Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200026800-VI nr. 60

26 800 VI
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2000

nr. 60
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 maart 2000

Inleiding

Op 9 november 1999 heeft Uw kamer motie nummer 34, die tijdens de behandeling van de Justitiebegroting door de leden Rouvoet en Van der Staaij werd ingediend, aangenomen. In deze motie werd de regering verzocht naast, maar qua tijdpad onafhankelijk van de aangekondigde wet gelijke behandeling gehandicapten een wetsvoorstel voor te bereiden houdende de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht van discriminatie van gehandicapten. In mijn brief van 17 november 1999 heb ik Uw kamer toegezegd het gevraagde te bespreken met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en uw kamer van de uitkomsten daarvan op de hoogte te stellen. Dat doe ik mede namens de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in deze brief.

Eén van de uitgangspunten van het kabinetsbeleid ter voorkoming van vooroordelen, discriminatie en racisme is dat discriminatie direct en duidelijk bestreden moet worden. Helaas ondervinden gehandicapten bij hun deelname aan het maatschappelijk verkeer ongerechtvaardigde hinder van hun handicap. Zij worden op grond van hun handicap soms anders behandeld dan verwacht zou mogen worden. Bij verschillende gelegenheden heeft het kabinet aangegeven achterstelling van gehandicapten te willen bestrijden door een cultuuromslag en een vergaande verbetering van de mentaliteit van de samenleving ten opzichte van mensen met een handicap. Er wordt onder meer gewerkt aan een wet gelijke behandeling gehandicapten. Een proeve daarvoor heeft de toenmalige staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 31 maart 1998 aan uw Kamer aangeboden. Voor de bestrijding van gehandicaptendiscriminatie heeft het kabinet tot nu toe voorrang gegeven aan civielrechtelijke handhavingsmiddelen.

Met betrekking tot strafbaarstelling van discriminatie van gehandicapten in het Wetboek van Strafrecht wil ik het volgende opmerken.

Strafbaarstelling van discriminatie in het Wetboek van Strafrecht

Het Wetboek van Strafrecht bevat een aantal bepalingen, waarin het maken van onderscheid op grond van een beperkt aantal criteria strafbaar is gesteld. Het betreft de artikelen 137c tot en met g en artikel 429quater. Het maken van onderscheid in de vorm van beledigende of tot haat of discriminatie aanzettende uitingen is strafrechtelijk gesanctioneerd in de artikelen 137c tot en met e. In artikel 137c is opzettelijke belediging van een groep mensen wegens ras, godsdienst, levensovertuiging of hetero- of homoseksuele gerichtheid strafrechtelijk gesanctioneerd. Het in het openbaar aanzetten tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen een persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid levert een overtreding op van artikel 137d. Artikel 137e stelt openbaarmaking of verspreiding van beledigende of tot haat, discriminatie of geweld aanzettende uitlatingen strafbaar.

Doel van de artikelen 137c-e is primair afkeuring tot uitdrukking te brengen van beledigende of tot haat of discriminatie aanzettende uitingen. Zij stellen een heel directe vorm van discriminatie strafbaar, bestaande uit uitingen in woord, beeld of geschrift waarbij op veelal onverbloemde wijze de waardigheid van mensen wordt gekrenkt op grond van een bepaald kenmerk zoals ras of seksuele gerichtheid. Wezenlijk voor de meeste van de strafbaar gestelde gedragingen is verder dat zij gericht zijn op openbaarmaking of verspreiding van de uitlating.

Ook gehandicapten worden, zo komt naar voren uit informatie van onder meer de Gehandicaptenraad, met beledigingen op grond van hun handicap geconfronteerd. Dat is verwerpelijk. Het kabinet acht het, met Uw kamer, van belang dat de mogelijkheid bestaat daarop ook strafrechtelijk te reageren. Teneinde daarin te voorzien zal ik een wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht voorbereiden, waarin de mogelijkheid wordt getroffen strafrechtelijk op te treden tegen het publiekelijk kwetsen van mensen op grond van hun handicap, in aansluiting op de artikelen 137c tot en met e.

Naast discriminatie in de vorm van beledigende of anderszins kwaadwillende uitingen is in de artikelen 137g en 429quater discriminatie op grond van bepaalde criteria bij de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf strafbaar gesteld. Artikel 137g bevat uitsluitend het criterium ras; in artikel 429quater zijn daarnaast de kenmerken godsdienst, levensovertuiging, geslacht en hetero- of homoseksuele gerichtheid opgenomen. Discriminatie is elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel of ten gevolge kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan of aangetast (artikel 90quater).

Opneming van de grond handicap in artikel 429quater leidt bij de huidige stand van zaken tot een strafbepaling, waarvan de reikwijdte onduidelijk is en die tot tal van vragen aanleiding geeft. Een duidelijke begrenzing van gevallen, waarin discriminatie op grond van handicap in het sociaal-economisch verkeer zich voordoet en waarin deze strafwaardig is te achten, is vooralsnog niet te geven. Normadressaten kunnen bij die onduidelijkheid hun gedrag niet op naleving van de norm richten en kunnen onverhoeds geconfronteerd worden met strafrechtelijk optreden. Er bestaat heden ten dage nog geen communis opinio over belangrijke aspecten van het maken van onderscheid op grond van een handicap in het sociaal-economisch verkeer. Dit betreft onder meer indirecte vormen van het maken van onderscheid en de vraag tot welke aanpassingen voor gehandicapten een werkgever in redelijkheid kan worden gehouden. Ik meen dat eerst op andere wijze duidelijkheid over de normstelling dient te worden geschapen, alvorens deze ook strafrechtelijk te sanctioneren.

Een belangrijk aandachtspunt bij de opstelling van de Wet gelijke behandeling gehandicapten is de bestrijding van discriminatie in het sociaal-economisch verkeer. Daarnaast worden met een breed scala van maatregelen voorzieningen geboden om mensen met een handicap te ondersteunen en achterstanden weg te nemen. Tevens doen zich internationaal ten aanzien van de bestrijding van gehandicaptendiscriminatie in het sociaal-economisch verkeer belangrijke ontwikkelingen voor. Ik wijs in dit verband in het bijzonder op het voorstel voor een richtlijn van de Raad van de Europese Unie, waarin een kader is opgenomen voor gelijke behandeling op de arbeidsmarkt. Een van de speerpunten van dit voorstel is discriminatie op grond van handicap op de arbeidsmarkt uit te bannen. Het voorstel verplicht de lidstaten niet tot strafrechtelijke handhaving, maar tot toekenning van adequate mogelijkheden aan slachtoffers van discriminatie op de arbeidsmarkt om daar zelf tegen op te komen.

Conclusie

Het overleg met de staatssecretaris van VWS heeft tot de slotsom geleid dat een wetsvoorstel zal worden voorbereid strekkende tot opneming van de grond handicap in de artikelen 137c tot en met e van het Wetboek van Strafrecht. Daarmee wordt in het Wetboek van Strafrecht de verwerpelijkheid van discriminatie op grond van handicap tot uitdrukking gebracht en wordt het mogelijk in aangewezen gevallen daartegen strafrechtelijk op te treden.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals