. De vraag is of de rol van de MFO's complementair is
aan de andere kanalen voor het ondersteunen van lokale MFO's.</al>
      <al>– In hoeverre kan de doelmatigheid van het MFP-kanaal worden vergroot
door verhoging van de synergie tussen MFO's? Hierbij dient in ieder geval
aandacht te worden besteed aan de onderlinge samenhang van de programmakeuzes
aan de MFO's en de afstemming in het kader van uitvoering en beheer (bijv.
door (gemeenschappelijke) output- en impactmeting). Kan de doelmatigheid van
het MFP worden verhoogd door minder intermediaire schakels te financieren?
Waar ligt het break-even point tussen schaal- en efficiëntievergroting
enerzijds en flexibiliteit en wendbaarheid anderzijds?</al>
      <al>– Via de Subsidiewetgeving Buitenlandse zaken is geregeld aan welke
voorwaarden particuliere organisaties in Nederland moeten voldoen om erkend
te worden als medefinancieringsorganisatie. In beginsel kunnen – naast
de huidige vier MFO's – ook andere organisaties als MFO worden erkend,
mits zij voldoen aan de in de wet genoemde voorwaarden. Deze voorwaarden vormen
een hoge drempel voor kleine organisaties. Het is op dit moment
de bedoeling dat zij toegang krijgen tot de Medefinancieringsregelingen via
de bestaande MFO's. Op welke wijze geven de MFO's inhoud aan hun rol van bemiddelende
organisaties? Hiermee verband houdt de vraag wat de MFO's zien als hun draagvlak
binnen Nederland en op welke wijze zij aan versterking van het OS-draagvlak
in Nederland bijdragen</al>
      <al>– Is de aansturing van de medefinancieringsorganisaties door het
Ministerie van Buitenlandse zaken effectief? In hoeverre geeft het beleidskader
van de Minister voor OS inhoudelijke aansturing aan de MFO's om hun beleid
vorm te geven en uit tevoren? Is het beleid van de Minister voldoende specifiek
beschreven om de prestaties van de MFO's te kunnen beoordelen? Is de beheersmatige
aansturing van het MFP door de Minister doeltreffend en efficiënt? Geven
de beschikbare instrumenten voor controle van de uitvoering van het programma
als jaarrapportages, beleidsgesprekken en programma-evaluaties in voldoende
mate inzicht in de doelmatigheid en effectiviteit van de besteding van de
middelen van het programma? In hoeverre biedt de overeenkomst/beschikking
een garantie dat de gewenste Ministeriële verantwoordelijkheid voor de
beoordeling van de uitvoering van het programma tot zijn recht komt? Wordt
in toenemende mate gebruik gemaakt van de toezichtmogelijkheden die het Ministerie
heeft o.a. via monitoring ter plaatse door gebruikmaking van het postennetwerk?
Maakt het Ministerie voldoende gebruik van de ervaringen van de MFO's?</al>
      <al>– Welke mogelijkheden zijn er voor meer bedrijfsmatig/resultaatgericht
werken? In hoeverre kan de kwaliteit van de uitvoering een rol spelen bij
het ter beschikking stellen van de middelen door onderlinge vergelijkbaarheid
van de doeltreffendheid van outputfinanciering en de kwaliteit van het beheer?
In hoeverre is de verdeelsleutel het juiste instrument om de toe te kennen
bedragen te bepalen? Welke andere instrumenten/criteria (zoals hoogte eigen
bijdrage in de financiering van programma's, kosten uitvoering, mobilisatie
achterban, heldere criteria voor op te stellen programma's) zijn mogelijk
geschikt?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderzoek zal worden ondersteund door een extern bureau.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deelnemende departementen:</nadruk> AZ, Buza, EZ, LNV
en Financiën.</al>
      <tuskop letat="vet">3. IBO Ontwikkeling instrumentarium Competitieve Dienstverlening
(CDV)</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Aanleiding</tuskop>
      <al>Eind april 1999 is het interdepartementaal beleidsonderzoek «Uitbesteding
ondersteunende eenheden Defensie» afgerond met het rapport «Defensie
in competitie». In dit rapport werd aanbevolen om het concept van «Competitieve
Dienstverlening» (CDV) bij Defensie in te voeren. Het CDV is een concept
dat grotendeels is ontwikkeld met gebruikmaking van «best practices»
in het buitenland. Het schept de mogelijkheid om ondersteunende diensten in
competitief verband te vergelijken met private aanbieders. Doelstelling hierbij
is verbetering van de kosteneffectiviteit en kwaliteit. Het CDV-concept kan
als zodanig fungeren als een instrument om de bedrijfsvoering en het functioneren
van ondersteunende diensten te toetsen. De aanbeveling om het CDV-concept
bij Defensie in te voeren is in juni 1999 door de Ministerraad overgenomen,
waarbij tevens het voornemen is geuit om te bezien of het CDV-concept rijksbreed
kan worden ingevoerd. Om het CDV-concept daadwerkelijk rijksbreed praktisch
uitvoerbaar te maken, moet echter nog het nodige instrumentarium worden ontwikkeld. </al>
      <tuskop letat="cur">Doelstelling onderzoek</tuskop>
      <al>De doelstelling van het onderzoek is het ontwikkelen van een rijksbreed
instrumentarium voor CDV. In het rapport «Defensie in competitie»
wordt voornamelijk ingegaan op de uitgangspunten van het concept en worden
de onderdelen genoemd waaruit het CDV is opgebouwd. De te hanteren structuur
en de benodigde instrumenten en methoden behoeven echter nog nadere uitwerking.
Dit IBO dient de basis te leggen voor het daadwerkelijk rijksbreed praktisch
uitvoerbaar maken van het CDV en heeft als zodanig een technische doelstelling.
Dit IBO heeft niet tot doel om te komen tot nadere financiële taakstellingen
bij Defensie.</al>
      <tuskop letat="rom">Methode van onderzoek</tuskop>
      <al>Het rapport «Defensie in competitie» geeft in hoofdlijnen
aan welke stappen CDV bij Defensie moet hebben. Deze stappen dienen voor Defensie
te worden uitgewerkt in een «Handboek CDV Defensie» en omvatten
de procedures, methoden en technieken die moeten worden gehanteerd. De ervaringen
die hiermee worden opgedaan vormen de basis voor een rijksbrede CDV-aanpak.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderzoeksvragen</tuskop>
      <al>In dit handboek zal in ieder geval moeten zijn beschreven:</al>
      <al>1. Welke methodiek te gebruiken is voor de bepaling van de reikwijdte
van het CDV.</al>
      <al>2. Hoe de wenselijke diensten/producten zoveel mogelijk in outputtermen
te beschrijven zodat potentiële aanbieders ervan biedingen kunnen doen
(het zgn. «Performace Work Statement»).</al>
      <al>3. Welke aanbestedingsprocedure moet worden gevolgd.</al>
      <al>4. Hoe de interne en externe biedingen tot stand moeten komen en welke
eisen aan de inhoud ervan worden gesteld. Hierbij moet mede worden bezien
hoe de zgn. «Meest Efficiënte Organisatie» tot stand moet
komen.</al>
      <al>5. Hoe de vergelijking tussen biedingen moet plaatsvinden en op basis
van welke criteria contractgunning plaatsvindt.</al>
      <al>6. Welke vormen van interne en externe contractering mogelijk zijn.</al>
      <al>7. Hoe de relatie met nieuwe leveranciers moet worden geïmplementeerd.</al>
      <al>8. Hoe CDV-trajecten moeten worden beheerst en geëvalueerd.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Daarbij zal aandacht worden besteed aan de interne organisatie van CDV-trajecten.
Ingegaan zal worden op taak-, bevoegdheden- en verantwoordelijkheidverdeling
van betrokken functionarissen en organisatie-onderdelen. Bij de uitwerking
van de CDV-procedure zal rekening worden gehouden met het gedachtegoed van
de commissie Cohen over de afbakening van taken tussen markt en overheid.
Tot slot zal aandacht worden besteed aan de activiteiten die nodig zijn om
de uitgangspunten van het CDV binnen de rijksoverheid te introduceren en een
structurele plaats te geven binnen de bedrijfsvoering.</al>
      <tuskop letat="cur">Tijdschema</tuskop>
      <al>Het IBO «Ontwikkeling instrumentarium CDV» zal een versneld
traject doorlopen. Het IBO kan gebruik maken van de reeds bestaande ervaringen
welke zijn opgedaan in het buitenland. Het raamwerk voor de ontwikkeling van
het instrumentarium is reeds voorhanden met de programma's die zijn ingevoerd
in de Canada, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Binnen
Defensie is reeds een oriënterende studie verricht naar de
inhoud van deze programma's. Verder heeft Defensie bij Voorjaarsnota 1999
een efficiencytaakstelling opgelegd gekregen, welke voor een groot deel ingevuld
zal worden met de besparingen welke resulteren uit het binnen Defensie uitvoeren
van het CDV-programma. Om in 2001 de eerste besparingen te kunnen realiseren
zal uiterlijk begin 2000 moeten worden aangevangen met het binnen Defensie
uitvoeren van het CDV-programma. Op dat moment zal het CDV-instrumentarium
voorhanden moeten zijn. Het Handboek CDV-Defensie zal daarom gereed moeten
zijn op 15 januari 2000. Het gehele onderzoek moet zijn afgerond in mei 2000.
Het rapport zal z.s.m. daarna worden aangeboden aan de Ministerraad. Tussenrapportage
aan de Ministerraad zal plaatsvinden op 15 januari 2000.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deelnemende departementen:</nadruk> Defensie, Financiën,
EZ, VenW en AZ.</al>
      <al>Defensie levert de voorzitter. Aan de werkgroep kunnen eventueel externe
experts worden toegevoegd.</al>
      <tuskop letat="vet">4. IBO Energiesubsidies</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Beleidsomschrijving en budgettair beslag</tuskop>
      <al>Uit de begroting van EZ wordt jaarlijks ongeveer 200 miljoen aan energiesubsidies
verstrekt. Daarenboven worden ook via het fiscale instrument middelen ingezet.
Dit betreft de regelingen Energie Investeringsaftrek (EIA) en vervroegde Afschrijving
milieu-investeringen met een financieel beslag van ca. 260 miljoen in 1998
oplopend tot 560 miljoen in 2001. Er bestaat weinig inzicht in de effectiviteit
van de verstrekte subsidies en het fiscale instrument. Het onderzoek heeft
op beide instrumenten betrekking dat wil zeggen dat waar in het onderstaande
energiesubsidie wordt genoemd dit beide instrumenten betreft.</al>
      <tuskop letat="cur">Doelstelling onderzoek en onderzoeksvragen</tuskop>
      <al>Het onderzoek zal zich met name richten op de kosteneffectiviteit van
verstrekte energiesubsidies.</al>
      <al>De kosteneffectiviteit zal worden gemeten in termen van de kosten per
vermeden ton CO<inf>2</inf> (dan wel de PJ besparing). Daarbij zal expliciet
rekening worden gehouden met het zogenaamde «free rider-effect»,
dat wil zeggen subsidie-ontvangers die ook bij afwezigheid daarvan tot CO<inf>2</inf>-reducerende maatregelen zouden zijn overgegaan. Voor het onderzoek
betekent dit dat de kosten zowel gerelateerd worden aan alle subsidie-ontvangers
(pseudo-kosteneffectiviteit) als aan de subsidie-ontvangers minus de free-riders
(feitelijke kosteneffectiviteit). Tevens zal in het onderzoek aandacht worden
besteed aan de effecten van de subsidies op het totale energiegebruik ten
gevolge van het feit dat de subsidies leiden tot relatieve kosten- en prijsverlaging
van energie-intensieve producten (reallocatie-effecten).</al>
      <al>Bij het onderzoek zullen ook de uitvoeringskosten – bijvoorbeeld
als percentage van de verstrekte middelen – van de diverse regelingen
in kaart worden gebracht. Op basis van een vergelijking van de kosteneffectiviteit
en uitvoeringskosten van verschillende energiesubsidieregelingen en op basis
van inzicht in de reallocatie-effecten wordt bezien of aanpassingen mogelijk
zijn die leiden tot een grotere effectiviteit of doelmatigheid van het beleid.</al>
      <al>Bij de uitvoering van het onderzoek zal allereerst een inventarisatie
moeten plaatsvinden van alle bestaande energiebesparingsregelingen. Vervolgens
zal de kosteneffectiviteit (van onderdelen) van de regeling en de met de regeling
samenhangende uitvoeringskosten in kaart moeten worden gebracht. Het onderzoek
naar de reallocatie-effecten zal afzonderlijk worden uitbesteed. Indien noodzakelijk
zullen vergelijkingscriteria voor de verschillende typen projecten
worden ontworpen. Tenslotte kan op basis van het voorgaande een vergelijking
tussen de energiesubsidie regelingen worden gemaakt. Op grond hiervan kunnen
beleidsconclusies worden getrokken.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deelnemende departementen:</nadruk> EZ, AZ, Financiën,
LNV, VROM. Verder zullen het CPB en het RIVM worden uitgenodigd aan het IBO
deel te nemen.</al>
      <tuskop letat="vet">5. IBO Grondbeleid</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Achtergrond</tuskop>
      <al>Er zijn verschillende overwegingen om een IBO grondbeleid te starten.</al>
      <al>In de eerste plaats is in een aantal rijksnota's aangekondigd dat de werking
van de grondmarkt en onderdelen van het grondbeleid nader zullen moeten worden
bezien. Gewezen kan worden op de Startnota ruimtelijke ordening, die aandacht
vraagt voor de stijgende grondprijzen en de hogere kosten van grondverwerving,
waardoor o.m. het realiseren van groenstructuren steeds moeizamer gaat. In
dezelfde nota wordt onderzoek aangekondigd naar het gebruiken van grondwaardestijgingen
voor de financiering van overheidsinvesteringen. Ook in de Nota Ruimtelijk
Economisch Beleid (NREB) zijn vragen rond het grondbeleid geformuleerd, onder
andere in relatie tot de ruimtelijke ordening.</al>
      <al>In de tweede plaats zijn recent rapporten verschenen over de grondmarktproblematiek
van het CPB en van Nyfer. Naar aanleiding van de rapporten van het CPB heeft
de vaste commissie van VROM dit voorjaar reeds aan de minister van VROM gevraagd
om een kabinetsstandpunt.</al>
      <al>In de derde plaats zijn enkele lopende dossiers in het brandpunt van de
belangstelling komen te staan. Daarbij moet vooral gedacht worden aan het
dossier Wet Voorkeursrecht Gemeenten, het voorstel van Wet Grondexploitatieheffing
en de planschaderegeling. In het Bestuursakkoord Nieuwe Stijl (BANS) is met
VNG en IPO afgesproken met betrekking tot het grondbeleid een brede en gedegen
knelpuntenanalyse uit te voeren en die samen met een voorstel voor concrete
vervolgstappen aan het overhedenoverleg voor te leggen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Grondverwerving en grondbeheer door het Rijk komen primair aan de orde
in het Project Activabeheer dat binnenkort van start gaat. In december 1999
zal een tussenrapportage worden uitgebracht. De IBO-werkgroep kan deze rapportage
vervolgens benutten voor haar eigen rapport en daar aanvullende overwegingen
en beleidssuggesties aan toevoegen.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het ministerie van VROM zal komen met een beperkte reparatie van de Wet
Voorkeursrecht Gemeenten, vooruitlopend op de evaluatie van deze wet die is
voorzien voor medio 2000.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Parallel aan de IBO-werkgroep loopt een MDW werkgroep Aanpassing Onteigeningswet
(start september 1999). De activiteiten van deze groepen zullen onderling
worden afgestemd. De afstemming en onderlinge communicatie zijn er vooral
op gericht dat geen tegenstrijdige stellingen zullen worden betrokken in de
uit te brengen rapportages.</al>
      <tuskop letat="cur">Budgettair beslag</tuskop>
      <al>De grondprijzen hebben effecten op veel onderdelen van het overheidsbeleid
en de overheidsuitgaven en -inkomsten, zowel bij het Rijk als bij de provincies
en gemeenten. In het onderzoek moet worden bezien welke beleidsonderdelen,
uitgaven en inkomsten in de beschouwing zullen worden betrokken.
In ieder geval zal in het onderzoek een overzicht worden opgesteld van de
uitgaven en inkomsten van de overheid ten behoeve van grondverwerving.</al>
      <tuskop letat="cur">Doelstelling onderzoek</tuskop>
      <al>Het IBO heeft tot doel om beleidsvarianten te ontwikkelen die kunnen leiden
tot verbetering van de werking van de grondmarkt. In het IBO kunnen de vragen
die spelen met betrekking tot de grondmarkt en het grondbeleid in onderling
verband worden beantwoord. Een zo pragmatisch mogelijke aanpak staat voorop.
Het moet gaan om de oplossing van concrete knelpunten die de overheid ervaart
bij het bereiken van haar doelstellingen.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderzoeksvragen</tuskop>
      <al>De volgende clusters van onderzoeksvragen zullen in het IBO in ieder geval
aan de orde komen:</al>
      <tuskop letat="rom">A. werking grondmarkt</tuskop>
      <al>– wat zijn de bijzondere kenmerken van de grondmarkt en welke gevolgen
hebben deze kenmerken voor het functioneren van die markt?</al>
      <al>– wat is de invloed van segmentering van de grondmarkt op de allocatie
van grond over diverse bestemmingen?</al>
      <al>– hoe hebben de grondprijzen voor de verschillende segmenten (waaronder
de VINEX-locaties) zich in de afgelopen jaren ontwikkeld en wat was daarbij
de invloed van overheidsinstrumenten zoals het ruimtelijk ordeningsbeleid,
het grondbeleid, bestuurlijke arrangementen en het fiscaal beleid?</al>
      <al>– wat is de rol van de verschillende actoren, zoals de gemeenten,
de gemeentelijke grondbedrijven, projectontwikkelaars en bouwbedrijven en
particulieren en welke (financiële) belangen zijn daarbij in het geding?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>B. knelpunten</al>
      <al>– welke effecten hebben de segmentering van de grondmarkt en de
mede daardoor veroorzaakte prijsveranderingen gehad op het functioneren van
de grondmarkt en het bereiken van de verschillende overheidsdoelen (denk aan
kwaliteit, tempo, flexibele aansluiting van aanbod op (consumenten)voorkeuren
en dynamiek daarin, consumentenprijzen, etc.)? welke overige knelpunten bij
het bereiken van deze doelen kunnen worden toegeschreven aan de huidige werking
van de grondmarkt respectievelijk het huidige grondbeleid?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>C. Beleidsvarianten</al>
      <al>– wat zijn de motieven voor de overheid om in te grijpen op de grondmarkt
en welke instrumenten worden daarbij thans door de overheden gehanteerd?</al>
      <al>– welke oplossingen zouden – gelet op de gesignaleerde knelpunten –
gevonden kunnen worden om de werking van de grondmarkt te verbeteren en de
overheidsdoelen op een doelmatiger en doeltreffender wijze te bereiken, waarbij
onder meer gedacht kan worden aan een aanpassing van het allocatiemechanisme
(de rol van de ruimtelijke ordening), de loskoppeling van eigendomsrecht en
bouwrecht, de aanpassing van werkwijzen bij de verwerving en het beheer van
grond door het Rijk, de afroming en inzet van de grondwaardestijging die het
gevolg is van overheidsbeleid, zoals het aanleggen van infrastructuur maar
ook van het wijzigen van de bestemming van de grond, de omslag
van plankosten over de belanghebbenden, de inzet van gezamenlijke planning,
uitvoering en financiering van «rood» met «groen»,
de versterking van de regiefunctie van gemeenten bij de ruimtelijke planuitvoering,
bestuurlijke arrangementen, etc.?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deelnemende departementen:</nadruk> VROM, VenW, LNV,
EZ, Defensie, BZK, Justitie, AZ, Financiën. Het CPB zal worden uitgenodigd
om als adviseur op te treden van de werkgroep. Tevens zullen personen uit
de sfeer van de decentrale overheden bij het IBO worden betrokken.</al>
      <al>Het secretariaat wordt gevoerd door VROM en Financiën.</al>
      <tuskop letat="vet">6. IBO Raad voor de Kinderbescherming</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Taken en budgettair beslag</tuskop>
      <al>De Raad voor de Kinderbescherming is een uitvoeringsdienst van het Ministerie
van Justitie. Functie van de Raad is om daadwerkelijk op te komen voor kinderen
van wie (het fundamentele recht op) een gezonde en evenwichtige ontwikkeling
en uitgroei naar zelfstandigheid ernstig wordt bedreigd (de zogenaamde publieke
waarborgfunctie).</al>
      <al>De drie kerntaken van de Raad zijn de beschermingstaak, de adviestaak
en de straftaak. De beschermingstaak behelst het behandelen van meldingen
die betrekking hebben op een bedreigende opvoedingssituatie. Die behandeling
kan plaatshebben in de vorm van het geven van advies of informatie, een verwijzing
naar de (jeugd)hulpverleningsinstellingen of door het doen van onderzoek,
waar noodzakelijk, gevolgd door een verzoek aan de (kinder)rechter om een
maatregel van kinderbescherming. De adviestaak betreft de advisering aan justitiële
autoriteiten met betrekking tot vraagstukken van gezag en omgang na (echt)scheiding,
inzake verzoeken van ouders tot opname van een buitenlands pleegkind ter adoptie
en inzake verzoeken tot wijziging van de geslachtsnaam van een kind. De straftaak,
tenslotte, omvat selectie en onderzoek gericht op voorlichting aan de justitiële
autoriteiten, de coördinatie van taakstraffen en de regievoering inzake
jeugdreclassering. De minister van Justitie draagt de eindverantwoordelijkheid
voor de casuïstiek. De Raad kent momenteel 1 landelijk bureau, 5 hofressorten
en ruim 40 uitvoeringseenheden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het apparaatbudget voor de Raad bedraagt circa 171 miljoen gulden (begroting
1999). De personeelsomvang bedroeg in 1998 circa 1335 fte.</al>
      <tuskop letat="cur">Doelstelling van het onderzoek en onderzoeksvragen</tuskop>
      <al>Het onderzoek heeft tot doel te bezien of de invoering van een meer resultaatgericht
besturingsmodel, gekoppeld aan een baten/lasten-stelsel, voor het functioneren
van de Raad voor de Kinderbescherming van toegevoegde waarde kan zijn. Daarbij
komt expliciet aan de orde of verzelfstandiging in de vorm van een agentschap
(of anderszins) wenselijk is. Het IBO-onderzoek naar de Raad voor de Kinderbescherming
richt zich op de bedrijfsvoering van de Raad, en zal niet interfereren met
het advies van de Commissie Günther.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderzoek moet onder meer antwoord geven op de volgende vragen:</al>
      <al>1. Welke taken/producten verzorgt de Raad voor de Kinderbescherming?</al>
      <al>2. Hoe moet de bedrijfsadministratie van de Raad voor de Kinderbescherming
worden aangepast om een resultaatgerichte sturing mogelijk te maken (hetgeen
onder meer een goede informatievoorziening over omvang en kwaliteit van de
productie en over kostprijzen en financiële opbrengsten vergt)? </al>
      <al>3. Is het daartoe nodig om de bedrijfsadministratie te baseren op een
baten/lasten-stelsel?</al>
      <al>4. Is verzelfstandiging in de vorm van een agentschap (of anderszins)
wenselijk?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderzoek zal eventueel worden ondersteund door een extern bureau.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deelnemende departementen:</nadruk> AZ, BZK, Financiën,
Justitie, VWS.</al>
      <tuskop letat="vet">7. IBO Koppeling milieuvoorwaarden aan inkomenssteun landbouwproducenten</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Korte beleidsomschrijving</tuskop>
      <al>In het kader van Agenda 2000 is met ingang van 2000 de mogelijkheid geschapen
om aanvullende milieuvoorwaarden te stellen aan de directe inkomenssteun die
landbouwproducenten vanuit de EU ontvangen. Dit instrument staat bekend als
«cross-compliance» en maakt het mogelijk op nationaal niveau specifieke
milieueisen te formuleren waaraan de landbouwproducenten moeten voldoen om
voor rechtstreekse betalingen in aanmerking te komen. De betrokken verordening
schrijft expliciet voor dat «lidstaten sancties vaststellen die passen
bij en in verhouding staan tot de ernst van de ecologische gevolgen van het
niet naleven van de milieueisen. Zij kunnen bepalen dat de uit de betrokken
steunregelingen voortvloeiende voordelen worden verlaagd of eventueel ingetrokken
indien niet aan deze milieueisen wordt voldaan». Voor eventuele (gedeeltelijke)
inhouding van de inkomenssteun geldt de verplichting dat de middelen aan het
plattelandsbeleid moeten worden besteed.</al>
      <al>Via een interdepartementaal beleidsonderzoek zal worden geïnventariseerd
welke mogelijkheden zijn ontstaan om milieuvoorwaarden te verbinden aan het
verstrekken van directe inkomenssteun. Daarbij zullen de voorgestelde maatregelen
van de minister van LNV in het kader van cross compliance worden betrokken.</al>
      <tuskop letat="cur">Budgettair beslag</tuskop>
      <al>De directe inkomenssteun die de Nederlandse boeren vanuit de EU zullen
ontvangen loopt volgens de meest actuele ramingen op van ca. f 650 miljoen
in 2000 tot ca. f 1,2 miljard in 2006. Deze ontvangsten worden in bijlage
14 van de begroting van LNV gepresenteerd.</al>
      <tuskop letat="cur">Doelstelling IBO en onderzoeksvragen</tuskop>
      <al>Doel van het onderzoek is om op basis van een inventarisatie van mogelijke
maatregelen een verkennende studie uit te voeren naar de koppeling van nationale
milieuwetgeving aan directe EU-inkomenssteunmaatregelen. Tevens is het doel
om mogelijkheden te inventariseren van besparingen op vigerende nationale
subsidieregelingen die hetzelfde milieudoel beogen. Daarbij zullen in ieder
geval de volgende onderzoeksvragen aan de orde komen:</al>
      <al>1. Welke milieuvoorwaarden en -maatregelen kunnen aan het verstrekken
van directe inkomenssteun worden gekoppeld en welke pakketten kunnen op basis
hiervan worden samengesteld.</al>
      <al>2. Welke nationale subsidieregelingen kunnen in beginsel worden vervangen
door het treffen van de onder punt 1 vermelde milieuvoorwaarden en -maatregelen.</al>
      <al>3. Welke milieuvoorwaarden en -maatregelen zijn de andere lidstaten van
de EU voornemens te treffen?</al>
      <al>4. a. Welke gevolgen hebben de onder 1 vermelde maatregelen voor de concurrentiepositie
van de betrokken sector ten opzichte van het buitenland, resp.
voor de inkomenspositie van de individuele landbouwproducent.</al>
      <al>b. Welke financieel beslag hebben de onder 2 vermelde maatregelen?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deelnemende departementen:</nadruk> LNV, VROM, VenW,
EZ, Financiën en AZ.</al>
      <tuskop letat="vet">8. IBO Waarborgfondsen</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Korte omschrijving</tuskop>
      <al>Bij het HBO doet OCenW momenteel ervaring op met waarborgconstructies,
waarmee instellingen budgettaire risico's die ze uit verschillende hoofde
lopen kunnen beperken door ze gemeenschappelijk te dragen. Het is de moeite
waard na te gaan in hoeverre het gebruik van deze constructies zich leent
voor uitbreiding naar ander sectoren. Het past binnen het streven naar meer
autonomie voor de instellingen en voorkomt dat bij calamiteiten automatisch
bij het departement wordt aangeklopt.</al>
      <tuskop letat="cur">Doelstelling en onderzoeksvragen</tuskop>
      <al>Doel van het onderzoek is te kijken of onderlinge waarborgconstructies
de autonomie van de instellingen kunnen vergroten en de risico's voor de OCenW-begroting
kunnen beperken.</al>
      <al>Daartoe dienen de volgende vragen te worden beantwoord:</al>
      <al>– Welke waarborgconstructies bestaan er momenteel bij OCenW en elders
bij de overheid, bijvoorbeeld in de zorgsector en in de volkshuisvesting.</al>
      <al>– Welke terreinen van OCenW lenen zich voor het invoeren van waarborgfondsconstructies,
onder welke condities dient dit plaats te vinden en wat zijn de voordelen
daarvan voor instellingen en het departement.</al>
      <tuskop letat="rom">Wijze van informatieverzameling</tuskop>
      <al>Praktijk- en literatuurstudie waarborgfondsen. Literatuurstudie buitenlandse
ervaringen. Gesprekken met betrokkenen en belanghebbenden. </al>
      <tuskop letat="rom">Beoogd gebruik van het rapport</tuskop>
      <al>Uitbreiding van het hanteren van waarborgfondsconstructies ter vergroting
van de autonomie van instellingen en verkleining van risico's voor de OCenW-begroting.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deelnemende departementen:</nadruk> OCenW, Financiën,
VROM, VWS en AZ.</al>
      <tuskop letat="vet">9. IBO Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg)</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Beleidsbeschrijving</tuskop>
      <al>Leef (vervoers-, rolstoel- en woon)voorzieningen voor gehandicapten met
als oogmerk hen zo lang mogelijk zelfstandig te laten functioneren, worden
verstrekt via de Wvg. De Wvg wordt – behoudens enkele specifieke regelingen –
uitgevoerd en gefinancierd door gemeenten. Naast de voorzieningen Wvg zijn
er ook nog een aantal andere voorzieningen voor gehandicapten. Zorgvoorzieningen
aan gehandicapten lopen via de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
en de Ziekenfondswet (Zfw). Uitvoerders van beide regelingen zijn ziekenfondsen
en ziektekostenverzekeraars. Voorts zijn er werk- en onderwijsvoorzieningen
die zijn gericht op reïntegratie van mensen met een handicap. Deze vallen onder de Wet op de (Re)ïntegratie Arbeidsgehandicapten (REA),
die wordt uitgevoerd door LISV en gefinancierd via het REA-fonds. Tenslotte
is er de bijzondere bijstand, op grond waarvan voorzieningen voor inkomensondersteuning
van gehandicapten (bijvoorbeeld extra kosten voor voeding, verwarming en dergelijke)
kunnen worden verstrekt. De bijzondere bijstand wordt uitgevoerd en gefinancierd
door gemeenten. De minister van SZW draagt de politieke verantwoordelijkheid
voor de Wvg, het REA en de bijzondere bijstand, de minister van VWS voor de
Zfw en de AWBZ.</al>
      <tuskop letat="cur">Budgettair beslag</tuskop>
      <al>Het budgettair beslag van de Wvg bedraagt in totaal zo'n 1500 mln via
het Gemeentefonds (cijfers voor 1997) en nog eens zo'n 120 mln via de begroting
van SZW (begroting 2000).</al>
      <tuskop letat="cur">Doelstelling van het onderzoek en onderzoeksvragen</tuskop>
      <al>Geconstateerd moet worden dat de onderscheiden voorzieningen voor gehandicapten
elkaar overlappen en wederzijds beïnvloeden. Het onderzoek heeft tot
doel na te gaan in hoeverre een duidelijker afbakening van beleidsverantwoordelijkheden
en voorzieningenpakketten kan bijdragen aan een grotere doelmatigheid en doeltreffendheid,
zowel in maatschappelijk als in financieel opzicht.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderzoek moet onder meer antwoord geven op de volgende vragen:</al>
      <al>1. Op welke wijze zijn voorzieningen voor gehandicapten thans georganiseerd
en wie zijn daarbij betrokken, zowel bij de beleidsvoorbereiding als de beleidsuitvoering?
Welke opdrachtgever-opdrachtnemerrelaties zijn er?</al>
      <al>2. Hoe verhouden de doelstellingen van de verschillende regelingen zich
tot de bijbehorende voorzieningenpakketen? Hoe kan een andere afbakening van
verantwoordelijkheden leiden tot vermindering van overlappen en een doelmatiger
en doeltreffender vormgeving van het beleid?</al>
      <al>3. Welke ontwikkelingen zijn er thans te onderkennen die aanleiding kunnen
zijn om taken op het terrein van gehandicaptenvoorzieningen te herschikken?</al>
      <al>4. Verdient het, gezien de bevindingen onder 2 en 3, aanbeveling om in
de komende jaren te komen tot een herschikking van voorzieningenpakketten
en de bijbehorende verantwoordelijkheden?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Thans vindt op dit terrein ook ander onderzoek plaats. Het gaat om het
MDW II traject AWBZ, het werk van de projectgroep hulpmiddelen en de verdere
uitwerking van de modernisering AWBZ. Met het IBO is het niet de bedoeling
om dubbel werk te verrichten. Dit onderzoek zal zoveel mogelijk gebruik maken
van de uitkomsten van de reeds in gang gezette trajecten.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Het onderzoek zal worden ondersteund door een extern bureau.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deelnemende departementen:</nadruk> AZ, BZK, Financiën,
SZW, VROM, VenW, VWS. Tevens zal de VNG worden uitgenodigd aan het IBO deel
te nemen.</al>
      <tuskop letat="vet">10. Verbetering afwegingsmechanisme infrastructuur</tuskop>
      <tuskop letat="cur">Beleidsbeschrijving</tuskop>
      <al>In het kader van het Nationaal Verkeers- en Vervoersplan (NVVP) speelt
de vraag in welke mate regio's verantwoordelijkheid kunnen nemen voor het mobiliteitsbeleid in hun regio. Hierbij wordt voortgebouwd op de conclusies
van de themagroep bestuurlijke verhoudingen die in het kader van de Perspectievennota
onderzoek heeft gedaan naar deze vraag. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen
dat één van de belangrijkste problemen in de bestuurlijke verhoudingen
wordt gevormd door de grote afstand die bestaat tussen het beslissen over
investeringen in infrastructuur en het betalen van die investeringen. Het
ondervangen van dat probleem vormt de kern van dit IBO. Voorzover in het kader
van het NVVP politieke besluiten worden genomen over de uitgangspunten voor
decentralisatie zullen deze als richtsnoer voor dit IBO gelden.</al>
      <witreg></witreg>
      <al>Op dit moment beschikken de 12 provincies en 7 kaderwetgebieden ten behoeve
van de aanleg van infrastructuur over de zogenaamde GDU (= gebundelde doeluitkering)
waaruit kleinere infrastructuurprojecten (tot 25 mln) worden betaald. De GDU
kan worden beschouwd als een variabele rijksbijdrage in deze kleine infraprojecten
die verder door regionale overheden worden gefinancierd. Van de overige investeringen
in regionaal OV en onderliggend wegennet (OWN) financiert het rijk respectievelijk
95% en 50% van de subsidiabele kosten. Daarnaast beschikken de regio's over
budgetten voor verkeersveiligheid, exploitatiebijdragen OV en middelen voor
de stimulering van openbaar vervoer. Onderzocht moet worden hoe en onder welke
voorwaarden (bijv. de verhouding tot de ruimtelijke hoofdstructuur) de GDU-grens
van 25 miljoen fors kan worden verhoogd (bijv. tot 300 of 500 miljoen)
en op welke wijze de overige projecten het meest doelmatig kunnen worden gefinancierd.
Hierbij wordt gedacht aan een aanzienlijke verlaging van de hoge rijksbijdragepercentages
tot bijv. 50% over de hele linie of het vaststellen van forfaitaire standaardbedragen
per eenheid aan te leggen infrastructuur. Uitgangspunt hierbij is dat een
modaliteit wordt gevonden die aansluit bij de vanuit doelmatigheidsoogpunt
gewenste koppeling tussen beslissen en betalen. Hierbij zal ook de vraag aan
de orde komen in hoeverre de schotten tussen de verschillende geldstromen
(OV en wegen, beide voor zowel aanleg als exploitatie) kunnen worden geslecht.</al>
      <tuskop letat="cur">Budgettair beslag</tuskop>
      <al>– investeringen MIT lokaal/regionaal in periode 1999–2010:
10,5 miljard.</al>
      <al>– overige bijdragen in 1999: GDU: 350 miljoen; OV-exploitatie (incl.
de Boer-gelden en kapitaal-lasten stads/streekvervoer): 2434 miljoen; verkeersveiligheid:
71 miljoen.</al>
      <tuskop letat="cur">Doelstelling van het onderzoek</tuskop>
      <al>Komen tot een zodanige verdeling van verantwoordelijkheden en financiële
middelen dat de beslissing over en de betaling van investeringen in lokale
en regionale infrastructuur zoveel mogelijk in één hand ligt.
Hiertoe worden de middelen voor investeringen in lokale en regionale infrastructuur
in substantiële mate gedecentraliseerd.</al>
      <tuskop letat="cur">Onderzoeksvragen</tuskop>
      <al>– Welke mate en welke wijze van decentralisatie van middelen sluit
het beste aan op een zo goed mogelijke afweging van investeringsbeslissingen
op lokaal en regionaal niveau?</al>
      <al>– In concreto: wat zou de nieuwe grondslag voor de GDU-grens moeten
zijn, welke ophoging van de GDU-grens sluit daarbij het beste aan en wat zijn
de effecten daarvan op lokaal en regionaal niveau?</al>
      <al>– En welk regime verdient de voorkeur voor de overblijvende grote
projecten: verlaging van de rijksbijdragepercentages, forfaitaire standaardbedragen
of taakstellende budgetten? </al>
      <al>– Welke budgetten kunnen hierbij worden betrokken, hoe zou de nieuwe
verdeelsleutel van de GDU eruit kunnen zien en hoe wordt een optimale afweging
tussen exploitatie en aanlegbeslissingen bereikt?</al>
      <al>– Welke mate van bestedingsvrijheid sluit het best aan op de gewenste
doelen?</al>
      <al>– Welke overige randvoorwaarden moeten worden gesteld om ervoor
te zorgen dat lagere overheden zelf prioriteiten kunnen stellen maar het Rijk
haar verantwoordelijkheid voor de hoofdinfrastructuur kan blijven waarmaken?</al>
      <witreg></witreg>
      <al>
        <nadruk type="cur">Deelnemende departementen:</nadruk> VenW, Financiën,
AZ, EZ, BZK/GSIB en VROM. Tevens zullen IPO en VNG worden uitgenodigd om aan
het IBO deel te nemen.</al>
    </stuk>
  </body>
</kamerwrk>