Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 1999-2000
Kamerstuk 26800-XIII nr. 2

Gepubliceerd op 23 september 1999



26 800 XIII
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2000

nr. 2
MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE Blz.

A.Artikelsgewijze toelichting bij het wetsvoorstel2
 Wetsartikelen 1 en 2 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)2
 Wetsartikel 4 (agentschapsbegroting)2
 Wetsartikel 5 (interne reserve binnen de Rijksbegroting)2
   
B.Algemene toelichting bij de begroting inhoudsopgave4
   
C.Toelichting per begrotingsartikel50
 Inleiding50
1.Uitgaven en verplichtingen56
2.Ontvangsten189
   
D.Toelichting bij de agentschapsbegroting210
   
E.Bijlagen bij de begroting221
Bijlage 1 Personeelsgegevens221
Bijlage 2 Wetgeving226
Bijlage 3 Moties en toezeggingen228
Bijlage 4 Circulaires238
Bijlage 5 Aanbevelingen Nationale Ombudsman239
Bijlage 6 Overzicht financiële stimulansen EZ240
Bijlage 7 Evaluaties257
Bijlage 8 Overzicht economische en functionele classificaties274
Bijlage 9 Voorlichtingsbijlage277
Bijlage 10 Convenantenbijlage279
Bijlage 11 Voortgang vermindering administratieve lasten280
Bijlage 12 Voortgangsrapportage energiebesparing283
Bijlage 13 Overzicht van de technologie-relevante uitgaven284
Bijlage 14 Werkprogramma 2000 Algemene Energie Raad293
Bijlage 15 Lijst van afkortingen299

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 en 2 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingen die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begroting van het Ministerie van Economische Zaken voor het jaar 2000 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2000. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2001.

Met de vaststelling van deze wetsartikelen wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van de uitgaven en de ontvangsten voor het jaar 2000 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in de onderdelen B en C van deze memorie van toelichting.

Wetsartikel 4 (agentschapsbegroting)

Met de vaststelling van dit wetsartikel wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van baten en lasten en van kapitaaluitgaven en ontvangsten van het agentschap Senter voor het jaar 2000 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in onderdeel D van deze memorie van toelichting.

Wetsartikel 5

Met deze specifieke bepaling ten behoeve van de begroting van Economische Zaken wordt vooruitgelopen op een wijziging van de Comptabiliteitswet die thans wordt voorbereid. Die wijziging behelst de mogelijkheid tot het vormen van een interne reserve binnen de Rijksbegroting. Deze reserve wordt aangehouden binnen 's-Rijks schatkist. Ten behoeve van de Garantiefaciliteit Opkomende Markten, de SENO-faciliteit en de Garantiefaciliteit herverzekering Inpres 8 (artikel 07.03) wordt zo'n reserve gevormd, waaruit eventuele toekomstige betalingen uit hoofde van verstrekte garanties kunnen worden gefinancierd. Op deze manier kan op een doelmatige en bestuurlijk transparante wijze zorggedragen worden voor de beschikbaarheid van voldoende budgettaire middelen in het (nog onzekere toekomstige) jaar dat op een garantie moet worden getrokken.

Bij de onderhavige garantieregelingen gaat de wet van de grote aantallen niet op, zodat het trekken op een garantie van jaar op jaar aanzienlijke uitgavenfluctuaties kan opleveren, die niet zonder aanzienlijke budgettaire problemen binnen de begroting van EZ kunnen worden opgevangen. Om dergelijke fluctuaties op te vangen, zijn in het verleden achtergestelde leningen verstrekt aan een (externe) stichting die de Garantiefaciliteit Opkomende Markten en de SENO-faciliteit uitvoert. Uit hoofde van het budgetrecht en de doelmatigheid zijn tegen de inschakeling van een stichting bezwaren aan te voeren.

Door gebruik te maken van de interne reserveringsmogelijkheid wordt de doelmatigheid bevorderd; de gereserveerde middelen blijven immers langer in de schatkist en leiden dus tot lagere rentekosten. Inmiddels zijn de achtergestelde leningen terugontvangsten van de stichting en toegevoegd aan de interne reserve.

Ook de bestuurlijke transparantie is met de nieuwe faciliteit gediend. Zowel voor de vulling van de reserve als voor de daaruit te verrichten betalingen aan derden geldt namelijk de volledige ministeriële verantwoordelijkheid. Daarom behoren de vulling van de reserve en de betalingen ten laste van de reserve idealiter via de begroting van EZ tot stand te komen. Vanuit autorisatie-oogpunt heeft de begrotingswetgever daarmee zowel zicht op de vulling van de reserve ten laste van de begroting van EZ, als de eventueel in latere jaren te verrichten betalingen op het moment dat op de garantie moet worden getrokken.

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

De Minister van Economische Zaken,

B. ALGEMENE TOELICHTING BIJ DE BEGROTING

INHOUDSOPGAVE

Hoofdstuk 1Een dynamische markteconomie5
1.1Beleidsinzet en beleidsaanpak5
1.2De onvoltooide agenda van structurele hervorming6
1.3Hoe pakt EZ deze agenda aan?11
1.4Stroomlijning instrumentarium13
   
Hoofdstuk 2Economische structuurversterking15
2.1Kennis, technologie en bedrijfsleven15
2.1.1Nieuwe kennis door stroomlijning en ontwikkeling15
2.1.2Benutten en creëren competenties18
2.1.3Industriebeleid in de internationale omgeving19
2.2Ruimtelijk economisch beleid20
2.2.1Versterking van het ruimtelijk-economisch netwerk20
2.2.2Versterking economische potenties in de regio21
2.3Milieu en economie24
2.4Energiebeleid26
2.4.1Energierapport26
2.4.2Energiebesparing en duurzame energie27
2.4.3Klimaat29
2.4.4Oliebeleid30
   
Hoofdstuk 3Concurrentie en flexibele markten31
3.1Marktwerking internationaal31
3.1.1Wereldmarkt31
3.1.2Europese markt33
3.1.3Nederlandse bedrijven op buitenlandse markten35
3.2Marktwerking nationaal36
3.2.1Mededinging36
3.2.2Concurrentiemechanismen in de nutssectoren38
3.2.3Liberalisering energiemarkt41
3.2.4MDW, Markt & Overheid en administratieve lasten42
3.2.5Ondernemerschap45
   
Hoofdstuk 4Beheer en Bestuur47
4.1Personeel, organisatie en informatiemanagement47
4.2Voorlichting48
4.3Financieel beleid en beheer48

HOOFDSTUK 1 EEN DYNAMISCHE MARKTECONOMIE

1.1 Beleidsinzet en beleidsaanpak

Economische Zaken staat voor een dynamische markteconomie, met een groot aanpassings- en vernieuwingsvermogen van burgers en bedrijven, voor de verdere uitbouw van duurzame welvaart en werkgelegenheid. Het economische beleid is erop gericht de voorwaarden daarvoor te optimaliseren. Al geruime tijd rust het beleid op twee pijlers: macro-economische stabiliteit en micro-economische flexibiliteit en vernieuwing. Het is de beleidsinzet op deze combinatie die volgens de OESO en het IMF het sociaal-economische succes in ons land verklaart. Dit beleid kan worden getypeerd als structureel economisch hervormingsbeleid. Macro-economische stabiliteit, met geleidelijk dalende begrotingstekorten en collectieve lasten, verschaft burgers en bedrijven vertrouwen. Economische flexibiliteit, het goed functioneren van instituties en loonvormingsprocessen, zijn in een dynamische wereldeconomie evenzeer onmisbaar: economische tegenslag leidt anders al snel tot een structurele verhoging van de werkloosheid. En verbetering van het vernieuwingsvermogen is een sleutelfactor voor toekomstige economische groei.

De agenda van het structurele economische hervormingsbeleid, gericht op versterking van de twee pijlers, is – zoals ook uit deze memorie moge blijken – nog geenszins voltooid. Het werken daaraan zal zelfs nooit echt af zijn. Het vinden van nieuwe, betere alternatieven voor bestaand overheidsbeleid, de gevolgen van een veranderende sociale, technologische en mondiale omgeving, nieuwe vraagstukken: zij blijven om beleidsinventiviteit en -vernieuwing vragen. Daarbij hoort een dynamische, open beleidsaanpak. Benchmarking, het vinden van «best practices», het stelselmatig vragen of Nederland klaar is voor de toekomst, zijn belangrijke onderdelen van de beleidsaanpak. Nederland doet dat binnen de context van een steeds sterkere verwevenheid met de andere lidstaten van de Europese Unie. Hoe de diverse lidstaten in de EMU hun structurele hervormingsbeleid gericht op goed functionerende product- en arbeidsmarkten vormgeven, heeft, vanwege potentiële «spill-overs», elkaars wederzijdse belangstelling. De economische beleidscoördinatie in het kader van de globale economische richtsnoeren, en het arbeidsmarkt- en productmarktbeleid zijn hiervan een uitvloeisel. Toepassing van het subsidiariteitsbeginsel en het monitoren en leren van elkaars vorderingen staat hierbij voorop. Op het terrein van de productmarkten is hiermee met de zgn. Cardiff procedure een begin gemaakt. Een verdere intensivering is echter op zijn plaats (zie ook paragraaf 3.1.2).

In het economische beleid is, zoals ook in de Industriebrief (Kamerstukken II, 1998/99, 26 628, nr. 1) is aangegeven, geen plaats meer voor denken in termen van blauwdrukken. Bedrijven die we vandaag kunnen aanmerken als de «winnaars» zijn de mogelijke «verliezers» van morgen. Het economisch beleid is wél gericht op het creëren van een klimaat dat aan burgers en bedrijven de ruimte en de mogelijkheid biedt om kansen te pakken. Het Ministerie van Economische Zaken stuurt in deze niet, maar ondersteunt de dynamiek. Hierin past beleid dat zo generiek mogelijk van aard is en zo min mogelijk specifiek ingrijpt in het economische proces. Voor grote delen van de markteconomie is deze beleidsaanpak al enige tijd gemeengoed. Voor sectoren die verschuiven van het publieke naar het markt domein, gaat dit gepaard met een ingrijpende verandering van het overheidsoptreden. In dit verband zijn de ontwikkelingen in de nutssectoren zoals gas, elektriciteit en telecommunicatie illustratief. De dominante rol van de overheid bij het aanbieden van nutsvoorzieningen is aan het veranderen van deelnemer, via regisseur naar toezichthouder op mededinging en consumentenbelang (zie ook paragraaf 3.2.2).

Het economische beleid in Nederland is dan ook met name gericht op versterking van de economische structuur. Daarbij zijn de volgende onderdelen van belang:

Macro- economische stabiliteit en vermindering van de collectieve lasten

Flexibele arbeidsmarkt en activerende sociale zekerheid

Kennisontwikkeling en verspreiding

Goede werking van de productmarkten

Bevorderen ondernemerschap

Ruimte voor economische activiteit

Milieu en economie

1.2 De onvoltooide agenda van structurele hervorming

De langdurige periode van structureel hervormingsbeleid heeft, zoals gezegd, gezorgd voor aansprekende prestaties van de Nederlandse economie. Met de economische groei, maar vooral met de toename van de werkgelegenheid, scoort Nederland nu al een flink aantal jaren ruim boven het Europese gemiddelde (zie figuur 1 en 2). De in de jaren zeventig en tachtig opgelopen achterstanden ten opzichte van het Europese gemiddelde op het terrein van welvaart en participatie zijn ingelopen. Nederland is, qua omvang van het BBP, de zesde economie van Europa, en wat betreft de niveaus van BBP/hoofd en participatie, een subtopper in Europa.

Figuur 1: BBP-groei 1983 – 1998 en BBP/hoofd stand 1998 kst-26800-XIII-2-1.gif

Figuur 2: Werkgelegenheidsgroei 1983 – 1998 en werkgelegenheidsgraad, stand 1998

kst-26800-XIII-2-2.gif

De Nederlandse economie laat goede prestaties zien. Dat wil niet zeggen dat we nu tevreden achterover kunnen leunen, er staat nog een flink aantal punten op de agenda van structurele hervorming (zie score Nederland voor wat betreft het totale concurrentievermogen en op de terreinen innovatieklimaat, human resources en infrastructuur in tabel 1). Onze economische structuur is nog niet op alle terreinen shockproof. Denk aan de knelpunten die duidelijk worden na een conjuncturele terugval (lage uitstroom uit de werkloosheiduitkeringen), die soms juist voortkomen uit de voorspoedige ontwikkeling van de economie in de afgelopen periode (bereikbaarheid en beschikbaarheid bedrijventerreinen), die aangeven dat de structurele hervormingen nog niet zijn voltooid (gering innovatievermogen, hoge lastendruk, lage ouderenparticipatie), of die voortkomen uit snelle ontwikkelingen in de omgeving, zoals de absorptie van nieuwe informatie- en communicatietechnologie (ICT).

Tabel 1. Concurrentievermogen op deelfactoren
 Ranking overallInovatieklimaatHuman ResourcesInfrastructuur
VS1161
Nederland58127
Denemarken8929
Duitsland94206

Bron: The World Competitiveness Yearbook 1999, IMD 1999. Overzicht geeft summier weer op welke plaats Nederland staat ten opzichte van de 47 onderzochte landen. Ter vergelijking zijn ook de VS, Duitsland en Denemarken opgenomen.

Op de diverse onderdelen van het economisch beleid zijn er de volgende beleidsaandachtspunten:

• Macro-economische stabiliteit en vermindering van collectieve lasten

Het gezondmaken van de overheidsfinanciën, waarmee in het begin van de jaren tachtig is begonnen, is ver gevorderd. En ook op het terrein van de verlaging van de collectieve lasten is flinke vooruitgang geboekt. Waar Nederland aan het begin van de jaren tachtig nog bij de top van Europa behoorde met het niveau van de collectieve lastendruk, bevinden we ons in 1998 net boven het Europese gemiddelde. Dat neemt overigens niet weg dat een collectieve lastendruk van circa 44% van het BBP in breder internationaal perspectief nog steeds hoog is (zie voor vergelijking van de wig voor de gemiddelde – alleenstaande – werknemer figuur 3): de collectieve lastendruk is bijvoorbeeld in Duitsland 38%, het Verenigd Koninkrijk 36% en in de VS en Japan resp. 29 en 28%. De lastenverlichting van vijf miljard gulden, zoals voorzien in het Belastingstelsel voor de 21e eeuw is daarom van groot belang.

Figuur 3: gemiddelde wig modale werknemer, stand 1998

kst-26800-XIII-2-3.gif

Daarnaast geldt dat er ook aanzienlijke verborgen beleidskosten uit hoofde van regelgeving bestaan. De administratieve lasten, die daarvan onderdeel uitmaken, bedragen alleen al 16,5 miljard gulden.

• Een flexibele arbeidsmarkt en activerende sociale zekerheid

Ondanks de sterke groei van de werkgelegenheid en een lage officiële werkloosheid kent Nederland nog steeds problemen op het terrein van de arbeidsmarkt. De arbeidsparticipatie, met name onder vrouwen, ouderen en etnische minderheden, is nog te laag. Verder ontvangen ruim twee miljoen mensen onder de 65 jaar een uitkering wegens werkloosheid of bijstand, ziekte of arbeidsongeschiktheid (een derde van het aantal werkenden) en is de uitstroom uit de sociale zekerheid gering. Daardoor wordt tijdelijke werkloosheid in ons land al snel structurele werkloosheid.

Het beleid is er op gericht om in de sociale zekerheid de uitstroom te vergroten. Het kabinet heeft de Sociaal Economische Raad (SER) advies gevraagd over maatregelen om de ouderenparticipatie te vergroten. Verder zijn in de nota Structuur Uitvoering Werk en Inkomen (SUWI) plannen opgenomen om door middel van concurrentie in de uitvoering en financiële prikkels, de herintreding van uitkeringsgerechtigden te verbeteren (Kamerstukken II, 1998/99, 26 448, nr. 1). Bovendien zal in het kader van het nieuwe belastingstelsel een arbeidskorting worden ingevoerd, die uitkeringsgerechtigden financieel prikkelt om aan het werk te gaan.

• Kennisontwikkeling en verspreiding

Kennis is een sleutelfactor geworden in de internationale concurrentiestrijd. Uit de nota «Ruimte voor industriële vernieuwing: agenda voor het industrie en dienstenbeleid» (Industriebrief) blijkt dat:

– Nederland zowel bij de omvang van privaat onderzoek en ontwikkeling, als bij het omzetten hiervan in commerciële toepassingen, niet voorop loopt

– de omvang van de publiek gefinancierde kennis weliswaar relatief groot is, maar dat Nederland achterloopt bij het in de markt zetten van publieke kennis

– het startersklimaat op technologisch interessante gebieden niet voldoende is

– er een groeiend tekort aan gekwalificeerd personeel is

– de effectiviteit van de interventies van zowel fiscale als niet-fiscale aard kan worden verbeterd.

De nota «De Digitale Delta» (Kamerstukken II, 1998/99, 26 643, nr. 1) concludeert op zijn beurt dat de Nederlandse ICT-basis niet ongunstig is, maar beslist niet goed genoeg. Knelpunten treden op bij het op elkaar afstemmen van de verschillende overheidsmaatregelen en bij de vijf pijlers van de Nederlandse ICT-basis:

– het op peil houden van de kwaliteit en capaciteit van de telecommunicatie en infrastructuur

– het doeltreffender inzetten van ICT-kennis voor innovaties

– een beroepsbevolking die goed met ICT kan omgaan

– regels die beter zijn toegesneden op de nieuwe mogelijkheden die ICT biedt

– een overheid die zelf de mogelijkheden van ICT optimaler inzet en haar voorbeeldfunctie versterkt.

• Werking van de productmarkten in binnen- én buitenland

Productmarkten nationaal/Europees

* Mededinging/MDW-project

De afgelopen jaren is een aantal belangrijke stappen gezet om het functioneren van productmarkten te verbeteren. Denk aan de Mededingingswet en het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW). De OESO en EU prijzen deze initiatieven, maar maken wel duidelijk dat we er nog niet zijn. «Regulatory reform» is zoals de OESO stelt een continu proces; het is nooit af. Het kabinet onderkent naar aanleiding hiervan onder meer als specifieke aandachtspunten:

– extra aandacht voor de implementatie van MDW-projecten

– nieuwe MDW-projecten: zowel in de publieke sector, bijvoorbeeld bij concessieverlening en aanbesteding, als in de marktsector, bijvoorbeeld de modernisering van de faillissementswet

– verbetering in beheersing en monitoring van de verborgen beleidskosten van regulering, waaronder administratieve lasten

– Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa)/mededinging: het toezicht goed structureren door een samenhangende toezichtstructuur.

* Liberalisering nutssectoren

In de jaren negentig is een aantal van oudsher door de overheid gedomineerde nutssectoren (spoor, gas, elektriciteit, telefoon en kabel) geliberaliseerd of op een andere manier onder verschillende vormen van marktwerking geplaatst. Met als belangrijkste doel: een betere prijs-kwaliteitverhouding en het stimuleren van innovaties. Er worden knelpunten gesignaleerd, zoals bij de vormgeving van het onafhankelijke toezicht (spoor), of in delen van de telecommunicatie-infrastructuur waarin een tekort aan netwerkcapaciteit is ontstaan.

* Interne markt

Een samenhangend Europees structureel hervormingsbeleid is essentieel. Uitdaging hierbij is het volgende:

– het vervolmaken van de interne Europese markt. Hierbij moet aandacht uitgaan naar het vergroten van de samenhang tussen de verschillende beleidsonderdelen van de Interne markt, zoals liberalisering van (semi-)publieke sectoren en de kwaliteit en omvang van (Europese) wetgeving

– aandacht voor de zgn. Cardiff-procedure, die óók impulsen geeft aan een beter functioneren van nationale productmarkten. Hierbij is relevant de totstandkoming van een Competitiveness Council op Europees niveau (zie paragraaf 3.1.2).

Productmarkten internationaal

* WTO

Voor een open economie als de Nederlandse is een verdere liberalisering van de wereldhandel essentieel. Hier worden we geconfronteerd met een aantal uitdagingen:

– het versterken van de World Trade Organisation (WTO) bij het slechten van geschillen

– het uitbouwen van mogelijkheden voor verdere handelsliberalisatie en tegelijkertijd het bieden van tegenwicht aan protectionistische reacties

– het vergroten van de deelname van ontwikkelingslanden in de WTO.

* Ontwikkeling van ontwikkelingslanden

Duurzame economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden is van groot belang. Uitdaging daarbij:

– stimuleren van het Nederlandse bedrijfsleven en daaraan gerelateerde intermediaire organisaties om op meer gestructureerde wijze met hun kennis en ervaring positief bij te dragen aan de ontwikkeling van de private sector in ontwikkelingslanden.

• Bevorderen ondernemerschap, óók buiten de grenzen

Driekwart van de groei van de Nederlandse werkgelegenheid komt voor rekening van ondernemers in startende en snelgroeiende bedrijven. Desondanks laat de in september 1999 verschenen nota «De ondernemende samenleving» zien dat er nog volop mogelijkheden zijn om het ondernemerschap in Nederland te versterken:

– in vergelijking met bijvoorbeeld de Verenigde Staten, zijn er relatief weinig mensen in Nederland die er over nadenken om een eigen bedrijf te beginnen

– het aantal starters dat ook daadwerkelijk vernieuwende producten en diensten op de markt brengt, is slechts een fractie van het totaal

– Nederland kent in vergelijking met andere landen weinig ondernemers die substantieel doorgroeien

– onder Nederlandse Midden- en Kleinbedrijf (MKB)-ondernemingen bestaat een groot onbenut exportpotentieel.

• Ruimte voor economische activiteit

Voldoende ruimte van behoorlijke kwaliteit is van groot belang voor het vestigingsklimaat. In de nota «Ruimtelijk Economisch Beleid: Dynamiek in Netwerken» (Kamerstukken II, 1998/99, 26 570, nr. 1) staat de vraag centraal hoe via versterking van het ruimtelijk-economisch netwerk en het economisch beleid in de regio een excellent vestigingsklimaat voor bedrijven tot stand kan komen. Een aantal zaken kan worden verbeterd, zoals bijvoorbeeld:

– de beschikbaarheid en kwaliteit van onze industrieterreinen zijn naar internationale maatstaven onder de maat

– de bereikbaarheid van bepaalde delen van ons land is slechter geworden

– een slechte bereikbaarheid en gebrek aan ruimte hebben een drukkend effect op het vestigingsklimaat in de (grote) steden

– de samenhang in het ruimtelijk-economisch beleid van provincies en gemeenten kan worden verbeterd.

• Milieu en economie

De Nederlandse economie staat op het gebied van milieu en economie voor een aantal uitdagingen. Bevordering van economische groei moet plaatsvinden binnen de randvoorwaarden voor duurzame ontwikkeling. Die nationale beleidsopdracht heeft door de Kyoto-verplichtingen een internationale impuls gekregen:

– wat betreft de relatie tussen economische groei en energiegebruik levert Nederland een goede prestatie, maar een absolute ontkoppeling van economische groei en energiegebruik is nog niet binnen handbereik

– vaak ontbreekt het zicht op de baten en de kosteneffectiviteit van milieumaatregelen

– mogelijk efficiënte marktconforme milieu-instrumenten worden nog onvoldoende ingezet

– de «goedkope» milieumaatregelen zijn vaak al genomen

– aandacht voor de invloed van milieubeleid op de concurrentiepositie van het bedrijfsleven.

1.3 Hoe pakt EZ deze agenda aan?

Het onderstaande schema laat op hoofdlijnen zien hoe het Ministerie van Economische Zaken (EZ) de agenda voor structurele hervorming vertaalt in beleidsinitiatieven. In sommige gevallen gaat het om nieuw beleid, in andere gevallen om voortzetting of intensivering van bestaand beleid.

EZ beleid in 2000: doorgaan met structurele hervorming
Kennisontwikkeling en verspreiding (zie nota's Ruimte voor industriële vernieuwing en De Digitale Delta en par. 2.1)– Stroomlijning van het EZ-instrumentarium – Mobilisatie van publiek kennispotentieel – Bundeling van initiatieven voor technostarters – Versterking van het innovatief clusterbeleid – Verhoging van het rendement van het (beroeps) onderwijs – Fiscale incentives; WBSO – Employability-agenda – Elektronisch aanbesteden – Verbeteren toegankelijkheid informatica-onderzoek – Evaluatie Software actieplan (SWAP) – Optimaal gebruik van ICT in de publieke sector
  
Ruimte voor economische activiteit (zie nota Ruimtelijk Economisch Beleid en par. 2.2)– Beslissing over experimenten voor corridors – Waar nodig nieuwe bestuurlijke afspraken over bedrijventerreinen (herijking AcVinex) – Aanpassing restrictief beleid in landelijk gebied (Vijno) – Evaluatie en evt. aanpassing parkeer- en locatiebeleid (Vijno) – Nieuwe stimuleringsregeling bedrijventerreinen – Nieuw, verbreed convenant met o.a. IPO – Beleid voor het Noorden van het land – Versterking stedelijke economie (bundeling budgetten van circa f 1,2 miljard tot 2010 voor bedrijventerreinen en starters)
  
Milieu en economie (zie par. 2.3 en 2.4 en eind 1999 te verschijnen Energierapport)– Ontwikkeling van duurzame technologie – Bevordering energiebesparing – Analyse van de Nederlandse energiemarkt – Dialoog verhandelbare emissierechten – Onderzoek naar baten en kosteneffectiviteit milieubeleid
  
Goede werking van de productmarkten (zie hoofdstuk 3)– Aandacht voor implementatie MDW I – Nieuwe MDW II projecten – Formaliseren onafhankelijkheid NMa – Nutssectoren: ordeningsvraagstukken en privatisering (nota inzake Kabelsector) – Liberalisering gas en elektriciteit – Structureel hervormingsbeleid in EU (Cardiff)
  
Verder internationaal– Versterking WTO – Verdere handelsliberalisering – Samenhang in beleid ontplooiing particuliere sector in ontwikkelingslanden (nota Economie en Ontwikkeling)
  
Bevorderen ondernemerschap (zie nota Ondernemerschap en par. 3.2)– Vermindering administratieve lasten door stroomlijning regelgeving – Stimulering netwerkvorming snelle groeiers – Technostarters via IPO-convenant – Modernisering faillissementswet – Fiscaal pakket – Invoering van één bedrijvenloket

Structureel hervormingsbeleid kenmerkt zich naast continuïteit door een dynamische beleidsaanpak. De open aanpak van het beleid komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de concurrentietoets. In 1995 en 1997 heeft het Ministerie van Economische Zaken eerdere versies van de «Toets op het concurrentievermogen» gepubliceerd. Eind 1999 zal een nieuwe toets uitkomen. Met behulp van het benchmark instrument, waarbij een vergelijking wordt gemaakt met andere landen, wordt inzicht gegeven in de sterke en zwakke kanten van de randvoorwaarden voor ondernemen in Nederland. Tevens probeert de toets «best practices» in de benchmarklanden te achterhalen.

Millennium

De aandacht voor ontwikkelingen in de omgeving heeft ook een link met de zogenaamde millenniumproblematiek. Uit de voortgangsrapportages van het Millennium Platform (onder andere Kamerstukken II, 1998/99, 25 674, nr. 49) blijkt dat in het voorjaar van 1999 ruim de helft van de bedrijven gereed is met de uitvoering van hun millenniumprojecten. Echter, ongeveer een kwart van de bedrijven verwacht niet op tijd klaar te zijn met het millenniumgereed maken van hun bedrijfskritische processen en systemen.

In samenwerking met het Millennium Platform richt EZ haar aandacht op het bedrijfsleven, met name op aspecten als bewustwording, voorlichting, bemiddeling en monitoring. Hierbij geldt dat bedrijven zelf verantwoordelijk zijn voor de aanpak van het millenniumprobleem. Het Ministerie van Economische Zaken kan worden aangesproken op de continuïteit van de energievoorziening, uiteraard behoudt ieder energiebedrijf zijn verantwoordelijkheid voor de fysieke levering. Medio dit jaar was de energiesector als geheel millenniumgereed. In de tweede helft van dit jaar richt de aandacht van de sector zich vooral op de noodplannen voor het eigen bedrijf, op het Nationaal Energie Continuïteitsplan en op de voorbereiding van de jaarwisseling.

De millenniumproblematiek raakt ook de verantwoordelijkheid van EZ zelf. Het gaat daarbij met name om producten, diensten en systemen van CPB, Senter, CBS en het directoraat-generaal Energie en om de overige systemen en processen die voor de interne bedrijfsvoering van EZ van belang zijn. Medio dit jaar is het proces van millenniumbestendig maken, testen en implementeren afgerond, met uitzondering van enkele statistische systemen die – om uitvoeringstechnische redenen – in dit najaar geïmplementeerd worden. Ten slotte worden noodplannen opgesteld. Deze zullen tijdens en na de jaarwisseling worden gebruikt, als er zich ondanks alle voorzorgsmaatregelen toch problemen voordoen. De EZ crisisorganisatie zal tijdens de jaarwisseling stand-bye zijn.

Volgend jaar worden aanpak en activiteiten geëvalueerd. Het daadwerkelijke macro-economisch effect van het millenniumprobleem zal dan in kaart worden gebracht.

1.4 Stroomlijning instrumentarium

In de afgelopen jaren is door de groei van het aantal EZ-regelingen de inzichtelijkheid en toegankelijkheid van het instrumentarium voor, met name het Midden- en Kleinbedrijf, verminderd. Een substantiële reductie van het huidige aantal EZ-regelingen zal de transparantie verbeteren. Het gaat om regelingen op het gebied van technologie/innovatie, energie/milieu en export. Daarnaast worden maatregelen genomen ter verbetering van de toegankelijkheid en de modernisering van het instrumentarium.

Samenvoegen/verminderen aantal regelingen

Op de volgende drie gebieden kunnen technologieregelingen worden verminderd of worden samengevoegd:

• de regelingen die R&D-samenwerking stimuleren

• de kredietregelingen die zich richten op pre-concurrentiële ontwikkeling

• het kennisverspreiding-instrumentarium.

Zie voor deze regelingen de matrix in de artikelsgewijze toelichting in paragraaf 02.02.

EZ streeft er naar de instrumenten voor export- en investeringsbevordering te integreren met instrumenten van Ontwikkelingssamenwerking. Er wordt bestudeerd of de exportkredietverzekeringsregelingen (te weten de Garantiefaciliteit Opkomende Markten en de SENO-faciliteit) samengevoegd kunnen worden. Hetzelfde geldt voor de Subsidieregeling Exportmedewerkers MKB (SEM) en het Programma Starters op Buitenlandse Markten (PSB).

Op het vlak van milieu en energie zullen mits mogelijk de First Mover Faciliteit en de Subsidieregeling referentieprojecten milieutechnologie (SRM) worden samengevoegd en de bestaande tenderregeling van NEWS en Besluit Subsidies Energieprogramma's worden samengevoegd.

Als onderdeel van dit stroomlijningprogramma van het totale EZ-instrumentarium worden ook de mogelijkheden voor verbetering van «trajectbegeleiding» onderzocht. EZ zal bedrijven niet alleen begeleiden tijdens de uitvoering van het project waarvoor subsidie is aangevraagd, maar zal bedrijven ook gericht doorverwijzen naar instrumenten en intermediaire organisaties voor de fasen die op het project volgen.

Toegankelijkheid verbeteren

De mogelijkheden voor elektronisch aanvragen van subsidies worden op dit moment uitgewerkt en getest, niet alleen voor nationale subsidies, maar ook voor Europese, provinciale, regionale en eventueel lokale. Daarnaast worden de intermediaire uitvoeringsorganisaties verder gestroomlijnd zodat het aantal subsidieloketten kan worden verminderd.

Modernisering technologie- en innovatie instrumentarium

De komende periode wordt nagegaan in hoeverre het bestaande technologie- en innovatie instrumentarium nog past bij de veranderende marktomstandigheden. Daarbij zal aandacht worden besteed aan onder andere kennisdiffusie, het toegenomen belang van strategische samenwerking en clustervorming, de rol van het MKB daarbij, het vervagen van sectorgrenzen, en de verwevenheid tussen industrie en diensten.

HOOFDSTUK 2 VERSTERKING ECONOMISCHE STRUCTUUR

2.1 Kennis, technologie en bedrijfsleven

De internationale concurrentie wordt intensiever en de technologische dynamiek groeit. In de mondiale concurrentiestrijd is «kennis» een factor van betekenis. Door – nieuwe – kennis toe te passen kunnen bedrijven andere, beter concurrerende producten en diensten aanbieden.

Als het gaat om vernieuwen halen Nederlandse bedrijven nog lang niet het onderste uit de kan. Uit de nota «Ruimte voor Industriële Vernieuwing» blijkt dat slechts 25% van de omzet van de Nederlandse industrie uit nieuwe of verbeterde producten komt. Nederland blijft daarmee achter bij het Europese gemiddelde van 31% en koploper Duitsland (43%). De onderbenutting van kennis moet aangepakt worden met nadruk op de mogelijkheden van informatie- en communicatietechnologie. Op die manier versterken we het vernieuwingsvermogen van de economie.

Box 1. Het belang van het MKB (< 100 werknemers)

Het MKB:

– omvat meer dan 99% van de 448 000 bedrijven,

– verschaft ca. 60% van de werkgelegenheid in het particuliere bedrijfsleven,

– levert een kleine 50% op van de toegevoegde waarde,

– heeft een aandeel in de export van 25%,

– 6% is technologievolgend en 1% is hightech (EIM, 1998).

Om het MKB te stimuleren nieuwe kennis te verwerven zijn de volgende maatregelen genomen:

– Met de fiscale regeling WBSO profiteert het MKB van een afdrachtvermindering van het Speur en Ontwikkeling (S&O) loon van werknemers die direct betrokken zijn bij speur- en ontwikkelingswerk. De afdrachtvermindering bedraagt 40% van het S&O loon van die werknemers. Voor zover het S&O loon meer bedraagt dan f 150 000,– bedraagt de vermindering 13%. 86% van de WBSO-aanvragen komt uit het MKB, 46% van het budget gaat naar het MKB.

– 50% van het budget van het totale EZ-instrumentarium wordt verstrekt aan het MKB.

– Syntens en de branche-technologiecentra geven speciale voorlichting over technologie aan het MKB.

2.1.1 Nieuwe kennis door stroomlijnen en ontwikkelen

Kansen benutten in het bedrijfsleven

In de nota «Ruimte voor Industriële Vernieuwing» zijn knelpunten gesignaleerd die ontplooiingskansen van het bedrijfsleven kunnen belemmeren. Het gaat bijvoorbeeld om meer samenhang in het EZ-instrumentarium (paragraaf 1.4), het wegnemen van knelpunten op de arbeidsmarkt (paragraaf 2.1.2) en het verminderen van administratieve lasten en regeldruk (paragraaf 3.2.4). Daarnaast zijn de volgende onderwerpen geagendeerd:

1) Mobilisatie van het publieke kennispotentieel

Het technologiebeleid van de overheid heeft een tweeledig doel: zowel het corrigeren van de onderinvestering in onderzoek en ontwikkeling als het stimuleren van kennisdiffusie. In het technologiebeleid laat de overheid de keuze voor economisch interessante technologieën over aan het bedrijfsleven. Bedrijven kunnen zelf het beste inschatten bij welke nieuwe kennis zij baat hebben. De meeste instrumenten zijn daarom neutraal ten aanzien van de technologievorm.

Box 2. Effectiviteit van R&D-stimulering

De effectiviteit van R&D-stimulering wordt bepaald door:

a. de mate waarin de R&D-stimulering leidt tot extra R&D

b. de directe effecten van R&D op bedrijfsprestaties

c. de indirecte (externe) effecten van R&D via spillovers.

Recent onderzoek van Donselaar/Knoester wijst uit dat R&D-stimulering in de periode 1972–1995 bedrijven aanzette tot extra onderzoek. De verstrekte middelen werden gebruikt voor projecten die anders niet zouden zijn uitgevoerd. De onderzoeksprojecten leveren kennis op waarmee processen en producten verbeterd of vernieuwd worden. Volgens het EIM en het CBS leidt een toename van 10% R&D tot jaarlijks 2½% extra toegevoegde waarde en 2% meer werkgelegenheid binnen een bedrijf.

De ontwikkelde kennis komt ook andere bedrijven ten goede. Volgens de OESO voegt het indirecte effect 50 tot 100% toe aan het directe effect. Volgens een recente CPB-studie genereert een toename van 10% van de R&D-uitgaven 5% extra productie bij bedrijven.

(Bronnen: Donselaar/Knoester 1999, EIM/CBS 1998, OESO 1996, CPB 1999.)

Er is een uitzondering op deze regel. Soms heeft de overheid zélf belang bij het ontwikkelen van specifieke technologische kennis. Bijvoorbeeld voor het oplossen van maatschappelijke knelpunten, zoals de milieuproblematiek. Zo worden met de gerichte inzet van 465 miljoen gulden uit het Fonds Economische Structuurversterking twaalf kennisprojecten uitgevoerd in de periode 1999–2002. De projecten leveren kennis op waarmee structurele oplossingen voor maatschappelijke problemen op het gebied van milieu, bereikbaarheid, ruimtegebruik, groene ruimte en stedelijke vitaliteit, binnen bereik komen. De effectiviteit van het beleid voor technologiestimulering wordt regelmatig onderzocht. De nieuwste inzichten staan in box 2.

De rol van de overheid in de kennismarkt is breder dan het technologiebeleid. In overleg met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OC&W) bevordert EZ het commercialiseren van publieke kennis. Daarbij ligt de nadruk op het verbeteren van de aansluiting van fundamenteel onderzoek op de kennisbehoefte van het bedrijfsleven, het invoeren van cofinanciering bij grote technologie-instituten en het activeren van het octrooibeleid van universiteiten.

2) Verbeteren klimaat technostarters

In samenwerking met het bedrijfsleven en het onderwijs wordt de geïntegreerde benadering van starters-initiatieven op het gebied van ICT en de Life Sciences verbreed naar andere technologie- en marktgebieden. Om starters gebruik te laten maken van faciliteiten bij bedrijven, universiteiten en instituten worden de mogelijkheden tot «facility sharing» bekeken.

Internationaal dreigt de concurrentiekracht van de Life Sciences in Nederland achterop te raken. Door hoge kosten en startproblemen is met name het aantal starters in Life Sciences laag. Om de ontwikkelingen te stimuleren is 20 miljoen gulden per jaar vanaf 2000 beschikbaar. Met deze middelen zullen de volgende initiatieven bekostigd worden:

– een platform Life Sciences

– een fonds met zaaikapitaal voor onderzoek dat gericht is op ondernemerschap (waarvoor ook het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij een half miljoen gulden beschikbaar stelt)

– een participatiefonds voor starters in de Life Sciences en

– bijdragen aan incubator-initiatieven.

De procedures voor het opstarten van het platform en het participatiefonds worden momenteel ontwikkeld.

3) Fiscale prikkels voor een stimulerend kennisklimaat

Om het kennisklimaat te verbeteren wordt de huidige onzekerheid over de hoogte van de kortingspercentages van de WBSO weggenomen.

4) Versterken van het innovatieve clusterbeleid

Het technologiebeleid bestaat niet alleen uit financiële instrumenten. Ook het bevorderen van samenwerking en netwerken is een taak van de overheid. Samenwerking verhoogt het rendement van publieke kennisinstellingen. De resultaten van R&D werken door in de gehele economie. En bovendien houden clusters bedrijvigheid vast in Nederland. Door gebrek aan informatie en organisatorische knelpunten komt clustervorming niet altijd van de grond. EZ richt zich op het wegnemen van deze belemmeringen.

Een belangrijk onderdeel van het beleid is het verschaffen van «strategische» informatie, zoals technologieverkenningen. Met de TechnologieRadar brengt EZ partijen bij elkaar om te inventariseren welke technologievelden kansrijk zijn. Najaar 1999 worden TechnologieRadar en follow-up geëvalueerd.

Kennisdiffusie en innovatie staan ook centraal in het project Pionier! EZ organiseert «brokerage events», waar bedrijven elkaar kunnen ontmoeten. EZ communiceert over succesvolle innovatieprojecten en verspreidt handleidingen onder het MKB voor het sluiten van samenwerkingscontracten.

Waar nodig reikt het clusterbeleid verder. Met «makel en schakel»-initiatieven zet EZ partijen aan om samen kansen te zoeken en te benutten. Het clusterinitiatief rond simulatoren is daarvan een goed voorbeeld.

Box 3. Simulatoren

Steeds vaker worden simulatoren gebruikt bij bijvoorbeeld het opleiden van kraanmachinisten, het begeleiden van astronauten en tankbemanningen, en bij het bestuderen van het gedrag van schepen en vliegtuigen.

EZ heeft Nederlandse bedrijven en kennisinstituten aangezet kennis en ervaring uit te wisselen over product-markt combinaties. Zij ontmoeten elkaar in SimNed, een platform dat mede op initiatief van EZ is opgericht. SimNed voert gezamenlijke studies uit en bekijkt of specifieke activiteiten haalbaar zijn. Kansrijk zijn: geavanceerde vluchtsimulatoren gebaseerd op een concept van de TU Delft, simulatoren om te trainen voor rampen en calamiteiten, verkeersinzicht-trainers, rijtrainers voor bus- en truckchauffeurs, helicoptersimulatoren en cabine safety trainers voor het oefenen van ontruimingen. Bij de uitwerking van deze initiatieven is EZ «kritische meedenker». Ook wijst EZ partijen op financiële ondersteuning vanuit het Nederlandse en Europese technologie-instrumentarium.

Samenwerking in R&D-projecten leidt vaak tot verdere clustervorming. Met de regelingen: Bedrijfsgerichte Technologische Samenwerkingsprojecten, Bedrijfsgerichte Internationale Technologieprogramma's, Subsidies Maritiem Onderzoek en het Besluit subsidies Economie, Ecologie en Technologie, bevordert EZ verdere clustervorming.

Informatie- en Communicatietechnologie

ICT is belangrijk voor de concurrentiekracht van een land. De uitgangspositie van Nederland is relatief gunstig. In een recente benchmark-studie komt Nederland als zevende uit de bus1. Het kabinet wil die positie behouden en versterken. In de recente Kabinetsnota «De Digitale Delta» is het ICT-beleid gebundeld en beschreven.

EZ bereidt, samen met de Ministeries van OC&W en het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (V&W), een nota voor over de rol van de kabel als volwaardige communicatie-infrastructuur. Begin 2000 ziet de evaluatie van het Software Actieplan (SWAP 2000) het licht. Een vervolg op SWAP wordt bezien. In Brussel wordt een richtlijn opgesteld voor de digitale handtekening. Een goede regeling is van belang voor de veiligheid van elektronisch handelen. Naast juridische zekerheid is ook vertrouwen van bedrijven en consumenten nodig. EZ overlegt met het Nederlandse bedrijfsleven over een gedragscode en stelt de Consumentenbond in de gelegenheid de snelle ontwikkelingen te volgen en de consument voor te lichten.

Als organisatie pakt EZ het elektronisch aanbesteden op. Najaar 1999 start een EZ-brede proef. De ervaringen vormen de basis voor de invoering van elektronisch aanbesteden bij andere ministeries. Ook de proef met elektronisch betalen is een eerste stap naar het invoeren van digitaal betalen aan de overheid.

Aan de hand van een tweejarige toets wil het kabinet de verdere ontwikkeling van Nederland tot informatiemaatschappij nauwlettend blijven volgen.

2.1.2 Benutten en creëren competenties

Kennis en ervaring zit in mensen. Het menselijk kapitaal is dan ook de motor voor innovatie. In het initiële onderwijs wordt basiskennis bijgebracht. Maar snelle technologische en maatschappelijke ontwikkelingen noodzaken tot regelmatige bijscholing van werkenden.

Versterken initiële scholing

Het aanbod van studenten uit het initiële onderwijs sluit op dit moment niet goed aan bij de vraag op de arbeidsmarkt. Er is een tekort aan technici. De stichting AXIS beoogt vraag en aanbod van bèta en technisch opgeleiden beter op elkaar af te stemmen. AXIS werkt daarbij met drie speerpunten: tekortvermindering voor de komende jaren, regionale samenwerking met onder andere bedrijfsleven en onderwijsinstellingen, en kennis opbouwen. Januari 2000 starten de eerste projecten uit de tenderprocedure.

Zowel doel als aanpak van AXIS vertoont gelijkenis met die van de op te richten technocentra. De op te richten regionale technocentra beogen er voor te zorgen dat in de regio initiatieven worden genomen om onder andere de tekorten aan technici op de arbeidsmarkt op te pakken. Daarom ligt het in de rede om op regionaal niveau afstemming te zoeken tussen AXIS-projecten en technocentra initiatieven.

De SER gaat in zijn advies HOOP2000 in op de tekorten aan hoger opgeleiden en het belang voor de economische, maatschappelijke ontwikkeling van voldoende hoger opgeleiden. De Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), OC&W en EZ hebben het initiatief genomen voor overleg ter zake met werkgevers, werknemers, onderwijsinstellingen en arbeidsvoorziening. Immers de beschikbaarheid van hoger opgeleiden is een belangrijke voorwaarde voor de concurrentiekracht van de economie en het innovatief vermogen van de samenleving. Het is de bedoeling dit overleg periodiek voort te zetten met als doel het uitwisselen van informatie en voorbeelden, en het monitoren van Arbeidsradars zoals die zijn voorgesteld in de Industriebrief (Kamerstukken II, 1998/99, 26 628, nr. 1).

Door middel van de Arbeidsradar zullen in samenwerking met OC&W, SZW en de sociale partners, de arbeidsmarktknelpunten worden geanalyseerd waar innovatieve sectoren en regio's tegenaan lopen. Het is de bedoeling dat dit aangrijpingspunten op zal leveren voor nieuwe maatregelen en/of nieuwe acties van sociale partners om het beschikbare arbeidsaanbod op peil te houden.

Ook in de ICT-sector schiet het aantal arbeidskrachten tekort. De Taskforce «Werken aan ICT» komt in het najaar van 1999 met een actieplan om het imago van ICT-beroepen te verbeteren, de samenwerking tussen het ICT-onderwijs en het bedrijfsleven te versterken en nieuwe doelgroepen voor de ICT-arbeidsmarkt aan te boren.

Investeren in werknemers

In vergelijking met grote bedrijven investeert het MKB minder in scholing van werknemers. De scholingsaftrek kent extra financieel voordeel toe aan het MKB, met als doel om investeringen in scholing van werknemers in het MKB te stimuleren. Het MKB is zich gemiddeld genomen onvoldoende bewust van het rendement van investeren in bijscholing. Om de bewustwording bij het MKB te vergroten heeft het Syntens netwerk «employability» als een landelijk thema benoemd. EZ organiseert «Pledging conferences» om het commitment voor employability te versterken. Lopende «employability» experimenten zoals het keurmerk «Investors in People», de employability-adviseurs en «Elders Verworven Competenties», krijgen hierbij ruimschoots aandacht. Dit najaar komen de resultaten van de experimenten met het «Investors in People»- keurmerk beschikbaar. Dan wordt beslist of het keurmerk landelijk wordt ingevoerd.

2.1.3 Industriebeleid in de internationale omgeving

In internationaal opzicht richt het industriebeleid van EZ zich op het maximaal benutten van de voordelen van mondialisering. Het beleid heeft een generiek en een specifiek deel.

Met generieke regelingen stimuleert EZ innovatieclusters. Door de mondialisering worden ook R&D-activiteiten internationaler. Bedrijven vormen strategische partnerships om nieuwe technologieën of producten te ontwikkelen. De beleidsinitiatieven van EZ beogen een gunstig klimaat voor innovatieclusters te scheppen. Technologie, samenwerking en internationale oriëntatie zijn hierbij uitgangspunten.

Het instrumentarium bestaat uit drie onderdelen:

1) Het EU-Kaderprogramma, waarbij de EU de onderzoeksgebieden vaststelt.

2) Eureka. Eureka is er voor Nederlandse bedrijven die samen met een Europese partner een technologisch onderzoeksprogramma starten. Technologische kwaliteiten van het onderzoek en marktgerichtheid bepalen de toekenning.

3) Bilaterale samenwerking buiten Europa. Deze regeling geldt voor alle vormen van internationale technologische samenwerking met een accent op opkomende markten en niet-Europese geïndustrialiseerde landen.

Het specifieke deel van het internationale industriebeleid bestaat onder andere uit matching en het stimuleren van de lucht- en ruimtevaart. Van matching kan sprake zijn indien met oneigenlijke staatssteun, dumpingpraktijken en wet- en regelgeving, nationale overheden de internationale concurrentieverhoudingen verstoren. In antwoord daarop kan de overheid Nederlandse bedrijven compensatie bieden. Matching komt veel voor in de scheepsbouw. Daarnaast dringt EZ aan op het tegengaan van aantoonbare internationale concurrentievervalsing in OESO- en Europees verband.

Internationale samenwerking is cruciaal op het terrein van lucht- en ruimtevaart. De Europese ruimtevaartinspanningen zijn gebundeld in de European Space Agency (ESA). In Noordwijk staat het belangrijkste researchcentrum: ESTEC. Ook op het vlak van milieu en navigatie heeft het lucht- en ruimtevaartonderzoek gunstige, indirecte effecten op de Nederlandse economie.

2.2 Ruimtelijk economisch beleid

2.2.1 Versterking van het ruimtelijk-economisch netwerk

In een wereldomspannende netwerkeconomie met turbulente internationale ontwikkelingen zijn scherpe internationale concurrentie en dynamiek de trefwoorden. Het Nederlandse vestigingsklimaat moet uitmuntend zijn en blijven als waarborg voor een groeiende werkgelegenheid. In de «Nota Ruimtelijk Economisch Beleid (NREB), Dynamiek in Netwerken» staat de ruimtelijk-economische invalshoek op het versterken van het vestigingsklimaat centraal. In de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening (RO) wordt deze invalshoek met andere ruimtelijke perspectieven geïntegreerd. Het nieuwe ruimtelijk-economisch beleid heeft twee pijlers: versterking van het ruimtelijk-economisch netwerk en de benutting van de economische potenties in de regio. Flexibiliteit, maatwerk en samenhang zijn voor het beleid onmisbare kenmerken.

Een goed vestigingsklimaat staat of valt bij voldoende ruimte. De vraag naar ruimte voor bedrijventerreinen is groter dan voorzien en concentreert zich in het ruimtelijk economisch netwerk van steden, mainports, economische ontwikkelingsassen en kernen in het landelijk gebied. In het kader van de herijking AcVinex wordt bezien of – uitgaande van de nieuwe vraagramingen – nieuwe bestuurlijke afspraken nodig zijn voor de planning van bedrijventerreinen.

In de Vijfde Nota RO gaat het kabinet na hoe de economische dynamiek ook op langere termijn de ruimte kan krijgen. Het gaat hier om het bundelen van economische activiteiten in steden en knooppunten. EZ staat voor een spoedige start – op beperkte schaal – van experimenten met corridors. Om de economische potentie van het landelijk gebied maximaal te benutten, moet in het ruimtelijk-ordeningsbeleid worden gezocht naar differentiatie onder meer door een mogelijke aanpassing van het restrictieve beleid.

Het scheppen van voorwaarden om in te spelen op economische dynamiek kan niet zonder een zorgvuldige afweging met andere belangen, waaronder milieu en natuur.

Onze mainports zijn belangrijk voor het vestigingsklimaat. Binnen de randvoorwaarden van milieu, moet de toegevoegde waarde rondom de mainports wel de ruimte krijgen. In het project Ontwikkeling Nationale Luchthaven en Project Mainport Rotterdam staat deze opdracht centraal.

Het ruimtelijk netwerk kan alleen goed functioneren als de bereikbaarheid uitstekend is. Enerzijds vraagt dat om betere benutting van de bestaande infrastructuur, bijvoorbeeld via prijsprikkels; anderzijds wordt de komende jaren nog fors geïnvesteerd in nieuwe infrastructuur. Daarbij zal de markt een grotere rol moeten spelen. De aanpak van Publiek Private Samenwerking (PPS) leent zich daar goed voor.

Op de langere termijn heeft ICT structurele effecten op het ruimtegebruik en mobiliteitspatronen. Bovendien speelt bij de keuze van een vestigingsplaats steeds vaker de elektronische bereikbaarheid een rol. Het rijk wil het inzicht in de relatie tussen ICT, economie, ruimte, milieu en mobiliteit verbeteren. In een onderzoeksprogramma wordt het effect van ICT op ruimtegebruik en bereikbaarheid onderzocht. De uitkomsten worden verwerkt in het Nationaal Verkeer- en Vervoer Plan en de Vijfde Nota RO.

2.2.2 Versterking economische potenties in de regio

Bij het stimuleren en faciliteren van het economisch beleid in de regio speelt het te vernieuwen convenant van EZ met het Inter Provinciaal Overleg (IPO) en mogelijke andere partijen een belangrijke rol. In het nieuwe convenant staat een verbeterde aansluiting van vraag en aanbod van bedrijventerreinen en kennisontwikkeling weer centraal. Belangrijk in dat kader is de continuering en verdere uitbouw van de Bedrijfslocatiemonitor door het CPB in gezamenlijke opdracht van EZ, de Ministeries van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) en V&W. Naar aanleiding van de evaluatie van het huidige convenant wordt de nieuwe overeenkomst uitgebreid met afspraken over technologie en marktwerking.

Provincies en steden moeten snel inspelen op veranderingen in de (regionale) economische structuur en de eisen van het bedrijfsleven. Juist op regionaal niveau is het zinnig om synergie tussen economie, ruimte en milieu te vinden. Provincies en gemeenten zijn, samen met het bedrijfsleven, als eerste aan zet om een samenhangend economisch beleid te voeren. Het Rijk staat voor de taak om de juiste voorwaarden te scheppen en het beleid in de regio actief te stimuleren en te faciliteren.

Stadseconomie

Steden zijn belangrijk voor de Nederlandse economie. Met het grotestedenbeleid (GSB) bevordert EZ de economie in de 25 daarvoor aangewezen steden (G25). Voor fysieke economie zijn de middelen van EZ en VROM gebundeld voor de 30 «rechtstreekse gemeenten» van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV)1. Voor de periode 2000–2010 brengt EZ 500 en VROM 400 miljoen gulden in. Deze middelen zijn bestemd voor: bedrijventerreinen, bedrijfsverzamelgebouwen, functiemenging, fysieke investeringen voor kansrijke sectoren en lokale bereikbaarheid van economische functies. In 2000–2010 slaat daarnaast tenminste 100 miljoen gulden uit de regeling Tender Investeringsprogramma's Provincies (TIPP) neer in de «rechtstreekse ISV-gemeenten». Stadseconomie wordt voorts een belangrijk thema binnen de tenderregeling van het innovatiebudget stedelijke vernieuwing.

Voor «niet-fysieke stadseconomie» wordt een nieuwe regeling gemaakt. In de periode 2000–2010 is 220 miljoen gulden beschikbaar voor het bevorderen van ondernemerschap, zoals startersbegeleiding, in het bijzonder ook voor etnische ondernemers, en het stimuleren van kansrijke sectoren en clusters.

Samen vormen de middelen voor fysieke en niet-fysieke stadseconomie het stadseconomiebudget. November 1999 dienen de GSB-steden hun ontwikkelingsprogramma's in. Het ontwikkelingsprogramma voor stadseconomie maakt daarvan onderdeel uit. Eind 1999 worden per stad convenanten afgesloten en worden de budgetten meerjarig toegezegd.

Bedrijventerreinen

Nieuw is de opvolger van de Stimuleringsregeling Ruimte voor Economische Activiteit (StiREA), de TIPP: Tender Investeringsprogramma's Provincies, Tot 2004 is jaarlijks 50 miljoen gulden beschikbaar. De TIPP wordt breder van opzet met meer oog voor kwalitatieve aspecten zoals: beheer, segmentering, multimodaliteit en milieuprestatie en projectrentabiliteit. De TIPP-aanvragen gaan vergezeld van een provinciale visie op het economische vestigingsklimaat. TIPP wordt afgestemd met het Innovatiebudget Stedelijke Vernieuwing van VROM. Daarnaast startte uitvoerder NOVEM in 1999 met het Stimuleringsprogramma Duurzame Bedrijventerreinen.

Bestuurlijke afspraken met het Noorden

Op 23 februari 1999 bespraken een kabinetsdelegatie en het Samenwerkingsverband Noord Nederland (SNN) de voortgang van het stimuleringsbeleid voor het Noorden voor de periode 2000–2006. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd (Kamerstukken II, 1998/99, 25 017, nr. 19 en nr. 20). Conform de afspraak met de Tweede Kamer vindt jaarlijks een voortgangsoverleg plaats met het SNN. Hierover wordt aan de Tweede Kamer gerapporteerd.

Instrumentarium

In overleg met de regio's en op basis van evaluaties (zie bijlage 7) past EZ het bestaande instrumentarium aan (zie onderstaande tabel 2).

Tabel 2. Overzicht financieel instrumentarium
Naam instrumentREONN (Ruimtelijk Economisch ontwikkelingsprogramma Noord-Nederland)IPR (Investeringspremieregeling, centraal)ROM's (Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen)
GebiedNoordenNoorden, Twente, Zuidelijk LimburgNoorden, Overijssel, Limburg, Gelderland, Noord-Brabant
Budget EZGemiddeld jaarlijks f 73 mln Decentrale IPR : f 50 mlnGemiddeld jaarlijks Centraal : f 45 mlnGemiddeld jaarlijks f 11 mln aan apparaatsuitgaven
Begrotingsart.04.0804.0804.01
DoelVersterken van de economische structuurVersterken van de economische structuurVergroten concurrentiekracht van het regionale bedrijfsleven
MaatregelenGericht op: • stimulering economische groei in kernzones • vitaliteit van stedelijke gebieden • versterking platteland • uitlokken investeringenuitlokken van bedrijfsinvesteringen in stuwende sectoren d.m.v. investeringssubsidiesGericht op het stimuleren van samenwerking tussen innovatieve bedrijven m.n. op gebied van kennis, participeren in nieuwe en bestaande bedrijven en het aantrekken van nieuwe bedrijven
UitvoerderSNNEZROM's
DoelgroepNoordelijke provincies, gemeenten, bedrijvenBedrijvenBedrijven
MonitoringJaarlijks overleg EZ-SNN over de aanwending van de EZ-middelenJaarlijks overleg EZ-SNN over de aanwending van de EZ-middelen. via werkplannen, beoordeling apparaatskosten
Opvolger vanISP V, Besluit provinciale investeringspremiesbesluit subsidie regionale investeringsprojecten (BSRI 1997)
Veranderingen ten opzichte van voorganger• Selectiviteit en concentratie met als doel economische groei te concentreren in de vijf economische kerngebieden van het Noorden • Koppeling decentrale IPR aan het REONN• Centrale IPR richt zich in het Noorden op de vijf kernzones. In Twente en Zuid-Limburg is gebied verkleind* Uitbreidingsinvesteringen worden vrijwel geheel niet meer gesubsidieerd.Takenpakket wordt mogelijk uitgebreid met de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen.
Eerstvolgende stappen (continu actualiseren)• Vaststellen instrument in samenhang met EU programma • Uitwerken programmatische aanpak • Aanmelden decentrale IPR in Brussel i.v.m. staatssteun• Aanmelden IPR in Brussel, voor goedkeuring i.v.m. staatssteun.• Tweede helft 1999 overleg met ROM's en provinciale aandeelhouders over het uit te breiden takenpakket

* In het kader van de discussie rond de Steunkaart wordt voorgesteld om het bevolkingsplafond in Noord-Nederland gelijk te houden op ca. 9%. Zie ook Kamerstukken II, 1998/99, 26 200 XIII, nr 42.

Structuurfondsen

Op 28 mei 1999 werden de verdeling van de middelen voor de nieuwe «Doelstelling 2» regio's bepaald in de Ministerraad. In overleg met provincies en steden worden de gebieden in de herfst van 1999 verder afgebakend en voorgedragen bij de Europese Commissie.

Tabel 3. Verdeling Structuurfondsen – doelstelling 2 – periode 2000 – 2006
GebiedPercentage inwonerste ontvangen middelen in mln EUROCoördinerend Minister
Noorden7,00 %315EZ
Stedelijke gebieden4,25 %192GSI
Landelijke gebieden3,75 %169LNV
Totaal15,00 %676

Najaar 1999 moeten de betrokken regio's hun economische actieprogramma's indienen bij de Europese Commissie. Dit geldt ook voor de huidige Doelstelling 1- en Doelstelling 2-gebieden die voor uitfaseringssteun in aanmerking komen. Dit najaar wordt de invulling van de Communautaire Initiatieven (CI's) en de verdeling van het beschikbare budget over de CI's verduidelijkt. De uitwerking voor de CI's wordt dan ter hand genomen.

Toeristisch Huis

De toekomst van de toerisme- en recreatiesector hangt sterk af van verdere professionalisering en bundeling van kennis en expertise. Sinds voorjaar 1999 werken het Nederlands Bureau voor Toerisme (NBT), de Stichting Toerisme en Recreatie AVN (AVN), de Algemene Vereniging van VVV's (ANVV) en de ANWB samen in de Stichting Toeristisch Huis i.o . Landelijke toeristische en recreatieve organisaties zoals het Nederlands Congresbureau en de Stichting Recreatie (KIC) zijn uitgenodigd zich bij dit initiatief aan te sluiten. Als eerste activiteit ontwikkelt de Stichting Toeristisch Huis een plan voor de materiële fusie van het Nederlands Bureau voor Toerisme (NBT), de AVN en zo mogelijk ook de ANVV. Het streven is om de fusie medio 2000 te effectueren. Vanaf het moment van fusie bundelt EZ de subsidies aan NBT, AVN en eventueel de ANVV. In het voorjaar van 2000 zal de Tweede Kamer door EZ en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) nader worden geïnformeerd over de voortgang in het beleid voor toerisme en recreatie.

2.3 Milieu en economie

Economische groei kan in een groot aantal situaties goed samengaan met het verminderen van de milieudruk. Dit is één van de conclusies van een onderzoek naar de impact van de nota Milieu en Economie op het denken over milieubeleid (zie box 4). In de nota Milieu en Economie liet het vorige kabinet zien hoe de overheid het praktisch samengaan van milieu en economie kan stimuleren (Kamerstukken II, 1996/97 25 405, nr. 1). Technologie speelt daarbij een belangrijke rol.

Box 4. Gaan milieu en economie samen?

VROM heeft samen met EZ, LNV en V&W onderzoek laten doen door PriceWaterhouseCoopers naar het effect van de nota Milieu en Economie (NME). De nota is opgesteld, deels als reactie op het klassieke «milieu versus economie»-denken en deels om de potenties van een positieve «milieu én economie» boodschap in kaart te brengen.

Uit het onderzoek blijkt onder andere dat:

• de nota NME een positieve rol heeft vervuld in het breder verspreiden van het gedachtegoed dat milieu en economie en veel gevallen kunnen samengaan

• het gedachtegoed aanspreekt bij bedrijfsleven, overheid en milieubeweging

• het gedachtegoed aansluit op marktdenken en nieuwe economische ruimte creëert

• het gedachtegoed potentie heeft en in een groot aantal situaties oplossingen biedt

• het gedachtegoed alleen kan werken als knelpunten worden opgelost.

Informatie over deze evaluatie en de voortgang van de boegbeelden is opgenomen in het Milieuprogramma 2000 – 2003.

Het Nationaal Milieu Plan (NMP)4 zal voortbouwen op zowel het gedachtegoed van NME als het stimulerend vormgeven van milieubeleid.

Een goed voorbeeld van een succesvolle actie uit de nota Milieu en Economie is het populaire programma duurzame bedrijventerreinen. Hiermee bevordert EZ de samenwerking tussen bedrijven onderling, en tussen bedrijven en overheden om de milieukwaliteit, het efficiënt gebruik van ruimte en de concurrentiepositie op bedrijventerreinen te verbeteren. Uit de lopende projecten blijkt dat kostenbesparing en vermindering van de milieudruk goed samen gaan. EZ heeft voor de komende vier jaar 30 miljoen gereserveerd voor dit stimuleringsprogramma.

Kosteneffectiviteit en instrumentkeuze

Ondanks een succesvol milieubeleid zijn er milieuproblemen die zich moeilijk laten bestrijden, waarbij kosten een knelpunt kunnen zijn. Omdat de goedkope maatregelen inmiddels genomen zijn, blijven nu de duurdere over. In de instrumentkeuze moet daarom meer aandacht zijn voor de kosteneffectiviteit en flexibiliteit van het beleid. De inzet van marktconforme instrumenten zoals verhandelbare emissie(reductie) rechten kan hier uitkomst bieden. De Minister van Economische Zaken neemt het initiatief om het komende jaar een dialoog te starten met het bedrijfsleven en andere relevante actoren over het instrument verhandelbare rechten in milieubeleid.

Milieubeleid en concurrentievermogen

Milieubeleid kan invloed hebben op de concurrentiepositie van bedrijven. Bij de vormgeving van het milieubeleid zijn daarbij de volgende elementen van belang:

• het gebruik maken van marktconforme instrumenten, zoals heffingen en verhandelbare emissierechten

• een flexibele vormgeving zodat bedrijven milieubeleid strategisch kunnen opnemen in hun investeringsprogramma's

• een open dialoog met het bedrijfsleven over de doelstellingen in het milieubeleid

• het stimuleren van procesgeïntegreerde innovaties

• het opnemen van milieudoelen in milieuvergunningen in plaats van technologie-toepassingen en maatregelen

• het aansluiten bij de koplopers onder onze directe concurrenten.

Baten en kosten in Milieubeleid

Nu de kosten van het milieubeleid in de loop der tijd zijn toegenomen, speelt het afwegen van kosten tegen baten of milieu-effecten een steeds belangrijkere rol. Wegen de extra milieubaten wel op tegen de kosten van voorgestelde beleidsintensiveringen? In het toekomstig milieubeleid is het gewenst dat de (monetaire) kosten van de extra verbetering in de milieukwaliteit gespiegeld worden aan de mogelijke (monetaire) opbrengsten. Deze notie vindt ook zijn weerklank in het Verdrag van Amsterdam dat stelt dat de Gemeenschap bij het bepalen van haar beleid op milieugebied rekening houdt met onder meer de voordelen en lasten die kunnen voortvloeien uit optreden, onderscheidenlijk niet-optreden.

EZ heeft een studie laten verrichten naar de (on-)mogelijkheden van het waarderen van milieubaten op geld. Het onderzoek leert ons dat kosten/baten analyses in milieubeleid nog een lange weg te gaan hebben. EZ zal de komende jaren het gebruik van kosten/baten analyses in het Nederlandse milieubeleid verder onderzoeken. Inzicht in de kosten en baten draagt immers bij aan de kwaliteit van besluitvorming, het draagvlak en de legitimiteit van milieubeleid. Daarnaast kan een kosten-batenanalyse helpen bij de prioritering van milieudoelstellingen.

2.4 Energiebeleid

Met de liberaliseringtrajecten van de gas- en elektriciteitsmarkten komt een geliberaliseerde energiemarkt in zicht (zie ook hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.3). Deze ontwikkeling, die ook in de rest van Europa in volle gang is, brengt grote veranderingen voor energiegebruikers. Waar het de organisatie van de markt betreft verandert ook de rol van de overheid.

Eind 1999 publiceert EZ het eerste Energierapport met onder meer strategische beleidsvragen. De voortgang van het bestaande en nieuwe beleid voor energiebesparing en duurzame energie is beschreven in het actieprogramma Energiebesparing (EZ-461-99) en de Voortgangsrapportage Duurzame Energie in uitvoering (EZ-353-99). Beide stukken zijn in 1999 aan de Tweede Kamer aangeboden.

2.4.1 Energierapport

In het Energierapport zal de balans worden opgemaakt van ontwikkelingen op de energiemarkt na het uitbrengen van de Derde Energienota (1995) (Kamerstukken II, 1995/96, 24 525, nrs. 1-2). Het hele energiebeleid wordt onder de loep genomen met accent op de liberalisering van energiemarkten en de gevolgen hiervan voor energiebesparing en duurzame energie. Er moet rekening worden gehouden met een neerwaartse druk op de energieprijzen. Er zijn daarom nieuwe wegen nodig om de doelstellingen van duurzame energie en energiebesparing te realiseren.

Het energierapport besteedt verder aandacht aan:

• De ontwikkeling van de nationale markt. Afnemers krijgen stapsgewijs de vrijheid om hun eigen leverancier te kiezen. Monitoren van de ontwikkelingen is een belangrijk onderdeel van het beleid

• Het internationale level playing field van de verschillende marktpartijen.Waar mogelijk bevordert het kabinet internationale concurrentie. Een verder uitgewerkt reciprociteitbeginsel moet schade voor Nederlandse aanbieders, die ontstaat door het afschermen van markten, voorkomen

• Eventuele versnelde vrijmaking van de markt.De liberalisering wordt stevig opgepakt door de markt, i.c. de grootverbruikers. De ervaringen worden scherp in de gaten gehouden en kunnen wellicht leiden tot een vervroegde vrijmaking van de overige verbruikers (sheltered sector)

• Eventueel verplicht aandeel duurzame energie.

2.4.2 Energiebesparing en duurzame energie

Inspanningen op het gebied van energiebesparing en duurzame energie zijn belangrijk voor de ontkoppeling van economische groei en energiegebruik. Een efficiënt gebruik van energie versterkt de economische structuur en draagt bij aan het bereiken van de CO2-reductiedoelstellingen uit de Kyoto-verplichtingen. Zoals aangegeven in de Uitvoeringsnota Klimaat (Kamerstukken II, 1998/99, 26 603, nr. 2) nemen energiebesparing en duurzame energie in 2010 circa de helft van de binnenlandse bijdrage aan de Nederlandse doelstelling voor hun rekening.

Energiebesparing

In juli 1999 is het actieprogramma Energiebesparing aangeboden aan de Tweede Kamer. Hierin is beschreven welke energiebesparingsmaatregelen genomen worden tot 2002. Het Actieprogramma bouwt voort op de Energiebesparingsnota (EZ-98-173).

De drie belangrijkste elementen uit het actieprogramma zijn:

• een doelgerichte benadering van eindgebruikers

• een heldere verdeling van verantwoordelijkheden binnen de Rijksoverheid

• een belangrijke rol voor intermediaire organisaties.

Voor het uitvoeren van het actieprogramma wordt de komende jaren gemiddeld 690 miljoen gulden in 1999, tot circa 910 miljoen gulden in 2001 ingezet. Het gaat hierbij om middelen uit de EZ-begroting en om fiscale prikkels.

Naast de inzet van generieke instrumenten op het vlak van financiële stimulering van investeringen in energiebesparing, wordt per eindgebruikersgroep een beperkt aantal instrumenten ingezet. Bij de energie-intensieve sectoren die internationaal concurreren staat de convenanten-aanpak – benchmarken en Meerjarenafspraken («MJA's») – centraal. Kerninstrumenten voor de andere sectoren zijn heffingen, normstelling en regelgeving.

Energiebesparing moet integraal worden meegewogen in de beleidsontwikkeling van andere ministeries. Deze «internalisatie» is de laatste jaren al op gang gekomen. Tussen de ministeries worden nadere afspraken gemaakt over een heldere verdeling van verantwoordelijkheden.

Box 5. Voorbeeldproject Utiliteitsbouw Hoogheemraadschap Rijnland

In de zomer van 1999 is het nieuwe hoofdkantoor van het Hoogheemraadschap Rijnland klaar. Het kantoor laat zien wat er mogelijk is op het gebied van energiebesparing. Het gebruik van fossiele brandstoffen wordt met 71 % gereduceerd door gebruik van klimaatgevels en -plafonds voor verwarming en koeling, lange termijn energieopslag met warmtepomp en terugwinning van restwarmte. Door daglicht optimaal in te zetten met automatische aan- en uitschakeling van kunstlicht, wordt 60–70% bespaard op het elektriciteitsverbruik voor verlichting.

Het resultaat van deze en andere besparingsmaatregelen is een comfortabel gebouw met een energieprestatiecoëfficiënt (EPC) van 0,99 (de vereiste waarde is 1,9). Deze prestaties maken het kantoor bovendien ook economisch rendabel. Zonder rekening te houden met subsidies, kunnen de benodigde extra investeringen in ongeveer 5 jaar worden terugverdiend.

Convenant Benchmarking

Naast het verschijnen van het actieprogramma is op 6 juli 1999 het convenant «Benchmarking energie efficiency» ondertekend (Kamerstukken II, 1998/99, 25 405, nr. 21). De aan het convenant deelnemende bedrijven verplichten zich de energie-efficiency van hun procesinstallaties op het niveau van de wereldtop te brengen. Hierdoor wordt een synergie tussen milieu en economie bereikt. Er wordt een forse bijdrage geleverd aan het behalen van de energie- en CO2-doelstellingen van 5 tot 9 Mton CO2 in het jaar 2012. Tegelijkertijd gaan de maatregelen niet verder dan die van de best presterende concurrenten. In 2004 wordt het convenant geëvalueerd.

Duurzame energie

In juni 1999 is de voortgangsrapportage «Duurzame energie in uitvoering» aan de Tweede Kamer gezonden. Hierin is verslag gedaan van de acties zoals deze zijn aangekondigd in het actieprogramma «Duurzame energie in opmars» (Kamerstukken II, 1996/97, 26 276, nr. 1). Uit deze rapportage blijkt dat 28 van de 38 actiepunten uit het Actieprogramma «Duurzame energie in opmars» inmiddels zijn afgerond of in uitvoering zijn genomen. Op een aantal gebieden zijn nieuwe actiepunten geformuleerd om knelpunten weg te werken.

In het Energierapport komt de verwachte doorgroei van duurzame energie in de periode 2000–2020 aan de orde. Daarnaast wordt bekeken of nieuwe beleidsinitiatieven nodig zijn om de realisering van 10% verbruik van duurzame energie in het jaar 2020 mogelijk te maken.

Box 6. Duurzame energie-infrastructuur in glastuinbouw

In de driehoek tussen Berkel en Rodenrijs, Bergschenhoek en Bleiswijk, zijn veel grote, nieuwe glastuinbedrijven gevestigd. Ruim 130 bedrijven zijn aangesloten op de Roca3-centrale in Rotterdam. Via een tien kilometer lang buizenstelsel levert deze energiecentrale restwarmte en zuivere CO2 uit industriële processen, aan de kassen. De CO2 is nodig voor stimulering van de groei van de planten. Zo wordt ruim 90 procent van de warmtebehoefte en CO2-vraag van de glastuinbouwbedrijven gedekt. De glastuinders besparen 20 procent fossiele brandstof. Dit komt overeen met het brandstofgebruik van een stad met 100 000 inwoners. Het betekent bovendien een vermindering van de uitstoot van CO2 die gelijk staan aan de uitstoot van zo'n 40 000 auto's die ieder 20 000 kilometer per jaar rijden.

Regulerende Energie Belasting (REB)

Conform het regeerakkoord wordt de REB verhoogd zodat in drie jaar een extra opbrengst van f 3,4 miljard wordt bereikt. Op 1 januari 1999 is de eerste tranche van de verhoging ingevoerd; een verhoging van de REB met 1,1 miljard gulden. Van de tariefsverhogingen komt circa 780 miljoen gulden ten laste van huishoudens en 330 miljoen ten laste van het bedrijfsleven. Voor 1999 wordt 170 miljoen gulden op transactiebasis van deze belastingopbrengst aangewend voor positieve prikkels. Samen genereren de belastingverhoging en de positieve prikkels een energiebesparingseffect. In het kader van de vergroening van het belastingstelsel wordt de overige 940 miljoen gulden gebruikt voor lastenverlichting (terugsluis). De vormgeving van deze verhoging wordt aangegeven in de bijlage bij de Miljoenennota 2000, «Verschuiving en vergroening voor de jaren 2000 en 2001». Met ingang van 1 januari 2000 en 2001 wordt de REB verder verhoogd.

2.4.3 Klimaat

In juni 1999 is de Uitvoeringsnota klimaatbeleid naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze nota bevat maatregelen om de Nederlandse doelstelling van 6% reductie van broeikasgasemissies in de periode 2008–2012 (ten opzichte van referentiejaar 1990) te behalen. In absolute zin wordt uitgegaan van een reductiedoelstelling van 50 Mton, waarvan de helft binnenlands is ingevuld in deze nota. Onderdelen van het beleid zijn onder meer de doelstelling voor 5% duurzame energie van het totale energieverbruik in 2010 en maatregelen in de sfeer van energie efficiency. Daarnaast worden in gesprekken met de energiesector de mogelijkheden voor vrijwillige afspraken over CO2-emissiereducties in de kolencentrales onderzocht. Volgens de nieuwe methodiek zoals vastgelegd in het «protocol monitoring duurzame energie» is het totaal aan gerealiseerde duurzame energie in 1,1% van het binnenlands energieverbruik in 1998.

In vervolg op de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid deel 1 heeft de Minister van VROM aan de Kamer een deel twee toegezegd. Deze tweede uitvoeringsnota zal met name gewijd zijn aan de flexibele mechanismen: Joint Implementation (JI), Clean Development Mechanism (CDM) en Emissions Trading (ET).

JI biedt naar verwachting mogelijkheden voor het behalen van emissiereducties in Midden- en Oost-Europa tegen lagere kosten dan in Nederland. Gelet op de ambitieuze doelstelling voor flexibele instrumenten en op de tijd die het kost om grootschalige energieprojecten te implementeren, ligt een vroege start met JI voor de hand. EZ werkt, in overleg met VROM, het eerste instrument voor de toepassing van JI uit. Na overleg met het Nederlandse bedrijfsleven en met de Europese Commissie is gekozen voor een Europese aanbestedingsprocedure voor de aankoop van Emission Reduction Units op basis van JI-projecten. Nederland koopt hierbij (een deel van) de emissiereducties die een bedrijf behaalt door het uitvoeren van een JI-project. Naast deze instrumentontwikkeling wordt met Midden- en Oost-Europese landen onderhandeld over de hoeveelheid CO2 die zij beschikbaar stellen voor JI met Nederland. Dit moet leiden tot MoU's op basis waarvan bedrijven hun projecten kunnen aanbieden aan de Nederlandse overheid.

Er wordt overwogen om JI ook multilateraal uit te voeren via de European Bank for Reconstruction and Development en de Wereldbank.

Emissiehandel houdt in dat een land een gedeelte van zijn emissierechten kan verkopen, wanneer de uitstoot van dat land lager is dan het in zijn doelstelling vastgestelde emissie-niveau. Voor emissiehandel op nationaal niveau wordt op korte termijn een experimentele start gemaakt met een systeem van verhandelbare reducties, waartoe een klein aantal nader vast te stellen reductiemaatregelen tot het experiment wordt toegelaten. Voor de langere termijn wordt een breed samengestelde commissie onder onafhankelijk voorzitterschap ingesteld om onderzoek te doen naar een systeem van plafonnering en daarvoor concreet implementeerbare varianten te formuleren.

Tijdens de Conferentie van Partijen in Buenos Aires in november 1998 zijn werkprogramma's aangenomen over onder meer de verder uitwerking van de flexibele instrumenten. Tijdens de Zesde Conferentie van Partijen, welke eind 2000 of begin 2001 zal plaatsvinden, zullen de guidelines voor de flexibele instrumenten worden vastgesteld.

2.4.4 Oliebeleid

Dit najaar ontvangt de Kamer een brief met voorstellen voor de herziening van het oliecrisisbeleid. Dit beleid heeft haar wortels in de zestiger jaren en is, vanwege de liberalisering van de energiemarkt en veranderingen in de wereldoliemarkt, aan vernieuwing toe. Het advies van de Algemene Energie Raad van oktober 1998 over het Nederlandse oliecrisisbeleid, levert een aantal belangrijke bouwstenen voor het nieuwe oliecrisisbeleid. Het gaat om een beter gebruik van de in Nederland aanwezige olievoorraden, meer vertrouwen op het marktmechanisme en een vereenvoudigd pakket van vraagbeperkende maatregelen.

De brief bevat de doelstellingen van en het instrumentarium voor een geactualiseerd oliecrisisbeleid. Eind 1999 stuurt EZ een wetsvoorstel naar de Raad van State dat moet leiden tot wijziging van de huidige Wet voorraadvorming aardolieproducten.

HOOFDSTUK 3 CONCURRENTIE EN FLEXIBELE MARKTEN

3.1 Marktwerking internationaal

3.1.1 Wereldmarkt

Het kabinet vindt een goed functionerend, open en op regels gebaseerd multilateraal handels- en investeringssysteem van essentieel belang. Dit belang betreft niet alleen de ontplooiingskansen van het Nederlandse bedrijfsleven. Zonder zo'n goed functionerend multilateraal stelsel komen de zwakkere partners, de ontwikkelingslanden, in de knel.

Het kabinet heeft vier hoofddoelstellingen voor de verdere ontwikkeling van dit stelsel. De WTO vervult daarbij een cruciale rol. Nederland hecht groot belang aan een nieuwe WTO-ronde, waartoe zal moeten worden besloten tijdens de derde ministeriële WTO-conferentie in Seattle (30 november – 3 december 1999).

1) verder versterken van de WTO. Van belang is dat de transparantie van de WTO wordt vergroot en dat het mechanisme voor de beslechting van geschillen beter gaat functioneren. Verder is het goed het lidmaatschap van de WTO te verbreden. Aandacht vragen ook nieuwe WTO-disciplines op terreinen als mededinging en transparantie bij overheidsaankopen en investeringen. Met name het laatste onderwerp ligt gevoelig, gezien de ontwikkelingen rond het Multilateraal Akkoord inzake Investeringen. Niettemin vindt het kabinet dat het voortgaande proces van mondialisering duidelijke internationale spelregels voor investeringen vereist en dat de WTO het meest geschikte kader is voor de ontwikkeling daarvan. Een succesvolle afronding in 2000 van de herziening van de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen is een onmisbare factor in dit proces.

2) voortzetten handelsliberalisatie. Er zijn al belangrijke stappen gezet. Sinds de Uruguay-ronde worden markten behalve voor industrieproducten ook steeds meer geopend voor landbouwproducten en diensten van andere landen. Toch bestaat er – met name op landbouw- en dienstengebied – nog volop ruimte voor verbetering. De belangen van de ontwikkelingslanden verdienen daarbij speciale aandacht. Een nieuwe WTO-ronde zal tastbare verbetering voor de positie van ontwikkelingslanden moeten opleveren. Naast verruiming van de toegang van hun producten tot Westerse markten is aandacht nodig voor onderwerpen als versimpeling van oorsprongsregels en het terugdringen van tariefescalatie.

3) ontwikkelingslanden volwaardig laten participeren in de WTO. De WTO kan slechts succesvol zijn als zij voldoende oog heeft voor de behoeften van de ontwikkelingslanden, en vooral de Minst Ontwikkelde Landen. Naast meer markttoegang, onder andere op het gebied van landbouw- en textielproducten, hebben deze landen technische hulp nodig om volwaardig in de WTO te kunnen meespelen en hun rechten te laten gelden. Verder is er behoefte aan een verdere uitwerking van het begrip «Speciale en Gedifferentieerde Behandeling» (minder strenge disciplines, langere overgangsperiodes etc.).

4) erkenning en uitwerking van raakvlakken met andere beleidsterreinen. De WTO is een handelspolitieke organisatie en niet een wereldregering in wording. Niettemin heeft het wereldhandelsstelsel raakvlakken met andere beleidsterreinen, zoals milieu, gezondheid, arbeidsnormen en dierenwelzijn. Er zijn situaties waarin de WTO-disciplines efficiënt beleid op een ander terrein in de weg kunnen staan. Daarvoor moeten op basis van een politieke afweging oplossingen worden gevonden.

Als het gaat om niet-handelspolitieke kwesties gebeurt dat meestal in de vorm van internationale afspraken buiten WTO-verband. Nederland wil in WTO-kader bezien in hoeverre deze organisatie zulke internationale afspraken kan accommoderen.

De regering is er van overtuigd dat een geïntegreerde benadering en een nieuwe brede onderhandelingsronde de beste mogelijkheden bieden voor resultaten op alle vier fronten. De Kamer zal binnenkort in vervolg op de brief van 28 mei 1999 (Kamerstukken II, 1998/99, 25 074, nr. 12) een meer uitgewerkte positie worden aangeboden.

Box 7. GATS 2000

Uiterlijk 1 januari 2000 start de onderhandelingsronde voor de vrijmaking van de internationale handel in diensten: GATS 2000. EZ streeft ernaar vertegenwoordigers van overheden, bedrijfsleven, branche-organisaties en maatschappelijke organisaties actief te betrekken. Dit moet leiden tot het bereiken van een voor Nederland gewenst onderhandelingsresultaat. Het begrip diensten omvat een breed scala van activiteiten: zakelijke dienstverlening, communicatie, bouw, distributie, onderwijs, milieudiensten, financiële diensten, medische en sociale dienstverlening, toerisme, recreatie, cultuur en sport, transport etc. Het economische belang van de dienstensector groeit. Het aandeel van de handel in diensten in de totale wereldhandel bedroeg in 1998 circa 20%; de dienstensector is verantwoordelijk voor 60% van de jaarlijkse stroom buitenlandse directe investeringen.

Handelspolitiek en de consument

Over dit onderwerp ontving de Kamer een brief op 28 mei 1999 waarin de regering algemene beleidslijnen formuleerde voor de benadering van de telkens weer opduikende vraagstukken op het terrein van de relatie tussen handelspolitiek en consumentenzorgen (Kamerstukken II, 1998/99, 26 575, nr. 1 en 2).

Ook werden in deze brief enkele doelstellingen geformuleerd voor de komende onderhandelingen in de WTO. In het najaar zal hierover overleg plaatsvinden met de Kamer. De regering zal de Kamer regelmatig op de hoogte houden van de voortgang bij de verwezenlijking van haar beleidsvoornemens.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen in het buitenland

Ook deze problematiek, waarover de Kamer in april 1999 een brief (Kamerstukken II, 1998/99, 26 485, nr. 1) met beleidsvoornemens ontving en waarover op 23 juni 1999 een overleg met de Kamer plaatsvond, houdt nauw verband met die van de raakvlakken in de WTO tussen handelspolitiek en andere beleidsterreinen. De in die brief uitgezette koers zal in het komende begrotingsjaar energiek worden vervolgd. De Kamer zal nauwgezet op de hoogte worden gehouden van de voortgang, ook ten aanzien van de aanvullende toezeggingen die door de regering werden gedaan tijdens het overleg op 23 juni 1999.

Handelspolitieke relatie EU-VS

Een goede relatie tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten acht de regering van groot belang. Niet alleen zijn goede transatlantische betrekkingen essentieel om in de WTO vooruitgang te kunnen boeken, ook de bilaterale handels- en investeringsstromen zijn daarbij gebaat. De regering blijft zich dan ook inzetten voor een ambitieuze invulling van het Transatlantisch Economisch Partnerschap (TEP). Actief gebruik van het tijdens de top van Bonn op 21 juni 1999 overeengekomen «early warning»-mechanisme zal hopelijk helpen het aantal transatlantische handelsconflicten, die in het verleden de sfeer tussen de partners telkens weer vertroebelden, te verminderen. Ook een betere samenwerking op het terrein van toelating van nieuwe producten (biotechnologie) kan daartoe bijdragen.

Gezien de hierboven al vermelde toenemende interactie tussen handelspolitiek en andere beleidsterreinen juicht de regering het toe dat de «Transatlantic Business Dialogue» (TABD), waarin het Europese en Amerikaanse bedrijfsleven hun posities afstemmen, in het kader van het TEP is uitgebreid met «dialogen» tussen o.a. milieuorganisaties en consumenten.

3.1.2 Europese Markt

Interne Markt

Het wettelijke kader van de Interne markt moet in de praktijk worden toegepast en worden gehandhaafd. Dit feitelijk functioneren van de Interne markt vergt voortdurend aandacht.

Om deze reden wenst EZ dat het «Single Market Scoreboard» van de Commissie blijft bestaan, ook nu het Single Market Action Plan is afgelopen; met dat Scoreboard wordt weergegeven in welke mate de Interne markt juridisch en economisch realiteit is geworden. Tegelijkertijd krijgt het begrip «Interne markt» zo een inhoud die ook voor bedrijven en burgers begrijpelijk wordt. De druk die hiervan uitgaat op de lidstaten om zich te bekommeren om de Interne markt is aanzienlijk. Voor het daadwerkelijk functioneren van de Interne markt blijven immers een juiste en tijdige omzetting van Europese regels en een verdere verbetering van het toezicht op de naleving van deze regels belangrijke voorwaarden.

Gezien de huidige stand van de marktintegratie verschuift de oriëntatie van Nederland op de Interne markt naar beleidsdoelstellingen als her- en deregulering van Brusselse wetgeving, naar verbetering van het ondernemingsklimaat en het concurrentievermogen, naar de werking van markten en de daarvoor nodige structurele en economische hervormingen. Deze doelstellingen zijn alle te rangschikken onder de noemer concurrentiekracht.

Zowel het concurrentievermogen van het bedrijfsleven als een goede werking van de Interne markt zijn van belang. In het algemeen is sinds de start van de EMU een integrale aanpak van de benodigde structurele en economische hervormingen nodig. Hieronder valt de economische monitoring van de werking van de goederen- en dienstenmarkten in de landen van de EU. Door de toenemende prijstransparantie en concurrentie, in het bijzonder door de introductie van de euro, worden de resterende barrières in de lidstaten voor het functioneren van de Interne markt immers goed zichtbaar.

Des te meer is van belang dat de lidstaten de in Brussel gemaakte afspraken daadwerkelijk nakomen en zich ervoor inspannen dat nationale regels het functioneren van de Interne markt niet in de weg staan. Dit tijdens de Europese Raad van Cardiff afgesproken proces van structurele hervormingen is essentieel voor het beter benutten van de potenties van de Interne markt. Alleen dan kan de Interne markt een optimale bijdrage leveren aan economische groei en werkgelegenheid.

Tijdens de eerste beoordeling van begin 1999 aan de hand van daartoe door de lidstaten ingediende landenrapporten is al gebleken dat hiervoor concrete aandacht nodig is. Daarvoor is ook nodig dat de Raad van ministers zelf méér aandacht besteed aan de economische realiteit van de Interne markt. Verder is EU-breed, ook in de lidstaten zelf, een kritische toetsing nodig van wetgeving, resulterend in een bedrijfsvriendelijker omgeving waarin regels beter en tegen minder kosten nageleefd kunnen worden.

Op EU-niveau bepleit EZ daartoe een verdere verbetering van het dereguleringsproces onder de noemer van «SLIM» (Simplification Legislation Internal Market). Nederland zal ook actief inspelen op de vijfde tranche van SLIM die begin 2000 van start gaat. Nederland is er sterk voorstander van dat de lidstaten tot een verbeterde toepassing komen van het EU-beginsel van wederzijdse erkenning. Volgens dit beginsel moet een lidstaat in beginsel een product of dienst toelaten dat al elders in de EU rechtmatig in het handelsverkeer is gebracht. In de praktijk is het vaak zover nog niet. De komende discussie hierover in Brussel wordt door EZ zeer verwelkomd. Belangrijke invalshoek hierbij is dat het functioneren van de Interne markt een directe verantwoordelijkheid van de lidstaten is. In deze nationale context wordt het dus steeds belangrijker dat bedrijven met klachten over het functioneren van de Interne markt een gemakkelijk bereikbaar aanspreekpunt hebben. EZ heeft voor hen een eigen Klachtenloket. Dit Klachtenloket is onderdeel van een heel EU-netwerk van nationale Klachtenloketten. EZ streeft er naar dat dit EU-netwerk inderdaad in alle EU-landen de betekenis krijgt die het voor bedrijven moet hebben. Belangrijk voordeel ervan moet zijn dat bedrijven snel, informeel en doeltreffend een oplossing voor hun problemen kan worden aangeboden.

Essentieel voor het aanpassings- en vernieuwingsvermogen van de economie is verder de Interne markt voor diensten. Het blijkt dat door diverse soorten van belemmeringen nog steeds afgeschermde nationale deelmarkten bestaan voor bijvoorbeeld financiële diensten, uiteenlopende zakelijke en persoonlijke diensten alsmede vervoersdiensten. In de beoogde economische realiteit van de Interne markt blijft het dus onverminderd belangrijk dat door middel van zogenaamde «peer pressure» tussen de lidstaten druk wordt uitgeoefend op de benodigde structurele economische hervormingen. Nederland is vanwege zowel de macro-economische invalshoek als de actieve monitoring van de werking van de Interne markt een actief pleitbezorger van dit in Cardiff overeengekomen economisch hervormingsproces. Nederland streeft er dan ook naar dat dit proces, met behulp van de jaarlijks uit te brengen landenrapporten, in het komende jaar verder zal worden verbeterd en zal worden verankerd. Hiertoe zal ten minste worden gestreefd naar een uniformer structuur en daarmee betere vergelijkbaarheid van de rapporten.

De Cardiff-procedure biedt uitzicht op impulsen voor verdere productmarkt-flexibilisering, zowel op nationaal als op interne markt-niveau. Voor dit proces zijn de ontwikkelingen ten aanzien van een mogelijke herconfiguratie van Europese raden relevant. Een onderdeel van het zgn. rapport Trumpf is de totstandkoming van een Europese Competitiveness Raad, die in ieder geval de huidige Industrie- en Interne marktraad zou moeten gaan vervangen.

Uitbreiding EU

In 1999 is het onderhandelingsproces met de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa goed op gang gekomen. De technische beoordeling van de overname van het acquis communautaire is grotendeels voltooid en in het kader van Intergouvernementele Conferenties zijn de onderhandelingen ingezet. De kandidaat-lidstaten leggen in deze onderhandelingen de nadruk op de gewenste overgangstermijnen. Daardoor dreigen de gesignaleerde kwaliteits- en capaciteitsproblemen bij de overheden in de kandidaat-lidstaten op de achtergrond te raken. Als deze problemen niet tijdig worden aangepakt, vormen zij een bedreiging voor het toekomstig functioneren van de Interne markt.

Terecht krijgt de institutionele opbouw en de inrichting van de rechtsstaat van de kandidaat-lidstaten dan ook veel aandacht. EZ heeft een speciale bilaterale pre-accessiefaciliteit gecreëerd voor de kopgroeplanden, die niet meer in aanmerking komen voor het reguliere Programma Samenwerking Midden- en Oost-Europa (PSO). Dit programma zal worden gecontinueerd. Ook de overige kandidaat-lidstaten kunnen onder het reguliere PSO voor pre-accessiehulp in aanmerking komen.

EZ wil het bedrijfsleven actief blijven betrekken bij de EZ-inbreng in het uitbreidingsproces. Op die manier kunnen de belangen van het bedrijfsleven, zowel in de onderhandelingen als in onze bilaterale contacten, zo goed mogelijk worden behartigd.

3.1.3 Nederlandse bedrijven op buitenlandse markten

Aanwezigheid op buitenlandse markten

De bevordering van de aanwezigheid van Nederlandse bedrijven op buitenlandse markten zal ook in 2000 weer veel aandacht krijgen. EZ schenkt voortdurend aandacht aan de totstandkoming van een «level playing field».

Bij de toetreding tot de opkomende markten ondervindt het bedrijfsleven soms belemmeringen. EZ streeft ernaar deze belemmeringen weg te nemen, bijvoorbeeld door aanpassing van het instrumentarium, overleg via diplomatieke kanalen en bilaterale economische missies.

Daarnaast zal extra aandacht worden besteed aan de nabije markten in Europa, waar veel MKB-ondernemingen hun eerste stappen op het exportpad zetten. Het accent van de activiteiten op deze markten zal liggen op promotie.

Zowel naar opkomende als naar nabije markten zullen de EZ-bewindslieden in 2000 een aantal handelsmissies leiden.

In Zuid-Oost-Europa, een gebied dat door het Stabiliteitspact wordt bestreken, zullen zich nieuwe kansen voordoen voor het bedrijfsleven. In samenwerking met andere betrokken ministeries zal EZ hierop inspelen.

Financieel instrumentarium

Het afgelopen jaar hebben Economische Zaken en Ontwikkelingssamenwerking een start gemaakt met de verhoging van de effectiviteit en doelmatigheid van hun op het bedrijfsleven gerichte buitenlandinstrumentarium. Inmiddels zijn alle door het EZ-agentschap Senter uitgevoerde regelingen en programma's met betrekking tot export- en investeringsondersteuning en economische samenwerking samengebracht binnen de nieuwe eenheid «Senter-internationaal». Dit geldt ook voor de alternatieve kredietverzekeringsfaciliteiten (de SENO-faciliteit en de Garantiefaciliteit Opkomende Markten) van EZ. De volgende stap is verdere verhoging van de effectiviteit en doelmatigheid door bundeling met regelingen en programma's die door andere organisaties worden uitgevoerd. De uitvoering van de reguliere exportkredietverzekering zal echter bij de Nederlandsche Credietverzekering Maatschappij (NCM) blijven.

De regering heeft het voornemen in het najaar een nota uit te brengen over de relatie tussen economie en ontwikkeling. Deze nota is gewijd aan de verdere integratie van ontwikkelingslanden in de wereldeconomie en aan de toekomstige inrichting van het bedrijfslevenprogramma.

Doelstelling van de nota is te komen tot een geïntegreerd Nederlands beleid voor de ontplooiing van de particuliere sector in ontwikkelingslanden. Het bedrijfsleven is een onmisbare partner voor ontwikkeling en armoedebestrijding. Particulier initiatief kan zorgen voor duurzame werkgelegenheid en economische groei. In dit kader speelt ook de verdere liberalisering van handel en investeringen een belangrijke rol. Ook het Nederlands bedrijfsleven kan hierbij ingezet worden om met zijn kennis en ervaring positief bij te dragen aan private sector ontwikkeling in ontwikkelingslanden.

Marktinformatie en promotie

Mede dankzij de toenemende digitalisering van het informatieaanbod zullen in 2000 meer Nederlandse ondernemingen met meer actuele marktinformatie bereikt worden. De Economische Voorlichtingsdienst (EVD) en de posten van de buitenlandse dienst gaan op dit punt nog nauwer samenwerken.

De EVD zal binnen haar activiteitenprogramma meer gaan inspelen op de individuele behoeften van Nederlandse ondernemingen door op specifieke markten op individuele basis «matchmaking» aan te bieden.

Overheidsvertegenwoordigingen in het buitenland

In de tweede helft van 1999 zal een benchmark-onderzoek worden verricht naar de manier waarop buitenlandse diensten van andere landen hun nationale bedrijfsleven ondersteunen. Doel hiervan is nieuwe ideeën op te doen voor de verdere vergroting van de doeltreffendheid van de handelsbevorderende en economische werkzaamheden van de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland.

3.2 Marktwerking nationaal

3.2.1 Bevordering van concurrentie

Concurrentie is geen beleidsdoel op zichzelf. Concurrentie is een middel dat zorgt voor meer innovatie, productiviteit, werkgelegenheid en welvaart. Daardoor kunnen we meer investeren in collectieve belangen als milieu en zorg en profiteren we individueel van een grotere keuzevrijheid en een betere prijs-kwaliteitverhouding.

De regering zal marktwerking en het concurrentiemechanisme verder stimuleren, met inachtneming van essentiële aspecten als rechtmatigheid, rechtszekerheid en bescherming van de positie van zwakkere groepen.

Deze benadering vindt krachtige steun in «The OECD review of regulatory reform in the Netherlands» (mei 1999). De OESO pleit daarin voor het benutten van marktmechanismen bij het nastreven van sociale doelstellingen. Onder meer beveelt de OESO aan:

• de herziening van de regelgeving te verbreden en te versnellen, met behoud van de voordelen van overleg en consensusvorming

• de positie en beleidscoördinatie van instituties met taken op het gebied van mededinging te versterken

• de elektriciteits- en telecommarkten verder open te stellen en te herstructureren

• zorgvuldiger toe te zien op het gebruik van zelfregulering door het bedrijfsleven.

Nederlandse Mededingingsautoriteit

De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) functioneert feitelijk onafhankelijk. Om dit ook te formaliseren, wordt overwogen om de NMa verder te verzelfstandigen. Deze verzelfstandiging laat onverlet dat de Minister politiek verantwoordelijk blijft voor het mededingingsbeleid in het algemeen, de voorbereiding van regelgeving voor dat beleid en het toezicht op de uitvoering van de Mededingingswet door de NMa.

Modernisering Mededingingsrecht

Nederland hecht aan een sterk Europees mededingingsbeleid. De Europese Commissie heeft op 28 april 1999 in een Witboek voorstellen gedaan tot modernisering van de toepassing van de Europese mededingingsregels (zie Kamerstukken II, 1998/99, 22 112, nr. 124). Volgens de voorstellen hoeven bedrijven niet langer een ontheffing te vragen bij de Commissie, maar beoordelen zij zelf of hun afspraken onder het verbod of de uitzondering vallen. De NMa en andere mededingingsautoriteiten en rechters kunnen, naast de Commissie, uitzonderingen op het verbod van concurrentiebeperkende afspraken gaan toepassen.

Nederland zal op 30 september 1999 reageren op de voorstellen van de Commissie. Het is van belang dat het Europese mededingingsbeleid effectief en efficiënt is, om schadelijke kartels tegen te gaan. De rechtszekerheid en uniformiteit binnen de Europese Unie moeten daarbij worden gewaarborgd. Ook dient rekening te worden gehouden met de (administratieve) lasten voor het bedrijfsleven en met de positie van de NMa en Nederlandse rechters.

Overheidsinkoopbeleid: Aanbestedingen

Overheden die inkopen moeten Europese regels in acht nemen. Voor alle werken, leveringen, diensten en nutssectoren geldt dat overheden binnen de Europese Unie volgens vaste spelregels moeten aanbesteden.

Deze verplichting kan veel geld opleveren. Zowel uit onderzoek als uit ervaring blijkt dat besparingen mogelijk zijn. Europees aanbesteden «dwingt» namelijk tot professioneel inkopen. Gezien de omvang van de markt van overheidsopdrachten van 51 miljard gulden ligt hier een enorm potentieel. Daarnaast wordt voor het bedrijfsleven een eerlijke en transparante markt gecreëerd.

3.2.2 Concurrentiemechanismen in de nutssectoren

De nutssectoren (spoor, gas, elektriciteit, telefoon, kabel en water) zijn een belangrijk onderdeel van de infrastructuur. De hele Nederlandse economie ondervindt voordeel van efficiënte en innovatieve nutsbedrijven. De nutssectoren zijn lange tijd afgeschermd geweest van concurrentie. Om de dienstverlening te verbeteren is in de jaren negentig vaart gemaakt met de introductie van marktwerking. Immers, concurrentie bevordert in principe de doelmatigheid (de prijs/kwaliteit verhouding), en vergroot zowel de keuzemogelijkheden voor de consument als het innoverende vermogen van de nutssectoren. Bij de introductie van liberalisering, bijvoorbeeld in de gas- en elektriciteitsector, zijn de toegang en leveringsvoorwaarden voor consumenten belangrijke aandachtspunten.

Met de Europese liberalisering van telecommunicatie, elektriciteit en gas is een economische impuls gegeven aan deze sectoren en zijn de voorwaarden geschapen voor marktgerichte bediening van consumenten. Daarnaast is er ook nationaal beleid ontwikkeld voor andere sectoren, zoals spoor en kabel, ter verbetering van de dienstverlening.

De manier waarop concurrentie wordt geïntroduceerd verschilt in detail op grond van de specifieke kenmerken van de sectoren. Wel eenduidig is dat de dominante rol van de overheid bij het aanbieden van nutsvoorzieningen aan het veranderen is van deelnemer, via regisseur, naar toezichthouder op mededinging en consumentenbelang (box 8). Uiteindelijk moeten er in de betreffende markten voldoende prikkels zijn voor alle bedrijven om doelmatig en innoverend te werken, en moeten de bedrijven zodanig gestructureerd zijn dat ze op de goede wijze op de marktwerking kunnen reageren.

In sommige gevallen leidt liberalisering van de sector tot de mogelijkheid van aandelenverkoop door de publieke aandeelhouder(s), zoals bij de elektriciteitsproductiebedrijven (Kamerstukken II, 1998/99, 25 097, nr. 6). Dit biedt voor de bedrijven de mogelijkheid om beter op marktprikkels te reageren. De bedrijven krijgen in principe nieuwe mogelijkheden voor het aanboren van kapitaal. Nieuwe private aandeelhouders kunnen commerciële kennis en ervaring inbrengen. Voorts opent vervreemding van de aandelen in dit soort gevallen de mogelijkheid tot meer internationale samenwerking.

Liberalisering kan vooral leiden tot betere marktprikkels als de bedrijfsactiviteiten in een nutssector worden gesplitst. Voortschrijdende ontwikkelingen in technologie hebben er aan bijgedragen dat de verticale splitsing van productie, netwerkbeheer en distributie economisch haalbaar werd. Een algemeen uitgangspunt bij splitsing was dat, na een overgangsfase, zoveel mogelijk activiteiten moeten plaatsvinden op een vrije concurrerende markt. Voor sommige activiteiten is dit niet haalbaar en moeten andere marktvormen de doelmatigheid en innovativiteit stimuleren (zie box 8).

Box 8. De concurrentieladder: Hoe wordt deze toegepast op nutssector-activiteiten?

1. Concurrentie op de markt

Er is voldaan aan de voorwaarden voor vrije concurrentie (voldoende toetreding mogelijk, prijsconcurrentie) waardoor een maatschappelijk optimaal resultaat wordt behaald.

• Voorbeelden: Elektriciteitsopwekking, produceren van kabel «programma's».

• Toezicht: Nederlandse Mededingingsautoriteit. Om doelmatigheid en innovativiteit van concurrenten op deze markten mogelijk te maken, moet toegang tot de noodzakelijke netwerkleidingen goed geregeld zijn.

2. Concurrentie om de markt

Marktfalen (bijvoorbeeld gelimiteerde toetredingsmogelijkheden, of hoge transactiekosten) kan een reden zijn om voor een bepaalde duur het recht op het bedienen van de markt te vergeven. Mede afhankelijk van de contractvorm en duur en de hoogte van de transactiekosten kan ook dit concurrentiemechanisme tot doelmatigheid en innovativiteit leiden.

• Voorbeelden: het aanbesteden van spoorvervoer en het veilen van telecommunicatie-frequenties.

• Toezicht: specifieke toezichthouders en/of de overheidsdienst die de individuele vergunning verleent.

3. Benchmarking of maatstafconcurrentie

Dit is pas wenselijk bij extreme vormen van marktfalen (bijvoorbeeld een natuurlijk monopolie en geografische gebondenheid) doordat benchmarking veel marktvervangende overheidsinterventie vraagt en het eventueel opleggen van sancties.

• Voorbeelden: benchmark competition van waterleidingbedrijven of price-cap regulering van het elektriciteitstransportnet.

• Toezicht: In deze markten is door marktfalen veelal geen concurrentie mogelijk en is toezicht hierop via NMa of specifieke toezichthouders niet van toepassing.

De productie van goederen of diensten die door het netwerk worden getransporteerd kan in veel gevallen in een vrije markt plaatsvinden, zoals bij elektriciteitsopwekking. Bedrijven in gaswinning en waterzuivering moeten echter, vanwege geografische gebondenheid, concurreren om de relevante markt. Innovatief aanbesteden kan hier doelmatigheid en innovatie verhogen. Om doelmatig gebruik van schaarse etherfrequenties te bevorderen moeten nieuwe mobiele telefonie-aanbieders eerst op een veiling meedingen en «winnen» alvorens ze elkaar gaan beconcurreren. Ook de laatste schakels in de keten van nutsdiensten, distributie en klantenservice, kunnen door bedrijven in een vrije markt worden verzorgd.

Voor de netwerkactiviteiten in veel nutssectoren geldt dat, ook na de overgangsfase, een enkele netbeheerder overblijft omdat dit maatschappelijk de meest doelmatige marktvorm is. Om concurrentie in de productie, distributie en handelsactiviteiten te laten bloeien, moet toegang tot het netwerk goed geregeld zijn. De toezichthouder zal moeten zorgen dat de netbeheerder geen misbruik maakt van zijn positie, maar ook dat prijzen op een dusdanig niveau zijn dat er een prikkel bestaat voor investeringen in benodigde uitbreiding en vernieuwing.

Bij het uitoefenen van toezicht op telecommunicatienetwerken heeft OPTA een specifieke invalshoek. Omdat er in de toekomst meerdere mogelijkheden zijn om klanten te verbinden, namelijk vaste telefonie, kabel, en draadloze telefonie (mobiel, satelliet), moet toezicht er op gericht zijn om concurrentie tussen netwerken uit te lokken. Als deze concurrentie op gang is, kan volstaan worden met generiek mededingingstoezicht door de NMa. Voor de relatie tussen de NMa en andere toezichthouders biedt het kabinetsstandpunt over het MDW-rapport «Zicht op toezicht« het kader (Kamerstukken II, 1998/99, 24 036, nr. 127).

In tabel 4 wordt aangegeven wat de stand van zaken is in de verscheidene sectoren ten aanzien van verticale splitsing, toezicht op toegang tot netwerk, en prikkels voor investering.

Tabel 4. Overzicht Liberalisering Nutssectoren
 Verticale splitsing productieketenRegulering netwerk toegangPrikkel investeringen
GasJaJaAanwezig
ElektriciteitJaJaAanwezig
TelefoonJaJaAanwezig
KabelNeeAandachtspuntAandachtspunt
SpoorJaAandachtspuntAandachtspunt
WaterNeeNeeAandachtspunt

Aandachtspunten

Na de liberalisering is tijdens de overgangsfase naar meer concurrentie onafhankelijk toezicht op de toegang tot netwerkfaciliteiten van groot belang om tot een gewenste eindsituatie te komen. In sommige gevallen willen we concurrentie op, of tussen netwerken bevorderen, bijvoorbeeld tussen kabel en telefoon voor lokale toegang tot het net, en in andere gevallen ligt benchmarking meer voor de hand, bijvoorbeeld bij transport van water.

Het toezicht moet ook dusdanig worden uitgevoerd dat investeringsprikkels optimaal zijn. Voor investeringsbereidheid is naast het signaleren van «business opportunities» vooral een consistente, transparante en betrouwbare toezichthouder van belang. Kortom investeringsbeslissingen moeten niet op basis van regulering maar vanuit kosten en kansen overwegingen kunnen worden genomen.

Terughoudendheid bij het creëren van specifieke mededingingsregels en specifieke toezichthouders is geboden. Voorkomen moet worden dat toezicht versnipperd raakt en dat inconsistenties sluipen in de toepassing van mededingingsbegrippen.

Er zijn reeds knelpunten gesignaleerd. Kabelbedrijven zijn bijvoorbeeld wel geprivatiseerd, maar de regulering van de (regionale) markt is niet transparant en consistent genoeg om tot de gewenste investeringen te leiden. Tegelijkertijd is in delen van de telecommunicatie-infrastructuur een (tijdelijk) tekort aan netwerkcapaciteit ontstaan. In de toekomst zal de behoefte aan capaciteit en snelheid alleen nog maar verder groeien (zie nota De Digitale Delta).

De Europese Commissie heeft aangekondigd de effecten van de liberalisering bij de telecommunicatie, kabel en elektricititeit grondig te zullen evalueren.

OC&W, EZ en V&W bereiden een nota voor over de rol van de kabel als volwaardige communicatie-infrastructuur.

3.2.3 Liberalisering energiemarkt

De Elektriciteitswet

Op 30 juni 1998 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het voorstel voor een nieuwe Elektriciteitswet. Op 1 juni 1999 is de Eerste Kamer akkoord gegaan met een omvangrijke aanvulling op deze wet. Het ging daarbij vooral om de tariefstructuur en het tariefmutatiebeleid voor de netwerken en de levering van elektriciteit aan beschermde afnemers. Door deze «getrapte» behandeling is de wet gefaseerd in werking getreden.

Per 1 januari zijn de zogenoemde reciprociteitsbepalingen van kracht geworden. Die richten zich op een gelijk speelveld in de Europese energiesector. De Europese elektriciteitsmarkt is sterk in beweging. De oorzaak is onder andere dat de EU-landen de Europese richtlijn verschillend implementeren en de meeste lidstaten hun markt verder openstellen dan de richtlijn voorschrijft.

Belangrijke speler in het internationale verkeer van elektriciteit is TenneT: de door de Sep aangewezen netbeheerder van het hoogspanningsnet. TenneT is belast met de toewijzing van transportcapaciteit. Sinds 1 januari 1999 is er sprake van een forse toename van de import. Alle beschikbare netwerkcapaciteit voor importen was begin januari 1999 al toegewezen. Het gaat vooral om contracten met Nederlandse grootverbruikers. De Nederlandse Spoorwegen sloot als eerste Nederlandse grootverbruiker van elektriciteit een contract af met een buitenlands (Duits) energiebedrijf.

Omgekeerd slagen de Nederlandse elektriciteitsbedrijven er nog onvoldoende in om zich ook buiten Nederland te manifesteren.

De elektriciteitsbeurs Amsterdam Power Exchange (APX) is sinds juni 1999 actief. De reciprociteitsbeginselen zullen ook door de APX gewaarborgd moeten worden.

Box 9. Snel toenemende dynamiek elektriciteitsmarkten

De dynamiek op de elektriciteitsmarkt neemt in geheel Europa toe. Sinds de invoering van de nieuwe wet zijn de importen sterk toegenomen en vertonen de prijzen een duidelijk dalende tendens. Buitenlandse ondernemingen zien Nederland als een goede ingang voor de Europese markt. In de afgelopen maanden heeft zich een groot aantal buitenlandse energiebedrijven in Nederland gevestigd. Dit zijn veelal ondernemingen die ervaring hebben opgedaan op markten die reeds eerder zijn geliberaliseerd, zoals de USA, het VK, Zweden en Noorwegen.

Deze ontwikkelingen stimuleren de Nederlandse ondernemingen om de benadering van klanten te verbeteren. Vrije klanten ervaren dat ze steeds meer «koning» worden.

De toenemende dynamiek leidt ertoe dat de gemeenten en provincies die thans aandeelhouder zijn van de energiebedrijven zich steeds meer afvragen of zij nog wel aandeelhouder willen blijven. Op den duur zal dit naar verwachting leiden tot een verdergaande privatisering en internationalisering van de bedrijven.

Per 1 juli 1999 is de Elektriciteitswet 1998 volledig in werking getreden, met uitzondering van de artikelen 77 t/m 77d die betrekking hebben op de niet marktconforme kosten. De vier elektriciteitsproductiebedrijven hebben onderling geen overeenstemming bereikt over de verdeling van deze kosten. In februari 1999 heeft de Minister van Economische Zaken dit feit gemeld aan de Tweede Kamer en daarbij aangekondigd zelf met een regeling te zullen komen.

Zolang het ontvlechtingsvraagstuk van de elektriciteitsproductiesector niet is opgelost, blijven de productiebedrijven en de Sep gehouden aan hun bestaande verantwoordelijkheden uit de Overeenkomst van Samenwerking. De artikelen 77 t/m 77d treden pas in werking nadat het advies van de Raad van State daarover én het rapport van de adviescommissie herstructurering elektriciteitsproductiesector zijn aangeboden aan beide Kamers der Staten-Generaal. De resultaten van deze adviezen zullen worden verwerkt in een algemene maatregel van bestuur, waarin de verdelingsregeling feitelijk is uitgewerkt.

De Gaswet

Op 30 maart 1999 is een voorstel van Gaswet aangeboden aan de Tweede Kamer, ter uitvoering van de Europese richtlijn. Doel is een gasmarkt in 2000 met vrije keuzemogelijkheden voor consumenten. De liberalisatie beoogt een verhoging van de kostenefficiëntie en een verbetering van de service en klantgerichtheid van gasbedrijven.

Met de invoering van de nieuwe Gaswet en de implementatie van de EU-Gasrichtlijn zal de liberalisering van de gasmarkt geleidelijk vorm krijgen. Afnemers met een jaarverbruik van meer dan 10 miljoen m3 gas per jaar zijn nu al vrij in de keuze van hun leverancier. In 2002 en 2007 volgen de overige verbruikersgroepen.

EZ zal de veranderingen die voortvloeien uit de toenemende marktwerking (waaronder de gevolgen voor de energieprijzen) evalueren om na te gaan of de doelen van de liberalisering worden bereikt. De resultaten van deze evaluatie zullen eens in de vier jaar in het Energierapport worden gepubliceerd.

De Mijnbouwwet

Voor de organisatie van transport en levering van aardgas zijn in Nederland niet eerder specifieke regels van kracht geweest. Wel bestaat er voor de productie van aardgas wetgeving, de mijnbouwwet. Inmiddels is een wetsvoorstel voor een nieuwe Mijnbouwwet ingediend (Kamerstukken II, 1998/99, 26 219, nr. 3). Daarmee ontstaat een integrale wet voor de opsporing en winning van delfstoffen op het territoir en het continentale plat. Het wetsvoorstel regelt een aantal onderwerpen die in de huidige mijnbouwwetgeving niet aan de orde komen. Zo kent het voorstel een regeling voor bodembeweging, waarbij maatregelen zullen worden voorgeschreven om de nadelige gevolgen van bodemdaling op te vangen. Ook wordt een risico-aansprakelijkheid ingevoerd voor schade die ontstaat door bodembeweging. Verder regelt de nieuwe Mijnbouwwet ook het opsporen en winnen van aardwarmte. Tenslotte bevat het wetsvoorstel een regeling van het opslaan van stoffen in de diepe ondergrond.

3.2.4 MDW, Markt en overheid en administratieve lasten

Met de operatie Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit (MDW) streeft het kabinet naar het opheffen van concurrentiebelemmeringen door verouderde of anderszins inadequate regelgeving. Evenals in de vorige kabinetsperiode voeren EZ en het Ministerie van Justitie het MDW-programma gezamenlijk uit. Doel is: minder en betere regels, die voor burgers en bedrijven minder belasting met zich brengen.

Dit jaar is de operatie een nieuwe fase ingegaan: MDW-II. MDW-II kenmerkt zich door een nieuwe aanpak, die op drie pijlers berust:

• luisteren naar behoeftes van burgers en bedrijven bij de selectie van nieuwe onderwerpen (de oriëntatiefase)

• meer transparantie in de adviesfase, zonder overigens de onafhankelijkheid van de werkgroepen aan te tasten, en

• zo snel mogelijk afronden van de projecten door een krachtige sturing bij de invoering van de projectresultaten (de implementatie).

Die nieuwe aanpak is goed aangeslagen. Tijdens druk bezochte publieke discussieavonden hebben deelnemers uit brede kring ideeën kunnen inbrengen. Verder is de operatie toegankelijker gemaakt door middel van een MDW-site. Die site biedt tevens de mogelijkheid om suggesties te doen en vragen te stellen betreffende bestaande en potentiële MDW-onderwerpen. Bijna dagelijks ontvangt de projectgroep MDW reacties en vragen.

Bedrijven en instellingen hebben in totaal 165 suggesties gedaan voor nieuwe onderwerpen die in MDW-II aan bod zouden kunnen komen. Tijdens een MDW-markt in juni 1999 is naar het bedrijfsleven teruggekoppeld wat met de vele suggesties is gedaan.

Mede naar aanleiding van de consultatieronde zijn vijftien projecten van start gegaan. Over een groot aantal daarvan wordt uiterlijk begin 2000 aan de Tweede Kamer gerapporteerd. Over de overige projecten zal nog voor de zomer van 2000 worden gerapporteerd. Begin 2000 start weer een nieuwe oriëntatiefase die in mei zal worden afgerond. Dat wil zeggen dat dan de nieuwe onderwerpen worden gedefinieerd die vervolgens in september 2000 van start zullen gaan.

Box 10. Nieuwe MDW-projecten gestart in 1999.

In 1999 zijn vijftien nieuwe projecten gestart. Deze projecten zijn gerelateerd aan drie thema's uit het regeerakkoord:

1. verbetering van de kwaliteit van publieke diensten;

2. bevordering van de kwaliteit van de wetgeving;

3. bevordering van de economische dynamiek en vernieuwing.

Het project Woningbouwcorporaties is een voorbeeld van een project dat onder thema 1 valt. Ter voorbereiding op de nota «Wonen in de 21e eeuw» worden in het kader van dit project de taken en (markt)positie van de woningbouwcorporaties onder de loep genomen.

Bij het MDW-project Binnenstadsdistributie speelt het aspect wetgevingskwaliteit (thema 2) een belangrijke rol. Efficiënte bevoorrading van winkels in de binnenstad wordt belemmerd door cumulatie van allerhande rijks- en gemeenteregels. Het MDW-project Binnenstadsdistributie onderzoekt hoe deze knelpunten kunnen worden opgeheven.

Het MDW-project Geneesmiddelen is een voorbeeld van een project dat betrekking heeft op thema 3. Dit project komt voort uit een motie van de Kamer. Een MDW-werkgroep geneesmiddelen onderzoekt de marktsituatie en regelgeving rond de farmaceutische zorg.

Van negen van de 36 MDW-I projecten zijn de resultaten inmiddels ingevoerd. Eind 2000 zal naar verwachting ongeveer tweederde van de MDW-I projecten zijn geïmplementeerd. De Ministers informeren de Tweede Kamer regelmatig over de voortgang van de diverse implementatie-trajecten. In oktober 1999 is de eerstvolgende rapportage. Daarbij zal ook aandacht worden besteed aan het in kaart brengen van de kosten en baten van MDW-projecten.

Box 11. Voorbeelden van succesvolle MDW-projecten

Het bekendste voorbeeld van een succesvol project is zonder twijfel de nieuwe Winkeltijdenwet. Meer dan 7,3 miljoen mensen maken gebruik van de ruimere openstelling van winkels.

In de advocatuur is meer concurrentie gekomen. Advocaten hoeven niet langer vrij gevestigd te zijn om tot de balie te worden toegelaten. En de regels voor adviestarieven zijn ingetrokken. Verder mag men tegenwoordig zonder advocaat procederen als het financieel belang minder is dan f 10 000. Verwachte besparing voor de consument en het bedrijfsleven: f 75 miljoen.

Er is een nieuw vereenvoudigd Rijtijdenbesluit gekomen. De rij- en rusttijden van chauffeurs sluiten nu beter aan bij de algemene regels voor arbeidstijden in Nederland en Europa. Daardoor is de flexibiliteit in het wegvervoer vergroot.

De hindernissen voor het starten van een bedrijf zijn verlaagd door verbeteringen in het preventief toezicht op vennootschappen. Tegenwoordig wordt binnen enkele dagen een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Dat was vroeger veel langer.

In EU en OESO-verband krijgt de MDW-aanpak veel aandacht1 . De EU bestempelt de MDW-aanpak als een «best practice» en ook de OESO laat zich lovend uit over MDW. De OESO doet bovendien een aantal belangrijke aanbevelingen om de MDW-aanpak verder te versterken. Het kabinet zal nog dit najaar in een brief aan de Kamer aangeven hoe zij omgaat met de aanbevelingen.

Box 12. Enkele aanbevelingen uit het OESO-rapport voor MDW:

• Doorlichtingen van regelgeving in het kader van MDW moeten worden voortgezet, uitgebreid en meer transparant worden gemaakt

• De tijd om een hervormingsvoorstel te overwegen en te implementeren moet worden gereduceerd

• Er moet een expliciete kosten/baten-analyse plaatsvinden van nieuwe regelgeving en er moet een onafhankelijk toezicht worden gecreeërd om de analytische kwaliteit van de kosten/baten analyse te bevorderen.

Markt & Overheid

Binnen het MDW-project Markt en Overheid worden spelregels geformuleerd voor het optreden van de overheid als marktspeler. Dit project heeft inmiddels concrete resultaten opgeleverd. Per 1 juli 1998 zijn «Aanwijzingen voor het verrichten van marktactiviteiten door de rijksdienst» in werking getreden. Ook zijn regels gemaakt voor het gebruik van bestuurlijke elektronische gegevensbestanden.

In samenwerking met IPO en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is gekeken naar het marktoptreden van provinciale en gemeentelijke overheden op een viertal terreinen, te weten afval, brandweer, recreatieschappen en provinciale archiefinspecties. De daarmee opgedane kennis is verwerkt in drie varianten voor een wettelijke regeling Markt en Overheid waarover de SER gevraagd is te adviseren. Het kabinet verwacht begin 2000 een wetsvoorstel hieromtrent aan de Tweede Kamer te kunnen sturen.

Op het fiscale vlak is met IPO en VNG overeenstemming bereikt over de instelling van een BTW-compensatiefonds. Dit fonds moet de BTW-drempel voor overheden die taken uitbesteden wegnemen en een oplossing bieden voor de BTW-ongelijkheid tussen concurrerende overheden en private bedrijven. Economische Zaken en Financiën bezien verder of de huidige vrijstelling van vennootschapsbelasting voor overheidsbedrijven kan worden omgezet in een belastingplicht.

Administratieve lasten

Najaar 1998 heeft de Minister van Economische Zaken een externe commissie ingesteld die moet adviseren over de wijze waarop de administratieve lastendruk met nog eens 15% kan worden verminderd. De commissie spreekt in haar tussenrapport, dat in mei 1999 aan de Kamer is gezonden (Kamerstukken II, 1998/99, 26, nr. , de verwachting uit dat een reductie met ongeveer 2 miljard gulden haalbaar is met een combinatie van bestaande beleidsvoornemens en nieuwe beleidsexperimenten. De experimenten behelzen kortlopende samenwerkingsprojecten van de commissie, het bedrijfsleven en de betrokken overheidslichamen.

De commissie geeft verder aan dat structurele aanpassingen nodig zijn om de lastendruk niet opnieuw te laten groeien. Zij denkt daarbij onder meer aan versterkte toepassing van ICT, verbeterde toetsing van nieuwe regelgeving en invoering van budgettering van administratieve lasten. Het kabinet zal aangeven op welke manier de toetsing van voorgenomen regelgeving op bedrijfseffecten verder kan worden versterkt. Ook zal het kabinet een voorstel doen inzake monitoring van (de ontwikkeling van) de administratieve lastendruk. De lopende projecten op ICT-gebied worden met kracht voortgezet.

De commissie zal haar voorlopige voorstellen nog nader uitwerken. Op basis daarvan zal het kabinet met een definitieve reactie komen.

3.2.5 Ondernemerschap

Het ondernemerschap staat er goed voor in Nederland. Het aantal ondernemers als percentage van de beroepsbevolking is gestegen van 7,4% in 1987 naar circa 10% in 1997.

Deze gunstige ontwikkeling betekent niet dat er geen uitdagingen meer zijn: sinds 1994 stagneert de groei van het aantal starters. Van die starters is bovendien een relatief gering deel technostarter. Ook internationaal (bijvoorbeeld in vergelijking met de VS) blijft het aantal ondernemers achter. Daarnaast is de omvang en doorgroei van starters vaak beperkt. Het aantal snelgroeiende bedrijven is in Nederland lager dan bijvoorbeeld in de VS en Denemarken.

De startende en groeiende ondernemer vindt nog talloze belemmeringen op zijn weg. Knelpunten liggen op het gebied van:

• regelgeving (regels kunnen de toetreding tot de markt belemmeren of ingewikkeld, ondoorzichtig en tijdrovend zijn)

• financiering (met name een probleem aan de onderkant van de kapitaalmarkt voor jonge en snelgroeiende ondernemingen)

• scholing (slechts 20% van de startende ondernemers in ons land geeft aan via het regulier onderwijs voorbereid te zijn op het ondernemerschap) Delopende projecten op ICT-gebied worden met kracht voortgezet

• bedrijfshuisvesting

• professionele coaching en ondersteuning van groeiende ondernemers.

Het kabinet concentreert zich bij het stimuleren van ondernemerschap op drie terreinen:

1) een goed werkende markt, waarin de starter een eerlijke kans heeft.

2) effectieve regelgeving, tegen minimale belasting van de ondernemer.

3) een productief economisch klimaat op terreinen als fiscaliteit, onderwijs en regionaal en lokaal beleid.

In de nota «De ondernemende samenleving», die in september 1999 aan de Tweede Kamer is gezonden, stelt het kabinet een aantal specifieke maatregelen voor, zoals vermindering van de administratieve lastendruk die samenhangt met het aannemen van personeel, vergroting van de transparantie van de kapitaalmarkt en modernisering van de Faillissementswet en de Vestigingswet.

In dit verband zij ook verwezen naar het rapport van de werkgroep «Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw, versterking en dynamisering van het ondernemerschap», waarin een fiscaal pakket is opgenomen met een totaal budgettair beslag van ongeveer 850 miljoen gulden, dat naast verlaging van de vennootschapsbelasting en de kapitaalsbelasting een aantal maatregelen bevat die bijdragen aan de versterking van het ondernemerschap.

Zo bevat het pakket onder meer de invoering van een herinvesteringsreserve die in de plaats komt van de bestaande vervangingsreserve. Hierdoor wordt de fiscale begeleiding bij vervanging van bedrijfsmiddelen verbeterd. De nieuwe regeling voorkomt, anders dan de vroegere regeling, ook fiscale afrekening bij de verkoop van een bedrijfsmiddel dat door een andersoortig bedrijfsmiddel wordt vervangen. Dit komt de flexibiliteit van ondernemingen in zich wijzigende markten ten goede.

Ook wordt de fiscale begeleiding bij bedrijfsopvolging ruimer van opzet. De fiscaal «geruisloze doorschuiving» in familieverband wordt vervangen door een faciliteit met een meer generiek karakter. Bedrijfsoverdracht aan mede-ondernemers zonder fiscale afrekening wordt voortaan mogelijk. Ook dit instrument draagt bij aan de dynamiek en aan de flexibiliteit van het ondernemingsklimaat. Deze maatregelen komen uiteraard ook de bedrijvigheid in de grote steden ten goede.

De maatschappelijke betrokkenheid van ondernemingen strekt zich vaak verder uit dan de «natuurlijke» rol als bedrijf. Bedrijven, al of niet in samenwerking met de overheid, zetten bijvoorbeeld milieuprojecten op, of nemen initiatieven om langdurig werklozen aan een baan te helpen. Over het maatschappelijk verantwoord ondernemen zal EZ, samen met de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een SER-advies aanvraag indienen, ook zal het kabinet het parlement hierover nader informeren.

HOOFDSTUK 4 BEHEER EN BESTUUR

4.1 Personeel, organisatie en informatiemanagement

Personeel en Organisatie

EZ zal haar strategische functies uitsluitend adequaat (tijdig, juist) in kunnen vullen door maatregelen voor personeelsplanning, arbeidsmarktcommunicatie, instroom en loopbaanbeleid (inclusief opleiding en training). Daarbij geldt:

• toenemende schaarste op de externe arbeidsmarkt

• een steeds veeleisender potentieel op de markt

• snelle vergrijzing binnen EZ, zeker in de strategische functies

• hoge door- en uitstroom in de middenfuncties, geringe door- en uitstroom in de hogere functies.

Tegelijkertijd dringt zich als extra complicerende factor op dat de EZ-organisatie meer flexibel moet worden om op wisselende prioriteiten te kunnen blijven inspelen. Sleutelbegrippen zijn competentiemanagement en flexibilisering van de formatie. Bovendien zal tenminste een deel van de EZ-medewerkers multi-inzetbaar moeten zijn/worden. EZ zal een meer persoonsgericht personeelsbeleid gaan voeren dat ook zichtbaar wordt op de externe arbeidsmarkt. Invoering van employability-management, een persoonlijk ontwikkelingsplan voor iedereen, is daarin een gezichtsbepalende activiteit.

Informatie en Automatisering

Kennis is een cruciale productiefactor om optimaal te kunnen inspelen op de ontwikkeling in de omgeving. In samenhang met het te voeren «Human Resources Management-beleid» zal de inzet van ICT hierbij van groot belang zijn. Ter ondersteuning van ontwikkelingen als kennismanagement, project- en planmatig werken en flexibiliteit van organisatie en medewerkers zal de implementatie van delen van de in het najaar van 1999 vast te stellen interne ICT-strategienota – die een termijn van drie jaar beslaat – een belangrijke activiteit zijn. Tevens zal de implementatie van een nieuw sturingsmodel de nodige aandacht vragen. Doel hierbij is, de mogelijkheden die ICT biedt voor verbetering van de primaire en ondersteunende processen tijdig te onderkennen en te ontplooien. Hierdoor is een hoger rendement uit ICT-investeringen te halen.

In dit kader zullen:

• de jaarlijkse ICT-planningen van dienstonderdelen een integraal onderdeel van de planning en control cyclus gaan vormen

• de taken en verantwoordelijkheden op de terreinen van beleid, planning en uitvoering worden aangescherpt.

Gegeven het feit dat ICT één van de terreinen is waarop EZ beleid ontwikkelt en het bedrijfsleven adviseert, ligt er een relatie tussen de interne inzet van ICT en het externe beleid. Om het innovatieve imago extern en intern hoog te houden, zal binnen EZ een ICT-competence center worden opgericht. Dit centrum zal bestaan uit:

• een ICT-proeftuin waarin nieuwe producten en technieken kunnen worden getest op bruikbaarheid voor EZ

• een ICT-denktank waarin zoveel mogelijk relevante kennis en ervaring wordt verzameld en uitgewisseld.

Uiteraard raakt ook de invoering van de euro EZ. Inmiddels is het aantal geautomatiseerde toepassingen geïnventariseerd en zal het jaar 2000 in het teken staan van de ombouw van deze toepassingen.

Bedrijfs- en Salarisadministratie

Het salarisadministratiesysteem voor geheel EZ is in het voorjaar 1999 vervangen door een nieuw, millenniumbestendig systeem. Desondanks zijn nood- en terugvalscenario's ontworpen ter opvang van eventuele calamiteiten bij de salarisverwerking begin 2000.

4.2 Voorlichting

De EZ-voorlichting draait om de kernthema's van EZ, die jaarlijks concreet worden uitgewerkt in verschillende producten en diensten zoals brochures, folders, symposia, werkconferenties, het servicemagazine Economische Zaken en de EZ-site op Internet. Die producten en diensten richten zich vooral op (groepen uit) het bedrijfsleven. Daarbij wordt veelvuldig samengewerkt met intermediaire organisaties.

In 2000 zal de in 1998 door EZ gestarte campagne duurzame energie worden afgerond, met een onderzoek naar de bereikte resultaten.

In 2000 zal EZ haar inspanningen intensiveren om het bedrijfsleven en de burgers te informeren over, en enthousiast te maken voor de mogelijkheden van ICT.

Voor het Ministerie is de EZ-site op Internet van groot belang in de communicatie met het bedrijfsleven en intermediaire organisaties. Halverwege 1999 werd de EZ-site maandelijks ongeveer 50 000 keer bezocht. Najaar 1999 wordt een verbeteringsslag afgerond. Zo is het mogelijk geworden dat gebruikers een eigen informatieprofiel opgeven, waardoor ze automatisch die informatie doorkrijgen die voor hen relevant is. De EZ-site is zo georganiseerd dat dagelijks actuele informatie wordt toegevoegd. Kamerbrieven, beleidsnota's etc. staan op de dag van verschijnen op de EZ-site.

De EZ-site moet de komende vier jaar uitgroeien tot het informatie-, transactie-, en communicatiekanaal van EZ. Om die ontwikkeling te ondersteunen, wordt eind 1999 het externe EZ-tijdschrift Economische Zaken grondig vernieuwd. Het nieuwe tijdschrift EZ-M dat tweewekelijks verschijnt, krijgt meer de functie om de doelgroepen van EZ te attenderen op ontwikkelingen en vervolgens door te verwijzen naar meer gedetailleerde informatie op de EZ-site. Het tijdschrift B&P wordt gratis toegezonden aan 10 000 personen op strategische posities in ondernemingen en intermediaire organisaties.

4.3 Financieel beleid en beheer

De regeringsnota «Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording (Kamerstukken II, 1998/99, 26 573, nr. 1-2) betekent een belangrijke stap in de richting van »meer toegankelijke en toetsbaarde begrotingsstukken. Leidende gedachte is dat in begrotings- en verantwoordingsstukken een direct verband gelegd wordt tussen beleid, prestaties en geld. EZ heeft in het najaar 1998 een werkgroep ingesteld die zich buigt over de implicaties van deze ontwikkeling voor de EZ-begroting. EZ zal uiterlijk 1 mei 2000 een voorstel voor de beleidsmatige inrichting van de begroting bij de Staten-Generaal indienen, ter voorbereiding op de begroting «nieuwe stijl» die in september 2001 zal worden uitgebracht.

Het oordeel over de rechtmatigheid van uitgaven is sinds enige jaren bevredigend. In 1998 is besloten om de toetsing op de rechtmatigheid voor een geselecteerd aantal dossiers meer vooraf te gaan uitvoeren. Deze ex ante-toetsing komt bij de financiële stafbureaus van de directoraten-generaal te liggen, waarbij de directie Financieel-economische Zaken ex post-toezicht uitoefent. Deze verschuiving wordt gefaseerd doorgevoerd.

De apparaatsuitgaven van EZ zijn onderworpen aan een planning en control-cyclus. In 2000 wordt met kracht verder gewerkt aan het tot stand brengen van een transparante koppeling tussen uitgaven en processen en producten. Ook zal de sturing en beheersing aan de hand van kengetallen worden verbeterd.

De budgetteringsafspraak tussen de Ministeries van Financiën en van Economische Zaken wordt voortgezet. De reikwijdte van de budgetteringsafspraak is vermeld in de inleiding van de artikelsgewijze toelichting.

C. TOELICHTING PER BEGROTINGSARTIKEL

INLEIDING

Deze inleiding schetst in hoofdlijnen de samenstelling van de ontwerpbegroting 2000 van EZ (paragraaf 1) en de meest omvangrijke mutaties op de EZ-begroting, inclusief de in het Regeerakkoord afgesproken intensiveringen op de EZ-begroting (paragraaf 2). Paragraaf 3 gaat in op de taakstellingen waartoe het kabinet dit voorjaar voor de EZ-begroting heeft besloten. Voorts zijn in paragraaf 4 specificaties opgenomen van de EZ-uitgaven die vallen onder de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) en het Grote Steden Beleid (GSB). Ook is een specificatie opgenomen van de budgetteringsafspraak die bestaat tussen het Ministerie van Financiën en EZ (paragraaf 5) en wordt – in aansluiting op de ontwerpbegroting 1999 – inzicht gegeven in het fiscale instrumentarium dat primair gericht is op het MKB (paragraaf 6). Tot slot gaat paragraaf 7 in op de in de artikelsgewijze toelichting gehanteerde begrotingspresentatie.

1. Begrotingstotalen en verdeling naar beleidsvelden

Onderstaande grafiek geeft inzicht in de omvang van de EZ-meerjarenbegroting en de verdeling daarvan over apparaatsuitgaven, reguliere beleidsuitgaven, niet-reguliere beleidsuitgaven1 , HGIS-uitgaven en de RA-intensiveringen.

Kasuitgaven Economische Zaken 1999, 2000 en 2004 (mln)

kst-26800-XIII-2-4.gif

2. Majeure mutaties ontwerp-begroting 2000

Onderstaande tabellen bevatten de belangrijkste mutaties ten opzichte van de ontwerpbegroting 1999, inclusief de in het Regeerakkoord afgesproken intensiveringen op de EZ-begroting. Voor een toelichting op de afzonderlijke posten wordt verwezen naar het desbetreffende artikel. Een deel van de in deze tabel opgenomen mutaties is reeds toegelicht in de eerste suppletore begroting 1999. De HGIS-mutaties worden eveneens afzonderlijk gepresenteerd in paragraaf 4.

Majeure mutaties
Kasbedragen x f 1 mln20002001200220032004
Stand MN 19993 439,93 339,03 312,23 317,6 
Toevoeging loon- en prijsbijstelling47,447,749,349,8 
RA: EET11,011,013,0   
RA: Gigaport38,039,040,0  
RA: Klimaatgelden41,538,124,417,6  
RA: Duurzame energie20,023,027,040,0  
RA: GSB11,014,822,547,5 
Scheepsbouw 30,020,010,0  
EINP8,513,015,015,0 
Intertemporele verschuiving– 13,013,030,512,9  
Nedcar 16,112,332,3 
Taakstellingen MN 2000– 8,8– 58,8– 29,3– 23,7 
HGIS (zie paragraaf 4)46,062,086,091,0  
Desaldering COVA0,729,529,529,5  
Diverse uitgaven u.h.v. specifieke ontvangsten36,463,924,235,3  
Overboeking van VenW voor Beek  20,0   
Overig4,65,90,3– 3,0 
Stand MN 20003 683,13 687,13 696,93 671,83 658,6

 
Ontvangsten x f 1 mln20002001200220032004
Stand MN 19992 923,32 871,32 783,52 777,3 
RA: EET11,011,013,0   
RA: Gigaport38,039,040,0  
Nedcar33,228,2103,1264,8  
Dividend UCN20,020,0   
Taakstelling casino's10,015,020,030,0  
Desaldering COVA0,729,529,529,5  
Specifieke ontvangsten t.b.v. diverse uitgaven36,463,924,235,3  
Aardgasbaten440,0425,00– 117,0 
Common area baten204,0    
Overig9,93,52,52,6 
Stand MN 20003 726,43 506,43 015,83 022,52 947,8

3. Nieuwe taakstellingen EZ-begroting 2000

Bij de begrotingsvoorbereiding 2000 heeft het kabinet besloten tot enkele bijdragen van de EZ-begroting aan de generale problematiek. In onderstaande tabel worden deze bijdragen gepresenteerd.

 
Kasbedragen x f 1 mln20002001200220032004
Taakstelling diverse uitgavenramingen8,858,829,323,722,0
Taakstelling ontvangsten casino's10,015,020,030,030,0
Extra dividendontvangst UCN20,020,0   
Totale bijdrage van de EZ-begroting38,893,849,353,752,0

De invulling van de taakstelling ontvangsten casino's en de extra dividendontvangsten UCN zijn op de desbetreffende ontvangstartikelen verwerkt. De taakstelling op diverse uitgavenramingen is als volgt ingevuld.

 
Kasbedragen x f 1 mln20002001200220032004
Taakstelling diverse uitgavenramingen8,858,829,323,722,0
      
Invulling:      
01.03/01.04 Loon- en prijsbijstelling– 2,5– 10,6– 12,0– 11,4– 8,4
01.08 Nog te verdelen bedragen – 40,0    
02.02 Specifieke bedrijfsgerichte technologiestimulering– 2,5– 1,7– 1,8– 2,7– 3,0
02.05 Syntens– 0,5– 1,0– 1,5– 2,0– 2,5
04.11 Toeristisch beleid– 0,5– 1,5– 2,0– 2,5– 3,0
05.02 Onderzoek en onderwijs MKB– 0,5– 1,0– 1,0– 1,0– 1,0
09.01 Energiebesparingstechnologie– 1,2– 1,9– 2,3– 2,6– 2,5
09.02 Duurzame energie– 1,1– 1,1– 1,4– 1,5– 1,6
Overig binnen EZ kasplafond  – 7,3  

4. Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) en Grote Steden Beleid (GSB)

Sinds 1997 valt een deel van de EZ-begroting onder de HGIS en daarmee onder het aparte budgettaire regime voor de HGIS. Onderstaand overzicht bevat de HGIS-relevante posten in de EZ-begroting.

Meerjarenramingen HGIS
(Kasbedragen x f 1 mln)199920002001200220032004
Uitgaven      
01.01–050 Ambtelijk personeel TWA4,74,84,94,94,94,9
01.01–111 Materieel voorlichting DG BEB0,2      
01.01–550/560/570 Apparaatskosten EVD20,919,019,018,918,918,9
01.55–040 Bijdrage DG BEB aan Senter13,45,75,75,75,75,7
02.02–760 Specifieke bedrijfsgerichte technologie stimulering0,80,90,90,90,91,4
02.03–011 BIT / opkomende markten4,68,99,29,38,98,9
05.12–040/04.11–040 Toeristisch beleid, WTO0,30,40,40,40,40,4
07.01 Internationale organisaties15,416,116,116,116,116,1
07.02 Bevordering buitenlandse economische betrekkingen22,935,344,352,152,253,6
07.03 Stimulering exportactiviteiten191,5146,9133,5128,1123,1120,0
07.04 EVD26,027,927,927,927,927,9
07.05 Afwikkeling Economische hulp Oost-Europa tot 2000473,1145,197,160,019,83,0
07.07 Economische samenwerking en kennisoverdracht 16,473,8107,5133,1136,0
09.07 Joint – Implementation0,225,025,050,075,075,0
Totaal HGIS-uitgaven774,0452,4457,7481,7486,7471,7
Ontvangsten      
07.01 BEB390,74,13,03,03,03,0
07.02 EVD2,22,22,22,22,22,2
Totaal HGIS-ontvangsten393,06,35,25,25,25,2

Het HGIS-relevante deel van de EZ-begroting is ten opzichte van de ontwerpbegroting 1999 gewijzigd als gevolg van een grondslagverbreding en door de toevoeging van enkele omvangrijke mutaties. In het Regeerakkoord is aangekondigd dat ook binnenlandse uitgaven voor internationale samenwerking onder de HGIS komen te vallen. In het kader van deze grondslagverbreding zijn de apparaatskosten van de EVD en de contributie aan de Benelux HGIS-relevant geworden.

De grote mutaties betreffen de toedeling van de eindejaarsmarge, de RA-intensivering voor Joint Implementation (JI) en de verwerking van de SENO/GOM-faciliteit op de Rijksbegroting. Onderstaand overzicht geeft het geheel van mutaties:

Mutaties HGIS-relevante middelen ten opzichte van ontwerpbegroting 1998
(Kasbedragen x f 1 mln)199920002001200220032004
Uitgaven      
Stand MN 1999374,1385,1374,5374,6374,6 
Grondslagverbreding apparaatskosten EVD / Benelux21,421,321,221,121,1 
Verdeling eindejaarsmarge 1998 20,036,035,015,0 
Loon- en prijsbijstelling uit intensiveringsruimte1,51,51,51,51,5 
SENO-GOM-faciliteit380,0      
Joint implementation 25,025,050,075,0 
Overboeking naar BuiZa voor IBTA– 2,5      
Overboeking naar BuiZa voor TWA– 0,5– 0,5– 0,5– 0,5– 0,5 
Stand HGIS-uitgaven MN 2000774,0452,4457,7481,7486,7471,7
Ontvangsten      
Stand MN 19997,56,35,25,25,2 
SENO-GOM faciliteit380,0      
Incidentele terugontvangst subsidietoezegging Indonesië5,5   
Stand HGIS-ontvangsten MN 2000393,06,35,25,25,25,2

In het Regeerakkoord zijn afspraken gemaakt over het Grote Steden Beleid (GSB). Via de EZ-begroting wordt tot en met 2010 een bedrag van f 720 mln ingezet voor stadseconomie binnen het kader van het GSB. Hiervan is f 500 mln beschikbaar voor fysieke stadseconomie en f 220 mln voor niet-fysieke stadseconomie (starters en dergelijke). Voor de eerste convenantperiode (tot en met 2004) tussen het Rijk en de Grote Steden wordt vanuit EZ een bedrag gecommitteerd van f 251,7 mln voor fysieke stadseconomie en f 110,8 mln voor niet-fysieke stadseconomie (in verplichtingen, waarbij een deel van de kasuitgaven na 2004 beschikbaar komt). Op de EZ-begroting worden de uitgaven voor GSB geraamd op artikel 04.10.

Meerjarenramingen GSB
(Kasbedragen x f 1 mln)199920002001200220032004
Totale GSB-uitgaven op artikel 04.10 (Stirea) 18,228,944,367,572,5

5. Budgetteringsafspraak

Voor het grootste deel van de EZ-begroting bestaat tussen het Ministerie van EZ en het Ministerie van Financiën een budgetteringsafspraak. Daarmee wordt beoogd het doelmatig beheer te stimuleren en het overleg tussen vakdepartementen te vereenvoudigen. Voor de artikelen die vallen onder de HGIS geldt een afwijkend regime. Alle niet-HGIS artikelen vallen onder de budgetteringsafspraak, met uitzondering van de volgende artikelen:

Uitgaven

• 02.13 Projecten gefinancierd uit het Fes

• 03.08 Nedcar

• 05.07 Waterschade

• 08.01 Investeringsbijdragen en toeslagen WIR

• 09.21 COVA

• 09.22 Uitkering aan houder certificaten EBN B.V.

Ontvangsten

• 02.05 Ontvangsten uit het Fes

• 03.01 Ontvangsten staalindustrie (voorzover het dividendontvangsten betreft)

• 03.03 Ontvangsten uit bijdragen aan de industrie (voorzover het dividendontvangsten betreft)

• 04.03 Diverse ontvangsten regionaal beleid (voorzover het dividendontvangsten betreft)

• 05.12 Opbrengst casino's

• 08.01 Ontvangsten WIR

• 09.01 Aardgasbaten

• 09.02 Uitkeringen EBN B.V.

• 09.03 COVA

• 09.04 Dividend UCN N.V.

6. Overzicht MKB-instrumenten

Zoals toegezegd tijdens het Begrotingsonderzoek van 29 oktober 1997, bevatte de EZ-begroting 1999 een overzicht van EZ-instrumenten die primair gericht zijn op het MKB. Voor een nadere toelichting op de afzonderlijke instrumenten wordt verwezen naar de financiële stimulansen bijlage (bijlage 6). Tijdens het Begrotingsonderzoek van 30 september 1998 is verzocht om een aanvulling van het overzicht met fiscale regelingen die specifiek op het MKB zijn gericht. Daarom is hierover eveneens een tabel opgenomen in deze begroting.

EZ-regelingen
 Verplichtingen 2000(x f 1 mln)Artikel(sub)
• Referentieprojecten milieu4,002.02.710
• Twinning20,002.02.745
• Haalbaarheidsprojecten MKB9,002.02.810
• TNO/MKB-initiatief2,102.02.811
• Syntens65,502.05.030
• Kredieregeling milieugerichte productontwikkeling (TOK-MPO)5,002.09.130
• Subsidieregeling Kennisdragers in het MKB (KIM)13,502.12.070
• Economisch instituut MKB (EIM)8,405.02.010
• Projecten MKB en ondernemerschap (PMO)4,505.02.250
• Borgstellingsregelingen1 000,705.03
• Bedrijfsbeëindigingshulp (gesloten voor nieuwe toetreders)13,305.05
• Subsidieregeling exportmedewerkers MKB (SEM)6,007.02.130
Fiscale regelingen
Personeel
Vermindering loonbelasting lage lonen
Vermindering loonbelasting langdurig werklozen
Vermindering loonbelasting onderwijs
Vermindering loonbelasting kinderopvang
  
Groei
Investeringsaftrek
Energie-investeringsaftrek
Scholingsaftrek
Tariefopstapje in de vennootschapsbelasting vervallen
Willekeurige afschrijving voor startende ondernemers
Willekeurige afschrijving arbobedrijfsmiddelen
Zelfstandigenaftrek/Startersaftrek
Fiscale oudedagsreserve
Tante Agaath-regeling
Kleine-ondernemersregeling in de BTW
Overdracht onderneming aan naaste verwanten
Gehele of gedeeltelijke kwijtschelding en uitstel van betaling successie- en schenkingsrecht bij bedrijfsopvolging
  
Technologie
Speur- en ontwikkelingswerk
  
Internationalisering
Vorming fiscale reserve voor exportrisico's

7. Begrotingspresentatie

Getracht is het overzicht van het EZ-instrumentarium en het inzicht in de samenhang te verbeteren door in de artikelsgewijze toelichting – daar waar dienstig – aan het begin van de (hoofd)beleidsterreinen een figuur op te nemen waarin het desbetreffende instrumentarium op samenhangende wijze wordt gepresenteerd. In de figuren, die veelal de vorm van een matrix hebben, wordt het instrumentarium zoveel mogelijk geclusterd naar relevante categorieën en onderdelen. Vanwege de verschillen tussen de beleidsterreinen en de instrumenten zijn uiteraard ook de figuren verschillend van opzet.

Voorts zijn vanwege de compactheid en leesbaarheid van de begroting alleen de grotere en/of belangrijke mutaties toegelicht. Concreet is bij de toelichting van mutaties de volgende richtlijn gehanteerd:

• Verplichtingen- en ontvangstenmutaties die beleidsmatig relevant zijn of die groter zijn dan f 0,5 mln worden separaat gepresenteerd in de specificatietabel bij de artikelen en zo nodig nog nader toegelicht, waarbij mutaties groter dan f 2,5 mln in ieder geval nader worden toegelicht.

• De overige verplichtingen- en ontvangstenmutaties worden geclusterd gepresenteerd en alleen nader toegelicht wanneer het saldo van het cluster groter is dan f 2,5 mln.

1. UITGAVEN EN VERPLICHTINGEN

01.00 ALGEMEEN

Op dit hoofdbeleidsterrein zijn de apparaatsuitgaven van EZ geraamd, enkele parkeerartikelen, de uitgaven voor het Europees Octrooibureau, Adviescolleges en de bijdrage aan het agentschap Senter.

01.01 Apparaatsuitgaven EZ

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de apparaatsuitgaven geraamd van het kernministerie en de buitendiensten. Tot het kernministerie worden gerekend de algemene leiding, de diensten voor de beleidsontwikkeling en -uitvoering en de ondersteunende diensten. Ten behoeve van het inzicht in de apparaatsuitgaven wordt per dienstonderdeel van EZ (kernministerie en buitendiensten) het apparaatsbudget in beeld gebracht. Het apparaatsbudget is daarbij verdeeld over de onderdelen «ambtelijk personeel», «overig personeel» en «materieel».

Kengetallen kernministerie en buitendiensten

Hierna worden drie tabellen met kengetallen gepresenteerd. De eerste tabel geeft inzicht in de opbouw van de totale personele raming voor EZ en de tweede tabel in de verdeling van de personele en materiële budgetten over de dienstonderdelen van het kernministerie en de buitendiensten. In de derde tabel wordt een uitsplitsing van het automatiseringsbudget van het kernministerie gepresenteerd (zie ook bijlage 1 voor het aantal begrotingsplaatsen per organisatie-eenheid). In de aansluitende toelichting na de tabel wordt ingegaan op de afzonderlijke dienstonderdelen die geraamd zijn op artikel 01.01. Ook wordt ingegaan op huisvesting en de invoering van de Euro. Daar waar mogelijk en zinvol zijn per dienstonderdeel kengetallen toegevoegd.

Opbouw van de personele raming voor geheel EZ*
(Bedragen x f 1000)1998199920002001200220032004
Gemiddelde bezetting in fte's4 192,4       
Gemiddelde gerealiseerde prijs per fte99,239       
Gemiddelde begrotingssterkte in fte's 4 445,14 462,74 412,74 312,74 225,74 225,7
Gemiddelde geraamde prijs per fte 100,858103,017103,072103,072103,407103,510

*het verschil van de totalen in deze tabel met de totalen in de bijlage 1 (personeel) wordt veroorzaakt doordat in deze tabel niet de begrotingssterkte van het agentschap Senter (224,5 fte) is opgenomen.

Verdeling van budgetten personeel en materieel en de totale apparaatsuitgaven van de EZ-onderdelen.
Kernministerie en buitendiensten (bedragen x f 1 mln)Budget personeel2Budget materieel2Totaal apparaatsuitgaven  
 199819992000199819992000199819992000
Algemene leiding12,22,32,30,91,11,13,13,43,4
Beleidsontwikkeling en uitvoering:         
– Industrie en diensten27,929,329,613,014,313,740,943,643,4
– Economische structuur25,426,727,011,111,911,436,538,638,3
– Energie14,315,415,68,67,16,722,922,522,3
– Buitenlandse economische betrekkingen (incl. herijking)16,918,118,37,48,17,724,326,226,0
Ondersteuning:         
– Algemene economische politiek3,94,94,91,52,01,95,46,96,8
– Voorlichting4,54,95,04,05,13,98,510,08,9
– Interne zaken11,712,112,25,77,67,317,419,719,6
– Financieel economische zaken4,85,85,91,62,22,46,48,08,3
– Financiering en deelnemingen3,13,33,31,11,31,34,24,64,6
– Accountantsdienst33,83,94,01,31,21,25,15,25,1
– Personeel, organisatie en informatie12,714,512,74,35,75,517,020,218,2
– Juridische zaken4,34,64,62,32,32,26,66,96,9
Buitendiensten:         
– ECD21,324,628,39,610,79,230,935,437,5
– CPB17,919,719,74,55,75,622,425,425,4
– Bureau IE16,316,416,88,812,011,425,128,428,2
– SodM5,66,16,11,41,91,87,17,97,9
– CBS225,9238,9239,661,576,471,6287,3315,3311,2
– EVD12,214,212,45,46,86,717,620,919,0
– NMa (incl. DTe)9,614,615,75,08,98,114,623,523,8
Overig:         
– Overige personeelsuitgaven432,232,032,0   32,232,032,0
– Onverdeelde personeelsuitgaven 0,91,4    0,91,4
– Overige materiële uitgaven4   3,80,33,63,80,33,6
Totaal476,5513,2517,4162,7192,6184,5639,2705,8701,9

1 Inclusief Minister en Staatssecretaris.

2 De personele en materiële uitgaven in 1998 e.v.j. zijn geraamd op artikel 01.01. Als gevolg van de verdeling van de artikelsubs Materieel Kernministerie, Automatisering en Voorlichting over de budgetten van de dienstonderdelen, wijken de materiële budgetten per artikelsub (geraamd bij «De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen») af van de in deze tabel geraamde materiële budgetten.

3 Exclusief externe accountants.

4 Betreft de budgetten die niet specifiek toehoren aan een dienstonderdeel.

Automatisering kerndepartement (01.01–100)*
(Bedragen x f 1000)Realisatie1998Raming1999Raming2000
1. Exploitatie (in guldens)11 7479 2149 568
2. Nieuwe ontwikkelingen (in guldens)10 1947 5245 220
3. Exploitatie (als %)54%55%65%
4. Nieuwe ontwikkelingen (als %)46%45%35%

*Bij de beheersing van het automatiseringsbudget voor het kerndepartement wordt een onderscheid gemaakt in uitgaven ten behoeve van exploitatie en uitgaven ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen. Alle uitgaven voor onderhoud en vervanging van apparatuur worden geclassificeerd als exploitatie. De overige uitgaven betreffen nieuwe ontwikkelingen.

Toelichting op de tabel

De realisatie 1998 voor nieuwe ontwikkelingen bevat ook de implementatie van Windows NT en is daarom substantieel hoger dan de raming 1999. Het verschil tussen 1999 en 2000 wordt veroorzaakt door een extra budget voor DOC-IT (elektronische opslag van documenten/digitale archivering) en onderzoeken naar groupware.

Huisvesting

Met ingang van 1999 heeft elk ministerie in het kader van de Stelselwijziging Rijkshuisvesting een budget voor huisvesting gekregen. Onderstaand is een kengetal opgenomen waarin de huur en overige huisvestingsuitgaven per fte zijn opgenomen. Het kengetal betreft het gehele ministerie (exclusief het agentschap Senter).

 
huisvestingskengetal199819992000
huisvestingsuitgaven per ften.v.t13 05513 223

Millennium

Een toelichting op de stand van zaken van de millenniumproblematiek is opgenomen in hoofdstuk 1 van het algemeen deel van de Memorie van Toelichting.

Euro

Na de besluitvorming in mei 1998 over deelname van Nederland aan de invoering van de euro (derde fase van de EMU), is binnen EZ begonnen aan de verdere uitwerking van een projectmatige aanpak van de invoering van de euro binnen het Ministerie. Langs de lijnen van het tijdschema met primaire mijlpalen zoals dat door de Ministerraad is vastgesteld, wordt na de uitwerking van de plannen nu gewerkt aan de uitvoering van de eerste activiteiten.

Gezien de benodigde voorbereidingstijd en de behoefte om begin 1999 al te beschikken over de eerste statistieken met eurogegevens, is binnen het CBS de aanpak van uitvoerende activiteiten al vroeg gestart. De nadruk heeft daarbij gelegen op het aan de invoerkant (aanlevering van gegevens) geschikt maken van de systemen voor zowel gulden- als eurogegevens. Inmiddels zijn ook aan de uitvoerkant (statistiek-productie) aanpassingen gepleegd, waardoor de eerste statistieken met eurogegevens vanaf begin 1999 beschikbaar zijn.

Onderstaand wordt nader ingegaan op de verschillende diensten van EZ.

Bureau voor de Industriële Eigendom (Bureau IE); formatie 164,6 fte en budget f 28,169 mln

Het Bureau IE is belast met de uitvoering van de Rijksoctrooiwet. Uit deze taak vloeien de twee hoofdactiviteiten van het Bureau voort, te weten:

• beschermen: het verlenen van octrooien conform de Rijksoctrooiwet (oude en nieuwe wet) en het bijhouden van een openbaar register van geldende octrooien;

• verspreiden: het actief verspreiden van octrooi-informatie.

Daarnaast is de directeur van het Bureau IE belast met de vertegenwoordiging van de Staat der Nederlanden in internationale organisaties die bij internationale verdragen op het gebied van de intellectuele eigendom zijn opgericht. Deze zijn het Benelux Merkenbureau, de World Intellectual Property Organization (WIPO), het Europees Octrooibureau (EOB) en het Europees Merkenbureau.

Onderstaande tabellen geven een overzicht van de producten die door het Bureau I.E. worden voortgebracht, de daaraan verbonden kostprijzen en de daarbij gehanteerde kwaliteitscriteria.

Kengetallen bureau I.E.
Producten aantalkosten per product (x 1000)*
 1998199920001998**19992000
1 Onderzoeken stand der techniek2 2072 2002 2003,0683,2493,234
2 Verleende octrooien en certificaten16 83316 12016 1200,5130,5650,555
3 Wettelijke adviezen11162026,35219,12518,700
4 Registreren en beheren octrooirechten126 868128 300129 0000,0130,0130,014
5 Instandhouden bibliotheek en collectie***n.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.
6 Leveren van octrooidocumenten (afdrukken)1 438 7251 400 0001 400 0000,0020,0020,002
Leveren van octrooidocumenten (publicaties)3 5323 2793 2790,4690,5330,527
7 Verspreiden van kennis van octrooisysteem13 00013 00013 0000,3560,3760,366
(inzet capaciteit in uren)  

*De kosten per product bevatten zowel de apparaatskosten (art. 01.01) als de kosten voor adviezen EOB (art. 01.12), de bijdrage aan de WIPO en de beschikbare middelen voor de uitvoering van het doelgroepenbeleid (art. 02.12)

**Voor de verdeling van de kosten 1998 is de procentuele verdeling 1999 gehanteerd

***Met het instandhouden van de bibliotheekcollectie zijn (nog) geen kosten per eenheid berekend. De totale daarmee gepaard gaande kosten zijn f 5,6 mln; f 5,9 mln; f 5,9 mln voor de jaren 1998, 1999 en 2000

 
ProductPrestatie indicatorNorm
1 Onderzoeken naar stand der techniekAfhandelingtermijn verzoeken m.b.t. premier depot aanvragen Afhandelingtermijn verzoeken mbt aanvragen met voorrangsdatumBinnen 9 maanden na indiening van premier depot aanvraag Binnen 6 maanden na indiening in NL van eerder in buitenland ingediende aanvragen
   
2 Verleende octrooien en certificatenInschrijvingstermijnBinnen 18 mnd na eerste indieningsdatum
   
3 Wettelijke adviezenOordeel kwaliteit advies100% van geënquêteerde gebruikers tevreden over de uitgebrachte adviezen
   
4 Registreren en beheren octrooirechtenRegistratietermijn octrooiaanvraag Registratietermijn overige documenten Onjuiste registratiesRegistratie < 5 werkdagen na ontvangst 90% binnen 24 uur geregistreerd < 1% foute registraties ontvangen documenten
   
5 Instandhouden bibliotheek collectieBeschikbaarheid nieuwe collectie80% van ontvangen materiaal binnen 2 weken beschikbaar in leeszaal
   
6 Leveren van octrooidocumentenLevertijd documenten (eigen collectie)Verzending binnen 2 dagen na bestelling
   
7 Verspreiden van kennis van octrooisysteemRealisatie activiteiten100 % realisatie van de activiteiten t.o.v. systeem overeengekomen inzet

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); formatie 2250 fte en budget f 311,231 mln

Het CBS is op grond van het koninklijk besluit van 9 januari 1899 (Stb. 1899, 43), laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 januari 1967 (Stb. 1967, 89), belast met het verzamelen, bewerken en publiceren van alle statistische opgaven, die voor de praktijk of de wetenschap nuttig worden geacht.

Voor een toelichting op het werken in opdracht wordt verwezen naar ontvangstenartikel 01.31 Ontvangsten Centraal Bureau voor de Statistiek.

In 1999 is een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar de bedrijfsvoering van het CBS verricht. De verwachting is dat het eindrapport (samen met het Kabinetsstandpunt) ultimo van dit jaar aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

Op 1 april 1999 heeft de Minister van EZ maatregelen gepresenteerd ter verbetering van de effectiviteit en efficiency van het CBS (Kamerstukken II 1998/99, 24 465, nr. 1). Het streven daarbij was (en is nog steeds) om het CBS om te vormen tot een moderne organisatie die ook in de verdere toekomst berekend is voor zijn taak. Daartoe zijn op 1 april de volgende maatregelen voorgesteld:

• het met kracht voortzetten van het lopende verbeteringstraject van de CBS-productieprocessen;

• het creëren van een verdere bestuurlijke zelfstandigheid en;

• het meer geconcentreerd huisvesten van divisieonderdelen van het CBS

Nader onderzoek, alsmede overleg tussen betrokken partijen (onder wie de Tweede Kamer), heeft intussen geleid tot een gedeeltelijke aanpassing van het oorspronkelijke plan. Belangrijkste wijziging betreft het handhaven van een volwaardige vestiging in Heerlen. Momenteel wordt het voorliggende plan in overleg met direct betrokkenen nader uitgewerkt.

Onderstaand zijn enkele kengetallen voor het CBS opgenomen. Waar vorig jaar nog de uitgaven per divisie de grondslag voor de toerekening van de uitgaven en formatie vormde, is dat in onderstaande tabel het statistisch thema.

Kengetallen CBS
Uitgaven per statistisch thema (x f 1000)*realisatie 1998raming 1999raming 2000
1mensen en hun activiteiten   
 – apparaatsuitgaven39 16741 34940 494
 – aantal fte's349339339
2bedrijfsleven   
 – apparaatsuitgaven39 50141 70240 840
 – aantal fte's352342342
3kwartaire sector   
 – apparaatsuitgaven14 04114 82314 517
 – aantal fte's125121121
4economie   
 – apparaatsuitgaven32 65334 47333 760
 – aantal fte's291282282
5milieu   
 – apparaatsuitgaven5 3695 6685 551
 – aantal fte's484646
6regionale statistieken   
 – apparaatsuitgaven2 3542 4852 434
 – aantal fte's212020
7algemeen   
 – apparaatsuitgaven34 80336 74335 983
 – aantal fte's310301301
8niet statistische onderwerpen   
 – apparaatsuitgaven92 183116 463114 452
 – aantal fte's822798798
9Totaal   
 – apparaatsuitgaven**260 072293 706288 031
 – aantal fte's2 3192 2502 250

*betreft saldo van uitgaven en ontvangsten per statistisch thema

**inclusief uitgaven en ontvangsten voor het CBS die op de centrale budgetten geboekt worden

Toelichting op de tabel

De toename van de post «niet statistische onderwerpen» wordt grotendeels veroorzaakt door de toevoeging van een huisvestingsbudget (f 19,1 mln) in het kader van de Stelselwijziging Rijkshuisvesting.

Centraal Planbureau (CPB); formatie 138,6 fte en budget f 25,387 mln

De taak van het CPB is het maken van onafhankelijke analyses en prognoses die wetenschappelijk verantwoord en up-to-date zijn en die relevant zijn voor het beleid van de regering, het parlement en andere maatschappelijke organisaties, zoals politieke partijen en bedrijfsleven. Voor aanvullende projecten, waarbij de uitgaven gedekt worden door de inkomsten zijn, naast de reguliere formatie, 15 fte geraamd. De ontvangsten van het CPB worden op het ontvangstenartikel 01.21 Ontvangsten Centraal Planbureau geraamd.

Kengetallen CPB
(x f 1000)realisatie1998raming1999raming2000
1aantal Centraal Economisch Plan111
 – apparaatskosten1 1851 2751 275
 – aantal fte's7,58,08,0
2aantal Macro-Economische Verkenning111
 – apparaatskosten711797797
 – aantal fte's4,55,05,0
3aantal CPB report444
 – apparaatskosten395319319
 – aantal fte's>2,52,02,0
4aantal onderzoeksprojecten403535
 (waarvan resulterend in onderzoeksmemo)(8)(8)(9)
 – apparaatskosten6 3997 9697 729
 – aantal fte's40,550,048,5
5aantal aanvullende projecten171512
 – apparaatskosten2 6623 2803 300
 – aantal fte's15,715,017,0
6aantal externe notities (advisering)805050
 – apparaatskosten1 422797955
 – aantal fte's9,05,06,0
7ondersteuning en overig niet toegelichte activiteiten:   
 * aantal werkdocumenten10109
 * aantal interne notities104120120
 * aantal bijzondere publicaties323
 – apparaatskosten9 63110 93311 012
 – aantal fte's60,068,669,1
8totaal   
 – apparaatskosten22 40525 37025 387
 – aantal fte's1139,7153,6155,6

1exclusief tijdelijk personeel

Toelichting op de tabel

De stijging van de apparaatskosten in 1999 van het aantal onderzoeksprojecten (nr. 4) wordt veroorzaakt door de vervulling van openstaande vacatures uit 1998. De daling van de apparaatskosten 1999 en 2000 ten opzichte van 1998 van het aantal externe notities (nr. 6) is het gevolg van extra werkzaamheden in 1998 voor het analyseren van de verkiezingsprogramma's en het regeerakkoord.

Economische Controle Dienst; formatie 275,1 fte en budget f 37,456 mln

De ECD is belast met de uitvoering van taken op het gebied van het voorkomen en bestrijden van economische (bedrijfs-)criminaliteit. Daarnaast voert de ECD specifieke onderzoeksopdrachten uit op verzoek van de Minister van EZ of andere ministers.

Ter uitwerking van het Regeerakkoord (Hoofdstuk VIII) heeft het kabinet besloten de ECD te herpositioneren. Dit betekent dat de ECD per 1 september 1999 over is gegaan gaan naar het Ministerie van Financiën. Daar zal de ECD binnen de Belastingdienst samen met de FIOD als een eenheid onder één leiding worden gebracht.

De voorbereiding van de begroting 2000 heeft nog bij EZ plaatsgevonden waardoor de raming is opgenomen in deze begroting.

Kengetallen ECD
Uitgaven (x f 1000)realisatie1998raming1999raming2000
1strategische goederen en sancties   
 – apparaatsuitgaven1 880,01 683,01 697,5
 – aantal fte's12,512,512,5
2CW-verdrag en precursoren   
 – apparaatsuitgaven4 283,04 122,24 141,7
 – aantal fte's28,530,530,5
3EU-fraude   
 – apparaatsuitgaven1 504,01 609,51 629,5
 – aantal fte's10,012,012,0
4intellectuele eigendom   
 – apparaatsuitgaven1 805,03 214,63 578,9
 – aantal fte's12,017,021,0
5criminele inlichtingen en analyse   
 – apparaatsuitgaven949,01 169,71 222,2
 – aantal fte's7,09,09,0
6assurantie en consumentenkrediet   
 – apparaatsuitgaven2 629,04 006,84 335,8
 – aantal fte's18,024,028,0
7gezondheidszorg   
 – apparaatsuitgaven1 899,01 824,61 828,6
 – aantal fte's13,014,514,5
8misbruik ondernemingsvormen   
 – apparaatsuitgaven2 045,01 960,81 954,8
 – aantal fte's14,015,515,5
9overige ordening   
 – apparaatsuitgaven2 264,02 337,32 396,1
 – aantal fte's15,519,019,0
10effecten- en kredietwezen   
 – apparaatsuitgaven3 396,04 344,44 717,8
 – aantal fte's23,033,033,0
11faillissementsfraude   
 – apparaatsuitgaven2 244,03 932,74 244,0
 – aantal fte's15,221,025,0
12overig financieel economische ordening   
 – apparaatsuitgaven1921 076,51 135,9
 – aantal fte's1,38,08,0
13niet toegelicht begrotingsbedrag   
 – apparaatsuitgaven5 774,04 098,94 573,2
 – aantal fte's47,042,147,1
14Totaal   
 – apparaatsuitgaven30 864,035 381,037 456,0
 – aantal fte's217,0258,1275,1

Toelichting op de tabel

Aan de ECD is in het kader van de intensivering horizontale fraudebestrijding in 1999 f 2,2 mln en vanaf 2000 f 4,8 mln toegekend (zie Kamerstukken II 1998/99, 26 200 hoofdstuk XIII, nr. 2, blz. 66). Deze middelen worden ingezet ten behoeve van uitbreiding van bestaande capaciteit op het terrein van merkenfraude, assurantiefraude en faillissementsfraude en voor een nieuw op te richten kennis- en inlichtingencentrum horizontale fraudebestrijding.

De toename van het aantal fte's bij de aandachtsgebieden «effecten- en kredietwezen» en «overige financieel economische ordening», vloeit voort uit de nota Integriteit Financiële sector (Kamerstukken II 1997/98, 25 380, nr. 2, blz. 24).

Staatstoezicht op de Mijnen (SodM); formatie 47,6 fte en budget f 7,942 mln

SodM houdt toezicht op de naleving van wettelijke regelingen die van toepassing zijn op het opsporen en het winnen van delfstoffen. Het gaat daarbij vooral om gas, aardolie en zout in Nederland en het Nederlandse deel van het continentaal plat. De taak van de dienst richt zich voornamelijk op de terreinen veiligheid, gezondheid en milieu, alsmede op de bescherming van delfstoffen en het voorkomen van schade of hinder. De dienst voert zijn taken uit krachtens het Mijnreglement 1964, het Groevenreglement 1947, het Mijnreglement Continentaal plat en een aantal andere wetten. De werkzaamheden van SodM zijn ondergebracht in vier primaire processen: toezicht, beleidsadvisering, opsporing en meewerken aan de uitvoering. Dit laatste proces betreft het uitgeven van alle in de mijnreglementen genoemde beschikkingen waarvoor de Inspecteur-Generaal der Mijnen is gemandateerd.

Kengetallen SodM
Uitgaven (x f 1000)realisatie1998raming 1999raming2000
1aantal zorgsysteem documenten7615
 – uitgaven per prestatie7,1436,8333,867
2aantal bedrijfsinterne audits112015
 – uitgaven per prestatie9,1827,20011,533
3aantal audits (intern)556
 – uitgaven per prestatie23,20050,40038,500
4aantal VGD *134190150
 – uitgaven per prestatie2,0971,3051,540
5aantal BMP's **81015
 – uitgaven per prestatie20,8758,2007,667
6aantal projectmatige inspecties9810
 – uitgaven per prestatie35,66777,00069,200
7aantal overige inspecties585600500
 – uitgaven per prestatie1,0510,7920,776
8aantal ong./voorvalsrapporteren107160120
 – uitgaven per prestatie1,2150,4560,675
9aantal eigen onderzoeken ong./voorval.7108
 – uitgaven per prestatie17,28614,40020,250
10aantal onderz.klachten272020
 – uitgaven per prestatie2,0003,0503,450
11aantal monitoring putactiviteiten296350250
 – uitgaven per prestatie0,5200,3800,604
12aantal opsporing13810
 – uitgaven per prestatie11,61521,00518,400
13aantal beschikkingen109150150
 – uitgaven per prestatie0,5231,0271,093
14aantal adviezen t.b.v. beschikkingen556565
 – uitgaven per prestatie2,4911,7381,892
15niet toegelicht begrotingsbedrag (x f 1 mln)4 9065 2025 120
16formatieomvang47,547,647,6
17aantal fte (gemiddelde formatie-omvang)44,044,043,0
18uitgaven per fte (x f 1 mln)0,1610,1660,167

*Veiligheids- en gezondheidsdocumenten

**Bedrijfsmilieuplannen

Toelichting op de tabel

De daling van de uitgaven per prestatie bij de beoordeling van de zorgsysteem documenten (nr. 1) en de stijging bij bedrijfsinterne audits (nr. 2) zijn het gevolg van het meer op elkaar afstemmen van deze twee activiteiten. De toename per projectmatige inspectie (nr. 6) heeft te maken met de keuze van onderwerp en met hogere eisen aan rapportage en follow-up.

EVD; formatie 129,1 fte en budget f 19,043 mln

Op dit artikel worden de apparaatsuitgaven van de EVD geraamd. Het beleidsbudget wordt geraamd op artikel 07.04 Economische voorlichting en exportpromotie. Voor een nadere toelichting op de EVD en de kengetallen zij verwezen naar artikel 07.04.

Nederlandse mededingingsautoriteit (NMa); formatie 120,1 fte en budget f 23,803 mln

De NMa, opgericht per 1 januari 1998, houdt toezicht op naleving van de Mededingingswet (Stb. 1997, 242) en de Elektriciteitswet 1998 (Stb. 1998, 427). De Mededingingswet verbiedt concurrentiebeperkende afspraken en misbruik van economische machtspositie. Daartoe moeten onder andere concentraties van ondernemingen met een gezamenlijke omzet boven een bepaalde grens worden getoetst.

Er is gekozen voor administratiefrechtelijke handhaving door een aparte uitvoeringsorganisatie met een adequate sanctiebevoegdheid.

De taken van de NMa uit hoofde van de Mededingingswet zijn:

• het nemen van beslissingen op aanvragen om ontheffing van het kartelverbod;

• het opsporen en sanctioneren van overtredingen van de Mededingingswet;

• het behandelen van klachten over (vermeende) overtredingen van de Mededingingswet;

• het toetsen van voorgenomen concentraties en vervolgens het toestaan dan wel verbieden ervan;

• het behandelen van bezwaar- en beroepszaken.

De Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet (DTe, formatie 15 fte en budget f 3,3 mln) maakt onderdeel uit van de NMa. De DTe oefent toezicht uit op de tarieven waartegen en technische voorwaarden waaronder van de elektriciteitsnetwerken gebruik kan worden gemaakt. Daarnaast wordt toezicht gehouden op de leveringsvoorwaarden waaronder elektriciteit wordt geleverd aan afnemers die geen keuzevrijheid hebben ten aanzien van hun leverancier. Voorts beoordeelt de DTe de netcapaciteit en wordt de vergunningverlening voorbereid.

De apparaatsuitgaven van de DTe worden in de begroting afzonderlijk van de NMa geraamd omdat 60% van de apparaatsuitgaven van DTe worden gedekt door middel van een bijdrageregeling ex artikel 65 van de Elektriciteitswet 1998. Deze ontvangsten worden geraamd op het ontvangstenartikel 01.01 Diverse ontvangsten.

Kengetallen NMa
Aantallenrealisatie1998raming1999raming 2000
1a(reguliere) ontheffingsverzoeken kartelverbod89120150
1bontheffingsverzoeken kartelverbod in het kader van de overgangsregeling1 040n.v.t.n.v.t.
2(ex officio) onderzoeken naar kartels758
3ingediende klachten266250250
4gemelde concentratievoornemens154180150
5vergunningsaanvragen ten behoeve van een concentratie5125
6sanctiebeschikkingen02030
7bezwaarzaken3450590
8beroepszaken1020175
9aanvragen tot lasten onder dwangsom102510
10ondersteunen en adviseren EU0420

Toelichting op de tabel

Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste activiteiten van de NMa voortvloeiende uit de Mededingingswet. De verdere uitwerking van deze kengetallen, evenals de kengetallen met betrekking tot de Elektriciteitswet zijn nog in ontwikkeling.

De «ontheffingsverzoeken voor het kartelverbod in het kader van de overgangsregeling» (1b) betreffen de verzoeken die in het kader van de overgangsregeling ingediend konden worden tot 1 april 1998. Op deze ontheffingsverzoeken werden in 1998 en zullen in 1999 beslissingen worden genomen. De verwachting is dat dit zal leiden tot een (aanzienlijke) toename in het aantal bezwaaren beroepszaken in 2000.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  660 218654 207657 647655 756655 756 
1e suppl. wet 1999  13 8707 70114 76215 9755 853 
Mutatie  31 73939 95227 45222 82816 250 
Ontwerp-begr. 200017 299639 176705 827701 860699 861694 559677 859683 208
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10007 850290 045320 290318 490317 583315 177307 599310 026
Waarvan te betalen16 060637 642705 827701 860699 861694 559677 859683 208
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  659 940655 894658 353655 315655 741 
1e suppl. wet 1999  13 1238 31014 93415 9755 853 
Mutatie  36 31839 06627 51522 28616 730 
Ontwerp-begr. 2000 634 162709 381703 270700 802693 576678 324682 434
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 287 770321 903319 130318 010314 731307 810309 675
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 Centraal personeelsbudget 21 55017 03116 817 20 06617 91417 417 11 11.0
020 Personeel buitenland 4 2844 8654 678 4 2844 8654 678 12 11.3
030 Wachtgeld 2 2135 0145 278 2 2135 0145 278 11 11.0
040 Inhuur AD 1 034430430 796847430 12 11.0
050 Ambt. pers. TWA 3 0874 6644 781 3 0874 6644 781 11 11.0
100 Mat.kernm.automatisering 21 94116 73814 788 20 62716 07515 435 12 11.0
110 Mat.kernm.voorlichting 10 4897 9756 941 9 0678 8347 751 12 11.0
111 Mat. voorlichting DG BEB 270   78210  12 11.0
120 Mat.AD algemene uitgaven 665743733 665743733 12 11.0
130 Mat.externe opdrachtg. 2 4911 4821 171 1 1382 3831 022 12 11.0
140 Mat.AEP en SG 1 1621 0961 896 1 2101 1431 248 12 11.0
150 Materieel TWA 97   97   12 11.0
200 Ambt. pers. kernm. 124 967141 499142 577 124 967141 499142 577 11 11.0
210 Overig pers. kernm. 10 5605 2714 249 9 9095 9224 249 12 11.0
220 Materieel kernministerie 29 43344 48543 942 29 21744 48543 942 12 11.0
221 Materieel huisvesting  2 1992 248  2 1992 248 12 01.34
250 Ambt. pers. ECD 20 32424 12027 768 20 32424 12027 768 11 11.0
260 Overig pers. ECD 940516516 940516516 12 11.0
270 Materieel ECD 9 60210 7459 172 9 60210 7459 172 12 11.7
350 Ambt. pers. CPB 17 14318 75618 838 17 14318 75618 838 11 11.0
360 Overig pers. CPB 794902902 813902902 12 11.0
370 Materieel CPB 4 4685 7125 647 4 5425 7375 647 12 01.32
400 Ambt. pers. BIE 14 22015 96016 347 14 22015 96016 347 11 11.0
410 Overig pers. BIE 2 042461461 2 042461461 12 11.0
420 Materieel BIE 8 82311 98411 361 10 20212 03411 361 12 11.1
450 Ambt. pers. SodM 5 4605 9105 983 5 4605 9105 983 11 11.0
460 Overig pers. SodM 179145145 179145145 12 11.0
470 Materieel SodM 1 4231 8511 814 1 5111 8891 814 12 09.1
500 Ambt. pers. CBS 215 565218 092222 024 215 565218 092222 024 11 11.0
510 Overig pers. CBS 10 29320 83215 060 10 29320 83215 060 12 11.0
520 Materieel CBS 61 49176 38271 647 61 49176 38271 647 12 01.32
530 Reorganisatie CBS   2 500   2 500 01 01.32
550 Ambt. pers. EVD 11 58212 04512 070 11 58212 04512 070 11 11.0
560 Overig pers. EVD 6312 122282 5452 122282 12 11.0
570 Materieel EVD 5 3526 7766 691 5 3526 7766 691 12 11.0
650 Ambt. pers. NMa 6 49110 03912 200 6 49110 03912 200 11 11.0
660 Overig pers. NMa 2 7732 5331 540 2 7662 6341 540 12 11.0
670 Materieel NMa 4 3906 8626 763 4 7036 7066 913 12 11.7
700 Ambt. pers. Dte 2981 9051 925 2981 9051 925 11 11.0
710 Overig pers. Dte 57110  57110  12 11.0
720 Materieel Dte 5922 0751 375 3982 2661 375 12 11.7
730 Voorbereiding Dte     222   12 11.7
999 Parkeerpost  – 4 500– 1 700  – 4 500– 1 700 01 11.9
Totaal art 0101 639 176705 827701 860 634 162709 381703 270    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Desaldering met O-01.21 CPB 2 735    
2: Uitgaven euro3 7913 6813 7441 127 
3: Uitbreidingen / reorganisaties4 9466 7065 1064 6064 114
4: PC-financieringsregeling1 6001 0004 000500500
5: Reorganisatie CBS– 1 000500– 8 000– 8 000– 12 000
6: Businessplan CBS3 000900    
7: Correctie huisvestingsbudget– 3 853– 3 550– 3 071– 2 445– 2 445
8: Onderzoeken NMa – 1 500– 1 500– 1 500– 1 500
9: Bijdragen OSA   800  
10: Loon-/prijsbijstelling16 22020 56318 51818 01017 951
11: Wachtgeld3 7504 0004 0004 0004 000
12: Materieel EVD1 7491 7491 7491 7491 749
13: Diverse beleidsmatig niet-relevante mutaties1 5363 1682 9063 9813 881
Totaal31 73939 95227 45222 82816 250

ad 1: Desaldering met ontvangstenartikel 01.21 Ontvangsten Centraal Planbureau in verband met werken in opdracht door het CBP.

ad 2: De totale uitgaven voor de nog op te lossen EZ-interne Euro-problematiek bedragen ruim f 17,3 mln. Dekking is voor f 8,7 mln afkomstig uit een overheveling uit de aanvullende post op de Rijksbegroting. De overige f 8,7 mln is deels (f 5,1 mln) opgevangen binnen de bestaande budgetten en deels (f 3,6 mln) vrijgemaakt binnen het totaal van de EZ-begroting.

ad 3: Betreft samenstel van de volgende (tijdelijke) formatieve uitbreidingen en kosten van tijdelijke (aanvullende) inhuur:

• uitbreiding NMa met 34 fte in verband met groter werkaanbod (f 3,5 mln structureel met ingang van het jaar 2000). Als gevolg van het grote aantal ontheffingsverzoeken is bovendien aanvullende inhuur noodzakelijk (f 1,1 mln en f 0,5 mln in 2000 respectievelijk 2001).

• reorganisatie en uitbreiding EVD (structureel f 0,6 mln) en compensatie van artikel 07.04 in verband met tijdelijk personeel ten behoeve van opdrachten (f 1,8 mln in 1999).

• reorganisatiekosten (tijdelijke externe inhuur en begeleiding) van de directie Personeel Organisatie en Informatie (f 2,0 mln en f 1,0 mln in 1999 respectievelijk 2000).

• verlenging projectgroep Markwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit tot en met 2002 (f 0,5 mln)

ad 4: Raming van de structurele kosten van de met ingang van 1998 geïntroduceerde PC-financieringsregeling voor EZ-ambtenaren.

ad 5: Bij eerste suppletore begroting 1999 (Kamerstukken II 1998/99, 26 533, nr. 2, blz. 3) zijn de voorlopige financiële consequenties verwerkt van de voorgenomen maatregelen ter verbetering van de efficiency van het CBS. Op grond van nader onderzoek en overleg tussen betrokkenen is het oorspronkelijke voorstel bijgsteld. Voor- gestelde mutatie betreft de financiële vertaling van deze bijstelling. Het plan gaat uit van een netto besparing van 300 fte's. De te reali- seren financiële besparing loopt op tot f 25 mln per jaar vanaf 2003. Voor de uitvoering van het plan is tot 2008 een bedrag van in totaal f 95 mln beschikbaar. Voor een nadere (inhoudelijke) toelich- ting zij verwezen naar onderdeel a) grondslag van het artikel. Momenteel wordt gewerkt aan een nadere uitwerking van het bijgestelde plan. Dit kan leiden tot een andere verdeling over de jaren van de verwachte uitgaven en besparingen (financieel en formatief). De Tweede Kamer wordt hierover te zijner tijd nader geïnformeerd.

ad 6: Betreft overloop naar 1999 en 2000 van in 1998 niet aangewende middelen voor uitvoering van het «Businessplan 1996–2000» van het CBS.

ad 7: In het kader van de stelselwijziging Rijkshuisvesting is een structureel budget voor huisvesting aan de EZ-begroting toegevoegd (zie Kamerstukken II 1998/99, 26 200 hoofdstuk XIII, nr. 2, blz. 66). Dit betrof een voorlopig budget. Inmiddels is het definitieve budget vastgesteld. De voorgestelde mutatie betreft het verschil tusen het voorlopige en het definitieve budget (inclusief het budget voor onderhanden werk).

ad 10: Overheveling van artikel 01.03 Loonbijstelling en artikel 01.04 Prijsbijstelling, inclusief loon- en prijsbijstelling uit de HGIS.

ad 11: Overheveling van artikel 01.06 Post actief personeel in verband met de reeds eerder gewijzigde interne beheersingsmethodiek van de uitgaven voor wachtgeld.

01.03 Loonbijstelling

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  8 7357 2277 1466 8387 089 
1e suppl. wet 1999  24 57731 16230 00530 71030 997 
Mutatie  – 21 024– 36 891– 35 140– 34 657– 34 780 
Ontwerp-begr. 2000  12 2881 49820112 8913 306132
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000  5 5766809131 3121 50060

Economische code: 01 Functionele code: 11.9

De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(x f 1000)19992000200120022003
01.01 Apparaatsuitgaven EZ– 14 849– 19 196– 17 151– 16 643– 16 584
01.06 Post-actief personeel– 393– 504– 404– 395– 396
01.55 Senter– 276– 1 368– 1 607– 1 467– 1 449
02.05 Syntens– 1 302– 1 192– 1 188– 1 184– 1 184
02.06 NNI– 30– 38– 38– 38– 37
02.06 Marin– 53– 52– 52– 52– 52
02.06 TNO– 1 526– 1 517– 1 509– 1 501– 1 501
02.06 NMI– 36– 42– 37– 36– 36
02.12 STW – 420– 608– 819– 1 020
04.11 NBT– 613– 612– 611– 609– 609
05.02 EIM– 256– 254– 253– 252– 252
05.22 NMI– 562– 627– 623– 610– 609
09.05 ECN– 1 240– 1 269– 1 263– 1 259– 1 259
09.06 NITG-TNO– 805– 800– 796– 792– 792
Inzet binnen EZ-begroting – 9 000– 9 000– 9 000– 9 000
Overboeking van BZK917   
Totaal– 21 024– 36 891– 35 140– 34 657– 34 780

Het grootste deel van de mutatie betreft de verdeling van loonbijstelling over diverse artikelen.

Ook zijn beschikbare middelen met ingang van 2000 ingezet voor diverse prioriteiten binnen de EZ-begroting.

01.04 Prijsbijstelling

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  3 4043 2993 2783 6033 492 
1e suppl. wet 1999  1 9872 1472 2882 3522 346 
Mutatie  7 2935 1437 0187 3107 156 
Ontwerp-begr. 2000  12 68410 58912 58413 26512 9946 997
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000  5 7564 8055 7106 0195 8963 175

Economische code: 01 Functionele code: 11.9

De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(x f 1000)19992000200120022003
1: Nadere overboeking Ministerie van Financiën12 19414 07115 38116 22116 464
2: Verdeling prijsbijstelling      
01.01 Apparaatsuitgaven EZ– 854– 850– 850– 850– 850
01.55 Senter– 50– 286– 281– 281– 299
02.05 Syntens– 673– 617– 614– 612– 612
02.06 NNI– 16– 19– 19– 19– 19
02.06 Marin– 9– 9– 9– 9– 9
02.06 TNO– 257– 256– 255– 254– 254
02.06 NMI– 6– 8– 6– 6– 6
02.07 Ruimtevaart– 1 626– 1 516– 1 070– 1 201– 1 257
02.12 STW – 72– 105– 141– 176
04.08/04.09 Langman– 144– 497– 862– 1 253– 1 541
04.11 NBT– 476– 475– 474– 473– 473
05.02 EIM– 33– 33– 33– 33– 33
05.22 NMI– 193– 217– 215– 210– 210
09.05 ECN– 428– 437– 435– 434– 434
09.06 NITG-TNO– 136– 136– 135– 135– 135
3: Inzet binnen EZ-begroting – 3 000– 3 000– 3 000– 3 000
4: Overig – 500   
Totaal7 2935 1437 0187 3107 156

ad 1: Betreft de toevoeging van het deel van de prijsbijstelling dat, in afwachting van de definitieve omvang van de algehele problematiek op de Rijksbegroting, bij eerste suppletore wet nog niet was uitgedeeld.

ad 2: De mutatie betreft de verdeling van prijsbijstelling over diverse artikelen.

ad 3: Betreft de inzet van beschikbare middelen voor diverse prioriteiten binnen de EZ-begroting.

01.05 Onvoorzien

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  749749749749749 
Mutatie  – 214     
Ontwerp-begr. 2000  535749749749749749
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000  243340340340340340

Economische code: 01 Functionele code: 11.9

01.06 Uitgaven post-actief personeel

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd ten behoeve van personeel dat niet langer voor EZ actief is, waarbij het voornamelijk gaat om wachtgelden. Sinds 1997 worden, als gevolg van de gewijzigde interne toerekeningssystematiek, tevens uitgaven voor post-actief personeel geraamd op artikel 01.01 Apparaatsuitgaven EZ. Op artikel 01.06 blijven alleen de uitgaven geraamd, die samenhangen met de post-actieven conform de oude systematiek. Het gevolg is dat de raming voor post-actieven op artikel 01.06 op de lange termijn zal dalen en dat de raming op 01.01 geleidelijk zal stijgen. Onderstaande tabel geeft een indicatie van de ontwikkeling van het aantal wachtgelders en het budget dat er mee is gemoeid.

Ramingskengetallen wachtgeld
 Realisatie1998Raming1999Raming2000
1. Wachtgeld (uitgaven x f 1000)*16 50417 01615 630
2. Aantal wachtgelders ultimo van het jaar304268227
3. Rekenkundig gemiddeld uitgekeerd bedrag**54,28963,49368,855

*Betreft totaal van 0106–020 en 0101–030 incl. apparaatsuitgaven USZO.

**De feitelijk gemiddelde uitkering zal van dit bedrag afwijken omdat onder 1 de totale uitgaven zijn opgenomen en onder 2 het aantal wachtgelders per ultimo van elk jaar.

Toelichting op de tabel

De oploop van het (rekenkundig) gemiddeld uitgekeerd bedrag hangt samen met de introductie van de regeling Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU) en de FPU-aanvullingsovereenkomst inzake premiebetaling Ouderdomspensioen/ Nabestaandenpensioen (OP/NP). Deze regeling kent andere aanspraken en garanties dan de VUT regeling, onder andere ten aanzien van uitkeringshoogte, pensioenopbouw en het Besluit Tegemoetkoming Ziektekosten Rijkspersoneel (BTZR). Omdat aan de wachtgelders die het gevolg zijn van de Grote Efficiency Operatie de garantie is gegeven dat deze na het wachtgeld met VUT kunnen, wordt het verschil tussen de flexibele pensionering en de VUT-regeling vanuit dit artikel aangevuld. Daarnaast is in de raming onder meer rekening gehouden met mogelijke extra uitgaven in het kader van de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag.

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  14 60913 84812 76812 76812 768 
Mutatie  – 2 607– 3 496– 4 196– 5 205– 6 204 
Ontwerp-begr. 2000 14 29112 00210 3528 5727 5636 5645 864
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 6 4855 4464 6983 8903 4322 9792 661

Economische code: 11 Functionele code: 11.0

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003 
1: Overheveling naar artikel 01.01–030– 3 000– 4 000– 4 000– 4 000– 4 000 
2: Vrijval in verband met dalende kosten/uitstroom  – 600– 1 600– 2 600 
3: Loonbijstelling393504404395396 
Totaal– 2 607– 3 496– 4 196– 5 205– 6 204 

ad 1: Overheveling naar artikel 01.01 Apparaatsuitgaven EZ in verband met de reeds eerder gewijzigde interne beheersing van de uitgaven voor wachtgeld.

ad 2: Als gevolg van afname van het aantal wachtgelders door uitstroom, kan de raming op dit artikel neerwaarts worden bijgesteld.

01.08 Nog te verdelen bedragen

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  – 48 000– 96 200– 119 600– 143 100– 143 100 
1e Nota v Wijziging 1999  40 00080 00095 000110 000110 000 
1e suppl. wet 1999  6006 20014 60033 10033 100 
Mutatie  8 40010 000– 22 0008 00012 000 
Ontwerp-begr. 2000  1000 – 32 0008 00012 000 
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000  454 – 14 5213 6305 445 

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Invulling interne taakstelling 1e suppletore wet7 40010 00010 000   
2: Generale taakstelling  – 40 000   
3: Middelen CBS-reorganisatie1 000 8 0008 00012 000
Totaal8 40010 000– 22 0008 00012 000

ad 1: De interne taakstelling voor de EZ-begroting die het resultaat was van de besluitvorming rond Voorjaarsnota en Kaderbrief, wordt ingevuld binnen het geheel van de EZ-begroting.

ad 2: Betreft een generale taakstelling waartoe het kabinet bij de Kaderbriefbesprekingen heeft besloten. Deze taakstelling is vooralsnog geparkeerd op het artikel «Nog te verdelen bedragen» en zal in de begrotingsvoorbereiding 2001 worden ingevuld.

ad 3: Het bijgestelde plan ter verbetering van de effectiviteit en efficiency van het CBS brengt in de eerste jaren per saldo lagere uitgaven met zich mee dan voor het oorspronkelijke reorganisatieplan geraamd. Ook is eerder sprake van besparingen dan in het eerdere voorstel. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar artikel 01.01 Apparaatsuitgaven EZ, onderdeel c). De hierdoor beschikbaar komende middelen worden in afwachting van nadere besuitvorming over de aanwending op dit artikel geparkeerd.

01.12 Europees Octrooibureau

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven aan het Europees Octrooibureau (EOB) geraamd. Nederland neemt op grond van het verdrag van München (1973) deel in het Europees Octrooiverdrag. Dit verdrag voorziet in een octrooiverleningsprocedure waarbij de verleende octrooien geldig zijn binnen de bij het verdrag aangesloten landen.

Bijdrage pensioenen EOB; budget f 2,009 mln

Gepensioneerde medewerkers van het EOB hebben recht op teruggave van een deel van de, in het vestigingsland, op hun pensioenen geheven belastingen. Het gaat hierbij om circa 140 pensioengerechtigden. Teveel geheven belastingen worden door het EOB aan haar voormalige werknemers terugbetaald en later met het betreffende land verrekend (tax-adjustments). Het Ministerie van Financiën (de Belastingdienst) voert controle uit op de te verrekenen tax-adjustments.

Adviezen door het EOB; budget f 5,3 mln

Volgens internationale verdragen is het Bureau IE verplicht om internationale nieuwheidsonderzoeken uit te besteden aan het Europees Octrooibureau. Daarnaast kan het Bureau, onder meer als gevolg van gebrek aan specifieke kennis op bepaalde technologiegebieden, ook genoodzaakt zijn een deel van de nationale aanvragen aan het EOB uit te besteden. De totale jaarlijkse uitgaven voor door het EOB te verrichten nieuwheidsonderzoeken staan in nauw verband met exogene factoren als tariefstelling en productiecapaciteit van het EOB. De uitgaven over 1998 en de verwachte ontwikkeling voor de jaren 1999 en 2000 zijn in de onderstaande tabel gespecificeerd.

Ramingskengetallen EOB
 Realisatie1998Raming1999Raming2000
1. Budget (verplichtingen x f 1000)6 7295 3005 300
2. Aantal nieuwheidsonderzoeken1 9341 8001 800
3. Tarief per onderzoek3 4792 9442 944

Toelichting op de tabel

Het aantal onderzoeken heeft de laatste jaren sterk gefluctueerd, voornamelijk als gevolg van de overgang van de oude (1910) naar de nieuwe Rijksoctrooiwet (1995). Voor wat betreft de nieuwe wet zijn nog slechts beperkte ervaringscijfers opgebouwd. Wel kan worden vastgesteld dat in 1998, evenals in 1997, het aantal aangevraagde onderzoeken groter was dan verwacht. Deze trend zal zich in de komende jaren mogelijk voortzetten. Daarnaast zal naar verwachting het door het EOB in rekening gebrachte tarief dalen. In afwachting van deze ontwikkelingen is de raming niet aangepast.

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  7 3097 3097 3097 3097 309 
Ontwerp-begr. 2000 8 7727 3097 3097 3097 3097 3097 309
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 3 9813 3173 3173 3173 3173 3173 317

Economische code: 12 Functionele code: 11.1

01.15 Adviescolleges

a) De grondslag van het artikel

Sinds 1998 worden de uitgaven voor adviescolleges (als bedoeld in de Kaderwet adviescolleges, niet zijnde een adviescollege als bedoeld in artikel 3 of 6 van die wet) op een apart artikel geraamd. Op de EZ-begroting gaat het hierbij om de Algemene Energie Raad (AER), de Adviesraad voor Wetenschap en Techniek (AWT), de Raad van Deskundigen voor de Nationale Standaarden en het EZ-personeel van de adviescolleges.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  1 4551 4671 4741 4741 474 
1e suppl. wet 1999  318318318318318 
Ontwerp-begr. 2000 1 5321 7731 7851 7921 7921 7921 792
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 695805810813813813813

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  1 4551 4671 4741 4741 474 
1e suppl. wet 1999  318318318318318 
Mutatie  93– 12– 7   
Ontwerp-begr. 2000 2061 8661 7731 7851 7921 7923 044
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 938478058108138131 381
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 AER 185170170 185170170 12 09.0
020 Raad Wetensch. en techn. 1 3011 2331 245  1 3011 233 31 11.7
030 Raad desk. Nat. Stand. 465252 217752 12 11.4
040 Personeel adviescolleges  318318  318318 11 11.0
Totaal art. 01.15 1 5321 7731 785 2061 8661 773    

01.55 Bijdrage aan het agentschap Senter

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel wordt de bijdrage van EZ aan het agentschap Senter geraamd. Zie wetsartikel 3 voor een nadere toelichting op het agentschap Senter. De raming op artikel 01.55 wijkt af van de door Senter geraamde jaarlijkse bijdragen van EZ in wetsartikel 3. Voor 1999 is de raming bij artikel 01.55 licht hoger dan de Senter-raming van de EZ-bijdrage (f 62,0 mln), omdat in laatstgenoemde raming nog geen rekening gehouden is met alle aanvullende EZ-opdrachten die voor het lopende uitvoeringsjaar verwerkt zijn bij artikel 01.55. Voor latere jaren is er een verschil omdat in de raming van artikel 01.55 onder andere nog geen rekening is gehouden met incidentele, kortlopende opdrachten, die lopende een uitvoeringsjaar worden verstrekt, en omdat aan artikel 01.55 lopende het uitvoeringsjaar nog budget wordt toegevoegd voor nieuwe programma's.

Kengetallen over de voor EZ uitgevoerde regelingen zijn bij de desbetreffende artikelen opgenomen.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  55 56255 15455 22355 30355 192 
1e suppl. wet 1999  8 900     
Mutatie  3 58920091 8471 8411 824 
Ontwerp-begr. 200050 64868 82768 05157 16357 07057 14457 01657 016
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100022 98331 23230 88025 93925 89725 93125 87325 873
Waarvan te betalen50 497 68 82668 05157 16357 07057 14457 01657 016

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  57 38954 99055 17158 08255 195 
1e suppl. wet 1999  8 944     
Mutatie  1 6442 7621 9821 8421 842 
Ontwerp-begr. 2000 76 89367 97757 75257 15359 92457 03757 016
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 34 89330 84726 20725 93527 19225 88225 873

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 Bijdr. DG I&D aan Senter 38 17240 72739 262 43 90438 18739 764 03 11.3
020 Bijdrage DG ES aan Senter 5 1223 3603 448 4 7214 9183 527 03 11.3
030 Bijdrage DG E aan Senter 11 78211 1628 763 13 20311 4968 763 03 11.3
040 Bijdrage DG BEB aan Senter 13 75112 8025 690 15 06513 3765 698 03 11.3
Totaal art 0155 68 82768 05157 163 76 89367 97757 752    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Loon- en prijsbijstelling1 6531 9151 7531 7471 730
2: Terugbetaling op opdracht 19981 000     
3: Bijdrage DG ES uitvoeringkosten936     
4: Rentecompensatie 94949494
Totaal3 58920091 8471 8411 824

01.61 Personeel en materieel EZ, exclusief CBS

a) De grondslag van het artikel

Met ingang van de begroting 1997 zijn de apparaatsuitgaven geraamd op artikel 01.01 Apparaatsuitgaven EZ. Op dit artikel worden nog slechts betalingen op in het verleden aangegane verplichtingen geraamd.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  240     
Mutatie  8165    
Ontwerp-begr. 2000 1 51232165    
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 68614629    

Economische code: 12 Functionele code: 11.0

02.00 INDUSTRIEEL EN ALGEMEEN TECHNOLOGIEBELEID

Matrix van de technologiestimuleringsregelingen

 
in mlnGeneriekMilieu-technologieICTLucht- & Ruimtevaart cluster
Fundamenteel en industrieel onderzoekBIT/BTS/SMO132,1 WBSO*645,0 IOP18,9 TNO/TTI/GTI109,8 Tech. Vernieuw.10,9 STW36,2EET111,9Micro Electr. stimulering80,0 Giga-port**38,0BRP4,0 NRT8,0 ESA-proj.**125,6
     
PreconcurrentieelTOK74,9 WBSO* Codema15,6MPO5,0Kredo20,0A3XX**35,0 JSF**13,0
     
KennisdiffusieSyntens65,5 TNO-MKB2,1 KIM13,5 HMKB9,0 Pionier10,0 TWA0,9 Tech.vernieuw.10,8 IOP* BCT2,0Schoner prod.pm First mover15,0 Referentieproj. milieu tech. 4,0Elektronische snelweg49,9 Twinning**30,0 Tech.vernieuw.0,2 

*Enkele subsidie-regelingen hebben betrekking op meerdere onderzoeksfasen. Omdat het budget niet goed is uit te splitsen naar één bepaalde fase is het budget bij één onderdeel aangegeven.

**De hier genoemde budgetten betreffen kas-bedragen omdat een vergelijking op verplichtingenbasis een onevenwichtig beeld geeft. De overige bedragen betreffen verplichtingen-budgetten.

De bovenstaande matrix is een schematische weergave van het technologieinstrumentarium. De rijen hebben betrekking op de verschillende stadia van het R&D-onderzoek waarop de regeling betrekking heeft. In de kolommen zijn de regelingen per beleidsthema opgenomen. De verschillende stadia van onderzoek zijn:

1. Fundamenteel en industrieel onderzoek; dit is onderzoek dat niet direct gericht is op een commerciële toepassing;

2. preconcurrentiële ontwikkeling; deze ontwikkeling vindt vóór de marktintroductie plaats en heeft tot doel ontwikkelde technieken geschikt te maken voor de markt;

3. Kennisdiffusie; dit is van belang om te zorgen dat van bestaande kennis zoveel mogelijk geprofiteerd kan worden. Deze fase valt – over het algemeen – rond de marktintroductie. Vandaar dat marktintroductieinstrumenten en startersinitiatieven hierbij zijn opgenomen.

Het subsidieinstrumentarium voor technologiebeleid heeft in principe een generiek karakter. Er worden bij drie beleidsthema's extra of aanvullende accenten gelegd op specifieke technologiegebieden, omdat het generieke instrumentarium daar onvoldoende ondersteuning biedt.

Milieutechnologie

De overheid streeft ernaar om economische groei en verbetering van het milieu hand in hand te laten gaan. Technologische ontwikkelingen als hulpmiddel om de ontkoppeling tussen milieudruk en economische groei te realiseren, zijn daarom meer dan gewenst. Aangezien het bedrijfsleven uit de ontwikkeling en toepassing van milieutechnologie minder voordelen haalt dan de maatschappij, zal de overheid de marktpartijen moeten compenseren om deze over te halen aandacht te schenken aan het milieurendement.

ICT

De ICT-sector is een van de snelst groeiende sectoren van de Nederlandse economie. Om deze groei te behouden is een aantal speciale regelingen in het leven geroepen. Enkele van de punten die speciale aandacht hebben, zijn de oprichting van Twinning Centra, het openstellen van stimuleringsfondsen voor ICT-gerelateerde technische ontwikkelingen en het ondersteunen van de elektronische snelweg.

Lucht- en ruimtevaart

De betrokkenheid van de overheid bij het luchtvaartcluster is gebaseerd op de risico's in deze sector, de lange terugverdientijden van de investeringen (15 à 20 jaar) en de ondersteuning die instituten en bedrijven in andere landen ontvangen. De overheid is nauw betrokken bij het ruimtevaartcluster vanwege de enorme kosten die eraan verbonden zijn. Daarnaast is de overheid de grootste afnemer en belanghebbende bij vernieuwende ruimtevaarttoepassingen (bijvoorbeeld aardobservatie).

Stroomlijning

In de nota «Ruimte voor Industriële Vernieuwing» (Kamerstuk II 1998/99, 26 628-XIII, nr. 1) is onder andere aangekondigd dat het technologieinstrumentarium zal worden gestroomlijnd. Zie hiervoor paragraaf 1.4 van de Memorie van Toelichting.

02.01 Onderzoek en voorlichting ten behoeve van technologiebeleid

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Betreft uitsluitend de financiële afwikkeling van verplichtingen die tot en met 1994 zijn aangegaan.

b) De cijfers

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  247131  
Ontwerp-begr. 2000 386247131  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 17511259    

Economische code: 12 Functionele code: 11.0

02.02 Specifieke bedrijfsgerichte technologiestimulering

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid Samenwerkingsinstrument; budget f 91,757 mln

Het Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologische samenwerking (BTS, Stb. 1996, 638) richt zich zowel op samenwerking op R&D-gebied tussen bedrijven en kennisinstellingen als op samenwerking tussen bedrijven onderling. Het gaat hierbij om grote, middelgrote en kleine bedrijven. Het instrument heeft een generiek karakter.

Kengetallen Besluit bedrijfsgerichte technologische samenwerking (BTS)
(Bedragen in verplichtingen x f 1 mln)artikel (-sub)Realisatie 1998Raming 1999Raming 2000
Ramingskengetallen    
1. Aantal aanvragen (=gehonoreerde subsidieaanvragen) 115135135
2. Gemiddelde gehonoreerde toekenning per aanvraag 0,9440,7170,680
3. Toegelicht begrotingsbedrag (= subsidie)02.02–800108,54396,75791,757
Doelmatigheidskengetallen    
1. Aantal prestaties (= behandelde aanvragen) 205255255
2. Kosten per prestatie (x f 1000) 5,9545,2695,269
3. Aantal prestaties (= dossiers in beheer) 203285285
4. Kosten per prestatie (x f 1000) 2,8293,5123,512
5. Overige uitvoeringskosten 2,1712,2902,290
6. Toegelicht begrotingsbedrag (= uitvoeringkosten Senter)01.55–0103,9664,6354,635
7. Uitvoerend personeel in fte (= Senter) 17,12020
Kwaliteitskengetallen    
Aantal ingediende bezwaarschriften 161413
Aantal afgehandelde bezwaarschriften 141313
Waarvan (gedeeltelijk) gehonoreerd 522
Waarvan afgewezen 91111

Het is overigens niet uit te sluiten dat veelbelovende R&D-projecten door hun inhoud en omvang niet passen in het op samenwerking gerichte instrumentarium. In die (uitzonderlijke) gevallen kan EZ er toe overgaan binnen haar begroting ruimte te vinden voor dergelijke projecten. Elk voornemen tot ondersteuning van een dergelijk project wordt vooraf aan de Tweede Kamer voorgelegd.

Programma Schoner Produceren

Het Programma Schoner Produceren heeft als doel middelgrote en kleine bedrijven te activeren tot het op economisch verantwoorde wijze verminderen van de milieubelasting.

Met het programmaonderdeel Voorlichting en Doorlichting worden intermediaire organisaties gesteund die projecten uitvoeren om het MKB bewust te maken van rendabele milieumaatregelen, bijvoorbeeld op het gebied van milieutechnologie, milieugerichte productontwikkeling, energie-effiency, bedrijfsinterne milieuzorg, preventie van afval en emissies. Indien een bedrijf zich laat adviseren over energie- en/of milieuefficiency, kan een deel van de externe advieskosten worden vergoed uit het programmaonderdeel Energie-efficiency en Milieuadvies. In het uitvoeringsjaar wordt het budget vanuit artikel 09.01 en vanuit de begroting van het Ministerie van VROM naar artikel 02.02 (onderdeel Milieu/PBTS) overgeheveld.

Milieu referentie projecten; budget f 4 mln

Voor het midden- en kleinbedrijf bestaat de subsidieregeling referentieprojecten milieutechnologie (Stcrt. 1998, 15). De regeling heeft als doel middelgrote en kleine producenten van milieutechnologie te steunen bij het plaatsen van nieuwe milieutechnologie bij een eerste afnemer. Hiertoe wordt het verkrijgen van een referentie voor een nieuwe milieutechnologie gesubsidieerd. Een referentie kan worden opgebouwd door het laten uitvoeren van een meetprogramma of door het demonstreren van een eerste praktijktoepassing.

First-Mover Faciliteit; budget f 15 mln

Voor grotere milieutechnologieprojecten is in de nota Milieu en Economie de introductie van een First-Mover Faciliteit aangekondigd. Deze faciliteit heeft tot doel om de marktintroductie van nieuwe milieutechnologie te bevorderen door de financiële risico's voor de eerste afnemer te verminderen. Momenteel wordt, als kritieke succesfactor bij de ontwikkeling van een First-Mover Faciliteit, de bereidheid onderzocht van commerciële financierings- en/of verzekeringsmaatschappijen om in de faciliteit te participeren.

Economie, Ecologie en Technologie (EET); budget f 111,9 mln

Het Besluit subsidies Economie, Ecologie en Technologie (Stb. 1997, 13) biedt een financiële bijdrage aan initiatieven van bedrijven en kennisinstellingen voor het integreren van economie, ecologie en technologie. Doel van de regeling is het realiseren van doorbraken die op middellange termijn leiden tot aanmerkelijke positieve gevolgen voor de Nederlandse economie, de kennispositie van Nederland en nationale of mondiale ecologische vraagstukken. Zie voorts ook het algemeen deel van de memorie van toelichting, paragraaf 2.1.1.

Kengetallen Economie, Ecologie en Technologie (EET)
(Bedragen in verplichtingen x f 1 mln)artikel (-sub)Realisatie 1998Raming 1999Raming 2000
Ramingskengetallen    
1. Aantal aanvragen (=gehonoreerde subsidieaanvragen) 194724
2. Gemiddelde gehonoreerde toekenning per aanvraag 4,9912,2934,535
3. Toegelicht begrotingsbedrag (= subsidie)02.02–75494,836107,770108,851
Doelmatigheidskengetallen    
1. Aantal prestaties (= behandelde aanvragen) 69153100
2. Kosten per prestatie (x f 1000) 7,4263,0003,686
3. Aantal prestaties (= dossiers in beheer) 456388
4. Kosten per prestatie (x f 1000) 4,8807,5007,500
5. Overige uitvoeringskosten 1,3002,1102,012
6. Toegelicht begrotingsbedrag (= uitvoeringskosten prog.bureau EET)02.02–7542,0323,0413 041
7. Uitvoerend personeel in fte (= progr.bureau EET) 8,499
Kwaliteitskengetallen    
Aantal ingediende bezwaarschriften 44
Aantal afgehandelde bezwaarschriften 144
waarvan (gedeeltelijk) gehonoreerd 111
waarvan afgewezen 33

Het aantal gehonoreerde aanvragen over de jaren verloopt enigszins grillig. Dit wordt veroorzaakt doordat de EET-tenderperioden een cyclus van acht maanden kennen. In het ene jaar valt derhalve de afwikkeling van twee tenders, in het daarop volgende jaar de afwikkeling van één tender.

Actieplan Life Science f 20,0 mln

In het actieplan voor starters op het gebied van life sciences (Kamerstukken II 1998/99, 25 518, nr. 17) wordt aangegeven dat Nederland op dit terrein een sterke kennispositie heeft. Deze kennispositie wordt echter onvoldoende te gelde gemaakt door commerciële activiteiten. Het doel van het actieplan is dan ook een substantiële groei van het aantal startende life sciences bedrijven – jaarlijks 15 tot 20 – te bewerkstelligen. De rol van de overheid is gericht op het stimuleren van marktinitiatieven en het bij elkaar brengen van relevante partijen. Voor het actieplan is in het aanloopjaar 1999 een budget van 5 mln beschikbaar. In de periode 2000 – 2004 is ieder jaar 20 mln beschikbaar.

Flankerend beleid; budget f 16,233 mln

Om de effectiviteit van het bedrijfsgerichte R&D-instrumentarium te vergroten, is een samenstel van flankerende activiteiten opgezet:

– Het bevorderen van samenwerking tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven en kennisinstellingen. Activiteiten in dit kader richten zich met name op het technologiegenererende bedrijfsleven.

– Het verspreiden van technologische kennis, met name naar het technologievolgend bedrijfsleven. Hierbij wordt specifiek aandacht besteed aan het MKB.

– Het besteden van aandacht aan niet technologische aspecten van innovatie, zoals bijvoorbeeld strategievorming, organisatievernieuwing en dergelijke.

Daarnaast worden flankerende activiteiten op het gebied van milieutechnologie ontplooid. Dit flankerend beleid richt zich met name op kennisdiffusie naar het MKB.

Elektronische snelwegen; budget f 49,865 mln

In de recent uitgebrachte nota «De Digitale Delta» (Kamerstukken II, 1998/99, 26 643, nr. 1) heeft het kabinet de ambitie uitgesproken dat Nederland tot de Europese kopgroep inzake de elektronische snelweg moet gaan behoren. Ook is in de nota verwoord welke activiteiten ondernomen moeten worden om deze doelstelling te bereiken. Vooralsnog worden er vijf terreinen onderkend waarop actie noodzakelijk is. Over de toedeling van het budget 2000 aan de verschillende actielijnen moet nog nadere besluitvorming plaatsvinden.

Bevordering maritiem gericht onderzoek; EZ-aandeel f 4,413 mln

Het besluit subsidies Maritiem Onderzoek (SMO) (Stb. 1997, 555) beoogt een vergroting van de onderzoeksinspanning in de maritieme sector. Tevens is het streven erop gericht een nauwe samenwerking te bevorderen tussen het maritieme bedrijfsleven en de maritieme kennisinfrastructuur. Naast de SMO-regeling worden op instigatie van het Nederlands Instituut voor maritiem onderzoek (NIM) meer fundamentele onderzoeksprojecten gesubsidieerd. Het Ministerie van V&W levert samen met EZ de middelen voor het maritieme onderzoek.

Infralijn en beleidsonderbouwend onderzoek; f 8,513 mln

De infralijngelden worden ingezet voor projecten op het grensvlak van be- drijfsmatige technologietoepassing en technisch-wetenschappelijke infra- structuur. Met dit budget worden ook externe evaluatie- en beleidsonder- zoeken gefinancierd. Daarnaast worden ook de uitgaven voor het innovatieve aanbestedingsbeleid op dit artikelonderdeel geraamd.

99–14 Instrument: Innovatieve overheidsaanbesteding

Beknopt resultaat: De overheid is, met een jaarlijkse inkoop van 18 mrd, een grote marktpartij, zeker als gecoördineerd wordt ingekocht. De beleidsmatige coördinatie moet de komende jaren worden versterkt. Dit moet twee gevolgen hebben: een betere verhouding tussen prijs en kwaliteit van de ingekochte goederen en diensten, en een stimulans voor toeleverende bedrijven om dit via onderlinge samenwerking en innovaties te realiseren. Zowel de opdrachtgever (de rijksoverheid) als de opdrachtnemer hebben daar voordeel bij. De evaluatie beveelt daartoe o.a. aan om meer aandacht te besteden aan de keuze tussen zelf doen of uitbesteden, voor het innovatieve karakter van in te kopen producten en diensten en de formulering van functionele eisen.

Technisch Wetenschappelijke Attaché's (TWA's); budget f 0,881 mln

De TWA's vormen een schakel in het ontsluiten van buitenlandse technologische kennis voor het Nederlandse bedrijfsleven, de kennisinfrastructuur en de overheidsinstellingen. Momenteel zijn er TWA-posten in de VS, Japan, Duitsland, Frankrijk, Italië en Singapore. De personele inzet voor deze posten bestaat uit 4,2 fte's. Met het beschikbare budget worden de materiële uitgaven van de TWA-posten gefinancierd, zoals bureaukosten en lokale inhuur van uitzendkrachten.

Kennisdiffusie MKB; budget f 9,000 mln en TNO/MKB-initiatief; budget f 2,075 mln

Het doel van de Subsidieregeling Haalbaarheidsprojecten MKB (Stcrt. 1997, 113) is het stimuleren van de ondernemers uit het technologievolgend MKB om nieuwe technologie toe te passen in hun productieprocessen, producten of dienstverleningen. TNO beoogt met het MKB-initiatief het vermogen van het MKB tot strategische planning en heroriëntatie te vergroten en tegelijkertijd de kennisvraag naar technologische vernieuwing op basis van die strategische planning te bevorderen.

98–17 Instrument: Haalbaarheidsprojecten MKB

Beknopt resultaat: Het instrument «dwingt» MKB'ers tot gestructureerd nadenken bij innovaties. Bijna 40% van de deelnemers behoort tot de directe doelgroep van «voorzichtige of twijfelende innovatoren». Deze MKB'ers zijn over het algemeen technologievolgend. Uit de evaluatie blijkt dat er maar weinig raakvlakken zijn met kennisoverdrachtregelingen als de TOK-voorstudie en het TNO-MKB initiatief. Ondernemers zijn zeer tevreden over de duidelijke en snelle aanvraagprocedure en de kwaliteit van de Sentermedewerkers. Mede naar aanleiding van de evaluatie is de Subsidieregeling Haalbaarheidsprojecten MKB 1998 gewijzigd. De wijziging moet onder meer het evenwicht tussen het aantal aanvragen en het beschikbare budget herstellen. Daartoe zijn ondernemers in de primaire landbouw en visserij uitgesloten. Verder krijgen alleen ondernemers met maximaal 250 werknemers nog subsidie. Ten derde is het subsidieplafond op structureel f 9 miljoen vastgesteld.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  389 234384 028369 004367 503367 503 
1e suppl. wet 1999  10 80111 37937 32537 32537 325 
Mutatie  – 13 630– 2 3521 671– 1 1561 935 
Ontwerp-begr. 2000795 432427 028386 405393 055408 000403 672406 763370 938
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000360 951 193 777175 343178 361185 142183 178184 581168 324
Waarvan te betalen715 789395 774343 952349 494364 911361 162361 381331 901

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  354 412357 321373 560378 795380 228 
1e Nota v Wijziging 1999  – 12 200– 10 508– 7 362– 13 116– 12 618 
1e suppl. wet 1999  – 27 6795 1989 346– 695– 15 400 
Mutatie  – 43 2888 30218 50711 75325 064 
Ontwerp-begr. 2000 268 318271 245360 313394 051376 737377 274367 376
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 121 757123 086163 503178 813170 956171 199166 708
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
570 Overige aktiviteiten     1 231858297 31 11.31
600 Stim. Strat. Samenwerking 645   20 10519 84739 818 31 11.31
620 Voorber. techno. prod. 17 51433 10759 426 24 48737 82938 324 62D 11.3
710 Milieu/PBTS 8 4567 1004 000 57 30925 43920 533 31 11.31
715 First movers  15 00015 000  6006 500 31 11.3
720 IOP     16 75912 0835 234 31 11.31
730 Maritiem Onderzoek 8 0925 4134 413 6 4707 5757 831 31 11.31
740 Flankerend beleid 15 08520 16336 233 13 22219 17720 821 31 11.31
745 Elektronische Snelweg 141 77682 42649 865 62 66149 85859 346 31 11.3
750 Infralijn & Bel.Onderz. 11 5703 7068 513 6 46910 3899 993 31 11.31
754 EET-programma 94 836110 811111 892 13 96444 47781 090 47D 11.1
760 TWA 1 526847881 1 467812905 12 11.31
770 KMO     716   31 11.7
780 Informatietechnologie     15 0686 5333 500 31 11.31
800 BTS 108 54396 75791 757 18 04424 15752 039 31 11.3
810 Kennisdiffusie MKB 16 9659 0009 000 7 9227 0499 987 31 11.3
811 TNO/MKB-initiatief 20202 0752 075  3 5854 095 31 11.3
914 Stimuleringsprogr.     1 500500  31 11.31
920 Biotechnologie     924477  31 11.31
Totaal art. 02.02 427 028386 405393 055 268 318271 245360 313    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Naar 03.05 Scheepsbouw– 23 857– 5 817– 2 820– 4 591– 1 500
2: Van 02.09 voor Twinning20 000     
3: Naar 02.07 Ruimtevaart– 11 282– 1 026   
4: Ombuiging– 6 143– 6 143– 6 143– 6 143– 6 143
5: Van 03.03 voor BTS-budget5 0005 0005 0005 0005 000
6: Budget voor Life Sciences 4 8614 8614 8614 861
7: Overloop budget Milieureferentieprojecten3 100    
8: Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties– 448773773– 283– 283
 – 13 630– 2 3521 671– 1 1561 935

ad 1: Voor de verhoging van het scheepsbouwbudget wordt in totaal f 38,6 mln naar artikel 03.05 Steun scheepsbouw overgeheveld vanuit de budgetten voor Voorbereiding technologische productie (f 27,7 mln) en Beleidsonderbouwend onderzoek (f 10,9 mln).

ad 2: Het budget voor het Twinning-initiatief wordt in 1999 met f 20 mln verhoogd. Dekking vindt plaats vanuit 02.09 Speur- en ontwikkelingswerk.

ad 3: Voor de verhoging van het ruimtevaartbudget wordt vanuit het budget voor beleidsonderbouwend onderzoek in totaal f 12,3 mln naar artikel 02.07 Internationale Ruimtevaartprogramma's overgeheveld.

ad 4: Door verlaging van het budget voor Voorbereiding technologische productie komt ruimte beschikbaar voor prioriteiten binnen de begroting en het gedeeltelijk invullen van de taakstelling die bij Voorjaarsnota is vastgesteld.

ad 5: Vanwege het grote beroep op de regeling Besluit Technologische Samenwerking wordt aanvullend budget beschikbaar gesteld. Voorgesteld wordt om het BTS-budget in 1999 te verhogen met f 10,0 mln. Gezien de verwachte doelmatigheidswinst van de voorgenomen samenvoeging van de regelingen BIT, BTS en SMO, kan in later jaren volstaan worden met een structurele ophoging van f 5 mln. Dekking vindt structureel plaats vanuit 03.03 Versterking Economische Structuur. De additionele f 5 mln voor 1999 komt uit een herschikking binnen het artikel.

ad 6: Het budget voor het actieplan Life Sciences wordt vanaf 2000 met f 12,5 mln verhoogd tot f 20,0 mln. Dekking vindt plaats vanuit artikel 02.09 Speur- en ontwikkelingswerk (f 4,9 mln) en binnen het artikel zelf.

ad 7: Omdat een aantal aanvragen onder de regeling Milieureferentieprojecten uit 1998 in 1999 is toegezegd, is het niet verplichte budget uit 1998 overgeheveld naar 1999.

De uitgavenmutaties zijn het gevolg van een actualisatie van de uitgavenraming op reeds aangegane en nog aan te gane verplichtingen op het artikel. Verwacht wordt dat de uitgaven later zullen plaatsvinden dan eerder werd verondersteld, zodat de raming 1999 substantieel verlaagd kan worden.

02.03 Internationale en algemene technologiestimulering

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Doelstelling is het continueren en verder stimuleren van de Nederlandse inbreng in programmatische en projectmatige internationale samenwerkingsverbanden tussen bedrijven. Hiertoe worden ook nationale projecten ondersteund, voor zover deze een internationale uitstraling hebben.

BIT; budget f 35,894 mln

Het Besluit subsidies bedrijfsgerichte internationale technologieprogramma's (Stb. 1997, nr. 331) stimuleert technologische samenwerking met bedrijven en kennisinstellingen in het buitenland. Momenteel maken drie programma's deel uit van het BIT. Allereerst ondersteunt het BIT de Eureka-projecten, waarbij Nederlandse en Europese bedrijven en kennisinstellingen samenwerken op R&D-gebied (budget f 20,4 mln). Daarnaast maakt ook het programma voor de stimulering van internationale technologische samenwerking met overige geïndustrialiseerde landen deel uit van het BIT. Voor 2000 gaat het om technologische samenwerking met de VS, Japan, Singapore en Israël en een beschikbaar budget van f 7,0 mln. Als laatste programmaonderdeel wordt de internationale technologische samenwerking met opkomende markten gestimuleerd. Voor 2000 gaat het hier om de landen Indonesië, India en Zuid-Afrika. Het voornemen bestaat het BIT ook open te stellen voor China. Het beschikbare budget bedraagt f 8,5 mln. Het budget voor het BIT-opkomende markten maakt onderdeel uit van de HGIS.

Kengetallen Bedrijfsgerichte internationale technologieprogramma's (BIT)
(Bedragen in verplichtingen x f 1 mln)artikel(-sub)Realisatie 1998Raming 1999Raming 2000
Ramingskengetallen    
1. Aantal aanvragen (=gehonoreerde aanvragen) 366576
2. Gemiddelde gehonoreerde toekenning per aanvraag 0,6570,5380,469
3. Toegelicht begrotingsbedrag (= subsidie)02.03–010/11/1323,66034,95935,894
Doelmatigheidskengetallen    
1. Aantal prestaties (= behandelde aanvragen) 92150150
2. Kosten per prestatie (x f 1000) 8,7985 8295 829
3. Aantal prestaties (= dossiers in beheer) 167166166
4. Kosten per prestatie (x f 1000) 3,9233,6433,643
5. Overige uitvoeringskosten 2,7192,6612,661
6. Toegelicht begrotingsbedrag (= uitvoeringskosten Senter)01.55–0104,1844,1404,140
7. Uitvoerend personeel in fte (= Senter) 15,615,715,7
Kwaliteitskengetallen    
Aantal ingediende bezwaarschriften 277
Aantal afgehandelde bezwaarschriften 477
waarvan (gedeeltelijk) gehonoreerd 221

De stijging van het aantal gehonoreerde aanvragen en het daarmee samenhangende budget voor 1999 en 2000 ten opzichte van 1998 wordt verklaard door het effect van de in 1997 geïntroduceerde verruiming van het instrument. Vanaf dat tijdstip kunnen ook samenwerkingsprojecten met een aantal geïndustrialiseerde landen en opkomende markten worden gesubsidieerd. Voor beide categorieën zijn geplafonneerde budgetten beschikbaar.

Op incidentele basis kunnen ook bilaterale technologische samenwerkingsprojecten worden ondersteund die door hun aard niet ingepast kunnen worden in het reguliere instrumentarium.

Micro-elektronica stimulering; budget f 80,0 mln

Met micro-elektronica stimulering wordt onderzoek en ontwikkeling op het terrein van deze basistechnologie ondersteund. Hierbinnen valt het MEDEA-programma. Dit is een omvangrijk Eureka-programma op het terrein van semi-conductors. Bij MEDEA (Micro Electronics Development for European Applications) zijn bedrijven betrokken als Philips, ASM International B.V., ASM Lithography B.V., SkyGate B.V., OnStream B.V. en DHV. Naast deze projecten worden ook andere Eureka-projecten ondersteund. Deze liggen onder andere op het terrein van embedded software (ITEA) en multimedia (COMMEND). De ondersteuning van deze projecten is gewenst om aansluiting te houden met internationale programma's. Hiervoor wordt aan Philips een bijdrage in de onderzoekskosten verleend. Tevens wordt sinds 1994 een aantal strategische samenwerkingsprojecten tussen Philips en de Nederlandse kennisinfrastructuur ondersteund. Het betreft onder andere projecten op het gebied van verkeerssystemen en micro-mechanica. De Tweede Kamer wordt jaarlijks separaat geïnformeerd over de technologiebijdrage aan Philips.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  151 474137 109137 109137 109137 109 
1e Nota v Wijziging 1999  – 25 000– 25 000– 25 000– 25 000– 25 000 
Mutatie   4 0005 0005 0005 000 
Ontwerp-begr. 2000120 848156 848126 474116 109117 109117 109117 109117 109
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100054 83871 17557 39152 68853 14253 14253 14253 142
Waarvan te betalen117 126152 881118 770111 440112 370112 370112 370112 370

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  143 803136 755133 685132 631132 720 
1e Nota v Wijziging 1999  – 13 750– 24 000– 26 250– 28 300– 29 000 
Mutatie  – 207– 10 3381 1259 2367 468 
Ontwerp-begr. 2000 144 490129 846102 417108 560113 567111 188112 370
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 65 56758 92246 47549 26251 53450 45550 991

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 BIT/Eureka 12 33620 39420 394 17 34910 0279 781 62D 11.31
011 BIT/Opkomende markten 5 4977 5658 500 1 1264 5968 892 62D 11.31
013 BIT/Geïndustrial. landen 9 8277 0007 000 6774 5067 463 43D 11.3
014 Eureka-secretariaat 313215215 313215215 43G 11.3
020 Micro-elektronica stim. 128 87591 30080 000 125 025110 50276 066 62D 11.31
Totaal art. 02.03 156 848126 474116 109 144 490129 846102 417    

c) De toelichting bij de cijfers

Om het budgetniveau 1999 structureel door te kunnen trekken en bovendien het BIT-opkomende markten ook voor China open te stellen, wordt voorgesteld het budget met structureel f 5 mln te verhogen. Dekking is gevonden binnen het geheel van het HGIS-deel van de EZ-begroting.

02.04 Overheidsaanschaffingen en bevordering bedrijfsgerichte samenwerking

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel wordt het budget voor de Codema-regeling geraamd. Doel van de Codema-regeling is het bevorderen van de deelname door het Nederlandse bedrijfsleven aan onderzoek en ontwikkeling op het gebied van defensiematerieel. De regeling voorziet in de ondersteuning van R&D-inspanningen op militair gebied. Hierbij zijn bedrijven betrokken als: SP Aerospace en Vehicle Systems, Delft Instruments, Hollandse Signaalapparaten, TNO-DO, Origin, CAP-GEMINI N.V., RDM en Philips-Crypto. De regeling richt zich met name op technologische onderzoeksprogramma's, waaronder het internationale samenwerkingsprogramma EUCLID. De Codema-regeling wordt samen met het Ministerie van Defensie uitgevoerd. EZ en Defensie dragen in principe ieder voor de helft bij aan het budget. In het verlengde van deze regeling wordt de Nederlandse deelname aan buitenlandse defensiebeurzen gestimuleerd. Op ad hoc basis draagt EZ bij in de kosten van deze beurzen. De voor 2000 geraamde EZ-bijdrage aan het Codema-budget en de bijdrage aan de beurzen bedraagt maximaal f 15,6 mln.

Incidenteel kunnen op dit artikel ook eerste toepassingen van innovatieve producten via de overheidsmarkt worden gestimuleerd.

Tevens worden op dit artikel de betalingen op in het verleden aangegane verplichtingen op de subsidieregeling bedrijfsgericht technologisch onderzoek (BTOC) geraamd.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  15 00015 00015 00015 00015 000 
Mutatie  2 600600600600600 
Ontwerp-begr. 200058 899 16 79117 60015 60015 60015 60015 60015 600
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100026 7277 6197 9877 0797 0797 0797 0797 079
Waarvan te betalen50 66514 82015 84014 04014 04014 04014 04014 040

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  18 60917 97914 31815 02614 500 
1e Nota v Wijziging 1999     – 1 500– 2000 
Mutatie  1 601– 7052 78720192 768 
Ontwerp-begr. 2000 18 59920 21017 27417 10515 54515 26814 525
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 8 4409 1717 8397 7627 0546 9286 591

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 O en O collectiviteiten     6 8282 9501 966 43D 11.01
020 Overheidsaanschaffingen 16 79117 60015 600 11 77117 26015 308 52 11.0
Totaal art. 02.04 16 79117 60015 600 18 59920 21017 274    

c) De toelichting bij de cijfers

Voorgesteld wordt het budget voor Overheidsaanschaffingen te verhogen voor de financiering van een cryptografieproject (f 0,6 mln meerjarig) en de ontwikkeling van een Hybride Bus (f 2 mln in 1999). Dekking vindt plaats uit artikel 03.03 Versterking economische structuur.

02.05 Syntens

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel wordt de EZ-bijdrage aan Syntens, het innovatienetwerk voor ondernemers, geraamd. Syntens ontstond uit de fusie per 1 januari 1998 van het voormalige IMK Voorlichting en het ICNN (Kamerstukken II 1996/97, 24 243, nr. 5, blz. 2). De missie van het netwerk is het versterken van het vernieuwend vermogen van het MKB, door het actief bemiddelen in praktisch toepasbare kennis, waarbij het accent ligt op technologie en bedrijfsvoering. Met Syntens beschikt het MKB over een adviesnetwerk met adviescapaciteit voor alle sectoren en het gehele scala van bedrijfsvoeringsaspecten. De activiteiten van de 15 vestigingen van het netwerk bestaan uit:

• het stimuleren en ondersteunen van vernieuwingsprocessen die leiden tot succesvolle innovaties door doelgroep- en themagerichte (collectieve) voorlichting en door landelijke en regionale projecten. Dit geschiedt door middel van het zelf aanbieden van praktisch toepasbare kennis, evenals het makelen en schakelen tussen kennisleveranciers en het MKB;

• het stimuleren van regionale, landelijke en internationale samenwerkingsverbanden gericht op vergroting van het vernieuwend vermogen van het MKB;

• het toegankelijk zijn voor ondernemers met vragen, passend binnen de missie;

• het informeren van overheden over relevante ontwikkelingen binnen het MKB.

Ter voorbereiding op de in de subsidieverplichtingen vastgelegde evaluatie van Syntens in 2001 wordt in november 1999 gestart met een nulmeting. In het kader van deze nulmeting worden doelmatigheids- en doeltreffendheidskengetallen ontwikkeld om onder meer zicht te krijgen op het effect van de Syntens-activiteiten op het innovatief vermogen van het MKB. De nieuwe kengetallen zullen worden opgenomen in de ontwerpbegroting 2001.

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  64 91564 64964 47064 47064 470 
1e Suppl. wet 1999  70 871  
Mutatie  3 284802296– 204– 704 
Ontwerp-begr. 200039679 447139 07065 45164 76664 26663 76663 766
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100018036 05163 10729 70029 39029 16328 93628 936

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  70 87164 91564 64964 47064 470 
Mutatie  1 9751 309802296– 204 
Ontwerp-begr. 2000 79 84372 84666 22465 45164 76664 26663 766
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 36 23133 05630 05129 70029 39029 16328 936

Economische code: 12 Functionele code: 11.3

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Inzet binnen EZ-begroting– 500– 1 000– 1 500– 2000– 2 500
2: Loon- en prijsbijstelling3 7841 8021 7961 7961 796
Totaal3 284802296– 204– 704

ad 1: Ter invulling van de ombuigingstaakstelling die bij het opstellen van de begroting overeengekomen werd, is een korting van f 0,5 mln oplopend tot f 2,5 mln aangebracht op de raming voor Syntens. De korting van f 0,5 mln die in de raming voor 1999 is verwerkt, heeft betrekking op de subsidie voor het uitvoeringsjaar 2000 die in het daaraan voorafgaande jaar wordt toegezegd.

02.06 Subsidies in het belang van de industriële ontwikkeling

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op het gebied van technologie verrichten diverse instituten strategisch onderzoek. Op dit artikelonderdeel worden de bijdragen geraamd, die ter versterking van de technologische kennisinfrastructuur aan deze instituten (onder meer NLR, MARIN, WL Delft Hydraulics en TNO) worden verstrekt. De bijdrage aan deze organisaties verstrekt EZ in de vorm van doel- en basissubsidies. Onder het laatste wordt een bijdrage in de exploitatie verstaan. Waar mogelijk is deze laatste vorm in de afgelopen jaren afgebouwd en omgezet in bijdragen die gerelateerd zijn aan concrete activiteiten op het gebied van industrie/technologie. De bijdrage aan TNO is gebaseerd op de TNO-wet (Stb. 1985, 762) van 19 december 1985 (regeling van de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek TNO). Bij de overige organisaties is veelal sprake van het goedkeuren van de jaarlijkse (project)begroting van het instituut.

Gegevens gefinancierde instituten *behalve de soort financiering betrekking hebbend op 1998)
 soort financiering (project of basis)aandeel Rijk in omzetwaarvan EZ-deel
Nederlands Instituut voor Maritiem onderzoekbasis100,0%40,0%
Maritiem InformatieCentrum / TU-Delftproject100,0%50,0%
Nederlands Normalisatie Instituutproject5,0%5,0%
Maritiem Research Instituut Nederlandmengvorm16,5%5,5%
Raad voor de Accreditatieproject4,5%4,0%
TNO doels. hfdst. VIIImengvorm37,5%6,7%
Stichting Nederland Distributielandbasis38,0%17,5%
Instituut Nederlandse Kwaliteitproject25,0%15,0%
Stichting Bos en Houtproject73,0%47,9%
NLR hoofdstuk XIImengvorm27,3%5,9%
Stichting Koning Willem Ibasis100,0%100,0%

* De gegevens (behalve de soort financiering) hebben betrekking op 1998.

Medio 1999 heeft de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) aan het kabinet advies uitgebracht over de zogenaamde Grote TechnologieInstituten (GTI's). Dit advies heeft betrekking op de positie van de GTI's ten opzichte van de overige publieke kennisinfrastructuur (intensivering van de relatie met instituten op het gebied van fundamenteel onderzoek), ten opzichte van private partijen (geen concurrentie maar samenwerking) en ten aanzien van internationale samenwerking (synergievoordeel mogelijk). Het kabinet onderschrijft in grote lijnen het advies en erkent dat de overheid een financiële verantwoordelijkheid voor de GTI's heeft. Dit omdat de instituten geen winstoogmerk hebben en het niet op voorhand duidelijk is of de ontwikkelde kennis economisch rendabel (d.w.z. kostendekkend) geëxploiteerd kan worden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de financiering van het op (top)niveau houden van basiskennis (basisfinanciering) en anderzijds de financiering van technologieontwikkeling ten behoeve van overheid en bedrijfsleven (doelfinanciering).

99–16 Instrument: Nederland Distributieland

Beknopt resultaat: «Nederland Distributieland» is een samenwerkingsverband van aanbieders van logistieke diensten. De organisatie heeft een succesvolle bijdrage geleverd aan de werkgelegenheid, de verdiensten en het aantrekken van ladingstromen. Mede door de inspanningen heeft Nederland een goede concurrentiepositie op logistiek gebied. Wel is er een achterstand op de Verenigde Staten als het gaat om innovaties en ontwikkeling van de bedrijfsstructuur. Verder kwam naar voren dat het milieu meer aandacht behoeft. In «Nederland Distributieland» moet wel meer aandacht zijn voor kennis en innovatie. Ook moet er rekening worden gehouden met de maatschappelijke acceptatie. Gezien de positieve evaluatie wordt de subsidie aan NDL de komende jaren voortgezet.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  68 06568 13671 97371 95971 959 
Mutatie  8 4535 2641 082514813 
Ontwerp-begr. 200075 71678 64076 51873 40073 05572 47372 77273 873
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100034 35835 68534 72233 30733 15132 88733 02233 522
Waarvan te betalen75 71678 64076 29373 17572 83072 24872 44973 468

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  74 13873 55175 79673 20171 959 
Mutatie  7 039437– 3 433– 1 479– 511 
Ontwerp-begr. 2000 86 31081 17773 98872 36371 72271 44871 548
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 39 16636 83733 57432 83732 54632 42232 467

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 NEHEM 2000   1 777400  31 11.3
025 NIM 870400400 817523400 31 11.31
027 MIC/TUD 400200100 400200100 43Z 11.3
110 NNI 2 0922 1142 108 2 2902 3872 109 31 11.3
120 MARIN 7 8065 0624 561 7 8065 0624 561 31 11.31
220 Oeso hoofdstuk V  5858  5858 43G 11.3
320 NBBI     155   31 11.3
330 NEA     338113  12 12.0
410 Raad voor de certificatie     166   12 11.3
415 Raad voor de Accreditatie 400400400  800400 43Z 11.3
420 TNO doelsubs. hfdst.VIII 55 27157 44155 425 54 33355 89355 658 31 11.3
500 Nederland Distributieland 1 0001 0001 000 1 0001 0001 000 31 11.3
510 INK 575575575 575575575 31 11.31
515 NMI 2 8001 3531 348 1 9763 4661 350 43Z 11.3
520 Stichting Bos en Hout 490490  490490490 12 11.31
620 NLR hoofdstuk XII 4 7754 2754 275 4 2754 2754 475 31 11.31
810 Stichting Koning Willem I 161150150 155150150 31 11.3
840 WL Delft Hydraulics  3 0003 000   694 31 11.31
860 STW     9 7575 7851 968 43Z 11.31
Totaal art 0 206 78 64076 51873 400 86 31081 17773 988    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Loon- en prijsbijstelling3 7291 9301 9151 9141 914
2: Aanpassing WL-hydrolics3 0002 334– 1 833– 2 400– 1 101
3: Van 03.03 voor NDL1 0001 0001 0001 000 
4: Van 03.03 voor missiesubsidie MARIN724
Totaal8 4535 2641 082514813

ad 1: Betreft loon- en prijsbijstelling voor de instituten, ten laste van de artikelen 01.03 en 01.04.

ad 2: Betreft de aanpassing van de raming voor de voorgenomen subsidierelatie met het Waterloopkundig Laboratorium/Delft Hydraulics. Die temporisatie verloopt budgettair neutraal.

ad 4: Naar aanleiding van de kabinetsreactie op het AWT-advies is de missiesubsidie aan het MARIN structureel met f 2,6 mln verhoogd, waaraan in 1999 incidenteel f 0,7 mln is toegevoegd. Dekking voor de structurele verhoging is gevonden binnen het artikel, voor de incidentele extra ophoging in 1999 komt de dekking van artikel 03.03 Versterking economische structuur.

02.07 Internationale ruimtevaartprogramma's

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de uitgaven aan internationale ruimtevaartprogramma's geraamd. Het gaat grotendeels om programma's van het Europese Ruimte Agentschap (ESA). Daarnaast worden enkele nationale en bilaterale programma's via het NIVR gesubsidieerd, bijvoorbeeld het Duits-Nederlands-Belgisch aardobservatie-instrument Sciamachy en het Nederlands-Finse ozonmeetinstrument OMI.

Het ruimtevaartbeleid wordt periodiek bijgesteld tijdens internationale ministersconferenties. In mei 1999 heeft een dergelijke conferentie plaats gevonden, waarin een groot aantal ESA-programma's is vastgesteld. De Nederlandse inzet tijdens deze ESA-ministersconferentie is beschreven in een geannoteerde agenda (Kamerstukken II 1998/99, 24 446, nr. 6) en de notitie «Ruimtevaart in het nieuwe millennium» (Kamerstukken II 1998/99, 24 446, nr. 7). Een verslag van de conferentie is aan de Tweede Kamer toegezonden (Kamerstukken II 1998/99, 24 446, nr. 9).

Naast EZ verstrekken ook de Ministers van OCenW, LNV en V&W bijdragen aan de programma's van ESA. Tegenover de rijksbijdragen staan ESA opdrachten aan de Nederlandse industrie en uitgaven van ESA via ESTEC in Nederland (jaarlijks circa f 500 mln).

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  67 357100 021124 34175 16159 380 
Mutatie  104 126– 33 9841 0701 2011 257 
Ontwerp-begr. 2000296 310101 742171 48366 037125 41176 36260 63760 637
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000134 46046 16977 81629 96656 90934 65227 51627 516

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  116 142108 28676 40385 79589 792 
Mutatie  19 52517 32917 86411 4668 120 
Ontwerp-begr. 2000 129 006135 667125 61594 26797 26197 91296 139
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 58 54061 56357 00242 77644 13544 43143 626

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 Deeln. int. ruimtevaart 17 06616 69716 541 17 06516 69716 541 43G 11.31
015 Telecommunicatie 1 0477 5002 100 3 8774 6924 702 43G 11.31
018 Ruimtetransport 31 559119 62626 416 56 14867 50874 916 43G 11.31
020 Basistechnologie 577   1 8241 0611 036 43G 11.31
040 Aardobservatie 35 0873 6604 880 37 13527 80915 320 43G 11.31
050 Ruimtestation/platform 16 40624 00016 100 12 95717 90013 100 43G 11.31
Totaal art 0 207 101 742171 48366 037 129 006135 667125 615    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Verhoging budget ruimtevaart102 500– 35 500   
2: Prijsbijstelling1 6261 5161 0701 2011 257
Totaal104 126– 33 9841 0701 2011 257

ad 1: Betreft een incidentele verhoging van het ruimtevaartbudget van in totaal f 67 mln voor deelname aan een aantal ontwikkelingsprogramma's. Hiervan is f 19 mln voor onvoorziene extra uitgaven aan het ERA-programma. Daarnaast wordt naar aanleiding van besluitvorming in de ESA-ministersconferentie van 11 en 12 mei 1999 het budget incidenteel opgehoogd met f 9 mln voor diverse zonnepanelenprogramma's en met f 39 mln voor het International Space Station (ISS). De uitgaven voor ISS en de extra middelen voor de zonnepanelen-programma's na 2004 worden opgevangen binnen het totaal van de ruimtevaartbegroting. Voor deze incidentele uitgaven wordt voor een deel dekking gevonden binnen artikel 02.02 (f 12 mln) en voor het resterende deel door incidentele vrijval en verschuiving van middelen binnen het geheel van de EZ-begroting.

02.08 Bevordering van de vliegtuigindustrie en ruimtevaart

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op basis van het regeringsstandpunt over de herstructurering en stimulering van het Nederlandse luchtvaartcluster (Kamerstukken II 1997/98, 25 820, nr. 1) zijn randvoorwaarden geschapen voor de industrie en de kennisinfrastructuur om te participeren in grote internationale vliegtuigontwikkelingsprogramma's. Het Kabinet heeft bij de Voorjaarsnota 1998 onder andere f 320 mln beschikbaar gesteld om het Nederlandse luchtvaartcluster in staat te stellen zich voor te bereiden op en te participeren in de ontwikkeling van de Airbus A3XX. Het budget zal op basis van het in voorbereiding zijnde Besluit Subsidies civiele vliegtuigontwikkeling worden toegekend aan de diverse projecten.

Daarnaast is f 150 mln beschikbaar gesteld voor de participatie in de ontwikkeling van de Joint Strike Fighter. Hiervan is f 100 mln op het onderhavige artikel begroot en f 50 mln op de begroting van het Ministerie van Defensie. Op 4 maart 1999 is in dit kader de Subsidieregeling demonstratie- en technologie-ontwikkelingsprojecten JSF in werking getreden (Stcrt. 1999, 42).

Belangrijke partijen in het luchtvaartcluster zijn de bedrijven Stork, Delft Instruments, Origin, Interturbine, Driessen Aircraft Interior Systems, Urenco Nederland, Philips Machinefabrieken B.V. en Hollandse Signaalapparaten. Daarnaast zijn de kennisinstellingen TNO en NLR cruciaal in het cluster.

De op de begroting beschikbare middelen alsmede het NIVR Revolving Fund vormen de financieringsbronnen voor de genoemde programma's. Er is geen sprake van een strakke compartimentering. Voor de jaren 1999 en 2000 ligt het zwaartepunt op de JSF omdat de kwalificatie voor de ontwikkelingsfase in 2000/2001 een feit moet zijn. Voor de Airbusprogramma's geldt een minder strak tijdschema omdat de besluitvorming over de A3XX is opgeschort.

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  41 50060 00060 00060 00067 000 
Ontwerp-begr. 2000 3 20041 50060 00060 00060 00067 00067 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 1 45218 83227 22727 22727 22730 40330 403

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  41 50060 00060 00060 00067 000 
Ontwerp-begr. 2000 3 20041 50060 00060 00060 00067 00067 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 1 45218 83227 22727 22727 22730 40330 403

Economische code: 31 Functionele code: 11.31

02.09 Speur- en ontwikkelingswerk

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn de ramingen voor het Besluit technische ontwikkelingskredieten (Stb. 1996, 611), het besluit Kredieten elektronische dienstenontwikkeling (KREDO; Stb. 1997, 554) en de Kredietregeling milieugerichte productontwikkeling (MPO; Stcrt. 1997, 240) opgenomen.

Besluit technische ontwikkelingskredieten (TOK); budget f 74,971 mln

Het doel van de TOK-regeling is het stimuleren van de technische ontwikkeling van voor Nederland nieuwe producten, processen of diensten die zonder een TOK niet, of slechts met grote vertraging, tot stand zouden komen. Vanuit deze regeling kunnen risicodragende kredieten worden verstrekt voor de financiering van technische ontwikkelingsprojecten. Terugbetaling van het krediet, inclusief de jaarlijks bijgeschreven rente, vindt plaats als met de betreffende ontwikkeling omzet wordt gemaakt. In het jaar 2000 zal de reguliere evaluatie van de regeling plaatsvinden. Daarnaast wordt gewerkt aan een wijziging van de regeling.

Kengetallen Technische ontwikkelingskredieten (TOK)
(Bedragen in verplichtingen x f 1 mln)artikel(-sub)Realisatie 1998Raming 1999Raming 2000
Ramingskengetallen    
1. Aantal (= gehonoreerde aanvragen TOK-groot) 111
2. Bedrag per eenheid (= kredietaanvraag TOK-groot) 25,00025,00025,000
3. Aantal (= gehonoreerde aanvragen TOK-klein) 575954
4. Bedrag per eenheid (= kredietaanvraag TOK-klein) 0,9740,9330,925
5. Toegelicht begrotingsbedrag (= verstrekt krediet)02.09–11080,52980,03774,971
Doelmatigheidskengetallen    
1. Aantal prestaties (= behandelde projecten) 137100100
2. Kosten per prestatie (x f 1000) 7,4769,3369,336
3. Aantal prestaties (= dossiers) 555600600
4. Kosten per prestatie (x f 1000) 2,4672,3762,376
5. Overige uitvoeringskosten 1,2451,2831,283
6. Toegelicht begrotingsbedrag (= uitvoeringskosten Senter)01.55–0103,6383,6433,643
7. Uitvoerend personeel in fte (= Senter) 16,516,916,9
Kwaliteitskengetallen    
Aantal ingediende bezwaarschriften 111111
Aantal afgehandelde bezwaarschriften 111111
waarvan (gedeeltelijk) gehonoreerd 122

Besluit Kredieten Elektronische Diensten Ontwikkeling (KREDO); budget f 20 mln

De KREDO is een invulling van het Actieprogramma Elektronische Snelwegen. Doel van de regeling is bij te dragen aan de totstandkoming van de elektronische snelwegen in Nederland door het stimuleren van de ontwikkeling van nieuwe elektronische diensten door individuele bedrijven. Het maximale krediet bedraagt f 4 mln per project. De terugbetaling van het krediet is gekoppeld aan het commercieel succes van het project.

97–16 Instrument: Kredieten elektronische dienstenontwikkeling (KREDO)

Beknopt resultaat: Het doel van de evaluatie van KREDO was tweeledig. Op de eerste plaats is een nulmeting gedaan. Daardoor kan de bijdrage van KREDO aan de (verdere) ontwikkeling van elektronische diensten in het vervolg beter gemeten worden. Verder is de wijze van uitvoering van KREDO tegen het licht gehouden. Uit de evaluatie kwam naar voren dat het instrument een stimulans is om een nieuwe elektronische dienst te ontwikkelen vanwege het afdekken van het financiële risico. De bekendheid en de toegankelijkheid van de regeling kunnen beter. Vooral startende en kleinere bedrijven bleken vaak moeilijk de aanvullende financiering rond te krijgen. Indirecte effecten zijn: verbetering van het innovatieve imago, betere uitstraling naar andere bedrijven, het aanspreken van nieuwe markten en de start van nieuwe ontwikkelingsprojecten. De voorlichting is verbeterd door gebruik te maken van concrete voorbeelden. Daarnaast is op basis van de evaluatie de ondergrens verlaagd van f 500 000 tot f 200 000, zodat ook kleinere bedrijven in aanmerking kunnen komen voor een KREDO-krediet.

Kengetallen Kredieten Elektronische DienstenOntwikkeling (KREDO)
(Bedragen in verplichtingen x f 1 mln)artikel(-sub)Realisatie 1998Raming 1999Raming 2000
Ramingskengetallen    
1. Aantallen aanvragen (=gehonoreerde aanvagen) 444032
2. Gemiddelde gehonoreerde toekenning per aanvraag 0,9420,6250,625
3. Toegelicht begrotingsbedrag (= verstrekt krediet)02.09–12041,42725,00020,000
Doelmatigheidskengetallen    
1. Aantal prestaties (= behandelde aanvragen) 104100100
2. Kosten per prestatie (x f 1000) 5,3036,1996,199
3. Aantal prestaties (= dossiers in beheer) 657575
4. Kosten per prestatie (x f 1000) 2,6302,5272,527
5. Overige uitvoeringskosten 0,8470,4340,434
6. Toegelicht begrotingsbedrag (= uitvoeringskosten Senter)01.55–0101,5691,2431,243
7. Uitvoerend personeel in fte (= Senter) 6,55,55,5
Kwaliteitskengetallen    
Aantal ingediende bezwaarschriften 544
Aantal afgehandelde bezwaarschriften 94
waarvan (gedeeltelijk) gehonoreerd 1

Kredietregeling Milieugerichte Productontwikkeling (MPO); budget f 5 mln

De Kredietregeling milieugerichte productontwikkeling beoogt de ontwikkeling te stimuleren van producten die het milieu zo min mogelijk belasten. De regeling is bedoeld voor bedrijven met ten hoogste 250 werknemers. Het krediet bedraagt niet meer dan 40% van de totale projectkosten en het maximale kredietbedrag is f 0,5 mln per project per jaar.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  116 337124 171134 726134 726150 143 
1e Nota v Wijziging 1999  – 6 300– 14 200– 19 700– 19 700– 25 000 
Mutatie   – 10 000– 15 000– 10 000– 5 000 
Ontwerp-begr. 2000230 559 126 008110 03799 971100 026105 026120 143120 143
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000104 623 57 18049 93345 36545 39047 65954 51954 519
Waarvan te betalen218 166120 52390 56787 54987 58693 399107 501106 879

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  109 944104 210109 106112 455116 588 
1e Nota v Wijziging 1999  – 567– 2 412– 5 463– 9 009– 25 000 
1e suppl. wet 1999  – 9 150– 4 150– 4 150– 4 425– 10 413 
Mutatie  699– 1 013– 4 086– 8 5194 242 
Ontwerp-begr. 2000 90 994100 92696 63595 40790 50285 41796 822
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 41 29145 79843 85143 29441 06838 76143 936

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
110 Ontwikkelingskredieten 80 52980 03774 971 83 13882 87676 717 72D 11.31
120 Diensten Ontwik. Krediet 41 42725 00020 000 5 13113 95016 600 72D 11.31
130 TOK-MPO 4 0525 0005 000 2 7254 1003 318 72D 11.31
Totaal art. 02.09 126 008110 03799 971 90 994100 92696 635    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Naar 02.02 voor Twinning – 5 000– 10 000– 5 000 
2: Naar 02.02 voor Life Sciences – 5 000– 5 000– 5 000– 5 000
Totaal – 10 000– 15 000– 10 000– 5 000

ad 1: Voorgesteld wordt een gedeelte van het budget op artikel 02.09 aan te wenden voor het Twinning-initiatief. Daartoe wordt het budget in de jaren 2000 tot en met 2002 met in totaal f 20 mln verlaagd en worden de vrijkomende middelen vervolgens vervroegd naar 1999. Zodoende komt in 1999 op artikel 02.02 Specifieke bedrijfsgerichte technologiestimulering f 20 mln vrij voor Twinning.

ad 2: Betreft dekking voor de structurele verhoging van het budget voor het actieplan Life Science (artikel 02.02).

02.12 Technologische infrastructuur

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden gelden geraamd voor Technologische vernieuwing, Onderzoek en voorlichting voor het technologiebeleid, de Stichting Technische Wetenschappen (STW), Innovatiegerichte Onderzoek Programma's (IOP's), Technologische Topinstituten (TTi's), het programma Technologie en Samenleving, de subsidieregeling Kennisdragers in het MKB (KIM) en de Subsidieregeling BrancheCentra voor Technologie.

Technologische vernieuwing; budget f 21,9 mln

• De Stichting AXIS, opgericht op initiatief van de Ministeries van EZ, OC&W en SZW, de werkgevers (VNO-NCW, MKB-Nederland), het beroeps- en het hoger onderwijs en het Centraal Bestuur Arbeidsvoorziening is in 1998 van start gegaan. Doel van de stichting is het kwantitatief en het kwalitatief beter laten aansluiten van vraag naar en aanbod van bèta- en technisch opgeleiden. In haar activiteitenplan 1999 heeft AXIS drie rollen opgenomen die zij de komende jaren wil vervullen: projectparticipant, netwerkorganisator en kenniscentrum. Ten behoeve van projecten en exploitatie ontvangt AXIS van zowel EZ als OCW f 20 mln voor een periode van 4 jaar (gezamenlijk f 40 mln). LNV draagt f 1,6 mln bij en SZW f 0,75 mln. Door cofinanciering van de projecten dient in de markt ten minste een gelijk bedrag te worden gegenereerd, zodat er in totaal voor ongeveer f 80 mln in deze problematiek zal worden geïnvesteerd.

• In het kader van de publieksvoorlichting is f 3 mln geraamd. De Stichting Wetenschap en Techniek Nederland (WeTeN) wordt gesubsidieerd door de Ministeries van OC&W en EZ. EZ heeft hiervoor f 3,75 mln (waarvan f 0,75 mln uit het EZ-voorlichtingsbudget) geraamd en OCW f 3 mln. Van deze subsidie is f 1 mln geoormerkt voor de Subsidieregeling publieksvoorlichting wetenschap en technologie. Deze beoogt kleinere onafhankelijke organisaties voor wetenschap- en techniekvoorlichting met een meerjarensubsidie van basissteun te voorzien. De stichting is in de eerste helft van 1999 geëvalueerd (evaluatienummer 1998–10). Het parlement zal in het najaar van 1999 nader over de resultaten worden geïnformeerd.

• De vormgeving van de innovatieve onderzoeksclusters (IOC's) voor Verkeer en vervoer en Duurzame energie zal in de loop van 1999 zijn beslag krijgen. Het voornemen om aan het Samenwerkingsverband Duurzame Energie (SDE) steun te verlenen is gemeld in Brussel. Voor het Kenniscentrum Verkeer en Vervoer (CONNEKT) wordt bezien of NWO een rol kan spelen bij de opstelling van een programma van (fundamenteel) strategisch onderzoek.

Onderzoek en voorlichting voor het technologiebeleid; budget f 4,9 mln

Betreft diverse onderzoeken en voorlichtingsprojecten in het kader van het technologiebeleid.

Stichting Technische Wetenschappen (STW); budget f 36,2 mln

Het doel van de EZ-bijdrage aan STW is het bevorderen van technisch-wetenschappelijk onderzoek van hoge kwaliteit en het gebruik van de resultaten daarvan door derden, in het bijzonder het bedrijfsleven. Met NWO is begin 1998 overeengekomen dat de EZ-bijdrage vanaf 1999 aanzienlijk wordt verhoogd van ruim f 20 mln tot ruim f 36 mln. NWO heeft laten weten dat het de voorgenomen verhoging van haar bijdrage aan STW om budgettaire redenen moet beperken tot circa f 10 mln. EZ heeft besloten zijn extra bijdrage te handhaven. Naar verwachting zal de gezamenlijke bijdrage van EZ en NWO daardoor structureel met circa f 26 mln worden verhoogd tot circa f 86,5 mln. Hiermee is nog steeds sprake van een aanzienlijke extra inspanning van EZ en NWO ter bevordering van utiliteitsgericht technisch-wetenschappelijk onderzoek. Met STW zullen afspraken worden gemaakt over een evaluatie van het open technologieprogramma van STW in 2001.

Innovatiegerichte Onderzoek Programma's (IOP); budget f 18,9 mln

Het IOP-instrument is een beproefd middel gebleken om onderzoeksinspanningen van universiteiten en onderzoeksinstellingen meer te richten op specifieke vragen en problemen uit het bedrijfsleven. Het wordt ingezet op terreinen die voor het Nederlandse bedrijfsleven van strategisch belang zijn en waar aansluiting van vraag en aanbod van kennis uit zichzelf niet of onvoldoende tot stand komt.

Evaluatie 98–15 IOP-instrument algemeen:

Beknopt resultaat: In twintig jaar zijn twintig Innovatiegerichte Onderzoek Programma's van start gegaan. De hoofddoelstelling, via een programmatische aanpak het strategische onderzoek aan de Nederlandse universiteiten en onderzoekinstituten te versterken in de richting van de innovatiebehoefte van het Nederlandse bedrijfsleven, is op de desbetreffende onderzoekgebieden in het algemeen in ruime mate bereikt. Het IOP is een effectief en doelmatig instrument voor de koppeling tussen strategische kennisvraag en het aanbod van wetenschappelijk onderzoek. Het is complementair aan andere technologiestimuleringsinstrumenten.

De IOP's Metalen (evaluatienummer 98–01), Katalyse (evaluatienummer 99–08) en Beeldverwerking (evaluatienummer 99–09) zijn geëvalueerd (voor de resultaten zie de evaluatiebijlage). Na goedkeuring van de meerjarenplannen zijn de IOP's Beeldverwerking en Oppervlaktetechnologie hun tweede fase ingegaan en is vooronderzoek verricht naar de mogelijkheden van een IOP Precisietechnologie. In 1999 is ook de eindevaluatie van het IOP Opto-Elektronica gestart. Een programmavoorbereidingscommissie heeft een meerjarenplan voor een IOP Precisietechnologie gemaakt. Verder is eind 1998 vanuit het IOP een financiële bijdrage geleverd aan het NWO-programma Embedded Systems.

Doelmatigheidskengetallen IOP
 Artikel (-sub)Realisatie 1998Raming 1999Raming 2000
1. Behandelde aanvragen (in aantallen) 2292100
2. Kosten per prestatie (x f 1000) 105,00024,50024,500
3. Aantal projecten in beheer (in aantallen) 295282300
4. Kosten per prestatie (x f 1000) 2,7052,7052,705
5. Toegelicht begrotingsbedrag (uitvoeringskosten Senter) (x f 1 mln)01.55–0203,13,33,2
6. Uitvoerend personeel in fte (= Senter) 13,613,613,6

Toelichting: In 1998 is de Ministeriële regeling IOP van kracht geworden. Hierdoor is de tendercyclus gewijzigd. De voorlopige tenderaanvragen voor subsidies in 1998 hebben al in 1997 plaatsgevonden. Mede hierdoor komt de realisatie van aanvragen in 1998 bijzonder laag uit. De ramingen voor 1999 en 2000 zijn hoog gesteld vanwege het feit dat in 2000 vijf IOP's zullen gaan tenderen (waarvan de voorlopige aanvragen in 1999 zullen worden ingediend).

Technologische Topinstituten (TTi's); budget f 42,5 mln

Doel van de TTi's is het bevorderen van het innovatievermogen en de concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven door middel van institutioneel georganiseerde samenwerking met de kennisinfrastructuur op het gebied van vraaggestuurd (fundamenteel-strategisch) onderzoek. Het betreft TTi's op de volgende voor Nederland strategische onderzoeksgebieden:

• Voedselwetenschappen

• Metaaltechnologie

• Telematica

• Polymeren

In 1999 is de opzet van de tussenevaluatie vastgesteld die in 2001 zal worden gehouden. Deze tussenevaluatie wordt evenals de monitoring van de vier TTI's georganiseerd door STW. In 1999 zal STW het monitoringrapport over het eerste volledige boekjaar (1998) uitbrengen. De eindevaluatie is in 2005.

Technologie en Samenleving; budget f 3,5 mln

In het programma Technologie en Samenleving worden interdepartementale projecten uitgevoerd die als doel hebben technologie in te zetten voor de oplossing van maatschappelijke vraagstukken. EZ beoogt hiermee:

• meer vraagsturing vanuit maatschappelijke trends te genereren;

• bij te dragen aan effectiviteit en efficiëntie van toepassingen in de publieke sector;

• marktimperfecties helpen op te lossen en daarmee het vergroten van de kansen van het bedrijfsleven op (semi-publieke) markten;

• integratie van technologiebeleid in beleid van andere ministeries.

Het programma richt zich op ouderentechnologie, technologie in de transmurale zorg, leren in de werkomgeving, gehandicapten, (re)integratie van mensen met een arbeidshandicap en technologische toepassingen om criminaliteit te voorkomen. Per thema is, tezamen met bijdragen van andere departementen, circa f 1 mln per jaar beschikbaar. Elk thema heeft in principe een looptijd van vier jaar. Eind 1999 zal het programma Technologie en Samenleving extern worden geëvalueerd.

Kennisdragers in het MKB (KIM); budget f 13,5 mln

EZ verstrekt subsidie aan MKB-ondernemers die een afgestudeerde academicus of HBO-er gedurende een jaar in dienst nemen voor de uitvoering van een technologisch innovatieproject. Hiermee wordt beoogd de ontwikkeling van technologische kennis in het MKB te stimuleren. Technologische vernieuwing staat centraal, maar ook hiermee verband houdende vernieuwende activiteiten op het gebied van de afzetmarkt of de organisatie van de onderneming kunnen deel uitmaken van een innovatieplan. De regeling wordt uitgevoerd door Syntens. Jaarlijks kunnen 450 tot 500 bedrijven aan de KIM-regeling deelnemen. Voor het einde van 1999 staat een evaluatie van de regeling gepland.

Kengetallen KIM
(Bedragen x f 1000)Realisatie 1998aRaming 1999Raming 2000
RAMINGSKENGETALLEN   
1. Ontvangen aanvragen (aantallen)429450500
2. Toegewezen aanvragen (aantallen)423405450
3. Loonkostensubsidie per KIM'er202020
4. Toegelicht begrotingsbedrag8 4608 1009 000
DOELMATIGHEIDSKENGETALLEN   
1. KIM'ers in dienst van MKB getreden (%)Onbekend7575
2. Kosten van begeleiding/adviesb2 5335 1845 000
3. Overige uitvoeringskostenb1 6771 9642 000
DOELTREFFENDHEIDSKENGETALLEN   
Continuering innovatie na beëindiging KIM-project (%)Onbekend7575

aAangezien de meeste projecten nog lopen, is het niet mogelijk om nu al vast te stellen welk percentage van de KIM'ers in dienst is getreden en hoeveel MKB'ers de innovatie hebben gecontinueerd.

bDe kosten van begeleiding/advies zijn inclusief kosten voor werving en selectie en inzet externe kennis. Deze kosten zijn door bedrijven gemaakt en door Syntens vergoed. Een deel van de uitvoeringskosten wordt betaald uit de reguliere subsidie aan Syntens op artikel 02.05.

Subsidieregeling BrancheCentra voor Technologie; budget f 2 mln (voorheen geraamd op artikelsub 05.01.140)

Eind 1998 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voornemens inzake de wijziging van de SBT. Op 12-03-1999 is de gewijzigde regeling in de Staatscourant (Stcrt. 1999, 50) gepubliceerd. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van 1998 zijn:

– beperking tot infrastructuur (branchecentra voor technologie; de component technologie-kennisprojecten is geschrapt);

– meer projectmatige opzet en verantwoording;

– meer nadruk op samenwerking.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  149 709149 966149 721149 907150 076 
1e Nota v Wijziging 1999  – 7 500– 7 500– 10 000– 10 000– 10 000 
1e suppl. wet 1999  10 8651 7462 181686908 
Mutatie  3 208– 778– 994– 7581 284 
Ontwerp-begr. 2000164 955 134 471156 282143 434140 908139 835142 268142 134
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100074 85361 02070 91865 08863 94163 45464 55864 498
Waarvan te betalen149 752124 908141 376139 127137 602136 678138 889139 606

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  98 529119 175129 056147 683151 320 
1e Nota v Wijziging 1999  – 1 500– 5 500– 7 500– 10 000– 10 000 
1e suppl. wet 1999  2102824738993 158 
Mutatie  12 030– 5 6434 5581 9382 683 
Ontwerp-begr. 2000 67 727109 269108 314126 587140 520147 161140 370
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 30 73349 58449 15157 44363 76566 77963 697

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 technologische vernieuwing 13 98233 78921 869 17 41622 86318 309 31 11.7
020 onderzoek technologiebeleid 4 9395 0614 947 5 2522 6454 555 12 11.0
030 STW 35 30335 83336 205 9 50216 63524 057 31 11.31
040 IOP's 15 27218 99918 930 2 87010 79613 591 31 11.31
050 Technologische Topinstituten 47 48342 50042 500 30 34442 61032 830 31 11.31
060 Technologie & Samenleving 5 0455 6003 474 1 4676 1953 220 31 11.7
070 KIM 12 44712 50013 509 8767 52511 352 31 11.4
080 BCT  2 0002 000   400 31 11.4
Totaal art 02.12 134 471156 282143 434 67 727109 269108 314    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: EZ-bijdrage NewMetropolis4 500     
2: Overheveling naar 05.02 – 1 491– 1 954– 1 954 
3: Overheveling naar 05.22– 1 000    
4: Overheveling naar 01.55– 985     
5: Loon- en prijsbijstelling4927139601 1961 284
6: Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties201  
Totaal3 208– 778– 994– 7581 284

ad 1: Door de overheid (EZ, OCenW en gemeente Amsterdam) wordt een bijdrage van in totaal f 11,0 mln verstrekt voor de versterking van de financiële positie van NewMetropolis. Het bedrag van f 11,0 mln is vooral bedoeld voor het oprichten van een educatief fonds en schuldsanering. Als gevolg van de maatregelen die met deze eenmalige financiële overheidsbijdrage genomen worden, bestaat er voldoende vertrouwen in een gezonde toekomstige exploitatie van NewMetropolis.

De uitgavenraming is (overwegend) verhoogd omdat naar schatting voor de uitfinanciering van de in het verleden aangegane verplichtingen, met name die voor technologische topinstituten en voor projecten in het kader van technologische vernieuwing, hogere uitgaven benodigd zijn.

02.13 Projecten gefinancierd uit het Fonds economische structuurversterking

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In het kader van de versterking van de ruimtelijke economische structuur zijn in het Regeerakkoord middelen uit het FES ter beschikking gesteld voor GigaPort (Kamerstukken II 1998/99, 25 017, nr. 11 en nr. 17). Binnen dit project worden technologieën ontwikkeld die snelheid, betrouwbaarheid en beveiliging van het Internet zullen verbeteren. Het project is opgezet onder regie van de Ministeries van EZ, OC&W en V&W.

De doelstellingen van GigaPort zijn onderverdeeld naar drie ambitieniveaus:

1. ontwerpen, bouwen en onderhouden van een breedbandnetwerk voor onderzoek en ontwikkeling in het algemeen en gebruik door universiteiten, hoge scholen en publiek gefinancierde onderzoeksinstituten in het bijzonder (GigaNet);

2. stimuleren van kennisontwikkeling en -diffusie in Nederland (GigaWorks);

3. versterken van de concurrentiepositie en economische ontwikkeling van Nederland (GigaPort als geheel).

De mate van meetbaarheid van de doelstellingen varieert per niveau. Voor het relatief best meetbare niveau (GigaNet) geldt de volgende doelstelling: «Het ultimo 2002 geoperationaliseerd hebben van een nieuw nationaal onderzoeksnetwerk met een snelheid van 80 Gbit/s in het hoofdaansluitnet (de »Backbone«).» Voor de doelstellingen (op alle drie niveau's) geldt dat afspraken gemaakt zijn over periodieke monitoring van doelbereik. In de begrotingsstukken kan op basis hiervan gerapporteerd worden over de voortgang van het project.

Naast GigaPort voert EZ drie FES-projecten uit: NOBIS (Nederlands Onderzoeksprogramma Biotechnologische In-situ Sanering), HPCN (High Performance Computing and Networking) (Kamerstukken II 1993/94, 22 512, nr. 7) en de financiering van investeringen in het Maritiem Research Instituut Nederland (MARIN). De totale bijdrage uit het FES aan de eerste twee projecten bedraagt f 60 mln. In 1996 is f 100 mln uit het FES beschikbaar gesteld voor investeringen in faciliteiten van MARIN voor hydromechanica en maritiem onderzoek. Voor een nadere toelichting op deze projecten zij verwezen naar de Financiële verantwoording EZ 1998 (Kamerstukken II 1998/99, 26 541, nr. 48).

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  
1e suppl. wet 1999  142 000  
Ontwerp-begr. 2000106 561 142 000  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100048 355 64 437     

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  46 061  
1e suppl. wet 1999  23 96438 00039 00040 000  
Ontwerp-begr. 2000 61 53670 02538 00039 00040 000  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 27 92431 77617 24417 69718 151  

Economische code: 31 Functionele code: 11.9

03.00 INDUSTRIE- EN DIENSTENBELEID

Het voornaamste bestanddeel van dit hoofdbeleidsterrein is het financiële instrumentarium ten dienste van het industriebeleid, voor zover dit niet primair technologisch is georiënteerd.

03.03 Versterking economische structuur

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn middelen geraamd voor de financiering van studies, alsmede de voorbereiding en uitvoering van het industrie- en dienstenbeleid. Het gaat hierbij met name om projecten waarbij brancheorganisaties en groepen van bedrijven samen met EZ onderzoek doen naar het benutten van kansen en het wegnemen van knelpunten. Concreet gaat het daarbij om onderwerpen als kennisoverdracht, voorlichting van de marktpartijen, externe advisering en het uitdragen van onderzoeksresultaten. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om een incidentele bijdrage te geven voor aanloopfinanciering van instituten. Subsidieverstrekking aan individuele bedrijven ten laste van dit artikel is nadrukkelijk uitgesloten.

Op dit artikel worden ook de uitgaven voor crisisbeheersing en de beheerskosten van de NIB geraamd.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  14 35514 32914 30214 30214 302 
Mutatie  – 9 747– 6 835– 6 835– 6 835– 5 724 
Ontwerp-begr. 200029 42020 1544 6087 4947 4677 4678 5788 578
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100013 3509 1452 0913 4013 3883 3883 8933 893
Waarvan te betalen23 81420 1184 1726 7706 7436 7437 7437 909

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  18 13917 72315 07513 07513 075 
Mutatie  – 7 663– 6 465– 7 005– 6 524– 5 932 
Ontwerp-begr. 2000 26 13810 47611 2588 0706 5517 1438 178
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 11 8614 7545 1093 6622 9733 2413 711
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 Vernieuwingsprogramma's 20 0924 3577 242 21 0206 0075 960 31 11.3
040 T&U via Senter     2 278185185 31 11.3
050 Branche struct. verb.MKB     104   31 11.4
060 Stim.Comm.Dienst.sector 62   61733  43Z 11.4
100 Beheerskosten  5152  5152 12 11.7
200 Crisisbeheersing  200200  200200 31 11.3
964 Bevorder. structuurverst.     2 1194 0004 861 62D 11.3
Totaal art. 03.03 20 1544 6087 494 26 13810 47611 258    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Naar 02.02 voor BTS– 5 139– 5 139– 5 139– 5 139– 5 193
2: Naar 02.04 voor Codema– 2 600– 600– 600– 600– 600
3: Naar 02.06 voor NDL– 1 111– 1 111– 1 111– 1 111 
4: Naar 02.06 voor MARIN– 804     
5: Overige mutaties– 9315151515
Totaal– 9 747– 6 835– 6 835– 6 835– 5 724

ad 1 t/m 4:Voorgesteld wordt een deel van het budget voor Versterking economische structuur in te zetten ten bate van Bedrijfsgerichte Technologische Samenwerkingsprojecten, een tweetal projecten in het kader van Overheidsaanschaffingen, voor voortzetting van subsidie aan Nederland DistributieLand en voor verhoging van de missiesubsidie MARIN. Het verschil in bedragen op de artikelen waar de middelen naar toe gaan, wordt verklaard door een verschil in kasuitfinanciering tussen de artikelen.

03.04 Industriële promotie

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn gelden geraamd voor de promotie van Nederland als investeringsland door het Commissariaat voor Buitenlandse Investeringen in Nederland (CBIN). Voor het promoten van Nederland als vestigingsland maakt het CBIN gebruik van PR-campagnes, direct-mail acties, bedrijfsbezoeken, bemiddelingen en dergelijke. Er zijn posten in de Verenigde Staten (New York, Chicago, San Mateo, Austin), Europa (Londen), Japan (Tokio en Osaka), Hong Kong, Korea (Seoel), Taiwan (Taipei) en Singapore. Gezien de grote bekendheid binnen Europa van Nederland als vestigingsland is de inschakeling van buitenlandse consulenten gericht op het werven van uit Europa afkomstige bedrijven in 1999 gestaakt. Deze activiteiten zullen vanaf medio 1999 reactief vanuit Nederland worden verricht. Deze ontwikkelingen zijn in onderstaand overzicht verwerkt.

Enkele gegevens met betrekking tot de bestaande posten
Artikelonderdeelaantal postenaantal fteverplichtingengem. per post
 in 1999(incl. lokaal)199819992000in 2000
USA419,07 3207 3207 3201 830
Japan (incl. Hong Kong)310,01 9832 0472 047682
Korea13,0307307307307
Taiwan13,0740654654654
Singapore14,0454431431431
Europa14,02 5851 8001 8001 800
Adviezen werkz. derdennvtnvt1 1852 0692 069nvt
Totaal1143,014 57414 62814 6281 142

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  14 62814 62814 62814 62814 628 
Ontwerp-begr. 20004 18314 57414 62814 62814 62814 62814 62814 628
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10001 8986 6136 6386 6386 6386 6386 6386 638
Waarvan te betalen3 88114 25514 62814 62814 62814 62814 62814 628

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  14 34014 63714 62814 62814 628 
Mutatie  685– 131  
Ontwerp-begr. 2000 13 05615 02514 50614 62814 62814 62814 628
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 5 9256 8186 5836 6386 6386 6386 638

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 Adviezen werkzaamh.derden 1 1852 0692 069 1 3609561 657 12 11.3
020 Werving Europa 2 5851 8001 800 2 8931 5151 690 12 11.3
030 Werving USA 7 3207 3207 320 6 0278 7617 720 12 11.3
040 Werving Japan 1 9832 0472 047 1 5332 3332 047 12 11.3
060 Werving Korea 307307307 292240307 12 11.3
070 Werving Taiwan 740654654 740654654 12 11.3
080 Werving Singapore 454431431 211566431 12 11.3
Totaal art 03.04 14 57414 62814 628 13 05615 02514 506    

03.05 Steun Scheepsbouw

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn de middelen geraamd voor de uitvoering van het Besluit subsidies zeescheepsnieuwbouw (Stbl. 1994, 437). Deze regeling is gebaseerd op de scheepsbouwsteunverordening van het Europese steunkader die 1 januari 1999 in werking is getreden en die voor vijf jaar zal gelden. Na deze periode zullen voor de scheepsbouwindustrie dezelfde regels van kracht moeten zijn als voor alle andere bedrijfstakken binnen de EU. Eén van de aspecten van de nieuwe verordening betreft de ordersteun. Deze zal zijn toegestaan in 1999 en 2000 waarbij de geldende steunplafonds van 4,5% en 9% voor respectievelijk kleine en grote schepen ongewijzigd blijven. Voor de jaren 1999 en 2000 is een budget van f 70 mln per jaar beschikbaar. In het jaar 2000 kunnen tevens subsidietoezeggingen worden gedaan die betrekking hebben op schepen die in de periode 2001–2003 (af)gebouwd zullen worden. Voor deze periode is f 60 mln beschikbaar. Zie hierover de brief aan de Kamer van 21 juni 1999, kenmerk ID/FZI/T 99 037 187.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  55 00055 000  
Mutatie  15 00075 000  
Ontwerp-begr. 200031 83155 00070 000130 000  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100014 44424 95831 76558 991    

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  59 43258 87713 7504 400  
Mutatie  10 37413 26336 25021 60010 000 
Ontwerp-begr. 2000 58 88569 80672 14050 00026 00010 000 
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 26 72131 67732 73622 68911 7984 538 

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 Steun scheepsbouwindustr. 55 00070 000130 000 58 76867 23869 640 31 11.3
030 NESEC      2 5002 500 31 11.3
909 rente-overbr.scheepsbouw     11768  31 11.3
Totaal art. 03.05 55 00070 000130 000 58 88569 80672 140    

c) De toelichting bij de cijfers

Het verplichtingenbudget voor Steun Scheepsbouw wordt in 1999 en 2000 verhoogd met f 15 mln per jaar ten laste van artikel 02.02 Specifieke bedrijfsgerichte technologiestimulering. Daarnaast wordt in 2000 eenmalig f 60 mln extra geraamd, bestemd voor handhaving van de concurrentiepositie van de Nederlandse scheepsbouwindustrie voor orders in de periode 2001 tot en met 2003. Deze ophoging is door het kabinet beschikbaar gesteld.

03.08 Bijdrage auto-ontwikkeling NedCar B.V.

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In 1999 heeft de Staat zijn laatste aandelen in NedCar B.V. verkocht en is tevens het resultaat van de Volvo-400-serie vastgesteld. Daardoor is het mogelijk de te verwachten betalingen tussen de Staat en NedCar B.V. thans in de begroting op te nemen.

De relaties van de Staat met NedCar zijn ontstaan bij de deelname van Mitsubishi Motors Corporation in NedCar (1991). Toen is in hoofdlijnen het volgende afgesproken.

– Het aandelenpakket van de Staat (waarvan een deel gehouden werd door DSM) is in 1991 van 70% naar 33,3% teruggebracht. Deze aandelen zouden uiterlijk in 1999 aan Volvo en Mitsubishi worden verkocht;

– De drie aandeelhouders hebben ieder een renteloze lening verstrekt van f 700 mln aan NedCar, terug te betalen voor 2005;

– De Staat en Volvo zijn in de verhouding 70:30 verantwoordelijk voor de verliezen van op de Volvo-400-serie.

In 1999 heeft de Staat zijn aandelen verkocht en is het resultaat van de Volvo-400-serie vastgesteld. Met de opbrengst van aandelen voor de Staat (f 220 mln) is een deel van de schuld van de Staat aan NedCar B.V. betaald voor afdekking van de verliezen van de V-400 serie, conform de overeenkomsten uit 1991. Het overige deel van deze schuld van de Staat aan NedCar B.V. is weggestreept tegen de terugbetalingen die NedCar aan de Staat reeds heeft gedaan of de komende jaren zou moeten doen uit hoofde van de genoemde renteloze lening. Het weggestreepte bedrag bevat daarnaast een korting in verband met het renteloze karakter van de lening en een bedrag voor overname van de hieronder genoemde lening.

Bij het vaststellen van het Volvo-400-resultaat zijn tevens de volgende twee punten vastgesteld.

– De toekomstige inkomsten uit de verkoop van reserve-onderdelen tot en met 2016 die aan de Staat toevallen. Deze opbrengsten worden geschat op f 240 mln;

– De Staat neemt een renteloze lening van NedCar aan Volvo ad f 14,6 mln (met een contante waarde van f 12,0 mln) over. Volvo betaalt deze lening (de zogenaamde Carpac loan) in negen jaarlijkse termijnen van f 1,4 mln terug aan de Staat.

In vorige begrotingen is telkens de garantie aan de Stichting NedCar Project financiering opgenomen. Deze garantie was bestemd ter financiering van de renteloze lening ad f 700 mln, voor zover deze niet gefinancierd kan worden uit:

– het revolving fund (royalties op eerdere modellen);

– de aandelenopbrengst 1991 ad f 241,7 mln.

Onder deze garantie ad f 85 mln is ultimo 1998 circa f 53 mln geleend bij de BNG ten behoeve van bovengenoemde financieringskosten.

Garantietabel NedCar
(Bedragen x f 1000)1998199920002001200220032004
garantieplafond85 00085 00085 00085 00085 00085 0000
uitst.risico 1 jan50 73252 92254 77056 69042 57532 3000
te vervallen garanties000– 16 100– 12 300– 32 3000
toename risico ivm. rente2 1901 8481 9201 9852 02500
uitst. risico 31 dec 52 92254 77056 69042 57532 30000

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  220 000  
1e suppl. wet 1999  245 653  
Mutatie  44 847  
Ontwerp-begr. 200085 000 510 500  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100038 571 231 655     
Waarvan te betalen60 700 510 500     

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  220 000  
1e suppl. wet 1999  83 60082 10077 1002 853  
Mutatie  206 900– 82 100– 61 0009 44732 300 
Ontwerp-begr. 2000  510 500 16 10012 30032 300 
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000  231 655 7 3065 58114 657 

Economische code: 31 Functionele code: 11.3

c) De toelichting bij de cijfers

Hieronder volgt een toelichting op de individuele begrotingsmutaties, waarmee de afwikkeling van de financiële relaties tussen de Staat en NedCar B.V. in de begroting wordt verwerkt (zie ook ontvangstenartikel 03.03).

De ontvangsten uit de aandelenoverdracht van de Staat in NedCar B.V. aan Volvo Car Corporation en Mitsubishi Motors Corporation worden verantwoord op de begroting van het Ministerie van Financiën. Hierover is de Tweede Kamer per brief van 14 december 1998 geïnformeerd (Kamerstukken II 1998/99, 26 200 XIII, nr. 33).

De Staat ontvangt van NedCar de aflossing van de lening voor een projectfinanciering (totaal f 700 mln) en royalties uit hoofde van verkoop van reserve-onderdelen (f 240 mln). Uit deze ontvangsten betaalt de Staat de lening van NedCar B.V. aan de Staat voor afdekking van de verliezen van V400 serie af. Een ander deel van de ontvangsten wordt ingezet voor de afwikkeling van de lening van DSM aan de Staat. De resterende ontvangsten vallen vrij ten gunste van het generale beeld van de rijksbegroting.

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Terugbetaling schuld V40035 447     
2: Overname Carpac loan9 400  
Totaal44 847    

ad 1: Om de schuld van de Staat aan NedCar B.V. inzake de V400 in één termijn te kunnen betalen wordt de raming met f 35,4 mln opgehoogd en worden de kasbedragen uit 2000 tot en met 2003 vervroegd naar 1999. Compensatie vindt plaats uit hogere ontvangsten op het ontvangstenartikel 03.03.

ad 2: Binnen het totaal van bovengenoemde afspraken, neemt de Staat in 1999 de Carpac loan van NedCar over. De uitgavenraming wordt daartoe met f 9,4 mln verhoogd. Hiertegenover staan ontvangsten vanaf het jaar 2000, die op ontvangstenartikel 03.03 geraamd worden.

03.09 Garantieregeling Particuliere Participatiemaatschappijen 1981

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel vinden alleen nog betalingen plaats voortvloeiende uit verleende garanties uit hoofde van het Besluit Garantieregeling Particuliere Participatiemaatschappijen (PPM) (Stb. 1994, 318). De regeling is met ingang van 1996 beëindigd. Het verwachte verloop van de nog uitstaande garanties is in onderstaande tabel weergegeven.

Garantietabel PPM
(Bedragen x f 1000)1998199920002001200220032004
uitst.risico 1 jan30 06625 10618 10611 1064 10600
te vervallen gar. – 4 960– 7 000– 7 000– 7 000– 4 10600
te verlenen garanties0000000
uitst. risico 31 dec25 10618 10611 1064 106000

b) De cijfers

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  2 9761 6501 304688331 
Mutatie  – 176– 501461269 
Ontwerp-begr. 2000 4 9602 8001 6001 450700400 
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 2 2511 271726658318182 

Economische code: 63D Functionele code: 11.4

03.12 Bijdrage aan de Industriefaciliteit

De grondslag van het artikel, het te voeren beleid en de cijfers

In 1993 is door de Staat het initiatief genomen tot de oprichting van de Industriefaciliteit, in samenwerking met banken, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen (zie Kamerstukken II 1993/94, 23 474, nrs. 85 en 1 voor nadere informatie omtrent dit instrument). In de onderstaande tabel is de stand van de uitstaande garantieverplichting weergegeven. In de ramingen zijn geen nieuwe garantieverplichtingen of uitgaven voorzien. In de loop van 1999 zal een beslissing worden genomen over de voortzetting van het instrument. De Kamer zal hierover nader worden geïnformeerd.

Garantietabel Industriefaciliteit
(Bedragen x f 1000)19981999200020012002
garantieplafond150 000150 000150 000150 000150 000
uitstaand risico 1 jan150 000150 000150 000150 000150 000
te vervallen garanties00000
te verlenen garanties00000
uitstaand risico 31 dec150 000150 000150 000150 000150 000

04.00 RUIMTELIJK ECONOMISCH BELEID

In 2000 breekt een nieuwe periode aan in het ruimtelijk-economisch beleid. In de Nota Ruimtelijk Economisch Beleid, Dynamiek in Netwerken, die op 1 juni 1999 aan het parlement is aangeboden (Kamerstukken II 1998/99, 26 570) worden de hoofdlijnen voor het beleid vanaf 2000 uiteengezet. In de nota wordt een aantal accentverschuivingen in het beleid aangegeven dat ook consequenties heeft voor de vormgeving en inrichting van het beleidsinstrumentarium. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.2. van de Memorie van Toelichting, waar in tabel 1 een overzicht wordt gegeven van (de wijzigingen van) het financieel instrumentarium. De belangrijkste wijzigingen zijn:

• de IPR wordt aangepast naar werkingsgebied, premiepercentage en subsidiabele projecten;

• het ISP en de decentrale IPR worden vervangen door het Ruimtelijk-Economisch Ontwikkelingsprogramma Noord-Nederland (REONN) «Kompas voor het Noorden»;

• er vinden aanzienlijke wijzigingen plaats in de structuur en regionale verdeling van de Europese Structuurfondsen, met belangrijke consequenties voor de cofinanciering vanuit EZ;

• er wordt een nieuwe beleidslijn ontwikkeld voor de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM's);

• de StiREA-regeling, die van kracht was van 1996 tot en met 1999, wordt vervangen door de nieuwe Tender Investeringsprogramma's Provincies (TIPP);

• er wordt een Stadseconomiebudget tot ontwikkeling gebracht dat voor een aanzienlijk deel via de EZ-begroting zal worden gevoed;

• er vindt een wijziging plaats in de financieringswijze van toeristische organisaties (een eerste stap betreft de samenvoeging van NBT, AVN en zo mogelijk ANVV), die op termijn worden gebundeld tot één toeristisch huis.

04.01 Bijdragen ten behoeve van regionale ontwikkelingsmaatschappijen en overige

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Het doel van de vijf regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM's) is het versterken van de economische structuur door in samenwerking met het bedrijfsleven, nieuwe en vernieuwende economische activiteiten in hun regio tot stand te brengen. De bijdrage van EZ bestaat uit:

• een bijdrage in de apparaatskosten van de ROM's;

• uitgaven uit hoofde van het nieuwe regime van de financieringsbedrijven, te weten deelname van de Staat in het aandelenvermogen van de ROM's.

De modaliteiten van de bijdragen inzake het oude en het nieuwe regime van het financieringsbedrijf liggen vast in de contracten die de Staat met de individuele ROM's heeft afgesloten. In 1993 is een beleidslijn uitgezet waarbij de ROM's meer een instrument van en voor de provincies zijn geworden. Dit beleidskader loopt af in 1999. In 1998 is een benchmark uitgevoerd naar ROM's in verschillende Noord-West-Europese landen (evaluatienummer 98–13). De uitkomsten worden gebruikt bij de samen met de betrokken provincies te ontwikkelen nieuwe beleidslijn met betrekking tot de ROM's. Daarbij wordt breed gekeken welke rol ROM's kunnen vervullen bij de versterking van de regionaal-economische structuur. De hoofdlijnen van dit nieuwe beleidskader worden na de zomer 1999 ingevuld, in nauwe samenhang met de verdere vormgeving van het industriebeleid.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  11 22411 12811 12811 12811 128 
1e suppl. wet 1999  1 500     
Ontwerp-begr. 200071 35211 22312 72411 12811 12811 12811  12811 128
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100032 3785 0935 7745 0505 0505 0505 0505 050
Waarvan te betalen71 35211 22311 22411 12811 12811 12811 12811 128

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  11 22433 14732 12828 86613 938 
1e Nota van Wijziging 1999   – 22 000– 21 000– 17 738  
Mutatie  23   – 2 810 
Ontwerp-begr. 2000 11 53311 24711 14711 12811 12811 12811  128
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 5 2335 1045 0585 0505 0505 0505 050

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 nom apparaatskosten 4 6964 6964 696 4 7464 7204 696 31 11.3
110 liof apparaatskosten 2 6582 6582 658 2 7892 6582 658 31 11.3
210 oom apparaatskosten 1 6071 6071 607 1 6531 6071 607 31 11.3
310 gom apparaatskosten 870871871 896870871 31 11.3
410 bom apparaatskosten 1 2961 2961 296 1 3531 2961 296 31 11.3
610 medewerkers overige instituten 9696  969619 43Z 11.3
750 gom financieringsbedrijf oud  1 500      63D 11.3
Totaal art. 04.01 11 22312 72411 128 11 53311 24711 147    

04.04 Voorwaardenscheppend beleid

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De uitgaven geraamd op dit artikel zijn bestemd voor de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit het tot en met 1 988 gevoerde infrastructuurbeleid.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999   300    
Mutatie  2 9472 948    
Ontwerp-begr. 2000 8 8432 9473 248    
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 4 0131 3371 474    

Economische code: 62C Functionele code: 11.0

04.05 Structuurversterkende projecten in het kader van de BRT-compensatie

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De verplichtingenruimte 1999 is bestemd voor de verlenging van de start- en landingsbaan op vliegveld Eelde. Het is het laatste structuurversterkende project ter compensatie van het afschaffen van de Bijzondere Regionale Toeslag (BRT) in de WIR in 1984. Daarnaast zijn nog betalingen voorzien in verband met diverse in het verleden afgegeven toezeggingen.

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999        
1e suppl. wet 1999  14 035     
Ontwerp-begr. 200069 443 14 035     
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100031 512 6 369     
Waarvan te betalen10 434 14 035     
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  5 5088 50818 79618 79718 797 
Mutatie  – 3 508– 3 000– 13 288– 12 852– 16 797 
Ontwerp-begr. 2000  20005 5085 5085 9455 508 
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000  9082 4992 4992 6982 499 

Economische code: 62C Functionele code: 11.0

04.08 Bevordering investeringen voor regionale structuurversterking (was: Bevordering regionale bedrijfsinvesteringen)

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De op dit artikel geraamde gelden dienen ter versterking van de economische structuur en ter stimulering van investeringen in regio's die in aanmerking komen voor regionale steun. De centrale regeling (de IPR) wordt uitgevoerd door EZ en het Ruimtelijk-Economisch Ontwikkelingsprogramma Noord-Nederland (REONN) door het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN).

IPR-centraal; budget f 44,9 mln

Uitvoering van het centrale deel van de IPR geschiedt op basis van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten (laatstelijk gewijzigd 7 september 1998, Stb.1998, 550). De lopende goedkeuring van de Europese Commissie is van kracht tot en met 1999. Thans worden voorbereidingen getroffen voor een nieuwe regeling van 2000 tot en met 2006.

Evaluatie 99–01 Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten (IPR):

Beknopt resultaat: De subsidie is bij ongeveer 75% van de respondenten van grote invloed bij de locatiekeuze van nieuwe vestigingen in het Noorden. Bij uitbreidingsinvesteringen is hier veel minder sprake van; voor deze categorie ligt het percentage op minder dan 50%. Subsidie vergemakkelijkt de financiering van projecten en vergroot vaak de investeringsomvang. In de periode 1993–1997 zijn ruim 6 400 nieuwe arbeidsplaatsen gecreëerd (van de in totaal ruim 10 000 verworven arbeidsplaatsen in het Noorden).

Gebruik: De resultaten zijn gebruikt bij de opzet van de vernieuwde IPR-regeling voor de periode 2000–2006.

De evaluatie heeft uitgewezen dat de effectiviteit van subsidiëring van uitbreidingsinvesteringen gering is. Daarom is er voor gekozen de centrale IPR in het Noorden primair te richten op vestigingsprojecten en slechts zeer selectief van toepassing te verklaren op omvangrijke uitbreidingsprojecten. Bovendien zal de centrale IPR zich beperken tot vijf kernzones in het Noorden. Het werkingsgebied zal dan betreffen kernzones binnen de provincies Groningen, Friesland en Drenthe, waaraan toegevoegd zijn de gemeenten Hardenberg en Steenwijk in Overijssel.

De subsidiëring van vestigingsprojecten door de decentrale IPR zal zich eveneens beperken tot de kernzones, terwijl ook hier de intentie is zeer selectief te zijn bij het ondersteunen van uitbreidingsprojecten. Als ondergrens geldt een investeringsomvang van f 1 mln. De Europese Commissie is voorgesteld om de IPR voor majeure vestigingsprojecten (meer dan f 30 mln subsidiabele investeringen) ook voort te zetten in Twente en Zuidelijk-Limburg. Zulke regelingen bestaan immers ook nog steeds in de aangrenzende Duitse en Belgische regio's. Gelet op de noodzakelijke inperking van de steunkaart en de beschikbaarheid van bedrijventerreinen worden de regio's in Twente en Zuidelijk-Limburg wel in omvang beperkt en deels (in Limburg) qua samenstelling gewijzigd.

Op 28 juli jongstleden maakte de Europese Commissie bekend dat een procedure zal worden gestart naar aanleiding van de Nederlandse steunkaart, een officiële bekendmaking van het feit dat de Europese Commissie niet akkoord is met de door Nederland ingediende steunvoorstellen. Een dergelijke procedure houdt ten eerste in dat Nederland in een brief van de Europese Commissie gevraagd wordt om een nadere toelichting te geven op de steunvoorstellen, waarna er verdere gesprekken zullen volgen met de Europese Commissie. Ten tweede hebben alle betrokkenen, waaronder de andere lidstaten, de gelegenheid om in de richting van de Europese Commissie te reageren op de Nederlandse steunvoorstellen. Deze procedure neemt zeker enkele maanden in beslag. Als geen overeenstemming kan worden bereikt dan zal de Europese Commissie daarna eenzijdig, op basis van beide voornoemde exercities, de steunkaart voor Nederland vaststellen. Mocht Nederland niet akkoord gaan met de door de Europese Commissie vastgestelde steunkaart, dan staat er vervolgens alleen nog een beroepsmogelijkheid open bij het Europese Hof.

Een in 1998 aangebrachte aanpassing betreft het opnemen van fundamentele wijzigingsprojecten in het Noorden. Deze projecten dienen van bijzonder belang van de regionale economie te zijn en de subsidiabele investeringen dienen meer dan f 100 mln te bedragen. Bedrijven die dergelijke investeringen plegen, dienen aan tenminste 400 arbeidsplaatsen werkgelegenheid te bieden. Het is het voornemen om deze aanpassing te continueren in de nieuwe regeling.

Kengetallen IPR-centraal
(Bedragen in verplichtingen x f 1 mln)Artikel (-sub)Realisatie 1998*Raming 1999Raming 2000
Ramingskengetallen    
1. Toegezegde subsidies (in aantallen) 1198
2. Gemiddeld bedrag per toezegging 14,75,15,6
3. Toegezegde subsidies04.08–010161,545,744,9
Doeltreffendheidskengetallen    
1. Te realiseren arbeidsplaatsen (in aantallen) 1 8351 6001 435
2. Premie per arbeidsplaats 0,0880,0290,031
3. Investeringen 1 145630560
4. Premiepercentage (in%) (subsidie/investeringen) 14,17,38,0

*incl. incidentele verhoging ad f 110 mln

REONN; budget f 124,7 mln.

Het beleidsprogramma het Ruimtelijk-Economisch Ontwikkelingsprogramma Noord-Nederland (REONN) «Kompas voor het Noorden» van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) is de beleidsopvolger van het Integraal Structuurplan Noorden des Lands (ISP). De decentrale IPR en ISP worden samengevoegd. De EZ-bijdrage aan dit programma is met ingang van 2000 bij dit artikel ondergebracht. Voor de afwikkeling van de tot en met 1999 aangegane ISP-verplichtingen wordt verwezen naar artikelsub 04.09 010.

Evaluatie 99–33 Integraal Structuurplan Noorden des lands (ISP).

Beknopt resultaat: Een groot aantal projecten is van start gegaan die in het algemeen goed aansluiten bij de doelstellingen. Aanbevelingen:

In het nieuwe beleid voor 2000–2006 drie subprogramma's uitwerken: economische kernzones, stedelijke ontwikkeling en plattelandsontwikkeling; mits deze elkaar inhoudelijk niet overlappen;

• Het beleid voor de marktsector, de publieke sector en de Europese programma's moet veel meer met elkaar in samenhang worden gebracht om de effectiviteit te vergroten;

• Bij de indiening en besluitvorming mogen grenzen tussen de drie noordelijke provincies geen rol meer spelen;

• Het genereren en indienen van zowel marktsector als publieke projecten moet worden losgekoppeld van de besluitvorming;

• Bij de goedkeuringsprocedures moet de objectiviteit beter worden gewaarborgd;

• Voor het nieuwe programma 2000–2006 moeten tastbare doelstellingen worden geformuleerd en toetsbare criteria op projectniveau;

• Er moet een goede voortgangscontrole komen met heldere indicatoren en meetpunten zodat de resultaten van het beleid beter kunnen worden vastgelegd;

• Er moet een slagvaardige uitvoeringsorganisatie komen op noordelijke schaal onder de verantwoordelijkheid van het SNN, waarin de samenhang tussen de verschillende programma-onderdelen is gewaarborgd;

• Voor het beleid gericht op de marktsector moet er een grote betrokkenheid van deze sector blijven;

Gebruik: Het onderzoek zal worden gebruikt bij de nieuwe opzet van het REONN.

De decentrale IPR is een integraal onderdeel van het REONN-programma. Daarmee wordt meer flexibiliteit bereikt in de inzet van de middelen voor Noord-Nederland. Tussen EZ en het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) worden afspraken gemaakt over de aanwending van EZ-middelen voor REONN. Afgesproken kan worden een groter of een kleiner deelbudget in te zetten voor de decentrale IPR.

EFRO-cofinanciering; budget f 24,3 mln.

Betreft middelen die dienen ter cofinanciering van programma's en projecten die door de Europese Unie worden ondersteund uit het Europees Fonds Regionale Ontwikkeling (EFRO).

Evaluatie 99–03a: Cofinanciering (Interreg)-tussentijdse evaluatie van de programma's '96–'99: Beknopt resultaat: Veel projecten zouden zonder Interreg II-subsidie niet of op een veel beperktere schaal van de grond zijn gekomen. Dankzij deze projecten is de grensoverschrijdende samenwerking (een van de belangrijkste doelstellingen) geïnitieerd of bevorderd. Alle betrokkenen zetten zich in voor een goede invulling van de programma's. Gebruik: De evaluatie is aan de Europese Commissie aangeboden. De aanbevelingen zijn gebruikt om waar nog mogelijk verbeteringen in de programma-organisatie door te voeren.

Evaluatie 99–03b Cofinanciering (Konver) – tussentijdse evaluatie van het programma's '96–'99:

Beknopt resultaat: Het programma loopt op schema, heeft een goede voortgang en organisatiestructuur functioneert goed. Het tweede spoor van het programma (versterken andere regionale economische functies) verloopt succesvoller dan het eerste spoor (alternatieve economische functies geven voor militaire gebouwen en complexen). Oorzaak hiervan is de beperkte tijdsduur van het programma: herstructurering neemt meestal langere termijnen (RO-procedures etc) in beslag. Gebruik: De evaluatie is aan de Europese Commissie aangeboden. De aanbevelingen zijn gebruikt om waar nog mogelijk verbeteringen in de programma-organisatie door te voeren.

Vanaf 2000 loopt de nieuwe beleidsperiode van de zogenaamde Structuurfondsen. Hierover is in maart 1999 overeenstemming bereikt tijdens de Europese Top te Berlijn. In de nieuwe periode zijn drie doelstellingen van kracht:

doelstelling 1 bevordering van de ontwikkeling en de structurele aanpassing van de regio's met een ontwikkelingsachterstand;

doelstelling 2 ondersteuning van de economische en sociale omschakeling van de in structurele moeilijkheden verkerende zones;

doelstelling 3 ondersteuning van de aanpassing en de modernisering van het beleid en de systemen op het gebied van onderwijs, opleiding en werkgelegenheid.

Het EFRO is van toepassing in doelstelling 1 en 2 regio's. In de nieuwe periode zal doelstelling 2 in het Noorden, de reconstructiegebieden en enkele steden van toepassing zijn. Najaar 1999 moeten de betrokken regio's hun economische actieprogramma's indienen bij de Europese Commissie.

De huidige doelstelling 1, doelstelling 2 en doelstelling 5b-gebieden die niet onder de hierboven genoemde gebieden vallen, zullen in aanmerking komen voor uitfaseringssteun. Daarnaast zullen in de komende periode 2000–2006 vier Communautaire Initiatieven in het kader van de Structuurfondsen uitgevoerd worden. Voor EZ is daarbij van belang de voortzetting van het Communautaire Initiatief Interreg gericht op de grensoverschrijdende samenwerking.

De cofinancieringsbijdragen die EZ verstrekt aan de regio's vinden plaats krachtens het Besluit Cofinanciering EFRO-programma's 1995–2001 (Stb. 1994, 907). De cofinanciering van het programma in het Noorden zal vanaf 2000 plaatsvinden via het Ruimtelijk-Economisch Ontwikkelingsprogramma Noord-Nederland (REONN). Daarnaast zullen er ook bijdragen van andere ministeries te verwachten zijn.

Voor de afwikkeling van de tot en met 1999 aangegane verplichtingen voor de EFRO-cofinanciering wordt verwezen naar artikelsub 04.09 610.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  96 04995 33695 61995 85895 885 
Mutatie   98 53599 15599 30199 320 
Ontwerp-begr. 2000291 697 211 91496 049193 871194 774195 159195 205195  205
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000132 36696 16243 58587 97588 38588 55988 58088 580
Waarvan te betalen252 77596 60686 910184 889185 749185 936185 977188  284
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  72 93992 55595 47594 09198 231 
Mutatie  – 1 2119 01729 94951 12677 066 
Ontwerp-begr. 2000 57 48271 728101 572125 424145 217175 297208 707
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 26 08432 54946 09156 91565 89779 54694 707

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 ipr centraal deel 161 55845 69344 914 40 05138 06537 087 62D 11.3
020 REONN* 50 35650 356124 686 16 86033 66358 414 62D 11.3
050 psol     571   62D 11.3
070 EFRO-cofinanciering**   24 271   6 071 62D 11.0
Totaal art 04.08 211 91496 049193 871 57 48271 728101 572    

*met ingang van 2000 inclusief ISP overgeheveld vanuit artikelsub 04.09.010;

**tot en met 1999 worden de budgetten op artikelsub 04.09.610 geraamd.

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Overheveling van artikel 04.09 (ISP en EFRO cofinanciering) 97 46597 61497 75997 778
2: Prijsbijstelling 1 0701 5411 5421 542
Totaal 98 53599 15599 30199 320

ad 1: In verband met de stroomlijning van de begroting, worden artikel 04.08 Bevordering regionale bedrijfsinvesteringen en artikel 04.09 Regioprogramma's samengevoegd. De geraamde verplichtingen op artikel 04.09 worden daartoe overgeheveld naar artikel 04.08.

04.09 Regio-programma's

Op dit artikel staan uitgaven geraamd die het gevolg zijn van de tot en met 1999 aangegane verplichtingen (zie artikel 04.08 Bevordering investeringen voor regionale structuurversterking).

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  107 42397 46597 61497 75997 778 
1e suppl. wet 1999  – 25 000     
Mutatie  117 144– 97 465– 97 614– 97 759– 97 778 
Ontwerp-begr. 2000296 46194 473199 567     
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000134 52842 87090 560     
Waarvan te betalen269 296 94 473199 567     

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  102 415107 517105 646103 325122 987 
1e suppl. wet 1999  – 25 000     
Mutatie  25 913– 19 819– 8 947– 53 783– 64 061 
Ontwerp-begr. 2000 108 743103 32887 69896 69949 54258 92631 600
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 49 34546 88839 79643 88022 48126 73914 339

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 isp-regulier 72 93748 236  72 06148 61466 961 62D 11.0
520 oost. mijnstreek Z-Limburg  133 200  9 93730 1822020 62D 11.0
610 efro-cofinanciering 21 53618 131  21 34217 75215 717 62D 11.0
910 regiogelden     363   62D 11.0
911 subsidies pnl regulier     5 0406 7803 000 62D 11.0
Totaal art 04.09 94 473199 567  108 743103 32887 698    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Overheveling naar artikel 04.08 – 97 465– 97 614– 97 759– 97 778
2: Opbrengsten verkoop gronden bij Beek45 991    
3: Vrijvallende BRT-gelden agv. Beek59 009     
4: Overboeking van V&W agv. Beek20 000     
5: Inzet binnen EZ-begroting– 8 000     
6: Prijsbijstelling144    
Totaal117 144– 97 465– 97 614– 97 759– 97 778

ad 1: In verband met de samenvoeging van het ISP en de decentrale IPR in het REONN, worden artikel 04.08 Bevordering regionale bedrijfsinvesteringen en artikel 04.09 Regio-programma's samengevoegd. De geraamde verplichtingen op artikel 04.09 worden daartoe overgeheveld naar artikel 04.08.

ad 2: Overeenkomstig afspraken tussen het kabinet en de provincie Limburg zal de geplande Oost–west baan voor het Maastricht Aachen Airport niet worden aangelegd. Reeds aangekochte gronden zullen worden verkocht. Door een wijziging in de bestemming van deze gronden (bedrijventerrein) zal naar verwachting een meeropbrengst worden gerealiseerd (f 30 mln ten opzichte van de aankoopprijs van f 16 mln). De opbrengst van de verkoop komt ten gunste van de EZ-begroting (zie ontvangstenartikel 04.03) en zal worden aangewend voor de geplande uitbreiding van het knooppunt Born (operatie Bottleneck).

ad 3: De als gevolg van het niet doorgaan van de aanleg van de Oost-west baan van het Maastricht Aachen Airport op de EZ-begroting vrijgevallen BRT-middelen zullen worden aangewend voor de geplande uitbreiding van het knooppunt Born (operatie Bottleneck). Verder heeft de Europese Commissie in het verleden f 39 mln EFRO-subsidie voor de aanleg van de Oost–West baan van het Maastricht Aachen Airport ter beschikking gesteld. EZ is in overleg met de Europese Commissie over de herinzet van deze middelen.

ad 4: In het verleden is een bedrag van f 20 mln overgeheveld naar de begroting van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat voor de aanleg- en isolatiekosten van de Oost-west baan van het Maastricht Aachen Airport. Dit bedrag wordt nu terugovergeheveld naar de EZ-begroting en zal worden aangewend voor de geplande uitbreiding van het knooppunt Born (operatie Bottleneck).

ad 5: Ter dekking van prioriteiten binnen de EZ-begroting is in 1999 f 8 mln vrijgemaakt. Een bedrag van f 4,5 mln is overgeheveld naar artikel 02.12 voor een bijdrage aan New Metropolis; f 3,5 mln is bestemd voor onderzoek PMR/ONL op artikel 04.10.

04.10 Investeren in stedelijke en regionale economische ontwikkeling (was: Stimulering Ruimte voor Economische Activiteit)

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In de Nota Ruimtelijk Economisch Beleid, Dynamiek in Netwerken is aangekondigd dat de huidige (eind 1999 aflopende) regeling Stimulering Ruimte voor Economische Activiteit (StiREA) zal worden opgevolgd door de Tender Investeringsprogramma's Provincies (TIPP). Dit betekent dat met ingang van 2000 provincies een beroep kunnen doen op deze nieuwe regeling die tot en met 2003 loopt en waarvoor jaarlijks f 50 mln beschikbaar is. In het kader van het Grote Steden Beleid is afgesproken dat de f 25 mln die jaarlijks opgenomen was in de ramingen voor de grotesteden-component van de StiREA nu, samen met ISV-gelden (Innovatie Stedelijke Vernieuwing), wordt ingezet ten behoeve van de versterking van de stadseconomie.

In het regeerakkoord is aangekondigd dat met de GSB-steden convenanten worden afgesloten voor de periode 1999–2003. Binnen de pijler werk en economie van het GSB-beleidskader brengt EZ samen met het ministerie van VROM de middelen voor fysieke stadseconomie in (via het ISV) en stelt EZ middelen beschikbaar voor niet-fysieke stadseconomie binnen de pijler werk en economie.

TIPP; budget f 52,2 mln

Vanaf 2000 zal de Stimuleringsregulering Ruimte voor Economische Activiteit (StiREA) worden opgevolgd door de Tenderregeling Investeringsprogramma's Provincies (TIPP). De StiREA is de afgelopen jaren succesvol geweest in het stimuleren van het ontwikkelen en revitaliseren van bedrijventerreinen en heeft de samenwerking tussen gemeenten onderling, tussen gemeenten en provincies en tussen gemeenten en het bedrijfsleven bevorderd. Deze samenwerking bevordert een goede regionale afstemming.

Evaluatie 99–05 Stimuleringsregeling Ruimte voor Economische Activiteit (StiREA):

Beknopt resultaat: Het instrument heeft aantoonbare bijdrage geleverd aan oplossen van problematiek van economische ruimtereservering. De regeling is adequaat uitgevoerd. Het instrument StiREA is in kader van problematiek rond ontwikkeling en revitalisering van bedrijventerreinen als effectief te beschouwen.

Gebruik: Evaluatie dient als uitgangspunt bij het opzetten van een nieuwe regeling.

De TIPP zal breder van opzet zijn dan de StiREA: naast de ontwikkeling en herstructurering van bedrijventerreinen (het kwantitatieve aspect) zal de nieuwe regeling ook aandacht besteden aan het kwalitatieve aspect zoals multimodale ontsluiting, segmentering, beheer, milieuprestaties, het huisvesten van arbeidsextensieve en meer milieuhinderlijke bedrijvigheid. De TIPP-aanvragen zullen vergezeld moeten gaan van een regionale visie op verbetering van het economische vestigingsklimaat, waarbij wordt uitgegaan van het oplossen/voorkomen van provinciaal fysieke knelpunten, in relatie met andere relevante economische thema's zoals arbeidsmarkt, scholing, technologie, enz. Deze visie wordt (in overeenstemming met het Regeerakkoord) door de provincie in samenwerking met de gemeenten en het bedrijfsleven opgesteld. De TIPP wil hiermee, naast het verkrijgen van een goed doordachte bovenlokale bedrijventerreinenvisie, de samenwerking tussen gemeenten, provincies en het bedrijfsleven bevorderen. De provincies en gemeenten moeten zelf een even groot deel als EZ bijdragen.

Met het Ministerie van VROM wordt overlegd over afstemming met het Innovatiebudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) dat thans eveneens in ontwikkeling is. De voor beide regelingen als toetsingskader vereiste visies zullen inhoudelijk op elkaar dienen aan te sluiten. Wel zal de TIPP zich in vergelijking tot het stadseconomie-deel binnen de ISV-tender meer richten op de grotere, gemeente- of zelfs provincieoverschrijdende projecten van strategisch economisch belang.

Onderzoek en evaluatie; budget f 10,8 mln.

Het gaat hier om inventariserende, beleidsonderbouwende en evaluerende onderzoeken op het gebied van ruimtelijk- en regionaal-economische ontwikkelingen, bedrijventerreinen, het ruimtelijk ordenings- en milieubeleid en het toeristisch beleid. De evaluaties hebben betrekking op bestaand beleid, op zowel nationaal als Europees niveau. Op dit artikel zijn ook opgenomen de bijdragen van EZ in de onderzoekskosten van het Project Mainport Rotterdam (PMR) en het project Ontwikkeling Nationale Luchthaven (ONL).

Fysieke stadseconomie; budget in 1999 f 251,7 mln (voor periode 2000–2004)

Het onderdeel fysieke economie is ondergebracht in het Innovatiebudget Stedelijke Vernieuwing en is bestemd voor de GSB-steden. Doelstellingen zijn:

• het stimuleren van functiemenging wonen/werken door het behouden en creëren van geschikte bedrijfsruimte in woongebieden;

• het ontwikkelen van bedrijfsruimte ten behoeve van startende ondernemers, bijvoorbeeld bedrijfsverzamelgebouwen;

• revitaliseren van verouderde en ontwikkelen van nieuwe bedrijventerreinen;

• het stimuleren van de voor die gemeenten kansrijke sectoren en clusters (netwerken van bedrijven en kennisinstellingen);

• het verbeteren van de bereikbaarheid van economische functies, met name het verbeteren van de ontsluiting van bedrijfsruimten of -terreinen op het lokale wegennet.

Niet-fysieke stadseconomie; budget in 1999 f 110,8 mln (voor periode 2000–2004)

Het beleid ten aanzien van niet-fysieke economie is gericht op organisatorische en «zachte» componenten van economische structuurversterking in de GSB-steden. Het onderwerp valt uiteen in twee prioriteiten: ondernemerschap, en kansrijke sectoren en clusters.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  90 47388 00584 00581 00581 005 
1e suppl. wet 1999  1 800     
Mutatie  361 200– 25 000– 25 000– 25 000– 25 000 
Ontwerp-begr. 2000179 80581 045453 47363 00559 00556 00556 00556 005
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100081 59236 777205 77728 59026 77525 41425 41425 414
Waarvan te betalen179 74380 983452 81161 24455 31655 31655 31656 005
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  84 87487 22398 99990 56190 561 
1e suppl. wet 1999  – 300 – 100100400 
Mutatie  10 32414 0056 19818 29835 934 
Ontwerp-begr. 2000 42 38694 898101 228105 097108 959126 895137 534
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 19 23443 06345 93547 69149 44357 58262 410

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 Stirea/Tipp 75 32274 22352 223 37 30886 13273 021 62D 11.1
020 Onderzoek en evaluatie 5 72316 75010 782 5 0788 76610 057 12 11.41
030 Fysieke stadseconomie  251 736    12 604 62D 11.1
040 Niet-fysieke stadseconomie  110 764    5 546 62D 11.1
Totaal art. 04.10 81 045453 47363 005 42 38694 898101 228    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Intensivering bedrijventerreinen Regeerakkoord237 500    
2: Temporisatie ten behoeve van GSB125 000– 25 000– 25 000– 25 000– 25 000
3: Duurzame Bedrijventerreinen– 5 000    
4: Onderzoek ONL en PMR3 700    
Totaal361 200– 25 000– 25 000– 25 000– 25 000

ad 1: Betreft de intensivering uit het regeerakkoord voor bedrijventerreinen binnen het cluster vitaliteit steden. Deze gelden worden binnen het Grote Stedenbeleid ingezet voor stadseconomie binnen de pijler werk en economie.

ad 2: Betreft het naar voren halen van verplichtingenruimte 2000 – 2004 ten behoeve van het Grote Stedenbeleid voor stadseconomie. Deze verschuiving in de tijd is nodig om in 1999 meerjarige toezeggingen te kunnen doen binnen het Grote Stedenbeleid.

ad 3: Betreft een overheveling van budget naar artikel 09.01 ten behoeve van uitvoering van het programma Duurzame Bedrijventerreinen.

ad 4: Betreft de extra benodigde middelen voor de EZ-bijdrage aan het aanvullend onderzoek ten behoeve van de projecten Ontwikkeling Nationale Luchthaven (ONL) en Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).

De mutaties in de uitgaven zijn het gevolg van de voorgestelde verplichtingenmutaties en van actualisaties van de uitgaven op in het verleden aangegane verplichtingen. De uitgaven met betrekking tot de mutaties 1 en 2 lopen voor een deel door tot en met 2008.

04.11 Toeristisch beleid

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Het toeristisch beleid is vastgelegd in de nota Werken aan Concurrentiekracht (Kamerstukken II 1995/96 24 750, nr. 1), in de brief over het Actieplan Zee van Cultuur (Kamerstukken II 1997/98 24 750, nr. 4) en in de gezamenlijke EZ/LNV-brief over toerisme en recreatie (Kamerstukken II 1998/99 26 419, nr. 1).

Centraal in het toeristisch beleid staat de versterking van de concurrentiekracht van Nederland als aantrekkelijk toerisme- en recreatieland. Het beleid concentreert zich op twee zaken. Ten eerste een verdere professionalisering en bundeling van kennis en expertise in de sector (via krachtenbundeling van de hieronder vermelde toeristische spitsorganisaties in één Toeristisch Huis) en ten tweede de coördinatie- en interventietaak van EZ. Doel is het scheppen van zo gunstig mogelijke randvoorwaarden voor de toeristische bedrijvigheid, vooral via een verdergaande integratie van toerisme-aspecten in andere relevante beleidsterreinen.

Diverse toeristische organisaties; budget f 4,8 mln.

Dit onderdeel omvat de subsidies aan de Algemene Vereniging van VVV's (ANVV), de Stichting Toerisme en Recreatie AVN en het Nederlands Congres Bureau (NCB).

De ANVV vormt de koepel van de ruim 300 VVV's in Nederland. Haar doelstelling is de behartiging van VVV-belangen, het doelmatig functioneren van het VVV-wezen en het bevorderen van onderlinge samenwerking. Hierbij kan gedacht worden aan kwaliteitsbewaking, het bevorderen van een uniforme presentatie en de dienstverlening aan het publiek. De verhouding tussen de jaarlijkse subsidie aan de ANVV en de door de VVV's opgebrachte contributiebijdrage is 1:1. De EZ-bijdrage aan de ANVV heeft het karakter van programmafinanciering.

De oprichting van de Stichting Toerisme en Recreatie AVN was een gezamenlijk initiatief van ANVV, ANWB en het Nederlands Bureau voor Toerisme (NBT), met als doel het bevorderen van toerisme en recreatie in Nederland. De drie genoemde moederorganisaties hebben hiertoe het desbetreffende deel van hun activiteiten aan AVN overgedragen.

Het NCB is als zelfstandige organisatie belast met de promotie van Nederland als congres-bestemming. Tevens verleent het NCB diensten aan potentiële organisatoren van congressen.

Nederlands Bureau voor Toerisme (NBT); budget f 42,2 mln.

Het NBT richt zich op een gebundelde presentatie van het Nederlandse toeristische product. Het beleid van het NBT is vastgelegd in het Strategisch Marketingplan 1996–1998. In overleg met EZ concentreert het NBT zich op de volgende kerntaken:

• algemene Holland-promotie in het buitenland;

• innovatie- en vernieuwingstaken, waaronder markt- en productontwikkeling en onderzoek;

• promotionele diensten aan het bedrijfsleven.

Een nieuw Strategisch Marketingplan is in ontwikkeling. Hierbij wordt rekening gehouden met de voorgenomen oprichting van het Toeristisch Huis (als eerste stap de samenvoeging van NBT, de Stichting Toerisme en

Recreatie AVN en zo mogelijk de ANVV). De bijdrage van EZ wordt gegeven in de vorm van een exploitatiebijdrage.

Enkele gegevens over de NBT-begroting en de EZ-bijdrage daaraan
(Bedragen in verplichtingen x f 1 mln)Artikel (-sub)Realisatie 1998*Raming 1999Raming 2000
Totale begroting NBT 69,071,871,8
– waarvan overheadkosten (algemene beheerskosten) 29,627,027,0
– waarvan totale activiteitenkosten 39,444,844,8
– Overheadkosten als % van de totale begroting 42,8%37,6%37,6%
– Bijdrage van EZ (excl. een bijdrage aan AVN van f 1,7 mln)04.1102039,141,140,5
– Bijdrage van bedrijfsleven 29,930,731,3

*De realisatie 1998 wijkt af van de kengetallen in de financiële verantwoording EZ 1998, omdat de definitieve realisatiecijfers van het NBT op dat moment nog niet bekend waren.

World Tourism Organization (WTO); budget f 0,4 mln.

Nederland betaalt als lid van de WTO jaarlijks contributie die door EZ wordt voldaan.

Toeristische dienstverlening en informatievoorziening; budget f 2 mln.

Deze gelden worden gebruikt voor incidentele aanjaagacties of projecten c.q. activiteiten die uit een oogpunt van rijksbeleid van belang zijn.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  49 38548 77148 68448 59648 492 
1e suppl. wet 1999  5 000     
Mutatie  1 089587– 415– 918– 1 314 
Ontwerp-begr. 2000  55 47449 35848 26947 67847 17846 678
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000  25 17322 39821 90421 63521 40821 182
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  47 48548 15748 64348 65048 492 
1e suppl. wet 1999  1 2501 7501 500500  
Mutatie  1 090211– 1 268– 842– 761 
Ontwerp-begr. 2000  49 82550 11848 87548 30847 73146 678
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000  22 61022 74322 17921 92121 65921 182

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  1998*19992000 1998*19992000 Econ. Funct.
010 Div. toerist. org.  4 7754 775  4 7754 775 31 11.6
020 N.B.T.  42 82642 233  42 82642 233 31 11.6
040 W.T.O.  341350  341350 31 11.6
210 Toer. dienstverl./infovz.  7 5322000  1 8832 760 62D 11.6
Totaal art 0 411  55 47449 358  49 82550 118    

* Verplichtingen en uitgaven in 1998 zijn geraamd op artikel 05.12.

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Inzet binnen EZ-begroting – 500– 1 500– 2 000– 2 500
2: Loon- en prijsbijstelling1 0891 0871 0851 0821 082
3: Overige beleidsmatig niet relevante mutaties    104
Totaal1 089587– 415– 918– 1 314

ad 1: Ter invulling van de ombuigingstaakstelling die bij het opstellen van de begroting overeengekomen werd, is een korting van f 0,5 mln oplopend tot f 2,5 mln in 2003 aangebracht op de raming voor het NBT.

05.00 ONDERNEMERSCHAP EN MARKTWERKING

Op dit hoofdbeleidsterrein worden de gelden geraamd voor het MKB en voor ondersteuning van het beleid gericht op een betere marktwerking. Het beleid gericht op het MKB is onder andere vastgelegd in de nota Werk door Ondernemen uit 1995 (Kamerstukken II 1994/95, 24 243, nr. 1). De doelstelling van deze nota is een stijging van het aantal innovatieve ondernemers en het vergroten van groei en werkgelegenheid bij bestaande ondernemingen. Medio september 1999 zal de nota «Ondernemerschap in een moderne economie» verschijnen.

05.01 Voorlichting en advisering MKB

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel vindt met ingang van 1999 uitsluitend uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen plaats.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  3 8712 6161 699714  
Mutatie  – 852– 562– 295– 214  
Ontwerp-begr. 2000 5 9993 0192 0541 404500  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 2 7221 370932637227  

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 imk-netwerk     1 404320  43D 11.1
030 adviesdiensten knov/ncov     706   31 11.4
040 herstruct. voorlicht.instr.     13   31 11.4
110 cbo     15   31 11.4
130 proj. markt&ondernmrschap 213   1 296689154 12 11.4
140 branche centra technologie 2 772   2 5652 0101 900 31 11.4
Totaal art. 05.01 2 985   5 9993 0192 054    

05.02 Onderzoek en onderwijs MKB

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Dit artikel kent een onderzoeksdeel en een onderwijsdeel. Het doel van onderzoek is toepasbare kennisvermeerdering voor het MKB-beleid. Dit geschiedt door het gedeeltelijk financieren van een MKB-onderzoeksinstituut en door het geven van opdrachten voor beleidsgericht onderzoek. De scholingsinspanning van EZ richt zich op het waarborgen en instandhouden van het kwaliteitsniveau van het ondernemerschap.

Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (EIM); budget f 8,4 mln.

EZ subsidieert jaarlijks het programmaonderzoek MKB en ondernemerschap. Deze activiteitensubsidie is vooral bestemd voor het verzamelen, bijhouden en bewerken van basisinformatie over het MKB en het toegankelijk maken van deze basisinformatie.

Evaluatie 98–3 EIM:

Beknopt resultaat: De inhoud en de aansturing van het programmaonderzoek zijn in 1998 door een onafhankelijke commissie geëvalueerd. De commissie concludeerde dat het EIM in de programmaperiode 1995–1998 op een kwalitatief goede wijze systematisch en wetenschappelijk verantwoord onderzoek heeft uitgevoerd. Daarnaast deed de commissie voorstellen om de aansturing van het programmaonderzoek te verbeteren.

Gebruik: De aanbevelingen van de evaluatiecommissie zullen worden uitgewerkt in een nieuwe sturingsrelatie tussen EZ en het EIM. EZ zal de aansturing van het programmaonderzoek verbeteren, het publieke karakter van het onderzoek verscherpen en de toegankelijkheid van de onderzoeksresultaten vergroten.

Beleidsonderbouwend onderzoek OMKB; budget f 1,2 mln.

Uit deze begrotingspost worden onderzoeken bekostigd die voorzien in de informatiebehoefte vanuit het beleidsveld Ondernemerschap en MKB. Het betreft zowel verkennend en onderbouwend onderzoek, als beleidsevaluaties.

MDW-onderzoek; budget f 0,7 mln.

Het kabinet heeft in het Regeerakkoord vastgelegd dat de operatie Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit wordt voortgezet. Het kabinet heeft daarbij enkele accenten aangebracht: meer betrokkenheid van burgers en bedrijfsleven in de oriëntatiefase voor nieuwe projecten, meer transparantie bij de uitvoering van de projecten en krachtige sturing bij de implementatie van projecten. In mei 1998 zijn negen projecten van start gegaan. In september 1999 gaan zes additionele projecten van start. In het voorjaar van het jaar 2000 zal de oriëntatiefase voor de in september 2000 te starten tranche plaatsvinden. Voor de financiering van (bijdragen van EZ aan) incidentele onderzoeken die worden uitgevoerd in het kader van MDW-projecten, is in de periode 1999 – 2002 jaarlijks een verplichtingenbedrag van f 0,7 mln geraamd.

Projecten MKB en ondernemerschap (PMO); budget f 4,5 mln.

Op dit onderdeel zijn budgetten geraamd voor projecten op onder andere de volgende activiteitenterreinen: vrouwen in besluitvorming, onderwijs en ondernemerschap, snelle groeiers en diverse projectmatige activiteiten rond het thema ondernemerschap. Deze activiteitenterreinen worden uitgewerkt in de «Ondernemerschap in een moderne economie», die in september 1999 zal verschijnen. De nota schetst de beleidslijnen voor de stimulering van het ondernemerschap in startende en snelgroeiende ondernemingen. Het overheidsbeleid is hierbij gericht op het scheppen van die omstandigheden waaronder succesvol ondernemen mogelijk is. Dat kan door, waar mogelijk, marktimperfecties aan te pakken en een productief economisch klimaat te creëren, onder meer door de stimulering van het ondernemerschap in het onderwijsstelsel. Daarnaast wordt de speciale rol die snelgroeiende ondernemingen en technostarters vervullen onderkend en zijn aanvullende maatregelen voorzien die aansluiten bij specifieke knelpunten die deze groepen ondervinden.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  12 34112 58313 41513 37613 376 
1e suppl. wet 1999  700700700700  
Mutatie  461 5781 3901 239– 715 
Ontwerp-begr. 200012 26610 58013 08714 86115 50515 31512 66112 661
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10005 5664 8015 9396 7447 0366 9505 7455 745
Waarvan te betalen7 70010 48712 86414 62015 18014 99012 29812 623

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  13 26113 23812 36112 87113 158 
1e suppl. wet 1999  430700700700210 
Mutatie  826– 657– 92463743 
Ontwerp-begr. 2000 12 38714 51713 28112 96914 03414 11113 314
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 5 6216 5886 0275 8856 3686 4036 042

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 EIM 8 7348 9828 441 8 5769 4078 441 31 11.11
020 beleidsonderb. onderz. omkb 1 2781 2241 200 1 7151 3821 002 12 11.41
210 ondernemers onderwijs     1 4721 048600 31 11.4
230 ondernemersonderw. & -scho. 250   2171 633751 31 11.4
240 MDW-onderzoek 318700700 407640700 12 11.41
250 PMO  2 1814 520  4071 787 12 11.4
Totaal art 05.02 10 58013 08714 861 12 38714 51713 281    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Inzet binnen EZ-begroting – 500– 1 000– 1 000– 1 000
2: Overheveling van artikel 05.21 300150  
3: Overheveling van artikel 02.12 1 4911 9541 954 
4: Loon- en prijsbijstelling289287286285285
5: Overige beleidsmatig niet relevante mutaties– 243    
Totaal461 5781 3901 239– 715

ad 1: Ter invulling van de ombuigingstaakstelling die bij het opstellen van de begroting werd overeengekomen, is een korting van f 0,5 mln in 2000 en f 1 mln met ingang van 2001 aangebracht op de subsidie aan het EIM.

ad 2 en 3: Ten behoeve van de projecten die aangekondigd worden in de nota «Ondernemerschap in een moderne economie» is budget vrijgemaakt binnen de artikelen 02.12 Technologische kennisinfrastructuur en 05.21 Marktwerking.

05.03 Borgstellingsregelingen

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn gelden geraamd voor het Besluit Borgstelling MKB-kredieten 1997 (BBMKB) en haar voorgangers, het Besluit Borgstelling waterschadekredieten 1994 en het Besluit Borgstelling waterschadekredieten 1995. Het Besluit Borgstelling MKB-kredieten 1997 is erop gericht de belemmeringen die (kleinere en middelgrote) ondernemingen ondervinden bij de toegang tot de kapitaalmarkt, weg te nemen.

Het Amsterdams akkoord inzake groei- en werkgelegenheid heeft geleid tot het besluit van de Raad 98/347/EG (PB L155 van 29 mei 1998) waarbij door de Europese Commissie budget beschikbaar is gesteld aan het European Investment Fund (EIF) voor verbetering van de financieringsvoorwaarden van het MKB. Het EIF financiert de verhoging van garantieplafond voor de kredieten (exclusief bodemsanering) van f 850 mln naar f 1000 mln per jaar in de jaren 1999 tot en met 2001.

Kengetallen BBMKB
(Bedragen in verplichtingen x f 1 mln)Artikel (-sub)Realisatie 1998*Raming 1999Raming 2000
Ramingskengetallen    
1. Nieuwe kredietmeldingen (in aantallen) 3 4994 8004 800
2. Gemiddeld bedrag per krediet 0,2200,2100,210
3. Verstrekte kredieten05.03–0107711 0001 000
4. Uitstaand garantieobligo 2 4672 9813 210
Doelmatigheidskengetallen    
1. Meldingen en wijzigingen (in aantallen) 7 3128 0008 000
2. Controles verliesdeclaraties (in aantallen) 513550550
3. Controles schuldregelingen (in aantallen) 408400400
4. Buiteninvorderingstellingen (in aantallen) 570700700
5. Beheersposten (in aantallen) 264300300
6. Toegelicht begrotingsbedrag (uitvoering Kernministerie)*01.01–0102,0642,3492,373
7. Uitvoerend personeel in fte (= Kernministerie) 1214,814,8
Kwaliteitskengetallen    
8. Bedrag gehonoreerde vs. ingediende verliesdecl. (%) 96,997,597,5

*De uitvoeringskosten betreffen de kosten van de controle door het kernministerie. De bank voert de regeling uit en krijgt in de regel als bijdrage in de incassokosten een percentage (20%) bij het afsluiten van een schuldregeling. De ontvangsten als gevolg van de schuldregeling komen binnen op ontvangstenartikel 05.01–010.

Garantietabel BBMKB
(Bedragen x f 1 mln)1998199920002001200220032004
uitstaand risico per 1 januari2 6662 4672 9813 2103 3823 3743 330
te vervallen garanties– 970– 485– 771– 828– 858– 849– 933
verleende of te verlenen garanties7711 0001 0001 000850850850
uitstaand risico per 31 december2 4672 9813 2103 3823 3743 3303 247

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  850 650850 650850 650850 650850 650 
1e suppl. wet 1999  150 000150 000150 000   
Ontwerp-begr. 20001 736 413771 2621 000 6501 000 6501 000 650850 650850 650850 650
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000787 950349 983454 075454 075454 075386 008386 008386 008
Waarvan te betalen17340 23640 00045 90047 50050 00055 00055 000
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  52 05456 14260 14260 14260 142 
1e Nota v Wijziging 1999    – 5 000– 5 000– 5 000 
1e suppl. wet 1999  – 3 700– 3 700– 1 2002001 300 
Mutatie  – 8 354– 6 542– 6 442– 5 342– 1 442 
Ontwerp-begr. 2000 40 40940 00045 90047 50050 00055 00055 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 18 33718 15120 82921 55522 68924 95824 958

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 verliesdeclaraties mkb 771 2281 000 0001 000 000 40 20239 35045 250 63D 11.4
310 oude borgstellingsfondsen 345050 345050 63D 11.4
410 rentesubsidies waterkredieten  600600 173600600 63D 11.4
Totaal art. 05.03 771 2621 000 6501 000 650 40 40940 00045 900    

c) De toelichting bij de cijfers

Als gevolg van het gunstige economische klimaat zijn naar verwachting minder uitgaven benodigd voor betalingen op verliesdeclaraties, waardoor het verantwoord lijkt de raming voor verliesafdekkingen te verlagen.

05.05 Bedrijfsbeëindigingshulp

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Met de inwerkingtreding van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) per 1 juli 1987, is de regeling Bedrijfsbeëindigingshulp (BBH) gesloten voor nieuwe toetreders. Derhalve is sprake van bestandsafbouw, waardoor de raming een trendmatige daling vertoont.

Ramingskengetallen BBH
(Bedragen in verplichtingen x f 1 mln)Artikel (-sub)Realisatie 1998*Raming 1999Raming 2000
1. Uitkeringsgerechtigden (in aantallen) 2 9572 6572 433
2. Gemiddelde uitkering per jaar (x f 1000) 5,2535,3665,376
3. Totaal bedrag uitkeringen (x f 1 mln)*05.0515,53414,25813,080

*excl. uitvoeringskosten

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  14 60813 33012 18311 67310 879 
Ontwerp-begr. 200084 69815 88114 60813 33012 18311 67310 87910 079
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100038 4347 2066 6296 0495 5285 2974 9374  574
Waarvan te betalen28415 88114 60813 33012 18311 67310 87910 079

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  14 60813 33012 18311 67310 879 
Mutatie  260     
Ontwerp-begr. 2000 15 90514 86813 33012 18311 67310 87910 079
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 7 2176 7476 0495 5285 2974 9374 574

Economische code: 43D Functionele code: 06.2

05.12 Afwikkeling toeristisch beleid tot 1999

Op dit artikel staan uitgaven geraamd die het gevolg zijn van de tot en met 1998 aangegane verplichtingen (zie artikel 04.11 Toeristisch beleid voor het beleid met ingang van 1999).

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  11 5544 5331 30250  
Mutatie  – 2 2061 232– 13763  
Ontwerp-begr. 2000 64 4939 3485 7651 165113  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 29 2664 2422 61652951  
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 anvv 5 779   6 760407  31 11.6
020 nbt 40 909   40 617641  31 11.6
040 WTO 318   318   31 11.6
210 toer. dienstverl./infovz. 11 327   15 8718 2005 665 62D 11.6
310 toeristisch onderzoek     56   12 11.6
904 stimulering congressector     871100100 43Z 11.6
Totaal art. 05.12 58 333   64 4939 3485 765    

05.21 Marktwerking

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Het marktwerkingsbeleid bevordert vanuit vier invalshoeken gelijkwaardige uitgangsposities voor de verschillende marktpartijen:

• de marktpositie en het marktgedrag van individuele ondernemingen en van groepen ondernemingen, alsmede de verhouding tussen ondernemingen;

• de positie van (groepen) afnemers, zowel bedrijven als consumenten;

• de verhouding tussen producenten en afnemers;

• de verhouding tussen bedrijfsleven en de overheid als marktpartij.

Het marktwerkingsbeleid bestaat in hoofdzaak uit mededingingsbeleid en ordeningsbeleid. Mededingingsbeleid betreft het beleid gericht op de bestrijding van ongewenste inbreuken op de concurrentie door kartels, door fusies en door misbruik van economische machtspositie (de uitvoering van het mededingingsbeleid is in de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) ondergebracht). In dit kader wordt ook bekeken welke spelregels voor het marktoptreden van de overheid zelf nodig zijn. Ordeningsbeleid (waaronder aanbestedingsbeleid en consumentenbeleid) is een zodanige structurering van markten, dat zowel aanbieders als vragers op die markten worden uitgedaagd tot scherpe prijsstelling en tot voortdurende aanpassing en vernieuwing. Consumenten en zakelijke afnemers dienen door die structurering maximale keuzevrijheid te hebben in transparante en overzichtelijke geordende markten.

De bijdragen worden onder meer benut om onderzoek te doen naar mogelijke maatschappelijke kosten van te beperkte competitie en naar mogelijke marktordeningsmodellen. In incidentele gevallen wordt het budget benut om consumentenorganisaties is staat te stellen te onderhandelen met brancheorganisaties.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  5 4035 6016 0386 0386 038 
1e suppl. wet 1999  – 23     
Mutatie   – 300– 150   
Ontwerp-begr. 20005 8354 3135 3805 3015 8886 0386 0386 038
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10002 6481 9572 4412 4052 6722 7402 7402 740
Waarvan te betalen5 3573 1495 1115 0215 5865 7365 7366 038

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  5 1965 5105 6965 9296 017 
1e suppl. wet 1999  – 15– 6– 1   
Mutatie  – 718– 568– 457– 349– 309 
Ontwerp-begr. 2000 6 0834 4634 9365 2385 5805 7085 891
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 2 7602 0252 2402 3772 5322 5902 673

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
110 consumentenonderzoek     1   12 11.4
310 marktwerking 7703 3383 191 2 8172 5032 934 31 11.4
410 onderzoek 3 5432 0422 110 3 2651 9602 002 12 11.4
Totaal art. 05.21 4 3135 3805 301 6 0834 4634 936    

05.22 Bijdrage Nederlands Meetinstituut

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid.

De jaarlijks door het Rijk met het Nederlands Meetinstituut (NMi) af te sluiten contracten betreffen het toezicht op meetmiddelen uit hoofde van de IJkwet, het beheer en de verwezenlijking van de nationale standaarden en de daarbij behorende metrologische structuur, het toezicht op speelautomaten uit hoofde van de Wet op de Kansspelen en de ondersteuning op wettelijk en internationaal terrein.

Bijdrage Nederlands Meetinstituut; budget f 28,6 mln

Van het beschikbare budget is het grootste deel geraamd voor de financiering van de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van een aantal uit de IJkwet en de Wet op de Kansspelen voortvloeiende taken en hieraan gelieerde activiteiten. De uit deze wetten voortvloeiende taken zijn vastgesteld in de basisovereenkomsten speelautomaten, meetmiddelen, standaardenbeheer en wetgeving en vertegenwoordiging. NMi is de ijkinstelling, met dien verstande dat het toezichtswerk uitsluitend door Verispect B.V. wordt verricht en accrediteringen keuringswerk alleen door NMi Certin B.V. Van Swinden Laboratorium B.V. is de beheerder van de standaarden. Op dit moment onderzoekt Holland Metrology, de moedermaatschappij van het Nederlands Meetinstituut, de mogelijkheden van samenwerking met een strategisch sterke partner.

Een gering deel van het budget is gereserveerd voor een nieuwe taak, voortvloeiend uit de inmiddels aan de Tweede Kamer aangeboden wetswijziging van de Waarborgwet 1986. De wijziging heeft als doel de toezichtsactiviteiten bij het NMi onder te brengen.

Doelmatigheidskengetallen NMi
(Bedragen in verplichtingen x f 1 mln)ArtikelRealisatieRamingRaming
 (-sub)1998*19992000
1. Standaardenbeheer    
– Gemiddelde beheers- en ontwikkelingskosten per standaard 1,5891,589In discussie
– Gemiddelde afschrijving per standaard 0,4100,417In discussie
2. Toezicht speelautomaten    
a) Controle exploitanten    
– Controlekosten per exploitant (x f 1000) 0,4470,474  
– Controles per jaar per exploitant (in aantallen) 111
b) Controle speelautomaten    
– Controlekosten per speelautomaat (x f 1000) 0,1310,042In discussie
– Controles per kansspelautomaat per jaar (in aantallen) 0,330,330,33
– Controles per behendigheidsautomaten per jaar (in aantallen) 0,200,200,20
c) Administratieve werkzaamheden 0,2520,391In discussie
3. Controle meetmiddelen    
a) Controle meetmiddelen consumentensfeer    
– Prijsvariatie controle per meetmiddel (in glds) 53–15851–129In discussie
– Controles per meetmiddel per jaar (in aantallen) 0,330,330,33
b) Controle meetmiddelen industriële sfeer    
– Prijsvariatie controle per meetmiddel (in glds) 143–1 802142–1 641In discussie
– Controles per meetmiddel per jaar (in aantallen) 0,250,250,25
4. Assistentie wetgeving en overige uitgaven05.22–0101,6231,784In discussie
Uitvoerend personeel in fte (= Kernministerie) 1,61,61,6
Totalen toegelichte begrotingsbedragen    
– Bijdrage EZ aan NMi*05.22–01024,97825,600In discussie
– Beheerskosten kerndepartement01.01–0100,2800,280In discussie

*De bijdrage EZ verschilt van het totaal verplichtingenbedrag op artikelsub 05.22-010, omdat de kengetallen van het NMi exclusief de bijdragen van EZ aan Missie Certin en Missie Internationale Betrekkingen zijn.

Internationale bijdragen; budget f 0,5 mln

Uit dit onderdeel worden contributies betaald aan de Meterconventie en de Organisation Internationale de Métrologie Légale (OIML). De Meterconventie beoogt het bevorderen van het gebruik van internationaal erkende meeteenheden en standaarden daarvoor. De OIML bevordert internationale samenwerking op het gebied van wettelijke metrologische regelgeving

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  27 80328 30128 21028 11828 118 
Mutatie  1 839845836819819 
Ontwerp-begr. 20005 19926 73029 64229 14629 04628 93728 93728 937
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10002 35912 13013 45113 22613 18113 13113 13113 131
Waarvan te betalen4 59926 71529 64229 14629 04628 93728 93728 937

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  28 83929 00328 71728 12728 118 
Mutatie  1 505944838820819 
Ontwerp-begr. 2000 26 47730 34429 94729 55528 94728 93728 937
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 12 01513 77013 58913 41113 13613 13113 131

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 bijdrage Ned. meetinst. nv 25 97929 13228 636 25 74129 83429 437 12 11.4
020 uitvoeringskosten IJkwet 285   270   62G 11.3
110 internationale bijdragen 466510510 466510510 43G 11.4
Totaal art 05.22 26 73029 64229 146 26 47730 34429 947    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Overheveling van artikel 02.121 000     
2: Loon- en prijsbijstelling839845836819819
Totaal1 839845836819819

ad 1: Voor 1999 is een aanvullend bedrag van f 1,0 mln nodig voor het standaardenbeheer bij NMI/VSL. Momenteel wordt onderzocht of de vergoedingsbasis structureel breed genoeg is om de continuïteit van het standaardenbeheer te waarborgen.

07.00 BUITENLANDSE ECONOMISCHE BETREKKINGEN EN EXPORTBEVORDERING

Binnen het hoofdbeleidsterrein heeft een beperkte stroomlijning plaats gevonden. Om de transparantie in de begroting te bevorderen, worden inhoudelijk aan elkaar gelieerde instrumenten voortaan onder één artikel(onderdeel) geraamd. Consequentie is dat in de begroting geen onderscheid meer wordt gemaakt naar regio's. Het afzonderlijke artikel voor Midden- en Oost-Europa (artikel 07.05) houdt op te bestaan. Overigens blijft jaarlijkse voortgangsrapportage over het beleid gericht op Midden- en Oost-Europa gehandhaafd.

Het instrumentarium kan in vier categorieën worden ingedeeld: export, investeringen, economische samenwerking en overig. Met het instrumentarium wordt beoogd het bedrijfsleven in de verschillende fases (pré-transactie, transactie, technische assistentie en verzekering) te ondersteunen. Hierbij vindt afstemming plaats met instrumenten op de begroting van onder andere de Ministeries van Buitenlandse Zaken (hoofdstuk V) en Financiën (hoofdstuk IXB). De uitgaven voor drie instrumenten gericht op Indonesië (PSI, EFI en Beurzenprogramma Indonesië) kwalificeren zich met ingang van 1999 als ODA. Bezien zal worden of integratie met soortgelijk instrumentarium van Ontwikkelingssamenwerking mogelijk is.

In 1999 is gestart met het samenvoegen van de uitvoering van de op het bedrijfsleven gerichte buitenlandinstrumenten, die reeds bij Senter waren ondergebracht, in een aparte business unit van dat agentschap. Door een bundeling met door andere organisaties uitgevoerde regelingen en programma's zal de doelmatigheid van de uitvoering verbeteren.

De clustering van het instrumentarium is in onderstaand overzicht samengevat.

 
 Pré-transactieTransactieTechn. assist.Verzekering
ExportPESP; PSB/SEMBSE SENO/GOM
InvesteringenIBTA-investerings-bevorderingIFOMIBTA-technische assistentie 
Economische samenwerkingPSO (incl IFI's) PSI PUM Beurzen/stage De Baak 
     
OverigInternationale organisaties Evaluatie en beleidsondersteuning Economische voorlichting en exportpromotie

07.01 Internationale organisaties

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de contributies aan de Benelux, de WTO, de ECT en de OMPI/WIPO geraamd, alsmede de bijdragen aan een aantal internationale grondstoffenorganisaties, het Wassenaar Arrangement en vrijwillige bijdragen aan internationale organisaties.

Benelux; budget f 5,4 mln

In het verdrag van Amsterdam zijn de modaliteiten voor het onderbrengen van Schengen in de Europese Unie vastgesteld. Vanaf het moment dat dit verdrag in werking is getreden (mei 1999), is overgegaan tot een juridische en fysieke ontvlechting van het Schengen-secretariaat dat bij de Benelux Economische Unie is ondergebracht.

World Trade Organisatie (WTO); budget f 7,9 mln

De hoogte van de Nederlandse bijdrage is afhankelijk van: de hoogte van de WTO-begroting, het aandeel van Nederland in de buitenlandse handel in intellectueel eigendom, goederen en diensten tussen de WTO-verdragspartijen (over de drie laatst beschikbare jaren) en de omrekenkoers van de Zwitserse frank naar de Nederlandse gulden.

Grondstoffen- en overige Internationale organisaties; budget f 2,8 mln

Het betreft de bijdragen aan een tiental internationale grondstoffenorganisaties, het zeerecht verdrag, het Energie handvest (ECT), het OESO Centre for Coöperation with Economies in Transition (OESO/CCET; voorheen geraamd op artikelsub 07.05–111), de Organisation Mondiale de la Propriété Intellectuelle/World Intellectual Property Organisation (OMPI/WIPO) en het Wassenaar Arrangement.

b) De cijfers en onderverdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  15 03115 07815 10815 12715 127 
Mutatie  358988988988988 
Ontwerp-begr. 2000 12 75815 38916 06616 09616 11516 11516 115
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 5 7896 9837 2907 3047 3137 3137 313

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 BENELUX 5 3325 1025 424 5 3325 1025 424 43G 01.43
020 GATT/WTO 5 5718 3987 860 5 5718 3987 860 43G 11.1
030 Grondstoffen & andere internationale organisaties 7727352 782 7727352 782 43G 11.1
040 OMPI 870937  870937  43G 11.1
060 Bijdrage uitvoering Energiehandvest 213217  213217  43G 11.1
Totaal art. 07.01 12 75815 38916 066 12 75815 38916 066    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Bijdrage OESO/CCET: overboeking van 07.05–111 630630630630
2: Loon- en prijsbijstelling358358358358358
Totaal358988988988988

07.02 Bevordering van de buitenlandse economische betrekkingen

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De geraamde middelen hebben betrekking op diverse programma's, bijdragen en onderzoeksbudgetten. Deze zijn gericht op investeringen en de bevordering van economische betrekkingen, onder meer door het stimuleren van economische samenwerking.

Programma Economische Samenwerking Projecten (PESP 1999); budget f 16 mln

Doel van het PESP (Stcrt 1999, 36) is de export door het Nederlandse bedrijfsleven naar andere dan hoog geïndustrialiseerde landen te bevorderen met activiteiten gericht op bilaterale economische samenwerking met deze landen. Het PESP 1999 richt zich uitsluitend op activiteiten in de voorfase van een project, waarbij opdrachten aan Nederlandse bedrijven worden verleend. Senter voert het programma uit. Voor de ondersteuning van projecten met een voor Nederland strategisch karakter kan in uitzonderingsgevallen en onder stringente voorwaarden de opdrachtsom hoger vast worden gesteld dan het geldende maximum.

Evaluatie en beleidsondersteuning; budget f 2,0 mln

Met ingang van 2000 zijn Beleidsonderbouwende en Economische Samenwerkingsactiviteiten (BSA) en Evaluatie en Beleidsondersteuning Midden- en Oost-Europa (EMOE; voorheen geraamd op 07.05–120) geïntegreerd in het onderdeel Evaluatie en beleidsondersteuning. Ten laste van dit onderdeel worden activiteiten gefinancierd op het terrein van onderzoek en advisering ten behoeve van de beleidsvorming van het DG BEB, alsmede diverse activiteiten ter stimulering en ondersteuning van internationale economische samenwerking.

Beurzenprogramma Indonesië; budget f 0,8 mln

Uit hoofde van het financiële pakket dat in 1995 aan Indonesië is aangeboden, zijn op dit onderdeel middelen beschikbaar voor beurzen die in het kader van exporttransacties worden verstrekt ten behoeve van Indonesische en Nederlandse studenten. Het gaat hierbij om studenten die hun bedrijfsrelevante (HBO, universitaire of post-doctorale) opleiding willen afronden in Nederland respectievelijk Indonesië, gekoppeld aan stages in het bedrijfsleven aldaar. Dit programma is in 1997 gestart en loopt tot en met 2000. De uitvoering is in handen van de door VNO/NCW opgerichte stichting International Human Resources Development (IHRD).

Programma samenwerking Indonesië (PSI); budget f 7,5 mln

De TaskForce Exportinstrumentarium heeft aanbevolen om ook op andere opkomende markten dan Oost-Europa een programma voor economische samenwerking en technische assistentie (naar voorbeeld van het Programma Samenwerking Oost-Europa) te implementeren. Daartoe is ruimte vrijgemaakt voor projecten in Indonesië. Senter voert het programma uit. Er is nauwe samenhang tussen het PSI en het PSOM (Programma Samenwerking Opkomende Markten op de begroting van het Ministerie van Buitenlandse zaken).

Investeringsfaciliteit Opkomende Markten (IFOM); budget f 10 mln

Het werkingsgebied van de Investeringsfaciliteit richt zich met ingang van 1999 op het Nederlandse MKB dat wil investeren in zowel landen in Midden- en Oost-Europa (voorheen geraamd op artikelsub 07.05–050) als andere «opkomende markten», waaronder China, Egypte, India, Indonesië en Zuid-Afrika. Met deze faciliteit die sinds 1992 van kracht is en in 1999 is uitgebreid met de opkomende markten, wordt beoogd de commerciële risico's voor Nederlandse investeerders te verminderen. De Staat stelt zich borg voor achtergestelde leningen aan ondernemingen die in de genoemde landen investeren tot een maximum van f 5 mln. De faciliteit is verruimd met de mogelijkheid van kleinere achtergestelde leningen (f 0,1 mln tot f 1 mln) om het MKB beter te kunnen bedienen. De uitvoering van de faciliteit ligt bij de Nationale Investeringsbank (NIB).

Startende exporteurs (SEM/PSB); budget f 6 mln

De grondslag voor de Subsidieregeling exportmedewerkers MKB 1998 (SEM) en het Programma Starters Buitenlandse markten 1999 (PSB) zijn de gepubliceerde regelingen (Stcrt. 1997, 104; Stcrt. 1998, 243). Doel van de SEM en het PSB is de drempel voor kleine bedrijven met weinig of geen export ervaring naar buitenlandse markten te verlagen.

In het kader van het PSB en SEM kunnen bedrijven samen met een exportconsulent van de Kamer van Koophandel of van een exportbevorderende koepelorganisatie een exportstrategie opstellen. Vervolgens kunnen ze gratis begeleiding en een financiële bijdrage krijgen voor zes verschillende activiteiten, voor zover deze logisch uit de exportstrategie voortvloeien. De bijdragen uit PSB gelden voor marktverkenning, bezoekprogramma, exportcursus, beursdeelname en presentatiemateriaal. De SEM biedt de mogelijkheid om met een loonkostensubsidie en met deskundige begeleiding een hoger opgeleide exportmedewerker een jaar lang aan de opstelling en/of uitvoering van een concreet exportplan te laten werken. Beide regelingen worden door de EVD (beoordeling exportstrategiën, aansturing exportconsulenten) en Senter (uitbetaling subsidies) uitgevoerd. Eind 1999 worden de SEM en PSB geïntegreerd.

Evaluatie 98–9 Instrument: Programma Starters Buitenland

Beknopt resultaat: Ruim de helft van de deelnemers die niet eerder exporteerden doet dat na PSB wel. Van de deelnemers met een geringe exportervaring neemt de exportquote na PSB met 44% toe. Het bereik van de doelgroep is echter teleurstellend.

Gebruik: Op basis van de gehouden evaluatie is het PSB verbreed en vereenvoudigd. Tevens is het bereik vergroot door actievere en gerichtere benadering doelgroep door EVD, exportconsulenten, KvK's en branches, AA-consulenten, accountmanagers van banken en Syntens.

Investeringsbevordering en Technische Assistentie (IBTA); budget f 18 mln

Doel van de faciliteit (Stcrt. 1998, 130; Stcrt. 1999, 42) is ondernemers uit Midden- en Oost-Europese landen, die samenwerken of willen gaan samenwerken met een Nederlands bedrijf, door middel van een financiële bijdrage hulp te bieden bij het opzetten en versterken van hun bedrijven. Deze faciliteit wordt uitgevoerd door de Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO). De uitgaven voor IBTA zijn tot en met 1999 geraamd op artikelsub 07.05–040.

Evaluatie 98–4 Instrument: Investeringsbevordering en Technische Assistentie

Beknopt resultaat: De faciliteit is doelmatig van opzet en neemt een duidelijke plaats in in het totale instrumentarium. De faciliteit draagt bij aan duurzame en transitie bevorderende Nederlandse investeringen in Oost-Europa (OE). De multiplier is relatief hoog: Voor iedere IBTA-OE gulden wordt voor 7,4 gulden geïnvesteerd in OE. Opmerkelijk is wel dat 3% van de bedrijven 28% van de subsidie ontvangt. De doeltreffendheid van de uitvoering is niet optimaal, verbetering is mogelijk op het gebied van o.a. communicatie en informatiestromen. Gebruik: De resultaten worden meegenomen bij het formuleren van de beleidsreactie. De Kamer zal hierover nader worden geïnformeerd.

b) De cijfers en onderverdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  24 78124 78124 78124 78124 781 
1e suppl. wet 1999  6 0007 0007 0007 0007 000 
Mutatie  3 87028 50028 50028 50027 800 
Ontwerp-begr. 200028 55325 73834 65160 28160 28160 28159 58160 281
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100012 95711 67915 72427 35427 35427 35427 03727 354
Waarvan te betalen27 24122 50331 65154 38154 38154 38153 68154 381

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  19 47820 84624 54222 40622 631 
Mutatie  3 38014 44419 72129 71229 522 
Ontwerp-begr. 2000 17 70322 85835 29044 26352 11852 15353  617
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 8 03310 37316 01420 08623 65023 66624 330
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
020 PESP 16 40816 00016 000 10 58512 44014 360 43G 11.1
050 Evaluatie & beleidsondersteuning 1 6853 6511 981 8333 6512 131 12 11.1
060 Beurzenprogramma Indonesie 1 1602 500800 7392 900800 43G 11.1
110 Programma Samenwerking Indonesië 4 9507 5007 500 3 8503 3375 362 43G 11.4
120 Investeringsfaciliteit OM   10 000   10 000 63D 11.4
130 Startende exporteurs 1 0002 5006 000 161801 150 43D 11.1
140 WTO-trustfund     1 000   31 11.1
150 Programma Starters Buitenland 5352 500  535450720 31 11.1
160 Investeringsbevordering & technische assistentie   18 000   767 62G 11.1
Totaal art. 07.02 25 73834 65160 281 17 70322 85835 290    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: IBTA: overboeking van 07.05–040 18 00018 00018 00018 000
2: IFOM: overboeking van 07.05–050 10 00010 00010 00010 000
3: BSA: overboeking van 07.05–1502 170500500500500
4: Verhoging bijdrage PUM en intertemporele compensatie1 700   – 700
Totaal3 87028 50028 50028 50027 800

ad 1, 2 en 3:Deze mutaties betreffen overboekingen van andere artikelen in verband met de stroomlijning van het instrumentarium.

ad 4:Het budget voor het Beurzenprogramma Indonesië in 1999 is met een intertemporele compensatie verhoogd met f 0,7 mln. Op hetzelfde onderdeel is voor het in 1999 opstarten van een Programma uitzending managers (PUM) in Indonesië f 1 mln geraamd.

07.03 Stimulering exportactiviteiten

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Met de instrumenten op dit artikel wordt beoogd die exporttransacties te faciliteren waarbij sprake is van concurrentieverstoring door buitenlandse overheidssteun aan buitenlandse concurrenten bij exporttransacties. Daarnaast worden exporttransacties naar Midden- en Oost-Europa en opkomende markten gefaciliteerd door het aanbieden van een herverzekeringsmogelijkheid voor transacties waarvoor geen reguliere exportkredietverzekering mogelijk is.

Besluit Subsidies Exportfinancieringsarrangementen (BSE); budget f 160 mln

Het BSE (Stb. 1997, 615) beoogt exporteurs van goederen te ondersteunen door het aanbieden van financieringsfaciliteiten. Het doel hiervan is deze exporteurs geen concurrentie-achterstand te laten oplopen ten opzichte van buitenlandse concurrenten die van hun overheden vergelijkbare faciliteiten ontvangen. Het BSE werkt op matchingbasis en bestaat uit vier regelingen:

• Exportfinancieringsarrangement lichte matching (MFL, Stcrt.1997, 245; Stcrt 1998, 249) die rentesubsidie geeft op matchingbasis als de concurrent wordt, of kan worden ondersteund door een buitenlandse overheid;

• Exportfinancieringsarrangement zware matching (MFZ, Stcrt.1997, 245; Stcrt 1998, 249) geeft eveneens rentesubsidie op matchingbasis als is aangetoond dat sprake is van buitenlandse overheidsgesteunde concurrentie;

• Exportfinancieringsarrangement rente-overbruggingsfaciliteit (ROF; Stcrt. 1997, 245; Stcrt 1998, 249), waarmee zonder bewijslast van buitenlandse overheidsgesteunde concurrentie, rentesubsidie kan worden gegeven tot de in OESO-verband afgesproken minimum rente (Commercial Interest Reference Rate);

• Exportfinancieringsarrangement Indonesië (EFI; Stcrt.1997, 245; Stcrt 1998, 249). Onder EFI lopen oude (tot en met 1999 aangegane) verplichtingen af. Uit hoofde van de garantie herverzekering Inpres-8 zullen geen nieuwe verplichtingen meer worden aangegaan.

Uitgangspunt is dat slechts 50% (EFI 33%) van de toegezegde rentesubsidies daadwerkelijk behoeft te worden uitbetaald. De uitvoering is in handen van Senter. In 1999 vindt een evaluatie plaats van MFL, MFZ en de ROF.

Kengetallen Besluit Subsidies Exportfinancieringsarrangementen(BSE)1
(Bedragen in verplichtingen x f 1 mln)artikel(-sub)Realisatie 1998Raming 1999Raming 2000
Ramingskengetallen    
1. Aantallen (= gehonoreerde aanvragen) 152020
2. Bedrag per eenheid (= aanvraag) 4,9654,0004,000
3. Toegelicht begrotingsbedrag (= subsidie)207.03–01069,98880,00080,000
Doelmatigheidskengetallen    
1. Aantal prestaties (= behandelde aanvragen) 384540
2. Kosten per prestatie 0,01460,00980,011
3. Aantal prestaties (= dossiers in beheer) 606560
4. Kosten per prestatie 0,00670,00650,0068
5. Toegelicht begrotingsbedrag (= uitvoeringskosten Senter)01.55–0400,9590,8610,850
6. Uitvoerend personeel in fte (= Senter) 3,784,044,0

1 exclusief exportfinancieringsarrangement Indonesië.

2 betreft geraamd kasbeslag in de komende jaren

Exportkredietverzekering Opkomende Markten (SENO/GOM); budget f 45 mln

De SENO-faciliteit (voorheen artikelsub 07.05–020, Kamerstukken II 1990/91, 21 937, nr. 1) beoogt de export te bevorderen van Nederlandse kapitaalgoederen naar markten in Midden- en Oost-Europa. Voor een aantal landen is namelijk geen reguliere exportkredietverzekering mogelijk. Om de export van met name kapitaalgoederen naar deze landen toch mogelijk te maken, kunnen deze transacties worden herverzekerd onder de SENO-faciliteit.

Om de aansluiting tussen exportkredietverzekering en de ORET/MILIEV programma's van Ontwikkelingssamenwerking (Ontwikkelingsrelevante Exporttransacties/Programma Milieu en Economische Verzelfstandiging) te verbeteren is voor het eerst in de ontwerpbegroting 1998 de Garantiefaciliteit Opkomende Markten (GOM) opgenomen. Conform de afspraken bij opzet van deze faciliteit zal na twee jaar een beperkte evaluatie plaats vinden.

De SENO- en GOM-faciliteit worden uitgevoerd door een 100% dochteronderneming van de Nederlandsche Credietverzekering Maatschappij (NCM) te Amsterdam, in samenwerking met en beheerd door de Stichting Economische Samenwerking Nederland-Opkomende Markten (SENO). SENO treedt op als herverzekeraar voor de NCM-dochter. De budgettaire risico's zijn met ingang van 3 mei 1999 door middel van een interne reserve afgedekt. De hoogte van de benodigde reserve wordt jaarlijks in overeenstemming met de Minister van Financiën bepaald. Basis hierbij vormt de actuele omvang van de reserve en de toegestane verhouding tussen de reserve en de herverzekeringsruimte (SENO 1:2 en GOM 1:1). Op basis van een in 1999 gemaakte analyse van de risico's van de portefeuille is overeengekomen dat de verhouding van de SENO-faciliteit kan worden verruimd van 1:2 naar 1:3. Indien noodzakelijk zal de hiervoor benodigde verplichtingenruimte worden toegevoegd. De omvang van de reserve was bij de instelling op 3 mei 1999 f 386 mln. Hiertegenover stond op dat moment een obligo van ruim f 500 mln (SENO f 453 mln / GOM f 47 mln). Naar verwachting zal het obligo ultimo 1999 zijn toegenomen tot ruim f 600 mln.

b) De cijfers en onderverdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  309 867180 000180 000180 000180 000 
1e suppl. wet 1999  556 384  
Mutatie  – 21 22825 00025 00025 00025 000 
Ontwerp-begr. 2000495 184148 924845 023205 000205 000205 000205 000205 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000224 70567 579383 45593 02593 02593 02593 02593 025
Waarvan te betalen209 485126 780209 948115 000115 000115 000115 000115 000

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  122 196110 362102 48792 20092 200 
1e suppl. wet 1999  57 500  
Mutatie  11 83836 52631 03535 94230 896 
Ontwerp-begr. 2000 92 031191 534146 888133 522128 142123 096120 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 41 76286 91466 65560 59058 14855 85954 454
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 BSE 84 352158 772160 000 76 35073 18458 000 31 11.3
020 Levering kapitaalgoederen Argentinië     500500  31 11.3
030 Exportfinancieringsarrangement Indonesië 64 572136 701  15 18132 85053 888 31 11.3
040 Garantie herverzekering Inpres 8  404 550      63D 11.0
060 Exportkrediet verzekering OM  145 00045 000  85 00035 000 72G 11.1
Totaal art. 07.03 148 924845 023205 000 92 031191 534146 888    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1. wijziging intrekkingspercentage BSE– 20 000– 20 000– 20 000– 20 000– 20 000
2. GOM: voortzetting instrument 25 00025 00025 00025 000
3. SENO: overheveling van 07.05–020 20 00020 00020 00020 000
4. Overboeking naar 07.04–010– 1 228  
Totaal– 21 22825 00025 00025 00025 000

ad 1: De slaagkans van projecten onder de exportfinancieringsarrangementen lichte matching, zware matching en renteoverbruggingsfaciliteit binnen het BSE is groter dan waarmee tot dusver in de begroting werd rekening gehouden. De mutatie betreft enerzijds een structurele verlaging van het intrekkingspercentage, waardoor de verhouding tussen het verwachte kasbeslag en de aangegane verplichtingen wijzigt van 1:3 naar 1:2. Anderzijds is de structurele kasdekking verhoogt met f 20 mln. Per saldo resulteert een verlaging van de structurele verplichtingenruimte met f 20 mln.

ad 2: De mutatie betreft een voortzetting van het GOM-instrument op het niveau van 1999.

ad 3 en 4: De mutaties zijn het gevolg van de stroomlijning van het instrumentarium.

07.04 Economische voorlichting en exportpromotie

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel wordt het gehele beleidsbudget (f 27,9 mln) van de EVD (Economische Voorlichtingsdienst) op één artikelsub geraamd. De personele en materiële uitgaven van de EVD zijn geraamd op het artikel 01.01 Apparaatskosten EZ. De taken van de EVD kunnen worden ingedeeld in zes deelprogramma's: buitenland netwerk, informatie, publiciteit buitenland/Holland imago, voorlichting en promotie programma, starters op buitenlandse markten en productontwikkeling en communicatie.

De kerntaak is het actief informeren van Nederlandse bedrijven over buitenlandse markten en het ondersteunen van deze bedrijven bij het selecteren en bewerken van die markten. Daartoe onderhoudt de EVD met behulp van de nieuwste technische mogelijkheden een nationale informatie-infrastructuur ten aanzien van buitenlandse markten. De EVD voorziet actief bedrijven en intermediaire organisaties van informatieproducten en ontwikkelt voorlichtings-, promotionele en publicitaire activiteiten ter ondersteuning van de presentie van Nederlandse bedrijven op buitenlandse markten. De directe relaties met de posten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken spelen hierbij een belangrijke rol. Deze posten hebben een onmisbare inbreng in de voorbereiding en de uitvoering van een groot deel van de activiteiten van de EVD.

Bovendien ondersteunen de posten ter plekke zelfstandig activiteiten van Nederlandse bedrijven. De EVD voorziet de posten van informatie en instrumenten. De EVD vervult daarbij een spilfunctie: hij schakelt zowel tussen het binnenlandnetwerk (waaronder exportconsulenten van de Kamers van Koophandel en de brancheorganisaties) en het buitenlandnetwerk alsook binnen die netwerken. Bij het verstrekken van informatie, het uitgeven van (elektronische) publicaties, het houden van voorlichtingsbijeenkomsten en het uitvoeren van promotionele activiteiten wordt zo veel mogelijk het profijtbeginsel toegepast. De ontvangsten die hieruit voortvloeien worden geraamd op artikel 07.02 Ontvangsten EVD.

Productontwikkeling en communicatie betreft de uitgaven voor onderzoek naar de juiste afstemming van het EVD-producten- en -dienstenpakket op de wensen en behoeften van het Nederlandse bedrijfsleven en de uitgaven ter ondersteuning van de algemene bekendheid van de EVD bij de doelgroep en intermediaire organisaties. In 2000 zal veel aandacht uitgaan naar de positionering van de EVD in de markt voor exportbevordering.

Aansluitend zijn diverse kengetallen met betrekking tot de EVD vermeld. Vooruitlopend op de vorming van een agentschap zijn de kengetallen sterker gericht op outputsturing en op de kernactiviteiten van de EVD. De producten zijn benoemd en geclusterd in zes deelprogramma's.

Kengetallen EVD
(Bedragen in verplichtingen x f 1 mln)Realisatie 1998Raming 1999Raming 2000
Deelprogramma 2: Informatie   
Beleidsuitgaven3 7664 7704 770
Aantal fte's738282
Informatieverzoeken54 00025 00025 000
Internetsite (unieke gebruikers per dag)350450600
Oplage publicaties54 81055 57057 000
    
Deelprogramma 3: Publiciteit buitenland/Holland imago   
Beleidsuitgaven1 0611 4001 400
Aantal fte's555
Internetsites (pageviews per dag)1 600 0002 000 0002 500 000
Oplage publicaties680 0001 080 000900 000
    
Deelprogramma 4: Voorlichting en promotie activiteiten   
Beleidsuitgaven7 4467 9507 950
Aantal fte's121313
Aantal deelnemers4 1944 1804 178
Aantal branches/thema's303333
    
Deelprogramma 5: Programma Starters op Buitenlandse markten   
Beleidsuitgaven (zie hiervoor de artikelsubs 07.02–130 en 150)
Aantal fte's33
Exportstrategieën750800
Aanvragen PSB2 5002 525
Aanvragen SEM200225
    
Deelprogramma 1: Netwerk/6: Productontwikkeling & communicatie   
Beleidsuitgaven9 06311 92113 761
Aantal fte's372526
    
Totaal EVD   
Beleidsbudget21 33626 04127 881
Aantal fte's127128129
% bekendheid binnen doelgroep111314
% bereik binnen doelgroep111314

Toelichting: In de deelprogramma's 2 t/m 5 worden producten voortgebracht die bedrijven rechtstreeks ondersteunen bij het vergroten van hun internationale handelsactiviteiten. De daling in het aantal informatieverzoeken van deelprogramma 2 wordt gedeeltelijk verklaard door een dubbeltelling in de vraagregistratie tot en met 1998. Voorts daalt het aantal vragen vanwege de ingebruikneming van de internetsite. De internetsite van deelprogramma 3 kent geen telling in aantallen unieke bezoekers per dag, maar telt de pageviews. De EVD verwacht dat de in 1998 en 1999 geconstateerde stijging doorzet. De totale oplage van alle publicaties, bedoeld voor het genereren van publiciteit voor Nederlandse bedrijven als internationale handelspartner, zal stijgen in verband met de introductie van een nieuw magazine: «Holland Economic Tribune», waarin een aantal andere periodieke uitgaven van de EVD wordt opgenomen. Het deelprogramma 5 Starters op buitenlandse markten maakt sedert 1999 deel uit van het takenpakket van de EVD. Het doel is om door middel van subsidiebijdragen exportstrategieën te laten opstellen door ondernemers ter ondersteuning van het uitbreiden van hun zakelijke activiteiten over de landsgrenzen heen.

b) De cijfers en de onderverdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  27 20127 20127 20127 20127 201 
Mutatie  – 1 160680680680680 
Ontwerp-begr. 20001 29525 76026 04127 88127 88127 88127 88127 881
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100058811 68911 81712 65212 65212 65212 65212 652
Waarvan te betalen1 22520 11126 04127 88127 88127 88127 88127 881

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  27 79327 20127 20127 20127 201 
Mutatie  – 1 752680680680680 
Ontwerp-begr. 2000 21 33626 04127 88127 88127 88127 88127  881
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 9 68211 81712 65212 65212 65212 65212 652

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 Versterking posten/voorlichting & promotie 11 6471200627 881 7 2681200627 881 12 11.0
020 Promotie 11 83410 343  10 85110 343  31 11.1
030 Informatie 1 6351 940  1 4221 940  12 11.1
040 Beleidsontwikkeling, PR 6151 752  6161 752  52 11.1
120 Promotie 29   1 150   31 11.1
130 Voorlichting     26   31 11.1
140 Onderzoek tbv voorlichting en promotie     3   31 11.1
Totaal art. 07.04 25 76026 04127 881 21 33626 04127 881    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Naar art. 01.01–055/056: compensatie personeel– 1 840    
2: Loon en prijsbijstelling680680680680680
Totaal– 1 160680680680680

In het Regeerakkoord is aangekondigd dat ook binnenlandse uitgaven voor internationale samenwerking onder de HGIS komen te vallen. Naar aanleiding van deze grondslagverbreding zijn de apparaatsuitgaven van de EVD met ingang van 1999 HGIS-relevant geworden, zodat integrale afwegingen tussen beleids- en apparaatsuitgaven gemaakt kunnen worden binnen hetzelfde budgettaire kader.

07.05 Afwikkeling Economische hulp Oost-Europa tot 2000

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn tot en met eind 1999 de financiële middelen van EZ ten behoeve van de economische hulp aan Midden- en Oost-Europa samengebracht. Om de transparantie in de begroting te bevorderen, worden inhoudelijk aan elkaar gelieerde instrumenten voortaan op één artikel(onderdeel) geraamd. Consequentie is dat in de begroting geen onderscheid meer wordt gemaakt naar regio's. Op dit artikel wordt alleen nog de uitfinanciering van oude verplichtingen op Midden- en Oost-Europa verantwoord. De Kamer wordt geïnformeerd over het beleid gericht op Midden- en Oost-Europa met de jaarlijkse voortgangsrapportage.

Ter verduidelijking is hieronder aangegeven waar de faciliteiten met ingang van 2000 worden geraamd.

 
tot en met 1999met ingang van 2000
010 Programma Samenwerking OE0707–010 Programma Samenwerking OE
020 SENO-faciliteit0703–060 Exportkredietverzekering OM
040 IBTA0702–160 Investeringsbevordering en technische assistentie
050 Investeringsfaciliteit MOE0702–120 Investeringsfaciliteit OM
111 OESO CCET/NIS0701–030 Grondstoffen en andere internationale organisaties
120 Trustfunds0707–030 Trustfunds
140 Programma Uitzending Managers NMCP / de Baak Managementcentrum / Beurzen cum stage programma Rusland0707–020 Managementassistentie
150 Evaluatie en beleidsondersteuning MOE0702–050 Evaluatie en beleidsondersteuning

b) De cijfers en onderverdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  243 630243 630243 630243 630243 630 
1e suppl. wet 1999  938 626  
Mutatie  – 3 800– 243 630– 243 630– 243 630– 243 630 
Ontwerp-begr. 2000737 009201 8591 178 456  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000334 44091 600534 760     
Waarvan te betalen223 727188 134513 730     

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  171 936196 647192 874206 150206 066 
1e suppl. wet 1999  313 400  
Mutatie  – 12 285– 51 502– 95 736– 146 131– 186 315 
Ontwerp-begr. 2000 127 487473 051145 14597 13860 01919 7513 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 57 851214 66165 86444 07927 2358 9631 361

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 Programma Samenwerking Oost-Europa 107 733132 667  55 59677 490110 230 31 11.1
020 SENO-faciliteit  980 000   335 000  72G 11.1
030 TRHIO (Herverzekering Investeringen)  5 959      62G 11.1
040 IBTA 34 06120 000  15 50413 94014 471 62G 11.1
050 Investeringsfacililiteit MOE 30 74920 000  30 72020 029  63D 11.1
060 GOS Programma     2 6191 267671 31 11.1
110 Multilaterale projecten 14 426   5 7836 00011 000 31 11.1
111 OESO CCET/NIS 560630  560630  11 11.7
120 Trustfunds 6 38310 000  7 95711 226  31 11.1
140 PUM / de Baak / Beurzen cum stage Rusland 6 0207 500  5 6165 9087 173 31 11.1
150 Evaluatie en beleidsondersteuning MOE 2701 500  62995750 31 11.1
160 Managementtraining 1 657200  3 070566850 31 11.1
Totaal art. 07.05 201 8591 178 456  127 487473 051145 145    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1. Extensivering IBTA– 3 000– 5 000– 5 000– 5 000– 5 000
2. Beëindiging regeling Passage– 800– 2000– 2000– 2000– 2000
3. PSO: overheveling naar 07.07–010 – 140 000– 140 000– 140 000– 140 000
4. SENO: overheveling naar 07.03–060 – 50 000– 50 000– 50 000– 50 000
5. IBTA: overheveling naar 07.02–160 – 18 000– 18 000– 18 000– 18 000
6. IFOM: overheveling naar 07.02–120 – 10 000– 10 000– 10 000– 10 000
7. CCET: overboeking naar 07.01 030 – 630– 630– 630– 630
8. Trustfunds: overboeking naar 07.07–030 – 10 000– 10 000– 10 000– 10 000
9. PUM: overboeking naar 07.07–020 – 7 500– 7 500– 7 500– 7 500
10. BSA: overheveling naar 07.02–050 – 500– 500– 500– 500
Totaal– 3 800– 243 630– 243 630– 243 630– 243 630

ad 1: De mutatie betreft een structurele bijstelling van het voor IBTA beschikbare budget. In de ontwerpbegroting 1998 was het voornemen opgenomen de IBTA-regeling uit te breiden met een participatiefaciliteit. Dit voornemen is echter niet meer reëel hangende de discussie over bundeling van het (EZ- & OS-) instrumentarium.

ad 3 t/m 10:De mutaties hebben betrekking op de overboekingen naar andere artikelen in verband met de stroomlijning van het instrumentarium.

07.07 Economische samenwerking en kennisoverdracht

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn de financiële middelen van EZ ten behoeve van economische samenwerking en kennisoverdracht samengebracht.

Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO, voorheen 07.05–010); budget f 140 mln

Dit instrument vloeit logisch voort uit de hoofddoelstelling van het beleid, te weten bevordering van export en buitenlandse investeringen. In transitie- en ontwikkelingslanden zijn de voorwaarden waarbinnen het voor bedrijven mogelijk is zelfstandig samenwerkingsvormen aan te gaan niet vervuld. Via de inzet van PSO wordt getracht de omstandigheden te creëren waarin het voor bedrijven verantwoord is structurele banden aan te gaan.

Door gerichte opdrachtverlening aan het bedrijfsleven wordt aan Midden- en Oost-Europese landen steun geboden bij het omschakelingsproces naar een marktgericht bestel. Voor de economische projecthulp via het PSO worden met de verschillende Midden- en Oost-Europese landen Memoranda of Understanding afgesloten. In het najaar van 1999 worden met de ontvangende landen de prioriteiten voor PSO-hulp in 2000 vastgesteld. Het PSO-programma bestaat uit PSO klassiek, PSO plus, pré-accessie en Multilaterale projecten. Deze laatste bevordert de aansluiting op programma's en projecten van intergouvernementele organisaties, voorzover die programma's en projecten passen binnen de doelstellingen van het Nederlandse economische hulpbeleid voor Midden- en Oost-Europa. In 1999 worden zowel PSO als de Multilaterale projecthulp geëvalueerd.

Doelmatigheidskengetallen Programma Samenwerking Oost-Europa (excl. Multilaterale projecten)
(Bedragen in verplichtingen x f 1 mln)Artikel(-sub)Realisatie 1998Raming 1999Raming 2000
1. Aantal prestaties (= behandelde projectaanvragen) 118102100
2. Kosten per prestatie 0,0280,0300,031
3. Aantal prestaties (= dossiers) 303280260
4. Kosten per prestatie 0,0200,0220,023
5. Toegelicht begrotingsbedrag (= uitvoeringskosten Senter)01.55–0409,3979,1959,08
6. Uitvoerend personeel in fte (= Senter) 354242

Managementassistentie (voorheen 0705–140); budget f 7,5 mln

Op het onderdeel Managementassistentie worden met ingang van 2000 geraamd het Programma uitzending managers NMCP/EE (PUM), cursussen De Baak Managementcentrum en het Beurzen cum Stage programma Rusland. Het PUM-programma wordt uitgevoerd door de Stichting PUM van het VNO/NCW. De Stichting zendt gepensioneerde en vervroegd uitgetreden managers voor tijdelijke advisering naar bedrijven en non-profit organisaties in Midden- en Oost-Europa. Tevens organiseert de Stichting individuele trainingen voor managers afkomstig uit de geadviseerde bedrijven. De bijdrage bestaat sinds 1992 uit een jaarlijkse doelsubsidie. In het jaar 2000 wordt het PUM geëvalueerd.

De Baak Managementcentrum voert in opdracht van EZ het opleidingsprogramma «From Planned Economy to Dynamic Management» voor jonge managers in Midden- en Oost-Europese landen uit.

In het kader van het Beurzen cum Stage programma Rusland kunnen Russische managers een beknopte managementcursus doorlopen in combinatie met een stage in een Nederlands bedrijf.

Trustfunds (voorheen 0705–120); budget f 10 mln

Er zijn drie EZ-trustfunds voor Midden- en Oost-Europa: bij de Wereldbank, de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) en de International Finance Corporation (IFC). Met deze gelden worden Nederlandse consultants ingeschakeld bij de voorbereiding van nieuwe of de rehabilitatie van bestaande projecten, die door deze instellingen kunnen worden gefinancierd. De trustfunds worden in 1999 geëvalueerd, tezamen met de het programma Multilaterale projecten.

b) De cijfers en onderverdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  
Mutatie   157 500157 500157 500157 500 
Ontwerp-begr. 2000   157 500157 500157 500157 500157 500
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000   71 47071 47071 47071 47071 470
Waarvan te betalen   146 000146 000146 000146 000146 000

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999        
Mutatie   16 42573 825107 450133 150 
Ontwerp-begr. 2000   16 42573 825107 450133 150136 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000   7 45333 50048 75960 42161 714

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 Programma Samenwerking Oost-Europa   140 000   6 425 31 11.1
020 Managementtraining en assistentie   7 500     31 11.1
030 Trustfunds   10 000   10 000 31 11.1
Totaal art. 07.07   157 500   16 425    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: PSO: overboeking van 07.05–010 140 000140 000140 000140 000
2: PUM: overheveling van 07.05–140 7 5007 5007 5007 500
3: Trustfunds: overheveling van 07.05–120 10 00010 00010 00010 000
Totaal 157 500157 500157 500157 500

ad 1 t/m 3:

De drie genoemde mutaties zijn het gevolg van de stroomlijning binnen het hoofdbeleidsterrein Buitenlandse Economische Betrekkingen en Exportbevordering.

08.00 WET INVESTERINGSREKENING

08.01 Investeringsbijdragen en -toeslagen

a) De grondslag van het artikel

Eind 1994 is het Fonds Investeringsrekening opgeheven. Met ingang van 1 januari 1995 worden de uitgaven en ontvangsten uit hoofde van de WIR geraamd op de EZ-begroting.

De opheffing van het Fonds Investeringsrekening heeft geen gevolgen voor de afspraken over de dekking van de WIR-uitgaven vanaf 1990, die zijn vastgelegd in de brieven aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 26 juni 1990 (Kamerstukken II 1989/90, 21 615, nr. 1) en 18 september 1990 (Kamerstukken II 1990/91, 21 615, nr. 7). Voor wat betreft de afspraak over budgettaire compensatie wordt verwezen naar de toelichting in de ontwerp-begroting 1996 (Kamerstukken II 1995/96, 24 400-XIII, nr. 2, blz 174). Het deel van de baten uit «common area», dat voor de dekking van het WIR-dossier was gereserveerd (maximaal f 700 mln), is toegevoegd aan het Fonds economische structuurversterking. Deze mutatie is verwerkt in de ontwerp-begroting 1997 (Kamerstukken II 1996/97, 25 000-XIII, nr. 2).

In de aansluitende tabel is het actuele financiële beeld van het WIR-dossier vanaf 1990 weergegeven. Dit laat een (geraamd) tekort van f 50 mln zien. Op grond van de bovengenoemde kabinetsbesluiten wordt de afwikkeling van het WIR-dossier echter bepaald op basis van de daadwerkelijke uitgaven en ontvangsten. Daarbij dient het geheel van ontvangsten en uitgaven zodanig sluitend te zijn dat per saldo de staatsschuld niet door de WIR-problematiek wordt belast.

De onder de post «extra desalderingen» opgenomen bedragen zijn in overleg met het Ministerie van Financiën over de jaren verdeeld. Deze bedragen zijn gereserveerd op hoofdstuk IX B (Financiën) en vormen onderdeel van de ontvangsten uit hoofde van de vennootschapsbelasting in deze jaren. Ook de uitvoeringskosten van de temporiseringsmaatregel («WIR-knip») worden verantwoord op hoofdstuk IX B.

Actueel financieel beeld van het WIR-dossier vanaf 1990
(Bedragen x f 1 mln)1990-'97119981199920002001Vanaf 2002Totaal
1. Bruto WIR5 1741946025705 460
2. Knip-effect (netto)– 3511141355523240
3. Bruto WIR (na knip)4 8233081958030245 460
4. Desinvesteringsbetalingen– 2 276– 24– 15– 10– 4– 1– 2 330
5. Netto WIR2 5472841807026233 130
6. Raming Startbrief– 1 500     – 1 500
7. Verschil1 0472841807026231 630
8. Desalderingen– 600     – 600
9. Extra desalderingen– 1002– 1002– 1002– 1002  – 400
10. AWBZ– 600     – 600
11. Uitvoeringskosten        
WIR-temporisering202     20
12. Resteert– 23318480– 30262350

1 Realisaties (afgerond)

2 Deze bedragen zijn verantwoord resp. gereserveerd op hoofdstuk IX B (Financiën)

Verplichtingen

De WIR-basispremie is eind februari 1988 op nihil gesteld en de kleinschaligheidstoeslag (KST) is – als laatste onderdeel van de WIR – met ingang van 1 januari 1990 omgezet in een investeringsaftrek. Er kunnen dan ook, afgezien van het «herleven» van WIR-claims, geen nieuwe verplichtingen ontstaan. WIR-claims «herleven» als de door een onderneming over een jaar verschuldigde belasting als gevolg van achterwaartse verliescompensatie achteraf onvoldoende blijkt om de in dat jaar reeds verrekende WIR-aanspraken (volledig) te compenseren. Voor zover de reeds verrekende WIR-claim de uiteindelijk verschuldigde belasting in dat jaar overschrijdt ontstaat een «nieuwe» WIR-claim, die binnen de daarvoor gestelde termijnen alsnog kan worden verrekend.

Voor wat betreft de bestaande verplichtingen, die nog niet tot verrekening zijn gekomen omdat tegenover deze WIR-claims geen of onvoldoende belasting stond (de «openstaande WIR»), bestaat geen inzicht in het deel daarvan dat alsnog tot verrekening zou kunnen komen door middel van voor- of achterwaartse verrekening en het deel dat, als gevolg van overschrijding van de daarvoor gestelde verrekeningstermijnen of op grond van faillissementen, niet meer kan worden verrekend (is «verdampt»). Om de hierboven genoemde redenen is het niet mogelijk om verplichtingenmutaties te presenteren.

b) De cijfers

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004 
Ontwerp-begr. 1999 190 00080 00025 00015 00010 000  
1e suppl. wet 1999 5 000 5 000  
Mutaties     – 3 000  
Ontwerp-begr. 2000308 124195 00080 00030 00015 0007 0002000 
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000139 82188 48736 30213 6136 8073 176908 

Economische code: 62D Functionele code: 11.1

c) De toelichting bij de cijfers

De mutatie betreft een aanpassing aan het actuele beeld.

09.00 ENERGIEBELEID

Matrix energie-beleidsinstrumentarium

kst-26800-XIII-2-5.gif

Toelichting:

De bovenstaande matrix is een schematische weergave van het energie-instrumentarium. Verticaal staan de doelgroepen van het beleid: sectoren die of bij de energievoorziening betrokken zijn (kennisinstellingen, nutssector) of die energie verbruiken (industrie, consumenten). Horizontaal in de matrix staat de manier waarop EZ deze sectoren ondersteunt, uitgesplitst naar de eerste fasen in de levenscyclus van een technologie of product en de relevante aspecten van de bedrijfsvoering (investeringen, exploitatie).

Naast het instrumentarium dat op de EZ-begroting is opgenomen, maakt het energiebeleid ook gebruik van regelingen die onder de beleidsverantwoordelijkheid van het Ministerie van Financiën vallen. Het betreft de regeling energiepremies en de fiscale regelingen Regulerende EnergieBelasting (REB), EnergieInvesteringsAftrek (EIA), Willekeurige Afschrijving Milieu-investeringen (VAMIL) en groen beleggen.

Het blok «BSE+» verwijst naar de programma's die grotendeels door Novem en in mindere mate door Senter worden uitgevoerd. Binnen de programma's worden subsidies verstrekt, waarvan het subsidiebesluit BSE de juridische grondslag vormt. Naast subsidies verstrekt Novem ook opdrachten. Die worden in het schema door de «+» verbeeld.

Deze BSE+-subsidies en -opdrachten voor 2000 kent de volgende specificatie (x f 1 miljoen)

 
09.01lange termijn onderzoek besparingstechnologie7,8
 programma's industrie71,4
 programma NETTO11,3
 programma woningbouw en diensten12,8
 programma's verkeer en vervoer8,3
 programma's agrarische sector8,2
09.02programma zon-thermisch*
 programma's zon-photovoltaisch6,5
 programma's windenergie*
 programma EWAB*
 programma warmtepompen6,6
 Projectbureau duurzame energie en overige7,1
 Totaal140

* tbv deze onderdelen zijn in 1999 meerjarige toezeggingen gedaan

In dit overzicht zijn niet de kosten van Senter en Novem voor de uitvoering van de programma's opgenomen. Voor Senter worden die apart geraamd op 01.55. Voor Novem staan die op hetzelfde artikelsub als het betreffende programma. Dit verklaart het verschil tussen de bovenstaande cijfers en de ramingen op het bedoelde artikelsub.

09.01 Energiebesparingstechnologie

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In de Derde Energienota (Kamerstukken II 1995/96, 24 525, nr 2) is als doelstelling van het energiebesparingsbeleid een verbetering van de energie-efficiency met één derde in de periode 1995–2020 genoemd. De Energiebesparingnota van april 1998 heeft de mogelijkheden van een intensivering van het energiebesparingsbeleid voor de periode tot en met 2010 verkend. Voor de periode tot en met 2002 zijn deze mogelijkheden concreet ingevuld in het Actieprogramma energiebesparing 1999–2002. Met de uitvoering van het actieprogramma wordt beoogd de jaarlijkse energie-efficiencyverbetering uiteindelijk op ca. 2% te brengen. Over de jaren 1990 t/m 1997 was dit 1,4%.

Op dit begrotingsartikel wordt een deel van de energiebesparingsmaatregelen verantwoord.

Zoals in het Actieprogramma energiebesparing is aangegeven, wordt een nieuw monitoringsysteem ontwikkeld om de effecten van het besparingsbeleid op maatregelenniveau vast te stellen. In de overgang van het bestaande systeem naar het nieuwe zijn geen recentere gegevens beschikbaar dan die waarover vorig jaar is gerapporteerd.

Lange-termijn onderzoek besparingstechnologie; budget f 7,81 mln

De Novem-programma's LTGO (Lange termijn onderzoekprogramma Gebouwde Omgeving) en het nieuwe programma NECST (Nieuwe Energie Conversie Systemen en Technologieën) komen ten laste van dit onderdeel. LTGO richt zich op een integrale aanpak van verdergaande energiebesparing en introductie van duurzame energiebronnen in de gebouwde omgeving. NECST is de opvolger van NECT (Nieuwe Energie Conversie Technologie). Het programma richt zich op de ontwikkeling van nieuwe technologieën voor energieopwekking en verkent mogelijke toekomstige ontwikkelingen van het energievoorzieningsysteem.

Voorts wordt vanuit dit onderdeel ander onderzoek gestimuleerd dat nodig is vanwege liberalisering van de energiesector, opkomen van nieuwe R&D-thema's en versterking van de lange termijn focus van het energieonderzoek. Het gaat hierbij onder meer om onderzoeksprogramma's en -projecten van aan de energiesector gelieerde kennisinstellingen en ontwikkelingstrajecten die niet in bestaande regelingen/programma's passen.

Omdat in 1999 voor de programma's NECST en LTGO een 2-jarig programma is gestart, is voor 2000 een lager budget geraamd.

Evaluatie 99–28 Instrument: NECT

Beknopt resultaat: De projecten van het NECT-programma hebben nog niet geleid tot veel toepassingen in de praktijk. Wel is door het programma meer duidelijk geworden over de (on)haalbaarheid van de onderzochte technologie. Hoge verwachtingen voor concrete toepassingen in de praktijk zijn voor de korte termijn niet gerechtvaardigd. Het naar de markt brengen van een technologie is een zaak van lange adem. Daarbij komt dat de industriële inbedding onzeker is.

De doelgroep van het programma waardeert de snelheid en slagvaardigheid van Novem. Wel is een actievere benadering van deze doelgroep wenselijk. Daarnaast moet de besluitvorming over de projectkeuze worden geformaliseerd. De toegankelijkheid van de jaarplannen en rapportages kan beter.

Gebruik: NECT wordt in gewijzigde vorm voortgezet. In die vorm staat de kraamkamerfunctie centraal. Het programmamanagement wordt op punten verbeterd.

Evaluatie 99–29 Instrument: Novem Brandstofcellen

Beknopt resultaat: Het meerjarenprogramma brandstofcellen is op de helft van de rit. Naar verwachting wordt binnen de resterende looptijd het doel (toepassing van brandstofcellen) niet bereikt. Dit komt doordat de brandstoftechnologie (wereldwijd) nog niet aan toepassing toe is. Het ontwikkelingswerk vergt nog geruime tijd.

Gebruik: Vooral vanwege deze constatering is besloten het programma af te bouwen.

Programma's industrie; budget f 71,42 mln

Ten laste van dit artikelonderdeel komen de volgende programma's gericht op energiebesparing in de industrie:

– het programma industriesectoren, waarin de huidige MJA's en het totstandkomen van nieuwe, tweede generatie, MJA's worden begeleid en dat energiebesparing bij het industriële MKB stimuleert,

– SPIRIT, een vraaggestuurd technologieprogramma dat kansrijke nieuwe technologieën stimuleert en onderzoek naar doorbraaktechnologieën bevordert,

– het programma Duurzame bedrijventerreinen, dat de totstandkoming van duurzame bedrijventerreinen stimuleert,

– Tendem, dat zich richt op demonstratie- en marktintroductie van energiebesparingstechnologie. Tendem is de opvolger van de Tenderregeling Industriële Energiebesparing (TIEB).

Daarnaast komen ten laste van dit onderdeel de kosten van het Verificatiebureau benchmarking, dat als onafhankelijke instantie een aantal in het convenant Benchmarken omschreven specifieke taken verricht. Tenslotte worden de kosten van een aantal specifieke projecten op dit artikel geraamd.

Subsidieregeling Energie-efficiency- en Milieuadviezen Schoner Produceren; budget f 2,6 mln

De regeling Energie-efficiency en Milieuadviezen maakt deel uit van het door EZ en VROM geïnitieerde programma Schoner Produceren. Binnen deze regeling kan het midden- en kleinbedrijf subsidie krijgen voor een advies over maatregelen ter vermindering van de milieubelasting en verbetering van de energie-efficiency.

Nieuwe energie-efficiënte transformatie, transmissie en opslag (NETTO); budget f 11,33 mln

Het demonstratie- en marktintroduktieprogramma NETTO stimuleert de toepassing van energie-efficiënte transformatie-, transmissie- en opslagtechnieken. Het programma volgt de Tenderregeling Nieuwe Energie-efficiënte combinaties met Warmte/Kracht-Systemen (NEWS) op. Naar aanleiding van de evaluatie van dit programma is het toepassingsgebied van NETTO verruimd naar andere energieconversietechnieken dan Warmte/kracht-koppeling (WKK), en naar transmissie- en opslagtechnieken. Ook wordt nu ook marktintroduktie gestimuleerd. Senter voert het programma uit.

Evaluatie 98–16 Instrument: NEWS

Beknopt resultaat:

• de regeling is redelijk effectief;

• de regeling richt zich te veel op de industrie. Omdat het effect van NEWS het sterkste bij niet-industriële bedrijven is, zou in de toekomst het accent meer op de gebouwde omgeving en landbouw moeten komen te liggen;

• de effectiviteit van de uitvoering is goed en de efficiency hiervan aanvaardbaar;

• voor het herhalen van nieuwe technieken is kennisoverdracht belangrijk. In dat licht is de kennisoverdracht bescheiden geweest.

De evaluatie verwacht weinig (potentiële) vernieuwingen in de WKK. In één geval is een overlap gesignaleerd met een andere regeling (CO2-reductieplan).

Gebruik: NEWS is in de huidige opzet beëindigd en wordt opgevolgd door NETTO. Bij de opzet van NETTO is rekening gehouden met de verbeter- en aandachtspunten van het onderzoek.

Programma's woningbouw en diensten; budget f 12,77 mln

De programma's Woningbouw, Diensten, Lokale & Regionale Energiebesparing (Loreen), Warmtevoorziening, Optimale Energie Infrastructuur (OEI) en Apparaten, die hier geraamd worden, zijn gericht op het bevorderen van energiebesparing in de gebouwde omgeving. Voorts komen specifieke projecten ten laste dit onderdeel. Afgezien van de programma's Warmtevoorziening en Apparaten worden de genoemde programma's in 1999 voor twee of meer jaren gecommitteerd. Daarom is voor 2000 een lager budget geraamd.

Programma's verkeer en vervoer; budget f 8,32 mln

De programma's voor verkeer en vervoer zijn de Novemprogramma's «Energiebesparing in Transport» (EBIT) en «Rationeel energieverbruik in verkeer en vervoer» (REV). Het EBIT-programma richt zich op het verminderen van de vraag naar transport van personen en goederen, met name door middel van meerjarenafspraken en ruimtelijke ordening. Voertuig- en brandstoftechnologie komen in het REV-programma aan de orde.

Programma's agrarische sector; budget f 8,175 mln

Vanuit het Novem-programma agrarische sector wordt energiebesparing in de agrarische sector gestimuleerd en ondersteund. Dit gebeurt door middel van onderzoeks-, ontwikkelings-, kennisoverdrachts- en (in beperkte mate) demonstratieprojecten.

Non-profit-regeling; budget f 36,66 mln

Omdat de non-profitsector de fiscale regeling voor de energie-investeringsaftrek (EIA) niet kan gebruiken, is de Subsidieregeling energie-investeringen in de non-profitsector (EINP) in het leven geroepen. Deze subsidieregeling stimuleert ook energiebesparing en de inzet van duurzame energie en sluit zoveel mogelijk aan bij de EIA. De hoogte van de subsidie is afgestemd op het netto voordeel dat een ondernemer heeft in het kader van de EIA. De regeling wordt uitgevoerd door Senter.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  209 793189 793199 643199 243199 243 
1e Nota v Wijziging 1999  – 7 500– 7 500– 10 000– 10 000– 10 000 
1e suppl. wet 1999  193 404– 37 290– 4 867– 4 867– 367 
Mutatie  18 28814 09611 57111 57112 771 
Ontwerp-begr. 2000225 590174 023413 985159 099196 347195 947201 647201 647
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000102 36878 968187 85872 19689 09888 91791 50391 503
Waarvan te betalen215 428174 574410 459154 640191 888189 488196 188197 128

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  131 186175 106190 375209 369209 369 
1e Nota v Wijziging 1999   – 1 875–3 750–5 875–8 000 
1e suppl. wet 1999  25 62736 48435 87425 14612 800 
Mutatie  8 0959 776– 4 73114 1144 903 
Ontwerp-begr. 2000 103 115164 908219 491217 768242 754219 072207 041
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 46 79274 83299 60198 819110 15799 41193 951
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
030 LT onderzoek besp. techn. 8 27448 5107 810 16 31721 56422 979 43Z 09.01
110 Programma's industrie 74 618161 59371 424 37 34154 81979 531 62D 09.0
120 Tenders energiebesparing 12 548   3 6507 1207 120 62D 09.0
130 Stimulering E&M-adviezen 20002 6002 600 3 2882 3412 308 43Z 09.0
140 NETTO 7 0688 44411 333 9537 55010 177 62D 09.0
150 Nieuwe technieken     69392  62D 09.0
210 Progr. woningb.& diensten 30 069126 27112 771 30 02132 42447 030 62D 09.0
230 Prog. verkeer en vervoer 7 37311 5008 320 6 52413 59911 270 62D 09.0
240 Prog. agrarische sector 5 21217 8458 175 3 1078 85211 216 62D 09.0
250 Non-profit reg. E-invest. 26 86137 22236 666 1 22116 54727 860 62D 09.1
Totaal art. 09.01 174 023413 985159 099 103 115164 908219 491    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1: Extra gelden EINP11 11113 33313 33313 33313 333
2: Van 04.10 voor duurzame bedrijventerreinen5 000     
3. Verbreding NEWS 
4. Ombuiging– 2 545– 2 656– 2 656– 2 656– 2 656
5. NME-gelden voor Benchmarking1 500     
6. Versnelling programma Agro1 0751 325– 1 200– 1 200 
7. Van 09.02 voor SPIRIT1 0001 0001 0001 0001 000
8. Van 09.02 voor NECST650650650650650
9. Overige mutaties497444444444444
Totaal18 28814 09611 57111 57112 771

ad 1: Het budget voor de EIA wordt verhoogd, zodat meer energie-investeringen van het bedrijfsleven voor fiscale aftrek in aanmerking komen. Om de nonprofit-sector tot een navenante inspanning te kunnen stimuleren, wordt het budget voor de subsidieregeling Energieinvestering Non-Profit (EINP) ook verhoogd.

ad 2: Het budget voor het programma Duurzame Bedrijventerreinen wordt in 1999 met f 5 mln verhoogd. Dekking vindt plaats ten laste van artikel 04.10 Stimulering Ruimte voor Economische Activiteit.

ad 3: Het grote besparingsbelang van efficiënte energieconversietechnologieën vraagt om een extra inspanning. Daarom wordt met ingang van het jaar 2000 f 4 mln ingezet voor verbreding van de NEWS-regeling. Deze krijgt vorm in het nieuwe NETTO-programma. De nieuwe middelen worden vrijgemaakt binnen het artikel (programma industrie), zodat in het overzicht geen mutatie te zien is.

ad 4: Binnen verschillende onderdelen van dit artikel is ruimte vrijgemaakt voor prioriteiten binnen het geheel van de EZ-begroting en voor het gedeeltelijk invullen van de taakstelling die bij Voorjaarsnota werd vastgesteld (zie artikel 01.08).

De uitgavenmutatie is het gevolg van een actualisatie van de uitgavenraming op reeds aangegane en nog aan te gane verplichtingen op het artikel.

09.02 Duurzame energie

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De doelstelling van het beleid ter bevordering van duurzame energie is een aandeel van 10% duurzame energie in 2020 (als tussendoelstelling is 5% in 2010 geformuleerd in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (Kamerstukken II 1998/1999, 26 603, nr. 2)). Het beleid is met name gebaseerd op de Derde Energienota (Kamerstukken II 1995/96, 24 525, nr. 2) en het Actieprogramma Duurzame energie in opmars (Kamerstukken II 1996/97, 25 276, nr. 1). Dit actieprogramma concentreert zich op de inspanningen om de doelstelling voor duurzame energie uit de Derde Energienota in de periode 1997–2000 te realiseren (3% duurzame energie in 2000). Voor het bereiken van deze doelstelling worden velerlei maatregelen genomen. Een deel hiervan valt onder dit begrotingsartikel.

In de Derde Energienota en het Actieprogramma Duurzame energie in opmars is de volgende tabel met de mogelijke bijdragen per duurzame energiebron in de komende jaren opgenomen.

Realisatie (t/m 1998) en doelstellingen (2000, 2007, 2020) duurzame energie (bijdrage in PJ*)
 19901995199619971998200020072020
Waterkracht0,80,80,70,80,9133
Windenergie0,52,94,04,35,8163345
Zon-PV0,000,010,010,020,031210
Zon-thermisch0,10,20,20,30,32510
Warmtepompen 3,13,23,33,475065
Warmte / koude oplsag0,010,10,10,20,22815
Energie uit afval en biomassa22,828,335,042,344,75485120
Totaal24,2135,4143,2151,2255,3388186268

* Bijdrage in PJ uitgespaarde brandstof conform definitie en methode Derde Energienota. In de voortgangsrapportage Duurzame energie in uitvoering 1999 zijn ook realisatiecijfers opgenomen volgens de in de voortgangsrapportage herziene definitie van duurzame energie.

Het grootste deel van de op dit artikel geraamde verplichtingenruimte wordt besteed in het kader van programmaovereenkomsten met Novem. Deze programma's zijn gebaseerd op een AMvB, het Besluit subsidies energieprogramma's (Stb. 1994, 225).

Programma's zon-thermisch; budget f 6,5 mln

De programma's zon-thermisch zijn voor de korte termijn gericht op de totstandkoming van een zonneboiler met een zodanig lage prijs dat deze in grote getale wordt gekocht en geplaatst zonder de stimulans van een subsidie. Daartoe is in 1999 een nieuwe meerjarenafspraak tussen EZ, VROM, de zonneboilerfabrikanten, Novem, EnergieNed, Holland Solar, Stichting Promo Zonneboiler, VNI en een aantal energiedistributiebedrijven getekend. Voor de ondersteuning van de meerjarenafspraak is tevens een bijdrage aan onderzoek en ontwikkeling voorzien. De inspanningen zijn voor de middellange termijn gericht op het bereiken van een bijdrage van 5 PetaJoule zon-thermisch in het jaar 2007, zoals aangekondigd in het Actieprogramma Duurzame energie in opmars.

Programma's zon-photovoltaïsch; budget f 0 mln

Dit onderdeel richt zich op de directe omzetting van zonlicht in elektriciteit (zon-photovoltaïsch: zon-pv). Deze technologie zal op de langere termijn een belangrijke duurzame energiebron worden. De toekomstige grootschalige introductie van zon-pv in Nederland vereist een forse onderzoeks- en ontwikkelingsinspanning, in samenspraak met de industrie. Hiertoe is tussen de meest betrokken partijen (overheid, industrie, bouwwereld, ECN, milieu-organisaties en energiebedrijven) een convenant gesloten. Ter ondersteuning van deze technologie voert Novem het programma zon-pv uit. Doelstelling is dat in het jaar 2000 tenminste 3 000 woningen en gebouwen moeten kunnen voorzien in hun elektriciteitsbehoefte door zonnestroom. Parallel aan de op Nederland gerichte toepassingen, stemt een groot aantal partijen in een strategieplatform zijn exportgerichte activiteiten op elkaar af.

Omdat in 1999 een 2-jarig programma is gestart, is voor 2000 geen verplichtingenbudget geraamd.

Programma's wind; budget f 0 mln

Het programma Toepassing Windenergie in Nederland (TWIN) versterkt het onderzoeks- en ontwikkelingswerk voor windenergie. Dat richt zich enerzijds op demonstraties van nieuwe concepten en prototypen, anderzijds op onderzoek naar near- en off-shore toepassingen. De planologische inpassing van windturbines blijft de nodige inspanningen vragen. Verder komen de uitvoeringskosten van Novem, ter afwikkeling van tot en met 1995 toegezegde subsidies voor investeringen in windturbines alsmede de uitvoeringskosten van de EINP-winddeel, ten laste van dit onderdeel.

Medio 1999 was circa 370 Megawatt windenergievermogen geplaatst. Omdat in 1999 een 2-jarig programma is gestart, is voor 2000 geen budget geraamd.

Programma EnergieWinning uit Afval en Biomassa (EWAB); budget f 0 mln

Het EWAB-programma ondersteunt onderzoeks- en ontwikkelingswerk, haalbaarheidsstudies en demonstratieprojecten gericht op de stimulering en verbetering van (mee)verbranding en vergassing van afval en biomassa voor elektriciteitsopwekking en andere vormen van nuttig toepasbare energie. Het doel voor 2000 is een besparing van 54 PetaJoule. Omdat in 1999 een 2-jarig programma is gestart, is voor 2000 geen verplichtingenbudget geraamd.

Programma Warmtepompen; budget f 6,6 mln

Het programma warmtepompen richt zich op de introductie van warmtepompen in de woning- en utiliteitsbouw en in de agrarische sector.

Stimulering zonneboilers; budget f 8 mln

De Subsidieregeling actieve zon-thermische systemen bevordert de investeringen in zonneboilers. Op basis van de evaluatie van de regeling is besloten de regeling – met enige technische aanpassingen – voor 1999 en 2000 te continueren.

Evaluatie 97–12 Instrument: Zonneboilerregeling

Beknopt resultaat: De afzet van zonthermische systemen is door de zonneboilerregeling sterk toegenomen. Dit is positief voor de Nederlandse industrie geweest. De regeling heeft geleid tot efficiëntere zonneboilers en inzicht bij de consument in de prijs-prestatieverhouding van de boilers.

Het subsidiebedrag is de afgelopen jaren sneller gedaald dan de prijs van de zonneboiler. Uit een enquête onder de subsidieaanvragers bleek dat 44% de boiler ook zonder subsidie zou hebben gekocht. Aanvragers die geen zonneboiler aanschaften, lieten dat in 70% van de gevallen achterwege door de hoge kosten. Professionele marktpartijen vinden de subsidie voor zonneboilers op nieuwbouwlocaties van groot belang.

Gebruik: De regeling is op grond van de evaluatie verlengd. Zonthermische systemen die geplaatst worden in 1999 en 2000 komen voor subsidie in aanmerking. De subsidiebedragen zijn niet verder verlaagd.

Non-profit-regeling windenergie; budget f 7,5 mln

Particuliere ondernemers zijnde geen NV of BV (met name agrariërs, een belangrijke doelgroep voor de ontwikkeling van windenergie) kunnen bij investeringen in windturbines geen gebruik maken van de VAMIL-regeling (vervroegde afschrijving milieuinvesteringen) en/of de EIA-regeling (energie investeringsaftrek). Voor de genoemde doelgroep is met ingang van 1997 de Non-profit-regeling windenergie in het leven geroepen. De faciliteit is een onderdeel van de EINP en wordt uitgevoerd door Novem.

Projectbureau duurzame energie en overige uitgaven; budget f 9,9 mln

Ten laste van dit onderdeel komt de EZ-bijdrage aan het projectbureau Duurzame Energie. Voorts worden hier ook geraamd de kosten van de Novem-programma's Duurzame Energie en Programma-ontwikkeling en Internationale zaken, alsmede van overige activiteiten die bijdragen aan de realisering van de doelstellingen van het Actieprogramma Duurzame energie in opmars.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  97 611103 60794 69194 69196 607 
1e suppl. wet 1999  115 733– 61 73340 00040 00040 000 
Mutatie  – 3 405– 3 405– 3 405– 3 405– 3 405 
Ontwerp-begr. 2000140 720 57 525209 93938 469131 286131 286133 202133 202
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100063 856 26 10495 26617 45659 57559 57560 44460 444
Waarvan te betalen137 02659 299208 54937 079130 536130 536132 452132 452
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  59 36685 52499 307102 472102 472 
1e Nota v Wijziging 1999     – 3 617– 4 834 
1e suppl. wet 1999  10 00016 20820 31528 92141 925 
Mutatie  – 7 527– 8 1455 07012 2582 777 
Ontwerp-begr. 2000 33 50561 83993 587124 692140 034142 340138 316
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 15 20428 06142 46856 58363 54564 59162 765

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
110 Zon-thermisch   6 500 5 6056 0006 663 43Z 09.01
120 Zon photovoltaisch 47 44093 059  8 19918 68230 279 43Z 09.01
130 Windenergie 76733 786  3 16411 82318 814 43Z 09.01
140 Biomassa en afval 2850 994  5 77814 08017 173 43D 09.01
150 Warmtepompen 6 4006 6006 600 6 9284 0936 299 62D 09.0
210 Stimulering zonneboilers 19988 0008 000 2 5652 1113 845 62D 09.0
220 E-Inv. Wind non profit  7 5007 500  1 8564 101 62D 09.1
310 Proj. Duurzame Energie 89210 0009 869 1 2663 1946 413 43Z 09.0
Totaal art. 09.02 57 525209 93938 469 33 50561 83993 587    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1. Ombuiging– 1 755– 1 755– 1 755– 1 755– 1 755
2. Naar 09.01 voor SPIRIT– 1 000– 1 000– 1 000– 1 000– 1 000
3. Naar 09.01 voor NECST– 650– 650– 650– 650– 650
Totaal– 3 405– 3 405– 3 405– 3 405– 3 405

ad 1: Binnen verschillende onderdelen van dit artikel is ruimte vrijgemaakt voor prioriteiten binnen het geheel van de EZ-begroting en voor het gedeeltelijk invullen van de taakstelling die bij Voorjaarsnota werd vastgesteld (zie artikel 01.08).

De uitgavenmutatie is het gevolg van een actualisatie van de uitgavenraming op reeds aangegane en nog aan te gane verplichtingen op het artikel.

09.03 Energievoorzieningsonderzoek

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de activiteiten op het gebied van energievoorzieningsonderzoek geraamd.

Hoge Flux Reactor (HFR); budget f 75 mln

Op dit onderdeel wordt de Nederlandse bijdrage geraamd aan het aanvullende Euratomprogramma voor de exploitatie van de Hoge Flux Reactor te Petten. Het programma draagt via ontwikkeling van nucleaire geneeskunde aan de bescherming van de volksgezondheid en door onderzoek aan het veilig gebruik van kernenergie bij. In concreto gaat het hierbij om de behandeling van nucleair afval, de brandstofvoorziening van bestaande en nieuwe reactoren en materialen voor nucleaire en niet-nucleaire toepassingen. Het geraamde verplichtingenbedrag van f 75 mln is bestemd voor de periode 2000/2003.

Nieuwe elektriciteitstechnologieën; budget f 1,4 mln

De gelden die op dit onderdeel worden geraamd, worden met name aangewend voor het stimuleren van onderzoek, ontwikkeling en praktijktoepassingen van relevante elektriciteitstechnologieën. Het gaat onder meer om zaken als systeemintegratie en elektromagnetische vermogenstechnieken.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  4 20076 4001 4001 4001 400 
1e suppl. wet 1999  651  
Mutatie  9 096  
Ontwerp-begr. 200041 1625 84013 94776 4001 4001 4001 40072 900
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100018 6792 6506 32934 66963563563533 081
Waarvan te betalen40 6105 67913 94773 0251 4001 4001 40072 900

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  21 75621 00422 40521 85420 727 
1e suppl. wet 1999  651  
Mutatie  – 733– 2 081– 1963351 229 
Ontwerp-begr. 2000 22 23821 67418 92322 20922 18921 95620 472
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 10 0919 8358 58710 07810 0699 9639 290
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
110 Hoge Flux Reactor  65175 000 17 57816 52814 325 43G 09.11
120 Programma's kernenergie 2 161   3 2522 891975 12 09.01
130 Nwe elektriciteitstechno. 3 67913 2961 400 1 4082 2553 623 62D 09.1
Totaal art. 09.03 5 84013 94776 400 22 23821 67418 923    

c) De toelichting bij de cijfers

De mutatie betreft het doorschuiven van 1998 naar 1999 van niet benutte verplichtingenruimte. Deze ruimte wordt ingezet voor de ontwikkeling van nieuwe relevante elektriciteitstechnologieën.

09.04 Beleidsondersteuning en overige uitgaven

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden diverse uitgaven voor beleidsondersteuning en de bijdragen aan de mijnindustrie geraamd.

Beleidsondersteuning; budget f 8,913 mln

De uitvoering van beleidsstudies op het gebied van energie en evaluaties beslaat het grootste deel van dit budget. Daarnaast zijn op dit onderdeel gelden geraamd voor de controle op de naleving van het Benzinebesluit, de bijdrage aan de normalisatiewerkzaamheden op gasgebied van het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI), enkele bijdragen aan internationale organisaties en incidentele uitgaven voor exportbevordering op energiegebied. Tenslotte worden uitgaven geraamd voor de Mijnraad en de Technische Commissie Bodembeweging (TCBB), te weten vacatiegelden en vergoedingen voor reis- en verblijfkosten van de leden.

Bijdragen aan de mijnindustrie; budget f 0,2 mln

De bijdragen aan de mijnindustrie betreffen oude verplichtingen die voortvloeien uit het beheer van de gelden van de drie mijnschadestichtingen.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  9 1139 1139 1139 1139 113 
Ontwerp-begr. 20002 25314 6309 1139 1139 1139 1139 1139 113
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10001 0226 6394 1354 1354 1354 1354 1354 135
Waarvan te betalen2 22414 1099 1139 1139 1139 1139 1139 113
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  6 5518 5249 1019 1639 113 
Mutatie  1 9541 0852 514905  
Ontwerp-begr. 2000 4 5228 5059 60911 61510 0689 1139 113
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 2 0523 8594 3605 2714 5694 1354 135

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 Beleidsondersteuning 14 6038 9138 913 4 5088 2929 409 12 09.0
110 Bijdrage mijnindustrie 27200200 14213200 43D 09.1
Totaal art. 09.04 14 6309 1139 113 4 5228 5059 609    

09.05 Energieonderzoek Centrum Nederland

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Naar aanleiding van de Nota Kennis in Beweging zijn per 1 januari 1997 een nieuwe aansturing en missie van ECN gerealiseerd. Voor zowel de Basis- als de ENGINE-financiering is een meerjarenprogramma geformuleerd. In het Samenwerkingsfinancieringsprogramma komt de versterkte interactie tussen vraag en aanbod van kennis tot uiting.

Basis- en ENGINE-financiering; budget f 31,9 mln

De Basis- en ENGINE-financiering stelt ECN in staat onderzoek te verrichten, kennis en kunde op het gebied van duurzame energie, fossiele brandstoffen, nucleaire energie en energie-efficiency te ontwikkelen en beleidsstudies te doen.

Het ENGINE-programma richt zich op langere termijn energieonderzoek ter bevordering van een toekomstig duurzame energiehuishouding en wordt jaarlijks extern beoordeeld door de Programma Advies Raad.

Binnen het Basisprogramma kan ECN naar eigen inzicht activiteiten gericht op kennisopbouw en onderzoek ontplooien. Daarmee kan het instituut zijn positie in de onderzoekswereld versterken.

Samenwerkingsfinanciering; budget f 31,0 mln

Het Samenwerkingsprogramma omvat de volgende werkgebieden: duurzame energie, brandstoffen conversie en milieu, nucleaire energie, energie-efficiency en beleidsstudies.

In de projecten werkt ECN samen met bedrijfsleven en andere relevante partijen, die via cofinanciering ook een financiële bijdrage leveren. Externe beoordelingscommissies beoordelen jaarlijks de verschillende werkgebieden. Voor het Samenwerkingsprogramma is een «Target 2000» voor de mate van cofinanciering gesteld, dat erin voorziet dat vanaf het jaar 2000 het aandeel cofinanciering voor het gehele programma 50% bedraagt.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  64 67563 70663 48563 26463 264 
1e Nota v Wijziging 1999  – 6 983– 6 205– 6 175– 6 145– 6 145 
1e suppl. wet 1999  3 7003 7003 7003 7003 700 
Mutatie  1 7111 7051 6981 6931 693 
Ontwerp-begr. 20001 545108 87663 10362 90662 70862 51262 51262 512
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100070149 40628 63528 54528 45628 36728 36728 367

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  64 67963 71163 48963 26963 264 
1e Nota v Wijziging 1999  – 6 983– 6 205– 6 175– 6 145– 6 145 
1e suppl. wet 1999  3 6173 7003 7003 7003 700 
Mutatie  1 6841 7061 6981 6931 693 
Ontwerp-begr. 2000 108 98762 99762 91262 71262 51762 51262 512
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 49 45628 58728 54828 45728 36928 36728 367

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 Basis- en ENGINEfinanc. 29 16131 96731 868 29 16131 96731 868 43Z 09.01
020 Samenwerkingsfinanciering 28 69931 13631 038 28 81031 03031 044 43Z 09.01
030 FPU ECN 51 016   51 016   43Z 09.01
Totaal art 0 905 108 87663 10362 906 108 98762 99762 912    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1. Loon- en prijsbijstelling ECN1 7111 7051 6981 6931 693
Totaal1 7111 7051 6981 6931 693

09.06 Doelfinanciering NITG-TNO

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn de middelen voor het Doelfinancieringsprogramma EZ-DGE Geo-onderzoek geraamd. Deze middelen zijn bestemd voor het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen, een onderdeel van de organisatie TNO (NITG-TNO). Het programma richt zich op de instandhouding en verdere ontwikkeling van geowetenschappelijke en daarmee verband houdende technologische kennis. Ook wordt specifiek onderzoek gedaan op beleidsterreinen waarvoor EZ beleidsverantwoordelijkheid draagt.

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  28 68828 56928 45128 33228 332 
Mutatie  1 155936931927927 
Ontwerp-begr. 2000 31 59529 84329 50529 38229 25929 25929 259
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 14 33713 54213 38913 33313 27713 27713 277

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  28 68828 56928 45128 33228 332 
Mutatie  1 155936931927927 
Ontwerp-begr. 2000 31 59529 84329 50529 38229 25929 25929 259
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 14 33713 54213 38913 33313 27713 27713 277

Economische code: 31 Functionele code: 11.2

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1. Loon- en prijsbijstelling NITG-TNO941936931927927
2. BTW ivm fusie NITG-TNO214  
Totaal1 155936931927927

09.07 CO2-reductie

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Het Nationaal MilieubeleidsPlan-2 streefde naar een daling met 3% van de CO2-emissies in de periode 1990 tot 2000. Uit de milieubalans 1990–1995 van het RIVM bleek echter dat de CO2-emissies nog altijd stegen. Daarop is besloten tot aanvullende maatregelen in de vorm van een CO2-reductieplan. Daarvoor is in eerste instantie een bedrag van f 750 miljoen beschikbaar gesteld. Later is hier een bedrag van f 250 miljoen aan toegevoegd. Deze gelden zijn geparkeerd op de aanvullende post «Nader te bepalen» op de Rijksbegroting en worden op basis van voorziene budgettaire behoefte aan de EZ-begroting toegevoegd. Thans is f 287,6 mln van de totale f 1 mrd voor het CO2-reductieplan in de EZ-begroting opgenomen.

CO2-reductieplan door EZ; budget f 0 mln.

De toewijzing van subsidies aan projecten vindt plaats in twee tranches. De eerste tranche betreft twaalf projecten die zijn aangemeld in de eerste maanden van het bestaan van het CO2-reductieplan. De tweede tranche betreft projecten die zijn ingediend naar aanleiding van een bekendmaking van het CO2-reductieplan via een brief aan de Tweede Kamer van 17 september 1996 (Kamerstukken II, 1996/97, 25 026 nr.1) en een oproep in de Staatscourant van 8 november 1996. De aanvragen worden behandeld onder het regiem van een gepubliceerde regeling.

De uitvoering van het EZ- en VROM-deel van het CO2-reductieplan is in handen van het projectbureau CO2-reductieplan, een samenwerkingsverband van Senter en Novem. De uitvoeringskosten worden geraamd op artikel 01.55.030.

Tot slot is een deel van de middelen gereserveerd voor een demonstratieproject om kennis en ervaring op te doen met de toepassing van windenergie op zee («near shore windproject»). De subsidieregeling voor dit project is in voorbereiding.

Joint Implementation; budget f 52,6 mln.

Op dit artikel worden ook de gelden voor het Joint Implementation-programma geraamd. In het protocol van Kyoto heeft Nederland een CO2-emissiereductie van 6% op zich genomen. Een gedeelte van de reductie kan worden behaald met gebruik van zogenaamde flexibele instrumenten Clean Development Mechanism (CDM), Emissions Trading (ET) en Joint Implementation (JI). Momenteel wordt nader overlegd over de uitwerking van de regels van deze instrumenten. Meer duidelijkheid zal naar verwachting ontstaan tijdens de zesde Conference of Parties in het najaar van 2000.

Het JI-programma richt zich op het bereiken van energiebesparing in Midden- en Oost Europese landen. De reducties die via JI-projecten plaatsvinden, worden voor de periode 2008–2012 meegeteld voor de Nederlandse doelstelling. Vanuit HGIS is structureel f 75 mln per jaar beschikbaar voor JI. Deze gelden zijn vooralsnog deels op de aanvullende post HGIS en deels op de EZ-begroting geraamd. Daarnaast is op de aanvullende post «nader te bepalen» van de Rijksbegroting in totaal f 100 mln geraamd voor JI. De op beide aanvullende posten geraamde gelden zijn op afroep beschikbaar voor de financiering van JI-projecten die bijdragen aan de Nederlandse Kyoto-doelstelling.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  
1e suppl. wet 1999  269 000  
Mutatie  26 51652 63273 68578 94778 947 
Ontwerp-begr. 20002 50018 620295 51652 63273 68578 94778 94778 947
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10001 1348 449134 09923 88333 43735 82535 82535 825
Waarvan te betalen2 500 32 70050 00070 00075 00075 00075 000

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  974718200  
1e suppl. wet 1999  7 500  
Mutatie  – 27424 28224 80050 00075 000 
Ontwerp-begr. 2000 20008 20025 00025 00050 00075 00075 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 9083 72111 34511 34522 68934 03434 034

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 CO2-reductieplan door EZ 18 620269 000  20008 000  62D 07.35
020 Joint Impl  26 51652 632  20025 000 62D 07.35
Totaal art. 09.07 18 620295 51652 632 20008 20025 000    

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1000)19992000200120022003
1. Toevoeging RA-middelen voor Joint Implementation26 31652 63273 68578 94778 947
2. Uitvoeringskosten Joint Implementation200  
Totaal26 51652 63273 68578 94778 947

ad 1: Bij het Regeerakkoord zijn middelen beschikbaar gesteld voor het opzetten en uitvoeren van Joint Implementation in het kader van CO2-reductie in samenwerking met Midden- en Oost-Europa. Thans is een deel van deze HGIS-middelen aan de EZ-begroting toegevoegd.

09.12 Garanties energiebeleid

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel zijn de garanties op het gebied van het energiebeleid geraamd, alsmede de eventuele uitgaven die daarmee samenhangen. De diverse garanties zijn hieronder toegelicht.

Leningen en exploitatiekosten Nederlandse Pijpleidingmaatschappij B.V.; garantieplafond f 32,5 mln

De Nederlandse Pijpleidingmaatschappij B.V. (NPM) is opgericht in verband met de aanleg van een pijpleiding tussen het gebied van de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal. De pijpleiding wordt sinds 1982 niet meer gebruikt. Het Rijk (in casu EZ) en de gemeente Amsterdam betalen elk 50% van de uitgaven die sindsdien gemoeid zijn met rente- en aflossingsverplichtingen van leningen en met de exploitatiekosten.

Garantietabel NPM
(Bedragen x f 1000)1998199920002001200220032004
Garantieplafond32 50032 50032 50032 50032 50032 50032 500
uitstaand risico per 1 januari2 146433800800800800800
te vervallen garanties– 2 393– 162     
verleende of te verlenen garanties680529  
uitstaand risico per 31 december433800800800800800800

Leningen Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten (COVA); garantieplafond f 1 600 mln

De Wet voorraadvorming aardolieprodukten (Stb. 1986, 675) regelt onder meer de nationale voorraadplicht zoals die in internationaal verband geldt. Een gedeelte wordt opgelegd aan voornamelijk de raffinaderijen en de importerende oliehandel en het merendeel aan de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten (COVA). De omvang van de door COVA aan te houden olievoorraden is voor het laatst vastgesteld op 1 april 1995 (Stcrt. 1995, 77). De exploitatiekosten COVA komen ten laste van artikel 09.21 Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten. De leningen ter financiering van de olievoorraden zijn verstrekt onder staatsgarantie. Er worden geen uitgaven op deze garantie voorzien.

Garantietabel COVA
(Bedragen x f 1000)1998199920002001200220032004
Garantieplafond1 600 0001 600 0001 600 0001 600 0001 600 0001 600 0001 600 000
uitstaand risico per 1 jan. 1 220 0001 285 0001 285 0001 285 0001 285 0001 285 0001 285 000
verleende of te verlenen garanties65 000  
Uitstaand risico per 31 dec. 1 285 0001 285 0001 285 0001 285 0001 285 0001 285 0001 285 000

Exploitatiegarantie stadsverwarmingsproject; garantieplafond f 26,519 mln

Betreft uitgaven in verband met de aardgasprijsgarantie voor het stadsverwarmingsproject Duiven-Westervoort.

Garantietabel stadsverwarming
(Bedragen x f 1000)1998199920002001200220032004
Uitstaand risico per 1 jan. 26 51922 10418 50415 80414 00413 30412 604 
Te vervallen garanties– 4 415– 3 600– 2 700– 1 800– 700– 700– 700
Uitstaand risico per 31 dec. 22 10418 50415 80414 00413 30412 60411 904 

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  
Ontwerp-begr. 20001 664 630680  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000755 376309  
Waarvan te betalen26 978680      

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  5 4605 3355 3355 179  
Mutatie  307  20  
Ontwerp-begr. 2000 6 0225 7675 3355 3355 199  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 2 7332 6172 4212 4212 359  
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
010 Leningen NPM 680   1 608432  63D 09.2
140 Garanties stadsverwarming     4 4145 3355 335 63D 09.0
Totaal art. 09.12 680   6 0225 7675 335    

DOORSLUISPOSTEN

09.21 Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de betalingen aan de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) geraamd ter financiering van de exploitatiekosten voor het aanhouden van een noodvoorraad aardolieproducten. Als dekking hiervoor worden voorraadheffingen op aardolieproducten geïnd door het Ministerie van Financiën. Een en ander geschiedt krachtens de Wet Voorraadvorming Aardolieproducten (Stb. 1986, 675).

De raming van deze voorraadheffing is opgenomen bij ontvangstenartikel 09.03 Ontvangsten COVA. Bij dat artikel zijn ook de ramingskengetallen ten aanzien van COVA opgenomen.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  140 580140 580140 580140 580140 580 
Mutatie  – 3 08065029 52029 52029 520 
Ontwerp-begr. 2000 163 283137 500141 230170 100170 100170 100170 100
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 74 09562 39564 08777 18877 18877 18877 188

Economische code: 43D Functionele code: 09.1

c) De toelichting bij de cijfers

Omdat zowel het verwachte heffingsplichtig volume als het heffingsbedrag wijzigen, wordt de raming van de afdracht van de voorraadheffing aan het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) bijgesteld. De onderbouwing van de raming is opgenomen bij het ontvangstenartikel 09.03 Ontvangsten voorraadheffing in verband met de financiering Stichting COVA.

09.22 Uitkering aan houder certificaten Energiebeheer Nederland B.V.

a) De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de afdrachten door EZ aan N.V. DSM geraamd van dividend van Energiebeheer Nederland B.V. (EBN). N.V. DSM is houder van de certificaten van de EBN-aandelen. Het dividend ontvangt EZ van EBN (zie ontvangstenartikel 09.02).

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  138 000138 000137 000137 000137 000 
Mutatie  2 0004 0003 000  
Ontwerp-begr. 2000 138 846140 000142 000140 000137 000137 000138 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 63 00663 52964 43763 52962 16862 16862 622

Economische code: 27 Functionele code: 09.1

c) De toelichting bij de cijfers

De mutatie betreft de doorsluis van verhoogde dividenduitkering EBN. Zie tevens ontvangstenartikel 09.02 Uitkering van Energiebeheer Nederland B.V.

AFWIKKELING ENERGIEBELEID TOT 1996

Bij de artikelen 09.31 tot en met 09.35 worden uitgaven geraamd ter afwikkeling van verplichtingen die tot en met 1995 zijn aangegaan. Omdat geen nieuwe verplichtingen geraamd worden, is per artikel alleen de aansluitingstabel voor de uitgavenraming vermeld.

09.32 Toepassing energiebesparingtechnologie en duurzame energie

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  64 95233 14325 2687 2004 903 
1e Nota v Wijziging 1999  – 5 000– 5 000– 10 000– 7 200– 4 903 
1e suppl. wet 1999  – 11 900  
Mutatie  – 14 03311 44810 86713 7774 679 
Ontwerp-begr. 2000 81 83834 01939 59126 13513 7774 67915 040
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 37 13615 43717 96611 8606 2522 1236 825
De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
111 Industrie     20 9098 0488 563 62D 09.0
112 Gebouwde omgeving en verv     14 1014 0553 283 62D 09.0
113 Tenderreg. e-besp proj     8 3978 60012 000 62D 09.0
422 Energiebesparingsadviezen     2 366621  43Z 09.0
426 Invest.in windturbines     26 8715 4265 945 62D 09.2
427 Overige duurzame energie     8 7487 2539 800 62D 09.0
510 Energiebesp.best.gebouwen     283   62D 09.0
922 Demo en marktintroductie     120   62D 09.2
939 Alg voorl regelg mon eff     4316  43Z 09.0
Totaal art. 09.32     81 83834 01939 591    

De uitgavenmutatie is het gevolg van een actualisatie van de uitgaven op in het verleden aangegane verplichtingen op diverse onderdelen binnen dit artikel.

09.33 Onderzoek en ontwikkelingswerk op energiegebied

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  10 8603 322  
Mutatie  4 7176 9624 6471 500  
Ontwerp-begr. 2000 26 51615 57710 2844 6471 500  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000 12 0327 0694 6672 109681  

De verdeling naar onderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
020 Ond. actiniden & r-afval      8068 12 07.35
110 Beleidsstudies     489103  12 09.0
210 Ontwikkeling kolenbeleid     2 2471 081716 62D 09.1
510 Ond e-besp-tech & duurz e     23 78014 3139 500 43Z 09.01
Totaal art. 09.33     26 51615 57710 284    

De uitgavenmutatie is het gevolg van een actualisatie van de uitgaven op in het verleden aangegane verplichtingen op diverse onderdelen binnen dit artikel.

09.35 Investeringssubsidies energiebesparing

b) De cijfers

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999   1 000700482  
Mutatie    – 271– 482  
Ontwerp-begr. 2000  7611 000429  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000  345454195  

Economische code: 62D Functionele code: 09.0

09.36 Compensatie kernenergie centrale Borssele

a) De grondslag vna het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel is de tegemoetkoming in de kosten (f 70 mln.) geraamd, die het verkorten van de bedrijfslengte van de kerncentrale Borssele met zich mee brengt. De Tweede Kamer heeft in december 1994 de wens uitgesproken de bedrijfsduur zoals vermeld in het Elektriciteitsplan (1995–2004) te verkorten van 2007 naar 2004.

b) De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999   
Ontwerp-begr. 200070 000  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100031 765  
Waarvan te betalen70 000  

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999   
Ontwerp-begr. 2000       70 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1000       31 765

Economische code: 43D Functionele code: 09.2

2. ONTVANGSTEN

01.00 ALGEMEEN

01.01 Diverse ontvangsten

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel is een raming opgenomen van de ontvangsten die samenhangen met de personeelsuitgaven, zoals restituties van reiskosten en inhoudingen voor pensioenen. Daarnaast worden ontvangsten geraamd uit hoofde van de bijdrageregeling ex artikel 65 van de Elektriciteitswet 1998, alsmede overige ontvangsten die niet onder een specifiek artikel vallen.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 7 1887 1887 0887 0887 088 
1e suppl. wet 1999 246  
Mutatie 1999 1 6941 9401 9401 9401 940 
Ontwerp-begr. 20007 9759 1289 1289 0289 0289 0289 028
Ontwerp-begr. 2000 in EUR1 0003 6194 1424 1424 0974 0974 0974 097

De verdeling naar onderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
 199819992000Econ.Funct.
010 Div.ontvangsten personeel5 6825 5005 5001611.0
030 Ontvangsten PC-privé6993003001611.0
040 Materieel ministerie863  1611.0
200 Ontvangsten ECD42462501213.9
400 Commiss.verg./vakatiegeld4664004001211.0
430 Ov.ontv.(buiten)diensten2617427381211.0
550 Ontvangsten DTe 1 9401 94047Z11.1
Totaal art. 01.017 9759 1289 128  

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Ontvangsten x f 1 000)19992000200120022003
1: Ontvangsten DTe1 9401 9401 9401 9401 940
2: Aanpassing raming– 246  
Totaal1 6941 9401 9401 9401 940

01.11 Ontvangsten Bureau voor de Industriële Eigendom

a) De grondslag van het artikel

De ontvangsten van het Bureau voor de Industriële Eigendom bestaan, naast enkele incidentele baten, hoofdzakelijk uit ontvangsten krachtens de Rijksoctrooiwet (Stb. 1995, 52). De hoogte van de verschuldigde taksbedragen is vastgelegd in het Octrooireglement (KB van 22 september 1921, Stb. 1083).

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 46 75547 65548 45549 25550 055 
1e suppl. wet 1999 2 2552 4223 6225 8226 022 
Ontwerp-begr. 200048 07149 01050 07752 07755 07756 07756 077
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100021 81422 24022 72423 63224 99325 44725 447

De verdeling naar onderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
 199819992000Econ.Funct.
010 Ontv.Octr.R.+Bur.Warenmer47 64648 82050 0003611.1
020 Div.ontv.Bur.Ind.Eigendom425190771611.1
Totaal art. 01.1148 07149 01050 077  

01.21 Ontvangsten Centraal Planbureau

a) De grondslag van het artikel

De ontvangsten van het CPB bestaan voor het grootste deel uit ontvangsten vanwege werken in opdracht (andere onderdelen van de Staat). Daarnaast heeft het CPB nog ontvangsten van kleinere omvang (onder andere de verkoop van publicaties). De tarieven welke in rekening worden gebracht zijn, afhankelijk van de opdrachtgever, gebaseerd op:

• De Tarieven Handleiding van het Ministerie van Financiën;

• De Algemene Regeling van Tarieven en Voorwaarden van het Ministerie van BuZa;

• Tarieven van de Europese Commissie.

Door het hanteren van bovengenoemde tarieven worden de kosten van het werken in opdracht geacht gedekt te zijn. Ingeval sprake is van substantiële extra kosten ten behoeve van onderzoek door derden, aanschaf databestanden en dergelijke, worden deze apart in rekening gebracht.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 3 24295959595 
1e suppl. wet 1999 – 412  
Mutatie 1999  2 735  
Ontwerp-begr. 20002 1052 8302 83095959595
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10009551 2841 28443434343

Economische code: 16 Functionele code: 01.32

c) De toelichting bij de cijfers

Betreft een voorgestelde desaldering met uitgavenartikel 01.01 Apparaatsuitgaven EZ in verband met werken in opdracht door het CBP.

01.31 Ontvangsten Centraal Bureau voor de Statistiek

a) De grondslag van het artikel

De ontvangsten van het CBS bestaan voor het grootste deel uit ontvangsten vanwege werken in opdracht (voor derden) en de verkoop van publicaties. Daarnaast is er sprake van diverse ontvangsten, welke voornamelijk incidenteel en/of van kleine omvang zijn. Voor wat betreft het werken in opdracht hanteert het CBS sinds april 1996 de Tarieven Handleiding van het Ministerie van Financiën met een opslag van vijf procent. Publicaties zijn een bijproduct van de activiteiten van het CBS. Verkoop vindt daarom plaats tegen marginale kosten (repro- en distributiekosten). Van de geraamde ontvangsten voor 1999 heeft circa f 12,5 mln betrekking op werken voor tweeden. Het betreft hier werkzaamheden voor Eurostat, het Europese statistisch bureau.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 21 60023 20023 20023 20023 200 
Ontwerp-begr. 200028 07321 60023 20023 20023 20023 20023 200
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100012 7399 80210 52810 52810 52810 52810 528

Economische code: 16 Functionele code: 01.32

01.41 Terugontvangsten Senter

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de ontvangsten van Senter geraamd. Het betreft met name terugontvangsten op aan Senter verstrekte opdrachten.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999  
Mutatie 1999 1 0002 342  
Ontwerp-begr. 20002 0481 0002 342  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10009294541 063  

Economische code: 16 Functionele code: 11.1

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Ontvangsten x f 1 000)19992000200120022003
1: Terugbetaling op opdracht 19981 000     
2: Vermogensconversie 2 342  
Totaal1 0002 342   

02.00 INDUSTRIEEL EN ALGEMEEN TECHNOLOGIEBELEID

02.02 Ontvangsten technische ontwikkelingskredieten

a) De grondslag van het artikel

De hier geraamde ontvangsten bestaan uit betalingen van rente en aflossingen op in het verleden verstrekte Technische ontwikkelingskredieten (uitgavenartikel 02.09 Speur- en ontwikkelingswerk). De ontvangsten zijn afhankelijk van het succes van het ontwikkelingsproject, het succes van de commercialisatie en de algemene economische ontwikkelingen.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 100 00090 00085 00085 00080 000 
Mutatie 1999 25 000  
Ontwerp-begr. 2000110 017125 00090 00085 00085 00080 00080 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100049 92456 72340 84038 57138 57136 30236 302

Economische code: 77D Functionele code: 11.3

c) Toelichting bij de cijfers

In 1999 wordt incidenteel meer ontvangen omdat het openstaande saldo van enkele grote TOK-kredieten in 1999 in één keer is afgelost.

02.04 Diverse ontvangsten technologiebeleid

a) De grondslag van het artikel

Op deze post worden de bijdragen van het Ministerie van OCenW aan het EET-programma geraamd. Zie hiervoor ook de toelichting bij het uitgavenartikel 02.02 Specifieke bedrijfsgerichte technologiestimulering. Daarnaast worden de overige (incidentele) ontvangsten van dit hoofdbeleidsterrein op dit artikel geraamd.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 27 00027 00026 62527 00026 000 
1e suppl. wet 1999 16 000  
Ontwerp-begr. 200023 22743 00027 00026 62527 00026 00026 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100010 54019 51312 25212 08212 25211 79811 798
De verdeling naar onderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
 199819992000Econ.Funct.
010 Div. Ontv. Technologiebeleid10 54719 5003 5003111.3
020 Ontvangsten EET-gelden12 68023 50023 50047D11.1
Totaal art. 02.0423 22743 00027 000  

02.05 Ontvangsten uit het Fonds economische structuurversterking

a) De grondslag van het artikel

De uitgaven die EZ ten behoeve van de FES-projecten verricht, worden periodiek verrekend met dit Fonds. De hiermee gemoeide ontvangsten worden op dit artikel geraamd. Thans worden ontvangsten voor vier projecten (GigaPort, NOBIS, HPCN en MARIN) op dit artikel begroot. Zie ook uitgavenartikel 02.13 Projecten gefinancierd uit het FES. Daarnaast worden de ontvangsten uit het FES voor het EET-programma op dit artikel geraamd.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 46 061  
1e suppl. wet 1999 28 96449 00050 00053 000  
Ontwerp-begr. 200061 53675 02549 00050 00053 000  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100027 92434 04522 23522 68924 050  

Economische code: 08 Functionele code: 04.9

03.00 INDUSTRIEBELEID

03.01 Ontvangsten staalindustrie

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de dividendontvangsten uit hoofde van de deelneming in Hoogovens geraamd.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 16 08016 08016 08016 08016 080 
Ontwerp-begr. 200016 08016 08016 08016 08016 08016 08016 080
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10007 2977 2977 2977 2977 2977 2977 297

Economische code: 27 Functionele code: 11.3

03.03 Ontvangsten uit bijdragen aan de industrie

a) De grondslag van het artikel

Hier worden geraamd winstafdrachten en terugbetalingen door bedrijven op grond van het industriebeleid.

De meeste ontvangsten vloeien voort uit het NedCar-dossier. Het betreft de terugbetaling van de f 700 mln Project-loan, de geraamde opbrengst uit de verkoop van reserveonderdelen en de terugbetaling van de Carpac-loan. Zie tevens de toelichting bij het uitgavenartikel 03.08.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 500500500500500 
1e suppl. wet 1999 83 60082 10077 1002 853  
Mutatie 1999 224 700– 48 900– 48 900100 200264 800 
Ontwerp-begr. 20004 462308 80033 70028 700103 553265 300156 700
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10002 025140 12715 29213 02346 990120 38871 107

Economische code: 77D Functionele code: 11.3

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Ontvangsten x f 1 000)19992000200120022003
1: Ontvangsten uit aflossing projectfinanciering      
1a: Toevoegen ontvangsten   207 100245 000
1b: Vervroegde aflossing lening188 000– 35 000– 35 000– 132 000 
2: Ontvangsten uit verkoop reserve onderdelen      
2a: Dekking lening DSM17 80033 200    
2b: Aanpassing raming18 900– 48 500– 15 30023 70018 400
3: Aflossing Carpac Loan 1 4001 4001 4001 400
Totaal224 700– 48 900– 48 900100 200264 800

De Staat ontvangt van NedCar de aflossing van de lening voor een projectfinanciering (totaal f 700 mln) en royalties uit hoofde van verkoop van reserveonderdelen (f 240 mln). Uit deze ontvangsten betaalt de Staat de lening van NedCar B.V. aan de Staat ter afdekking van de verliezen van V400 serie af. De overige ontvangsten worden ingezet voor de afwikkeling van de lening van DSM aan de Staat. De resterende ontvangsten vallen vrij ten gunste van het generale beeld van de rijksbegroting.

ad 1: Betreft de terugbetaling door NedCar aan de Staat op de verstrekte lening voor projectfinanciering. De mutatie bestaat uit twee delen. Allereerst wordt de reeds voorziene terugontvangst op de lening voor de jaren na 2002 aan de raming, zoals gepresenteerd bij eerste suppletore begroting 1999, toegevoegd (1a). Daarnaast is met NedCar overeengekomen de terugbetaling versneld te laten plaatsvinden en zijn derhalve ontvangsten uit latere jaren naar voren gehaald en in 1999 contant gemaakt (1b). In samenhang met deze versnelling zal de schuld van de Staat inzake V400 versneld worden afgelost (zie uitgavenartikel 03.08).

ad 2: Betreft de opbrengsten uit de verkoop van reserveonderdelen. De mutatie bestaat uit twee delen. Allereerst wordt f 51 mln van de ontvangsten uit verkoop van reserve-onderdelen gebruikt voor het terugbetalen van de schuld van de Staat aan DSM voor de overname door de Staat van het DSM-belang in NedCar (2a). De uitgaven daarvoor worden overigens geraamd op de begroting van het Ministerie van Financiën. Tenslotte wordt de raming van de ontvangsten van de reserveonderdelen op basis van nieuwe inzichten voor de jaren 1999 en later in totaal met f 6 mln neerwaarts bijgesteld.

ad 3: Binnen het kader van het totaal pakket aan afspraken, neemt de Staat in 1999 de Carpac loan van NedCar over (zie uitgavenartikel 03.08). Volvo Car Corporation betaalt deze lening vanaf 2000 in 9 jaarlijkse termijnen aan de Staat terug.

04.00 RUIMTELIJK ECONOMISCH BELEID

04.03 Diverse ontvangsten ruimtelijk economisch beleid

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden diverse incidentele ontvangsten geraamd, zoals verrekeningen van eventueel teveel verstrekte voorschotten en dividenduitkeringen ROM's.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 4 5004 5002 0002 0002 000 
Mutatie 1999  20 00050 00015 00025 991 
Ontwerp-begr. 200022 5244 50024 50052 00017 00027 9912 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100010 2212 04211 11823 5977 71412 702908

De verdeling naar onderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
 199819992000Econ.Funct.
030 rep/ipr18 2554 5004 50062C11.3
050 rep/isp203  62C11.0
060 rep/rom's4 051 20 00062C11.3
080 rep/overigen15  62C11.0
Totaal art. 04.0322 5244 50024 500  

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Ontvangsten x f 1 000)19992000200120022003
1: Opbrengst verkoop gronden bij Beek    15 991
2: Meeropbrengst verkoop gronden bij Beek  30 000  
3: Terugbetaling lening technologieproject voor kunstvezel 20 00020 00015 00010 000
Totaal 20 00050 00015 00025 991

ad 1–2: Overeenkomstig afspraken tussen het kabinet en de provincie Limburg zal de geplande Oost-west baan voor het Maastricht Aachen Airport niet worden aangelegd. Reeds aangekochte gronden zullen worden verkocht. Door een wijziging in de bestemming van deze gronden (bedrijventerrein) zal naar verwachting een meeropbrengst worden gerealiseerd (f 30 mln ten opzichte van de aankoopprijs van f 16 mln). Voor verdere toelichting zie uitgavenartikel 04.09.

ad 3: Betreft de aflossing van een in het verleden aan de NOM verstrekte lening in verband met de ontwikkeling van een kunstvezelproject.

05.00 ONDERNEMERSCHAP EN MARKTWERKING

05.01 Ontvangsten uit borgstellingsregelingen

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden ontvangsten uit hoofde van de Kredietregelingen Midden- en Kleinbedrijf (KMKB 1976 en 1985), de Regeling Borgstelling MKB-kredieten (RBMKB 1988) en het Besluit Borgstelling MKB kredieten (BBMKB) geraamd (zie ook toelichting artikel 05.03 Borgstellingsregelingen).

Terugbetaling verliesdeclaraties; f 8,6 mln

Op dit onderdeel worden de terugbetalingen op verliesdeclaraties geraamd. De banken zijn verplicht, indien zij een verlies bij EZ hebben gedeclareerd, pogingen in het werk te stellen de vordering van de Staat op de betreffende onderneming/ondernemer te incasseren. De inkomsten betreffen zowel deze opbrengsten als terugstortingen op afgewezen verliesdeclaraties. Nu de Europese Commissie budget beschikbaar heeft gesteld aan het European Investment Fund (EIF) voor verbetering van de financieringsvoorwaarden van het MKB wordt de bijdrage door het EIF in de verliesafdekking als gevolg van de verhoging van het garantieplafond van de BBMKB eveneens op dit onderdeel geraamd.

Rente KMKB; f 0,2 mln

De raming bestaat uit rente die per saldo wordt ontvangen op de bij de banken aangehouden rekeningen voor verliesdeclaraties.

Provisie verstrekte kredieten; f 25 mln

Op dit onderdeel worden de provisies geraamd die de banken afdragen over de bij hen uitstaande kredieten, verleend onder de KMKB 1976 en 1985, de RBMKB 1988 en het BBMKB. Dit is inclusief de extra provisies die worden ontvangen als gevolg van de door het EIF mogelijk gemaakte verhoging van het garantieplafond van de BBMKB.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 28 50026 00023 40023 40023 400 
1e Nota v Wijziging 1999  2 5002 5002 5002 500 
1e suppl. wet 1999 5 3005 3005 3001 5501 550 
Ontwerp-begr. 200030 56233 80033 80031 20027 45027 45027 450
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100013 86815 33815 33814 15812 45612 45612 456
De verdeling naar onderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
 199819992000Econ.Funct.
010 terugbetalingen verliesdeclaraties8 3508 6008 60063D11.4
030 rente kmkb1742002002611.4
040 provisie verstrekte kredieten22 03825 00025 0001611.4
Totaal art. 05.0130 56233 80033 800  

05.12 Opbrengst van casino's

a) De grondslag van het artikel

Het door de overheid gevoerde beleid met betrekking tot casino's is vastgelegd in de Wet op de Kansspelen (Stb. 1964, 483) en de daaruit voortvloeiende Beschikking casinospelen 1996 (Stcrt. 1997, 144). De casino's zijn gehouden te functioneren onder zorgvuldig geformuleerde randvoorwaarden. Op de naleving van de voorschriften die bij of krachtens de Wet op de kansspelen zijn gesteld wordt toezicht uitgeoefend door het College van toezicht op de kansspelen.

Zoals reeds in de begroting 1999 opgemerkt is er met Holland Casino een afspraak gemaakt over een gefaseerde verhoging van het eigen vermogen. De verhoging van het eigen vermogen komt ten laste van de ontvangsten in de EZ-begroting. In de ontvangstenramingen is hiermee reeds rekening gehouden.

Ramingskengetallen Casino's
 Artikel (-sub)Realisatie 1998Raming 1999Raming 2000
1. Aantal bezoeken alle casino's (x f 1000) 4 9875 5005 700
2. Gemiddelde opbrengst per bezoek (x f 1000) 0,0270,0300,033
3. Totale opbrengst (x f 1 mln)05.12133,373148171
4. Aantal casino's 101011

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 148 000161 000166 000181 000181 000 
Mutatie 1999  10 00015 00020 00030 000 
Ontwerp-begr. 2000133 373148 000171 000181 000201 000211 000211 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100060 52267 15977 59682 13491 21095 74895 748

Economische code: 27 Functionele code: 08.3

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Ontvangsten x f 1 000)19992000200120022003
1: Verhoging ontvangstenraming 10 00015 00020 00030 000
Totaal 10 00015 00020 00030 000

ad 1: Efficiencymaatregelen bij Holland Casino en de opening van een casino in Utrecht leiden naar verwachting tot een stijging van de winstmarge en een verhoogde ontvangstenraming.

05.13 Opbrengst afgifte exploitatievergunningen speelautomaten

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden ontvangsten geraamd die afkomstig zijn van het Nederlands Meetinstituut N.V. (NMi) uit hoofde van titel Va (Speelautomaten) van de Wet op de kansspelen. De ontvang-sten zijn bedoeld ter dekking van de kosten verbonden aan de afgifte van vergunningen en de controle van speelautomaten.

Ramingskengetallen speelautomaten
 Artikel (-sub)Realisatie 1998Raming 1999Raming 2000
1. Merktekens kansspelautomaten (in aantallen) 7 1007 1007 100
2. Tarief kansspelautomaten (x f 1000) 0,2900,2900,290
3. Merktekens casino-automaten (in aantallen) 1 1721 0001 000
4. Tarief casino-automaten (x f 1000) 0,2900,2900,290
5. Merktekens behendigheidsautomaten (in aantallen) 6 0266 0005 000
6. Tarief behendigheidsautomaten (x f 1000) 0,0250,0250,025
7. Verlening exploitatie vergunningen (in aantallen) 869800800
8. Tarief exploitatie vergunningen (x f 1000) 1,0001,0001,000
9. Nieuwe exploitatie vergunningen (in aantallen) 534040
10. Tarief nieuwe exploitatie vergunningen (x f 1000) 5,0005,0005,000
11. Totale opbrengst (x f 1 mln)05.133,6843,53,5

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 3 5003 5003 5003 5003 500 
Ontwerp-begr. 20002 0803 5003 5003 5003 5003 5003 500
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10009441 5881 5881 5881 5881 5881 588

Economische code: 36 Functionele code: 08.3

05.15 Ontvangsten Nederlands Meetinstituut

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel zijn de rente en aflossing van leningen geraamd, alsmede het door het NMi uit te keren dividend.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 2 5482 4502 3522 3522 352 
Mutatie 1999 – 700  – 98– 196 
Ontwerp-begr. 20001 9461 8482 4502 3522 2542 1562 058
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10008838391 1121 0671 023978934

De verdeling naar onderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
 199819992000Econ.Funct.
010 rente ontvangsten nmi6865884902611.4
020 aflossing van leningen1 2601 2601 26077D11.4
030 dividend nmi  7002711.4
Totaal art. 05.151 9461 8482 450  

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Ontvangsten x f 1 000)19992000200120022003
1: Dividend NMI– 700  
Totaal– 700    

ad 1: In 1999 zal geen dividend van het NMI worden ontvangen.

05.21 Diverse ontvangsten Ondernemerschap en Marktwerking

De grondslag van het artikel

De ontvangsten op dit artikel betreffen diverse terugbetalingen uit hoofde van te veel betaalde subsidievoorschotten en verstrekte uitkeringen, ontvangen renten, aflossingen en overige bijdragen.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 3 0003 0003 0003 0003 000 
Ontwerp-begr. 20001 2093 0003 0003 0003 0003 0003 000
Ontwerp-begr. 2000in EUR10005491 3611 3611 3611 3611 3611 361

Economische code: 16 Functionele code: 11.4

07.00 BUITENLANDSE ECONOMISCHE BETREKKINGEN EN EXPORTBEVORDERING

07.01 Ontvangsten BEB

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de ontvangsten van het DG BEB geraamd. Het gaat daarbij voornamelijk om rente- en premie-ontvangsten op kredieten en garantstellingen.

b) De cijfers en onderverdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 5 2334 0793 0003 0003 000 
1e suppl. wet 1999 380 000  
Mutatie 1999 5 500  
Ontwerp-begr. 20004 489390 7334 0793 0003 0003 0003 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10002 037177 3071 8511 3611 3611 3611  361
De verdeling naar onderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
 199819992000Econ.Funct.
010 Ontvangsten gemengde kredieten1 7245005002611.3
030 Overige ontvangsten BEB1 4048 0002 50047G11.1
040 Ontvangsten uit garanties720382 2331 07947G11.1
050 Ontvangsten PSB641  47G11.1
Totaal art. 07.014 489390 7334 079  

b) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Ontvangsten x f 1 000)19992000200120022003
1: Indonesië-project5 500  
Totaal5 500    

Ad 1: De mutatie betreft de ontvangst van een vordering die is ontstaan bij het opmaken van de eindafrekening van een in 1 989 gedane subsidietoezegging voor een project in Indonesië.

07.02 Ontvangsten Exportbevorderings- en Voorlichtingsdienst

a) De grondslag van het artikel

De ontvangsten op dit artikel bestaan uit opbrengsten van de programmatische activiteiten die door de EVD worden gedaan en de verkoop van informatieproducten van de EVD. Daarnaast heeft de EVD nog ontvangsten van meer incidentele aard en/of kleinere omvang. De tarieven die de EVD aan deelnemers van programmatische activiteiten c.q. afnemers van informatieproducten in rekening brengt, zijn gebaseerd op het interne prijsbeleid. De EVD hanteert voor de informatieproducten marktconforme prijzen. Bij de informatieproducten streeft de EVD naar dekking van de extra te maken kosten (drukkosten, uitgeefkosten e.d.). Bij de promotionele activiteiten streeft de EVD naar een gelijke verdeling van de kosten tussen overheid en bedrijfsleven. Als randvoorwaarde geldt dat de prijs geen drempel voor het bedrijfsleven mag vormen. De activiteiten van de EVD hebben immers tot doel de particuliere sector te stimuleren tot activiteiten die men niet uit eigen beweging zou ondernemen.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 2 2232 2232 2232 2232 223 
Ontwerp-begr. 20002 7712 2232 2232 2232 2232 2232 223
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10001 2571 0091 0091 0091 0091 0091 009

Economische code: 16 Functionele code: 11.1

08.00 WET INVESTERINGSREKENING

08.01 Ontvangsten WIR

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de ontvangsten geraamd uit hoofde van de Wet Investeringsrekening. De ontvangstenraming betreft zogenaamde «desinvesteringsbetalingen». Deze zijn verschuldigd wanneer investeringsgoederen, waarvoor eerder WIR-premie is ontvangen, binnen de daarvoor gestelde termijn (in de meeste gevallen acht jaar) worden «vervreemd».

In de toelichting bij het uitgavenartikel 08.01 Investeringsbijdragen en -toeslagen, is reeds in meer algemene zin op de besluitvorming omtrent het Fonds Investeringsrekening en de stand van het WIR-dossier ingegaan. Op deze plaats wordt dan ook volstaan met een verwijzing naar die passages.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 10 0005 0003 0001 000  
1e suppl. wet 1999 5 000 – 2000– 1 000  
Mutaties  5 0003 0001 000  
Ontwerp-begr. 200024 58015 00010 0004 0001 000  
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100011 1546 8074 5381 815454  

Economische code: 62D Functionele code 06.09

c) De toelichting bij de cijfers

De mutaties betreffen aanpassingen aan het actuele beeld.

09.00 ENERGIEBELEID

09.01 Inkomsten uit aardgas

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de aardgasbaten (exclusief vennootschapsbelasting) geraamd. De raming is afhankelijk van de (prijs)ontwikkelingen op de olie en valutamarkt, alsmede van mogelijke variaties in de gasafzet. Tevens worden op dit artikel de common areabaten verantwoord (onder aardgasbaten via EBN en opbrengsten Mijnwetgeving).

Aardgasbaten MOR Groningen; f 1 700 mln

Op dit onderdeel zijn de inkomsten geraamd uit hoofde van de MeerOpbrengstRegeling (MOR) Groningen.

Aardgasbaten via EBN; f 1 900 mln

Op dit onderdeel zijn de bijzondere winstafdrachten geraamd van de Energiebeheer Nederland B.V. (EBN B.V.). Het betreft afdrachten uit hoofde van de deelnemingen van EBN B.V. in de olie- en gaswinning.

Opbrengsten Mijnwetgeving; f 1 084 mln

Op dit onderdeel zijn de inkomsten geraamd uit hoofde van de Mijnwetgeving en van bepalingen in verleende concessies en vergunningen voor de opsporing en winning van delfstoffen (exclusief zout) op Nederlands territoir, alsmede op het Nederlands Continentaal Plat. Deze inkomsten zijn afhankelijk van de olieprijzen, de dollarkoers, de winningkosten en het productievolume

Dividend Gasunie via EBN B.V.; f 12 mln

EBN B.V. neemt voor 40% deel in het aandelenkapitaal van de N.V. Nederlandse Gasunie. Ingevolge de overeenkomst betreffende het beheer van EBN B.V. draagt laatstgenoemde vennootschap 15/40-deel van de door haar ontvangen dividenden van de N.V. Nederlandse Gasunie aan de Staat af. Aangezien de dividenduitkering van de N.V. Nederlandse Gasunie is gefixeerd op f 80 mln per jaar, resulteert een uitkering door EBN B.V. van f 12 mln.

Dividend Gasunie; f 8 mln

Dit onderdeel omvat de inkomsten die worden verkregen uit hoofde van het aandelenbezit (10%) van de Staat in de N.V. Nederlandse Gasunie. Gezien de gefixeerde dividenduitkering van f 80 mln per jaar, resulteert een uitkering aan de Staat van f 8 mln.

Bijdrage aan het Fes; f 1 868 mln

Conform de instellingswet van het Fonds economische structuurversterking (Fes) (Kamerstukken II 1992/93, 23 002, nrs. 1–2) komt 41,5% van de gasbaten ten gunste van de begroting van genoemd fonds. Dit deel van de gasbaten is bij artikel 09.01 zichtbaar gemaakt op het onderdeel 060, Bijdrage aan het Fes.

b) De cijfers en de verdeling in artikelonderdelen

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 2 178 0002 192 0002 149 0002 047 0002 047 000 
1e suppl. wet 1999 – 131 000– 378 000  
Mutatie 1999 765 0001 022 000425 000 – 117 000 
Ontwerp-begr. 20004 642 6032 812 0002 836 0002 574 0002 047 0001 930 0001 989 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10002 106 7211 276 0301 286 9211 168 030928 888875 796902 569
De verdeling naar onderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
 199819992000Econ.Funct.
010 Aardgasbaten MOR Groning.2 431 8571 750 0001 700 0002909.1
020 Aardgasbaten via EBN BV1 849 3141 880 0001 900 0002909.1
030 Opbrengsten mijnwetgeving 905 0001 084 0002909.1
031 Winstaandeel856 502  2909.1
032 Cijns205 841  2909.1
033 Oppervlakte rechten42 311  2909.1
034 Verkenningsvergunningen30  2909.1
040 Dividend Gasunie via EBN12 00012 00012 0002709.1
050 Dividend Gasunie8 0008 0008 0002709.1
060 Bijdrage aan het Fes– 763 252– 1 743 000– 1 868 0002909.1
Totaal art. 09.014 642 6032 812 0002 836 000  

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1 000)19992000200120022003
1: Aardgasbaten MOR Groningen350 000599 000202 000– 100 000– 100 000
2: Aardgasbaten via EBN225 000550 000275 000 – 50 000
3: Opbrengst Mijnwetgeving125 000250 000250 000100 000– 50 000
4: Common Areabaten355 000204 000   
5: Bijdrage aan Fes– 290 000– 581 000– 302 000 83 000
Totaal765 0001 022 000425 0000– 117 000

ad 1 t/m 3: De wijziging van de reguliere aardgasbatenramingen vloeit voort uit aanpassingen in de koers van de dollar, de olieprijs en de afzet (zie tabel met kengetallen). Van deze aardgasbaten wordt 41,5% uitgekeerd aan het Fonds economische structuurversterking.

ad 4: Naast de reguliere baten is in 1999 en 2000 sprake van een incidentele ontvangst. Onlangs is uitspraak gedaan in de arbitrageprocedure tussen NAM en Brigitta over het Groningengasveld in het grensgebied Eemsmonding (de zogenaamde Common Area). NAM heeft in totaal ruim 5 miljard gulden (inclusief rente) van Brigitta ontvangen. Eind 1996 en begin 1997 heeft de Staat een basisafdracht van in totaal circa f 2,5 miljard ontvangen. Ook over het nu toegewezen bedrag zal de Staat ten minste 68,2% ontvangen, zijnde f 1 miljard gulden. Van dit bedrag betaalt EBN in 1999 f 355 miljoen (09.01.020) en de NAM in 2000 f 204 miljoen (09.01.030). De resterende f 447 miljoen wordt in 1999 door EBN en NAM als vennootschapsbelasting afgedragen. (Zie voor aanvullende toelichting Kamerstukken II 1998/99, 21 563, nr. 8).

Kengetallen aardgasraming
 199920002001200220032004
Prijsgegevens      
Dollarkoers2,041,952,032,052,052,05
olieprijs in dollar per vat16,018,014,514,014,014,0
Hoeveelheidgegevens (mln m3)      
afzet binnenland41,743,643,742,943,744,4
afzet export36,639,740,141,042,343,4
 78,283,383,883,98687,8
ontvangsten aardgasbaten (mld hfl)      
niet belasting middelen       
– EZ-begroting2,4572,6322,5742,0471,9301,989
– FES1,7431,8681,8761,4531,3701,411
Vennootschapsbelasting2,02,52,62,12,12,1
 6,27,07,05,65,45,5

09.02 Uitkering van Energiebeheer Nederland B.V.

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de dividenden geraamd die Energie Beheer Nederland B.V. (EBN B.V.) uitkeert aan de Staat, ten behoeve van de N.V. DSM. N.V. DSM is certificaathouder van de aandelen EBN B.V. Zie voor de uitkering aan N.V. DSM uitgavenartikel 09.22 Uitkering aan houder certificaten Energiebeheer Nederland B.V.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 138 000138 000137 000137 000137 000 
Mutatie 1999 2 0004 0003 000  
Ontwerp-begr. 2000138 846140 000142 000140 000137 00013 7 000138 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100063 00663 52964 43763 52962 16862 16862 622

Economische code: 27 Functionele code: 09.1

c) De toelichting bij de cijfers

Omdat de olieprijzen stijgen neemt, via een koppeling van de gasprijzen aan de olieprijzen, de winst van EBN B.V. toe. Daarom wordt de raming van het uit te keren dividend naar boven bijgesteld.

09.03 Ontvangsten voorraadheffing in verband met financiering Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de ontvangsten geraamd uit de voorraadheffing die dient ter dekking van de exploitatiekosten van de Stichting Centraal

Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten (uitgavenartikel 09.21). Deze heffing berust op de Wet voorraadvorming aardolieprodukten (Stb. 1986, 675).

Ramingskengetallen ontvangsten COVA
 199920002001200220032004
heffingsplichtig volume125126126126126126
tarief1,101,10/1,351,351,351,351,35
raming (x f 1 mln)137,5141,23170,1170,1170,1170,1

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 140 580140 580140 580140 580140 580 
Mutatie 1999 – 3 08065029 52029 52029 520 
Ontwerp-begr. 2000163 282137 500141 230170 100170 100170 100170 100
Ontwerp-begr. 2000 in EUR100074 09462 39564 08777 18877 18877 18877 188

Economische code: 36 Functionele code: 09.1

c) De toelichting bij de cijfers

Specificatie mutatie
(Verplichtingen x f 1 000)19992000200120022003
1: Aanpassing ontvangstenraming– 3 08065029 52029 52029 520
Totaal– 3 08065029 52029 52029 520

ad 1:

Omdat voor 1999 een lager volume (125 mln in plaats van 127,8 mln hectoliter) wordt verwacht, wordt de ontvangstenraming voor 1999 met f 3,1 mln verlaagd. Voor 2000 en later wordt gerekend met een lager heffingsplichtig volume (126 mln in plaats van 127,8 mln hectoliter). Het heffingsbedrag voor 2000 is het feitelijk vastgestelde bedrag, waarbij is uitgegaan van goedgekeurde voorlopige begroting 2000 van COVA. Voor later jaren is geraamd op basis het wettelijke maximale tarief (1,35 cent per liter).

09.04 Dividend Ultra-Centrifuge Nederland N.V.

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel wordt het dividend geraamd dat wordt ontvangen uit het aandelenbezit van 98,8% van de Staat in Ultra-Centrifuge Nederland (UCN) N.V.. De Staat bezit 185 518 stuks aandelen met een nominale waarde van f 870 per aandeel.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 25 00025 00025 00025 00025 000 
1e suppl. wet 1999 20 00020 00020 000  
Mutatie 1999 – 3 000  
Ontwerp-begr. 200021 98342 00045 00045 00025 00025 00025 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10009 97519 05920 42020 42011 34511 34511 345

Economische code: 27 Functionele code: 09.1

c) De toelichting bij de cijfers

Op basis van meest recente inzichten wordt verwacht dat UCN een lagere uitkering aan de Nederlandse Staat zal doen. Derhalve wordt de ontvangstenraming neerwaarts bijgesteld.

09.05 Ontvangsten zoutwinning

a) De grondslag van het artikel

Betreft de afdrachten van AKZO aan de Staat op grond van de overeenkomst van 13 juli 1 918 (laatstelijk gewijzigd per machtiging bij wet van 7 juli 1 988, Stb. 372), behorende bij de mijnbouwconcessies voor de winning van zout.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 3 0003 0003 0003 0003 000 
Ontwerp-begr. 20003 4673 0003 0003 0003 0003 0003 000
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10001 5731 3611 3611 3611 3611 3611 361

Economische code: 29 Functionele code: 11.2

09.06 Diverse ontvangsten Energie

a) De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de overige ontvangsten in het kader van het energiebeleid geraamd.

b) De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
 1998199920002001200220032004
Ontwerp-begr. 1999 1 2501 2501 2501 2501 250 
Ontwerp-begr. 20002 9351 2501 2501 2501 2501 2501 250
Ontwerp-begr. 2000 in EUR10001 332567567567567567567

Economische code: 16 Functionele code: 09.0

D. TOELICHTING BIJ DE AGENTSCHAPSBEGROTING

Betreft een toelichting bij de begroting van baten en lasten van het agentschap Senter.

Missie

Senter is een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken dat overheidsbeleid uitvoert op het terrein van technologie, energie, milieu, export en internationale samenwerking. Doelstelling bij deze missie is het duurzaam versterken van de positie van bedrijfsleven en kennisinstellingen in ons land.

Senter en de overheid

Senter verzorgt voor diverse ministeries de uitvoering van stimuleringsregelingen en -programma's, zoals subsidie-, krediet- en fiscale regelingen. De uitvoering van een regeling/programma kan bestaan uit juridische vormgeving, communicatie, inhoudelijke beoordeling van subsidie- en kredietaanvragen, administratie, financiën en controle. Bovendien kan Senter haar opdrachtgevers adviseren over de wijze waarop zij hun beleidsdoelen kunnen vertalen in regelingen/programma's.

Senter en haar doelgroepen

Doelgroepen van het overheidsbeleid dat Senter uitvoert, zijn Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen. Senter maakt hen wegwijs, adviseert en geeft hen inzicht in de mogelijkheden van financiële ondersteuning bij de realisatie van innovatieve projecten.

De projectadviseurs kunnen gericht inhoudelijk advies geven en de helpende hand bieden bij het totstandkomen van een projectvoorstel. Ook kan men bij Senter terecht met verzoeken om een bedrijf of kennisinstelling in binnen- of buitenland te zoeken om mee samen te werken bij de realisatie van innovatieve projecten. Tenslotte helpt Senter haar doelgroep bij het doen van een beroep op de subsiedieregelingen van de Europese Commissie om technologische samenwerking in Europa te bevorderen.

Strategie en doelstellingen op hoofdlijnen

Om de positie van het bedrijfsleven en de kennisinstellingen in ons land duurzaam te versterken, heeft Senter de volgende vier strategische (middellangetermijn)doelstellingen geformuleerd vanuit het perspectief van de bedrijven en kennisinstellingen, de opdrachtgevers, de eigenaar (Economische Zaken) en de interne organisatie:

1. Het verbeteren van de dienstverlening aan de doelgroep;

2. Het kunnen inspelen op de wensen en doelstellingen van de opdrachtgevers;

3. Het kunnen inspelen op de wensen en doelstellingen van de eigenaar;

4. Het verbeteren van de interne kwaliteit van de primaire processen.

Aan deze doelstellingen heeft Senter een aantal Kritische Succes Factoren (KSF'en) gekoppeld.

De KSF'en (en dus de doelstellingen) kunnen worden getoetst aan de hand van meetbare prestatie-indicatoren. Senter is momenteel bezig met de implementatie van systemen om de indicatoren te kunnen registreren en de uitkomsten daarvan te gebruiken voor de verbetering van de interne- en externe bedrijfsvoering.

Recente ontwikkelingen

Externe ontwikkelingen

De uitvoering van het exportinstrumentarium binnen de rijksoverheid

Tussen de Ministeries van Economische Zaken, Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Zaken is een discussie gaande over het stroomlijnen van de uitvoering van het exportinstrumentarium en de oprichting van een exportloket. De uitkomst van deze discussie staat nog niet vast. Het risico voor Senter van deze discussie is uiteraard dat Senter een aantal opdrachten die zij voor deze ministeries uitvoert, kwijtraakt. Ook voor Senter's klanten zou dat gevolgen hebben. Senter wil haar klanten namelijk een integraal pakket van diensten kunnen aanbieden, in de vorm van mogelijke ondersteuning vanaf de ontwikkelingsfase van een product, proces of dienst tot en met de export ervan. Ten tijde van de opstelling van deze begroting is de definitieve besluitvorming omtrent de reorganisatie van de uitvoering van het exportinstrumentarium nog niet bekend.

Heroverweging instrumentarium Economische Zaken

Het Ministerie van Economische Zaken is momenteel bezig zijn totale stimuleringsinstrumentarium te stroomlijnen. Hoewel de definitieve uitkomst van deze discussie nog niet vaststaat, mag aangenomen worden dat dit gevolgen heeft voor Senter.

De ontwikkelingen in het beleid van de Europese Unie

Senter wil kunnen inspelen op de voorzichtige gedachtevorming binnen de EU om uitvoering meer uit te besteden. Bij zo'n ontwikkeling zijn voor Senter de contacten met de andere EU-lidstaten zeer belangrijk. Een grote rol daarbij spelen de zusterorganisaties van Senter, het Eureka-netwerk en het netwerk van Innovation Relay Centres (IRCs).

Door de mogelijke uitbreiding van de EU met elf kandidaat-lidstaten (met name uit Midden-Europa) wordt het voor Senter noodzakelijk om haar contacten met zusterorganisaties ook in die landen te versterken. Zo gaat zij sommige van die organisaties trainen in hun rol als intermediair naar de EU.

Strategische samenwerking

Strategische samenwerking is van nut om opdrachtgevers beter van dienst te kunnen zijn en markten te bereiken die alleen niet bereikt zouden kunnen worden. Senter zet de instrumentgerichte samenwerking met andere organisaties (bijvoorbeeld Economische voorlichtingsdienst en Novem) ook in de toekomst voort en intensiveert deze zo nodig. Van veel belang is ook de samenwerking met intermediaire organisaties, zoals de Kamers van Koophandel en Syntens. Door ook gebruik te maken van de communicatiekanalen van deze instellingen, kan Senter de verschillende doelgroepen effectiever en meer op maat bereiken. Het aangaan van nieuwe samenwerkingsverbanden hangt sterk af van de wensen van de opdrachtgevers, de toegevoegde waarde die de samenwerkingspartners ten opzichte van elkaar hebben, het onderlinge vertrouwen en overwegingen van (politieke) opportuniteit.

Interne ontwikkelingen

De klant centraal

Senter voert op een breed terrein tal van instrumenten uit en heeft als uitvoerder een sleutelrol bij het realiseren van de gewenste beleidseffecten. Daarom is het essentieel dat Senter als adviseur en uitvoerder maximaal toegankelijk is voor haar klanten en dat het beleidsinstrumentarium zo transparant mogelijk is voor de diverse doelgroepen, waaronder het Midden- en Kleinbedrijf.

Daartoe zijn twee instrumenten in het leven geroepen die het instrumentarium toegankelijker moeten maken voor de klant.

In de eerste plaats is dat het KMO-InformatieSenter, een telefonisch informatiepunt dat speciaal, maar niet uitsluitend, is bedoeld voor kleine en middelgrote ondernemingen (KMO). Ondernemers kunnen er terecht met al hun vragen over subsidie- en kredietmogelijkheden.

In de tweede plaats is dit de website SenterWijzer. Een nieuw element van deze website is de «digitale adviseur», die de bezoekers via een aantal vragen als het ware bij de hand neemt en leidt naar voor hen mogelijk interessante financieringsmogelijkheden. Deze site zal nog meer functionaliteiten krijgen, zoals het elektronisch beschikbaar stellen van aanvraagformulieren, het verstrekken van voortgangsinformatie bij de afhandeling van (tender-) regelingen en op wat langere termijn de mogelijkheid voor de klant om de aanvraag voor een subsidie elektronisch te verrichten.

Voor het goed bedienen van haar klanten is kennis een centrale vereiste. Daarom gaat Senter door met de ontwikkeling van de vakgroepen. Deze vakgroepen zijn ingesteld om de binnen Senter aanwezige kennis op bepaalde vakgebieden te bundelen en te intensiveren. De deelnemers aan zo'n vakgroep stellen de ontwikkelingen binnen hun vakgebied aan de orde en dragen op die manier bij aan Senter's vakinhoudelijke expertise. Door de clustering van opdrachtoverstijgende informatie, kan Senter haar krachten op deze gebieden bundelen, waarvan ook de klanten profiteren.

Klantgerichtheid

In het kader van de implementatie van de missie is in 1999 het interne project Klantgerichtheid gestart. Ter versterking van deze klantgerichtheid maar ook van de externe oriëntatie heeft Senter reeds de afgelopen jaren de nodige initiatieven ontplooid om de toegankelijkheid van de organisatie en de instrumenten voor de doelgroepen te vergroten. Ook heeft het agentschap actie ondernomen om de adviesfunctie richting bedrijven en kennisinstellingen te versterken en de interactie tussen opdrachtgevers en Senter nog meer inhoud te geven. Dit beleid wordt in 2000 en verder voortgezet.

Interactie met de opdrachtgevers

Senter besteedt veel aandacht aan het intensiveren van de relatie met haar opdrachtgevers.

De nadruk van die relatie verschuift in veel gevallen steeds meer van alleen de uitvoering van een regeling/programma naar interactie met de opdrachtgever rond deze uitvoering.

Een team binnen Senter houdt zich intensief bezig met deze beleidsinteractie. Zo worden thema- en sectordocumenten geschreven, levert Senter databestanden en draagt zij desgewenst bij aan beleidsdiscussies.

Ook het accountmanagement draagt bij aan een interactieve verhouding met de opdrachtgevers. Elke opdrachtgever heeft een vaste contactpersoon binnen Senter, die op de hoogte is van wat er speelt voor die opdrachtgever. Dit moet de contacten verstevigen en een goede basis vormen voor een duurzame, betekenisvolle samenwerking.

Integriteitsbeleid

In 1998 zijn de richtlijnen van het ministerie van Economische Zaken met betrekking tot de integriteit geïmplementeerd met bijzondere aandacht voor de kwetsbare functies. Senter heeft via een handboek het onderwerp integriteit onder de aandacht van haar medewerkers gebracht. Een punt van aandacht blijft insidertrading. Senter vindt het belangrijk dat zelfs maar de schijn wordt vermeden dat medewerkers met toegang tot vertrouwelijke bedrijfsgegevens deze informatie aanwenden voor koerswinsten. Om die reden is in 1999 voor een groot aantal medewerkers een beperkt verbod ingesteld op handel in aandelen. Het gaat dan om de aandelen van kleine en middelgrote ondernemingen, waarvan het succes of falen van bij Senter bekende projecten invloed kan hebben op hun aandelenkoersen.

Evaluatie van de agentschapstatus

Onderzoeksbureau Berenschot rondde in 1998 de evaluatie van Senter's agentschapstatus af. Het bureau oordeelde positief over Senter's sturingsrelaties en dienstverlening. Op het gebied van bedrijfsvoering had Senter een ruime voldoende, maar Berenschot stipte nog wel enkele verbeterpunten aan. Deze heeft Senter voor een aanzienlijk deel geïmplementeerd. Zo heeft zij haar taakstelling bijgesteld aan de hand van de Cohen-discussie, heeft zij de KSF'en verder ontwikkeld en is een klantenpanel geïntroduceerd (in de vorm van een Raad van Advies bij het magazine Monitor). Ook heeft Senter de aanbeveling om meer inzicht te geven in de ontwikkeling van de taakuitvoering ter harte genomen. Deze is te verbeteren door een systematische confrontatie tussen voor- en nacalculatie in tijdbesteding en kosten op regelingniveau. De hieruit voortvloeiende informatie maakt nu deel uit van de managementinformatie, zoals die periodiek aan het managementteam beschikbaar wordt gesteld.

Senter gaat nu ook in haar managementinformatie meer in op een vergelijking van budgetten en realisatie enerzijds en op resultaten per groep/opdracht anderzijds, waardoor de interne sturing beter kan plaatsvinden.

DOELMATIGHEID EN TARIEVEN

Doelmatigheid is een sleutelbegrip voor het functioneren van agentschappen. De doelmatigheid van Senter blijkt primair uit de ontwikkeling van de tarieven en de ontwikkeling van de uitvoeringskosten in relatie tot de volumina per opdracht. Dat laatste is voor de opdrachtgevers van Senter een belangrijk criterium om opdrachten al dan niet aan Senter te gunnen.

In tabel 1 is de ontwikkeling van de tarieven in de periode 1995–1999 zichtbaar. Hierbij is de nominale stijging van het tarief gecorrigeerd voor effecten die niet als verbetering van de efficiency gezien kunnen worden (wijzingen van de tariefcalculatie en de invoering van de 36-urige werkweek in 1997):

Tabel 1 Ontwikkeling tarieven
 TariefInflatie *Reëel
1995– 1,6%2,0%– 3,6%
19960,0%2,0%– 2,0%
19971,2%2,2%– 1,0%
19980,0%2,0%– 2,0%
1999– 2,3%1,3%– 3,6%
totaal t/m 1999– 2,7%9,5%– 12,2%

* cijfers CBS consumentenprijsindex alle huishoudens (mutatie t.o.v. voorgaand jaar) en verwachte inflatie 1999 volgens CPB.

Senter heeft als doelstelling geformuleerd een trendmatige verlaging van de reële uitvoeringskosten met 10% in de periode 1995 tot 2000. Uit tabel 1 blijkt dat Senter hierin ruimschoots is geslaagd. Tot en met 1999 is sprake van een reële tariefdaling van 12,2%. Senter wil vanaf 2000 de trendmatige verlaging van de reële uitvoeringskosten zo enigszins mogelijk doorzetten. Dit zal een extra inspanning vereisen gezien het feit dat, als gevolg van de wijziging in de financiering van agentschappen, een deel van het eigen vermogen begin 2000 geconverteerd zal worden naar vreemd vermogen. Voor dit vreemd vermogen zal een beroep gedaan moeten worden op de leenfaciliteit. De hieruit voortvloeiende rentekosten zullen doorberekend gaan worden in de tarieven.

BEGROTING VAN BATEN EN LASTEN

Algemeen

Senter hanteert als algemeen uitgangspunt dat de baten in enig jaar minimaal de lasten in dat jaar moeten dekken, voor 1999 wordt een resultaat van nihil verwacht. In de meerjarenbegroting is daarom een geactualiseerde begroting voor 1999 opgenomen.

Uitgaande van het voor het jaar 2000 geraamde omzetvolume (zie tabel 2) is het totaal aan baten voor het jaar 2000 geprognosticeerd op ruim f 78 mln. Zekerheid over de in de toekomst te behalen baten is er overigens niet. Kenmerkend voor Senter is de flexibele en bedrijfsmatige aanpak waarmee bij een wisselend opdrachtenvolume de baten en lasten redelijk in evenwicht kunnen worden gehouden.

Tabel 2 Meerjarenbegroting (x f 1 000)
 1998 realisatie1999 ontwerp-begroting1999 geactuali-seerd20002000 EURO2001200220032004Codering econ.funct.
Baten           
omzet moederdepartement62 67056 61665 70065 33729 64967 95070 77673 60876 5524311.0
omzet overige departementen8 6429 48711 30011 4875 21211 94612 44312 94113 4584311.0
omzet overige opdrachtgevers2 9011 6612 9001 0314681 0729831 0221 0634311.0
rentebaten4942007003001363003003003002613.1
overige baten731005000000000611.0
Totaal baten74 78068 06481 10078 15535 46581 26984 50287 87091 373  
Lasten           
apparaatskosten           
* personeel52 03350 24758 80058 69426 6346201565 52669 23873 1601101.1
* materieel11 01212 22413 10013 0895 94013 20413 32013 43713 5551201.1
rentelasten100451001001001002113.1
afschrijvingskosten materieel2 4132 4152 2002 2731 0311 9591 8061 7431 7231513.5
dotaties aan voorzieningen2 8811 4769 3001 5917221 5961 3551 3631 3730301.1
onttrekking aan voorzieningen– 2 358 – 2 300  
buitengewone lasten460  
Totaal lasten66 44166 36281 10075 74734 37278 87482 10785 88189 911  
Saldo van baten en lasten8 3391 70202 4081 0932 3942 3961 9901 463  

Omzet

Met betrekking tot de omzet voor het jaar 2000 en volgende jaren is sprake van een aantal onzekerheden, in de vorm van de hiervoor geschetste ontwikkeling tot stroomlijning van het subsidie-instrumentarium van EZ en de lopende discussie over het «exportloket».

Gezien deze onzekerheden zal Senter de komende jaren naar verwachting niet zo'n sterke omzetgroei doormaken als in de jaren 1997 en 1998 het geval was. In deze twee jaren heeft ten opzichte van 1996 een omzetstijging van totaal 65% plaatsgevonden.

Rekening houdend met bovenstaande factoren wordt bij EZ voor de komende jaren een stijging van de omzet verwacht die ligt tussen de 3% en 5%.

Deze omzetstijging wordt ook verwacht bij de overige departementen en de overige opdrachtgevers. Bij deze laatste categorie is vanaf het jaar 2000 duidelijk de invloed zichtbaar van uitkomsten van het rapport van de commissie Cohen. Doordat Senter niet meer voor derden mag werken is in het jaar 2000 ten opzichte van het jaar 1999 sprake van een omzetverlies van circa f 1 miljoen. Om te kunnen voldoen aan de groei doelstelling van 3 à 5% dient dit omzetverlies nominaal te worden gecompenseerd bij andere opdrachtgevers.

Om hier invulling aan te geven ziet Senter onder meer groeikansen bij opdrachten van de Europese Unie. Het ziet er namelijk naar uit dat de Europese Unie meer behoefte krijgt aan het verbeteren van de contacten met het bedrijfsleven en kennisinstellingen in de lidstaten en dat zij daartoe mede een beroep zal doen op lokale agenten. Senter wil zich hiertoe nadrukkelijk in de markt zetten met als doel haar service aan het bedrijfsleven en de kennisinstellingen te verbreden.

Door een wijziging in de financiering van agentschappen wordt Senter eind 1999 geconfronteerd met een teruggave van een groot deel van de opgebouwde reserves. De exploitatiereserve wordt daarbij gemaximeerd op 5% van de omzet van de afgelopen drie jaren. Deze teruggave heeft gevolgen voor de ontwikkeling van de rentebaten en rentelasten. De rentebaten worden lager vanwege de afname van het saldo liquide middelen bij de Rijkshoofdboekhouding. Daarnaast dient de materiële vaste activa gedeeltelijk gefinancierd te worden met leningen die het Ministerie van Financiën verstrekt uit hoofde van de leenfaciliteit tegen de daarvoor geldende rentetarieven.

Lasten

Als gevolg van fluctuaties in de opdrachtenportefeuille wordt van Senter een flexibele personeelsinzet verwacht. Ten behoeve van deze flexibiliteit wordt een deel van het personeelsbestand extern ingehuurd. De verhouding tussen ambtelijk en niet-ambtelijk personeel is de resultante van de voortdurende afweging tussen een steeds wisselend werkaanbod enerzijds en de meerkosten van externe inhuur anderzijds.

In de hiervoor gepresenteerde meerjarenraming is een efficiencydoelstelling verwerkt op zowel de personeelskosten als de materiële kosten, die tot uitdrukking komt in gematigde tarieven. De hoogte van de personeelskosten wordt bepaald door prijs- en volumeontwikkelingen. De prijsontwikkelingen zijn het gevolg van de CAO-verhoging en de reguliere beloningsronde. De volumeontwikkeling komt tot uitdrukking in een toename van het personeelsbestand als gevolg van de nominale omzetgroei, waarbij sprake is van een korting voor efficiency. Deze efficiencydoelstelling moet tot uitdrukking komen in een productiviteitstijging. Daarnaast komt de efficiencydoelstelling tot uiting in de taakstelling dat indirecte medewerkers (staf) voor ten hoogste 25% mogen stijgen van de volumegroei van de zogenaamde directe medewerkers.

Bij de materiële kosten is de efficiencydoelstelling gelijk gesteld aan de inflatie (verwacht 1% voor het jaar 2000). De materiële kosten stijgen daardoor alleen met de volume groei van de omzet. Voor de huisvestingskosten, in omvang bijna 50% van de materiële kosten, is de efficiencydoelstelling nog stringenter omdat de volumegroei slechts voor de helft wordt meegenomen.

De dotatie aan voorzieningen is enerzijds bedoeld ter financiering van wachtgeldclaims en kosten van vervanging van langdurig zieke medewerkers en anderzijds voor voorziening onderhanden werk, herhuisvesting en overige voorzieningen.

Saldo van baten en lasten

Senter streeft naar een gematigd positief exploitatiesaldo. Het resultaat van baten en lasten in de meerjarenbegroting laat zien dat Senter te maken heeft met smalle marges. De komende jaren zal het resultaat onder druk blijven staan als gevolg van de na te streven gematigde tariefontwikkeling in combinatie met door inflatie en verwachte CAO ontwikkelingen stijgende kosten.

KASSTROOMOVERZICHT

Tabel 3 Kasstroomoverzicht (x f 1000)
 1998 realisatie1999 ontwerp-begroting1999 geactuali-seerd20002000 EURO2001200220032004Codering econ.funct.
Rekening Courant RHB 1 januari13 16512 50031 75730 57913 87631 13425 10525 23925 086  
Totaal operationele kasstroom22 0991 300– 291 925873– 2 4563 9453 7283 183  
– totaal investeringen– 3 507– 1 800– 1 149– 1 640– 744– 1 689– 1 740– 1 792– 1 8465201.1
+ totaal boekwaarde desinvesteringen  
Totaal investeringskasstroom– 3 507– 1 800– 1 149– 1 640– 744– 1 689– 1 740– 1 792– 1 846  
– eenmalige uitkering aan moederdepartement– 2 342– 1 063– 2 172– 2 282– 2 241– 1 8286301.1
+ eenmalige storting door het moederdepartement  
– aflossing op leningen– 1 370– 622– 1 402– 1 529– 1 640– 1 7068201.1
+ beroep op leenfaciliteit3 9821 8071 6891 7401 7921 8468701.1
Totaal financieringskasstroom000270123– 1 884– 2 071– 2 089– 1 688  
Rekening Courant RHB 31 december31 75712 00030 57931 13414 12825 10525 23925 08624 735  

Toelichting op het kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de in het verslagjaar gerealiseerde liquiditeitsontwikkeling. Het kasstroomoverzicht is opgesteld volgens de indirecte methode. Dit houdt in dat voor de weergave van kasstromen het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening wordt gecorrigeerd voor posten die in het boekjaar niet tot ontvangsten en/of uitgaven hebben geleid.

In bovenstaand kasstroomoverzicht is rekening gehouden met een gedeeltelijke conversie van het eigen vermogen in vreemd vermogen (leenfaciliteit) voor dat gedeelte van de boekwaarde van de materiele vaste activa dat niet met langlopende voorzieningen wordt gefinancierd. In de regel «eenmalige uitkering aan het moederdepartement» van het jaar 2000 is de teruggave in het kader van de leenfaciliteit weergegeven. De aflossing van deze «conversie»-lening geschiedt overeenkomstig de afschrijvingstermijnen van de in deze boekwaarde begrepen activa.

Voor nieuwe investeringen wordt met ingang van 2000 een beroep gedaan op de leenfaciliteit. De aflossing van deze leningen is gelijk aan de afschrijvingskosten van de met de lening gefinancierde investeringen. De definitieve bedragen worden overigens vastgesteld op basis van de jaarrekening over 1999. Eventuele correcties die daaruit voortvloeien zullen verwerkt worden in de eerste suppletore begroting 2000.

De eenmalige uitkeringen aan het moederdepartement vanaf 2001 betreffen teruggaven van het resultaat als gevolg van de maximering van de exploitatiereserve op 5% van de gemiddelde omzet over drie jaar.

De teruggave van de reeds gevormde (tot en met 1998) of te vormen (in 1999) reserves als gevolg van de maximering van de reserves is niet in het kasstroomoverzicht opgenomen omdat Senter nog in overleg is met Economische Zaken over de wijze van deze terugbetaling. De uitkomsten van dit overleg zullen worden verwerkt in de eerste suppletore begroting 2000.

De specificatie van de verwachte afschrijvingen en investeringen en daarmee van het verloop van de boekwaarde van de materiële vaste activa in het jaar 2000 is als volgt:

Tabel 4 Materiële vaste activa (x f 1 000)
 Boekwaarde 1 januari 2000(des) investe-ringenAfschrijvingenBoekwaarde 31 december 2000
Automatisering881400– 367914
Meubilair2 0501 000– 1 4731 577
Overige1 269240– 4331 076
Totaal4 2001 640– 2 2733 567

De materiële vaste activa worden gewaardeerd op verkrijgingsprijs, dan wel op lagere economische bedrijfswaarde onder aftrek van lineaire afschrijvingen. De afschrijvingstermijn is gelijk aan de geschatte economische levensduur van de betreffende activa. Voor automatiseringsgoederen (hardware) is deze drie jaar en voor de overige materiële vaste activa is deze vijf jaar.

In het jaar van investeren wordt met ingang van de maand van ingebruikname afgeschreven.

In tegenstelling tot voorgaande jaren verwacht Senter een gematigde ontwikkeling van de investeringen. Het lagere investeringsniveau vanaf het jaar 2000 leidt daardoor tot lagere afschrijvingslasten.

Kengetallen

Tabel 5 Gemiddelde personeelsbezetting in fte's (ambtelijk en inhuur)
 Raming 2000Geactualiseerde begroting 1999Ontwerp-begroting 1999Realisatie 1998
 fte's%fte's%fte's%fte's%
Ambtelijk28063%27864%25665%23556%
Inhuur via BDG/TAD16237%15936%13835%18244%
Overig54555859
Totaal496100%492100%452100%476100%

Senter streeft naar een flexibele bedrijfsvoering om eventuele schommelingen in de omvang van de opdrachtenportefeuille goed te kunnen opvangen. Gezien dit streven leent Senter een deel van het personeelsbestand extern in. In dit kader krijgen nieuwe medewerkers bij Senter een aanstelling als inleenkracht. Het percentage ingeleend personeel loopt hierdoor gedurende het jaar op.

Tabel 6 Omzet per fte (x f 1 000)
 Raming 2000 Geactualiseerde begroting 1999Ontwerp-begroting 1999Realisatie 1998
 omzetomzet per fteomzetomzet per fteomzetomzet per fteomzetomzet per fte
Totaal77 85515779 90016267 76415074 213156

Het kengetal omzet per fte wordt in de zakelijke dienstverlening veel gebruikt en maakt daardoor vergelijking met andere uitvoeringsorganisaties mogelijk. De omzet per fte wordt enerzijds beïnvloed door de ontwikkeling in de aan opdrachtgevers doorbelaste tarieven.

Anderzijds wordt de omzet per fte beïnvloed door de ontwikkeling in productiviteit en doelmatigheid. Een toelichting op tarieven en omzet werd reeds gegeven, een toelichting op productiviteit en doelmatigheid volgt bij tabel 10.

Tabel 7 Loonkosten per fte (x f 1 000)
 Raming 2000Geactualiseerdebegroting 1999Ontwerp-begroting 1999Realisatie 1998
 loonkostenloonkosten per fteloonkostenloonkosten per fteloonkostenloonkosten per fteloonkostenloonkosten per fte
Ambtelijk personeel30 27010825 8009325 91110123 35099
Ingeleend personeel26 77812431 60014822 50011527 280113
Totaal57 04811557 40011748 41110750 630106
         
Opleidingskosten als percentage loonkosten2,0% 2,0% 2,0% 1,7% 

Uit het kengetal gemiddelde loonkosten per fte blijkt dat de kosten per ingeleende fte hoger zijn dan per ambtelijke fte. Dit komt doordat Senter BTW is verschuldigd over de inleen en doordat de bureaus waarvan Senter inleenkrachten betrekt, een vergoeding verlangen voor bemiddeling.

De loonkostenontwikkeling is voor de ingehuurde medewerkers gelijk aan de loonkostenontwikkeling van ambtenaren, vastgelegd in de CAO.

Senter stelt hoge eisen aan de kwaliteit van haar medewerkers. Om hen aan de eisen van de organisatie te laten voldoen en om organisatiedoelstellingen te realiseren, is het scholen van medewerkers belangrijk. Vandaar dat Senter zich als doel heeft gesteld om 2% van de loonkostensom te besteden aan opleidingen.

Tabel 8 Materiële kosten (inclusief afschrijvingen en dotatie voorzieningen) per fte (x f 1 000)
 Raming 2000Geactualiseerdebegroting 1999Ontwerp-begroting 1999Realisatie 1998
 Materiele kostenMateriele kosten per fteMateriele kostenMateriele kosten per fteMateriele kostenMateriele kosten per fteMateriele kostenMateriele kosten per fte
Totaal16 9533422 3004516 1153613 94829

Waar het kengetal omzet per fte vooral de doelmatigheidsontwikkeling in personele zin weergeeft, geeft het kengetal materiële kosten per fte met name de doelmatigheidsontwikkeling in de materiële kosten weer. In deze tabel zijn onder de materiële kosten ook begrepen de afschrijvingskosten en de dotaties aan de voorzieningen. De materiële kosten per fte in het jaar 2000 zijn lager dan die van de geactualiseerde begroting 1999. Dit kan worden verklaard door een relatief hogere verwachte dotatie aan de voorzieningen in 1999. Wanneer het effect van de dotatie aan de voorzieningen niet wordt meegenomen dan zijn de materiële kosten per fte in 2000 gelijk aan die van de geactualiseerde begroting 1999. Deze stabilisatie maakt de gevolgen zichtbaar van de efficiencydoelstelling voor de materiële kosten.

Tabel 9 Toegevoegde waarde per fte (x f 1000)
 Raming 2000Geactualiseerde begroting 1999Ontwerp-begroting 1999Realisatie 1998
 Toegevoegde waardeToegevoegde waarde per fteToegevoegde waardeToegevoegde waarde per fteToegevoegde waardeToegevoegde waarde per fteToegevoegde waardeToegevoegde waarde per fte
Totaal60 90112357 60011751 64911460 265127

De toegevoegde waarde wordt berekend als het saldo van de omzet minus materiële kosten, afschrijvingen en dotaties voorzieningen. De toegevoegde waarde is het bedrag dat beschikbaar is voor de belanghebbenden van de organisatie, in casu het beschikbare bedrag voor de beloning van de geleverde prestaties. Hiermee wordt het belonen van medewerkers voor verrichte arbeid en van de eigenaar voor het verstrekte vermogen bedoeld.

Het geeft inzicht in de waarde die het personeel door de uitvoering van de activiteiten toevoegt aan de organisatie. De toegevoegde waarde per fte geeft een eerste indicatie van de doelmatigheid van het agentschap (voor inflatiecorrectie en nog zonder het meewegen van de ontwikkeling in de personele kosten).

De verwachte geringe daling van de toegevoegde waarde per fte in 2000 ten opzichte van 1998 wordt veroorzaakt door de achterblijvende ontwikkeling van de omzet in verhouding tot de hogere stijging van de personele kosten. De daling van de toegevoegde waarde in 1999 wordt met name veroorzaakt door een hogere dotatie aan de voorzieningen.

Tabel 10 Doelmatigheid (x f 1000)
 Raming 2000Geact. begr. 1999Realisatie 1998Realisatie 1997Realisatie 1996Realisatie 1995Realisatie 1994
Omzet77 85579 90074 21363 70444 74542 54342 400
Gemiddeld tarief1 1871 2021 1901 1901 1391 1391 193
Voor tariefontwikkeling gecorrigeerde omzet (A)78 24879 30274 40063 86546 86644 56042 400
        
Totale lasten75 74781 10065 98162 28743 89042 22339 453
Dotatie voorziening– 1 591– 9 300– 2 881– 4 846– 1 606– 1 132– 1 271
Lasten exclusief dotatie voorzieningen74 15671 80063 10057 44142 28441 09138 182
        
Inflatie1,00%1,25%2,00%2,20%2,00%2,00%basisjaar
Voor inflatie gecorr. lasten excl. dotatie voorz. (B)66 86165 38558 18154 02240 64240 28538 182
        
Doelmatigheidsontwikkelingen (C=A/B)117,0%121,3%127,9%118,2%115,3%110,6%111,0%

Het kengetal van de doelmatigheidsontwikkeling geeft uitdrukking aan de kosten die benodigd zijn om de, voor prijseffecten gecorrigeerde, omzet te realiseren. Per jaar wordt daartoe de omzet gecorrigeerd voor de nominale tariefontwikkeling vanaf 1994. Het jaar 1994 is het eerste jaar van Senter als agentschap en geldt als basisjaar. Het gemiddeld ongewogen tarief (zonder rekening te houden met de bezetting) bedroeg toen 1193. Ook de kosten worden gecorrigeerd. Ten eerste wordt gecorrigeerd voor de per jaar sterk wisselende dotaties aan voorzieningen. Vervolgens wordt gecorrigeerd voor de inflatie, wederom met 1994 als basisjaar. Een stijging van het kengetal weerspiegelt een gunstige, een daling een ongunstige ontwikkeling van de doelmatigheid.

E. BIJLAGEN BIJ DE BEGROTING

BIJLAGE 1 PERSONEELSGEGEVENS

Overzicht A: samenvattend overzicht personeelssterkte
Organisatie-eenheidWerkelijke bezetting (fte)1Personeelsomvang  
 30-6-199931-12-9920002001200220032004
Ministerie1 225,01 333,31 337,71 338,71 338,71 334,71 335,2
EVD125,1129,9129,1129,1129,1129,1129,1
Bureau voor de Industriële Eigendom150,7166,6164,6164,6164,6164,6164,6
Centraal Planbureau134,0138,6138,6138,6138,6138,6138,1
Economische Controle Dienst228,0258,1275,1275,1275,1275,1275,1
Staatstoezicht op de Mijnen43,547,647,646,646,646,646,6
Nederlandse Mededingingsautoriteit92,1121,1120,1120,1120,1120,1120,1
Centraal Bureau v.d. Statistiek22 321,22 250,02 250,02 200,02 100,02