Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200026800-VI nr. 77

26 800 VI
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2000

nr. 77
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 juli 2000

Begin december 1999 heb ik u geïnformeerd (brief nummer 26 800 VI, nr. 47) over de projecten en activiteiten die middels de Intensiveringsgelden Jeugd en Geweld in 1999 uitgevoerd zouden worden. In de bijlagen van deze brief treft u de volgende informatie aan:

• De projecten en activiteiten die middels de Intensiveringsgelden Jeugd en Geweld in 2000 worden uitgevoerd (bijlage 1).

• De projecten en activiteiten die middels de gelden die beschikbaar komen uit de Fiscalisering van de Dienst Omroepbijdrage in 2000 worden uitgevoerd (bijlage 2).

• De verantwoording over de besteding van de Intensiveringsgelden Jeugd en Geweld in 1999 (bijlage 3).

Over de inhoud van de bijlagen heb ik nog een drietal opmerkingen.

Begin 2000 is besloten om een deel van de Intensiveringsgelden Jeugd en Geweld versneld in te zetten. Deze versnelling heeft tot gevolg dat de beschikbare budgetten voor het jaar 2000 en 2001 zijn veranderd.

 200020012002
Civiele zaken3,1 mln.4,5 mln.5,0 mln.
Forensische diagnostiek1,7 mln.2,5 mln.3,0 mln.
Werklastverlichting allochtonen3,3 mln.5,0 mln.5,0 mln.
Toename aantal strafzaken3,9 mln.6,0 mln.8,0 mln.
Jeugdreclassering2,3 mln.4,0 mln.5,0 mln.
CRIEM7,1 mln.12,0 mln.15,0 mln.
Wijkprogramma's O&O2,0 mln.3,0 mln.3,0 mln.
Preventie en Geweld2,6 mln.4,0 mln.4,0 mln.
Justitie in de Buurt3,1 mln.5,8 mln.7,0 mln.
AMK's en Wachtlijsten13,3 mln.20,0 mln.20,0 mln.

Besloten is om de versnelling van het Intensiveringsgeld ten behoeve van forensische diagnostiek in 2000 (0,3 mln. gulden) in te zetten voor een versnelde invoering van het BARO instrument in 2000 bij de Raad voor de Kinderbescherming. Aangezien de besteding van dit geld los staat van het project forensische diagnostiek, wordt in de beschrijving in de eerste bijlage dit bedrag slechts vermeld.

Bovenop het vastgestelde bedrag ten aanzien van de projecten bij de Raad voor de Kinderbescherming (Civiele zaken, Werklastverlichting allochtonen en strafzaken) worden uit de versnelling van de Intensiveringsgelden in het jaar 2000 f 2 mln. en in het jaar 2001 f 3 mln. ingezet voor de instandhouding en goede overdracht van de kennis van de Raad voor de Kinderbescherming naar de Bureaus Jeugdzorg en de AMK's. Deze instandhouding en overdracht vereist meer personele inzet dan op dit moment plaatsvindt. Het aanhouden van een goed netwerk tussen deze organisaties is van groot belang voor de voortgang van Regie in de Jeugdzorg.

De resterende bedragen, die uit de versnelling van de Intensiveringsgelden Jeugd en Geweld zijn toegevoegd, worden ingezet om de voorgenomen doelen in een eerder stadium te realiseren.

Vanaf het jaar 2000 is er geld beschikbaar uit de Fiscalisering van de Dienst Omroepbijdrage (DOB-gelden). Vanwege het feit dat deze gelden besteed worden aan gelijksoortige projecten en activiteiten als de Intensiveringsgelden Jeugd en Geweld is besloten om de rapportage over deze Fiscaliseringsgelden te integreren met de rapportage over de Intensiveringsgelden Jeugd en Geweld. Een van de projecten die (mede) gefinancierd wordt met de DOB-gelden is Justitie in de Buurt. Omdat Justitie in de Buurt tevens gefinancierd wordt uit de Intensiveringsgelden en er geen onderscheid wordt gemaakt naar waar het geld vandaan komt, zijn in de rapportage over de Intensiveringsgelden ook de DOB-gelden opgenomen.

Een kort overzicht van de projecten die middels de DOB-gelden worden gefinancierd:

 200020012002
Justitie in de Buurt5 mln.5 mln.5 mln.
Verbetering afstemming lokaal beleid met justitie en politieketen3 mln.3 mln.3 mln.
Keteneffecten van het Grote Stedenbeleid2 mln.2 mln.2 mln.
Bestuurlijke Informatievoorziening Jeugd10 mln.5 mln.5 mln.
Uitbreiding Sanctiecapaciteit (Halt-afdoeningen en taakstraffen Raad)5 mln.5 mln.

Begin mei 2000 heeft u de financiële verantwoording over het begrotingsjaar 1999 ontvangen. In dit stuk stond reeds een verantwoording over de Intensiveringsgelden Jeugd en Geweld 1999. Deze verantwoording ging over de besteding van de Intensiveringsgelden zoals aangegeven in de brief aan de kamer van begin december (brief nummer 26 800 VI, nr. 47). Voor de volledigheid is deze verantwoording aan deze brief toegevoegd als bijlage 3.

In mei 2001 zal ik u middels een brief op eenzelfde wijze informeren.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

BIJLAGE 1 INTENSIVERINGSGELDEN 2000

ProjectVersnelling civiele zaken 
     
OmschrijvingEr is in het regeerakkoord geld ter beschikking gesteld ten behoeve van de verkorting van de doorlooptijden en reductie van de wachtstapels van civiele zaken bij de Raad voor de Kinderbescherming. Dit houdt in dat extra capaciteit wordt ingezet.  
     
AanleidingDe Raad voor de Kinderbescherming was niet in staat om te voldoen aan de met het Ministerie afgesproken normen voor af te handelen zaken.  
     
Algemeen doelHet belangrijkste doel van het versnellen van de civiele zaken is dat getracht wordt om in het belang van het kind zo snel mogelijk tot een adequate reactie te komen op gesignaleerde problemen. Het neveneffect is dat met de versnelling van civiele zaken er tegelijkertijd een kwaliteitsverbetering wordt bereikt.  
     
Resultaat doelOm het Intensiveringsgeld te kunnen koppelen aan te bereiken resultaten is besloten om het reguliere Intensiveringsgeld in 2000 in te zetten ten behoeve van de versnelling van Beschermingszaken. In het jaar 2000 gaat het om 470 extra beschermingszaken.  
 In de loop van 1999 bleek dat de instroom van civiele zaken (en strafzaken) aan het dalen is. De Raad heeft een onderzoek uit laten voeren naar de stagnatie en/of fluctuatie in de instroom van het aantal zaken bij negen vestigingen van de Raad. De Raad wilde vooral weten of de afname van de instroom incidenteel of structureel was. Over de resultaten van het instroomonderzoek is inmiddels een rapport uitgebracht. De uitkomst van het onderzoek geeft aan dat er landelijk nog een lichte stijging in het verschiet ligt. Voorts bleek uit het onderzoek dat vooral geïnvesteerd moet worden in de samenwerking met ketenpartners en toeleveranciers. Daarom is besloten de versnelling van het Intensiveringsgeld (0,8 mln. gulden in 2000) aan te wenden om de nieuwe infrastructuur binnen de jeugdhulpverlening onder de aandacht te brengen, deskundigheid te bevorderen en bijscholingstrajecten voor potentiële melders voor te bereiden en waarnodig te ondersteunen. Deze activiteit richt zich op een breed scala van instellingen en beroepsgroepen en ondersteunt intensieve samenwerking met BJZ's en AMK's. Om deze activiteiten verder uit te bouwen zal met de versnelling van het Intensiveringsgeld de formatie met 8 eenheden worden uitgebreid.  
     
 In de begroting voor het jaar 2001 (komt in september beschikbaar) zullen doelen met betrekking tot wachtstapels, wachttijden en doorlooptijden voor het jaar 2000 en 2001 worden opgenomen. Voor het jaar 2000 bleek het nog niet mogelijk om op dit moment afspraken te maken. De oorzaak hiervoor lag in het veel later dan verwacht beschikbaar komen van de resultaten van het instroom onderzoek bij de Raad, waardoor de vaststelling van nieuwe doelen voor wachtstapels, wachttijden en doorlooptijden werd uitgesteld. 
 In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het aantal in te zetten fte's en de te bereiken resultaten. 
     
 Jaar:200020012002
 Aantal fte's233350
 Extra Beschermingszaken:4706601 000
     
Verantwoordelijk-heidsverdelingDe uitvoering van de civiele zaken en dus ook de versnelling daarvan is de verantwoordelijkheid van de Raad voor de Kinderbescherming. De sturing van de Raad gebeurt per 1 januari 2000 rechtstreeks door de Directeur-generaal Preventie Jeugd en Sancties. De Raad krijgt zelf de beschikking over het budget. Er zijn managementafspraken gemaakt met de Raad over het aantal zaken dat hij moet afhandelen voor een bepaald budget.  
     
Start datumDe impuls voor meer fte's dateert van het begin van het Regeerakkoord. Het geld is per 1 januari 1999 vrijgekomen. Vanaf dat moment was het mogelijk om extra fte's aan te nemen.  
     
EinddatumDecember 2002  
StatusOp dit moment loopt er een kostprijsonderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming. Het resultaat van dit onderzoek moet duidelijk maken welke producten de Raad produceert en welke kosten daarbij gemoeid zijn. Op basis van deze resultaten zal het mogelijk worden om gerichter met het budget te kunnen sturen. Dit kostprijsonderzoek komt gereed in januari 2001 en kan wellicht een aanleiding zijn tot een bijstelling van de afspraken tussen de Raad en het Ministerie.  
 Sinds eind 1999 is het mogelijk om met het informatiesysteem van de Raad de gemiddelde wachttijd (de gemiddelde tijd die verstrijkt van aanmelding van een zaak tot het punt dat een medewerker de zaak in behandeling neemt) te bepalen. In de loop van het jaar 2000 zullen tussen de Raad voor de Kinderbescherming en het Ministerie van Justitie nog afspraken gemaakt worden om te komen tot realistische en wenselijke normen voor de wachttijden. 
     
Budget (R.A.) 200020012002
  3,1 mln.4,5 mln.5,0 mln.
     
Afspraken over bestedingInzet extra personeel: 
 Jaar200020012002
 Versnelling civiele zaken23 fte's33 fte's50 fte's
 Samenwerking ketenpartners en toeleveran-ciers8 fte's  
     
ProjectForensische diagnostiek 
     
OmschrijvingForensische diagnostiek is het stellen van diagnoses aan de hand van specialistisch onderzoek, die gebruikt kunnen worden ten behoeve van voorlichting en advisering aan justitiële instanties. Momenteel worden de inhoudelijke, organisatorische, financiële en procedurele aspecten van de Forensische Diagnostiek onderzocht in relatie tot de functie diagnostiek in het Bureau Jeugdzorg.  
     
AanleidingZowel in civiele zaken als in strafzaken tegen jeugdigen is door de jeugdbeschermingsinstanties geconstateerd dat er in toenemende mate sprake is van jeugdigen met psychiatrische stoornissen. In samenspraak met VWS is besloten dat in samenwerking met de jeugdbeschermingsinstanties en de jeugd GGZ gekomen moest worden tot een systematische verbetering van de forensische diagnostiek en rapportage ten behoeve van justitiële beslissingen in civiele en strafzaken. Bij ontwikkeling van de diagnostiek functie binnen het Bureau Jeugdzorg doet zich de vraag voor op welke wijze de Forensische diagnostiek daarbij gegarandeerd wordt.  
     
Algemeen doelHet middels een projectmatige ontwikkeling van de jeugdforensische diagnostiek, passend binnen de Regie in de Jeugdzorg, komen tot een werkbare praktijk waarbij voor alle betrokkenen duidelijk is of er sprake is van reguliere dan wel jeugdforensische diagnostiek, aan welke wettelijke vereisten deze moet voldoen, door wie deze wordt bekostigd en onder wiens verantwoordelijkheid deze wordt verricht. 
     
Resultaat doelDe functie jeugdforensische diagnostiek wordt ontwikkeld in een aantal pilots in verschillende regio's. In de eerste helft van 2000 zullen de eerste twee pilots gestart worden. In de tweede helft van 2000 zullen nog eens twee of drie pilots gestart worden. De doelen van dit project zijn de volgende: 
 Inhoudelijk: een in praktijk hanteerbare afbakening tussen jeugdforensische diagnostiek en de reguliere diagnostiek in de toegang tot de jeugdzorg; 
 Organisatorisch: een goed werkende en inzichtelijke structuur voor de jeugdforensische diagnostiek per regio of bovenregionaal, al dan niet binnen de Toegang tot de Jeugdzorg georganiseerd of als afzonderlijk jeugdforensisch arrangement; 
 Financieel: een financieringssystematiek die is gebaseerd op geleverde onderzoeken, met een werkbare verdeling tussen financiers (Ministerie van Justitie en Zorgverzekeraars); 
 Wet- en regelgeving: waar nodig voorstellen voor het opheffen van bestaande barrières en onduidelijkheden in de wet- en regelgeving.  
 Vanaf de start van de pilots zal een onafhankelijk onderzoek worden verricht ten behoeve van de evaluatie van het project. De uitkomsten van dit onderzoek dient duidelijk te maken of in de verschillende regio's een inhoudelijk, organisatorisch en financieel werkbaar onderscheid tussen «reguliere diagnostiek» en «forensische diagnostiek» kan worden gemaakt.  
Verantwoordelijk-heidsverdelingHet Ministerie van Justitie is verantwoordelijk voor een projectmatige ontwikkeling van de forensische diagnostiek.  
     
Start datum1 januari 2000  
     
EinddatumDecember 2002  
     
Status    
     
Budget (R.A.) 200020012002
 Forensische Diagnostiek1 400 0002 500 0003 000 000
 BARO instrument300 000   
 Intensiveringsgeld1,7 mln.2,5 mln.3,0 mln.
     
Afspraken over besteding2000–2002: het intensiveringsgeld in samenhang met reguliere middelen van de Raad en de GVI's gebruikt om tot een volwaardige voorziening voor de forensische diagnostiek te komen.  
ProjectWerklastverlichting (allochtonen) 
     
OmschrijvingVoor allochtone gezinnen wordt een specifieke benadering door de Raad voor de Kinderbescherming ontwikkeld die beter aansluit bij deze doelgroep. Het is gebleken dat de Raad bij zaken met allochtone gezinnen 30% meer tijd nodig heeft voor de afhandeling van deze zaken. Dit komt o.a. doordat er vaak een tolk nodig is, er culturele verschillen zijn in het nakomen van afspraken, er meer uitleg nodig is en doordat alles in een cultureel perspectief moet worden geplaatst. Er is behoefte aan een nieuwe methodiek voor het kwalitatief goed afhandelen van allochtone zaken door de raadsmedewerkers.  
     
AanleidingDe directe aanleiding voor dit project is het uitkomen van twee rapporten. In november 1997 verscheen het rapport «Criminaliteit in relatie tot de integratie van etnische minderheden» (het CRIEM-rapport) en in mei 1998 verscheen het rapport van de commissie Marokkaanse jeugd «Samen vol vertrouwen de toekomst tegemoet». Deze twee rapporten kwamen beide tot de conclusie dat de aanpak van zaken met betrekking tot allochtone gezinnen verbeterd moest worden.  
     
Algemeen doelHet beter afhandelen van zaken die betrekking hebben op allochtone gezinnen door de Raad voor de Kinderbescherming, door het ontwikkelen van een multiculturele organisatie en het houden van een geïntensiveerd cliëntencontact.  
     
Resultaat doelDe te bereiken resultaten voor 2000:  
 1. Vervolgonderzoek «De Raad voor de Kinderbescherming in een multiculturele samenleving» 
 Op 1 februari 2000 is het rapport «Weten we er Raad mee?» uitgekomen. Dit rapport bevat een beschrijving van praktische dilemma's ten aanzien van jongeren met een etnische herkomst waarmee raadsonderzoekers in strafzaken zich geconfronteerd zien, het bevat een beschrijving van de oplossingen ten aanzien van deze dilemma's en het rapport bevat een advies ten aanzien van mogelijk vervolgonderzoek. Het rapport «Weten we er Raad mee?» spitste zich toe op de vraag hoe de Raad om gaat (/moet gaan) met allochtonen, het vervolgonderzoek zal zich toespitsen op de vraag hoe de allochtonen met de Raad omgaan. Het vervolgonderzoek zal 2 jaar in beslag nemen.  
 2. Compensatie extra werklast allochtonenzaken  
 Door de universiteit van Amsterdam is een methodiek «werken met allochtone cliënten» ontwikkeld. Na uitvoering van en pilotproject vorig jaar is besloten deze methodiek bij alle Raden te gaan gebruiken. Dit zal echter leiden tot een caseload verzwaring voor de Raadsmedewerkers. Het gebruik maken van deze methodiek verhoogt de werklast met 30%. Om toch hetzelfde aantal zaken te kunnen afhandelen zullen extra Raadsmedewerkers aangetrokken moeten worden. Bij het uitzetten van het budget over de diverse resorten van de Raad heeft men gebruik gemaakt van allochtone spreidingsgegevens van het CBS en het geld naar rato verdeeld. 
 3. Interculturalisatie van de Raad 
 Op 15 december 1999 is de beleidsnotitie «De raad in een multiculturele samenleving» verschenen. De belangrijkste conclusie in deze notitie was dat de Raad om effectief te kunnen werken met allochtone cliënten de eigen organisatie moet interculturaliseren. Ten behoeve van deze interculturalisatie zal de methodiek «werken met allochtone cliënten» worden ingevoerd (scholing van de bestaande en aan te nemen medewerkers), wervings- en selectie-inspanningen gericht op allochtonen, netwerkontwikkeling (het leggen van contacten met allochtone organisaties) en interculturalisatie van de organisatie (het beïnvloeden van cultuur en houding van medewerkers en leidinggevenden van de Raad). 
     
Verantwoordelijk-heidsverdelingDe Raad voor de Kinderbescherming is verantwoordelijk voor het ontwikkelen van een benadering die beter aansluit bij allochtone gezinnen. De sturing van de RvK gebeurt per 1 januari 2000 rechtstreeks door de Directeur-generaal. De Raad krijgt zelf de beschikking over het budget. Met de Raad worden managementafspraken gemaakt over het aantal af te handelen zaken in relatie tot het beschikbaar gestelde budget. 
     
Start datumDe Raad beschikt per 1 januari 1999 over de Intensiveringsgelden en dit wordt derhalve als startdatum gezien. 
     
EinddatumDecember 2002  
     
StatusIn oktober 1999 is het pilotproject/onderzoek «Methodiek werken met allochtone cliënten» afgerond. 
     
Budget (R.A.) 200020012002
 1. vervolgonderzoek150 000150 000 
 2. Compensatie extra werklast allochtonenzaken2 150 000  
 3. Interculturalisatie van de Raad1 000 000  
 Intensiveringsgeld3 300 0005 000 0005 000 000
     
Afspraken over bestedingOp dit moment wordt er door KPMG een kostprijsonderzoek uitgevoerd, waarin expliciet aandacht wordt besteed aan allochtonenzaken. Dit onderzoek is in oktober 2000 afgerond.  
ProjectToename aantal strafzaken 
     
OmschrijvingDe Raad voor de Kinderbescherming geeft advies bij strafzaken:  
 • basisonderzoek 
 • vervolgonderzoek  
 en handelt taakstraffen af. 
 Er is in het regeerakkoord geld ter beschikking gesteld om extra personeel aan te nemen om de toename van het aantal strafzaken (uitgezonderd de inzet van personeel bij taakstraffen) op te vangen. 
     
AanleidingDe Raad krijgt geld op basis van prognoses van het aantal strafzaken. De prognoses van het aantal strafzaken is naar boven bijgesteld. Dit betekent dat meer geld nodig is voor de afhandeling.  
     
Algemeen doelHet algemeen doel is dat de Raad wil bereiken dat hij in 100% van de gevallen een melding krijgt van politie als er een minderjarige betrokken is bij een strafzaak. De Raad heeft reeds veel tijd en middelen besteed om de politie bewust te maken van het feit dat zij altijd moeten melden als er een minderjarige betrokken is bij een strafzaak. Het resultaat hiervan is dat er nu steeds meer meldingen binnenkomen vanuit de politie. Het risico dat nu ontstaat is dat als de Raad deze meldingen niet snel genoeg kan afhandelen, de politie dan minder gemotiveerd is om een melding te maken.  
     
Resultaat doelOm de toename van het aantal strafzaken op te vangen wordt er extra personeel aangetrokken. 
 In de loop van 1999 bleek dat de instroom van strafzaken en (civiele zaken) aan het dalen is. De Raad heeft een onderzoek uit laten voeren naar de stagnatie en/of fluctuatie in de instroom van het aantal zaken bij negen vestigingen van de Raad. De Raad wilde vooral weten of de afname van de instroom incidenteel of structureel was. Over de resultaten van het instroomonderzoek is inmiddels een rapport uitgebracht. De uitkomst van het onderzoek geeft aan dat er landelijk nog een lichte stijging in het verschiet ligt en dat vooral geïnvesteerd moet worden in de samenwerking met ketenpartners en toeleveranciers.  
 De toepassing van het BARO instrument (een screeningsinstrument dat behulpzaam is in op een verantwoorde wijze een selectie te maken tussen jeugdigen bij wie het delictgedrag waarschijnlijk van voorbijgaande aard is en jeugdigen die een verhoogd risico lopen een criminele carrière te ontwikkelen) zorgt ervoor dat de caseload per medewerker van 200 naar 170 zaken gaat (dit is een voorlopige schatting). Dit betekent dat er met hetzelfde aantal medewerkers minder zaken uitgevoerd kunnen worden. De versnelling van het Intensiveringsgeld (0,3 mln.) wordt ingezet om de oorspronkelijk afgesproken extra onderzoeken (Kamerbrief nummer 26 800 VI nr. 47) uit te voeren, rekening houdend met de hierboven genoemde caseload verzwaring.  
 In oktober is het kostprijsonderzoek bij de Raad afgerond. Naar aanleiding van dit onderzoek zullen definitieve afspraken met de Raad gemaakt worden omtrent de caseloads. 
     
 In de begroting voor het jaar 2001 (komt in september beschikbaar) zullen doelen met betrekking tot wachtstapels, wachttijden en doorlooptijden voor het jaar 2000 en 2001 worden opgenomen. Voor het jaar 2000 bleek het nog niet mogelijk om op dit moment afspraken te maken. De oorzaak hiervoor lag in het veel later dan verwacht beschikbaar komen van de resultaten van het instroom onderzoek bij de Raad, waardoor de vaststelling van nieuwe doelen voor wachtstapels, wachttijden en doorlooptijden werd uitgesteld.  
 Het aantal extra onderzoeken dat uitgevoerd zal worden: 
     
 Jaar200020012002
 Aantal extra basisonderzoeken2 8004 4006 500
 Aantal extra vervolgonderzoeken400550850
     
Verantwoordelijk-heidsverdelingDe advisering in strafzaken en dus ook de versnelling daarvan is de verantwoordelijkheid van de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad krijgt zelf de beschikking over het budget. Er zijn managementafspraken gemaakt met de Raad over het aantal zaken dat hij moet afhandelen voor een bepaald budget. Met de Raad is overeenstemming bereikt dat hij voor het extra geld meer en sneller strafzaken afhandelt.  
     
Start datumHet geld is per 1 januari 1999 vrijgekomen. Vanaf dat moment was het mogelijk om extra fte's aan te nemen. 
     
Einddatum31 december 2002  
     
StatusOp dit moment loopt er een kostprijsonderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming. Het resultaat van dit onderzoek moet duidelijk maken welke producten de Raad produceert en welke kosten daarbij gemoeid zijn. Op basis van deze resultaten zal het mogelijk worden om gerichter met het budget te kunnen sturen. Dit kostprijsonderzoek komt gereed in januari 2001 en kan wellicht een aanleiding zijn tot een bijstelling van de afspraken tussen de Raad en het Ministerie.  
 Sinds eind 1999 is het mogelijk om met het informatiesysteem van de Raad de gemiddelde wachttijd (de gemiddelde tijd die verstrijkt van aanmelding van een zaak tot het punt dat een medewerker de zaak in behandeling neemt) te bepalen. In de loop van het jaar 2000 zullen tussen de Raad voor de Kinderbescherming en het Ministerie van Justitie nog afspraken gemaakt worden om te komen tot realistische en wenselijke normen voor de wachttijden.  
     
Budget (R.A.) 200020012002
  3,9 mln.6,0 mln.8 mln.
     
Afspraken over bestedingHet aantal extra fte's en aantal extra onderzoeken: 
 Jaar200020012002
 Aantal extra fte's396080
 Aantal extra basisonderzoeken2 8004 4006 500
 Aantal extra vervolgonderzoeken400550850
ProjectToename aantal zaken Jeugdreclassering bij de Gezinsvoogdij Instellingen 
     
OmschrijvingJeugdreclassering omvat het geheel aan activiteiten dat start na melding van een minderjarige verdachte bij de Raad voor de Kinderbescherming.  
 Het gaat met betrekking tot de besteding van de intensiveringsgelden met name om de activiteiten bij de gezinsvoogdij-instellingen (GVI), die belast zijn met de uitvoering van de strafrechtelijke beslissing tot hulp en steun (inclusief de voorlichting daarover aan de justitiële autoriteiten). 
 Er is een circulaire op grond waarvan de Gezinsvoogdij-instellingen subsidie kunnen aanvragen voor de groei in het aantal zaken.  
     
AanleidingDeze vorm van reclassering maakt een groei door (van 2072 zaken in 1995 naar 2680 zaken in 1997 naar 3316 zaken in 1998 tot 3 586 zaken in 1999). Om de voortgezette groei op te vangen zijn extra middelen beschikbaar gesteld. 
     
Algemeen doelDe Gezinsvoogdij Instellingen vangen de toename in het aantal zaken Jeugdreclassering op om zo te voorkomen dat een minderjarige verdachte een criminele carrière start of om de criminele carrière van een minderjarige te beperken. 
     
Resultaat doelHet aantal extra zaken dat per jaar wordt gedaan is afhankelijk van het aanbod. Vanuit de Intensiveringsgelden kunnen in 2000 ca. 330 extra zaken worden gedaan, rekening houdend met een normbedrag van f 6941,– per zaak. Uitgaande van ditzelfde normbedrag zullen de voor het Intensiveringsgeld uit te voeren extra zaken zijn: 
     
  200020012002
 Aantal extra zaken330 zaken575 zaken720 zaken
     
Verantwoordelijk-heidsverdelingEr is sprake van een relatie subsidiegever – subsidieontvanger. In de subsidievoorwaarden is vastgelegd waaraan de middelen besteed dienen te worden en hoe de terugmelding van de behaalde resultaten is geregeld.  
     
Start datumDe extra middelen zijn beschikbaar met ingang van 1-1-1999. 
     
EinddatumDecember 2002  
     
StatusNog onbekend 
     
Budget (R.A.) 200020012002
 Intensiveringsgelden2,3 mln.4,0 mln.5,0 mln.
     
Afspraken over bestedingIn de circulaire (1 842.74) is een achttal modaliteiten opgenomen die voor subsidie in aanmerking komen. In het kort gaat het om:  
 1. Het verzoek tot hulp en steun van de officier van justitie in het kader van een voorwaardelijk sepot of van voorwaarden bij een transactie voor de periode van de proeftijd.  
 2. De maatregel tot hulp en steun in het kader van een voorwaardelijke veroordeling voor de termijn van de voorwaarden.  
 3. Het verzoek tot toezicht en begeleiding in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de termijn van de voorwaarden. 
 4. Een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot begeleiding (in een vrijwillig kader) tijdens en na een taakstraf in verband met de noodzaak tot jeugdreclasseringsbegeleiding. 
 5. Een verzoek van de directeur van een inrichting voor justitiële kinderbescherming of de Raad voor de Kinderbescherming in verband met de noodzaak tot jeugdreclasseringsbegeleiding na detentie.  
 6. Het verzoek tot hulp en steun als voorwaarde in de beschikking «schorsing voorlopige hechtenis». 
 7. Een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of de officier van justitie tot toezicht en begeleiding (in een vrijwillig kader) met verslaglegging over het verloop van het toezicht ten behoeve van de strafzitting.  
 8. Het verzoek tot hulp en steun met nader rapport in het kader van «aanhouding zitting».  
ProgrammaProgramma CRIEM (Criminaliteit in relatie tot de integratie van etnische minderheden) 
     
OmschrijvingJongeren uit etnische minderheden blijken relatief vaak bij criminaliteit betrokken te zijn. Een verklaring hiervoor kan gezocht worden in de slechte maatschappelijke positie die deze jongeren vaak hebben. De belangrijkste oorzaak blijkt te liggen in de onvolkomen integratie in de Nederlandse samenleving. Bij Justitie is een programma in het leven geroepen, waarbinnen projecten worden uitgevoerd. 
     
AanleidingUit de parlementaire enquêtecommissie «Inzake Opsporing» bleek dat bepaalde etnische groepen in zorgwekkende mate betrokken zijn bij vormen van georganiseerde (drug)criminaliteit. Vervolgens is onderzoek gedaan naar de aard, omvang, oorzaken en achtergronden van (georganiseerde) criminaliteit onder etnische minderheden. Met name de betrokkenheid bij criminaliteit van Marokkaanse en Antilliaanse jongeren bleek relatief groot. 
     
Algemeen doel(Beoogd effect)Verbeteren van de positie van de 1e en 2e generatie van de CRIEM doelgroep. Voorkomen dat er generaties zullen volgen die in een vergelijkbare moeilijke positie verkeren en die hun situatie weer «overdragen» aan de volgende generatie. 
     
ResultaatdoelDe CRIEM gelden wordt voor drie doeleinden ingezet:  
 • Faciliterend  
 Met de CRIEM-gelden worden in het jaar 2000 project(salaris)kosten, diverse onderzoeken en expertmeetings gefinancierd. Tevens zal het CRIEM-geld aangewend worden om de landelijke coördinatie/ondersteuning van de ITB trajecten (Individuele TrajectBegeleiding) te verbeteren vanuit het Ministerie van Justitie en om de coördinatie/ondersteuning bij de Gezinsvoogdij-instellingen die de ITB trajecten willen invoeren te financieren. Hiernaast zullen er enkele verkennende projecten worden uitgevoerd; onder andere in relatie tot JIB. 
 • Individuele Trajectbegeleiding CRIEM  
 Analoog aan de ITB voor harde kern jongeren is er een intensieve begeleidingsvorm ontwikkeld voor allochtone jeugdigen die nog maar net over de schreef zijn gegaan. Etnische jeugdigen van 12 tot en met 17 jaar die in aanraking zijn gekomen met het strafrecht voor het plegen van lichte delicten worden gedurende een periode van drie tot zes maanden intensief begeleid. De begeleiding wordt uitgevoerd door de GVI-Jeugdreclassering.  
 In het jaar 2000 zal in elk geval in Groningen, Leeuwarden, Haarlem, Maastricht en Lelystad een start worden gemaakt met het projectmatig opzetten van ITB-CRIEM. Omdat er met ITB voor deze doelgroep weinig ervaring is opgedaan, zullen deze projecten nauw worden gevolgd, zodat andere steden gebruik kunnen maken van de opgedane ervaringen.  
 • Individuele Trajectbegeleiding Harde Kern  
 Na het uitvoeren van ITB-Harde Kern op experimentele basis is besloten de ITB-Harde Kern landelijk en structureel in te voeren. Jongeren in de leeftijd van 12 tot en met 24 jaar die al verschillende keren voor ernstige strafbare feiten met politie en Justitie in aanraking zijn gekomen, kunnen hiervoor in aanmerking komen. Deze intensieve begeleiding voor een periode van zes tot twaalf maanden komt in de plaats van een vrijheidsstraf. 
 In het jaar 2000 zal in elk geval de GVI-Jeugdreclassering in Groningen, Leeuwarden, Deventer, Amsterdam en Breda starten met een ITB voor de Harde Kern. In de loop van 2001 wordt het aantal arrondissementen uitgebreid, waarna verwacht wordt dat begin 2003 alle arrondissementen een aanbod hebben van ITB-Harde Kern. 
     
Verantwoordelijk-heidsverdelingCRIEM is een interdepartementaal programma dat deel uitmaakt van het Grote Steden- en Integratiebeleid (GSI). De Minister van GSI is coördinerend bewindspersoon. De besteding van de middelen voor CRIEM vallen onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid. Justitie is inhoudelijk verantwoordelijk voor de producten in het Justitie CRIEM programma (CtC en CRIEM).  
     
Start datumMaart 1999 
     
EinddatumDecember 2002 
     
StatusOntwikkelingsfase en overleg met het (Justitie)veld  
Budget (R.A.) 200020012002
 Faciliterende activiteiten1 500 000   
 ITB CRIEM2 800 000   
 ITB Harde Kern2 800 000  
 Intensiveringsgelden7,1 mln.12,0 mln.15,0 mln.
     
Afspraken over bestedingAfgesproken is dat na aftrek van de faciliterende activiteiten uit het CRIEM geld er 50% naar ITB CRIEM en 50% naar ITB Harde Kern gaat.  
 De komende periode vindt er een kostprijsonderzoek plaats. In afwachting van dit kostprijsonderzoek zijn er slechts indicatieve kostprijzen bekend voor de ITB begeleiding. De begeleiding van een minderjarige gedurende 6 maanden kost ca. 11 000 gulden. De begeleiding van een meerderjarige gedurende 12 maanden kost ca. 20 000 gulden.  
     
ProjectWijkprogramma's O&O 
 (Communities that care/Opvoedingsondersteuning en Ontwikkelingsstimulering) 
     
OmschrijvingHet project Wijkprogramma's O&O is een preventieprogramma dat door middel van een integrale aanpak op wijk- en buurtniveau probleemgedrag en/of crimineelgedrag onder jongeren wil voorkomen. Het programma is gericht op ouders en kinderen uit risicogroepen en bestaat uit twee gescheiden trajecten: 
 • Ontwikkeling en proefimplementatie van O&O op wijkniveau (VWS initiatief)  
 • Ontwikkeling en proefimplementatie van Communities that care (Justitie initiatief)  
 De twee trajecten worden uitgevoerd door het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW). 
     
AanleidingIn de beleidsbrief «Naar een solide basis» van april 1998 van de Ministeries VWS, OCW en Justitie werd een systematische, wijkgerichte aanpak van opvoedingsproblematiek aangekondigd. Het ging hierbij om een Amerikaanse strategie «Communities that care» die door prof. J. Junger-Tas aan de bewindslieden van Justitie werd geadviseerd teneinde jeugdcriminaliteit te voorkomen. Daarnaast werd gekozen voor een Nederlandse benadering «Opvoedingsondersteuning en ontwikkelingsstimulering op wijkniveau» die voortbouwde op enkele Nederlandse experimenten met opvoedingsondersteuning en ontwikkelingsstimulering.  
     
Algemeen doelDoelstelling van het project Wijkgerichte programma's O&O (O&O op wijkniveau en CtC) is de ontwikkeling van een planmatige, wijkgerichte aanpak van maatschappelijke uitval, psychosociale problemen, onderwijsachterstanden en jeugdcriminaliteit.  
 Het doel van O&O op Wijkniveau is de ontwikkeling en toepassing van een effectief instrumentarium en aanbod om zo de kansen van jeugdigen te vergroten en uitval en achterstanden te voorkomen.  
 CtC omvat de (proef)implementatie van een in de VS ontwikkeld preventieprogramma. CtC heeft als doel het voorkomen van probleem- en/of crimineel gedrag onder jongeren.  
     
 Met de versnelde invoering van de Intensiveringsgelden is er, in het bredere kader van het thema opvoedingsondersteuning, extra geld beschikbaar gekomen dat ingezet kan worden voor uitvoering van Justitiebeleidsvoornemens uit de Kabinetsnota inzake niet-vrijblijvende vormen van opvoedingsondersteuning. De rol van de overheid inzake de opvoeding is faciliterend, en beschermend indien dat in geval van ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind noodzakelijk is. Het kabinet is van mening dat een intensivering van het beleid inzake de opvoedingsondersteuning noodzakelijk is. Hiervoor zal specifiek onderzocht worden of en hoe vormen van niet-vrijblijvende opvoedingsondersteuning opportuun zijn. In de praktijk zijn overigens diverse maatregelen gegroeid die een nadrukkelijker aanbod van (niet-vrijblijvende) opvoedingsondersteuning mogelijk maken. 
     
Resultaat doelO&O en CtC betreft een implementatie op experimentele basis met een looptijd van 4 jaar. In de periode 1999–2002 worden in het kader van O&O en CtC enkele pilots opgestart en geëvalueerd. De intentie is om na evaluaties een start te maken met een bredere toepassing van O&O en CtC. De beslissing tot een bredere toepassing van O&O en CtC zal onder meer afhangen van de resultaten van de evaluatie.  
 De O&O «ster»pilotgemeenten zijn: Almelo, Groningen en Utrecht.  
 De te bereiken resultaten voor O&O:  
 1999–2000: ontwikkeling van instrumenten en werkwijzen in drie «ster»pilots 
 2000–2002: start (implementatie) van de drie pilotprojecten, met een tussen- en een eindevaluatie De CtC gemeenten zijn: Amsterdam-Noord, Arnhem, Rotterdam en Zwolle.  
 De te bereiken resultaten voor CtC:  
 1999–2002: start van de vier pilotprojecten, gevolgd door een tussen- en een eindevaluatie 
 Na eindevaluatie in december 2002 moet het volgende bekend zijn: in hoeverre CtC aan de Nederlandse maatstaven voldoet, in hoeverre nadere bijstelling c.q. aanpassing van het model aan de Nederlandse situatie nodig is en wat de randvoorwaarden zijn om CtC in Nederland een succesvolle aanpak te laten zijn.  
     
 Op 1 juli 2000 zal de kabinetsnota inzake niet-vrijblijvende vormen van opvoedingsondersteuning aangeboden worden aan de Tweede kamer. Vervolgens zal Justitie, op basis van de voorliggende uitgangspunten, lokale initiatieven ondersteunen en financieren. 
     
Verantwoordelijk-heidsverdelingHet Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn is verantwoordelijk voor de uitvoering. Binnen NIZW zijn twee projectleiders aangesteld die ieder een van de trajecten te leiden. Justitie is (samen met VWS) opdrachtgever. Binnen Justitie en binnen VWS zijn tevens projectleiders aangesteld om vanuit Justitie en VWS oogpunt het project te kunnen beheersen.  
     
Start datum1 november 1998  
     
EinddatumDecember 2002 
     
StatusOpstartfase; de officiële kick-off voor de pilot-gemeenten was 11 november 1999.  
     
Budget (R.A.)Het ministerie van VWS en Justitie zullen ieder de helft betalen van de totale kosten van CtC en O&O. Voor CtC en O&O zijn de begrote kosten voor het Justitiedeel de volgende: 
     
  200020012002
 O&O 1e fase42 500   
 CtC/O&O 2efase71 00063 00078 500
 NIZW760 500746 500715 000
 Projectleiders gemeenten350 000350 000350 000
 Totale kosten O&O/CtC1 224 0001 159 5001 143 500
 Opvoedingsondersteuning776 000  
 Intensiveringsgeld2 000 0003 000 0003 000 000
     
Afspraken over bestedingJustitie heeft in een beschikking aangegeven op welke voorwaarde het NIZW geld ontvangt (door VWS is een gelijksoortige beschikking opgesteld). De methodiek van CtC inclusief producten is nauwkeurig beschreven. De methodiek wordt zo zuiver mogelijk uitgevoerd/aangepast aan de Nederlandse situatie. In het kader van het GSB is bepaald dat de gelden voor O&O en CtC in de grote steden (G-25) worden uitgezet. Verder is bepaald dat deze gelden niet rechtstreeks van Justitie naar de grote steden gaan, maar worden geleverd op basis van werkafspraken op lokaal- en arrondissementsniveau tussen de steden en de uitvoeringsorganisaties van Justitie.  
     
ProjectProjecten preventie en geweld (geweld op straat) 
     
OmschrijvingIn het kader van preventie en geweld worden projecten en initiatieven gestimuleerd door middel van éénmalige subsidiëring. De voorkeur gaat daarbij uit naar innovatieve projecten. De regeerakkoordgelden worden gebruikt voor initiatieven die voornamelijk betrekking hebben op geweld op straat. Het betreft de volgende projecten:  
 1. Project: Sociaal preventieve supportersprojecten 
 Participeren in een evaluatie van verschillende uitgevoerde sociaal preventieve supportersprojecten. 
 2. Project: Landelijk platform tegen geweld op straat 
 In februari 1999 werd voor de duur van 3 jaar het Landelijk Platform tegen Geweld op Straat opgericht. De taken van het platform geweld op straat zijn:  
 • Het stimuleren van een mentaliteitsverandering.  
 • Het tot stand brengen en uitdragen van een anti-geweldscode.  
 • Het adviseren van het kabinet, ander overheden, maatschappelijke instellingen, bedrijfsleven en burgers.  
 • Het stimuleren van kennis- en ervaringsuitwisseling.  
 3. Project: Media en geweld 
 Er is een onafhankelijke, dienstverlenende organisatie opgericht die het gezamenlijk belang vertegenwoordigt dat de «klassieke» audiovisuele branches onderkennen in het zelf reguleren van hun aanbod aan de Nederlandse markt. De organisatie heeft als naam Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM).  
 4. project: Nationale campagne tegen geweld 
 Naar aanleiding van een succesvol project in de Verenigde Staten is het programma «Respect» ontwikkeld. Aan jongeren wordt gevraagd hoe zij met geweld zijn geconfronteerd; wat zij er zelf aan willen doen en welke andere ideeën zij hebben om geweld tegen te gaan. Deze suggesties worden door andere jongeren genomineerd voor uitvoering. Het bedrijfsleven draagt zorg voor de uitvoering van de genomineerde projecten. 
 5. Project: Geweld: Gemeld en geteld 
 Een van de aanbevelingen van het rapport «Uitkomsten van het Twaalfstedendebat Geweld op Straat» (december 1998) betreft het doen van onderzoek naar de aard en omvang en de motieven van daders van geweld op straat. In een brief aan de Tweede Kamer (19.11.1998) hebben de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken aangekondigd dat het kabinet elke twee jaar een landelijk onderzoek wil laten uitvoeren naar de motieven en factoren die een rol spelen bij daders die zich schuldig maken aan geweld op straat.  
 6. Project: Congres Geweld en Agressie 
 Het organiseren van een congres voor leidinggevenden en beleidsmakers bij overheid, semi-overheid en bedrijfsleven, die zich met vraagstukken omtrent geweld en agressie bezig houden.  
 7. Project: Onderwijsinitiatieven 
 Op het gebied van jongeren, school en veiligheid worden vanuit diverse beleidsterreinen en ministeries initiatieven ontwikkeld. Tussen de diverse initiatieven is een behoefte aan afstemming en samenwerking gesignaleerd. Dit project beoogt een afstemming tussen initiatieven gericht op het terugdringen van geweld op straat en initiatieven waarbij veiligheid in en rondom school centraal staat. Bezien wordt hoe twee specifieke campagnes rondom het terugdringen van geweld op straat («De ontwikkeling van een geweldscode» en «Het nationale scholenestafette debat over wapenbezit en «gebruik») inhoudelijk zijn af te stemmen met de toekomstige lokale initiatieven rondom school en veiligheid («Jongeren, school en veiligheid»).  
 8. Project: Intentieverklaring Verkeer 
 Er is een probleem geconstateerd met betrekking tot agressie en geweld in het verkeer. Er wordt een intentieverklaring tussen overheid en verschillende maatschappelijke partners voorbereid om het geweld en de agressie in het verkeer tegen te gaan.  
     
AanleidingIncidenten september en november 1997 (Meindert Tjoelker en Joes Kloppenburg). In februari 1998 presenteerde het kabinet de nota «Geweld op straat».  
     
Algemeen doel1. Het vergroten van de veiligheid op straat door middel van diverse activiteiten op lokaal niveau. 
 2. Het initiëren van maatregelen die bijdragen aan het bestrijden en voorkomenvan geweld op straat.  
     
Resultaat doelDe te bereiken resultaten van de diverse projecten:  
     
 Project: Sociaal preventieve supportersprojecten 
 1. Een evaluatie van verschillende uitgevoerde sociaal preventieve supportersprojecten.  
 Deze evaluatie moet de volgende elementen bevatten: een beschrijving van de verschillende projecten, het schetsen van de resultaten van de projecten en het weergeven van de belangrijkste leerervaringen die tijdens de projecten worden opgedaan. Het evaluatieonderzoek dient uiterlijk december 2001 afgerond te zijn.  
     
 Project: Landelijk platform tegen geweld op straat (looptijd: februari 1999–december 2001) 
 1. Anti-geweldscode/normen en waarden.  
 Een concreet instrument om normen en waarden in het publieke domein te beïnvloeden; te vergelijken met de eerder door het ministerie van BZK ontwikkelde anti-discriminatiecode. Belangrijk doel van dit instrument is het op gang brengen van een mentaliteitsverandering om de gesignaleerde cultuur van afzijdigheid te doorbreken. Bij de ontwikkeling van de code worden burgers, overheden, bedrijfsleven en relevante instellingen zo vroeg mogelijk betrokken om het draagvlak van de uiteindelijke uitvoering te vergroten. In 2000 zal in eerste aanleg gewerkt worden aan de formulering van een conceptcode. Hiertoe zullen in 2000 nog twee rondetafelgesprekken met praktijkdeskundigen, slachtoffers en jongeren worden gehouden. Rond de zomer zal een definitieve code gereed zijn. Het uitdragen van de code zal naar verwachting in september/oktober plaatsvinden. 
 2. Stimuleringsplannen.  
 Het ontwikkelen van stimuleringsplannen per beleidsthema op basis van de aanbevelingen uit het eindrapport van het Twaalf Stedendebat. Een aantal fundamentele thema's zijn: verschuiving van verantwoordelijkheden, samenwerking, structureel beleid, prestatiemaatschappij en praten met, in plaats van over, de jeugd. Deze thema's worden gekoppeld aan de volgende beleidsthema's: wapenbezit, toezicht, horeca/uitgaan, media, actoren, gezin en onderwijs.  
 De nagestreefde producten in 2000: 
 Januari 2000: definitieve vaststelling stimuleringsplan Toezicht  
 Februari 2000: definitieve vaststelling stimuleringsplan Uitgaan  
 Juli 2000: definitieve vaststelling stimuleringsplan Jeugd/Actoren  
 Oktober 2000: definitieve vaststelling stimuleringsplan Gezin  
 December 2000: definitieve vaststelling stimuleringsplan Onderwijs 
 3. Geïmplementeerde en geëvalueerde oplossingen informatieproblematiek.  
 Vaststellen hoe kennis over het bestrijden en voorkomen van geweld op straat bijeengebracht en eenvoudig toegankelijk gemaakt kan worden. In 1999 is een vooronderzoek uitgevoerd om zicht te krijgen op de daadwerkelijke informatieknelpunten bij burgers, private organisaties, «semi-publieke» instellingen en publieke instellingen. Op basis van het vooronderzoek zijn een aantal conclusies en aanbevelingen opgesteld. De activiteiten in het jaar 2000:  
 Februari: Analyse van het vooronderzoek en het formuleren van algemene oplossingsrichtingen  
 Februari – maart: Uitwerking van concrete oplossingsrichtingen in plannen van aanpak  
 Maart – december: Uitvoering van plannen van aanpak  
 Project: Media en geweld 
 1. Oprichting van de stichting NICAM (Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media).  
 2. Het opzetten en realiseren van een geharmoniseerd classificatiesysteem.  
 3. Het operationaliseren van productinformatie per branche en zorgdragen voor de algemene voorlichting.  
 4. Het uitoefenen van toezicht op de werking en het resultaat van de zelfregulering per branche in samenwerking met de betrokken branche. 
 5. Het opzetten en het uitvoeren van een sanctiebeleid met betrekking tot de zelfregulering.  
 6. Het opzetten en uitvoeren van een klachtenregeling.  
 Project: Nationale Campagne tegen geweld 
 Het project wordt gestart in de regio's Rijnmond en Brabant Noord. In de 2 regio's gaat de stichting dit jaar 12 000 jongeren benaderen, waarvan 8 000 in Rijnmond en 4 000 in Brabant Noord. De stichting verwacht, op basis van het Amerikaanse programma, minimaal 1 200 suggesties. Van deze suggesties worden er naar schatting minimaal 80 genomineerd en minimaal 40 uitgevoerd. Nadat een suggestie is uitgevoerd wordt deze professioneel geëvalueerd. De voortgang van ieder project is ook te volgen op het internet; www.voorrespect.nl. 
     
 Project: Geweld: gemeld en geteld 
 In 1999 heeft de eerste fase van dit project plaatsgevonden, waarin gegevens afkomstig uit de politieregistraties verzameld werden en vervolgens werden er een aantal kwantitatieve analyses uitgevoerd. Aan de hand van alle aangiften van geweldsincidenten in 1998 in twee politieregio's werden verschillende vormen van geweld op straat beschreven. Deze gegevens vormen vervolgens de basis voor een tweede fase, waarbij een beperkt aantal geweldsincidenten – representatief voor de verschillende vormen van geweld op straat – nader worden onderzocht aan de hand van uitgebreide interviews met daders, slachtoffers en omstanders. Op de interviews worden een aantal kwalitatieve analyses uitgevoerd om meer inzicht te krijgen in de achtergronden en motieven van geweldsplegers. Deze tweede fase zal in 2000 worden uitgevoerd en bekostigd uit de Intensiveringsgelden. 
     
 Project: Congres Geweld en Agressie 
 Het congres heeft tot doel een maatschappelijke discussie te concentreren in de vorm van een drieluik:  
 • Waardoor ontstaan agressie en geweld? Hierbij wordt agressie en geweld gezien door de bril van een psycholoog en socioloog. 
 • Agressie en Geweld als maatschappelijk gegeven. Besproken wordt of er zowel kwantitatief als kwalitatief sprake is van een toename van agressie en geweld.  
 • Wat wordt er gedaan en wat kan er nog meer gedaan worden om agressie en geweld terug te dringen?  
 Feitelijk worden de volgende resultaten bereikt:  
 • De congresdag (datum nog te bepalen)  
 • Een bundel in boekvorm met de voordrachten van de congresdag  
     
 Project: Onderwijsinitiatieven 
 Op het gebied van jongeren, school en veiligheid worden, vanuit diverse beleidsterreinen en ministeries, initiatieven ontwikkeld. Grofweg kunnen er twee soorten initiatieven onderscheiden worden. Aan de ene kant zijn er initiatieven waarbij de school «target» is. Centraal staat hier de veiligheid en leefbaarheid van de schoolsituatie voor leerlingen, hun ouders en het personeel van de school. Aan de andere kant zijn er initiatieven waarbij de school als intermediair of platform wordt gebruikt. De school wordt gezien als een locatie waar de jongeren gemakkelijk kunnen worden betrokken bij bredere maatschappelijke vraagstukken. 
 Er is behoefte om tussen deze twee soorten initiatieven afstemming en samenwerking te realiseren. Het initiatief van de ministeries van Justitie en BZK om via scholen jongeren te betrekken bij het maatschappelijke vraagstuk «geweld op straat» biedt hiertoe een uitgelezen mogelijkheid. Er is een brugdocument opgesteld om initiatieven gericht op het terugdringen van geweld op straat af te stemmen met initiatieven waarbij «veiligheid in en rondom school» centraal staan. Het brug-document gaat in de eerste plaats over de wijze waarop de ontwikkeling van een anti-geweldscode (initiatief van het Landelijk Platform Tegen Geweld op Straat) en het nationale scholenestafette debat over wapenbezit en «gebruik aan elkaar gekoppeld kunnen worden.  
     
 Project: Intentieverklaring Verkeer 
 Het opstellen van een intentieverklaring tussen de overheid verschillende maatschappelijke partners om het geweld en agressie in het verkeer tegen te gaan. Inmiddels ligt er een concept intentieverklaring. Medio september wordt er een plan van aanpak gepresenteerd. Na de presentatie van het plan van aanpak wordt de intentieverklaring ondertekend. 
     
Verantwoordelijk-heidsverdelingHet initiatief voor preventieprojecten kan zowel bij Het Platform tegen Geweld op Straat liggen, als bij lokale organisaties. Justitie treedt op als (mede) financier en stelt in die hoedanigheid veelal eisen aan de resultaten. Uitvoering gebeurt door de lokale organisaties.  
     
Start datumJanuari 1999  
     
EinddatumDecember 2002  
     
StatusDe verschillende projecten zijn qua uitvoering en fasering niet aan elkaar gerelateerd en bevinden zich in verschillende projectfasen. 
     
Budget (R.A.) 2000200120 02
 Preventieve supportersprojecten25 00025 000
 Platform tegen geweld op straat533 000nog onbekend
 Uitdragen Anti-geweldscode320 000   
 Media en geweld442 500430 000240 000
 Nationale campagne tegen geweld150 000  
 Geweld: gemeld en geteld125 000   
 Congres Geweld en Agressie75 000  
 Onderwijsinitiatieven75 000   
 Intentieverklaring Verkeer150 000   
 Nog nader te bepalen800 000  
 Intensiveringsgelden2,6 mln.4,0 mln.4,0 mln.
     
Afspraken over bestedingEr zijn geen algemene afspraken; wel afspraken op individueel niveau.  
ProjectJustitie in de buurt 
     
OmschrijvingJustitie, en meer in het bijzonder het Openbaar Ministerie, heeft zich de afgelopen jaren sterk georiënteerd op de lokale veiligheidsproblematiek. Justitie in de buurt is een concept waarbij verschillende Justitie organisaties en niet-Justitie organisaties nauw samenwerken  
     
AanleidingIn 1996 verscheen de departementale notitie «Justitie in de buurt»; een startnotitie over een nieuwe justitiële functie. Hierin werd naar het voorbeeld van ervaringen in Frankrijk en de VS de wenselijkheid van een buurtgerichte Justitie in Nederland verkend.  
     
Algemeen doel (beoogd effect)De algemene doelstelling van Justitie in de buurt is: «het leveren van een effectieve bijdrage aan leefbaarheid en veiligheid(sgevoelens) in woonbuurten». Hiervan afgeleid zijn de volgende doelen:  
 1. Een grotere effectiviteit door kortere lijnen en een beter zicht op de problemen.  
 2. Een meer preventieve inzet van middelen onder andere door een probleemgerichte aanpak. 
 3. Een grotere mate van aanspreekbaarheid voor derden (burgers en partners).  
 Met de Jib bureaus beoogt Justitie vanuit haar specifieke rol en deskundigheid een bijdrage te leveren aan de objectieve en subjectieve veiligheid in de buurten. Daarenboven sluit Justitie met deze vorm aan bij de tendens tot integrale samenwerking op lokaal niveau. 
     
ResultaatdoelHet nagestreefde doel met betrekking tot de besteding van het intensiveringsgeld is de oprichting van 3 à 4 nieuwe Jib bureaus per jaar. Vanaf het jaar 2000 is er ook geld beschikbaar uit de Fiscalisering van de Dienst Omroep Bijdragen (DOB-gelden). Met de DOB-gelden zullen 8 nieuwe Jib bureaus en overige Jib gerelateerde activiteiten worden gefinancierd.  
 In de nota «Justitie op maat aanwezig» zijn naar aanleiding van de experimenten functie-eisen gesteld waaraan de Jib bureaus moeten voldoen. Naast concrete doelstellingen op lokaal niveau worden de volgende specifieke doelstellingen opgelegd door DPJS: 
 • Bevordering snelheid justitiële interventies.  
 • Zichtbaarheid van justitiefuncties voor burgers en partners. 
 • Bevordering van samenwerking met en sturing van relevante partners.  
 In het jaar 2000 zullen de Intensiveringsgelden en de DOB-gelden aangewend worden om vier reeds opgestarte Jib bureaus te financieren, om 12 nieuwe Jib bureaus op te starten en om de overige Jib activiteiten te financieren. De overige Jib activiteiten in 2000 bestaan uit het ontwik-kelen en invoeren van een eenduidig registratiesysteem (waarvoor de Jib bureaus concrete specifieke doelstellingen moeten formuleren). Met het eenduidige registratie systeem is het mogelijk om in 2000 te starten met een effectmeting met betrekking tot de werking van de Jib bureaus leidend tot een evaluatie van de Jib bureaus. Tevens wordt in 2000 een stimuleringsfonds opgericht voor de overige justitiële partners. Ten behoeve van het stimuleringsfonds worden richtlijnen opgesteld voor financiering van de extra inzet van deze Justitie organisaties. Deze richtlijnen zullen aan het einde van het tweede kwartaal van 2000 gereed zijn.  
     
Verantwoordelijk-heidsverdelingIn het kader van de regeerakkoord gelden «Jeugd en geweld» is vanaf 2002 een structureel bedrag van 7 miljoen gulden bestemd voor Jib bureaus. Tevens is er vanaf het jaar 2000 structureel 5 miljoen gulden beschikbaar voor Jib bureaus uit de DOB-gelden. Hoewel de middelen structureel zijn, worden de Jib-gelden op een variabele manier ter beschikking gesteld. Dit betekent dat de Jib bureaus voor een projectperiode van maximaal vier jaar worden gefinancierd, waarna deze projecten opnieuw worden beoordeeld. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inzet van de middelen berust bij de Minister van Justitie, die geadviseerd wordt door een stuurgroep (bestaande uit een evenredige vertegenwoordiging van het departement en het openbaar ministerie, aangevuld met vertegenwoordigers van enkele relevante veldorganisaties). De Jib bureaus opereren onder coördinatie van een Officier van Justitie. De overige Justitiediensten behouden hun eigen verantwoordelijkheid voor beleid en uitvoering, maar gaan daarbij nadrukkelijk in overleg met de officier of zijn vertegenwoordigers.  
     
Start datumIn 1997 zijn de eerste experimenten opgestart. Vanaf mei 1999 is er begonnen met het opstarten van Jib bureaus op basis van de Intensiveringsgelden.  
     
Einddatum31 december 2002. Hierna is het Intensiveringsgeld structureel beschikbaar voor de Jib bureaus. 
     
StatusVoor het jaar 2000 is door de stuurgroep definitief goedkeuring verleend om Jib bureaus op te starten in Amsterdam West, Arnhem Klarendal, Heerlen, Enschede en Dordrecht. 
 Voor een Jib bureau in Gouda is een voorlopige aanvraag binnengekomen.  
     
Budget (R.A.) 200020012002
 Overige Jib activiteiten750 000  
     
 Uitbreiding Jib bureau   
 Jib Heerlen266 500   
 Jib Amsterdam Westnog onbekend  
 Jib Enschedenog onbekend   
 Jib Arnhem Klarendalnog onbekend   
 Jib Dordrechtnog onbekend   
 Twaalf te starten Jib bureaus in 20006 000 000  
     
 In 1998 & 1999 opgestarte Jib bureaus   
 Jib Rotterdam-Feijenoord350 000350 000  
 Jib Amsterdam Zuid-Oost349 000349 000  
 Jib Haarlem450 000450 000  
 Jib Groningen210 000210 000  
     
 Budget   
 Intensiveringsgelden3 100 0005 800 0007 000 000
 DOB-gelden5 000 0005 000 0005 000 000
 Totaal beschikbaar8 100 00010 800 00012 000 000
     
Afspraken over bestedingIn 1998 is er een model «Richtlijn OM bezetting» ontwikkeld aan de hand van experimenten, waarin is begroot wat de totale personeelskosten en materiële kosten van een op te starten Jib bureau mogen zijn. Met de op te richten bureaus worden op basis van dit model afspraken gemaakt.  
ProjectAdvies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK) en Wachtlijsten 
     
OmschrijvingDe Advies- en meldpunten Kindermishandeling hebben als doelstelling het verstrekken van een handelingsadvies aan de melder inzake (vermoedens van) kindermishandeling en/of het voor hulp en justitiële acties verder geleiden van meldingen van kindermishandeling. 
     
AanleidingDit project is een onderdeel van de vernieuwing in het kader van de regie in de jeugdzorg.  
     
Algemeen doel(Beoogd effect)Een landelijk dekkend netwerk van Advies- en Meldpunten Kinderbescherming.  
 Het wegwerken van de wachtlijsten bij verschillende varianten van jeugdhulpverlening (ambulant, pleegzorg en residentieel).  
     
ResultaatdoelIn het Gestructureerd Overleg Jeugdbeleid (GOJ) tussen VWS en Justitie zijn de Meerjarenafspraken Jeugdzorg 2000–2002 vastgesteld. Besloten is dat de provincies en grootstedelijke regio's de intensiveringsgelden, afhankelijk van de fase van ontwikkeling en de specifieke situatie in de provincie/regio, zelf inzetten ten behoeve van de Wachtlijsten en AMK problematiek. 
     
Verantwoordelijk-heidsverdelingDe provincies en grootstedelijke regio's zijn verantwoordelijk voor het verantwoord besteden van het Intensiveringsgeld aan de Wachtlijsten en AMK problematiek.  
     
Start datumJanuari 2000 
     
EinddatumDecember 2002  
     
StatusDe implementatieplannen worden voor 1 juli 2000 getoetst. 
     
Budget (R.A.) 200020012002
 Groningen346 000   
 Friesland402 000  
 Drenthe283 000   
 Overijssel679 000  
 Flevoland3 626 000   
 Gelderland1 180 000  
 Utrecht677 000   
 Noord-Holland737 000  
 Zuid-Holland823 000   
 Zeeland216 000  
 Noord-Brabant1 412 000   
 Limburg978 000  
 Amsterdam1 074 000   
 Rotterdam833 000  
 Haaglanden542 000   
     
 Budget   
 Wachtlijsten10,0 mln.15,0 mln.15,0 mln.
 AMK3.3 mln.5,0 mln.5,0 mln.
 Totaal beschikbaar13,3 mln.20,0 mln.20,0 mln.
     
Afspraken over bestedingDe concrete voornemens van de provincies en grootstedelijke regio's worden uitgewerkt in zogenoemde jaarlijkse, voortschrijdende implementatieplannen. Daarnaast dient jaarlijks te worden gerapporteerd over de gepleegde inzet van middelen en de bereikte resultaten. 

BIJLAGE 2 FISCALISERING DIENST OMROEPBIJDRAGEN 2000

ProjectVerbetering afstemming lokaal beleid met Justitie en politieketen 
      
OmschrijvingGeconcludeerd is dat de lokale afstemming tussen politie en justitieorganisatie onderling en met de gemeentebesturen die hun regierol op het gebied van jeugd en veiligheid invullen, verbetering behoeft. Hiertoe zal met het Fiscalisering van de Dienst Omroep Bijdragen (DOB) geld, op basis van nader onderzoek, ondersteuning van de arrondissementale platforms jeugdcriminaliteit worden geboden. In dit verband is ook de doelstelling tot het verkorten van doorlooptijden van Jeugdstrafzaken door de Justitiële keten van belang.  
      
AanleidingDe commissie Van Montfrans heeft een advies gegeven dat de gemeenten een grotere rol moeten gaan spelen in de aanpak van Jeugdcriminaliteit. Ook uit het Grote Steden Beleid is dit voornemen naar voren gekomen. Dit geeft het belang aan van een goede afstemming tussen de Justitieorganisaties en het lokaal bestuur. 
      
Algemeen doel Een verbetering in de Politie- en Justitieketen.  
(Beoogd effect)Een verbetering in de afstemming tussen lokaal bestuur en Justitieorganisaties om te komen tot een evenwichtige (in preventief en repressief opzicht) aanpak van Jeugdcriminaliteit.  
      
ResultaatdoelIn samenspraak met het Grote Steden Beleid is besloten om verbetering van de keten op lokaal niveau breder te trekken dan het gebied Jeugd alleen. Het onderzoek zal zich richten op een inventarisatie binnen de gehele ketensturing op lokaal niveau. Aan de hand van dit onderzoek wordt er een regeling ontworpen om de lokale samenwerking en de keten inhoudelijk en administratief te ondersteunen. 
      
Verantwoordelijk-heidsverdelingDGPJS is leidend in het beschikbaar stellen van het geld voor de beoogde doelen. 
      
Start datumJanuari 2000  
      
EinddatumDecember 2003. De DOB gelden zijn structureel, echter het Regeerakkoord, waarin afspraken zijn gemaakt over de besteding van de middelen, loopt tot december 2003.  
      
StatusOp dit moment is men bezig met het ontwikkelen van een passende subsidieregeling. Deze subsidieregeling is 1 oktober 2000 gereed.  
 Op dit moment is men bezig de activiteiten aan te laten sluiten op de activiteiten in het kader van het Grote steden Beleid. 
      
Budget 2000200120022003
 Inhoudelijke en administratieve ondersteuning3 000 0003 000 0003 000 0003 000 000
 DOB-gelden3 mln.3 mln.3 mln.3 mln.
      
Afspraken over bestedingDe afspraken over de besteding zullen worden vastgelegd in de subsidieregeling die per 1 oktober 2000 gereed is.  
ProjectKeteneffecten van het Grote Stedenbeleid 
      
OmschrijvingOp 20 december 1999 heeft het Rijk met elk van de 25 grote steden een stadsconvenant gesloten. Daarin zijn afspraken vastgelegd over de (integrale) versterking van de economische, fysieke en sociale structuur van de steden. De steden hebben ter uitvoering van hun beleid meerjarige ontwikkelingsprogramma's met meetbare doelstellingen opgesteld. Veiligheid is één van de negen doelstellingen waaraan de steden invulling hebben gegeven.  
 Justitiële organisaties kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het lokale veiligheidsbeleid. Een goede afstemming en samenwerking tussen de justitiële partners op strategisch niveau kan hierbij een sturende en coördinerende rol vervullen. Het ministerie van Justitie en het parket-generaal willen door middel van het project Arrondissementaal justitieoverleg een bijdrage leveren aan het versterken van de samenwerking tussen de justitiële organisaties op arrondissementaal/regionaal niveau. Hierbij bestaat een nauwe relatie met het project Verbetering afstemming lokaal beleid met Justitie en politieketen. 
      
AanleidingTweede fase grotestedenbeleid (stadsconvenanten 1999 t/m 2003)  
      
Algemeen doel (Beoogd effect)Versterking van de samenwerking tussen de justitiële organisaties onderling en met het lokaal bestuur. 
      
ResultaatdoelMet het geld uit de Fiscalisering van de Dienst Omroep Bijdrage (DOB) zal het ketenoverleg tussen de betrokken justitiële organisaties onderling en de samenwerking van de justitiële organisaties met de grote steden worden gefaciliteerd. 
 Om de samenwerking goed te laten verlopen wordt in de eerste helft van 2000 geïnventariseerd:  
 • Welke uitgangspunten er voor de overlegstructuur binnen de strafrechtketen en met het lokaal bestuur gelden, wil het adequaat kunnen functioneren;  
 • Welke inhoud het overleg (op hoofdlijnen) zou kunnen hebben en wie daaraan zouden moeten deelnemen;  
 • Welke rol het ministerie van Justitie kan vervullen bij de totstandkoming van het overleg en het optimaal functioneren daarvan.  
 Nadat de resultaten van de inventarisatie bekend zijn, zal bepaald worden hoe het DOB-geld ingezet zal worden. 
      
Verantwoordelijk-heidsverdelingDGPJS is ambtelijk opdrachtgever. Een departementale stuurgroep zorgt voor aansturing van het project.  
      
Start datumMaart 2000. 
      
EinddatumDecember 2000: op basis van de inventarisatie wordt een verdelingsvoorstel geformuleerd voor de (structurele) inhoudelijke en administratieve ondersteuning van de justitiële keten.  
      
StatusInventariserende fase (in kaart brengen van de gewenste situatie). 
      
Budget  200020012002
 DOB-gelden2 mln.2 mln.2 mln.
      
Afspraken over bestedingDe afspraken over de besteding (zie einddatum) zullen worden vastgelegd in een bijdrageregeling.  
ProjectBestuurlijke Informatievoorziening Jeugd (BIV-Jeugd). 
      
OmschrijvingZowel de informatievoorziening over de ontwikkeling van de aard en omvang van de Jeugdcriminaliteit als de informatievoorziening over de inzet en effecten van beleidsmaatregelen en de verantwoording hierover aan de Kamer schiet tekort.  
      
AanleidingDe toezegging van de Minister van Justitie aan de Tweede Kamer eind 1998 om een programma te starten met als doel de verbetering van de bestuurlijke informatievoorziening op het terrein Jeugd.  
      
Algemeen doel(Beoogd effect)Op plaatsen waar registratie, veredeling en verspreiding van informatie plaats vindt zijn verbeteringen nodig in de kwaliteit en in de infrastructuur. De toegenomen behoefte van enerzijds de verantwoordelijke beleidsafdelingen en anderzijds de volksvertegenwoordiging vergen nieuwe initiatieven om de gewenste informatie betrouwbaar en stabiel beschikbaar te maken. 
      
ResultaatdoelReeds lopende projecten binnen het programma BIV-Jeugd:  
      
 Project Verantwoordingsinformatie Jeugd en Geweld (van Zijl I) 
 Aanleiding: wens van de Commissie Van Zijl om over de besteding van de intensiveringsgelden Jeugd en Geweld geïnformeerd te worden.  
 Doel: Informatie over de elf projecten in vaste formats verzamelen en in formats samenvatten ten behoeve van de (financiële) verantwoording aan de Tweede Kamer. 
 Status: In 1999 is de kamer via drie brieven geïnformeerd over de manier waarop de informatie zal worden versterkt en is per project informatie gepresenteerd. In het kader van de financiële verantwoording is in 2000 per project aangegeven welke doelen zijn bereikt en welke middelen daarvoor zijn ingezet. 
      
 Project Van Zijl II 
 Aanleiding: de wens van de Tweede Kamer om behalve over de onderwerpen in van Zijl I ook nog geïnformeerd te worden over doelmatigheid en effectiviteit van reclassering en TBS. 
 Doel: Voortzetting van de informatievoorziening VI-JG en de bedoelde informatie over reclassering en TBS verzamelen en presenteren.  
 Status: de beantwoording van de vraag of over Van Zijl II gerapporteerd kan worden is meegenomen in de VB-TB brief. Daarin is gemeld dat over de Jeugd en Geweld onderwerpen ook over 2000 verantwoording zal worden afgelegd (begin 2001) en dat over TBS en Reclassering de bestaande gegevens (P&C, statistische informatie) zonder probleem kunnen worden geleverd, maar dat informatie over doelmatigheid en effectiviteit nu niet zonder meer mogelijk is. Afhankelijk van de reactie van de Tweede Kamer zal duidelijk moeten worden hoe dit binnen DPJS zal moeten worden aangepakt. 
      
 Project: Informatievoorziening programma Van Montfrans 
 Aanleiding: de blijvende belangstelling van de Tweede Kamer voor resultaten die worden geboekt door dit programma.  
 Doel: intern presenteren van informatie over doelstellingen en bereikte resultaten, analoog aan de manier waarop dat in het project VI-JG gebeurt. 
 Status: er is een begin gemaakt met dit project. De doelstellingen in 1999, de realisaties in 2000 en de doelstellingen voor 2001 worden geïnventariseerd. Het project moet voor het eind van het jaar zijn afgerond.  
      
 Project: Gegevenslevering Justitie aan het Centraal Informatiepunt Jeugdzorg (CIJ) 
 Aanleiding: verplichting om gegevens te gaan leveren aan het Centraal Informatiepunt jeugdzorg. 
 Doel: op gang brengen van de gegevenslevering door het wegnemen van technische en organisatorische belemmeringen. 
 Status: project loopt. Er is begonnen met een analysefase, half mei is een gedetailleerd plan over het vervolg gepresenteerd. De projectleiding is in handen van Ordina, er is een bijdrage van tenminste één dag per week van DPJS. Het project is voor het eind van het jaar afgerond.  
      
 Project: Inventarisatie Informatiebronnen Criminaliteit 
 Aanleiding: ontbreken van overzicht over bronnen en verbeterinitiatieven op terrein van aard en omvang van de (jeugd)-criminaliteit.  
 Doel: een systematisch overzicht, dat gebruikt kan worden om nog onbekende bronnen te gaan gebruiken of om initiatieven te gaan ondersteunen.  
 Status: project loopt, voor de zomer van 2000 is er een eerste product beschikbaar. De inventarisatie wordt uitgevoerd onder begeleiding van het WODC. 
      
 Projecten in het programma BIV-Jeugd in een opstartfase: 
 Project: HKS-informatie politieregio's 
 Aanleiding: beleidsinformatievoorziening over aard en omvang van de (jeugd)criminaliteit ontbreekt 
 Doel: informatie per politieregio over criminaliteit en daders, waarbij gelijke informatie beschikbaar komt voor de drie «niveaus» (Regio, Parket Generaal en Ministerie). 
 Status: startnotitie in ontwikkeling. Afstemming met WODC is een vereiste, omdat daar gewerkt wordt aan een gegevensbestand op landelijk niveau (in samenwerking met de CRI). 
      
 Project: Informatie Vervolging en Berechting Minderjarigen 
 Aanleiding: Gebrek aan informatie over dit onderwerp, signalen van verschillende kanten dat er verbeteringen noodzakelijk zijn.  
 Doel: Actuele en betrouwbare Informatie over vervolging en berechting beschikbaar maken voor gebruikers.  
 Status: startnotitie in ontwikkeling  
      
 Project: Quick Scan naar de I&A-begroting van de Stichting Halt Nederland 
 Aanleiding: er zijn vragen over de inrichting en exploitatie (nu en in de toekomst) van het geautomatiseerde systeem. 
 Doel: de noodzaak en omvang van de begrotingsposten van de I&A-begroting van Halt Nederland, in relatie tot:  
 – De in 2000 en komende jaren te bereiken doelstellingen  
 – De professionalisering van de Halt-organisatie De behoefte aan bestuurlijke informatie van het Ministerie van Justitie  
 – De implementatie in 2000 van de «normering en kostprijsbepaling Halt» 
 Status: Er is een offerteaanvraag opgesteld en verzonden aan een aantal externe adviesbureaus.  
      
 De ontwikkeling van het Centraal Informatiepunt Jeugdzorg heeft behoefte aan een impuls. Tot nu toe is het merendeel van de ontwikkelingskosten van het CIJ door VWS betaald. Gezien het belang van Justitie bij het CIJ ligt het in de rede dat, vooral nu er een extra inspanning gedaan moet worden, Justitie hieraan ook een bijdrage gaat leveren. Er zijn twee projecten, die worden verkend:  
      
 Project: versnelling levering P&C gegevens aan het Centraal Informatiepunt Jeugdzorg 
 Aanleiding: toezegging van de staatssecretaris van VWS dat er begin 2001 informatie over wachtlijsten wordt geproduceerd.  
 Doel: de P&C-informatie uit de aanleverende instanties versneld naar het CIJ toe halen. 
 Status: een startnotitie is in ontwikkeling. Deze wordt geschreven in overleg met de informatiemanager van het CIJ. 
      
 Project: Informatiebehoefte over de Bureaus Jeugdzorg 
 Aanleiding: signalen dat de informatievoorziening (inhoudelijk en procedureel) over de Bureaus Jeugdzorg niet goed past op de huidige opzet van ISIS. Het CIJ voorziet problemen wanneer er geen goede aansluiting tot stand komt. 
 Doel: een vooronderzoek naar de informatievoorziening over de Bureaus Jeugdzorg. 
 Status: een startnotitie is in ontwikkeling. Het project zal worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het Informatiemanagement van het CIJ.  
      
 Projecten waaraan vanuit BIV-Jeugd een financiële bijdrage wordt geleverd: 
 Project: Justitieel documentatie Systeem (JDS) 
 Aanleiding: er is behoefte aan informatie over recidive en straffen.  
 Doel: inrichten van een database met gegevens uit het Justitieel Documentatiesysteem, die via het WODC door beleidsdirecties bevraagd kan worden.  
 Status: het project loopt. Het wordt uitgevoerd door een projectleider uit de projectenpool van Justitie. DPJS (BIV-jeugd) heeft voor 2000 een bijdrage toegezegd van 100 000 gulden. 
      
 Project: Doorlooptijden OM 
 Aanleiding: gebrek aan inzicht in de redenen waarom de informatievoorziening over doorlooptijden van jeugdstrafzaken zo gebrekkig is.  
 Doel: door middel van een Quick Scan inzicht verwerven in de problematiek. 
 Status: project loopt. Het wordt uitgevoerd door het bureau Van Dijk, Van Soomeren en partners. De kosten komen voor rekening van het programma BIV-jeugd. 
      
Verantwoordelijk-heidsverdelingDe verantwoordelijkheid voor het bereiken van resultaten ligt bij de projectleiders.  
      
Start datumJanuari 1999 
      
EinddatumDecember 2003  
      
StatusDe verschillende projecten zijn qua uitvoering en fasering niet aan elkaar gerelateerd en bevinden zich in verschillende projectfasen. 
      
Budget 2000200120022003
 Verantwoordingsinformatie Jeugd en GeweldP.M.    
 Van Zijl IIP.M.   
 Informatievoorziening programma Van MontfransP.M.   
 Gegevenslevering Justitie aan het CIJ315 000    
 Inventarisatie Informatiebronnen Criminaliteit125 000   
 HKS-informatie politieregio'sP.M.    
 Informatie Vervolging en Berechting MinderjarigenP.M.    
 Quick Scan Halt NederlandP.M.    
 Versnelling levering P&C gegevens aan het CIJ350 000    
 Informatiebehoefte over de Bureaus JeugdzorgP.M.   
 Justitieel documentatie Systeem (JDS)100 000    
 Doorlooptijden OM200 000    
 Programma/overhead kosten180 000    
 Nog nader te bepalen (en P.M.)8 730 000   
 DOB-Gelden10 mln.5 mln.5 mln.5 mln.
      
Afspraken over bestedingEr zijn geen algemene afspraken; wel afspraken op individueel niveau. 

BIJLAGE 3 VERANTWOORDING INTENSIVERINGSGELDEN JEUGD EN GEWELD

Overzicht van bestedingen ten opzichte van het Intensiveringsgeld:

ProjectIntensiveringsgeldGeplande uitgaven in 1999Besteed in 1999Uitputting (t.o.v. intensiveringsgeld)
Civiele zaken1,1 mln.1,1 mln.1,1 mln.  
Forensische diagnostiek0,7 mln.0,7 mln.0,7 mln. 
Werklastverlichting allochtonen1,1 mln.1,1 mln.1,1 mln. 
AMK's1,1 mln.1,1mln.1,1 mln.  
Toename aantal Strafzaken1,8 mln.1,8 mln.1,8 mln.  
Toename zaken Jeugdreclassering1,1 mln.1,1 mln.1,1 mln.  
CRIEM3,5 mln.1,7 mln.1,8 mln.– 1,7 mln.
Wijkprogramma's O&O0,5 mln.1,1 mln.1,1 mln.+ 0,6 mln.
Projecten Preventie en Geweld0,9 mln.0,75 mln.0,3 mln.– 0,6 mln.
Justitie in de Buurt1,5 mln.1,3 mln.1,43 mln.– 0,07 mln.
Wachtlijsten3,3 mln.3,40 mln.3,3 mln. 

In mijn brief aan de Kamer van begin december heb ik u reeds geïnformeerd omtrent de besteding van de Intensiveringsgelden aan de projecten Wachtlijsten en AMK. In overleg met de staatssecretaris van VWS is besloten om het geld beschikbaar voor de wachtlijsten in 1999 te besteden aan de jeugdzorg in de provincie Flevoland. Het Intensiveringsgeld dat in 1999 beschikbaar was voor het project AMK is verdeeld over de verschillende jeugdzorginstanties in het land.

Versnelling civiele zaken

Bereikte resultaten

De Wachtstapels

De Raad voor de Kinderbescherming had zich in zijn Jaarplan 1999 ten doel gesteld de wachtstapels per 31 december 1999 te halveren ten opzichte van het niveau van 30 juni 1998. De bereikte resultaten tegenover het gestelde doel:

 30 juni 1998Doel 31 december 1999Resultaat 31 december 1999
Wachtstapel beschermingszaken763 zaken380 zaken518 zaken
Wachtstapel Scheiding en Omgangszaken610 zaken310 zaken364 zaken
Wachtstapel Overige Civiele Zaken474 zaken240 zaken331 zaken

De grootte van de wachtstapels blijkt een weinig zeggende norm te zijn voor het beoordelen van het presteren van de Raad voor de Kinderbescherming. Het aantal zaken dat wacht op behandeling (de wachtstapels) zegt op zich weinig zonder daaraan te koppelen hoeveel zaken er door hoeveel medewerkers elke dag in behandeling worden genomen. Sinds kort is het mogelijk om met het informatiesysteem van de Raad de gemiddelde wachttijd (de gemiddelde tijd die verstrijkt van aanmelding van een zaak tot het punt dat een medewerker de zaak in behandeling neemt) te bepalen. Voor het jaar 2000 zullen tussen de Raad voor de Kinderbescherming en het Ministerie van Justitie nog afspraken gemaakt worden om te komen tot realistische en wenselijke normen voor de wachttijden. Voor de periode september tot en met december 1999 zijn de volgende gemiddelde wachttijden vastgesteld:

 Periode september–december 1999
Wachttijd beschermingszaken12 dagen
Wachttijd Scheiding en Omgangszaken24 dagen
Wachttijd Overige Civiele Zaken21 dagen

De Extra beschermingszaken

Het aantal van 220 extra beschermingszaken is niet gehaald in 1999. Het totale aantal in 1999 behandelde beschermingszaken lag wel 156 zaken hoger dan over 1998. In de rapportage aan de Kamer van eind november (Kamerstuknummer 26 800 VI nr. 47) werd reeds aangegeven dat de Raad voor de Kinderbescherming te maken heeft met een daling aan instroom van civiele zaken. Deze daling heeft eraan bijgedragen dat de Raad niet in staat was om de gestelde doelen omtrent zakenafhandeling te bereiken. Inmiddels is een onderzoek gestart om de oorzaken van de stagnatie in de instroom van civiele zaken in kaart te brengen. Naar verwachting zijn de resultaten eind februari 2000 beschikbaar.

Prestatiekengetallen

BeschermingszakenRealisatie 1998Norm 1999Realisatie 1999Norm2000Norm2001Norm2002
Extra beschermingszaken 220 4706601 000
Totaal aantal zaken (incl. Intensiveringsgeld)8 4069 2208 5629 4709 66010 000
Wachtstapels (in # zaken)602380518   
Doorlooptijden (in dagen)129117117117  
Wachttijd (in dagen) 1012   

S&O zakenRealisatie 1998Norm1999Realisatie 1999Norm2000Norm2001Norm2002
Extra S&O zaken      
Totaal aantal zaken3 5764 1753 9634 1754 1754 175
Wachtstapels (in # zaken)560310364   
Doorlooptijden (in dagen)159155137155  
Wachttijd (in dagen) 3624   
Overige civiele zakenRealisatie 1998Norm1999Realisatie 1999Norm2000Norm2001Norm2002
Extra overige civiele zaken      
Totaal aantal zaken2 7102 0002 6102 0002 0002 000
Wachtstapels (in # zaken)411240331   
Doorlooptijden (in dagen)11612098120  
Wachttijd (in dagen) 3621   

Toelichting:

Voor wat betreft de realisatiecijfers omtrent de wachttijden zijn slechts gegevens beschikbaar over de periode september tot en met december 1999.

Forensische Diagnostiek

Bereikte resultaten

Forensische Diagnostiek

De Raad voor de Kinderbescherming, de gezinsvoogdij-instellingen, de Kinderrechters en het Openbaar ministerie moeten in staat gesteld worden om justitiële beslissingen te nemen. De Bureaus Jeugdzorg zullen, in het kader van het inrichten van één Toegang tot de jeugdzorg, een diagnostiek functie uit gaan voeren. De functie diagnostiek moet in de komende jaren worden ingevuld. Omtrent de jeugdforensische diagnostiek bestaat onduidelijkheid over de inhoudelijke, organisatorische en financiële aspecten en tevens zijn er vragen over de geldende wet- en regelgeving. Eind 1999 is de problematiek in een notitie samengevat. De notitie stelt voor de functie jeugdforensische diagnostiek te ontwikkelen in een aantal pilots. In de notitie worden er een aantal randvoorwaarden gesteld waaraan de pilotprojecten dienen te voldoen, wordt ingegaan op de projectstructuur en de evaluatie en er wordt ingegaan op de planning, looptijd en financiering van de pilotprojecten. Bepaald is dat per 1 maart 2000 twee pilots en per 1 juli 2000 drie pilots zullen starten. Aan de twee pilots die op 1 maart 2000 zullen starten (regio Rotterdam en Den Haag) is in 1999 ieder 25 000 gulden beschikbaar gesteld om een plan van aanpak op te kunnen stellen.

Screeningsinstrument

De ontwikkeling van een voorlichtings- en screeningsinstrument ten behoeve van het basisonderzoek in jeugdstrafzaken omvatte een ontwikkel- en een ijkingsfase. Met name de ijkingsfase, waarin het prototype wetenschappelijk is onderzocht op hanteerbaarheid en validiteit, heeft meer tijd in beslag genomen dan aanvankelijk was voorzien. De definitieve versie van het instrument (de BARO; BasisRaadsOnderzoek) is medio 1999 opgeleverd.

Gezien de gunstige uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek en het positief advies van de externe begeleidingscommissie is besloten tot een landelijke invoering van de BARO in het jaar 2000 over te gaan.

Inmiddels is men begonnen met de ontwikkeling van het scholingsmateriaal voor de implementatie van de BARO.

Prestatiekengetallen

 OnderdeelGepland budgetRealisatie datumBesteed budget
Budget 1999Forensische diagnostiek   
 Opstellen notitie0eind 19990
 Plannen van aanpak50 000voorjaar 200050 000
 Screeningsinstrument   
 Een hanteerbaar screeningsinstrument50 000medio 199950 000
 Opleiding en opvangen productieverlies600 000 600 000

Bij het opstellen van de notitie zijn slechts beleidsmedewerkers van de Raad en DPJS betrokken geweest, welke betaald worden uit algemene Justitiegelden. Voor het opstellen van de notitie zelf is derhalve geen Intensiveringsgeld gebruikt.

In 1999 heeft de implementatie van het BARO nog niet plaats gevonden. Besloten is om het geld dat in 1999 beschikbaar was voor de opleidingen en het opvangen van het productieverlies door te schuiven naar het jaar 2000, zodat de Raad de implementatie in 2000 kan realiseren.

Werklastverlichting allochtonen

Bereikte resultaten

1. Het uitvoeren van het onderzoek «De Raad voor de Kinderbescherming in een multiculturele samenleving»

In februari 1999 is het onderzoek «De Raad voor de Kinderbescherming in een multiculturele samenleving» gestart bij zeven vestigingen van de Raad. Het Willem Pompe-Instituut voor Strafrechtswetenschappen (verbonden aan de Universiteit van Utrecht) heeft onder leiding van prof. Dr. F. Bovenkerk het onderzoek uitgevoerd. Op 1 februari 2000 is gerapporteerd aan de Raad met het rapport «weten we er Raad mee?». Het onderzoek heeft in totaal f 90 761,– gekost. Het rapport voldoet aan de gestelde eisen: het bevat een beschrijving van praktische dilemma's ten aanzien van jongeren met een etnische herkomst waarmee raadsonderzoekers in strafzaken zich geconfronteerd zien, het bevat een beschrijving van de oplossingen ten aanzien van deze dilemma's en het rapport bevat een advies ten aanzien van mogelijk vervolgonderzoek. Dit onderzoek spitste zich toe op de vraag hoe de Raad om gaat (moet gaan) met allochtonen, het vervolgonderzoek zal zich toespitsen op de vraag hoe de allochtonen met de Raad omgaan. Het vervolgonderzoek zal 2 jaar gaan duren.

2. Het werven en in dienst houden van allochtone medewerkers

Op 15 december 1999 is er een interculturalisatie nota uitgekomen, welke ervan uitgaat dat wil de Raad effectief kunnen werken in een multiculturele samenleving, het noodzakelijk is dat ook de eigen interne organisatie multicultureel moet zijn. De Raad heeft middels deze notitie vastgelegd dat de Raad zich in de komende vijf jaar moet ontwikkelen tot een interculturele organisatie, waarin integraal (binnen het primaire proces, het personeelsbeleid en de interne cultuur) wordt afgestemd op de diversiteit in de samenleving. De Raad heeft in 1999 een Werkgroep Interculturalisatie in het leven geroepen, die alle aspecten van de multiculturalisatie bestrijkt, ook de personeelsmatige.

Bij de diverse raden voor de Kinderbescherming heeft men getracht om allochtone medewerkers in dienst te krijgen. Deze medewerkers moeten een opleidingsniveau van HBO of hoger hebben en blijken moeilijk te vinden. De Raad stelt voor de afzonderlijke ressorten streefcijfers vast om het aandeel allochtone medewerkers in overeenstemming te brengen met het aandeel allochtonen in de bevolking in het betreffende ressort. Deze streefcijfers haalt de Raad niet, maar de Raad voldoet wel aan de percentages overeenkomstig de Wet evenredige verdeling allochtonen. Instroomcijfers met betrekking tot allochtonen zijn echter niet te achterhalen.

De raad heeft wel geëxperimenteerd met het inhuren van de diensten van een wervingsbureau om zo meer allochtonen in dienst te nemen. Dit bleek echter geen vruchten af te werpen vanwege de hoge kwaliteitseisen (opleidingsniveau en rapportage vaardigheden) en de concurrentie op de arbeidsmarkt met betrekking tot salariseisen.

De nieuw aangenomen allochtone medewerkers hebben waar nodig taaltrainingen (voornamelijk gericht op het rapporteren) ontvangen.

3. Het pilotproject «methodiek werken met allochtone medewerkers»

De methodiek is ontwikkeld door de Universiteit van Amsterdam en het pilotproject is uitgevoerd in Amsterdam en Rotterdam. De uitvoering van het pilotproject heeft wat vertraging opgelopen en het eindverslag over de pilot kwam op 6 oktober 1999 gereed. Besloten is om deze methodiek (specifiek bedoeld voor Turken en Marokkanen) bij alle Raden te gaan gebruiken. Dit zal echter leiden tot een caseloadverzwaring voor de Raadsmedewerkers. Het gebruik maken van deze methode verhoogt de werklast namelijk met 30%. Om toch hetzelfde aantal zaken te kunnen uitvoeren zullen er derhalve meer Raadsmedewerkers aangetrokken moeten worden. In 1999 is men begonnen met een opleidingstraject voor de Raadsmedewerkers om te leren werken volgens de nieuwe methode. In maart 1999 is het budget uitgezet bij de diverse vestigingen van de Raad om het productieverlies op te vangen dat ontstaat doordat Raadsmedewerkers in training zitten en doordat de opgeleide Raadsmedewerkers meer tijd nodig hebben om hun zaken af te ronden. Bij het uitzetten van het budget over de diverse ressorten van de Raad heeft men gebruik gemaakt van allochtonen spreidinggegevens van het CBS en het geld naar rato verdeeld.

Prestatiekengetallen

OnderdeelGepland budgetAfgesproken resultaatRealisatiedatumBesteed budget
Onderzoek «De Raad voor de Kinderbescherming in een multiculturele samenleving»80 0001. Een beschrijving van de praktische dilemma's.2. Een beschrijving van de oplossingen.3. Een advies ten aanzien van vervolgonderzoek.1 februari 200090 761
Het werven en in dienst houden van allochtone medewerkers100 0001. Voeren van extra campagnes en gebruik maken van een gespecialiseerd wervingsbureau. 2. Geven van taaltrainingen.3. Toepassen van interculturalisatie trainingen.Continu100 000
Aantrekken extra personeel en bekostigen pilotproject920 0001. Het aantrekken van extra personeel.2. Uitvoeren pilotproject «Methodiek werken met allochtone clienten».Continu920 000

Toename aantal Strafzaken

Bereikte resultaten

In 1999 werd het Intensiveringsgeld ingezet om 2140 extra basisonderzoeken en om 75 extra vervolgonderzoeken uit te voeren. In 1999 zijn er minder basisonderzoeken uitgevoerd dan gepland. Hier staat echter tegenover dat meer vervolgonderzoeken zijn uitgevoerd dan gepland. In de rapportage aan de Kamer van eind november (Kamerstuknummer 26 800 VI nr. 47) werd reeds aangegeven dat de Raad voor de Kinderbescherming te maken heeft met een daling aan instroom van strafzaken. Deze daling heeft eraan bijgedragen dat de Raad niet in staat was om de gestelde doelen omtrent zakenafhandeling te bereiken. Inmiddels is een onderzoek gestart om de oorzaken van de stagnatie in de instroom van strafzaken in kaart te brengen. De resultaten van dit onderzoek worden eind februari 2000 verwacht.

In het algemeen kost het uitvoeren van een vervolgonderzoek vier maal zoveel tijd als het uitvoeren van een basisonderzoek. Sinds 1985 hanteert men bij het opstellen van het jaarplan een verdeelsleutel die erop neer komt dat 15% van de basisonderzoeken leiden tot een vervolgonderzoek. Sinds 1985 is er echter het een en ander veranderd: de mensen in de maatschappij zijn mondiger geworden en de problematiek is veranderd. De vooronderstelling dat 15% van de basisonderzoeken leidt tot een vervolgonderzoek voldoet niet meer en een voorzichtige schatting wijst erop dat het percentage eerder rond de 20% ligt. Het hanteren van de oude verdeelsleutel leidt ertoe dat de Raad meer vervolgonderzoeken moet uitvoeren dan gepland, waarbij het uitvoeren van een vervolgonderzoek ook nog eens vier maal meer tijd kost dan het uitvoeren van een basisonderzoek. Op dit moment is bij de Raad een kostprijsonderzoek gestart, waarbij bepaald moet worden welke kosten er gemoeid zijn met het produceren van welke producten. De uitkomsten van dit kostprijzenonderzoek zullen in oktober 2000 beschikbaar zijn.

Prestatiekengetallen

BasisonderzoekRealisatie 1998Norm1999Realisatie 1999Norm2000Norm2001Norm2002
Extra basisonderzoeken 2 140 2 8004 4006 500
Totaal aantal zaken 22 24017 28325 70027 70029 800
Wachtstapels (in # zaken)* 1 0601 8601 0601 0601 060
Doorlooptijden (in dagen)693868686868
Wachttijd (in dagen)  19   
VervolgonderzoekRealisatie 1998Norm1999Realisatie 1999Norm2000Norm2001Norm2002
Extra vervolgonderzoeken 75 400550850
Totaal aantal zaken 2 3752 6773 2003 5003 800
Wachtstapels (in # zaken)* 60163606060
Doorlooptijden (in dagen)11073106737373
Wachttijd (in dagen)  34   

* Dit zijn de aantallen die de Raad zich in zijn jaarplan 1999 ten doel heeft gesteld. Zoals al toegelicht bij civiele zaken blijkt de grootte van de wachtstapels een weinig zeggende norm te zijn voor het beoordelen van het presteren van de Raad. Voor het jaar 2000 e.v. zullen ook voor strafzaken afspraken worden gemaakt over realistische en wenselijke doorlooptijden.

Toelichting:

Voor wat betreft de realisatiecijfers omtrent de wachttijden zijn slechts gegevens beschikbaar over de periode september tot en met december 1999. Voor het jaar 2000 zullen tussen de Raad voor de Kinderbescherming en het Ministerie van Justitie nog afspraken gemaakt worden om te komen tot realistische en wenselijke normen voor de wachttijden.

In 1998 bedroeg het totaal aantal uitgevoerde zaken 18 118. Een nadere onderverdeling naar basisonderzoeken en vervolgonderzoeken is niet te maken, aangezien De Raad in 1998 hier nog geen rekening mee hield in zijn registratie.

Toename zaken Jeugdreclassering

Bereikte resultaten

In 1999 heeft de groei van zaken van de laatste jaren zicht voortgezet. In 1998 was het aantal zaken 3 316. In 1999 is het aantal zaken toegenomen met 270 zaken tot het totaal van 3 586 zaken.

In de rapportage aan de Kamer van eind november (Kamerstuknummer 26 800 VI, nr. 47) is op basis van het Intensiveringsgeld en een normbedrag aangegeven dat er voor het Intensiveringsgeld maximaal 170 extra zaken uitgevoerd kunnen worden. In deze berekening is echter vergeten om rekening te houden met de overheadkosten. Het normbedrag is 6 573 gulden en de gemiddelde overheadkosten zijn 368 gulden per zaak. De totale kosten voor een extra zaak zijn derhalve 6 941 gulden. Met behulp van de Intensiveringsgelden kunnen volgens deze berekening maximaal 160 extra zaken uitgevoerd worden. Op grond van de stijging van het aantal zaken in 1999 is het volledige bedrag van 1,1 mln. gulden uitgekeerd aan de Gezinsvoogdij instellingen om 160 extra zaken uit te voeren.

In 1999 zijn er in totaal 701 Jeugdreclassering zaken meer uitgevoerd dan gepland. Deze extra zaken zijn betaald uit de Van Montfransgelden.

Prestatiekengetallen

 19971998Norm 19991999
Extra aantal Jeugdreclassering zaken  160160
Totaal aantal zaken (inclusief Intensiveringsgeld)2 6803 3162 8853 586
Toename aantal zaken t.o.v. voorgaande jaar 636 270
 Gepland budget 1999Besteed budget 1999
Kosten uitvoeren extra aantal zaken1,1 mln.1,1 mln.

Programma CRIEM

Bereikte resultaten

Programmaleiding en Ondersteuning

De kosten voor programmaleiding en ondersteuning zijn in 1999 opgevangen binnen de reguliere personeelskosten van DPJS. Voor 1999 zijn derhalve geen Intensiveringsgelden besteed aan dit onderwerp.

Expertmeeting

De expertmeeting met de Marokkaanse jeugd heeft pas plaats gevonden op 2 februari 2000. Een groot deel van de voorbereidingen heeft zich wel in 1999 afgespeeld. De kosten worden betaald uit de Intensiveringsgelden van 2000.

Project GoGam

Aan het project GoGam (Goudse Gemeenschappelijke Aanpak Marokkaanse jongeren) is in januari 1999 75 000 gulden beschikbaar gesteld. Dit geld was bedoeld om te besteden aan een halve formatieplaats Jeugdreclassering. Deze persoon is aangenomen. In maart 2000 zal er een evaluatie plaats vinden van het project. Een eventuele vervolgfinanciering hangt af van deze evaluatie. Als besloten wordt dat het project voort moet gaan, dan zal bepaald worden of het project zelfstandig door zal gaan, of dat het project onder gebracht wordt onder de Individuele Traject Begeleiding (ITB) projecten.

Plan van Aanpak ITB

Het Plan van Aanpak zal gereed komen in het eerste kwartaal van 2000. In het eerste kwartaal van 2000 zal tevens het plan van aanpak ter kennisneming naar de Gezinsvoogdij-instellingen worden gestuurd.

Wetenschappelijk onderzoek

Aan diverse onderzoeken (onder andere op het gebied van interculturalisatie) is 108 000 gulden beschikbaar gesteld voor het inhuren van externe onderzoeksbureaus.

ITB projecten bij de GVI's

In 1999 is 50% van de ITB/Harde Kern zaken gefinancierd uit het CRIEM geld. In het huidige Harde Kern wordt geen onderverdeling gemaakt naar etniciteit. Om deze reden is besloten 50% van de ITB/Harde Kern zaken te financieren uit het CRIEM geld. Harde Kern verwijst naar de groep jeugdige criminelen die veel (en ernstige) delicten plegen en verantwoordelijk zijn voor een verhoudingsgewijs groot deel van de gepleegde criminaliteit. Voor 1999 is er vanuit het Intensiveringsgeld 1 610 000 gulden besteed aan ITB/Harde Kern.

Prestatiekengetallen

OnderdeelGepland budgetBesteed budget
Programmaleiding en Ondersteuning350 0000
Expertmeeting75 0000
Project GoGam75 00075 000
Plan van Aanpak ITB00
Wetenschappelijk onderzoek0108 000
ITB projecten bij de GVI's1 200 0001 610 000

Wijkprogramma's O&O

Bereikte resultaten

Wijkprogramma's O&O (CtC en O&O op wijkniveau)

In zeven gemeenten is in 1999 een wijk geselecteerd waar de pilots Communities that Care/Opvoedingsondersteuning en Ontwikkelingsstimulering van start gaan. De selectieprocedure is vastgelegd in de notitie «selectie van gemeenten voor pilots van Wijkprogramma's O&O» van het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW). Tevens zijn contracten afgesloten met twee onderzoekbureaus die de CtC en O&O pilots gaan evalueren. Van Dijk, van Soomeren en partners (DSP) evalueert het hele CtC traject en de tweede fase (de uitvoeringsfase) van het O&O traject. Het onderzoeksbureau van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (SGBO) begeleidt en evalueert de eerste fase (ontwikkelfase) van het O&O traject. Tevens is een begeleidingscommissie voor de evaluatieonderzoeken ingesteld. Deze is in december 1999 voor de eerste maal met de onderzoekers bijeengekomen.

Naast de commissie die zich bezig houdt met de begeleiding van de onderzoeken, is er een adviescommissie ingesteld. Deze commissie richt zich op het verloop van het CtC/O&O project als geheel en zal voornamelijk strategisch-inhoudelijke adviezen geven.

In oktober 1999 vond een officiële «kick-off» bijeenkomst van het project CtC/O&O plaats in perscentrum Nieuwspoort te Den Haag. De minister van Justitie en de staatssecretaris VWS gaven daar een toelichting op het project. Ook werd daar de officiële informatiebrochure «opgroeien en opvoeden in de wijk» gepubliceerd.

O&O op wijkniveau

De O&O pilots in het eerste jaar van het O&O traject (het ontwikkeljaar) vinden plaats in Groningen, Almelo en Utrecht. Na selectie van de pilots zijn door het NIZW verschillende activiteiten ontplooid: werkbezoeken, hulp bij het werven van de lokale projectleider, tijdsplanning & taakverdeling en het opstellen van plannen van aanpak. Deze plannen van aanpak zijn uitgebreid tot een werkplan voor het NIZW en de pilots. De werkplannen zijn begin november 1999 gepubliceerd in het verslag «Werkplannen Opvoedingsondersteuning en Ontwikkelingsstimulering op Wijkniveau, 1 november 1999».

Met het onderzoeksbureau SGBO zijn afspraken gemaakt over de planning en inhoud van het ontwikkelonderzoek rond het eerste jaar O&O. Inmiddels is eveneens een start gemaakt met de ontwikkeling van een website.

Communities that Care

De CtC pilots vinden plaats in Rotterdam (oude Noorden), Amsterdam (Noord), Zwolle en Arnhem (Presikhaaf). In Zwolle en Arnhem zijn reeds lokale projectleiders aangesteld.

Het NIZW heeft voor de vier pilots drie pilotbegeleiders aangesteld. Deze hebben inmiddels diverse voorlichtingsbijeenkomsten over CtC verzorgd. In september hebben de NIZW pilotbegeleiders een drieweeks observatiebezoek gebracht aan CtC locaties in de Verenigde Staten; daarbij werden onder meer diverse CtC trainingen bekeken. Inmiddels is het eerste deel van de «train de (NIZW) trainers» opleiding door het Amerikaanse DRP (Developmental Research and Programs) voltooid. Aansluitend aan de kick-off in oktober vond een informele bijeenkomst plaats voor de CtC pilots waarbij zij kennis konden maken met de verschillende onderdelen en actoren van CtC. Het CtC trainingsmateriaal, gericht op de lokaal betrokkenen, is in 1999 geheel vertaald.

DSP is gestart met het evaluatieonderzoek CtC; de «scholierensurvey» wordt binnenkort voltooid en getest, het (Amerikaanse) CtC model wordt voor de Nederlandse situatie gevalideerd en een gegevenswerkboek wordt opgezet. Eén en ander gebeurt in nauw overleg met het NIZW en het Amerikaanse DRP.

In september 1999 is het voortgangsverslag «Quick scan promising approaches» van het NIZW gereedgekomen. Dit fingeert als voorloper van de gids «Promising Approaches». Deze gids wordt ingezet bij het vullen van de lacunes in de lokale voorzieningen om risicodomeinen waaraan prioriteit wordt toegekend aan te kunnen pakken.

In oktober 1999 zijn de werkplannen van de CtC pilots gepubliceerd: «Werkplan Communities that Care; plan van aanpak NIZW en Communities that Care-pilots 1999–2000»

Prestatiekengetallen

OnderdeelGepland budgetBesteed budget
O&O 1e fase42 50042 500
CtC/O&O 2e fase75 50075 500
NIZW805 500805 500
Projectleiders Gemeenten175 000175 000
Totale Kosten1 098 5001 098 500

Projecten Preventie en Geweld

Bereikte resultaten

Project: Nee tegen geweld Leeuwarden

Er is een onderzoek ingesteld naar de doelgroep ten behoeve van de «Ontwikkeling training tegen groepsdruk». Er is een scenario geformuleerd aan welke criteria visueel materiaal zou moeten voldoen om de doelstelling te realiseren. Er heeft overleg plaatsgevonden met medewerkers van het «Jeugdtheater Geweld-Nee!», om te beoordelen of scènes uit die voorstelling gebruikt zouden kunnen worden voor visueel materiaal. Daarbij is men tot de conclusie gekomen dat deze voorstelling daarvoor niet geschikt is, omdat de kracht van dit theater juist ligt in het interactief spel tussen acteurs en leerlingen. Door het Ministerie van Justitie is 10 000 gulden overgemaakt ten behoeve van dit project.

In de periode januari tot en met mei 1999 is het schooltheaterproject uitgevoerd in alle derde klassen in het voortgezet en voortgezet speciaal onderwijs in Leeuwarden. De voorstelling werd tevens gespeeld op een aantal ouderavonden. In totaal zijn er in 1999 in Leeuwarden 92 voorstellingen gespeeld. Het project is geëvalueerd. Uit de antwoorden die de leerlingen hebben gegeven blijkt dat de leerdoelen van het project zijn bereikt. Door het Ministerie van Justitie is 5 000 gulden bijgedragen in de kosten van dit project.

Project: Thema dagen geweld op straat

De «Dag tegen Geweld» is op 29 september 1999 gehouden in Leiden. Er is 5 000 gulden beschikbaar gesteld aan de stichting Dag tegen Geweld. Het festival «Youth against Crime III» heeft op 7 augustus 1999 plaatsgevonden in Rotterdam. Er is 5 000 gulden beschikbaar gesteld aan de stichting «Class Youth Information».

Project: Sociaal preventieve supportersprojecten

In oktober 1999 heeft de eerste rapportage plaatsgevonden. Elk half jaar is er een voortgangsrapportage gestuurd aan het departement over de voortgang van het project. De onderhandelingen met de diverse clubs lopen langzamer dan gepland. Er zijn al wel contacten gelegd met alle Betaald Voetbal Organisaties. De bijdrage van Justitie bedraagt 28 725 gulden.

Project: Landelijk platform tegen geweld op straat

Anti-geweldscode. De ontwikkeling van deze code verloopt volgens planning en zal september 2000 gereed zijn. In 1999 concentreerde de werkgroep zich op de voorbereiding. Daartoe werden onder meer inventariserende gesprekken gevoerd en werkbezoeken afgelegd. Dit alles om meer inzicht te krijgen in achtergronden en motieven van (potentiële) daders, (potentiële) omstanders en (potentiële) slachtoffers. Met behulp van deze kennis vond vervolgens de eerste van drie geplande rondetafelgesprekken plaats, bedoeld om een eerste concept van de anti-geweldscode te ontwikkelen.

Stimuleringsplannen. September 1999 is het stimuleringsplan Terugdringen Wapenbezit ontwikkeld. Het stimuleringsplan Terugdringen Wapenbezit verwoordde twee algemene conclusies: terugdringen van wapenbezit begint met overtuigen (goedschiks) en terugdringen van wapenbezit moet ook worden afgedwongen door goede handhaving en controle (kwaadschiks). Naast deze conclusies werden er tevens elf concrete acties benoemt. Het stimuleringsplan Terugdringen Wapenbezit kreeg veel publiciteit en leidde er ondermeer toe dat de minister van justitie samenwerking met het Platform zocht voor het organiseren van de in december gehouden landelijke inleveractie van slag- en steekwapens. Per eind januari 2000 zal het stimuleringsplan Toezicht gereed zijn en per eind februari 2000 is het stimuleringsplan Uitgaansgeweld gereed. Het ontwikkelen van stimuleringsplannen verloopt trager dan verwacht.

Geïmplementeerde en geëvalueerde oplossingen informatieproblematiek. In 1999 is veel aandacht besteed aan het formuleren van de inhoudelijke randvoorwaarden van het werkterrein. Er werd een voorkeur uitgesproken voor het aanbrengen van wezenlijke verbeteringen op een beperkt terrein boven het aanbrengen van vele kleine verbeteringen op meerdere terreinen. Er werden randvoorwaarden opgesteld voor de volgende vier onderwerpen: doelstelling, de rollen van het Platform, de doelgroepen en de deelterreinen. Om zicht te krijgen op de daadwerkelijke informatieknelpunten is er een vooronderzoek uitgevoerd. Een onderzoeksbureau heeft met behulp van een telefonische en een schriftelijke enquête, alsmede met behulp van een expertmeeting onderzocht wat de kennisbehoefte is en over welke instrumenten het platform dient te beschikken. In februari 2000 zullen (op basis van het vooronderzoek) oplossingsrichtingen geformuleerd worden.

Project: Media en Geweld

De oprichting van de stichting Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM) is in 1999 bereikt. De oprichtingsakte is half november 1999 opgesteld. Er is een onderzoek uitgevoerd naar de vorm van en behoefte naar een classificatiesysteem bij ouders. Hier kwam als resultaat uit dat er een sterke behoefte naar een classificatiesysteem bij ouders was en dat er behoefte was aan kwalificaties met symbolen en/of schrift (met een extra toelichting). Op 1 maart 1999 was de oprichting van het NICAM met het Ministerie rond. Op 1 juli 1999 was er een bestuur en een voorzitter. Op 1 december 1999 is er een bureaudirecteur aangesteld.

Prestatiekengetallen

Project(Deelproject/onderdeel)Gepland budgetBesteed budget
Nee tegen geweld LeeuwardenTraining tegen groepsdruk10 00010 000
 Jeugdtheater5 0005 000
Themadagen geweld op straatDag tegen geweld5 0005 000
 Youth against Crime III5 0005 000
Sociaal preventieve supportersprojecten 28 72528 725
Landelijk platform tegen geweld op straatHuisvestings- en personeelskosten257 000235 000
 ActiviteitenkostenMax. 250 0000
Media en geweld 190 0000

Voor 1999 heeft het ministerie van VWS zelf het totale bedrag betaald voor het project Media en Geweld. Hierdoor zijn er geen betalingen uit de intensiveringsgelden gedaan aan dit project.

Justitie in de Buurt

Bereikte resultaten

In 1999 zijn twee nieuwe Jib bureaus, te weten in Rotterdam-Feijenoord en Amsterdam Zuid-Oost, gestart. Alle Jib bureaus moeten voor 1 april een financiële verantwoording over het jaar 1999 geven. In de loop van 1999 bleek dat het Jib bureau in Haarlem meer geld nodig had in verband met personele kosten. Voor 1999 heeft het Jib bureau in Haarlem derhalve eenmalig een verhoogd toegewezen budget gekregen.

Tevens is er van het Jib geld voorlichtingsmateriaal betaald. Bepaald is dat de Jib bureaus een beroep kunnen doen op het Ministerie van Justitie ten behoeve van voorlichtingsmateriaal.

De Jib bureaus in Haarlem en Groningen hebben een jaarverslag gemaakt en ter informatie aan het departement gestuurd.

De twee nieuwe Jib bureaus behoeven nog geen jaarverslag te maken. Voor 1 april 2000 zullen zij echter een verslag inleveren over hun activiteiten in het jaar 1999.

In het eerste kwartaal van 1999 is er een WODC rapport (Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum) gepubliceerd, waarin de experimenten met vier Jib bureaus (welke in 1997 zijn opgestart) zijn geëvalueerd. De twee belangrijkste aanbevelingen in dit rapport zijn:

1. De Jib bureaus moeten beargumenteerde, concrete, op de wijksituatie toegesneden en meetbare doelstellingen formuleren. Dit zal ertoe leiden dat er een leidraad is voor het ontwikkelen van beleid en activiteiten, dat resultaten afgezet kunnen worden tegen doelstellingen en dat het draagvlak bij het OM vergroot kan worden.

2. De Jib bureaus zullen zich moeten blijven inspannen om het draagvlak voor Jib bij het OM te behouden en te vergroten.

Prestatiekengetallen

 Gepland Budget 1999Besteed Budget 1999Startdatum (indien gestart in 1999)
Jib Rotterdam-Feijenoord302 084302 08412 april 1999
Jib Amsterdam Zuid-Oost310 592310 5925 juli 1999
Jib Haarlem433 550550 800  
Jib Groningen247 106247 106 
Voorlichtingsmateriaal 20 000